Provinciaal blad van Noord-Holland
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Noord-Holland | Provinciaal blad 2025, 20855 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Noord-Holland | Provinciaal blad 2025, 20855 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
Besluit van Provinciale Staten van Noord-Holland van 8 december 2025, nr. 2439120, tot vaststelling van de Vierde Herziening van de Omgevingsverordening NH2022
Provinciale Staten van Noord-Holland;
Gelezen de voordracht van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland van 14 oktober 2025 met kenmerk 2400698/2439120
Gelet op de artikelen 2.6, 2.12, eerste lid, 2.13, eerste lid, 2.18, eerste lid en tweede lid, 2.22, 4.1, eerste lid, 5.19, eerste lid, en 16.15, tweede lid, van de Omgevingswet.
Besluiten:
De Omgevingsverordening NH2022 wordt als volgt gewijzigd,
zoals is aangegeven in Bijlage A.
Aan bijlage II wordt een nieuw werkingsgebied toegevoegd: Veenpolderlandschappen:
https://identifier.overheid.nl/join/id/regdata/pv27/2025/gio7bdd3b3d-25ee-4264-9cde-895c896b2619/nld@2025‑05‑27;941
Haarlem, 8 december 2025,
Provinciale Staten van Noord-Holland
A.T.H. van Dijk, voorzitter
R.J.C. van der Laan, statengriffier
A
Na artikel 2.3 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Gedeputeerde Staten zijn belast met het vaarwegbeheer van de vaarwegen aangeduid als werkingsgebied Vaarwegbeheer - beheer PNH
Het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier is belast met de uitvoering van het vaarwegbeheer van de vaarwegen aangeduid als werkingsgebied Vaarwegbeheer - beheer HHNK.
Het dagelijks bestuur van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht is belast met de uitvoering van het vaarwegbeheer van de vaarwegen aangeduid als werkingsgebied Vaarwegbeheer - beheer AGV.
Het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap van Rijnland is belast met de uitvoering van het vaarwegbeheer van de vaarwegen aangeduid als werkingsgebied Vaarwegbeheer - beheer Rijnland.
Burgemeester en wethouders van de gemeente waarbinnen de vaarweg is gelegen, zijn belast met het vaarwegbeheer van de vaarwegen aangeduid als werkingsgebied Vaarwegbeheer - beheer gemeente.
Het Recreatieschap Alkmaarder- en Uitgeestermeer is belast met het vaarwegbeheer van de vaarwegen aangeduid als werkingsgebied Vaarwegbeheer - beheer Recreatieschap Alkmaarder- en Uitgeestermeer.
B
Artikel 2.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Gedeputeerde Staten zijn belast met het vaarwegbeheer van de vaarwegen aangeduid als werkingsgebied Vaarwegbeheer - beheer PNH
Het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier is belast met de uitvoering van het vaarwegbeheer van de vaarwegen aangeduid als werkingsgebied Vaarwegbeheer - beheer HHNK.
Het dagelijks bestuur van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht is belast met de uitvoering van het vaarwegbeheer van de vaarwegen aangeduid als werkingsgebied Vaarwegbeheer - beheer AGV
Het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap van Rijnland is belast met de uitvoering van het vaarwegbeheer van de vaarwegen aangeduid als werkingsgebied Vaarwegbeheer - beheer Rijnland.
Burgemeester en wethouders van de gemeente waarbinnen de vaarweg is gelegen, zijn belast met het vaarwegbeheer van de vaarwegen aangeduid als werkingsgebied Vaarwegbeheer - beheer gemeente.
Het Recreatieschap Alkmaarder- en Uitgeestermeer is belast met het vaarwegbeheer van de vaarwegen aangeduid als werkingsgebied Vaarwegbeheer - beheer Recreactieschap Alkmaarder- en Uitgeestermeer.
[Vervallen]
C
Artikel 2.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Gedeputeerde Staten zijn aangewezen als nautisch beheerder voor:
de vaarwegen waarvoor Gedeputeerde Staten op grond van Artikel 2.4, eerste lid, zijn belast met het vaarwegbeheer; en
de vaarwegen aangeduid als werkingsgebied Nautisch beheer - PNH.
Burgemeester en wethouders die op grond van Artikel 2.4, vijfde lid zijn belast met het vaarwegbeheer van een vaarweg zijn aangewezen als nautisch beheerder voor de betreffende scheepvaartweg.
Het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier is aangewezen als nautisch beheerder voor:
de vaarwegen aangeduid als werkingsgebied Nautisch beheer - HHNK; en
alle voor het openbaar scheepvaartverkeer openstaande scheepvaartwegen waarvoor op grond van Artikel 2.4 geen vaarwegbeheerder is aangewezen en die op grond van Artikel 2.1 in beheer zijn bij het hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier.
Het dagelijks bestuur van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht is aangewezen als nautisch beheerder voor:
de vaarwegen aangeduid als werkingsgebied Nautisch beheer - AGV; en
alle voor het openbaar scheepvaartverkeer openstaande scheepvaartwegen waarvoor op grond van Artikel 2.4 geen vaarwegbeheerder is aangewezen en die in waterstaatkundig beheer zijn bij het waterschap Amstel, Gooi en Vecht.
Het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap van Rijnland is aangewezen als nautisch beheerder voor:
de vaarwegen aangeduid als werkingsgebied Nautisch beheer - Rijnland; en
alle voor het openbaar scheepvaartverkeer openstaande scheepvaartwegen waarvoor op grond van Artikel 2.4 geen vaarwegbeheerder is aangewezen en die in waterstaatkundig beheer zijn bij het hoogheemraadschap van Rijnland.
In afwijking van het derde lid zijn burgemeester en wethouders van Zaanstad aangewezen als nautisch beheerder voor de scheepvaartwegen aangeduid als werkingsgebied Nautisch beheer - Zaanstad.
In afwijking van het vierde lid zijn burgemeester en wethouders van Aalsmeer aangewezen als nautisch beheerder voor de scheepvaartwegen aangeduid als werkingsgebied Nautisch beheer - Aalsmeer.
In afwijking van het derde lid zijn burgemeester en wethouders van Castricum aangewezen als nautisch beheerder voor de scheepvaartwegen aangeduid als werkingsgebied Nautisch beheer - Castricum.
In afwijking van het derde lid zijn burgemeester en wethouders van Uitgeest aangewezen als nautisch beheerder voor de scheepvaartwegen aangeduid als werkingsgebied Nautisch beheer - Uitgeest.
In afwijking van het vierde lid zijn burgemeester en wethouders van Wijdemeren aangewezen als nautisch beheerder voor de scheepvaartwegen aangeduid als werkingsgebied Nautisch beheer - Wijdemeren.
In afwijking van het eerste lid zijn burgemeester en wethouders van Amsterdam aangewezen als nautisch beheerder voor de scheepvaartwegen aangeduid als werkingsgebied Nautisch beheer - Amsterdam .
D
Artikel 2.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Aanvullend op de eisen gesteld in artikel 6.1 van het Omgevingsbesluit voldoet de faunabeheereenheid aan de volgende eisen:
bij of krachtens de statuten van de faunabeheereenheid worden de rechten en plichten opgenomen die de bij de faunabeheereenheid aangesloten jachthouders hebben met betrekking tot de uitoefening van de aan de faunabeheereenheid toekomende bevoegdheden, onderscheidenlijk de aan de faunabeheereenheid toegestane handelingen;
de binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid gelegen gronden waarop de in de faunabeheereenheid samenwerkende jachthouders gerechtigd zijn tot de jacht:
hebben een gezamenlijke oppervlakte van ten minste 7.500 hectare;
vormen ten minste 75% van de totale oppervlakte van het werkgebied van de faunabeheereenheid; en
zijn zo veel mogelijk aaneengesloten. het werkgebied van een faunabeheereenheid strekt zich niet uit tot het gebied waarover zich de zorg van een andere faunabeheereenheid uitstrekt.
het werkgebied van een faunabeheereenheid strekt zich niet uit tot het gebied waarover zich de zorg van een andere faunabeheereenheid uitstrekt.
E
Artikel 2.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In het bestuur van de faunabeheereenheid zijn ten minste vertegenwoordigd:
agrariërs;
particuliere grondeigenaren;
verenigingen van jagers; en
minimaal twee maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, werkzaam binnen het werkgebied van de betreffende faunabeheereenheid; en
een deskundige op het gebied van dierenwelzijn en diergedrag.
De in het eerste lid, onder d, bedoelde maatschappelijke organisaties hebben gezamenlijk minimaal twee zetels in het bestuur van de faunabeheereenheid.
De voorzitter van de faunabeheereenheid is niet als bestuurslid of werknemer verbonden aan de in het eerste lid genoemde partijen.
F
Artikel 2.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het werkgebied van een wildbeheereenheid heeft een oppervlakte van tenminste 7.500 hectare.
Deze paragraaf bevat regels aan wildbeheereenheden, als bedoeld in artikel 8.2, vijfde lid, van de Omgevingswet.
G
Artikel 2.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
H
Artikel 2.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De begrenzing van het werkgebied van een wildbeheereenheid wordt door de betreffende wildbeheereenheid vastgesteld en aangegeven op een kaart.
Het werkgebied van een wildbeheereenheid strekt zich niet uit tot een gebied waarover zich de zorg van een andere wildbeheereenheid uitstrekt.
Een wildbeheereenheid kan, in afstemming met andere betrokken wildbeheereenheden, de begrenzingen van haar werkgebied wijzigen.
De betrokken wildbeheereenheden informeren Gedeputeerde Staten schriftelijk indien sprake is van het wijzigen van een begrenzing zoals bedoeld in het derde lid.
Door tussenkomst van Gedeputeerde Staten van de provincie of provincies waarin het desbetreffende gebied is gelegen, wordt de begrenzing van het werkgebied van een wildbeheereenheid bekendgemaakt in het provinciaal blad.
I
Artikel 4.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift of het doen van een melding en het voldoen aan een informatieplicht zoals bedoeld in dit hoofdstuk, worden de gegevens en bescheiden verstrekt zoals opgenomen in Bijlage 10 Gegevens en bescheiden .
In het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten regels kunnen stellen ten aanzien van de te verstrekken gegevens en bescheiden zoals bedoeld in het eerste lid en deze opnemen in Bijlage 10 Gegevens en bescheiden .
J
Paragraaf 4.2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf bevat de aanwijzing van gevallen als bedoeld in artikel 11.18
11.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving, waarvoor geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit is vereist.
Als gevallen als bedoeld in artikel 11.18
11.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving binnen de werkingsgebieden natura2000 en Natura2000-bufferzone worden aangewezen de activiteiten en categorieën van activiteiten die genoemd zijn in Bijlage 4, tenzij aan deze activiteiten beperkingen zijn gesteld in een door Gedeputeerde Staten vastgesteld beheerplan Natura 2000.
K
Artikel 4.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het verbod in artikel 11.37, eerste lid, onder b en c van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt niet voor het rapen, opzettelijk vernielen, beschadigen of wegnemen van nesten en eieren van de in bijlage 5a aangewezen soorten als wordt voldaan aan de volgende criteria:
de activiteiten worden uitgevoerd op gronden van de grondgebruiker dan wel op de bij hem in gebruik zijnde gronden of opstallen; en
de activiteiten vinden plaats met het oog op het voorkomen van in het lopende of daarop volgende jaar dreigende schade op deze gronden, in of aan deze opstallen, of in het omringende gebied dan wel het voorkomen van belangrijke schade aan gewassen als bedoeld in artikel 11.44, tweede lid, onder c, onder 1° van het Besluit activiteiten leefomgeving.
L
Artikel 4.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het verbod van artikel 11.37, eerste lid, en artikel 11.54, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt niet voor het opzettelijk doden van de in bijlage 5b aangewezen soorten als wordt voldaan aan de volgende criteria:
de activiteiten vinden plaats met het oog op:
het voorkomen van in het lopende of daarop volgende
daaropvolgende jaar dreigende schade op de gronden van de grondgebruiker dan wel op de bij hem in gebruik zijnde gronden of opstallen;
het voorkomen van belangrijke schade aan gewassen als bedoeld in artikel 11.44, tweede lid, onder c, onder 1° van het Besluit activiteiten leefomgeving of artikel 11.52, tweede lid, onder c, onder 2° van het Besluit activiteiten leefomgeving.
de activiteiten worden uitsluitend uitgevoerd op gronden waarop schade is ontstaan, dreigt te ontstaan of de direct daaraan grenzende gronden of wateren.
De in bijlage 5b aangewezen soorten worden alleen gedood ter ondersteuning van verjaging.
De activiteiten, bedoeld in het eerste lid, worden uitsluitend uitgevoerd ter voorkoming van de, per soort in bijlage 5b benoemde, schades.
De activiteiten bedoeld in het eerste lid worden uitsluitend uitgevoerd in de, per soort in bijlage 5b benoemde, periode.
De activiteiten bedoeld in het eerste lid worden, voor zover het kwetsbare gewassen betreft, uitsluitend uitgevoerd in aanvulling op het in werking hebben van tenminste twee preventieve maatregelen.
Het eerste lid is niet van toepassing in door Gedeputeerde Staten aangewezen werkingsgebied foerageergebieden in de perioden zoals beschreven in Artikel 4.8, zevende lid.
Voor het werkingsgebied Foerageergebieden geldt:
Er wordt uitsluitend gebruik gemaakt van:
Het verbod als bedoeld in artikel 11.83, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt niet als de activiteiten worden uitgevoerd vanaf één uur voor zonsopkomst tot één uur na zonsondergang.
M
Artikel 4.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 11.54, eerste lid, onderdeel a en b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor het vangen en vernielen of beschadigen van de vaste voortplantings- of rustplaatsen van de soorten, genoemd in bijlage 5c bij deze verordening, als de activiteit nodig is:
in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende
daaropvolgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; of
het bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, drinkwaterleidingen en infiltratiekanalen ten behoeve van drinkwaterproductie, oevers, luchthavens, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer.
N
Artikel 4.52 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning als
, bedoeld in het eerste lid van de artikelen Artikel 4.45 tot en met Artikel 4.51 kan worden verleend, indien:
er sprake is van een groot openbaar belang;
er geen reële alternatieven zijn; en
er sprake is van een verwaarloosbaar bodemrisico.
Het bevoegd gezag stelt het drinkwaterbedrijf in de gelegenheid advies uit te brengen naar aanleiding van de aanvraag om omgevingsvergunning bedoeld in het eerste lid.
O
Paragraaf 4.4.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf gaat over activiteiten in waterwingebieden
het werkingsgebied waterwingebied
.
Het is verboden om in het werkingsgebied
een
waterwingebied de volgende activiteiten te verrichten:
een milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
het toepassen of aanwezig hebben van een voor de bodem schadelijke of potentieel schadelijke stof;
het op of in de bodem oprichten van een constructie of werk van welke aard dan ook als daarmee verspreiding of lozing van een schadelijke of potentieel schadelijke stof in de bodem kan optreden of aantasting van de beschermende werking van bodemlagen ontstaat of kan ontstaan; en
het tot stand brengen van werken of het verrichten van handelingen waardoor direct of indirect warmte of koude aan de bodem wordt onttrokken of toegevoegd.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:
het op of in de bodem toepassen van bouwstoffen indien daarmee geen verspreiding of lozing van een schadelijke of potentieel schadelijke stof in de bodem kan optreden of aantasting van de beschermende werking van bodemlagen ontstaat of kan ontstaan;
het graven in de bodem als bedoeld in artikel 3.48d en artikel 3.48f van het Besluit activiteiten leefomgeving indien daarmee geen verspreiding of lozing van een schadelijke of potentieel schadelijke stof in de bodem kan optreden of aantasting van de beschermende werking van bodemlagen ontstaat of kan ontstaan. Artikel 4.46, tweede lid, aanhef en onder a, geldt voor deze activiteit onverkort;
het hebben of gebruiken van geringe hoeveelheden van hetgeen is bedoeld in het eerste lid, onder b anders dan gewasbeschermingsmiddelen of biociden, bij woningen en andere gebouwen, die dienen of hebben gediend voor normaal gebruik ter plaatse of afkomstig zijn van normaal gebruik van die woningen of gebouwen, mits de stof wordt bewaard in een deugdelijke verpakking en afdoende is beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden;
het op of in de bodem toepassen van grond of baggerspecie indien de kwaliteit minimaal zo goed is als de kwaliteit van de ontvangende (water)bodem;
de eigenaar of exploitant van een drinkwaterbedrijf, indien de betreffende activiteit of gedraging noodzakelijk is voor de openbare drinkwatervoorziening.
Het is verboden de activiteiten, bedoeld in het tweede lid, onder a, b en d, te verrichten, zonder dit ten minste negen weken voor het begin ervan te melden.
P
Artikel 4.58 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In het werkingsgebied
ontgrondingen
Ontgrondingen
geldt het verbod om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten, in afwijking van artikel 16.7, onder a, onder 2°, van het Besluit activiteiten leefomgeving, niet voor de activiteiten, bedoeld in artikel 16.7, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, als niet meer dan 10.000 m3 wordt ontgraven.
In het werkingsgebied
ontgrondingen
Ontgrondingen
geldt het verbod om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten, in aanvulling op artikel 16.7, onder g, onder 2°, van het Besluit activiteiten leefomgeving, niet voor zover het gaat om het aanleggen, veranderen of verwijderen van een haven, industrieterrein, bouwterrein, sportterrein, park of plantsoen.
In het werkingsgebied Ontgrondingen geldt het verbod om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten, in aanvulling op artikel 3.48h van het Besluit activiteiten leefomgeving, als sprake is van de saneringsaanpak verwijderen van de verontreiniging door de grond te ontgraven als bedoeld in artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Q
Artikel 4.60 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:
de bescherming van het milieu tegen mogelijk nadelige gevolgen;
de goede uitvoering van de zorg voor een
gesloten stortplaatsen
stortplaats
als bedoeld in artikel 8.49, eerste lid, van de Wet milieubeheer, waaronder:
R
Artikel 4.62 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden om in het werkingsgebied stortplaatsen Wet milieubeheer zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
zich te ontdoen van stoffen, mengsels of voorwerpen; of
andere dan de onder a of b bedoelde activiteiten te verrichten als die activiteiten de uitvoering van de maatregelen, bedoeld in artikel 8.49, eerste lid, van de Wet Milieubeheer, kunnen belemmeren of de nazorgvoorzieningen kunnen beschadigen.
Onder activiteiten bedoeld in het eerste lid, onder a, worden in ieder geval begrepen:
Onder activiteiten bedoeld in het eerste lid, onder b, worden in ieder geval begrepen:
Onder activiteiten bedoeld in het eerste lid, onder c, worden in ieder geval begrepen:
het verrichten van milieubelastende activiteiten dan wel de wijziging daarvan;
grondbewerkingen dieper dan 30 centimeter of waterbodembewerkingen;
het onttrekken of inbrengen van grondwater of het anderszins wijzigen van de grondwaterstand;
het betreden met voertuigen; en
het ankeren van schepen.
Het verbod geldt niet voor het treffen van maatregelen als bedoeld in artikel 8.49, eerste lid, van de Wet milieubeheer.
Bij de aanvraag worden de algemene en specifieke gegevens en bescheiden verstrekt, zoals opgenomen in Bijlage 10.
S
Artikel 4.63 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden in het werkingsgebied
een
beschermingszone stortplaatsen Wet milieubeheer zonder omgevingsvergunning activiteiten te verrichten als die activiteiten de uitvoering en werking van de maatregelen, bedoeld in artikel 8.49, eerste lid, van de Wet milieubeheer, kunnen belemmeren of de nazorgvoorzieningen kunnen beschadigen.
Onder de activiteiten bedoeld in het eerste lid worden in ieder geval begrepen: onttrekken of inbrengen van grondwater of het anderszins wijzigen van de grondwaterstand welke enig effect kan hebben op de belangen zoals genoemd in Artikel 4.60.
Bij de aanvraag worden de algemene en specifieke gegevens en bescheiden verstrekt, zoals opgenomen in Bijlage 10.
T
Artikel 4.67 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Afvalzorg Bodemservice B.V. geniet een uitsluitend recht als bedoeld in artikel 2.24, onderdeel a, van de Aanbestedingswet 2012 met betrekking tot de uitvoering van nazorgmaatregelen ter zake van op of na 1 september 1996 gesloten stortplaatsen.
Na afgifte van een verklaring van Gedeputeerde Staten tot sluiting van een stortplaats als bedoeld in de wet
wet milieubeheer
wordt de provincie verantwoordelijk voor de uitvoering van de nazorgmaatregelen van deze stortplaats. Deze nazorgmaatregelen worden onder voorwaarden opgedragen aan Afvalzorg Bodemservice B.V.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de baggerstortplaats Amerikahaven te Amsterdam.
U
Artikel 4.73 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze afdeling gaat over activiteiten in het beperkingengebied aangeduid als werkingsgebied Vaarwegbeheer - rechtstreeks werkende regel waarvan het vaarwegbeheer door Gedeputeerde Staten wordt uitgevoerd.
Deze afdeling is niet van toepassing op activiteiten door of in opdracht van Gedeputeerde Staten.
V
Artikel 4.76 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Degene die een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een
activiteit als bedoeld in Artikel 4.73, eerste lid
vaarweg verricht en redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in Artikel 4.74, is verplicht:
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
De zorgplicht houdt in ieder geval in dat:
geen stoffen of voorwerpen in het beperkingengebied
werkingsgebied worden gebracht die schade toebrengen aan de vaarweg of het veilig en doelmatig gebruik van de vaarweg benadelen;
alle passende maatregelen worden genomen om hinder voor het scheepvaartverkeer te voorkomen; en
houtgewas, bomen of takken van bomen worden geplaatst of onderhouden zodat deze geen hinder voor het scheepvaartverkeer of op de instandhouding, bruikbaarheid en bescherming van de vaarwegen kunnen veroorzaken.
W
Artikel 4.77 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een vaarweg de volgende activiteiten te verrichten in het beperkingengebied met betrekking tot die vaarweg:
een andere vaarweg op deze vaarwegen
een vaarweg aan te sluiten;
een vaarweg te verleggen, te versmallen, de diepte te wijzigen of op andere wijze te veranderen dan wel buiten gebruik te stellen; of
een werk boven, op, in, over, onder of langs een vaarweg te maken, te behouden, te veranderen of te verwijderen.
Het verbod bedoeld in het eerste lid, onder c, geldt niet voor het maken, behouden, veranderen of verwijderen van:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit te verrichten met betrekking tot een vaarweg door op, in, over, onder of langs een vaarweg vaste stoffen of voorwerpen te storten, te plaatsen of neer te leggen of deze te laten staan of liggen.
X
Artikel 4.81 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Y
Artikel 4.82 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld, of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de Omgevingswet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling worden verbonden.
Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden verbonden.
Op
Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift is
wordt de beoordelingsregel van Artikel 4.80
van overeenkomstige toepassing
in acht genomen.
Z
Artikel 4.83 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AA
Artikel 4.85 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze afdeling gaat over activiteiten met betrekking tot wegen in beheer van de provincie in het beperkingengebied aangeduid als werkingsgebied Beperkingengebied provinciale wegen .
Deze afdeling geldt niet voor activiteiten door of namens de wegbeheerder in het kader van de aanleg, de wijziging of het beheer van een weg of de regeling van het verkeer over die weg.
BB
Artikel 4.90 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd als:
verlening van de omgevingsvergunning in strijd is met het veilig en doelmatig gebruik van provinciale infrastructuur overeenkomstig de functie daarvan voor het openbaar verkeer;
verlening van de omgevingsvergunning in strijd is met het belang van de bescherming van de provinciale infrastructuur, met inbegrip van wegbeheer en wegonderhoud; of
de aanvraag betrekking heeft op een nieuwe uitweg op een provinciale weg.
In afwijking van het eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning worden verleend, als:
de uitweg ontsluit op een gebiedsontsluitingsweg of een erftoegangsweg;
er geen andere uitwegmogelijkheid beschikbaar is dan wel er sprake is van een groot openbaar belang waarbij er geen reële alternatieven beschikbaar zijn en de uitweg aantoonbaar zo verkeersveilig mogelijk is;
verlening van de omgevingsvergunning niet in strijd is met de belangen, bedoeld in Artikel 4.86; en
de aanvraag betrekking heeft op de eerste uitweg van het perceel of een tweede uitweg, als deze bijdraagt aan een verbetering van de verkeersveiligheid. Een perceel wordt in dit verband gezien als een samenhangend geheel van stukken grond. Bij beoordeling van de aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt dan ook gekeken naar het gebruik van het perceel als samenhangend geheel, waarbij dit perceel kan bestaan uit meerdere kadastrale percelen.
