Provinciaal blad van Utrecht
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Utrecht | Provinciaal blad 2025, 21248 | ander besluit van algemene strekking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Utrecht | Provinciaal blad 2025, 21248 | ander besluit van algemene strekking |
Goedkeuringsbesluit faunabeheerplan 2026-2031
GEDEPUTEERDE STATEN VAN DE PROVINCIE UTRECHT
Gelet op artikel 8.1, tweede lid, van de Omgevingswet en de artikelen 6.34 tot en met 6.37 van de Omgevingsverordening provincie Utrecht.
Gelezen het verzoek van 31 oktober 2025 van de Stichting Faunabeheereenheid Utrecht tot goedkeuring van het Faunabeheerplan 2026-2031.
Het Faunabeheerplan (FBP) heeft betrekking op de uitvoering van de jacht, de landelijke en provinciale aanwijzingen als vergunningvrije gevallen en het beheer op basis van omgevingsvergunningen voor flora- en fauna-activiteiten.
In artikel 11.63 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is bepaald dat het beperken van de omvang van populaties van in het wild levende dieren, het bestrijden van schadeveroorzakende dieren door grondgebruikers en de uitoefening van de jacht worden uitgevoerd volgens het FBP.
Op grond van artikel 8.1, tweede lid van de Omgevingswet (Ow) behoeft een FBP de goedkeuring van Gedeputeerde Staten. Op grond van artikel 8.1, derde lid, van de Ow kunnen, bij algemene maatregel van bestuur en bij Omgevingsverordening (Ov), nadere regels gesteld worden over FBP-en. Deze regels zijn te vinden in respectievelijk hoofdstuk 6 van het Omgevingsbesluit (Ob) en de artikelen 6.34 tot en met 6.37 van de Ov provincie Utrecht.
Artikel 6.2 van het Ob geeft aan dat het FBP in ieder geval passende en doeltreffende maatregelen bevat voor het voorkomen en het bestrijden van schade aangericht door in het wild levende dieren. Tevens is vermeld dat het plan wordt onderbouwd door trendtellingen van de populaties van in het wild levende dieren in het gebied waarop het FBP van toepassing is.
Artikel 6.34 van de Ov provincie Utrecht geeft, onder andere, aan dat de Faunabeheereenheid (FBE) Utrecht één FBP opstelt voor haar werkgebied met een geldigheidsduur van maximaal zes jaar. Artikel 6.35 van de Ov provincie Utrecht bevat de algemene eisen waar het plan aan dient te voldoen. In aanvulling daarop bevatten de artikelen 6.36 en 6.37 van de verordening een aantal specifieke eisen voor, respectievelijk de onderdelen beheer & schadebestrijding en jacht. Voor de specifieke teksten van deze bepalingen verwijzen wij naar de bijlage bij dit besluit.
Jurisprudentie ten aanzien van landelijke of provinciale aanwijzingen als vergunningvrij geval.
Tot 2021 werd in de rechtspraak aangenomen dat landelijke en/of provinciale vrijstellingslijsten per definitie voldeden aan de eisen voor het verlenen van een vrijstelling op basis van de wet en dat hiermee vaststond dat de bestrijding noodzakelijk was, er geen andere bevredigende oplossing bestond en dat er geen afbreuk werd gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soort. Op grond hiervan was het niet vereist om deze vrijstellingen bij de goedkeuring van een FBP aan een nadere beoordeling te onderwerpen.
In haar uitspraak van 7 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:745, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) deze lijn voor wat betreft de provinciale vrijstellingslijsten verlaten. Aangegeven werd dat bij de beoordeling van het goedkeuringsbesluit voor een FBP door GS moet worden nagegaan of aan de toepasselijke wettelijke vereisten is voldaan.
Deze lijn is door de Afdeling in haar uitspraak van 19 april 2024, ECLI:NL:RVS:2023:1545, doorgetrokken naar de landelijk vrijgestelde soorten. Ook voor deze soorten moet door Gedeputeerde Staten worden getoetst of, op het moment van het goedkeuringsbesluit, op provinciaal niveau, is voldaan aan de wettelijke vereisten. Voor de toetsing kan niet enkel worden verwezen naar (de toelichting bij) de landelijke vrijstellingen.
In haar uitspraak van 17 december 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:9045 heeft de Rechtbank Gelderland geoordeeld dat GS bij de beoordeling van het goedkeuringsbesluit voor een FBP moet beoordelen of de gestelde schade in voldoende mate is onderbouwd en de ‘redelijke staat van instandhouding is gewaarborgd’.
