Besluit van gedeputeerde staten van de provincie Zeeland tot wijziging van de ‘Beleidsregels Natuurbescherming Zeeland 2022’

Besluit van de gedeputeerde staten van Zeeland van 4 november 2025, kenmerk 776494, houdende wijziging van de Beleidsregels Natuurbescherming Zeeland 2022;

 

Gedeputeerde staten van de provincie Zeeland;

overwegende dat,

  • het gewenst is enkele aanpassingen te maken in hoofdstuk 5 van de Beleidsregels natuurbescherming Zeeland 2022, om ervoor te zorgen dat agrariërs niet het risico lopen op staatssteun en om ervoor te zorgen dat de faunaschadekostenpost niet verder toe zal nemen dan het geval is;

  • gelet op de artikelen 4:81, eerste lid, 4:83 en 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht;

Besluiten de Beleidsregels Natuurwetgeving Zeeland 2022 als volgt te wijzigen:

 

Artikel I Wijziging hoofdstuk 5 van de Beleidsregels Natuurbescherming Zeeland 2022

A.  

Artikel 5.3, tweede en derde lid, komt te luiden:

 

Preventieve maatregelen

  • 2.

    Maatregelen of inspanningen ter voorkoming en beperking van schade, waarvan Gedeputeerde Staten van oordeel zijn dat deze redelijkerwijs van een aanvrager verlangd kunnen worden, zijn in elk geval:

    • a.

      voor hoog en midden salderende gewassen: de inzet van twee verschillende middelen als bedoeld in de Faunaschade Preventiekit;

      • i.

        voor schade specifiek door zoogdieren aan hoog salderende gewassen: het tijdig plaatsen van een raster/afscherming,

    • b.

      voor laag salderende gewassen: de inzet van minimaal 1 middel als bedoeld in de Faunaschade Preventiekit tijdens de kwetsbare periode;

    • c.

      voor laag salderende gewassen buiten de kwetsbare periode: verjaging door menselijke aanwezigheid of minimaal 1 preventief middel als bedoeld in de Faunaschade Preventiekit;

    • d.

      voor schade door zoogdieren aan gehouden landbouwhuisdieren: het tijdig plaatsen van een raster;

      • i.

        voor schade specifiek door wolven aangericht geldt dit enkel binnen het door GS aangewezen gebied.

    • e.

      alternatieve middelen waarvan het gebruik vooraf schriftelijk aan BIJ12 is voorgelegd en zij daarmee hebben ingestemd.

Ter ondersteuning van de preventieve maatregelen:

  • 3.

    Een tegemoetkoming in de schade veroorzaakt door natuurlijk in het wild levende dieren, van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten, waarvoor ingevolge artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g van de wet een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit kan worden verleend, wordt slechts verleend indien:

    • a.

      de omgevingsvergunning op deugdelijke wijze en tijdig, uiterlijk binnen 32 uur na schadeconstatering, is aangevraagd bij de Faunabeheereenheid Zeeland, en na toetsing van de aanvraag deze op inhoudelijke gronden door Gedeputeerde Staten is geweigerd en dit de aanvrager niet te verwijten is; of

    • b.

      de omgevingsvergunning (of machtiging/toestemming tot gebruik van een bestaande omgevingsvergunning) op deugdelijke wijze en tijdig, binnen 32 uur na schadeconstatering, is aangevraagd bij de Faunabeheereenheid Zeeland en, nadat deze is verleend, daarvan op adequate wijze gebruik is gemaakt en er desondanks schade is opgetreden.

B.  

In de Artikelsgewijze toelichting komt de toelichting op artikel 5.3 te luiden:

 

Artikel 5.3 (Te treffen maatregelen)

Artikel 5.3 bevat de voorwaarden, ten aanzien van het voorkomen en beperken van schade, waaraan getoetst wordt en waaraan een aanvrager moet voldoen om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen. Gedeputeerde Staten verlenen een tegemoetkoming slechts als een aanvrager zelf al het mogelijke, dat in redelijkheid van hem kan worden verwacht, heeft ondernomen om schade zoveel mogelijk te voorkomen en beperken. Het gaat hierbij om te treffen maatregelen ter voorkoming van schade - de preventieve maatregelen -, en maatregelen ter (verdere) beperking van de schade door de schadeveroorzakende diersoort te bestrijden.

