Provinciaal blad van Limburg
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Limburg | Provinciaal blad 2025, 20837 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Limburg | Provinciaal blad 2025, 20837 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Wijzigingsbesluit Nadere subsidieregels Landschapselementen 2025
Gedeputeerde Staten van Limburg
maken ter voldoening aan het bepaalde in de Provinciewet en het bepaalde in de Algemene Subsidieverordening Provincie Limburg 2023 e.v. bekend dat zij in hun vergadering van 8 december 2025 hebben vastgesteld:
Wijzigingsbesluit Nadere subsidieregels Landschapselementen 2025
Artikel I Wijziging Nadere subsidieregels Landschapselementen 2025 (Provinciaal blad 2025, 1584)
De Nadere subsidieregels Landschapselementen 2025 (Provinciaal blad 2025, 1584) worden als volgt gewijzigd:
A. In artikel 6 (Verplichtingen subsidieontvanger), lid 1, wordt het gestelde:
‘De aanleg en/of het herstel dient uiterlijk 31 december 2026 gerealiseerd te zijn.’
In zijn volledigheid vervangen door:
‘De aanleg en/of het herstel dient uiterlijk 31 december 2028 gerealiseerd te zijn.’
B. In artikel 12 (Termijn voor indienen aanvraag), lid 1, wordt het gestelde:
‘De subsidieaanvraag kan vanaf 3 februari 2025 worden ingediend en dient uiterlijk 19 december 2025 te zijn ontvangen door Gedeputeerde Staten’.
In zijn volledigheid vervangen door:
‘De subsidieaanvraag kan vanaf 3 februari 2025 worden ingediend en dient uiterlijk 1 juli 2027 te zijn ontvangen door Gedeputeerde Staten’.
C. In artikel 14 (Inwerkingtreding, beëindiging en citeertitel), lid 2, wordt het gestelde:
‘Deze Nadere subsidieregels vervallen met ingang van 1 januari 2026, met dien verstande dat zij van toepassing blijven op subsidieaanvragen die vóór die datum zijn ontvangen door Gedeputeerde Staten en subsidiebesluiten die vóór die datum zijn genomen, ook voor de volgende stappen in het subsidietraject.’
In zijn volledigheid vervangen door:
‘Deze Nadere subsidieregels vervallen met ingang van 1 augustus 2027, met dien verstande dat zij van toepassing blijven op subsidieaanvragen die vóór die datum zijn ontvangen door Gedeputeerde Staten en subsidiebesluiten die vóór die datum zijn genomen, ook voor de volgende stappen in het subsidietraject.’
D. Bijlage Informatiebladen landschapselementen, onderdeel Algemeen, wordt het gestelde:
De navolgende informatiebladen zijn bedoeld om subsidieaanvragers zo beknopt mogelijk toe te lichten wat gevraagd wordt bij de aanleg, het herstel en het beheer van landschapselementen. Verder staan in het informatieblad de te subsidiëren bedragen voor de aanleg, het herstel (indien van toepassing) en het beheer per landschapselement opgenomen. Let op: er wordt 100% van de bedragen vergoed, maar de bedragen zullen in voorkomende gevallen de kosten niet geheel dekken. Er zal aldus een gedeelte eigen inzet en/of financiering moeten worden ingezet. De informatiebladen, inclusief de algemene bepalingen, moeten gelezen worden als voorschriften. De provincie behoudt zich bij iedere aanvraag het recht voor, om af te wegen of de voorgenomen activiteiten kwalificeren als (kleinschalige) landschapselementen in het Limburgs landschap.
Tenzij in de informatiebladen anders vermeld, geldt in ieder geval:
Herstel van landschapselementen is voor bepaalde typen ook aan te vragen, maar alleen als daar geen andere verplichting geldt voor de aanvrager om het reeds te herstellen. Dat geldt ook voor leden van een agrarisch collectief (Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer: ANLb) indien zij vanuit die hoedanigheid reeds een verplichting tot herstel zouden hebben.