CC
Artikel 4.100 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Als beperkingengebieden als bedoeld in artikel 8.47 van de Wet luchtvaart gelden voor het werkingsgebied luchthavengebied luchthaven Hilversum:
de 10-5 plaatsgebonden risicocontouren als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied 10-5 risicocontour luchthaven Hilversum;
de 10-6 plaatsgebonden risicocontouren als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied 10-6 risicocontour luchthaven Hilversum;
de geluidscontour van 48 dB(A) Lden als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b, van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied 48 dB(A) Geluidscontour luchthaven Hilversum;
de geluidscontour van 56 dB(A) Lden als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder c, van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied 56 dB(A) Geluidscontour luchthaven Hilversum;
de veiligheidsgebieden, als bedoeld in artikel 13 van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied
veiligheidsgebieden
Veiligheidsgebieden luchthaven Hilversum; en
een gebied met hoogtebeperkingen in verband met de vliegveiligheid, als bedoeld in artikel 14 van het Besluit burgerluchthavens, ter plaatse van het werkingsgebied hoogtebeperkingen luchthaven Hilversum.

DD
Artikel 4.113 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit voor een open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 3.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving is buiten interferentiegebieden
door gemeenten in omgevingsplan of interferentieverordening aangewezen gebieden niet vereist voor bodemenergiesystemen met een pompcapaciteit die niet meer bedraagt dan tien kubieke meter per uur.
In door gemeenten in een omgevingsplan of interferentieverordening aangewezen gebieden, dient bij een aanvraag om omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit voor een open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 3.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving en het beoordelen daarvan rekening te worden gehouden met het op deze gebieden van toepassing zijnde bodemenergiebeleid en de bijbehorende beleidsregels.
EE
Artikel 5.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ter plaatse van de in de tabel opgenomen werkingsgebieden geldt als omgevingswaarde veiligheid, aangegeven als de gemiddelde overschrijdingskans per jaar, de in de tabel vastgelegde waarde.
werkingsgebied
|
Omgevingswaarde veiligheid
|
| 1/10 jaar |
| 1/30 jaar |
| 1/100 jaar |
| 1/300 jaar |
| 1/1000 jaar |
| 1/4000 jaar |
De omgevingswaarde veiligheid is een resultaatverplichting.
Gedeputeerde Staten hebben op grond van artikel 5.2 van het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 nadere regels gesteld in Artikel 7.1B Omgevingswaarde veiligheid regionale waterkeringen van bijlage 11 over het vastgestelde tijdstip waarop de verschillende regionale waterkeringen moeten voldoen aan de veiligheidsnorm, bedoeld in het eerste lid.
Het waterschapsbestuur kan Gedeputeerde Staten gemotiveerd verzoeken tot wijziging van het tijdstip bedoeld in het derde lid voor een regionale waterkering, indien:
het voldoen aan de omgevingswaarde op het desbetreffende tijdstip onevenredig kostbaar is;
door omstandigheden buiten de invloedssfeer van het waterschapsbestuur de resultaten van de beoordeling van de veiligheid van de regionale waterkering zo wijzigen dat op het desbetreffende tijdstip niet wordt of kan worden voldaan aan de omgevingswaarde; of
ondanks de verrichte handelingen daartoe niet op het desbetreffende tijdstip is of kan worden voldaan aan de omgevingswaarde door de doorlooptijd van het treffen van maatregelen om te voldoen aan de omgevingswaarde.
FF
Artikel 6.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GG
Artikel 6.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een omgevingsplan kan uitsluitend voorzien in nieuwe stedelijke functies als de ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio daarover gemaakte schriftelijke afspraken.
Het eerste lid is niet van toepassing op:
ontwikkelingen met de functie wonen tot en met 25 woningen, voor zover gelegen buiten het werkingsgebied
landelijk
Landelijk gebied;
nieuwe stedelijke functies, niet zijnde wonen, met een bebouwd oppervlak van minder dan 500 m2.
Gedeputeerde Staten hebben op grond van Artikel 6.1 van het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 nadere regels gesteld in afdeling 5 van bijlage 11.
HH
Artikel 6.18a wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied Landelijk gebied kan het uitsluitend voorzien in een woningbouwontwikkeling als het gaat om een locatie die is gelegen in of aan
aansluitend op een kern dan wel in of aan
in het verlengde van een dorpslint.
II
Na artikel 6.18a wordt een artikel ingevoegd, luidende:
In afwijking van Artikel 6.13, eerste lid en Artikel 6.18a kan een omgevingsplan dat betrekking heeft op het werkingsgebied Landelijk gebied voorzien in maximaal twee reguliere woningen op een locatie waar sprake is van rechtmatig aanwezige bebouwing voor een andere stedelijke voorziening, als:
op de locatie ten minste één bedrijfswoning rechtmatig aanwezig is;
sprake is van volledige beëindiging van het bedrijf;
de overige bedrijfsbebouwing op de betreffende locatie wordt gesloopt, met uitzondering van:
na herinrichting van het perceel een substantieel deel van het perceel bebouwingsvrij is en blijft;
na herinrichting van het perceel een substantieel deel van het perceel vrij is en blijft van verharding;
de herinrichting van het perceel leidt tot een substantiële verbetering van de omgevingskwaliteit op de betreffende locatie, en;
de woonactiviteit de bedrijfsvoering en de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende agrarische bedrijven niet beperkt.
In afwijking van het eerste lid kan het omgevingsplan voorzien in het toestaan van maximaal drie reguliere woningen, als:
In aanvulling op het eerste en tweede lid kan een omgevingsplan voorzien in het toestaan van meerdere reguliere woningen, indien deze worden gerealiseerd in een bestaande karakteristieke boerderij en geen afbreuk wordt gedaan aan het oorspronkelijke karakter van de bebouwing.
In Artikel 6.1a van het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten nadere regels kunnen stellen over de voorwaarden voor reguliere woningen als bedoeld in het eerste en tweede lid.
JJ
Artikel 6.18b wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In afwijking van Artikel 6.13, eerste lid en Artikel 6.18a kan een omgevingsplan dat betrekking heeft op het werkingsgebied Landelijk gebied voorzien in maximaal twee burgerwoningen op een locatie waar sprake is van rechtmatig aanwezige bebouwing voor een andere stedelijke voorziening, als:
op de locatie ten minste één bedrijfswoning rechtmatig aanwezig is;
de woonactiviteit de bedrijfsvoering en de ontwikkelingsmogelijkheden van omringende agrarische bedrijven niet beperkt;
sprake is van volledige beëindiging van de bestaande stedelijke voorziening;
de overige bedrijfsbebouwing op de betreffende locatie wordt gesloopt en herbouw in het omgevingsplan onmogelijk wordt gemaakt; en
voor een tweede burgerwoning meer dan 1.000m2 grondoppervlakte aan rechtmatig aanwezige bedrijfsbebouwing op de betreffende locatie wordt gesloopt.
[Vervallen]
KK
Artikel 6.19a wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
1. Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied Landelijk gebied kan het, in afwijking van artikel
Artikel 6.13, eerste lid
6.13
en Artikel 6.14a
, eerste lid, voorzien in de mogelijkheid dat de rechtmatig aanwezige bebouwing op een voormalig agrarisch bouwperceel, inclusief de agrarische bedrijfswoning(en) en uitgezonderd kassen, wordt gebruikt voor kleinschalige vormen van bijzondere huisvesting, werken, recreatie, gebruiksgerichte paardenhouderij
horeca, gebruiksgerichte paardenhouderij
of zorgactiviteiten, indien:
sprake is van volledige beëindiging van het agrarisch bedrijf;
deze activiteiten de bedrijfsvoering en de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende agrarische
Agrarische bedrijven
bedrijven niet beperken;
er geen buitenopslag buiten het bouwperceel plaatsvindt;
deze activiteiten aantoonbaar geen onevenredige verkeersaantrekkende werking hebben en er sprake is van een acceptabele verkeerssituatie;
benodigde parkeerplaatsen op het eigen bouwperceel worden gerealiseerd;
in geval van bijzondere huisvesting uitsluitend sprake is van afhankelijke woonruimten of woningen als onderdeel van zorgactiviteiten; en
in geval van verblijfsrecreatie permanente bewoning wordt verboden.
In aanvulling op het eerste lid kan bij een gebruiksgerichte paardenhouderij worden voorzien in een paardenbak, indien deze wordt gerealiseerd binnen het voormalige agrarisch bouwperceel.
In afwijking van Artikel 6.13, eerste lid, en Artikel 6.14a, kan een omgevingsplan dat van toepassing is op het werkingsgebied Landelijk gebied, op een voormalige agrarisch bouwperceel voorzien in nieuwe bebouwing ter vervanging van de rechtmatig aanwezige bebouwing, inclusief de agrarische bedrijfswoning, voor kleinschalige vormen van bijzondere huisvesting, werken, recreatie, horeca, gebruiksgerichte paardenhouderij of zorgactiviteiten, als:
wordt voldaan aan de voorwaarden als genoemd in het eerste lid onder a. tot en met g.;
alle bedrijfsbebouwing wordt gesloopt, met uitzondering van de bedrijfswoning;
na herinrichting van het perceel de oppervlakte van de nieuwe bebouwing:
niet groter is dan de oppervlakte van de rechtmatig aanwezige bebouwing; en
niet groter is dan 500 m², exclusief de oppervlakte van een eventueel aanwezige bedrijfswoning.
de herinrichting van het perceel leidt tot een substantiële verbetering van de omgevingskwaliteit op de betreffende locatie.
Het omgevingsplan kan, in afwijking van artikel 6.18a, voorzien in het toestaan van een burgerwoning, indien:
sprake is van een rechtmatig aanwezige agrarische bedrijfswoning;
de woonactiviteit de bedrijfsvoering en de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende agrarische bedrijven niet beperkt;
sprake is van volledige beëindiging van het agrarisch bedrijf; en
de overige bedrijfsbebouwing op de betreffende locatie wordt gesloopt en herbouw in het omgevingsplan onmogelijk wordt gemaakt.
In aanvulling op het eerste en tweede lid kan bij een gebruiksgerichte paardenhouderij worden voorzien in een paardenbak, indien deze wordt gerealiseerd binnen het voormalige agrarisch bouwperceel.
In aanvulling op het derde lid kan het omgevingsplan voorzien in het toestaan van een tweede burgerwoning, indien meer dan 1.000 m² grondoppervlakte aan rechtmatig aanwezige bebouwing op de betreffende locatie wordt gesloopt en herbouw in het omgevingsplan onmogelijk wordt gemaakt.
Het omgevingsplan kan, in afwijking van Artikel 6.18a voorzien in maximaal twee reguliere woningen, als:
op het voormalig agrarisch bouwperceel ten minste één agrarische bedrijfswoning rechtmatig aanwezig is;
sprake is van volledige beëindiging van het agrarisch bedrijf;
de overige bedrijfsbebouwing op het voormalig agrarisch bouwperceel wordt gesloopt, met uitzondering van:
na herinrichting van het perceel een substantieel deel van het perceel bebouwingsvrij is en blijft;
na herinrichting van het perceel een substantieel deel van het perceel vrij is en blijft van verharding;
de herinrichting van het perceel leidt tot een substantiële verbetering van de omgevingskwaliteit op de betreffende locatie; en
de woonactiviteit de bedrijfsvoering en de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende agrarische bedrijven niet beperkt.
In aanvulling op het derde lid kan een omgevingsplan voorzien in het toestaan van meerdere burgerwoningen, indien deze worden gerealiseerd in een bestaande karakteristieke boerderij en geen afbreuk wordt gedaan aan het oorspronkelijke karakter van de bebouwing.
In afwijking van het vierde lid kan het omgevingsplan voorzien in het toestaan van maximaal drie reguliere woningen, als:
In aanvulling op het vierde lid kan het omgevingsplan voorzien in een derde burgerwoning indien in de motivering wordt onderbouwd dat deze derde burgerwoning noodzakelijk is om een substantiële verbetering van de omgevingskwaliteit op de betreffende locatie mogelijk te maken.
In aanvulling op het vierde en vijfde lid kan een omgevingsplan voorzien in het toestaan van meerdere reguliere woningen, indien deze worden gerealiseerd in een bestaande karakteristieke boerderij en geen afbreuk wordt gedaan aan het oorspronkelijke karakter van de bebouwing.
Afwijking van het in het vierde lid genoemde aantal of
woningen en de voorwaarden onder sub d, e en f, en het in het vijfde lid genoemde aantal woningen en genoemde oppervlakte te slopen bedrijfsbebouwing is mogelijk, indien
als toepassing wordt gegeven aan een gemeentelijk of intergemeentelijk vereveningsfonds.
In Artikel
artikel 6.2 van het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten nadere regels kunnen stellen over de aard en omvang van de activiteiten bedoeld in het eerste lid genoemde activiteiten en over de toepassing van
voorwaarden voor reguliere woningen als bedoeld in het zesde
vierde en vijfde lid.
LL
Artikel 6.26 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied Noord-Holland Noord - Landelijk gebied kan het voorzien in de transformatie van een rechtmatig aanwezig recreatiepark naar een stedelijke voorziening, indien:
het betreffende omgevingsplan wordt vastgesteld voor 1 januari 2027;
in de motivering van het omgevingsplan wordt onderbouwd dat voortzetting van het recreatief gebruik onvoldoende economisch draagvlak heeft;
de fysieke uitstraling van de locatie op de omgeving naar aard en omvang gelijkwaardig blijft, waarbij het toegestane bebouwde oppervlak in ieder geval niet mag toenemen; en
sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Bij toepassing van het eerste lid kan worden afgeweken van Artikel 6.18b
6.18a
en Artikel 6.18b
.
Het omgevingsplan kan voorzien in de transformatie van een rechtmatig aanwezig recreatiepark naar een tijdelijke stedelijke voorziening, indien:
het betreffende omgevingsplan wordt vastgesteld voor 1 januari 2027;
in de motivering van het omgevingsplan wordt onderbouwd dat voortzetting van het recreatief gebruik onvoldoende economisch draagvlak heeft;
in de motivering van het omgevingsplan wordt onderbouwd dat de realisatie van de tijdelijke stedelijke voorziening noodzakelijk is voor de economische uitvoerbaarheid van de omzetting naar een niet-stedelijke voorziening;
het een tijdelijke stedelijke voorziening betreft met een instandhoudingstermijn van ten hoogste 10 jaar;
het omgevingsplan borgt dat het recreatiepark na deze termijn wordt omgezet in een niet-stedelijke voorziening; en
sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Het omgevingsplan kan voorzien in de transformatie van een rechtmatig aanwezig recreatiepark naar een tijdelijke stedelijke voorziening, indien:
het betreffende omgevingsplan wordt vastgesteld voor 1 januari 2027;in de motivering van het omgevingsplan wordt onderbouwd dat voortzetting van het recreatief gebruik onvoldoende economisch draagvlak heeft;in de motivering van het omgevingsplan wordt onderbouwd dat de realisatie van de tijdelijke stedelijke voorziening noodzakelijk is voor de economische uitvoerbaarheid van de omzetting naar een niet-stedelijke voorziening;het een tijdelijke stedelijke voorziening betreft met een instandhoudingstermijn van ten hoogste 10 jaar;het omgevingsplan borgt dat het recreatiepark na deze termijn wordt omgezet in een niet-stedelijke voorziening; ensprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Bij toepassing van het derde lid kan worden afgeweken van Artikel 6.13, Artikel 6.18a, Artikel 6.18b en Artikel 6.59a, eerste lid.
In Artikel 6.4 van het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten regels kunnen stellen over de toepassing van dit artikel.
MM
Artikel 6.32 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NN
Artikel 6.32a wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een omgevingsplan kan uitsluitend ter plaatse van het werkingsgebied Datacenter clustering toegestaan voorzien in een nieuw datacenter met een bruto-vloeroppervlak van meer dan 2.000 m
2 en
2 of een elektrisch aansluitvermogen van meer dan 5 MVA of in de uitbreiding van een bestaand datacenter tot een bruto-vloeroppervlak van meer dan 2.000 m
2
2
en een elektrisch aansluitvermogen van meer dan 5 MVA als:
a. de locatie is gelegen op of grenst aan een bedrijventerrein; en
b. voor de locatie een stedenbouwkundig plan en een beeldkwaliteitsplan is opgesteld.
de locatie is gelegen op of grenst aan een bedrijventerrein; en
voor de locatie een stedenbouwkundig plan en een beeldkwaliteitsplan is opgesteld.
Het omgevingsplan kan uitsluitend voorzien in een nieuw datacenter of in een uitbreiding van een bestaand datacenter als daar voorwaarden aan verbonden worden die voldoen aan het provinciaal beleid en gericht zijn op:
De impact op de directe en wijdere omgeving waarbij het bouwvolume en de inrichting van de ruimte om het gebouw worden betrokken;
Multifunctioneel ruimtegebruik;
Borging van het stedenbouwkundig plan en of het beeldkwaliteitsplan;
Energievoorwaarden gericht op maximale energiebesparing, energievoorziening, duurzaam inkopen van stroom, opwekken van duurzame energie, duurzame back-up energiesystemen, gebruik van energie-efficiënte koeling en afkoppelmogelijkheden voor het gebruik van restwarmte; en
Watervoorwaarden gericht op beperking van de hoeveelheid voor koelwater benodigd (drink)water, het gebruik van oppervlaktewater, hemelwater en zo mogelijk van bronnen als hergebruik effluent ten behoeve van koeling, het waar mogelijk vermijden van het onttrekken van grondwater, het bij voorkeur gebruiken van ondergronds opgeslagen hemelwater en het rekening houden met het niet gegarandeerd zijn van waterbeschikbaarheid (in droge zomers).
OO
Artikel 6.32b wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied datacenters uitgesloten, voorziet het niet in nieuwe datacenters met een bruto-vloeroppervlakte van meer dan 2.000 m2 en een elektrisch aansluitvermogen van meer dan 5 MVA.
Het eerste lid is niet van toepassing op de projecten in de gemeenten Diemen en Haarlem welke staan vermeld in bijlage 1 van de Datacenterstrategie Noord-Holland 2022-2024 indien hiervoor uiterlijk op 31 december 2026 een ontwerpbesluit ter inzage is gelegd.
Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied Datacenters uitgesloten, voorziet het niet in nieuwe datacenters met een bruto-vloeroppervlakte van meer dan 2.000 m² of een elektrisch aansluitvermogen van meer dan 5 MVA.
Het eerste lid is niet van toepassing op het project in de gemeente Diemen op het Vattenfall-terrein indien hiervoor uiterlijk op 31 december 2027 een ontwerpbesluit ter inzage is gelegd.
PP
Artikel 6.42 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied agrarische bedrijven kan het voorzien in agrarische bedrijven, waarbij geldt dat:
nieuwe glastuinbouwbedrijven niet zijn toegestaan;
nieuwe zaadveredelingsbedrijven niet zijn toegestaan;
bebouwing wordt geconcentreerd in een bouwperceel, waarbij de omvang van het bouwperceel ten hoogste 2 hectare bedraagt;
bij het toestaan van een nieuw bouwperceel wordt gemotiveerd waarom niet op bestaande bouwpercelen in de behoefte kan worden voorzien, waarbij ingegaan wordt op de mogelijkheden tot hergebruik van bouwpercelen die niet meer voor agrarische activiteiten worden benut en op het combineren van agrarische activiteiten op bestaande bouwpercelen;
in afwijking van onderdeel c een omvang van het bouwperceel van meer dan 2 hectare is toegestaan, indien de uitbreiding noodzakelijk is voor het agrarisch productieproces en het geen glastuinbouwbedrijf betreft;
in afwijking van onderdeel c een omvang van het bouwperceel voor een glastuinbouwbedrijf van meer dan 2 hectare is toegestaan, indien het bedrijf grenst aan bestaand stedelijk gebied, niet grenst aan andere glastuinbouwbedrijven, sprake is van grondgebonden teelt en sprake is van aantoonbare duurzame synergie met aangrenzende stedelijke functies;
per volwaardig agrarisch bedrijf ten hoogste één bedrijfswoning kan worden toegestaan;
in afwijking van onderdeel g een extra bedrijfswoning kan worden toegestaan, indien dit noodzakelijk is voor het toezicht op de bedrijfsvoering;
kan worden voorzien in logiesactiviteiten ten behoeve van werknemers, indien;
de huisvesting wordt voorzien binnen het bouwperceel; en
het een ondergeschikte activiteit ten behoeve van een volwaardig agrarisch bedrijf betreft;
indien het agrarisch bedrijf is gelegen in veenpolderlandschap
het werkingsgebied veenpolderlandschappen, het omgevingsplan een verbod bevat op het scheuren van grasland.
Niet-agrarische bedrijfsactiviteiten zijn als onderdeel van een agrarisch bedrijf toegestaan, waarbij geldt dat:
uitsluitend kleinschalige vormen van bijzondere huisvesting, werken, recreatie, gebruiksgerichte paardenhouderij, detailhandel en zorgactiviteiten zijn toegestaan; en
voor activiteiten die betrekking hebben op het bewerken, verwerken, vergisten van mest of andere agrarische producten geldt dat deze als nevenactiviteit zijn toegestaan als deze ten dienste staan van of verband houden met de agrarische activiteiten van het agrarisch bedrijf; en
de omvang past binnen de op basis van het eerste lid bepaalde omvang van het bouwperceel.
Agrarisch aanverwante bedrijven zijn als zelfstandig bedrijf toegestaan, indien:
indien het een uitbreiding van een bestaand agrarisch aanverwant bedrijf betreft;
indien het een verplaatsing van een bestaand agrarisch aanverwant bedrijf betreft en gemotiveerd wordt waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in de regio in de verplaatsing kan worden voorzien en waarom hergebruik van percelen die niet meer voor de agrarische functie worden benut niet mogelijk is; en
indien de omvang van een bouwperceel na toepassing van onderdeel a of onderdeel b ten hoogste 2 hectare bedraagt.
; en
op een vrijkomend agrarisch bouwperceel.
Artikel 6.47 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op het werkingsgebied glastuinbouwconcentratiegebied kan het voorzien in glastuinbouwbedrijven, waarbij geldt dat:
er geen maximum omvang van het bouwperceel geldt.
de bebouwing op het bouwperceel, met uitzondering van de bedrijfswoning bedoeld onder d, voor ten minste 85% bestaat uit kassen.
in afwijking van onderdeel b kan het daar genoemde percentage worden verlaagd tot 70% indien dit noodzakelijk is voor bedrijfsfuncties gericht op zaadveredeling, plantveredeling of scholing of onderzoek ten behoeve van de glastuinbouw.
per volwaardig glastuinbouwbedrijf ten hoogste één bedrijfswoning wordt toegestaan.
nieuwe burgerwoningen, waaronder de omzetting van bedrijfswoningen naar burgerwoningen, niet zijn toegestaan.
andere agrarisch bedrijfen
bedrijven dan glastuinbouwbedrijfven
glastuinbouwbedrijven zijn toegestaan, waarbij Artikel 6.42, eerste lid onderdeel b tot en met i van overeenkomstige toepassing is, met dien verstande dat de extra bedrijfswoning zoals bedoeld in onderdeel h niet is toegestaan.
niet-agrarische bedrijfsactiviteiten als onderdeel van een agrarisch bedrijf, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf, zijn toegestaan, waarbij Artikel 6.42, tweede lid van overeenkomstige toepassing is en aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het werkingsgebied Glastuinbouwconcentratiegebied voor glastuinbouw.
kan worden voorzien in logiesactiviteiten ten behoeve van werknemers, indien;
de huisvesting wordt voorzien binnen het bouwperceel; en
het een ondergeschikte activiteit ten behoeve van een volwaardig glastuinbouwbedrijf betreft;
niet-agrarische bedrijfsactiviteiten als onderdeel van glastuinbouwbedrijfven zijn toegestaan indien:
deze functies noodzakelijk zijn voor het primaire productieproces glastuinbouw;
deze functies aantoonbaar bijdragen aan de verduurzaming van het primaire glastuinbouwbedrijf; of
deze functies gericht zijn op zaadveredeling, plantenveredeling, scholing en onderzoek ten behoeve van de glastuinbouw
Niet-agrarische bedrijfsactiviteiten zijn als zelfstandig bedrijf toegestaan, indien:
het een uitbreiding van een bestaand agrarisch aanverwant bedrijf betreft waarbij de omvang van het bouwperceel na uitbreiding ten hoogste 2 hectare bedraagt;
deze primair gericht zijn op de verduurzaming van aanwezige glastuinbouwbedrijven en het verduurzamingsdoel niet in dezelfde mate bereikt kan worden door vestiging buiten het glastuinbouwconcentratiegebied en aangetoond wordt dat geen aantasting plaatsvindt van de structuur en de bruikbaarheid van het glastuinbouwconcentratiegebied voor glastuinbouw.
RR
Artikel 6.59a wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een omgevingsplan ter plaatse van het werkingsgebied Beschermd landschap maakt niet mogelijk:
een ontwikkeling van meer dan 25 woningen;
een ontwikkeling van overige stedelijke functies met een bebouwd oppervlak van meer dan 500 m2.
nieuwe bebouwing van meer dan 500 m2 ten behoeve van stedelijke functies.
