Besluit van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland van 2 december 2025, [2459210/2459274], tot vaststelling van het Openstellingsbesluit met subsidieplafond van de Uitvoeringsregeling Europese Landbouwsubsidies Noord-Holland 2023-2027 voor het onderdeel Samenwerking integrale gebiedsontwikkeling (Openstellingsbesluit subsidie uitvoering samenwerking integrale gebiedsontwikkeling 2026)

Gedeputeerde Staten van Noord-Holland;

 

Gelet op de artikelen 1.2 en 2.6.1, eerste lid, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling Europese Landbouwsubsidies Noord-Holland 2023-2027;

 

Besluiten:

 

  • I.

    Gedeputeerde staten stellen open van de Uitvoeringsregeling Europese Landbouwsubsidies Noord-Holland 2023-2027, Hoofdstuk 2, paragraaf 6, Samenwerking integrale gebiedsontwikkeling, het onderdeel uitvoering voor de periode van 24 februari 2026 om 9.00 uur tot en met 3 juni 2026 om 17:00 uur.

  • II.

    Gedeputeerde staten stellen voor de onder I. genoemde periode het subsidieplafond vast op €6.200.000,-

Hiervan is €2.456.000 afkomstig uit een nationale top-up. De overige €3.744.000,- zijn voor 43% afkomstig uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling en 57% provinciale middelen.

 

Gedeputeerde staten stellen de volgende nadere regels vast:

 

Openstellingsbesluit subsidie uitvoering samenwerking integrale gebiedsontwikkeling 2026

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • -

    bedrijfsmiddelen: vaste activa (bezittingen die voor langere tijd aan het landbouwbedrijf gebonden zijn) die voor de bedrijfsvoering worden gebruikt en die behoren tot het ondernemingsvermogen;

  • -

    EIP: een Europees Partnerschap voor innovatie, voor de productiviteit en duurzaamheid in de landbouw;

  • -

    Minister van LVVN: Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur;

  • -

    niet productieve investering: investering die niet leidt tot een aanzienlijke stijging van de waarde of de rentabiliteit van het landbouwbedrijf of een andere onderneming;

  • -

    productieve investering: investering die leidt tot een aanzienlijke stijging van de waarde of de rentabiliteit van het landbouwbedrijf of een andere onderneming;

  • -

    uitvoeringsregeling: Uitvoeringsregeling Europese Landbouwsubsidies Noord-Holland 2023-2027;

  • -

    Verordening 2021/2115: Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013 (PbEU 2021, L 435).

Artikel 2 Subsidiabele activiteit

  • 1.

    In afwijking van artikel 2.6.1 van de uitvoeringsregeling kan subsidie uitsluitend worden verstrekt voor het in samenwerking uitvoeren van een integraal gebiedsplan.

  • 2.

    Subsidie wordt uitsluitend verstrekt als het project betrekking heeft op ten minste één van de volgende doelen:

    • a.

      bijdragen aan de beperking van en aanpassing aan de klimaatverandering, onder meer door de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, de koolstofvastlegging te verbeteren of duurzame energie te bevorderen;

    • b.

      bevorderen van de duurzame ontwikkeling of het efficiënter beheer van natuurlijke hulpbronnen zoals water, bodem en lucht, onder meer door de afhankelijkheid van chemische middelen te verkleinen;

    • c.

      bijdragen aan het tot staan brengen en ombuigen van biodiversiteitsverlies, tot versterking van ecosysteemdiensten en de instandhouding van habitats en landschappen.

Artikel 3 Integraal gebiedsplan

Een integraal gebiedsplan als bedoeld in artikel 2.6.1 van de Uitvoeringsregeling, bestaat uit minimaal één van de volgende activiteiten:

  • a.

    productieve investeringen groen-blauw en dierenwelzijn, bedoeld in artikel 2.2.2 van de Uitvoeringsregeling;

  • b.

    niet-productieve investeringen op landbouwbedrijven, bedoeld in artikel 2.3.1 van de Uitvoeringsregeling;

  • c.

    niet-productieve investeringen op niet-landbouwbedrijven, bedoeld in artikel 2.4.1 van de Uitvoeringsregeling;

  • d.

    bijeenkomsten voor kennisoverdracht, bedoeld in artikel 2.10.1, eerste lid, onder a van de Uitvoeringsregeling;

  • e.

    voorbereiding en uitvoering van ruilverkaveling;

  • f.

    ontwikkelen of beproeven van innovaties, bedoeld in artikel 2.5.2 van de Uitvoeringsregeling, dienend aan de doelen van het gebiedsplan, of

  • g.

    draagvlakontwikkeling of samenwerkingsactiviteiten.

Artikel 4 Doelgroep

  • 1.

    Overeenkomstig artikel 2.6.3, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling wordt de subsidie verstrekt aan de deelnemers van een samenwerkingsverband.

  • 2.

    Overeenkomstig artikel 2.6.4 van de Uitvoeringsregeling bestaat een samenwerkingsverband ten minste uit twee actoren, waarvan tenminste één landbouwer.

  • 3.

    Indien bijeenkomsten voor kennisoverdracht onderdeel uitmaken van het gebiedsplan, bestaat het samenwerkingsverband in aanvulling op het tweede lid ook uit ten minste één kennisaanbieder als bedoeld in artikel 2.10.2 van de Uitvoeringsregeling.