 

Artikel 5.3 spreekt over maatregelen of inspanningen waartoe een aanvrager, naar de eisen van redelijkheid en billijkheid, is gehouden om schade te voorkomen en beperken. De inspanningen die worden verwacht hangen samen met een aantal factoren.

 

De gevraagde inspanning moet in verhouding staan tot de opbrengst van een gewas. Bij een kapitaalintensief gewas met hoge opbrengst mag redelijkerwijs meer worden verwacht van een aanvrager. Een andere factor is de kwetsbaarheid van een gewas, in een bepaalde periode of voor bepaalde dieren, of op een bepaalde locatie. Ook de voorzienbaarheid speelt een rol. Als een aanvrager redelijkerwijs kan voorzien dat de kans op schade groot is, bijvoorbeeld omdat een net ingezaaid gewas erg aantrekkelijk (dus kwetsbaar) is, of omdat er op dezelfde locatie aan hetzelfde gewas door dezelfde dieren al vaker schade is aangericht, dan verwachten Gedeputeerde Staten een maximale inspanning van de aanvrager om zijn gewassen of dieren te beschermen.

 

Standaardopbrengst van het gewas

Bij de vraag wat van een grondgebruiker verwacht mag worden, achten Gedeputeerde Staten het redelijk om de standaardopbrengst van een gewas mee te wegen. De categorie (hoog-midden-laag) is dus (mede) bepalend voor wat redelijkerwijs van een grondgebruiker verwacht wordt, om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen. Het overzicht van de gewascategorieën is te vinden op bij12.nl.

 

Hoog en midden salderend

Onder hoog salderend wordt in elk geval verstaan: de teelt van bloemen, bloembollen, boom- en kwekerijgewassen, fruit, en hoog salderende groenten en akkerbouwgewassen, zoals aardbeien, asperges, kolen en ijsbergsla. Het gaat bij hoog salderende gewassen om eenjarige gewassen die per hectare hoge financiële opbrengsten opleveren (hoog salderen), ofwel om teelten die meerdere jaren op een plek staan c.q. meerjarige gewassen, waarbij schade een opbrengstderving over meerdere jaren kan veroorzaken. Een voorbeeld hiervan is schade door bevers aan fruitbomen. Onder midden salderend worden bijvoorbeeld uien en aardappelen verstaan.

 

Gedeputeerde Staten verlangen niet dat een aanvrager álle in de Faunaschade Preventiekit opgesomde maatregelen treft, om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen.

Wel kan bij hoog en midden salderende teelten en gewassen, in redelijkheid worden verlangd dat een aanvrager twee verschillende maatregelen treft, voor de betreffende schadeveroorzakende diersoort, zoals beschreven in de Faunaschade Preventiekit. De maatregelen moeten gevarieerd en in voldoende aantallen worden aangewend.3 De taxateur vermeldt bij zijn taxatie de door de aanvrager toegepaste maatregelen in zijn taxatierapport. Bij beoordeling van een aanvraag wordt dus getoetst of twee maatregelen uit de Faunaschade Preventiekit zijn toegepast.

 

Bij schade door zoogdieren aan een hoogsalderende gewassen, kan in redelijkheid verlangd worden dat er tijdig een deugdelijk raster geplaatst wordt om het gewas te beschermen en schade te voorkomen.4 Een deugdelijk raster staat omschreven in de Faunaschade Preventiekit.

 

Laag salderende gewassen in de niet-kwetsbare periode

Voor niet-kwetsbare laag salderende gewassen (zoals weide-, hooi-, en graszaadpercelen waarvan het grasgewas minimaal zes maanden oud is) wordt verjaging door menselijke aanwezigheid gevraagd, of minimaal 1 middel als bedoeld in de Faunaschade Preventiekit. Dit betreft de blijvende/overjarige graslanden, en granen en graszaad in de niet-kwetsbare periode.

