Besluit van Gedeputeerde Staten van Utrecht van 11 november 2025, nr. UTSP-814175531-1633 tot wijziging van de Subsidieregeling Groene, gezonde en klimaatbestendige steden en dorpen 2025-2027

Gedeputeerde Staten van Utrecht;

 

Gelet op artikel 1.4 van de Algemene subsidieverordening provincie Utrecht 2022,

 

Overwegende dat het wenselijk is de Subsidieregeling Groene, gezonde en klimaatbestendige steden en dorpen 2025-2027 te wijzigen om een nieuwe paragraaf toe te voegen naar aanleiding van deelname aan het landelijke programma Werklandschappen van de Toekomst, waarbij het opzetten van een voucherregeling voor ondersteuning van bedrijventerreinen onderdeel van de deelname is, en om een aantal inhoudelijke wijzigingen aan de bestaande paragrafen door te voeren;

 

Besluiten:

Artikel I  

De Subsidieregeling Groene, gezonde en klimaatbestendige steden en dorpen 2025-2027 wordt als volgt gewijzigd:

 

A.

 

Artikel 1.1 wordt als volgt gewijzigd:

 

  • 1.

    Onder verlettering van de onderdelen d tot en met v tot e tot en met w wordt na onderdeel c een nieuw onderdeel ingevoegd, luidende:

    • d.

      bedrijventerrein: een terrein van minimaal 1 hectare bruto dat vanwege zijn bestemming bestemd en geschikt is voor gebruik door handel, nijverheid, industrie en commerciële en niet-commerciële dienstverlening, met uitzondering van een terrein voor grondstoffenwinning, olie- en gaswinning, terrein voor waterwinning, terrein voor agrarische doeleinden, terrein voor afvalstort en terreinen met laad- en/of loskade langs diep vaarwater toegankelijk voor grote zeeschepen. De provincie Utrecht maakt binnen werklocaties het onderscheid tussen winkelgebieden, kantorenterreinen en bedrijventerreinen. Welke werklocaties vallen onder de noemer bedrijventerreinen is aangegeven op de kaart “Bedrijventerreinen” op de Atlas van de provincie Utrecht;

  • 2.

    Onderdeel p (nieuw) komt te luiden:

    • p.

      lage SES wijken: wijken of buurten waar bewoners gemiddeld een lage sociaal-economische status (SES-WOA) hebben, die op de kaart “Versteende wijken en lage SES wijken” op de Atlas van de provincie Utrecht het label “lage SES” hebben;

  • 3.

    Onder verlettering van onderdelen q (nieuw) tot en met w (nieuw) tot r tot en met x, wordt na onderdeel p een nieuw onderdeel ingevoegd, luidende:

    • q.

      programma Werklandschappen van de Toekomst: een landelijk programma vanuit de stichting Werklandschappen van de Toekomst met als doel de transitie van grijze naar groene, gezonde en klimaatbestendige bedrijventerreinen te versnellen. De provincie Utrecht is aangesloten bij dit programma als deelnemer voor pakket A en kent zodoende één Living Lab en twee Ambassadeursterreinen binnen de kaders van dit programma en zet zich in op andere onderdelen van dit programma, zoals een voucherregeling voor bedrijventerreinen;

  • 4.

    Onderdeel x (nieuw) komt te luiden:

    • x.

      versteende wijken: wijken of buurten die volgens de kaart Groene stad groenlabel F hebben.

B.

 

Aan artikel 1.2 wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

 

  • d.

    de proceswerkzaamheden voorafgaand aan de fysieke uitvoering van vergroening van een bedrijventerrein in de provincie Utrecht (paragraaf 5).

C.

 

Artikel 1.3, tweede lid, komt te luiden:

 

  • 2.

    In geval van een groen beplantingsvlak, een groen schoolplein, een groen dak, of ander groen element geldt bovendien voor de binnen de activiteit aan te brengen beplanting dat:

    • a.

      deze niet invasief is;

    • b.

      deze voor minimaal 50% uit inheemse beplanting bestaat of uit beplanting bestaat die aantoonbaar een bijdrage levert aan de biodiversiteit;

    • c.

      deze is gekweekt zonder gebruik van pesticiden.

D.

 

Artikel 1.5 wordt als volgt gewijzigd:

 

  • 1.

    Het eerste lid komt te luiden:

    • 1.

      In geval van een subsidieaanvraag voor ingrepen in de fysieke leefomgeving, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, artikel 3.1, onderdeel a en b, en artikel 4.1, onderdeel c, worden minstens drie foto's van de situatie vóór aanvang van het project aangeleverd.

