Provinciaal blad van Utrecht
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Utrecht | Provinciaal blad 2025, 19899 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Utrecht | Provinciaal blad 2025, 19899 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Besluit van Gedeputeerde Staten van Utrecht van 25 november 2025, nr. UTSP-8141755331-1617 tot wijziging van de Subsidieregeling Leefomgeving landelijk gebied provincie Utrecht
De Subsidieregeling Leefomgeving landelijk gebied provincie Utrecht wordt als volgt gewijzigd:
Aan artikel 1.7 wordt een lid 3 toegevoegd dat luidt:
Hoofdstuk 3 wordt als volgt gewijzigd:
Het subsidieplafond voor het jaar 2026 bedraagt € 300.000,-.
Het subsidieplafond voor het jaar 2026 bedraag € 500.000,-.
Hoofdstuk 6 wordt als volgt gewijzigd:
Subsidieontvangers (doelgroep)
Subsidie wordt slechts verstrekt aan Utrechtse gemeenten die deelnemer zijn van het netwerk Groen doet Goed, of aan rechtspersonen die natuureducatie en natuurbeleving verzorgen namens een gemeente in de provincie Utrecht.
Als de gemeente niet zelf, maar de rechtspersoon die natuureducatie en natuurbeleving verzorgt namens een gemeente in het netwerk van Groen doet Goed de aanvraag indient, dan moet deze rechtspersoon bij de aanvraag een verklaring van de gemeente toevoegen waaruit blijkt dat de gemeente ermee instemt dat de betreffende rechtspersoon de aanvraag indient en de subsidie ontvangt.
Het subsidieplafond voor het jaar 2026 bedraagt € 165.000,-.
Hoofdstuk 7 wordt als volgt gewijzigd:
Het subsidieplafond voor het jaar 2026 bedraagt € 323.000,-.
Het subsidieplafond voor het jaar 2026 bedraagt € 392.000,-.
Het subsidieplafond voor het jaar 2026 bedraagt € 1.250.000,-.
Hoofdstuk 10 wordt als volgt gewijzigd:
Bij de aanvraag worden de volgende gegevens verstrekt:
een kaart met de locatie van de aan te planten bomen en/of meerjarige houtige gewassen op het perceel of de percelen. Dit wordt ingediend in de vorm van een luchtfoto of ander kaartbeeld (.pdf, .jpg of .txt) met daarop duidelijk herkenbaar de locatie en soort van de aan te planten bomen en/of meerjarige houtige gewassen en bijbehorende oppervlaktes weergegeven. Dit mag onderdeel zijn van het beplantingsplan.
Indien de verlening van een subsidie op grond van dit hoofdstuk kwalificeert als staatssteun als bedoeld in artikel 107, VWEU, wordt deze verleend met inachtneming van artikel 42 van de Landbouwvrijstellingsverordening.
Hoofdstuk 14 wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 14.1.6 Subsidieplafond
Het subsidieplafond voor het jaar 2026 bedraagt € 500.000,-.
Artikel 14.1.7 Hoogte van de subsidie
Artikel 14.2.6 Subsidieplafond
Het subsidieplafond voor het jaar 2026 bedraagt € 100.000,-.
Artikel 14.3.6 Subsidieplafond
Het subsidieplafond voor het jaar 2026 bedraagt € 6.000.000,-.
Het subsidieplafond voor het jaar 2026 bedraagt € 50.000,-.
Het subsidieplafond voor het jaar 2026 bedraagt € 300.000,-.
Na hoofdstuk 18 wordt hoofdstuk 19 ingevoegd, dat luidt:
Hoofdstuk 19 Kennisdelingsprogramma landbouw
In het kader van het provinciale meerjarendoel 2.4.1 “De landbouw is meer circulair, natuurinclusief, klimaatneutraal en economisch rendabel” kan subsidie worden verstrekt voor het organiseren en uitvoeren van activiteiten gericht op kennisdeling in de landbouwsector, bestaande uit minimaal twee van de volgende activiteiten:
Artikel 19.2 Subsidieontvangers (doelgroep)
Artikel 19.4 Weigeringsgronden
Subsidie wordt geweigerd als het aangevraagde subsidiebedrag minder bedraagt dan € 10.000,-.
De subsidieontvanger is verplicht:
indien sprake is van activiteiten als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, onder c, dan dienen ook de verklaringen van de eindbegunstigden (de agrariërs) te worden overgelegd, waaruit blijkt dat de maximale steunbedragen als opgenomen in artikel 22, achtste en negende lid, van de LVV niet zijn overschreden.
Het subsidieplafond voor 2026 bedraagt € 1,6 miljoen.