 

Granen en graszaad zijn vanaf de aarvorming niet meer kwetsbaar. Naarmate het gewas zich verder ontwikkelt wordt het dus minder aantrekkelijk voor dieren, groter en gaat het een stengel vormen met zaad erin.

 

Laag salderende gewassen in de kwetsbare periode

Het gaat hier om nieuw ingezaaide graslanden jonger dan zes maanden. En pas ingezaaide granen, met name wintergraan, en graszaad in de kwetsbare periode tot aarvorming.

Deze gewassen zijn kwetsbaar vlak na het inzaaien als het plantje gekiemd is en net boven de grond staat. Het gewas is op dat moment eiwitrijk en heeft veel voedingswaarde wat het erg aantrekkelijk maakt voor dieren. Deze gewassen zijn in een relatief korte periode vatbaar voor faunaschade. Deze gewassen zijn aantrekkelijk voor vogels maar niet hoog salderend.

 

Er wordt in de kwetsbare periode wel verwacht dat men één effectieve maatregel treft, als beschreven in de Faunaschade Preventiekit (tegen de betreffende schadeveroorzakende diersoort).

Als in deze kwetsbare periode ingezet wordt op preventie, kan veel schade voorkomen worden. Door de korte periode van inspanning blijft de totale inspanning, ter voorkoming van faunaschade, gezien over de hele teeltperiode, nog steeds beperkt, en kan dit ondanks de lage standaardopbrengst van het gewas redelijkerwijs gevraagd worden.

 

In ganzenrust- en -foerageergebieden zijn preventieve maatregelen die ganzen verstoren niet toegestaan in verband met het doel van de gebieden. Redelijkerwijs wordt van een grondgebruiker in die gebieden dan ook niet gevraagd om die preventieve middelen in te zetten.

 

Voorzienbaarheid

Naast de vraag of een gewas hoog-, midden-, laag salderend is, speelt de voorzienbaarheid van de schade een rol in de afweging wat in redelijkheid van een aanvrager verwacht mag worden. Als bijvoorbeeld in opeenvolgende jaren steeds schade optreedt op een bepaald perceel met een hoog/midden salderend gewas, mag van aanvrager worden verwacht dat die méér maatregelen treft om die schade te voorkomen en beperken. Ook als een gewas op een zodanige locatie geteeld wordt, waardoor het risico op faunaschade voorzienbaar is, kunnen Gedeputeerde Staten hogere eisen aan het beschermen van gewassen stellen.

 

Bij de afweging welke preventieve middelen in redelijkheid gevraagd kunnen worden, wordt voornamelijk naar voornoemde factoren gekeken. Wat voor teelt is het, zijn gewassen extra aantrekkelijk voor een bepaalde diersoort, is er al meerdere malen eenzelfde schade ontstaan, betreft het een schadegevoelige locatie. Dan zijn dat omstandigheden op grond waarvan in redelijkheid extra maatregelen en inspanningen van een aanvrager verlangd kunnen worden om schade te voorkomen en beperken.

 

Maatregelen: veeschade

Bij schade door zoogdieren aan gehouden landbouwhuisdieren, gaat het in Nederland vooralsnog met name om schade door wolven aan vee. Ook komt schade door vossen en, incidenteel, door goudjakhalzen voor.

 

De situatie rondom de wolf in Nederland is continu in ontwikkeling. Het beleidskader is het Interprovinciaal Wolvenplan van de samenwerkende provincies, vastgesteld door het IPO-bestuur in 2025. Het wolvenplan is te vinden op www.bij12.nl. Deze beleidsregels zijn de provinciale uitwerking van het wolvenplan voor wat betreft tegemoetkomingen in schade aan gehouden landbouwdieren.

