Provinciaal blad van Groningen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Groningen | Provinciaal blad 2025, 20927 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Groningen | Provinciaal blad 2025, 20927 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Gedeputeerde Staten van Groningen zijn voornemens, met instemming van Gedeputeerde Staten van provincie Drenthe
het ontwerp van het Natura 2000-beheerplan Zuidlaardermeergebied 2026-2031 vast te stellen,
zoals is aangegeven in Bijlage A.
het ontwerp van het Natura 2000-beheerplan Zuidlaardermeergebied 2026-2031 ter inzage te leggen.
Groningen, 9 december 2025
Gedeputeerde Staten van Groningen:
René Paas, voorzitter
Hans Schrikkema, secretaris
Het Natura 2000 beleidskader stoelt op Europese regelgeving voor de bescherming van een samenhangend netwerk van natuurgebieden. Binnen de Natura 2000-gebieden staat de bescherming van de natuurlijke leefomgeving van plant- en diersoorten die in hun voortbestaan bedreigd worden voorop. Nederland heeft 161 Natura 2000-gebieden. De twee sturende richtlijnen van het Europese Natuurbeleid zijn de Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR): De Vogelrichtlijn beschermt de populaties en leefgebieden van verschillende vogelsoorten. De Habitatrichtlijn beschermt (leefgebieden van) soorten flora en fauna - anders dan vogels - en ook habitattypen. In een Natura2000-gebied kunnen beschermingsregimes uit zowel Vogel- als Habitatrichtlijn gelden.
Het Europese Natura-2000 beleid is voor Nederland nader uitgewerkt in de Omgevingswet – onderdeel Natuur (voorheen de Wet natuurbescherming (Wnb)). In de Omgevingswet is bijvoorbeeld geregeld dat bepaalde voorgenomen activiteiten in en in de omgeving van een Natura 2000-gebied vooraf getoetst moeten worden om negatieve effecten op aangewezen soorten en hun leefgebied uit te sluiten. Sommige activiteiten kunnen onder voorwaarde van een vergunning worden toegelaten. Voor elk Natura 2000-gebied worden in een aanwijzingsbesluit instandhoudingsdoelen vastgelegd. Hierbij wordt per leefgebied, habitattype en/of soort uitgegaan van landelijke doelen en de bijdrage die het specifieke Natura 2000-gebied kan leveren aan het bereiken van die landelijke doelen. Sommige landelijke doelen worden in meerdere Natura 2000-gebieden gezamenlijk bereikt. Elk gebied levert de bijdrage die redelijkerwijs mogelijk is.
Als in de aanwijzing en de uitwerking daarvan - het beheerplan - is opgeschreven welke maatregelen bijdragen aan het doelbereik, dan wordt verwacht en verlangd dat alles in het werk wordt gesteld om die maatregelen ook te treffen. Nadat een gebied in Brussel is aangemeld door de Minister van LVVN, is het een kwestie van uitvoeren van de gestelde maatregelen en waarborgen van de instandhoudingsdoelstellingen. Uitgangspunten en doelen zijn naderhand moeilijk te wijzigen, omdat doelen vaak voor meerdere Natura 2000-gebieden gezamenlijk gelden.
De Europese Commissie heeft het Zuidlaardermeergebied op 24 maart 2000 (N/2000/324) onder de naam “Zuidlaardermeergebied” aangewezen als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn (Vogelrichtlijngebied, NL0902041). Bij besluit van 14 maart 2011 (PDN/2010-020, Stcrt. 2011, 4458) is de aanwijzing gewijzigd en is het gebied aangewezen als Natura 2000- gebied onder de Vogelrichtlijn.
Het Zuidlaardermeergebied is als Natura 2000-gebied aangewezen vanwege de aanwezigheid van open water, moerassen en graslanden, welke het leefgebied vormen van een aantal in Bijlage I van de richtlijn (artikel 4, lid 1 van de Vogelrichtlijn) bedoelde vogelsoorten. Tevens is het aangewezen als broed-, foerageer-, overwinterings- en rustgebied in de trekzone van een aantal trekvogelsoorten (genoemd in art. 4, lid 2 van de Vogelrichtlijn). In het definitieve Aanwijzingsbesluit van 2010 zijn voor acht vogelsoorten instandhoudingsdoelen opgenomen, namelijk de broedvogels Roerdomp, Porseleinhoen, Rietzanger en de niet-broedvogels Kleine zwaan, Toendrarietgans, Kolgans, Smient en Slobeend.
Natura 2000-gebied Zuidlaardermeergebied ligt in de provincies Groningen en Drenthe en behoort tot het grondgebied van de gemeenten Groningen, Midden-Groningen en Tynaarlo. De begrenzing van het Natura 2000-gebied is zo gekozen dat een in landschappelijk opzicht samenhangend geheel is ontstaan met de omliggende weilanden en akkers die gezamenlijk voorzien in de foerageerbehoefte van de overwinterende beschermde niet-broedvogels en de beschermingsbehoefte voor het voortbestaan en/of voortplanten van bedoelde broedvogelsoorten.

Figuur 1.1. Topografische kaart van het Natura 2000-gebied Zuidlaardermeer met begrenzing (stippellijn).
Het Natura 2000-gebied Zuidlaardermeergebied bestaat uit twee grote(re) waterlichamen, (Zuidlaardermeer en de zuidelijke helft van het Foxholstermeer), omringende buitendijkse oeverlanden (Leinwijk, Wolfsbarge en Zuidoevers) en een vijftal (zomer)polders (Oosterpolder, Onnerpolder, Oostpolder, Westerbroekstermadepolder en Kropswolderbuitenpolder). Het open landschap rond het Zuidlaardermeer wordt aan de westzijde begrensd door de Hondsrug. In de richting van de flank van de Hondsrug verdicht het landschap zich enigszins door de moerasbosontwikkeling op verlandende petgaten en houtwallen in de nabijheid van boerderijen. Het water van het Zuidlaardermeer is onderdeel van het stroomlichaam de Hunze.
Voor een uitgebreide gebiedsomschrijving wordt verwezen naar Bijlage 2 Gebiedsomschrijving.
De uitwerking van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn is in Nederland vastgelegd in de Omgevingswet. Daarin is bepaald dat het Rijk verantwoordelijk is voor het aanwijzen van de Natura 2000-gebieden en het bepalen van de instandhoudingsdoelen. De provincies hebben vervolgens als taak om maatregelen uit te werken om deze doelen te behalen en dit vast te leggen in een beheerplan. Met dit beheerplan voor het Zuidlaardermeergebied geven wij invulling aan deze taak.
Omgevingsprogramma
Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn er in dit nieuwe beheerplan een aantal zaken anders dan in het eerste beheerplan. Onder de Omgevingswet wordt een Natura 2000 beheerplan aangemerkt als een verplicht programma. In dit programma legt de provincie vast welke maatregelen zij gaan nemen om de instandhoudingsdoelstellingen te halen. Daarnaast omvat dit omgevingsprogramma een uitwerking van instandhoudingsdoelen in omvang, ruimte en tijd. Ook worden de te nemen maatregelen in samenhang beschreven (artikel 4.26 Bkl). Het programma is daarmee kaderstellend.
Beoogde resultaten
In het beheerplan staan de beoogde resultaten: hoe helpen de maatregelen om de natuurwaarden te beschermen, te herstellen of te ontwikkelen? Het beheerplan onderscheidt de maatregelen naar de verschillende habitats en soorten (artikel 4.26 Bkl).
Beleid vaststellen
Het bevoegd gezag kan het beheerplan gebruiken om beleid vast te stellen. Er kunnen bijvoorbeeld voorwaarden worden opgenomen voor bepaalde typen activiteiten. Dit beleid kan gehanteerd worden bij vergunningen en besluiten op grond van de Omgevingswet. Het beheerplan krijgt dan voor dit onderdeel het karakter van een beleidsregel.
Overige beschermde soorten en habitats
Voor overige beschermde soorten en/of habitats die in het gebied aanwezig zijn maar welke geen N2000 doelstelling hebben zal er vanuit het Natura 2000 kader geen directe inzet zijn op specifieke maatregelen voor deze soorten of habitats. Uiteraard kunnen deze soorten in sommige gevallen wel meeliften op de genomen maatregelen in het gebied. Voor deze soorten en habitats blijven even goed wel de overige beschermingsregimes van toepassing, zoals de soortbescherming, zorgplicht etc. In sommige gevallen worden er vanuit andere beschermingsregimes wel maatregelen genomen, maar deze vallen dan buiten de reikwijdte van het BHP. In Bijlage 3 Overige VHR soorten is een overzicht opgenomen van aanwezige overige beschermde soorten en habitats zonder N2000 doelstelling.
Ruimte voor activiteiten
Het beheerplan kan ook duidelijkheid geven over de ruimte die er is voor bepaalde activiteiten en economische ontwikkelingen. Als in het beheerplan wordt vastgesteld dat een activiteit geen negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelen, valt deze activiteit niet langer onder de vergunningplicht. Het beheerplan heeft voor deze activiteit dan het karakter van een vrijstelling. De toetsing van de activiteit in het beheerplan moet dan wel voldoen aan de eisen van een Passende Beoordeling of ACD toets.
De provincies Groningen en Drenthe zijn gezamenlijk bevoegd gezag voor het Natura 2000-gebied Zuidlaardermeergebied. Provincie Groningen is voortouwnemer en is verantwoordelijk voor het opstellen van het beheerplan. Gedeputeerde Staten van Groningen stellen het beheerplan vast in overeenstemming met Gedeputeerde Staten van Drenthe.
Gedeputeerde Staten van Groningen hebben op 15 juni 2017 het eerste beheerplan Natura 2000-gebied Zuidlaardermeer vastgesteld. Op 8 februari 2022 is het beheerplan door Gedeputeerde Staten van Groningen verlengd met een periode van zes jaar vanaf de oorspronkelijke einddatum, dan wel -in geval er eerder een nieuw beheerplan wordt vastgesteld- tot die datum. Met het vaststellen van het nieuwe beheerplan (vigerend document) leggen Gedeputeerde Staten van Groningen voor wederom een periode van 6 jaar de benodigde maatregelen om de instandhoudingsdoelen te bereiken vast.
In 2024 is gestart met het opstellen van dit nieuwe beheerplan. Daarbij zijn gebiedspartners en belanghebbenden uit de regio betrokken. Conceptteksten zijn afgestemd met beheerders en bevoegde gezagen (provincie Drenthe, gemeenten, waterschap, terreinbeherende organisaties) en vervolgens voorgelegd aan een brede overleggroep waarin ook bewoners, recreatieondernemers, sportvisserij en agrariërs zitting hebben. Het eindconcept is ten slotte voorgelegd aan het Bestuurlijk Overleg Zuidlaardermeer.
Op de vaststelling van een Natura 2000 beheerplan is de Uniforme openbare voorbereidingsprocedure van toepassing (afdeling 3.4 algemene wet bestuursrecht). Deze procedure houdt in:
Er wordt door het bevoegd gezag eerst een ontwerp-beheerplan vastgesteld.
Vervolgens wordt het ontwerp-beheerplan ter visie gelegd en kan eenieder, die het niet eens met de nieuwe (nieuw ten opzichte van het eerdere beheerplan) (onderdelen van) het plan, een zienswijze indienen. Deze zienswijzen worden beoordeeld en het plan wordt hierop al dan niet aangepast.
Vervolgens wordt het plan definitief vastgesteld door het bevoegd gezag.
Daarna bestaat voor belanghebbenden de mogelijkheid tegen het plan in beroep te gaan. Een beroep kan leiden tot de aanpassing van het plan.
Dit beheerplan bevat – inclusief deze inleiding – zes hoofdstukken. Hoofdstuk 2 geeft de kernopgaven en instandhoudingsdoelstellingen weer zoals deze in het aanwijzingsbesluit voor het gebied zijn terug te vinden, samen met de ecologische vereisten die daaruit voortkomen. In hoofdstuk 3 wordt beschreven hoe het met de soorten gaat en welke knelpunten er spelen. Daarbij wordt ook per doelsoort aangegeven welke maatregelen nodig zijn. Hoofdstuk 4 verzameld deze maatregelen in één overzicht en beschrijft de programmering van de maatregelen voor de komende beheerperiode. In hoofdstuk 5 volgt een analyse van de sociaaleconomische aspecten van het beheerplan. Het geldende beleid is in hoofdstuk 6 beschreven. In dit hoofdstuk worden ook de kaders voor bestaand gebruik en vergunningverlening besproken. Het laatste deel bevat de bijlagen bestaande uit de lijst van gebruikte literatuur, de uitgebreide gebiedsbeschrijving en een overzicht van overige beschermde soorten en habitats zonder doelstelling.
Het Zuidlaardermeergebied bestaat uit het Zuidlaardermeer met omringende buitendijkse oeverlanden en een deel van de polders ten noorden en noordwesten van het meer, waarin ook het westelijk deel van het Foxholstermeer en het Drentsche Diep zijn gelegen. Het open landschap rond het Zuidlaardermeer wordt aan de westzijde begrensd door de Hondsrug. In de richting van de flank van de Hondsrug verdicht het landschap zich enigszins door de moerasbosontwikkeling op verlande petgaten en houtwallen in de nabijheid van boerderijen. Het Zuidlaardermeer is een natuurlijk meer dat 8.000 tot 5.000 jaar geleden is ontstaan door de wisselwerking tussen veengroei in de omgeving en het optreden van eb en vloed in de Hunze. Door stijging van de zeespiegel werd plaatselijk de veenlaag weggeslagen. Het meer wordt gevoed met neerslagwater en grondwater van het Drents plateau, dat voor een groot deel door afstroming via de Hunze wordt aangevoerd (Ministerie van LNV, 2006b).
Het Zuidlaardermeergebied is aangewezen als Vogelrichtlijngebied vanwege de aanwezigheid van open water, moerassen en graslanden die als geheel het leefgebied vormen van een aantal in artikel 4 van de richtlijn bedoelde vogelsoorten. Het is een watergebied dat het leefgebied vormt van soorten van Bijlage I van de Vogelrichtlijn (art. 4.1), te weten Roerdomp, Kleine zwaan en Porseleinhoen. Tevens fungeert het gebied als broed-, foerageer-, overwinterings- en rustgebied in de trekzone van andere trekvogelsoorten (art. 4.2), te weten Toendrarietgans, Kolgans, Smient, Slobeend en Rietzanger. De begrenzing van het Vogelrichtlijngebied is zo gekozen dat een in landschappelijk opzicht samenhangend geheel is ontstaan dat voorziet in de beschermingsbehoefte met betrekking tot het voortbestaan en/of voortplanten van bedoelde vogelsoorten. Het gebied vormt een belangrijke schakel in de trekroutes van de vogels waarbij het binnen Noord-Nederland het Drentsplateau verbindt met de route richting Waddenzee. Binnen het Europees netwerk aan natuurgebieden is het een belangrijke pleisterplaats voor trekvogels in voor- en najaar en vormt onderdeel van het broed- en leefgebied van populaties moerasvogels in Europa.
Met de kernopgaven wordt aangegeven wat de belangrijkste bijdragen van een gebied zijn aan het Natura-2000 netwerk. Voor het bepalen van de kernopgaven is het Nederlandse deel van Natura-2000 netwerk opgedeeld in acht landschappen. Voor elk landschap zijn kernopgaven geformuleerd. Deze stellen prioriteiten voor de habitattypen en soorten in het betreffende landschap en maken de relaties tussen en het relatieve onderlinge gewicht van de Natura-2000 gebieden duidelijk. Elk gebied levert, binnen zijn bereik, een bijdrage aan de kernopgaven voor het landschap waar het toe behoort. Het Zuidlaardermeergebied valt onder het landschap Meren en Moerassen.
De landelijke opgave binnen Natura-2000 voor de Meren en moerassen is: Behoud en herstel van samenhang tussen slaapplaatsen en foerageergebieden, in het bijzonder voor grasetende watervogels en meervleermuis (de belangrijkste kraamkamerfunctie en slaapfunctie van de meervleermuis ligt vooral in gebouwen buiten de Natura-2000 gebieden). Voor afgesloten zeearmen en randmeren behoud van de specifieke betekenis van de verschillende onderdelen voor habitattypen en vogels. Herstel van mozaïek van verlandingsstadia van open water tot moerasbos en herstel van gradiënt watertypen (inclusief brak) met name in het deellandschap Laagveen.
Voor het Zuidlaardermeer zijn twee kernopgaven geformuleerd:
(4.11) Realiseren en in standhouden van plas-drassituaties, en
(4.12) Realiseren en in standhouden van overjarig riet, inclusief waterriet, herstel van natuurlijke peildynamiek en tegengaan van verdroging.
Deze twee kernopgaven zijn belangrijk om de doelsoorten een goede leefomgeving te bieden, waardoor de instandhoudingsdoelen bereikt en geborgd worden.
De Instandhoudingsdoelstellingen zijn ten opzichte van het vorige beheerplan niet gewijzigd. De aangewezen Vogelrichtlijnsoorten van het Zuidlaardermeergebied zijn:
Broedvogels: Roerdomp (A021), Porseleinhoen (A119) en Rietzanger (A298)
Niet broedvogels: Kleine zwaan (A037), Toendrarietgans (A039), Kolgans (A0.41), Smient (A050) en Slobeend (A056)
In onderstaande tabellen staan deze doelen nader uitgewerkt.
Tabel 2.1: De aangewezen instandhoudingsdoelen voor broedvogels. De relatieve bijdrage is de populatie in het Zuidlaardermeergebied uitgedrukt als percentage van de landelijke populatie. In de kolom kernopgave is aangegeven met welke kernopgave het instandhoudingsdoel samenhangt, indien van toepassing. Naar: natura2000.nl, site van LVVN, geraadpleegd op 22‑10‑2025.
Soort | Aantal broedparen | Omvang leefgebied | Kwaliteit leefgebied | Relatieve bijdrage | Kernopgaven |
A021 - Roerdomp | 5 | behoud | behoud | < 2% | 4.12 |
A119 - Porseleinhoen | 15 | uitbreiding | verbetering | 6-15% | 4.11 |
A295 Rietzanger | 200 | behoud | behoud | < 2% |
Tabel 2.2: De aangewezen instandhoudingsdoelen voor niet-broedvogels. De relatieve bijdrage is de populatie in het Zuidlaardermeergebied uitgedrukt als percentage van de landelijke populatie. In de kolom kernopgave is aangegeven met welke kernopgave het instandhoudingsdoel samenhangt, indien van toepassing. Naar: natura2000.nl, site van LVVN, geraadpleegd op 22‑10‑2025.
Soort | Populatie | Populatie waarde (getelde dieren) |
Belangrijkste functie van het gebied voor de soort | Omvang leefgebied | Kwaliteit leefgebied | Relatieve bijdrage | Kernopgaven |
A037 - Kleine zwaan | 4 | gemiddelde | Foerageer-gebied | behoud | behoud | < 2% | |
A041 - Kolgans | 7100 | maximum | Slaap- en rustplaats | behoud | behoud | < 2% | |
A041 - Kolgans | 630 | gemiddelde | Foerageer-gebied | behoud | behoud | < 2% | |
A050 - Smient | 2700 | gemiddelde | Slaap- en rustplaats | behoud |
| < 2% | 4.11 |
A056 - Slobeend | 120 | gemiddelde | Foerageer-gebied | behoud | behoud | < 2% | |
A702 - Toendrarietgans | 210 | gemiddelde | Slaap- en rustplaats | behoud | behoud | < 2% |
Het Rijk is voornemens om de Grutto als instandhoudingsdoel toe te voegen aan het Zuidlaardermeergebied. Op maandag 7 juli 2025 heeft de staatssecretaris van LVVN hiervoor een ontwerp-wijzigingsbesluit gepubliceerd. Op het ontwerp zijn allerlei zienswijzen ingediend. Op het moment van schrijven van dit beheerplan is nog niet bekend wanneer definitieve besluitvorming over het aanwijzen van de Grutto zal plaatsvinden. Ook de kwantitatieve doelen voor de Grutto zijn nog niet bekend. De Grutto is daarom nog niet meegenomen in dit beheerplan. Wel hebben we alvast onderzoek naar benodigde instandhoudingsmaatregelen voor de Grutto opgenomen in de maatregelprogrammering en begroting. Zodat na definitieve besluitvorming snel gestart kan worden met het bepalen van de benodigde maatregelen voor de Grutto. Deze zullen dan later toegevoegd worden aan het beheerplan.