Artikel 19.7 Hoogte van de subsidie
Artikel 19.8 Subsidiabele kosten
Voor zover bij de verlening van een subsidie op grond van dit hoofdstuk regeling sprake is van staatssteun als bedoeld in artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), wordt deze verleend met inachtneming van:
Hoofdstuk 19 wordt hernummerd naar Hoofdstuk 20.
Onder Ondertekening wordt ingevoegd:
Aldus vastgesteld in de vergadering van Gedeputeerde Staten van Utrecht van 10 december 2024,
Gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht,
mr. drs. A.G. Knol-van Leeuwen
In de bijlage bij Hoofdstuk 1 artikel 1.1 Begripsbepalingen worden op alfabetische volgorde ingevoegd:
BAS-register: BedrijfsAdviseringsSysteem; een lijst van bedrijfsadviseurs die voldoen aan de eisen die de EU stelt aan advisering inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. Deze adviseurs moeten voldoen aan strenge criteria, waaronder een vijfjarige ervaring als bedrijfsadviseur en een opleiding op minstens HBO-niveau.
route- en menukaart: de routekaart melkveehouderij Natuurinclusieve Kringlooplandbouw en bijbehorende menukaart bieden een overzicht van concrete maatregelen die boeren kunnen nemen om hun bedrijfsvoering te verduurzamen, emissies te verminderen en hun prestaties op relevante UMDL KPI’s te verbeteren via vakmanschap, kennisdeling en gerichte investeringen.
voorbeeldbedrijven: voor melkveehouderij en fruittelers: bedrijven die meer dan 1.500 punten scoren op de UMDL. Voor de andere agrarische sectoren; bedrijven die meerdere jaren meedoen aan een meet- of monitoringsprogramma van een universiteit, kennisinstelling, overheid of NGO op het gebied van duurzame landbouw (natuurinclusieve kringlooplandbouw).
De Bijlage bij hoofdstuk 6 Groen doet Goed vervalt.
De toelichting wordt als volgt gewijzigd:
Met deze bepaling wordt benadrukt dat de provincie het belangrijk vindt dat bij de uitvoering van gesubsidieerde activiteiten aandacht wordt besteed aan circulariteit. Daarmee sluiten we aan bij de provinciale ambitie om de transitie naar een circulaire economie te versnellen. Circulariteit gaat uit van het zo hoogwaardig mogelijk benutten van grondstoffen en het voorkomen van verspilling.
Van subsidieontvangers wordt verwacht dat zij bij de uitvoering van hun activiteiten en de besteding van middelen nadenken over hoe zij het gebruik van grondstoffen kunnen beperken en negatieve milieueffecten kunnen verminderen. Dit kan op verschillende manieren vorm krijgen, bijvoorbeeld door hergebruik van materialen of het beperken van afvalstromen.
De bepaling is niet bedoeld als strikte verplichting met concrete prestatie-eisen, maar als stimulans om binnen de mogelijkheden van het project invulling te geven aan de principes van circulariteit. Op deze manier draagt iedere gesubsidieerde activiteit, groot of klein, bij aan de bredere duurzaamheidsdoelstellingen van de provincie.
De agrarische collectieven fungeren als loket voor de subsidie voor aanleg en herstel van kleine landschapselementen. Iedereen met agrarische grond in eigendom kan vervolgens bij het agrarisch collectief aankloppen voor subsidie. Dit levert schaalvoordeel op, omdat de collectieven landschapselementen bij verschillende deelnemers tegelijkertijd kunnen aanleggen.
Om als agrarisch collectief in aanmerking te komen voor subsidie is deelname aan het Platform Groenblauwe dooradering verplicht. Vijf van de zeven Utrechtse collectieven zijn lid; de overige twee kiezen ervoor geen lid te worden, wat te maken heeft met de geringe oppervlakte die zij hebben in de provincie Utrecht. Het staat beide open om alsnog lid te worden.
Op dit moment zijn dat de volgende collectieven: Boerennatuur Rijn, Vecht & Venen, Agrarische Natuur en Landschapsvereniging De Lopikerwaard e.o., Coöperatie BoerenNatuur Utrecht Oost U.A., Collectief Alblasserwaard Vijfheerenlanden Coöperatie U.A. en Collectief Eemland. De agrarische collectieven hebben een actieve rol in het Platform Groenblauwe dooradering, en werken samen met gemeenten, provincie en andere betrokkenen aan een mooier landschap. De agrarische collectieven zoeken hiervoor samen met gemeenten uit het platform naar geïnteresseerde deelnemers die een landschapselement willen aanleggen of herstellen. Ze ontzorgen de deelnemers bij het aanleggen of herstellen van landschapselementen en zorgen ervoor dat er een contract agrarisch natuurbeheer wordt afgesloten, om langdurig behoud en voldoende onderhoud te waarborgen. De collectieven kunnen vanuit hun rol in het agrarisch natuur- en landschapsbeheer ook beheersubsidie voor de betreffende terreinen aanvragen.