Artikel 5 Aanvraagvereisten

Onverminderd artikel 1.6 van de Uitvoeringsregeling bevat een aanvraag om subsidie een integraal gebiedsplan met:

  • a.

    een beschrijving van de afbakening, analyse en uitdagingen van het gebied;

  • b.

    een uitwerking van de beoogde activiteiten die in het gebied worden uitgevoerd;

  • c.

    aangetoond draagvlak uit het gebied;

  • d.

    een beschrijving van de verschillende partijen die betrokken zijn bij het integrale gebiedsplan;

  • e.

    een beschrijving van de organisatiestructuur van het samenwerkingsverband;

  • f.

    een beschrijving van belanghebbenden en de relatie met de belanghebbenden bij het gebiedsplan;

  • g.

    een beschrijving van de wijze waarop monitoring en evaluatie over de voortgang plaatsvindt gedurende het project;

  • h.

    een beschrijving van de wijze waarop over de resultaten wordt gerapporteerd; en

  • i.

    een toelichting op de begroting waaruit blijkt dat de subsidie voor de kosten, genoemd in artikel 9, onder g of i, maximaal 25% van de totale subsidie bedraagt.

Artikel 6 Weigeringsgronden

Onverminderd artikel 1.5 van de Uitvoeringsregeling wordt subsidie geweigerd indien de aanvraag wordt gedaan door een reeds bestaande samenwerking, tenzij de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd nieuw is voor de reeds bestaande samenwerking.

Artikel 7 Subsidiabele kosten

  • 1.

    Overeenkomstig artikel 2.6.7 van de Uitvoeringsregeling worden subsidiabele kosten, als bedoeld in artikel 1.8 van de Uitvoeringsregeling, berekend op basis van artikel 1.9a van de Uitvoeringsregeling.

  • 2.

    De tarieven uit artikel 1.9a, eerste lid, onder b, van de Uitvoeringsregeling zijn niet van toepassing.

Artikel 8 Niet subsidiabele kosten

Overeenkomstig artikel 2.6.8 van de Uitvoeringsregeling komen kosten van investeringen van € 2.000.000,- of meer voor de aanleg of verbetering van infrastructuur niet voor subsidie in aanmerking, met uitzondering van investeringen in het watersysteem die als doel hebben de waterkwaliteit te verbeteren.

Artikel 9 Hoogte subsidie

  • 1.

    Overeenkomstig artikel 2.6.9, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling bedraagt de subsidie voor activiteiten bedoeld in artikel 2:

    • a.

      40% van de kosten voor investeringen, bedoeld in artikel 2.6.2, onder a van de Uitvoeringsregeling;

    • b.

      100% van de kosten van investeringen, niet gericht op het watersysteem, bedoeld in artikel 2.6.2, onder b van de Uitvoeringsregeling;

    • c.

      70% van de kosten voor investeringen, gericht op het watersysteem, bedoeld in artikel 2.6.2, onder b van de Uitvoeringsregeling;

    • d.

      70% van de kosten voor investeringen, die alleen bijdragen aan waterkwantiteit, bedoeld in artikel 2.6.2, onder c van de Uitvoeringsregeling;

    • e.

      100% van de kosten voor investeringen, die niet alleen bijdragen aan waterkwantiteit, bedoeld in artikel 2.6.2, onder c van de Uitvoeringsregeling;

    • f.

      80% van de kosten voor kennisoverdrachtsactiviteiten, bedoeld in artikel 2.6.2, onder d van de Uitvoeringsregeling;

    • g.

      100% van de kosten voor voorbereiding en uitvoering van ruilverkaveling, bedoeld in artikel 2.6.2, onder e van de Uitvoeringsregeling;

    • h.

      100% van de kosten voor het ontwikkelen en beproeven van innovaties, bedoeld in artikel 2.6.2, onder f van de Uitvoeringsregeling;

    • i.

      100% van de kosten voor draagvlakontwikkeling en samenwerkingsactiviteiten, bedoeld in artikel 2.6.2, onder g van de Uitvoeringsregeling.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid, onderdeel h, bedraagt de subsidie 40% van de kosten indien het investeringen in bedrijfsmiddelen betreft.

  • 3.

    De subsidie voor de kosten, genoemd in het eerste lid, onderdeel g of i, bedraagt maximaal 25% van de totale verstrekte subsidie.

  • 4.

    De subsidie bedraagt minimaal €125.000,- en maximaal €2.000.000,-.

Artikel 10 Selectiecriteria

  • 1.

    Aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen, worden door een adviescommissie als bedoeld in artikel 1.13 van de Uitvoeringsregeling geselecteerd en gerangschikt op basis van de volgende selectiecriteria en wegingsfactoren:

    Selectiecriterium

    Wegingsfactor

    Te behalen punten

    Maximum per criterium

    Ambitie van het plan ten aanzien van de te realiseren gebiedsdoelen

    2

    0-5

    10

    Diversiteit van de partijen en aantal samenwerkende partijen

    2

    0-5

    10

    Draagvlak voor het gebiedsplan

    2

    0-5

    10

    Effectiviteit van de activiteit

    3

    0-5

    15

    Efficiëntie van uitvoering van de activiteit

    2

    0-5

    10

    Haalbaarheid van de activiteit

    2

    0-5

    10

    Mate van urgentie van de activiteit

    1

    0-5

    5

    Maximumaantal te behalen punten

    70

  • 2.

    Overeenkomstig artikel 1.12, vierde lid, van de Uitvoeringregeling wordt een aanvraag geweigerd indien de aanvraag minder dan 42 punten heeft behaald.

Artikel 11 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1.

    Overeenkomstig artikel 2.6.11 en in aanvulling op artikel 1.15 van de Uitvoeringsregeling is de subsidieontvanger verplicht om de opgedane kennis en resultaten van het project gedurende de uitvoering van het project openbaar te maken via het Nationale en Europese EIP-netwerk, bedoeld in artikel 127 van Verordening 2021/2115 en andere geëigende netwerken.

  • 2.

