Besluit van Gedeputeerde Staten van Utrecht van 25 november 2025, nr. UTSP-8141755331-1617 tot wijziging van de Subsidieregeling Leefomgeving landelijk gebied provincie Utrecht

Gedeputeerde staten van Utrecht;

 

Gelet op artikel 1.4 van de Algemene subsidieverordening provincie Utrecht 2022;

 

Overwegende dat het wenselijk is om de Subsidieregeling Leefomgeving Landelijk gebied te wijzigen door:

 

  • -

    een hoofdstuk Kennisdelingsprogramma landbouw toe te voegen;

  • -

    voor een aantal onderdelen het subsidieplafond voor 2026 vast te stellen;

  • -

    hoofdstuk 6 ‘Groen doet Goed’ en hoofdstuk 10 ‘Agroforestry’ naar aanleiding van praktijkervaring aan te passen;

  • -

    de staatssteungrondslag voor hoofdstuk 10 ‘Agroforestry’ te wijzigen om te voorkomen dat agrariërs vanwege het bereiken van de De-minimisgrens geen subsidie meer mogen ontvangen;

  • -

    een verplichting op te nemen ter bevordering van duurzaamheid voor zover deze betrekking heeft op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht;

Besluiten:

Artikel I  

De Subsidieregeling Leefomgeving landelijk gebied provincie Utrecht wordt als volgt gewijzigd:

 

A.

 

Aan artikel 1.7 wordt een lid 3 toegevoegd dat luidt:

  • 3.

    De subsidieontvanger houdt rekening met de principes van circulariteit bij de wijze waarop de gesubsidieerde activiteit wordt verricht en bij de besteding van middelen en streeft naar de beperking van grondstoffengebruik en beperking van negatieve milieueffecten.

B.

 

Hoofdstuk 3 wordt als volgt gewijzigd:

 

  • 1.

    Artikel 3.6 komt te luiden:

Het subsidieplafond voor het jaar 2026 bedraagt € 300.000,-.

 

  • 2.

    Artikel 3.8, eerst lid onder a, komt te luiden:

     

  • a.

    voorbereidingskosten om te komen tot een projectplan, die tot maximaal 18 maanden voor het indienen van de aanvraag gemaakt zijn, tot een maximum van 15% van de subsidiabele kosten;

C.

 

Artikel 4.6 komt te luiden:

 

Artikel 4.6 Subsidieplafond

Het subsidieplafond voor het jaar 2026 bedraag € 500.000,-.

 

D.

 

Hoofdstuk 6 wordt als volgt gewijzigd:

 

  • 1.

    Artikel 6.2 komt te luiden:

Subsidieontvangers (doelgroep)

Subsidie wordt slechts verstrekt aan Utrechtse gemeenten die deelnemer zijn van het netwerk Groen doet Goed, of aan rechtspersonen die natuureducatie en natuurbeleving verzorgen namens een gemeente in de provincie Utrecht.

 

  • 2.

    Artikel 6.3 komt te luiden:

Artikel 6.3 Aanvraag

 

  • 1.

    Er kan per Utrechtse gemeente eenmaal per jaar een subsidie worden aangevraagd.

  • 2.

    Subsidieaanvragen kunnen het gehele jaar worden ingediend.

  • 3.

    Als de gemeente niet zelf, maar de rechtspersoon die natuureducatie en natuurbeleving verzorgt namens een gemeente in het netwerk van Groen doet Goed de aanvraag indient, dan moet deze rechtspersoon bij de aanvraag een verklaring van de gemeente toevoegen waaruit blijkt dat de gemeente ermee instemt dat de betreffende rechtspersoon de aanvraag indient en de subsidie ontvangt.

  • 4.

    In afwijking van artikel 4.4, eerste van de AsvpU, wordt bij de subsidieaanvraag slechts het jaarplan gevoegd dat is aangeleverd aan IVN Natuureducatie ter voorbereiding van deze aanvraag.

     

  • 3.

    Artikel 6.5 komt te luiden:

Artikel 6.5 Subsidieplafond

Het subsidieplafond voor het jaar 2026 bedraagt € 165.000,-.

 

E.

 

Hoofdstuk 7 wordt als volgt gewijzigd:

 

  • 1.

    Artikel 7.1.2 Subsidieontvangers (doelgroep), eerste lid komt te luiden:

    • 1.

      Subsidie kan worden verstrekt aan Collectieven voor agrarisch natuurbeheer die deelnemen aan het Platform Groenblauwe dooradering.

  • 2.

    Artikel 7.1.3 komt te vervallen onder vernummering van de artikelen 7.1.4 tot en met 7.1.6 tot artikel 7.1.3 tot en met 7.1.5.

     

  • 3.

