U bekijkt een publicatie met

Toon versie van document

Ontwerpbesluit van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland van {dag} {maand} {jaar}, PZH-[kenmerk] tot wijziging van het Omgevingsprogramma Zuid-Holland Herziening Omgevingsbeleid 2025 (Ontwerpbesluit Wijziging Omgevingsprogramma Zuid-Holland Herziening 2025)

Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland,

Gelet op artikel 3.4 van de Omgevingswet;

Besluiten:

Artikel I

Het Omgevingsprogramma Zuid-Holland wordt gewijzigd zoals is aangegeven in Bijlage A behorende bij dit besluit.

Artikel II

[Gereserveerd voor inwerkingtredingsbepaling van het definitieve besluit: Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na uitgifte van het Provinciaal blad waarin dit besluit is bekendgemaakt.]

Artikel III

Dit besluit wordt aangehaald als: Ontwerpbesluit Wijziging Omgevingsprogramma Zuid-Holland Herziening 2025

Den Haag, {dag} {maand} {jaar}

Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland,

Secretaris

drs. M.J.A. van Bijnen MBA

Voorzitter

mr. A.W. Kolff

Bijlage A bij Artikel I

A

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Beleidsdoel 1-11.1 Krachtig openbaar bestuur

B

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

1-1 1.1 Krachtig openbaar bestuur

C

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Maatregelen van 1-11.1 Krachtig openbaar bestuur

D

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

1.1.2.1 Digitaal bestuur

Wat gaat de provincie doen?

De provincie werkt aan een betrouwbare, open en toegankelijke digitale provincie die de impact van technologie, data en algoritmes op de samenleving begrijpt en benut. De inzet van technologie en data heeft maatschappelijk gezien alleen waarde als de data en digitale toepassingen juist en verantwoord worden ingezet.  

De provincie wil door de toenemende afhankelijkheid van de digitale infrastructuur en de daarmee gepaard gaande risico’s haar digitale autonomie versterken en gemeenten ondersteunen. Digitale autonomie stelt de provincie in staat om haar kritieke overheidsprocessen te waarborgen, fundamentele rechten en publieke waarden te beschermen, en afhankelijkheden van externe partijen te minimaliseren.

Rol

Presterend

Uitwerking

De provincie maakt steeds meer gebruik maken van digitale technologieën en data voor organisatieprocessen, beleidsprocessen, besluitvorming en diensten in contact met burgers, ondernemers en maatschappelijke organisaties. Het biedt veel kansen voor het helpen oplossen van maatschappelijke opgaven, maar het brengt ook risico’s met zich mee als de provincie digitalisering onprofessioneel of onethisch toepast. Daarom is het belangrijk dat de provincie nieuwe digitale ontwikkelingen signaleert, agendeert, monitort en duidt. De provincie werkt daarbij actief samen met externe partners en kennisinstellingen, om bijvoorbeeld kennis te vergroten of invloed uit te oefenen op wetgeving, initiatieven en financiering. De koers en waarden die de provincie aangeeft worden vertaald naar en verankerd in de organisatie, mensen en systemen. Dat gebeurt op verschillende manieren, zoals het stellen van kaders, toetsing en toezicht.

E

Na sectie '1.1.2.3 Weerbaar bestuur en organisatie' worden drie secties ingevoegd, luidende:

1.1.2.4 Organiseren van participatie

Wat gaat de provincie doen?

Belanghebbenden moeten actief betrokken worden bij de beslissingen die hen aangaan, daarom organiseert de provincie zelf participatie. Niet alleen wanneer dat door de Omgevingswet wordt verplicht zoals bij beleidsinstrumenten als een Omgevingsvisie of een Projectbesluit, maar overal waar de provincie beslissingen maakt die belanghebbenden raken en zo vroeg mogelijk in de beleidscyclus. 

Bij elk participatietraject georganiseerd door de provincie wordt rekening gehouden met 4 participatieprincipes en de regels uit onze Participatieverordening. Ook zet de provincie in op het gebruik en de ontwikkeling van digitale participatiemiddelen waar dat relevant is. 