    De activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt worden uiterlijk op 31 december 2028 afgerond.

  • 3.

    Het verzoek tot vaststelling van de subsidie wordt ingediend voor 1 april 2029.

Artikel 12 Voortgangsverslag, deelbetaling en inhoudelijk verslag

  • 1.

    Een voortgangsverslag, deelbetalingsverzoek of inhoudelijk verslag bevat, in aanvulling op de artikelen 1.16, 1.18, 1.20 en 1.21 van de Uitvoeringsregeling een opgave van de gerealiseerde resultaten.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 1.18 van de Uitvoeringsregeling kunnen er twee deelbetalingen per jaar worden aangevraagd.

  • 3.

    Een deelbetaling heeft betrekking op minimaal 25% van de verleende subsidie of bedraagt minimaal €50.000,-

Artikel 13 Subsidiearrangement

De regels inzake subsidie op basis van arrangement 3, bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, onder c, artikel 1.18, derde lid en artikel 1.21 van de Uitvoeringsregeling zijn van toepassing.

Artikel 14 Bevoorschotting

Na ontvangst van de subsidieverleningsbeschikking ontvangt de aanvrager een voorschot van 50% van de verleende subsidie.

Artikel 15 Slotbepalingen

  • 1.

    Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst.

  • 2.

    Dit besluit vervalt op 1 april 2029.

  • 3.

    Dit besluit wordt aangehaald als: Openstellingsbesluit subsidie uitvoering samenwerking integrale gebiedsontwikkeling 2026

Haarlem, 2 december 2025

Gedeputeerde staten van Noord-Holland

A.Th.H. van Dijk, voorzitter

M.J.H. van Kuijk, provinciesecretaris

BIJLAGE  

 

I. Algemeen

 

De uitvoeringsregeling Europese Landbouwsubsidies Noord-Holland 2023-2027 vormt de basis voor het verstrekken van NSP-subsidies door Noord-Holland. NSP staat voor Nationaal Strategisch Plan, dit is de Nederlandse invulling van het Europese Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). Dit openstellingsbesluit moet in samenhang gelezen worden met de Uitvoeringsregeling Europese Landbouwsubsidies Noord-Holland 2023-2027, hoofdstuk 2, paragraaf 6. Daarnaast zijn de algemene bepalingen uit hoofdstuk 1 en slotbepalingen uit hoofdstuk 3 van de Uitvoeringsregeling ook van toepassing op een aanvraag.

 

Agrariërs en andere gebiedspartners worden middels deze subsidieregeling uitgenodigd en gefaciliteerd om met elkaar een integraal gebiedsplan uit te voeren, ter versterking van de doelen op het gebied van klimaat, water en biodiversiteit. We verwachten dat door de partners in het gebied zelf aan het roer te zetten, de doelen op het gebied van klimaat, water en biodiversiteit sneller worden gerealiseerd dan wanneer individuele gebiedspartners afzonderlijk subsidie voor acties aanvragen en uitvoeren, of wanneer van bovenaf regels worden opgelegd. Door deze aanpak worden agrarisch ondernemers en andere gebiedspartijen uitgedaagd om de kansen in hun gebied zelf in kaart te brengen en vervolgens gezamenlijk acties te bedenken en uit te voeren om het gebied te versterken.

 

Een samenwerkingsverband dat zich richt op een geografisch afgebakend gebied of thema kan van deze provinciale NSP-subsidie gebruik maken. Een samenwerkingsverband bestaat in elk geval uit één landbouwer en minstens één andere partij. Voor de hand ligt dat ook overheden als provincie, gemeente en waterschap, natuur- en landschapsorganisaties, ketenpartijen en andere organisaties en personen er onderdeel van zijn.

 

Beleidsdoel

Het beoogde effect van een gebiedsplan dient zich integraal te richten op de Europese doelen voor klimaat, water, bodem, biodiversiteit en natuur. Ook verduurzaming van de landbouw dient integraal worden meegenomen. Verder sluit het plan aan op het beleid van de provincie, het waterschap en de gemeente. Wat betreft provinciaal beleid zijn onder andere de provinciale Omgevingsvisie NH2050, het Programma Landelijk gebied en het Regionaal Waterprogramma Noord-Holland 2022-2027 van belang. Er dient duidelijk te worden aangegeven en onderbouwd op welke wijze het gebiedsplan bijdraag aan de doelen. Daarom is het wenselijk dat de relevante overheden direct betrokken zijn bij de planvorming/uitvoering de bepaling van de doelen van het gebiedsplan en mogelijk zelf partner zijn in het samenwerkingsverband in het specifieke gebied.

 

We streven naar een verbetering van de biodiversiteit, minder stikstofuitstoot, een klimaatadaptief en gezond water- en bodemsysteem, een beperking van en aanpassing aan klimaatverandering, minder bodemdaling, een sterke en duurzame agrarische sector en een beleefbaar landelijk gebied. Deze openstelling heeft als doel gebiedsinitiatieven die bijdragen aan deze doelen mogelijk te maken. Het is een pré als gebiedsplannen door innovatie bijdragen aan het realiseren van de doelen.

 

II. Artikelsgewijze Toelichting

 

Artikel 2 Subsidiabele activiteit

Subsidie is beschikbaar voor de uitvoering van het gebiedsplan. Een gebiedsplan is primair gericht op de volgende drie Europese doelen:

 

Doel

Beschrijving

SO4

Klimaat: lagere broeikasgasemissies en grotere koolstofvastlegging; lagere ecologische, economische schade en waterkwantiteit (klimaatadaptatie).

