Besluit van gedeputeerde staten van Zeeland houdende wijziging van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023

Besluit van gedeputeerde staten van Zeeland van 9 december 2025, kenmerk 792996, houdende wijziging van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023.

 

Gedeputeerde staten van Zeeland,

gelet op artikel 7 en 8 aanhef, onderdelen c en d, onder 2°, van de Algemene subsidieverordening Zeeland 2023;

  • overwegende dat gedeputeerde staten op 5 april 2022 het “Actieplan Behoud Zeeuwse Soorten, inzet voor bijzondere dier- en plantensoorten in Zeeland” hebben vastgesteld;

  • overwegende dat in het Actieplan doelsoorten zijn benoemd die gestimuleerd worden met behulp van soortgerichte maatregelen, onderzoek en/of communicatie. Het hoofddoel is om, aanvullend op het overige natuurbeleid en -beheer, kwetsbare en met uitsterven bedreigde soorten te behouden en in hun voortbestaan te stimuleren.

  • overwegende dat gedeputeerde staten om die reden maatregelen en onderzoeken die leiden tot het versterken of beschermen van doelsoorten en hun leefgebieden wensen te stimuleren;

  • overwegende dat zij daartoe een hoofdstuk aan het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023 wensen toe te voegen;

  • overwegende dat subsidies op grond van dit hoofdstuk staatssteun kunnen inhouden en om die reden gebruik gemaakt moet worden van de vrijstelling op grond van artikel 53 van de algemene groepsvrijstellingsverordening van de Europese Commissie;

besluiten vast te stellen de navolgende wijziging van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023:

 

Artikel I  

 

Onder vernummering van hoofdstuk 43 tot hoofdstuk 44, de paragrafen 43.1 en 43.2 tot 44.1 en 44. 2 en de artikelen 43.1.1 en 43.2.1 tot 44.1.1 en 44.2.1., wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:

 

Hoofdstuk 43 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor het behoud van Zeeuwse soorten

Artikel 43.1 Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    Actieplan: Actieplan Behoud Zeeuwse Soorten, inzet voor bijzondere dier- en plantensoorten in Zeeland, vastgesteld door gedeputeerde staten bij besluit van 5 april 2022;

  • b.

    agrarische collectief: gecertificeerd samenwerkingsverband van agrariërs en grondgebruikers die in een bepaald gebied agrarisch natuur- en landschapsbeheer uitvoeren;

  • c.

    algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187);

  • d.

    autochtoon plantmateriaal: plantmateriaal van een lokale oorspronkelijk wilde populatie van een inheemse soort;

  • e.

    doelsoort: dier- of plantensoort die ofwel in bijlage 3 of 4 van het Actieplan als doelsoort is aangewezen ofwel door Gedeputeerde Staten als doelsoort is aangewezen in het belang van zijn instandhouding;

  • f.

    faunavoorziening: voorziening ten behoeve van voortplanting, verblijf en dekking als onderdeel van het leefgebied van een soort;

  • g.

    grote onderneming: onderneming die niet voldoet aan de in bijlage I bij Verordening (EU) 2022/2472 vastgestelde criteria voor een kleine, middelgrote of micro-onderneming;

  • h.

    inheemse soort: soort die van nature voorkomt in Nederland en is opgenomen in bijlage;

  • i.

    meeliftsoort: dier- of plantensoort die in bijlage 3 of 4 als meeliftsoort is aangewezen;

  • j.

    natuurerfgoed: erfgoed waarbinnen leefgebieden van doelsoorten zijn gesitueerd en de doelsoorten gestimuleerd en behouden moeten worden en dat is begrensd op de kaart in bijlage H;

  • k.

    werkgroep soortenbeleid: provinciale werkgroep bestaande uit vertegenwoordigers van terrein beherende organisaties, overheden, landbouw, soortenorganisaties en landschapsbeheer, als genoemd in paragraaf 2.2 van het Actieplan.