Rol

Presterend

Uitwerking

Participatieprincipes 

De provincie heeft vier participatieprincipes vastgesteld waaraan zij zich altijd houdt bij de organisatie van participatietrajecten. Deze principes zijn tot stand gekomen met behulp van de opbrengsten uit participatiebijeenkomsten met onder andere inwoners, maatschappelijke organisaties en medeoverheden. De principes zijn als volgt: 

Aanpak bepalen op basis van het vraagstuk 

De provincie bepaalt vanuit de inhoud van het vraagstuk wat de doelen zijn van een participatietraject en welke aanpak daar het beste bij past. De gekozen methode moet dus echt aansluiten bij het vraagstuk. Bovendien wordt alleen een participatietraject gestart als het vraagstuk zich leent voor participatie. In dat geval is er voldoende juridische ruimte, is er beïnvloedingsruimte voor participanten, is er voldoende tijd, capaciteit en geld beschikbaar en is er bestuurlijke dekking. Wanneer participatie georganiseerd wordt is het verplicht om een participatieplan op te stellen.  

In een aantal gevallen organiseert de provincie geen participatie. Deze gevallen en andere voorwaarden staan beschreven in de Participatieverordening. 

Aandacht voor verschillende perspectieven 

Bij de inrichting van een participatietraject wordt altijd stilgestaan bij de diversiteit van perspectieven op een vraagstuk en zet de provincie zich in voor het meewegen van zoveel mogelijk verschillende standpunten. Dat betekent ook dat de provincie probeert waar dat relevant is groepen te betrekken die zichzelf niet kunnen vertegenwoordigen en onderzoekt of en hoe deze groepen het beste een stem kunnen krijgen. 

Daarnaast houdt de provincie rekening met inclusie. Dit houdt in dat er maatwerk geleverd kan worden om deelnemers te betrekken op een manier die past bij persoonlijke omstandigheden. Door aandacht te hebben voor het betrekken van een diverse groep deelnemers met verschillende perspectieven zorgt de provincie voor een rechtvaardiger proces en weloverwogen belangenafweging.  

Heldere communicatie en verwachtingsmanagement 

Een succesvol participatietraject kan niet zonder goede informatievoorziening voor- tijdens- en achteraf. Om een weloverwogen mening te geven over een vraagstuk is het belangrijk dat deelnemers over voldoende informatie en ondersteuning beschikken. Daarom deelt de provincie altijd informatie over het vraagstuk op een manier die aansluit bij de doelgroep. Hierbij zorgt de provincie altijd voor een duidelijk vindbaar aanspreekpunt. 

Naast inhoudelijke informatie deelt de provincie ook informatie over het proces, belangrijke gebeurtenissen en de opvolging van de participatieopbrengst. De provincie is hierin helder, eerlijk en transparant. Na een participatietraject volgt altijd een terugkoppeling. 

Samen leren 

De provincie zet in op een sterke en participatieve monitoring- en evaluatiestrategie. Door te leren van participatietrajecten kan de provincie haar samenwerkingen verbeteren en horen waar het beter kan. Evaluatie is geen éénmalige gebeurtenis, maar een doorlopend proces waar al vroeg over wordt nagedacht. De provincie evalueert regelmatig samen met belanghebbenden en speelt tijdig in op veranderende omstandigheden en behoeften. De uitkomsten van een evaluatie worden gedeeld in een participatieverslag achteraf, zoals beschreven in de Participatieverordening. Door de verkregen inzichten vergroot de provincie haar kennis en verbetert zij haar werkwijze. 

Participatie bij instrumenten omgevingswet 

Voor de vijf onderstaande instrumenten van de Omgevingswet die relevant zijn voor de provincie gelden verschillende regels over participatie. Per instrument zijn er verschillende verplichtingen als het gaat over participatie. Deze zijn als volgt: 

Instrument 

Regels 

Wie is verantwoordelijk voor het naleven van de participatieregels? 

Juridische basis 

Omgevingsvisie 

  • Motiverings-plicht¹ 

  • Participatie-principes 

  • Participatieplan 

  • Participatie-verslag 

GS 

Omgevingsbesluit (art. 10.7) 

Participatieverordening 

Programma 

  • Motiverings-plicht¹ 

  • Participatie-principes 

  • Participatieplan 

  • Participatie-verslag 

GS 

Omgevingsbesluit (art. 10.8). 