SO5

Natuurlijke hulpbronnen: betere chemische en biologische waterkwaliteit; landbouwbodems (bodemkwaliteit): naar een sterkere natuurlijke weerbaarheid en waterleverend vermogen van de bodem; betere luchtkwaliteit (terugdringen emissies van stikstof, geurstoffen en fijnstof)

SO6

Biodiversiteit en cultuurhistorisch landschap: meer en herstel biodiversiteit (soorten en habitatten en daarmee ook landschappen) in landbouwgebieden, door middel van verandering in bedrijfsvoering; landbouw zo ingericht dat ecosysteemdiensten (producerende en regulerende) geleverd kunnen worden; instandhouding en herstel van (cultuur)landschappen.

 

Een gebiedsplan kan vrij worden ingevuld binnen de kaders van deze openstelling. Een samenwerkingsverband kan een eigen plan op maat voor een gebied maken. Samenwerkingsverbanden kunnen middels één aanvraag, subsidie toegekend krijgen voor het uitvoeren van verschillende soorten activiteiten. Gebiedsplannen kunnen elkaar zowel geografisch als inhoudelijk overlappen. Om deze reden is voorzien in het voorkomen van dubbele financiering (zie artikel 1.5 van de Uitvoeringsregeling).

 

Het integrale gebiedsplan hoeft zich niet te beperken tot een of meerdere doelen binnen de reikwijdte van het NSP-GLB. Voorstelbaar is dat er een groter gebiedsplan is waarbij het GLB-aandeel één van de onderdelen is in de instrumentenkoffer en in de dekking van de kosten. Dit kan ook een provinciedekkend plan zijn, met een focus op bepaalde integraal samenhangende thema's zoals landbouwstructuurversterking, de aanpak van gezamenlijke mestverwerking, gebieds- of bedrijfsgerichte maatregelen ter voorbereiding op uitbreiding van agrarisch natuurbeheer, waterbeheersing/peilbeheer en groenblauwe dooradering in agrarisch gebied. Plannen die provincies, waterschappen, gemeenten, landbouworganisaties hebben buiten het GLB, en daarbij gebruikmakend van andere regelingen en financieringsbronnen kunnen in samenhang met het GLB worden ingezet.

 

Artikel 3 Integraal gebiedsplan

De uitvoering van het gebiedsplan kan bestaan uit de volgende subsidiabele activiteiten met bijbehorende steunpercentages:

 

Tenminste 75% van de subsidie voor de uitvoering van het gebiedsplan moet bestaan uit:

Maximaal 25% van de subsidie voor de uitvoering van het gebiedsplan mag bestaan uit:

  • a.

    productieve investeringen groen- blauw of dierenwelzijn met 40% steunpercentage

  • b.

    niet-productieve investeringen op landbouwbedrijven met 100% steunpercentage t.b.v. het watersysteem geldt 70% steunpercentage

  • c.

    niet-productieve investeringen op niet-landbouwbedrijven met 100% steunpercentage t.b.v. het watersysteem geldt 70% steunpercentage

  • d.

    bijeenkomsten voor kennisoverdracht met 80% steunpercentage

  • f.

    ontwikkelen of beproeven van innovaties met 100% steunpercentage;

  • e.

    voorbereiding en uitvoering van ruilverkaveling met 100% steunpercentage;

  • g.

    draagvlakontwikkeling of samenwerkingsactiviteiten met 100% steunpercentage

 

Voorbeelden van subsidiabele kosten per onderdeel zoals hierboven genoemd:

  • a.

    Productieve investeringen groen- blauw of dierenwelzijn

    Investeringen in bedrijfsmiddelen met een effect op de economische bedrijfsvoering en gericht op bijvoorbeeld water, biodiversiteit en biologische bestrijding, energie en klimaat, veehouderij en precisielandbouw. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan regelbare drainage, agroforestry, elektrische machines of werktuigen, vergistingsinstallaties en mestverwerkingssystemen, emissiearme vloeren of precisiebemesting.

  • b.

    Niet-productieve investeringen op landbouwbedrijven

    Investeringen op landbouwgrond die niet substantieel positief bijdragen aan de economische bedrijfsvoering of de waarde van het bedrijf. Het gaat bijvoorbeeld om investeringen op het gebied van watergebruik, investeringen voor het aanleggen van voorzieningen (o.a. plas-dras) voor weidevogelbeheer, de aanleg van landschapselementen, de aanleg van kruidenrijk grasland, de aanleg van greppels ten behoeve van waterkwaliteit. Meer concreet kan hierbij gedacht worden aan:

    • houtwallen en –singels, elzensingels, (knot)bomen en –bomenrijen, heggen, struweelhagen en -randen, tuunwallen, half- en hoogstamboomgaarden, hakhoutbosjes, grienden, bosjes, eendenkooien;

    • natuurvriendelijke oevers, rietzomen en kleine rietpercelen, poelen, wielen, (cultuurhistorische) sloten;

    • botanische hooilandranden en –weideranden, kruidenrijke akkerranden, bloemenblokken en keverbanken, bloemdijken, insectenrijke graslandranden;

    • (historische) dijken met beplanting.

  • c.

    Niet-productieve investeringen op niet-landbouwbedrijven

    Investeringen buiten landbouwbedrijven die niet substantieel positief bijdragen aan de economische bedrijfsvoering. Voorbeelden van investeringen die voor steun in aanmerking kunnen komen zijn:

    • investeringen ten behoeve van het uitvoeren van herstelmaatregelen en (grootschalige) inrichting van gebieden;

    • investeringen in waterlopen, (op)vaarten en cultuurlandschappelijk slotenpatroon;

    • herstel en aanleg natuurvriendelijke oevers;

    • herstel historische dijkbiotoop: dijklichaam, grenssloot, struweel, kolken, dijkcoupures.