 

Dierhouders zijn zelf verantwoordelijk voor het nemen van preventieve maatregelen om hun gehouden dieren te beschermen tegen schade door beschermde diersoorten zoals de wolf. Bescherming van vee tegen aanvallen van buitenaf is niet nieuw. Van honden of vossen is bekend dat zij bijvoorbeeld schapen kunnen aanvallen. Waar het gaat om het voorkomen van schade aan gehouden dieren, gaat het dus in principe om het nemen van aanvullende maatregelen om ook schade door wolven te voorkomen. Evenals bij gewasschade, is het uitgangspunt dat de faunaschade die een grondgebruiker of dierhouder had kunnen voorkomen en beperken door maatregelen te treffen, niet voor een tegemoetkoming in aanmerking komt.

 

Sinds 2015 komt de wolf voor in Nederland. In 2019 vestigden zich voor het eerst ‘definitief’ wolven met een territorium. Inmiddels hebben meerdere wolvenroedels zich in Nederland gevestigd. In die context achten Gedeputeerde Staten het redelijk om voor wolvenschade het uitgangspunt van het tegemoetkomingsbeleid toe te passen, dat preventieve maatregelen worden vereist om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen. Door het vee beter te beschermen leert een wolf om geen vee aan te vallen in een gebied waar vee grotendeels goed beschermd is.

 

Géén wolventerritoria in provincie o.b.v. monitoring

Binnen de gehele provincie Zeeland hebben zich echter nog geen wolven gevestigd. Uiteraard kan wel wolvenschade voorkomen, bijvoorbeeld door zwervende wolven. Maar Gedeputeerde Staten achten dit vooralsnog onvoldoende voorzienbaar, om van dierhouders te verlangen dat zij het risico nader beperken met preventieve maatregelen. Bovendien staan de kosten van de preventieve maatregelen niet in verhouding tot de kans dat de schade optreedt. Om die redenen hebben Gedeputeerde Staten (nog) geen gebied begrensd in de provincie waarbinnen preventieve maatregelen vereist zijn om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen.

 

Welke preventieve maatregelen tegen wolvenschade

Als preventieve maatregel geldt: een raster dat voldoet aan de adviesnormen uit de Faunaschade Preventiekit. De Faunaschade Preventiekit beschrijft naast rasters (zowel vast als flexibel) ook andere mogelijkheden om dieren te beschermen tegen wolven, zoals nachtkralen, nachtelijk opstallen, en elektrische fladderlinten.5 Omdat de effectiviteit van die alternatieve maatregelen (nog) onvoldoende is onderzocht, worden deze nog niet geaccepteerd als preventieve maatregel waarmee men voldoet aan de voorwaarden voor een tegemoetkoming. Het ‘tijdig’ plaatsen in deze bepaling betekent: voorafgaand aan het optreden van de schade. De Faunaschade Preventiekit beschrijft verder ook kuddebewakingshonden als een effectieve maatregel. In voorkomende gevallen kan de inzet van deze honden voldoende worden geacht voor een tegemoetkoming in wolvenschade. Dit wordt meegenomen in de beoordeling van de tegemoetkomingsaanvraag door BIJ12. Het uitgangspunt blijft het plaatsen van een raster.

 

Bij hoog salderende gehouden dieren kan gedacht worden aan dieren van een speciale afkomst of ras, of zeer kostbare specifieke dieren voor speciaal gebruik. Ook hier mag van dierhouders redelijkerwijs een grotere inspanning worden verlangd om schade door wolven te voorkomen en beperken.

 

Faunaschade Preventiekit & Innovatie

BIJ12 heeft ter voorlichting van grondgebruikers en dierhouders de Faunaschade Preventiekit opgesteld, te vinden op www.bij12.nl. Daarin worden voor de diverse schadeveroorzakende diersoorten per gewas en gehouden diersoort maatregelen opgesomd die de agrariër, of diens jachthouder, kan treffen om faunaschade zoveel mogelijk te voorkomen en beperken.

 

Om innovatieve maatregelen te stimuleren bestaat de mogelijkheid om ook andere, niet in de Faunaschade Preventiekit vermelde maatregelen toe te passen. Wel is het daarbij noodzakelijk dat de aanvrager, vóór het testen van een nieuwe maatregel, de verwachte effectiviteit schriftelijk motiveert aan BIJ12. Eventueel kan een consulent faunazaken van BIJ12 ter plaatse nader onderzoek doen. Als BIJ12 de aanvrager toestemming verleent het voorgestelde middel te testen, zal de Faunabeheereenheid in wiens werkgebied het schadeperceel ligt, van die toestemming in kennis worden gesteld.