De gebruikte bronnen voor de informatiebladen zijn: www.natuurrijklimburg.nl / www.landschapoverijssel.nl / www.fruitbomen.net / www.bij12.nl / www.pelckmans.net / www.zoom.n l / www.de-vala.nl / www.wikipedia.org / www.boerennatuurbrabant.nl / www.rvo.nl / www.bosgroepen.nl / www.inventaris.onroerenderfgoed.be / www.limburgs-landschap.nl’
In zijn volledigheid vervangen door:
De navolgende informatiebladen zijn bedoeld om subsidieaanvragers zo beknopt mogelijk toe te lichten wat gevraagd wordt bij de aanleg, het herstel en het beheer van landschapselementen. Verder staan in het informatieblad de te subsidiëren bedragen voor de aanleg, het herstel (indien van toepassing) en het beheer per landschapselement opgenomen. Let op: er wordt 100% van de bedragen vergoed, maar de bedragen zullen in voorkomende gevallen de kosten niet geheel dekken. Er zal aldus een gedeelte eigen inzet en/of financiering moeten worden ingezet. De informatiebladen, inclusief de algemene bepalingen, moeten gelezen worden als voorschriften. Verder volgt u de informatie als gevraagd en opgegeven in de formulieren Activiteitenplan en Begrotingsformat, welke op de provinciale website geplaatst worden. De provincie behoudt zich bij iedere aanvraag het recht voor, om af te wegen of de voorgenomen activiteiten kwalificeren als (kleinschalige) landschapselementen in het Limburgs landschap.
Tenzij in de informatiebladen anders vermeld, geldt in ieder geval:
Herstel en aanleg van landschapselementen is voor bepaalde typen aan te vragen, maar alleen als daar geen andere verplichting geldt voor de aanvrager om het reeds te herstellen. Dat geldt ook voor leden van een agrarisch collectief (Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer: ANLb) indien zij vanuit die hoedanigheid reeds een verplichting tot herstel zouden hebben.
E. Bijlage Informatiebladen landschapselementen, onderdeel Informatieblad boomgaard inclusief kruidenrijk grasland (1), wordt het gestelde:
‘Informatieblad boomgaard inclusief kruidenrijk grasland (1)
Omschrijving - Een hoogstam- en halfstamboomgaard is een boomgaard of boomweide met fruitrassen of notenbomen. De stamhoogte van halfstam, zijnde de hoogte waarop de eerste zijtakken groeien, is tussen de 110 en 130 centimeter. Bij hoogstam is dat minimaal 150 centimeter. In de ondergroei van de bomen ontwikkelt zich een kruidenrijke vegetatie. De bomen staan in een cluster en strak patroon (geen verspreid plantverband). Bij deze regeling gaat het om nieuwe boomgaarden tot 1 hectare groot. Indien een initiatiefnemer deze regeling gebruikt voor meerdere boomgaarden, zit daar altijd 100 meter afstand tussen. De boomgaarden zijn duidelijk een afgescheiden element.
Aanleg algemeen - Bomen kennen bij aanplant een maat van minimaal 6-8 cm stamomtrek (op 1 meter van de bovenkant van de wortel gemeten). De bomen worden in rijen aangeplant. De aanleg bestaat uit minimaal 9 bomen welke verdeeld zijn over minimaal twee rijen. De boomgaarden die vanuit deze regeling worden aangelegd bevatten maximaal 10% noten- en kastanjebomen. Een aanvulling met mispel, kweepeer of moerbei verrijkt de boomweide. In een wei waar tevens vee graast, zijn afrastering of boomkorven noodzakelijk ter bescherming.
Aanleg hoogstam - Per hectare 50 tot 75 bomen. De hoogstambomen, en ook de rijen onderling, hebben afhankelijk van de soort een onderlinge plantafstand van minimaal 8 meter, passend bij de verwachte groeihoogte van de soort.
Aanleg halfstam - Per hectare 75 tot 100 bomen. De halfstambomen, en ook de rijen onderling, minimaal 5 meter plantafstand.
Beheer - Laat op minimaal 10% van het terrein ruigte en kruiden ontstaan, bijvoorbeeld op een strook of een rand. Indien er sprake is van beweiding, dan moet dat stuk grond worden uitgerasterd. Maai of klepel het gedeelte waar ruigte en kruiden zijn ontstaan na 3 of 4 jaar. Daarna volgt steeds een andere locatie met 10% ontwikkeling van ruigte en kruiden. Beweiding vindt op dat stuk niet plaats, hoogstens mechanische bestrijding van akkerdistel, Jacobskruiskruid of (delen van) de haarden van brandnetel. De rest van de ondergroei op het perceel wordt als kruidenrijk grasland beheerd. Snoeisel is verwijderd of op rillen gelegd. Zaag om de 3 á 5 jaar zijtakken af, totdat de gewenste takvrije hoogte is bereikt. In het eerste en tweede jaar begeleidende snoei van appels, peren en pruimen toepassen. Bemesten is niet toegestaan, beweiden beperkt. Op het perceel staan minder dan twee GVE per hectare.