  • De investeringen kunnen ook (deels) op gronden van landbouwers worden uitgevoerd. Bijvoorbeeld een investering door een landschapsorganisatie of waterschap in retentiegebieden of waterbergingen die (deels) op gronden van landbouwers zijn gelegen.

  • d.

    Kennisoverdracht

    Bij kennisoverdracht gaat het om activiteiten voor het delen van kennis en ervaring met groepen landbouwers. Dit kunnen trainingen, workshops, coachingsactiviteiten, voorlichtingsacties of demonstraties zijn. Hierbij kan verder gedacht worden aan bewustwording en educatie over kringlooplandbouw en toekomstig boeren. Bijeenkomsten kunnen bijdragen aan kennisoverdracht. Mogelijke thema's voor kennisbijeenkomsten zijn: leren samenwerken met alle relevante partijen in het gebied om te komen tot doelsturing en gezamenlijk eigenaarschap, de doelen en opgaven in eigen gebied definiëren, onderzoeken hoe het draagvlak vergroot kan worden, leren wat datagedreven werken is en werken met concepten als participatieve monitoring met bijvoorbeeld citizen science sensoring.

  • f.

    Ontwikkelen en beproeven innovaties

    Activiteiten voor het ontwikkelen, doorontwikkelen, beproeven of praktijkrijp maken van nieuwe concepten, producten of diensten dienend aan de doelen van het gebiedsplan. Hierbij kan gedacht worden aan het sluiten van kringlopen met een groep van landbouwbedrijven, ketenbenadering waaronder korte ketens, de omslag naar produceren voor biobased bouwen en promoten van de boer-burger dialoog.

De onderdelen a t/m d en f bedragen minimaal 75% van de totale subsidie voor de uitvoering van het gebiedsplan.

 

  • e.

    Voorbereiding en uitvoering van ruilverkaveling

    Voor kavelruil/ruilverkaveling geldt dat kosten voor de voorbereiding (analyse) en kosten voor de uitvoering (transactie, bijvoorbeeld notariskosten) voor subsidie in aanmerking komen.

  • g.

    Draagvlakontwikkeling en samenwerkingsactiviteiten

    Activiteiten voor het vinden van partners en gezamenlijk opzetten en voeren van het gebiedsproces waarbij overleg en afstemming onderdeel kan zijn; proces- en projectmanagement.

Onderdelen e en g bedragen maximaal 25% van de totale subsidie voor de uitvoering van het gebiedsplan. Tezamen vormen deze onderdelen het management voor de uitvoering van het gebiedsplan. Daarbij kan meer algemeen gedacht worden aan kosten voor de penvoerder, inzet van personeel, om de samenwerking en administratie te organiseren.

In elk plan dienen afwentelingsrisico's in beeld te worden gebracht en hoe hiermee wordt omgegaan.

 

Artikel 4 Doelgroep

De subsidie voor het in samenwerking uitvoeren van een integraal gebiedsplan kan worden aangevraagd door de penvoerder van het samenwerkingsverband dat het gebiedsplan gaat uitvoeren. De penvoerder moet gemachtigd zijn door alle deelnemers om het plan uit te voeren. Alle partners in het samenwerkingsverband kunnen medebegunstigden van de subsidie zijn.

Gelet op de rol van de provincie als subsidieverstrekker ligt het niet voor de hand dat de provincie de rol van penvoerder op zich neemt.

 

Een samenwerkingsverband bestaat uit meerdere partijen waarin minimaal één landbouwer vertegenwoordigd is en minimaal één van de volgende partijen:

  • grondeigenaren,

  • grondgebruikers,

  • landbouworganisaties,

  • natuur- en landschapsorganisaties,

  • provincies,

  • waterschappen,

  • gemeenten, en

  • overige natuurlijke- of rechtspersonen.

In gebiedsprocessen is het voor draagvlak en synergie van belang dat er sprake is van gezamenlijk eigenaarschap. Het helpt namelijk als boeren betrokken zijn bij gebiedsplannen en als alle relevante overheidspartijen aan boord zijn.

Overheidspartijen kunnen deelnemer zijn van het samenwerkingsverband of ervoor kiezen om toezicht te houden op de doelen en resultaten van het gebiedsplan. Het is goed voorstelbaar dat een gemeente of waterschap de penvoerdersrol neemt. Het staat een samenwerkingsverband vrij om voor een andere penvoerder te kiezen.

 

Deelname aan een samenwerkingsverband kan voor een landbouwer bijdragen aan diens ontwikkelperspectief. Zo is het mogelijk dat investeringen in de inrichting van het gebied in de volgende programmaperiode van het GLB nieuwe mogelijkheden gaan bieden voor ANLb.

 

Governance van het samenwerkingsverband

Wat in de praktijk goed blijkt te werken, is een governance met een stuurgroep, secretariaat en een uitvoeringsorganisatie waarbij de penvoerder faciliteert en regisseert.

Deze regeling gaat uit van een penvoerder die juridisch de eindverantwoordelijkheid kan dragen voor het samenwerkingsverband met de verschillende partijen. Omdat de penvoerder zorg draagt voor uitvoering van de afspraken die de stuurgroep van het samenwerkingsverband maakt, welke doelen, welke middelen, wie krijgt wat, ontzorgt de penvoerder het gehele gezelschap waarvan de partners anders ieder voor zich een aanvraag doen, niet weten of ze succes hebben en zelf de projectadministratie moet doen.

 

Artikel 5 Aanvraagvereisten

Een aanvraag voor subsidie voor de uitvoering van een gebiedsplan bevat als bijlage een integraal gebiedsplan met:

  • a.