Participatieverordening 

Omgevingsverordening 

  • Motiverings-plicht¹ 

  • Participatie-principes 

  • Participatieplan 

  • Participatie-verslag 

GS 

Omgevingsbesluit (art. 10.3 a) 

Participatieverordening 

Projectbesluit 

  • Kennisgeving Participatie²/ 

    participatieplan 

  • Motiverings-plicht¹ 

  • Participatie-principes 

  • Participatie-verslag 

GS – Als een ander dan het bevoegd gezag initiatiefnemer is, kan het participatietraject wel een gezamenlijke actie zijn. GS en de initiatiefnemer bepalen samen de rolverdeling waarbij GS in principe uiteindelijk beslist. GS geeft in de kennisgeving participatie aan wat de rolverdeling is. 

Omgevingswet (art. 5.47, 5.48 en 5.51) 

Omgevingsbesluit (art. 5.3 en 5.5) 

Participatieverordening 

Omgevingsvergunning 

Zie 3.2 Kaderstelling Omgevingsvergunningen 

Initiatiefnemer geeft aan of en zo ja, hoe diegene aan participatie heeft gedaan en wat de resultaten zijn. 

Het bevoegd gezag, mogelijk de provincie, stimuleert participatie en betrekt deze informatie bij de integrale belangenafweging. 

Initiatiefnemer 

Omgevingswet (art. 16.55) 

Omgevingsregeling (art.7.4) 

Participatieverordening 

¹ GS geeft bij het besluit aan hoe inwoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen zijn betrokken bij de voorbereiding, wat de resultaten daarvan zijn en hoe invulling is gegeven aan de participatieprincipes. 

² GS is verplicht om uiterlijk bij de start van de verkenning voor het projectbesluit een ‘kennisgeving participatie’ te publiceren. Deze kennisgeving moet voldoen aan dezelfde eisen als het participatieplan. Bij de verkenning mag iedereen mogelijke oplossingen aandragen voor de beschreven opgave. Degene die dit doet, kan GS vragen om daarover advies te vragen aan een onafhankelijk deskundige. 

Digitale participatiemiddelen onderzoeken 

Omdat digitale middelen voor participatie nog in de kinderschoenen staan en zich volop ontwikkelen, voert de provincie onderzoek uit naar welke digitale tools geschikt zijn voor verschillenden doeleinden. Hierbij is ook aandacht voor privacy,de veiligheid van data en de uitlegbaarheid van de resultaten van digitale middelen. Daarnaast wordt onderzocht hoe het digitale stelsel omgevingswet (DSO) en de provinciale websites in de toekomst meer ruimte kan bieden aan participatie. 

Gezamenlijk inkopen, inzetten en ontwikkelen digitale participatiemiddelen 

De provincie zet in op het gezamenlijk optrekken met medeoverheden als het gaat om de inkoop, inzet en ontwikkeling van digitale participatiemiddelen. Hiermee worden de processen- en presentatie van verschillende overheden op elkaar afgestemd. Het gebruiksgemak van digitale middelen voor participanten verbetert wanneer zij bij verschillende overheden dezelfde participatieprocessen- en presentatie herkennen. Daarnaast zorgt die uniformiteit voor efficiënt werken, het gemakkelijk borgen van kennis en het gemakkelijker vergelijken van resultaten van digitale participatie. 

Omgaan met kunstmatige intelligentie  

Hoewel de provincie momenteel weinig ervaring heeft met digitale participatiemiddelen die gebruik maken van kunstmatige intelligentie (ook wel AI genoemd) zal dit in de toekomst waarschijnlijk vaker voorkomen. Digitale middelen gebruiken namelijk in toenemende mate complexe algoritmen, modellen en soms kunstmatige intelligentie waardoor de uitlegbaarheid van resultaten onder druk komt te staan. Wanneer dit soort digitale middelen worden gebruikt dienen er extra stappen genomen te worden op het gebied van verantwoording en registratie zoals voorgeschreven in de AI-wet van de EU. Hiermee zorgen we ervoor dat de uitkomsten van digitale participatieprocessen ten alle tijden uitlegbaar en navolgbaar blijven. 

