Programma Landelijk Gebied Provincie Zeeland

Besluit van Gedeputeerde Staten van 21 oktober 2025, houdende het ter inzage leggen van het Ontwerp Programma Landelijk Gebied Zeeland.

Gedeputeerde Staten van Zeeland,

  • Gelet op artikel 3.5 en paragraaf 3.2.3 van de Omgevingswet,

  • Het besluit van Gedeputeerde Staten d.d. 2 juli 2024 inzake het opstellen van een vervolg op het concept Zeeuws gebiedsprogramma,

besluiten het volgende:

Artikel I

Het vaststellen van het Ontwerp Programma Landelijk Gebied Provincie Zeeland zoals opgenomen in Bijlage A.

Artikel II

Het Ontwerp Programma Landelijk gebied Provincie Zeeland ter inzage te leggen op 4 november 2025 tot en met 16 december 2025.

Aldus besloten in de vergadering van Gedeputeerde Staten van 21 oktober 2025,

H,M. de Jonge, voorzitter

Drs. M.C.J. Franken, secretaris - algemeen directeur

21 oktober 2025

Bijlage A artikel I

Programma Landelijk Gebied Provincie Zeeland

Hoofdstuk 1 Algemeen

De Provincie Zeeland heeft haar integrale lange termijn beleid voor de fysieke leefomgeving vastgelegd in de Zeeuwse Omgevingsvisie. Hierin wordt beschreven voor welke uitdagingen de Provincie staat. Er zijn vier ambities geformuleerd om deze uitdagingen het hoofd te bieden:

  • a.

    Uitstekend wonen en leven in Zeeland.

  • b.

    Balans in de grote wateren en het landelijk gebied.

  • c.

    Een duurzame en innovatieve economie.

  • d.

    Klimaatbestendig en CO2-neutraal Zeeland.

Provincies hebben onder de Omgevingswet verschillende instrumenten gekregen voor het vastleggen van het beleid voor de fysieke leefomgeving en de uitvoering daarvan. Eén van deze instrumenten is het programma. Provincies kunnen dit inzetten voor de uitwerking van het strategische beleid voor de fysieke leefomgeving. Het programma speelt een rol bij de ontwikkeling, doorwerking of uitvoering van dit beleid. In programma’s worden de doelstellingen en opgaven uit de Zeeuwse Omgevingsvisie uitgewerkt en vertaald naar concrete acties en/of maatregelen.

Een programma is, net als de Omgevingsvisie, zelfbindend; dit betekent dat het alleen het bestuur (in dit geval het Provinciale bestuur) zelf bindt. Het programma legt geen regels op aan andere bestuursorganen (het Rijk, het Waterschap of de gemeente) of initiatiefnemers (burgers en bedrijven). Van een programma kan wel een stimulerende werking uitgaan; zo kan het initiatiefnemers stimuleren om dingen te doen die helpen om de in de Omgevingsvisie en het programma gestelde doelstellingen te behalen. Als het voor het behalen van de doelstellingen nodig is dat de Provincie regels stelt voor burgers of lagere overheden, dan doet ze dit via de Omgevingsverordening Zeeland.

Binnen de Omgevingswet kennen we verplichte en onverplichte programma’s. Voor specifieke onderwerpen verplicht de Omgevingswet bestuursorganen een programma op te stellen. Verplichte programma’s volgen uit Europese regelgeving of uit de wet. Voor de Provincie zijn de volgende programma’s verplicht: actieplan geluid, regionaal waterprogramma, beheerplan Natura 2000, een programma bij (dreigende) overschrijding omgevingswaarde en een volkshuisvestingsprogramma. Een onverplicht programma (ook wel vrijwillig programma genoemd) betekent dat de Provincie zelf mag bepalen of zij een programma wil opstellen en wat de inhoud daarvan is. Dit type programma schrijft de Provincie op eigen initiatief en kan ingezet worden vanuit de wens tot beleidsontwikkeling en beleidsuitvoering.

Het uit te werken beleid in een programma gaat over de ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming en het behoud van de fysieke leefomgeving op de korte en middellange termijn. Daarnaast bevat het programma maatregelen om te voldoen aan de vastgestelde omgevingswaarden en maatregelen voor het bereiken van doelstellingen voor de fysieke leefomgeving.

Het programma bestaat uit een regeltekst en een besluittekst. De regeltekst is de kern van het programma. Hierin staan bijvoorbeeld de doelen, de maatregelen, participatie en communicatie. De regeltekst staat in het Omgevingsloket. De besluittekst en eventuele bijlagen staan op overheid.nl.

1.2 Voorrangsbepaling

Op het moment dat er tegenstrijdigheden optreden, dan gaan verplichte programma’s voor op onverplichte programma’s.

Hoofdstuk 2 Doel van dit programma

Artikel 2.1 Aanleiding

De Zeeuwse Omgevingsvisie beschrijft de ambities voor 2050 en, op hoofdlijnen, de aanpak om deze ambities te realiseren. Het Programma Landelijk gebied Provincie Zeeland (hierna: Programma Landelijk Gebied) is een verdere uitwerking van de ambities ‘Balans in de grote wateren en het landelijk gebied’ en ‘Klimaatbestendig en CO2 neutraal Zeeland’. De concrete haakjes naar de Omgevingsvisie zijn opgenomen in het overzicht van de doelen.

De ambities binnen ‘Balans in het landelijk gebied’ en een ‘Klimaatbestendig en CO2 neutraal Zeeland’ hangen met elkaar samen. Het Programma Landelijk Gebied zorgt voor een samenhang tussen de opgaven in het landelijk gebied en draagt op die manier bij aan de twee ambities uit de Zeeuwse Omgevingsvisie. De samenhang in de opgaven betekent dat de maatregelen in dit Programma bijdragen aan verschillende doelen op het gebied van natuur, water, klimaatadaptatie, zoetwaterbeschikbaarheid en volhoudbare landbouw. Deze beleidsthema’s hebben hun eigen doelen en opgaven in het landelijk gebied. Om de samenhang te borgen en koppelkansen te creëren is ervoor gekozen om de aanpak voor de opgaven uit te werken in dit integrale Programma. Dat betekent ook dat bestaande beleidsdocumenten meegenomen worden. Onder andere het Uitvoeringsprogramma Landelijk Gebied en een deel van het ambitiedocument Agrarisch natuurbeheer zijn in dit Programma opgenomen.

Omgevingskwaliteit

Een programma is een flexibel instrument dat ingezet kan worden in de verschillende fasen van de beleidscyclus: ontwikkeling – doorwerking – uitvoering – terugkoppeling. Een programma is zelf-bindend, wat betekent dat het in dit geval ons al Provincie bindt. Een programma kan wel een doorwerking hebben op andere overheden. Onderdelen kunnen leiden tot een aanpassing van de Omgevingsvisie en/of de Omgevingsverordening. Daarnaast is het, eenmaal vastgesteld, provinciaal beleid waar ook andere overheden rekening mee moeten houden.

Een vrijwillig programma bevat volgens artikel 3.5 van de Omgevingswet:

  • de uitwerking van het beleid voor ontwikkeling, gebruik, beheer, bescherming en behoud van de fysieke leefomgeving.

  • maatregelen om te voldoen aan vastgestelde omgevingswaarden.

  • maatregelen voor het bereiken van doelstellingen voor de fysieke leefomgeving.

De fysieke leefomgeving bestaat volgend artikel 1.2 lid is in elk geval uit watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen en natuur.

In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet.

Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:

a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en

b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.

De wet ziet dus op het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en het beschermen en verbeteren van onder andere een goede omgevingskwaliteit.

In het Programma Landelijk Gebied zijn doelen voor natuur, water, klimaatadaptatie, zoetwaterbeschikbaarheid en volhoudbare landbouw opgenomen die integraal en samenhangend worden benaderd. Deze doelen dragen allen bij aan een gezonde fysieke leefomgeving en een goede kwaliteit van watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen en natuur.

Daarnaast omvat het Programma maatregelen die bijdragen aan het behalen van de doelen. Hierbij gaat het om doelstelling voor de fysieke leefomgeving zoals opgenomen in wetgeving of afspraken met het Rijk. De lijst met maatregelen is niet uitputtend en zal ook niet in alle gevallen leiden tot doelbereik. Het Programma moet dan ook worden gezien als een aanzet en een vervolg op het eerdere concept Zeeuws gebiedsprogramma van juli 2023.

De aanpak in het Programma past daarmee binnen de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet en voldoet aan de eisen aan een vrijwillig programma volgens artikel 3.5 van de Omgevingswet.

Participatie

Sinds 1 januari 2025 is de ‘Wet versterking participatie op decentraal niveau’ in werking. Vanaf dat moment geldt er een overgangstermijn van twee jaar voor de overheden om een participatieverordening vast te stellen. De Provinciale nota Participatiebeleid 2025 is een eerste stap richting de Provinciale participatieverordening. Deze nota geeft de kaders en leidende principes van participatie weer, zodat duidelijk is wie wanneer kan meepraten en op welke manier. Dit zorgt voor transparantie en gelijke kansen, en helpt verwachtingen tussen Provincie en samenleving helder te maken.

De participatieverordening legt vast hoe en wanneer kennis kan worden ingebracht. Daarmee vergroten we de kwaliteit van het beleid en versterken we het vertrouwen in het proces. Participatie voorkomt daarnaast verrassingen later in het proces, doordat zorgen, wensen en ideeën vroegtijdig kunnen worden ingebracht.

Brede Welvaart

Brede welvaart gaat in essentie over het welzijn van mensen. Het is een maatstaf voor alles dat mensen van waarde vinden. Naast materiële welvaart gaat het ook om zaken als gezondheid, onderwijs, milieu en leefomgeving, sociale cohesie, persoonlijke ontplooiing en (on)veiligheid. In Rijksbeleid, beleidsstukken en bestuursakkoorden komt brede welvaart steeds vaker terug als opgave én als manier van werken. Uit analyse is gebleken dat de brede welvaart op sommige plekken in Zeeland onder druk staat. Denk hierbij aan zowel economische-, als sociaal-culturele en ecologische aspecten. Het brede welvaartsperspectief in ons beleid betekent dat de kwaliteit van leven een belangrijk onderdeel uitmaakt van onze afwegingen.

Doel Brede welvaart:

Ook in het coalitieakkoord van de Provincie Zeeland heeft brede welvaart een prominente rol gekregen. Het doel van brede welvaart binnen het beleid van de Provincie Zeeland is dat bestuurders goede afwegingen kunnen maken tussen de economische, sociaal-maatschappelijk en ecologische impact van hun beleid. Brede welvaart kan een randvoorwaarde zijn voor grote transities en een conceptueel denkkader voor toekomstbestendig beleid. Brede welvaart nastreven vraagt om een integrale visie. Het dwingt beleidsmakers en bestuurders om breed te kijken, over de sectorale en departementale schotten heen. Zowel wanneer het gaat om de beoogde effecten als om de daartoe in te zetten middelen. En soms dus nog breder: dan houdt het ook rekening met de volgende generaties en mensen in andere landen.

Brede welvaart wordt gedefinieerd als de kwaliteit van leven in het ‘hier en nu’ en de mate waarin deze ten koste gaat van die van generaties na ons (‘later’) of van mensen buiten de eigen regio (‘elders’).

‘Leven in Zeeland’:

‘Hoe is het gesteld met de kwaliteit van leven in Zeeland?’ HZ-Kenniscentrum Zeeuwse Samenleving geeft elke vier jaar een overzicht van hoe de Zeeuwse inwoners aankijken tegen het wonen, werken en leven in Zeeland. Leven in Zeeland geeft een 'gedetailleerde foto' van tevredenheid, ervaringen en verwachtingen van de Zeeuwse inwoners op de verschillende thema's. Dit met het model van brede welvaart als kapstok, de Regionale monitor brede welvaart van het CBS als vertrekpunt en een Zeeuws bevolkingsonderzoek als basis.

Voor het rapport ‘Leven in Zeeland 2021’ hebben de onderzoekers gebruik gemaakt van de antwoorden die 12.714 Zeeuwen hebben gegeven op hun onderzoeksvragen. U kunt dit rapport lezen op ​hz.nl. In de zomer van 2025 hebben de Zeeuwen weer een vragenlijst in kunnen vullen. De rapportage wordt begin 2026 verwacht. Dit rapport biedt input voor de komende beleidsperioden van de Zeeuwse overheden én draagt bij aan de dialoog over brede welvaart in Zeeland. Met de uitkomsten van 'Leven in Zeeland' in 2026 kunnen we kijken welke aandachtspunten er op gebiedsniveau zijn voor het Programma Landelijk gebied.

Nationaal Netwerk Brede Welvaart:

We zijn deelnemer aan het Nationaal Netwerk Brede Welvaart. Binnen dit netwerk bundelen zes regionale planbureaus en vier Rijksdepartementen de krachten om gezamenlijk werk te maken van brede welvaart. Dit doen ze met verschillende beleidspraktijken én experts op brede welvaartsthema’s. Hoewel de brede welvaartsopgaven per regio verschillen, zijn er ook veel kansen om door het land heen van elkaar te leren en niet ieder apart het (brede welvaart)wiel uit te vinden.

Sociaal Economische Impact Analyse:

Voor het concept Zeeuws gebiedsprogramma werd een Sociaal Economische Impact Analyse (SEIA) uitgevoerd om de effecten van de beoogde maatregelen op de omgeving, in brede zin, mee te wegen. Met een SEIA werden de gevolgen van een of meerdere maatregelen op de brede welvaart geanalyseerd. De systematiek was een hulpmiddel om in de loop van een gebiedsproces scherp voor ogen te houden welke doelen je wil bereiken en of de acties die je onderneemt ook effectief bijdragen aan die doelen. De impact van de maatregel werd op de 8 brede- welvaartthema’s getoetst. Het ging om de thema’s milieu, gezondheid, samenleving, subjectief welzijn, wonen, veiligheid, werken en leren en materiele welvaart. Door het wegvallen van het Nationaal Programma Landelijk Gebied is de systematiek van de SEIA losgelaten. Wel wordt binnen de Provincie nog gewerkt aan een verdere uitwerking om het aspect brede welvaart mee te nemen in de besluitvorming.

Artikel 2.2. Doel van het Programma Landelijk Gebied Provincie Zeeland

Dit Programma is zoals aangegeven een verdere uitwerking van een aantal ambities in de Zeeuwse Omgevingsvisie. Daarnaast is het ook een volgende versie van het Zeeuws gebiedsprogramma, waarvan reeds een concept is vastgesteld. Op 2 juli 2024 hebben Gedeputeerde Staten besloten om, na het vervallen van het Nationaal Programma Landelijk Gebied (hierna: NPLG), verder te werken aan een volgende versie van het Zeeuws gebiedsprogramma. Daarbij hebben ze een aantal uitgangspunten over de doelen geformuleerd:

  • We werken door aan een volgende integrale versie van het Zeeuws gebiedsprogramma waarin alle sectoren worden meegenomen. Gedeputeerde Staten, Provinciale Staten en de externe partners hebben immers in grote mate de opgaven (h)erkend en de integrale aanpak omarmd. De handreiking voor gebiedsprogramma's van februari dit jaar is daarbij niet leidend.

  • De volgende versie van het gebiedsprogramma bouwt voort op een eigen, Zeeuwse visie op het landelijk gebied, de gebiedenaanpak en geeft een integrale samenhangende aanpak van de opgaven natuur, stikstof, water en klimaat weer.

  • Het gebiedsprogramma is de basis voor maatregelen waarvoor andere financieringsbronnen worden gezocht. Maar het biedt ook de mogelijkheid om aan te sluiten bij andere processen zoals de kerncentrale, Europa en klimaatmaatregelen.

  • De prioriteiten liggen bij de wettelijk opgaven voor de Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Zeeland, de Bossenstrategie en de Kaderrichtlijn Water.

  • Opgaven die niet Zeeuws breed worden gedragen, zoals nieuwe natuur, worden in principe niet meegenomen tenzij zich meekoppelkansen voordoen.

  • De andere opgaven, zoals groenblauwe dooradering, worden meer gefaseerd opgepakt.

  • De stikstofopgave is in hoofdzaak een Rijksopgave, maar wij zullen ons inspannen om het richtinggevende reductie doel te halen.

Bij de besluitvorming over de opgaven en doelen is meegenomen dat niet alle doelen hetzelfde gewicht hebben. Doelen die voortkomen uit internationale verplichtingen hebben de hoogste prioriteit. Rond de instandhouding van de natuur is de situatie urgent. De diverse relevante drukfactoren zorgen ervoor dat de kwaliteit van de natuur achteruit gaat en dat daarmee niet aan de wettelijk eisen wordt voldaan. Dit heeft vergaande gevolgen voor de vergunningverlening. Het zorgt voor een toename van het aantal juridische procedures en de legalisering van PAS-melders blijkt in de praktijk tot nu toe vaak onmogelijk. Ook de doelen uit de Kaderrichtlijn water (KRW) zijn urgent en de termijn tot 2027 is kort. Dit vraagt om een voortvarende aanpak.

Daarnaast verschillen de termijnen waarbinnen het doel bereikt moet zijn. Bij de wettelijke doelen hoort ook een wettelijke termijn zoals KRW (2027) en stikstof (nu 2025 - 2035). Voor andere doelen gelden geen wettelijke termijn. Deze doelen worden dan ook meer gefaseerd opgepakt met een uitloop tot 2050.

Naast de wettelijke doelen voor natuur en water zijn er provinciale opgaven die van invloed zijn in het landelijk gebied. Allereerst de opgave voor de landbouw: de transitie naar een volhoudbare landbouw, passend bij de locatie en met een verdienmodel. Daarnaast liggen er opgaven voor klimaatadaptatie en de zoetwaterbeschikbaarheid, dat door een toenemende verdroging een grote opgave is geworden.

Hieronder is per thema een korte toelichting gegeven op de doelen waarbij ook is aangegeven wat de juridische basis is en de relatie met de Zeeuwse Omgevingsvisie.

Thema

Omgevingsvisie

Subthema

Termijn

Provinciaal doel

Water

3. Balans in grote wateren en het landelijk gebied.

3.3 Hoofdlijnen aanpak.

Watersystemen.

Kaderrichtlijn Water

2027

Grond- en oppervlaktewater voldoen aan de KRW-doelen (goede kwantitatieve en chemische/ecologische toestand). O.a.:

concentraties nutriënten (m.n. stikstof) in grond- en oppervlaktewaterlichamen voldoen aan de vastgestelde doelen.

concentraties gewasbeschermingsmiddelen in grond- en oppervlaktewaterlichamen voldoen aan de wettelijke normen.

grondwaterlichamen voldoen aan de norm voor een goede kwantitatieve en kwalitatieve toestand.hydrologische condities Natura 2000 op orde.

Natuur

3 Balans in grote wateren en het landelijk gebied.

3.3 Hoofdlijnen aanpak.

Ondergrond.

Natura 2000 (VHR)

 

Het bereiken van een gunstige staat van instandhouding, verslechtering uitsluiten en het bevorderen van de biodiversiteit.

Natuurnetwerk Zeeland

2027

Het realiseren van het Natuurnetwerk (NNZ).

Bos

2030

Het realiseren van de doelstelling van de Zeeuwse Bosvisie, namelijk de aanleg van nieuw bos.

Groenblauwe dooradering

 

Stimuleren en zoeken naar meekoppelkansen.

Agrarisch natuurbeheer

Gefaseerd tot 2050

Uitbreiding van het areaal agrarisch natuurbeheer in het landelijk gebied.

Stikstof

3 Balans in grote wateren en het landelijk gebied.

3.3 Hoofdlijnen aanpak.

Natuur.

Emissie

2035

Bijdragen aan het reduceren van stikstofemissie.

Depositie

2030

Bijdragen aan het reduceren van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.

Klimaatadaptatie

3. Balans in grote wateren en het landelijke gebied.

Hoofdlijnen aanpak.

Ondergrond.

5 Klimaatbestendig en CO2 neutraal Zeeland.

5.3 Hoofdlijnen aanpak.Klimaatadaptatie.

5 Klimaatbestendig en CO2 neutraal Zeeland.

5.3 Hoofdlijnen aanpak.Waterveiligheid.

Hitte, droogte, wateroverlast en zeespiegelstijging.

2050

Zeeland is in 2050 klimaatrobuust en waterbestendig.

Landbouw

3 Balans in grote wateren en het landelijk gebied.

3.3 Hoofdlijnen aanpak.

Ondergrond.

3 Balans in grote wateren en het landelijk gebied.

3.3 Hoofdlijnen aanpak.

Landbouw.

 

Continu.

Volhoudbare landbouw, met bedrijfswoning passend bij de locatie met een verdienmodel.

Verdroging/verzilting

3 Balans in grote wateren en het landelijk gebied.

3.3 Hoofdlijnen aanpak.

Watersysteem.

5 Klimaatbestendig en CO2 neutraal Zeeland.

5.3 Hoofdlijnen aanpak.

Klimaatadaptatie.

Zoetwaterbeschikbaarheid.

2050

Zeeland in 2050 weerbaar laten zijn tegen zoetwatertekorten.

Toelichting

De doelen voor water komen uit de Kaderrichtlijn Water, een Europese richtlijn, die is vertaald naar nationale en regionale (water)plannen en regelgeving. In december 2027 moeten alle aangewezen wateren voldoen aan de kwantitatieve en kwalitatieve normen voor grond- en oppervlaktewater. Dit is een opgave voor het Rijk, Provincies en de Waterschappen. In het ​Regionaal Waterprogramma staat de aanpak beschreven om de doelen van de Kaderrichtlijn Water te behalen.

