Beleidsregel van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân (13 oktober 2025; GS 005903) houdende regels omtrent de derde fase meerjarenafspraken handkokkelvisserij in de Waddenzee 2026-2032

GEDEPUTEERDE STATEN van FRYSLÂN:

 

Overwegende,

 

1.

 

dat in verband met de vergunningverlening voor de handmatige kokkelvisserij in de Waddenzee gewenst is beleid vast te stellen;

 

2.

 

dat deze bevoegdheid aan gedeputeerde Staten van Fryslân toekomt op grond van art. 5.1 van de Omgevingswet;

 

3.

 

dat met de betrokken partijen, te weten Op Handkracht Verder (visserijorganisatie), Coalitie Wadden Natuurlijk (gezamenlijke natuurorganisaties Waddengebied) en Ministerie van LVVN, nieuwe

meerjarenafspraken zijn gemaakt over ecologische en economische uitgangspunten voor een duurzame handkokkelvisserij;

 

4.

 

dat gedeputeerde staten op 13 oktober 2025 hebben besloten om:

 

a.

 

in te stemmen met de onder 3 bedoelde meerjarenafspraken;

 

b.

 

deze meerjarenafspraken te gebruiken als beleidskader bij de onder sub 1 bedoelde vergunningverlening;

 

c.

 

gedeputeerde Kooistra volmacht te verlenen de afspraken te ondertekenen.

 

5.

 

dat gedeputeerde staten op datum conform besluit 4b hebben besloten om de derde fase meerjarenafspraken handkokkelvisserij in de Waddenzee 2026-2032 als beleidsregel vast te stellen en bekend te maken.

 

Gelet op artikel 4:81, lid 1 en 4:83 van de Algemene wet Bestuursrecht,

 

Besluiten:

 

I.

 

Het onder sub 5 bedoelde besluit te publiceren in het Provinciaal Blad van Fryslân;

 

II.

 

te bepalen dat dit besluit in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst.

Derde fase meerjarenafspraken handkokkelvisserij in de Waddenzee 2026 2032

 

In 2011 hebben de provincie Fryslân, de Vereniging van handkokkelvissers Op Handkracht Verder (OHV), de Coalitie Wadden Natuurlijk en het Ministerie van LNV (nu LVVN) een overeenkomst gesloten met betrekking tot de uitvoering van en de vergunningverlening voor de handmatige kokkelvisserij in de Waddenzee. Deze afspraken zijn in 2018 geëvalueerd en hebben geleid tot de tweede fase aan Meerjarenafspraken. In die overeenkomst is vastgelegd dat deze afspraken uiterlijk in 2024 zouden worden geëvalueerd. Deze evaluatie is in 2024 onder begeleiding van de Projectgroep Handkokkelvisserij uitgevoerd waarin alle betrokkenen vertegenwoordigd zijn. Het project werd begeleid door adviesbureau Wing. Op basis van de resultaten van deze evaluatie is door de projectgroep een voorstel voor meerjarenafspraken voor de periode 2026-2032 ontwikkeld. In een Bestuurlijk Overleg gehouden op 26 juni 2025 zijn alle partijen akkoord gegaan met dit voorstel.

 

Op basis van het voorstel van de Projectgroep Handkokkelvisserij komen de provincie Fryslân, de Vereniging van handkokkelvisser Op Handkracht Verder, de Coalitie Wadden Natuurlijk en het Ministerie van LVVN het volgende overeen:

 

Algemeen

 

1.

 

De partijen constateren dat het systeem van vergunningverlening in de afgelopen jaren goed heeft gefunctioneerd. De maximaal op te vissen hoeveelheid is jaarlijks vastgesteld op basis van de afspraak dat het quotum 2,5 % van het oogstbare bestand bedraagt. Door het gehanteerde lotingssysteem is sprake geweest van spreiding van de visserij over de overeengekomen lotingsgebieden. Partijen constateren dat in bepaalde jaren in bepaalde deelgebieden sprake is geweest van concentratie van de visserij. Op basis van onderzoek en onderlinge overeenstemming constateren de deelnemende partijen dat de gemaakte afspraken in belangrijke mate bijdragen aan het mitigeren van mogelijke effecten van deze geconcentreerde visserij, al kunnen effecten op vogels niet volledig worden uitgesloten.

 

2.

 

De partijen hebben de gezamenlijke wens om door middel van het vastleggen van afspraken in een meerjarig afwegingskader ook in de komende jaren te komen tot een toekomstbestendige handkokkelvisserij met zo min mogelijk effecten op de natuur en om juridische procedures te voorkomen.

 

3.