In dit hoofdstuk wordt eerst ingegaan op de uitkomsten van de eerder uitgevoerde evaluatie van het beheerplan. De uitkomsten van de evaluatie worden meegenomen in de verdere analyse van de kernopgaven en doelstellingen voor het Zuidlaardermeergebied. De evaluatie heeft plaats gevonden in 2021 en in de tussentijd zijn er nog aanvullende maatregelen en/of ontwikkelingen geweest die van invloed zijn op deze kernopgaven en doelstellingen. Daarom wordt er in dit hoofdstuk, aanvullend op de eerdere evaluatie, ook nog een actuele analyse van de kernopgaven en de doelrealisatie uitgevoerd. De uitkomsten van deze actuele analyse, met inbegrip van de uitkomsten van de evaluatie, vormen de basis van de te nemen maatregelen voor de aankomende beheerplanperiode.
In voorbereiding op het nieuwe beheerplan is er een evaluatie uitgevoerd (d.d. 10‑02‑2021). In deze evaluatie is nagegaan welke van de voorgenomen uitvoeringsmaatregelen zijn getroffen, of de voorgenomen onderzoeken zijn uitgevoerd en in hoeverre de vastgestelde instandhoudingsdoelen naar verwachting zullen worden bereikt. Ook de autonome en toekomstige ontwikkelingen in het Natura 2000 – gebied en hun mogelijke effect op de instandhoudingsdoelstellingen zijn in deze evaluatie uitgebreid besproken. De ontwikkelingen van de populatieaantallen en de ecologie van de soorten behorend bij de instandhoudingsdoelen zijn geanalyseerd.
Hieronder volgt een samenvatting van de uitkomsten en inzichten op basis van deze evaluatie. Aanvullend is in tabel 3.1 een schematische weergave opgenomen van de uitkomsten en inzichten uit deze evaluatie. Voor een uitgebreide toelichting en uitwerking van deze evaluatie wordt verwezen naar de bijhorende rapportage, te vinden op de website van de provincie Groningen.
Samenvatting evaluatie
Ten aanzien van de staat van instandhouding kan worden gesteld dat de situatie er voor Roerdomp, Porseleinhoen, Rietzanger, Kolgans, Toendrarietgans, Slobeend en Smient er goed voor staat. De inrichtingsmaatregelen hebben voor de moerasvogels meer leefgebied opgeleverd en de aantallen broedparen zijn licht gestegen. Voor de foeragerende ganzen en eenden is het gebied nog steeds aantrekkelijk, de aantallen zijn niet teruggelopen. Verruiging van delen van het graslandareaal en daarmee afname van de geschiktheid als foerageergebied vormt echter een aandachtspunt.
Voor de Kleine zwaan geldt dat deze soort de laatste jaren enkel kortstondig in lage aantallen werd waargenomen in het gebied. De oorzaak hiervan ligt voornamelijk in de verschuiving van de overwintering naar het Oosten van Europa en mogelijk suboptimale foerageermogelijkheden in het Zuidlaardermeergebied (o.a. beschikbaarheid van waterplanten). Het geschikt houden van het Zuidlaardermeergebied voor de Kleine zwaan blijft wel een aandachtspunt voor het gebied.
De actuele ontwikkelingen bieden kansen voor versterking van de natuurwaarden in het gebied. Er komen al veel beschermde vogelsoorten voor. Op sommige plekken ontwikkelen zich lokaal bijzondere botanische waarden. Het Natura 2000-gebied en haar omgeving zijn in de afgelopen beheerperiode ook belangrijk(er) geworden voor dieren waarvoor landelijk, maar niet voor het Zuidlaardermeer, instandhoudingsdoelstellingen zijn geformuleerd: Bever, Otter, Zeearend, Zwarte stern, Geoorde Fuut, Kemphaan en Grutto. Daarnaast zijn er populaties van beschermde soorten als Groene glazenmaker, Heikikker, Poelkikker en Grote modderkruiper. Het Zuidlaardermeer biedt leefgebied aan de enige populatie Witwangstern in NW-Europa.
In het eerste beheerplan van 2017 worden 14 thema’s onderscheiden waarbinnen het bestaand gebruik en de ontwikkelingen in het gebied kunnen worden geduid. Voor alle thema’s is teruggekeken naar de stand van zaken in 2010 en is geëvalueerd of er veranderingen zijn opgetreden en wat deze voor effect hebben of kunnen hebben op de staat van instandhouding van de doelsoorten. In de analyse van deze thema's zijn diverse punten aangedragen die aandacht en nader onderzoek vragen in de komende beheerperiode.
Uit de conclusies van de evaluatie bleek dat er weliswaar werk aan de winkel is, en zal moeten worden bijgestuurd op een aantal onderdelen, maar dat er op dit moment goed gewerkt kan worden met de afspraken zoals deze waren opgenomen in het eerste beheerplan. Op grond van de uitkomsten is het eerste beheerplan verlengd met een periode van maximaal zes jaar of totdat een nieuw beheerplan is vastgesteld. Paralellel zijn de eerste, meest acute aandachtspunten uit de evaluatie uitgewerkt, zoals bijvoorbeeld het vaststellen van het Besluit toegangsbeperking Zuidlaardermeer en het instellen van een nieuwe overlegstructuur.
Tabel 3.1. Stand van zaken doelrealisatie o.b.v. uitkomsten evaluatie en analyses.
Legenda
SVI (Staat van Instandhouding - landelijk): + = gunstig / - = ongunstig / - - = zeer ongunstig
Trend: + = stijgend / o = neutraal / - = dalend / ? = onbekend
ISH-doel: = = behoudsdoelstelling / > = verbetering en/of uitbreidingsdoelstelling
Functie: b = broedgebied / s = slaapfunctie f = foerageergebied’
Toekomstige doelrealisatie: gunstig, ongunstig of onzeker; voor deze laatste categorie geldt dat we niet voldoende gegevens hebben om de trend te voorspellen.
code | Soort | SVI (landelijk) | Trend | Bijdrage aan SVI | ISH-doel | Functie | Doelstelling |
Huidige doelrealisatie |
Toekomstige doelrealisatie |
Broedvogels
| |||||||||
A021 | Roerdomp | -- | + | < 2% | = | b | 5 broedparen | voldoende | gunstig |
A119 | Porseleinhoen | -- | o | 6-15% | > | b | 15 broedparen | voldoende | onzeker |
A295 | Rietzanger | - | ? | < 2% | = | b | 200 broedparen | voldoende | gunstig |
Wintergasten | |||||||||
A037 | Kleine zwaan | - | - | < 2% | = | f | 4 (gemiddelde) | onvoldoende | onzeker |
A039 | Toendrarietgans | + | + | < 2% | = | s | 210 (gemiddelde) | onvoldoende | onzeker |
A041 | Kolgans | + | o | < 2% | = | s,f | 630 (gemiddelde), 7.100 (maximum) | Slaapfunctie - onvoldoende, Foerageerfunctie - voldoende | Slaapfunctie - onzeker, Foerageerfunctie - gunstig |
A050 | Smient | + | - | < 2% | = | s | 2.700 (gemiddelde) | onvoldoende | onzeker |
A056 | Slobeend | + | o | < 2% | = | f | 120 (gemiddelde) | voldoende | gunstig |
Algemeen
Het Zuidlaardermeergebied is een zoetwatermeer met omliggende moerasgebieden. Op basis van de landelijke opgave voor meren en moerassen (zie paragraaf PM) zijn voor het Zuidlaardermeergebied als Natura 2000-gebied de volgende twee kernopgaven geformuleerd:
Realiseren en in standhouden van plas-drassituaties, en
Realiseren en in standhouden van overjarig riet, inclusief waterriet, herstel van natuurlijke peildynamiek en tegengaan van verdroging.
Deze twee kernopgaven zijn belangrijk om de doelsoorten een goede leefomgeving te bieden, waardoor de instandhoudingsdoelen bereikt en geborgd worden. De kernopgaven zijn daarmee belangrijke opgaven om te komen tot het benodigde systeemherstel om de doelstellingen voor het gebied te (kunnen) halen.
Stand van zaken kernopgaven
Uit de uitgevoerde evaluatie komt naar voren dat de realisatie van de kernopgaven voor een deel gelukt is in de afgelopen beheerplanperiode. Er zijn rietkragen gerealiseerd ten behoeve van het leefgebied van onder meer de roerdomp. Tevens zijn er nieuwe plas-dras situaties gecreëerd door delen van het gebied te vernatten. Er is en wordt ingezet op verbeteren van de waterkwaliteit en het vergroten van het aanbod van voedsel in het Zuidlaardmeergebied voor verschillende doelsoorten. Ondanks de inzet van inrichtingsmaatregelen en de uitvoering van regulier beheer in het gebied zijn er een aantal doelsoorten waarbij er in de huidige situatie nog geen sprake lijkt te zijn van een voldoende goede leefomgeving. In de huidige stand van zaken is nog verder (hydrologisch) systeemherstel nodig voor het realiseren van de kernopgaven in het gebied. In de huidige situatie is daarom sprake van een matige gunstige situatie met betrekking tot het realiseren van de geformuleerde kernopgaven.
Analyse kernopgaven
In de afgelopen jaren zijn er verschillende maatregelen (inrichting en beheer) gerealiseerd die positief hebben bijgedragen aan de geformuleerde kernopgaven. Richting de toekomst zal het nodig zijn om de nog resterende inrichtingsmaatregelen uit de voorgaande beheerplanperiode tot uitvoering te brengen. Daarnaast zal er in het reguliere beheer blijvend ingezet moeten worden op realisatie van overjarige riet (cyclisch maaibeheer) en behoud van open moerasgebieden (opslag verwijderen en begrazing). Voor realisatie van de kernopgaven zal er naast inzet op inrichtingsmaatregelen en beheermaatregelen ook ingezet moeten worden op verdergaand (hydrologisch) systeem herstel. De wisselwerking van het Zuidlaardermeergebied met de overige delen van het beekdal van de Hunze en het grondwatersysteem van de Hondsrug is hierbij zeer relevant.
Aandachtspunt
Voor de kernopgaven zijn er een aantal aandachtspunten te formuleren. De eerste is de blijvende aanwezigheid van moerasontwikkeling in het gebied. Door vernatting is een deel van het moerasgebied door ontwikkeld naar meer open water met riet en ruigte opslag aan de randen. Daarnaast is voldoende rust en aanbod van voedsel in de leefgebieden een belangrijk aandachtspunt. De moerasontwikkelingen en vernatting in het gebied heeft geresulteerd in een afname van foerageergebieden voor enkele van de wintergasten. Ook dit is in relatie tot de kernopgaven een belangrijk punt van aandacht. Verder blijft onderzoek en inzet op verdergaand (hydrologisch) systeem herstel van belang voor de realisatie van de kernopgaven.
Om verder invulling te geven aan de geformuleerde kernopgaven is het van belang om:
voldoende rietzones – in de vorm van waterriet en overjarig riet (blijvend) te realiseren;
voldoende rust te behouden en/of realiseren (middels het TBB)– zodat soorten gebruik kunnen (blijven) maken van geschikt leefgebied;
voldoende blijvende moerasontwikkeling (plas-drassituaties) te realiseren;
verdergaand onderzoek en inzet op (hydrologisch) systeemherstel.
Maatregelen
De verschillende maatregelen die voor de aankomende beheerplanperiode aan de orde zijn dragen op verschillende manieren en in verschillende mate positief bij aan de realisatie van de kernopgaven in het Zuidlaardermeergebied. Het betreffen vooral inrichtingsmaatregelen en beheermaatregelen die bijdragen aan de kernopgaven. Verder is het behouden en/of realiseren van rust in de leefgebieden voor de verschillende doelsoorten uitgewerkt en geborgd via het Besluit toegangsbeperking Zuidlaardermeer. Daarnaast wordt vanuit het Programma Natuur een landschapsecologische systeemanalyse (LESA) uitgevoerd, welke meer inzicht zal geven in het hydrologische systeem van het Zuidlaardermeer in relatie tot de Hondsrug.
In het eerste beheerplan (Strijkstra et al., 2016) is duidelijk ingegaan op de kenmerken, verspreiding en biotoopeisen van de drie aangewezen broedvogelsoorten (de roerdomp, de porseleinhoen en de rietzanger). In dit tweede beheerplan ligt de focus meer op de ontwikkeling in het gebied en de eventueel te nemen maatregelen om de situatie te verbeteren. Voor roerdomp betekent dit doorgaan op de ingeslagen weg door het inrichten van meer rietkragen en oeverlengte zodat een robuust leefgebied ontstaat. Porseleinhoen haalt (nog) wel de gestelde doelen qua aantal broedparen (Wijngaarde & Bekker, 2021) maar de trend is zeker de laatste jaren onzeker. Bovendien is er ook een opgave voor het vergroten van oppervlak en kwaliteit van het leefgebied voor porseleinhoen. Om hier invulling aan te geven zou compartimentering en/of een ander peilbeheer van de grote zomerpolders een optie zijn. Rietzanger doet het onverminderd goed in het Zuidlaardermeergebied. De getelde aantallen liggen ruim boven de doelstelling en ook in de toekomst lijkt sprake van een gunstige doelrealisatie. Punt van aandacht bij rietzanger is wel dat er geen structurele meetreeks van de aantalsontwikkeling in het gebied is. Hierna is per doelsoort een nadere analyse en toelichting opgenomen.

Figuur 3.1. Aantalsontwikkeling roerdomp in het Natura 2000-gebied Zuidlaardermeer gebaseerd op het Meetnet Broedvogels (kolonies en zeldzame broedvogels - SOVON). Weergegeven is het jaarlijks aantal broedvogels/territoria. In groen wordt de instandhoudingsdoelstelling voor de soort weergegeven. De oranje lijn geeft het gemiddelde over de laatste vijf jaren (alleen indien uit minimaal drie jaren tellingen beschikbaar zijn). (Bron: Sovon, Stichting Het Groninger Landschap) (SOVON website d.d. 06‑08‑2025).
Doel | 5 broedparen | Doel oppervlak | behoud |
Doel kwaliteit | behoud | Trend sinds 2012 | toename |
Doel realisatie | voldoende | Verwachting v/d toekomst | gunstig |
Knelpunten | Voldoende geschikt leefgebied - verstoring |
Algemeen
De roerdomp is een solitaire reigersoort die bij voorkeur voorkomt in boomloze rietmoerassen. De Roerdomp heeft 500 á 1000 m geschikte rietkraag nodig als foerageerhabitat. De Roerdomp is gebaat bij een achterland met extensief grasland, wat gebruikt wordt bij het foerageren op muizen. De soort is gemiddeld gevoelig voor verstoring en is het meest verstoringsgevoelig tijdens het broedseizoen (half maart – half juli). Het zwaartepunt van de verspreiding ligt aan de oostkant van het Zuidlaardermeer (Leinwijk) en langs de westoever van het Drents Diep waar de zomerpolders zijn gerealiseerd (Onner- en Oostpolder).
Stand van zaken Doelrealisatie
Voor de roerdomp is de doelstelling 5 broedparen. Deze aantallen worden in de huidige situatie ruim gehaald. Echter de meeste broedparen bevinden op een relatief klein oppervlak van het totale rietland, gelegen aan de oostkant van het gebied. Dit maakt de aanwezige populatie van broedparen erg kwetsbaar. De toename van broedparen tot boven de doelstelling is daarnaast pas recent ingezet. Daarom is er in de huidige situatie wel sprake van een voldoende doelrealisatie, maar is deze nog niet significant.
Analyse doelrealisatie
Uit het eerste beheerplan bleek dat door veroudering en dichtgroeien van de rietlanden de roerdomp onvoldoende geschikt leefgebied tot zijn beschikking had om de gewenste doelen te halen. Door de aanleg van de vooroevers in 2016 is deze situatie sterk verbeterd. Dit feit heeft zich vertaald in een toename van het aantal broedende roerdompen in de periode 2017-2022 (zie Figuur 3.1). In de huidige situatie lijkt er sprake te zijn van een gunstige doelrealisatie.
Verbetering van leefgebied door aanleg van vooroevers en open plekken in het riet heeft succes gehad. Toch maakt de beperkte verspreiding van de broedparen over het gebied en de pas recent gunstige ontwikkeling van het aantal broedparen dat de doelrealisatie nog niet significant gunstig is.
Aandachtspunt
Voor een toekomstige goede doelrealisatie zijn er twee belangrijke aandachtpunten te benoemen. Het eerste aandachtspunt is aanwezigheid van voldoende geschikt leefgebied. Hiervoor is het van belang om de kwaliteit van bestaande broedbiotoop te behouden en nieuw geschikt broedbiotoop te realiseren. Om een betere spreiding van broedparen over het gebied te realiseren en daarmee de positieve ontwikkeling van de afgelopen jaren te bestendigen.
Het tweede aandachtspunt is voldoende rust in deze leefgebieden. Veel roerdompen broeden langs de randen van het meer en het Drents Diep waar vaarrecreatie plaatsvindt en wandelpaden liggen. Deze werken potentieel verstorend op roerdomp. Aanvullend zal voor eventuele nieuwe broedbiotopen voldoende rust tevens een aandachtspunt zijn.
Maatregelen
Naast de oostkant van het Zuidlaardermeer wordt er ook incidenteel gebroed in de Westerbroekster- en Kropswolderbuitenpolder maar doordat dit gebied steeds meer een open watervlakte vormt, neemt de aantrekkelijkheid van dit gebied af. Naar aanleiding van deze ontwikkeling is de vraag hoe de moerasontwikkeling blijvend vormgegeven kan worden. Of compartimentering of een ander peilbeheer daarbij helpt en welke effecten dit heeft op de doelsoorten (met name porseleinhoen en roerdomp). Gericht onderzoek moet hier antwoord op kunnen geven.
Daarnaast wordt de komende beheerperiode het laatste perceel van Wolfsbarge ingericht. Samen met de net buiten de begrenzing gelegen percelen (Zuidoevers II) kan ook hier geschikt biotoop voor roerdomp worden gecreëerd wat de robuustheid van de populatie ten goede komt.
Voor behoud van de kwaliteit van bestaande en toekomstige leefgebieden en broedbiotoop is het van belang om een bepaalde mate van rust te behouden en/of te realiseren. De richtlijnen en randvoorwaarden zoals opgenomen in het Besluit toegangsbeperking Zuidlaardermeer (april 2023) zijn in eerste instantie voldoende om een goede staat van doelrealisatie te garanderen onder voorwaarde dat de handhaving van die regels op orde is. Goede monitoring moet op termijn uitwijzen of de borging van voldoende rust, inclusief goede handhaving voldoende is voor doelrealisatie.

Figuur 3.2. Aantalsontwikkeling Porseleinhoen in het Natura 2000-gebied Zuidlaardermeer gebaseerd op het Meetnet Broedvogels (kolonies en zeldzame broedvogels - SOVON). Weergegeven is het jaarlijks aantal broedvogels/territoria. In groen wordt de instandshoudingsdoelstelling voor de soort weergegeven. De oranje lijn geeft het gemiddelde over de laatste vijf jaren (alleen indien uit minimaal drie jaren tellingen beschikbaar zijn) (SOVON website d.d. 06‑08‑2025).