Bij de beoordeling is gekeken of het voorgestelde beheer in lijn is met het toepasselijke provinciale beleidskader welke is opgenomen in het door Gedeputeerde Staten op 9 juli 2024 vastgestelde Omgevingsprogramma Faunabeleid en Monitoring.
Daarnaast is gekeken of, voor de soorten waarop het plan ziet, is voldaan aan de, eisen uit de wet en de jurisprudentie. Hierbij wordt, bij de aard van te toetsing, een onderscheid gemaakt tussen situaties waarbij landelijke of provinciale aanwijzingen als vergunningvrij geval (vrijstellingen) van toepassing zijn, soorten waarop de jacht kan worden geopend en soorten waarbij het voorgestelde beheer plaatsvindt op basis van vergunningen voor flora- en fauna-activiteiten.
Ten aanzien van de vrijstellingen en de jacht is meer in detail getoetst. Reden hiervoor is dat de beoordeling van de activiteiten alleen in het kader van de goedkeuring het FBP plaatsvindt. Er is geen nadere besluitvorming meer vereist. Het besluit wijzigt daarmee direct de rechtspositie van belanghebbenden en is daardoor zelfstandig van aard en niet alleen procedureel.
Ten aanzien van het beheer op basis van vergunningen vindt er nog wel een nadere toetsing plaats. In de vergunningprocedure kan er nog nadere informatie worden gevraagd en verstrekt. Tegen de besluiten op de aanvragen kunnen ook rechtsmiddelen worden ingediend. Om deze reden heeft de toetsing meer op hoofdlijnen plaatsgevonden en is er beoordeeld of de onderbouwing, op hoofdlijnen, voldoet aan de eisen uit de Ov provincie Utrecht. Dit betekent ook dat de goedkeuring van deze onderdelen niet impliceert dat de vergunningen ook altijd conform het plan kunnen worden verleend.
Landelijke aanwijzing als vergunningvrij geval:
In het plan staat ten aanzien van de landelijke aanwijzing onder het kopje <voorgesteld beheer>: “In de gehele provincie Utrecht wordt gebruikgemaakt van de landelijke vrijstelling voor afschot van de vos overdag.”
Blijkens de bovengenoemde jurisprudentie zal moeten worden onderbouwd dat er in de (gehele) provincie Utrecht aan de wettelijke criteria voor de aanwijzing is voldaan.
In het plan is niet onderbouwd dat er in de gehele provincie, jaarrond, een noodzaak bestaat voor het doden van vossen. Deze onderbouwing is er slechts voor een aantal soorten, te weten: weidevogels, Veldleeuwerik en Purperreiger. In het plan staat ook vermeld dat niet overal beheer nodig is (p. 240, onder ‘Beoordeling proportionaliteit’).
Wij onthouden derhalve goedkeuring aan het FBP voor zover het de uitvoering van de landelijke aanwijzing betreft. Voor specifieke situaties waarvoor schadebestrijding noodzakelijk wordt geacht kan een, onderbouwde, vergunningaanvraag worden ingediend.
Beheer op basis van vergunningen:
De basisinformatie die vanuit de Ov en het provinciale beleid is vereist is, is aanwezig. Dit onderdeel van het FBP kan derhalve worden goedgekeurd.
Landelijke aanwijzing als vergunningvrij geval:
Op basis van de jurisprudentie zal moeten worden onderbouwd dat er in de (gehele) provincie Utrecht aan de wettelijke criteria voor vrijstellingen is voldaan.
In het plan is niet onderbouwd dat er in de gehele provincie, jaarrond, een noodzaak bestaat voor het doden van zwarte kraaien. Wat betreft landbouwschade bevat het plan slechts informatie over een beperkt aantal gewassen (appel/peer/mais) in een aantal wildbeheereenheden. Ten aanzien van schade aan flora en fauna wordt met name ingegaan op boerenlandvogels (weidevogels en veldleeuwerik). Het beheer op basis van de aanwijzing als vergunningvrij geval is hier niet toe beperkt en derhalve te ruim geformuleerd.
Wij onthouden derhalve goedkeuring aan het FBP voor zover het de uitvoering van de landelijke aanwijzing ten aanzien van de zwarte kraai betreft. Voor specifieke situaties waarvoor schadebestrijding noodzakelijk wordt geacht kan een, nader onderbouwde, vergunningaanvraag worden ingediend.