  • 2.

    In het tweede lid wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:

    • d.

      een uittreksel Kamer van Koophandel (KvK) van de hoofdaanvrager, tenzij het gaat om een aanvraag door een medeoverheid.

E.

 

Artikel 2.2, onderdeel d, komt te luiden:

 

  • d.

    het groene schoolplein voldoet aan minstens 4 van de volgende 6 voorwaarden:

    • i.

      de speelomgeving is ingericht op verschillende typen activiteiten;

    • ii.

      de inrichting van het schoolplein is voorzien van voorzieningen om de biodiversiteit/fauna te bevorderen;

    • iii.

      de inrichting van het schoolplein draagt bij aan het voorkomen van hittestress door middel van het creëren van schaduw;

    • iv.

      school- of buurtkinderen en hun ouders of verzorgers zijn vanaf het begin bij het ontwerpproces betrokken;

    • v.

      het gebruik van het schoolplein is geïntegreerd in het lesprogramma;

    • vi.

      minimaal 50% van de oppervlakte van het schoolplein heeft een natuurlijk groen karakter.

F.

 

Artikel 2.4 komt te luiden:

 

  • 1.

    In aanvulling op artikel 1.5 wordt bij de subsidieaanvraag minimaal één offerte aangedragen van de partij die de werkzaamheden uitvoert, waarbij geldt dat:

    • a.

      uit de offerte minimaal de gemaakte producten, het gebruikte materiaal en het aantal uren, met bijpassend BTW percentage, blijken; en

    • b.

      het totale bedrag van de subsidiabele kosten op de offerte of de offertes minimaal gelijk is aan het bedrag van de voucher.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 1.5 wordt bij de subsidieaanvraag een bankafschrift op naam van de hoofdaanvrager aangeleverd.

  • 3.

    In afwijking van artikel 4.4, eerste lid, onder c van de AsvpU 2022 hoeven bij de aanvraag geen begroting en dekkingsplan overlegd te worden.

G.

 

Artikel 3.1, onderdeel c, komt te luiden:

 

  • c.

    het stimuleren van gedragsverandering of het bevorderen van betrokkenheid, bewustwording, draagvlak en beleving van inwoners, bedrijven, ondernemers, werknemers of maatschappelijke organisaties;

H.

 

Artikel 3.2 wordt als volgt gewijzigd:

 

  • 1.

    Het eerste lid, onderdeel d, komt te luiden:

    • a.

      het groene schoolplein voldoet aan minstens 4 van de volgende 6 voorwaarden:

      • i.

        de speelomgeving is ingericht op verschillende typen activiteiten;

      • ii.

        de inrichting van het schoolplein is voorzien van voorzieningen om de biodiversiteit/fauna te bevorderen;

      • iii.

        de inrichting van het schoolplein draagt bij aan het voorkomen van hittestress door middel van het creëren van schaduw;

      • iv.

        school- of buurtkinderen en hun ouders of verzorgers zijn vanaf het begin bij het ontwerpproces betrokken;

      • v.

        het gebruik van het schoolplein is geïntegreerd in het lesprogramma;

      • vi.

        minimaal 50% van de oppervlakte van het schoolplein heeft een natuurlijk groen karakter.

  • 2.

    In het tweede lid vervalt onderdeel c, onder verlettering van onderdeel d tot onderdeel c.

  • 3.

    In het tweede lid, onderdeel c (nieuw), wordt “hoeveelheid” verwijderd.

  • 4.

    In het tweede lid, onderdeel c (nieuw), wordt de puntkomma aan het slot van het onderdeel vervangen door een punt.

I.

 

Aan artikel 3.4 wordt een vijfde lid toegevoegd, luidende:

 

  • 5.

    In geval van een subsidieaanvraag door een basisschool of een koepelorganisatie van basisscholen, wordt een bankafschrift op naam van de aanvrager aangeleverd.

J.

 

Artikel 3.5, onderdeel b, komt te luiden:

 

  • b.

    in het jaar 2026: € 1.050.000;

K.

 

Artikel 4.2 wordt als volgt gewijzigd:

 

  • 1.

    Het eerste lid komt te luiden:

     

    • 1.