Doel | 15 broedparen | Doel oppervlak | toename |
Doel kwaliteit | toename | Trend sinds 2012 | wisselend |
Doel realisatie | onvoldoende | Verwachting v/d toekomst | onzeker |
Knelpunten | Voldoende geschikt leefgebied - verstoring |
Algemeen
De porseleinhoen is een kleine moerasvogel die foerageert op planten en kleine dieren. Het leefgebied bestaat vaak uit ontoegankelijk plas – dras en moerasgebieden, zoals rietmoerassen en ondergelopen graslanden. Waarbij er voldoende nat leefgebied met een diepgang van tussen de 10 en 35 centimeter beschikbaar moet zijn om te kunnen foerageren. Het broedbiotoop beslaat circa 1,5 tot 2 hectare geschikt leefgebieden. De soort is matige gevoelig voor verstoring en de invloed als gevolg van verstoring is beperkt, mede door de verborgen leefwijze van deze soort.
De porseleinhoenterritoria in het Zuidlaardermeergebied heeft twee duidelijke concentraties / clusters. Een eerste cluster ligt in de Onnerpolder ten zuiden van de Osdijk langs de noordwestkant van het Zuidlaardermeer. Een tweede, wat kleiner cluster ligt in de Oosterpolder tussen de Noorderhooidijk en de Dr. Ebelsweg. Incidentele territoria zijn verder waargenomen in de Westerbroekstermadepolder en de Kropswolderbuitenpolder oostelijk van het fietspad.
Nadere beschouwing van deze gebieden leert dat hier de open moerasgebieden liggen met voldoende lage vegetatie van riet en zegges als dekking. De open watervlaktes van de verschillende zomerpolders Onnerpolder, Oosterpolder, Kropswolderbuitenpolder en Westerbroekstermadepolder) worden gemeden.
Stand van zaken doelrealisatie
Voor de porseleinhoen is de doelstelling 15 broedparen. In de evaluatie werd de doelrealisatie nog als gunstig beoordeeld (Wijngaarde & Bekker, 2021). De laatste jaren lijkt er echter sprake van een dalende trend. Op dit moment wordt de doelstelling voor de Porseleinhoed niet meer gehaald . De toekomstige doelrealisatie is tevens onzeker, gezien de dalende trend van de afgelopen jaren.
Analyse doelrealisatie
In de huidige situatie wordt de doelstelling niet gehaald en er is sprake van een sterke afname van het aantal broedparen in de afgelopen 5 jaar. De trend is daarmee wisselend. Vanaf 2010 werd er een sterke stijging in het aantal aantalsontwikkeling van porseleinhoen waargenomen welke sinds 2019 is afgevlakt en waarbij de laatste jaren sprake lijkt te zijn van een dalende trend in de aantalsontwikkeling.
Een duidelijke oorzaak van de dalende trend van de afgelopen jaren is niet te benoemen. Het kan het gevolg zijn van natuurlijke populatie fluctuaties, internationale ontwikkeling en/of oorzaken vanuit het gebied zelf. Deze dalende trend wordt ook landelijk waargenomen en ook in nabij gelegen leefgebieden, zoals de Onlanden. Voor deze gebieden zijn in tegenstelling tot het Zuidlaardermeergebied meer consistente telgegevens die deze dalende trend ook bevestigen. In het Zuidlaardermeergebied vindt met name in de Westerbroekstermadepolder en de Kropswolder - buitenpolder een ontwikkeling plaats van moerasvegetatie naar open water wat voor de porseleinhoen minder gunstig is. Deze afname van geschikt broedbiotoop kan van invloed zijn op de aantalsontwikkeling in het Zuidlaardermeergebied.
Aandachtspunt
Voor de porseleinhoen is de recent waargenomen dalende trend het belangrijkste aandachtspunt voor de komende beheerperiode. Binnen het gebied zelf is sprake van een afname van geschikt broedbiotoop. Als gevolg van een ongunstige doelrealisatie in de huidige situatie zal het nodig zijn om in de komende beheerplanperiode aanvullende maatregelen te nemen in het gebied zelf die toezien op verbetering en/of ontwikkeling van voldoende geschikt leefgebied (broedbiotoop). Ondanks dat de soort matige gevoelig is voor verstoring is het wel van belang om de huidige rust voor de komende beheerplanperiode te behouden.
Maatregelen
Naast de oostkant van het Zuidlaardermeer wordt er ook incidenteel gebroed in de Westerbroekster- en Kropswolderbuitenpolder maar doordat dit gebied steeds meer een open watervlakte vormt, neemt de aantrekkelijkheid van dit gebied af. Naar aanleiding van deze ontwikkeling is de vraag hoe de moerasontwikkeling blijvend vormgegeven kan worden. Of compartimentering daarbij helpt en welke effecten dit heeft op de doelsoorten (met name porseleinhoen en roerdomp). Gericht onderzoek moet hier antwoord op kunnen geven.
Voor behoud van de kwaliteit van bestaande en toekomstige leefgebieden en broedbiotoop is het van belang om de huidige rust te behouden. De richtlijnen en randvoorwaarden zoals opgenomen in het Besluit toegangsbeperking Zuidlaardermeer (d.d. april 2023) zijn in eerste instantie voldoende om een gunstige doelrealisatie te garanderen onder voorwaarde dat de handhaving van die regels op orde is.
In het Zuidlaardermeer lijkt recent sprake van een dalende trend in aantallen Porseleinhoen. In andere Natura 2000-gebieden in Noord-Nederland is er al langer sprake van een dalende trend en worden doelen niet gehaald. Het is niet duidelijk wat deze daling veroorzaakt. Ook zijn er veel vragen over hoe de Porseleinhoen zich verspreid over de verschillende gebieden. Vind er uitwisseling plaats tussen de gebieden? Om deze vragen te beantwoorden wordt de komende beheerplanperiode, samen met de provincies Fryslân en Drenthe, onderzoek gedaan naar de verspreiding van de Porseleinhoen. Daarbij wordt ook een nieuwe manier van monitoring uitgeprobeerd, namelijk monitoring met behulp van audiorecorders.

Figuur 3.3. Aantalsontwikkeling Rietzanger in het Natura 2000-gebied Zuidlaardermeer gebaseerd op het Meetnet Broedvogels (BMP, MUS, MAS). Weergegeven is het jaarlijkse aantal broedparen. In groen wordt de instandshoudingsdoelstelling voor de soort weergegeven (SOVON website d.d. 06‑08‑2025).
Doel | 200 broedparen | Doel oppervlak | behoud |
Doel kwaliteit | behoud | Trend sinds 2012 | positief |
Doel realisatie | voldoende | Verwachting v/d toekomst | gunstig |
Knelpunten | geen, wel aandachtspunt – structurele telling door hele gebied |
Algemeen
De rietzanger is een moeras-zangvogel die broedt in rietkragen (bij voorkeur breder dan 5 meter) waarbij de soort foerageert op luizen en andere geleedpotigen in de rietkraag zelf of in nabij gelegen kruidrijk grasland, ruigtezones en houtopstanden. De soort is matige gevoelig voor verstoring, maar de invloed van verstoring is vaak beperkt omdat de soort in ontoegankelijk en afgesloten gebieden broedt en foerageert.
Rietzangers zijn niet heel kieskeurig voor wat hun leefgebied betreft. Rietkragen en met riet begroeide oevers zijn al gauw geschikt, ook als de oppervlaktes riet klein zijn. De verspreiding van territoria laat zien dat overal waar voldoende omvang aan rietoevers te vinden zijn er ook rietzangers broeden. De dichtheden zijn het grootst langs de westoever van het Drents Diep en de rietkragen aan de west- en oostkant van het Zuidlaardermeer. Ook langs kleinere wateren (zuidoever Foxholstermeer) en sloten zijn in het broedseizoen rietzangers te horen en soms te zien.
Stand van zaken doelrealisatie
Voor de rietzanger is de doelstelling 200 broedparen. De aantallen getelde rietzangers in het Zuidlaardermeergebied liggen in de afgelopen jaren ruim boven de doelstelling. De beschikbare meetreeks is echter beperkt tot de periode vanaf 2020, toen voor het eerst gebied dekkende tellingen zijn uitgevoerd (zie Figuur PM). Vóór 2020 is ook wel geteld maar niet in het hele gebied en niet structureel. Dit is de reden dat voor die jaartallen in bovenstaande grafiek geen data is weergegeven. Een onderbouwde trend voor de aantalsontwikkeling is op dit moment niet mogelijk. Wel kan op basis van de recente gegevens worden gesteld dat er in de huidige situatie sprake is van een gunstige doelrealisatie. Voor de toekomstige doelrealisatie is sprake van een gunstige situatie.
Analyse doelrealisatie
Gezien de recent (vanaf 2020) getelde aantallen en het beschikbare leefgebied is het aannemelijk dat ook in het verleden de aantallen broedparen boven de doelstelling van 200 broedparen lag. Het gebied omvat voldoende geschikt leefgebied (broedbiotoop) voor de rietzanger. De soort reageert goed om de aanleg van nieuwe rietlanden. De soort lijkt weinig effecten te ondervinden als gevolg van de aanwezige verstoring in het gebied. Dit komt mede omdat veel oevers, waaronder langs het Drents Diep ongeschikt zijn om boten aan te meren. Er zijn geen aanlegplaatsen aanwezig en de oevers zijn grotendeels afgezet met oude beschoeiingen. Vissen en recreëren aan of in de oevervegetatie is niet of nauwelijks mogelijk. De vaarbewegingen zijn voor de vogels voorspelbaar en ook het aantal wandelaars dat gebruik maakt van het voetpad op de kade is gering. Langs de oostoever van het Zuidlaardermeer is de randzone vanaf water en land afgesloten voor publiek. De invloed als gevolg van verstoring is daarmee in de huidige situatie niet van wezenlijke invloed op de doelrealisatie van de rietzanger in het Zuidlaardermeergebied.
Aandachtspunt
Voor de rietzanger is het belangrijkste aandachtpunt voor de komende beheerplanperiode het behouden van het aanwezige geschikte leefgebied, onder meer door inzet en continuering van huidige beheer en behoud van voldoende rust in de huidige leefgebieden. Daarnaast zal er in de monitoring aandacht moeten zijn voor een meer continu tellen van aanwezige territoria om zicht te houden op de ontwikkelingen van deze soort in de komende jaren.
Maatregelen
Er zijn voor de aankomende beheerplanperiode geen specifieke maatregelen noodzakelijk ten behoeve van de doelrealisatie van de rietzanger. Het volstaat om de bestaande situatie ten aanzien van gebruik van gebied, zoals verankerd in de Besluit toegangsbeperking Zuidlaardemeer, te continueren en aanvullend het bestaande beheer te continueren.
Voor behoud van de kwaliteit van bestaande en toekomstige leefgebieden en broedbiotoop is het van belang om de huidige rust te behouden. De richtlijnen en randvoorwaarden zoals opgenomen in het Besluit toegangsbeperking Zuidlaardermeer (d.d. 7 april 2023) zijn in eerste instantie voldoende om een gunstige doelrealisatie te garanderen onder voorwaarde dat de handhaving van die regels op orde is.
Het huidige beheer is erop gericht om voldoende oevers met diverse stadia van rietontwikkeling in stand te houden. Continuering van het huidige beheer is voldoende om een gunstige doelrealisatie te garanderen. Daarnaast kan de inrichting van Wolfsbarge-Semslinie een positieve bijdrage leveren omdat deze maatregelen waarschijnlijk ook bijdragen aan extra geschikt leefgebied op voor rietzanger
Voor een goede analyse van de doelrealisatie zal er in de komende jaren ingezet moeten worden op een meer regelmatige en structurele monitoring voor deze soort. Hiervoor zullen afspraken gemaakt moeten worden met SOVON en/of de beheerder. In het hoofdstuk uitvoering wordt nader ingegaan op de uitvoering van de noodzakelijk en gewenste monitoring in het kader van dit beheerplan.
Voor de roerdomp en de porseleinhoed wordt ingezet op realisatie en behoud van voldoende geschikt leefgebied. Voor de aangewezen broedvogels in het Zuidlaardermeergebied blijft de blijvende aanwezigheid van moeras- en rietlanden een aandachtspunt voor de toekomst. De ontwikkelingen hierin dragen ook positief bij aan voldoende aanwezigheid van geschikt leefgebied voor de rietzanger in het gebied.
In het eerste beheerplan (Strijkstra et al., 2016) is duidelijk ingegaan op de kenmerken, verspreiding en biotoopeisen van de vijf aangewezen wintergasten (trekvogelsoorten Kleine zwaan, Toendrarietgans, kolgans, Slobeend en Smient). In dit tweede beheerplan ligt de focus meer op de ontwikkelingen in het gebied en de eventueel te nemen maatregelen om de situatie te verbeteren. Voor de Kleine zwaan geldt dat er een verschuiving in trekroute onder invloed van de klimaatverandering lijkt plaats te vinden. Ze bezochten de laatste jaren het Zuidlaardermeer niet meer in grote aantallen. Echter wanneer ze het gebied aan doen zal er wel foerageergelegenheid moeten zijn en blijven.
Voor de ganzen (Toendrarietgans en Kolgans hebben beiden een wisselende trend in aantallen) betekent dit dat er opnieuw gekeken moet worden naar de draagkracht van het gebied en of dit nog op orde is voor de soorten met betrekking tot de functies foerageren en slapen.
Met de Slobeend gaat het goed, de aantallen stijgen en er is nog voldoende foerageergelegenheid. Continuering van de huidige configuratie met het bijbehorende beheer is voor deze soort voldoende. De Smient gaat in heel Nederland achteruit, ook in het Zuidlaardermeergebied. De oorzaken hiervan zijn nog niet helder. Nader onderzoek is geboden.

Figuur 3.4. Ontwikkeling seizoensgemiddelde foerageren kleine zwaan in Natura 2000-gebied Zuidlaardermeer gebaseerd op het Meetnet Watervogels (seizoen juli t/m juni). Weergegeven is het seizoensgemiddelde in de monitoringgebieden (rode punten), de trendlijn (donker gekleurde lijn) en het 95% betrouwbaarheidsinterval van de trendlijn (lichtgekleurde lijn). In groen wordt de instandhoudingsdoelstelling voor de soort weergegeven. De oranje lijn geeft het gemiddelde over de laatste vijf seizoenen, analoog aan de werkwijze zoals die binnen Natura 2000 wordt gebruikt om de actuele situatie te beschrijven (SOVON website d.d. 10‑03‑2025, foto Saxifraga-Jan Nijendijk).
Doel | 4 (seizoensgemiddelde) |
Trend sinds 2010 | Negatief tot afwezig* (laatste jaren niet significant i.v.m. lage aantallen en onregelmatige aanwezigheid. In 2023 weer tijdelijk hogere aantallen.) |
Doelrealisatie | onvoldoende |
Verwachting v/d toekomst | ongunstig |
Knelpunten | onvoldoende aanbod (winter)voedsel, verplaatsing overwinteringsgebieden richting Noord-/Centraal Europa |
Algemeen
De kleine zwaan is kleiner dan de meer voorkomende knobbelzwaan en komt in Nederland alleen voor in de winter. De soort arriveert in oktober vanuit het arctisch gebied en trekt via Nederland ten dele door naar Engeland. Het leefgebied van de kleine zwaan bestaat uit (open) water (slaapplaats en foerageergebied) en uitgestrekte polders (foerageergebied) met bij voorkeur akkers en natte, vaak ondergelopen graslanden met een korte voedselrijke grasvegetatie.
Bij aankomst in de overwinteringsgebieden (oktober) eten kleine zwanen met name de zetmeelrijke knolletjes van schedefonteinkruid. Indien deze bron is uitgeput of niet beschikbaar is verplaatsen de kleine zwanen zich naar akkers waar ze foerageren op oogstresten of eiwitrijk gras en wintergranen.
Stand van zaken doelrealisatie
Voor de kleine zwaan is de doelstelling 4 (seizoensgemiddelde) foeragerende kleine zwanen in de winter (wintergasten). In de huidige situatie worden de doelstelling voor de kleine zwaan niet gehaald. De soort wordt enkel nog sporadisch aangetroffen. Hiermee is er in de huidige situatie sprake van een zeer ongunstige doelrealisatie. Hiermee is ook de verwachting voor de toekomstige doelrealisatie ongunstig.
Analyse doelrealisatie
Het aantal waarnemingen van de kleine zwaan in het Zuidlaardermeergebied is sterk gedaald ten opzichte van de jaren 90 van de vorige eeuw. In die periode lag het aantal ver boven de huidige doelstelling. Nu worden enkel nog sporadisch kleine zwanen aangetroffen in het Zuidlaardermeergebied.
Ook landelijk is er sprake van een afname van de aantallen kleine zwanen, ook al is de achteruitgang in bijvoorbeeld de Veluwerandmeren minder groot dan in het Zuidlaardermeergebied. Kleine zwanen overwinteren als gevolg van de opwarming van de aarde zo’n 350 km dichter bij hun broedgebieden in het noorden van Rusland (Linssen et al., 2023). Waar het zwaartepunt in de jaren 90 van de 20e eeuw nog in Nederland en Zuid-Engeland lag is die nu verschoven naar Noord-Duitsland. Bijkomende factor is dat ook internationaal het aantal kleine zwanen afneemt (Birdlife International, 2024) terwijl de West-Europese (sub)populatie al klein is (ca. 21.500 individuen – Nagy et al., 2012 ).
Naast de gevolgen van een verandering in het migratiepatroon van de kleine zwaan blijkt uit de recente evaluatie ook dat het aanbod van geschikt foerageergebied in het Zuidlaardermeergebied zelf van invloed kan zijn op de huidige ongunstige doelrealisatie. In het Zuidlaardermeergebied zijn oppervlaktes (schede)fonteinkruiden van enige omvang in open water beperkt aanwezig. In de eerste beheerplanperiode is het aanbod van foerageergebied en voedsel als voldoende beoordeeld voor doelrealisatie. Uit de recente evaluatie is gebleken dat het aanbod van voldoende geschikt foerageergebied en voedsel mogelijk niet afdoende is. De verbetering van de huidige waterkwaliteit zal hier positief aan bijdragen en het aanbod waterplanten, waaronder (schede)fonteinkruiden kunnen vergroten.
Aandachtspunt
De verandering in het migratiepatroon als gevolg van klimaatverandering ligt buiten de directe invloedsfeer van het Zuidlaardermeergebied als Natura 2000-gebied. De uitkomsten van de recente evaluatie ten aanzien van het aanbod van voldoende foerageergebied en voedsel (specifiek het aanbod (schede)fonteinkruiden) is wel een belangrijk aandachtspunt voor de aankomende beheerplanperiode. Hierbij speelt de waterkwaliteit een belangrijke rol.
Maatregelen
Vanuit de KRW worden maatregelen genomen die positief bijdragen aan de verbetering van de waterkwaliteit en het aantal waterplanten in het Zuidlaardermeergebied. Dit draagt ook positief bij aan het foerageeraanbod voor de kleine zwaan. De verwachting is dat hiermee voldoende foerageergebied beschikbaar blijft. Er worden daarom geen aanvullende maatregelen genomen vanuit het Natura 2000-beheerplan. Wel wordt de beschikbaarheid van schedefonteinkruid gemonitord.

