Wijzigingen Subsidieregeling Energiefonds Overijssel 2024

 

A. In Hoofdstuk 1 worden de volgende wijzigingen doorgevoerd:

 

Artikel 1.1.1: Begripsbepalingen

Tussen ‘krediet’ en ‘maatschappelijk rendement’ wordt de volgende definitie ingevoegd:

- lokaal energie-initiatief: een collectief van inwoners en eventueel lokale organisaties of lokale bedrijven met als doel om projecten uit te voeren die bijdragen aan de energietransitie in Overijssel;

 

Artikel 1.1.5: Strategische investeringen

In lid 2 sub a wordt ‘€ 125.000,-’ vervangen door ‘€ 50.000,-’.

 

B. In paragraaf 2.1 wordt het volgende artikel toegevoegd:

 

Artikel 2.1.9: Staatssteun

Als sprake is van staatssteun, dan voldoet de subsidie aan de AGVV. De subsidie als bedoeld in:

  • a.

    artikel 2.1.2 sub a voldoet aan artikel 38 AGVV;

  • b.

    artikel 2.1.2 sub b voldoet aan artikel 38bis of artikel 39 AGVV;

  • c.

    artikel 2.1.2 sub c voldoet aan artikel 38ter AGVV.

C. In paragraaf 2.2 wordt het volgende artikel toegevoegd:

 

Artikel 2.2.9: Staatssteun

Als sprake is van staatssteun, dan voldoet de subsidie aan de AGVV. De subsidie als bedoeld in:

  • a.

    artikel 2.2.2 sub a voldoet aan artikel 41 AGVV;

  • b.

    artikel 2.2.2 sub b voldoet aan artikel 46 AGVV;

  • c.

    artikel 2.2.2 sub c voldoet aan artikel 48 AGVV.

D. In paragraaf 2.3 wordt het volgende artikel toegevoegd:

 

Artikel 2.3.8: Staatssteun

Als sprake is van staatssteun, dan voldoet de subsidie aan artikel 36ter van de AGVV.

 

E. In paragraaf 2.4 wordt het volgende artikel toegevoegd:

 

Artikel 2.4.8: Staatssteun

Als sprake is van staatssteun, dan voldoet de subsidie aan artikel 47 van de AGVV.

 

F. In paragraaf 2.5 worden de volgende wijzigingen doorgevoerd:

 

Artikel 2.5.1: Definities

In de definitie van ‘garantstelling’ wordt ‘de LEI’ vervangen door ‘het lokaal energie-initiatief'.

 

De definitie van ‘lokaal energie-initiatief (LEI)’ wordt verwijderd.

 

Artikel 2.5.9: Criteria

Artikel 2.5.9 komt als volgt te luiden:

 

Artikel 2.5.9: Criteria

  • 1.

    Een lokaal energie-initiatief voldoet aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      het lokaal energie-initiatief is onafhankelijk van andere partijen, zoals commerciële ontwikkelaars of een gesloten groep ondernemers of grondeigenaren;

    • b.

      het lokaal energie-initiatief heeft een bestuur van minimaal twee personen;

    • c.

      het lokaal energie-initiatief laat de lokale omgeving waar het project wordt uitgevoerd, meebeslissen over de ontwikkeling van het project;

    • d.

      alle bewoners en lokaal verankerde MKB’s gevestigd in de lokale omgeving kunnen lid worden van het lokaal energie-initiatief en zeggenschap verwerven, zonder financieel bij te dragen aan het lokaal energie-initiatief;

    • e.

      de opbrengsten die door realisatie van het project worden gehaald komen ten goede aan leden, klanten of maatschappelijke bestemmingen in de lokale omgeving van het project.

  • 2.

    De financiering van de in aanmerking komende kosten van de ontwikkeling van een energieproject voor de opwekking van hernieuwbare windenergie is alleen subsidiabel als door een publiekrechtelijke rechtspersoon een garantstelling is verleend van minimaal 80% van het totale aangevraagde subsidiebedrag.

G. In Hoofdstuk 3 worden de volgende wijzigingen doorgevoerd:

 

Artikel 3.1: Inwerkingtreding

In lid 2 wordt ‘treedt paragraaf 2.5’ vervangen door ‘treden paragrafen 2.5 en 2.6’.

 

Er wordt een lid 3 ingevoegd, dat luidt:

In afwijking van het eerste lid treedt paragraaf 2.7 in werking op 1 januari 2026.