    Artikel 7.1.3 (nieuw) komt te luiden:

Artikel 7.1.3 Aanvraag

  • 1.

    Subsidieaanvragen kunnen het gehele jaar worden ingediend.

  • 2.

    De verdeling van het beschikbare budget vindt plaats op basis van volgorde van ontvangst met inachtneming van artikel 2.2 van de AsvpU.

     

  • 4.

    Na artikel 7.1.5 (nieuw) wordt artikel 7.1.6 ingevoegd:

Artikel 7.1.6 Subsidieplafond

Het subsidieplafond voor het jaar 2026 bedraagt € 323.000,-.

 

  • 5.

    Artikel 7.2.2, eerste lid komt te luiden:

    • 1.

      Subsidie kan worden verstrekt aan Collectieven voor agrarisch natuurbeheer die deelnemen aan het Platform Groenblauwe dooradering.

  • 6.

    Artikel 7.2.3 komt te vervallen onder vernummering van de artikelen 7.2.4 tot en met 7.2.6 tot artikel 7.2.3 tot en met 7.2.5.

     

  • 7.

    Artikel 7.2.3 (nieuw) komt te luiden:

Artikel 7.2.3 Aanvraag

  • 1.

    Subsidieaanvragen kunnen het gehele jaar worden ingediend.

  • 2.

    De verdeling van het beschikbare budget vindt plaats op basis van volgorde van ontvangst met inachtneming van artikel 2.2 van de AsvpU.

     

  • 8.

    Na artikel 7.2.5 (nieuw) wordt artikel 7.2.6 ingevoegd:

Artikel 7.2.6 Subsidieplafond

Het subsidieplafond voor het jaar 2026 bedraagt € 392.000,-.

 

F.

 

Artikel 8.6 komt te luiden:

 

Artikel 8.6 Subsidieplafond

Het subsidieplafond voor het jaar 2026 bedraagt € 1.250.000,-.

 

G.

 

Hoofdstuk 10 wordt als volgt gewijzigd:

 

  • 1.

    Artikel 10.3 lid 3 komt te luiden:

     

  • 3.

    Bij de aanvraag worden de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      een omschrijving van het agroforestrysysteem. De omschrijving bevat ook een toelichting op de relatie van de aanplant tot het huidige landbouwsysteem;

    • b.

      het beplantingsplan voor de aan te planten bomen en/of meerjarige houtige gewassen, inclusief de namen van de aan te planten soorten;

    • c.

      een sluitende begroting en dekkingsplan, inclusief bijbehorende offertes;

    • d.

      een kaart met de locatie van de aan te planten bomen en/of meerjarige houtige gewassen op het perceel of de percelen. Dit wordt ingediend in de vorm van een luchtfoto of ander kaartbeeld (.pdf, .jpg of .txt) met daarop duidelijk herkenbaar de locatie en soort van de aan te planten bomen en/of meerjarige houtige gewassen en bijbehorende oppervlaktes weergegeven. Dit mag onderdeel zijn van het beplantingsplan.

  • 2.

    In artikel 10.3 vervalt het vierde lid en wordt lid 5 vernummerd tot lid 4.

     

  • 3.

    Aan artikel 10.4 onderdeel e, worden onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel ii door een puntkomma, de onderdelen iii tot en met v toegevoegd, luidende:

     

    • iii

      bomen en/of meerjarige houtige gewassen voor kweekgoed, zoals kerstbomen;

    • iv

      bomen en/of meerjarige houtige gewassen met als enkel doel hakhout;

    • v.

      bomen en/of meerjarige houtige gewassen waarvan het invasieve karakter ter discussie staat of wordt onderzocht.

  • 4.

    Artikel 10.9 komt te luiden:

Artikel 10.9 Staatssteun

Indien de verlening van een subsidie op grond van dit hoofdstuk kwalificeert als staatssteun als bedoeld in artikel 107, VWEU, wordt deze verleend met inachtneming van artikel 42 van de Landbouwvrijstellingsverordening.

 

H.

 

Hoofdstuk 14 wordt als volgt gewijzigd:

 

  • 1.

    Artikel 14.1.6 komt te luiden:

Artikel 14.1.6 Subsidieplafond

Het subsidieplafond voor het jaar 2026 bedraagt € 500.000,-.

 

  • 2.

    Artikel 14.1.7 komt te luiden:

Artikel 14.1.7 Hoogte van de subsidie

 

  • 1.

    De subsidie bedraagt maximaal € 500.000,-.

     

  • 3.

    Artikel 14.2.6 komt te luiden:

Artikel 14.2.6 Subsidieplafond

Het subsidieplafond voor het jaar 2026 bedraagt € 100.000,-.

 

  • 4.

    Artikel 14.3.6 komt te luiden:

Artikel 14.3.6 Subsidieplafond

Het subsidieplafond voor het jaar 2026 bedraagt € 6.000.000,-.