Deze paragraaf is bedoeld om de doelgroep agrariërs en eigenaren van landgoederen te ondersteunen. De regeling in paragraaf 7.1 blijkt vooral gebruikt te worden voor particulieren met (veel) eigen grond, maar ook de agrariër en landgoedeigenaar willen we stimuleren kleine landschapselementen aan te leggen. Die doelgroep heeft aangegeven dat door de waardevermindering van de grond als gevolg van functieverandering mee te subsidiëren het aantrekkelijker wordt kleine landschapselementen aan te leggen. Ook deze paragraaf is gebaseerd op de Catalogus Groenblauwe Diensten. De uitvoering is gelijk aan die van paragraaf 7.1: Agrarische collectieven die deelnemen aan het Platform Groenblauwe dooradering zijn aanvragers en begunstigden van deze subsidie en de deelnemers aan deze collectieven zijn de eindbegunstigden.
Agroforestry draagt bij aan de omschakeling van de landbouwsector naar een meer natuurinclusieve en toekomstbestendige bedrijfsvoering en kan daarbij ook bijdragen aan de doelstellingen ten aanzien van bodemkwaliteit, biodiversiteitsherstel en/of natuur(kwaliteit), klimaatadaptatie, klimaatmitigatie, waterkwaliteit, luchtkwaliteit, landschapsherstel, voedselproductie, sociaaleconomische weerbaarheid, recreatie en dierenwelzijn. Ook draagt agroforestry bij aan de realisatie van de Groenblauwe dooradering, zoals aangegeven in ‘Groenblauwe dooradering nader gedefinieerd’ van Deltaplan Samen voor biodiversiteitsherstel.
Agroforestry omvat veel verschillende vormen, welke op grond van de combinatie met andere vormen van landbouw kunnen worden onderverdeeld in drie categorieën:
Voedselbos: Een door mensen ontworpen productief ecosysteem van minimaal 0,5 ha naar het voorbeeld van een natuurlijk bos, met een hoge diversiteit aan meerjarige en/of houtige soorten, waarvan delen (vruchten, zaden, bladeren, stengels e.d.) voor de mens als voedsel dienen. Dit systeem bevat minstens:
Voor de structuur en samenstelling van agroforestry zijn de plaatselijke bodem- en klimaatgesteldheid, milieuomstandigheden en landschapskenmerken van belang.
De oppervlakte bestaat uit het gehele perceel waar agroforestry elementen om of op geplant worden en waar sprake is van de combinatie van bomen/struiken met het primaire landbouwsysteem. Voor een voedselbos geldt de oppervlakte van de gehele aanplant.
Onder de kosten voor de aankoop van toebehoren voor de aanleg en instandhouding van agroforestry worden bijvoorbeeld verstaan afrastering om vraatschade tegen te gaan, boompalen, of hulpmiddelen om water te geven.
Advies en ondersteuning ten behoeve van het aanslaan en een goede opbouw van de aanplant is bedoeld voor adviezen en activiteiten die nodig zijn om de aanplant goed op te starten met de juiste opbouwsnoei (vruchtdragende soorten) en voor een goede systeemopbouw (combinatieteelten).
Hoofdstuk 19 Kennisdelingsprogramma landbouw
Kennisuitwisseling speelt een essentiële rol bij het ondersteunen van agrariërs in Utrecht die willen overstappen naar een duurzamere bedrijfsvoering. In de provincie zijn er diverse initiatieven en netwerken actief die zich richten op het verspreiden van informatie over landbouw, voedsel en het vergroten van de aandacht voor natuur en biodiversiteit. Dit hoofdstuk biedt de mogelijkheid tot subsidie voor integrale kennisdeling aan agrarische bedrijven. Door onafhankelijke kennisdeling te stimuleren, helpt de provincie agrariërs om weloverwogen keuzes te maken over duurzame landbouwpraktijken en deze succesvol toe te passen binnen hun eigen bedrijf.
De subsidieregeling biedt ruimte voor vier verschillende typen kennisactiviteiten:
Het is aan te raden aan om de route- en menukaart te gebruiken in de kennisoverdracht naar agrariërs omdat dit een goede tool is die agrariërs kan helpen op weg naar natuurinclusieve kringlooplandbouw. De route- en menukaart zijn te verkrijgen via vraagbaaklandbouw @provincie-utrecht.nl of de agrarische natuurcollectieven binnen de provincie Utrecht.
