Provinciaal blad van Fryslân
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Fryslân | Provinciaal blad 2025, 19045 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Fryslân | Provinciaal blad 2025, 19045 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Subsidieregeling culturele producties Fryslân 2025-2028
Gedeputeerde Staten van Fryslân;
Gelet op het bepaalde in art. 1.3, derde lid, van de Algemene subsidieverordening provincie Fryslân 2022;
Overwegende dat in de vastgestelde Cultuurnota ‘Tosken yn in nije tiid’ belang gehecht wordt aan een toegankelijk, aansprekend en hoogwaardig cultureel aanbod, waaraan deze subsidieregeling concreet bijdraagt door juist dat soort culturele producties te ondersteunen;
Besluiten de Subsidieregeling culturele producties Fryslân 2025-2028 als volgt vast te stellen:
Het doel van deze regeling is om te komen tot toegankelijke culturele producties met een brede zeggingskracht.
Subsidie kan uitsluitend worden verstrekt aan stichtingen en verenigingen die aantoonbaar actief zijn in de cultuursector in Fryslân.
Artikel 4 Subsidiabele activiteiten
Subsidie kan uitsluitend worden verstrekt voor de voorbereiding en uitvoering van culturele producties in de provincie Fryslân.
Artikel 6 Hoogte van de subsidie
De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 5.000,- en een maximum van € 24.999.
Onverminderd het bepaalde in artikel 2.4 van de Asv wordt de subsidie in ieder geval geweigerd indien en voor zover:
Aldus vastgesteld in de vergadering van Gedeputeerde Staten van Fryslân van 10 november 2025,
Voorzitter drs. A.A.M. Brok
Secretaris drs. ing. J.J. Algra
Het doel van de regeling komt voort uit het provinciaal cultuurbeleid voor de periode 2025-2028, vastgelegd in de nota Tosken yn in nije tiid. Daarin is vastgelegd dat bij deze subsidieregeling nadrukkelijk rekening zal worden gehouden met toegankelijkheid en een brede zeggingskracht. Beide aspecten worden breed opgevat. Bij toegankelijkheid kan het gaan om verschillende vormen van toegankelijkheid, zie ook de toelichting op artikel 8 van de regeling. Brede zeggingskracht wordt bereikt door de regeling open te stellen voor een breed spectrum aan producties, zodat alle gesubsidieerde activiteiten gezamenlijk een breed publiek kunnen aanspreken.
Onder de doelgroep vallen slechts stichtingen en verenigingen die aantoonbaar actief zijn in de cultuursector in Fryslân. Hiermee wordt bedoeld dat de betreffende rechtspersoon tenminste één keer eerder een culturele productie heeft uitgevoerd in Fryslân. Doorgaans zijn de partijen die culturele producties organiseren in Fryslân wel bekend en is direct duidelijk dat zij één of meerdere culturele producties in Fryslân op hun naam hebben staan. Is dit niet het geval dan kan het bijvoorbeeld aangetoond worden met krantenartikelen, een (beeld)registratie op een website of een jaarprogramma of -plan van de afgelopen jaren. Vanzelfsprekend kunnen ook andere bewijsmiddelen gebruikt worden.
Artikelen 4 en 5 Subsidiabele activiteiten en (niet) subsidiabele kosten
In deze artikelen wordt bepaald voor welke activiteiten subsidie wordt gegeven, voor welke kosten en voor welke kosten specifiek niet (kosten voor het (door)ontwikkelen van cultuur-educatief aanbod in het basis- en middelbaar onderwijs). Dit behoeft in zijn algemeenheid geen toelichting. Het moge duidelijk zijn dat alle kosten die logischerwijs te maken hebben met de voorbereiding en uitvoering van culturele producties gesubsidieerd worden. Dit zijn in ieder geval de volgende concrete kosten die rechtstreeks zijn toe te rekenen en redelijkerwijs nodig zijn voor de uitvoering:
Hier wordt expliciet vermeld dat slechts subsidie gegeven wordt voor culturele producties in Fryslân. Het komt voor dat culturele producties provinciegrensoverschrijdend zijn. In die gevallen zitten er ook kosten voor de voorbereiding en uitvoering van culturele producties buiten Fryslân in de begroting, deze zijn niet subsidiabel. Het is gewenst dat de subsidieaanvrager inzichtelijk maakt welke kosten precies horen bij de culturele producties in Fryslân en welke worden gemaakt voor de producties in andere provincies. Gebeurt dit onverhoopt niet en is niet direct te herleiden welke kosten voor de culturele producties in Fryslân worden gemaakt, dan worden in de beoordeling van de subsidieaanvraag de kosten verdeeld naar rato van het aantal culturele producties in Fryslân en daarbuiten. Bijvoorbeeld: een totaal aantal theatervoorstellingen van 20, 15 in Fryslân, 5 in Groningen. In dat geval is maximaal 75% van de opgevoerde kosten subsidiabel.