      Subsidie wordt slechts verstrekt voor activiteiten, bedoeld in artikel 4.1, die voldoen aan de volgende criteria:

      • a.

        indien de activiteit wordt uitgevoerd in een bestaande wijk, voldoet het aan de eisen gesteld in de Afspraken klimaatadaptief bouwen;

      • b.

        indien de activiteit wordt uitgevoerd in een nieuwbouwwijk, voldoet het minimaal aan de eisen gesteld in het Convenant Toekomstbestendig Bouwen op het ambitieniveau ‘zilver’;

      • c.

        het groen is deels toegankelijk en bruikbaar voor sporten en spelen, wandelen en/of fietsen, rust, ontspanning en ontmoeten;

      • d.

        inwoners en andere belanghebbenden worden betrokken tijdens de voorbereidende fase en de ontwerpfase.

  • 2.

    In het tweede lid wordt “onderdeel b of c” vervangen door: onderdeel a of b.

L.

 

Artikel 4.4, eerste lid, komt te luiden:

  • 1.

    Bij de subsidieaanvraag worden in ieder geval gevoegd:

    • a.

      een projectplan waarin de volgende elementen beschreven worden:

      • i.

        de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd beschreven zijn;

      • ii.

        hoe de gemeente de resultaten van de activiteiten gaat monitoren;

    • b.

      een onderbouwing hoe de activiteiten, in lijn met de subsidiecriteria, bijdragen aan de hoofddoelen, als genoemd in artikel 1.3, eerste lid.

M.

 

Artikel 4.5, onderdeel b, komt te luiden:

 

  • b.

    in het jaar 2026: € 480.000;

N.

 

Onder vernummering van paragraaf 5 tot 6, en onder vernummering van artikelen 5.1 tot en met 5.5 tot 6.1 tot en met 6.5 wordt na paragraaf 4 een paragraaf ingevoegd:

 

Paragraaf 5 Vouchers Werklandschappen van de Toekomst

 

Artikel 5.1 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verleend voor de proceswerkzaamheden voorafgaand aan de fysieke uitvoering van vergroening van een bedrijventerrein in de provincie Utrecht, waarbij het gaat om een of meerdere van de volgende proceswerkzaamheden:

  • a.

    het uitvoeren van klimaatgerelateerde stresstesten (hittestress, wateroverlast, droogte);

  • b.

    het opstellen van een terreinbreed transitieplan of visie met smart-doelen;

  • c.

    het opstellen van een terreinbreed ontwerp met een groenplan, een waterplan en de ruimtelijke koppeling met minstens één van de andere duurzaamheidsthema’s (energietransitie, circulariteit, biodiversiteit, duurzame mobiliteit);

  • d.

    het opstellen van ontwerptekeningen voor specifieke percelen op het bedrijventerrein;

  • e.

    het opstellen van een financieringsplan.

Artikel 5.2 Criteria

  • 1.

    Het klimaatbestendig, biodivers en gezond maken van het bedrijventerrein is het uitgangspunt van de planvorming. Daarbij worden in ieder geval meegenomen: hittestress, wateroverlast en droogte.

  • 2.

    In aanvulling op de criteria genoemd in artikel 1.3 wordt aan één van de volgende criteria voldaan:

    • a.

      circulair: in het eindproduct worden stappen beschreven om bedrijven op het terrein te helpen met het sluiten van grondstofkringlopen;

    • b.

      duurzame mobiliteit: in het eindproduct worden stappen beschreven om:

      • i.

        werknemers en ondernemers op het terrein te stimuleren om te kiezen voor de volgende duurzamere vervoersmiddelen: wandelen, fietsen, openbaar vervoer, voertuigen die rijden op elektriciteit, waterstof of hernieuwbare brandstoffen; of

      • ii.

        wegtransport te verplaatsen naar het water of over te gaan op bedrijfsvoertuigen die rijden op elektriciteit, waterstof of hernieuwbare brandstoffen;

    • c.

      energietransitie: in het eindproduct worden stappen beschreven om de energievraag te verminderen;

    • d.

      netcongestie: in het eindproduct worden stappen beschreven om de energievraag tijdens piekuren te verminderen.

  • 3.

    Het tweede lid is niet van toepassing op aanvragen voor het uitvoeren van klimaatgerelateerde stresstesten, bedoeld in artikel 5.1, onder a.

Artikel 5.3 Doelgroep

Subsidie kan slechts worden verstrekt aan twee of meer bedrijven, een vertegenwoordiger van ondernemers op een bedrijventerrein of een gemeente in samenwerking met twee of meer ondernemers, met inachtneming van artikel 4.1 AsvpU 2022.

 

Artikel 5.4 Bij de aanvraag te overleggen gegevens

  • 1.