Om de kwaliteit van de kennisoverdracht te borgen, is samenwerking met ten minste één kennisinstelling of adviseur vereist.
Agrarische collectieven en brancheorganisaties vervullen een actieve rol bij het indienen van subsidieaanvragen omdat dit de betrokkenheid van agrariërs versterkt. Daarnaast zijn zij door hun bredere perspectief in staat om aanvragen efficiënt en vanuit een overkoepelende visie te coördineren.
Relatie met andere subsidieregelingen
Deze subsidie kan gecombineerd worden met andere regelingen die gericht zijn op innovatie en verduurzaming in de landbouw. Het is bijvoorbeeld mogelijk om naast deze subsidie ook gebruik te maken van regelingen voor investeringen in duurzame technologieën of voor onderzoek en ontwikkeling. Het combineren van verschillende subsidies kan bijdragen aan een integrale aanpak van verduurzaming en innovatie in de landbouwsector. Het is niet mogelijk dezelfde activiteit of maatregel dubbel te laten financieren door overheden. In de verantwoording van de subsidies moet dit duidelijk worden gemaakt.
Relatie tot de subsidieregeling bedrijfsplannen
Binnen de context van verduurzaming en een gezonde bedrijfsvoering is er een regeling in ontwikkeling die agrariërs ondersteunt bij het opstellen van bedrijfsplannen. Deze plannen zijn gericht op diverse aspecten, zoals water- en bodembeheer en het ecologisch beheer van sloten. Op deze manier wordt maatwerk mogelijk gemaakt, afgestemd op de specifieke situatie van ieder bedrijf.
Het kennisdelingsprogramma sluit aan bij onderwerpen die ook in de bedrijfsplannen aan bod komen. Het verschil is echter dat bedrijfsplannen omvangrijker en uitgebreider zijn. Ze bieden een veel intensievere begeleiding, specifiek gericht op de individuele agrariër en diens bedrijfsvoering. Waar het kennisdelingsprogramma zich richt op het verspreiden van kennis en het ondersteunen van een bredere doelgroep, zijn bedrijfsplannen juist bedoeld om concrete maatregelen en doelen te formuleren voor het betreffende bedrijf.
Relatie tot de regeling kennisnetwerken
De regeling tegemoetkoming kosten kennisnetwerken gaat over het ondersteunen van een aantal specifieke kennisnetwerken van agrariërs die zich organiseren rond een bepaald thema, deelsector of gebied. Elk kennisnetwerk heeft een eigen profiel en bijbehorende opgaven als het gaat om de beoogde verduurzaming. Hoewel deze regeling dus ook over kennis gaat, gaat dit vooral om het creëren van kennis. Agrariërs ontwikkelen kennis met elkaar. Dit verschilt wezenlijk van het kennisdelingsprogramma.
Om in aanmerking te komen voor subsidie, moet de aanvrager aantonen dat zij/hij samenwerkt met een geschikte partij die over voldoende onafhankelijke en integrale deskundigheid beschikt om kennis over te dragen aan andere agrariërs. Dit kan bijvoorbeeld door het overleggen van relevante certificaten, het aantonen van ervaring met het geven van trainingen of het samenwerken met erkende kennisinstellingen. Het is van belang dat de aanvrager een gedegen plan van aanpak indient waarin duidelijk wordt hoe de demonstratieactiviteiten zullen worden uitgevoerd en welke resultaten ten aanzien van natuurinclusieve kringlooplandbouw worden beoogd.
De subsidiabele activiteiten moeten bijdragen aan de doelen van het kennisprogramma en een breed bereik hebben onder de doelgroep. Doordat de activiteit over minstens 3 onderwerpen, beschreven in 19.1.2, moeten gaan wordt de integraliteit van de kennis gewaarborgd.
De maximale (uur)tarieven uit de Beleidsregel projectsubsidies op grond van de Algemene subsidieverordening provincie Utrecht 2022 zijn van toepassing op deze subsidie.
Agrariërs moeten in de gaten houden of ze mogelijk niet al via andere routes steun hebben ontvangen voor één-op-één advisering.
De activiteiten zoals bedoeld in artikel 19.1 onder a, b en d kunnen vrijgesteld worden onder artikel 21 van de LVV. De activiteiten zoals bedoeld in artikel 19.1 onder c kunnen vrijgesteld worden onder artikel 22 van de LVV. Voor de overige activiteiten geldt dat gebruikt gemaakt kan worden van de reguliere De-minimisverordering of de landbouw De-minimisverordening. Hiertoe dient de begunstigde een ingevulde en ondertekende de-minimisverklaring te overleggen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2025-19899.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.