Subsidiebedragen aanleg en beheer’
In zijn volledigheid vervangen door:
‘Informatieblad boomgaard inclusief kruidenrijk grasland (1)
Omschrijving - Een hoogstam- en halfstamboomgaard is een boomgaard of boomweide met fruitrassen of notenbomen. De stamhoogte van halfstam, zijnde de hoogte waarop de eerste zijtakken groeien, is tussen de 110 en 130 centimeter. Bij hoogstam is dat minimaal 150 centimeter. In de ondergroei van de bomen ontwikkelt zich een kruidenrijke vegetatie. De bomen vormen een groep en staan bij voorkeur in een duidelijk patroon. Bij deze regeling gaat het om aanleg van boomgaarden tot 1 hectare groot.
Aanleg algemeen - Bomen kennen bij aanplant een maat van minimaal 6-8 cm stamomtrek (op 1 meter van de bovenkant van de wortel gemeten). Plant minimaal 6 hoogstam- of 8 halfstamfruitbomen. De bomen worden in groepen aangeplant verdeeld over 2 of meer rijen. De boomgaarden die vanuit deze regeling worden aangelegd bevatten maximaal 10% noten- en kastanjebomen. Een aanvulling met mispel, kweepeer of moerbei verrijkt de boomweide (maximaal 10%). Gebruik boompalen en stambescherming. In een wei waar tevens vee graast, zijn afrastering of boomkorven/boomkasten noodzakelijk ter bescherming.
Aanleg hoogstam - Per hectare 50 tot 75 bomen. De hoogstambomen, en ook de rijen onderling, hebben een onderlinge plantafstand passend bij de verwachte groeihoogte van de soort; appel, peer en kers doorgaans 8 á 10 meter, pruim 6 meter, noot/kastanje 10-15 meter.
Aanleg halfstam - Per hectare 75 tot 100 bomen. De halfstambomen, en ook de rijen onderling, hebben een onderlinge plantafstand passend bij de verwachte groeihoogte van de soort en doorgaans minimaal 4 meter.
Beheer - Laat op minimaal 10% van het terrein ruigte en kruiden ontstaan, bijvoorbeeld op een strook of een rand. Indien er sprake is van beweiding, dan moet dat stuk grond worden uitgerasterd. Maai of klepel het gedeelte waar ruigte en kruiden zijn ontstaan na 3 of 4 jaar. Daarna volgt steeds een andere locatie met 10% ontwikkeling van ruigte en kruiden. Beweiding vindt op dat stuk niet plaats, hoogstens mechanische bestrijding van akkerdistel, jacobskruiskruid of (delen van) de haarden van brandnetel. De rest van de ondergroei op het perceel wordt als kruidenrijk grasland beheerd. Snoeisel is verwijderd of op rillen gelegd. Zaag om de 3 á 5 jaar zijtakken af, totdat de gewenste takvrije hoogte is bereikt. In het eerste en tweede jaar begeleidende snoei van appels, peren en pruimen toepassen. Geen kunstmest, drijfmest, kippenmest toepassen, beweiden beperkt tot 2 GVE per hectare.
Subsidiebedragen aanleg en beheer’
F. Bijlage Informatiebladen landschapselementen, onderdeel bossingel (2), wordt het gestelde:
Subsidiebedragen aanleg en beheer’
In zijn volledigheid vervangen door:
Subsidiebedragen aanleg en beheer’
G. Bijlage Informatiebladen landschapselementen, onderdeel Informatieblad holle weg, houtsingel, houtwal, graft (3), wordt het gestelde:
Subsidiebedragen aanleg, herstel en beheer’
In zijn volledigheid vervangen door:
Subsidiebedragen aanleg, herstel en beheer’
H. Bijlage Informatiebladen landschapselementen, onderdeel Informatieblad knip- of scheerheg (4), wordt het gestelde:
‘Informatieblad knip- of scheerheg (4)
Omschrijving - Een vrijliggend lijnvormig landschapselement met een aaneengesloten begroeiing van inheemse bomen en/of struiken, dat periodiek wordt geknipt of geschoren. Heggen bieden leefgebied, schuilmogelijkheden, migratieroutes en vormen een voedselbron voor fauna. De heg is na snoeien minimaal 125 centimeter hoog en minimaal 80 centimeter breed.