 

DERDE LID

 

Ter ondersteuning van de preventieve maatregelen: schadebestrijding met omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit of schadebestrijding met vrijstelling van de vergunningplicht

 

Blijkens de wetsgeschiedenis is de aanvrager degene die verantwoordelijk is voor het voorkomen en beperken van, door natuurlijk in het wild levende dieren aangerichte schade, met uitzondering van schade veroorzaakt door de vijf bejaagbare soorten. Voor die bejaagbare soorten draagt de jachthouder mede een verantwoordelijkheid.

 

Tijdig aanvragen omgevingsvergunning (voorheen: ontheffing)

Als de grondgebruiker de schade niet heeft kunnen voorkomen geldt de verplichting om de schade, vanaf het moment van aanvragen van de omgevingsvergunning, in elk geval zoveel mogelijk te beperken door het bestrijden van de schadeveroorzakende diersoort.

 

Om schadeveroorzakende dieren te doden in het kader van schadebestrijding moet een aanvrager tijdig een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit, krachtens artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g van de wet, jo. artikel 8.74j, derde lid (soorten vogelrichtlijn), 8.74k, derde lid (soorten habitatrichtlijn), of 8.74l, derde lid (andere soorten) van het Besluit kwaliteit leefomgeving, aanvragen ten behoeve van diens jachthouder.

 

Vaak heeft de provincie op voorhand al een omgevingsvergunning voor een bepaalde schadeveroorzakende diersoort verleend aan de Faunabeheereenheid. In dat geval kan een grondgebruiker (of diens jachtaktehouder) volstaan met het aanvragen van een toestemming of machtiging bij deze Faunabeheereenheid, om van de reeds verleende omgevingsvergunning gebruik te maken.

 

Gedeputeerde Staten menen dat het tijdig aanvragen van een omgevingsvergunning een van de mogelijkheden is om (dreigende) belangrijke faunaschade te voorkomen en beperken. Als de aanvrager een dergelijke vergunning niet of niet tijdig heeft aangevraagd, zal in beginsel geen tegemoetkoming worden verleend.

Tijdig aanvragen van een omgevingsvergunning houdt in dat deze indien mogelijk vooraf, doch uiterlijk binnen 32 uur na schadeconstatering van enige omvang is geconstateerd, wordt aangevraagd bij de Faunabeheereenheid Zeeland. Op dat moment wordt immers van een aanvrager verwacht dat deze direct actie onderneemt. Dat tijdig, uiterlijk binnen 32 uur na schadeconstatering, een vergunning (voorheen: ontheffing) moet worden aangevraagd wordt in bestendige jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State niet onredelijk geacht.6

 

Wordt een omgevingsvergunning verleend dan zal ook de schade die, gedurende de behandelingsperiode van de vergunningsaanvraag, ondanks de inspanningen van de aanvrager nog is ontstaan, bij de taxatie van de schade worden betrokken. Als een omgevingsvergunning tijdig en deugdelijk is aangevraagd maar door Gedeputeerde Staten of Faunabeheereenheid wordt geweigerd en dit de aanvrager niet te verwijten is, dan achten Gedeputeerde Staten een tegemoetkoming op zijn plaats. Dit is bijvoorbeeld het geval als een omgevingsvergunning niet wordt verleend vanwege het ontbreken van schadehistorie, of als een omgevingsvergunning geschorst is vanwege een gerechtelijke procedure.

 

Gedeputeerde Staten zullen bezien in welke gevallen een vergunningsaanvraag achterwege kan blijven. Als op voorhand duidelijk is dat geen omgevingsvergunning kan of zal worden verleend, wordt niet verwacht dat men (toch) een aanvraag doet. Voor de volgende soorten is dit het geval:

  • a.

    Kleine rietgans

  • b.

    Koolmees

  • c.

    Merel

  • d.

    Pimpelmees

  • e.

    Putter

  • f.