    In aanvulling op artikel 1.5 wordt bij de subsidieaanvraag minimaal één offerte aangedragen van de partij die de werkzaamheden uitvoert, waarbij geldt dat:

    • a.

      uit de offerte minimaal de gemaakte producten, het gebruikte materiaal en het aantal uren, met bijpassend BTW percentage, blijken; en

    • b.

      het totale bedrag van de subsidiabele kosten op de offerte of de offertes minimaal gelijk is aan het bedrag van de subsidie.

  • 2.

    In afwijking van artikel 4.4, eerste lid, onder c van de AsvpU 2022 hoeven bij de aanvraag geen begroting en dekkingsplan overlegd te worden.

  • 3.

    Als gebruik wordt gemaakt van een De-minimisverordening, dan levert de aanvrager een volledig ingevulde en ondertekende De-minimisverklaring aan waaruit blijkt dat aan de deelnemer slechts een zodanig bedrag wordt verstrekt dat over een periode van drie belastingjaren het plafond voor De-minimissteun niet wordt overschreden.

Artikel 5.5 Subsidieplafond

Voor subsidiabele activiteiten zoals bedoeld in artikel 5.1 bedraagt het subsidieplafond:

  • a.

    in het jaar 2026: € 187.000;

  • b.

    in het jaar 2027: € 200.000.

Artikel 5.6 Hoogte van de subsidie

  • 1.

    De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal 60% procent van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 15.000.

  • 2.

    Het in het eerste lid genoemde maximale subsidiepercentage kan tot 70% worden verhoogd in het geval van een middelgrote onderneming zoals bedoeld in Aanbeveling 2003/361/EG van 6 mei 2003.

  • 3.

    Het in het eerste lid genoemde maximale subsidiepercentage kan tot 80% worden verhoogd in het geval van een kleine onderneming zoals bedoeld in Aanbeveling 2003/361/EG van 6 mei 2003.

  • 4.

    Het in het eerste lid genoemde maximale subsidiepercentage kan tot 100% worden verhoogd indien gebruik gemaakt wordt van de De-minimis verordening (Verordening (EU) Nr. 2023/2831, PbEU L van 15.12.2023).

Artikel 5.7 Subsidieverplichtingen

De subsidieontvanger is verplicht binnen 24 maanden na verlening van de subsidie de activiteiten te hebben afgerond.

 

Artikel 5.8 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 1.8 wordt de subsidie in ieder geval geweigerd indien de aanvraag een bedrijventerrein betreft dat meedoet als Living Lab of Ambassadeursterrein binnen het programma Werklandschappen van de toekomst.

 

O.

 

Artikel 6.1 (nieuw) komt te luiden:

 

Artikel 6.1 Staatssteun

  • 1.

    Indien subsidie wordt verleend op grond van paragraaf 3 van deze regeling, en er sprake is van staatssteun, vindt subsidieverlening plaats met inachtneming van de De-minimis verordening Nr. 2023/2831, PbEU L van 15 december 2023) of de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (Verordening (EU) Nr. 2023/1315 van de Commissie van 23 juni 2023)).

  • 2.

    Indien subsidie wordt verleend op grond van paragraaf 5 van deze regeling, en er sprake is van staatssteun, vindt subsidieverlening plaats met inachtneming van de De-minimis verordening (Verordening (EU) Nr. 2023/2831, PbEU L van 15 december 2023) of artikel 49 van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (Verordening (EU) Nr. 2023/1315 van de Commissie van 23 juni 2023 (AGVV)).

  • 3.

    Bij subsidieverlening op grond van paragraaf 2 en paragraaf 4 is er geen sprake van staatssteun.

P.

 

De bijlage bij de regeling vervalt.

 

Q.

 

De toelichting bij de regeling wordt als volgt gewijzigd:

 

  • 1.

    In de tekst wordt “Onder f: communicatieplan” vervangen door: Onder g: communicatieplan.

  • 2.

    In de tekst wordt “Onder o: lage SES wijken” vervangen door: Onder p: lage SES wijken.

  • 3.