Aanleg - Minimaal 100 meter. Vier stuks bosplantsoen per strekkende meter, 2 jarig bosplantsoen, minimaal maat 60-80 cm. Minimaal vier inheemse soorten.
Aanleg met afrastering (optie) - Op dezelfde wijze als aanleg, aanvullend op de hiervoor genoemde algemene vereisten van plantbescherming, wordt hier met palen en draden een nieuwe afrastering om (niet tegen) de aanplant geplaatst, zodat het element tegen schade door vee is beschermd.
Beheer - De heg wordt extensief beheerd, en niet verder teruggesnoeid dan 125 centimeter hoog en 80 centimeter breed. Snoeien eens per 1 of 2 jaar: minimaal 20% tot maximaal 90%, zodat er altijd een deel over blijft staan. Ondergroei krijgt de ruimte en bevat diverse kruiden. De heg wordt niet geklepeld om rafelige uiteinden van takken te voorkomen. Het element mag niet beschadigd worden door vee (‘uitrasteren’). Het dichten van gaten is verplicht: ombuigen van takken is mogelijk om gaten te dichten. Bijplanten (inboet) bij uitval meer dan 10% is verplicht. Het uitrijden van mest is niet toegestaan. Snoeisel is verwijderd of op rillen gelegd. Diversiteit aan soorten in de heg is belangrijk: vul de heg aan met inheemse soorten als hondsroos, egelantier, hazelaar, rode kornoelje, sleedoorn, meidoorn en veldesdoorn. Snoei de zijkanten enigszins schuin. De onderkant van de heg moet iets breder zijn dan de bovenkant. Hierdoor krijgt de onderkant meer licht waardoor deze gesloten blijft. Snoei iedere keer iets voorbij de laatste snoeibeurt. De heg wordt zo telkens iets breder en hoger (‘methode ‘snoei-op-groei’). Zo ontstaat een fijn vertakte, dichte en gezonde heg, die elk jaar enkele centimeters hoger en breder wordt. Tip: snoei of scheer gefaseerd; niet de hele heg in één keer, zodat planten en dieren meer de ruimte krijgen en variatie in de plantengroei ontstaat.
Subsidiebedragen aanleg en beheer’
In zijn volledigheid vervangen door:
‘Informatieblad knip- of scheerheg (4)
Omschrijving - Een vrijliggend lijnvormig landschapselement met een aaneengesloten begroeiing van inheemse bomen en/of struiken, dat periodiek wordt geknipt of geschoren. Heggen bieden leefgebied, schuilmogelijkheden, migratieroutes en vormen een voedselbron voor fauna. De heg is na snoeien minimaal 125 centimeter hoog en minimaal 80 centimeter breed.
Aanleg - Minimaal 50 meter. Vier stuks bosplantsoen per strekkende meter, 2 jarig bosplantsoen, minimaal maat 60-80 cm. Minimaal vier inheemse soorten.
Aanleg met afrastering (optie) - Op dezelfde wijze als aanleg, aanvullend op de hiervoor genoemde algemene vereisten van plantbescherming, wordt hier met palen en draden een nieuwe afrastering om (niet tegen) de aanplant geplaatst, zodat het element tegen schade door vee is beschermd.