1.1.2.5 Participatie bij Omgevingsvergunningen

Wat gaat de provincie doen?

Participatie is een belangrijke pijler van de Omgevingswet. Niet alleen bij beleidsinstrumenten zoals een Omgevingsvisie of een Omgevingsverordening waarbij de provincie zelf wordt geacht participatie te organiseren, maar óók voor initiatiefnemers die voor een activiteit in de leefomgeving een Omgevingsvergunning willen aanvragen. Met deze kaderstelling geeft de provincie invulling aan hoe zij omgaat met participatie bij omgevingsvergunningen. 

Rol

Responsief

Uitwerking

Bevorderen van participatie bij Omgevingsvergunningen 

Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning dienen initiatiefnemers aan te geven of en zo ja op welke manier zij de omgeving op voorhand hebben betrokken. De verantwoordelijkheid voor het inrichten van participatie bij de omgevingsvergunning ligt bij de initiatiefnemer.  

De provincie vindt het belangrijk dat er goede participatie wordt georganiseerd wanneer er sprake is van activiteiten die (mogelijk) grote invloed hebben op de leefomgeving. Bij de aanvraag van een Omgevingsvergunning - één van de instrumenten uit de Omgevingswet – geldt een inspanningsverplichting voor initiatiefnemers. Initiatiefnemers dienen aan te geven of en zo ja op welke manier zij de omgeving op voorhand hebben betrokken. De provincie verwacht van initiatiefnemers van een Omgevingsvergunning een gedegen participatietraject met hierbij een participatieplan en –verslag. 

Om dit te bevorderen zal de provincie samen met de vijf Zuid-Hollandse omgevingsdiensten hulpmiddelen bieden aan initiatiefnemers zodat zij participatie op een zorgvuldige manier kunnen organiseren. De provincie hanteert het eigen participatiebeleid als beoordelingskader voor de kwaliteit van participatietrajecten. Wanneer de provincie zelf initiatiefnemer is houdt de provincie zich aan de eigen voorwaarden voor participatie.  

Bevorderen van participatie bij BOPA’s 

Bij een BOPA (omgevingsplanactiviteit die buiten het Omgevingsplan valt) zijn gemeenten bevoegd gezag voor de verstrekking van een omgevingsvergunning. Wanneer zo’n activiteit echter specifiek provinciaal belang raakt1 heeft de provincie adviesbevoegdheid. Dat betekent dat de provincie in die gevallen gemeenten mag adviseren over de vergunningverlening.  

De provincie stimuleert gemeenten in die gevallen om participatie mee te nemen in de afweging voor de vergunningverlening. De provincie kan, indien gewenst, hulpmiddelen aanbieden aan gemeenten zodat participatie op een zorgvuldige manier kunnen organiseren. 

1.1.2.6 Meer ruimte maken voor ideeën vanuit de maatschappij

Wat gaat de provincie doen?

De provincie staat open voor deze ideeën en initiatieven uit de samenleving en wil daar meer ruimte voor maken. Dit doet de provincie door: 

  • Een ‘ja, mits’- houding. De provincie is altijd behulpzaam en kijkt samen met de initiatiefnemer naar wat er mogelijk is, óók wanneer er op het eerste gezicht misschien belemmeringen voor het initiatief zijn. 

  • Regelmatig thematische oproepen te doen om maatschappelijke initiatieven te bevorderen 

  • Onderzoek te doen naar de processen rond participatievragen van buitenaf en te kijken hoe die kunnen verbeteren. 

  • Duidelijke en vindbare informatievoorziening 

Rol

Responsief

Uitwerking

Vanuit de samenleving ontstaan er allerlei goede ideeën, of maatschappelijke initiatieven. Een maatschappelijk initiatief is een door burgers, maatschappelijke organisaties of informele samenwerkingsverbanden gedragen voorstel of activiteit, zonder winstoogmerk, dat een maatschappelijk doel dient en bijdraagt aan de leefomgeving, sociale samenhang of duurzaamheid binnen de provincie. Een maatschappelijk initiatief is een plan of idee van inwoners, maatschappelijke organisaties of groepen mensen, zonder winstoogmerk. Het initiatief heeft een maatschappelijk doel en draagt bij aan de leefomgeving, sociale verbondenheid of duurzaamheid in de provincie.   