    De tekst onder Onder p: lage SES wijken komt te luiden:

     

    De sociaal-economische status (SES-WOA) is een cijfer dat de welvaart (W), het opleidingsniveau (O) en de deelname aan de arbeidsmarkt (A) van een bepaald gebied in onderlinge samenhang weergeeft. Om te bepalen wat een ‘lage’ status is, kijken we naar de cijfers van het CBS. Een gemiddelde SES-WOA totaalscore van nul of lager geldt in deze subsidieregeling als ‘laag'. Voor de toetsing gebruiken we de kaart “Versteende wijken en lage SES wijken” op de Atlas van de provincie Utrecht. Hierop staat per buurt of wijk aangegeven of deze een ‘hoge’ of ‘lage’ SES score heeft. Deze kaart is gebaseerd op gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), uit een tabel genaamd ‘Sociaal-economische status; scores per wijk en buurt, regio-indeling 2024’. Deze is te vinden op de website van het CBS.

  • 4.

    In de tekst wordt “Onder q: speelaanleidingen en r: speeltoestellen” vervangen door: Onder s: speelaanleidingen en t: speeltoestellen.

  • 5.

    De tekst onder Artikel 1.3 Algemene criteria, onder Lid 1 Hoofddoelen subsidieregeling komt te luiden:

     

    Deze subsidieregeling kent een integrale insteek en wil projecten stimuleren die bijdragen aan tenminste twee van de genoemde doelen. Deze liggen deels in elkaars verlengde en vaak dragen projecten op logische wijze vanzelfsprekend bij aan meerdere doelen. Aanvullend hierop heeft de provincie uiteraard meer doelen, zoals de energietransitie, woningbouw, circulariteit, mobiliteit, sport en bewegen en sociale cohesie. Vanuit onze integrale aanpak als organisatie zien wij graag in aanvragen terug op welke wijze projecten mogelijk ook bijdragen aan deze andere provinciale ambities.

  • 6.

    De tekst onder Artikel 1.3 Algemene criteria, onder Lid 2 Voorwaarden aan beplanting komt te luiden:

     

    De gekozen planten moeten voor minimaal 50% inheems zijn en/of aantoonbaar een bijdrage leveren aan biodiversiteit. Inheemse planten (en zaden) worden opgekweekt uit planten met een regionale herkomst (die oorspronkelijk uit Nederland komen). Gebruik geen ‘inheemse’ soorten die uit het buitenland ingevoerd worden.

     

    Planten kunnen een aantoonbare bijdrage leveren aan de biodiversiteit door te voorzien in voedsel, schuil- en verblijfplaatsen, nestgelegenheid en hierdoor specifieke diersoorten (met name insecten) aantrekken (dit geldt bijvoorbeeld voor lavendel, helenium, etc.). Om tot de 50% te komen mogen exoten die bijdragen aan biodiversiteit opgeteld worden bij inheemse soorten.

     

    Pesticiden hebben een negatieve invloed op biodiversiteit. Zowel zaadmengsels als vaste planten mogen daarom geen pesticiden bevatten. Van zaden en /of planten die biologisch geteeld zijn is het zeker dat deze gifvrij zijn. Deze zijn bijvoorbeeld te koop bij een biologische kwekerij.

     

    Voor biodiversiteit is het goed om terughoudend om te gaan met het inzaaien van plantenzaden. Idealiter vinden planten hun eigen weg naar een gebied en vestigen zich er dan op eigen kracht. Als snel een mooi resultaat nodig is, kan ervoor gekozen worden om planten in te zaaien. Zadenmengsels mogen niet alleen uit eenjarige planten bestaan.

     

    Let er bij het kiezen van zaaigoed (en planten) op of de soorten qua behoefte aan licht, vocht en grondsoort passen bij de locatie. Zaai alleen in de bebouwde kom, niet in het buitengebied.

    Op https://milieudefensie.nl/actueel/magazine/back-up-van-de-natuur staat meer informatie over inheemse soorten en het belang van streekeigen zaden.

    Op deze website van de Vlinderstichting staat een lijst van leveranciers voor inheems bloemenzaad.

  • 7.

    De tekst onder Artikel 1.5 Bij de aanvraag te overleggen gegevens, onder Lid 2, onderdeel a, i: een bewijs dat er 50% inheemse beplanting wordt toegepast komt te luiden:

     

    Bij de aanvraag moet worden aangetoond dat de gebruikte beplanting niet invasief is, het voor minimaal 50% uit inheemse beplanting bestaat en/of een aantoonbare bijdrage levert aan de biodiversiteit. Dit bewijs kan worden geleverd in verschillende vormen, bijvoorbeeld door het aanleveren van een plantenlijst, een gespecificeerde offerte per soort van een hovenier, of een verklaring van de hovenier dat er aan bovenstaande voorwaarde wordt voldaan.

  • 8.