Artikel 43.2 Doelgroep

Subsidie wordt verstrekt aan:

  • a.

    rechtspersonen, niet zijnde agrarische ondernemingen;

  • b.

    agrarische collectieven.

Artikel 43.3 Subsidiabele activiteiten

  • 1.

    Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten binnen het gebied opgenomen in bijlage H, die gericht zijn op:

    • a.

      versterken of ontwikkelen van leefgebieden van de doelsoorten, genoemd in bijlage 3 of bijlage 4 van het Actieplan;

    • b.

      herstel en ontwikkeling van groenblauwe dooradering ten behoeve van doelsoorten;

    • c.

      bescherming of ontwikkeling van autochtoon plantmateriaal ten behoeve van biodiversiteit;

    • d.

      onderzoek naar, communicatie over en monitoring van maatregelen als bedoeld onder a, b of c;

    • e.

      onderzoek naar en monitoring van doelsoorten.

  • 2.

    Voor de toepassing van het eerste lid, is het gebied opgenomen in bijlage H, aangewezen als natuurerfgoed als bedoeld in artikel 53, tweede lid, onderdeel b, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 43.4 Weigeringsgronden

  • 1.

    Onverminderd artikel 1.2.1, tweede lid, onder b en c, weigeren gedeputeerde staten de subsidie indien:

    • a.

      met de uitvoering van de activiteiten is begonnen vóór de datum van indiening van een subsidieaanvraag;

    • b.

      reeds op grond van dit hoofdstuk een subsidie is verstrekt voor dezelfde activiteiten op dezelfde locatie;

    • c.

      de aanvrager reeds wettelijk of anderszins verplicht is de activiteit uit te voeren;

    • d.

      het uitvoeren van de activiteit in strijd is met het geldende omgevingsplan;

    • e.

      de subsidieaanvrager een onderneming is die in financiële moeilijkheden verkeert, als bedoeld in de Communautaire richtsnoeren inzake staatssteun voor reddings- en herstructureringssteun aan niet financiële ondernemingen in moeilijkheden (PbEU 2014/C 249/01).

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, onder d, wordt subsidie voor maatregelen als bedoeld onder artikel 43.3, eerste lid, onder a en b, niet verstrekt indien de aangevraagde of te verstrekken subsidie € 20.000 of minder bedraagt.

Artikel 43.5 Subsidievereisten

  • 1.

    Om voor een subsidie als bedoeld in artikel 43.3, eerste lid, in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      de activiteiten worden uitgevoerd in de provincie Zeeland;

    • b.

      de activiteiten worden uitgevoerd binnen het natuurerfgoed;

    • c.

      de activiteiten hebben betrekking op doelsoorten;

    • d.

      de werkgroep soortenbeleid heeft een positief advies verstrekt.

  • 2.

    Onverminderd het eerste lid, wordt:

    • a.

      voor een subsidie als bedoeld in artikel 43.3, eerste lid, onder a tot en met c, voldaan aan het vereiste dat de activiteiten worden uitgevoerd op locaties waar de verspreiding van de soort aansluit op bestaande leefgebieden of waar kansen zijn dat de soort zich duurzaam kan ontwikkelen tot een populatie, blijkend uit een ecologische onderbouwing;

    • b.

      voor een subsidie als bedoeld in artikel 43.3, eerste lid, onder d, voldaan aan de volgende vereisten:

      • 1°.

        het onderzoek en de communicatie richten zich op maatregelen die zullen voldoen aan de vereisten die gelden op grond van het eerste lid.

      • 2°.

        de monitoring betreft de meting van de effectiviteit van maatregelen als bedoeld in artikel 43.3, eerste lid, onder a tot en met c.

Artikel 43.6 Subsidieaanvraag

  • 1.

    De aanvraag wordt ingediend bij gedeputeerde staten door gebruik te maken van het aanvraagformulier subsidie behoud Zeeuwse soorten.

  • 2.