De doelen voor Natura 2000-gebieden komen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn, een Europese richtlijn, die vervolgens is vertaald naar de Omgevingswet. Het Programma Natuur is het provinciale kader waarin maatregelen zijn opgenomen om in de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden tot een gunstige staat van instandhouding te komen. De maatregelen landen zowel in de Natura 2000-gebieden als in een zone van 3 km daarbuiten.

Het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ) is vastgelegd in de ​Provinciale Omgevingsverordening. Het netwerk bestaat uit een samenhangend geheel van bestaande natuurgebieden en verbindingen daartussen. Het draagt bij aan de bescherming en instandhouding van de natuur. Het NNZ is een wettelijke verplichting op basis van het Natuurpact.

In de Zeeuwse bosvisie is de bijdrage van Zeeland aan de landelijke opgave in de Nationale Bossenstrategie opgenomen. Deze opgave komt voort uit het Klimaatakkoord. Het betreft een inspanningsverplichting.

De opgave voor groenblauwe dooradering kent een lange geschiedenis. Het is gestart als onderdeel van het Functioneel Agrarisch Natuurbeheer en uiteindelijk via het Aanvalsplan Landschap in het ontwerp NPLG opgenomen. Met het besluit om niet verder te gaan met het NPLG is ook de hectare opgave voor groenblauwe dooradering vervallen. In het ambitiedocument Agrarisch Natuurbeheer (nadere toelichting hieronder) is opgenomen dat we blijven streven naar 10% groenblauwe dooradering in het landelijk gebied in 2050. Aangezien groenblauwe dooradering bijdraagt aan veel doelen, zoals biodiversiteit, water, klimaatadaptatie, versterking van het (cultuurhistorisch) landschap en beleefbaarheid van het landschap, is stimulering hiervan als doel opgenomen. Al dan niet in combinatie met andere maatregelen.

Het agrarisch natuurbeheer was in het ​Hoofdlijnenakkoord uit 2024 één van de pijlers ter vervanging van het NPLG. Voor het Agrarisch natuurbeheer in brede zin is vanaf 2026 jaarlijks 500 miljoen beschikbaar gesteld vanuit het Rijk. De ambities voor het agrarisch natuurbeheer in Zeeland zijn nader uitgewerkt in het door Gedeputeerde Staten vastgestelde ambitiedocument Agrarisch Natuurbeheer. Het doel is een uitbreiding van het areaal agrarisch natuurbeheer in het landelijk gebied zodat voedselproductie en biodiversiteit integraal verweven worden in het landschap en het boerenbedrijf.

Onder het NPLG was er voor stikstof een provinciale stikstofreductieopgave. Voor Zeeland was dat 631 ton minder stikstofuitstoot in 2035. Hiermee werd bijgedragen aan de landelijke doelstelling: 74% van de stikstofgevoelige natuur onder de KDW. Dit was een inspanningsverplichting. Met het vervallen van het NPLG is ook het provinciale stikstofreductiedoel vervallen. Er gelden nu algemene doel om bij te dragen aan het reduceren van zowel stikstofemissie als de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.

Adaptatie: In de Klimaatadaptatiestrategie Zeeland (hierna: KasZ) is de overkoepelende doelstelling uitgewerkt voor landbouw, natuur, recreatie, stedelijk gebied en waterveiligheid in het algemeen. De KasZ is in alle Zeeuwse gemeenteraden, de Algemene Vergadering van het Waterschap Scheldestromen en Provinciale Staten vastgesteld. Het is de Zeeuwse uitwerking van de Nationale Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie waarin de doelstelling van 2050 is vastgelegd.

Waterveiligheid: Aanvullend geldt vanuit de Deltawet dat in 2050 alle waterkeringen moeten voldoen aan de norm. In Zeeland ligt er een behoorlijk grote opgave m.b.t. versterking van de primaire waterkeringen. Daar hoort een veilige inrichting van het achterland ook bij (meerlaagse veiligheid).

De landbouw is een belangrijke drager van het landelijk gebied. In het beleid van het demissionaire kabinet Schoof krijgt de landbouw een belangrijke rol in het bereiken van de doelen voor natuur, water en klimaatadaptatie ('de boer aan het roer').

Uitvoeringsprogramma Landelijk Gebied

In het Uitvoeringsprogramma Landelijk Gebied 2021-2030 (UPLG) wordt de Zeeuwse visie op landbouw beschreven als een volhoudbare bedrijfstak; economisch sterk, aangepast aan de klimaatverandering en in balans met de omgeving. Deze ontwikkeling draagt ook bij aan natuur- en landschapswaarden. Een volhoudbaar landbouwsysteem ontstaat door een samenhangende integrale benadering van bodem, beheer (zoet) water, biodiversiteit en het ondersteunen van kennis en innovatie. Het Uitvoeringsprogramma Landelijk Gebied wordt geïntegreerd in dit Programma.

Verdroging/verzilting is een actueel thema in het landelijk gebied. In het concept Zeeuws gebiedsprogramma is al een koppeling gemaakt tussen zoetwaterbeschikbaarheid en de doelen voor natuur, stikstof, water en klimaatadaptatie. Hiervoor zijn twee sporen opgenomen, nl (1) efficiënt omgaan met het water dat valt en (2) op de langere termijn naar een ontwikkeling in het landelijk gebied die beter kan anticiperen op de wijzigende omstandigheden.

Hoofdstuk 3 Tijdelijk hoofdstuk beleidsontwikkeling

De integrale aanpak van de doelen voor natuur, water, klimaatadaptatie, zoetwaterbeschikbaarheid en volhoudbare landbouw vragen ook keuzes in de ruimtelijke inrichting. De keuze waar specifieke functies kunnen landen heeft immers gevolgen voor het landgebruik en ook voor omliggende functies. Bovendien beïnvloeden ruimtelijke keuzes ook de invulling van de opgaven en maatregelen in het landelijk gebied.

In dit Programma worden, al dan niet impliciet, keuzes gemaakt in de ruimtelijke inrichting. Deze keuzes hebben soms al een basis in andere programma’s of beleidsdocumenten. Voor dit Programma gaat het over hoe we om willen gaan met het water- en bodemsysteem en wat dat betekent voor verschillende functies in het landelijke gebied. Daarnaast gaat het over waar mogelijkheden zijn voor groenblauwe dooradering.

Water- en bodemsysteem

Het water- en bodemsysteem bepaalt eigenlijk al eeuwen waar we wonen en gewassen verbouwen, waar we vee houden en waar ruimte is voor natuur. De afgelopen decennia hebben we het water- en bodemsysteem steeds meer aangepast naar onze behoefte. En in dat proces lopen we nu tegen de grenzen aan, mede versterkt door de klimaatverandering.

In de Klimaatadaptatiestrategie Zeeland is opgenomen dat voor volhoudbare landbouw een goede bodemkwaliteit en een robuust watersysteem noodzakelijk is. Daarnaast worden nieuwe ontwikkelingen klimaatadaptief ontworpen en hiervoor is het water- en bodemsysteem bepalend. Bij ontwikkelingen waar het water- en bodemsysteem randvoorwaardelijk, en dus sturend is, moet een functie (natuur, akkerbouw, veehouderij, wateropslag etc.) passen bij de locatie. Soms kan een locatie meer passend gemaakt worden maar we moeten ook vaker accepteren dat dit niet kan. Er is een instrument ontwikkeld dat als hulpmiddel ingezet kan worden om te zien waar je vanuit klimaatadaptatie aan moet denken bij nieuwe ontwikkelingen. In de Water en Bodem Signaalkaarten is te zien welke aandachtspunten er zijn op een locatie. Onder andere vanuit de invalshoek landbouw en natuur. Er wordt nader bekeken hoe dit instrument geborgd wordt in de Omgevingsverordening.

In dit Programma gaan we ervan uit dat functies in principe moeten passen bij het water- en bodemsysteem. De functie is dus volgend aan dat systeem. En omdat er zoveel functies zijn, is het zoeken naar de meest passende functie of combinatie van functies voor een locatie. En daaruit volgt ook dat als een functie past bij een locatie, we die in principe ook willen behouden.

Groenblauwe dooradering

Groenblauwe dooradering zijn landschapselementen in de vorm van een dooradering door het landschap. De dooradering verbindt natuurgebieden met elkaar. In het Zeeuwse landelijk gebied liggen sloten, bomenrijen en kreekruggen. Soms een bloeiende akkerrand of een wal begroeid met struiken. Dit netwerk van onderdelen in het landschap noemen we de groenblauwe dooradering. Dieren kunnen zich hierlangs verplaatsen en zich erin verschuilen. De groenblauwe dooradering in het landschap is goed voor de biodiversiteit en zorgt voor een aantrekkelijk landschap. Daarnaast zijn deze landschapselementen in staat om stikstof op te vangen waardoor het niet verder verspreid wordt.

Groenblauwe dooradering draagt bij aan veel doelen: de bossenstrategie, koolstofvastlegging, biodiversiteit, versterking van het (cultuurhistorisch) landschap, klimaatadaptatie/hittestress en KRW-doelen. Het stimuleren van groenblauwe dooradering en het benutten van meekoppelkansen is dan ook een doel van dit Programma. Om meekoppelkansen te kunnen benutten moet helder zijn waar wij vanuit ruimtelijk perspectief groenblauwe dooradering voor ons zien.

In overleg met andere overheden (gemeenten) en sectoren is besproken waar versterking van de bestaande structuur van de groenblauwe dooradering gewenst is, en waar uitbreiding plaats kan vinden. Uit het overleg zijn de volgende redeneerlijnen gekomen:

  • Koppeling aan een verbetering van het lokaal vasthouden van zoetwaterstromen, zowel op het maaiveld als onder het maaiveld.

  • Koppeling aan landschappelijke elementen als kreekbeddingen, kreekruggen en poelgronden.

  • Koppeling aan het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ) en de oude ecologische hoofdstructuur.

  • Koppelingen aan belangrijke aanknopingspunten van het cultuurlandschap.

  • Versterken van het landschap en het verbeteren van mogelijkheden voor toerisme en recreatie.

  • Koppeling aan gebieden rond Natura 2000-gebieden.

Deze redeneerlijnen komen overeen met de in het ambitiedocument Agrarisch Natuurbeheer opgenomen ambities. Daarmee zijn de redeneerlijnen ook de basis voor dit Programma.

Stikstofplan

Gereserveerd voor evt. beleidsontwikkeling vanuit het stikstofplan.

Stikstofplan gebiedsspecifieke uitwerking Kop van Schouwen en Manteling van Walcheren.

Hoofdstuk 4 Thema's

Om tot maatregelen te kunnen komen voor het bereiken van de doelen, moet eerst helder zijn voor welke opgaven we staan. Er is in beeld gebracht wat het beleid en de situatie op dit moment is en, gezien de doelen, wat de opgaven zijn. Dit is een integraal Programma waarin we de keuze maken om de samenhang in het landelijk gebied te weergeven. Om de integraliteit te benadrukken is het beleid, de opgaven en de maatregelen verdeeld in vier thema's. Deze benadrukking zorgt er voor dat koppelkansen nadrukkelijk in beeld komen.

In dit hoofdstuk gaan we nader in op de thema’s. Per thema wordt een toelichting gegeven op het beleid en een eventuele aanpak. Vervolgens beschrijven we de opgaven per thema. Een uitgebreidere toelichting van de analyse die hier aan ten grondslag ligt staat in bijlage A van het besluit van dit Programma.

Bij een aantal opgaven leggen we ook een link met de bijbehorende maatregelen. Dit doen we door de nummers van de maatregelen bij de opgave te benoemen. Het kan daarbij gaan om koplopermaatregelen (dan staat er een k voor), om overige lopende maatregelen (dan staat er een o voor), of om nieuwe maatregelen. De nieuwe maatregelen hebben geen kleine letter, maar starten met een N (Groen herstelt), W (elke druppel telt dubbel), G (van grond tot gewas) of M (meten is weten) .

Bij een aantal opgaven wordt verwezen naar de begroting. Dat is te zien aan: (B).

Afdeling 4.1 Groen herstelt

Paragraaf 4.1.1. Beleidsuitgangspunten

Natuurherstel

De natuur in Europa gaat al jaren achteruit. In Nederland en ook in Zeeland staan soorten en ecosystemen onder druk. Zo zijn er steeds minder dier- en plantsoorten. Ook zijn het water en de bodem op veel plekken vervuild. Terwijl gezonde natuur juist hard nodig is: voor schone lucht, water, voedsel en een leefbare omgeving. Ook beschermt gezonde natuur tegen de gevolgen van klimaatverandering, zoals droogte en wateroverlast.

We werken in Zeeland dan ook aan natuurherstel. Om de basis op orde te krijgen zorgen we voor wettelijke bescherming van, en actief beheer in, het Natuurnetwerk Zeeland. Binnen dit Natuurnetwerk vallen ook de Natura 2000-gebieden. Dit zijn gebieden die aangewezen zijn onder de Vogel- en Habitatrichtlijn. Deze gebieden zijn aangewezen, omdat er habitattypen voorkomen die, vanuit Europees oogpunt, bescherming nodig hebben. De Vogel- en Habitatrichtlijnen richten zich op het waarborgen van de biodiversiteit. De richtlijnen brengen dan ook instandhoudingsdoelstellingen met zich mee voor de Natura 2000-gebieden. Om die te halen, treffen we maatregelen. Zowel in de Natura 2000-gebieden als daarbuiten.

Buiten Natura 2000- gebieden

Aanleg Natuurnetwerk Zeeland

We werken onder andere aan natuurherstel door het realiseren van het Natuurnetwerk Zeeland. Bovendien draagt het realiseren van het Natuurnetwerk Zeeland bij aan een goede instandhouding van de Natura 2000-gebieden. De aanleg van het Natuurnetwerk Zeeland is zowel binnen als buiten de Natura 2000-gebieden. De afspraken voor het Natuurnetwerk zijn vastgelegd in het Natuurpact (2013).

Bossenstrategie

In de Nationale Bossenstrategie (2020) hebben Rijk en Provincies afgesproken om maatregelen te treffen die bijdragen aan het herstel van de biodiversiteit in de Nederlandse bossen en daarmee ook bijdragen aan meer CO2-opslag. Daarnaast zorgen de maatregelen voor verbeterde waterkwaliteit (KRW), ruimte voor recreatie en een bijdrage aan de circulaire economie. De Nationale Bossenstrategie is vertaald naar de ​Zeeuwse Bosvisie.

Groenblauwe dooradering



Uitvoeringsprogramma Landelijk Gebied

Groenblauwe dooradering (GBDA) omvat ‘kleine’ natuurelementen die het landschap in belangrijke mate vormgeven, ook wel kleine landschapselementen genoemd in de vorm van punten, lijnen of vlakken (tot 1,5ha) die optimaal aansluiten bij de fysische, geografische, hydrologische en/of ecologische omstandigheden.

De basisindeling van GBDA is:

  • Houtige elementen (groen) zoals houtsingels, heggen, bomen, lanen.

  • Kruiden en ruigten (groen) zoals akkerranden, bloembermen, dijken met kruidenbeheer .

  • Natte elementen (blauw) zoals natuurlijke oevers, rietlanden, poelen, natuurlijk beheerde sloten.

Conform het Aanvalsplan Landschap (2022) kan met GBDA aan meerdere doelen worden bijgedragen, waaronder; biodiversiteit, klimaatadaptatie, CO2 vastlegging, waterkwaliteit, duurzaam inkomen boer, kwaliteit en diversiteit landschap, leefomgeving en recreatie, vestigingsklimaat, filteren van lucht, vasthouden van water en het tegengaan van bodemerosie. Het realiseren van meer GBDA leent zich goed voor een gebiedsgerichte aanpak. 

De gezamenlijke overheden in Zeeland beheren heel wat hectares aan bermen, dijken en overige grazige delen van infrastructurele werken. Alles bij elkaar vormt dat reeds een uitgestrekt groeiend netwerk door heel Zeeland dat natuurgebieden met elkaar verbindt en eveneens de biodiversiteit en functionele agrobiodiversiteit op het platteland kan laten toenemen. De binnendijken vormen in Zeeland de ruggengraat van de dooradering. Een groot deel van de binnendijken is in eigendom en/of beheer bij terrein beherende organisaties en het Waterschap, maar er zijn ook veel particuliere grondeigenaren zoals agrariërs.

Natte ecologische verbindingen zijn lijnvormige verbindingen in de vorm van kreken en waterlopen met hun brede oevers en hebben uit oogpunt van soortenbehoud de functie om planten en dieren in de gelegenheid te stellen om van het ene natuurgebied naar het andere natuurgebied te migreren zonder hinder van barrières. Natte ecologische verbindingen zijn gekoppeld aan (hoofd)waterlopen in beheer bij het Waterschap en vormen geen aangrenzende gebruiksbeperkingen. De aangewezen natte ecologische verbindingen en Kaderrichtlijn waterlichamen doorsnijden voor een deel brongebieden van kwetsbare planten- en diersoorten die binnen het agrarisch gebied aanwezig zijn. Het Natuurbeheerplan bevat begrenzingen van deze brongebieden in de vorm van voormalige getijdenkreken en binnendijken. Activiteiten tot beheer en verbetering van deze elementen komen daarmee in aanmerking voor toepassing van subsidie van SNL. Buiten het NNZ bestaan mogelijkheden voor beheer van elementen van de groenblauwe dooradering binnen de begrenzing van de agrarische leefgebieden die zijn opgenomen in het Natuurbeheerplan.

De inzet van het agrarisch natuurbeheer is van groot belang voor de realisatie van meer groenblauwe dooradering. Daarnaast zijn er specifieke projecten en initiatieven. Zo zetten bijvoorbeeld de ondertekenaars vanuit de Zeeuwse Bijenstrategie zich in om kansen voor bijen te stimuleren door communicatie en het faciliteren of uitvoeren van bij vriendelijke projecten en onderzoek.

Een groot deel van de GBDA in Zeeland wordt gevormd door maatregelen in het agrarisch natuurbeheer. In 2025 ging dit om een oppervlakte van circa 1.300 ha. Hieronder vallen de bekende akkerranden en kruidenrijk grasland, maar ook het beheer van landschapselementen als hagen, knotbomenrijen en poelen op landbouwgrond evenals beheer van dijken.

De ontwikkeling van GBDA is als een van de Koplopermaatregelen opgenomen en is een van belang zijnde meekoppelkans bij gebiedsontwikkelingen. 

Daarnaast wordt er gewerkt aan het krijgen van een goed inzicht in het al aanwezige areaal GDBA in Zeeland. Daarvoor wordt een viewer van GBDA in Zeeland en een dashboard met de oppervlakte en het percentage aan GBDA ontwikkelt Na oplevering wordt dit jaarlijks geactualiseerd.

Agrarisch natuurbeheer



Uitvoeringsprogramma Landelijk Gebied

Agrarisch natuurbeheer betreft maatregelen die worden genomen op landbouwgrond, in principe ten behoeve van versterking van de biodiversiteit. ANB kan tevens bijdragen aan verbetering van de waterkwaliteit, bodem en aan klimaatadaptatie. 

De bekendste regeling is het ANLb (Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer) dat in eerste plaats is gericht op het creëren en in stand houden van leefgebieden voor doelsoorten (met name boerenlandvogels) die van internationaal belang zijn (conform de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn - VHR). In het ANLb-stelsel wordt de uitvoering overgelaten aan een agrarisch collectief (Poldernatuur Zeeland) dat directe contacten met deelnemende agrariërs heeft. Het collectief vraagt subsidie aan door middel van een gebiedsaanvraag. Het ANLb wordt betaald uit Europese middelen voor het GLB en mede gefinancierd door Provincies, en Waterschappen wanneer het KRW-doelen betreft. Het ANLb kent drie leefgebieden: Open grasland, Open Akkerland en Dooradering waarvan voor Zeeland met name de laatste twee van toepassing zijn. Ook in de categorie Water worden maatregelen uitgevoerd in onze Provincie.

Provincie Zeeland heeft een eigen Zeeuwse ambitie uitgewerkt voor het ANB die juni 2025 is vastgesteld door Gedeputeerde Staten. Daarin wordt de ontwikkeling naar een toekomstbeeld geschetst waarin meer agrariërs de kans krijgen om beheerder van het landschap te worden, natuurinclusief te ondernemen en daarmee bij te dragen aan de provinciale opgaven voor het landelijk gebied. Met aanvullende Rijksmiddelen voor ANB zal er meer ingezet worden op versterking van (kwetsbare) natuurgebieden, naast uitbreiding van maatregelen in kerngebieden om te zorgen dat de biodiversiteit daadwerkelijk verbetert.

Ambitiedocument Agrarisch Natuurbeheer, hierna AANB:

In het ambitiedocument worden de doelen en ambities voor de komende jaren opgeknipt in een korte termijn (2026-2028), middellange termijn (2029-2035) en een lange termijn (perspectief 2050). Voor dit Programma nemen we de ambities op korte termijn mee (2026-2028). Deze zijn opgenomen bij de opgaven. De ambities voor de middellange- en lange termijn kunnen op termijn geïntegreerd worden.



Ambities korte termijn (2026-2028)

Doelstelling voor het agrarisch natuurbeheer op de korte termijn is om meer resultaat te behalen in ecologisch kansrijke gebieden, met name daar waar de bereidheid onder agrariërs groot is én waar tegelijkertijd een bijdrage wordt geleverd aan de meest urgente provinciale opgaven. De beoogde strategie is om activiteiten uit te voeren binnen de bestaande kaders en afspraken, waarbij wordt voortgebouwd op wat er tot nu toe is gerealiseerd met het agrarisch natuurbeheer in Zeeland.