 

I.

 

Artikel 15.6 komt te luiden:

 

Artikel 15.6 Subsidieplafond

Het subsidieplafond voor het jaar 2026 bedraagt € 50.000,-.

 

J.

 

Artikel 16.5 komt te luiden:

 

Artikel 16.5 Subsidieplafond

Het subsidieplafond voor het jaar 2026 bedraagt € 300.000,-.

 

K.

 

Na hoofdstuk 18 wordt hoofdstuk 19 ingevoegd, dat luidt:

 

Hoofdstuk 19 Kennisdelingsprogramma landbouw

 

Artikel 19.1 Subsidiecriteria

  • 1.

    In het kader van het provinciale meerjarendoel 2.4.1 “De landbouw is meer circulair, natuurinclusief, klimaatneutraal en economisch rendabel” kan subsidie worden verstrekt voor het organiseren en uitvoeren van activiteiten gericht op kennisdeling in de landbouwsector, bestaande uit minimaal twee van de volgende activiteiten:

    • a.

      eenmalige informatiebijeenkomsten;

    • b.

      studiegroepen, die gedurende minimaal twee jaar actief zijn, 3 tot 8 keer per jaar bijeenkomen en bestaan uit 5 tot 20 deelnemers, inclusief meten en monitoren;

    • c.

      één-op-één advisering aan agrariërs, inclusief meten en monitoren;

    • d.

      demonstratie-activiteiten door voorbeeldbedrijven voor groepen landbouwers.

  • 2.

    Subsidie wordt slechts verstrekt als de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, voldoen aan de volgende criteria:

    • a.

      de kennisdeling is specifiek gericht op agrariërs in de provincie Utrecht;

    • b.

      per subsidiabele activiteit draagt de kennisdeling bij aan minstens drie van de volgende doelstellingen, waarvan in ieder geval één uit 1 t/m 4:

      • 1.

        versterken van de biodiversiteit;

      • 2.

        verbeteren van de bodem- en mestkwaliteit;

      • 3.

        verlagen van ammoniakemissies;

      • 4.

        verlagen van broeikasgassen;

      • 5.

        natuurinclusieve- en/of kringlooplandbouw;

      • 6.

        verbeteren van de diergezondheid of het dierenwelzijn;

      • 7.

        verbeteren van de waterkwaliteit en -beheer;

      • 8.

        verbeteren van de circulariteit;

      • 9.

        omgaan met en/of tegengaan van klimaatverandering;

      • 10.

        versterken van het sociaal-maatschappelijk perspectief;

      • 11.

        verdienmodel in combinatie met bovenstaande doelen.

  • 3.

    De kennisdeling wordt door minstens één kennisinstelling of agrarisch adviseur uitgevoerd.

  • 4.

    De kennisinstelling of agrarisch adviseur, bedoeld in het tweede lid, beschikt over aantoonbare inhoudelijke expertise op het gebied van onderwerpen bedoeld in het tweede lid onder b, blijkend uit:

    • a.

      minimaal 2 jaar ervaring in het overdragen van kennis aan agrariërs betreffende het onderwerp/de onderwerpen waar zij/hij op wordt ingezet;

    • b.

      relevante opleidingen of certificeringen, zoals bijvoorbeeld DAW-coaches of een registratie in het BedrijfsAdviseringsSysteem (BAS-register);

    • c.

      publicaties, projecten of samenwerkingen met erkende instellingen.

  • 5.

    De in het derde lid bedoelde kennisinstelling of agrarisch adviseur heeft geen direct commercieel belang bij de toepassing van de geadviseerde maatregelen of producten.

Artikel 19.2 Subsidieontvangers (doelgroep)

  • 1.

    Subsidie kan worden verstrekt aan:

    • a.

      een agrarisch collectief;

    • b.

      een samenwerkingsverband van agrarische collectieven;

    • c.

      één (of een samenwerkingsverband van) agrarische brancheorganisatie(s);

    • d.

      een samenwerkingsverband van minimaal vijf agrariërs, zoals bijvoorbeeld een (agrarische) gebiedscoöperatie;

    • e.

      organisaties, zoals NGO’s, terreinbeheerders, stichtingen, die zich richten op een kennisaanbod voor agrariërs.

  • 2.

    Voor alle subsidieontvangers als bedoeld in het eerste lid geldt dat de eindbegunstigden agrariërs in de provincie Utrecht zijn.

  • 3.

    Als eindbegunstigde van de subsidie worden grote ondernemingen uitgesloten.

Artikel 19.3 Aanvraag

  • 1.

    Subsidieaanvragen kunnen van 1 maart tot en met 31 mei 2026 worden ingediend, waarbij een aanvrager in deze periode één aanvraag mag indienen.