Het omgevingsplan kan een andere ontwikkeling dan de in het eerste lid, onder a en b, genoemde ontwikkelingen mogelijk maken, mits deze ontwikkeling de voorkomende kernkwaliteiten niet aantast.
In afwijking van het tweede lid kan het omgevingsplan de volgende ontwikkelingen die leiden tot een aantasting van de kernkwaliteiten mogelijk maken:
een ontwikkeling van maximaal 25 woningen per kern of dorpslint, mits:
de ontwikkeling bijdraagt aan het behoud of versterking van de leefbaarheid, vitaliteit of het voorzieningenniveau van de kern of het dorpslint;
de ontwikkeling past binnen en bijdraagt aan de afgesproken kwalitatieve woningbouwopgave van de gemeente;
de ontwikkeling moet voldoen aan de realisatie van minimaal 30% sociale huur bij nieuwbouw doordat de ontwikkeling zelf voor 30% uit sociale huurwoningen bestaat of doordat de woningvoorraad op het niveau van de betreffende kern of dorpslint reeds bestaat uit 30% sociale huurwoningen of doordat de woningvoorraad op gemeenteniveau reeds bestaat uit minimaal 30% aan sociale huurwoningen of dat de sociale huurwoningen op gemeenteniveau binnen twee jaar in een ander project worden gecompenseerd;
de kernkwaliteit habitat voor weidevogels niet wordt aangetast;
de aantasting van de overige kernkwaliteiten zoveel mogelijk wordt beperkt;
in de planuitwerking zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de kernkwaliteiten, in combinatie met de ruimtelijke kwaliteitseis als bedoeld in Artikel 6.70;
de ontwikkeling natuurinclusief wordt gebouwd;
de afname van water, groen en biodiversiteit proportioneel en kwalitatief wordt gecompenseerd, voor zover mogelijk in de uitwerking van het betreffende plan en de resterende afname op een locatie elders in de gemeente; en
Gedeputeerde Staten worden geïnformeerd over de locatie en het aantal woningen.
uitbreiding van een agrarisch bouwperceel tot maximaal twee hectare;
nieuwe bebouwings- en gebruiksmogelijkheden op grond van Artikel 6.42, eerste lid onder g en h en Artikel 6.42, tweede lid en Artikel 6.42, derde lid.
In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b en het tweede lid, kan het omgevingsplan een ontwikkeling die de kernkwaliteiten aantast, mogelijk maken, indien:
In afwijking van het eerste en tweede lid kan het omgevingsplan voorzien in woningbouw overeenkomstig de afspraken tussen Rijk, provincie en betrokken gemeenten met betrekking tot de Pilot Waterland.
In artikel 6.8 van het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022 is bepaald dat Gedeputeerde Staten regels kunnen stellen over de wijze van compensatie als bedoeld in het derde lid, onder a, onderdeel 7 en vierde lid, aanhef en onderdeel c.
SS
Subparagraaf 6.2.5.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze subparagraaf is van toepassing op geluidsbronnen en activiteiten in het werkingsgebied
stiltegebieden
Stiltegebieden
waardoor de ervaring van de natuurlijke geluiden in een stiltegebied kan worden verstoord.
In een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het werkingsgebied
stiltegebieden
Stiltegebieden
wordt rekening gehouden met een maximaal toelaatbare waarde voor het 24-uursgemiddelde geluidsniveau afkomstig van activiteiten in het stiltegebied van LAeq,24h = 35 dB(A) op 50 m afstand vanaf de activiteit.
De afstand wordt gemeten vanaf:
de geluidsbron; of
de begrenzing van de activiteit, als het een milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgevingbetreft.
Voor de toepassing van het tweede lid, onder a, worden geluidsbronnen van activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die elkaar functioneel ondersteunen of die ieder een hoofdactiviteit ondersteunen als één geluidsbron aangemerkt.
Het eerste lid geldt niet voor activiteiten die zijn uitgezonderd van de aanwijzing van vergunningplichtige gevallen in Afdeling 4.3.
Het bevoegd gezag kan van de richtwaarde, bedoeld in het eerste lid, afwijken indien:
TT
Artikel 6.87 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Afdeling 6.2 is van overeenkomstige toepassing op een projectbesluit dat wordt vastgesteld door Gedeputeerde Staten.
Als de uitvoering van een projectbesluit dat wordt vastgesteld door Gedeputeerde Staten onevenredig wordt belemmerd door regels als bedoeld in het eerste lid, kunnen die regels bij het projectbesluit om dringende redenen buiten toepassing worden gelaten.
UU
Na artikel 6.91 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
In het werkingsgebied Veenpolderlandschappen leidt een nieuw peilbesluit of een wijziging van een peilbesluit niet tot een toename van de broeikasgasuitstoot in het betreffende peilgebied ten opzichte van de broeikasgasuitstoot die het gevolg was van het geldende peilbesluit op het moment van de inwerkingtreding ervan. Broeikasgasuitstoot wordt berekend op basis van de drooglegging en perceelsomstandigheden.
Het eerste lid is niet van toepassing op peilgebieden die voor minder dan 10% van de oppervlakte veengrond bevatten.
Bij de motivering van de gevolgen van een nieuw peilbesluit of een wijziging daarvan voor de broeikasgasuitstoot als bedoeld in het eerste lid, hoeft geen rekening te worden gehouden met de volgende locaties:
Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag van het dagelijks bestuur van het waterschap ontheffing verlenen als bedoeld in artikel 2.32, eerste lid van de Omgevingswet, van het eerste lid.
Op een ontheffing als bedoeld in het vierde lid is Artikel 6.11, tweede lid tot en met vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
VV
Na artikel 10.4 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Gedeputeerde Staten wijzen toezichthouders aan voor het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens:
Afdeling 4.9, de Wegenverkeerswet 1994 en de Wegenwet; en
Afdeling 4.8, de Scheepvaartverkeerswet en de Wrakkenwet.
WW
Bijlage 1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
voorziening ten behoeve van de levering aan en retournering door consumenten van vooraf elders bestelde goederen, waarbij geen verkoop, productadvisering of uitstalling plaatsvindt
een bedrijf dat gebruik maakt van landbouwwerktuigen, landbouwapparatuur of agrarisch loonwerk en hoofdzakelijk is gericht op het leveren van goederen en diensten aan agrarische bedrijven of het leveren van goederen en diensten ten behoeve van aanleg en onderhoud van groene
natuur, water of recreatieve gebieden voor publieke doeleinden of natuurlijke of landschappelijke waarden in het Landelijk gebied
een bedrijf gericht op het voortbrengen van producten door het telen van gewassen of het houden van dieren, daaronder begrepen een productiegerichte paardenhouderij, houtteelt, zaadveredeling en de teelt van watergebonden organismen als planten, algen, weekdieren, schelpdieren en vissen
een aaneengesloten stuk grond waarop bebouwing met een hoofdgebouw en bijbehorende gebouwen van een agrarisch bedrijf is toegestaan
gebied gelegen binnen de grenzen als bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994
één of meerdere gebouwen of bouwwerken geen gebouwen zijnde
het via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon voeren van een zodanig beheer of exploitatie, dat in de verblijfsrecreatieve functie daadwerkelijk sprake is van kort verblijf met als focus toeristische overnachtingsmogelijkheden
een woning die gezien ligging en functie bedoeld is voor de huisvesting van personen wier aanwezigheid gelet op de bestemming van een gebouw of terrein noodzakelijk is
een terrein van minimaal 1 ha bruto grondoppervlak dat gelet op het omgevingsplan bedoeld en geschikt is voor gebruik door handel, nijverheid, commerciële en niet-commerciële dienstverlening en industrie. Onder de beschrijving vallen daarmee ook (delen van) bedrijventerreinen die gedeeltelijk, maar niet overwegend, bedoeld en geschikt zijn voor kantoorgebouwen. Ook vallen daaronder de zeehaventerreinen welke met laad en/ of loskade langs diep vaarwater toegankelijk zijn voor grote zeeschepen. De volgende terreinen vallen hier niet onder: terrein voor grondstoffenwinning, olie- en gaswinning, terrein voor waterwinning, terrein voor agrarische doeleinden, terrein voor afvalstort
uitvoeringsorganisatie van de gezamenlijke provincies, zijnde onderdeel van de Vereniging Interprovinciaal Overleg
een min of meer aaneengesloten houtsopstand met in totaal een oppervlakte vanaf circa vijf hectare bos
een langgerekte lijn van bebouwing in het landelijk gebied langs wegen of waterlopen overwegend ten behoeve van wonen, waarbij de bebouwing aaneengesloten of op korte afstand van elkaar gelegen is en daarmee een eenheid vormt. Het kan voorkomen dat een dorpslint aan één zijde van de weg voorkomt. De overzijde wordt dan niet tot het dorpslint gerekend.
ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen
een voorziening gericht op het bedrijfsmatig houden van paarden waarbij het rijden met of mennen van paarden primair gericht is op gebruik door de ruiter, amazone of menner, niet zijnde een manege
niet aard- en nagelvast voorwerp zonder verkeersfunctie dat dient ter nagedachtenis aan één of meerdere dodelijke slachtoffers van een verkeersongeval dat op de weg heeft plaatsgevonden
een bedrijf of een onderdeel daarvan waar geiten worden gehouden
Gesloten stortplaats als bedoeld in artikel 8.47, eerste lid, onder b, van de wet milieubeheer
een agrarisch bedrijf waarbij de teelt van assimilerende organismen onder invloed van licht in een kas plaatsvindt onder gecontroleerde omstandigheden
bedrijfsmatige activiteiten die zich blijvend richten op het vervoer van goederen en personen over water of die onlosmakelijk zijn verbonden met de afwikkeling van schepen en het daarmee verbonden personen- en vrachtverkeer en vanwege hun aard direct aan kadeterrein moeten worden gesitueerd
bedrijfsmatige activiteiten die zich blijvend richten op de dienstverlening aan havengebonden activiteiten en afhankelijk zijn van: a. de binding met havengebonden activiteiten; en b. de nabijheid van havengebonden activiteiten
een Helicopter Emergency Medical Service (HEMS)-vlucht of een politievlucht zoals bedoeld in de vrijstellingsregeling Besluit luchtverkeer 2014 of een daarmee verband houdende vlucht gericht op het innemen van brandstof of een vlucht gericht op opleiding en training die nodig zijn voor de veilige uitvoering van een dergelijke vlucht
een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf dat slacht-, fok-, leg-, pels- of melkdieren houdt, zonder of nagenoeg zonder weidegang of vrije uitloop, met uitzondering van veehouderij waarin producten worden vervaardigd die gecertificeerd zijn volgens in Nederland geldende regelgeving van de Europese Unie voor biologische producten en met uitzondering van viskwekerij
een gebied met aaneengesloten of op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing met een samenhangende structuur en een duidelijk herkenbaar stratenpatroon, ten behoeve van overwegend wonen en andere stedelijke functies. Wanneer meerdere kleinere historische kernen of dorpslinten aan elkaar zijn gegroeid tot een aaneengesloten gebied, beschouwen we deze als één kern of dorpslint.
een verblijf met een duur van maximaal zes maanden
de in landelijke samenwerking tussen bevoegde gezagen ontwikkelde en beschikbaar gestelde vigerende kwaliteitscriteria vergunningverlening, toezicht en handhaving inzake de beschikbaarheid en de deskundigheid van organisaties die met de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten zijn belast
Bedrijfsmatige teelt in open grond van groentegewassen (vollegrondsgroenteteelt), akkerbouw, weidebouw, veehouderij, pluimveehouderij, tuinbouw - daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen en bloembollen - en elke andere vorm van bodemcultuur in Nederland, met uitzondering van weide-, hooi- of graszaadpercelen waarvan het grasgewas minimaal zes maanden oud is en granen en graszaad vanaf afrijping (vanaf 1 juni)
akkerbouw, weidebouw, veehouderij, pluimveehouderij, tuinbouw - daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen en bloembollen - en elke andere vorm van bodemcultuur in Nederland
de essentiële elementen en kenmerken van landschappen
In gebruik hebben of houden van een bouwwerk ten behoeve van bedrijfsmatig tijdelijk verblijf of verschaffen van tijdelijk onderdak aan personen die elders hun hoofdverblijf hebben
het oppervlak van een gebied dat buiten beschouwing kan worden gelaten bij de berekening van de kans op een overstroming
milieugevolgen van activiteiten van bedrijven, welke milieugevolgen zijn toegestaan op basis van een vergunning, algemene regel of andere toestemming van overheidswege
een geluidsgevoelig object, een beperkt kwetsbaar object, een kwetsbaar object, een geurgevoelig object, een minder geurgevoelig object of een overig geurgevoelig object
ruimte voor biodiversiteit creëren op, aan of in het gebouw of de omgeving, zodat er meer diverse planten- en diersoorten kunnen leven.
de overheidszorg gericht op de afwikkeling van een veilig en vlot scheepsvaartverkeer op vaarwegen
bevoegd gezag als bedoeld in artikel 2 van de Scheepvaartverkeerswet
de voorzieningen ter bescherming van het milieu, bedoeld in artikel 8.49, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer
de langs een vaarweg aanwezige natuurlijke overgang van water naar land of de aangebrachte oevervoorziening met inbegrip van de daarvoor benodigde verankering
de natuurlijke of rechtspersoon, die op grond van de wet of enige andere wet, concessie, eigendom, overeenkomst of anderszins de verplichting heeft ervoor te zorgen dat de vaarweg en daarbij behorende oever en werk onderhouden wordt
vervanging van een windturbine door een windturbine met een aanzienlijk groter opgesteld vermogen
een samenstel van bouwwerken op het maaiveld, ten behoeve van het opwekken van elektriciteit of warmte door het opvangen van de straling van de zon
maatregelen die kunnen worden ingezet om de in het geding zijnde belangen te beschermen zonder de betrokken dieren te doden of te verwonden
stads- of dorpsgezicht, ten aanzien waarvan is besloten tot opname in het provinciaal erfgoedregister
Monument of archeologisch monument waaraan in het omgevingsplan of de omgevingsverordening de functie-aanduiding provinciaal monument is gegeven
een locatie waar sprake is van verblijfsrecreatie in meerdere gebouwen
Regionale Energiestrategieën Noord-Holland Noord en Noord-Holland Zuid 1.0
schade aan bedrijfsmatige teelt van landbouwgewassen
een bouwwerk waarin dieren kunnen schuilen voor weersomstandigheden
indeling van bedrijven in categorieën overeenkomstig of vergelijkbaar met de Handreiking Bedrijven en Milieuzonering, uitgebracht door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten
functies die verband houden met wonen, bedrijven, voorzieningen, stedelijk water en stedelijk groen
chemische elementen, verbindingen daarvan dan wel mengsels van die elementen of verbindingen
bord langs de weg met verwijzing naar een toeristische, recreatieve of andere bestemming.
publiekrechtelijke of privaatrechtelijke organisatie die het beheer van natuur- of recreatiegebieden in haar statuten als doelstelling heeft opgenomen
een constructie ter ontsluiting van een kadastraal perceel
de overheidszorg gericht op de instandhouding, bruikbaarheid en bescherming van een vaarweg en bijbehorende werken
het bevoegde bestuursorgaan van het overheidslichaam dat met het vaarwegbeheer is belast of waaraan de uitvoering van het vaarwegbeheer in medebewind is opgedragen
de minimale breedte, diepte en vrije doorvaarthoogte van de vaarweg
een bedrijfsactiviteit die enkel of in hoofdzaak is gericht op het tegen vergoeding verstrekken van recreatief nachtverblijf
een situatie als bedoeld in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming waarin door een goede afstemming van bodembeschermende voorzieningen en bodembeschermende maatregelen de kans op een verandering van de bodemkwaliteit, ten gevolge van een immissie van een stof, verwaarloosbaar is gemaakt
vormen van detailhandel waarvan de winkelformules een assortiment voeren van overwegend ruimte vergende goederen, waaronder bouwmarkten, tuincentra, woninginrichtingszaken, auto-, boten- en caravanbedrijven mede worden begrepen
een agrarisch bedrijf dat tenminste aan één volledige arbeidskracht een inkomen verschaft
een toestel of vaartuig dat voor één of meerdere personen is gebouwd of ingericht ten behoeve van een glijdende beweging door of over het water
de openbare weg zoals bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994
de publiekrechtelijke zeggenschap en de verantwoordelijkheid voor de weg, met inbegrip van de plicht tot onderhoud en de bevoegdheid tot het treffen van maatregelen en het al dan niet toestaan van handelingen van derden of gedogen van situaties die van invloed zijn op de toestand of het gebruik van de weg
gesloten stortplaatsen: een werk als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit
vaarweg en wegen: alle door menselijk toedoen ontstane of te maken constructies met toebehoren, boven, op, in, onder of langs een weg of vaarweg gelegen
een turbine voorzien van rotorbladen geplaatst op een verticale mast, waarmee de bewegingsenergie van de lucht (wind) wordt omgezet in rotatie-energie voor het opwekken van elektriciteit, inclusief de bij dit bouwwerk behorende (infrastructurele) voorzieningen, met uitzondering van traditionele windmolens of replica's hiervan
een gebied dat gelet op het omgevingsplan bedoeld en geschikt is voor meerdere vestigingen van detailhandel, eventueel in samenhang met andere consumentgerichte functies zoals horeca, ambachten en baliefuncties
de voor het publiek toegankelijke en zichtbare vloeroppervlakte in het winkelpand, bedoeld voor de verkoop en uitstalling van goederen, waaronder publieksruimte, etalage of vitrine, toonbank en kassaruimte, schappen, paskamers, winkelwagens en pakruimten voor de consument
een bedrijf gericht op het verbeteren van erfelijke eigenschappen van cultuurgewassen en de gecertificeerde vermeerdering van plantaardig uitgangsmateriaal, zoals zaden en stekken
XX
Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
/join/id/regdata/pv27/2024/22gioc777509c-0c3a-481e-a5d9-5a0233bf2d68/nld@2024‑06‑26;435
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio15209254-f6be-4905-bdef-e08917eae44f/nld@2024‑06‑26;435
/join/id/regdata/pv27/2024/22giode08908b-8bd6-43a2-b102-220b96d94eac/nld@2024‑06‑26;434
/join/id/regdata/pv27/2024/22gioac860727-3cca-440b-8f11-2a8965e6e27c/nld@2024‑06‑26;434
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio326f7eb5-6afd-434a-95ed-f09cf2bfd4bb/nld@2024‑06‑26;433
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio5135c8e3-e3f2-471c-9c6a-25159f0c84e2/nld@2024‑06‑26;433
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio2b381818-6b12-4ebd-9aae-9b34eb224887/nld@2024‑06‑26;439
/join/id/regdata/pv27/2024/22giocb4c0e54-be64-48c8-b1a7-2fae4b7ca2f5/nld@2024‑06‑26;439
/join/id/regdata/pv27/2024/22giobcf5c32f-1b81-4c65-91ef-ad7d17790c9c/nld@2024‑06‑26;438
/join/id/regdata/pv27/2024/22gioc5636d00-5286-4fa6-828f-a13c7fb42e38/nld@2024‑06‑26;438
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio0b44f46a-47f2-4695-85aa-4a1bb40d519e/nld@2024‑06‑26;437
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio5d51848d-90e5-41df-9663-d1ccabf59f92/nld@2024‑06‑26;437
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio09af709e-aed3-45a0-95ba-5d4a25c32393/nld@2024‑06‑26;436
/join/id/regdata/pv27/2024/22giode759b89-f4b9-40ca-a56c-ae1750a29812/nld@2024‑06‑26;436
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio1f029ddc-287f-41de-88c0-91029cfbe59a/nld@2024‑06‑26;446
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio906966b5-e484-4a72-872c-861eed392ce9/nld@2024‑06‑26;446
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio95d3bfbf-e33d-4d45-9531-cea2089992ea/nld@2024‑06‑26;441
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio03e859ca-9172-4ab7-8860-be029b47331e/nld@2024‑06‑26;441
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio6a809098-4371-41c9-a541-06acd91a999e/nld@2024‑06‑26;444
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio4b50546b-fe13-484b-9705-4f65550b47f7/nld@2024‑06‑26;444
/join/id/regdata/pv27/2024/22giodbea809a-70fa-4636-aae7-fc05b9389893/nld@2024‑06‑26;442
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio5f32572b-898a-4f2e-889a-4c27a58b4677/nld@2024‑06‑26;442
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio727c35b6-74cb-4685-b5a9-ab428ae29331/nld@2024‑06‑26;447
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio2ac5ddbe-7502-42ca-b3c9-503d470531db/nld@2024‑06‑26;447
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio03d664f8-3021-4238-92ef-6ceb3e99a936/nld@2024‑06‑26;443
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio5b315fc8-0c80-42a8-b21f-8e6bcde766ce/nld@2024‑06‑26;443
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio96963fd7-08e0-4c7f-8af6-552345625fea/nld@2024‑06‑26;445
/join/id/regdata/pv27/2024/22giofaf5d520-079f-4183-b01d-d5c8ff91849e/nld@2024‑06‑26;445
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio070db28b-8e7f-4368-91e4-e90233835c3a/nld@2024‑06‑26;449
/join/id/regdata/pv27/2024/22gioc246b822-e416-4748-b210-70bcd07b834e/nld@2024‑06‑26;449
/join/id/regdata/pv27/2024/22gioca510404-9b23-4028-958c-bd6e0b84b445/nld@2024‑06‑26;448
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio9e56e033-f79f-457a-87a2-c8dcf28714ac/nld@2024‑06‑26;448
/join/id/regdata/pv27/2025/gio1e82d5b2-ddd4-4bad-a58f-c7693a76a1ce/nld@2025‑03‑11;898
/join/id/regdata/pv27/2025/gio4486078a-2275-4292-9136-0bb2c72c802b/nld@2025‑03‑11;898
/join/id/regdata/pv27/2024/22giocfc9cc2b-afe6-4eba-97ad-81b4d1e7d06b/nld@2024‑06‑26;481
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio03ba8d4f-7fd2-40d8-bcb5-2d2043a67642/nld@2024‑06‑26;481
/join/id/regdata/pv27/2025/giof621132c-69f0-4f39-b558-d873bc4ababe/nld@2025‑03‑11;927
/join/id/regdata/pv27/2025/giod55fc575-5820-464d-837e-682da01cbbde/nld@2025‑03‑11;927
/join/id/regdata/pv27/2024/22gioaae67c40-05a9-41bc-abdd-3d6c2c17986f/nld@2024‑06‑26;479
/join/id/regdata/pv27/2024/22giodfe94015-fdc1-49b6-b5fa-b257fded5d39/nld@2024‑06‑26;479
/join/id/regdata/pv27/2025/gioc51a5ac7-f772-4c71-9b44-dfbf3918c2fb/nld@2025‑06‑30;947
/join/id/regdata/pv27/2025/giob3b9d0ce-862c-4a1a-bb8d-a08ca718d557/nld@2025‑06‑30;947
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio2d7b84e7-1d19-47d0-aeb4-8d1a3856ea88/nld@2024‑06‑26;484