Binnen Natura 2000- gebieden

Programma Natuur

In de provincie Zeeland liggen (geheel of gedeeltelijk) zestien Natura 2000-gebieden. In zeven van deze gebieden neemt de Provincie Zeeland het voortouw in het opstellen van het beheerplan. Om inzichtelijk te maken hoe de natuur zich in de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden heeft ontwikkeld ten opzichte van het moment van de aanwijzing, zijn natuurdoelanalyses opgesteld per Natura 2000-gebied. Deze natuurdoelanalyses vormen de basis voor de Natura 2000- beheerplannen, de maatregelen in Programma Natuur en ze leveren input voor gebiedsprocessen.

De natuurdoelanalyses geven aanvullende maatregelen wanneer er sprake is van verslechtering en het niet behalen van de instandhoudingsdoelstellingen met bestaande maatregelen. Dit geldt in Zeeland voor zes van de zeven gebieden waar de Provincie Zeeland voortouwnemer is voor het opstellen van het beheerplan. Afhankelijk van het gebied zijn de belangrijkste knelpunten:

  • Gevolgen van een te hoge stikstofneerslag (onder andere vermesting en verzuring).

  • Ontoereikende waterhuishouding (verdroging).

  • Invasieve exoten.

  • Verstoring door recreatie.

  • Een te hoge begrazingsdruk.

De aanvullende maatregelen die uit de natuurdoelanalyses zijn gekomen worden uitgevoerd vanuit het Programma Natuur fase 2 en/of dit Programma Landelijk gebied.

Stikstof

Een van de drukfactoren op onze Natura 2000-gebieden is stikstof. Waar de andere drukfactoren om maatregelen in de Natura 2000-gebieden vragen, vraagt het reduceren van stikstof een bredere aanpak. Als we het hier over stikstof hebben, hebben we het over de chemische verbindingen van stikstof. Daarin zijn twee vormen: ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NOx). Ammoniak komt vanuit de landbouw (mest) en industrie. Stikstofoxiden komt vrij bij verbrandingsprocessen in de industrie, verkeer en huishoudens. Stikstof wordt uitgestoten (emissie) en daalt neer (depositie). Met de drukfactor stikstof in Natura 2000-gebieden bedoelen we de stikstof die daar neerdaalt. De herkomst van deze stikstof kan in de buurt zijn, maar kan ook van kilometers verderop of zelfs uit een ander land komen. Bovendien kan het vanuit verschillende sectoren afkomstig zijn. Het reduceren van stikstof in het kader van natuurherstel vraagt dan ook een gebied- en sector overstijgende aanpak. Gezien de benodigde integrale aanpak voor het reduceren van stikstof, wordt de reductie van stikstof in dit Programma meegenomen. We richten ons op het reduceren van stikstofemissie (Zeeland- en sectorbreed) en stikstofdepositie (op de Natura 2000-gebieden).

We hebben een Europese en wettelijke verplichting om de aangewezen Natura 2000-gebieden in een ‘gunstige staat van instandhouding’ te brengen of te houden. Om deze gunstige staat van instandhouding te kunnen bepalen is er voor stikstof per natuurtype (soort natuur) een Kritische Depositie Waarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft aan hoeveel stikstofneerslag dat type natuur kan hebben. Wanneer er meer neerslag op dat natuurtype komt, is een negatief effect op de instandhouding niet op voorhand uit te sluiten.

Hoe werkt dat?

Een te hoge stikstofneerslag zorgt voor veel voedingsstoffen in de bodem. Dat is vooral een probleem in natuurgebieden die van nature voedselarm zijn, zoals de duingebieden. Planten zoals bramen, brandnetels en grassen gaan er harder door groeien en verdringen de ander vegetatie. Daardoor verdwijnen insecten, vogels en vlinders en de soortendiversiteit gaat achteruit. Bovendien tast te veel stikstof het bodemleven aan wat gevolgen heeft voor de vitaliteit van de beplanting.

De stikstofneerslag draagt daarnaast ook bij een de verzuring van de bodem. Een zure bodem heeft tot gevolg dat planten essentiële voedingsstoffen niet meer goed kunnen opnemen. Ook dit leidt opnieuw tot verlies van de biodiversiteit.

Aanpak

Specifiek voor stikstof is het een Rijksopgave om de overbelasting door stikstof terug te dringen. Dit is vastgelegd door middel van een omgevingswaarde in de Omgevingswet. De omgevingswaarde in onderstaand overzicht geeft het percentage areaal weer van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden die in dat jaar niet meer overbelast mag zijn door stikstof.

Jaar

Omgevingswaarde

2025

40%

2030

50%

2035

75%

Als Zeeland zitten we echter niet stil. We zetten in op twee sporen. We reduceren stikstof (emissie en depositie) én er is bredere inzet nodig op natuurherstel. Door andere drukfactoren aan te pakken wordt de natuur namelijk weerbaarder tegen stikstof. De bredere inzet op natuurherstel staat beschreven onder natuurherstel. Voor het reduceren van stikstof worden er in dit Programma maatregelen opgenomen. Deze maatregelen zijn Zeeland-breed en gaan uit van ‘alle sectoren dragen bij’. Binnen dit Programma is er ruimte om ook gebied specifieke uitwerkingen te maken voor de stikstofoverbelaste Natura 2000-gebieden.

Daarnaast is er naar aanleiding van uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) over intern salderen bij vergunningverlening van december 2024, in 2025 door de Provincie een crisisteam natuurherstel en stikstof opgericht. De focus van het crisisteam ligt op de gebieden Kop van Schouwen en de Manteling van Walcheren. Deze gebieden zijn in Zeeland het meest overbelast en zijn cruciaal in de vergunningverlening. Vanuit het crisisteam wordt dan ook een eerste gebied specifiek stikstofplan gemaakt voor de gebieden Kop van Schouwen en Manteling van Walcheren. Dit ten behoeve van de vergunningverlening.

Vergunningverlening

De aanleiding voor een eerste gebied specifiek stikstofplan ligt in de vergunningverlening. Op 18 december 2024 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in de zaak intern salderen. Deze uitspraak heeft grote gevolgen voor plannen en projecten die neerslag van stikstof veroorzaken die intern gesaldeerd is. Intern salderen houdt in dat het bedrijf de extra stikstofuitstoot die veroorzaakt wordt door het plan of project binnen het bedrijf oplost. Dit betekent dat de totale uitstoot van stikstof niet toeneemt maar herverdeelt wordt.

De kern van de uitspraken is dat er voor veel meer projecten dan voorheen sprake zal zijn van vergunningplicht voor een Natura 2000-activiteit (voorheen natuurvergunning). Dit terwijl tot 18 december jl. veel situaties door intern salderen niet vergunningplichtig waren. De mogelijkheden voor vergunningverlening zijn ook aangescherpt.

Het nieuwe kader van de Raad van State geldt ook met terugwerkende kracht: alle projecten waar sinds 1 januari 2020 intern is gesaldeerd en waar dus voorheen geen natuurvergunning nodig was, zullen nu in de meeste gevallen alsnog een vergunning moeten aanvragen.

Deze uitspraken hebben per direct dus grote gevolgen voor iedereen die een project heeft dat stikstof uitstoot. Het was al zo dat vergunningverlening met betrekking tot stikstof steeds lastiger werd, maar nu zijn we op een punt gekomen dat er daadwerkelijk heel weinig meer mogelijk lijkt. Er zullen projecten zijn die eerder toegestaan leken te kunnen worden zonder natuurvergunning, maar die nu toch vergunningplichtig zijn geworden en in veel gevallen op dit moment niet meer vergunbaar lijken.

PAS-melders

PAS-melders zijn bedrijven en ondernemers die voor het Programma Aanpak Stikstof (PAS) een melding voor bijvoorbeeld een uitbreiding van hun bedrijf deden bij de overheid. Destijds was daar geen vergunningaanvraag voor nodig. Echter oordeelde de Raad van State op 29 mei 2019 dat het PAS niet voldeed aan de Europese Habitatrichtlijn. De bedrijven en ondernemers moesten alsnog een natuurvergunning aanvragen, wat in veel gevallen niet succesvol was. De overheid probeert sindsdien deze PAS-melders te legaliseren.

In Zeeland zijn er 42 PAS-melders die nog gelegaliseerd moeten worden. Dit zijn soms industriële activiteiten maar vaak veehouderijen. In de afgelopen jaren is gebleken dat het legaliseren van PAS-melders een grote opgave is. Het verificatieproces is afgerond, er worden gesprekken gevoerd met de PAS-melders en mogelijkheden tot legaliseren worden onderzocht. Dit heeft tot nu toe niet geleid tot vergunningverlening.

In principe is het Rijk aan zet voor de aanpak tot legaliseren van de PAS-melders. De minister heeft in haar ​kamerbrief van 28 november 2024 een nieuwe aanpak voorgesteld die bestaat uit drie sporen.

Spoor 1: Rekenkundige ondergrens (RKO).

Er wordt ingezet op een juridisch houdbare en wetenschappelijk verantwoorde verhoging van de ondergrens in het rekenprogramma AERIUS. De RKO is nu 0.005 mol per ha/jr. Men wil dit verhogen naar 1 mol per ha/jr. Dit zal voor veel PAS-melders betekenen dat zij geen vergunning hoeven aan te vragen voor de gemelde activiteiten, omdat de berekende depositie niet boven deze nieuwe RKO komt. Het is nu niet duidelijk of en wanneer de nieuwe RKO kan worden ingevoerd.

Spoor 2: Individuele route.

Eer wordt ingezet op een individuele oplossing voor de afzonderlijke PAS-melders. In dat geval is er sprake van maatwerk met elementen als zaakbegeleiding, innovatie, vrijwillige beëindiging en/of schadevergoeding. Er is ook een collectieve route die zich richt op gebieden waarin meerder PAS-melders zijn en waarin een gebiedsgerichte aanpak mogelijk een oplossing kan zijn.

Spoor 3: Rijksinzet voor afzien van handhaving.

Het kabinet gaat extra inzet plegen om Provincies te helpen om te kunnen blijven afzien van handhaving:

  • Het legalisatieprogramma wordt verlengd met een periode van 3 jaar. Daarnaast worden er aanpassingen gedaan om de nieuwe aanpak op te nemen. Er is een wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer om de termijn van het legalisatieprogramma te verlengen tot 1 maart 2028. Op 30 september 2025 heeft dit wetsvoorstel de steun gekregen van een kamer meerderheid.

  • Het kabinet wil maatregelen nemen waarmee de stikstofuitstoot vermindert en handhavingsverzoeken afgehouden kunnen worden.

  • Provincies mogen op dit moment vrijgekomen stikstofruimte gebruiken om van handhaving van PAS melders af te zien. Het kabinet zet zich maximaal in om ervoor te zorgen dat deze aanpak langer mogelijk blijft.

Gebied specifieke uitwerkingen stikstofplannen

Kop van Schouwen en Manteling van Walcheren.

Gereserveerd stikstofplan.

Paragraaf 4.1.2. Opgaven

In het Natuurpact is afgesproken dat Provincies uiterlijk in 2027 minimaal 80.000 ha nieuwe natuur in het Natuurnetwerk Nederland (NNN) aanleggen. De opgave voor Zeeland is het afronden van het Natuurnetwerk Zeeland.

Uit de natuurdoelanalyses blijkt dat de habitattypen in de Natura 2000-gebieden niet in gunstige staat zijn. De opgave is om stappen te zetten om in elk geval verslechtering uit te sluiten en ook stappen te zetten naar de gunstige staat. Aangezien de natuur een dynamisch systeem is en herstel tijd kost worden in het Programma Natuur en ook in het Programma Landelijk Gebieden de eerste stappen gezet. Uit monitoring en evaluatie moet blijken welke vervolgstappen nodig zijn en wanneer.

De bosopgave voor Zeeland is in de Bosvisie beschreven: Het realiseren van 410 ha extra bos in 2030. Zowel binnen als buiten het Natuurnetwerk Zeeland moet er 205 ha bos bijkomen. Daarnaast is er nog een compensatieopgave van 4 ha.

Uitvoeringsprogramma Landelijk Gebied

Voor groenblauwe dooradering is in het Uitvoeringsprogramma Landelijk Gebied (UPLG) als ambitie opgenomen: de realisatie van landschapselementen (7% GBDA in landelijk gebied) in 2030.

In het ambitiedocument ‘Agrarisch natuurbeheer’ zijn de volgende ambities voor groenblauwe dooradering opgenomen.

(AANB) Korte termijn (2026-2028): uitbreiding van het areaal in Zeeland groenblauwe landschapselementen om bij te dragen aan het streven van 10% groenblauwe dooradering (in 2050) van het Zeeuws landelijk gebied.

Middellange termijn (2029-2035): Agrarisch natuurbeheer (waaronder groenblauwe dooradering) in randen rond alle natuurgebieden en ter versterking van ecologische verbindingen. Daarnaast ANB op en rond (binnen)dijken om het ecologische netwerk te versterken en het aanleggen en beheren van natuurvriendelijke oevers.

In Zeeland zijn meerdere Natura 2000-gebieden op dit moment overbelast door stikstof. Dit leidt tot verlies aan biodiversiteit. Door de overbelasting is het steeds ingewikkelder om in de nabijheid van Natura-2000-gebieden natuurvergunningen te verlenen. Om tot natuurherstel te komen is ook inzet nodig op de drukfactor stikstof. Dat kan gebied specifiek maar ook Zeeland breed.

Opgaven:

  • Realiseren resterende opgave Natuurnetwerk Zeeland.

  • Verslechtering in Natura 2000- gebieden uitsluiten.

  • Stappen zetten naar een gunstige staat van instandhouding van Natura 2000- gebieden (hangt samen met opgave stikstof: zie hieronder).

  • Bosopgave realiseren: 410 ha in 2030 (N1).

  • (AANB) ANLb leefgebied Open Akker: vergroten van het areaal en het stimuleren van deelname binnen de kerngebieden (clusters). Daarbij wordt ingezet op het verbreden van het aanbod aan beheerpakketten om beter aan te sluiten bij de ecologische potentie en de praktijk op het boerenerf.

  • (AANB) ANLb leefgebied Dooradering: Zeeland-breed uitbreiden van het areaal en deelname, met beheer van meer (binnen)dijken, botanisch grasland en (nieuw aangelegde) groene plus blauwe landschapselementen.

  • (AANB) ANLb categorie Water: uitbreiding van het areaal en de deelname op provinciale schaal, met nadruk op akkerranden en biodiverse bufferstroken langs (primaire) waterlopen.

  • (AANB) ANLb categorie Klimaat: openstelling van budget voor het realiseren van geschikte klimaatmaatregelen, passend binnen het agrarisch natuurbeheer.

  • (AANB) Aanleg landschapselementen: investeren in de aanleg van landschapselementen, om bij te dragen aan het streven van 10% Groenblauwe dooradering van het Zeeuwse landelijk gebied.

  • (AANB) Inzet rondom Natura 2000- en (weide)vogelgebieden: meer maatregelen aan de randen van kwetsbare natuurgebieden ten behoeve van stikstofreductie en de versterking van de biodiversiteit.

  • (AANB) Aansluiten bij de Zeeuwse Integrale Gebiedenaanpak: waar mogelijk meer maatregelen in gebieden met een extra uitdaging voor de landbouw, waaronder Schouwen-West, Noordwest Walcheren en Grenspark Groot Saeftinghe.

  • (AANB) Uitbreiding (beleids)monitoring: Versterken van de bestaande monitoring door het uitbreiden van het meetnet, onder meer met waarnemingen van wintervogels, om zo beter inzicht te krijgen in de effectiviteit

  • Het verminderen van stikstofdepositie op de overbelaste Natura 2000-gebieden.

  • Het verminderen van stikstofemissie Zeeland- breed.

Uitvoeringsprogramma Landelijk Gebied

  • Groenblauwe dooradering (kN4):

- Uitvoeren Erfplus.

- Uitvoeren Ecologisch bermbeheer.

- Aanstellen Veldcoördinator en ontwikkelen instrumentenkoffer.

  • GBDA ontwikkelen kwantitatieve monitoring (oN1):

- Viewer en dashboard.

  • Realisatie van landschapselementen (7% GBDA in landelijk gebied) 2030 (kN4 en N5)

  • In fases uitwerken van de voorgestelde maatregelen in het ambitiedocument:

- Toename areaal met ANB maatregelen (oN2).

Afdeling 4.2 Elke druppel telt dubbel

Paragraaf 4.2.1 Beleidsuitgangspunten

Kaderrichtlijn Water

De Kaderrichtlijn Water (KRW) verplicht Europese lidstaten hun grond- en oppervlaktewater in goede toestand te brengen en te houden. Voor Zeeland zijn KRW-waterlichamen aangewezen die moeten voldoen aan specifieke doelen. Bij de doelen voor oppervlaktewater gaat het om eisen met betrekking tot de chemie (stoffen), biologie (soorten) en hydromorfologie (stroming, peilen en inrichting). Voor grondwater gaat het om chemie (stoffen) en kwantiteit. Met name de eis dat er evenwicht moet zijn tussen onttrekking en aanvulling van grondwater is voor Zeeland relevant.

Om de KRW-doelen te halen moeten de bestaande KRW-maatregelen uitgevoerd worden die opgenomen zijn in het Regionaal Waterprogramma. Daar bovenop is een gezamenlijke extra inspanning nodig om de KRW-doelen te kunnen halen. Deze worden uitgewerkt in een handelingsperspectief en daarnaast ook meegenomen in dit Programma.

Zoetwaterbeschikbaarheid

Zeeland loopt tegen een tekort aan zoetwaterbeschikbaarheid aan. De oorzaak is niet eenvoudig en heeft te maken met een stapeling van meerdere factoren. Zo is Zeeland maar beperkt aangesloten op het zoete hoofdwatersysteem. Om die reden zijn we grotendeels afhankelijk van wat er valt aan regenwater. Zoet water is belangrijk voor de alle beleidssectoren in het landelijk gebied: natuur, landbouw, recreatie, industrie. Klimaatverandering zorgt ervoor dat we te maken krijgen met langere periodes van droogte en een toenemende verziltingsdruk door zeespiegelstijging. Dit zorgt ervoor dat de zoetwatervoorraad in de ondergrond krimpt en er tekorten kunnen ontstaan tijdens het groeiseizoen.

Om Zeeland in 2050 weerbaar te maken tegen zoetwatertekorten worden maatregelen en projecten ontwikkeld en uitgevoerd binnen de samenhangende aanpak ‘Zeeuws Deltaplan Zoet Water’. Daarnaast wordt er vanuit de ​Motie van Campen ingezet op een gecoördineerde programmatische aanpak voor zoet water voor de landbouw. Nadere toelichting staat in bijlage A van het besluit.

Paragraaf 4.2.2. Opgaven

Het eindoordeel voor het Scheldestroomgebied in 2024 was dat geen enkel KRW-oppervlaktewaterlichaam in Zeeland voldoet aan de KRW. Er ligt dus voor Zeeland een opgave op alle KRW-oppervlaktewaterlichamen. De specifieke opgaven zijn terug te vinden in het ​Regionaal Waterprogramma.

Voor de grondwaterlichamen geldt dat deze aan de normen voor kwaliteit en kwantiteit voldoen. Wel worden met name in het zoete grondwater in dekzand en in kreekgebieden regelmatig bestrijdingsmiddelen aangetroffen en constateren we een geleidelijke oplading van het grondwater met verontreinigende stoffen. Gelet op het uitgangspunt van de Kaderrichtlijn Water dat inbreng van verontreinigende stoffen voorkomen of beperkt moet worden, vraagt dit aandacht. Het bestaande generieke beleid lijkt niet te volstaan. Ten aanzien van de kwantiteit vraagt met name het zoete grondwater in duin en dekzand om anti-verdrogingsmaatregelen in verband met de beïnvloeding van terrestrische ecosystemen. Het zoete grondwater in kreekruggen staat onder druk door de toenemende zoetwatervraag uit de landbouw.

Zeeland is primair ingericht op de afvoer van water, om wateroverlast te beperken en waterveiligheid te waarborgen. Het veranderende klimaat met piekbuien, langere periodes van droogte en toenemende verzilting vraagt echter om een nieuwe visie op waterbeheer. Er is inzet nodig op het zo goed mogelijk omgaan met wat er valt.

Opgave:

  • Zo goed mogelijk omgaan met wat er is en wat er valt.

  • De benodigde stappen zetten per waterlichaam.

  • Vanuit andere beleidssectoren bijdragen aan een goede waterkwaliteit.

Afdeling 4.3 Van grond tot gewas

Paragraaf 4.3.1 Beleidsuitgangspunten

Uitvoeringsprogramma Landelijk Gebied

Voedsel

De landbouw- en voedselsector is in veel opzichten een belangrijke sector voor Nederland en zeker voor Zeeland. De sector is beeldbepalend voor het (cultuur)landschap, voorziet ons van voedsel, uitgangsmateriaal, planten, biobased grondstoffen, agrarisch natuurbeheer, zorgt mede voor sociale samenhang in het buitengebied en is een economische factor van betekenis. De inzet van de provincies is gericht op het creëren van positieve waarde vanuit de landbouw en voedselsector voor de economie, het landschap, de mens en maatschappij.

Vanuit het Interprovinciaal Overleg (IPO) is de ‘Toekomstvisie voor de landbouw- en voedselsector’(2022) gedefinieerd, met als thema's:

  • Produceren voedsel, planten, biobased materialen en energie;

  • Maatschappelijke diensten op het gebied van natuur- en landschap(sbeheer);

  • Innovaties die wereldwijd worden toegepast.

Op een manier die;

  • Een gezonde leefomgevingskwaliteit (natuur, biodiversiteit, lucht, bodem, water en klimaat) mogelijk maakt;

  • Bijdraagt aan de brede welvaart (dierenwelzijn, sociaal-maatschappelijk, ecologisch, economisch en landschappelijk);

  • Economisch volhoudbaar is.