Figuur 3.5. Ontwikkeling seizoensgemiddelde foerageren Toendrarietgans in Natura 2000-gebied Zuidlaardermeer gebaseerd op het Meetnet Watervogels (seizoen juli t/m juni). Weergegeven is het seizoensgemiddelde in de monitoringgebieden (rode punten), de trendlijn (donker gekleurde lijn) en het 95% betrouwbaarheidsinterval van de trendlijn (lichtgekleurde lijn). In groen wordt de instandhoudingsdoelstelling voor de soort weergegeven. De oranje lijn geeft het gemiddelde over de laatste vijf seizoenen, analoog aan de werkwijze zoals die binnen Natura 2000 wordt gebruikt om de actuele situatie te beschrijven (SOVON website d.d. 06‑08‑2025).
Doel | 210 (seizoensgemiddelde) |
Trend sinds 2010 | onduidelijk |
Doelrealisatie | onvoldoende |
Verwachting v/d toekomst | onzeker |
Knelpunten | onbekendheid ten aanzien van rustlocaties |
Algemeen
De toendrarietgans is een trekvogel die broed in arctische gebieden in Europees Rusland. De soort overwintert voornamelijk in en rondom de Oostzee in Polen, Duitsland en Zweden. Maar de soort overwintert ook in Nederland, vooral tijdens koude winters. De soort arriveert in oktober en de meesten vertrekken weer in februari richting hun broedgronden. In Nederland concentreren de overwinterende toendrarietganzen zich in de veenkoloniën van Groningen en Drenthe. Het Zuidlaardermeergebied bevindt zich aan de westrand van deze concentratie. De meeste waarnemingen van toendrarietganzen zoals die in het NDFF register zijn geplaatst, laten concentraties rond bekende waarnemingsplekken langs (fiets)paden en wegen zien. Dit geeft geen goed inzicht in de verspreiding van de ganzen in de ruimte, zeker niet waar het slaapplaatsen betreft. Inzicht in de verdere verspreiding, onder meer met betrekking tot slaapplaatsen ontbreekt in de huidige situatie.
Stand van zaken doelrealisatie
Voor de toendrarietgangs geldt een doelstelling van 210 (seizoensgemiddelde) toendrarietganzen in de winter (wintergasten). In de huidige situatie worden de doelstelling voor de toendrarietgans niet gehaald. Gemiddeld is sprake van een stabiele situatie op een niveau dat onder de doelstelling ligt. Er is in de huidige situatie sprake van een ongunstige / onduidelijke doelrealisatie. Hiermee is ook de verwachting voor de toekomstige doelrealisatie onduidelijk.
Analyse doelrealisatie
Tot ca. 2012 was landelijk sprake van een stijging van de aantallen overwinterende vogels daarna trad stabilisatie op. In het Zuidlaardermeergebied wisselen de aantallen overwinterende toendrarietganzen sterk (zie Figuur 3.5). Toendrarietganzen foerageren bij voorkeur op akkers met oogstresten maar ook wel op graslanden. Binnen de Natura 2000 begrenzing is onvoldoende foerageergebied aanwezig voor toendrarietganzen (en andere ganzen – Strijkstra et al., 2016). Buiten de begrenzing, in de nabijheid van het gebied, is voldoende potentieel foerageergebied (voedsel) beschikbaar. De toendrarietgans legt echter grote afstanden af naar zijn foerageergebieden. Waarbij een afstand van 15 – 20 kilometer geen uitzondering is. Mogelijk is het verschuiven en eventuele afname van aanbod van geschikt foerageergebied binnen en buiten de begrenzing van invloed op de aantallen overwinterende en rustende toendrarietganzen in het gebied. Aanvullend kan ook de slaapfunctie van het gebied, de mate van geschiktheid, van invloed zijn op de doelrealisatie. Op basis van de huidige beschikbare gegevens kan nog geen conclusie getrokken worden over de slaapfunctie van het gebied.
Ten aanzien van voldoende rust voor vogels in de foerageergebieden is op dit moment nog onvoldoende bekend om conclusies te kunnen trekken.
Aandachtspunt
Voor de toendrarietgans is de slaapfunctie een belangrijk aandachtspunt voor de komende beheerplanperiode. Het is niet bekend in welke mate en op welke wijze de toendrarietgans gebruik maakt van het gebied om te rusten en te slapen. Daarmee is niet bekend of en in welke mate de slaapfunctie van invloed is op de doelrealisatie. Aanvullend is het aanbod van geschikt foerageergebied in directe omgeving van het Zuidlaardermeergebied een aandachtspunt. Waarbij vooral de samenhang van voldoende geschikt foerageergebied met andere ganzen soorten (draagkracht) een aandachtspunt is voor de aankomende beheerplanperiode.
Maatregelen
Bij de analyse van de doelrealisatie is beschreven dat de aantallen toendrarietganzen die in het Zuidlaardermeer overnachten onder de gestelde doelstelling liggen. Het is onduidelijk of er voldoende geschikte overnachtingsgebied is. Waarschijnlijk overnachten de ganzen in de natte polders in Zuidlaardermeergebied en de (directe) omgeving, maar gegevens daarover ontbreken of laten geen duidelijk beeld zien. Nieuw onderzoek moet uitsluitsel geven waarom de gestelde doelen niet gehaald worden en of er maatregelen te bedenken zijn om de situatie te verbeteren.
Aanvullend op het onderzoek naar waar de toendrarietganzen overnachten is het ook noodzakelijk om een regelmatige en structurele telling uit te voeren naar het aantal slapende toendrarietganzen. Hiervoor zullen afspraken gemaakt moeten worden met SOVON. In het hoofdstuk uitvoering wordt nader ingegaan op de uitvoering van de noodzakelijk en gewenste monitoring in het kader van dit beheerplan.
De huidige draagkrachtberekening ten aanzien van beschikbaar foerageergebied voor ganzen in het Zuidlaardermeergebied en directe omgeving (straal van 5 km) gaat uit van de beschikbaarheid van foerageergebied voor kolgans en toendrarietgans en niet van de combinatie van de diverse soorten ganzen. Ook ganzen zonder doelstelling foerageren op dezelfde percelen en daarnaast is een aantal gebieden niet meer beschikbaar door herinrichting. Een nieuwe draagkrachtberekening die genoemde aspecten meeneemt is dan ook nodig om beter inzicht te krijgen in de huidige beschikbaarheid van foerageerlocaties. Deze berekening moet vervolgens gecombineerd worden met een onderzoek naar de verstoring door verkeersbewegingen om het functionele beschikbare foerageergebied te kunnen bepalen.

Figuur 3.6a.Ontwikkeling seizoensmaximum slapende Kolganzen in Natura 2000-gebied Zuidlaardermeer gebaseerd op het Meetnet Slaapplaatsen. Voor elk seizoen is het maximum aantal vogels en de standaardfout weergegeven. Het gaat hierbij om het maximum getelde aantal dieren en niet om een maximum in het kader van bijvoorbeeld draagkracht van een gebied. Seizoenen lopen van juli tot en met juni. Weergegeven is het seizoensgemiddelde in de monitoringgebieden (rode punten), de trendlijn (donker gekleurde lijn) en het 95% betrouwbaarheidsinterval van de trendlijn (lichtgekleurde lijn). In groen wordt de instandshoudingsdoelstelling voor de soort weergegeven. De oranje lijn geeft het gemiddelde over de laatste vijf seizoenen, analoog aan de werkwijze zoals die binnen Natura 2000 wordt gebruikt om de actuele situatie te beschrijven (SOVON website d.d. 10‑03‑2025) (foto: Saxifraga-Bart Vastenhouw).
Doel slapen | 7.100 (seizoensmaximum m.b.t. geteld aantal ganzen) |
Trend sinds 2010 | onduidelijk |
Doelrealisatie | onvoldoende |
Verwachting v/d toekomst | onzeker |
Knelpunten | onbekendheid ten aanzien van rustlocaties |

Figuur 3.6b. Ontwikkeling seizoensgemiddelde foerageren Kolgans in Natura 2000-gebied Zuidlaardermeer gebaseerd op het Meetnet Watervogels (seizoen juli t/m juni). Weergegeven is het seizoensgemiddelde in de monitoringgebieden (rode punten), de trendlijn (donker gekleurde lijn) en het 95% betrouwbaarheidsinterval van de trendlijn (lichtgekleurde lijn). In groen wordt de instandshoudingsdoelstelling voor de soort weergegeven. De oranje lijn geeft het gemiddelde over de laatste vijf seizoenen, analoog aan de werkwijze zoals die binnen Natura 2000 wordt gebruikt om de actuele situatie te beschrijven (SOVON website d.d. 10‑03‑2025).
Doel foerageren | 630 (seizoensgemiddelde) |
Trend sinds 2010 | onduidelijk |
Doelrealisatie | voldoende |
Verwachting v/d toekomst | gunstig |
Knelpunten | verstoring in foerageergebieden |
Algemeen
De kolgans is een middelgrote gans en trekvogel die broed in Arctisch Rusland en welke vanaf oktober in Nederland aankomt om in maart weer terug te gaan richting hun broedgebieden. De ganzen die in Nederland overwinteren behoren tot een ondersoort (albifrons albifrons), waarvan een groot deel (circa 68%) van de Noord West Europese winterpopulatie in Nederland overwintert. De kolgans foerageert bij voorkeur op agrarische percelen (oogst resten of graslanden) in een open landschap.
De waarnemingen van kolgans uit de NDFF database laten vooral de foerageerplekken zien in en rondom het Zuidlaardermeergebied. De grootste concentraties waarnemingen zijn overdag gedaan in de Ooster- en Onnerpolder westelijk van het Zuidlaardermeer en het Drents Diep. Uit de verspreidingsgegevens blikt dat de soort vooral gebruik maakt van de graslanden binnen en net buiten de Natura 2000-begrenzing zien. Kleinere, besloten graspercelen worden gemeden. Ook voor kolgans geldt dat veel waarnemingen vanaf paden en wegen gedaan zijn en dat weinig waarnemingen ’s nachts gedurende de rustperiode gedaan zijn. Soms lijkt hiermee ook sprake van een piek in de waarnemingen die zeer waarschijnlijk het gevolg is vaan waarnemers bias. Zeer waarschijnlijk slapen de kolganzen op het Zuidlaardermeer maar duidelijke gegevens ten aanzien van de slaapfunctie zijn er niet.
Stand van zaken doelrealisatie
Voor kolgans geldt een doelstelling van 630 (seizoensgemiddelde) voor de foerageerfunctie van het gebied en een doelstelling van 7.100 (seizoensgemiddelde) voor de slaapfunctie van het gebied. In de huidige situatie wordt de doelstelling voor de functie als foerageergebied gehaald. Hiermee is de doelrealisatie voor foerageren in de huidige situatie gunstig. Voor de slaapfunctie is het onduidelijk of de doelstelling wordt gehaald. Het ontbreekt aan structurele tellingen. Hiermee is de doelrealisatie voor de toekomst op dit moment tevens onduidelijk.
Analyse doelrealisatie
Het doel voor kolgans in het Zuidlaardermeergebied betreft dus zowel de functie slapen als foerageren. De trend voor foeragerende ganzen laat de laatste decennia tot circa 2009 een fluctuatie op laag niveau zien van het aantal foeragerende vogels. Vanaf het teljaar 2012 steeg het aantal foeragerende ganzen tot boven de doelrealisatie, waarbij de laatste jaren weer een afname is waargenomen (zie figuur 3.6). Op dit moment wordt de doelstelling voor foerageren gehaald.
Mede gezien de niet structurele tellingen en de sterk wisselende aantallen is het onduidelijk of het doel voor wat betreft de slaapfunctie wordt gehaald (zie Figuur 3.5). Uit de gegevens die wel beschikbaar zijn blijkt dat de doelstelling soms wel en soms niet gehaald wordt. De verwachting is dat kolganzen die in de omgeving foerageren in het Zuidlaardermeergebied slapen, maar in welke aantallen dit is en of hiermee ook de doelstellingen gehaald worden is in de huidige situatie niet bekend.
Aandachtspunten
Net als voor toendrarietgans geldt ook voor kolgans dat binnen de Natura 2000-begrenzing onvoldoende foerageergelegenheid aanwezig is voor het gestelde aantal vogels. In de omgeving van het gebied was voorheen voldoende potentieel geschikt foerageergebied beschikbaar (Strijkstra et al., 2016). De huidige draagkrachtberekening gaat echter uit van de beschikbaarheid voor kolgans en toendrarietgans en niet van de combinatie van de diverse soorten ganzen. Ook ganzen zonder doelstelling (brandgans, grauwe gans etc.) foerageren op dezelfde percelen als kolgans. Daarnaast is ook een aantal destijds geschikte foerageergebieden niet meer beschikbaar zoals Tusschenwater en straks ook Noordma. Een nieuwe draagkrachtberekening die genoemde aspecten meeneemt is dan ook nodig om beter inzicht te krijgen in de huidige beschikbaarheid van foerageerlocaties. Vooralsnog lijken de aantallen foeragerende dieren voldoende om het gestelde doel te halen. De trend is de laatste jaren stabiel. Wel lijkt sprake van enige daling van de aantallen foeragerende dieren.
Maatregelen
Bij de analyse van de doelrealisatie is beschreven dat de aantallen kolganzen die in het Zuidlaardermeer overnachten onder de gestelde doelstelling liggen. Het is onduidelijk of er voldoende geschikt overnachtingsgebied is. Waarschijnlijk overnachten de ganzen in de natte polders in Zuidlaardermeergebied en de (directe) omgeving, maar gegevens daarover ontbreken of laten geen duidelijk beeld zien. Nieuw onderzoek moet uitsluitsel geven waarom de gestelde doelen niet gehaald worden en of er maatregelen te bedenken zijn om de situatie te verbeteren.
Aanvullend op het onderzoek naar waar de kolganzen overnachten is het ook noodzakelijk om een regelmatige en structurele telling uit te voeren naar het aantal slapende kolganzen. Hiervoor zullen afspraken gemaakt moeten worden met SOVON. In het hoofdstuk uitvoering wordt nader ingegaan op de uitvoering van de noodzakelijk en gewenste monitoring in het kader van dit beheerplan.
De huidige draagkrachtberekening ten aanzien van beschikbaar foerageergebied voor ganzen in het Zuidlaardermeergebied en directe omgeving (straal van 5 km) gaat uit van de beschikbaarheid van foerageergebied voor kolgans en toendrarietgans en niet van de combinatie van de diverse soorten ganzen. Ook ganzen zonder doelstelling foerageren op dezelfde percelen en daarnaast is een aantal gebieden niet meer beschikbaar door herinrichting. Een nieuwe draagkrachtberekening die genoemde aspecten meeneemt is dan ook nodig om beter inzicht te krijgen in de huidige beschikbaarheid van foerageerlocaties. Deze berekening moet vervolgens gecombineerd worden met een onderzoek naar de verstoring door verkeersbewegingen om het functionele beschikbare foerageergebied te kunnen bepalen.

Figuur 3.7. Ontwikkeling seizoensgemiddelde foerageren Smient in Natura 2000-gebied Zuidlaardermeer gebaseerd op het Meetnet Watervogels (seizoen juli t/m juni). Weergegeven is het seizoensgemiddelde in de monitoringgebieden (rode punten), de trendlijn (donker gekleurde lijn) en het 95% betrouwbaarheidsinterval van de trendlijn (lichtgekleurde lijn). In groen wordt de instandshoudingsdoelstelling voor de soort weergegeven. De oranje lijn geeft het gemiddelde over de laatste vijf seizoenen, analoog aan de werkwijze zoals die binnen Natura 2000 wordt gebruikt om de actuele situatie te beschrijven (SOVON website d.d. 10‑03‑2025).
Doel | 2.700 (seizoensgemiddelde) |
Trend sinds 2010 | afname |
Doelrealisatie | onvoldoende |
Verwachting v/d toekomst | ongunstig |
Knelpunten | afstand tussen slaap- en foerageergebied te groot, kwaliteit foerageergebied |
Algemeen
Het Zuidlaardermeergebied is in de winter slaap- en foerageergebied voor een klein maar belangrijk deel van de Nederlandse populatie. De meeste smienten arriveren in september in het gebied vanuit hun broedgebied. In april hebben de meeste smienten hun winterkwartieren weer verlaten (Sovon, 2024). Het moment waarop de smienten arriveren vanuit hun broedgebieden lijkt te verschuiven van september naar augustus (zie figuur 3.8). Het aantal meldingen van smienten in de tweede helft van augustus neemt toe.
Smienten eten ’s nachts en rusten overdag. Hierbij gebruiken de smienten de kleinere ondiepe wateroppervlaktes om te rusten. Grote, open watervlakken worden gemeden.
De waarnemingen op het Zuidlaardermeer zelf betreft met name de zuidwestrand waar smienten rusten in de luwte van de loefzone bij heersende westenwinden. De waarnemingen uit de database van NDFF zijn vooral overdag gedaan en laten dan ook vooral de gebiedsdelen zien waar smienten rusten.

Figuur 3.8. Seizoenspatroon van de Smient in heel Nederland gebaseerd op gegevens van de LiveAtlas. Weergegeven is de meldingsfrequentie per decade, gemiddeld over de laatste 5 jaren. De meldingsfrequentie is het percentage volledige lijstjes waarop de soort is geregistreerd.
Stand van zaken doelrealisatie
Voor de smient geldt een doelstelling van 2700 (seizoensgemiddelde) voor het Zuidlaardermeergebied. Deze doelstelling wordt in de huidige situatie niet gehaald. In tegenstelling tot de landelijke trend daalt het aantal smienten dat in het Zuidlaardermeergebied overwintert (zie Figuur 3.7). Hiermee is de doelrealisatie onvoldoende en de verwachting voor de toekomst ongunstig.
Analyse doelrealisatie
De inrichtingsmaatregelen uit de eerste beheerperiode hebben geresulteerd in een toename van het aantal rustplaatsen voor de smient. Zoals ook benoemd in de eerder uitgevoerde evaluatie. Toch laten de aantallen overwinterende smienten vanaf 2000 een gestage daling zien tot waarden onder het gestelde doel (zie Figuur 3.7). Deze daling wordt niet landelijk waargenomen en lijkt daarmee het gevolg van een lokale situatie met betrekking tot het Zuidlaardermeergebied.
Omdat het aantal rustplaatsen ruim voldoende is voor het behalen van de doelstelling vormt verandering ten aanzien van de foerageergebieden waarschijnlijk de oorzaak voor de daling in het aantallen smienten die het gebied gebruiken om te rusten. Smienten prefereren eiwitrijk gras in de directe nabijheid van de slaapplaatsen (Kleyheeg, 2018). In de afgelopen jaren hebben de voorheen intensief bemeste, rijke graslanden in de polders zich ontwikkeld tot matig voedselrijke graslanden. Dergelijke graslanden zijn minder aantrekkelijk voor smienten. De rijke graslanden liggen nu niet meer binnen maar buiten de Natura 2000 begrenzing. Om bij hun favoriete voedsel te komen moeten smienten nu dus verder vliegen dan twintig jaar geleden. Dit kan de mogelijke aanleiding zijn dat de aantallen de afgelopen jaren zijn afgenomen. Een andere mogelijkheid is dat externe factoren een rol spelen in de afname van de Smient, bijvoorbeeld de vogelgriep.
Aandachtspunten
Voor de aankomend beheerperiode is voor het behouden van de doelaantallen smienten in het Zuidlaardermeergebied inzicht nodig in het beschikbare foerageergebied in het Zuidlaardermeergebied en de directe omgeving. Aanvullend is van belang te bepalen of het eerder arriveren van de smienten uit hun broedgebieden van invloed kan zijn op de aantalsontwikkelingen in het gebied. Op basis van de uitkomsten en inzichten uit dit onderzoek kunnen eventueel passende maatregelen worden genomen om voldoende foerageergebied ook richting de toekomst te kunnen waarborgen.