Beheer op basis van vergunningen:
Wij merken op dat in het plan niets specifieks is opgenomen over het voorgestelde beheer op basis van Omgevingsvergunningen, anders dan dat aanvullend beheer middels vangkooien en verruiming van de afschotperiode wordt overwogen en dat, indien nodig, hiervoor vergunningen worden aangevraagd. Tevens wordt aangegeven dat de noodzaak hiervan nog zal moeten worden onderbouwd (p. 268). Gelet hierop kan dit onderdeel nog niet door ons worden getoetst. Indien u beheer van deze soort op basis van vergunningen noodzakelijk acht raden wij u aan het FBP hiermee aan te vullen.
Landelijke aanwijzing als vergunningvrij geval:
Wij constateren dat het plan geen gegevens bevat over, eventuele, schade aan fauna waardoor de landelijke aanwijzing binnen de provincie niet kan worden gebruikt ten behoeve van dit belang.
Aangegeven is dat dodelijke beheermaatregelen proportioneel zijn wanneer ze worden toegepast in gebieden en perioden waarin aantoonbare schade (aan gewassen) optreedt en waar eerdere inzet van preventieve maatregelen onvoldoende resultaat heeft opgeleverd.
Bij het overzicht onder de landelijke vrijstelling (p. 438 ) wordt het beheer hier echter niet toe beperkt. Hier wordt het gebruik van de landelijke vrijstelling voorgestaan in de gehele provincie, gedurende het gehele jaar en voor alle gewassen.
In het plan zijn maar zeer beperkt schadegegevens voor, met name, peer en mais vermeld en deze schade heeft zich niet in alle wildbeheereenheden voorgedaan. Daarnaast wordt in het plan aangegeven dat er geen negatief effect zou zijn op de staat van instandhouding nu alleen de niet-broedvogelpopulatie in Nederland zich in een ongunstige staat van instandhouding zou bevinden. Met het enkele feit dat de staat van instandhouding op provinciaal niveau gunstig zou zijn is, naar ons oordeel, onvoldoende beargumenteerd dat de staat van instandhouding op landelijk niveau niet kan verslechteren.
Nu het plan onvoldoende is onderbouwd dat er in de gehele provincie, jaarrond, een noodzaak bestaat voor het doden van Kauwen en niet is onderbouwd dat er is voldaan aan de wettelijke vereisten onthouden wij goedkeuring aan het FBP voor zover het de uitvoering van de landelijke aanwijzing als vergunningvrij geval ten aanzien van de Kauw betreft. Voor specifieke situaties waarvoor schadebestrijding noodzakelijk wordt geacht kan een, nader onderbouwde, vergunningaanvraag worden ingediend.
Wij merken op dat in het plan niets specifieks is opgenomen over het voorgestelde beheer op basis van Omgevingsvergunningen. Er wordt enkel gewezen op het feit dat de inzet van vangkooien als mogelijk aanvullend middel waarbij is aangegeven dat dit zorgvuldig zal moeten worden onderbouwd. Dit kan op dit moment dan ook nog niet door ons worden getoetst. Indien u beheer van deze soort op basis van vergunningen noodzakelijk acht raden wij u aan het FBP hiermee aan te vullen.
Landelijke aanwijzing als vergunningvrij geval:
In artikel 4.18 van de Omgevingsregeling, wordt vermeld dat de aanwijzing als vergunningvrij geval ziet op de Canadese gans (Branta canadensis en Branta hutchinsii hutchinsii). Nu voor de Kleine Canadese gans alleen de ondersoort hutchinsii, de Hutchins’ Canadese gans, is genoemd geldt de aanwijzing niet voor de overige ondersoorten.
Wij merken op dat de tekst van het plan veelal onduidelijk is op welke soort het plan ziet. Per soort zal moeten worden onderbouwd dat aan de voorwaarden voor het gebruik van de landelijke aanwijzing is voldaan.
In het hoofdstuk wordt verder niet ingegaan op eventuele andere bevredigende oplossingen maar wordt volstaan met de tekst dat bij beheer op basis van de vrijstelling geen preventieve maatregelen noodzakelijk zijn. Hiermee wordt niet voldaan aan de eisen uit de jurisprudentie.
In de verstrekte schade-en afschotgegevens wordt geen onderscheid gemaakt tussen beide soorten. Alhoewel het aannemelijk is dat het in de meeste gevallen zal gaan om Grote Canadese ganzen, is dit niet aangetoond. Voor de Kleine (Hutchins’) Canadese gans wordt ook niet ingegaan op de gevolgen voor de staat van instandhouding. Bovendien is de geconstateerde schade beperkt in omvang en niet in de gehele provincie aanwezig.