Binnen het begrip ‘maatschappelijk initiatief’ onderscheidt de provincie twee bijzondere vormen met aparte voorwaarden, namelijk het Burgerinitiatief en het Uitdaagrecht.  

Burgerinitiatief: Onderwerp op de agenda van Provinciale Staten plaatsen 

De provincie vindt het belangrijk dat inwoners, maatschappelijke organisaties en/of bedrijven onderwerpen en ideeën laagdrempelig op de agenda van Provinciale Staten kunnen plaatsen wanneer deze van maatschappelijk belang zijn. Via het Burgerinitiatief kunnen deze ideeën worden ingediend. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden: 

  • Onderwerpen mogen gaan over een plan, project, regelgeving van de provincie of over een losstaand onderwerp dat aandacht verdient 

  • Onderwerpen mogen niet korter dan een jaar geleden zijn behandeld door Provinciale Staten, tenzij er aantoonbaar sprake is van nieuwe feiten en inzichten 

  • Er is aantoonbaar maatschappelijk draagvlak voor het initiatief in de vorm van 500 handtekeningen 

Uitdaagrecht: Uitvoerende provinciale taak overnemen 

Met het uitdaagrecht kunnen inwoners de overheid verzoeken om de uitvoering van een taak over te nemen, al dan niet met bijhorend budget, omdat zij deze taak beter of goedkoper kunnen uitvoeren. Bij gebruik van het uitdaagrecht laat de overheid zien dat zij de uitvoering van een overheidstaak aan een georganiseerde groep inwoners of maatschappelijke partij toevertrouwt. Dit gaat over uitvoerende taken van de provincie zoals het onderhoud van natuur, bruggen en bijvoorbeeld behoud van cultureel erfgoed. De provincie blijft dus de verantwoordelijke voor de opdracht.  

Voorwaarden  

  • De uitdaging gaat in op uitvoerende taken van de provincie  

  • De uitdaging kan door de indiener zelf, structureel uitgevoerd worden  

  • Veiligheid is gegarandeerd  

  • De indiener is georganiseerd in een rechtsvorm zoals een stichting  

  • De uitdaging biedt maatschappelijke meerwaarde 

Verdere specificering van de voorwaarden is te vinden in de Participatieverordening. 

Financiering  

Het uitdaagrecht vergt maatwerk. De provincie kijkt samen met de uitdager hoe (financiering van) de uitdaging het best kan worden vormgegeven. Een uitdaging kan worden bekostigd vanuit een subsidie, of met behulp van een opdracht. Afhankelijk van de hoogte van de kosten van het initiatief en de vormgeving van de samenwerking, is subsidierecht of aanbestedingsrecht vanzelfsprekend aan de orde. In alle gevallen worden initiatiefnemers meegenomen bij de vormgeving van de samenwerking.  

Aanbestedingsprocedure en Europese aanbesteding 

De provincie hecht veel waarde aan maatschappelijke initiatieven en neemt maatschappelijke meerwaarde altijd mee in de opdracht of de keuzes die gemaakt worden bij een aanbestedingsprocedure. Wanneer de kosten voor het maatschappelijk initiatief boven de Europese drempelbedragen voor aanbesteden liggen, moet er een Europese aanbestedingsprocedure worden gestart conform Europese wet- en regelgeving.  

F

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Beleidsdoel 1-21.2 Sterke Samenleving

G

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

1-2 1.2 Sterke Samenleving

H

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Maatregelen van 1-21.2 Sterke Samenleving

I

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Beleidsdoel 2-12.1 Duurzame en veilige bereikbaarheid voor iedereen

J

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

2-1 2.1 Duurzame en veilige bereikbaarheid voor iedereen

De provincie streeft naar een goede bereikbaarheid voor iedereen, zodat mensen veilig, duurzaam en vlot naar school, werk, vrienden, winkels en andere voorzieningen kunnen reizen of goederen kunnen vervoeren. Daartoe zorgt de provincie voor een goed functionerende en verkeersveilige provinciale infrastructuur, goed openbaar vervoer en stimuleert verkeersveiligveilig, gezond en duurzaam reisgedrag.