    Ringmus

  • g.

    Roek

  • h.

    Rotgans

  • i.

    Vink

  • j.

    Waterhoen

Adequaat gebruik

Van een verleende omgevingsvergunning moet adequaat gebruik worden gemaakt. Dit houdt in dat er minstens tweemaal per week (op twee verschillende dagen) verjaging met ondersteunend afschot moet plaatsvinden, vanaf het moment van het aanvragen van de omgevingsvergunning tot en met de eindtaxatie. Bij het bepalen van deze periode wordt er vanuit gegaan dat een omgevingsvergunning, uiterlijk, wordt aangevraagd op de dag van constateren van schade van enige omvang. De verplichting om de schade, als deze niet (geheel) voorkomen kon worden, dan in elk geval zoveel mogelijk te beperken door middel van het bestrijden van de schadeveroorzakende dieren, loopt door tot en met de eindtaxatie.

 

Bejaagacties moeten zijn verricht op, of in een buffer van 200 meter rondom, de schadepercelen. Bij schade door hoefdieren geldt een maatwerkbeoordeling door BIJ12, zoals een buffer van 500 meter rondom de schadepercelen. Alleen dan tellen deze acties mee in de beoordeling van het adequaat gebruik van de omgevingsvergunning of vrijstelling van de vergunningplicht voor flora- en fauna-activiteiten. Ook bejaagacties waarbij geen dieren zijn gedood, tellen mee voor het adequaat gebruik en moeten worden geregistreerd. Als de jager aanwezig is geweest, maar geen schadeveroorzakende dieren heeft aangetroffen, kan dit apart worden vermeld. Van belang is dat concreet de geleverde inspanning én het resultaat per datum van uitvoering wordt vermeld in het registratiesysteem.

 

Bij het gebruik maken van de omgevingsvergunning moeten de acties dus gericht zijn op het plegen van afschot. Het verjagen en verontrusten van de schadeveroorzakende dieren (zoals gebruik van het vogelafweerpistool of verjaging anderszins) worden niet meegenomen in de beoordeling in het kader van het adequaat gebruik van de omgevingsvergunning. De invulling die wordt gegeven aan wat wel en wat niet adequaat is, wordt in bestendige jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State niet onredelijk geacht.7

 

Vrijstelling van de omgevingsvergunningplicht

Als op de omgevingsvergunningplicht een provinciale vrijstelling met beperkingen geldt moet van de vrijstelling – evenals van een omgevingsvergunning – adequaat gebruik worden gemaakt om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen. Dit wordt op eenzelfde manier beoordeeld als het adequaat gebruik van een omgevingsvergunning, zoals hiervoor omschreven.

 

Controle gegevens

Om aan te tonen dat sprake is van adequaat gebruik, wordt van een aanvrager verlangd te rapporteren over het gebruik van de omgevingsvergunning. Hetzelfde geldt voor een vrijstelling van de omgevingsvergunningplicht met beperkingen.

 

Het is de verantwoordelijkheid van de aanvrager om de bedoelde informatie tijdig, binnen twee weken na bevestiging taxatie, en volledig beschikbaar te stellen aan BIJ12. Dit kan men doen door de gegevens over de bejaagacties c.q. verjaagacties met ondersteunend afschot, te rapporteren in een voor BIJ12 toegankelijk registratiesysteem.

 

SRS/FRS

In de praktijk zal het vaak de jachtaktehouder zijn die deze gegevens in het Fauna Registratie Systeem (FRS) registreert, maar de aanvrager is ervoor verantwoordelijk dat dit tijdig en volledig gebeurt. Om BIJ12 inzicht te geven in de aangeleverde gegevens moet de grondgebruiker akkoord geven in het Schade Registratie Systeem (SRS).

 

Vervolgens raadpleegt BIJ12, bij de toetsing of sprake is van adequaat gebruik, de geregistreerde gegevens in het registratiesysteem. Acties die niet tijdig, binnen twee weken nadat aanvrager bevestiging taxatie heeft ontvangen, zijn ingevoerd in het systeem worden niet meegenomen in de toetsing op adequaat gebruik. Omwille van de uitvoeringslast en betrouwbaarheid van de gegevens worden alleen acties die in het Fauna Registratie Systeem (FRS) zijn ingevoerd geaccepteerd. Andere registraties, zoals handgeschreven verklaringen, briefjes of mailtjes met bejaaggegevens worden niet geaccepteerd.