Maatregelen
De aantallen overwinterende smienten in het Zuidlaardermeergebied nemen af. Mogelijk ligt de oorzaak hiervan in het verschralen van de graslanden in de afgelopen twintig jaar waardoor smienten verder moeten vliegen om bij hun favoriete voedselgewas (op bemest grasland) te komen. Onderzoek moet uitwijzen of deze hypothese klopt en zo ja of er maatregelen te bedenken zijn die ervoor zorgen dat smienten weer in voldoende mate overwinteren in het Zuidlaardermeergebied zonder dat dit ten koste gaat van andere doelstellingen.

Figuur 3.9. Ontwikkeling seizoensgemiddelde foerageren Slobeend in Natura 2000-gebied Zuidlaardermeer gebaseerd op het Meetnet Watervogels (seizoen juli t/m juni). Weergegeven is het seizoensgemiddelde in de monitoringgebieden (rode punten), de trendlijn (donker gekleurde lijn) en het 95% betrouwbaarheidsinterval van de trendlijn (lichtgekleurde lijn). In groen wordt de instandshoudingsdoelstelling voor de soort weergegeven. De oranje lijn geeft het gemiddelde over de laatste vijf seizoenen, analoog aan de werkwijze zoals die binnen Natura 2000 wordt gebruikt om de actuele situatie te beschrijven (SOVON website d.d. 10‑03‑2025).
Doel | 120 (seizoensgemiddelde) |
Trend sinds 2010 | toename |
Doelrealisatie | voldoende |
Verwachting v/d toekomst | gunstig |
Knelpunten | geen |
Algemeen
De slobeend is een zogenaamde grondeleend, welke foerageert in ondiep water waar ze allerlei plantaardig en dierlijk plankton eten (zaden, slakjes, copepoden, insectenlarven etc.) die de eenden met hun spatelvomige snavel opslobberen en zeven. De soort komt zowel als broedvogels als ook als trekvogel voor in Nederland. De soort komt vooral in grotere zoetwatermoerassen voor, met voldoende beschutting om te rusten en te ruien. Geschikt foerageer- en leefgebied is in ruime mate en goed verspreid aanwezig in het Zuidlaardermeergebied.
Stand van zaken doelrealisatie
Voor het Zuidlaardermeergebied betreft de doelstelling 120 (seizoensgemiddelde) foeragerende slobeenden in de winter (wintergasten). In de huidige situatie wordt deze doelstelling ruim gehaald. Er is sprake van een toename in aantallen, welke goed verspreid over het gebied voorkomen. Hiermee is de doelrealisatie voldoende en de verwachting voor de toekomst gunstig.
Analyse doelrealisatie
Voor de slobeend is in de huidige situatie voldoende geschikt foerageergebied en leefgebied aanwezig in het Zuidlaardermeergebied. De soort laat sinds 2000 een gestage toename in aantallen zien. Er zijn in de huidige situatie dan ook geen knelpunten voor de slobeend als doelsoort voor het Zuidlaardermeergebied.
Aandachtspunten
Er zijn ten behoeve van de nieuwe beheerplanperiode geen wezenlijke aandachtspunten. Voor de slobeend volstaat het continueren van de bestaande situatie (onder meer rust in leefgebieden) en bijhorende beheer.
Maatregelen
Er zijn voor de aankomende beheerplanperiode geen specifieke maatregelen noodzakelijk ten behoeve van de doelrealisatie van de slobeend. Het volstaat om de bestaande situatie ten aanzien van gebruik van gebied, zoals verankerd in het Besluit toegangsbeperking Zuidlaardermeer, te continueren en aanvullend het bestaande beheer te continueren.
Voor behoud van de kwaliteit van bestaande en toekomstige leefgebieden en foerageergebieden is het van belang om de huidige rust te behouden. De richtlijnen en randvoorwaarden zoals opgenomen in het Besluit toegangsbeperking Zuidlaardermeer (d.d. april 2023) zijn in eerste instantie voldoende om een gunstige doelrealisatie te garanderen onder voorwaarde dat de handhaving van die regels op orde is.
Het huidige beheer is erop gericht om beschikbaar houden van voldoende kwalitatief leefgebied voor de doelsoorten, waaronder ook de slobeend. Continuering van het huidige beheer is voldoende om een gunstige doelrealisatie te garanderen.
Wanneer doelstellingen (instandhoudingsdoelen en kernopgaven) (nog) niet gehaald worden of indien een verslechtering in de situatie zichtbaar is, zijn maatregelen nodig om de doelen te (blijven) halen. De maatregelen uit het beheerplan van 2017-2022 (Strijkstra et al., 2016) zijn inmiddels grotendeels uitgevoerd en geanalyseerd (verwerkt) in hoofdstuk 3.
In dit hoofdstuk staat de nog resterende maatregelen uit het voorgaande beheerplan en de nieuwe maatregelen beschreven voor de komende beheerplanperiode. Deze zijn onderverdeeld in inrichtingsmaatregelen, beheermaatregelen en onderzoek & monitoring. Naast een toelichting op de te nemen maatregelen voor de komende beheerplanperiode staat in dit hoofdstuk ook programmering en financiering nader uitgewerkt en toegelicht. Per maatregel staat weergegeven op welke wijze de maatregel bijdraagt aan de doelrealisatie en/of de geformuleerde kernopgaven voor het gebied.
In het gebied wordt gestreefd naar voldoende kwalitatieve broed-, foerageer- en rustgebied voor verschillende broedvogelsoorten en trekvogels. Hierbij vormt een ecologische robuust systeem met voldoende aanbod van voedsel en rust een belangrijk uitgangspunt. De geformuleerde kernopgaven vormen hiervan een nadere uitwerking. De maatregelen in het gebied dragen ook in meer of mindere mate bij aan de realisatie van deze kernopgaven. De komende beheerplanperiode wordt daarmee wederom ingezet op:
Te realiseren via (nog) uit te voeren inrichtingsmaatregelen en beheermaatregelen.
voldoende rust te behouden en/of realiseren– zodat soorten gebruik kunnen (blijven) maken van geschikt leefgebied;
Te realiseren en geborgd via het Besluit toegangsbeperking Zuidlaardermeergebied (d.d. april 2023). Dit is in eerste instantie voldoende om de doelrealisatie te garanderen onder voorwaarde dat de communicatie en handhaving van die regels op orde is.
Te realiseren via (nog) uit te voeren inrichtingsmaatregelen en beheermaatregelen.
Tabel 4.1: Overzicht in te zetten maatregelen in de komende beheerplanperiode
Inrichtingsmaatregelen | ||
Maatregel | Draagt bij aan: | Ten behoeve van: |
Wolfsbarge - Semslinie | Realisatie voldoende aanbod moerasgebied en nieuwe rietzones (broedbiotoop en leefgebied) | Kernopgaven, roerdomp, rietzanger, porseleinhoen |
KRW-maatregelen | Verbeteren van de waterkwaliteit, Realisatie voldoende aanbod foerageergebied | Kleine zwaan |
Beheermaatregelen (regulier beheer) | ||
Maatregel | Draagt bij aan: | Ten behoeve van: |
Begrazing | Behoud openheid van omliggende graslanden (foerageergebied) | Kolgans, slobeend, toendrarietgans, smient, kleine zwaan |
Cyclisch rupsmaaibeheer | Realisatie en behoud van voldoende rietzones (broedbiotoop en leefgebied) | Kernopgaven, roerdomp, porseleinhoen, rietzanger |
Graslandbeheer | Behoud van omliggende graslanden (foerageergebied) | Kolgans, slobeend, toendrarietgans, smient, kleine zwaan |
Opslag verwijderen | Behoud van voldoende moerasgebied (leefgebied) | Kernopgaven, roerdomp, rietzanger, porseleinhoen |
Exotenbeheer | Behoud voldoende foerageergebied (open water), Verminderen predatiedruk | Alle doelsoorten |
Faunabeheer | Verminderen predatiedruk | (met name voor) kolgans, slobeend, toendrarietgans, smient, kleine zwaan |
Onderzoek | ||
Maatregel | Draagt bij aan: | Ten behoeve van: |
Onderzoek blijvende moerasontwikkeling (o.b.v. inrichting Westerbroekstermadepolder, Kropswolderbuitenpolder & Onnerpolder- en Oosterpolder) | Inzicht in toepasbare beheer- of inrichtingsmaatregelen die positief bijdragen aan behoud van voldoende moerasgebied. | Roerdomp, porseleinhoen |
Onderzoek naar overnachtende toendrarietganzen, kolganzen en smienten | Inzicht in beschikbaar slaapgebied t.b.v. (eventuele) verbetering | Kolgans, toendrarietgans, smient |
Onderzoek foerageergebied smient | Inzicht in beschikbaar foerageergebied t.b.v. (eventuele) verbetering | Smient |
Draagkrachtberekening (wintergasten – ganzen) | Inzicht in beschikbaar foerageergebied t.b.v. (eventuele) verbetering | Kolgans, toendrarietgans, smient en kleine zwaan |
Uitvoering LESA (in het kader van Programma Natuur) | Inzicht in grotere (eco)hydrologische systeem en de samenhang hiervan met omliggende landschap en bijhorende natuurwaarden en overige waarden. | Kernopgaven |
Onderzoek benodigde instandhoudingsmaatregelen Grutto | Ingeval de Grutto definitief wordt aangewezen als instandhoudingsdoel, zal uitgezocht moeten worden welke maatregelen nodig zijn om het doel te behalen. | Grutto |
Overige monitoring – zie tabel 4.2 met reguliere cyclische monitoringsinspanning | Alle doelsoorten | |
Toezicht en handhaving | ||
Maatregel | Draagt bij aan: | Ten behoeve van: |
Opstellen Toezichtsplan | Alle doelsoorten | |
Incidentenrapportage | Alle doelsoorten | |
Besluit toegangsbeperking Zuidlaardermeer | Voldoende rust (leefgebied, foerageergebied en broedbiotoop), Voldoende geschikt leefgebied | Alle doelsoorten |
In de eerste beheerplanperiode is al een groot aantal inrichtingsmaatregelen uitgevoerd. Bijvoorbeeld om meer leefgebied voor roerdomp te creëren. Een aantal maatregelen dat al in de eerste beheerplanperiode was voorzien, moet nog uitgevoerd worden. Die worden hieronder beschreven. Er zijn op dit moment geen nieuwe inrichtingsmaatregelen voorzien voor de tweede beheerplanperiode.
Wolfsbarge-Semslinie
Ten zuiden van de eerder ingerichte rietlanden van Leinwijk liggen nog enkele agrarische percelen binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied (Wolfsbarge-Zuid). Deze percelen moeten nog ingericht worden als natuur. Aansluitend liggen er buiten de Natura 2000 begrenzing delen van het Natuurnetwerk Drenthe die nog moeten worden ingericht (Zuidoevers II). Beide gebieden worden als één geheel opgepakt in het inrichtingsproject Wolfsbarge-Semslinie. Hierdoor ontstaat extra leefgebied voor riet- en moerasvogels waaronder alle broedvogels waarvoor doelstellingen zijn opgesteld.
Deze inrichtingsmaatregel draagt bij aan:
Realisatie van voldoende aanbad aan moerasgebied (lagune) en daarmee bijdragen aan uitbreiding van leefgebied voor doelsoorten (roerdomp, porseleinhoen, rietzanger) en bijdragen aan de kernopgave m.b.t. voldoende blijvende moerasontwikkeling.
Realisatie van nieuwe rietzones en daarmee bijdragen aan uitbereiding van broedbiotoop en leefgebied van doelsoorten (roerdomp, porseleinhoen, rietzanger) en bijdragen aan de kernopgave m.b.t. voldoende rietzones – waaronder overjarig riet.
KRW-maatregelen
In het kader van de Kaderrichtlijn Water neemt het waterschap de komende beheerperiode maatregelen ter verbetering van de waterkwaliteit. Deze maatregelen zijn opgenomen in het Integraal Maatregelenplan Zuidlaardermeer. De maatregelen zijn niet direct gericht op de Natura 2000-doelen, maar dragen hier wel aan bij.
Deze inrichtingsmaatregel draagt bij aan:
Het beheer van het Zuidlaardermeergebied is erop gericht om de omstandigheden voor de aanwezige flora en fauna zo goed mogelijk te faciliteren. Voor de doelsoorten gelden vooral het beheer van de rietoevers voor broedvogels en het beheer van de graslanden voor de wintergasten. Exoten- en faunabeheer hebben tot doel om negatieve effecten te beperken. De terreinbeheerders hebben voor het beheer een beheerplan opgesteld voor de periode 2016-2034 (Het Groninger Landschap, 2017). Gezien de looptijd van het beheerplan van de terreinbeheerders, lopen reeds ingezette beheermaatregelen door tot in de beheerplanperiode van voorliggend beheerplan. Er zijn ten aanzien van het beheer dan ook geen nieuwe of aanvullende beheermaatregelen voorzien.
Begrazing
De Westerbroekstermadepolder en de Kropswoldebuitenpolder worden begraasd door een kudde Schotse hooglanders aangevuld met paarden. In Leinwijk is de begrazingstaak toebedeeld aan een kudde landgeiten. Overzomerende ganzen zijn hier ook jaarrond aanwezig en dragen ook bij aan de begrazing van Leinwijk. Met de begrazing wordt voorkomen dat bosopslag dominant wordt, wat nadelig is voor de foerageermogelijkheden voor ganzen en smient. Er is geen aanleiding om voor de gestelde doelen de beheerintensiteit (veedichtheid) aan te passen. De beheerder behoud uiteraard de vrijheid om de begrazingsdruk of -methode aan te passen indien dit gewenst is. Dat mag echter niet ten koste gaan van de Natura 2000-doelen.
Deze beheermaatregel draagt bij aan:
Behoud van openheid van omliggende graslanden en daarmee een bijdrage aan beschikbaarheid van foerageergebieden voor doelsoorten – wintergasten (kolgans, slobeend, toendrarietgans, smient en kleine zwaan).
Cyclisch rupsmaaibeheer
De rietlanden rondom het Zuidlaardermeer worden gefaseerd gemaaid met een ‘oogst’ van 30 ha per jaar. Door gefaseerd te maaien zijn de diverse stadia van rietontwikkeling altijd in voldoende mate aanwezig. Voor roerdomp en rietzanger is de aanwezigheid van geschikt riet een voorwaarde voor doelrealisatie. Deze vorm van beheer draagt daarmee bij aan doelrealisatie van deze soorten.
Deze beheermaatregel draagt bij aan:
Realisatie en behoud van voldoende rietzones en daarmee bijdragen aan broedbiotoop en leefgebied van doelsoorten (roerdomp, porseleinhoen, rietzanger) en bijdragen aan de kernopgave m.b.t. voldoende rietzones – waaronder overjarig riet.
Graslandbeheer
Ganzen en eenden gebruiken ook kruiden- en faunarijke graslanden in het gebied en de directe omgeving om te foerageren. Ook de graslanden die beheert worden ten behoeve van weidevogels vormen daarmee een bron van voedsel voor deze soorten. De delen binnen de kades van de Onner- en Oosterpolder worden beheerd als weidevogelgebied. De gronden zijn verpacht aan boeren die de gebieden met behulp van het Agrarisch Collectief Groningen West zo optimaal mogelijk beheren om kritische weidevogels een goede plek te bieden. Hiervoor wordt beperkt bemest met stalmest, laat gemaaid en na beweid. In de winter gebruiken de ganzen en smient de weidevogelgebieden en andere kruiden- en faunarijke graslanden als foerageergebied. Lichte bemesting en het kort houden van de vegetatie bevorderd deze functie.
Deze beheermaatregel draagt bij aan:
Beschikbaarheid van foerageergebied voor wintergasten (kolgans, slobeend, toendrarietgans, smient en kleine zwaan).
Opslag verwijderen
Om te voorkomen dat moerasgebieden dichtgroeien met opslag van wilg, els of berk wordt daar waar nodig opschietende boompjes verwijderd. De meeste opslag wordt echter door maai- of begrazingsbeheer beperkt. Ook bevers kunnen opslag van boomvormers beperken en zelfs grote bomen in moerasbossen verwijderen. Te veel (broek)bos in de moerassen beperkt de broedmogelijkheden voor roerdomp en porseleinhoen.
Deze beheermaatregel draagt bij aan:
Behoud van voldoende aanbod aan moerasgebied (lagune) en daarmee bijdragen aan leefgebied voor doelsoorten (roerdomp, porseleinhoen, rietzanger) en bijdragen aan de kernopgave m.b.t. voldoende blijvende moerasontwikkeling.
Exotenbeheer
In toenemende mate is beheer van invasieve exoten nodig om het dichtgroeien van wateroppervlakken en schade aan de watervoerende functies van watergangen te voorkomen. Indien mogelijk is het verstandig om in een vroeg stadium in te grijpen zodat woekerende uitbreiding kan worden voorkomen. Bij niet tijdig ingrijpen kan de inspanning om woekerende plantengroei te bestrijden enorm toenemen zelfs tot een niveau dat bestrijding niet meer mogelijk is. Dichtgroeien van open water beperkt de foerageermogelijkheden voor zichtjagers zoals roerdomp. Het beperkt de visstand, wat weer effect heeft op visetende vogels. Daarnaast vormen invasieve exoten zoals de wasbeerhond een bedreiging voor (broedende) vogels. Deze soort vindt zijn voedsel, in tegenstelling tot bijvoorbeeld een vos, ook in de nattere delen en dikke rietkragen in het gebied. Daarmee draagt het exotenbeheer in het gebied ook bij aan de vermindering van de predatiedruk op doelsoorten.
Deze beheermaatregel draagt bij aan:
Behoud van voldoende foerageergebied (open water) en daarmee bijdragen aan leefgebied voor doelsoorten (roerdomp).Verminderen van de predatiedruk als gevolg van predatie door onder meer de wasbeerhond.
Verbetering van de waterkwaliteit en behoud van voldoende waterplanten en een gezonde visstand, welke van belang zijn als voedsel voor verschillende doelsoorten.
Faunabeheer
Ten behoeve van het weidevogelbeheer worden potentiële predatoren (vos, marter, verwilderde katten, kraaien wasbeerhond etc.) beheerd. En om schade aan oevers en waterkeringen te voorkomen worden actief beverratten en muskusratten gevangen. Het is belangrijk om de verstoring die het faunabeheer met zich meebrengt tot een minimum te beperken om een negatieve invloed op de doelsoorten te voorkomen. In de uitvoering in de praktijk is er overlap mogelijk tussen faunabeheer en de uitvoering van een deel van het exotenbeheer.
Deze beheermaatregel draagt bij aan:
Ten aanzien van onderzoek en monitoring zijn er vanuit het beheerplan van 2017-2022 (Strijkstra et al., 2016) nog enkele maatregelen die nog niet uitgevoerd zijn en dus in de komende beheerperiode nog opgepakt moeten worden. Tevens zijn er cyclische onderzoeken die ook in de aankomende beheerperiode voortgezet moeten worden. Daarnaast zijn er nieuwe onderzoeken noodzakelijk om knelpunten in de instandhoudingsdoelen te kunnen oplossen. Hieronder worden eerst de nog openstaande onderzoeksmaatregelen uit het vorige beheerplan besproken. Daarna worden de nieuwe onderzoeksmaatregelen toegelicht. Als afsluiting wordt ingegaan op de monitoring (cyclische onderzoeken) die ook in de volgende beheerplanperiode moeten worden doorgezet.