  • 2.

    De verdeling van het beschikbare budget vindt plaats op basis van volgorde van ontvangst met inachtneming van artikel 2.2 AsvpU.

  • 3.

    Bij de subsidieaanvraag worden de volgende gegevens en stukken gevoegd:

    • a.

      Als het een samenwerkingsverband, zoals bedoeld in 19.2.1.b tot en met 19.2.1.d, betreft dient de subsidieaanvraag tevens een door alle partijen ondertekende samenwerkingsovereenkomst van de deelnemende partijen te bevatten. Uit deze overeenkomst blijkt onder meer:

      • i.

        dat de penvoerder door de deelnemende partijen aan het samenwerkingsverband is aangewezen om de aanvraag om subsidie in te dienen en bevoegd is de betaling te ontvangen;

      • ii.

        de verdeling van de verantwoordelijkheden, bevoegdheden en financiële verplichtingen alsook de baten en de lasten van de deelnemende partijen;

      • iii.

        dat het project de instemming van alle deelnemers van het samenwerkingsverband heeft.

    • b.

      Een projectplan met in ieder geval:

      • i.

        een beschrijving van de activiteiten en de wijze waarop wordt voldaan aan de vereisten in dit hoofdstuk;

      • ii.

        de verwachte kwalitatieve effecten van de activiteiten;

      • iii.

        een beknopte beschrijving van de aangeboden kennis, bestaande uit:

        • 1)

          een beschrijving van de inhoud en doelstelling;

        • 2)

          onderbouwing van de deskundigheid van de betrokken kennisinstelling of agrarisch adviseur en hun kwalificaties, als bedoeld onder 19.1.4;

        • 3)

          een toelichting op de methodiek van kennisoverdracht;

      • iv.

        een beschrijving van de manier waarop niet-leden van het agrarische collectief of agrarische brancheorganisatie worden benaderd;

      • v.

        een toelichting van de manier waarop de route- en menukaart wordt geïntegreerd in het kennisaanbod.

    • c.

      Als gebruik wordt gemaakt van een De-minimisverordening, een volledig ingevulde en ondertekende De-minimisverklaring.

Artikel 19.4 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd als het aangevraagde subsidiebedrag minder bedraagt dan € 10.000,-.

 

Artikel 19.5 Verplichtingen

  • 1.

    De subsidieontvanger is verplicht:

    • a.

      de activiteiten, bedoeld in artikel 19.1, uiterlijk eind 2028 te realiseren;

    • b.

      Gedeputeerde Staten kunnen naar aanleiding van een inhoudelijk onderbouwd, schriftelijk verzoek van de subsidieaanvrager, het in lid a. genoemde tijdvak verlengen;

    • c.

      na voltooiing van de subsidiabele activiteiten een overzicht te maken van het aantal voltooide subsidiabele activiteiten (inclusief inhoudelijke onderwerpen), aantal deelnemers per activiteit en namen van de betrokken adviseurs en/of kennisinstellingen;

    • d.

      na voltooiing van de subsidiabele activiteiten een financiële verantwoording van alle subsidiabele kosten aan te leveren;

    • e.

      bij studiegroepen en meerjarige activiteiten: een jaarlijkse rapportage aan te leveren aan de provincie voor 1 februari;

    • f.

      een inhoudelijke en didactische evaluatie van de activiteiten door de deelnemers te doen uitvoeren, op basis waarvan de kennisinstelling aanbevelingen doet. Een rapport met een samenvatting van de evaluaties en de aanbevelingen wordt naar de provincie gestuurd;

    • g.

      te rapporteren over de kwalitatieve effecten van de activiteiten, bijvoorbeeld deelname aan de UMDL en/of verbeteringen ten aanzien van KPI’s UMDL;

    • h.

      indien sprake is van activiteiten als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, onder c, dan dienen ook de verklaringen van de eindbegunstigden (de agrariërs) te worden overgelegd, waaruit blijkt dat de maximale steunbedragen als opgenomen in artikel 22, achtste en negende lid, van de LVV niet zijn overschreden.

  • 2.

    Als de subsidie door een (samenwerkingsverband van) een agrarisch collectief en/of agrarische brancheorganisatie wordt aangevraagd, dan moeten ook niet-leden benaderd worden voor deelname aan de activiteiten.

Artikel 19.6 Subsidieplafond

Het subsidieplafond voor 2026 bedraagt € 1,6 miljoen.

 

Artikel 19.7 Hoogte van de subsidie

  • 1.

    Het minimale subsidiebedrag per aanvraag bedraagt € 10.000,-.

  • 2.