 

C.  

In de Artikelsgewijze toelichting komt de toelichting op artikel 5.4, onder het kopje “Voorjaarsgras” te luiden:

 

Voorjaarsgras

Als de schade door ganzen aan voorjaarsgras, bijvoorbeeld, begin maart wordt geconstateerd, wordt verwacht van de grondgebruiker om, vanaf het moment van aanvragen van de omgevingsvergunning, direct aan schadebestrijding te doen en binnen zeven dagen na de constatering van de schade (van enige omvang) een aanvraag in te dienen, zodat een taxateur de diersoort nog goed en betrouwbaar kan vaststellen en de schade goed kan volgen en eventueel na meerdere bezoeken definitief kan vaststellen en aftaxeren.

 

Een taxateur taxeert alleen verse gewasschade, dat wil zeggen schade die is opgetreden tot tien dagen voor de datum van schadeconstatering. Als sprake is van ‘oudere schade’ die al eerder is ontstaan, maar waarvoor pas (veel) later een aanvraag om tegemoetkoming is gedaan, wordt deze oudere schade niet bij de taxatie betrokken. Deze schade en de oorzaak daarvan kan niet meer op zorgvuldige, betrouwbare wijze vastgesteld worden.

 

Verder is van belang dat een aanvrager het gewas waar de aanvraag op ziet, niet mag oogsten of anderszins handelingen verrichten waardoor de schade niet meer kan worden getaxeerd, totdat de schade definitief door de taxateur is vastgesteld. Als de schade niet meer is vast te stellen, doordat een aanvrager het gewas voor het bezoek van de taxateur heeft geoogst, het perceel heeft bewerkt of heringezaaid al of niet met een ander gewas, dan komt deze schade niet voor een tegemoetkoming in aanmerking. In artikel 6 is dit ook expliciet benoemd als reden voor afwijzing.

 

D.  

In de Artikelsgewijze toelichting komt de toelichting op artikel 5.6, onder het kopje “>Uitsluiting in verband met diersoort” te luiden:

 

>Uitsluitingen in verband met diersoort

Voor schade aangericht door diersoorten waarvoor het gehele jaar voor zowel aanvrager als jachthouder voldoende mogelijkheden bestaan om schade aan de landbouw door die diersoorten te voorkomen dan wel te beperken, wordt geen tegemoetkoming verleend (dieren met betrekking waartoe voor flora- en fauna-activiteiten een landelijke of provinciale vrijstelling van de omgevingsvergunningplicht geldt).8 Er kan sprake zijn van provinciale vrijstellingen van de omgevingsvergunningplicht waarin voorwaarden, beperkingen of clausules zijn opgenomen met betrekking tot schadebestrijding. Van dergelijke vrijstellingen kan gezegd worden dat zij in de praktijk hetzelfde werken als een omgevingsvergunning gebaseerd op artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet. Gedeputeerde Staten behandelen dergelijke vrijstellingen van de omgevingsvergunningplicht in het kader van beleidsregels daarom als ware het omgevingsvergunningen.

 

Geen tegemoetkoming wordt verleend indien er sprake is van een omgevingsvergunning, op basis van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, zonder voorwaarden, beperkingen of clausules ten aanzien van de schadebestrijding. Een dergelijke omgevingsvergunning is qua werking in de praktijk vergelijkbaar en daarom beleidsmatig gelijk te stellen aan een vrijstelling van de omgevingsvergunningplicht.