Inrichting van de Westerbroekstermadepolder, de Kropswolderbuitenpolder, Onnerpolder en Oosterpolder
Na het vernatten van de polders zijn deze van structuurrijke moerasgebieden in meer open watervlaktes met langs de randen opslag van ruigte verandert. Naar aanleiding van deze ontwikkeling is de vraag hoe de moerasontwikkeling blijvend vormgegeven kan worden. Of compartimentering en/of een ander peilbeheer daarbij helpt en welke effecten dit heeft op de doelsoorten (met name porseleinhoen en roerdomp). Gericht onderzoek moet hier antwoord op kunnen geven. Daarbij is ook de chemie van water en waterbodem van belang.
Dit onderzoek geeft inzicht in / draagt bij aan:
In beeld brengen van mogelijke beheer- of inrichtingsmaatregelen om de moerasontwikkeling van de polders blijvend vorm te geven en zo bijdragen aan behoud van voldoende leefgebied voor de doelsoorten (roerdomp, porseleinhoen).
Overnachten toendrarietganzen en kolganzen en smient
In hoofdstuk 3 is beschreven dat de aantallen ganzen die in het Zuidlaardermeer overnachten onder de gestelde doelstelling liggen. Het is onduidelijk of er voldoende geschikte overnachtingsgebied is. Waarschijnlijk overnachten de ganzen in de natte polders in het Zuidlaardermeergebied en omgeving maar gegevens daarover ontbreken of laten geen duidelijk beeld zien. Nieuwe onderzoek moet uitsluitsel geven waarom de gestelde doelen niet gehaald worden en of er maatregelen te bedenken zijn om de situatie te verbeteren.
Dit onderzoek geeft inzicht in / draagt bij aan:
Inzicht in beschikbaar slaapgebied voor de doelsoorten (kolgans, toendrarietgans, smient) en zo bijdragen aan behoud en mogelijk verbetering van geschikt leefgebied.
Foerageergebieden van de smient
De aantallen overwinterende smienten in het Zuidlaardermeergebied nemen af. Mogelijk ligt de oorzaak hiervan in het verschralen van de graslanden in de afgelopen twintig jaar waardoor smienten verder moeten vliegen om bij hun favoriete voedselgewas (op bemest grasland) te komen. Onderzoek moet uitwijzen of deze hypothese klopt en zo ja of er maatregelen te bedenken zijn die ervoor zorgen dat smienten weer in voldoende mate overwinteren in het Zuidlaardermeergebied zonder dat dit ten koste gaat van andere doelstellingen.
Dit onderzoek geeft inzicht in / draagt bij aan:
Inzicht in beschikbaar foerageergebied voor de doelsoort (smient) en zo bijdragen aan behoud en mogelijk verbetering van geschikt leefgebied.
Draagkrachtberekening
De huidige draagkrachtberekening gaat uit van de beschikbaarheid van foerageergebied voor kolgans en toendrarietgans en niet van de combinatie van de diverse soorten ganzen. Ook ganzen zonder doelstelling foerageren op dezelfde percelen en daarnaast is een aantal gebieden niet meer beschikbaar door herinrichting. Een nieuwe draagkrachtberekening die genoemde aspecten meeneemt is dan ook nodig om beter inzicht te krijgen in de huidige beschikbaarheid van foerageerlocaties. Deze berekening moet vervolgens gecombineerd worden met de verstoring door verkeersbewegingen (zie paragraaf 5.1.1) om het functionele beschikbare foerageergebied te kunnen bepalen. Eventueel kan ook een combinatie gemaakt worden met het verjagen van ganzen van landbouwpercelen. Streven is om de draagkrachtberekening in het vervolg cyclisch te herhalen, 1x per beheerplanperiode.
Dit onderzoek geeft inzicht in / draagt bij aan:
Inzicht in beschikbaar foerageergebied voor doelsoorten (kolgans, toendrarietgans, smient) en zo bijdragen aan behoud en mogelijk verbetering van geschikt leefgebied.
Uitvoeren Landschap Ecologische Systeem Analyse (LESA)
Deze analyse wordt uitgevoerd in het kader van het Programma Natuur en omvat een groter gebied dan enkel het Natura 2000-gebied Zuidlaardermeer. De uitkomsten van de analyse kunnen mogelijk inzichten opleveren ten aanzien van het grotere hydrologische systeem en de samenhang van de waterhuishouding van het Zuidlaardermeergebied met de omliggende gebieden (waaronder de westflank van de Hondsrug). Mogelijk dat er naar aanleiding van de uitkomsten van de LESA aanvullende maatregelen geformuleerd worden voor het ecohydrologische systeem waar ook het Zuidlaardermeergebied toe behoort. Wanneer er op basis van de uitkomsten van deze LESA, maatregelen genomen worden die betrekking hebben op de inundatie van de aanwezige veenbodems zal er een aanvullende noodzaak zijn inzicht te verkrijgen in de chemische samenstelling van deze veenbodems voordat beoogde maatregelen uitgevoerd (kunnen) worden. Deze kennis over de chemische samenstelling van de bodem is op dit moment een kennislacune.
Dit onderzoek geeft inzicht in / draagt bij aan:
Inzicht in het grotere hydrologische systeem van het Zuidlaardermeergebied en daarmee (eventuele) mogelijkheden voor de kernopgaven.
Onderzoek benodigde maatregelen Grutto
Als de Grutto definitief aangewezen wordt als instandhoudingsdoel voor het Zuidlaardermeergebied, zal bepaald moeten worden welke maatregelen nodig zijn om het doel te behalen. Wij verwachten dat hiervoor onderzoek nodig is. Daarom reserveren wij alvast middelen om dit onderzoek uit te kunnen voeren.
Dit onderzoek geeft inzicht in / draagt bij aan:
Monitoring (cyclisch onderzoek)
In tabel 4.2 is de (cyclische) monitoring voor een aantal aspecten opgenomen. Deze monitoring is in het voorgaande beheerplan ook uitgevoerd en loopt in de komende beheerplanperiode door volgens gestandaardiseerde termijnen die in de tabel worden genoemd. De cyclische monitoring is een combinatie van monitoring in het kader van de SNL en KRW, aangevuld met monitoring specifiek gericht op de Natura 2000 doelen.
Tabel 4.2: Overzicht monitoring in de komende beheerplanperiode
Monitoring | Soorten-onderdelen | Methode | Frequentie | Uitvoerder (verantwoordelijke) |
Natura 2000 | ||||
Ontwikkeling nieuwe rietvegetaties | Hele gebied | Quickscan oppervlakte rietlandtype | 1x per 6 jaar | Provincie |
Rust in de rietlanden | Relevante oppervlakten – rietland en andere moerasvegetaties | Quickscan naar invloed van de recreatie op de relevante broedgebieden | 1x per 6 jaar | Provincie |
Wintervogels – foerageren | Kleine zwaan, Toendrarietgans, Kolgans, Smient, Slobeend | Tellingen | Jaarlijks - 1 maal per maand in de periode september t/m maart | Sovon |
Wintervogels - slapen | Kleine zwaan, Toendrarietgans, Kolgans | Tellingen | Jaarlijks – 2 maal in de periode september t/m maart | Sovon |
Oppervlakte beschikbaar foerageergebied |
| Draagkrachtberekening | 1 x per 6 jaar | Provincie |
Beschikbaarheid schedefonteinkruid | Kleine zwaan | Vegetatiekartering en bemonstering knolletjes | 1x per 6 jaar | Provincie |
Vaarbewegingen | Hele gebied en omgeving | 1x per 6 jaar | Provincie | |
Verkeersbewegingen | Hele gebied en omgeving | 1x per 6 jaar | Provincie | |
Incidentenrapportage toezicht en handhaving | Hele gebied en omgeving | Jaarlijks | Provincie | |
SNL | ||||
Broedvogels | Roerdomp, Porseleinhoen, Rietzanger | Tellingen en kartering van territoria - gebied dekkend | 2-3x per 6 jaar | Beheerder |
Weidevogels | o.a. Grutto | Tellingen en kartering van territoria in weidevogelgrasland | Jaarlijks | Beheerder |
Vegetatietypen | Kernopgaven – leefgebied doelsoorten | Gebied dekkend | 1x per 12 jaar | Beheerder |
Flora en fauna | Kernopgaven - doelsoorten | Aanwezigheid en verspreiding van kwalificerende soorten planten, vogels, dagvlinders en sprinkhanen per beheertype | 1x per 6 jaar | Beheerder |
Abiotische condities | Kernopgaven - Systeem | Grondwaterstanden, zuurgraad, trofie en depositie | 1x per 6 jaar | Provincie |
KRW-monitoring | ||||
Waterkwaliteit – fysische chemie | Kernopgaven - Systeem | Steekmonsters | Maandelijks | Waterschap |
Waterkwaliteit – prioritaire en specifiek verontreinigende stoffen | Kernopgaven - Systeem | Steekmonsters | Maandelijks tot 4x per jaar afhankelijk van stof | Waterschap |
Biologie – fytoplankton (algen) | Kernopgaven - Systeem | Soortensamenstelling en aantallen | Maandelijks van april t/m september | Waterschap |
Biologie - waterplanten | Kernopgaven - Systeem | Opnamen van vaste locaties en trajecten | 1x per 3 jaar | Waterschap |
Biologie - macrofauna | Kernopgaven - Systeem | Bemonstering van vaste trajecten | 1x per 3 jaar | Waterschap |
Biologie - vis | Kernopgaven - Systeem | Kuil en electro, langs vaste trajecten | 1x per 3 jaar | Waterschap i.s.m. Sportvisserij Groningen Drenthe |
Vismigratie | Kernopgaven - Systeem | Wisselend | Projectmatig | Waterschap i.s.m. Sportvisserij Groningen Drenthe |
Innovaties – pilotprojecten
| ||||
Broedvogel monitoring met behulp van drones | Roerdomp, Rietzanger en Porseleinhoen | ntb | Beheerder | |
Pilot akoestische monitoring i.c.m. onderzoek verspreidings-dynamiek Noord-NL | Porseleinhoen | 3x per 6 jaar | Provincie Groningen i.s.m. Drenthe en Fryslân |
Diverse organisaties houden vanuit verschillende taken toezicht op het Zuidlaardermeergebied. De Provincie Groningen is bevoegd voor de natuurhandhaving. Dit beslaat de volgende taken:
Controle op de vergunningplichtige en vergunningvrije activiteiten; zijn de waargenomen ontwikkelingen en activiteiten getoetst aan de doelstellingen van het beheerplan.
Controle in de Natura 2000-gebieden zelf (gebiedscontrole op toegangsbepalingen). Daarbij wordt rekening gehouden met de gevoeligheden van de doelsoorten. Deze taak wordt gedeeld met de gebiedsbeheerder.
Bij het constateren van overtredingen kan proces-verbaal worden opgemaakt of, bij het ontbreken van een vergunning, een werk worden stilgelegd. Wanneer de uitvoering van de gebiedscontrole plaatsvindt is deels afhankelijk van het seizoen (broedseizoen, winter).
Opstellen toezichtsplan
Op basis van de landelijk ontwikkelde en vastgestelde ’Handreiking handhavingsplan Natura 2000’ (IPO 2013) worden de hoofdlijnen voor toezicht en handhaving verder uitgewerkt in een toezichtssplan voor dit beheerplan. De genoemde Handreiking biedt handvatten voor het opstellen van een dergelijk toezichtsplan waarbij wordt uitgegaan van de programmatische aanpak zoals ontwikkeld door het CCV (Stichting Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid). Op basis van een risicoanalyse wordt de toezichtstrategie voor het gebied verder uitgewerkt. Bij het opstellen en het uitvoeren van het toezichtsplan wordt zoveel mogelijk samengewerkt met de andere partijen die een taak op dit gebied hebben. Dit toezichtsplan wordt door de provincie als leidraad gebruikt bij de uitvoering van haar werkzaamheden.
Deze maatregel draagt bij aan:
Incidentenrapportage
Wanneer incidenten worden geconstateerd, worden deze door de betreffende toezichthouder geregisterd. Jaarlijks wordt een rapportage gemaakt van het aantal en soort incidenten. Deze jaarlijkse rapportages geven inzicht in trends en knelpunten, op basis waarvan prioriteiten voor toezicht kunnen worden bepaald.
Deze maatregel draagt bij aan:
Besluit toegangsbeperking Zuidlaardermeergebied
Met het Besluit toegangsbeperking Zuidlaardermeergebied (d.d. 7 april 2023) beperkt de provincie de toegang tot en het gebruik van bepaalde delen van het Zuidlaardermeergebied. Dit besluit is een maatregel in het kader van het Natura 2000- beheerplan. Hiermee waarborgt de provincie dat er voldoende rust in de leefgebieden is van de aangewezen doelsoorten. Zodat er voldoende kwalitatief geschikt leefgebied voor deze soorten aanwezig is en aanwezig blijft.
Deze maatregel draagt bij aan:
Tabel 4.3: Planning van alle maatregelen, onderzoeken en monitoring in de komende beheerplanperiode. Voor de grote inrichtingsmaatregelen is onderscheid gemaakt in planvoorbereiding (V) en realisatie (X)
Per jaar van uitvoering | ||||||
2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 | |
Inrichtingsmaatregelen
| ||||||
Wolfsbarge - Semslinie | V | V | X | |||
KRW-maatregelen | V | V | X | |||
Beheermaatregelen (regulier beheer) | ||||||
Begrazing | X | X | X | X | X | X |
Cyclisch rupsmaaibeheer | X | X | X | X | X | X |
Graslandbeheer | X | X | X | X | X | X |
Opslag verwijderen | X | X | X | X | X | X |
Exotenbeheer | X | X | X | X | X | X |
Faunabeheer | X | X | X | X | X | X |
Onderzoek
| ||||||
Onderzoek blijvende moerasontwikkeling | X | |||||
Onderzoek naar overnachtende toendrarietganzen, kolganzen en smienten | X | X | ||||
Onderzoek foerageergebied smient | X | X | ||||
Draagkrachtberekening (wintergasten – ganzen) | X | |||||
Uitvoering LESA | X | X | ||||
Onderzoek benodigde maatregelen Grutto | X | |||||
Monitoring*
| ||||||
Ontwikkeling nieuwe rietvegetaties | X | X | ||||
Rust in de rietlanden | X | X | ||||
Wintervogels – foerageren | X | X | X | X | X | X |
Wintervogels - slapen | X | X | ||||
Oppervlakte beschikbaar foerageergebied | X | |||||
Beschikbaarheid schedefonteinkruid | X | X | ||||
Vaarbewegingen | X | X | ||||
Verkeersbewegingen | X | X | ||||
Broedvogel monitoring met drones | X | X | X | |||
Pilot akoestische monitoring i.c.m. onderzoek verspreidingsdynamiek Noord-NL | X | X | ||||
Toezicht en Handhaving | ||||||
Opstellen toezichtsplan | X | |||||
Incidentenrapportage | X | X | X | X | X | X |
Besluit toegangsbeperking Zuidlaardermeer | X | X | X | X | X | X |
*De SNL en KRW-monitoring worden uitgevoerd en bekostigd uit andere programma’s en zijn daarom niet opgenomen in deze programmering.
Primair is het Zuidlaardermeergebied binnen de Natura 2000-begrenzing bedoeld om de gestelde Natura 2000 doelen te realiseren. Alle andere functies van het gebied mogen geen afbreuk doen aan realisatie van de Natura 2000-doelen. Dit leidt tot een aantal punten van aandacht ten aanzien van sociaaleconomische aspecten. Samenvattend betekent dit voor de recreatie dat sommige delen van het vaarwater niet of beperkt toegankelijk zijn. Wanneer waterplanten zich sterk gaan ontwikkelen zal dit leiden tot hinder voor de vaarrecreatie. De landbouw heeft vooral te maken met de eigen behoefte voor lage grondwaterstanden en de behoefte van hoge (grond)waterstanden vanuit de natuuropgave. Ook zorgen overwinterende en standganzen voor productieverlies en vraatschade. Hieronder worden de aandachtspunten nader toegelicht en uitgewerkt.
In en rondom het Zuidlaardermeergebied vinden verschillende vormen van recreatie plaats. Naast de waterrecreatie, zoals zeilen, varen, surfen en zwemmen vindt er ook veel landrecreatie plaats. Denk daarbij aan wandelen, fietsen, paardrijden maar ook een bezoek aan een restaurant. Sportvissen vindt plaats vanaf zowel oever als water. Er zijn ook vormen van verblijfsrecreatie aanwezig in en rondom het gebied. De ontwikkelingen in het kader van Natura 2000 kunnen van invloed zijn op de wijze en de mate van dit recreatief medegebruik.
Waterrecreatie (surfen, suppen, zeilen, varen etc.)
Vanuit de Kaderrichtlijn Water en de Natura 2000-doelstellingen is het wenselijk om meer waterplanten in het meer te krijgen. Dit is gunstig voor onder meer vis en macrofauna die op hun beurt weer voedsel vormen voor roerdomp, rietzanger, slobeend en kleine zwaan. Veel waterplanten in het water vormen echter een belemmering voor de doorvaart van vaartuigen en zijn dus vanuit recreatief oogpunt onwenselijk. Op termijn kan de toename van waterplanten ten behoeve van Natura 2000-doelstellingen een belemmering vormen voor de waterrecreatie op het Zuidlaardermeer.
Naast de invloed van de aanwezigheid van waterplanten op de waterrecreatie heeft een zonering van activiteiten invloed op de wijze en de mate waarin reactief medegebruik mogelijk is in en rondom het gebied. Om voldoende rust te bewaren in leefgebied van de roerdomp zijn in het Besluit toegankelijkheid Zuidlaardermeer delen van de rietoevers afgesloten voor waterrecreatie. In de winter rusten trekvogels op het open water. Het water wordt dan niet afgesloten, maar vaarders moeten wel afstand houden van de rustende vogels.
Landgeboden reactie (wandelen, fietsen, overige recreëren)
Voor het land gebonden recreatief medegebruik kan een eventuele zonering en/of het tijdelijke of permanent sluiten van bepaalde delen van het gebied van invloed zijn op de wijze en de mate van recreatiefmedegebruik. Om rust in het gebied te creëren voor broedvogels maar ook voor overwinterende vogels, zijn sommige delen afgesloten voor recreanten. Dit werkt beperkend voor de vaarrecreatie maar dus ook voor wandelaars of fietsers.
Tevens wordt ook ingezet op het creëren van meer moerasnatuur om met name de broedvogels meer leefgebied te bieden en deels om voedselrijk water te filteren voordat het in het meer komt. Moerassen vormen voor de meeste recreanten geen aantrekkelijk gebied om in te verblijven. Ten delen kan deze ontwikkeling het recreatief medegebruik daarmee beperken omdat moerasgebieden voor een deel van de recreanten niet aantrekkelijk is om in te recreëren. Anderzijds is de ontwikkeling van nieuwe moerasnatuur wel aantrekkelijk voor bijvoorbeeld vogelaars en natuurliefhebbers. De verwachting is daarom dat de aanleg van meer moerasnatuur zelf al met al weinig effect heeft op het recreatief medegebruik in het gebied.
Verblijfsrecreatie
In de huidige situatie is er sprake van beperkte aanwezigheid van verblijfsrecreatie in het gebied (binnen de begrenzing). Hierbij gaat het om recreatief gebruik van bijvoorbeeld woonboten of stacaravans en chalets. Richtlijnen medegebruik op basis van Besluit toegangsbeperking Zuidlaardermeer Aanvullend is in het Besluit toegangsbeperking Zuidlaardermeer (april 2023) beschreven welke activiteiten niet (meer) zijn toegestaan of beperkt zijn toegestaan. Dit resulteert in een beperking voor sommige vormen van watersport zoals snelvaren. Maar het besluit omvat ook richtlijnen voor activiteiten zoals kitesurfen en/of wandelen in het gebied. Ondanks de ontwikkelingen in het kader van Natura 2000 en de beperkingen voor medegebruik zoals vastgelegd in het TBB zijn er nog veel activiteiten wel toegestaan waardoor er naar verwachting voldoende mogelijkheden aanwezig blijven voor recreatie.