Er is derhalve onvoldoende aangetoond dat er voor deze soorten in de gehele provincie, jaarrond, een noodzaak bestaat voor het doden ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen. Om deze reden onthouden wij goedkeuring aan dit onderdeel van het plan. Voor specifieke situaties waarvoor schadebestrijding noodzakelijk wordt geacht kan een, nader onderbouwde, vergunningaanvraag worden ingediend.
De gevraagde informatie is, in beginsel, aanwezig maar niet per soort (zie hierboven). Bovendien blijven de schades ruim onder de EUR 20.000,- (een drempel opgenomen in het beleid, als schade daaronder ligt, wordt enkel verwacht dat schade voorkomen wordt met niet dodelijke maatregelen, lukt dat niet, dan wordt schade uitgekeerd). Mocht schade gedurende de planperiode oplopen en er noodzaak voor beheer ontstaan, dan zal bij een vergunningsaanvraag duidelijk moeten blijken om welke soort het gaat en een soortspecifieke onderbouwing moeten worden aangeleverd.
De landelijke staat van instandhouding van de soort wordt in het plan, als broedvogel, matig ongunstig en als niet-broedvogel zeer ongunstig aangemerkt. In het FBP dient te worden aangetoond dat de uitoefening van de jacht geen verslechtering van de staat van instandhouding met zich mee kan brengen. Op basis van onderzoek is de conclusie dat de jacht niet de primaire oorzaak van de achteruitgang van deze soort is. Oorzaken liggen in intensivering van de landbouw, waardoor ontwatering en vermesting en frequenter maairegime heeft plaats gevonden. Hierdoor is er minder habitat beschikbaar en is er een hogere sterfte (p. 334).
De Utrechtse watervogeltrend van wilde eend is de laatste 12 jaar stabiel (bron Sovon, p. 406, figuur 4). In die periode vond ook jacht plaats (afschotcijfers van de afgelopen 6 jaar op p. 409). Dit betekent dat de jacht in de afgelopen periode geen negatieve invloed heeft gehad op de soort. Beschreven is dat de soort schade kan veroorzaken op akkerbouw en vollegrondsgroenten.
Naar ons oordeel is hiermee voldaan aan de eisen uit Ov van de provincie Utrecht. Dit betekent dat de jacht op deze soort in Utrecht kan worden uitgeoefend.
Wij merken op dat in het plan niets specifieks is opgenomen over het beheer op basis van Omgevingsvergunningen waardoor dit niet door ons getoetst kan worden. Indien u beheer van deze soort op basis van vergunningen noodzakelijk acht raden wij u aan het FBP hiermee aan te vullen.
De landelijke staat van instandhouding van de soort wordt in het plan als matig ongunstig aangemerkt. Dat betekent dat moet worden aangetoond dat de uitoefening van de jacht geen verslechtering van de SvI met zich mee kan brengen. Oorzaken van het achteruitgaan van de populatie op landelijk niveau liggen in intensivering van het agrarisch gebied, gebruik van bestrijdingsmiddelen en daardoor achteruitgang van voedselbeschikbaarheid en hoge predatiedruk (p. 334). Voor de niet-broedvogeltrend (de periode waarin gejaagd mag worden) is voor fazant geen trend waarneembaar (bron: Sovon), maar is wel duidelijk dat deze, ondanks grote schommelingen, in zijn geheel de laatste 12 jaar niet afneemt (p. 344, figuur 4). In die periode heeft jacht plaatsgevonden (afschotcijfers van de afgelopen 6 jaar op p. 348). Dit betekent dat de jacht geen negatieve invloed heeft op de niet-broedvogeltrend. Beschreven is dat de soort schade kan veroorzaken op akkerbouw en vollegrondsgroenten en overige gewassen.
Nu naar ons oordeel wordt voldaan aan de Ov provincie Utrecht keuren wij het onderdeel jacht goed. Dit betekent dat de jacht op deze soort in Utrecht kan worden uitgeoefend.
Wij constateren dat in het plan niets is opgenomen ten aanzien van (aanvullende) vergunningverlening voor deze soort. Goedkeuring is voor dit onderdeel dan ook niet aan de orde.