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio7d8bdcdb-42cb-459e-85e7-c076b0594b9d/nld@2024‑06‑26;484
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio827acd9a-4114-461e-8252-3d8b6846b34f/nld@2024‑06‑26;483
/join/id/regdata/pv27/2024/22gioe767a861-6e51-4716-b4fc-d748a3249ee6/nld@2024‑06‑26;483
/join/id/regdata/pv27/2024/22giod0d4d0a0-762f-4e21-9364-c2a2532a534c/nld@2024‑06‑26;521
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio77ea2b1c-54ad-4c92-b60a-02c1235cc865/nld@2024‑06‑26;521
/join/id/regdata/pv27/2025/giod5e63d78-2399-4e45-9377-e34dda41df61/nld@2025‑03‑11;925
/join/id/regdata/pv27/2025/gio01338955-2821-4b7a-b1c7-9cea9d457111/nld@2025‑03‑11;925
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio7754f80a-aef2-4c91-aa70-37ed15e655e5/nld@2024‑06‑26;783
/join/id/regdata/pv27/2025/giobfb7b007-165a-4a75-8bfa-600bcc58a9c0/nld@2025‑05‑27;940
/join/id/regdata/pv27/2024/22gioc1dfc190-cf63-4703-bff1-e0adbceff204/nld@2024‑06‑26;782
/join/id/regdata/pv27/2024/22giod79319d3-cfe8-44ed-bc21-53bf752fe025/nld@2024‑06‑26;782
/join/id/regdata/pv27/2024/22gioe7e6e830-71f2-4b03-8fad-84d2dce09a65/nld@2024‑06‑26;792
/join/id/regdata/pv27/2024/22gioeffcb64d-088a-4c65-9d43-f3fd2d09d8e1/nld@2024‑06‑26;792
/join/id/regdata/pv27/2024/22giof17ce966-5918-4ef5-84a1-7d12ad905a82/nld@2024‑06‑26;524
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio2bffb1d1-550c-4fc4-828c-1e955f8749cf/nld@2024‑06‑26;524
/join/id/regdata/pv27/2024/gioa75ee6d5-be5d-4d34-9354-09a08d533865/nld@2024‑12‑18;784
/join/id/regdata/pv27/2024/gio47bb1204-9e74-440b-83b7-71417ec23231/nld@2024‑12‑18;784
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio134c8c65-43cb-4ec9-a1d2-aa006898fb24/nld@2024‑06‑26;836
/join/id/regdata/pv27/2024/22gioa2656b3c-9444-4747-86c9-afac845fa14e/nld@2024‑06‑26;836
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio8dc43e8c-0473-43ce-9b73-53a5ec7b14ca/nld@2024‑06‑26;808
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio14a862fe-13dc-4a8d-8e8e-04e701ea68bd/nld@2024‑06‑26;808
/join/id/regdata/pv27/2025/gio91e1695e-fc30-4412-8230-a4a159c90383/nld@2025‑03‑11;893
/join/id/regdata/pv27/2025/gio91def503-e008-4f76-97d9-c7c0d0ee601f/nld@2025‑03‑11;893
/join/id/regdata/pv27/2024/22giof36bd731-1634-4e0f-b1ba-55468bda2907/nld@2024‑06‑26;530
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio1ad11cae-bd4c-48c8-9e18-3843bb1918d2/nld@2024‑06‑26;530
/join/id/regdata/pv27/2024/22gioe14fb734-5732-4f1b-8068-649644f3d0be/nld@2024‑06‑26;528
/join/id/regdata/pv27/2024/22giob2bc2976-cb6f-4386-a42f-08e37bfa9f79/nld@2024‑06‑26;528
/join/id/regdata/pv27/2024/22giof9fdde7d-4787-433e-87a0-148494304846/nld@2024‑06‑26;532
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio1f6e88fe-18cc-4b20-ab20-82ac4ab03f3f/nld@2024‑06‑26;532
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio2f6ce8c5-de3e-477a-a62d-5ad605ecd192/nld@2024‑06‑26;531
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio7633b2d1-930d-4c3f-9e66-c5a4d2609a42/nld@2024‑06‑26;531
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio2e1d2431-0882-485b-9de3-008ee513509a/nld@2024‑06‑26;522
/join/id/regdata/pv27/2024/22gioc013dad4-9617-4894-b747-d465c8f21d2b/nld@2024‑06‑26;522
/join/id/regdata/pv27/2024/22giofa9cc1e3-37a5-4e94-bce4-04deb2b3c206/nld@2024‑06‑26;865
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio6e7f0fa4-e7f6-4dcb-998f-a294ed15f750/nld@2024‑06‑26;865
/join/id/regdata/pv27/2025/gioae28593d-62e0-47ca-8112-c28c88922f43/nld@2025‑03‑11;919
/join/id/regdata/pv27/2025/gio0e36d952-0802-44d1-bd47-8bc98055bfba/nld@2025‑03‑11;919
/join/id/regdata/pv27/2025/giodb81b4b4-b910-43de-a532-37b42933c292/nld@2025‑06‑30;943
/join/id/regdata/pv27/2025/gio4b5ca86e-778d-4bea-9ea5-aa40d66a74d2/nld@2025‑06‑30;943
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio9aac2a9c-e4f7-4307-bd19-8ffc73efabd1/nld@2024‑06‑26;588
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio148b5703-cab2-44d6-b4ce-d66ee3895b86/nld@2024‑06‑26;588
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio754b3f7b-150b-4eda-ae70-7f5ad314bd0f/nld@2024‑06‑26;584
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio73536c13-3846-4e64-814b-35f79553ddef/nld@2024‑06‑26;584
/join/id/regdata/pv27/2025/gio07632cf9-4740-465e-a05c-d1d9a9726e96/nld@2025‑03‑11;896
/join/id/regdata/pv27/2025/gio72823524-5410-4178-aaa1-24e689a3eabe/nld@2025‑03‑11;896
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio0ffeae80-96b7-4639-8eab-3b7ee138f15b/nld@2024‑06‑26;585
/join/id/regdata/pv27/2024/22giobd264dc8-f567-4750-9f6e-c76255a2da1f/nld@2024‑06‑26;585
/join/id/regdata/pv27/2024/22giodc354d41-a2fa-496d-b088-591b9119cbe5/nld@2024‑06‑26;587
/join/id/regdata/pv27/2024/22giod7073edd-9518-4546-9171-f5faee98b529/nld@2024‑06‑26;587
/join/id/regdata/pv27/2024/22gioe2875015-d954-4fd5-959e-c47fa825d5b8/nld@2024‑06‑26;591
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio85ecd448-9fee-48ad-8384-64b519bd53e6/nld@2024‑06‑26;591
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio9e47acd3-1d3d-4911-ac79-6841a78b4ca3/nld@2024‑06‑26;620
/join/id/regdata/pv27/2024/22gioe65cc0f0-ca99-46ae-92f8-b7719b648a98/nld@2024‑06‑26;620
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio79829d54-7503-4d53-bfe7-fc1bac6d2930/nld@2024‑06‑26;623
/join/id/regdata/pv27/2024/22giocc614447-c114-476c-8ece-745e3e469b95/nld@2024‑06‑26;623
/join/id/regdata/pv27/2025/gio6a7a680e-8501-44eb-b68e-00c0d30978e8/nld@2025‑06‑30;945
/join/id/regdata/pv27/2025/giof8ef0ea8-9af5-4b4a-b8e3-d2eed4137adb/nld@2025‑06‑30;945
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio70cfb3f2-c78b-47af-93de-0c1743a16570/nld@2024‑06‑26;790
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio38f0338f-a350-4203-b687-063f27c52718/nld@2024‑06‑26;790
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio37fbd64c-8475-4765-a56d-afaaacd420cf/nld@2024‑06‑26;618
/join/id/regdata/pv27/2024/22giocc99a716-fe40-4699-b825-88ac8c330bb9/nld@2024‑06‑26;618
/join/id/regdata/pv27/2024/22giofb43c410-3647-4076-a7db-b03d78482bea/nld@2024‑06‑26;831
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio736c144b-c289-4449-9c93-5c9888e22ae3/nld@2024‑06‑26;831
/join/id/regdata/pv27/2024/gio34f4ca48-b950-42a0-ba7b-6dc851877e50/nld@2024‑12‑18;869
/join/id/regdata/pv27/2024/gio41085a85-bf34-4ebb-8b08-d0f71a2b6f5e/nld@2024‑12‑18;869
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio5592437a-65d3-4182-ac6e-3e5a5c9cc221/nld@2024‑06‑26;614
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio75b81d69-4b03-4588-bd91-bbac7e1c20f8/nld@2024‑06‑26;614
/join/id/regdata/pv27/2024/22gioc1953b84-af66-44b5-8d4b-288a3bbdf418/nld@2024‑06‑26;622
/join/id/regdata/pv27/2024/22gioe8a496af-6e43-4712-af4b-13251d8e166a/nld@2024‑06‑26;622
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio74820f23-f0fe-452f-9e29-56a677c025d8/nld@2024‑06‑26;810
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio23ce2019-8262-403f-a155-572c4a302636/nld@2024‑06‑26;810
/join/id/regdata/pv27/2024/22giof06c00bc-413c-4f08-aa58-b2fe0de6774e/nld@2024‑06‑26;617
/join/id/regdata/pv27/2024/22gioc0692fcc-cfce-4c3b-aa5e-e882ca982a99/nld@2024‑06‑26;617
/join/id/regdata/pv27/2024/22giof170e698-9cff-44c8-bdae-b915b28b81c4/nld@2024‑06‑26;625
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio88a28d9c-2d94-4356-a86e-3c9ef95ae21a/nld@2024‑06‑26;625
/join/id/regdata/pv27/2025/gio41626a3a-9340-4d66-aef3-a91354ae6dc7/nld@2025‑03‑11;913
/join/id/regdata/pv27/2025/giof3f9f42f-5f19-40bd-b409-97887a782a4b/nld@2025‑03‑11;913
/join/id/regdata/pv27/2024/22gioa199822a-0204-4001-8ec4-97d2425600ce/nld@2024‑06‑26;611
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio421f767d-821e-4cdb-a85b-4e0d9df4dfd8/nld@2024‑06‑26;611
/join/id/regdata/pv27/2024/22giob1b63a5c-d61f-4923-ad72-abeb3467f7d3/nld@2024‑06‑26;635
/join/id/regdata/pv27/2024/22giof8f31212-55ab-4941-b772-4571d86cf56e/nld@2024‑06‑26;635
/join/id/regdata/pv27/2024/22giodd205838-c22f-4d47-afa1-903df165aac1/nld@2024‑06‑26;845
/join/id/regdata/pv27/2024/22gioa627c626-0e3f-4ccb-abff-25ea8ddabd70/nld@2024‑06‑26;845
/join/id/regdata/pv27/2024/22giod4a4ee9f-dc87-4871-b7ca-4824cbd6da6b/nld@2024‑06‑26;627
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio82ce99f9-5b09-4c20-a356-f614cb72148d/nld@2024‑06‑26;627
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio7d05e1b3-3f4a-4bb3-82d4-7038e7f11411/nld@2024‑06‑26;871
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio24fb66a9-14f9-4eb5-b840-1a51d85f4eeb/nld@2024‑06‑26;871
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio09ab8ecf-cf29-441d-8629-517a62983981/nld@2024‑06‑26;632
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio7f7eeaec-e05f-4c09-bcd3-29d6a1d23f86/nld@2024‑06‑26;632
/join/id/regdata/pv27/2025/gio4b81efda-360f-4577-abeb-bedb57d7e976/nld@2025‑03‑11;890
/join/id/regdata/pv27/2025/gio47d11458-708d-4080-99d3-ffdb2f1be0ff/nld@2025‑03‑11;890
/join/id/regdata/pv27/2024/22gioe34856da-9029-4570-a4cf-8d35911cb44c/nld@2024‑06‑26;781
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio77dedf9c-8372-4163-b088-864f9d12e5f1/nld@2024‑06‑26;781
/join/id/regdata/pv27/2024/22giodfc59fb1-4a6e-464e-a435-065f1699bc59/nld@2024‑06‑26;780
/join/id/regdata/pv27/2024/22gioa097ee9b-b010-4a64-a168-ca1cdca37543/nld@2024‑06‑26;780
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio93d11deb-0e0b-47e9-b20a-2c10fe5c401f/nld@2024‑06‑26;645
/join/id/regdata/pv27/2025/gio324c5ed5-efb3-458e-8afc-4b0b38de1cdb/nld@2025‑12‑12;652
/join/id/regdata/pv27/2025/gio54c5ca75-44cf-4548-9678-a0197a6e436e/nld@2025‑03‑11;931
/join/id/regdata/pv27/2025/gioe52dfdaf-6ba5-4b1b-9447-eeac0ad711c5/nld@2025‑12‑12;650
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio2cfdb2af-a69c-4c77-9595-82a67ed601c8/nld@2024‑06‑26;648
/join/id/regdata/pv27/2025/gio490ee448-9bd7-4d78-8d32-26d160c4d34f/nld@2025‑12‑12;644
/join/id/regdata/pv27/2024/22giof6e5652a-1eeb-41c7-900a-39ea962cb6c4/nld@2024‑06‑26;816
/join/id/regdata/pv27/2025/gio3e5e4bfa-0694-4020-b956-1ed33b10f810/nld@2025‑12‑12;649
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio6ec711f4-c303-4173-bbb1-1f852fe5ec40/nld@2024‑06‑26;815
/join/id/regdata/pv27/2025/gio607ae82b-5144-44ba-ba63-4a895acc9934/nld@2025‑12‑12;643
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio02c88236-8c82-4a38-9703-f3fa06cfd17c/nld@2024‑06‑26;663
/join/id/regdata/pv27/2025/gioe2fbe120-1f66-4501-b9cd-c0e933b92b6c/nld@2025‑12‑12;647
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio46e77f8b-63d8-4d1c-ac18-8a0add40d786/nld@2024‑06‑26;859
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio82a63f7e-6393-4ddb-83c8-526d9754be9d/nld@2024‑06‑26;645
/join/id/regdata/pv27/2024/22giof1d3c2eb-40bd-4525-8376-0ad7bc9da937/nld@2024‑06‑26;832
/join/id/regdata/pv27/2025/gio922b6a14-ba1e-4d39-9adf-04c90cfd2bd3/nld@2025‑03‑11;931
/join/id/regdata/pv27/2025/gio498aef39-d61a-422d-bae9-3a1bd5df4c4c/nld@2025‑03‑11;933
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio6fdece97-8ae7-4965-91e2-446ad4f62e1a/nld@2024‑06‑26;648
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio7f8a1d72-701e-444f-b499-2ebd14d0581c/nld@2024‑06‑26;667
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio0bad3383-cfb4-48f2-95e7-ab0c4dac351e/nld@2024‑06‑26;816
/join/id/regdata/pv27/2024/22gioab590f5f-fbf9-4481-8d70-8f0a15a29d63/nld@2024‑06‑26;806
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio101ee2ca-f69f-4bed-956d-0a0699b6d3e2/nld@2024‑06‑26;815
/join/id/regdata/pv27/2025/gio4c4d47ee-7f17-468e-a9d9-d066b32c829e/nld@2025‑03‑11;670
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio385baa35-d0bc-461c-a59f-8a482f0792e3/nld@2024‑06‑26;663
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio83214f88-f664-4780-9189-a227c832e6d1/nld@2024‑06‑26;668
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio5c2ae507-2bc8-495e-bc0e-45c374446ffd/nld@2024‑06‑26;859
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio8d8a2418-4874-4213-b7ea-97ace5761683/nld@2024‑06‑26;835
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio4b8d7a1b-665a-4483-a9e5-1c8b833fc64f/nld@2024‑06‑26;832
/join/id/regdata/pv27/2025/gioaa027008-40f6-46d1-81b2-6bb42b19f711/nld@2025‑03‑11;918
/join/id/regdata/pv27/2025/gio2452d4c1-4d67-4cca-afc4-508004878667/nld@2025‑03‑11;933
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio7d52645a-1652-46ca-9fe6-a6dfe4084a09/nld@2024‑06‑26;676
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio84ff5a07-8ddd-433c-9d7d-445a0b4caae6/nld@2024‑06‑26;667
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio0780cb07-6643-4e56-adb3-63d7635f52bf/nld@2024‑06‑26;665
/join/id/regdata/pv27/2024/22giodc22280f-531b-4ead-9598-fa9483ba24c1/nld@2024‑06‑26;806
/join/id/regdata/pv27/2024/22giofad5fec8-c384-481b-9805-be88e0e4e5e5/nld@2024‑06‑26;689
/join/id/regdata/pv27/2025/giof0af4f7d-a924-4e5f-b118-27b7257f6cde/nld@2025‑12‑12;938
/join/id/regdata/pv27/2025/gio5499b3ee-60f0-4e61-939c-3dfb585b722e/nld@2025‑03‑11;929
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio7c54b813-2052-435b-a9ea-cff13b703b9e/nld@2024‑06‑26;668
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio1698216a-6f4a-49f1-9fde-bddae8c5e495/nld@2024‑06‑26;698
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio446c8614-3f5f-4ef6-b26e-84870f0764d6/nld@2024‑06‑26;835
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio162f9091-504a-4b66-9688-41dd4fc07bbd/nld@2024‑06‑26;875
/join/id/regdata/pv27/2025/gio16519d77-7f5b-4932-b6b7-8d7f83bf6f0b/nld@2025‑03‑11;918
/join/id/regdata/pv27/2025/giodb38064f-22ce-45f5-b174-7124284cba82/nld@2025‑05‑27;941
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio21684636-8376-4d43-9f9b-39f2c270cfec/nld@2024‑06‑26;676
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio5efabee8-0860-4d9e-b682-5076e8d99e38/nld@2024‑06‑26;665
/join/id/regdata/pv27/2024/22gioe9b0a042-0bdb-43a2-8099-eb020cda7e1f/nld@2024‑06‑26;689
/join/id/regdata/pv27/2025/giod2cb9d1a-5034-44b9-88fd-303e555e223c/nld@2025‑03‑11;929
/join/id/regdata/pv27/2024/22gio9517784b-6ed1-434b-b3bd-d355ea48e596/nld@2024‑06‑26;698
/join/id/regdata/pv27/2024/22gioe268eebd-709e-465f-803a-bd88003b6b0d/nld@2024‑06‑26;875
YY
Binnen bijlage 11 wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:
Algemeen
De regeling over de regionale afspraken nieuwe stedelijke ontwikkeling is bedoeld als aanvulling op de Ladder voor duurzame verstedelijking (Ladder), zoals is opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De provinciale aanvulling op de Ladder is gericht op het voeren van regionale afstemming over nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. De regionale afspraken betreffen nieuwe stedelijke ontwikkelingen van woningbouw, bedrijventerreinen en kantoorlocaties, detailhandel en overige stedelijke voorzieningen. Voor het borgen van het provinciale hoofdbelang van duurzaam ruimtegebruik worden aan de regionale afspraken via nadere regels inhoudelijke en procedurele voorwaarden gesteld. Deze regels zorgen er voor dat vooraf duidelijk is waaraan de regionale afspraken moeten voldoen.
Doel van deze afdeling
Deze nadere regels van Gedeputeerde Staten stellen eisen aan de regionale afstemming in de vorm van regionale afspraken. Het doel van het laten maken van regionale afspraken is dat gemeenten gezamenlijk werken aan een sterke(re) regio en dat wordt voorkomen dat gemeenten individueel een koers varen die de kracht van buurgemeenten en/of de regio niet ten goede komt of aantast. De essentie van de regeling:
De te maken regionale afspraken voor woningbouw, bedrijventerreinen en kantoren en detailhandel moeten zijn gebaseerd op de regionale visies en waarbij deze visies moeten zijn gebaseerd op het provinciaal beleid en op de door de provincie vastgestelde prognoses en behoefteramingen.
De regionale afspraken moeten expliciet minimaal de instemming hebben van de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten in de regio. 'Ladderproof' Er staan geen regels in de omgevingsverordening over het aantonen van nut en noodzaak en het benutten van binnenstedelijke mogelijkheden. De regionale afspraken moeten wel nut en noodzaak aantonen en inzicht geven in de binnenstedelijke (on)mogelijkheden voordat uitleglocaties aan de orde kunnen komen. De regionale afspraken en de daaruit voortvloeiende omgevingsplannen moeten namelijk voldoen aan de wet (in casu met name artikel 5.129g van het Bkl), dat wil zeggen 'Ladderproof' zijn. Evenals de Ladder gaat de provincie uit van een 'ja, mits' voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Verantwoordelijkheid en afwegingsruimte ligt bij de regio. De gemeenten in de regio moeten het gezamenlijk eens worden over de gemeentegrens overschrijdende nieuwe stedelijke ontwikkelingen. De verantwoordelijkheid en de afwegingsruimte liggen bij de regio. Dit is in lijn met de gedachte van de Omgevingswet, waarbij de verantwoordelijkheid zo decentraal mogelijk wordt belegd. De regionale afspraken worden bij voorkeur op visie- en programmaniveau gemaakt, zodat wordt voorkomen dat pas in een laat planstadium, bijvoorbeeld bij het voorontwerp van een omgevingsplan duidelijk wordt of wordt voldaan aan de wetgeving.
Geen instemming door Gedeputeerde Staten
Bij het uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid en de afwegingsruimte binnen het omgevingsplanspoor bij de regio ligt, past geen expliciete goedkeuring van, of instemming met, de uitkomsten van het proces in een vorm van een afrondend besluit door Gedeputeerde Staten. De samenwerkende gemeenten zijn er zelf verantwoordelijk voor dat de regionale afspraken voldoen aan de inhoud en bedoelingen van het Bkl, de omgevingsverordening en nadere regels. Gedeputeerde Staten gaan er vanuit dat gemeenten op een zorgvuldige manier de afspraken tot stand laten komen, daarbij de provinciale regels in acht nemen en rekening houden met het provinciale beleid. De betrokken gemeenten hebben hier ook belang bij, omdat afspraken die niet voldoen aan de omgevingsverordening of andere provinciale regelgeving leiden tot een afbreukrisico bij de projecten die worden gebaseerd op die afspraken. Gedeputeerde Staten willen de verantwoordelijkheid voor de afspraken ook bij de gemeenten laten en niet overnemen door het nemen van een instemmingsbesluit. Een dergelijke manier van werken past goed in het stelsel van de Omgevingswet. Het ontbreken van een juridisch besluit door Gedeputeerde Staten over de regionale afspraken betekent uiteraard niet dat Gedeputeerde Staten niet betrokken wil zijn op bestuurlijk en ambtelijk niveau bij de totstandkoming van de regionale afspraken. Gedeputeerde Staten gaan er vanuit dat dergelijk overleg wordt gevoerd en door de betrokken medeoverheden de waarde van deze beleidsafstemming en samenwerking wordt ingezien. Aandachtspunt is de kenbaarheid van gemaakte afspraken, ook voor derden. Gedeputeerde Staten gaan ervan uit dat de gemeenten gemaakte regionale afspraken beschikbaar zullen stellen op hun websites. Bij omgevingsplannen waarbij gebruik wordt gemaakt van de regionale afspraken, zal in de toelichting ook inzicht moeten worden geboden in de inhoud en totstandkoming van deze afspraken. Ook de betrokkenheid van burgers (ondernemers, omwonenden, belangengroepen) en de gemeenteraden is een belangrijk aspect bij het maken van de regionale afspraken. Dit is de verantwoordelijkheid van de betrokken colleges van burgemeester en wethouders, die hier door hun gemeenteraden zo nodig op kunnen worden aangesproken. De manier waarop deze betrokkenheid wordt vormgegeven, zal per situatie kunnen verschillen. Zonder deze betrokkenheid bestaat het risico dat de afspraken onvoldoende draagvlak hebben, hetgeen bijvoorbeeld bij de besluitvorming over concrete projecten tot discussies kan leiden.
Handreiking
Ter bevordering van een goede toepassing van de Ladder en regionale afspraken is een Handreiking regionale afspraken beschikbaar op de provinciale website.
Begripsbepalingen Regio
Bij de Ladder wordt onder de regio verstaan het 'marktgebied' of 'verzorgingsgebied' van de betreffende nieuwe stedelijke ontwikkeling. Voor het bepalen van de behoefte waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet is de marktregio van belang. De inhoudelijke onderbouwing van nieuwe stedelijke ontwikkelingen moet zich dus richten op het markt- of verzorgingsgebied. De marktregio kan echter per stedelijke ontwikkeling verschillen. Om te voorkomen dat voor elk individueel ruimtelijk plan dat gemeentegrensoverschrijdende effecten heeft een overleg moet worden ingesteld tussen de betrokken gemeenten kunnen gemeenten al bestaande regionale overlegverbanden hiervoor benutten. Bij de regio indeling is het vooral een zoeken van een balans tussen een goede inhoudelijk gerichte indeling van marktgebieden en het zoveel mogelijk aansluiten op efficiënte (bestaande) bestuurlijke overlegverbanden. Zie de bijlage voor een overzicht van een al bestaande regio indeling.
Regio- en provinciegrensoverschrijdende nieuwe stedelijke ontwikkelingen
Bij nieuwe stedelijk ontwikkelingen die de grens van een regio overschrijden heeft de provincie de rol van intermediair tussen de regio's. Dat geldt ook voor provinciegrensoverschrijdende nieuwe stedelijke ontwikkelingen.

Kaart bestuurlijke regio indeling
Artikelsgewijze toelichting
Artikel 5.2
Artikel 6.14 van de verordening is geformuleerd als een 'kunnen' bepaling, om aan te geven dat het maken van de regionale afspraken een verantwoordelijkheid is van de gemeenten in de regio zelf. Het maken van regionale afspraken is geen verplichting, maar dergelijke afspraken zijn wel nodig om nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk te maken. Regionale afspraken over woningbouw kunnen in meerdere documenten worden vastgelegd. In de praktijk ontwikkelen gemeenten in regioverband doorgaans de volgende producten die op elkaar aansluiten:
1. een regionale woonvisie voor 10 jaar met een doorkijk;
2. een regionaal woonakkoord als uitvoeringsagenda voor 5 jaar; en,
3. een regionale woningbouwprogrammering voor 5 tot 10 jaar met een methodiek om nieuwbouw en transformatieplannen af te wegen en een projectenlijst. De woningbouwprogrammering kan al dan niet onderdeel uitmaken van het woonakkoord. De producten worden indien gewenst tussentijds bijgesteld en zijn onderwerp van monitoring.
Regionale afspraken
De regionale afspraken hebben betrekking op woonakkoorden en de regionale woningbouwprogrammering.