    Aan de tekst onder Artikel 2.4 Bij de aanvraag te overleggen gegevens wordt toegevoegd:

     

    Lid 1 onder b Subsidiabele kosten op de offerte

     

    De totale subsidiabele kosten uit de offerte moeten gelijk aan of groter dan het bedrag van de voucher zijn (15.000 of 20.000 euro). Als er in de offerte niet-subsidiabele kosten zijn opgenomen, zoals kosten voor een speel- of sporttoestel, dan worden de kosten hiervan van het totale bedrag van de offerte afgetrokken. Het overgebleven bedrag moet dan nog steeds gelijk aan of groter zijn dan het bedrag van de voucher.

  • 9.

    De tekst onder Artikel 2.6 Hoogte van de subsidie, onder Lid 1 en 2 Bedragen voor versteende wijken en lage SES wijken komt te luiden:

     

    Om initiatieven in versteende wijken extra te stimuleren is ervoor gekozen om het maximale subsidiebedrag en het subsidiepercentage hier te verhogen. Initiatieven in versteende wijken die binnen de ‘Groene Stad Challenge’ laag scoren op groen ("label F") worden ondersteund met een vast bedrag van 20.000 euro. Dit in tegenstelling tot een vast bedrag van 15.000 euro bij initiatieven in andere wijken. Initiatieven in versteende buurten hebben een grotere impact op de omgeving, het tegengaan van hitte-stress, het vergroten van de biodiversiteit en de gezondheid van inwoners. Versteende wijken zijn vindbaar in de Atlas van provincie Utrecht op de kaart ”Groene stad”. Op deze kaart zijn de gegevens verwerkt die voortkomen uit de ‘Groene Stad Challenge'. Buurten hebben daarin een groenlabel van A tot en met F gekregen op basis van de hoeveelheid groen per inwoner, de gezondheid van het groen en de verdeling van groen en water. A is het beste groenlabel, F het minst goede. In de legenda staat aangegeven dat donkerpaarse gebieden "label F" hebben.

     

    Om initiatieven in wijken met een lage sociaal-economische status (SES-WOA, zie de toelichting bij artikel 1.1 onder p ‘lage SES wijken’) extra te stimuleren is ervoor gekozen om het maximale subsidiebedrag en het subsidiepercentage hier te verhogen. De ‘lage SES wijken’ zijn te vinden op de kaart “Versteende en lage SES wijken” op de Atlas van de provincie Utrecht. Initiatieven in lage SES wijken worden ondersteund met een vast bedrag van 20.000 euro. Dit in tegenstelling tot een vast bedrag van 15.000 euro bij initiatieven in andere wijken. Extra ondersteuning is nodig in deze wijken om de leefomgeving te verbeteren. Bewoners van lage SES-wijken ervaren vaker uitdagingen zoals beperkte toegang tot groen, hogere blootstelling aan hittestress, en gezondheidsproblemen door een minder gezonde leefomgeving.

  • 10.

    De tekst onder Artikel 3.6 Hoogte van de subsidie, onder Lid 1 en 2 Bedragen voor versteende wijken en lage SES wijken komt te luiden:

     

    Om initiatieven in versteende wijken extra te stimuleren is ervoor gekozen om het maximale subsidiebedrag en het subsidiepercentage hier te verhogen. Initiatieven in versteende wijken die binnen de ‘Groene Stad Challenge’ laag scoren op groen ("label F") worden ondersteund met maximaal 75% van de subsidiabele kosten. Dit in tegenstelling tot maximaal 50% bij initiatieven in andere wijken (niet versteende wijken).

    Initiatieven in versteende buurten hebben een grotere impact op de omgeving, het tegengaan van hittestress, het vergroten van de biodiversiteit en de gezondheid van inwoners. Versteende wijken zijn vindbaar in de Atlas van provincie Utrecht op de kaart “Groene stad”. Op deze kaart zijn de gegevens verwerkt die voortkomen uit de ‘Groene Stad Challenge'. Buurten hebben daarin een groenlabel van A tot en met F gekregen op basis van de hoeveelheid groen per inwoner, de gezondheid van het groen en de verdeling van groen en water. A is het beste groenlabel, F het minst goede. In de legenda staat aangegeven dat donkerpaarse gebieden "label F" hebben.