Deze visie wordt momenteel (2025) samen met het Rijk en de ketenpartijen aangescherpt, uitgewerkt en gekwantificeerd op nationaal en gebiedsniveau. Tevens heeft het Rijk ook plannen om te komen met een landelijke Voedselvisie.

Kennis en innovatie

De Zeeuwse landbouwsector kenmerkt zich door innovatie en ondernemerschap. Zeeuwse bedrijven ontwikkelen bijvoorbeeld nieuwe, bij Zeeland passende teelten of gewassen voor biobased toepassingen. We willen de Zeeuwse landbouwsector ondersteunen in de transitie naar een volhoudbare bedrijfsvoering. De thema’s bodem, bodembeheer, water en biodiversiteit stellen we daarbij centraal. Dit willen we voor een zo groot mogelijke doelgroep bereikbaar maken. Innovaties die de opgaven met betrekking tot bodem, water en biodiversiteit bevorderen worden (zo mogelijk) ondersteund. Proefboerderij de Rusthoeve is een centrale schakel in kennisontwikkeling door testen en ervaringen opdoen in de praktijk.

Voorbeelden van innovaties in de akkerbouw zijn onder andere precisielandbouw, waarbij gebruik wordt gemaakt van technologie zoals GPS en sensoren om gewassen efficiënter en doelgerichter te telen. Fertigatie is een techniek waarbij meststoffen via het irrigatiewater worden toegediend, wat leidt tot minder verspilling en betere opname door planten. Nieuwe mest aanwendingstechnieken richten zich op het beperken van stikstofverliezen en het verbeteren van de bodemgezondheid. Deze innovaties zorgen voor hogere opbrengsten en minder milieubelasting. Door slimme data-analyse en gerichte bemesting wordt landbouw duurzamer en economisch rendabeler. Het betreft hier een aanvulling op de huidige koplopermaatregelen en een verdere uitwerking van het innovatieve landbouwspoor, waarbij nieuwe innovaties op het gebied van mestaanwending en precisielandbouw bijdragen aan de (door)ontwikkeling naar een volhoudbare landbouw.

Bodem

De bodem vormt letterlijk en figuurlijk de basis van een agrarisch bedrijf. Goed bodembeheer draagt bij aan de aanpak van een groot aantal uitdagingen waar de landbouwsector voor staat. Klimaatverandering, verduurzaming en vergroting van biodiversiteit zijn hier voorbeelden van.    

Landelijk en Europese ambities

De Rijksoverheid werkt in het Nationaal Programma Landbouwbodems (NPL) samen met partijen in de agroketen aan een gebiedsgerichte strategie voor duurzame landbouwbodems.

In de periode 2018-2023 heeft breed onderzoek plaatsgevonden naar de potentie voor extra koolstofvastlegging in Nederlandse minerale landbouwbodems. Daaruit is geconcludeerd dat het klimaatdoel van 0,5 Mton extra CO2-vastlegging voor minerale landbouwbodems haalbaar is, mits maatregelen die hieraan bijdragen voldoende en kundig worden geïmplementeerd door agrarische ondernemers. Daarom is in 2024 een stappenplan ontwikkeld richting 2030 om tot het klimaatdoel te komen. In stappen worden zaken als handelingsperspectief, lange termijn potentie, landbouwbeleid en kennisopbouw ontwikkeld en aangepast.

De Europese Commissie (EC) streeft ernaar dat alle bodems van de EU  in 2050 gezond zijn. Daartoe is een Europese bodemmonitoringsrichtlijn in ontwikkeling. De richtlijn heeft als doelen om voor alle bodems in de EU een solide en coherent monitoringskader op te zetten, de bodemgezondheid continu te verbeteren, bodems die al gezond zijn in die toestand behouden, en alle aspecten van bodemaantasting tegengaan. 

Zeeland

Ook in Zeeland wordt gezocht naar manieren om de kwaliteit van de landbouwbodem op peil te houden en te verbeteren. Het organische stofgehalte vormt een belangrijke, onmisbare factor voor een gezonde bodem, omdat dit effect heeft op het bodem- en plantenleven, de waterhuishouding en de bodemchemie. Andere manieren van landbewerking met lichtere machines of andere bewerkingstechnieken kunnen helpen bij het verbeteren van de bodemstructuur om zo verdichting tegen te gaan. Ondanks de hoeveelheid al beschikbare kennis over de bodem, liggen er nog verschillende vraagstukken. Inzet op onderzoek en innovatie binnen de agrarische sector is daarom van belang. In onderstaande paragrafen worden bodemgerelateerde ontwikkelingen geschetst waarbij de Provincie Zeeland aanhaakt.

Regeneratieve landbouw

In de tweede helft van de 20e eeuw en begin 21e eeuw bestond in Nederland, en dus ook in Zeeland, veel aandacht voor chemie en fysieke structuur in relatie tot hoogproductieve landbouwbodems. Er was in het algemeen minder aandacht voor biologie en ecologie. De landbouw wordt inmiddels geconfronteerd met steeds minder mogelijkheden voor chemisch ingrijpen bij plaag- en onkruidbestrijding, in combinatie met verslechtering van bodemstructuur. Daarbij komt een duidelijke klimaatverandering. Antwoorden op vraagstukken en opgaven rond bodemverbetering, stikstofreductie, klimaatadaptatie en biodiversiteit worden het meest effectief gevonden in de integrale benadering met regeneratieve principes.  

Regeneratieve landbouw is een vorm van landbouw die zich richt op het natuurlijk herstellen van de balans tussen bodemfysiologie, bodemchemie en de bodembiologie, waardoor het humusgehalte toeneemt en een vitale bodem ontstaat als basis voor een gezonde en weerbare teelt die minder afhankelijk is van chemische hulpstoffen. Door vastlegging van koolstof en nutriënten en een betere waterhuishouding is de bodem beter bestand tegen klimaatinvloeden. Bijkomende positieve effecten zijn verminderde uitspoeling van nutriënten naar grond- en oppervlaktewater en verbetering van de onder- en bovengrondse biodiversiteit. De ontwikkeling van dit bodemvoedselweb vormt ook weer een onderdeel van functionele agrobiodiversiteit.

Bij de regeneratieve principes kan gedacht worden aan het zoveel mogelijk combineren van bodembedekking met planten, minimale bodemverstoring, gewasdiversiteit, het toepassen van organische mest en het stimuleren van de interactie tussen plantenwortels en bodemleven. Het is ook het verminderen van chemische input (kunstmest, gewasbescherming) en het voorkomen van rottende processen in en op de bodem. De regeneratieve principes kunnen daarbij als basis dienen voor bijvoorbeeld de eiwittransitie en ontwikkeling van de biologische landbouw. Regeneratieve landbouw kent geen statische definitie, maar is een voortdurend proces van leren, experimenteren en aanpassen. Ondersteund door betrekkelijk nieuwe vormen van meten en analyseren, zoals bodemchroma, analyses van de bodembalans en het bodemleven en plantsapmetingen. 

Vanaf 2022 gaf de Provincie Zeeland financiële ondersteuning bij de omschakeling van een eerste akkerbouwbedrijf naar regeneratieve landbouw. Intussen wordt samen met belangenbehartiging (ZLTO), belangrijke stakeholders in de Zeeuwse landbouw (o.a. FarmPlus) en onderzoek (Proefboerderij de Rusthoeve / Delphy) steeds meer ingezet op regeneratieve landbouw. Dit onder andere door middel van GLB/NSP subsidietrajecten. 

Belangrijke randvoorwaarde daarbij is kennisopbouw en –verspreiding over de functie van het zeer diverse bodemleven. Daarom wordt ook als één van de koplopermaatregelen bij het Zeeuws gebiedsprogramma ingezet op kennisverspreiding over regeneratieve landbouw. 

Met investering van het Nationaal Groeifonds is in 2024 het landelijke programma ReGeNL van start gegaan. De partners binnen ReGeNL worden gevormd door een groeiend aantal boerencoöperaties, ketenpartijen, financiële instellingen, kennisinstellingen en toeleveranciers. Tot 2030 wordt via vijf actielijnen en drie perspectieven gewerkt aan de transitie naar regeneratieve landbouw.  De ZLTO is ook als partner betrokken bij ReGeNL. Provincie Zeeland onderzoekt hoe zij, rechtstreeks of via de ZLTO, meer betrokken wordt om Zeeuwse boeren zo effectief mogelijk gebruik te laten maken van de kennis die opgebouwd wordt in dit programma.

Koolstofopslag

Het bevorderen van het organische stof- en koolstofgehalte in de bodem vormen belangrijke aandachtspunten in een duurzame bodembeheerstrategie voor de landbouw. Het vastleggen van koolstof in de bodem biedt veel voordelen, zoals een vruchtbaardere en gezondere bodem van goede kwaliteit doordat voedingstoffen en water beter worden vastgehouden. Om de organische stof (OS) in landbouwbodems te verhogen, kan er uitgegaan worden van dierlijke (onbehandelde) mest, compost, gewasresten, groenbemesters en veranderende manieren van grondbewerking. Hierbij is het belangrijk dat de oorsprong en toepasbaarheid van de stimulanten niet/minder vervuilende materie is, en daarbij het bodemleven en de functie daarvan in stand blijft en/of wordt bevorderd, naast dat het praktisch en kostentechnisch functioneel moet blijven. Door bovendien te kijken naar de ontwikkeling van businessmodellen voor koolstofvastlegging kan dit op termijn niet alleen leiden tot een gezondere bodem, maar ook een beter verdienmodel voor de boer. De EU ontwikkelt een raamwerk voor certificering van koolstofvastlegging. Dit raamwerk moet betrouwbaarheid van koolstofvastlegging gaan onderbouwen en is bedoeld om de vrijwillige markt te stimuleren. Vervolgens moeten de lidstaten in de EU hier uitvoering aan geven. Het gaat om alle vormen van koolstofvastlegging: in de landbouw (bodem, in duurzame biomassa zoals bomen), in biobased toepassingen en via technologische systemen (Carbon capture). 

De afgelopen jaren hebben we verschillende projecten op het gebied van koolstofvastlegging gestimuleerd (bijv. het Interreg project Carbon Farming en het IBP-Vitaal Platteland ZWD project Koolstofboeren). Voor de voortzetting van koolstofopslag in de bodem en nauwere samenwerking met andere instrumenten zoals doelsturing/KPI's en contracten hebben we o.a. een koplopermaatregel in het Zeeuws Gebiedsprogramma opgenomen. Ook zullen we de totstandkoming van één of meerdere compost coöperaties in Zeeland gaan verkennen met een initiatief als Agricycling.

Biodiversiteit in het landelijk gebied

Biodiversiteit in het landelijk gebied kan op meerdere manieren worden verbeterd. Hierbij gaan we in op natuurinclusieve landbouw.

Natuurinclusieve landbouw

Wanneer (volhoudbare) landbouw op basis van natuurlijke processen en met aandacht voor de natuur gebeurt, spreken we over natuurinclusieve landbouw. Daaronder wordt verstaan een vorm van landbouwproductie waarbij soorten en natuurlijke processen de productie ondersteunen en/of soorten de ruimte krijgen zonder een direct effect op de productie. Natuurinclusieve landbouw hoeft niet biologisch te zijn of betrokken bij het agrarisch natuurbeheer, maar dit kan de natuurinclusiviteit wel versterken zoals bijvoorbeeld regeneratieve landbouw. Een onderscheid is te maken tussen het bouwplan en de teeltmethoden.

Natuurinclusief bouwplan

In het bouwplan kunnen natuurinclusieve maatregelen worden genomen.

Gewasrotatie – rustgewas; het toepassen van rotatie en variatie in gewassen en het gebruik van rustgewassen zijn maatregelen voor een betere bodem. Dit wordt bijvoorbeeld gedaan in het project Kritische Prestatie Indicatoren (KPI’s) in de akkerbouw in Zuidwest Nederland (IBP Vitaal Platteland).

Gewasdiversificatie – strokenteelt; combinaties van - en diversiteit in - gewassen worden getest en toegepast in Zeeland. Voorbeelden zijn o.a. te vinden op Proefboerderij de Rusthoeve en "Boeren voor natuurinclusieve landbouw" op Schouwen-Duiveland en het "Zeeuws Biodivers Bouwplan" uitgevoerd met o.a. strokenteelt in Grenspark Groot Saefthinge.

Groenbemesters – vanggewassen - akkers jaarrond groen; initiatieven rondom deze gewassen zijn mede via GLB en Proefboerderij De Rusthoeve ingebed in de akkerbouw in Zeeland. Een voorbeeld is de campagne ‘1001 ha biodiverse groenbemesters’. Hier streeft de Provincie Zeeland ernaar dergelijke campagnes structureel te blijven ondersteunen.

Agroforestry; een verdergaande vorm van natuurinclusieve landbouw die we willen stimuleren is de aanplant van houtige gewassen op agrarische grond; agroforestry (boslandbouw) en voedselbossen. Deze beide teeltsystemen liggen in elkaars verlengde maar betekenen niet hetzelfde. Agroforestry is een vorm van landbouw waarin houtige aanplant wordt gecombineerd met akkerbouwgewassen en/of veehouderij om een duurzaam systeem te vormen. Bomen kunnen worden toegevoegd aan bestaande percelen en onderdeel gaan uitmaken van een toekomstgericht landbouwsysteem. Agroforestry kan bijdragen aan het realiseren van de klimaatopgave (vastlegging CO2, zoet waterberging, fijnstofreductie/afvang stikstof e.d.), vergroten/herstellen van de biodiversiteit in het landelijk gebied en het verminderd gebruik van chemische middelen (kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen). 

Sinds 2021 is er zowel het Kennisnetwerk Voedselbossen in Zeeland als het Agroforestry Netwerk Zeeland opgezet. Binnen deze netwerken zijn verschillende bijeenkomsten en workshops geweest en zijn er pilotprojecten uitgevoerd. Met de opgedane kennis wordt verder gewerkt aan de daadwerkelijke aanleg en implementatie van boslandbouwsystemen in Zeeland.  

Teeltmethoden

Bij natuurinclusieve teeltmethoden onderscheiden we maatregelen waarbij elementen worden gereduceerd en elementen die worden toegevoegd.

Niet-kerende grondbewerking (NKG); deze oppervlakkige bewerking van de bodem wordt al op meerdere plaatsen in de provincie toegepast. We stimuleren dit met subsidies.

Geïntegreerde gewasbescherming (ICM); in Zeeland zien we deze vorm van reductie van gewasbeschermingsmiddelen onder andere bij strokenteelt, het project ‘Peren telen gestuurd door data’ en het KIF-project (Kennis- en Innovatieplatform Fruitteelt).

Duurzaam gebruik natuurlijke voedingsstoffen; voorbeelden van deze vorm van natuurinclusieve landbouw, waarbij minder krachtvoer en kunstmest wordt gebruikt, zien we onder andere bij het toepassen van organische bemesting en de teelt van eiwitgewassen.

Functionele agrobiodiversiteit (FAB); dit richt zich op het versterken van natuurlijke ecosystemen binnen landbouwbedrijven om zo de afhankelijkheid van gewasbeschermingsmiddelen (steeds minder middelen beschikbaar) en de toenemende weersextremen (groter risico op plagen) te verminderen dan wel overbodig te maken. Het omvat:

  • Bevorderen van natuurlijke plaagbestrijding; verhogen van de aanwezigheid van natuurlijke vijanden zoals roofinsecten en vogels om plagen te beheersen zonder chemische middelen. 

  • Versterken van bodemgezondheid; zorgdragen voor een gezonde, veerkrachtige bodem door de diversiteit in bodemorganismen te vergroten.

  • Stimuleren van bestuivers; vergroten van het aantal en de diversiteit van natuurlijke bestuivers (in tegenstelling tot 'gedomesticeerde' honingbijen) door het leefgebied te creëren bijvoorbeeld door de aanleg van bloemenranden en gewasdiversiteit. 

Landschapselementen; landschapselementen zorgen voor meer biodiversiteit en kunnen tegelijk bijdragen aan natuurlijke plaagbestrijding. Voorbeelden zijn hagen langs landbouwpercelen of poelen voor amfibieën.

Nestkasten voor o.a. vogels, vleermuizen; maatregelen op het erf zoals nestkasten worden bij voorbeeld gestimuleerd in projecten van Stichting Landschapsbeheer Zeeland (SLZ), zoals de koplopermaatregel ErfPlus (kN4).

Randenbeheer - akkerranden en bloemstroken; kruiden- of bloemstroken bieden voedsel voor insecten en vogels. Ze kunnen helpen bij de bestuiving en het beperken van chemische gewasbescherming en verfraaien van het landschap. Vergoeding voor stroken wordt gegeven in het ANLb, de ecoregeling van het GLB en door enkele gemeenten.

Vogelakkers; om boerenlandvogels te helpen worden landbouwpercelen ingezaaid met een mengsel van granen en kruiden die een seizoen of jaar blijven staan. Dit gebeurt door heel Zeeland op plaatsen waar bijvoorbeeld roofvogels als de bruine kiekendief voedsel kunnen vinden.

Kruidenrijk grasland - rust in maaibeheer; dit zijn maatregelen in de veehouderij die we onder andere terugzien in ‘1001 ha kruidenrijk grasland’ en in het ANLb.

Natuurvriendelijk slootbeheer; dit bestaat uit maatregelen gericht op minder intensief slootbeheer zoals natuurgericht maaien, natuurvriendelijke oevers, kruidenrijke slootkanten en het benutten van overbreedte van de sloot voor biodiversiteit. Natuurvriendelijk slootbeheer vindt in Zeeland plaats in samenwerking met Waterschap Scheldestromen en is onderdeel van de Koplopermaatregel Ecologisch bermbeheer.

Doelsturing en KPI’s

Een deel van de problemen in de Zeeuwse landbouw hangt samen met het ontbreken of niet sluiten van bepaalde kringlopen. Zo zijn er tal van locaties in Zeeland waar de natuur te kampen heeft met een overmaat aan stikstof, terwijl in de kringlopen op Zeeuws niveau ten aanzien van enkele nutriënten sprake is van tekorten. Er wordt al langer gesproken over het sluiten van bodem-, plant-, dier- en mestkringlopen en het bevorderen van samenwerking tussen akkerbouw en veehouderij. Binnen beleidskaders en wet- en regelgeving is nauwelijks nog sprake van samenhang.  Landelijke wet- en regelgeving is veelal gericht op middelsturing, terwijl brede doelsturing ervoor kan zorgen dat bijvoorbeeld organische meststoffen op meer efficiënte wijze ingezet kunnen worden.

Kringlooplandbouw; ook wel circulaire landbouw genoemd, houdt in dat we agrarische biomassa en de daarin opgeslagen voedingsstoffen vasthouden in het voedselsysteem door het minimaliseren van grondstofgebruik middels hergebruik van eigen producten via hernieuwbare bronnen, onderdelen en hoogwaardige grondstoffen. Het is een systeem van op zo laag mogelijk niveau gesloten kringlopen verwezenlijken, gericht op (de balans tussen) het behoud van het natuurlijk kapitaal en het optimaliseren van het bedrijfsrendement. In de zoektocht naar het verbeteren van kringlooplandbouw wordt niet enkel de focus gelegd op het sluiten van (regionale) kringlopen (bijvoorbeeld voor mest en veevoer), maar meer op het economisch en praktisch uitvoerbaar en meetbaar maken van kringlooplandbouw in de praktijk.

Voor de veehouder betekent kringlooplandbouw dat hij vooral gebruik maakt van ruwvoer uit eigen land en van reststromen uit akkerbouw, tuinbouw en de voedingsindustrie en de rest van de voedselketen, en dus zo min mogelijk plantaardige eiwitten die ook geschikt zijn voor menselijke consumptie, aan dieren voert. Verder produceert hij mest van goede kwaliteit door bijvoorbeeld managementmaatregelen op het voerspoor en het mestspoor.

Voor de akkerbouwer betekent kringlooplandbouw dat hij zoveel mogelijk gebruik maakt van dierlijke mest, compost en gewasresten om het bodemvoedsel-web te stimuleren. Verder maakt hij maximaal gebruik van agrobiodiversiteit op en in de bodem.

Vanwege de cruciale rol in de kringloop van nutriënten is een gezonde bodem één van de belangrijkste pijlers van kringlooplandbouw. Bodemvruchtbaarheid en dan met name het gehalte aan en kwaliteit van organische stof zorgt voor een stabiele opbrengst, het vasthouden van nutriënten, sporenelementen en water en een lagere druk van ziekten en plagen. Het verhogen van het gehalte aan organische stof is bovendien een natuurlijke manier om CO2 en andere broeikasgassen in te vangen en op te slaan. Bij de uitvoering van kringlooplandbouw denken we aan maatregelen zoals:

  • Managementmaatregelen op voerspoor en mestspoor in de veehouderij;

  • Toepassing van de verbeterde mest in akkerbouw, inclusief voedergewassen;

  • Verdere stimulering van opbouw van organische stof in de bodem, kwantitatief en kwalitatief, door minder bodembewerking en jaarrond plantendiversiteit.

Aanvullend op kringlooplandbouw wordt met volhoudbare landbouw aangegeven dat het zowel voor de boer, maar ook voor de natuur een volhoudbaar systeem oplevert. Verdienmodellen, een manier om volhoudbare landbouw te bedrijven, zorgen ervoor dat een boer voldoende perspectief kan hebben in zijn bedrijfsvoering. In Zeeland werkten we in de periode 2020-2024 binnen het Interbestuurlijk Programma Vitaal Platteland Zuidwestelijke Delta (IBP-VP ZWD), een samenwerking tussen de provincies Zeeland, Zuid-Holland, Noord-Brabant en de Waterschappen, gemeenten en gebiedspartijen.