    De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten en:

    • a.

      maximaal € 1.000,- per eenmalige informatiebijeenkomst;

    • b.

      minimaal € 5.000,- en maximaal € 48.000,- per studiegroep per jaar, waarbij een maximum van € 350,-per deelnemer per bijeenkomst geldt;

    • c.

      maximaal € 80,- per uur en maximaal 6 uur voor één-op-één advisering per agrariër per jaar;

    • d.

      maximaal € 1.500,- per demonstratieactiviteit voor een groep landbouwers.

  • 3.

    De kosten ten behoeve van meten en monitoren gerelateerd aan de subsidiabele activiteiten bedragen maximaal 80% van de hieraan verbonden kosten.

Artikel 19.8 Subsidiabele kosten

  • 1.

    De volgende kosten voor de activiteiten, bedoeld in artikel 19.1.1 zijn subsidiabel, mits deze aantoonbaar zijn en voldoen aan artikel 4.8 van de AsvpU en de Beleidsregel projectsubsidies:

    • a.

      kosten voor inzet van eigen personeel, externe inhuur en uitbesteding van diensten;

    • b.

      kosten voor materialen, hulpmiddelen en huur van apparatuur en locaties;

    • c.

      kosten voor vrijwilligers voor zover er daadwerkelijk een vergoeding voor wordt betaald tot een maximum van wat belastingvrij kan worden uitgekeerd.

  • 2.

    De volgende kosten zijn niet subsidiabel:

    • a.

      interne loonkosten van een gemeente of waterschap;

    • b.

      kosten voor aanschaf van machines.

Artikel 19.9 Staatssteun

Voor zover bij de verlening van een subsidie op grond van dit hoofdstuk regeling sprake is van staatssteun als bedoeld in artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), wordt deze verleend met inachtneming van:

  • a.

    de Landbouwvrijstellingsverordening (LVV) (Verordening (EU) nr. 2022/2472, met name artikel 21 voor wat betreft de activiteiten bedoeld in artikel 19.1 onder a, b en d;

  • b.

    de Landbouwvrijstellingsverordening (LVV) (Verordening (EU) nr. 2022/2472, met name artikel 22 voor wat betreft de activiteiten bedoeld in artikel 19.1 onder c; of

  • c.

    de van toepassing zijnde De-minimisverordening.

L.

 

Hoofdstuk 19 wordt hernummerd naar Hoofdstuk 20.

 

M.

 

Onder Ondertekening wordt ingevoegd:

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van Gedeputeerde Staten van Utrecht van 10 december 2024,

Gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht,

 

Voorzitter,

 

mr. J.H. Oosters

 

Secretaris,

 

mr. drs. A.G. Knol-van Leeuwen

 

N.

 

In de bijlage bij Hoofdstuk 1 artikel 1.1 Begripsbepalingen worden op alfabetische volgorde ingevoegd:

  • -

    BAS-register: BedrijfsAdviseringsSysteem; een lijst van bedrijfsadviseurs die voldoen aan de eisen die de EU stelt aan advisering inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. Deze adviseurs moeten voldoen aan strenge criteria, waaronder een vijfjarige ervaring als bedrijfsadviseur en een opleiding op minstens HBO-niveau.

  • -

    circulariteit: het zuinig omgaan met grondstoffen, sluiten van kringlopen en duurzaam gebruik van hulpbronnen bevorderen

  • -

    demonstratieactiviteit: activiteiten waarbij voorbeeldbedrijven kennis overbrengen in de vorm van voorlichtingsacties aan groepen van landbouwers

  • -

    route- en menukaart: de routekaart melkveehouderij Natuurinclusieve Kringlooplandbouw en bijbehorende menukaart bieden een overzicht van concrete maatregelen die boeren kunnen nemen om hun bedrijfsvoering te verduurzamen, emissies te verminderen en hun prestaties op relevante UMDL KPI’s te verbeteren via vakmanschap, kennisdeling en gerichte investeringen.

  • -

    voorbeeldbedrijven: voor melkveehouderij en fruittelers: bedrijven die meer dan 1.500 punten scoren op de UMDL. Voor de andere agrarische sectoren; bedrijven die meerdere jaren meedoen aan een meet- of monitoringsprogramma van een universiteit, kennisinstelling, overheid of NGO op het gebied van duurzame landbouw (natuurinclusieve kringlooplandbouw).

  • -

    DAW bodem- en watercoaches: coaches van het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer.

O.

 

De Bijlage bij hoofdstuk 6 Groen doet Goed vervalt.

 

P.

 

De toelichting wordt als volgt gewijzigd:

 

  • 1.

    Aan de toelichting wordt onder de toelichting op Artikel 1.6 toegevoegd:

Artikel 1.7 lid 3

 

Met deze bepaling wordt benadrukt dat de provincie het belangrijk vindt dat bij de uitvoering van gesubsidieerde activiteiten aandacht wordt besteed aan circulariteit. Daarmee sluiten we aan bij de provinciale ambitie om de transitie naar een circulaire economie te versnellen. Circulariteit gaat uit van het zo hoogwaardig mogelijk benutten van grondstoffen en het voorkomen van verspilling.