Landelijke aanwijzing als vergunningvrij geval:
Wij constateren dat niet duidelijk is op welke wijze de aanwijzing als vergunningvrij geval overeenkomstig het plan zou moeten worden uitgevoerd. In het plan wordt geadviseerd terughoudend om te gaan met afschot gedurende de broedperiode (p. 378 en 382). Het plan bevat echter geen nadere regeling ter zake. Daarmee is het afschot vrijblijvend en kan niet worden gegarandeerd dat er geen negatieve invloed kan zijn op de staat van instandhouding. Preventieve maatregelen zijn wel benoemd maar er is niet aangetoond dat deze onvoldoende effectief zijn. Tevens zijn er (een enkel geval daargelaten) geen schadegegevens verstrekt om een dreiging van belangrijke schade aan gewassen voldoende te onderbouwen.
Er is derhalve onvoldoende aangetoond dat er voor deze soort in de gehele provincie, jaarrond, een noodzaak bestaat voor het doden ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen. Om deze reden onthouden wij goedkeuring aan dit onderdeel van het plan.
Het plan motiveert op basis van bestaand onderzoek dat jacht kan worden uitgevoerd zonder afbreuk te doen aan de staat van instandhouding van de soort. Oorzaken van het achteruitgaan van de populatie op landelijk niveau in de winter liggen in verandering van migratiestrategie veroorzaakt door afnemende voedselbeschikbaarheid en klimaatverandering (p. 334). In Utrecht is er de laatste 12 jaar geen achteruitgang waargenomen van niet-broedvogels (figuur 4, p. 373, bron: Sovon), terwijl er in die periode wel op houtduiven gejaagd werd (afschotcijfers van de afgelopen 6 jaar op p. 377). Beschreven is dat de soort schade kan veroorzaken op akkerbouw, grasland, vollegrondsgroenten en fruit.
Hiermee is naar ons oordeel voldaan aan de Ov provincie Utrecht. Dit betekent dat in Utrecht de jacht op deze soort kan worden uitgeoefend.
Wij merken op dat in het plan niets specifieks is opgenomen over het voorgestelde beheer op basis van Omgevingsvergunningen waardoor dit niet door ons getoetst kan worden. Indien u beheer van deze soort op basis van vergunningen noodzakelijk acht raden wij u aan het FBP hiermee aan te vullen.
In het plan is aangegeven dat er momenteel geen objectieve, gebiedsdekkende en onafhankelijke gegevens over daadwerkelijke of dreigende belangrijke schade door konijnen binnen de provincie Utrecht zijn. Tevens is aangegeven dat de soort zich in een (zeer) ongunstige staat van instandhouding bevindt. Opgemerkt wordt dat, zolang dit het geval is, er géén gebruik worden gemaakt kan worden van de landelijkeaanwijzing voor het doden van konijnen.
Wij zijn van mening dat in het plan terecht tot deze conclusie is gekomen en keuren het plan op dit onderdeel dan ook goed. Dit betekent dat in Utrecht geen gebruik gemaakt mag worden van de landelijke aanwijzing als vergunningvrij geval.
Mocht de FBE binnen deze faunabeheerperiode tot het oordeel komen dat deze omstandigheden zijn gewijzigd en er toch van de aanwijzing gebruik gemaakt kan worden dient er een aanpassing van het FBP plaats te vinden welke door ons dient te worden goedgekeurd. Voor specifieke situaties waarvoor schadebestrijding noodzakelijk wordt geacht kan een, nader onderbouwde, vergunningaanvraag worden ingediend.
Door de minister van LVVN is, bij ministeriele regeling van 26 juli 2022 (nr. WJZ/ 21093226), besloten de jacht op het konijn voorlopig landelijk te sluiten vanwege zorgen over de landelijke SvI.
Wij constateren dat in het plan geen regeling is opgenomen voor het geval de jacht op deze soort weer wordt geopend. Mocht dit het geval zijn dient er een aanpassing van het FBP plaats te vinden, welke door ons dient te worden goedgekeurd, alvorens de jacht weer uitgeoefend kan worden.
Wij keuren het FBP op dit onderdeel goed.
Op hoofdlijnen lijkt de informatie ten behoeve van (aanvullende) vergunningen voor het Konijn aanwezig. De schade aan sportvelden, industrieterreinen e.d. is verder niet uitgewerkt. Bij een eventuele aanvraag voor een vergunning zal casus-specifieke informatie moeten worden aangeleverd. Over de staat van instandhouding staat vermeld dat dan een nadere onderbouwing noodzakelijk is.