Tegelijkertijd komt er veel beperkende wet- en regelgeving op het agrarische bedrijf af. Doelstelling voor onder andere de Kaderrichtlijn Water (KRW), natuur, biodiversiteit, koolstofopslag en de reductie van stikstof bewegen agrariërs ertoe om innovatieve stappen te nemen. Het Ministerie van LVVN werkt op dit moment aan een beleidsdocument over de implementatie van doelsturing en KPI's in Nederland, inclusief de borging en juridische uitvoering van deze systematiek en de te organiseren governance. In Zeeland hebben we de afgelopen jaren een pilot uitgevoerd naar de implementatie van kritische prestatie indicatoren voor de landbouwsector in het kader van het project Biodiversiteitsmonitor Akkerbouw Zuidwestelijke Delta. In het Zeeuws Gebiedsprogramma zetten we de implementatie van doelsturing en KPI's in Zeeland voort en werken we er naartoe dat een groot deel van de agrariërs in Zeeland wordt beloond voor hun maatschappelijke prestaties middels een gedragen systematiek door overheden, vertegenwoordigers, banken en ketenpartijen.  Bovendien onderzoeken we de koppelingen van doelsturing en KPI's met gebiedsgerichte aanpakken en werken we aan een pilot Ontwikkelingsbank waarbij provinciale pacht wordt gekoppeld aan dit monitoringsinstrument.

Agrarische ketens

Om de transitie naar een meer volhoudbare landbouw te kunnen realiseren is een ketenaanpak nodig, waarbij alle schakels van belang zijn. Marges zijn gering, prijzen zijn wisselend en zijn voor het overgrote deel wereldmarkt-gerelateerd, grond en financiering drukken zwaar en de positie binnen de keten is kwetsbaar, de regeldichtheid wordt steeds groter. De mate van financiering en bestaande contracten met leveranciers en banken maken dat doorgaan op het reeds ingeslagen pad van intensivering en schaalvergroting vaak de enige mogelijkheid lijkt. De relaties in de keten zijn wederkerig. Enerzijds worden vanuit de keten dan wel de markt (retail, industrie, consument) wensen en eisen gesteld aan producten. Anderzijds bepaalt de (wereld)markt (de keten) de prijs en daarmee de marge voor het primaire product.  

Korte ketens wordt vaak als onderdeel gezien van multifunctionele landbouw. Hieronder worden diverse nevenactiviteiten van agrariërs naast de reguliere bedrijfsvoering verstaan. De Europese definitie van een korte keten luidt als volgt; ‘geen of maximaal één ketenpartij tussen de landbouwpartij en de consument aanwezig’.

Mede door de coronacrisis en de toegenomen interesse in regionale producten heeft de korte keten de afgelopen jaren veel aandacht gekregen. Er is veel onderzoek gedaan naar korte ketens, blockchain technologie en de totstandkoming hiervan. In Zeeland is de hele agrarische/ voedselketen aanwezig, van teler en verwerker tot retail en consument. Met een verscheidenheid aan producenten in de voedselketen en de positie van Zeeland als belangrijke voedselproducent en exporteur van voedsel (in Europa en daarbuiten) is het belangrijk om in te blijven zetten op brede doorontwikkeling van onze voedselketen. Dit heeft een relatie met het eerder benoemde thema voedselzekerheid. Daarnaast exporteren we ook veel kennis via de agro-food ketens de wereld over. Op provinciaal niveau werken we aan concrete initiatieven die korte ketens mogelijk maken en stimuleren en stimuleren we keteninnovaties. We doen dit onder andere samen met het kennis- en innovatienetwerk FoodDelta Zeeland, Impuls en de HZ University of Applied Sciences. Dit alles met als doel om de schakels in de gehele keten zo goed mogelijk op elkaar te laten aansluiten en een korte keten te realiseren. 

De keten heeft raakvlakken met diverse andere beleidsthema's, waaronder de ketens voor eiwitgewassen (eiwittransitie), biobased gewassen (biobased bouwen en telen) en de agrarische en aquatische voedselproductie inclusief streekproducten.  

Het verkorten van de keten binnen de ketenaanpak is niet altijd het primaire doel. De ketenaanpak is er voornamelijk op gestoeld om in het kader van een volhoudbare landbouw het verdienmodel van de gehele agrarische en voedselproducerende keten te verbeteren (met uiteindelijk ook een verdienmodel voor de primaire producent en een transparante voedselketen). Dit kan ook betekenen dat een keten met een extra tussenschakel wordt verlengd in plaats van verkort.  

Platform Multifunctionele Landbouw; een groot aantal agrarische ondernemers combineert agrarische productie met levering van maatschappelijke producten en diensten zoals zorglandbouw, dag- of verblijfsrecreatie, boerderijeducatie, kinderopvang, boerderijverkoop en/of natuurbeleving en -beheer. Het Platform Multifunctionele Landbouw (Platform MFL) is opgericht om, naast het stimuleren van (door)ontwikkeling van MFL, knelpunten te inventariseren en weg te nemen. Hierin zijn verschillende belangrijke betrokkenen voor de multifunctionele landbouw vertegenwoordigd, waaronder het ministerie van LVVN, vertegenwoordiging van gemeentes, onderzoek en de financiële sector. 

Eiwitketen

In de komende decennia wordt een groei in de eiwitbehoefte voor humane consumptie voorzien. Aan steeds meer food producten wordt plantaardige proteïne toegevoegd. Bovendien wordt in de veehouderij gestreefd naar het vergroten van het aandeel eiwitten van eigen bodem in het rantsoen. Zeeland kan dat telen. Eiwitteelten (o.a. erwten, (veld)bonen, luzerne, quinoa en soja) zijn ook vanuit landbouwkundig oogpunt interessant. Het zijn teelten die rust brengen in de bodem, zorgen voor stikstofbinding en een minimale input van middelen nodig hebben. Zeeland kent bovendien van oudsher een traditie in de teelt van peulvruchten. Daarmee is dit een kansrijk onderdeel van de Zeeuwse kringloopagenda.

De teelt van eiwitten voor humane en veevoederconsumptie (food en feed) draagt bij aan een meer duurzame en volhoudbare landbouw, met aandacht voor biodiversiteit en een verdienmodel voor de boer, rekening houdend met de vraag naar eiwitgewassen uit de markt.

Met de eiwittransitie wordt de overgang van dierlijke eiwitten naar meer plantaardige eiwitten bedoeld. De transitie naar een voedselpatroon met meer plantaardige en minder dierlijke eiwitten is één van de grote mondiale uitdagingen van deze tijd (bijvoorbeeld het EAT-Lancet voedingspatroon). Een agrarische provincie als Zeeland kan daar een belangrijke rol in vervullen. In samenwerking met FoodDelta Zeeland en bedrijven uit de gehele eiwitketen van Zeeland is de Protein Delta vormgegeven, een ambitie en innovatieprogramma voor de eiwittransitie in Zeeland. Zeeland beoogt hiermee een zichtbare bijdrage aan de verandering van het (eiwit)menu van de regionale consument (inwoners en toeristen) te leveren en presenteert zich als een inspirerend proef- en demogebied voor de wereld.  

Om minder afhankelijk te worden van de import van buitenlandse eiwitten is de Nationale Eiwitstrategie (2020) ontwikkeld door LVVN. Binnen deze strategie wordt ingezet op meer plantaardige eiwitten zelf telen, meer eiwitten halen uit alternatieve bronnen zoals algen, wieren en insecten en meer terugwinnen van eiwitten uit rest- en nevenstromen. Op interprovinciaal niveau werken we samen met de andere eiwitprovincies en The Protein Cluster (onderdeel van FoodvalleyNL) om hier invulling aan te geven. Vanaf 2022 heeft de Provincie Zeeland tevens actief deelgenomen aan de Green Deal Eiwitrijke Gewassen, ook wel de Bean Deal genoemd. In deze deal is op veel fronten gewerkt aan onderzoek naar de opschaling van plantaardige eiwitgewassen in Nederland en de totstandkoming van meer draagvlak voor de eiwittransitie in de gehele voedselketen, van primaire producent tot retail en consument. Tevens is er in samenwerking met andere provincies en organisaties als de Rabobank en FoodvalleyNL gewerkt aan de opschaling van eiwitketens (o.a. veldbonen, droge soja, quinoa) via het aanstellen van een ketenregisseur, als onderdeel van het programma Plant Protein Forward. Het vervolg van de Bean Deal zal zich gaan richten op concrete ketenafspraken en deals voor opschaling van eiwitteelt in Nederland.  Ook hier willen wij als Zeeland een belangrijke rol bij blijven spelen.

Naast de Bean Deal werken we ook via andere instrumenten, zoals programma's als GLB-NSP, Zeeland in Stroomversnelling en OP-Zuid, aan de opschaling van eiwitinitiatieven en –innovaties. Ketenontwikkeling, van grond tot bord, is daarbij de focus, waarbij zowel aan de vraag en aanbodkant van eiwitgewassen initiatieven worden gestimuleerd. Hier willen we de komende jaren actief op blijven inzetten.

Biobased keten

Biobased teelten zoals vlas, miscanthus, hennep en stro (via graan) passen prima in het bouwplan van de Zeeuwse agrariër. Zeeland heeft van oudsher veel kennis op het gebied van teelt van vlas, onder andere op Zeeuws-Vlaanderen zijn er belangrijke vlasclusters gevestigd. Ook de verwerking van vlas tot vezels voor bouwmaterialen (onder andere bouwplaten en isolatie) vindt hier plaats. Voor andere toepassingen van vlas is er grote potentie. De hele keten is hier aanwezig, van veredeling tot afnemers in de bouw. Op dit moment worden er verkenningen uitgevoerd naar de teelt van wintervlas in Zeeland, zodat jaarrond vlas geteeld kan worden.

Met de Biobased Innovation Garden op Proefboerderij Rusthoeve (een samenwerking met Delphy) wordt al heel wat jaren gewerkt aan het onderzoeken van biobased teelten en het opschalen van businessmodellen voor biobased gewassen tot verwerkingsproducten. De komende jaren zal samen met het landelijke netwerk Building Balance, het K&I-netwerk Circulair Bouwen Zeeland en diverse andere partijen (waaronder de bouwsector en kennisinstellingen) gewerkt worden aan de opschaling van de teelt van biobased gewassen in Zeeland door in te zetten op ketenontwikkeling en kennisdeling. Want het zorgen voor voldoende afzet voor biobased gewassen is het primaire speerpunt. Hierdoor wordt het verdienvermogen rondom biobased gewassen voor bestaande telers en verwerkers verhoogd en worden meer agrariërs overgehaald om ook deze gewassen te gaan telen.

In het kader van Zeeland 2050 ligt er een enorme opgave om meer woningen te bouwen om nieuwe inwoners van Zeeland een plek te geven. In relatie tot duurzaamheid liggen er kansen voor het gebruik van biobased bouwmaterialen bij nieuwe en bestaande woningbouwprojecten, ook nu al, via de woonopgave uit de Woondeal, maar ook voor de toekomst.

Het werken aan de opschaling van biobased bouwen en circulaire economie vormt tevens een onderdeel van de Economische Agenda Zeeland; Uitvoeringsprogramma Economie 2024-2028.

Biologische landbouw

Biologische landbouw is een productiesysteem dat de gezondheid van de bodem, van ecosystemen en van mensen onderhoudt. De term ‘biologisch’ is via Europese wet- en regelgeving beschermd en biologische bedrijven worden hierop onafhankelijk gecontroleerd. Enkel gecertificeerde bedrijven mogen hun producten als biologisch aanbieden.

Biologisch boeren heeft meerdere positieve effecten die bijdragen aan de beoogde transitie naar een volhoudbare landbouw. Daarbij worden veelal de kwaliteit van de bodem (o.a. organische stofgehalte), de boven- en ondergrondse biodiversiteit en een mogelijk hogere marge voor het primaire bedrijf genoemd. Bij biologische landbouw worden geen chemische gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Bovendien kan de biologische keten een goede leer/ experimenteerfunctie hebben op volhoudbare landbouw in het algemeen. Desondanks blijft de groei van het aantal biologische ondernemers in Zeeland achter ten opzichte van andere Nederlandse (akkerbouw)provincies.  Dit terwijl het Ministerie van LVVN in 2022 het “Actieplan biologische landbouw” naar buiten bracht, waarin wordt gestreefd naar 15% biologische landbouw in Nederland in 2030. Voor Zeeland betekent dit een flinke groei ten opzichte van de huidige situatie, waarbij ongeveer 3% van het landbouwareaal biologisch is. Als Zeeland streven we naar 5% areaal biologische landbouw in 2030.

Een recentelijke uitdaging van de afgelopen jaren die voor de biologische sector een belangrijke rol speelt zijn de veranderende weersomstandigheden en het klimaat. Hierdoor is niet-chemische ziekte- en schimmelbestrijding hoger op de agenda komen te staan. Het veranderende middelenpakket maakt het voor de biologische sector uitdagend om de productie te garanderen. Het inzetten op nieuwe teelttechnieken en veredeling/ontwikkeling van nieuwe rassen kan helpen om deze uitdagingen te lijf te gaan.  

In samenwerking met de ZLTO, de Vereniging van Biologische boeren Zuidwest Nederland en Bionext gaan we de aankomende jaren (mede via de koplopermaatregel biologische landbouw (kA5) ) werken aan het verbeteren van de omstandigheden voor biologisch boeren in Zeeland. Hiertoe wordt een projectleider/ketenregisseur biologische landbouw aangesteld. We zetten in op kennisprogramma's om de bovenstaande uitdagingen aan te gaan en we gaan hard aan de slag om ketenontwikkeling te stimuleren, zodat de afzet voor biologische producten in Zeeland wordt vergroot. Het vergroten van de afzet is het primaire doel van deze samenwerking. Ook willen we boeren die twijfelen over omschakeling naar biologische landbouw tegemoetkomen middels een omschakelfonds. Zo zorgen we enerzijds voor het vergroten van de afzet en anderzijds de doorontwikkeling naar meer areaal biologische landbouw. Het ontwikkelen van kennisprojecten en ketenprojecten richting landelijke of provinciale subsidieprogramma's dient hier mede aan bij te dragen.

In de brede zin gaan we samen toewerken naar een concreet actieplan voor de realisatie van de ambitie van 5% biologische landbouw. Dit plan richt zich op enkele speerpunten die vanuit de sector als prioritair zijn aangegeven: 1) niet-chemische onkruidbestrijding en de daarbij behorende innovatie, 2) afzetbevordering van biologische producten via de keten, zowel lokaal als op landelijk/Europees niveau en 3) omgaan met klimaat en weersomstandigheden en ziekten en plagen. De belangrijkste uitdaging is het zorgen voor voldoende afzetmogelijkheden voor biologische producten. Daarin spelen afnemers van biologische producten een belangrijke rol, maar ook de consument die biologische producten in de supermarkt koopt. Het Ministerie van LVVN heeft in 2024-2025 een consumentencampagne uitgevoerd voor meer bewustwording omtrent biologische producten. Ketenpartijen en de retail spelen hierbij een essentiële rol.

Paragraaf 4.3.2. Opgaven

Uitvoeringsprogramma Landelijk Gebied

Voedsel

De behoefte is om - aansluitend op de landelijke IPO-toekomstvisie en de visie van het Rijk - een Zeeuwse voedselstrategie op te stellen, waarbij ingegaan wordt op thema’s als; voedsel uit de regio, voedselverwerkende industrie, Zeeland als proeftuin, gezond eten door inwoners en minimalisering van verspilling.

  • Het opstellen van een visie, strategie en infographic met Zeeuwse ambitie (B) (oG6).

    Kennis en innovatie

  • Onderbrengen praktijk groen onderwijs (Scalda) op locatie Rusthoeve (oG7):

- Projectplan.

- Realisatie ‘De Nieuwe Rusthoeve’ (B).

  • Behouden en versterken van onderwijs in de groene sectoren in Zeeland. Aantrekken van studenten en opleidingen (oG7):

- Minimaal 200 afgestudeerde studenten praktijkonderwijs ‘De Nieuwe Rusthoeve’ t/m 2030.

  • Ondersteunen van toegepast onderzoek naar bodem, water en biodiversiteitsvraagstukken (oG1):

- Minimaal twee initiatieven per jaar (B).

- Praktijkgerichte publicaties of rapportages.

- Mate van samenwerking met kennis- instellingen en praktijkpartners.

  • Inzetten op trainingen, workshops, coaching, voorlichtingsacties en demonstratieprojecten (oG2):

- Minimaal twee initiatieven per jaar.

- Kennis- of gedragsverandering bij deelnemers.

- Bereik van minimaal 500 agrariërs/ per jaar ohgv kennis en innovatie.

Bodem

  • Stimuleren van organische stof opbouw in landbouwgrond (oG1):

- 3% organische stof in 2050 (B).

- Het verhogen van organische stof vergt geduld, lange termijn investeringen (>10 jaar) om

een daadwerkelijke structurele verhoging van organische stof te realiseren (Bloem et al,

2017). Hierbij kunnen bodembiologische indicatoren (bijv. mineraliseerbare N en HWC) een

indicatie zijn voor de goede weg op de langere termijn. Het opbouwen van een goed en

hoog organische stofgehalte in de bodem vraagt veel van de landbouwsector en een

veranderend landbouwsysteem, waar veel (financiële) input mee gemoeid is. Organische

stofgehalte verhogen met 1% vraagt om ±30.000 kg organische stof per hectare.

- Jaarlijks minimaal 1 project i.c.m. KPI/doelsturing.

  • Stimuleren van regeneratieve landbouwpraktijken (oG1).

- Ondersteunen twee initiatieven per jaar (B).

- 50 akkerbouwbedrijven in 2030 (deels) overgestapt op regeneratieve landbouw.

  • Stimuleren opslaan koolstof in landbouwgronden (kA1):

- Minimaal 150 deelnemende agrariërs in ZWD actief beloond voor langjarige koolstofopslag

in bodem.

  • Opschalen concept boerderijcompostering (kA2):

- Minimaal 3 compostpilots en compost-coöperaties 2 in Zeeland.

  • Coöperatief sluiten van kringlopen door het lokaal composteren van lokale groene reststromen voor een vruchtbare bodem (kA2):

- Twee regio's binnen Zeeland, elk 1.000 ha betrokken, verwerken 78.000 ton biomassa.

  • Cursus en coaching bodemverbetering (technische inhoudelijke coaching op bodemverbetering) en kennisdeling regeneratieve landbouw (kA0):

- Coaching: 50 agrariërs; Kennisverspreiding RL: 8 groepen van 8-15 agrariërs en 50

beleidsmedewerkers en erfbetreders,

- Minimaal 2 initiatieven p/jaar voor kennisopbouw en verspreiding (B).

  • Coaching op bodemverbetering (oG3):

- In 2028 zijn 150 akkerbouwers begeleid binnen programma BodemUP en 100 agrariërs

kennis gemaakt met regeneratieve principes.

Biodiversiteit in het landelijk gebied

  • Stimuleren bewustzijn en kennis bij agrariërs en bewoners om Natuurinclusieve landbouw (NIL) te vergroten (oG4):

- Minimaal twee initiatieven per jaar.

  • Stimuleren teelten (o.a. kruidenrijk grasland, strokenteelt, vlas en hennep, bloeiende akkerranden) incl. beloning voor agrariërs (oG5):

- Minimale groei van 3% functionele agrobiodiversiteit in 2030.

- Jaarlijkse realisatie 500ha (1001ha Kruidenrijk Grasland/Groenbemesters/Klaverweide) in

Zeeland.

  • Minimaal twee initiatieven per jaar waarbij herstel en beter benutten van (functionele) agrobiodiversiteit centraal staat (oG6).

  • ANB maatregelen worden genomen op ca. 50 ha landbouwgrond (oG7):

- Onder deze provinciale regeling worden een tiental maatregelen uitgevoerd rondom de

kwetsbare Natura 2000- gebieden (Manteling van Walcheren en de Kop van Schouwen).

  • Stimuleren uitbreiding areaal agroforestry (oG8).

Doelsturing en Kritische Prestatie Indicator (KPI)

  • KPI aanpak uitwerken middels biodiversiteitsmonitoring akkerbouw Zuidwestelijke Delta (kA0):

- 500 deelnemers in 2027 in ZWD (Koplopermaatregel), waarvan minimaal 100 in Zeeland.

- 1300 agrariërs (helft van Zeeuwse agrariërs) zijn actief bezig met doelsturing 2030 in

Zeeland (B):

- Minimaal 2 projecten voor doelsturing en KPI's, waarvan minimaal 1 met focus op

ketensamenwerking Zeeuwse gewassen (B).

Agrarische ketens

  • Stimuleren van het verkorten – of het verlengen – van de keten met essentiële schakels om producten regionaal af te kunnen zetten (oG8).

- Gesprekken lokale afnemers en aanbieders en

verkenning een of meerdere foodhubs in Zeeland (2026).

- Minimaal 25% van de totale agrarische bedrijven dient in 2030 te verkopen via de korte

keten met maximaal 1 tussenschakel in Zeeland (status 2025: 18%). Minimaal 2 initiatieven

p/jaar.

- Onderzoek naar kansen voor ketenpartijen in de korte keten i.r.t. CSRD (2026).

  • Ontwikkelen regionale keten eiwit- en biobased teelten en stimuleren eiwit- en biobased teelten in GGS (kA3/kA4).

  • Initiatieven ondersteunen die zich richten op de ontwikkelingen op het gebied van de eiwittransitie voor humane consumptie (oG8):

- 7% areaal eiwitteelt in 2030  t.o.v. totaal areaal landbouw (status 2025: 4,5%) (B).