 

Van subsidieontvangers wordt verwacht dat zij bij de uitvoering van hun activiteiten en de besteding van middelen nadenken over hoe zij het gebruik van grondstoffen kunnen beperken en negatieve milieueffecten kunnen verminderen. Dit kan op verschillende manieren vorm krijgen, bijvoorbeeld door hergebruik van materialen of het beperken van afvalstromen.

 

De bepaling is niet bedoeld als strikte verplichting met concrete prestatie-eisen, maar als stimulans om binnen de mogelijkheden van het project invulling te geven aan de principes van circulariteit. Op deze manier draagt iedere gesubsidieerde activiteit, groot of klein, bij aan de bredere duurzaamheidsdoelstellingen van de provincie.

 

  • 2.

    De tweede alinea onder hoofdstuk 7 Kleine landschapselementen paragraaf 7.1 wordt vervangen door:

De agrarische collectieven fungeren als loket voor de subsidie voor aanleg en herstel van kleine landschapselementen. Iedereen met agrarische grond in eigendom kan vervolgens bij het agrarisch collectief aankloppen voor subsidie. Dit levert schaalvoordeel op, omdat de collectieven landschapselementen bij verschillende deelnemers tegelijkertijd kunnen aanleggen.

Om als agrarisch collectief in aanmerking te komen voor subsidie is deelname aan het Platform Groenblauwe dooradering verplicht. Vijf van de zeven Utrechtse collectieven zijn lid; de overige twee kiezen ervoor geen lid te worden, wat te maken heeft met de geringe oppervlakte die zij hebben in de provincie Utrecht. Het staat beide open om alsnog lid te worden.

 

Op dit moment zijn dat de volgende collectieven: Boerennatuur Rijn, Vecht & Venen, Agrarische Natuur en Landschapsvereniging De Lopikerwaard e.o., Coöperatie BoerenNatuur Utrecht Oost U.A., Collectief Alblasserwaard Vijfheerenlanden Coöperatie U.A. en Collectief Eemland. De agrarische collectieven hebben een actieve rol in het Platform Groenblauwe dooradering, en werken samen met gemeenten, provincie en andere betrokkenen aan een mooier landschap. De agrarische collectieven zoeken hiervoor samen met gemeenten uit het platform naar geïnteresseerde deelnemers die een landschapselement willen aanleggen of herstellen. Ze ontzorgen de deelnemers bij het aanleggen of herstellen van landschapselementen en zorgen ervoor dat er een contract agrarisch natuurbeheer wordt afgesloten, om langdurig behoud en voldoende onderhoud te waarborgen. De collectieven kunnen vanuit hun rol in het agrarisch natuur- en landschapsbeheer ook beheersubsidie voor de betreffende terreinen aanvragen.

 

  • 3.

    De eerste alinea onder Paragraaf 7.2 Aanleg van kleine landschapselementen met functieverandering van grond komt te luiden:

Deze paragraaf is bedoeld om de doelgroep agrariërs en eigenaren van landgoederen te ondersteunen. De regeling in paragraaf 7.1 blijkt vooral gebruikt te worden voor particulieren met (veel) eigen grond, maar ook de agrariër en landgoedeigenaar willen we stimuleren kleine landschapselementen aan te leggen. Die doelgroep heeft aangegeven dat door de waardevermindering van de grond als gevolg van functieverandering mee te subsidiëren het aantrekkelijker wordt kleine landschapselementen aan te leggen. Ook deze paragraaf is gebaseerd op de Catalogus Groenblauwe Diensten. De uitvoering is gelijk aan die van paragraaf 7.1: Agrarische collectieven die deelnemen aan het Platform Groenblauwe dooradering zijn aanvragers en begunstigden van deze subsidie en de deelnemers aan deze collectieven zijn de eindbegunstigden.

 

  • 4.

    De tekst vanaf Hoofdstuk 10 Agroforestry Algemene toelichting tot Hoofdstuk 11 Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw Melkveehouderij komt te luiden:

Hoofdstuk 10 Agroforestry

 

Algemene toelichting

Agroforestry draagt bij aan de omschakeling van de landbouwsector naar een meer natuurinclusieve en toekomstbestendige bedrijfsvoering en kan daarbij ook bijdragen aan de doelstellingen ten aanzien van bodemkwaliteit, biodiversiteitsherstel en/of natuur(kwaliteit), klimaatadaptatie, klimaatmitigatie, waterkwaliteit, luchtkwaliteit, landschapsherstel, voedselproductie, sociaaleconomische weerbaarheid, recreatie en dierenwelzijn. Ook draagt agroforestry bij aan de realisatie van de Groenblauwe dooradering, zoals aangegeven in ‘Groenblauwe dooradering nader gedefinieerd’ van Deltaplan Samen voor biodiversiteitsherstel.