Aangezien de basisinformatie conform wetgeving is opgenomen en de aanpak aansluit bij het beleid, keuren wij dit onderdeel goed.
Door de minister van LVVN is bij ministeriele regeling van 26 juli 2022 (nr. WJZ/ 21093226) besloten de jacht op de haas in, onder andere, de provincie Utrecht voorlopig te sluiten vanwege zorgen over de landelijke staat van instandhouding.
Wij constateren dat in het plan geen regeling is opgenomen voor het geval de jacht op deze soort weer wordt geopend. Mocht dit het geval zijn dient er een aanpassing van het FBP plaats te vinden, welke door ons dient te worden goedgekeurd, alvorens de jacht weer uitgeoefend kan worden.
Wij keuren het FBP op dit onderdeel goed.
Op hoofdlijnen lijkt de informatie ten behoeve van (aanvullende) vergunningen voor hazen aanwezig. In het plan staat vermeld dat een nadere onderbouwing (o.a. inzake de SvI) noodzakelijk is.
Aangezien de basisinformatie conform wetgeving is gegeven en de aanpak aansluit bij het beleid, keuren wij dit onderdeel goed.
Ten aanzien van de overwinterende ganzen wordt aangegeven dat ondersteunend afschot wordt uitgevoerd op basis van een vergunning of de provinciale vrijstelling in de periode 1 januari-1 februari voor grauwe gans en 1 januari-1 maart voor brandgans en kolgans in de gehele provincie met uitzondering van de Wildbeheereenheden Lage Vuursche en de Schaffelaar. Dit wordt uitgevoerd ter voorkoming van belangrijke schade aan graslandpercelen.
Wij merken op dat de huidige aanwijzing alleen ziet op verjagend afschot bij percelen met nieuw ingezaaid grasland. In het plan wordt ten aanzien van het voorgestelde beheer geen onderscheid gemaakt in het type graslandpercelen. Ook in de schadecijfers komt dat niet naar voren. Nut en noodzaak van het beheer op basis van de (huidige) vrijstelling kunnen dan ook niet nader worden onderbouwd.
Om deze reden onthouden wij goedkeuring aan dit onderdeel van het FBP, hetgeen betekent dat deze aanwijzing vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit niet meer kan worden gebruikt. Voor specifieke situaties waarvoor schadebestrijding noodzakelijk wordt geacht kan een, nader onderbouwde, vergunningaanvraag worden ingediend.
Er is een onderbouwing aanwezig dat het noodzakelijk is om dieren te doden ten behoeve van schadebestrijding op grasland door zowel trek- (grauwe-, kol- en brandgans) als standganzen (grauwe gans, brandgans) die voldoet aan de gestelde eisen. Wel is de onderbouwing dat dit noodzakelijk is op hoog en midden salderende (voorheen kwetsbare) gewassen, voor Kol- en Brandgans beperkt. Ook is voor sommige wildbeheereenheden de dreiging dat schade ontstaat als daar geen beheer plaatsvindt in de winterperiode (trekganzen) onvoldoende gemotiveerd. Wij verwachten dat bij een vergunningsaanvraag duidelijk blijkt op welke gewassen en door welke soort en in welke periode beheer noodzakelijk is en óf hoe de inzet van preventieve maatregelen geborgd is binnen de aanpak. Zodat doden enkel als laatste redmiddel wordt ingezet, conform wetgeving en beleid.
Aangezien de basisinformatie conform wetgeving is gegeven en de aanpak aansluit bij het beleid, keuren wij dit onderdeel goed.
Er is een onderbouwing aanwezig dat het noodzakelijk is om dieren te doden ten behoeve van schadebestrijding op grasland die voldoet aan de gestelde eisen. Wel is de onderbouwing dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn beperkt. Wij verwachten dat bij een vergunningsaanvraag duidelijk blijkt hoe de inzet van preventieve maatregelen geborgd is binnen de aanpak. Zodat doden enkel als laatste redmiddel wordt ingezet, conform wetgeving en beleid.
Aangezien de basisinformatie conform wetgeving is gegeven en de aanpak aansluit bij het beleid, keuren wij dit onderdeel goed.
Er is een onderbouwing aanwezig dat het noodzakelijk is om dieren te doden ten behoeve van schadebestrijding op grasland die voldoet aan de gestelde eisen. Wel is de onderbouwing dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn beperkt. Wij verwachten dat bij een vergunningsaanvraag duidelijk blijkt hoe de inzet van preventieve maatregelen geborgd is binnen de aanpak. Zodat doden enkel als laatste redmiddel wordt ingezet, conform wetgeving en beleid.