Beheer - De heg wordt extensief beheerd, en niet verder teruggesnoeid dan 125 centimeter hoog en 80 centimeter breed. Snoeien eens per 1 of 2 jaar: minimaal 20% tot maximaal 90%, zodat er altijd een deel over blijft staan. Ondergroei krijgt de ruimte en bevat diverse kruiden. De heg wordt niet geklepeld om rafelige uiteinden van takken te voorkomen. Het element mag niet beschadigd worden door vee (‘uitrasteren’). Het dichten van gaten is verplicht: ombuigen van takken is mogelijk om gaten te dichten. Bijplanten (inboet) bij uitval meer dan 10% is verplicht. Het uitrijden van mest is niet toegestaan. Snoeisel is verwijderd of op rillen gelegd. Diversiteit aan soorten in de heg is belangrijk: vul de heg aan met inheemse soorten als hondsroos, egelantier, hazelaar, rode kornoelje, sleedoorn, meidoorn en veldesdoorn. Snoei de zijkanten enigszins schuin. De onderkant van de heg moet iets breder zijn dan de bovenkant. Hierdoor krijgt de onderkant meer licht waardoor deze gesloten blijft. Snoei iedere keer iets voorbij de laatste snoeibeurt. De heg wordt zo telkens iets breder en hoger (‘methode ‘snoei-op-groei’). Zo ontstaat een fijn vertakte, dichte en gezonde heg, die elk jaar enkele centimeters hoger en breder wordt. Tip: snoei of scheer gefaseerd; niet de hele heg in één keer, zodat planten en dieren meer de ruimte krijgen en variatie in de plantengroei ontstaat.
Subsidiebedragen aanleg en beheer’
I. Bijlage Informatiebladen landschapselementen, onderdeel Informatieblad poelen (6), wordt het gestelde:
Omschrijving - Gegraven laagtes (ondiep) met stilstaand water. Bij de poel hoort altijd ook de aanleg van een geschikt landbiotoop voor amfibieën. Het landschapselement is gericht op biodiversiteit en de bij de poel behorende beschermde soorten. Bij de aanvraag moet een goede toelichting op de beschermde soorten, de locatie, het ontwerp en de inrichting worden meegeleverd. Het projectplan wordt voorzien van een gedetailleerde begroting. Zaken die moeten terugkomen zijn: positionering, schaduw, omvang, vorm, diepte en aankleding. De soorten die het betreft moeten wettelijk beschermd zijn en aantoonbaar in de buurt voorkomen.
Aanleg algemeen - Aanleggen zonder vochtmembraam (zoals folie), uitgezonderd mogelijk bij de beschermde soorten vroedmeesterpad en geelbuikvuurpad. Het element is vis-vrij, heeft een oppervlakte van minimaal 50 m2 en heeft minimaal één flauw talud (in ieder geval noordzijde) met een verhouding van 1:8 tot 1:10. Uitgezonderd zijn de kleine (kunstmatige) poelen voor Geelbuikvuurpad in Zuid-Limburg die inclusief landbiotoop minimaal 5 m2 zijn en de bak zelf minimaal 1 meter in doorsnede. Sluit bij de aanleg verder aan bij de voorschriften van Natuurrijk Limburg in de Factsheet Poel en/of raadpleeg een specialist6. Indien de aanvraag daar aanleiding voor geeft (kwaliteit en doelgerichtheid) kan de provincie Limburg voor besluitvorming informatie inwinnen bij een specialist.
Aanleg optie 1: kleine poel geelbuikvuurpad (min. 5m2 inclusief. landbiotoop). Minimaal 2 stuks.
Aanleg optie 2: grondwaterpoel (min. 50m2 exclusief landbiotoop)
Aanleg optie 3: poel met kunstmatige afdichting (min. 50m2 exclusief landbiotoop)
Beheer: Het beheer moet worden afgestemd op de beschermde soorten en aansluiten bij het beheer dat de organisatie Natuurrijk Limburg voorschrijft in de Factsheet Poel7. Het beheer betreft jaarlijks beheer en gefaseerd. Plus eenmalig groot onderhoud in jaar 4 of 5.
Subsidiebedragen aanleg en beheer
In zijn volledigheid vervangen door:
Omschrijving - Gegraven laagtes (ondiep) met stilstaand water. Bij de poel hoort een geschikt landbiotoop voor amfibieën. Het landschapselement is gericht op biodiversiteit en de bij de poel behorende soorten. Bij de aanvraag moet een toelichting op de doelsoorten, de locatie, het ontwerp en de inrichting worden meegeleverd. Zaken die moeten terugkomen zijn: positionering, schaduw, omvang, vorm, diepte, aankleding en de mate waarin de poel waterhoudend is.
Aanleg algemeen - Het element is vis-vrij, heeft een oppervlakte van minimaal 50 m2 en heeft minimaal één flauw talud (in ieder geval noordzijde) met een verhouding van ca. 1:8 tot 1:10.
De afmetingen zijn anders bij de kleine (kunstmatige) poelen voor Geelbuikvuurpad in Zuid-Limburg, die inclusief landbiotoop minimaal 5 m2 zijn en de bak zelf minimaal 1 meter in doorsnede. Een poel moet voldoende waterhoudend zijn om de functie van voortplantingshabitat voor amfibieën te kunnen vervullen.