 

Agroforestry omvat veel verschillende vormen, welke op grond van de combinatie met andere vormen van landbouw kunnen worden onderverdeeld in drie categorieën:

  • 1.

    Voedselbos: Een door mensen ontworpen productief ecosysteem van minimaal 0,5 ha naar het voorbeeld van een natuurlijk bos, met een hoge diversiteit aan meerjarige en/of houtige soorten, waarvan delen (vruchten, zaden, bladeren, stengels e.d.) voor de mens als voedsel dienen. Dit systeem bevat minstens:

    • a.

      een kruinlaag van hogere bomen;

    • b.

      minimaal drie van de andere vegetatielagen van respectievelijk lagere bomen, struiken, kruiden, bodembedekkers, ondergrondse gewassen en klimplanten;

    • c.

      een rijk bosbodemleven.

  • 2.

    Silvo-pastoraal (bomen en grasland): Een teeltmethode met productieve of niet-productieve bomen en/of struiken als voedergewas, afscheiding of voedselproductie in of om grasland.

  • 3.

    Silvo-arable (gewassen en bomen): Een teeltmethode met productieve of niet-productieve bomen en/of struiken in combinatie met akkerbouw en/of groenteteelt.

Voor de structuur en samenstelling van agroforestry zijn de plaatselijke bodem- en klimaatgesteldheid, milieuomstandigheden en landschapskenmerken van belang.

 

Artikelsgewijze toelichting

 

Artikel 10.1.2 a

De oppervlakte bestaat uit het gehele perceel waar agroforestry elementen om of op geplant worden en waar sprake is van de combinatie van bomen/struiken met het primaire landbouwsysteem. Voor een voedselbos geldt de oppervlakte van de gehele aanplant.

 

Artikel 10.8.b

Onder de kosten voor de aankoop van toebehoren voor de aanleg en instandhouding van agroforestry worden bijvoorbeeld verstaan afrastering om vraatschade tegen te gaan, boompalen, of hulpmiddelen om water te geven.

 

Artikel 10.8.e

Advies en ondersteuning ten behoeve van het aanslaan en een goede opbouw van de aanplant is bedoeld voor adviezen en activiteiten die nodig zijn om de aanplant goed op te starten met de juiste opbouwsnoei (vruchtdragende soorten) en voor een goede systeemopbouw (combinatieteelten).

 

  • 5.

    In de tekst onder Artikel 11.5 Verplichtingen wordt 20.000,- vervangen door € 50.000,-.

     

  • 6.

    In de tekst onder Artikel 12.5 Verplichtingen wordt 20.000,- vervangen door € 50.000,-.

     

  • 7.

    Aan de toelichting wordt toegevoegd:

Hoofdstuk 19 Kennisdelingsprogramma landbouw

 

Algemene toelichting

Kennisuitwisseling speelt een essentiële rol bij het ondersteunen van agrariërs in Utrecht die willen overstappen naar een duurzamere bedrijfsvoering. In de provincie zijn er diverse initiatieven en netwerken actief die zich richten op het verspreiden van informatie over landbouw, voedsel en het vergroten van de aandacht voor natuur en biodiversiteit. Dit hoofdstuk biedt de mogelijkheid tot subsidie voor integrale kennisdeling aan agrarische bedrijven. Door onafhankelijke kennisdeling te stimuleren, helpt de provincie agrariërs om weloverwogen keuzes te maken over duurzame landbouwpraktijken en deze succesvol toe te passen binnen hun eigen bedrijf.

 

De subsidieregeling biedt ruimte voor vier verschillende typen kennisactiviteiten:

  • eenmalige informatiebijeenkomsten;

  • studiegroepen;

  • één-op-één advisering aan agrariërs;

  • demonstratieactiviteiten.

Het is aan te raden aan om de route- en menukaart te gebruiken in de kennisoverdracht naar agrariërs omdat dit een goede tool is die agrariërs kan helpen op weg naar natuurinclusieve kringlooplandbouw. De route- en menukaart zijn te verkrijgen via vraagbaaklandbouw @provincie-utrecht.nl of de agrarische natuurcollectieven binnen de provincie Utrecht.

 

Om de kwaliteit van de kennisoverdracht te borgen, is samenwerking met ten minste één kennisinstelling of adviseur vereist.

Agrarische collectieven en brancheorganisaties vervullen een actieve rol bij het indienen van subsidieaanvragen omdat dit de betrokkenheid van agrariërs versterkt. Daarnaast zijn zij door hun bredere perspectief in staat om aanvragen efficiënt en vanuit een overkoepelende visie te coördineren.