 

Geen tegemoetkoming wordt verleend als de schade veroorzaakt is door de huisspitsmuis, bosmuis, de veldmuis of de mol, en voor flora- en fauna-activiteiten waarbij deze dieren worden gedood, een vrijstelling van de omgevingsvergunningplicht geldt in verband met de bestrijding van schade aan landbouwgewassen. Als gevolg van een vrijstelling van de vergunningplicht bestaan het gehele jaar voldoende mogelijkheden om de schade te voorkomen dan wel te beperken. Gelet op eerdere veldmuizenplagen, is het bovendien niet bijzonder dat muizen grote schade aan grasland toebrengen.9

 

Als de schade veroorzaakt wordt door dieren waarop de minister de jacht heeft geopend, wordt evenmin een tegemoetkoming verleend. In het jachtseizoen zijn er voldoende bestrijdingsmogelijkheden om de populatie te beheren en daarmee faunaschade te voorkomen en beperken. Uitzondering wordt gemaakt voor de wilde eend. Voor deze diersoorten wordt wel een tegemoetkoming verleend, indien de schade geconstateerd wordt buiten de periode dat de jacht is geopend. De reden hiervoor is dat de wilde eend niet plaatsgebonden is, waardoor jacht binnen het jachtseizoen onvoldoende soelaas biedt om de schade buiten het seizoen te voorkomen.

 

Gedeputeerde Staten kunnen besluiten om in bepaalde situaties wel een tegemoetkoming in de schade te verlenen, als er door besluitvorming van Gedeputeerde Staten of (rijks)overheid beperkingen worden opgeworpen om de schade te voorkomen of beperken. Bijvoorbeeld indien de schade is aangericht op percelen gelegen in een Natura 2000-gebied of ganzenrustgebied waar geen schadebestrijding mag plaatsvinden.

 

Ook kan het zijn dat er wel tot betaling van een tegemoetkoming wordt overgegaan, als de percelen gelegen zijn binnen het kooirecht van een geregistreerde eendenkooi en er daarom geen mogelijkheden bestaan om de schade te voorkomen of beperken. Voor die gevallen dient een afweging gemaakt te worden of het redelijk is om af te wijken van deze beleidsregel.

 

E.  

In de Artikelsgewijze toelichting komt de toelichting op artikel 5.6, onder het kopje “>Uitsluiting in verband met locatie of functie” te luiden:

 

>Uitsluitingen in verband met locatie of functie van de percelen

Binnen een in het omgevingsplan of de omgevingsverordening begrensde bebouwingscontour kan worden voorzien dat bepaalde maatregelen om schade te voorkomen of beperken, niet mogen worden aangewend.

 

Schade veroorzaakt op gronden die zijn gelegen binnen een straal van 500 meter afstand van een vuilstortplaats, komt evenmin voor een tegemoetkoming in aanmerking. In geval van een vuilstortplaats is de aanwezigheid van deze schadeveroorzakende dieren voorzienbaar.

 

Schade door beschermde dieren aan dieren in een stal komt niet voor een tegemoetkoming in aanmerking. Voordat een schadeveroorzakend dier de stal of het gebouw bereikt, kunnen er voldoende barrières opgeworpen worden om de schade te voorkomen. Bovendien zijn stallen en andere bouwwerken af te sluiten en is het voor rekening van een grondgebruiker indien dit niet goed gebeurt. Ook zijn op grond van het Besluit houders van dieren, dierhouders verplicht om hun dieren te beschermen tegen roofdieren.

 

Schade op gronden die een functie als waterkering hebben, komt evenmin in aanmerking voor een tegemoetkoming. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om schade op zeedijken die door schapen worden begraasd. Reden hiervoor is dat op die gronden de kans op schade door natuurlijk in het wild levende beschermde diersoorten op die gronden voorzienbaar is, dan wel dat de grondgebruiker zelf zich bij overeenkomst heeft verbonden bepaalde schadebestrijdingsmaatregelen niet toe te passen. Gedeputeerde Staten achten het redelijk dat de schade in dergelijke gevallen tot het ondernemersrisico behoort, en niet wordt gecompenseerd.

Artikel II Inwerkingtreding

 

Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 november 2025.

 

 

 

 

 

Aldus vastgesteld door gedeputeerde staten van de provincie Zeeland in de vergadering van 4 november 2025.

H.M. de Jonge, voorzitter

Drs. M.C.J. Franken, secretaris

Naar boven