    Een beschrijving van het gebied zoals afbakening, analyse en de uitdagingen. Uit de analyse moet in ieder geval blijken dat de samenwerking op gebiedsniveau en het integraal oppakken van de gebiedsuitdagingen meerwaarde biedt t.o.v. losstaande projecten;

  • b.

    Een uitwerking van de beoogde activiteiten die in het gebied worden uitgevoerd en hoe die bijdragen aan de doelen klimaat, milieu en biodiversiteit zoals omschreven in artikel 2 lid 2 en aan de in het plan beschreven uitdagingen in het gebied;

  • c.

    Aangetoond draagvlak uit het gebied (bijvoorbeeld door een financiële bijdrage);

  • d.

    Een beschrijving van de stakeholders en de relatie met in ieder geval de provincie en waterschappen;

  • e.

    Een beschrijving van de organisatiestructuur van het samenwerkingsverband (met interne procedures) dat hieraan effectief uitvoering kan geven, zoals taken, interne procedures en de inbreng van de deelnemers met hun kwaliteiten;

  • f.

    Een beschrijving van in hoeverre de verschillende belangen uit het gebied goed zijn vertegenwoordigd;

  • g.

    Een beschrijving van de wijze waarop monitoring en evaluatie over de voortgang plaatsvindt gedurende het project;

  • h.

    Een beschrijving van de wijze waarop over de resultaten wordt gerapporteerd;

  • i.

    Een toelichting op de begroting waaruit blijkt dat de investeringen in voorbereiding en uitvoering van ruilverkaveling en de investeringen gericht op draagvlakontwikkeling of samenwerkingsactiviteiten samen niet hoger zijn dan 25% van de subsidie.

Daarnaast bevat de aanvraag een beschrijving van de wijze waarop het project bijdraagt aan provinciale doelen.

 

De aanvraag bevat als bijlage tevens een samenwerkingsovereenkomst waarin het volgende is vastgelegd:

  • De rolverdeling en juridische verantwoordelijkheden tussen de gebiedspartners.

  • Welke gebiedspartner namens alle partijen zal optreden als aanvrager (penvoerder). De penvoerder treedt op als contactorganisatie richting de subsidieverstrekker en de bevoegde controleautoriteiten. De penvoerder is tevens verantwoordelijk voor de inrichting van de projectadministratie en het rapporteren over de voortgang van het project conform de voorwaarden zoals gesteld door subsidieverstrekker. Controle van deze projectadministratie zal worden uitgevoerd door de bevoegde controleautoriteiten.

  • De begroting en financiering van de activiteiten, waaronder de kosten die verband houden met investeringen en alle aspecten van de samenwerking. Hiervoor is een rekenformulier ontwikkeld.

Op de aanvraagpagina bij RVO is een formulier beschikbaar wat gebruik kan worden voor het vastleggen van de samenwerkingsovereenkomst.

 

Artikel 6 Weigeringsgronden

Uit artikel 1.5 van de Uitvoeringsregeling volgt o.a. dat subsidie geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd wanneer voor dezelfde activiteiten reeds subsidie is aangevraagd. Dit geldt ook voor de steun die is verstrekt in het kader van de door de minister van LVVN uitgevoerde subsidieregeling Samenwerking in veenweidegebieden en Natura 2000-overgangsgebieden.

 

Artikel 7 Subsidiabele kosten

De volgende kosten zijn subsidiabel:

  • Loonkosten

  • Kosten eigen arbeid

  • Bijdragen in natura

  • Afschrijvingskosten

  • Overige kosten (kosten derden)

Kosten die voor subsidie in aanmerking komen zijn berekend volgens de methode voor werkelijke kosten zoals omschreven in artikel 1.9a van de Uitvoeringsregeling.

 

Artikel 9 Hoogte subsidie

De hoogte van de subsidie voor een project bedraagt de optelsom van de per product of activiteit bepaalde respectievelijk berekende subsidiabele kosten. Hierbij mogen de kosten voor voorbereiding en uitvoering van kavelruil en draagvlakontwikkeling of samenwerkingsactiviteiten niet meer bedragen dan 25% van de totale subsidiabele kosten.

 

De hoogte van de totale te verlenen subsidie bedraagt minimaal €125.000,- en maximaal €2.000.000,-.

 

Artikel 10 Selectiecriteria

Toekenning van punten

Het toekennen van punten vindt per selectiecriterium op basis van de daarbij genoemde beoordelingsaspecten als volgt plaats:

  • 0 punten worden toegekend indien de score op de bij het selectiecriterium genoemde aspecten in samenhang bezien, zeer gering is;

  • 1 punt wordt toegekend indien de score op de bij het selectiecriterium genoemde aspecten in samenhang bezien, gering is;

  • 2 punten worden toegekend indien de score op de bij het selectiecriterium genoemde aspecten in samenhang bezien, matig is;

  • 3 punten worden toegekend indien de score op de bij het selectiecriterium genoemde aspecten in samenhang bezien, redelijk is;

  • 4 punten worden toegekend indien de score op de bij het selectiecriterium genoemde aspecten in samenhang bezien, goed is;

  • 5 punten worden toegekend indien de score op de bij het selectiecriterium genoemde aspecten in samenhang bezien, zeer goed is.

Criteria voor het selecteren van subsidieaanvragen voor de uitvoering van een gebiedsplan:

  • 1.

    ambitie van het plan ten aanzien van de te realiseren gebiedsdoelen:

    De ambitie wordt bepaald door in samenhang te kijken naar de volgende aspecten:

    • Wat is de ambitie van het gebiedsplan om bij te dragen aan provinciale en gemeentelijke omgevingsvisies, -plannen en (beleids)programma’s en die van waterschappen? Denk bijvoorbeeld aan een bossenstrategie en provinciale stikstofaanpak.