 

Relatie met andere subsidieregelingen

Deze subsidie kan gecombineerd worden met andere regelingen die gericht zijn op innovatie en verduurzaming in de landbouw. Het is bijvoorbeeld mogelijk om naast deze subsidie ook gebruik te maken van regelingen voor investeringen in duurzame technologieën of voor onderzoek en ontwikkeling. Het combineren van verschillende subsidies kan bijdragen aan een integrale aanpak van verduurzaming en innovatie in de landbouwsector. Het is niet mogelijk dezelfde activiteit of maatregel dubbel te laten financieren door overheden. In de verantwoording van de subsidies moet dit duidelijk worden gemaakt.

 

Relatie tot de subsidieregeling bedrijfsplannen

Binnen de context van verduurzaming en een gezonde bedrijfsvoering is er een regeling in ontwikkeling die agrariërs ondersteunt bij het opstellen van bedrijfsplannen. Deze plannen zijn gericht op diverse aspecten, zoals water- en bodembeheer en het ecologisch beheer van sloten. Op deze manier wordt maatwerk mogelijk gemaakt, afgestemd op de specifieke situatie van ieder bedrijf.

 

Het kennisdelingsprogramma sluit aan bij onderwerpen die ook in de bedrijfsplannen aan bod komen. Het verschil is echter dat bedrijfsplannen omvangrijker en uitgebreider zijn. Ze bieden een veel intensievere begeleiding, specifiek gericht op de individuele agrariër en diens bedrijfsvoering. Waar het kennisdelingsprogramma zich richt op het verspreiden van kennis en het ondersteunen van een bredere doelgroep, zijn bedrijfsplannen juist bedoeld om concrete maatregelen en doelen te formuleren voor het betreffende bedrijf.

 

Relatie tot de regeling kennisnetwerken

De regeling tegemoetkoming kosten kennisnetwerken gaat over het ondersteunen van een aantal specifieke kennisnetwerken van agrariërs die zich organiseren rond een bepaald thema, deelsector of gebied. Elk kennisnetwerk heeft een eigen profiel en bijbehorende opgaven als het gaat om de beoogde verduurzaming. Hoewel deze regeling dus ook over kennis gaat, gaat dit vooral om het creëren van kennis. Agrariërs ontwikkelen kennis met elkaar. Dit verschilt wezenlijk van het kennisdelingsprogramma.

 

Artikelsgewijze toelichting

 

Artikel 19.1

Om in aanmerking te komen voor subsidie, moet de aanvrager aantonen dat zij/hij samenwerkt met een geschikte partij die over voldoende onafhankelijke en integrale deskundigheid beschikt om kennis over te dragen aan andere agrariërs. Dit kan bijvoorbeeld door het overleggen van relevante certificaten, het aantonen van ervaring met het geven van trainingen of het samenwerken met erkende kennisinstellingen. Het is van belang dat de aanvrager een gedegen plan van aanpak indient waarin duidelijk wordt hoe de demonstratieactiviteiten zullen worden uitgevoerd en welke resultaten ten aanzien van natuurinclusieve kringlooplandbouw worden beoogd.

 

De subsidiabele activiteiten moeten bijdragen aan de doelen van het kennisprogramma en een breed bereik hebben onder de doelgroep. Doordat de activiteit over minstens 3 onderwerpen, beschreven in 19.1.2, moeten gaan wordt de integraliteit van de kennis gewaarborgd.

 

Artikel 19.1.1.c

De maximale (uur)tarieven uit de Beleidsregel projectsubsidies op grond van de Algemene subsidieverordening provincie Utrecht 2022 zijn van toepassing op deze subsidie.

 

Agrariërs moeten in de gaten houden of ze mogelijk niet al via andere routes steun hebben ontvangen voor één-op-één advisering.

 

Artikel 19.9

De activiteiten zoals bedoeld in artikel 19.1 onder a, b en d kunnen vrijgesteld worden onder artikel 21 van de LVV. De activiteiten zoals bedoeld in artikel 19.1 onder c kunnen vrijgesteld worden onder artikel 22 van de LVV. Voor de overige activiteiten geldt dat gebruikt gemaakt kan worden van de reguliere De-minimisverordering of de landbouw De-minimisverordening. Hiertoe dient de begunstigde een ingevulde en ondertekende de-minimisverklaring te overleggen.

Artikel II Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2026.

Aldus vastgesteld in de vergadering van Gedeputeerde Staten van Utrecht van 25 november 2025,

Gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht,

Voorzitter,

mr. J.H. Oosters

Secretaris,

mr. drs. A.G. Knol-van Leeuwen

Naar boven