Dit kan mogelijk consequenties hebben voor het maximale subsidiebedrag op grond van artikel 6. In het meest verstrekkende geval kan het leiden tot een weigering op grond van artikel 11, aanhef en onder k, omdat het minimaal te verstrekken subsidiebedrag niet wordt gehaald.
Hoewel in deze subsidieregeling niet veel regels worden gesteld rond subsidiabele kosten is er andere provinciale regelgeving om rekening mee te houden. De UAsv werkt door in deze subsidieregeling (en gelden dus ook als regel), onder andere het bepaalde in paragraaf 2.3 UAsv. In die paragraaf van de UAsv, specifiek de artikelen 2.4 tot en met 2.8 UAsv staat uitgewerkt welke kosten niet subsidiabel zijn en op welke manier bepaalde subsidiabele kosten moeten worden berekend. In artikel 2.4 UAsv staan kostenposten die niet subsidiabel zijn (waarschijnlijk met name relevante niet subsidiabele kosten in het kader van culturele producties zijn: verrekenbare btw, onvoorziene en ongespecificeerde kosten). In artikel 2.5 UAsv staat hoe de loonkosten van personeel (dat in dienst is bij de aanvragende stichting of vereniging) berekend moeten worden en hoe hier inzicht in gegeven moet worden in de begroting. In artikel 2.7 UAsv staat welke regels gelden voor de inhuur van derden (meestal zzp’ers); er geldt een maximumtarief van in 2025 € 149,09 en de begroting moet inzicht geven hoe de bedragen voor deze derden zijn opgebouwd (uren*tarief). Artikel 2.6 UAsv geldt niet voor de aanvragende stichtingen en verenigingen (alleen natuurlijke personen kunnen eigen uren maken) en artikel 2.8 UAsv spreekt voor zich.
Ook hier geldt dat de beoordeling van in de begroting opgevoerde kosten als niet-subsidiabel consequenties kan hebben voor het maximale subsidiebedrag op grond van artikel 6. In het meest verstrekkende geval kan het leiden tot een weigering op grond van artikel 11, aanhef en onder k, omdat het minimaal te verstrekken subsidiebedrag niet wordt gehaald.
Artikel 6 Hoogte van de subsidie
Hoewel dit artikel voor zichzelf lijkt te spreken is het goed te vermelden dat bij de berekening van de subsidie het maximale percentage wordt toegepast op de subsidiabele kosten. Zoals uit de toelichting bij artikelen 4 en 5 blijkt kan het voorkomen dat de subsidiabele kosten lager zijn dan de totale kosten in de begroting. Dit kan mogelijk tot een lager subsidiebedrag leiden dan waarop gerekend wordt op het moment van aanvragen.
In beginsel dient de subsidie via het digitaal beschikbaar gestelde aanvraagformulier te worden aangevraagd. Bij het digitaal aanvragen is E-herkenning nodig. Bij wijze van uitzondering is het mogelijk aan te vragen middels DigiD, in combinatie met een machtiging/volmacht van de (bestuurders van) de stichting of vereniging. Hierbij dient ook de tekenbevoegdheid aangetoond te worden met een kvk-uittreksel, of, indien noodzakelijk, de statuten.
Het digitale aanvraagformulier is te vinden op de website:
Het is verplicht om het aanvraagformulier volledig in te vullen. Daarin zal expliciet worden gevraagd hoe de aanvrager zich inzet voor het verhogen van minstens twee vormen van toegankelijkheid, zoals genoemd in de landelijke Code Diversiteit & Inclusie. Dit zijn:
De aanvrager dient ten minste twee van de voorgaande vormen van toegankelijkheid uitlichten in het aanvraagformulier en omschrijven welke inspanning hiervoor wordt gepleegd.
Het is ook verplicht om de begroting, conform het daartoe ter beschikking gestelde model, volledig in te vullen. Hieruit moet een zodanige specificatie van de kosten blijken en ook moet zodanig inzicht gegeven worden in de opbouw van kosten (bijvoorbeeld uren*tarief) dan alle kosten beoordeeld kunnen worden aan de hand van paragraaf 2.4 UAsv. Hierover is ook al het een en ander opgemerkt in de toelichting bij artikelen 4 en 5.
De verplichting om de door ons beschikbaar gestelde begroting te gebruiken geldt om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie op grond van deze regeling. Het is geen verplichting voor de aanvrager om die begroting intern te gebruiken of over te nemen. Dat intern met een andere begroting wordt gewerkt is voorstelbaar, maar als een rechtspersoon in aanmerking wil komen voor deze subsidie dienen in dat geval dus twee begrotingen gemaakt te worden.
Als een aanvraag volledig is (voorzien van alle verplichte bijlagen), aan alle criteria voldoet en zich geen weigeringsgrond voordoet (waarbij ook geldt dat het subsidieplafond niet overschreden kan worden), wordt de subsidie verstrekt.