     

    Om initiatieven in wijken met een lage sociaal-economische status (SES-WOA, zie de toelichting bij artikel 1.1 onder p ‘lage SES wijken’) extra te stimuleren is ervoor gekozen om het maximale subsidiebedrag en het subsidiepercentage hier te verhogen. De ‘lage SES wijken’ zijn te vinden op de kaart “Versteende en lage SES wijken” op de Atlas van de provincie Utrecht. Initiatieven in lage SES wijken worden ondersteund met maximaal 75% van de subsidiabele kosten. Dit in tegenstelling tot maximaal 50% bij initiatieven in andere wijken. Extra ondersteuning is nodig in deze wijken om de leefomgeving te verbeteren. Bewoners van lage SES-wijken ervaren vaker uitdagingen zoals beperkte toegang tot groen, hogere blootstelling aan hittestress, en gezondheidsproblemen door een minder gezonde leefomgeving.

  • 11.

    De tekst onder Artikel 4.2 Criteria komt te luiden:

     

    Lid 1

     

    Onder a: Afspraken klimaatadaptief bouwen

     

    Op initiatief van de provincie Utrecht zijn in 2021 de Afspraken Klimaatadaptief Bouwen Utrecht gemaakt. Deze gelden voor zowel bestaande bouw als nieuwbouw. In zowel de bestaande bouw als in nieuwbouw streven we dezelfde doelen na, omdat de gevolgen van weersextremen niet zullen verschillen.

    Wanneer een subsidiabele activiteit alleen plaatsvindt in de openbare ruimte, wordt alleen aan de eisen uit de Afspraken Klimaatadaptief Bouwen getoetst die van toepassing zijn op de openbare ruimte. Het gaat om de eisen hieronder.

     

    Voor hitte:

    • -

      Tenminste 40% schaduw in het plangebied op de hoogste zonnestand (21 juni) voor verblijfsplekken en gebieden waar langzaam verkeer zich verplaatst en minimaal 30 % op buurtniveau.

    • -

      Koele, schaduwrijke verblijfsplekken zijn op loopafstand (300 meter) aanwezig en openbaar toegankelijk.

    • -

      Vitale en kwetsbare functies en groenvoorzieningen in de openbare ruimte moeten bestand zijn tegen de hitte.

  • Voor droogte:

    • -

      De (grond)waterpeilen in het plangebied en de omgeving en de zoetwaterbeschikbaarheid in de bodem zijn sturend in de functiekeuze, systeemkeuze en inrichting van het plangebied.

    • -

      De inrichting van het plangebied is infiltratieneutraal bij uitbreidingslocaties en infiltratiepositief bij herontwikkeling of herinrichting (minimaal 50 % van de jaarneerslagsom).

    • -

      Bij het ontwerp en de inrichting wordt ingezet op regenwaterbenutting en verbetering van de waterkwaliteit.

  • Voor wateroverlast:

    • -

      In het plangebied treedt bij extreem hevige neerslag geen schade op (bij 70 mm in een uur) aan bebouwing, infrastructuur en aan vitale voorzieningen en vitale voorzieningen blijven functioneren (bij 90mm in een uur) (hoofdwegen, drinkwater en energie).

    • -

      De (her)ontwikkeling of (her)inrichting gebeurt waterneutraal en leidt niet tot extra aanvoer/afvoer van water. Hemelwater wordt zoveel mogelijk vastgehouden en hergebruikt in het plangebied.

  • Voor biodiversiteit & natuurinclusiviteit:

    • -

      Ecologische oplossingen en oplossingen gebaseerd op natuurlijke processen van het specifieke gebied hebben altijd de voorkeur boven ‘grijze’ oplossingen, ook bij gelijke maatschappelijke prestaties en kosten (Total Cost of Ownership benadering).

    • -

      Het horizontale en verticale oppervlak wordt in samenhang met de groenblauwe structuren in de bredere omgeving ingericht (met minimaal 30 % groen op buurtniveau, boomkroonoppervlak telt mee).

    • -

      Het plangebied creëert een hoogwaardige habitat voor tenminste gebouwbewonende soorten.

  • Voor bodemdaling (alleen van toepassing bij plannen aan de westkant van provincie Utrecht: veen- of kleipolder):

    • -

      De natuurlijke draagkracht van de bodem is mede sturend in de functiekeuze, systeemkeuze en inrichting van het plangebied.

  • Onder b: Convenant Toekomstbestendig Bouwen

     

    De Afspraken klimaatadaptief bouwen voor nieuwbouw zijn opgenomen in het Convenant Toekomstbestendig Bouwen 2.0

     

    Dit convenant is een initiatief uit 2021 van de provincies Utrecht, Flevoland, Noord-Holland en Zuid-Holland. In dit convenant staan nog meer eisen waar nieuwbouwwijken aan moeten voldoen rondom de thema's energie, circulariteit, duurzame mobiliteit, natuurinclusiviteit en biodiversiteit en gezonde leefomgeving. Voor het Convenant Toekomstbestendig Bouwen gelden drie ambitieniveaus. Aanvragen binnen deze subsidieregeling worden in ieder geval getoetst op het ambitieniveau ‘zilver’ voor de thema’s natuurinclusiviteit en biodiversiteit, gezonde leefomgeving en klimaatadaptatie.