    Onverminderd artikel 1.4.2, tweede lid, bevat de subsidieaanvraag in ieder geval:

    • a.

      indien de activiteit fysieke maatregelen betreft:

      • 1°.

        een projectplan waaruit blijkt voor welke doelsoorten en meeliftsoorten het project is bedoeld met een ecologische onderbouwing;

      • 2°.

        een kaart waarop de projectlocatie is aangegeven en waaruit de samenhang met het leefgebied van de doelsoort blijkt;

      • 3°.

        een beschrijving van de te treffen maatregelen en zo nodig een beheerplan voor hetgeen wordt aangelegd;

    • b.

      een beschrijving van de wijze waarop wordt voldaan aan de overige vereisten van dit hoofdstuk.

Artikel 43.7 Subsidiabele kosten

  • 1.

    Onverminderd de artikelen 1.3.1 tot en met 1.3.3, komen voor activiteiten als bedoeld in artikel 43.3, eerste lid, onder a tot en met c, de volgende kosten in aanmerking voor subsidie:

    • a.

      kosten van de uitvoering van de activiteit;

    • b.

      kosten van het opstellen van een inrichtingsplan;

    • c.

      kosten van toezicht en directievoering bij uitvoering van de activiteit;

    • d.

      kosten van onderzoek, communicatie en monitoring;

    • e.

      kosten van het opstellen van een controleverklaring door een accountant indien deze voor de subsidievaststelling vereist is.

  • 2.

    Onverminderd de artikelen 1.3.1 tot en met 1.3.3, komen voor activiteiten als bedoeld in artikel 43.3, eerste lid, onder d en e, de volgende kosten in aanmerking voor subsidie:

    • a.

      voor de uitvoering noodzakelijke kosten;

    • b.

      kosten van het opstellen van een controleverklaring door een accountant indien deze voor de subsidievaststelling vereist is.

Artikel 43.8 Niet-subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 43.7, komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    kosten waarvoor reeds een subsidie of bijdrage is verleend;

  • b.

    kosten van regulier beheer en onderhoud;

  • c.

    kosten voor de uitvoering van wettelijke taken of regelingen;

  • d.

    kosten voor de verwijdering van bodemverontreiniging of afval;

  • e.

    kosten voor de bouw of sloop van opstallen, wegen of paden met uitzondering van de kosten van faunavoorzieningen;

  • f.

    kosten voor de aanschaf en afschrijving van machines en apparatuur, met uitzondering van onderzoeksapparatuur.

Artikel 43.9 Subsidiehoogte

In afwijking van de artikelen 1.7.2, 1.8.2 en 1.9.2, bedraagt de subsidie voor de activiteiten, bedoeld in artikel 43.3:

  • a.

    maximaal 50% van de subsidiabele kosten voor overheden en grote ondernemingen, uitgezonderd Staatsbosbeheer;

  • b.

    maximaal 100% van de subsidiabele kosten voor overige subsidieaanvragers.

Artikel 43.10 Subsidieplafond en openstelling

  • 1.

    Een subsidie kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van een aanvraag voor subsidie.

  • 2.

    Het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

  • 3.

    Indien een aanvraag niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de aanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 4.

    Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige aanvragen plaats door middel van loting.

Artikel 43.11 Subsidieverplichtingen

Onverminderd het bepaalde in § 1.6, is de subsidieontvanger verplicht:

  • a.

    de activiteiten binnen twee maanden na verlening van de subsidie te starten;

  • b.

    bij aanleg of herstel gebruik te maken van de inheemse soorten, genoemd in bijlage F en bij voorkeur gebruik te maken van autochtoon plantmateriaal;

  • c.

    op de ingerichte grond geen kunstmest, drijfmest of bestrijdingsmiddelen te gebruiken;

  • d.

    op de ingerichte grond duurzaam beheer op het gebied van natuur, water, bodem en landschap te verrichten;

  • e.

    hetgeen is aangelegd tenminste tien jaar vanaf de datum van aanleg of herstel in stand te houden overeenkomstig de verplichtingen die bij de subsidieverlening zijn opgelegd;

  • f.

    de verkregen onderzoeksresultaten in te voeren in de Nationale Databank Flora en Fauna of op www.waarneming.nl.