Onderdeel a: betrokkenheid maker bij ten minste twee culturele producties
In principe wordt in het aanvraagformulier gevraagd aan te geven om welke maker het gaat en welke twee producties hij of zij op zijn of haar naam heeft staan. Als onderbouwing kan gedacht worden aan een verwijzing naar een website waar het een en ander uit blijkt of krantenartikelen. De aanvrager kan dit verder desgewenst aantonen met een cv of portfolio van een maker.
Wat een bij de culturele productie betrokken maker is wordt overigens breed opgevat. Het moet gaan om een natuurlijke persoon die betrokken is bij de culturele productie in een belangrijke functie, zoals bijvoorbeeld: schrijver, kunstenaar, artiest, regisseur, acteur of producent.
Onderdeel b: bovenlokaal belang
Hiermee wordt beoogd om te borgen dat de culturele productie ook relevant is voor mensen buiten de plaats of directe omgeving waar de culturele productie plaatsvindt (binnen Fryslân). Deze subsidieregeling is niet bedoeld om bijvoorbeeld een dorpsfeest te ondersteunen.
De aanvrager onderbouwt het bovenlokale belang in zijn aanvraag, in het bijzonder in het verplicht bij te voegen marketingplan. Dit gebeurt tenminste doordat een actieve inzet op het werven van publiek buiten de gemeente waar de productie uitgevoerd wordt en/of te zien is wordt aangetoond. Of doordat de productie plaatsvindt in meerdere gemeente, waardoor het bovenlokale belang ook is gegeven.
Subsidie op grond van deze regeling is niet bedoeld voor activiteiten die niet bijdragen aan het doel van de regeling. Dat doel is om te komen tot toegankelijke culturele producties met een brede zeggingskracht. Wordt hieraan niet voldaan dan moet de subsidie worden geweigerd. Deze weigeringsgrond wordt marginaal getoetst. In principe wordt er vanuit gegaan dat de aanvraag hieraan voldoet. Alleen als er aanleiding is om te twijfelen aan de toegankelijkheid of de brede zeggingskracht van de culturele productie zal verdergaand worden getoetst.
Met subsidie op grond van deze regeling wordt in enige mate een stimulerend effect beoogd. Dat houdt in dat de subsidie nodig is om het project van de grond te krijgen. Vanuit deze gedachte wordt subsidie voor een project dat al plaatsvindt of heeft plaatsgevonden uitgesloten.
Subsidie op grond van deze regeling is bedoeld voor projecten die nog geen provinciale steun ontvangen. Aanvragers of projecten die al uit andere hoofde provinciale ondersteuning ontvangen worden daarom uitgesloten.
In onderdelen f en g wordt verwezen naar de ‘betreffende culturele productie’. Hiermee wordt bedoeld het specifieke project. Het kan zijn dat er een opvoering van een culturele productie is geweest in 2024 of 2025, die zo’n succes is geweest, dat deze in reprise gaat in 2025, 2026 of 2027 en dat hiervoor subsidie wordt aangevraagd onder deze regeling (of voor een tweede keer subsidie wordt gevraagd onder verschillende openstellingen). Dat is mogelijk. De reprise wordt als ‘nieuwe’ activiteit gezien, als andere culturele productie (immers uitgevoerd in een ander jaar en op een ander moment), en met de eerste openbare opvoering wordt dan ook de eerste opvoering van de reprise bedoeld. Er wordt dan niet geweigerd op onderdelen f en g. Aandachtspunt bij zo’n reprise is natuurlijk wel dat bijvoorbeeld de kosten voor het schrijven van het script niet opgevoerd kunnen worden in de begroting, omdat deze kosten geen onderdeel zijn van de subsidiabele activiteit. Deze kosten zijn niet direct toe te rekenen aan de reprise (artikel 5, eerste lid), maar aan het eerste project.
In dit artikel is aangegeven dat de subsidie direct wordt vastgesteld zonder voorafgaande verleningsbeschikking.
Dit heeft als gevolg dat er geen verantwoording wordt gevraagd. In beginsel geldt als verplichting dat een subsidieontvanger het gesubsidieerde project dient te realiseren binnen een uiterlijke termijn. Lukt niet dan moet dit worden gemeld en eventueel moet toestemming voor het gebruiken van subsidie voor een gewijzigd project gevraagd worden (meldingsplicht). Bij wijziging van het project zal gekeken worden of het gewijzigde project voldoet aan de voorwaarden uit de regeling. Dat aan een wijziging meegewerkt kan worden is dus niet gegarandeerd. Wordt een wijziging onverhoopt niet gemeld dan kan het zijn dat dit later aan het licht komt (al dan niet naar aanleiding van een (steekproef)controle). Op dat moment wordt gekeken of het gewijzigd uitgevoerde project voldoet aan de voorwaarden van de regeling (artikelen 2 en 10). Is dit het geval dan is er niet direct aanleiding om de subsidie lager vast te stellen, met uitzondering van het sanctioneren van de meldingsplicht (artikel 4.2 UAsv). Is dit niet het geval dan kan de subsidie lager vastgesteld worden waarbij, indien de financiële administratie is bijgehouden, het gerealiseerde financiële resultaat van het project betrokken kan worden.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2025-19045.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.