De invloed van Natura 2000-doelstellingen op het landbouwkundig gebruik rondom het Zuidlaardermeergebied heeft vooral betrekking op het waterbeheer en het foerageergedrag van ganzen. Het Zuidlaardermeer is gebaat is bij hoge (en wellicht fluctuerende) waterstanden en de landbouw heeft met name baat bij een voldoende laag of in ieder geval controleerbaar (grond)waterpeil. De beoogde compartimentering ten behoeve van blijvende moerasontwikkeling kan mogelijk gerealiseerd worden met behulp van peilveranderingen. Deze aanpassingen en/of andere aanpassingen in het waterpeil (de waterhuishouding) kunnen conflicterende zijn met het landbouwkundig gebruik in de omgeving van het Zuidlaardermeergebied wanneer deze aanpassingen resulteren in effecten op de betreffende landbouwpercelen. In het onderzoek naar mogelijke compartimentering van de polders zal daarom ook gekeken worden naar de effecten op omliggend landbouwgebied.
Verder vraagt het natuurbeheer om lage nutriëntgehaltes en lage concentraties gewasbeschermingsmiddelen in het afvoerwater vanuit de Hunze. Hierdoor wordt het doorzicht verbeterd en krijgen waterplanten meer kans waardoor ook de visstand en de macrofauna profiteren. Dat is voor met name roerdomp, rietzanger, slobeend en kleine zwaan gunstig. Een lage nutriënt- en bestrijdingsmiddelenconcentratie in het afvoerwater kan echter een beperking vormen voor het agrarische landgebruik.
De doelstellingen voor de wintervogels (smient, kolgans en toendrarietgans) kunnen effecten hebben op de landbouwpercelen in de omgeving. Deze soorten gebruiken de percelen om op te foerageren. Winterganzen zorgen daarmee voor vraatschade en bijkomend productieverlies in de landbouw. Dit wordt voor een deel gecompenseerd door schaderegelingen maar vormt voor boeren toch vaak een knelpunt. Het leidt voor de betreffende boeren tot extra administratieve lasten en inkomstenderving. Ten westen van het Zuidlaardermeergebied zijn enkele ganzenfoerageergebieden (circa 320 hectares) aangewezen vanuit de provincie Groningen. In het kader van het ganzenakkoord wordt bekeken of er genoeg foerageergebied is en of het op de goede plek ligt. De uitkomsten van deze evaluatie kunnen van invloed zijn op de aanwezigheid en ligging van ganzenfoerageergebied en daarmee op het landbouwkundig medegebruik.
De overige landbouwgronden rondom het Zuidlaardermeer vallen niet onder de aangewezen ganzenfoerageergebieden in het kader van de provinciale ganzenakkoorden. In deze gebieden hebben agrarische ondernemers wel de mogelijkheid om de ganzen buiten de grenzen van het Natura 2000-gebied te verjagen.
De effecten van de wintergasten zijn hiermee relatief beperkt, maar blijven wel een belangrijk punt van aandacht (knelpunt) voor agrarische ondernemers in de omgeving van het Zuidlaardermeergebied.
Voor wat betreft de Natura 2000-doelen met een ‘viscomponent’ gaat het vooral om de roerdomp. De aantallen roerdompen die in het doel geformuleerd zijn (vijf paar) zullen geen significante opbrengstderving voor de visser(ij) opleveren. Een ander aspect van de visserij vormt mogelijke verstoring. In bepaalde delen van het gebied mag niet gevist worden om verstoring te voorkomen. Ook nachtvissen is verboden. Deze beperkingen zijn vastgelegd in het Besluit toegangsbeperking Zuidlaardermeer. Verder zijn er met de enige actieve beroepsvisser in het gebied duidelijke afspraken gemaakt waar en wanneer gevist mag worden. Er zijn ten aanzien van de professionele visserij en de sportvisserij geen grote effecten te verwachten als gevolg van de Natura 2000-doelstellingen omdat er voldoende overig visgebied beschikbaar blijft.
De Kropswolderbuiten- en Westerbroekstermadepolder zijn mede ingericht om in tijden van veel wateraanvoer water op te slaan. Zodat landbouw- en bewoonde gebieden niet overstromen. De verwachting is dat een dergelijke situatie zich gemiddeld eens in de 25 jaar voordoet. Het meest waarschijnlijke is dat zo’n fenomeen in het winterseizoen optreedt omdat dan de meeste netto neerslag valt. In de praktijk betekent dit dat eens per 25 jaar de polders gedurende enige dagen tot weken geheel onder water staan. Door de gevolgen van klimaatverandering zal deze frequentie waarschijnlijk groter worden en komt deze situatie gemiddeld vaker voor. De Natura 2000-doelen vormen geen beperking voor de inzet als waterbergingsgebied.
Het Natura 2000-gebied en de maatregelen uit het beheerplan hebben geen effecten op de drinkwaterwinning. Bij de aanleg van Tusschenwater zijn wel enkele drinkwaterputten verplaatst om te voorkomen dat ze onder water zouden komen te staan, maar dit heeft verder geen effecten op de drinkwaterwinning zelf.
Er zijn naar verwachting geen negatieve effecten van het Natura 2000-gebied en de maatregelen op bewoning of infrastructuur. In de komende periode zal in verband met bodemdaling wel het waterpeil van het meer worden aangepast. Maar omdat het meer in dezelfde mate zal dalen als de omliggende gebieden met de bebouwing en infrastructuur, worden negatieve effecten niet verwacht. Er zijn wel enkele positieve effecten van het gebied op de woonfunctie. Een groot deel van de huizen in de woonwijken (Meerwijck, Oeverlanden) ligt direct aan bevaarbaar water waarmee het meer bereikbaar is voor een deel van de huizenbezitters. Daarnaast kunnen de inwoners gemakkelijk het gebied inwandelen en/of gebruiken voor andere recreatieve doeleinden.
Het Zuidlaardermeer zorgt door de functie als Vogelrichtlijngebied voor beperkingen ten aanzien van activiteiten in het luchtruim. Vliegtuigen, helikopters en ballonvaarders moeten een bepaalde minimumhoogte aanhouden als ze over het meer vliegen om verstoring te voorkomen. Daarnaast is het recreatief gebruik van drones in het gebied verboden. Ook deze beperkingen zijn vastgelegd in het Besluit toegangsbeperking Zuidlaardermeer
Naast het Natura 2000 beheerplan zijn er meer beleidsplannen en programma's van invloed op het gebied. Dit kan internationaal, nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid zijn. In deze paragraaf wordt kort stilgestaan bij de verschillende plannen en de raakvlakken met het Natura 2000-beheerplan.
Europa
Vogel- en Habitatrichtlijn
De aanwijzing van het Zuidlaardermeergebied als Natura 2000-gebied volgt rechtstreeks uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. De Vogelrichtlijn is in 1979 ingegaan en regelt de bescherming van alle in het wild levende vogelsoorten in Europa. In 1992 is daar de Habitatrichtlijn bijgekomen, gericht op de bescherming van de natuurlijke habitats en wilde dier- en plantensoorten in Europa. Onder beide richtlijnen kunnen beschermende natuurgebieden worden aangewezen. Samen vormen deze gebieden een Europees netwerk van natuur bedoeld om de achteruitgang van de biodiversiteit te stoppen en te waarborgen voor de toekomst. Het Zuidlaardermeergebied is 24 maart 2000 (N/2000/324) aangewezen als Vogelrichtlijngebied en is daarmee een belangrijk onderdeel van het Europese netwerk van Natura 2000-gebieden. Kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is gericht op het verbeteren van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in Europa. Daarbij wordt gekeken naar zowel de chemische (aanwezigheid van verontreinigende stoffen e.d.) als de ecologische kwaliteit (aanwezigheid van vissen en waterplanten). Uiterlijk in 2027 moet al het water schoon en gezond zijn. Voor het Zuidlaardermeergebied zijn in het kader van de KRW waterkwaliteitsdoelen gesteld. In de gebiedsbeschrijving (Bijlage 2 Gebiedsomschrijving) wordt nader ingegaan op de samenhang tussen de Natura 2000-doelen en de KRW doelen.
Rijk
Omgevingswet
De uitwerking van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn is in Nederland vastgelegd in de Omgevingswet. Daarin is bepaald dat het Rijk verantwoordelijk is voor het aanwijzen van de Natura 2000-gebieden en het bepalen van de instandhoudingsdoelen. De provincies hebben vervolgens als taak om maatregelen uit te werken om deze doelen te behalen en dit vast te leggen in een beheerplan. Met dit beheerplan voor het Zuidlaardermeergebied geven wij invulling aan deze taak.
Provincie
Het Zuidlaardermeergebied ligt binnen de provincies Groningen en Drenthe. Onderstaand teksten zijn grotendeels van toepassing voor beide provincies. Daar waar de provincies onderling verschillen wordt dit toegelicht.
Omgevingsvisie en verordening
De Omgevingsvisie is de integrale lange termijnvisie van de provincie op de fysieke leefomgeving. In de visie worden de doelen en ambities van de provincie op allerlei thema's beschreven en met elkaar verbonden. Denk aan ruimtelijke ontwikkeling, landschap en cultureel erfgoed, natuur, verkeer en vervoer, water en milieu. Op basis van de visie worden in de Omgevingsverordening vervolgens regels vastgesteld voor fysieke leefomgeving.
De omgevingsvisie en -verordening regelen de ruimtelijke bescherming van natuurgebieden. Zo is ook de begrenzing van de Natura 2000-gebieden zoals aangewezen door het Rijk vastgelegd in de Omgevingsvisie. Daarnaast is een groot deel van het Zuidlaardermeergebied gelegen in het grondwaterbeschermingsgebied i.v.m. met de drinkwaterwinning. Milieubelastende activiteiten zoals het in of aanbrengen van schadelijke vaste of vloeibare stoffen in of op de bodem , zoals lozingen of inbrengen van mest, zijn hier verboden (artikel 4.38). Voor gebruik van kunstmest geldt een uitzondering (artikel 4.39). Tot slot is een klein deel van het Zuidlaardermeer aangewezen als een voor verzuring gevoelig, kwetsbaar gebied onder de Wet ammoniak en veehouderij (Wav). In een zone van 250m rond dit kwetsbare gebied zijn nieuwe veehouderijen niet toegestaan en uitbreidingsmogelijkheden voor bestaande veehouderijen beperkt. De regels vanuit de grondwaterbescherming en de Wav zijn aanvullend op de Natura 2000 bescherming.
NNN en SNL
Alle Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), het landelijk netwerk van bestaande en nog te realiseren natuurgebieden. Ook het NNN is ruimtelijk beschermd via de Omgevingsverordening. Daarnaast het is NNN de basis voor verdeling van inrichtings- en beheersubsidies (het Subsidiestelsel Natuur en Landschap, SNL). In het Natuurbeheerplan van elke provincie is vastgelegd welke natuurdoelen per NNN-gebied worden nagestreefd. Beheerders kunnen vervolgens subsidie krijgen voor het beheer van het gebied ten behoeve van deze doelen.
Ook het beheer van de Natura 2000-gebieden wordt in de basis bekostigd via het SNL-stelsel. Niet alle Natura 2000 doelen kunnen daarmee voldoende worden behaald. In dit beheerplan is vastgelegd waar extra inzet nodig is boven op het SNL-beheer en welke middelen hiervoor beschikbaar zijn (zie ook hoofdstuk 4.3).
Toekomst Landelijk Gebied
De komende jaren komen er veel verschillende opgaven af op het landelijk gebied: natuurherstel, klimaatverandering en water. Om deze opgaven goed op te pakken werkt het Rijk aan de aanpak Ruimte voor Landbouw en Natuur (RLN). Daarbinnen werkt elke provincie aan gebiedsplannen. Provincie Groningen heeft in februari 2025 haar gebiedsplan Toekomst Landelijk Gebied vastgesteld. Provincie Drenthe werkt aan het programma Toekomstgericht Landelijk Gebied Drenthe.
De Vogel- en Habitatrichtlijndoelen zijn onderdeel van de gebiedsplannen. Dit Natura 2000 beheerplan draagt daar direct aan bij. Andersom kunnen de gebiedsplannen bijdragen aan de doelen binnen het Natura 2000 gebied, door in de omgeving maatregelen te nemen die bijvoorbeeld de waterkwaliteit binnen het gebied verbeteren.
Het Zuidlaardermeergebied valt binnen het deelgebiedsplan Gorecht van de provincie Groningen. In dit deelgebiedsplan is vooral aandacht voor het tegengaan veenoxidatie. Daarnaast valt het gebied binnen het deelgebied De Hunze en Monden van de provincie Drenthe. Belangrijke opgaven in dit gebied zijn het creëren van een robuust watersysteem in het beekdal (waar het Zuidlaardermeer onderdeel van is) en ook hier de aanpak van veenoxidatie. Dit Natura 2000 beheerplan sluit daarmee goed aan bij de gebiedsplannen van het RLN.
Programma Natuur
In het Programma Natuur werken provincies en Rijk samen aan herstel van stikstofgevoelige natuur. Programma Natuur is aanvullend op de Natura 2000 beheerplannen en kan ook in NNN-gebieden ingezet worden. In het Zuidlaardermeer zijn enkele stikstofgevoelige habitattypen aanwezig, zoals veenmosrietland en trilvenen/bijzondere duinvegetaties. Deze habitattypen zijn geen aangewezen doel voor het gebied zelf, maar dragen wel bij aan de landelijk doelen. Via het Programma Natuur worden daarom extra maatregelen genomen in het Zuidlaardermeer voor deze habitattypen. Dit gebeurt in nauwe afstemming met de uitvoering van het Natura 2000 beheerplan.
Flora en Faunabeleid
Naast de bescherming van natuurgebieden zijn provincies verantwoordelijk voor de bescherming van soorten, binnen én buiten natuurgebieden. Daaronder valt ook de aanpak van schadeveroorzakende soorten als exoten. Zowel Groningen als Drenthe hebben een Flora en Faunabeleid, waarin zij aangeven hoe zij vormgeven aan deze taak. Voor het Zuidlaardermeer is vooral het faunabeleid op gebied van ganzen, weidevogels en exoten van belang.
Beide provincies hebben een ganzenakkoord. Onderdeel is de aanwijzing van foerageergebieden: gebieden waar trekganzen in de winter kunnen foerageren en niet bejaagd mogen worden. Aan de westkant van het Zuidlaardermeergebied zijn ganzenfoerageergebieden aangewezen. Hier kunnen de Natura 2000 doelsoorten Kolgans en Toendrarietgans eten voor ze 's avonds weer terugkeren om te slapen op het meer. De ganzenfoerageergebieden zijn daarom van groot belang voor het behalen de Natura 2000 doelen. Eventuele aanpassingen aan de foerageergebieden worden nauw afgestemd met het Natura 2000 beheerplan.
De westrand van het Zuidlaardermeergebied, net buiten de begrenzing van het N2000-gebied, is aangewezen als leefgebied weidevogels. Het agrarisch natuurbeheer dat hier wordt uitgevoerd draagt ook bij aan geschikt foerageergebied voor de ganzen en smient.
Invasieve exoten zijn soorten die door menselijk handelen in Nederland terecht zijn gekomen, zich snel verspreiden en daarbij schade veroorzaken. Provincies zijn verantwoordelijk voor de bestrijding van de meeste invasieve exoten. De waterschappen zijn verantwoordelijk voor de bestrijding van muskusrat en beverrat, het Rijk voor de Chinese wolhandkrab en rivierkreeften. In het Zuidlaardermeer komen verschillende exoten voor. Waar deze exoten problemen opleveren voor de Natura 2000 doelen is in dit beheerplan opgenomen dat het beheer van deze exoten noodzakelijk is, en zal worden uitgevoerd passend binnen de Natura 2000-beleidkaders.
Strategische visie Vrijetijdseconomie
Om de economie en leefbaarheid te versterken heeft de provincie Groningen in haar omgevingsvisie vastgelegd dat zij de vrijetijdseconomie wil stimuleren. Dit is verder uitgewerkt in de Strategische visie Vrijetijdseconomie en bijbehorende uitvoeringsprogramma’s. Belangrijke pijler is het behoud en versterking van het vaarnetwerk. Het Zuidlaardermeer is onderdeel van de vaarroute Groningen-Drenthe en richting de Veenkoloniën. Daarnaast zijn in het gebied meerdere wandel- en fietsroutes en recreatieve ondernemingen aanwezig. De provincie ziet dan ook kansen om het Zuidlaardermeergebied verder te ontwikkelen als recreatieve bestemming, passend binnen de natuurdoelen.
Gemeente
Het Zuidlaardermeergebied ligt binnen drie gemeenten: Groningen, Midden-Groningen en Tynaarlo/ Elke gemeente heeft onder de Omgevingswet een eigen Omgevingsvisie opgesteld, waarin zij vastlegt welke doelen zij nastreeft voor de fysieke leefomgeving en hoe zij die wil bereiken.
Gemeente Groningen
Een van de ambities die de gemeente Groningen nastreeft in haar Omgevingsvisie is het beter verbinden van de stad met de groene omgeving. Zij ziet mogelijkheden voor meer beleving van het buitengebied, onder andere door het stimuleren van (vaar)recreatie. Ook het Zuidlaardermeergebied is hiervoor in beeld. De gemeente streeft daarbij naar balans tussen recreatie en de natuur- en ecologische draagkracht van het natuurgebied.
Aanvullend op de Omgevingsvisie werkt de gemeente Groningen aan de Gemeentelijke Ecologische Structuur (GES). In dit beleidsplan worden de doelen vastgelegd voor de groene gebieden binnen de gemeente én wordt in kaart gebracht waar verbindingen tussen deze groene gebieden nodig zijn. Voor het Zuidlaardermeergebied kunnen deze verbindingen positief bijdragen aan meer uitwisseling van (populaties van) soorten met andere natuurgebieden.
Gemeente Midden-Groningen
De gemeente Midden-Groningen heeft als speerpunt in haar Omgevingsvisie opgenomen te streven naar een toekomstbestendige landbouw en toekomstbestendig buitengebied met een groeiende betekenis voor recreatie en vrijetijdseconomie. Dit is verder uitgewerkt in de Visie Vrijetijdseconomie Midden-Groningen 2030. Er zijn mogelijkheden voor versterking van de (watergerichte) recreatieve voorzieningen en bedrijvigheid, in het bijzonder in de zone Meerstad-Schildmeer en Meerstad-Zuidlaardermeergebied. Bij nieuwe ontwikkelingen is mede aandacht voor versterking van de biodiversiteit.
Gemeente Tynaarlo
In de Omgevingsvisie van de gemeente Tynaarlo staat behoud van de groene uitstraling van de gemeente voorop. De bescherming van de natuurgebieden binnen de gemeente is geborgd in de Omgevingsvisie en in het bijbehorende omgevingsplan. Daarbinnen ziet de gemeente kansen voor (water)recreatie en natuurbeleving. Met name aan de zuidkant van het Zuidlaardermeergebied stimuleert de gemeente natuurontwikkeling in combinatie met dag- en verblijfrecreatie.