De dalende trend in het aantal dodelijke verkeersslachtoffers is tot stilstand gekomen en het aantal ernstig gewonden in het verkeer stijgt. Voor de provincie is ieder verkeersslachtoffer er één te veel. Om die reden omarmt de provincie de landelijke ambitie van nul verkeersslachtoffers in 2050. De eerste stap is om de stijging van het aantal doden en ernstig gewonden de komende jaren om te buigen in een daling: elk jaar minder verkeersslachtoffers. De provincie werkt daar hard aan samen met regionale partners.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen streeft de provincie naar nabijheid van wonen, werken, voorzieningen en goed openbaar vervoer. De provincie stimuleert actieve vormen van vervoer zoals lopen en fietsen. Door de opmars van de elektrische fiets wordt vaker en verder gefietst. Dit verbetert de leefomgeving, verlaagt de filedruk op de wegen en bevordert de gezondheid van inwoners. De provincie maakt gebruik van technologische ontwikkelingen om deze vormen van vervoer aantrekkelijker te maken en ook om de wegen beter te benutten. Veel dagelijkse verplaatsingen (zowel personenauto’s, vrachtwagens en bussen) maken immers gebruik van de wegen. Wegen zijn en blijven dus belangrijk voor een goede bereikbaarheid, in het bijzonder in landelijk gebied.

K

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Maatregelen van 2-12.1 Duurzame en veilige bereikbaarheid voor iedereen

L

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

2.1.1.1 Bereikbaarheid door nabijheid

Wat gaat de provincie doen?

De provincie wil de bereikbaarheid verbeteren door nabijheid van wonen, werken, voorzieningen en goed ov te verbeteren, zodat mensen niet lang hoeven te reizen omomdat de afstand naar hun bestemming te bereiken, voorkort is. Voor wie het kan en wil lopend of op de fiets, maar ook met ov en de auto. Om landelijk gebied aantrekkelijk te houden streven westreeft de provincie ook daar naar nabijheid van voorzieningen. Voor de bereikbaarheid blijft de auto een belangrijke rol spelen.

De provincie ziet graag dat woningen en werklocaties zoveel mogelijk nabij voorzieningen en goed openbaar vervoer liggen. Dit geldt voor nieuwbouw, maar ook voor bestaande steden en dorpen. Zo hoeven mensen niet lang te reizen om hun bestemming te bereiken, voor wie het kan en wil lopend of op de fiets, maar ook met ov en de auto.

 De provincie ziet graag dat  nieuwe Dat vraagt om hogere dichtheden van woningen zoveelen waar mogelijk nabij voorzieningen en goed openbaar vervoer  worden gebouwd. Dat vraagt om hogere dichtheden van woningenwerkgelegenheid nabij goed openbaar vervoer inclusief deelmobiliteit en een aantrekkelijke en veilige omgeving om te lopen en te fietsen. De provincie onderzoekt hoe dit verankerd kan worden in het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid bijvoorbeeld in de omgevingsverordening en stimuleert gemeenten om dit ook te doen.

De provincie controleert, door middel van een mobiliteitstoets, of gedurende alle ontwikkelfases van locatiekeuze, initiatieffase tot aan de planuitvoering rekening is gehouden met de gevolgen van woningbouwen aanvullende maatregelen vanwege gebiedsontwikkelingen op de bereikbaarheid op de weg, het spoor en het water, zodat de bewoners straks prettig wonen ènén hun bestemming goed mogelijk en met zo min mogelijk impact op de omgeving kunnen bereiken.

Rol

Samenwerkend

Uitwerking

De provincie beoordeelt per fase of de gevolgen voor de bereikbaarheid goed onderzocht zijn, zodat voortvloeiende maatregelen worden gefaseerd met, en gefinancierd door, de planontwikkeling. De provincie naar nabijheid van voorzieningen en het bevorderen van veilig en duurzaam mobiliteitsgedrag dat past bij de gebiedskenmerken. Ook wordt gekeken naar de gevolgen voor doorstroming rond knelpunten op het provinciale netwerk en (inpassing van) voortvloeiende infrastructurele maatregelen volgens het Handboek Ontwerp Criteria Wegen. Indien van toepassing ziet de provincie toe op het naleven van de parkeernormen en de realiseren van een goede ontsluiting voor fietsers (en wandelaars). In de planbeoordelingsfase wordt vanuit de omgevingsverordening op de bereikbaarheid getoetst.