    Wanneer een subsidiabele activiteit alleen plaatsvindt in de openbare ruimte, wordt alleen getoetst aan de eisen uit het Convenant Toekomstbestendig Bouwen die van toepassing zijn op de openbare ruimte. Zie een indicatie hiervan bij de toelichting hierboven voor artikel 4.2, lid 1 onder b Afspraken klimaatadaptief bouwen.

     

    Onder c: Toegankelijk en bruikbaar groen

     

    Voorbeelden van soorten groenvoorzieningen die toegankelijk en bruikbaar zijn:

    • Pocketparken en/of groter park voor spelen, ontmoeten, sporten, wandelen en ontspannen door rust;

    • Groene speelplekken in de buurt van elke woning: een kleinere op maximaal 150 meter afstand en een grotere voor oudere kinderen op maximaal 300 meter;

    • Groene openbare sportvoorzieningen;

    • Groene voedselbosjes: fruitbomen, gemeenschappelijke groentetuin et cetera;

    • Groene ontmoetingsplekken;

    • Groene fiets- en wandelroutes.

  • Hierbij wordt de toename van allergieën en infectieziekten voorkomen en is de beschikbaarheid van giftige (delen van) planten beperkt.

    Tip: Het koppelen van een fysieke ingreep aan een sociale ingreep, zorgt ervoor dat mensen goed gebruik maken van groen. Bijvoorbeeld doordat groen voor minimaal 15% van de bewoners bruikbaar is en toegankelijk voor iedereen. Het toevoegen van straatmeubilair (zoals een bankje) in bestaand groen valt niet onder een sociale ingreep.

  • 12.

    Na de tekst onder Artikel 4.2 Criteria wordt ingevoegd:

     

    Artikel 4.4 Bij de aanvraag te overleggen gegevens

     

    Lid 1, onder a, onder ii: Monitoren

     

    In de aanvraag wordt beschreven hoe de aanvrager de effecten gaat monitoren. Hierbij hoort: de nulsituatie in kaart brengen, aangeven welke activiteiten gerealiseerd zijn en reflecteren op het effect hiervan op de leefomgeving, mens en dier.

  • 13.

    Aan het einde van de toelichting wordt toegevoegd:

     

    Paragraaf 5 Vouchers Werklandschappen van de Toekomst

     

    Deze subsidies worden verstrekt onder het programma Werklandschappen van de Toekomst. Dit is een samenwerking tussen de provincie Utrecht en de stichting Werklandschappen van de toekomst om bedrijventerreinen te helpen de transitie te maken naar groene en duurzame bedrijventerreinen.

     

    Bedrijventerreinen in de provincie Utrecht kunnen een voucher aanvragen via deze regeling. De voucherregeling is specifiek bedoeld voor het proces voorafgaand aan de uitvoering van fysieke maatregelen op een bedrijventerrein, zoals de planvorming of het uitvoeren van stresstesten.

     

    Voor subsidie voor de uitvoering van fysieke maatregelen kunnen bedrijventerreinen binnen de provincie Utrecht een subsidieaanvraag doen middels de subsidieregeling Groene, gezonde en klimaatbestendige steden en dorpen 2025-2027 onder paragraaf 3.

     

    Meer informatie over het programma en het aanbod vanuit Werklandschappen van de toekomst is te vinden via deze link.

     

    Artikel 5.2 Criteria

     

    Lid 2, onder ii:

     

    Onder hernieuwbare brandstoffen worden verstaan:

     

    • Biobrandstoffen gemaakt van reststromen uit land- en bosbouw of gekweekt op grond die niet concurreert met voedsel;

    • E-fuels: brandstoffen gemaakt van uit de lucht afgevangen CO2, gecombineerd met waterstof.

Artikel II  

Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2026.

Aldus vastgesteld in de vergadering van Gedeputeerde Staten van Utrecht van 11 november 2025.

Gedeputeerde Staten van Utrecht,

Voorzitter,

mr. J.H. Oosters

Secretaris,

mr. drs. A.G. Knol - van Leeuwen

Naar boven