 

H. De volgende paragraaf 2.6 wordt ingevoegd:

 

Paragraaf 2.6: Bevordering hernieuwbare energie uit wind met lokaal eigendom

 

Artikel 2.6.1: Definities

In deze regeling wordt met betrekking tot deze paragraaf verstaan onder:

  • hernieuwbare energie: energie opgewekt met installaties waarbij uitsluitend van hernieuwbare energiebronnen wordt gebruikgemaakt, alsmede het aandeel in calorische waarde van de met hernieuwbare energiebronnen in hybride installaties opgewekte energie die ook op conventionele energiebronnen werken. Hieronder valt ook hernieuwbare elektriciteit die wordt gebruikt voor „achter de meter” aangesloten accumulatiesystemen (geïnstalleerd samen met of als uitbreiding van de hernieuwbare installatie), maar niet elektriciteit die van dergelijke systemen afkomstig is;

  • hernieuwbare energiebron: windenergie (hierna te noemen: “hernieuwbare windenergie”);

Artikel 2.6.2: Vorm van de subsidie

In afwijking van art. 1.1.3 geldt dat een subsidie als bedoeld in deze paragraaf uitsluitend wordt verstrekt in de vorm van een geldlening.

 

Artikel 2.6.3: Subsidiabele activiteiten

De subsidie als bedoeld in deze paragraaf kan uitsluitend worden verleend voor de in aanmerking komende kosten in een energieproject voor de realisatie van een of meerdere windmolens voor de opwekking van hernieuwbare windenergie.

 

Artikel 2.6.4: Strategische investeringen

In afwijking van artikel 1.1.5 lid 2 worden investeringen op basis van deze paragraaf niet aangemerkt als strategische investeringen, ongeacht de hoogte van de te verlenen subsidie.

 

Artikel 2.6.5: In aanmerking komende kosten

De in aanmerking komende kosten zijn de totale investeringskosten van de aanvrager voor de realisatie van een of meerdere windmolens voor de opwekking van hernieuwbare windenergie.

 

Artikel 2.6.6: Hoogte van de steun

In aanvulling op artikel 1.1.9 wordt de subsidie als bedoeld in deze paragraaf slechts verleend voor zover de totale steun die de aanvrager met betrekking tot dezelfde - elkaar geheel of gedeeltelijk overlappende - in aanmerking komende kosten geniet, ongeacht of deze steun door het Rijk, andere publiekrechtelijke rechtspersonen of openbare lichamen dan wel de daaraan gelieerde instellingen is verstrekt, niet hoger is dan:

  • a.

    30% van de in aanmerking komende kosten als de aanvrager een grote onderneming is;

  • b.

    40% van de in aanmerking komende kosten als de aanvrager een middelgrote onderneming is;

  • c.

    50% van de in aanmerking komende kosten als de aanvrager een kleine onderneming is.

Artikel 2.6.7: Criteria

  • 1.

    De financiering van de in aanmerking komende kosten van de realisatie van een energieproject voor de opwekking van hernieuwbare windenergie is alleen subsidiabel als minimaal 10% van het energieproject eigendom is van een lokaal energie-initiatief.

  • 2.

    Een lokaal energie-initiatief voldoet aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      het lokaal energie-initiatief is onafhankelijk van andere partijen, zoals commerciële ontwikkelaars of een gesloten groep ondernemers of grondeigenaren;

    • b.

      het lokaal energie-initiatief heeft een bestuur van minimaal twee personen;

    • c.

      het lokaal energie-initiatief laat de lokale omgeving waar het project wordt uitgevoerd, meebeslissen over de ontwikkeling van het project;

    • d.

      alle bewoners en lokaal verankerde MKB’s gevestigd in de lokale omgeving kunnen lid worden van het lokaal energie-initiatief en zeggenschap verwerven, zonder financieel bij te dragen aan het lokaal energie-initiatief;

    • e.

      de opbrengsten die door realisatie van het project worden gehaald komen ten goede aan leden, klanten of maatschappelijke bestemmingen in de lokale omgeving van het project.

  • 3.

    De benodigde vergunningen voor de realisatie van de windmolens zijn onherroepelijk.

Artikel 2.6.8: Aanvullende stukken bij de subsidieaanvraag

In aanvulling op artikel 1.2.2 bevat het projectplan ook:

  • a.

    een beschrijving c.q. inschatting van de door de ontvangen subsidie te verwachten opwekking van hernieuwbare energie;

  • b.

    Een beschrijving van het project met hierin in ieder geval de projectpartners, de grondpositie, (zicht op) aansluiting en de tijdslijn van het project;

  • c.

    De benodigde vergunningen.

Artikel 2.6.9: Kenmerken kredietovereenkomst

In aanvulling op artikel 1.1.13 wordt ingeval van een geldlening een rentekorting van maximaal 2% of 200 basispunten gehanteerd per jaar.

 

Artikel 2.6.10: Adviescommissie

In afwijking van artikel 1.2.5 worden alle subsidieaanvragen op basis van deze paragraaf voorgelegd aan de Adviescommissie.

 

Artikel 2.6.11: Staatssteun

Als sprake is van staatssteun, dan voldoet de subsidie aan artikel 41 van de AGVV.