- Minimaal 2 initiatieven p/jaar  t.o.v. het totale landbouwareaal in 2025, waarvan 1 gericht op

afzetbevordering (B).

  • Ontwikkelen van ketensamenwerkingen voor de teelt en verwerking van biobased gewassen in Zeeland en kennisdeling over biobased (oG8):

- Minimaal 2 initiatieven p/jaar voor biobased teelten, met minimaal 1 project in het kader

van ketenontwikkeling (B).

Biologische landbouw

  • Opstellen stimuleringsplan biologische landbouw (kA5):

- Uitvoeringsplan en aanstellen projectleider/ketenregisseur (2026).

  • Ontwikkeling biologische sector (oG9):

- Minimaal 2 initiatieven p/jaar (B).

- 5% areaal biologische landbouw in 2030 in Zeeland t.o.v. het totale landbouwareaal in 2025

(incl. areaal biologische landbouw in omschakeling) (B).

  • Er wordt een omschakelfonds gevormd voor ondersteuning van omschakelaar (kA5):

- Minimaal 100 hectare biologische landbouw per jaar wordt gerealiseerd via o.a. het

omschakelfonds.

Afdeling 4.4 Meten is weten

Paragraaf 4.4.1 Beleidsuitgangspunten

Bij het opstellen van beleid werken we volgens de ‘Plan, Do, Check, Act’- cyclus (PDCA-cyclus). Er wordt beleid opgesteld, we voeren uit, evalueren, en passen aan waar nodig. Om beleid, zoals ook hierboven beschreven, te kunnen evalueren is monitoring van belang. Monitoring geeft inzicht in doelbereik en kan inzicht geven in eventuele benodigde aanpassingen of vervolgstappen. Om te kunnen monitoren moet er worden gemeten.

Paragraaf 4.4.2. Opgaven

Binnen de doelen van dit Programma heeft de Provincie bestaande metingen (meetnetten) op het gebied van natuur, water en stikstof. De bestaande metingen zijn echter niet toereikend om voldoende te kunnen monitoren.

De opgave is dan ook om de monitoring voor de doelen in dit Programma en voor dit Programma zelf op orde te krijgen.

Opgave:

• Voldoende meetcapaciteit/meetnetten om goed te kunnen monitoren.

• Het kunnen evalueren van doelbereik van dit Programma.

Paragraaf 4.4.3. Maatregelen

De maatregelen zijn onderverdeeld in vier pakketten die passen bij de vier thema’s:

1. Groen herstelt

In dit pakket zijn maatregelen opgenomen die in hoofdzaak bijdragen aan natuurherstel, verbetering van de biodiversiteit en vermindering van de drukfactoren op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, waaronder stikstof.

2. Elke druppel telt dubbel

In dit pakket zijn maatregelen opgenomen die bijdragen aan de zoetwaterbeschikbaarheid, zowel voor landbouw als ook voor andere functies in het landelijk gebied. Uitgangspunt is, net als in het concept Zeeuws gebiedsprogramma, efficiënt omgaan met wat er is en wat er valt.

3. Van grond tot gewas

In dit pakket zijn maatregelen opgenomen die gericht zijn op de volhoudbare landbouw.

4. Meten is weten

In dit pakket zijn maatregelen opgenomen die bijdragen aan monitoring en zo meer inzicht geven in de ontwikkelingen en het behalen van de doelen. Deze maatregelen dragen ook bij aan de monitoren van het effect van maatregelen.

Afdeling 4.4 Samenhang tussen de thema's.

De indeling in pakketten geeft een meer integrale aanpak weer. Maatregelen uit het pakket “groen herstelt” kunnen ook bijdragen aan een volhoudbare landbouw. En andersom zullen maatregelen uit het pakket “elke druppel telt” ook bijdragen aan ‘van grond tot gewas’.

Hoofdstuk 5 Maatregelen

Lopende maatregelen



Koplopermaatregelen

In juli 2023 hebben Gedeputeerde Staten het concept Zeeuws gebiedsprogramma voorgelegd aan toenmalig minister Van der Wal. Kort daarna is vanuit de Regieorganisatie Transitie Landelijk Gebied (RTLG) de vraag gekomen welke maatregelen op korte termijn zouden kunnen starten. Hier zijn de koplopermaatregelen uitgekomen. Deze maatregelen zijn gebaseerd op de lijst met maatregelen die in het concept Zeeuws gebiedsprogramma is opgenomen.

De maatregelen zijn eerst door het Rijkstoetsteam (RTLG, LVVN natuur, LVVN agro, BZK en I&W) getoetst. Daarnaast heeft ook Wageningen Economic Research de maatregelen beoordeeld. Uiteindelijk heeft dat geleidt tot een toekenning van € 28 miljoen voor de koplopermaatregelen. De middelen moeten, overeenkomstig de voorwaarden, binnen vier jaar worden weggezet. Binnen deze tijd moeten de maatregelen zijn uitgevoerd. Jaarlijks voor 1 mei wordt er gerapporteerd aan het Rijk over de voortgang. De koplopermaatregelen zijn in dit Programma ingedeeld in dezelfde pakketten als de nieuwe maatregelen en aangeduid met een kleine letter k.

Overige lopende maatregelen

Naast de koplopermaatregelen zijn er overige lopende maatregelen die bijdragen aan de doelen en opgaven in dit Programma. Op dit moment hebben we opgenomen wat we in beeld hebben, het is echter geen uitputtende lijst.

Nu zijn in ieder geval de lopende maatregelen zoals beschreven in het UPLG opgenomen. Voor lopende maatregelen op het gebied van de KRW verwijzen we naar het Regionale Waterprogramma. Lopende maatregelen binnen Natura 2000- gebieden zijn te vinden Programma Natuur. Er gebeurt echter veel in het landelijk gebied. Zo worden er bijvoorbeeld ook diverse maatregelen binnen de Zeeuws Integrale Gebieden Aanpak (ZIGA) opgepakt.

Nieuwe maatregelen

Nieuwe maatregelen in dit Programma zijn maatregelen die, zo veel mogelijk integraal, bijdragen aan de opgaven en daarmee bijdrage aan het behalen van de doelen.

Voor het ophalen van de nieuwe maatregelen is overleg geweest met collega’s uit diverse vakgebieden: water, klimaatadaptatie, landbouw, natuur, monitoring, mobiliteit, bereikbaarheid enz. Daarnaast is gekeken aan welke koplopermaatregelen een vervolg kan worden gegeven en voor welke maatregelen uit het concept Zeeuws gebiedsprogramma er eerder geen financiering is ontvangen. Dit heeft geleid tot de totale lijst van maatregelen.

In onderstaande paragrafen worden kort de maatregelen beschreven, de financiering of de financieringsvraag en de invulling van de monitoring. Dat gaat dan vooral over de monitoring op maatregelniveau. Verder geven we, voor zover op voorhand bekend, aan of er gevolgen zijn voor andere overheden.

Afdeling 5.1 Groen herstelt

Paragraaf 5.1.1 Lopende maatregelen

Lopende maatregelen voor natuurherstel en stikstof.

Koplopermaatregelen

kN2 Versterken Agrarisch Natuurbeheer

De toegekende middelen van € 4 miljoen worden voor een groot deel toegevoegd aan het budget voor Agrarisch Natuur- en landschapsbeheer om een groter areaal te realiseren. Daarnaast wordt hiermee de uitvoeringscapaciteit versterkt en de monitoring van het agrarisch natuurbeheer uitgebreid.

Financiering: € 4 miljoen aan toegekende middelen voor koplopermaatregelen.

Monitoring: aantal hectare aangelegd en/of beheerd.

Gevolgen overheden: geen.

kN4.1 Aanleg groenblauwe dooradering Reimerswaal

Doel van het project Reigersbergsepolder is om zoet water in het gebied te laten dat nu vanuit het Volkerak-Zoommeer geloosd wordt in de Westerschelde. Het water draagt bij aan de zoetwaterbeschikbaarheid voor de landbouw. Daarnaast wordt de combinatie gezocht met groenblauwe dooradering. Voor een aantal onderzoeken is €250.000,- beschikbaar.

Financiering: toegekende middelen voor koplopermaatregelen.

Monitoring: n.v.t.

Gevolgen overheden: betreft gebied binnen de gemeente Reimerswaal. De uiteindelijk invulling heeft ruimtelijke gevolgen die mogelijk gevolgen hebben voor het gemeentelijke Omgevingsplan en/of de Omgevingsvisie. Bij dit project zijn ook het Waterschap Scheldestromen en het Rijk (Ministerie van Infrastructuur en waterstaat) nauw betrokken.

kN4 Regelingen groenblauwe dooradering

Deze maatregel bestaat uit drie onderdelen:

  • a.

    Samen met het Waterschap wordt een inventarisatie gedaan van dijkvakken die ecologisch beheerd kunnen worden. Vervolgens gaat het Waterschap deze dijkvakken ook ecologisch beheren. Hiervoor is € 514.000,- beschikbaar.

  • b.

    Daarnaast loopt het project Erfplus dat tot doel heeft biodiversiteit toe te voegen aan boeren erven. Hiervoor is € 263.690,- beschikbaar.

  • c.

    Tot slot worden veldcoördinatoren opgeleid en een maatregelenkoffer samengesteld om initiatieven die bijdragen aan de groenblauwe dooradering te ondersteunen (€ 210.900,-).

Financiering: toegekende middelen voor koplopermaatregelen.

Monitoring: Voor (1) het aantal hectare, voor (2) het aantal erven en voor (3) de inzet van de veldcoördinatoren.

Gevolgen overheden: Alleen het eerste onderdeel heeft invloed op de werkzaamheden van het Waterschap. Zij zijn hierbij betrokken. De andere onderdelen hebben geen rechtstreekse gevolgen voor andere overheden.



Overige lopende maatregelen



Uitvoeringsprogramma Landelijk Gebied

oN1 Groenblauwe dooradering: Ontwikkelen kwantitatieve monitoring

Viewer met Groenblauwe dooradering in Zeeland en een dashboard oppervlakte en percentage, jaarlijks te actualiseren.



Financiering: Provincie Zeeland.

Monitoring: n.v.t.

Gevolgen voor overheden: geen.

Partijen: Provincie Zeeland, NFO.

Periode: 2025 t/m 2030.



oN2 Agrarisch natuurbeheer Zeeland; uitwerken ambitie

In fases uitwerken van de voorgestelde maatregelen in het ambitiedocument Agrarisch Natuurbeheer.

Financiering: Europese GLB-middelen, aangevuld me nationale middelen.

Monitoring: uitgewerkte maatregelen uit het ambitiedocument.

Gevolgen voor overheden: n.v.t.

Partijen: Provincie Zeeland.

Periode bestaat uit drie fasen:

  • 2025 t/m 2028.

  • 2029 t/m 2035.

  • 2036 t/m 2050.

Paragraaf 5.1.2 Nieuwe maatregelen

Nieuwe maatregelen voor natuurherstel en stikstof.

N1 Bos buiten Natuurnetwerk Zeeland

Het realiseren van bos buiten het Natuurnetwerk Zeeland. Vanuit de Bosvisie ligt er een opgave van 205 ha bos buiten het Natuurnetwerk. Onder bos valt alle opgaande houtige beplanting.

Financiering: € 30 miljoen, deels vanuit Provinciale middelen (€ 2 miljoen). Overige dekking is nog niet bekend.

Monitoring: aantal hectare bos.

Gevolgen overheden: de locatie van nog aan te leggen bos heeft mogelijk gevolgen voor gemeentelijke Omgevingsvisies en/of omgevingsplannen.

N2 Ecopassage

Momenteel worden plannen ontwikkeld om de Deltaweg (N256) tussen Goes en Noord-Beveland aan te pakken. De Deltaweg doorsnijd de Schenge, een voormalige zeearm die vroeger het eiland Wolphaartsdijk van Zuid-Beveland scheidde. De Schenge is nog steeds belangrijk voor de biodiversiteit. Nu de Deltaweg vernieuwd wordt, zou tegelijk met deze vernieuwing van de weg een ecopassage kunnen worden aangelegd.

Financiering: € 2 miljoen, de dekking nog niet bekend.

Monitoring: n.v.t.

Gevolgen overheden: geen.

N3 Maatregelen Programma Natuur

In het Programma Natuur zijn natuurherstelmaatregelen opgenomen voor tien stikstofgevoelige Natura 2000- gebieden in Zeeland. Er is minder budget voor de uitvoering dan dat er is geprogrammeerd. Niet alle maatregelen kunnen uitgevoerd worden vanuit het budget van Programma natuur. Deze maatregelen worden meegenomen in dit programma.

Financiering: zo'n € 60 miljoen, waarvan bijna € 40 miljoen gedekt is vanuit Programma Natuur. Overige dekking is nog niet bekend.

Monitoring: meegenomen in de bestaande monitoring.

Gevolgen overheden: nog niet bekend.

N4 Opzetten pilot voor basiskwaliteit natuur

De pilot ziet op de toepassing van het instrument Basiskwaliteit Natuur. Er zijn door het ministerie LVVN diverse handvatten en tools uitgewerkt met betrekking tot de Basiskwaliteit Natuur. Er is behoefte aan meer praktijkervaring en daarvoor worden in elke provincie pilots gestart, zo ook in Zeeland.

Financiering: De eerste gebiedsanalyse wordt gefinancierd vanuit de ministeries LVVN en RVO. Financiering voor het vervolg is nog niet bekend.

Monitoring: n.v.t.

Gevolgen overheden: de locatie van de pilot heeft mogelijk gevolgen voor een gemeentelijke Omgevingsvisie en/of omgevingsplan.

N5 Groenblauwe dooradering: hoe stimuleren we en zoeken we naar meekoppelkansen?

Er wordt een plan van aanpak opgesteld voor de stimulering van groenblauwe dooradering. Daarin worden ook de natte ecologische verbindingszones en de natuurvriendelijke oevers meegenomen.

Financiering: nog niet bekend.

Monitoring: Op dit moment wordt in beeld gebracht hoeveel groenblauwe dooradering er in Zeeland aanwezig is. Dat geeft een ‘nul’-meting. De uitbreiding wordt gemonitord in aantal hectares.

Gevolgen overheden: de locatie van nog aan te leggen groenblauwe dooradering heeft mogelijk gevolgen voor gemeentelijke Omgevingsvisies en/of omgevingsplannen.

N6 Bijdrage cultuur/Erfgoed aan Stikstofopgave

In het Provinciale Koersdocument cultuur en erfgoed is opgenomen dat het cultuurveld actief bijdraagt aan het vormgeven van grote transities. De broedplaats Nesse is mede op initiatief van de Provincie tot stand gekomen.

Financiering: € 25.000. Dekking vanuit Provinciaal budget (stikstof en cultuur).

Monitoring: n.v.t.

Gevolgen overheden: geen.

N7 Onderzoek ADC toets voor dijkverzwaringstraject Zuid-Beveland

Bij de dijkverzwaring Zuid-Beveland zijn er effecten op onder andere het Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe. Om tot vergunningverlening te komen wordt gekeken naar de inzet van de ADC toets. Vooruitlopende op deze toets wordt nagedacht over de compensatieverplichting. Dit is een pilot voor andere dijkverzwaringstrajecten.

Financiering: vanuit het Hoogwaterbeschermingsprogramma.

Monitoring: n.v.t.

Gevolgen overheden: de locatie van de eventueel nog aan te leggen natuurwaarden heeft mogelijk gevolgen voor gemeentelijke Omgevingsvisies en/of omgevingsplannen.

N8 Inzet elektrisch materieel Natura 2000-gebieden

Bij de uitvoering van natuurherstelmaatregelen in Natura 2000-gebieden wordt groot- en klein materieel ingezet door aannemers vaak op basis van raamcontracten. Bij nieuwe aanbestedingen onder de huidige raamovereenkomst en/of bij de nieuwe raamovereenkomst wordt ingezet op zoveel mogelijk emissieloos werken.

Financiering: nog niet bekend.

Monitoring: n.v.t.

Gevolgen overheden: geen.

N9 Windsingels

Landschapselementen zoals windsingels vormen een fysiek obstakel voor de verspreiding van deeltjes en stoffen in de atmosfeer. De aanleg van houtige landschapselementen rond stallen kan de emissies reduceren, vast leggen en/of de uitstoot verspreiden.

Financiering: Schatting is € 300.000, dekking is nog niet bekend.

Monitoring: n.v.t.

Gevolgen overheden: geen.

N10 Verduurzaming industrie

Het Rijk heeft de afgelopen periode in het kader van de Maatwerkafspraken met de grote industriële uitstoters afspraken gemaakt over het reduceren van een CO2 uitstoot en daarbij ook een reductie van stikstofemissie. Bij een aantal industriële uitstoters lopen deze gesprekken over maatwerkafspraken nog. Ook andere industriële partijen, die niet in deze aanpak zitten, kunnen met afspraken over een dalende CO2 uitstoot ook bijdragen aan een dalende stikstofdepositie.

Financiering: n.v.t.

Monitoring: n.v.t.

Gevolgen overheden: geen.

N11 Recreatie stikstof

Uit AERIUS monitor blijkt dat ook de recreatie een bijdrage levert aan de stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Door bijvoorbeeld in te zetten op elektrificatie en verdere verduurzaming kan bijgedragen worden aan meerdere doelen.

Financiering: nog niet bekend.

Monitoring: vermindering stikstofemissie en -depositie via AERIUS.

Gevolgen overheden: deze maatregel heeft mogelijk gevolgen voor gemeentelijke Omgevingsvisies en/of omgevingsplannen.

N12 Zero-emissie mobiliteit

Uit AERIUS blijkt dat mobiliteit een bijdrage levert aan de stikstofdepositie stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Door in te zetten op zero-mobiliteit wordt een daling van de NOx emissie in en rond Natura 2000-gebieden bereikt.

Financiering: nog niet bekend.

Monitoring: vermindering stikstofemissie en -depositie via AERIUS.

Gevolgen overheden: deze maatregel heeft mogelijk gevolgen voor gemeentelijke Omgevingsvisies en/of omgevingsplannen.

N13 Regeling aanpassen motoren mossel- en oesterkotters

In Zeeland is een vloot van 60 mosselkotters en 30 oesterkotters actief, veelal in Natura 2000- gebieden. Er wordt een regeling opgezet voor het aanpassen van motoren van de mossel- en oesterkotters. Dit draagt bij aan de CO2 en stikstofreductie opgaven.

Financiering: € 8 miljoen deels vanuit het Rijk, deels vanuit de Provincie.

Monitoring: aantal mossel- en oesterkotters dat gebruik maakt van de regeling.

Gevolgen overheden: geen

N14 Stimuleren walstroom binnenvaart in gemeentelijke havens

In de Provinciale havens zijn inmiddels overal walstroomvoorzieningen geplaatst. In gemeentelijke havens is dat niet overal het geval. Deze maatregel stimuleert het plaatsen van walstroom in de gemeentelijke havens.

Financiering: nog niet bekend, dekking vanuit Provinciale middelen.

Monitoring: aantal gemeentelijke haven waar walstroomvoorzieningen worden aangelegd.

Gevolgen overheden: geen.

N15 Buitenland: Samenwerking Straits Comité

Het organiseren van kennisuitwisselingsbijeenkomsten voor experts uit bovengenoemde regio’s met mogelijk als resultaat een gezamenlijke lobbyactiviteiten en of grens overstijgende samenwerkingsprojecten.

Financiering: Inzet Provincie Zeeland vanuit Provinciale middelen.

Monitoring: n.v.t.

Gevolgen overheden: geen.

N16 Buitenland: Samenwerking Vlaanderen

Deelnemen aan de Grensoverschrijdende Samenwerking (GROS) Vlaanderen – Nederland Stikstof. Deze samenwerking ziet toe op een continue gegevensuitwisseling, kennisopbouw en relatieverbetering tussen deelnemers. Uitwerking van plan voor grensoverschrijdende samenwerking op gebiedsniveau in de grensstreek.

Financiering: Inzet Provincie Zeeland vanuit Provinciale middelen. Projecten nog onbekend.

Monitoring: n.v.t.

Gevolgen overheden: geen.

N17 Pilot Scheepvaart

Projectgroep scheepvaart opzetten als voorzetting van de pilot scheepvaart ter bevordering van gegevensuitwisseling, kennisopbouw en netwerk in de grensregio. Hierbij aandacht voor onderwerpen ankerplaatsen, gedeelde informatiebasis, scheepvaartverkeer Westerschelde en mondiale emissie regulatie.

Financiering: Inzet Provincie Zeeland vanuit Provinciale middelen.

Monitoring: n.v.t.

Gevolgen overheden: geen.

Gebied specifieke uitwerking Kop van Schouwen en Manteling van Walcheren (stikstofplan)

Gereserveerd

Afdeling 5.2 Elke druppel telt dubbel

Paragraaf 5.2.1 Lopende maatregelen

Lopende maatregelen voor de Kaderrichtlijn Water en zoetwaterbeschikbaarheid.



kW4 Stimulering regelbare drainage

Middels een subsidieregeling wordt een bijdrage geleverd aan de aanleg van regelbare drainage waardoor meer zoet water kan worden vastgehouden. Hiervoor is € 2.500.000,-beschikbaar. De subsidieregeling is inmiddels geopend.

Financiering: toegekende middelen voor koplopermaatregelen.

Monitoring: aantal hectare dat voorzien is van regelbare drainage.

Gevolgen overheden: geen.

kW5.1 Pilot plaatsen van zoet/zout stuw en aanpassing systeem

Door het plaatsen van zoet/zout stuwen en aanpassing systeem wordt meer zoet water vastgehouden. Dit is een pilot waarvoor € 500.000,- beschikbaar is.