    • Worden alle relevante (beleids/gebieds)doelen meegenomen? Welke wel en niet? Denk aan de doelen m.b.t. biodiversiteit, milieu en/of klimaat. En wordt ook gekeken naar bijvoorbeeld gezondheid, dierenwelzijn, en sociaaleconomische versterking?

    • Wat zijn de ambities van de betrokken landbouwers? Borgt het gebiedsplan de continuïteit en duurzaamheid van de landbouw?

    • Zijn er nieuwe elementen in de gebiedsprocessen en/of extra opbrengst, anders dan wat bijdraagt aan de eerdergenoemde doelen?

  • 2.

    diversiteit van de partijen en aantal samenwerkende partijen:

    • Nemen, naast landbouwers zelf, alle relevante gebiedspartijen deel aan het samenwerkingsverband, zoals overheidspartijen, natuur- en landschapsorganisaties, en kennispartijen? Denk aan een groep boeren in een gebied, een boerenorganisatie, LTO, agrarisch collectief, ketenpartners, erfbetreders, adviseurs, toeleveranciers, afnemers, grondeigenaren, en agrarische jongeren.

    • Sluiten de samenwerkende partijen qua expertise aan bij de voorgenomen activiteiten?

  • 3.

    draagvlak voor het gebiedsplan:

    • Zijn er in het gebied voldoende landbouwers die mee willen doen met het plan? Hoeveel van het totale areaal in het plangebied betreft dit en hoeveel van de relevante sectoren zijn betrokken?

    • Op welke steun, bijvoorbeeld van lokale overheidspartijen of lokale gevestigde andere ondernemers en partijen, kan de uitvoering van het gebiedsplan van de partners in het samenwerkingsverband rekenen en hoe is dit onderbouwd? Hoe divers is de opsomming van betrokken belanghebbende gebiedspartijen die draagvlak hebben getoond voor de uitvoering van het gebiedsplan?

    • Hoe heeft afstemming plaatsgevonden met deze in het gebied aanwezige andere belanghebbende partijen die niet mee participeren in de uitvoering van het gebiedsplan, maar wel een belang hebben bij de uitvoering van het gebiedsplan?

  • 4.

    effectiviteit van de activiteit:

    • Een project dat bijdraagt aan de drie doelen klimaat, water en biodiversiteit, zal hoger scoren dan een project dat enkel bijdraagt aan één van deze drie doelen. In hoeverre is de effectieve bijdrage aan de doelen kwalitatief of kwantitatief in beeld gebracht en zorgvuldig onderbouwd?

    • Zijn bij de uitwerking van het doelbereik de zeven doelen van kringlooplandbouw1 meegenomen?

    • Zijn de gebiedsdoelen op logische en navolgbare wijze uitgewerkt naar activiteiten zoals investeringen, kennisoverdracht en bewustwording en samenwerking voor innovatie?

    • In hoeverre worden nieuwe kennis, concepten en innovaties in het project meegenomen om een grotere effectiviteit te realiseren (bijvoorbeeld via innovatienetwerk landbouw)?

    • Zijn de geplande activiteiten in relatie tot de ambities concreet onderbouwd? Bijvoorbeeld door data of het gebruik van indicatoren?

    • Is inzichtelijk gemaakt welke mogelijke (nadelige) bijeffecten de activiteiten hebben? Hoe verhoudt dit zich tot de bijdrage aan de doelen?

  • 5.

    efficiëntie van uitvoering van de activiteit:

    Welke input, bijvoorbeeld geld, kennis en kunde, wordt ingezet en benut om de beoogde resultaten te kunnen realiseren?

    • Hoe efficiënt is de samenwerking georganiseerd, in hoeverre wordt de uitvoering van het gebiedsplan bijvoorbeeld projectmatig aangepakt? Zijn duidelijke werkafspraken tussen de partners in het samenwerkingsverband vastgelegd en is sprake van kennisdeling om van elkaar te leren?

    • Heeft de penvoerder voldoende inhoudelijke en financiële expertise, draagvlak in het gebied en financiële draagkracht?

    • Staan de kosten, waaronder de proceskosten, in de juiste verhouding tot de verwachte resultaten?

  • 6.

    haalbaarheid van de activiteit:

    Bij haalbaarheid wordt gelet op de kans van slagen van de uitvoering van het gebiedsplan, gedurende de uitvoering maar ook in de tijd na ‘oplevering’ van het gebiedsplan. De mate van haalbaarheid wordt beoordeeld door in samenhang te kijken naar:

    • Is het aannemelijk dat de manier waarop de samenwerking is georganiseerd tot een goede uitvoering van het project leidt?

    • Is er voorzien in de nodige flexibiliteit voor aanpassingen in de plannen betreffende het wat, waar, wie, hoeveel, en wanneer?

    • Is er voldoende ruimte voor een lerende aanpak?

    • Wordt er gewerkt met risicoanalyses? Hoe wordt er omgegaan met eventuele onzekerheden?

    • Is er een plan voor structurele inbedding van de resultaten na afloop?

    • In hoeverre is vergunbaarheid van de activiteiten aangetoond? Worden of zijn de benodigde vergunningen verleend en past het gebiedsplan binnen de vigerende richtlijnen voor ruimtelijke ordening van het gebied?

  • 7.

    mate van urgentie van de activiteit:

    • Is er in de regio of het gebied sprake van een noodzakelijke opgave voor de doelen klimaat, water en biodiversiteit, die binnen een bepaalde termijn opgepakt moet worden?

    • Is er sprake van een (zeer) korte termijn (binnen 3 jaar) waarbinnen de opgave moet worden opgepakt?