Aangezien de basisinformatie conform wetgeving is gegeven en de aanpak aansluit bij het beleid, keuren wij dit onderdeel goed.
Er is een onderbouwing aanwezig dat het noodzakelijk is om dieren te doden ten behoeve van schadebestrijding op grasland die voldoet aan de gestelde eisen. Er is tevens onderbouwd hoe geborgd wordt dat de staat van instandhouding met dit voorgestelde beheer niet verder verslechtert. Wel is de onderbouwing dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn beperkt. Daarbij worden verschillende periodes genoemd (1 maart of 1 april). Wij verwachten, net als bij de meerkoet, dat meer informatie zal worden aangeleverd bij een vergunningsaanvraag voor afschot.
Aangezien de basisinformatie conform wetgeving is gegeven en de aanpak aansluit bij het beleid, keuren wij dit onderdeel goed.
Voor deze soort is t.a.v. de verkeersveiligheid voldoende onderbouwd dat er is voldaan aan de wettelijke criteria en het beleid. De aankomende twee jaar wil men, op basis van voorgaande jaren het beheer op dezelfde wijze uitvoeren. In die periode wil men de gebiedsgerichte aanpak (adaptief beheer) verder versterken en per gebied bepalen welk beheer het beste uitgevoerd kan worden en op basis daarvan vergunningen aanvragen per gebied. Dit is een werkwijze die ook opgenomen is in het beleid.
Aangezien de basisinformatie conform wetgeving is gegeven en de aanpak aansluit bij het beleid, keuren wij dit onderdeel goed.
Onduidelijk is welk beheer er nu wordt voorgestaan. Enerzijds wordt aangegeven het huidige beheer voort te zetten, wat betekent dat men een vergunning voor het afschot van damherten zou moeten aanvragen om in elk geval de nulstand te kunnen realiseren buiten het nu bestaande leefgebied en om eventueel, wanneer nodig, de stand binnen het leefgebied op 80 te houden. Anderzijds wordt aangegeven dat het (nu) niet nodig is om een vergunning aan te vragen maar dat een incidentele vergunning voor voorkomen van onnodig lijden worden ingezet. Dat laatste betreft de valwildvergunning. Deze kan niet worden gebruikt ten behoeve van het nulstandbeleid.
Geadviseerd wordt om te verduidelijken in het FBP wat men voornemens is in de komende beheerperiode.
Aangezien is aangegeven dat de FBE, op dit moment, niet voornemens is een vergunning aan te vragen, behoeft dit geen verdere toetsing en is het mogelijk om dit onderdeel goed te keuren.
Voorgesteld wordt de huidige vergunning voor het beheer van bevers volgens het Utrechtse protocol te blijven gebruiken. Dit beheer houdt tot op heden in dat bevers verstoord, gevangen en verplaatst mogen worden en hun voortplantings- of rustplaats beschadigd mogen worden, als er geen alternatieven aanwezig zijn (stappenplan) opgenomen in het protocol). Dit gebeurt in het kader van waterveiligheid door Waterschappen en/of Rijkswaterstaat. Voor andere belangen kan (door derden) incidenteel een vergunning worden aangevraagd. De FBE geeft niet aan dat zij deze vergunningen aanvraagt.
Omdat de FBE zelf geen vergunningen aanvraagt, valt er niets te beoordelen en is het mogelijk om dit onderdeel goed te keuren (de informatie kan door derden gebruikt worden als basis voor vergunningaanvragen, aangevuld met casus-specifieke informatie).
Dit besluit treedt in werking vanaf 1 januari 2026.
Dit besluit wordt bekendgemaakt door toezending aan de aanvrager en zal tevens worden gepubliceerd op www.officielebekendmakingen.nl
Belanghebbenden kunnen bij Gedeputeerde Staten van Utrecht bezwaar indienen tegen dit besluit binnen zes weken na de verzenddatum van deze beschikking.