 

H. De volgende paragraaf 2.7 wordt ingevoegd:

 

Paragraaf 2.7: Verduurzaming maatschappelijk vastgoed

 

2.7.1: Definities

  • -

    Algemene De-minimisverordening: de verordening van de Europese Commissie, waarmee het mogelijk wordt om subsidie te verlenen, zonder dat het staatssteun oplevert. Het is de Verordening (EU) van 13 december 2023, met nummer 2023/2831 en publicatienummer L 352/1, en alle daaropvolgende wijzigingen.

  • -

    Maatsschappelijke organisatie:

    • Schoolbestuur in het primair of voortgezet onderwijs;

    • Cultureel algemeen nut beogende instelling;

    • Organisatie voor de exploitatie en het beheer van gebouwen met een publieksfunctie, zijnde buurthuis, dorpshuis, wijkcentrum, scouting of welzijnswerk;

    • Sportvereniging of zwembad, met uitzondering van zwembaden in het bezit van gemeenten;

    • Zorgaanbieder zonder winstoogmerk;

    • Kinderopvang zonder winstoogmerk;

    • Coöperatie die (indirect) verduurzamingsactiviteiten doorvoert voor het vastgoed van haar leden waarvan minimaal 25 procent bestaat uit maatschappelijk vastgoed;

    • Woningcorporatie die haar woningbezit verduurzaamt waarvan minimaal 25 procent bestaat uit maatschappelijk vastgoed;

    • Verenigingen van Eigenaren waarvan minimaal 25 procent bestaat uit maatschappelijk vastgoed.

  • -

    Maatschappelijk vastgoed: gebouwde onroerende zaak met een publieksfunctie in eigendom van een maatschappelijke organisatie.

  • -

    Rijksbijdrage: bijdrage van het Rijk aan Energiefonds Overijssel II B.V. voor het verstrekken van leningen aan maatschappelijke organisaties voor de verduurzaming van maatschappelijk vastgoed.

2.7.2: Vorm van de subsidie

In afwijking van artikel 1.1.3 geldt dat een subsidie als bedoeld in deze paragraaf uitsluitend wordt verstrekt in de vorm van een geldlening.

 

2.7.3: Subsidiabele activiteiten

De subsidie als bedoeld in deze paragraaf wordt uitsluitend verleend voor de in aanmerking komende kosten voor het verduurzamen van maatschappelijk vastgoed.

 

2.7.4: De aanvrager

In afwijking van artikel 1.1.6 is de aanvrager een maatschappelijke organisatie.

 

2.7.5: In aanmerking komende kosten

De in aanmerking komende kosten zijn de totale kosten voor verduurzaming.

 

2.7.6: Hoogte van de subsidie

In afwijking van artikel 1.1.9 en in aanvulling op artikel 1.1.5 lid 2 is de hoofdsom van de lening minimaal € 50.000 en maximaal € 200.000.

 

2.7.7: Voorwaarden

  • 1.

    De subsidie wordt verstrekt onder het voorbehoud dat het Rijk de volledige rijksbijdrage beschikbaar stelt.

  • 2.

    Als het Rijk de rijksbijdrage niet beschikbaar stelt, of verlaagt, dan kan dit gevolgen hebben voor de verleende subsidie.

2.7.8: Criteria

De verduurzaming van het gebouw voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    het is maatschappelijk vastgoed;

  • b.

    aanvrager heeft het maatschappelijk vastgoed zelf in eigendom.

2.7.9: Aanvullende stukken bij de subsidieaanvraag

Als de subsidie wordt verleend onder de Algemene De-minimisverordening, bevat de aanvraag in aanvulling op artikel 1.2.2 ook de volgende informatie: het totaal aan ontvangen De-minimissteun in de afgelopen 3 jaar. In de betreffende subsidieverlening of regeling van de verlenende medeoverheid is opgenomen of sprake is van De-minimissteun.

 

2.7.10: Kenmerken kredietovereenkomst

In aanvulling op artikel 1.1.13 wordt in de kredietovereenkomst opgenomen:

  • a.

    een looptijd van 10 maximaal jaar.

  • b.

    een vaste rente van minimaal 2% per jaar.

2.7.11: Staatssteun

  • 1.

    Als het gaat om het verduurzamen van een buurthuis, dorpshuis, wijkcentrum of een culturele instelling met een ANBI-status én er worden activiteiten aangeboden uitsluitend voor inwoners uit de buurt of gemeente dan is geen sprake van staatssteun. In alle andere gevallen is geen sprake van staatssteun als de subsidie verleend kan worden onder de Algemene De-minimisverordening. Dit is een afwijking van artikel 1.1.12.

  • 2.

    Als sprake is van staatssteun wordt de subsidie alleen verleend als de aanvraag voldoet aan de AGVV, in het bijzonder artikel 38, 38bis, 39 of 41 AGVV.

Naar boven