Woonakkoorden
De regio's in Noord-Holland stellen als uitwerking van het provinciaal woonbeleid regionale woonakkoorden op. De woonakkoorden dienen in overeenstemming te zijn met de provinciale Omgevingsvisie en de uitgangspunten, speerpunten, richtinggevende principes van de provinciale Woonagenda. In een woonakkoord tussen provincie en regio worden tenminste afspraken over potentiële bouwlocaties in landelijk gebied opgenomen, zodat gemeenten aan de voorkant duidelijkheid hebben of er provinciale ruimtelijke beschermingsregimes op de locatie aan de orde zijn. De betreffende locaties in landelijk gebied worden op een kaart aangegeven. Het opnemen van deze locaties in een woonakkoord gaat vooraf aan de toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking, waarbij wordt getoetst of realisatie binnen bestaand stedelijk gebied mogelijk is.
Programmering
De regionale woningbouwprogrammering blijft een regionaal-gemeentelijke verantwoordelijkheid en zien we als bijlage bij de te sluiten woonakkoorden. Dit deel van de 'regionale afspraken' wordt door de regio zelf vastgesteld en bevat afspraken over de kwantitatieve en kwalitatieve woningbouwprogrammering voor de komende 5 jaar met een doorkijk naar 10 jaar. Hierbij kan tevens worden afgesproken vanaf welke omvang binnenstedelijke woningbouwontwikkelingen in de betreffende Woonakkoord-regio regionaal afgestemd worden of alleen opgenomen in de programmering, zonder deze eerst regionaal af te stemmen. De programmering moet inzicht geven in de te ontwikkelen, transformeren en herstructureren locaties in kwantiteit, kwaliteit en tijdsfasering per gemeente (oftewel een projectenlijst).
Prognoses
De regionale woningbouwprogrammering is gebaseerd op de regionale indicatieve woningbehoefte uit de door de provincie vastgestelde bevolkingsprognose. Er kan gemotiveerd worden afgeweken van de prognoses, als bijvoorbeeld de uitkomst van de monitoring daarvoor aanleiding geeft.
Artikel 5.3
Het artikel is geformuleerd als een 'kunnen' bepaling, om aan te geven dat het maken van de regionale afspraken een verantwoordelijkheid is van de gemeenten in de regio zelf. Het maken van regionale afspraken is geen verplichting, maar dergelijke afspraken zijn wel nodig om nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk te maken. De markt van bedrijventerreinen en kantoorlocaties is een regionale markt. Daarom staat regionale samenwerking en afstemming centraal in het provinciaal bedrijventerreinen- en kantorenbeleid.
Hoewel in Artikel 5.3 onderscheid wordt gemaakt in enerzijds regionale afspraken over ontwikkeling, transformatie en herstructurering en anderzijds het opstellen van een regionale visie, kunnen beide onderdelen samengevoegd zijn in één document. Basis voor zowel de visie als de afspraken is de door provincie in samenwerking met gemeenten en bedrijfsleven opgestelde behoefteraming. Daarin worden vraag en aanbod aan bedrijventerreinen en kantoorlocaties in kaart gebracht. Daarbij gaat het niet alleen om omvang in hectaren, dan wel vloeroppervlakte, maar ook om kwalitatief te onderscheiden locaties die invulling geven aan de vraag van bepaalde marktsegmenten. Transformatie biedt mogelijkheden om overaanbod aan bedrijventerreinen en kantorenlocaties te verminderen. Echter, voorkomen moet worden dat daardoor bedrijven in problemen komen doordat zij gedwongen worden zich te verplaatsen terwijl er voor deze bedrijven onvoldoende alternatieve vestigingsmogelijkheden zijn, dan wel dat er onvoldoende uitbreidingsmogelijkheden zijn. Regionale afstemming over transformatieplannen is dan ook essentieel. De herstructurering van verouderde bedrijventerreinen en kantorenlocaties is een middel om efficiënter gebruik van bestaande terreinen te maken en de toekomstvastheid en kwaliteit van bedrijventerreinen te behouden. Daarom is het ook onderdeel van een regionaal bedrijventerreinen- en kantorenbeleid.
Artikel 5.4
Het artikel is geformuleerd als een 'kunnen' bepaling, om aan te geven dat het maken van de regionale afspraken een verantwoordelijkheid is van de gemeenten in de regio zelf. Het maken van regionale afspraken is geen verplichting, maar dergelijke afspraken zijn wel nodig om nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk te maken. Bij detailhandel zijn de regionale afspraken gebaseerd op regionale detailhandelsvisies. Omgevingsplannen die voorzien in detailhandel met een regionale impact (> 1500 m2), evenals de regionale detailhandelsvisies, worden voorgelegd aan de regionale adviescommissie detailhandel (RAC). Er zijn twee RAC's ingesteld, het RAC Noord-Holland Noord en de Adviescommissie Detailhandel Zuid (ADZ). In de omgevingsplannen moet worden toegelicht of advies van een RAC is ingewonnen en hoe dit advies luidde. De RAC brengt gevraagd en ongevraagd advies uit aan gedeputeerde staten. De detailhandelsstructuur is één geheel en uitbreidingen kunnen niet los van elkaar worden gezien. Alle plannen groter dan 1.500 m2 moeten worden afgestemd (sub 2 i) met uitzondering van plannen voor ontwikkelingen in winkelgebieden die reeds groter zijn dan 25.000 m2 wvo (sub b 2 ii). Voor deze grote winkelcentra moeten detailhandelsplannen groter dan 3.000 m2 voor advisering aan de regionale adviescommissies worden voorgelegd. Deze grote winkelcentra zijn alle hoofdwinkelcentra, te weten de binnenstadcentra van Alkmaar, Amstelveen, Amsterdam, Beverwijk, Bussum, Den Helder, Haarlem, Heerhugowaard, Hilversum, Hoofddorp, Hoorn, Purmerend, Schagen en Zaandam en de grote ondersteunende centra welke ook groter zijn dan 25.000 m2 wvo, te weten Amsterdam Buikslotermeerplein en Amsterdam Amsterdamse Poort. De genoemde grootte van winkelplannen (1.500 m2 en 3.000 m2) geldt voor de totale ontwikkeling in een winkelgebied (en dus niet per winkel) en voor een tijdsperiode van twee jaar. Deze periode is gekozen om te voorkomen dat grote plannen in kleinere delen worden opgeknipt om verplichte advisering te omzeilen.
Artikel 5.5
In het bestuurlijk overleg Noord-Holland Noord hebben Gedeputeerde Staten op 31 augustus 2016 toegezegd dat de regio's zelf in de gelegenheid worden gesteld om werkafspraken te maken over de wijze van regionale afstemming bij 'overige stedelijke voorzieningen', zoals bijvoorbeeld een crematorium, bioscoop of theater. Het gaat hierbij dus om stedelijke voorzieningen, niet zijnde woningbouw, bedrijventerreinen, kantoorlocaties of detailhandel. Het artikel is geformuleerd als een 'kunnen' bepaling, om aan te geven dat het maken van de regionale afspraken een verantwoordelijkheid is van de gemeenten in de regio zelf. Het maken van regionale afspraken is geen verplichting, maar dergelijke afspraken zijn wel nodig om nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk te maken.
ZZ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 5.1 van de Omgevingswet bepaalt dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten. Paragraaf 16.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat een regeling van de gevallen waarin geen omgevingsvergunning nodig is voor ontgrondingsactiviteiten waarvoor de provincie bevoegd gezag is. Dit zijn ontgrondingsactiviteiten op land, in regionale wateren en in het winterbed van rivieren die in beheer bij het Rijk zijn. Artikel 16.7 van het Bal wijst de vergunningvrije gevallen aan. Artikel 16.9 van het Bal bepaalt dat in de omgevingsverordening een aanvullend verbod of vergunningvrij geval kan worden gesteld, als dat doelmatig en doeltreffend is.
In Artikel 4.58 zijn twee aanvullende vergunningvrije gevallen aangewezen. In het eerste lid gaat het om ontgrondingen voor een waterput, reservoir, bassin, vijver, poel of een daarmee vergelijkbare voorziening. Op grond van het Bal geldt als een van de voorwaarden hierbij dat niet meer dan 1.000 m3 wordt ontgraven. In Artikel 4.58, eerste lid, is dit verruimd tot 10.000 m3. Dit komt overeen met de bestaande provinciale regeling. Het is in de praktijk gebleken dat het belang van de bescherming van de fysieke leefomgeving met deze ruimere vrijstelling niet is geschonden. Het is daarom doelmatig en doeltreffend om voor deze ontgrondingsactiviteiten een ruimere vrijstelling te handhaven.
In het tweede lid gaat het om een verruiming van de vergunningvrije gevallen van artikel 16.7, onder g, onder 2°, van het Bal. Het gaat hier om ontgrondingen voor het treffen van een maatregel uit een omgevingsplan, projectbesluit of omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, voor zover het gaat om het aanleggen, veranderen of verwijderen van een plein, weg, spoorweg of luchthaven. Het is doelmatig en doeltreffend om aan deze categorie vrijgestelde ontgrondingsactiviteiten toe te voegen het aanleggen, veranderen of verwijderen van een haven, industrieterrein, bouwterrein, sportterrein, park of plantsoen. Dit zijn vergelijkbare activiteiten als die in het Bal worden genoemd, en daarom ligt het voor de hand om hiervoor ook een vrijstelling op te nemen. Dit sluit ook aan bij de bestaande provinciale regelingen praktijk. Voor de hier vrijgestelde activiteiten gaat de onderbouwing op die in de toelichting bij het Bal bij categorie g wordt gegeven om geen ontgrondingsvergunning te verlangen. Deze toelichting luidt: “[het betreft] ontgrondingen waarover al expliciete besluitvorming heeft plaatsgevonden in verhouding tot het vaststellen van het omgevingsplan, het afwijken daarvan bij een omgevingsvergunning voor een afwijkactiviteit of een projectbesluit. In dat geval heeft al een brede belangenafweging plaatsgevonden in dat spoor. Zoals toegelicht in de nota van toelichting bij het Besluit kwaliteit leefomgeving heeft het ontgrondingsspoor in dat geval een beperkte betekenis. De vergunning zal vooral betrekking hebben op de veiligheid en stabiliteit van de ontgronding, omdat deze aspecten geen rol spelen in het kader van het omgevingsplan. Gaat het om het aanleggen, onderhouden, wijzigen of opruimen van een weg, spoorweg, plein, parkeerterrein of luchthaven of het aanleggen, wijzigen of opruimen van een waterstaatswerk door of vanwege de beheerder, dan mag worden aangenomen dat de initiatiefnemer voor het werk bovengenoemde aspecten al afdoende meeweegt bij zijn beslissingen, zodat het niet nodig is ter zake een publiekrechtelijke afweging te laten plaatsvinden. Verzakkingen zouden immers ook het aan te leggen werk ernstig beschadigen. Die ontgrondingen zijn dan ook volledig vergunningvrij”.
In het derde lid is geregeld dat voor bodemsaneringen waarbij wordt gegraven in de bodem, geen omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit nodig is. Door de rijksoverheid zijn regels gesteld voor bodemsaneringen, onder andere in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Deze regels voorzien in een meldplicht en een informatieplicht voorafgaand aan de activiteit. Er zijn twee standaard saneringsaanpakken:
1. het aanbrengen van een afdeklaag en
2. het verwijderen van de verontreiniging door de grond te ontgraven.
In beginsel heeft een initiatiefnemer de keuze welke saneringsaanpak wordt gevolgd. Soms verplicht een maatwerkregel in het omgevingsplan van de gemeente waar de sanering plaatsvindt tot het uitvoeren van de saneringsaanpak verwijderen van de verontreiniging door de grond te ontgraven. Een toetsing vanuit het kader van een ontgrondingsvergunning voegt hier niets aan toe. Met andere woorden: als de saneringsaanpak verwijderen wordt gevolgd, wordt de ontgrondingsvergunning altijd verleend. Van oudsher gold bij bodemsaneringen daarom een vrijstelling van de verplichting om een ontgrondingsvergunning te hebben. Het is doelmatig en doeltreffend om deze situatie – die bij de invoering van de Omgevingswet en de Omgevingsverordening 2022 onbedoeld is gewijzigd – te herstellen.
AAA
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBB
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat de omgevingsvergunningplichtige activiteiten met betrekking tot de vaarwegen. Bij vergunningverlening gelden de beoordelingsregels zoals opgenomen in Artikel 4.80. Het verbod geldt niet voor activiteiten ten behoeve van onderhoud door of namens Gedeputeerde Staten. Dit regelt Artikel 4.73, tweede lid.
Verder geldt het verbod niet voor aangewezen werken op de oevers langs een vaarweg, die naar verwachting geen impact hebben op de instandhouding, bruikbaarheid of bescherming van de vaarwegen. Het gaat hier om verkeersborden, tuin- of straatmeubilair, zoals bijvoorbeeld prullenbakken of bankjes.
De categorie andere werken, niet bedoeld als afmeervoorziening, van geringe omvang en met een verankering of fundering minder diep dan 50 cm in de bodem betreft een restcategorie voor werken die geen risico vormen voor de instandhouding, bruikbaarheid en bescherming van de vaarwegen. Hieronder vallen niet afmeervoorzieningen, zoals bijvoorbeeld steigers en bolders. De eisen die worden genoemd zijn cumulatief, met andere woorden: aan alle eisen moet zijn voldaan, voordat het werk vergunningsvrij is.
CCC
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De provincie is verantwoordelijk voor een drietal specifieke categorieën van grondwateronttrekkingen en -infiltraties. Het betreft open bodemenergiesystemen, de openbare drinkwatervoorziening en onttrekkingen van meer dan 150.000 m3
m3 per jaar voor industriële toepassingen. Onttrekkingen en infiltraties voor andere doeleinden kunnen worden gereguleerd door de waterschappen. Artikel 2.16 van het Besluit activiteiten leefomgeving biedt de mogelijkheid om open bodemenergiesystemen tot 10 m
3
3
per uur vrij te stellen van de vergunningplicht. Met Artikel 4.113 wordt voor zover gelegen buiten zogeheten interferentiegebieden
door gemeenten aangewezen gebieden, gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. Hiermee worden onnodige bestuurlijke lasten voorkomen en wordt administratieve lastendruk voor bedrijven en burgers tegengegaan. Wel geldt voor deze systemen op grond van artikel 4.1149 van het Besluit activiteiten leefomgeving een meldplicht en op grond van Artikel 4.114 een aanvullende meldplicht. Voor interferentiegebieden
door gemeente aangewezen gebieden blijft de vergunningplicht wel gelden. In het bij deze gebieden behorende vastgestelde beleid, door gemeente of provincie aangewezen gebieden
vaak uitgewerkt in (bodem)energie(transitie)plannen, met een hoge dichtheid aan
is aangegeven waar en op welke diepte verschillende typen bodemenergiesystemen kunnen bodemenergiesystemen elkaar beïnvloeden
worden gerealiseerd, en onder welke voorwaarden. Dit kan leiden tot
Bij het aanvragen van een onacceptabele rendementsafname. Met
vergunning en bij het beoordelen van een vergunningplicht
aanvraag moet hiermee rekening worden gehouden, zodat negatieve onderlinge beïnvloeding tussen systemen wordt voorkomen en vergunningsvoorwaarden kan dit worden voorkomen
de ondergrond optimaal wordt gebuikt.
DDD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze ontheffingsbevoegdheid is gebaseerd op artikel 2.32, eerste lid, van de Omgevingswet. Kern
De kern van deze regeling is dat in bijzondere gevallen het onverkort toepassen
een ontheffing alleen wordt verleend als de uitoefening van de provinciale regels kan leiden
taak of bevoegdheid waarvoor ontheffing wordt gevraagd onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot een onevenredig nadeel bij
het belang dat wordt gediend met de verwezenlijking van gemeentelijk beleid
regel waarvan ontheffing is gevraagd. Zie ook het criterium
Dit is terug te vinden in artikel 2.32, vijfde lid, van de Omgevingswet. Zoals toegelicht in de algemene toelichting van Afdeling 6.2 is deze regeling ook van toepassing op omgevingsvergunningen voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De
Een ontheffing die wordt verleend maakt onderdeel uit van het (gemeentelijke) ruimtelijke besluit waarvoor de ontheffing nodig is altijd gekoppeld aan
. Om van te voren duidelijkheid te hebben over de in te zetten rechtsmiddelen tegen een omgevingsplan
verleende of geweigerde ontheffing is het wenselijk om bij de aanvraag van de ontheffing te weten welke voorbereidingsprocedure van toepassing is op het (gemeentelijk ruimtelijk besluit waarvoor de ontheffing is aangevraagd. De procedure bepaalt namelijk het in te zetten rechtsmiddel. Participatie over het gemeentelijk project vindt plaats in het kader van de gemeentelijke procedure. Om te voorkomen dat een ontheffing blijft bestaan, zonder dat er sprake is van een gemeentelijk besluit om het project mogelijk te maken binnen een redelijke termijn, is in lid 4 geregeld dat de ontheffing komt te vervallen indien niet binnen 2 jaar een omgevingsplan is vastgesteld.
EEE
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel is een verplichting opgenomen tot regionale afstemming in het geval een nieuwe stedelijke functie wordt mogelijk gemaakt.
Lid 1
Nieuwe stedelijke functies, zoals woningbouw, bedrijventerreinen en kantoorlocaties, detailhandel en overige stedelijke voorzieningen, moeten passen binnen de daarover binnen de regio gemaakte afspraken. Op deze regel gelden twee uitzonderingen. Over binnenstedelijke woningbouwontwikkelingen van maximaal 25 woningen (onderdeel a) hoeven geen regionale afspraken te worden gemaakt. Ook nieuwe stedelijke functies met een bebouwd oppervlak van minder dan 500 m2 hoeven niet regionaal te worden afgestemd (onderdeel b).
De verantwoordelijkheid en de afwegingsruimte liggen bij de regio
De gemeenten in de regio moeten het gezamenlijk eens worden over de nieuwe stedelijke functies. De verantwoordelijkheid en de afwegingsruimte liggen bij de regio. Dit is in lijn met de gedachte van de Omgevingswet, waarbij de verantwoordelijkheid zo decentraal mogelijk wordt belegd. De regionale afspraken worden bij voorkeur op visie- en programmaniveau gemaakt, zodat wordt voorkomen dat pas in een laat planstadium, bijvoorbeeld bij het voorontwerp van een omgevingsplan duidelijk wordt of wordt voldaan aan de wetgeving. De regionale afspraken en de daaruit voortvloeiende omgevingsplannen of omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten horen, voor zover de ladder voor duurzame verstedelijking van toepassing is, uiteraard 'ladderproof' te zijn.
Wat is de regio?
Onder de regio wordt verstaan het 'marktgebied' of 'verzorgingsgebied' van de betreffende nieuwe stedelijke ontwikkeling
functie. De inhoudelijke onderbouwing van een nieuwe stedelijke ontwikkeling
functie moet zich dus richten op het markt- of verzorgingsgebied. De gemeenten overleggen in de regio over bovenlokale of regionale stedelijke ontwikkelingen
functies en maken daar bestuurlijke afspraken in regionaal verband over.
Regio- en provinciegrensoverschrijdende nieuwe stedelijke functies
Bij nieuwe stedelijk functies die de grens van een regio overschrijden heeft de provincie de rol van intermediair tussen de regio's. Dat geldt ook voor provinciegrensoverschrijdende nieuwe stedelijke functies.
Naast Artikel 6.13 zijn ook andere artikelen van de omgevingsverordening van belang. De regionale afspraken moeten dus voldoen aan de vereisten van de Ladder, voor zover deze van toepassing is, maar ook aan de andere artikelen van de omgevingsverordening. Als er geen binnenstedelijke mogelijkheden zijn in de marktregio of het verzorgingsgebied dan kan in Landelijk gebied naar een locatie worden gezocht. Echter, niet elke uitbreidingslocatie in het Landelijk gebied is mogelijk door bijvoorbeeld de regels over beschermd landelijk gebied (Paragraaf 6.2.5).
Lid 2
Voor het borgen van het provinciale hoofdbelang van duurzaam ruimtegebruik worden aan de regionale afspraken via regels van GS inhoudelijke en procedurele voorwaarden gesteld. Deze regels zijn opgenomen in afdeling 5 van Bijlage 11.
FFF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De locatie van nieuwe woningbouwontwikkelingen in het werkingsgebied Landelijk gebied moet zijn gelegen in/aan een kern of in/aan een dorpslint. Wat onder beide begrippen moet worden verstaan is opgenomen in Bijlage 1 Begripsbepalingen.
Onder voorwaarden willen we in deze provincie buitenstedelijk mogelijkheden creëren voor woningbouw in aansluiting op bestaande bebouwing. Daarom bieden we ruimte aan initiatieven aan de randen van bebouwing van dorpen en kernen.
Deze regel bepaalt dat nieuwe woningbouwontwikkelingen in het werkingsgebied Landelijk gebied moeten zijn gelegen in of aansluitend op bestaande kernen, of in of in het verlengde van
dorpslinten. Het doel van deze regel is om woningbouw in het landelijk gebied te laten aansluiten op de bestaande bebouwde omgeving, ter voorkoming van incidentele woningbouw en nieuwe solitair gelegen woningbouwlocaties in het Landelijk gebied. Wat wordt verstaan onder de begrippen kern en dorpslint is opgenomen in Bijlage 1 Begripsbepalingen.
Woningbouw in een dorpslint betekent een verdichting van bestaande bebouwing in het dorpslint, passend bij de opbouw en kenmerken van het dorpslint, waarbij de eenheid van het lint
behouden blijft (zie ook de begripsbepaling). Onder woningbouw in het verlengde van het dorpslint wordt verstaan bebouwing die in lengterichting aan een zijde van het dorpslint wordt toegevoegd, op een afstand en locatie die passend zijn bij de opbouw en kenmerken van het dorpslint en die aansluiten op de eenheid van het dorpslint (zie ook de begripsbepaling). De Leidraad Landschap en Cultuurhistorie biedt handvatten voor ontwikkelingen in of in het verlengde van een dorpslint.
Doorgaans zal eenvoudig te bepalen zijn of een locatie in een kern ligt. Of een locatie aansluit op een bestaande kern kan onder andere worden bepaald op basis van de afstand en ligging ten opzichte van de bestaande bebouwing én de wijze waarop de locatie aansluit op de bebouwing in de kern. De bedoeling is immers te voorkomen dat solitair in het landelijk gebied gelegen woningbouwlocaties ontstaan.
GGG
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat een mogelijkheid om, onder voorwaarden, maximaal 2 burgerwoningen toe te staan bij transformatie van bestaande stedelijke voorzieningen in het Landelijk gebied die niet (meer) passen in het Landelijk gebied. Bijvoorbeeld een timmermansbedrijf of een garagebedrijf. Een tweede burgerwoning vinden wij aanvaardbaar als er meer dan 1.000m2 aan bedrijfsbebouwing op het bouwperceel wordt gesloopt. De verstening op het perceel neemt dan immers af. De aanwezigheid van een bedrijfswoning is hier niet een noodzakelijke voorwaarde. Anders dan bij voormalige agrarische bedrijven hebben niet-agrarische, stedelijke voorzieningen in het landelijk gebied vaak niet meerdere bouwpercelen op verschillende locaties tot hun beschikking maar 1 hoofdvestiging. Het is dan ook slechts deze hoofdvestiging die voor transformatie in aanmerking komt. De Leidraad landschap en cultuurhistorie is bij de herontwikkeling van bouwpercelen in het Landelijk gebied naar nieuwe voorzieningen van toepassing
Dit artikel is een afwijking van het verbod uit Artikel 6.13 en Artikel 6.18a. Dit artikel bevat namelijk de mogelijkheid om maximaal 3 reguliere woningen toe te staan bij de transformatie van bestaande stedelijke functies naar wonen in het werkingsgebied Landelijk gebied, ook als de locatie niet is gelegen in of aan een dorpslint of kern. Ook geldt voor deze woningen het vereiste van regionale afstemming niet. Met een bestaande stedelijke functie bedoelen we bijvoorbeeld een timmermansbedrijf of een garagebedrijf. Het doel van dit artikel is om ervoor te zorgen dat bij de transformatie van de bestaande functie naar wonen de omgevingskwaliteit verbetert.
Wanneer is het toegestaan om een bestaande stedelijke functie te transformeren naar een woonfunctie?
Om het perceel te transformeren naar woningen, moet aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Het uitgangspunt is om maximaal 3 woningen toe te staan. Als wordt voldaan aan de voorwaarden van het eerste lid kunnen 2 woningen worden gerealiseerd. Om 3 woningen te realiseren moet zowel aan de voorwaarden van het eerste als aan die van het tweede lid zijn voldaan.
Wat bedoelen we met de voorwaarden uit het eerste lid?