 

De bevoegde gezagen zullen de lange termijn afspraken als beleidsregel hanteren bij de toepassing van hun bevoegdheden (de Provincie Fryslân in het kader van Omgevingswet, het Ministerie van LVVN in het kader van de visserijwetgeving) resp. in het handelen van OHV en CWN rond de handkokkelvisserij.

 

4.

 

De meerjarenafspraken zoals vastgelegd in 2011 zijn overgenomen in het afwegingskader handkokkelvisserij zoals dat is opgenomen in het Natura2000 Beheerplan Waddenzee 2016-2022, dat inmiddels verlengd is tot 2028. Partijen zullen de meerjarenafspraken 2026-2032 gebruiken als input voor het nieuw op te stellen Beheerplan Waddenzee dat uiterlijk vanaf 2028 van kracht zal worden.

 

Meerjarenafspraken handkokkelvisserij

 

De partijen hanteren de volgende uitgangspunten voor de vergunningverlening in het kader van de Omgevingswet

 

5.

 

De sector is sterk gebaat bij continuïteit, met name voor de vershandel, en mag ook in jaren met minder kokkels een (beperkte) hoeveelheid kokkels oogsten. In alle jaren zonder overmatige zomersterfte geldt: quotum van 2,5 % van de totale, op 1 september aanwezige, hoeveelheid kokkels (vleesgewicht) in dichtheden hoger dan 50 per m2.

 

5.1.

 

Jaarlijks wordt na de zomer een herbemonstering uitgevoerd. Bij een geconstateerde zomersterfte1 van meer dan 50% (=overmatige zomersterfte) wordt het quotum aangepast op basis van 2.5% van de herbemonsterde schatting van het bestand in dichtheden hoger dan 50/m2.

 

6

 

Voor de uitvoering van de meerjarenafspraken is het, met het oog op het aanbod van voldoende voedsel voor vogels in de winter, belangrijk om het onderscheid te maken tussen arme en rijke jaren. Als het kokkelbestand minder 21 miljoen kg kokkelvlees bedraagt dan is er sprake van een voedselarm jaar. Als het kokkelbestand meer dan 28 miljoen kg kokkelvlees bedraagt dan is er sprake van een voedselrijk jaar. Wanneer het kokkelbestand tussen deze waarde ligt, dan is het oppervlakte van litorale schelpdierbanken bepalend voor het onderscheid tussen een arm en een rijk voedseljaar. In dat geval wordt het oppervlakte litorale schelpdierbanken gecombineerd met het kokkelbestand om tot een voldoende voedselbeschikbaarheid te komen op basis van eerder onderzoek naar voedselreservering voor scholeksters (zie voetnoot2 ).

 

6.1

 

In het geval er sprake is van een jaar met overmatige zomersterfte tellen de 0-jarige kokkels, die zijn gemeten bij de herbemonstering, mee in de bestandsschatting en daarmee in het vast te stellen quotum voor de handkokkelvissers. Dit extra quotum mag, met het oog op de voedselbeschikbaarheid voor vogels in de winter, pas na 1 april in het daaropvolgende jaar worden benut.

 

7.

 

Het aantal vissers dat tegelijkertijd actief mag zijn, wordt door middel van loting in een deel van de Waddenzee beperkt. Het is de vissers niet toegestaan om zonder toestemming van het bestuur na loting over te stappen op een ander vaartuig. Dit wordt schriftelijk meegedeeld bij het vaststellen van de loting en door de vissers onderling op toegezien. In het visplan zal dit ook worden opgenomen.

 

8.

 

Voor de handkokkelvisserij wordt uitgegaan van een verdeling van de Waddenzee in drie verschillende type gebieden : A-, C- en D-gebieden3.

 

A-gebieden zijn gebieden die voor de handkokkelvisserij permanent gesloten zijn.

 

C-gebieden zijn ook belangrijk voor vogels maar onmisbaar voor de visserij. Deze liggen iets verder weg van de eilanden en hoogwatervluchtplaatsen. In deze gebieden mag in kokkelarme jaren door een beperkt (max. 2 vaartuigen) - en in kokkelrijke jaren door een groter aantal vergunninghouders worden gevist (max. 3 vaartuigen).

 

In D-gebieden mag te allen tijde, dus ook in kokkelarme jaren, door alle vergunninghouders worden gevist. Hier wordt niet geloot.

 

9.

 

Bij het bepalen van de te bevissen gebieden en banken wordt rekening gehouden met de leeftijd van de aanwezige kokkels. Banken waar visbare kokkels samen voorkomen met veel jonge aanwas worden zoveel mogelijk uitgesloten van bevissing teneinde de jonge kokkels zoveel mogelijk te sparen. In het visplan wordt toegelicht hoe op met deze bepaling is omgegaan.