    • In hoeverre is de relatie tussen de geplande activiteiten en de urgente opgave onderbouwd en concreet gemaakt?

Wegingsfactoren

Hieronder wordt weergegeven welke wegingsfactoren bij welk selectiecriterium van toepassing is. Per selectiecriterium kan een score van 0, 1, 2, 3, 4 of 5 punten worden behaald:

 

Selectiecriterium

Wegings-factor

Te behalen punten

Maximum per criterium

a

Ambitie van het plan ten aanzien van de te realiseren gebiedsdoelen

2

0-5

10

b

Diversiteit van de partijen en aantal samenwerkende partijen

2

0-5

10

c

Draagvlak voor het gebiedsplan

2

0-5

10

d

Effectiviteit van de activiteit

3

0-5

15

e

Efficiëntie van uitvoering van de activiteit

2

0-5

10

f

Haalbaarheid van de activiteit

2

0-5

10

g

Mate van urgentie van de activiteit

1

0-5

5

Maximumaantal te behalen punten

70

 

Rangschikking van aanvragen

Voor de rangschikking van alle aanvragen geldt dat een individuele aanvraag minimaal 60% van de maximaal te behalen score moet halen, wat betekent dat alleen aanvragen met een totaalscore van minstens 42 punten in aanmerking komen.

 

Er is sprake van een tender binnen deze openstelling. Voor de selectie van de gebiedsplannen die voor subsidie in aanmerking komen, is een adviescommissie samengesteld. De aanvragen worden gescoord aan de hand van selectiecriteria en vervolgens gerangschikt door de adviescommissie. Alleen de aanvragen met de minimumscore van 42 punten of hoger komen voor subsidie in aanmerking, voor zover het binnen het opengestelde plafond past.

Het doel van deze systematiek is om alle aanvragen onderling te vergelijken en de beste aanvragen uit het totaalaanbod te kunnen selecteren.

 

Aanvragen worden op volgorde van de rangschikking gehonoreerd. Als twee of meer aanvragen een gelijk aantal punten hebben gekregen en de som van de aangevraagde bedragen dusdanig is dat het subsidieplafond wordt overschreden, dan vindt tussen hen een prioritering plaats op de afzonderlijke scores op de selectiecriteria in de volgorde: d, a, b, c, e, f, g.

 

Indien de aanvragen in het geheel een gelijk aantal punten hebben behaald, dus ook op de afzonderlijke selectiecriteria, dan wordt de rangschikking van de aanvragen bepaald door loting. Het toekennen van de scores en de rangschikking vindt plaats door een adviescommissie zoals bedoeld in artikel 1.13 van de Uitvoeringsregeling.

 

Artikel 11 Verplichtingen

Aansluiting op het Nationale Netwerk platteland en Europese EIP-netwerk draagt ertoe bij dat samenwerkingsverbanden gedurende het gehele project gebruik kunnen maken van beschikbare kennis en ervaring voor een hogere effectiviteit. Het doel hiervan is dat de kennis die opgedaan wordt tijdens de projecten door anderen gebruikt kan worden. Daardoor draagt deze kennis bij aan effectievere en innovatieve gebiedsplannen in Nederland en in Europa. Daarnaast kunnen via de netwerken interacties ontstaan tussen de verschillende samenwerkingsverbanden, zodat deze elkaar kunnen versterken door een community te vormen.

 

De subsidieontvanger is verplicht om de resultaten van het project te delen via de hiertoe geëigende netwerken. Onder geëigende netwerken worden in ieder geval begrepen:

  • -

    Groen Kennisnet*

  • -

    EIP-netwerk** als bedoeld in artikel 127 VO (EU) nr 2021/2115.

** Het Europees Innovatienetwerk voor de Landbouw (EIP-AGRI) werkt aan de bevordering van concurrerende en duurzame land- en bosbouw in Europa. Het EIP-AGRI-netwerk is onderdeel van het CAP Network van de EU. Elk project wordt gemeld aan dit Europese EIP netwerk.

 

*Met Groen Kennisnet, het kennisplatform van de groene sector in Nederland, is een speciale samenwerking aangegaan. Groen Kennisnet maakt voor elk Nederlands project een pagina aan om de plannen en eindresultaten te delen. Ook tijdens uw project kunt u resultaten delen via Groen Kennisnet. Groen Kennisnet neemt hierover contact met u op.

 

Artikel 12 Voortgangsverslag, deelbetaling en inhoudelijk verslag

Bij voorgangsverslagen, verzoeken tot deelbetaling en verzoeken tot vaststelling gelden rapportageverplichtingen. Deze verplichtingen worden opgelegd omdat de lidstaten verplicht zijn dergelijke gegevens aan te leveren bij de Europese Commissie.

 

Men dient onder andere te rapporteren over het aantal personen dat baat gehad heeft bij het gebiedsplan. Hieronder wordt het gerealiseerde aantal personen verstaan dat van advies, opleiding, kennisuitwisseling of deelname aan de EIP-groep heeft geprofiteerd om betere duurzame economische, sociale, milieu- en klimaatprestaties en prestaties op het gebied van hulpbronnenefficiëntie te leveren.

 

Artikel 13 Subsidie-arrangement

Voor de verantwoording van de subsidie voor de uitvoering van een gebiedsplan geldt dat alle kosten waarvoor subsidie is verleend verantwoord moeten worden aan de hand van een inhoudelijk en financieel verslag. In feite vindt de verantwoording van de subsidie plaats op basis van daadwerkelijk gerealiseerde kosten.

 

Artikel 14 Voorschot

Bij subsidieverlening wordt een voorschot van 50% van de verleende subsidie direct uitbetaald.

Naar boven