Om 2 woningen te realiseren moet zijn voldaan aan de voorwaarden zoals gesteld in het eerste lid. Wat deze voorwaarden zijn, staat hieronder.
a. Aanwezigheid van een bedrijfswoning
Voor het transformeren van een stedelijke functie naar wonen is het een voorwaarde dat er een bedrijfswoning rechtmatig aanwezig is op het perceel. Met rechtmatig aanwezig wordt bedoeld dat er feitelijk een bedrijfswoning op het perceel aanwezig is en dat hiervoor een vergunning is verleend of de omgevingsplanregels de bedrijfswoning toestaan. Als er geen rechtmatige bedrijfswoning op het perceel aanwezig is, mag de bestaande stedelijke functie niet worden omgezet naar wonen. Het omzetten van de bedrijfswoning naar een reguliere woning is mogelijk door de bedrijfswoning te slopen en er een nieuwe woning voor in de plaats te bouwen. Ook mag de al bestaande bedrijfswoning de functie van een reguliere woning krijgen. Indien er 2 bedrijfswoningen aanwezig zijn mogen deze beide worden omgezet naar een reguliere woning als is voldaan aan de genoemde voorwaarden. Beide woningen tellen wel mee voor het toegestane maximum van 3 woningen.
b. en c. Beëindigen van het bedrijf en het slopen van de bedrijfsbebouwing
Naast de voorwaarde dat er een bedrijfswoning aanwezig is op het perceel, moet ook de bestaande stedelijke functie geheel worden beëindigd. Daarnaast moet alle bedrijfsbebouwing worden gesloopt. De provincie verwacht dat in het omgevingsplan of de eerstvolgende wijziging daarvan (of met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit) herbouw van de gesloopte bedrijfsbebouwing onmogelijk wordt gemaakt. Deze voorwaarden zijn gesteld om de openheid van het landschap een belangrijke kwaliteit vinden.
Er zijn 3 uitzonderingen op de sloopeis van onderdeel c. De volgende bedrijfsbebouwing mag op het perceel blijven staan.
De bestaande bedrijfswoning hoeft niet te worden gesloopt. In dit lid wordt namelijk gesproken over ‘overige bedrijfsbebouwing.’ Daarmee wordt de bebouwing bedoeld die niet de bedrijfswoning is;
Ook bebouwing die volgens de bestaande vergunningsvrijregels mag worden gerealiseerd, hoeft niet te worden gesloopt. Het is namelijk niet wenselijk om bebouwing die na realisatie van de woningen zou mogen worden herbouwd, te slopen.
Het kan voorkomen dat bepaalde aanwezige bedrijfsbebouwing wordt gezien als een karakteristiek of beeldbepalend bouwwerk. Dergelijke bebouwing mag blijven bestaan. Het is aan de gemeente om te motiveren dat sprake is van een karakteristiek of beeldbepalend bouwwerk. Alle bijgebouwen die blijven staan moeten een ondergeschikte functie hebben aan de woningen. Dit betekent dat de gebouwen ondersteunend moeten zijn aan de woningen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een schuur of garage.
d en e Bebouwingsvrij en verhardingsvrij
De voorwaarden zijn opgesteld om de openheid van het landschap te beschermen en te verbeteren. Daarom is opgenomen dat na de herinrichting van het perceel een substantieel deel hiervan vrij blijft van bebouwing en verharding. Er is hiervoor geen percentage opgenomen. De invulling hiervan is onder andere afhankelijk van de hoeveelheid te slopen bebouwing en de omgeving waarin de nieuwe woningen liggen.
f. Verbetering van de omgevingskwaliteit
Verder moet de omgevingskwaliteit substantieel verbeteren bij de herinrichting van het perceel. Het is mogelijk om deze verbetering op verschillende manieren in te vullen. Een voorbeeld van een substantiële verbetering is invulling geven aan de groenblauwe dooradering van Noord-Holland.
Ook is ‘De Leidraad landschap en cultuurhistorie bij de herontwikkeling van bouwpercelen in het Landelijk gebied naar nieuwe voorzieningen’ van toepassing. Deze leidraad is een provinciale handreiking voor het inpassen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het landschap.
g. Omliggende agrarische bedrijven mogen niet worden beperkt
Agrarische bedrijven in de buurt mogen geen last hebben van de nieuwe reguliere woningen. De bedrijven moeten door kunnen gaan met hun bedrijfsvoering en gewenste ontwikkeling.
Wat bedoelen we met de voorwaarden uit het tweede lid?
Om een derde reguliere woning te kunnen realiseren is in het tweede lid een aanvullende voorwaarde opgenomen.
a. 1.000m² bedrijfsbebouwing wordt gesloopt
Naast de voorwaarden uit het eerste lid moet er voor een derde woning minstens 1.000m² aan bedrijfsbebouwing worden gesloopt. Als op het perceel dus minder bebouwing aanwezig is, kan een derde woning niet worden gerealiseerd. Het gaat om feitelijk te slopen bedrijfsbebouwing. De juridisch-planologisch toegestane bebouwing die niet is gerealiseerd, telt dan ook niet mee. Ook de bedrijfsbebouwing die een nieuwe functie krijgt en niet wordt gesloopt, wordt niet bij het te slopen oppervlak meegenomen.
Het derde lid biedt meer mogelijkheden voor karakteristieke en beeldbepalende bebouwing
Het is vanuit landschap en cultuurhistorie wenselijk om een mogelijkheid te bieden om karakteristieke en beeldbepalende (stolp)boerderijen te behouden. Zulke panden zijn vaak te groot om maar 1 of 2 woningen in te realiseren. Het derde lid maakt het daarom mogelijk om meerdere woningen te realiseren in een dergelijke boerderij. Dit kunnen er dus meer dan 3 zijn. Er is bewust voor gekozen om ‘karakteristieke boerderij’ niet te definiëren als begripsbepalingen. Het kan om een monument gaan, maar het kan ook om een ander beeldbepalend pand gaan. Het is aan de betrokken gemeente om in de concrete situatie te bepalen en te motiveren of sprake is van een karakteristieke of beeldbepalende (stolp)boerderij. Om de karakteristieke boerderij te behouden wordt bewoning van bijbehorende bouwwerken niet direct uitgesloten. Dit bijgebouw moet dan wel onderdeel uitmaken van de boerderij of een bijdrage leveren aan het karakter van de boerderij.
Ook moet worden voldaan aan de voorwaarden van het eerste en tweede lid.
Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen. Dit staat opgenomen in het vierde lid van dit artikel en artikel 6.1a van het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022.
HHH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat de mogelijkheid om voormalige agrarische bedrijfsbebouwing te gebruiken voor kleinschalige, niet-agrarische activiteiten. Het moet gaan om legale, fysiek aanwezige, bebouwing. Deze zogenoemde ‘VAB-regeling’ is opgenomen vanuit het belang om het platteland vitaal te houden en verloedering tegen te gaan. Het moet gaan om agrarische bebouwing die niet meer geschikt is voor de agrarische sector. Vanuit ons belang om het landschap zoveel mogelijk open te houden, verrommeling tegen te gaan, vinden wij het onwenselijk dat de nieuwe activiteiten plaatsvinden in kassen. Daarom kunnen deze kassen op het voormalige agrarische bouwperceel niet worden gebruikt voor de nieuwe activiteiten. Bij het realiseren van een gebruiksgerichte paardenhouderij is het aanvullend mogelijk om te voorzien in een paardenbak.
Dit artikel biedt tevens de mogelijkheid om een burgerwoning toe te staan op het voormalige agrarische bouwperceel. Dit kan gaan om de omzetting van de bestemming van fysiek aanwezige bedrijfswoning naar burgerwoning danwel de nieuwbouw van een burgerwoning binnen het bestaande bouwperceel na sloop van de agrarische bedrijfswoning.
Wanneer er meer dan 1.000 m2 aan bebouwing op het bouwperceel wordt gesloopt dan kan er een tweede burgerwoning worden toegestaan. Het gaat hier om bebouwing die legaal aanwezig is. Bebouwing die juridisch-planologisch mogelijk is maar feitelijk niet is gebouwd komt dus niet in aanmerking (wat er niet is, kun je ook niet slopen). Een voorwaarde is verder de aanwezigheid van een fysiek aanwezige bedrijfswoning op het bouwperceel. Wij stellen dit vereiste omdat wij het van belang achten dat de burgerwoning op een locatie wordt gerealiseerd waar bewoning ruimtelijk al wenselijk wordt geacht. Agrarische bedrijven hebben vaak meerdere percelen in het landelijk gebied. Het is niet de bedoeling dat deze bouwpercelen waar slechts schuren of stallen staan maar bewoning is uitgesloten in aanmerking komen voor transformatie naar burgerwoning(en).
Een derde burgerwoning is slechts toegestaan indien kan worden gemotiveerd dat deze derde burgerwoning noodzakelijk is voor een substantiële verbetering van de omgevingskwaliteit op het perceel. Deze uitzondering is pas dan mogelijk nadat er eerst 1.000 m2 aan bedrijfsbebouwing op het perceel wordt gesloopt. Bij een verbetering van de omgevingskwaliteit kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een substantiële afname van de verstening op het perceel.
In dit artikel wordt het mogelijk gemaakt om voormalige agrarische bouwpercelen te transformeren. Deze percelen kunnen onder voorwaarden worden gebruikt voor een aantal nieuwe kleinschalige stedelijke functies of voor het realiseren van maximaal 3 woningen. Deze mogelijkheden zijn een afwijking van de artikelen 6.13, 6.14a en 6.18a. Het doel van dit artikel is om het platteland vitaal te houden en verrommeling van voormalige agrarische bouwercelen tegen te gaan.
Dit artikel wordt de ‘VAB-regeling’ genoemd.
Wat wordt bedoeld met het eerste lid?
Niet alle stedelijke functies zijn toegestaan bij de transformatie van voormalige agrarische bouwpercelen. In het eerste lid zijn de toegestane functies genoemd. Het mag alleen gaan om kleinschalige vormen van:
Voor toepassing van dit lid moet de bestaande bebouwing gebruikt worden voor de nieuwe functies. Het gaat dan om rechtmatige en fysiek aanwezige bebouwing. De bebouwing mag niet worden uitgebreid. Niet gerealiseerde bebouwing die juridisch planologisch wel mogelijk is, telt niet mee.
Verder worden in het eerste lid onder a tot en met g de voorwaarden genoemd voor het transformeren. Deze voorwaarden spreken voor zich en zullen niet verder worden uitgelegd in deze toelichting.
Niet elk soort bebouwing kan worden gebruikt voor de nieuwe functie
Onwenselijk is dat kassen worden gebruikt voor de nieuwe functie van het perceel.
Lid 2 stelt voorwaarden aan het realiseren van nieuwe bebouwing
De bestaande bebouwing op een agrarisch bouwperceel is niet altijd geschikt voor de nieuwe kleinschalige stedelijke functies die genoemd zijn in dit artikel. Daarom wordt ook de mogelijkheid geboden om deze functies in nieuwe bebouwing te realiseren. De voorwaarden waaronder nieuwe bebouwing is toegestaan, luiden als volgt:
Voorwaarden a tot en met g van het eerste lid
Ten eerste is het van belang dat de voorwaarden die in het eerste lid zijn gesteld ook van toepassing zijn als het gaat om het realiseren van nieuwe bebouwing. De voorwaarden uit het tweede lid zijn dan ook een aanvulling op het eerste lid.
Slopen van de bedrijfsbebouwing
De bestaande bedrijfsbebouwing moet worden gesloopt. Een bedrijfswoning is uitgezonderd van deze sloopeis. Er kan voor worden gekozen om de bedrijfswoning te laten staan. Als de initiatiefnemer de bedrijfswoning ook wil slopen en wil herbouwen als onderdeel van de nieuwe activiteit, kan dat ook. Wel is het belangrijk om te vermelden dat de bedrijfswoning op basis van dit artikel niet mag worden gebruikt als reguliere woning. Ook niet als deze bedrijfswoning niet wordt gesloopt. Het gebruik als bedrijfswoning kan wel worden voortgezet als wordt voldaan aan de voorwaarden die daarvoor gelden. Daarnaast moet het omgevingsplan herbouw van de gesloopte bedrijfsbebouwing onmogelijk maken.
Oppervlakte na herinrichting van het perceel
De voorwaarde onder c. bestaat uit twee onderdelen. Ten eerste mag de oppervlakte van de nieuwe bebouwing niet groter zijn dan de te slopen bebouwing. Ten tweede mag de oppervlakte van de nieuwe bebouwing niet groter zijn dan 500m². Dit betekent dat (als er nieuwe bebouwing op het perceel komt) het kan voorkomen dat de oppervlakte van de totale nieuwe bebouwing kleiner is dan in de oude situatie. Als we het hier hebben over de bestaande bebouwing gaat het om rechtmatige (legale) en fysiek aanwezige bebouwing. Het maakt dan niet uit dat er juridisch-planologische nog bouwmogelijkheden zijn die niet zijn gebruikt. Deze ongebruikte bouwmogelijkheden tellen niet mee.
Verbetering van de omgevingskwaliteit
Bij nieuw te bouwen beouwing moet de omgevingskwaliteit substantieel verbeteren. Bij de herinrichting van het perceel moet hier dus rekening mee worden gehouden. De nieuwe bebouwing hoeft dus niet op dezelfde plek terug te komen. Het is mogelijk om deze verbetering op verschillende manieren in te vullen. Een voorbeeld van een substantiële verbetering is bijvoorbeeld door invulling te geven aan de groenblauwe dooradering van Noord-Holland. Ook is ‘De Leidraad landschap en cultuurhistorie bij de herontwikkeling van bouwpercelen in het Landelijk gebied naar nieuwe voorzieningen’ van toepassing. Deze leidraad is een provinciale handreiking voor het inpassen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het landschap.
In lid 3 wordt een aanvulling gegeven op het eerste lid
Bij een gebruiksgerichte paardenhouderij is het aanvullen mogelijk om een paardenbak te realiseren.
In lid 4 en 5 worden mogelijkheden geven om woningen te realiseren
Om voormalige agrarische bouwpercelen te transformeren naar woningen, hebben wij voorwaarden gesteld. Het doel van deze voorwaarden is om bij het realiseren van woningen de omgevingskwaliteit te verbeteren door vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing te slopen. Ook wordt de openheid van het landschap op deze manier verbeterd. Er kunnen maximaal 3 woningen worden gerealiseerd. Als wordt voldaan aan de voorwaarden van het vierde lid kunnen 2 woningen worden gerealiseerd. Om 3 woningen te realiseren moet zowel aan de voorwaarden van het vierde als van het vijfde zijn voldaan.
In lid 4 wordt de mogelijkheid gegeven om woningen te realiseren
Om 2 woningen te realiseren moet zijn voldaan aan de voorwaarden zoals gesteld in het vierde lid van dit artikel. Wat deze voorwaarden inhouden staat hier onder.
a. Aanwezigheid van een bedrijfswoning
Voor het transformeren van een voormalig agrarisch bouwperceel naar wonen is het een voorwaarde dat er een bedrijfswoning rechtmatig aanwezig is op het perceel. Met rechtmatig aanwezig wordt bedoeld dat er feitelijk een bedrijfswoning op het perceel aanwezig is en dat hiervoor een vergunning is verleend of de omgevingsplanregels de bedrijfswoning toestaan. Als er geen rechtmatige bedrijfswoning op het perceel aanwezig is, mag de bestaande stedelijke functie niet worden omgezet naar wonen. Het omzetten van de bedrijfswoning naar een reguliere woning is mogelijk door de bedrijfswoning te slopen en een nieuwe woning in de plaats te bouwen. Ook mag de al bestaande bedrijfswoning een nieuwe bestemming krijgen. Indien er 2 bedrijfswoningen aanwezig zijn mogen deze beide worden omgezet naar een reguliere woning als is voldaan aan de genoemde voorwaarden.
b en c Beëindigen van het agrarische bedrijf en het slopen van de bedrijfsbebouwing
Naast de voorwaarden dat er een bedrijfswoning aanwezig is op het perceel, moet ook het agrarische bedrijf geheel worden beëindigd. Daarnaast moet alle bedrijfsbebouwing worden gesloopt. De provincie verwacht dat in het omgevingsplan of de eerstvolgende wijziging daarvan (of met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit) herbouw van de gesloopte bedrijfsbebouwing onmogelijk wordt gemaakt. Deze voorwaarden zijn gesteld om de openheid van het landschap een belangrijke kwaliteit vinden.
Er zijn 3 uitzonderingen op de sloopeis van onderdeel c. De volgende bedrijfsbebouwing mag op het perceel blijven staan:
De bestaande bedrijfswoning hoeft niet te worden gesloopt. In dit lid wordt namelijk gesproken over ‘overige bedrijfsbebouwing.’ Daarmee wordt de bebouwing bedoeld die niet de bedrijfswoning is;
Ook bebouwing die volgens de bestaande vergunningsvrijregels mag worden gerealiseerd, hoeft niet te worden gesloopt. Het is namelijk niet wenselijk om bebouwing die na realisatie van de woningen zou mogen worden herbouwd te slopen.
Het kan voorkomen dat bepaalde aanwezige bedrijfsbebouwing wordt gezien als een karakteristiek of beeldbepalend bouwwerk. Dergelijke bebouwing kan blijven bestaan. Het is aan de gemeente om te motiveren dat sprake is van een karakteristiek of beeldbepalend bouwwerk.
Alle bijgebouwen die blijven staan moeten een ondergeschikte functie hebben aan de woningen. Dit betekent dat de gebouwen ondersteunend moeten zijn aan de woningen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een schuur of garage.
d. en e. Bebouwingsvrij en verhardingsvrij
De voorwaarden zijn opgesteld om de openheid van het Noord-Hollandse landschap te beschermen en te verbeteren. Daarom is opgenomen dat na de herinrichting van het perceel een substantieel deel hiervan vrij blijft van bebouwing en verharding. Er is hiervoor geen percentage opgenomen. De invulling hiervan is onder andere afhankelijk van de hoeveelheid te slopen bebouwing en de omgeving waarin de nieuwe woningen liggen.
f. Verbetering van de omgevingskwaliteit
Verder moet de omgevingskwaliteit substantieel verbeteren bij de herinrichting van het perceel. Het is mogelijk om deze verbetering op verschillende manieren in te vullen. Dit is vrij aan de initiatiefnemer. Een voorbeeld van een substantiële verbetering is bijvoorbeeld door invulling te geven aan de groenblauwe dooradering van Noord-Holland. Ook is De Leidraad landschap en cultuurhistorie bij de herontwikkeling van bouwpercelen in het Landelijk gebied naar nieuwe voorzieningen van toepassing. Deze leidraad is een provinciale handreiking voor het inpassen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het landschap.
g. Omliggende agrarische bedrijven mogen niet worden beperkt
Ook mogen agrarische bedrijven in de buurt geen last hebben van de nieuwe reguliere woningen. De bedrijven moeten door kunnen gaan met hun bedrijfsvoering en gewenste ontwikkeling.
Wat bedoelen we met de voorwaarden uit het vijfde lid?
Om een derde reguliere woning te kunnen realiseren is in het vijfde lid een aanvullende voorwaarde opgenomen.
a. 1.000m² bedrijfsbebouwing wordt gesloopt
Naast de voorwaarden uit het vierde lid moet er voor een derde woning minstens 1.000m² aan bedrijfsbebouwing worden gesloopt. Als op het perceel dus minder bebouwing aanwezig is, kan een derde woning niet worden gerealiseerd. Het gaat om feitelijk te slopen bedrijfsbebouwing. De juridisch-planologisch toegestane bebouwing die niet is gerealiseerd, telt dan ook niet mee. Ook de bedrijfsbebouwing die een nieuwe functie krijgt en niet wordt gesloopt, wordt niet bij het te slopen oppervlak meegenomen.
Het zesde lid biedt meer mogelijkheden voor karakteristieke en beeldbepalende bebouwing
Het is vanuit landschap en cultuurhistorie wenselijk om een mogelijkheid te bieden om karakteristieke en beeldbepalende (stolp)boerderijen te behouden. Zulke panden zijn vaak te groot om maar 1 of 2 woningen in te realiseren. Het zesde lid maakt het daarom mogelijk om meerdere woningen te realiseren in een dergelijk pand. Dit kunnen er dus meer dan 3 zijn. Er is bewust voor gekozen om ‘karakteristieke boerderij’ niet te definiëren als begripsbepalingen. Het kan om een monument gaan, maar het kan ook om een ander beeldbepalend pand gaan. Het is aan de betrokken gemeente om in de concrete situatie te bepalen en te motiveren of sprake is van een karakteristieke of beeldbepalende (stolp)boerderij. Om de karakteristieke boerderij te behouden wordt bewoning van bijbehorende bouwwerken niet direct uitgesloten. Dit bijgebouw moet dan wel onderdeel uitmaken van de boerderij of een bijdrage leveren aan het karakter van de boerderij.
Ook moet worden voldaan aan de voorwaarden van het vierde en vijfde lid.
Indien
In het zevende lid wordt de mogelijkheid gegeven om meer woningen te realiseren
ruimtelijke plannen
Van het vierde en vijfde lid kan worden afgeweken als de woningen worden gerealiseerd met toepassing van een (inter)gemeentelijk vereveningsfonds is afwijking van het aantal burgerwoningen of te slopen oppervlakte mogelijk. Het vereveningsfonds is een financieel fonds onder het beheer van de gemeente(n). Het fonds kan door 1 of door meerdere gemeenten (intergemeentelijk) worden opgezet en beheerd. Een dergelijk
Zo een fonds maakt het mogelijk om locaties te verevenen: indien de bouw van enkele woningen op de saneringslocatie ruimtelijk ongewenst of onvoldoende mogelijk is en er een negatief exploitatieresultaat is, dan kan er toch worden gesaneerd. Het tekort op de exploitatie wordt door de gemeente(n) uit het (inter)gemeentelijk vereveningsfonds) aan de initiatiefnemer vergoedt
vergoed. Is er op een andere locatie vanuit landschappelijk en stedenbouwkundig oogpunt wel ruimte om enkele woningen te realiseren en levert dit een plus op de exploitatie opzet op, dan moet de initiatiefnemer het overschot storten in het gemeentelijk fonds.
Uitgangspunt is altijd de (ruimtelijke) kwaliteitsverbetering op het perceel. De ruimtelijke kwaliteitseisen zijn bij de herontwikkeling van bouwpercelen in het landelijk gebied naar nieuwe voorzieningen dan ook van toepassing.Bij
toepassing. Bij een vereveningsfonds dient de gemeente uiteraard rekening te houden met de regels voor publiekrechtelijk kostenverhaal uit de Omgevingswet.
Het vijfde lid is specifiek bedoeld voor stolpboerderijen of andere karakteristieke boerderijen. Deze panden zijn vaak te groot om daarin maar 1 woning te realiseren (of 2 woningen indien andere opstallen kunnen worden gesloopt). Het is vanuit landschap en cultuurhistorie wenselijk om een mogelijkheid te bieden de karakteristieke boerderij te behouden en hiervoor een nieuwe functie te kunnen vinden. Dit lid maakt het mogelijk om meerdere woningen te realiseren in een dergelijke boerderij. Er is bewust voor gekozen om ‘karakteristieke boerderij’ niet te definiëren als begripsbepalingen. Dit kan om een monument gaan, maar het kan ook om een ander beeldbepalend pand gaan. Het is aan de betrokken gemeente om in de concrete situatie te bepalen of sprake is van een karakteristieke boerderij. Ten behoud van de karakteristieke boerderij wordt bewoning van bijbehorende bouwwerken die al dan niet onderdeel uitmaken, dan wel bijdragen aan het behoud van het karakter van de karakteristieke boerderij niet uitgesloten, mits andere provinciale belangen niet geschaad worden.
Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen
Dit staat opgenomen in het achtste lid van dit artikel en artikel 6.2 van het Delegatiebesluit Omgevingsverordening NH2022.
III
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel richt zich op alle nieuwe detailhandel op bedrijventerreinen en kantoorlocaties, ongeacht of deze detailhandel ook kwalificeert als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Indien een ruimtelijke ontwikkeling van detailhandel ook kwalificeert als een nieuwe stedelijke ontwikkeling, zal ook voldaan moeten worden aan de instructieregels over nieuwe stedelijke ontwikkelingen (met name de regionale afspraken).