 

10.

 

In het visplan wordt opgenomen dat indien er sprake is van ijsgang in de Waddenzee de visserij tijdelijk wordt stopgezet.

 

11.

 

De partijen voorzien een toename van het bestand van de Filipijnse tapijtschelp (Ruditapes philippinarum) in de Waddenzee. Partijen verwachten dat deze soort van invloed zal zijn op het voedselaanbod voor vogels in de Waddenzee en de uitvoering van de handkokkelvisserij. Partijen achten het van groot belang dat onderzoek wordt uitgevoerd en meer kennis ontwikkeld. Er zou een onderzoeksagenda opgesteld moeten worden die onder meer inhoudt dat er een goede bestandschatting wordt gedaan en er wordt gekeken hoeveel scholekster en andere vogels gebruik maken van deze soort. Tevens moet worden gekeken naar de rol van deze soort in het voedselweb van de Waddenzee en de relatie met de handkokkelvisserij. Afhankelijk van de uitkomsten van dit onderzoek maken de partijen aanvullende afspraken, waarbij deze nieuwe soort onderdeel uit gaat maken van deze beleidsregel.

 

12.

 

Op grond van bestaande regelgeving is het aantal vergunninghouders gemaximeerd op 31 (21 traditionele, overdraagbare vergunningen en 10 additionele, niet overdraagbare vergunningen). Een vermindering is aan de orde als het aantal additionele vergunningen afneemt.

 

13.

 

Houders van een additionele vergunning voor de handkokkelvisserij hebben op basis van de Visserijwet de verplichting om 50% van de gemiddelde vangst aan te landen. In kokkelarme jaren, zoals bepaald in artikel 6, is deze vangstverplichting niet langer van kracht.

 

14.

 

De projectgroep in de huidige samenstelling rapporteert periodiek aan de bestuurlijke vertegenwoordigers van de partijen over de voortgang van deze afsprakenkader. De projectgroep overlegt minimaal twee keer per jaar, de bestuurlijke vertegenwoordigers overlegt minimaal een keer per jaar.

 

Organisatie vervolg en evaluatie

 

15.

 

Partijen spreken in dit afsprakenkader af dat er jaarlijks afstemming is over de inhoud van de komende vergunning en/of over de visserij in het voorgaande seizoen. Eventueel aanpassingen in de begrenzing van de deelgebieden kunnen hierbij horen.

 

16.

 

OHV werkt jaarlijks, na afloop van het visseizoen, de vangsten van het voorafgaande visseizoen per deelgebied uit en maakt deze uitwerking beschikbaar voor de andere partijen. De indeling van de Waddenzee in deelgebieden wordt door partijen in overleg vastgesteld.

 

17.

 

Deze meerjarenafspraken worden uiterlijk in 2031 geëvalueerd.

 

Voetnoten:

 

1

 

Wageningen Marine Research voert deze bemonstering in opdracht van het ministerie van LVVN uit. Zij stelt, op basis van het kokkelbestand dat resteert na de zomer, vast hoeveel sterfte er is opgetreden

 

2

 

Uitgangspunt is dat er voor een individuele scholekster 200 kg schelpdiervlees beschikbaar moet zijn om de winter door te komen. Op basis van het Natura2000instandhoudingsdoel geldt voor de Waddenzee een opgave voor een draagkracht voor 140.000 scholeksters, oftewel een voedselbehoefte van 28 miljoen kg vlees. In dit kader wordt ervan uitgegaan dat een hectare pure mosselbank 35 scholeksters kan herbergen en voeden. Dit betekent dat 1.000 hectare pure mosselbanken 35.000 vogels kunnen herbergen. Dit komt bij een ecologische voedselbehoefte van 200 kg vlees per vogel neer op het equivalent van 7 miljoen kg kokkelvlees. Bij afwezigheid van mosselbanken dient de grens voor een voedselarm jaar dus te verschuiven van 21 miljoen kg naar 28 miljoen kg kokkelvlees. Zijn er wel mosselbanken maar minder dan 1000 hectare pure mosselbanken aanwezig dan dient de grens 7 miljoen kg minus de hoeveelheid voor de vogels die de aanwezige banken kunnen herbergen op te schuiven. Voor pure mosselbanken (>95%), voornamelijk mosselbanken (>50%), voornamelijk oesterbanken (>50%), en pure oesterbanken (>95%), wordt er daarbij vanuit gegaan dat deze respectievelijk 35, 25, 15, en 10 scholeksters kunnen herbergen.

 

3

 

De oorspronkelijke B-gebieden (het Balgzand en een visgebied ten zuiden van Vlieland) zijn ingetrokken en omgezet naar A-gebieden

Naar boven