Waterschap
Waterbeheerprogramma 2022-2027 waterschap Hunze & Aa's
Waterschap Hunze & Aa's is verantwoordelijk voor het waterbeheer in het Zuidlaardermeergebied en omgeving. In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 is vastgelegd hoe zij invulling geeft aan dit beheer. Belangrijke opgaven voor het Zuidlaardermeergebied zijn de KRW-doelen en het opvangen van de gevolgen van bodemdaling. Het waterschap heeft hiervoor maatregelen geformuleerd en vastgelegd in een Integraal Maatregelplan (IMP). Zo worden oevers heringericht en wordt er gekeken naar het aanleggen van een luwe zone. De KRW-maatregelen hebben overlap met de Natura 2000 doelen. Bij de herinrichting van de oevers wordt bijvoorbeeld extra leefgebied gecreëerd voor de Roerdomp en andere rietlandvogels. Tegelijkertijd kunnen veranderingen in waterkwaliteit gevolgen hebben voor het voedselaanbod voor vogels. Het is nu nog niet duidelijk hoe deze veranderingen uit gaan pakken. De KRW-maatregelen en het Natura 2000 beheerplan worden daarom in nauwe afstemming uitgevoerd.
Het waterschap is verder verantwoordelijk voor het peil van het oppervlaktewater, vastgelegd in het Peilbesluit. In de gebiedsbeschrijving in de bijlage wordt hier dieper op ingegaan.
Algemeen
Voor activiteiten die significant negatieve effecten kunnen hebben op een Natura 2000-gebied en de aangewezen doelen moet een passende beoordeling worden uitgevoerd (artikel 16.53c, eerste lid, Omgevingswet). Op basis van deze passende beoordeling kan een vergunning worden verleend, met daarin mogelijk voorwaarden en vereisten om effecten te voorkomen en/of te verminderen. Deze activiteiten kunnen enkel doorgang vinden met een vergunning. Voor activiteiten of vormen van gebruik die al langere tijd uitgevoerd worden en waarvoor niet (eerder) een natuurvergunning is verleend is het volgende aan de orde: het doorlopen van procedure in het kader van een passende beoordeling is niet van toepassing wanneer er voor de handeling (activiteit, gebruik of project) toestemming is verleend voor de toepasselijke Europeesrechtelijke referentiedatum. Voor het Zuidlaardermeergebied is 24 maart 2000 de betreffende referentiedatum.
Bestaand gebruik
In het eerste beheerplan van het Zuidlaardermeergebied heeft een inventarisatie plaats gevonden naar bestaande activiteiten. Dit zijn activiteiten die al plaats vonden ten tijde van de referentiedatum en welke ten opzichte van die referentiedatum niet wezenlijk gewijzigd zijn. Voor alle activiteiten is een effectbeoordeling uitgevoerd. In Bijlage 4 Inventarisatie bestaand gebruik eerste beheerplan is een overzicht van de geïnventariseerde bestaande activiteiten uit het eerste beheerplan toegevoegd. Dit zijn de activiteiten per sector. Een initiatiefnemer (iedereen die een activiteit of handeling onderneemt) is zelf verantwoordelijk om te onderzoeken of er op zijn gronden (nog steeds) sprake is van dezelfde bestaande activiteit. Dan wel of er sprake is van een wezenlijke wijziging in de activiteiten die maken dat er geen sprake meer is van een bestaande activiteit maar een nieuwe activiteit.Voor wijzigingen van activiteiten die een mogelijk significant effect hebben op het N2000-gebied geldt een vergunningplicht. In dergelijke gevallen kan aan het bestaand gebruik (en de eerdere inventarisatie) geen recht meer worden ontleend.
Toekomstige en nieuwe activiteiten en vergunningverlening
Activiteiten die mogelijk effect hebben op het Natura 2000-gebied, zijn mogelijk vergunning plichtig. Om dit te beoordelen, dient de initiatiefnemer een ecologische (voor)toets op stellen. Wanneer significant negatieve effecten in een ecologische (voor)toets niet uitgesloten kunnen worden, is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor het indienen van een vergunningaanvraag inclusief een passende beoordeling. In de passende beoordeling wordt onder andere omschreven hoe de significante negatieve effecten die met de voorgenomen activiteit gepaard gaan, gemitigeerd worden. Een reeds vergunde activiteit hoeft niet opnieuw getoetst te worden. Wel moet in het kader van het beheerplan worden bekeken of er geen verslechtering plaatsvindt. Bij (dreigende) achteruitgang zal het bevoegd gezag beheermaatregelen moeten (laten) nemen. In het beheerplan wordt bij deze beoordeling stilgestaan bij de toetsing aan de instandhoudingsdoelstellingen. Hieruit komen de knelpunten naar voren waartegen maatregelen genomen moeten worden of die verder onderzocht moeten worden.
Relevante veranderingen
Het is belangrijk om de veranderingen in gebruik en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de Natura 2000-doelen goed in beeld te houden. Het kan gaan om factoren die te beïnvloeden zijn (ruimtelijke ingrepen, nieuwe vormen van recreatie, invasieve exoten, intensivering verkeer/recreatie, ontwikkelingen in landbouw, drone gebruik bij vliegveld Eelde etc.) en om factoren die niet beïnvloedbaar maar wel relevent zijn (weer, klimaat, calamiteiten etc.). Naar aanleiding van het optreden van veranderingen kan het bevoegd gezag of de beheerder eventueel passende maatregelen nemen. Voorgesteld wordt om net als in het voorgaande beheerplan jaarlijks een inventarisatie te maken van de (op handen zijnde) veranderingen en op basis daarvan te bepalen of er passende maatregelen aan de orde zijn.
Maatregelen in het kader van natuurbeheer
Activiteiten die direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied zijn vergunning vrij. Deze activiteiten betreffen maatregelen die gericht zijn op het realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied, op de bescherming of ontwikkelingen van natuurlijke habitats of leefgebieden van soorten in Natura-gebieden, of op de verbetering van de staat van instandhouding van dier- en plantensoorten in Natura 2000-gebieden (artikel 5.1 Omgevingswet in samenhang met onderdeel A van de bijlage bij de Omgevingswet). Bij conflicterende belangen van beheer van verschillende soorten wordt in het beheerplan een afweging gemaakt tussen de doelen.
Bakker, R. (2022). Vegetatie- en plantensoortkartering van het noordelijke Hunzedal in 2021. Oosterpolder, Onnerpolder, Oostpolder, Kropswolderbuitenpolder en Westerbroekstermadepolder. A&W rapport 20-456. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Veenwouden.
Boekema, E.J. (2021). Natuur en landschap rond het Zuidlaardermeer. Avifauna Groningen. ISBN 978‑90‑77724‑23‑1
Broekmeyer, M.E.A. (redactie) (2006), Effectenindicator Natura 2000-gebieden - Achtergronden en verantwoording ecologische randvoorwaarden en storende factoren. Alterra, Wageningen. Alterra-rapport 1375, ISSN 1566-7197.
Brouwer, T., B. Crombaghs, A. Dijkstra, A.J. Scheper & P.P. Schollema (2008). Vissenatlas Groningen en Drenthe – Verspreiding van zoetwatervissen in Groningen en Drenthe in de periode 1980-2007. Uitgeverij Profiel, Bedum. ISBN 978 90 5294 415 9.
Clason, E.W. (1928). Over de plantengroei van het Zuidlaardermeer en omgeving. De Levende Natuur 33 (1) – pp. 1-9; 40-45; 109-115 en 245-248.
Commissie Bodemdaling (2017). Variantenstudie – Compensatie gevolgen van aardgaswinning op het Zuidlaardermeer en de Hunze. Waterschap Aa en Hunze, Veendam.
De Bruin, A. (2012). Grote modderkruiper op de Kaart - Inventarisatie van de grote modderkruiper in Natura 2000 gebied Zuidlaardermeergebied. Stichting RAVON, Nijmegen. In opdracht van Hunze en Aa’s
Dirkse, G., A.J. Den Held, J.C. Smittenberg & G. van Wirdum (1972). Enige vegetatie-opnamen in de oeverbegroeiing van het Zuidlaardermeer. Verslag bryologische ekskursie, september 1970.
Eising, K. & R. Lenting-Koffeman (2024). SNL-analyse van beoordelingsgebied Zuidlaardermeer – Een inzicht in de natuurkwaliteit van SNL-gebieden tussen 2016 en 2022. Provincie Groningen
Feenstra, H. (2013). Broedvogels in de Westerbroekstermadepolder en Kropswolderbuitenpolder 2012. Bureau Vogelinventarisatie “De Kraanvogel” 2012/09. Fochteloo.
Groenendijk, H.A. & W.A.B van der Sanden (2007). Een verdronken weg in het Zuidlaardermeer – verslag van een ongewoon onderzoek. Nieuwe Drentse Volksalmanak, 2007.
Havinga, B. (1919). Studiën over flora en fauna van het Zuidlaardermeer – bijdrage tot de kennis van de biologie der Nederlandsche Meren. Proefschrift Rijksuniversiteit Groningen 188 pp.
Het Groninger Landschap (2017). Hunzedal – Beheerplan 2016-2034. Stichting het Groninger Landschap, Haren.
Hoogervorst, R.J. (1968). Rapport Zuidlaardermeer. Provinciaal Planologische Dienst van Drenthe.
Hornman, M., M. Kavelaars, K. Koffijberg, E. van Winden, P. van Els, R. Kleefstra, A. van Kleunen, B. Hissel, C. van Turnhout & L. Soldaat (2022). Watervogels in Nederland in 2020/2021. Sovon rapport 2022/58, RWS-rapport BM 22.22. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen.
Huis in ’t Veld, F., M. Klinge, R. Torenbeek & D. de Vries (1998). Ecologisch herstel Zuidlaardermeer – achtergronden gefaseerde aanpak en resultaten 1996 en 1997. Witteveen en Bos Raadgevende Ingenieurs b.v., Zuiveringsschap Drenthe, Zuiveringsbeheer Provincie Groningen.
Jansen, H. & J. Tonckens (2014). Vegetatiekartering Hunzezone en Zuidlaardermeer oostzijde 2013. Tonckens Ecologie, Haren/ Buro Elodea, Boornbergum.
Jongman, M. & F.H. Everts (2019a). Vegtatiekartering & Florakartering Zuidlaardermeer 2019. Rapport EGG1287d, EGG consult, Jongman ecologisch advies, Groningen.
Jongman, M & F.H. Everts, (2019b). Structuurkartering ten behoeve van de avifauna in het Zuidlaardermeer, Rapport EGG 1287e, EGG consult, Groningen.
Klein, J.D. (1997). Bepaling verblijfstijd compartiment Zuidlaardermeer. Witteveen + Bos, Zuiveringsschap Drenthe.
Kleyheeg, E. & L. van den Bremer (2018). Leefgebied van Smient in Natura 2000-gebied Rijntakken. Sovon-rapport 2018/51.
Klinge, M. & A. van Leerdam (1994). Gefaseerde aanpak van herstel Zuidlaardermeer. Fase 1: compartimentsproeven. Wtteveen + Bos in opdracht van Dienst Zuiveringsbeheer Groningen en Zuiveringsschap Drenthe. Rapport nr.: Gn24.3, 39 pp.
Klinge, M. & P. Hartog (1995). Ecologisch herstel Zuidlaardermeer, Moerasontwikkeling rond het Zuidlaardermeer en de bovenloop van de Hunze. Wtteveen + Bos in opdracht van Dienst Zuiveringsbeheer Groningen en Zuiveringsschap Drenthe. Rapport nr.: Gn24.4, 37 pp.
Klomp, H. (2021). Zuidlaardermeer – Achtergrondrapport bij de afleiding van de doelen voor de Kaderrichtijn Water. Waterschap Hunze en Aa’s, Veendam.
Krijgsveld K.L., B. Klaassen & J. van der Winden (2022). Verstoring van vogels door recreatie. Literatuurstudie van verstoringsgevoeligheid en overzicht van maatregelen. Deel 1 hoofdrapport & deel 2 soortbesprekingen. Uitgave Vogelbescherming Nederland, Zeist.
Linssen, H., E. van Loon, J.Z. Shamoun-Baranes, R.J.M. Nuijten & B.A. Nolet (2023). Migratory swans individulally adjust their autumn migration and winter range to a warming climate. Global Change Biology, Volume 29, Issue 24. pp. 6888-6899.
Medusa (2011). Waterbodemonderzoek op het Zuidlaardermeer. Medusa Explorations Groningen, in opdracht van Waterschap Hunze en Aa’s, Veendam.
Nagy, S., N. Petkov, E. Rees, A. Solokha, G. Hilton, J. Beekman, & B. Nolet, (2012). International Single Species Action Plan for the Conservation of the Northwest European Population of Bewick’s Swan (Cygnus columbianus bewickii). AEWA Technical Series No. 44.Bonn, Germany.
Nijssen, M., M. Geertsma, H. van Kleef, J. Kuper & R. Versluijs (2018). Herstel- en inrichtingsmaatregelen voor broedvogels in het hoogveenlandschap – Grauwe klauwier, Paapje, Geoorde fuut en Porseleinhoen. Stichting Bargerveen, Nijmegen.
Oldeventerink, H., R. van Diggelen, J. van der Burg & J.T.A. Verhoeven (2003). Moerassen langs de Hunze voor een helder Zuidlaardermeer. Een voorstudie naar de mogelijkheden van natuurlijke waterzuivering. Rijksuniversiteit Groningen
Rippen, A.D., R.M.G. van der Hut, L. Davids, F. Hoekstra & J. van Assen (2018). Monitoring vaarrecreatie Zuidlaardermeer. A&W-rapport 2400, Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Veenwouden.
Schollema, P.P. (2019). “Hunze - Achtergrondrapport bij de afleiding van doelen voor de Kaderrichtlijn water”. Waterschap Hunze en Aa’s, Veendam.
Schollema, P.P., M. Leutscher & M. Vos. (2020). Verslag veldonderzoek Rivierdonderpad Noord-Willemskanaal. Waterschap Hunze & Aa’s, Veendam
Smittenberg, J.C. (1972). De oeverlanden van het Zuidlaardermeer – botanische inventarisatie met bespreking van planologische aspekten. Rijksuniversiteit Groningen.
Sovon (2022). Bouwstenen voor het Strategisch Plan Natura 2000 - Factsheets van vogelsoorten die betrokken zijn bij de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden. Sovon-rapport 2022/92. Sovon Vogelonderzoek Nederland.
STOWA (2018). Referenties en maatlatten voor natuurlijke watertypen voor de kaderrichtlijn water 2021-2027. Rapport 2018-49. STOWA Amersfoort. ISBN 978.90.5773.813.5.
Strijkstra, R., M. Greve & E. van der Heijden (2016). Natura 2000-beheerplan Zuidlaardermeergebied. A&W-rapport 1228. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Veenwouden.
Tonckens, J., H. Jansen & P.M. Wijkel (2010). Vegetatiekartering Onner- en Oostpolder en Oeverlanden Zuidlaardermeer 2009. Tonckens Ecologie, Haren.
Van den Broek, J. (2017). Landschap lezen - De ontwikkeling van landschap en infrastructuur van Centraal-Groningen tot ca. 1600, deel 7: Rond het Zuidlaardermeer. (https://www.vanlauwerstoteems.nl/landschap-lezen-7.html).
Van der Hut, R.M.G. & N. Minnema (2010). Revitalisatie van rietoevers in het Zuidlaardermeer – perspectieven voor de roerdomp, A&W rapport 1576. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Veenwouden. 98 pp.
Van der Hut, R.M.G, M. Brongers, W. Bijkerk & J. de Fouw (2018). Jonge moerassen in Groningen – successie en perspectieven. A&W rapport 2339. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Veenwouden. 92 pp.
Van der Meulen, H., N. Sijtsma & S. Brochard (2023 - concept). Vleermuizen boven het Zuidlaardermeer – Een actueel beeld van de activiteiten va vleermuizen boven het Zuidlaardermeer. Bureau Biota rapport 2023-040. In opdracht van de provincie Groningen.
Van der Schuur, R.H.J. (2020). Geoorde fuut (Podiceps nigricollis) op het Dwingelderveld – Onderzoek naar realisatie van de Natura 2000-doelstelling voor geoorde fuut. Prolander Assen.
Van Geest, G., P. Verdonschot, P. Schipper, A.J. Veraart, J. Roeleofs en H. Tomassen (2021). Ecologische effecten van stikstof op Nederlandse oppervlaktewateren. Kennis Impuls Waterkwaliteit.
Van Rijn, S ., A. van den Berg, P. de Boer, J. Dekker, S. Deuzeman, R. Kleefstra & D. van Straalen (2022). Broedende zeearenden Haliaeetus albicilla in Nederland in 2021. De Takkeling, Jaargang 30 (2022), nr. 1. ISSN 1380-3735. pp. 50-54.
Vis, H., G. Wolters & H.H. van der Veen (2022). KRW-visstandmonitoring Zuidlaardermeer en Foxholstermeer 2021. VisAdvies BV, Nieuwegein. Projectnummer VA2021_12, 28pp.
Weusthuis en Partners (2019). Integraal maatregelenplan Zuidlaardermeer. Bestuurlijk overleg Zuidlaardermeer, Waterschap Hunze en Aa’s.
Weusthuis en Partners (2022). Bevaarbaarheid Zuidlaardermeer - Onderzoek naar de bevaarbaarheid van het Zuidlaardermeer, met als kern de huidige situatie op en rond het meer met de meest recente cijfers, het bestaand gebruik en beleid en visies en de effecten van de relatieve peildaling.
Wijngaarde, I. en R. Bekker (2021). Evaluatie Natura 2000 Beheerplan Zuidlaardermeergebied. Provincie Groningen.
Wijnhold, M. , R. Blaauw, W. Reinink, B. Speelman en R. Oosterhuis (2022). Broedvogels in De Onlanden in 2022. Stichting Natuurbelang De Onlanden, Roderwolde, rapport 2022/02.
Wijnhold M. , R. Blaauw, W. Reinink, B. Speelman en R. Oosterhuis (2023). Broedvogels in De Onlanden in 2023. Stichting Natuurbelang De Onlanden, Roderwolde, rapport 2024/01.
Zoetemeyer, B. & B. Lucas (2007). Basisboek visstandbeheer. Sportvisserij Nederland, Bilthoven. 112 p.
ISBN 9789 0810 29537.
Geraadpleegde beleidsstukken
Provincie Groningen
Vigerende Omgevingsvisie, november 2023
Concept Omgevingsvisie, maart 2025
Gebiedsplan Toekomst Landelijk Gebied, februari 2025
Strategische Visie Vrijetijdseconomie 2021-2030, december 2020
Uitvoeringsprogramma Natuur 2024-2030, augustus 2024
Provincie Drenthe
Omgevingsvisie, september 2022
Gebiedsgerichte maatregelpakketten i.h.k.v. programma Toekomstgericht Landelijk Gebied Drenthe, april 2024
Gemeente Groningen
Omgevingsvisie Levende Ruimte, januari 2022
Ontwerp omgevingsprogramma Gemeentelijke Ecologische Structuur, september 2024
Gemeente Midden-Groningen
Gemeente Tynaarlo
Waterschap Hunze & Aa’s
/join/id/regdata/pv20/2025/RG22gio6df41b86-9f45-4594-ad13-4efdfb8946ee/nld@2025‑12‑15;3-0
/join/id/regdata/pv20/2025/pdf_75a2db58-d78e-405d-a4c1-fee13d43bcbf/nld@2025‑12‑15;1044
/join/id/regdata/pv20/2025/pdf_94b67822-8744-485d-9730-188e6630ff87/nld@2025‑12‑15;1044
/join/id/regdata/pv20/2025/pdf_48fe639c-363b-402f-9af8-c5e5d4be3294/nld@2025‑12‑15;1044
Bijlage 2 – Gebiedsomschrijving Natura 2000 Zuidlaardermeergebied.pdf
Bijlage 4 – Inventarisatie bestaand gebruik eerste beheerplan.pdf
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2025-20927.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.