  • g.

    voor de start van de activiteiten een verklaring van de eigenaar te overleggen waaruit blijkt dat hij instemt met subsidiabele activiteit en de daaruit voortvloeiende verplichtingen, indien de aanvrager geen eigenaar is van de grond;

  • h.

    eventuele opbrengsten uit een op grond van dit hoofdstuk gesubsidieerde activiteit te besteden aan activiteiten op het gebied van soortenbescherming als bedoeld in artikel 43.3.

Artikel 43.12 Subsidievaststelling en verantwoording

  • 1.

    In afwijking van de artikelen 1.7.4 en 1.7.5, dient de ontvanger van subsidies tot € 10.000 binnen 12 weken na afloop van de activiteit een aanvraag tot vaststelling in.

  • 2.

    Het prestatiebewijs, bedoeld in de artikelen 1.7.6, 1.8.5 en 1.9.5, eerste lid, onder a, bevat in elk geval:

    • a.

      de resultaten van op grond van dit hoofdstuk gesubsidieerd onderzoek;

    • b.

      een GIS-bestand dan wel een kaart op schaal met de locatie van de getroffen maatregelen;

    • c.

      foto- of videomateriaal van de situatie voor en na het project;

  • 3.

    Onverminderd de artikelen 1.7.6 en 1.8.5, bevat de aanvraag tot vaststelling van subsidies tot € 50.000, een financiële verantwoording met bewijsstukken als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening waaruit de gerealiseerde kosten blijken.

  • 4.

    In afwijking van de artikelen 1.7.9 en 1.8.8, worden subsidies tot € 50.000 vastgesteld overeenkomstig artikel 1.9.9.

 

Artikel ÌI  

 

Na bijlage G bij het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023, wordt een bijlage toegevoegd, luidende:

 

Bijlage H behorende bij artikel 43.3 Asb 2023

 

 

Artikel III  

 

Na de toelichting op hoofdstuk 42, wordt een toelichting toegevoegd, luidende:

 

Toelichting op hoofdstuk 43 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor het behoud van Zeeuwse soorten

 

I. Algemeen

In het Actieplan behoud Zeeuwse soorten dat bij besluit van 5 april 2022 door gedeputeerde staten is vastgesteld, is het Zeeuwse actief soortenbeleid vastgelegd. Dit beleid draagt substantieel bij aan de biodiversiteit en bescherming van het leefgebied van soorten waar het niet goed mee gaat in Zeeland. Dit hoofdstuk beoogt activiteiten op het gebied van de soortenbescherming te stimuleren.

 

Juridisch kader

Dit hoofdstuk maakt onderdeel uit van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023 (Asb 2023). Dat betekent dat bij subsidieverstrekking ook de algemene bepalingen in hoofdstuk 1 van het Asb 2023 en de Algemene subsidieverordening Zeeland 2023 (Asv) van toepassing zijn. De bepalingen van de Asv en hoofdstuk 1 van het Asb 2023 gelden in aanvulling op het onderhavige hoofdstuk. Zo bevat § 1.3 van de Asb 2023 een aantal bepalingen over subsidiabele kosten en § 1.4 een aantal vereisten waar de aanvraag aan moet voldoen. § 1.6 bevat een aantal verplichtingen die de subsidieontvanger in acht moet nemen, waaronder de meldingsplicht indien hij verwacht de activiteiten niet (geheel) te zullen verrichten of niet (geheel) aan zijn verplichtingen te zullen voldoen. Daar waar hoofdstuk 43 afwijkt van hoofdstuk 1 van het Asb 2023, wordt dit expliciet aangegeven.