Sluit bij de aanleg verder aan bij de voorschriften van Natuurrijk Limburg in de Factsheet Poel en/of raadpleeg een specialist1. Indien de aanvraag daar aanleiding voor geeft (kwaliteit en doelgerichtheid) kan de provincie Limburg voor besluitvorming informatie inwinnen bij een specialist.
De verharde poel met kunstmatige afdichting (optie 3) wordt enkel gesubsidieerd als het zinvol is voor vroedmeesterpad en geelbuikvuurpad (raadpleeg een specialist).
Aanleg optie 1: kleine poel geelbuikvuurpad (min. 5m2 inclusief. landbiotoop). Minimaal 2 stuks.
Aanleg optie 2: grondwaterpoel, en amfibieënpoel(min. 50m2 exclusief landbiotoop)
Aanleg optie 3: poel met kunstmatige afdichting (min. 50m2 exclusief landbiotoop)
Beheer: Het beheer moet worden afgestemd op de beschermde soorten en aansluiten bij het beheer dat de organisatie Natuurrijk Limburg voorschrijft in de Factsheet Poel. Het beheer betreft jaarlijks beheer en gefaseerd. Plus eenmalig groot onderhoud in jaar 4 of 5.
Subsidiebedragen aanleg en beheer
J. Bijlage Informatiebladen landschapselementen, onderdeel struweelhaag (7), wordt het gestelde:
‘Informatieblad struweelhaag (7)
Omschrijving - Een vrijliggend lijnvormig landschapselement met een aaneengesloten opgaande begroeiing van inheemse, overwegend doornachtige, struiken. Een struweelhaag mag vrijuit groeien, is robuust, breed en hoog. Volgroeide omvang: minimaal 3 meter hoog en 3 meter breed.
Aanleg – Minimaal 100 meter. Gebruik minimaal vier inheemse plantensoorten (zie: Informatieblad – Keuzelijst inheemse soorten), bestaande uit tweejarig bosplantsoen van minimaal 60-80 centimeter hoog. Plant twee rijen, met 0,5 meter tussen de rijen en 0,5 meter tussen de planten in de rij, in driehoeksverband.
Aanleg met afrastering (optie) - Op dezelfde wijze als aanleg, aanvullend op de hiervoor genoemde algemene vereisten van plantbescherming, wordt hier met palen en draden een nieuwe afrastering om (niet tegen) de aanplant geplaatst, zodat het element tegen schade door vee is beschermd.
Beheer - De haag wordt slechts eens in de 6 à 15 jaar geheel (tot 20 centimeter) of gedeeltelijk (tot 1 meter) teruggezet. Verwijder overlast gevende takken en boomvormers (indicatie: elke 5 à 10 jaar). Dunner hout kunt u verwerken in een takkenhoop of -ril. Voorkom brandnetel en akkerdistel haarden door te maaien met een bosmaaier of een zeis. Vermijd schade door vee door het struweel met een raster beschermen. U kunt het raster zo plaatsen dat het vee enkel nog de rand van het struweel kan begrazen, dat leidt tot meer variatie en is waardevol voor het vee. Het bijplanten bij uitval (inboet) is verplicht bij uitval groter dan 10%. Het dichten van gaten is verplicht.
Suggesties: Houd reliëf in stand of breng het aan op de plaats waar u struweel ontwikkelt. Reliëf betekent verschillen in hoog en laag, in nat en droog, in warm en koud, enzovoorts. Hiermee bevordert u de variatie van de uiteindelijke begroeiing. Met de aanleg van een diepe greppel naast het struweel zorgt u ervoor dat de struiken niet de kans krijgen met de wortels het gras- of bouwlandperceel in te groeien. Kies uit de hoofdsoorten: meidoorn, sleedoorn, hondsroos en vul aan met secundaire soorten: wilg, veldesdoorn, vuilboom, Gelderse roos, hazelaar, kardinaalsmuts, lijsterbes, maar ook boomsoorten zoals zomereik, haagbeuk, ruwe iep of es.