Financiering: toegekende middelen voor koplopermaatregelen.

Monitoring: aantal zoet/zoutstuwen dat is geplaatst.

Gevolgen overheden: geen.

kW5.2 Pilot verondiepen/verplaatsen sloten

Deze pilot ziet op het verondiepen en verplaatsen van sloten zodat meer zoet water in de ondergrond kan worden vastgelegd. Hiervoor is € 370.000,- beschikbaar.

Financiering: toegekende middelen voor koplopermaatregelen.

Monitoring: bijdrage aan de zoetwaterbeschikbaarheid.

Gevolgen overheden: geen.

Overige maatregelen

Overige maatregelen voor de KRW staan in het ​regionaal waterprogramma.

Paragraaf 5.2.2 Nieuwe maatregelen

Nieuwe maatregelen voor de Kaderrichtlijn Water en zoetwaterbeschikbaarheid.



W1 Moerasgebieden Zeeuws breed

Door moerasgebieden aan te leggen wordt zoet water opgevangen die in het zomerseizoen kan worden gebruikt door omliggende functies als de landbouw. Het draagt tevens bij aan de biodiversiteit. Met deze maatregel is het voorstel om één of meerdere moerasgebieden aan te leggen op nader te bepalen locaties.

Financiering: Eenmalige € 7 miljoen. Jaarlijks € 0,5 miljoen. Bijdrage van deelnemende partijen.

Monitoring: aantal moerasgebieden.

Gevolgen overheden: mogelijk voor gemeenten en/of Waterschap Scheldestromen.

W2 Project Reimerswaal

Project voor de uitvoering van benodigde aanpassingen aan sloten, duikers, het gemaal, en het inrichten van een nieuw inlaatpunt en enkele nieuwe passages. Deze aanpassingen zijn nodig om het water uit het Bathse spuikanaal verder de Reigersbergsche polder in te sturen. Dit is een vervolg op de koplopermaatregel waarin vooronderzoek is gedaan.

Financiering: Raming is € 40 miljoen, dekking is nog onbekend.

Monitoring: aantal hectares landbouwgrond dat zoet water beschikbaar heeft.

Gevolgen overheden: Er zijn mogelijk gevolgen voor de Omgevingsvisie en/of Omgevingsplannen van de gemeente Reimerswaal.

W3 Aanvullende maatregelen Kaderrichtlijn water (KRW)

In 2024 is een tussenevaluatie uitgevoerd voor de KRW om de stand van zaken voor doelbereik in beeld te brengen. Dit was een onderdeel van het KRW-impulsprogramma dat in 2023 is gestart. Op basis van de aanbevelingen uit de tussenevaluatie heeft het RBO het RAO gevraagd om een regionaal handelingsperspectief uit te werken. Dit handelingsperspectief bestaat uit aanvullende maatregelen voor de KRW. Dit om alles op alles te zetten om de doelen te bereiken in 2027. Op dit moment worden sommige aanvullende maatregelen al uitgevoerd. Andere zijn nog in voorbereiding, hier is nog geen bestuurlijk akkoord voor.

Financiering: Vanuit verschillende budgetten.

Monitoring: aantal uitgevoerde maatregelen.

Gevolgen overheden: Aanvullende maatregelen moeten opgenomen worden in de plannen begrotingen van Provincie, Waterschap en gemeenten.

W4 Regelbare drainage

Deze maatregel ziet op een tweede openstelling van de subsidieregeling voor het aanleggen van regelbare drainage op het vasthouden van infiltreren van zoet neerslagwater. Deze maatregel is bovendien gericht op kennisdeling en coaching over de toepassing van regelbare drainage en innovatieve drainagetechnieken.

Financiering: nog niet bekend.

Monitoring: aantal hectare dat voorzien is van regelbare drainage.

Gevolgen overheden: geen.

W5 Slimmer omgaan met zoet water

Door aanpassingen in het watersysteem kan bijgedragen worden aan de zoetwaterbeschikbaarheid voor o.a. de landbouw. Gedacht kan worden aan aanpassingen aan het slotensysteem, daar waar deze een drainerende werking hebben, betere scheiding van zoet en zout oppervlaktewater, aanleg van kwelschermen die de kwelstroom afvangen en benutting van afstromend hemelwater in bebouwd gebied.

Financiering: Nog niet bekend.

Monitoring: bijdrage aan de zoetwaterbeschikbaarheid.

Gevolgen overheden: Waterschap Scheldestromen als uitvoerende partij is betrokken.

W6 Opwaarderen suboptimale stroom (Riool Water Zuiverings Installatie - RWZI)

Deze maatregel ziet op het extra zuiveren van de zoet waterstroom die nu vanuit de RWZI op het oppervlaktewater wordt geloosd met het doel de zoetwaterstroom beschikbaar te stellen voor de landbouw. Er loopt momenteel een onderzoek bij de RWZI Westerschouwen.

Financiering: Tussen de € 2,5 en € 75 miljoen, afhankelijk van het aantal RWZI’s. De dekking is nog niet bekend.

Monitoring: n.v.t.

Gevolgen overheden: in samenwerking met Waterschap Scheldestromen en het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.

W7 Opwaarderen suboptimale stroom (Industrie)

Ook voor het hergebruik van zoet waterstromen uit de industrie is een extra zuiveringsstap nodig. Bij Coroos zijn hier de eerste ervaringen mee opgedaan.

Financiering: Nog niet bekend.

Monitoring: n.v.t.

Gevolgen overheden: geen.

Afdeling 5.3 Van grond tot gewas

Paragraaf 5.3.1 Lopende maatregelen

Lopende maatregelen voor voedsel. kennis en innovatie. bodem, biodiversiteit in het landelijk gebied, doelsturing en KPI's, agrarische ketens en biologische landbouw.



Koplopermaatregelen

kA0 Cursus en coaching bodemverbetering

Deze maatregel, waarvoor € 456.116,- beschikbaar is, ziet op de technische inhoudelijke coaching op bodemverbetering en kennisdeling over regeneratieve landbouw.

Financiering: toegekende middelen voor koplopermaatregelen.

Monitoring: aantal deelnemers aan de cursus en aantal bedrijven dat gebruik maakt van de coaching.

Gevolgen overheden: geen.

Partijen: ZLTO, Provincie Zeeland.

Periode: 2026 t/m 2028

kA1/kA2 Vervolgonderzoek relatie stikstof zoet water

Met deze langjarige pilot wordt de aanname getest dat middels irrigatie en fertigatie er minder stikstofbehoefte is bij de plant en daarmee minder emissie van stikstof naar de lucht en het water. Voor de pilot is zo'n € 86.000,- beschikbaar.

Financiering: toegekende middelen voor koplopermaatregelen.

Monitoring: n.v.t.

Gevolgen overheden: geen.

kA2 Bodemverbetering door gebruik van lokale biomassa

In het Grenspark Groot Saeftinghe wordt in een gebiedsgerichte aanpak gewerkt aan de inzet van lokale biomassa voor bodemverbetering. Hiervoor is € 280.000,- beschikbaar. Deze maatregel sluit aan bij kA2 Agricycling.

Financiering: toegekende middelen voor koplopermaatregelen.

Monitoring: aantal bedrijven dat meedoet.

Gevolgen overheden: geen.

Partijen: ILVO, WUR, agrariërs, agrarische collectieven- ketenpartners (terreinbeheerders en Waterschap Scheldestromen), Provincie Zeeland.

Periode: 2025 t/m 2028 (en verder tot 2030).

kA3/A4 Ontwikkelen regionale keten eiwit- en biobased teelten en stimuleren eiwit-en biobased teelten

Binnen het Grenspark Groot Saeftinghe wordt de biobased en eiwitteelt gestimuleerd en wordt ingezet op ketenontwikkeling. Hiervoor is € 286.150,- beschikbaar.

Financiering: toegekende middelen voor koplopermaatregelen.

Monitoring: aantal hectarens biobased en eiwitteelt.

Gevolgen overheden: geen.

Partijen: Provincie Zeeland, Gebiedenaanpak GGS.

Periode: 2025 t/m 2028.

kA5 Uitwerken stimuleringsplan biologische landbouw

Het percentage biologische landbouwbedrijven ligt in Zeeland onder de landelijke doelstelling. Met deze maatregel wordt, in overleg met de sector, een stimuleringsplan uitgewerkt. Tevens wordt onderzocht of het mogelijk is een omschakelfonds op te zetten. Voor deze maatregel is € 991.000,- beschikbaar.

Financiering: toegekende maatregelen voor koplopermaatregelen.

Monitoring: aantal bedrijven dat omschakelt naar biologische landbouw en het aantal hectares biologisch landbouwgrond.

Gevolgen overheden: geen.

Partijen: Provincie Zeeland, ZLTO.

Periode: 2025 t/m 2028 (en verder tot 2030).

kA9 Landbouwgrond uit bemesting halen en reductie gebruik bestrijdingsmiddelen

De middelen, € 14 miljoen worden ingezet voor de afwaardering van gronden ten hoeve van verschillende doelen ronde Kop van Schouwen, Manteling van Walcheren en in het Grenspark Groot Saeftinghe.

Financiering: toegekende middelen voor koplopermaatregelen.

Monitoring: aantal hectares.

Gevolgen overheden: mogelijk voor de gemeenten als de omzetting gevolgen heeft voor het Omgevingsplan.

kV7 Vrijwillige (gedeeltelijke) beëindiging veehouderijen

Een groot deel van de veehouders dit willen stoppen komen niet in aanmerking voor de landelijke beëindigingsregelingen. De € 2 miljoen die beschikbaar is wordt toegevoegd aan de Maatregel Gerichte Beëindiging (MGB) voor Zeeuwse veehouderijen binnen 2,5 km van Natura 2000-gebieden in Nederland en Vlaanderen.

Financiering: toegekende middelen voor koplopermaatregelen.

Monitoring: aantal veehouderijen dat gebruik maakt van de regeling.

Gevolgen overheden: bij een (gedeeltelijke) beëindiging komt vaak de vraag over herinvulling. Bij het gesprek over de invullingsmogelijkheden is ook de gemeente betrokken.

Maatregelen die samen met Noord-Brabant en Zuid-Holland worden opgepakt, binnen de Zuidwestelijke Delta:

kA0 Kritische Prestatie Indicatoren (KPI's)

Deze maatregel sluit aan op het eerdere project Biodiversiteitsmonitor Akkerbouw Zuid Westelijke Delta en ziet op de realisatie en implementatie van de hiervan door de verdere ontwikkeling van de KPI-systematiek en het opschalen van het aantal deelnemers. Hiervoor is €1 miljoen beschikbaar.

Financiering: toegekende middelen voor koplopermaatregelen.

Monitoring: aantal deelnemers.

Gevolgen overheden: geen.

Partijen: Provincie Zeeland, Boerenverstand, Delphy, ZLTO, ZAJK, Rabobank, ZPG, FarmPlus, BO Akkerbouw, Louis Bolk Instituut, WUR, Proefboerderij de Rusthoeve, Ketenpartijen en het groen onderwijs.

Periode: 2025 t/m 2028 (en verder tot 2030).

kA0 Fieldlab Volhoudbare Landbouw Zuidwestelijke Delta

Het doel van deze maatregel is het doorontwikkelen van een vitale interbestuurlijke samenwerking en triple helix samenwerking met als hoofddoel de transitie naar een volhoudbare en toekomstbestendige agrarische sector en voedselketen die past binnen de ecologische randvoorwaarden van een vitale Zuidwestelijke Delta. Voor de maatregel is €610.000,- beschikbaar.

Financiering: toegekende middelen voor koplopermaatregelen.

Monitoring: n.v.t.

Gevolgen overheden: geen.

Partijen: Provincies ZWD (Zeeland, Noord-Brabant, Zuid-Holland), Delphy, WUR, Proefboerderij de Rusthoeve.

Periode: 2025 t/m 2028 (en verder tot 2030).

kA1 Koolstofboeren Zuidwestelijke Delta

Deze maatregelen ziet op het doorontwikkelen van de koolstofvastlegging als verdienmodel. De ontwikkeling wordt gefaciliteerd middels monitoring en certificeringsprojecten. Voor de maatregel is €330.000,- beschikbaar.

Financiering: toegekende maatregelen voor koplopermaatregelen.

Monitoring: n.v.t.

Gevolgen overheden: geen.

Partijen: Provincies ZWD (Zeeland, Noord-Brabant, Zuid-Holland), ZLTO.

Periode: 2025 t/m 2028.

kA2 Agricycling Zuidwestelijke Delta (samen met Noord-Brabant en Zuid-Holland)

Deze maatregel ziet op het opschalen van een pilot in de Hoeksche Waard waar door het coöperatief sluiten van kringlopen door het lokaal verwerken van lokale groene reststromen bijgedragen wordt aan een vruchtbare bodem. Voor de maatregelen is €660.000,- beschikbaar. Deze maatregel sluit aan bij het specifieke project in het Grenspark Groot Saeftinghe.

Financiering: toegekende maatregelen voor koplopermaatregelen.

Monitoring: aantal bedrijven dat meedoet.

Gevolgen overheden: geen.

Partijen: Provincies ZWD (zeeland, Noord-Brabant, Zuid-Holland), ZLTO, Waterschap, Agricycling, FarmPlus.

Periode: 2025/2028.



Overige lopende maatregelen



Uitvoeringsprogramma Landelijk Gebied

In het UPLG zijn lopende maatregelen beschreven die bijdragen aan de opgaven van dit Programma.

oG1 Ontwikkelen kennis

Deze maatregelen ziet op het ondersteunen van toegepast onderzoek naar bodem, water en biodiversiteitsvraagstukken.

Financiering: Provinciaal budget Food-Landbouw, Europese en Rijkssubsidies.

Monitoring: aantal onderzoek. Gestreefd wordt naar twee initiatieven per jaar in de periode 2025-2030 (B).

Gevolgen overheden: n.v.t.

Partijen: Provincie Zeeland, Proefboerderij de Rusthoeve, Delby, Delta Climate Center, Impuls Zeeland, FoodDelta Zeeland.

Periode: 2025 t/m 2030.

oG2 Verspreiden kennis

Deze maatregel ziet op het vergroten van kennis door inzet op trainingen, workshops, coaching, voorlichtingsacties en demonstratieprojecten.

Financiering: provinciaal budget Food-Landbouw en Rijk.

Monitoring: het aantal initiatieven en deelnemende agrariërs per jaar. Gestreefd wordt naar minimaal 2 initiatieven per jaar, kennis- of gedragsverandering bij deelnemers en het bereiken van minimaal 500 agrariërs in de periode 2025-2030.

Gevolgen voor andere overheden: n.v.t.

Partijen: Provincie Zeeland i.s.m. betrokken partijen.

Periode: 2025 t/m 2030.

oG3 BodemUP

Goed bodembeheer is één van de uitdagingen waar de landbouw voor staat. Door bedrijven te coachen op bodemverbetering kunnen stappen worden gezet naar een beter bodemkwaliteit.

Financiering: Deltaplan Agrarisch Waterbeheer.

Monitoring: aantal deelnemende bedrijven. Gestreefd wordt naar 150 deelnemende akkerbouwers in 2028 en hebben 100 agrariërs kennis gemaakt met regeneratieve principes.

Gevolgen overheden: n.v.t.

Partijen: ZLTO, Provincie Zeeland.

Periode: 2025 t/m 2028.

oG4 Natuurinclusieve landbouw (NIL); areaal en kennis vergroten

Deze maatregel ziet op het stimuleren van kennis bij agrariers en bijdragen aan de bewustwording om daarmee het areaal natuurinclusieve landbouw te vergroten.

Financiering: Provinciaal budget Food-Landbouw.

Monitoring: aantal initiatieven per jaar. Gestreefd wordt naar 2 initiatieven in de periode 2025-2030.

Gevolgen overheden: n.v.t.

Partijen: Provincie Zeeland.

Periode: 2025 t/m 2030.

oG5 Functionele agrobiodiversiteit; stimuleren van natuurlijke plaagbestrijding, bodemverbetering en bestuiving

Stimuleren van specifieke teelten zoals kruidenrijk grasland, strokenteelt, vlas en hennep, akkerranden enz) die bijdragen aan de agrobiodiversiteit.

Financiering: nog niet bekend.

Monitoring: aantal hectares agrobiodiversiteit en specifieke teelten. Gestreefd wordt naar een minimale groei van 3% functionele agrobiodiversiteit in 2030 en jaarlijks 500 ha specifieke teelten.

Gevolgen overheden: n.v.t.

Partijen: Provincie Zeeland, Rijk, Urgenda, ZLTO.

Periode: 2025 t/m 2030.

oG6 Functionele agrobiodiversiteit; ondersteunen innovatieve technieken en onderzoeken

Deze maatregel ziet op het ondersteunen van innovatieve technieken en onderzoeken die bijdragen aan de functionele agrobiodiversiteit.

Financiering: via het GLB-NSP.

Monitoring: het aantal initiatieven per jaar. Gestreefd wordt naar minimaal twee initiatieven in de periode 2025-2030 (B).

Gevolgen overheden: n.v.t.

Partijen: Provincie Zeeland, Rijk, Poldernatuur Zeeland, Stichting Landschapsbeheer Zeeland, ZLTO, Proefboerderij de Rusthoeve.

Periode: 2025 t/m 2030.

oG7 Natuurelementen op Landbouwgrond (Programma Natuur)

Deze maatregel ziet op het plaatsen van natuurelementen op landbouwgrond die bijdragen aan de biodiversiteit en plaagdierbestrijding.

Financiering: Financiering komt uit het Programma Natuur via het ANB.

Monitoring: aantal ha waarop de maatregelen worden getroffen. Het streven is dat tussen 2025 en 2030 op ca. 50 hectare landbouwgrond natuurelementen worden toegevoegd.

Gevolgen overheden: n.v.t.

Partijen: Provincie Zeeland, uitvoering Poldernatuur Zeeland.

Periode: 2025 t/m 2030.

oG8 Agroforestry; stimuleren ontwikkeling

Het doel is om agroforestry te stimuleren.

Financiering: Provinciaal budget Food-Landbouw, subsidieregeling Zeeuwse Bosvisie.

Monitoring: de toename van het areaal agroforestry.

Gevolgen overheden: n.v.t.

Partijen: Provincie Zeeland, WUR, ondernemers, ZLTO, ZPG, Agroforestry Netwerk Zeeland.

Periode: 2025 t/m 2030.

Paragraaf 5.3.2 Nieuwe maatregelen

Nieuwe maatregelen voor voedsel. kennis en innovatie. bodem, biodiversiteit in het landelijk gebied, doelsturing en KPI's, agrarische ketens en biologische landbouw.



G1 Kringlooplandbouw

Middels kringlooplandbouw houden we agrarische biomassa en de daarin opgeslagen voedingsstoffen in het voedselsysteem. Deze maatregel omvat het stimuleren, faciliteren en coördineren van onderzoek, kennisopbouw en –verspreiding en financiering van de verbeterde kringloop in Zeeland.

Financiering: €6,8 miljoen voor vier jaar. Dekking is nog niet bekend.

Monitoring: aantal bedrijven dat meedoet.

Gevolgen overheden: geen.

Partijen: Provincie Zeeland, agrariërs, ZLTO, FarmPlus, Rusthoeve, Delphy, ReGeNL.

Periode: 2025 t/m 2030.

G2 Innovatie in de akkerbouw

Deze maatregel ziet op het stimuleren van innovatieve technieken in de landbouw zoals precisielandbouw, waarbij met behulp van GPS en sensoren gewassen doelgerichter kunnen worden geteeld. Daarnaast kunnen met behulp van vloeibare bemesting meststoffen efficiënter worden toegediend. En er komen ook steeds nieuwe innovatieve mestaanwendingstechnieken die wij met deze maatregel willen stimuleren en de kennis willen delen.

Financiering: €1 miljoen, dekking is nog onbekend.

Monitoring: aantal projecten dat wordt ondersteund.

Gevolgen overheden: geen.

G3 Spuitvrije zones

De maatregel ziet op het instellen van spuitvrije zones rond Natura 2000-gebieden en andere ecologisch waardevolle natuurgebieden, oppervlaktewateren en watervoerende sloten met een KRW-doelstelling of drinkwaterfunctie. Maar ook langs woonkernen, scholen en zorginstelling.

Financiering: bijna €2 miljoen. Dekking is nog onbekend.

Monitoring: aantal hectares.

Gevolgen overheden: Dit heeft mogelijk gevolgen voor een gemeentelijke Omgevingsvisie en/of Omgevingsplan.

G4 Minder emissie mest

Uit AERIUS monitor blijkt dat bemesting een belangrijke lokale bron is die zorg voor een stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. De emissie kan worden bemerkt door maatregelen die betrekking hebben op het verbeteren van de aanwending, de kwaliteit van de mest, toevoegingen aan de mest, aanpassingen in stalsystemen, aanpassingen in teelten of een extensievere bedrijfsvoering.

Financiering: Kosten zijn afhankelijk van de invulling van deze maatregel.

Monitoring: vermindering stikstofemissie en -depositie via AERIUS, aantal hectares waar emissiearme technieken worden aangewend.

Gevolgen overheden: Dit heeft mogelijk gevolgen voor een gemeentelijke Omgevingsvisie en/of Omgevingsplan.

G5 Zero- emissie landbouw

Aanpassingen in de bedrijfsvoering kunnen leiden tot minder stikstofemissie in de vorm van NOx. Het gaat dan bijvoorbeeld om het elektrificeren van machines, biovergisters of agroforestry.

Financiering: Kosten zijn afhankelijk van de invulling van deze maatregel.