 

Staatssteun

Subsidiëring van activiteiten ten behoeve van het behoud van Zeeuwse soorten kan staatssteun inhouden aan de betreffende subsidieontvanger. Om de subsidie rechtmatig te kunnen verstrekken, wordt daarom gebruik gemaakt van de algemene groepsvrijstellingsverordening van de Europese Commissie (Verordening 651/2014, PbEU 2014, L 187). Een kennisgeving is gedaan op grond van artikel 53 van deze verordening. Deze kennisgeving brengt met zich dat de provincie bepaalde administratieve verplichtingen dient na te komen. Eén daarvan is de transparantieverplichting. De provincie zal hier invulling aan geven door in geval van subsidies hoger dan €100.000 onder andere de naam van de subsidieontvanger en het subsidiebedrag te publiceren.

 

II. Artikelsgewijze toelichting

 

Artikel 43.2 Doelgroep

Zowel publiekrechtelijke als privaatrechtelijke rechtspersonen kunnen een subsidieaanvraag indienen. Hieronder vallen o.a. terreinbeherende organisaties, waterschappen, gemeenten, landschapbeheerders en andere organisaties. Individuele agrarische ondernemingen zijn uitgesloten van de regeling. Wel kunnen agrarische collectieven subsidies aanvragen.

 

Artikel 43.3 Subsidiabele activiteiten

De subsidiabele activiteiten dienen gericht te zijn op doelsoorten. Doelsoorten zijn soorten waarvan het behoud, het herstel of de terugkeer nodig is om de doelstellingen van natuurbehoud te verwezenlijken. De soorten zijn opgenomen in bijlagen 3 en 4 van het Actieplan. Daarnaast is het mogelijk dat Gedeputeerde Staten op grond van nieuwe inzichten een doelsoort expliciet aanwijst als doelsoort (zie definitie in artikel 43.1, onder e).

De activiteiten dienen uitgevoerd te worden binnen het gebied dat is opgenomen in de kaart die is aangehecht als bijlage H. De kaart biedt een overzicht van het natuurerfgoed van de provincie Zeeland met daarop aangegeven waar de leefgebieden van doelsoorten zijn gesitueerd en de doelsoorten gestimuleerd en behouden moeten worden. Deze kaart kan interactief worden geraadpleegd via het Subsidieloket.

In de onderdelen a, b en c van het eerste lid zijn de maatregelen opgenomen waarvoor subsidie kan worden gevraagd. Deze maatregelen kunnen eveneens voorwerp zijn van onderzoek, communicatie of monitoring (onderdeel d). Ook kan voor losstaand onderzoek of losstaande monitoring subsidie worden aangevraagd (onderdeel e).

 

Artikel 43.4 Weigeringsgronden

Naast de weigeringsgronden van artikel 43.4, dient rekening te worden gehouden met de weigeringsgronden opgenomen in artikel 5 van de Asv 2023 en in artikel 1.2.1, tweede lid van de Asb 2023. Zo wordt een subsidie geweigerd indien tegen de onderneming die de subsidie ontvangt, een bevel tot terugvordering van ongeoorloofde staatssteun uitstaat.

In het tweede lid wordt duidelijk gemaakt dat subsidies die minder dan € 20.000 bedragen, niet worden toegekend. Dit geldt echter uitsluitend voor de subsidies die worden aangevraagd voor de activiteiten genoemd in het eerste lid, onder a en b. Voor de overige activiteiten geldt slechts het algemene minimumbedrag van € 2.500 (zie artikel 1.2.1, tweede lid, onder d).

 

Artikel 43.5 Subsidievereisten

In het eerste lid van dit artikel, zijn de vereisten opgenomen waar alle subsidiabele activiteiten aan moeten voldoen. Zo is vereist dat de activiteiten in ieder geval gericht moeten zijn op doelsoorten. Daarnaast kunnen meeliftsoorten profiteren van de maatregelen voor doelsoorten. In de subsidieaanvraag dient te worden aangegeven welke meeliftsoorten kunnen profiteren van de maatregelen. Een overzicht van de meeliftsoorten is eveneens opgenomen in bijlage 3 van het Actieplan.