Met lid 1 worden beperkingen gesteld aan het mogelijk maken van detailhandel op bedrijventerreinen en kantoorlocaties. Met lid 2 wordt de vestiging van detailhandel in het landelijk gebied voorkomen. Dit is om ruimtelijk relevante leegstand in winkelgebieden te voorkomen. Een van de hoofddoelstellingen van het provinciale detailhandelsbeleid is een detailhandelsstructuur die uitgaat van duurzaam ruimtegebruik. Leegstand in een bestaand winkelgebied en tegelijkertijd nieuwe detailhandelsmeters toevoegen op bedrijventerreinen, kantorenlocaties of in het landelijk gebied is geen duurzaam gebruik van de schaarse ruimte. Winkelgebieden zijn namelijk toekomstbestendiger naarmate het winkelaanbod completer is. Als winkelgebieden niet een zo gevarieerd mogelijk aanbod van een zekere omvang hebben, zijn consumenten eerder geneigd hun aankopen in een ander winkelgebied of online te doen. Dit trekt een wissel op een winkelgebied waardoor de winkelvloerproductiviteit/omzet onder druk komt te staan en de leegstand stijgt, de kans op verpaupering van een gebied toeneemt en het ondernemersklimaat verslechtert. Het beleid is dan ook gericht op clustering van detailhandel in winkelgebieden. Voor een aantal in het artikel omschreven vormen van detailhandel is daarbij een uitzondering gemaakt op het verbod zoals aangegeven in lid 1, juist omdat bij deze vormen van detailhandel clustering in winkelgebieden ongewenst is. Daarnaast zorgt dit verbod ervoor dat bedrijventerreinen worden gevrijwaard van veel consumentenverkeer. Bedrijventerreinen zijn ontworpen voor vrachtverkeer en kennen vaak veel vrachtverkeer maar zijn minder goed ingericht voor consumentenverkeer, zeker voor lopende of fietsende consumenten. Juist de bestaande winkelgebieden zijn hier wel goed op ingericht. Ook kennen veel bedrijventerreinen milieucontouren waardoor detailhandel niet mogelijk is op dezelfde locatie door b.v. geluidshinder of stankcirkels.
JJJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel hoort bij de ‘Regionale spelregels transformatie vakantieparken’ en biedt de mogelijkheid om bestaande recreatieparken in het landelijk gebied Noord-Holland Noord te transformeren naar een permanente stedelijke voorziening zoals een woongebied of tijdelijke stedelijke voorziening als tussenstap naar sanering. Deze mogelijkheid is een tijdelijke regeling tot 1 januari 2027. De regeling is in tijd begrensd om het geen ontwikkelmodel van recreatie naar wonen of andere stedeijke voorziening te laten zijn. Om het aanbod in de verblijfsrecreatie te ontzien, geldt dit alleen voor parken die aantoonbaar geen toekomst (meer) hebben in de verblijfsrecreatie. De afweging van de nieuwe (woon-)functie houdt rekening met bestaande situaties, waarbij de locatie een gegeven is en opstallen vaak blijven staan en zo de aard en omvang en de uitstraling op de omgeving van het park gelijk blijft. Als aard en omvang van het park wijzigt, is tijdelijk een stedelijke functie toegestaan, mits dat nodig is om daarna op de locatie een niet-stedelijke functie te vestigen. Dit is bedoeld als een oplossing voor de sanering van bestaande niet meer levensvatbare recreatieparken, waar de eigenaar de kosten van moet dragen. Volgt er geen sanering, dan is er sprake van een Nieuwe
nieuwe stedelijke ontwikkeling (NSO)
functie, die regionaal moet worden afgestemd als sprake is van een toename van het bebouwd oppervlak met meer dan 500m2
.
Het artikel bevat genoemde twee opties voor transformatie. De eerste (lid 1 en lid 2) is een definitieve transformatie. De tweede (lid 3 en 4) betreft een transformatie naar een niet-stedelijke voorziening, waarbij een tussenstap wordt gezet om de transformatie economisch uitvoerbaar te maken. Dat betreft sloop van het park en het inrichten en gebruiken van de locatie voor een niet-stedelijke voorziening, bijvoorbeeld natuur of agrarisch. Lid 1 respectievelijk lid 3 bevat steeds de criteria waaraan moet worden voldaan. Lid 2 en 4 bevat vervolgens de artikelen in deze verordening waarvan mag worden afgeweken. De overige artikelen van deze verordening blijven van toepassing.
KKK
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De Datacenterstrategie Noord-Holland 2022
2025-2024
2027 richt zich op datacenters van de in dit artikel opgenomen minimale omvang en elektrisch aansluitvermogen. Datacenters die een kleinere omvang hebben worden niet geraakt door de regels in deze subparagraaf. Het betreft cumulatieve criteria. We willen hierbij benadrukken dat het de gemeente blijft die besluit of zij medewerking wil verlenen aan een initiatief. Het betreft een instructieregel aan gemeenten. Indien een gemeente een datacenterinitiatief op een locatie onaanvaardbaar vindt, dan betekent een opname in het werkingsgebied ‘datacenters toegestaan’ niet dat het initiatief toch doorgang kan vinden.
LLL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
We stellen strenge voorwaarden voor het vestigen van nieuwe en uitbreiding
uitbreiden van bestaande datacenters in plaats van ze gewoonweg te verbieden. Dit doen we omdat we inzetten op een stevige basis voor een groeiende digitale economie. Een goede digitale infrastructuur is hiervoor een belangrijke vestigingsvoorwaarde. Toenemende digitalisering is een autonome ontwikkeling die je niet tegenhoudt, maar wel zo goed mogelijk in de juiste banen kan leiden.
Datacenters vormen een essentieel onderdeel van die digitale infrastructuur maar hebben een flinke impact op het landschap, het watersysteem en gebruiken veel energie. Nieuwvestiging en uitbreiding van datacenters wordt
worden toegestaan op bedrijventerreinen
in het werkingsgebied ‘Datacenter toegestaan’. Bij dit werkingsgebied wordt uitgegaan van een clustering in drie gemeenten waar al datacenterclusters aanwezig zijn
, namelijk: de gemeenten Amsterdam, Haarlemmermeer en Hollands Kroon. We
Verder staan dit
we het vestigen van datacenters alleen toe op of aangrenzend aan bedrijventerreinen om zo geen kostbare natuur of landbouwgrond te gebruiken. Daarnaast stellen we ook het gebruik
opstellen van een stedenbouwkundig plan en een beeldkwaliteitsplan verplicht (die in de praktijk vaak gecombineerd worden in 1 document), zodat aan het ruimtelijk ontwerp van het gebouw en de directe omgeving uitvoerig aandacht wordt besteed. Het gaat dan om de impact van een datacenter op de wijdere omgeving qua volume en hoogte van het gebouw en de inrichting van de ruimte. Maar ook om het gebouw en aangrenzende terrein meerdere doelen te laten dienen. Bijvoorbeeld door op het terrein rondom een datacenter aandacht te hebben voor biodiversiteit. Naast deze ruimtelijke beperking worden er ook voorwaarden aan de vestiging van datacenters verbonden waardoor de impact van datacenters op de omgeving wordt geminimaliseerd. Dit zijn voorwaarden om datacenters energiezuinig te laten opereren. Maar ook bijvoorbeeld met zo beperkt mogelijk waterverbruik. Met
Samen met de gemeenten gaan we overleggen hoe deze voorwaarden landen in het gemeentelijk beleid.
waar datacenters zijn toegestaan en de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied is daarvoor de
Deze voorwaarden zijn geconcretiseerd in richtlijn
‘Richtlijn duurzame vestigingsvoorwaarden datacenters
Noord-Holland’ opgesteld, die de provincie gaat vaststellen en
door de drie clustergemeenten Hollands Kroon, Haarlemmermeer
gemeenten en Amsterdam verwerken in hun gemeentelijk beleid
Omgevingsdienst gehanteerd wordt bij vestiging van datacenters.
MMM
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Onderdeel van de Datacenterstrategie Noord-Holland 2022-2024 is dat de vestiging of uitbreiding van datacenters in andere gemeenten dan de drie gemeenten waar nieuwe of uitbreidingen van datacenters nog zijn toegestaan, worden uitgesloten. Dit artikel bevat hiertoe een instructieregel aan gemeenten. De instructieregel richt zich op het toestaan van datacenters met een bruto-vloeroppervlakte van meer dan 2.000 m2 en een elektrisch aansluitvermogen van meer dan 5 MVA. De instructieregel richt zich ook op niet gerealiseerde mogelijkheden in het omgevingsplan, de zogenoemde onbenutte plancapaciteit. Specifiek voor deze onbenutte plancapaciteit is voorzien in een uitvoeringstermijn (zie de toelichting op artikel 6.32c). Voor een aantal lopende initiatieven in de gemeenten Diemen en Haarlem is in lid 2 een uitzondering opgenomen. Deze initiatieven zijn opgenomen in bijlage 1 van de Datacenterstrategie Noord-Holland 2022-2024. Om gebruik te maken van de uitzondering dient uiterlijk 31 december 2025 een ontwerpbesluit ter inzage te worden gelegd.
Dit artikel bevat een instructieregel. De instructieregel richt zich op het uitsluiten van datacenters met een bruto-vloeroppervlakte van meer dan 2.000 m2 of een elektrisch aansluitvermogen van meer dan 5 MVA. De instructieregel richt zich ook op niet gerealiseerde mogelijkheden in het omgevingsplan, de zogenoemde onbenutte plancapaciteit.
De Datacenterstrategie Noord-Holland 2025-2027 stelt dat de vestiging of uitbreiding van datacenters in andere gemeenten dan de drie cluster-gemeenten wordt uitgesloten. De beschikbare ruimte voor nieuwe datacenters binnen de bestaande clusters raakt echter op. De Provincie Noord-Holland ziet het belang van de datacenters voor het behouden van innovatie- en concurrentiekracht van Nederland. Om de vestiging van datacenters ook in de toekomst mogelijk te blijven maken en daarmee hun toegevoegde waarde op lange termijn te borgen, is het nodig ruimte te zoeken buiten de bestaande clusters.
Gedeputeerde Staten kunnen gebruik maken van de bevoegdheid zoals genoemd in Artikel 13.3 van de Omgevingsverordening om een werkingsgebied te wijzigen. In uitzonderlijke gevallen kunnen zij toe staan om buiten het werkingsgebied ‘datacenter toegestaan’ en in het werkingsgebied ‘datacenter uitgesloten’ een datacenter te ontwikkelen. Een gemeente kan een verzoek doen aan Gedeputeerde Staten om van deze bevoegdheid gebruik te maken. Om over te gaan tot het wijzigen van de werkingsgebieden zoals genoemd in de Artikel 6.32a en Artikel 6.32b van de Omgevingsverordening moet zijn voldaan aan enkele voorwaarden. In aanvulling op de voorwaarden zoals genoemd in Artikel 6.32a van de Omgevingsverordening, moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:
De datacenterontwikkeling voldoet aan de gemeentelijke ruimtelijke en strategische doelstellingen en ambities, en;
De datacenterontwikkeling heeft een positieve impact op het energiesysteem, waarover wordt geadviseerd door de netbeheerder, voor een periode van minimaal 15 jaar, en;
De datacenterontwikkeling draagt aantoonbaar bij aan een brede welvaart, en;
De provincie beoordeelt nieuwe datacenterinitiatieven op basis van de ‘Richtlijn duurzame vestigingsvoorwaarden datacenters Noord-Holland’.
In het verzoek van de gemeente aan Gedeputeerde Staten om over te gaan tot het wijzigen van de relevante werkingsgebieden dient onderbouwd te worden in hoeverre aan deze voorwaarden is voldaan.
NNN
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In het artikel is de ruimtelijke inpassing van het agrarisch bouwperceel een leidend principe. Alle bebouwing dient te worden geconcentreerd op het bouwperceel. Bij niet-agrarische bedrijfsactiviteiten is geregeld welke activiteiten zijn toegestaan. Een bedrijf met schuurkassen wordt beschouwd als een regulier agrarisch bedrijf. Met betrekking tot het toestaan van nieuwe bouwpercelen, uitbreiding van glastuinbouwbedrijven en het niet-agrarische bedrijfsactiviteiten als zelfstandig bedrijf, zijn regels opgesteld. In lid 1 onder d wordt de nieuwvestiging van een bedrijf op een nieuw bouwperceel uitsluitend toegestaan als het aantoonbaar niet mogelijk is om te vestigen op een locatie van Vrijkomende Agrarische Bebouwing (VAB) of het niet mogelijk is om bestaande percelen te combineren tot één bedrijf. Deze regel heeft tot doel de openheid van het landelijk gebied te beschermen en leegstand te beperken. Het combineren van bedrijven maakt schaalvergroting mogelijk met behoud van ruimtelijke kwaliteit.
Landbouw is één van de belangen die de gemeenten moeten meewegen in het kader van een goede omgevingskwaliteit. In de Omgevingsvisie is het landbouwbelang geborgd in de beweging ‘Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving’. Indien de belangen van de landbouw (zoals de agrarische structuur of het landbouwareaal) onevenredig worden geschaad, kan de provincie op basis hiervan de gemeente hierop aanspreken of actie ondernemen.
Glastuinbouwbedrijven die niet zijn gelegen in een tuinbouw- of glastuinbouwconcentratiegebied kunnen uitbreiden tot een perceeloppervlakte van maximaal 2 ha. Daarboven is uitbreiding alleen mogelijk na verplaatsing naar een glastuinbouwconcentratiegebied. Een uitzondering wordt gemaakt voor bedrijven die kunnen aantonen dat zij op hun huidige locatie, in aansluiting op en in samenhang met een stedelijk gebied, duurzaam kunnen ontwikkelen met behoud van de ruimtelijke kwaliteit. Indien aan deze voorwaarden is voldaan, is er sprake van enerzijds locatiespecifieke omstandigheden die aanleiding geven om op de bestaande locatie uit te breiden (grondgebonden teelt, synergie met aangrenzende stedelijke ontwikkelingen
functies) èn wordt anderzijds zo veel mogelijk voldaan aan de achterliggende belangen van het concentratiebeleid. Dit betreft het behoud van de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied (ligging aansluitend aan bestaand stedelijk gebied, niet grenzend aan andere glastuinbouwbedrijven) en verduurzaming (uitbreiding leidt tot verbeterde duurzame bedrijfsvoering, aantoonbare duurzame synergie met aangrenzende stedelijke ontwikkelingen
functies).
Een eerste bedrijfswoning is standaard toegestaan. Bij een tweede bedrijfswoning dient een afweging plaats te vinden of deze extra bedrijfswoning noodzakelijk is in verband met het toezicht op en de daarvoor noodzakelijke directe nabijheid bij primaire productieproces van het bedrijf. Hiertoe behoren niet de agrarische nevenactiviteiten, deze activiteiten zijn immers ondergeschikt.
Het scheuren van grasland is een agrarische activiteit waarbij de graszoden worden omgeploegd, dan wel vernietigd. Deze activiteit kan inklinking van de bodem en erosie (CO2
CO2 uitstoot) tot gevolg hebben. Veenpolderlandschappen zijn landschappelijk kwetsbare gebieden en cultuurhistorisch waardevol. Om inklinking in deze gebieden te voorkomen en vanwege de ruimtelijke kwaliteit, is in deze gebieden een verbod voor het scheuren van grasland opgenomen. Hiervan kan worden afgeweken indien dit bijdraagt aan de biodiversiteit van het grasland en wordt onderbouwd dat bodemerosie en extra CO2
uitstoot wordt vermeden.
Niet-agrarische activiteiten kunnen een onderdeel uitmaken van het verdienmodel van een agrariër. Lid 2 geeft aan welke activiteiten zijn toegestaan op het agrarisch bedrijf als nevenactiviteit, waarbij de primaire agrarische functie de hoofdactiviteit blijft.
In lid 3 wordt de vestiging van agrarisch aanverwante bedrijven in het landelijk gebied mogelijk gemaakt, mits wordt voldaan aan de genoemde voorwaarden. Agrarisch aanverwante bedrijven, als agrarische loonbedrijven, hebben vanwege hun agrarische machines een verbondenheid met het landelijk gebied. Qua verkeersveiligheid kan het wenselijk zijn om deze bedrijven in het landelijk gebied te vestigen en de verkeersbewegingen van de grote landbouwmachines daarmee te beperken.
Lid 2 geeft aan welke activiteiten zijn toegestaan op het agrarisch bedrijf als nevenactiviteit, waarbij de primaire agrarische functie de hoofdactiviteit blijft. Voor nevenactiviteiten onder b geldt dat naast eigen agrarische producten ook agrarische producten van andere bedrijven uit de nabije omgeving bewerkt, verwerkt of vergist kunnen worden. Collectieve vergisting waarbij geen eigen agrarische producten worden verwerkt is niet toegestaan als neventak op een agrarisch bouwperceel. Het bewerken en verwerken van meststoffen kan mer-(beoordelings)plichtig zijn zoals omschreven in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Het is daarom van belang dat bij de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit een eigenstandige en locatiespecifieke onderbouwing van de relevante milieuaspecten wordt opgesteld. Uitgangspunt voor deze nevenactiviteiten is dat deze wat betreft aard en schaal ondergeschikt blijven.
In lid 3 wordt de vestiging van agrarisch aanverwante bedrijven in het landelijk gebied mogelijk gemaakt, mits wordt voldaan aan de genoemde voorwaarden. Agrarisch aanverwante bedrijven, als agrarische loonbedrijven, hebben vanwege hun agrarische machines een verbondenheid met het landelijk gebied. Qua verkeersveiligheid kan het wenselijk zijn om deze bedrijven in het landelijk gebied te vestigen en de verkeersbewegingen van de grote landbouwmachines daarmee te beperken. Voor nieuwe agrarisch aanverwante bedrijven op een vrijkomend agrarisch bouwperceel geldt dat deze, zoals bij elke nieuwe ontwikkeling in het landelijk gebied, ook voldoen aan de ruimtelijke kwaliteitseis als bedoeld in Artikel 6.70.
OOO
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Met dit artikel wordt invulling gegeven aan artikel 7.8, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden of die kunnen leiden tot een vermindering van de kwaliteit, de oppervlakte of de samenhang tussen die gebieden zijn, behoudens een aantal hieronder nader toegelichte uitzonderingen, niet toegestaan.
Het artikel ziet alleen op nieuwe activiteiten of een wijziging van bestaande activiteiten. Dat betekent dat activiteiten en ontwikkelmogelijkheden, die zijn opgenomen in een vigerend ruimtelijk plan, kunnen worden voortgezet respectievelijk in stand blijven. Met andere woorden, de verordening respecteert wat in geldende ruimtelijke plannen is toegestaan (eerbiedigende werking). Zie in dit verband ook de definitie van het begrip bestaand, zoals opgenomen in de begrippenlijst bij de omgevingsverordening en de toelichting op dit begrip in de Algemene toelichting op de Omgevingsverordening. Slechts in het geval van een activiteit die niet past binnen het vigerende ruimtelijke plan, is het huidige artikel van toepassing.
Lid 1
In het eerste lid onder a tot en met c zijn de uitzonderingen opgenomen waarvoor het verbod op activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden of die kunnen leiden tot een vermindering van de kwaliteit, de oppervlakte of de samenhang tussen die gebieden, niet geldt.
Uitzondering a: groot openbaar belang, geen reële alternatieven en mitigerende maatregelen
Onder de cumulatieve voorwaarden die in a zijn opgenomen, mag een omgevingsplan wel nieuwe activiteiten mogelijk maken die leiden tot een significante aantasting van het natuurnetwerk Nederland of de natuurverbindingen. Deze voorwaarden zijn:
1. er is sprake van een groot openbaar belang;
2. er zijn geen reële alternatieven, en;
3. de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang worden beperkt (mitigerende maatregelen) en de overblijvende effecten worden gelijkwaardig en tijdig gecompenseerd.
Wat onder groot openbaar belang moet worden verstaan staat allereerst in de Algemene toelichting op de omgevingsverordening. De vraag of een ontwikkeling van windturbines of zonnepark in NNN van groot openbaar belang is en er geen reële alternatieven zijn, moet worden bezien vanuit de bovenregionale opgave en mogelijkheden voor duurzame energieopwekking. Indien er in de provincie geen reële andere mogelijkheden voor duurzame energieopwekking zijn (die niet leiden tot een aantasting van het NNN) en de bovenregionale opgave niet haalbaar is zonder de betreffende ontwikkeling, zou deze van groot openbaar belang kunnen zijn. Onder meer de Regionale Energiestrategieën (RES‘en) kunnen duidelijkheid bieden voor de vraag of een dergelijke ontwikkeling van groot openbaar belang is en of er ergens anders geen reële andere mogelijkheden zijn voor de ruimtelijke ontwikkeling. Opname van een locatie in een RES betekent echter niet per definitie dat de ontwikkeling van windturbines of een zonnepark op deze locatie van groot openbaar belang is en dat daarvoor geen reële alternatieven bestaan.
Op grond van Artikel 6.57, aanhef en onder b, hebben Gedeputeerde Staten regels over de onder c. genoemde compensatie gesteld. Deze regels zijn te vinden in Bijlage 11.
Uitzondering b: de meerwaardebepaling
Met deze uitzondering wordt geregeld dat een omgevingsplan nieuwe activiteiten of een wijziging van bestaande activiteiten mogelijk kan maken die op gebiedsniveau leiden tot een duidelijke aantoonbare meerwaarde voor het natuurnetwerk Nederland of de natuurverbindingen. Hiervoor moeten de betrokken activiteiten in samenhang op hun effecten worden beoordeeld. Ook wanneer het gaat om activiteiten die vallen binnen de reikwijdte van verschillende ruimtelijke plannen zal de effectbeoordeling in gezamenlijkheid moeten plaatsvinden. De meerwaardebepaling kan alleen worden toegepast als aan de cumulatieve voorwaarden die in b zijn opgenomen is voldaan. De meerwaardebepaling is niet van toepassing op activiteiten die verblijfsrecreatie mogelijk maken, tenzij het gaat om activiteiten die ondergeschikt zijn aan een andere bedrijfsactiviteit. Dit volgt uit het tweede lid van dit artikel.
De cumulatieve voorwaarden voor toepassing van de meerwaardebepaling zijn:
1. de activiteiten die leiden tot aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden worden tijdig gecompenseerd;
2. de compensatie houdt in dat de uitvoering van het geheel van aantastende en compenserende activiteiten gezamenlijk binnen 10 jaar leidt tot een duidelijk aantoonbare meerwaarde voor het natuurnetwerk Nederland voor wat betreft kwaliteit en samenhang;
3. de oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland dient tenminste gelijk te blijven;
4. er dient rekening gehouden te worden met de mogelijkheid dat de locatie waarop de activiteit plaatsvindt is gelegen in een gebied van het Natuurnetwerk Nederland of Natuurverbindingen dat omringd wordt door of grenst aan het werkingsgebied Beschermd landschap. Zo kunnen de kernkwaliteiten van dit Beschermd landschap ook aanwezig zijn in het nabijgelegen Natuurnetwerk Nederland. Aantasting van deze kernkwaliteiten kan tot gevolg hebben dat de meerwaardebepaling niet kan worden toegepast;
5. er wordt een gebiedsvisie opgesteld waarin de bovenstaande punten 1 tot en met 4 worden onderbouwd. Bij het toepassen van de meerwaardebepaling dient er ook een compensatieplan en een compensatieovereenkomst te worden opgesteld, zie hiervoor Artikel 382 3.5 en Artikel 3.6 van Bijlage 11. Financiële compensatie is niet mogelijk bij het toepassen van uitzondering b.
Uitzondering a: groot openbaar belang, geen reële alternatieven en mitigerende maatregelen
Onder de cumulatieve voorwaarden die in a zijn opgenomen, mag een omgevingsplan wel nieuwe activiteiten mogelijk maken die leiden tot een significante aantasting van het natuurnetwerk Nederland of de natuurverbindingen. Deze voorwaarden zijn:
1. er is sprake van een groot openbaar belang;
2. er zijn geen reële alternatieven, en;
3. de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang worden beperkt (mitigerende maatregelen) en de overblijvende effecten worden gelijkwaardig en tijdig gecompenseerd.
Wat onder groot openbaar belang moet worden verstaan staat allereerst in de Algemene toelichting op de omgevingsverordening. De vraag of een ontwikkeling van windturbines of zonnepark in NNN van groot openbaar belang is en er geen reële alternatieven zijn, moet worden bezien vanuit de bovenregionale opgave en mogelijkheden voor duurzame energieopwekking. Indien er in de provincie geen reële andere mogelijkheden voor duurzame energieopwekking zijn (die niet leiden tot een aantasting van het NNN) en de bovenregionale opgave niet haalbaar is zonder de betreffende ontwikkeling, zou deze van groot openbaar belang kunnen zijn. Onder meer de Regionale Energiestrategieën (RES‘en) kunnen duidelijkheid bieden voor de vraag of een dergelijke ontwikkeling van groot openbaar belang is en of er ergens anders geen reële andere mogelijkheden zijn voor de ruimtelijke ontwikkeling. Opname van een locatie in een RES betekent echter niet per definitie dat de ontwikkeling van windturbines of een zonnepark op deze locatie van groot openbaar belang is en dat daarvoor geen reële alternatieven bestaan.
Op grond van Artikel 6.57, aanhef en onder b, hebben Gedeputeerde Staten regels over de onder c. genoemde compensatie gesteld. Deze regels zijn te vinden in Bijlage 11.