Subsidiebedragen aanleg en beheer
In zijn volledigheid vervangen door:
‘Informatieblad struweelhaag (7)
Omschrijving - Een vrijliggend lijnvormig landschapselement met een aaneengesloten opgaande begroeiing van inheemse, overwegend doornachtige, struiken. Een struweelhaag mag vrijuit groeien, is robuust, breed en hoog. Volgroeide omvang: minimaal 3 meter hoog en 3 meter breed.
Aanleg – Minimaal 50 meter. Gebruik minimaal vier inheemse plantensoorten (zie: Informatieblad – Keuzelijst inheemse soorten), bestaande uit tweejarig bosplantsoen van minimaal 60-80 centimeter hoog. Plant twee rijen, met 0,5 meter tussen de rijen en 0,5 meter tussen de planten in de rij, in driehoeksverband.
Aanleg met afrastering (optie) - Op dezelfde wijze als aanleg, aanvullend op de hiervoor genoemde algemene vereisten van plantbescherming, wordt hier met palen en draden een nieuwe afrastering om (niet tegen) de aanplant geplaatst, zodat het element tegen schade door vee is beschermd.
Beheer - De haag wordt slechts eens in de 6 à 15 jaar geheel (tot 20 centimeter) of gedeeltelijk (tot 1 meter) teruggezet. Verwijder overlast gevende takken en boomvormers (indicatie: elke 5 à 10 jaar). Dunner hout kunt u verwerken in een takkenhoop of -ril. Voorkom brandnetel en akkerdistel haarden door te maaien met een bosmaaier of een zeis. Vermijd schade door vee door het struweel met een raster beschermen. U kunt het raster zo plaatsen dat het vee enkel nog de rand van het struweel kan begrazen, dat leidt tot meer variatie en is waardevol voor het vee. Het bijplanten bij uitval (inboet) is verplicht bij uitval groter dan 10%. Het dichten van gaten is verplicht.
Suggesties: Houd reliëf in stand of breng het aan op de plaats waar u struweel ontwikkelt. Reliëf betekent verschillen in hoog en laag, in nat en droog, in warm en koud, enzovoorts. Hiermee bevordert u de variatie van de uiteindelijke begroeiing. Met de aanleg van een diepe greppel naast het struweel zorgt u ervoor dat de struiken niet de kans krijgen met de wortels het gras- of bouwlandperceel in te groeien. Kies uit de hoofdsoorten: meidoorn, sleedoorn, hondsroos en vul aan met secundaire soorten: wilg, veldesdoorn, vuilboom, Gelderse roos, hazelaar, kardinaalsmuts, lijsterbes, maar ook boomsoorten zoals zomereik, haagbeuk, ruwe iep of es.
Subsidiebedragen aanleg en beheer
K. Bijlage Informatiebladen landschapselementen, onderdeel Informatieblad – Keuzelijst inheemse soorten en illustratie plantverband, wordt het gestelde:
‘Informatieblad – Keuzelijst inheemse soorten en illustratie plantverband
‘Informatieblad - Handreiking inheemse soorten en illustratie plantverband’
L. Bijlage Informatiebladen landschapselementen, wordt een nieuw onderdeel toegevoegd luidende:
‘Informatieblad – Grootvee eenheden (GVE)
Onderstaande tabellen worden gebruikt om de GVE te bepalen, gebaseerd op informatie van de Nederlandse voedsel- en waren autoriteit (NVWA).
Voor besluiten die zijn genomen vóór de inwerkingtreding van deze wijzigingen blijven de bepalingen van de Nadere subsidieregels Landschapselementen 2025 (Provinciaal blad 2025, 1584) van kracht zoals die golden vóór de inwerkingtreding van deze wijzigingen, ook voor de volgende stappen in het subsidietraject.
Aanvragen die op basis van de Nadere subsidieregels Landschapselementen 2025 (Provinciaal blad 2025, 1584) zijn ingediend en waarover bij inwerkingtreding van deze wijzigingen nog niet is beslist, worden geacht op basis van de Nadere subsidieregels Landschapselementen 2025 met inachtneming van deze wijzigingen te zijn ingediend, tenzij Gedeputeerde Staten van oordeel zijn dat de aanvrager in zijn belangen wordt geschaad. In dat laatste geval handelen Gedeputeerde Staten overeenkomstig de Nadere subsidieregels Landschapselementen 2025 zoals deze golden voor de inwerkingtreding van deze wijzigingen (Provinciaal blad 2025, 1584.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2025-20837.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.