Monitoring: vermindering stikstofemissie en -depositie via AERIUS. Aantal bedrijven waar emissiearme technieken worden gebruikt.

Gevolgen overheden: n.v.t.

G6 Voedselvisie- en strategie

In samenwerking met Zeeuwse partijen en in lijn met landelijke ontwikkelingen van het Ministerie van LVVN/Rijk en IPO ontwikkelen we onze eigen Zeeuwse voedselvisie en bijbehorende strategie, met uitgangspunten voor thema's als voedselverspilling, korte ketens/ voedsel van dichtbij, gezond en veilig voedsel (thema’s vanuit de RIS3) en Zeeland als proeftuin voor innovaties en gezond en veilig voedsel.

Financiering: onbekend. Dekken mogelijk vanuit het Provinciaal budget Food Landbouw. Additionele middelen vanuit subsidie openstellingen op provinciaal of landelijk niveau (ZIS, NSP etc.) voor uitvoering van projecten die uit de visie of strategie zullen komen.

Monitoring: visie, strategie en infographic met Zeeuwse ambitie (B).

Gevolgen voor overheden: geen.

Partijen: Provincie Zeeland i.s.m. betrokken partijen.

Periode: 2025.

G7 Kennis

Er wordt ingezet op het ontwikkelen en stimuleren van praktische kennis binnen zowel het onderwijs als de agrarische sector. De provincie vervult hierin een verbindende rol door onderwijs, onderzoek en praktijk met elkaar te verbinden.

Financiering: onbekend.

Monitoring: n.v.t.

Gevolgen voor overheden: geen.

Partijen: Provincie Zeeland, Proefboerderij de Rusthoeve, Scalda, gemeente Noord-Beveland, Delta Climate Center, onderwijsinstellingen in de groene sector, Hogeschool Zeeland, FoodDelta Zeeland, ZLTO/ZAJK.

Periode: 2025 t/m 2030.

G8 Ketens

Korte ketens wordt vaak als onderdeel gezien van multifunctionele landbouw. Hieronder worden diverse nevenactiviteiten van agrariërs naast de reguliere bedrijfsvoering verstaan. De Europese definitie van een korte keten luidt als volgt; 'geen of maximaal één ketenpartij tussen de landbouwpartij en de consument aanwezig'. Het verkorten van de keten binnen de ketenaanpak is niet altijd het primaire doel. De ketenaanpak is er voornamelijk op gestoeld om in het kader van een volhoudbare landbouw het verdienmodel van de gehele agrarische en voedselproducerende keten te verbeteren (met uiteindelijk ook een verdienmodel voor de primaire producent en transparante voedselketen). Dit kan ook betekenen dat een keten met een extra tussenschakel wordt verlengd in plaats van verkort.



Financiering: onbekend.

Monitoring: aantal bedrijven dat deelneemt.

Gevolgen voor overheden: geen.

Partijen: Provincie Zeeland, WUR, regionale (agro)food producenten, FoodDelta Zeeland, Stichting Zeker Zeeuws Streekproduct, Coöperatie Zeker Zeeuws, ZLTO , K&I-netwerk, Protein Delta Zeeland, eiwitketen (van teler tot consument), ZAJK, Farmplus, K&I netwerk Circulair Bouwen Zeeland, Building Balance, Delphy, Proefboerderij Rusthoeve, ketenpartijen.

Periode: 2025 t/m 2030.

G9 Biologische landbouw

In samenwerking met de ZLTO, de Vereniging van Biologische boeren Zuidwest Nederland en Bionextgaan we de aankomende jaren (mede via de koplopermaatregel biologische landbouw) werken aan het verbeteren van de omstandigheden voor biologisch boeren in Zeeland. Hiertoe wordt een projectleider/ketenregisseur biologische landbouw aangesteld.

Financiering: onbekend.

Monitoring: het aantal bedrijven dat overstapt naar een biologische bedrijfsvoering en het aantal hectares dat biologische landbouwgrond.

Gevolgen voor overheden: geen.

Partijen: Provincie Zeeland, ZLTO.

Periode: 2025 t/m 2028 (en verder tot 2030).

G10 Herwaardering grond

Door beperkende maatregelen op bemesting en gewasbeschermingsmiddelen op te leggen in combinatie met groenblauwe dooradering wordt grond minder waard. Deze maatregel ziet op de vergoeding van de waardevermindering, door middel van een subsidieregeling.

Financiering: kosten voor herwaardering zijn bekend. Totale kosten zijn afhankelijk van de inzet van het instrument.

Monitoring: de oppervlakte waarvoor een vergoeding van de waardevermindering is uitgekeerd.

Gevolgen overheden: geen.

Afdeling 5.4 Meten is weten

Paragraaf 5.4.1 Lopende maatregelen

kW1 Pilot slim real-time meetnetwerk

Met het aanleggen van een real-time meetnetwerk wordt de verzilting en de stikstofbelasting in het oppervlaktewater gemeten. Met €350.000,- worden de eerste metingen gedaan, o.a. bij de zoet/zout stuwen (kW 5.1).

Financiering: toegekende middelen voor koplopermaatregelen.

Monitoring: n.v.t.

Gevolgen overheden: geen.

Paragraaf 5.4.2 Nieuwe maatregelen

M1 Stikstof en KRW metingen

Om het effect van maatregelen te bepalen is het meten van emissies en/of deposities belangrijk. Daarnaast geven metingen ook inzicht in het doelbereik. Er wordt op al een aantal punten in Zeeland stikstof gemeten, maar een optimalisatie is gewenst. Hiervoor wordt een plan van aanpak opgesteld. Deze maatregel is aanvullend op het Slim real-time meetnetwerk.

Financiering: Schatting is €100.000,-.

Monitoring: n.v.t.

Gevolgen overheden: geen.

M2 Slim real-time meetnetwerk: vervolg

Met deze maatregel wordt het meetnetwerk dat nu in het Grenspark Groot Seaftinghe wordt gerealiseerd opgeschaald naar heel Zeeland.

Financiering: €4 miljoen. Dekking is nog onbekend.

Monitoring: n.v.t.

Gevolgen overheden: geen.

M3 Uitbreiding natuurmonitoring en effectiviteit maatregelen

Voor de natuurmonitoring wordt gebruik gemaakt van meetnetten. Er is behoefte aan een uitbreiding van de natuurmonitoring, en daarmee de meetnetten, om:

  • Het Programma Landelijk Gebied te monitoren;

  • De koplopermaatregelen te kunnen monitoren;

  • Om invulling te geven aan diverse wensen op het gebied van monitoring is uitbreiding.

Financiering: zo'n €1 miljoen vanuit eigen middelen, uitbreiding Agrarisch Natuur en landschapsbeheer, en vanuit het Rijk (Ministerie van LVVN) via het Verbeterprogramma VHR monitoring.

Monitoring: n.v.t.

Gevolgen overheden: geen.

Hoofdstuk 6 Financiering en uitvoering

Voor het behalen van de doelen is het noodzakelijk dat maatregelen worden uitgevoerd. Daar is financiering voor nodig. In dit hoofdstuk geven we inzicht in de benodigde financiering en een eerste richting voor de uitvoering.

Afdeling 6.1 Financiering

Voor het behalen van de doelen is een uitgebreid pakket aan maatregelen nodig. Er is voor de meest maatregelen een raming gemaakt van de kosten per maatregel. De kostenraming is vaak een schatting, gebaseerd op aannames en wordt nog beïnvloed door veel factoren. Bij nadere uitwerking van de maatregelen is er meer duidelijkheid over de feitelijke kosten.

In onderstaand overzicht is per maatregel de geschatte kosten weergegeven.

Paragraaf 6.1.1 Groen herstelt

Kosten voor natuurherstel en stikstof.



N1 Bos buiten Natuurnetwerk Zeeland: € 30 miljoen, deels vanuit Provinciale middelen (€ 2 miljoen).

N2 Ecopassage: € 2 miljoen.

N3 Maatregelen Programma Natuur: € 20 miljoen.

N4 Opzetten pilot voor basiskwaliteit natuur: de eerste gebiedsanalyse wordt gefinancierd vanuit de ministeries LVVN en RVO. Financiering voor het vervolg is nog niet bekend.

N5 Groenblauwe dooradering: onbekend. Deels vanuit middelen voor ANB.

N6 Bijdrage cultuur/Erfgoed aan Stikstofopgave: € 25.000. Dekking vanuit Provinciaal budget (stikstof en cultuur).

N7 Onderzoek ADC toets voor dijkverzwaringstraject Zuid-Beveland: vanuit het Hoogwaterbeschermingsprogramma.

N8 Inzet elektrisch materieel Natura 2000-gebieden: onbekend.

N9 Windsingels: Schatting is € 300.000, dekking is nog niet bekend.

N10 Herwaardering grond: kosten voor herwaardering zijn bekend. Totale kosten zijn afhankelijk van de inzet van het instrument.

N11 Verduurzaming industrie: nv.t.

N12 Recreatie stikstof: onbekend, afhankelijk van de gekozen inzet.

N13 Zero-emissie mobiliteit: niet bekend.

N14 Regeling aanpassen motoren mossel- en oesterkotters: € 8 miljoen deels vanuit het Rijk, deels vanuit de Provincie. Dekking is geregeld.

N15 Stimuleren walstroom binnenvaart in gemeentelijke havens: nog niet bekend, dekking vanuit Provinciale middelen.

N16 Buitenland: Samenwerking Straits Comité: Inzet Provincie Zeeland vanuit Provinciale middelen.

N17 Buitenland: Samenwerking Vlaanderen: Inzet Provincie Zeeland vanuit Provinciale middelen. Projecten nog onbekend.

N18 Pilot Scheepvaart: Inzet Provincie Zeeland vanuit Provinciale middelen.

Paragraaf 6.1.2 Elke druppel telt dubbel

Kosten voor de Kaderrichtlijn Water en zoetwaterbeschikbaarheid.



W1 Moerasgebieden Zeeuws breed: Eenmalige € 7 miljoen. Jaarlijks € 0,5 miljoen. Bijdrage van deelnemende partijen.

W2 Project Reimerswaal: Raming is € 40 miljoen, dekking is nog onbekend.

W3 Aanvullende maatregelen Kaderrichtlijn water (KRW): onbekend.

W4 Regelbare drainage: onbekend, afhankelijk van het vervolg lopende subsidieregeling.

W5 Slimmer omgaan met zoet water: onbekend.

W6 Opwaarderen suboptimale stroom (Riool Water Zuiverings Installatie - RWZI): Tussen de € 2,5 en € 75 miljoen, afhankelijk van het aantal RWZI’s. De dekking is nog niet bekend.

W7 Opwaarderen suboptimale stroom (Industrie): onbekend.

Paragraaf 6.1.3 Van grond tot gewas

Kosten voor voedsel, kennis en innovatie, bodem, biodiversiteit in het landelijk gebied, doelsturing en KPI's, agrarische ketens en biologische landbouw.



G1 Kringlooplandbouw: €6,8 miljoen voor vier jaar. Dekking is nog niet bekend.

G2 Innovatie in de akkerbouw: €1 miljoen, dekking is nog onbekend.

G3 Spuitvrije zones: €1,8 miljoen. Dekking is nog onbekend.

G4 Minder emissie mest: Kosten zijn afhankelijk van de invulling van deze maatregel.

G5 Zero- emissie landbouw: Kosten zijn afhankelijk van de invulling van deze maatregel.

G6 Voedselvisie- en strategie: onbekend.

G7 Kennis: onbekend.

G8 Ketens: onbekend.

G9 Biologische landbouw: onbekend.

Paragraaf 6.1.4 Meten is weten

M1 Stikstof en KRW metingen: Schatting is €100.000,-.

M2 Slim real-time meetnetwerk: €4,5 miljoen. Dekking is nog onbekend.

M3 Uitbreiding natuurmonitoring en effectiviteit maatregelen: €1,4 miljoen vanuit eigen middelen, uitbreiding Agrarisch Natuur en landschapsbeheer, en vanuit het Rijk (Ministerie van LVVN) via het Verbeterprogramma VHR monitoring.

Met het wegvallen van het Transitiefonds is er geen financiering meer vanuit het Rijk. Voor middelen moeten we dus op zoek naar financiering. Daarbij wordt nadrukkelijk ook gekeken naar Europese subsidies en Rijksmiddel (niet alleen van LVVN, maar ook van bijvoorbeeld KGG en EZ). Daarnaast kan ook zoveel mogelijk worden aangehaakt bij grote projecten als de Midden-Zeeland route en het compensatiepakket kernenergie. Ook in overleg met andere overheden kan gezocht worden naar gezamenlijke financiering als de maatregel bijdraagt aan gezamenlijke doelen.

Van de middelen die nu vanuit het Rijk beschikbaar worden gesteld voor bijvoorbeeld Agrarisch natuurbeheer en stikstof landt een klein deel in Zeeland.

Met de bestaande subsidieregeling zoals GLB wordt ook bijgedragen aan het behalen van de doelen.

Financiering



Uitvoeringsprogramma Landelijk Gebied

We streven naar een evenredige verdeling van de middelen (Provincie, Rijk, e.a.) over de diverse beleidsthema’s. Naar gelang het aanbod aan innovatieve projecten zal meer of minder ingezet worden. Bovendien zullen veel innovatieve projecten ook landen in diverse thematische subsidieregelingen. Bronnen van financiële middelen zijn o.a. het Provinciaal budget Food-Landbouw, Nationaal Strategisch Plan (GLB-NSP), OP-Zuid, Zeeland in Stroomversnelling (ZIS), Gebiedenaanpak, Koplopermaatregelen Gebiedsprogramma (NPLG) en het Bodemconvenant.

Afdeling 6.2 Uitvoering

Bij de uitvoering van de maatregelen zijn veel partners betrokken. De Zeeuwse gebiedenaanpak (ZIGA) staat daarbij centraal. De geïntegreerde gebiedsaanpak heeft als doel meerwaarde te creëren met een gezamenlijke aanpak van verschillende ruimtelijke opgaven. Voor de daadwerkelijke uitvoering wordt binnen de gebiedenaanpak gestart met planuitwerking en uitvoering. Voor de delen van Zeeland dit nu nog buiten de huidige gebiedenaanpak vallen, wordt gezocht naar een passende overlegstructuur die ook bijdraagt aan de uitvoering in die delen van Zeeland. Overigens zijn een deel van de maatregelen onderzoeksmaatregelen of pilots. Deze worden 'in huis' opgepakt, al dan niet met externe partners.

Bijlage I Begrippen

Omgevingsvisie Provincie Zeeland

Omgevingsvisie Provincie Zeeland zoals gepubliceerd op het Digitaal Stelsel Omgevingswet

AERIUS calculator

Rekenprogramma voor het berekening van de stikstofdepositie.

AERIUS monitor

Monitoringstool voor de herkomst en de ontwikkeling van de stikstofdepositie

BBT

Best Beschikbare Techniek

Bkl

Besluit kwaliteit leefomgeving

ETS-bedrijven

ETS-bedrijven = Emission Trade System bedrijven

GBDA

Groenblauwe dooradering

Hexagon

Zeshoek. Natura2000-gebieden zijn in AERIUS verdeeld in hexagonen met een oppervlakte van 1 ha. Per hexagon is vastgelegd welke habitattypen aanwezig zijn.

KasZ

Klimaatadaptatiestrategie Zeeland 2021-2026, vastgesteld 8 oktober 2021

KDW

Kritische depositie waarde

Klimaatadaptatie

Aanpassing aan klimaatverandering is het proces waardoor samenlevingen de kwetsbaarheid voor klimaatverandering verminderen of waardoor zij profiteren van de kansen die een veranderend klimaat biedt.

Klimaatmitigatie

bestaat uit maatregelen bedoeld om de omvang of snelheid van de klimaatverandering te beperken

Koplopermaatregelen

Maatregelen uit het concept Zeeuws gebiedsprogramma waarvoor financiering is ontvangen. Uit te voeren in 2024-2025-2026-2028

KPI

Kritische Prestatie Indicatoren

KRW

KaderRichtlijn water

Landelijk Gebied (LG)

Landelijk gebied: contramal van het stedelijk gebied volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving

Maatregelpakket

Een of meer maatregelen die een samenhangend geheel vormen

BZK

Ministerie van Binnenlandse Zaken

EZK

Ministerie van Economische Zaken

IenW

Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

LVVN

Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

NDA

NatuurDoelAnalyse

NNN

Natuurnetwerk Nederland

NNZ

Natuurnetwerk Zeeland

NORU

Nota Ruimte

NOVEX

Nationale Omgevingsvisie Extra

NSP

North Sea Port

NV gebied

Nutriënt Verontreinigde gebieden

Omgevingswaarde

Een resultaatsverplichting voor de oppervlakte van de stikstofgevoelige natuur met een stikstofbelasting lager dan de kritische depositiewaarde (bron: Aerius).

OW

Omgevingswet

OZO

Overleg Zeeuwse Overheden

PAGW

Programmatische Aanpak Grote Wateren

Prioritair gebied

Gebied dat door het Rijk extra aandacht krijgt omdat de natuur daar nadelige effecten ondervindt door te hoge stikstofconcentratie.

PN

Programma Natuur

RES

Regionale Energiestrategie Zeeland

RA

Ruimtelijke Arrangement: keuzes en afspraken met het Rijk over ruimtevragers en de ruimtelijke verdeling. Programma NOVEX

RV

Ruimtelijke voorstel: Overzicht van alle opgaven met een ruimtelijk effect (met knelpunten en mogelijke oplossingen). Programma NOVEX

SLA

Schone Lucht Akkoord 2021-2023

SPUK

Speciale Uitkering

SSRS

Stikstof Registratie Systeem

Stikstofemissie

De uitstoot van stikstof

Stikstofdepositie

De neerslag van stikstof

Tbo

Terrein beherende organisaties zoals Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer en Het Zeeuwse Landschap

VHR

Vogel- en Habitatrichtlijn

Voortouwnemer

Provincie die verantwoordelijk is voor het opstellen van het beheerplan, de monitoring en rapportage over de uitvoering van de herstelmaatregelen en voor het opstellen van een NDA voor het betreffende Natura 2000-gebied. Voor de Rijkswateren is Rijkwaterstaat voortouwnemer.

WEcR

Wageningen Economic Research

Wnb

Wet natuurbescherming (nu Omgevingswet).

Wsn

Wet Stikstofreductie en Natuurherstel

ZIGA

Zeeuwse Integrale gebiedenaanpak: Gebiedsproces in vijf gebieden: Noordwest Walcheren, Schouwen-West, Veerse Meer, Grenspark Groot Saeftinghe, North Sea Port District.

Zoetwatervoorkomens

Gebieden waar zoet water (tot 1500 mg Cl/liter) met een minimale dikte van 15m op een ondoorlatende onderlaag ligt of op zout grondwater drijft.

ZWD

Zuidwestelijke Delta

Bijlage II Overzicht informatieobjecten

Provinciegrens Zeeland

/join/id/regdata/pv29/2025/provinciegrens_zeelandv1/nld@2025‑09‑30;1

Gemeente Noord-Beveland en gemeente Goes (Deltaweg)

/join/id/regdata/pv29/2025/Deltawegv1/nld@2025‑09‑30;1

Grenspark Groot Saefthinge

/join/id/regdata/pv29/2025/grenspark_groot_saefthingev1/nld@2025‑09‑30;1

Natura 2000

/join/id/regdata/pv29/2025/natura2000_zeelandv1/nld@2025‑09‑30;1

Reimerswaal

/join/id/regdata/pv29/2025/reimerswaalv1/nld@2025‑09‑30;1

Rioleringsgebied RWZI

/join/id/regdata/pv29/2025/Rioleringsgebied_RWZIv1/nld@2025‑09‑30;1

Schouwen-Duiveland

/join/id/regdata/pv29/2025/schouwen_duivelandv1/nld@2025‑09‑30;1

Vrijwillige verkoop veehouderijen

/join/id/regdata/pv29/2025/vrijwillige_verkoop_6_veehouderijenv1/nld@2025‑09‑30;1

Zeeuws landelijk gebied

/join/id/regdata/pv29/2025/Zeeland_buiten_de_bebouwde_kom/nld@2025‑10‑15

Bijlage I Besluit PDF Documenten

Bijlagebijbesluit

/join/id/pubdata/pv29/2025/Bijlagebijbesluit/nld@2025‑10‑31;1

Besluit Toelichting

Voorafgaand aan de beleidsuitwerking van dit Programma is een een uitgebreide analyse gedaan. In het programma is per thema kort een toelichting gegeven op het beleid en een eventuele aanpak. Vervolgens zijn de opgaven per thema beschreven. Een uitgebreide toelichting op de analyse kunt u vinden in Bijlage A van het besluit.

Besluit Motivering

Participatie

Per 1 januari 2025 is de ‘Wet versterking participatie op decentraal niveau’ in werking. Vanaf dat moment geldt er een overgangstermijn van twee jaar voor de overheden om een participatieverordening vast te stellen. De Provinciale nota Participatiebeleid 2025 is een eerste stap richting de participatieverordening. Deze nota geeft de kaders en leidende principes van participatie weer, zodat duidelijk is wie wanneer kan meepraten en op welke manier. Dit zorgt voor transparantie en gelijke kansen, en helpt verwachtingen tussen Provincie en samenleving helder te maken.

Door in de participatieverordening vast te leggen hoe en wanneer die kennis kan worden ingebracht, wordt niet alleen de kwaliteit van het beleid vergroot, maar ook het vertrouwen in het proces versterkt. Participatie voorkomt daarnaast verrassingen later in het proces, doordat zorgen, wensen en ideeën vroegtijdig kunnen worden ingebracht.



In bijlage A van het besluit kunt u meer lezen over wat gedaan is aan participatie en communicatie.

Naar boven