Het tweede lid geeft aanvullende eisen aan die specifiek gelden voor de activiteiten genoemd in de onderdelen a tot en met d van artikel 43.3, eerste lid.

 

Artikel 43.8 Niet-subsidiabele kosten

 

Onder a

Kosten waarvoor al een subsidie of bijdrage is verstrekt, komen niet in aanmerking voor subsidie. Dit geldt niet alleen voor subsidies van de provincie Zeeland, maar ook voor subsidies die door een andere overheid zijn verstrekt.

 

Onder b

Kosten voor regulier beheer en onderhoud zijn niet subsidiabel. Kosten voor eenmalige beheeractiviteiten die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de gesubsidieerde activiteit, zijn wel subsidiabel.

 

Onder e

Kosten voor de bouw of sloop van opstallen, wegen of paden zijn niet subsidiabel. De kosten van faunavoorzieningen die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de gesubsidieerde activiteit, zijn daarentegen wel subsidiabel.

 

Onder f

Kosten voor de aanschaf en afschrijving van machines en apparatuur zijn niet subsidiabel. Dit geldt echter niet voor apparatuur die noodzakelijk is voor het uitvoeren van onderzoek. De afschrijvings- of aanschafkosten daarvan zijn wel subsidiabel.

 

Artikel 43.9 Subsidiehoogte

Een onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds grote ondernemingen en overheden en anderzijds overige subsidieontvangers. Een onderneming kwalificeert als ‘grote onderneming’ bij meer dan 250 personen in dienst of bij een netto omzet van meer dan 50 miljoen euro of een balanstotaal van meer dan 43 miljoen euro. Dergelijke ondernemingen en overheden ontvangen een subsidie van maximaal 50% van de subsidiabele kosten. Overige ondernemingen en Staatsbosbeheer kunnen een subsidie ontvangen van maximaal 100% van de subsidiabele kosten.

 

Artikel 43.10 Subsidieplafond en openstelling

Het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. Dit houdt in dat de subsidie wordt verstrekt op basis van het principe ‘wie het eerst komt, wie het eerst maalt’. De datum waarop een aanvraag volledig is, geldt als datum van binnenkomst.

 

Artikel 43.11 Subsidieverplichtingen

In onderdeel h van het eerste lid wordt de verplichting opgelegd om eventuele opbrengsten die voortvloeien uit een investering die gemaakt is met behulp van de subsidie, opnieuw te investeren in activiteiten op het gebied van soortenbescherming zoals deze omschreven zijn in artikel 43.3. Reden voor deze verplichting is dat op grond van artikel 53 van de algemene groepsvrijstellingsverordening ondernemingen niet meer dan een ‘redelijke winst’ mogen maken met een gesubsidieerde investering. Door de subsidieontvanger te verplichten opbrengsten te herinvesteren in de activiteiten die subsidiabel zijn gesteld, wordt voorkomen dat een dergelijke winst wordt gemaakt.

 

Artikel 43.12 Subsidievaststelling en verantwoording

Vanwege de toepassing van de algemene groepsvrijstellingsverordening, zijn er enkele van hoofdstuk 1 Asb 2023 afwijkende bepalingen opgenomen. Zo moet er ook in arrangement 1 (subsidies tot €10.000) altijd een aanvraag tot subsidievaststelling worden ingediend. Ook moet er over subsidies in de arrangementen 1 en 2 (subsidies tot € 50.000) financiële verantwoording worden afgelegd.

 

Artikel III  

 

Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin het wordt geplaatst.

 

 

 

 

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van gedeputeerde staten van 9 december 2025,

H.J. de Jonge, voorzitter

Drs. M.C.J. Franken, secretaris

Naar boven