Uitzondering b: de meerwaardebepaling
Binnen het NNN geldt in beginsel een verbod op ruimtelijke ontwikkelingen. De meerwaardebepaling biedt echter ruimte voor uitzondering, mits een aantoonbare meerwaarde voor het NNN wordt gerealiseerd. Het is niet eenvoudig om een meerwaarde te realiseren voor het NNN. Bij de toepassing van de meerwaardebepaling ligt de focus niet op het mogelijk maken van ruimtelijke ontwikkeling, maar op de bescherming, instandhouding, ontwikkeling en verbetering van NNN.
Met deze uitzondering wordt geregeld dat een omgevingsplan nieuwe activiteiten of een wijziging van bestaande activiteiten mogelijk kan maken die op gebiedsniveau leiden tot een duidelijke aantoonbare meerwaarde voor het natuurnetwerk Nederland of de natuurverbindingen.
Om de robuustheid van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) te versterken werken we voortdurend aan het realiseren en het versterken van natuur. Hierbij is het noodzakelijk om reeds gerealiseerde natuur met rust te laten zodat deze zich kan ontwikkelen om uiteindelijk de volle potentie te kunnen bereiken. Bij ontwikkelingen in reeds gerealiseerde natuur of in moeilijk vervangbare natuur is er in beginsel geen sprake van aantoonbare meerwaarde. Dit geldt ook voor ontwikkelingen midden in een NNN-gebied, omdat dit de samenhang en ecologische functie van het NNN negatief beïnvloedt.
De ecologische kwaliteit van het NNN-gebied waar de ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt (planlocatie) bepaalt niet per se hoe eenvoudig het is om elders (compensatielocatie) een meerwaarde te realiseren. Zelfs gebieden met een lage huidige kwaliteit kunnen een hoge potentiële waarde hebben die nog niet is benut; bijvoorbeeld omdat er sprake is van achterstallig onderhoud of oneigenlijk gebruik. Bij het kwantificeren/beoordelen van de aantasting ten gevolge van de ruimtelijke ontwikkeling moet niet alleen de huidige, actuele waarde van het NNN worden meegenomen, maar ook de potentiële waarde.
Om de aantasting van de ontwikkeling te compenseren vereist de meerwaardebepaling een aanzienlijke bijdrage in de vorm van een versterking van de natuur met aantoonbare meerwaarde voor het NNN (bijvoorbeeld door natuurontwikkeling). Aantoonbare meerwaarde houdt in dat de ecologische waarde van het NNN merkbaar toeneemt en een blijvende verrijking van het NNN betekent voor de kwaliteit en samenhang hiervan. Deze natuurcompensatie dient op een geschikte (compensatie-)locatie gerealiseerd te worden.
Bij het toepassen van de meerwaardebepaling moeten de betrokken activiteiten in samenhang op hun effecten worden beoordeeld. Ook wanneer het gaat om activiteiten die vallen binnen de reikwijdte van verschillende ruimtelijke plannen zal de effectbeoordeling in gezamenlijkheid moeten plaatsvinden. De meerwaardebepaling kan alleen worden toegepast als aan de cumulatieve voorwaarden die in b zijn opgenomen is voldaan. De meerwaardebepaling is niet van toepassing op activiteiten die verblijfsrecreatie mogelijk maken, tenzij het gaat om activiteiten die ondergeschikt zijn aan een andere bedrijfsactiviteit. Dit volgt uit het tweede lid van dit artikel.
De cumulatieve voorwaarden voor toepassing van de meerwaardebepaling zijn:
1. de activiteiten die leiden tot aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden worden tijdig gecompenseerd;
2. de compensatie houdt in dat de uitvoering van het geheel van aantastende en compenserende activiteiten gezamenlijk binnen 10 jaar leidt tot een duidelijk aantoonbare meerwaarde voor het natuurnetwerk Nederland voor wat betreft kwaliteit en samenhang;
3. de oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland dient tenminste gelijk te blijven;
4. er dient rekening gehouden te worden met de mogelijkheid dat de locatie waarop de activiteit plaatsvindt is gelegen in een gebied van het Natuurnetwerk Nederland of Natuurverbindingen dat omringd wordt door of grenst aan het werkingsgebied Beschermd landschap. Zo kunnen de kernkwaliteiten van dit Beschermd landschap ook aanwezig zijn in het nabijgelegen Natuurnetwerk Nederland. Aantasting van deze kernkwaliteiten kan tot gevolg hebben dat de meerwaardebepaling niet kan worden toegepast.
5. er wordt een gebiedsvisie opgesteld waarin de bovenstaande punten 1 tot en met 4 worden onderbouwd. Bij het toepassen van de meerwaardebepaling dient er ook een compensatieplan en een compensatieovereenkomst te worden opgesteld, zie hiervoor Artikel 3.5 en Artikel 3.6 van Bijlage 11 Regels Gedeputeerde Staten. Financiële compensatie is niet mogelijk bij het toepassen van uitzondering b.
Uitzondering c: beperkte toevoeging of wijziging van bestaande activiteiten
Met deze uitzondering wordt mogelijk gemaakt dat een omgevingsplan een beperkte toevoeging van een nieuwe activiteit aan een reeds bestaande activiteit of een beperkte wijziging van een reeds bestaande activiteit mogelijk maakt ondanks het feit dat dit leidt tot nadelige gevolgen voor het natuurnetwerk Nederland of een natuurverbinding. Voorwaarde hiervoor is dat deze toevoeging of wijziging noodzakelijk is voor de instandhouding van de bestaande, reeds aanwezige activiteit. Het gaat hier om kleine wijzigingen of toevoegingen die duidelijk ondergeschikt zijn aan de bestaande activiteiten, bijvoorbeeld de aanleg van extra parkeerplaatsen voor een bezoekers- of informatiecentrum.
Van deze uitzondering kan bovendien alleen gebruik worden gemaakt wanneer nadelige gevolgen worden beperkt (mitigerende maatregelen) en de overblijvende effecten gelijkwaardig en tijdig worden gecompenseerd.
Financiële compensatie is niet mogelijk bij het toepassen van uitzondering c.
Lid 2
In het tweede lid is vastgelegd dat uitzondering b, de meerwaardebepaling, niet van toepassing is op activiteiten die verblijfsrecreatie mogelijk maken, tenzij het gaat om activiteiten die ondergeschikt zijn aan een andere bedrijfsactiviteit, en plaatsvinden op, of aansluitend aan, dezelfde locatie. Voor deze activiteiten kan dus geen uitzondering worden gemaakt op het verbod om activiteiten mogelijk te maken die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden of die kunnen leiden tot een vermindering van de kwaliteit, de oppervlakte of de samenhang tussen de NNN-gebieden en natuurverbindingen.
Ondergeschikt wil zeggen dat er sprake moet zijn van een duidelijk aantoonbare ondergeschiktheid aan de andere bedrijfsactiviteit, bijvoorbeeld in arbeidsbehoefte, inkomsten en ruimtebeslag. Als voorbeeld: een mini-camping als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf wordt gezien als een ondergeschikte vorm van verblijfsrecreatie. Ten behoeve van deze ontwikkeling kan, mits wordt voldaan aan de voorwaarden, de meerwaardebepaling dus worden toegepast.
PPP
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 6.59 heeft als doel om het Beschermd landschap (BL) in Noord-Holland te beschermen en waar mogelijk te versterken en te ontwikkelen. Het BL omvat gebieden in Noord-Holland die landschappelijk, aardkundig, ecologisch of cultuurhistorisch van bijzondere waarde zijn. Het BL is zo concreet mogelijk beschreven in kernkwaliteiten per deelgebied. De voormalige beschermingsregimes Bufferzones, Aardkundig Monument en Weidevogelleefgebied zijn geborgd in de kernkwaliteiten. Het Natuurnetwerk Nederland (gericht op de wezenlijke kenmerken en waarden van natuur en landschap) heeft een eigen regime. NNN en BL sluiten wel naadloos op elkaar aan. Op deze manier bestaat er geen overlap tussen NNN en BL-gebied, maar vormen zij samen met de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde (Artikel 6.62) een robuust beschermd landelijk gebied. Tussen BL en Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde kan wel overlap bestaan.
De Provincie Noord-Holland heeft in de Omgevingsvisie NH2050 het benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van landschap en cultuurhistorie als ambitie benoemd. Het daarbij behorende ontwikkelprincipe geeft aan dat ‘ontwikkelingen en beheer moeten passen bij de waarden, de karakteristiek en het draagvermogen van het landschap’. In het BL staat het behoud en versterken van de landschappelijke waarden en de betekenis van het landschap voor het aangrenzende stedelijk gebied centraal. In het BL zijn ruimtelijke ontwikkelingen, met uitzondering van nieuwe
een ontwikkeling van meer dan 25 woningen en een ontwikkeling van overige stedelijke ontwikkelingen
functies met een bebouwd oppervlak van meer dan 500 m², toegestaan wanneer de beschreven kernkwaliteiten niet worden aangetast. Per locatie kan aan de hand van de kernkwaliteiten een zorgvuldige afweging worden gemaakt welke ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk en welke niet wenselijk zijn. Hierdoor is er ruimte voor maatwerk en gebiedsgerichte differentiatie.
De afweging of er een aantasting is van de kernkwaliteiten aan de hand van de beschrijvingen van de kernkwaliteiten, ligt (in de geest van de Omgevingswet) bij de gemeente. In de ruimtelijke onderbouwing van een omgevingsplan dat een ontwikkeling in het BL mogelijk maakt, moet worden gemotiveerd dat aan de voorwaarden van de regels wordt voldaan.
In lijn met de provinciale Leidraad Landschap en Cultuurhistorie zijn de kernkwaliteiten beschreven aan de hand van drie provinciale kernwaarden:
Landschappelijke karakteristiek: de landschapstypen en de belangrijkste kenmerken van deze landschappen;
Openheid en ruimtebeleving: de beleving van de ruimte, de horizon en de oriëntatiepunten;
Ruimtelijke dragers: de driedimensionale structuren en lijnen die in het (vlakke) landschap het beeld bepalen en begrenzen.
De beschrijving van de kernkwaliteiten van het BL is opgenomen in Bijlage 7 bij deze omgevingsverordening. Per BL-deelgebied wordt een algemene kenschets gegeven, de begrenzing en context worden weergeven, er is een toelichting op de ontstaansgeschiedenis van het betreffende landschap en de kernkwaliteiten zijn uiteengezet. Aan de beschrijving van de kernkwaliteiten zijn indicatieve themakaarten ter verduidelijking toegevoegd.
De voormalige regimes Bufferzones, Aardkundig Monument en Weidevogelleefgebied zijn als uitgangspunt gebruikt voor de totstandkoming van de begrenzing van het BL en hierin opgegaan. Daarnaast volgt de BL-begrenzing waar mogelijk en zinvol een landschappelijke logica. Om tot een logische begrenzing en beschrijving van de kernkwaliteiten te komen zijn het Kwaliteitsbeeld Noord-Holland 2050, de Cultuurhistorische Waardenkaart en de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie geraadpleegd. Het Kwaliteitsbeeld Noord-Holland 2050 is in december 2017 door de Provinciaal Adviseur Ruimtelijke Kwaliteit (PARK) aan GS aangeboden. Het is in een uitvoerig interactief proces met vele stakeholders tot stand gekomen. De waardering van de landschappen in het Kwaliteitsbeeld heeft plaatsgevonden op basis van archeologisch onderzoek (RAAP), historisch geografisch onderzoek (Bureau Landview) en een selectie van gegevens over historische stedenbouw (Monumentenzorg & archeologie provincie NH, Rijksdienst voor Monumentenzorg) in opdracht van de provincie Noord-Holland in 2001. Locaties van hoge tot zeer hoge waarde, grenzend aan of in de nabijheid van een bestaand beschermingsregime zijn veelal opgenomen in het BL. Tot slot zijn grenscorrecties doorgevoerd op basis van gesprekken met gemeenten en een ambtelijk deskundigenoordeel.
Relatie met de beschermingsregimes die zijn opgegaan in Beschermd landschap
Bufferzones
In de Structuurvisie Noord-Holland 2040 (2010) staat het doel van de bufferzones in Noord-Holland. Zij dienen gevrijwaard te blijven van verdere verstedelijkingen zich verder te kunnen ontwikkelen tot relatief grootschalige groene gebieden. De bufferzones zijn een belangrijk onderdeel van de metropolitane landschappen. Het landschap en het groen in de bufferzones vormen een randvoorwaarde voor de leefbaarheid in de metropoolregio. In de Omgevingsvisie NH2050 heeft dit een plek gekregen met ontwikkelprincipe: ‘Versterken van het landschap als onderdeel van het metropolitaan systeem’. Het veiligstellen van de groene leefomgeving waar de stedelijke druk hoog is, het behouden van openheid en het borgen van (de nabijheid van) het buitengebied voor de recreant zijn motieven voor de opname van de bufferzones in het Beschermd landschap.
Aardkundig Monument
Belangrijke componenten van het landschap zijn de bodem en het reliëf, als tastbaar bewijs van de ontstaansgeschiedenis van het Noord-Hollandse landschap. Het aardkundig monument betreft niet zozeer de toplaag maar de dieper gelegen abiotische waarden van de bodem (vanaf 1m diepte en 0,5m diepte rond het Alkmaardermeer). De bodemopbouw en -eigenschappen bepalen mede het ‘zichtbare’ landschap erboven. Het behoud van de leesbaarheid van de ontstaansgeschiedenis vindt Provincie Noord-Holland van groot belang. De provincie heeft zestien aardkundige monumenten aangewezen vanwege de unieke en best bewaarde aardkundige waarden. Deze monumenten zijn nu, afhankelijk van hun locatie, opgegaan in het BL of het NNN. De met de specifieke aardkundige monumenten samenhangende waarde, maakt onderdeel uit van de kernkwaliteiten van het BL of de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN en is als zodanig opgenomen in de beschrijvingen van de deelgebieden van het BL of NNN.
Weidevogelleefgebied
Nederland heeft een internationale verplichting tot het beschermen van weidevogels. Weidevogels gedijen goed in het open (veen)weidelandschap. Het gaat minder goed met de weidevogels. Door verstedelijking en intensieve landbouw is er verlies van geschikt leefgebied. De provincie vindt zowel de weidevogels als het karakteristieke cultuurlandschap waarin zij verblijven belangrijk. Daarom beschermt zij deze landschappen tegen inbreuken op de openheid en verstoring van de rust. Het beschermingsregime Weidevogelleefgebied in de PRV had als doelstelling leefgebieden voor weidevogels en open landschap te beschermen. De weidevogelleefgebieden in de PRV overlapten deels met het beschermingsregime NNN. In 2015 heeft de provincie in het Natuurbeheerplan een kerngebiedenbeleid ingezet, waarmee subsidie voor weidevogelbeheer is geconcentreerd in de meest kansrijke gebieden, met als doel deze gebieden optimaal in te richten en te beheren ten behoeve van weidevogels (“meer doen in minder gebieden”). Het Natuurbeheerplan is van betekenis voor natuurbeleid en subsidies, maar heeft geen planologische werking. Daarom zijn de weidevogelleefgebieden ook opgenomen in de PRV. Met de Omgevingsverordening is voor een andere aanpak gekozen. De weidevogelkerngebieden die binnen NNN liggen, vallen nog steeds onder het NNN beschermingsregime. Buiten het NNN hebben wij ervoor gekozen de kerngebieden vanwege de ecologische waarde en kwaliteit van het landschap te laten opgegaan in het BL met de kernkwaliteit ‘habitat voor weidevogels’. Ook zijn er delen van het voormalig weidevogelleefgebied uit de PRV, die niet onder de kerngebieden vallen, opgenomen in het BL wanneer er ter plaatse andere kernkwaliteiten aanwezig zijn die wij willen beschermen. Voormalige weidevogelleefgebieden die niet vallen onder het nieuwe kerngebiedenbeleid en geen andere kernkwaliteiten hebben die wij willen beschermen, vallen in de Omgevingsverordening niet meer onder een beschermingsregime.
De Leidraad Habitat voor Weidevogels biedt hulp bij het beoordelen of een voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling de kernkwaliteit Habitat voor Weidevogels aantast.
Relatie met het Kwaliteitsbeeld landschap Noord-Holland 2050
Het Kwaliteitsbeeld landschap Noord-Holland 2050 is een onderzoek en voorzet van de Provinciaal Adviseur Ruimtelijke Kwaliteit (PARK) voor een samenhangend verhaal over de toekomst van het Noord-Hollandse landschap ten behoeve van de omgevingsvisie. De landschappelijke kwaliteiten van Noord-Holland zijn in samenspraak met belanghebbenden voor de lange termijn (op hoofdlijnen) in kaart gebracht. Uit het ruimtelijk onderzoek komt naar voren dat de huidige wijze van ontwikkelen leidt tot een nivellering van de landschapskwaliteit. Daarnaast staat de provincie voor grote, urgente opgaven die veel impact op het landschap zullen hebben. Het Kwaliteitsbeeld stelt dat om de kwaliteiten van het landschap te behouden en (ook in de toekomst) van meerwaarde te laten zijn voor de kwaliteit van de leefomgeving en het vestigingsklimaat van Noord-Holland, een actieve strategie nodig is om ontwikkelingen bij te laten dragen aan het behoud en de versterking van de landschapskwaliteit. In het Kwaliteitsbeeld ligt de focus op de vraag ‘waar’ deze ontwikkelingen, in relatie tot de landschappelijke kwaliteiten van de provincie, bij voorkeur wel of niet een plek kunnen krijgen. Het zet in op het bundelen en samenbrengen van programma’s en opgaven met de specifieke kenmerken en kwaliteiten van de verschillende landschappen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in ‘prachtlandschappen’ en ‘krachtlandschappen’. Prachtlandschappen zijn de gebieden die het waard zijn om te behouden, vanwege de hoge tot zeer hoge cultuurhistorische waarde, vanwege de relatie met en betekenis voor de stad en het leef- en vestigingsklimaat van de regio. Krachtlandschappen zijn de gebieden waar in principe goede mogelijkheden zijn om grote opgaven en ontwikkelingen op te vangen. De Prachtlandschappen en de waardering van de cultuurhistorische waarde van deze landschappen in het Kwaliteitsbeeld zijn gebruikt om te komen tot een logische begrenzing van het BL en het beschrijven van de kernkwaliteiten.
Relatie met het werkingsgebied landelijk gebied
Gelet op het feit dat de gronden binnen BL tevens zijn gelegen in het werkingsgebied landelijk gebied, moeten nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het BL niet alleen aan de regels voor BL voldoen, maar moeten deze ook voldoen aan de regels voor landelijk gebied.
QQQ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel regelt dat de instructieregels voor gemeentelijke omgevingsplannen van overeenkomstige toepassing zijn op projectbesluiten die door Gedeputeerde Staten worden genomen. Het ligt voor de hand dat bij de ingrepen die Gedeputeerde Staten kan realiseren via een projectbesluit dezelfde regels gelden als voor het gemeentelijk omgevingsplan. Er is wettelijk niet voorzien in een ontheffingsmogelijkheid voor GS
Gedeputeerde Staten indien bij een concreet projectbesluit de toepassing van dit artikel tot een conflict leidt. Indien dit
Het is aan de orde is, ligt het voor de hand dat Gedeputeerde Staten aan Provinciale Staten zullen voorleggen
Provincies zelf om de verordening aan
een keuze te passen. Ook kunnen Gedeputeerde Staten in dit geval mogelijk gebruik maken van de door Provinciale Staten aan hen gedelegeerde wijzigingsbevoegdheden
om hiervoor een afwijkingsmogelijkheid op te nemen.
Gemeenten en Waterschappen hebben ook de mogelijkheid om in incidentele gevallen ontheffing van de instructieregels te krijgen. Daarnaast is van belang dat onder het oude recht bij een provinciaal inpassingsplan (de voorloper van het projectbesluit) eveneens de mogelijkheid bestond om in bijzondere gevallen af te wijken van de instructieregels. Om die reden voorziet het tweede lid in een vergelijkbare mogelijkheid voor het afwijken van de instructieregels bij de vaststelling van een provinciaal projectbesluit.
Om gebruik te kunnen maken van de afwijkingsbevoegdheid dient bij de uitvoering van een projectbesluit sprake te zijn van een onevenredige belemmering door de instructieregels van Afdeling 6.2, dan kunnen die regels buiten toepassing worden gelaten. In het projectbesluit dient gemotiveerd te worden dat sprake is van dringende redenen. Het buiten toepassing laten van de instructieregels mag er niet toe leiden dat strijd ontstaat met internationale verplichtingen of met instructieregels van het Rijk.
RRR
Na sectie 6.91 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Door een grotere drooglegging komt er zuurstof bij het veen en oxideert het veen, waardoor broeikasgasuitstoot ontstaat en de bodem steeds verder daalt. Door bij nieuwe peilbesluiten te voorkomen dat de drooglegging toeneemt, en daarmee de toename van broeikasgasuitstoot wordt voorkomen, blijft het watersysteem in de toekomst beheersbaar, veilig en gezond. Tevens is het voorkomen van de toename van broeikasgasuitstoot en daarmee het vertragen van de bodemdaling een middel om negatieve effecten op water, milieu, ruimtelijke ontwikkelingsopgaven en stijgende kosten voor het waterbeheer tegen te gaan.
Binnen de provincie is de vermindering van broeikasgasuitstoot (uit veenweidegebieden) beleidsmatig opgenomen in de Korte Termijn Agenda, de Veenweidestrategie 1.0 en de Startversie PPLG Buitengewoon Noord Holland. In de Korte Termijn Agenda ligt de focus op vermindering van de broeikasgasuitstoot. Op de middellange en lange termijn komt de nadruk, naast vermindering uitstoot broeikasgassen, ook te liggen op het tegengaan van bodemdaling.
De huidige instructieregel voorkomt dat de drooglegging wordt vergroot om toename van de uitstoot van broeikasgassen daarmee te voorkomen.
Methode
De broeikasgasuitstoot binnen een peilgebied kan worden aangetoond middels de methodiek van SOMERS 2.0. De modelberekening op basis van de drooglegging uit het oude peilbesluit (peildatum: ingangsdatum peilbesluit) en het nieuwe peilbesluit kan bij de toelichting op het peilbesluit worden gevoegd. Link: https://www.nobveenweiden.nl/dashboard/
Indien de berekening volgens de methode van SOMERS 2.0 moeilijk kan worden gemaakt, kunnen de waterschappen kiezen om op een andere manier (of in tekst of in berekeningen) te onderbouwen dat de uitstoot gelijk blijft of vermindert (bijvoorbeeld vanwege de zakkingsclausule).
Wanneer in een vigerend peilbesluit is opgenomen dat het waterpeil (en daarmee de drooglegging) de bodemdaling kan volgen - door middel van toepassing van peilindexatie, ofwel zakkingsclausule - gaan we ervanuit dat de broeikasgasuitstoot van de situatie na toepassing van de peilindexatie overeenkomt met de situatie ten tijde van de ingangsdatum van het peilbesluit. Dit omdat de drooglegging door de toepassing van de peilindexatie niet groter wordt en omdat drooglegging bepalend is voor de broeikasgasuitstoot. Op een zeker moment zal het waterschap het peilbesluit echter moeten actualiseren door de toegepaste peilindexatie daarin te verwerken. Omdat het berekenen van de uitstoot van broeikasgassen in deze situatie soms niet mogelijk is, kan worden volstaan met een tekstuele onderbouwing, waarom de uitstoot niet toeneemt.
Werkingsgebied
Het werkingsgebied van artikel 6.91a omvat de veengronden zoals weergegeven op de bodemkaart 1:50000 (BRO Bodemkaart, Wageningen Environmental Research: 2024). Alleen veengronden binnen landelijk gebied worden meegenomen.
Bij de motivering van de gevolgen van een nieuwe peilbesluit voor de broeikasgasuitstoot als bedoeld in het eerste lid, hoeft geen rekening te worden gehouden met de volgende locaties:
Reden van uitzondering is dat we geen maatregelen op talud, bermen en waterkeringen kunnen uitoefenen vanwege de veiligheidsregels. Verharde percelen zijn afgedekt waardoor geen broeikasgasuitstoot plaatsvindt.
Bij de volgende situaties geldt de instructieregel niet omdat het effect hiervan op de broeikasgasuitstoot nog niet berekend kan worden met de methode SOMERS:
Gebieden waarin sprake is van kwel (>0.8 mm/d);
Gebieden waar de drooglegging tussen de 0 en 20 cm beneden maaiveld zit.
Verder geldt dat wanneer de instructieregel niet kan worden toegepast dit onderbouwd wordt uitgelegd.
SSS
Na sectie 10.3 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Met dit artikel wordt voorzien in een centrale grondslag voor Gedeputeerde Staten om toezichthouders aan te wijzen. Het gaat om toezicht op de naleving van bestuursrechtelijke regels in genoemde regelgeving ten aanzien van de wegen en vaarwegen waarvan Gedeputeerde Staten wegbeheerder of vaarwegbeheerder is.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2025-20855.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.