Het bezwaar kan zich slechts richten op de delen van dit besluit die een rechtstreeks rechtsgevolg hebben (de onderdelen welke betrekking hebben op de aanwijzingen als vergunningvrij geval en op de jacht). Voor de overige delen van het FBP geldt dat dit goedkeuringsbesluit een voorbereidend besluit is zonder zelfstandig rechtsgevolg. Gelet op artikel 6:3 van de Algemene wet bestuursrecht staat er daarom geen bezwaar of beroep tegen die delen van het besluit open. Tegen omgevingsvergunningen die op basis van dit FBP worden verleend, waarmee het beheer van beschermde soorten mogelijk gemaakt wordt, staat
Het indienen van bezwaar kan op de volgende manieren:
Via het formulier “Bezwaar maken tegen een beslissing van de provincie”. U vindt dit formulier op Bezwaar tegen beslissing provincie | provincie Utrecht.
Kunt u nog niet precies aangeven waarom u bezwaar maakt, bijvoorbeeld omdat u hiervoor nog aanvullende informatie of advies nodig heeft? Dan kunt u in het bezwaarschrift-formulier of het zelfgeschreven bezwaarschrift aangeven dat u pro forma bezwaar wilt maken. U kunt dan op een later moment aangeven waarom u bezwaar maakt. Verstuur deze aanvullende bezwaargronden per post binnen vier weken nadat u het bezwaarschrift verstuurd heeft.
Print het ingevulde bezwaarschrift-formulier of het zelfgeschreven bezwaarschrift, onderteken het met een “natte handtekening” en stuur het inclusief eventuele bijlagen per post naar:
t.a.v. de secretaris van de Awb-adviescommissie
Aan de behandeling van een bezwaarschrift zijn geen kosten verbonden.
Let op: het indienen van een bezwaarschrift stelt de inwerkingtreding van het besluit niet uit. Vindt u het belangrijk dat een rechter met spoed kijkt naar de werking van het besluit, voordat Gedeputeerde Staten van Utrecht een beslissing nemen op uw bezwaarschrift? Dan heeft u de mogelijkheid om een voorlopige voorziening aan te vragen bij de rechtbank. Een voorlopige voorziening is een apart proces, naast het bezwaar. Het is een speciale maatregel zolang het bezwaar nog in behandeling is. De voorzieningenrechter kijkt in dat geval of er een spoedeisend belang is en komt met een uitspraak
Heeft u een vraag over dit besluit? Neem dan contact op door een e-mailbericht te sturen naar: faunabeheer@provincie-utrecht.nl. Wanneer u contact opneemt, geef dan het besluitnummer door (dit zaaknummer vindt u bovenaan deze beschikking). Dan kunnen we u zo snel mogelijk helpen.
Hoogachtend,
Gedeputeerde Staten van Utrecht,
Voorzitter,
mr. J.H. Oosters
Secretaris,
mr. drs. A.G. Knol - van Leeuwen
Bijlage 1. Relevante bepalingen Omgevingsverordening provincie Utrecht
Artikel 6.34 Faunabeheerplan algemeen
Artikel 6.35 Inhoud faunabeheerplan algemeen
Het faunabeheerplan bevat in ieder geval de volgende gegevens:
kwantitatieve gegevens over de in het wild levende dieren binnen de provincie, waarop het faunabeheerplan van toepassing is over een periode van minimaal zes jaar voorafgaand aan de periode waarop het plan betrekking heeft en een beschrijving van de trend van deze soorten over deze periode, zowel binnen de provincie als landelijk;
een overzicht per diersoort, onderverdeeld naar de verschillende wildbeheereenheden, van de op basis van de toepasselijke vrijstellingen, ontheffingen, opdrachten en bij de uitoefening van de jacht gedode dieren en geraapte en onklaar gemaakte eieren in de periode van minimaal zes jaar voorafgaand aan de periode waarop het plan betrekking heeft; en
Artikel 6.36 Inhoud faunabeheerplan, specifiek, beheer en schadebestrijding
Het faunabeheerplan bevat ook de volgende gegevens over beheer en schadebestrijding van diersoorten:
per diersoort een beschrijving van de activiteiten die in, minimaal, de zes jaren voorafgaand aan de periode waarop het plan betrekking heeft zijn verricht om schade te voorkomen of beperken en, als daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van deze activiteiten;
per diersoort een topografische kaart waarop is aangegeven waar zich in, minimaal, de zes jaren voorafgaand aan de periode waarop het plan betrekking heeft, gevallen van belangrijke schade hebben voorgedaan en waar in het kader van beheer- en schadebestrijding bestrijdingsacties hebben plaatsgevonden;
Artikel 6.37 Inhoud faunabeheerplan, jacht
Het faunabeheerplan bevat ook in ieder geval de volgende gegevens over de jacht:
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2025-21248.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.