De provincie beoordeelt per ontwikkelfase bij gebiedsontwikkelingen, zoals woningbouwplannen, of de gevolgen voor de bereikbaarheid goed onderzocht zijn en onderdeel is van de locatiekeuze en planuitwerking. Hierdoor is tijdig inzicht of aanvullende maatregelen nodig zijn om (nieuwe) knelpunten op de weg, het spoor of het water te verbinden en hoe zij gefaseerd  en gefinancierd kunnen worden vanuit de planontwikkeling. In de planbeoordelingsfase wordt vanuit de Omgevingsverordening op de bereikbaarheid getoetst. De provincie kijkt of de ontwikkeling bijdraagt aan het verbeteren van de nabijheid van wonen, werk, voorzieningen en goed ov en het bevorderen van veilig en duurzaam mobiliteitsgedrag dat past bij de gebiedskenmerken. Ook wordt gekeken naar de gevolgen voor doorstroming op het provinciale netwerk en of voortvloeiende infrastructurele maatregelen volgens het Handboek Ontwerp Criteria Wegen gerealiseerd kunnen worden. Indien van toepassing ziet de provincie toe op goede voorzieningen voor lopen en fietsen,op het naleven van de parkeernormen en gevolgen voor goederen vervoerstromen over weg, spoor en water.

M

Sectie '2.1.1.3 Schonere mobiliteit' wordt geplaatst na sectie '2.1.1.1 Bereikbaarheid door nabijheid'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

2.1.1.3 Schonere mobiliteit

Wat gaat de provincie doen?

Schoner vervoer met minder of geen uitstoot van schadelijke stoffen zoals CO2, stikstofdioxide en fijn stoffijnstof. De provincie wil bijdragen aan een betere leefbaarheid en het voorkomen vanminder klimaatverandering en werkt daarom samen met andere partijen aan schonere vormen van vervoer en de bijbehorende tank- en laadinfrastructuur. Door het doen vanDe provincie doet onderzoek en het ondersteunen bij het maken van Regionale Mobiliteitsprogramma’s of -plannenondersteunt regionale mobiliteitsprogramma’s en het realiseren van laadinfrastructuur–plannen. Door laadinfrastructuur aan te leggen, via de Regionale Agenda Laadinfrastructuur (RAL), wordt de overgang naar batterij-elektrisch én waterstof-elektrisch gefaciliteerdop weg geholpen.

Rol

Samenwerkend

Uitwerking

De provincie werkt samen met het rijk, gemeenten, regio's, markt, kennisinstituten en inwoners en zorgt met name voor verbinding en stimuleert en faciliteert ideeën om mobiliteit schoner te maken. 

N

Sectie '2.1.1.4 Slimmere mobiliteit & digitalisering' wordt geplaatst na sectie '2.1.1.3 Schonere mobiliteit'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

2.1.1.4 Slimmere mobiliteit & digitalisering

Wat gaat de provincie doen?

Slimmere mobiliteit omkan ervoor zorgen dat het regionale mobiliteitssysteem (weg, water, spoor, OV, fiets, lopen) beter benutten en zo het verkeer schoner en veiliger te organiserenbenut wordt. Met de grote woningbouwopgave in de regio de vervangingsopgave op onze wegenhoeveelheid nieuwbouw, wegonderhoud en het beperkte inzet van middelengeld worden de mogelijkheden om extra infrastructuur aan te leggen steeds beperkter. Met slimmereslimme mobiliteit &en digitalisering kijken wekijkt de provincie naar de mogelijkheden van nieuwe, digitale en innovatieve (data-)oplossingen om onshet mobiliteitssysteem nog efficiënter te organiseren.

Rol

Presterend

Uitwerking

Weg- en vaarweg gebruikersvaarweggebruikers gebruiken steeds vaker digitale systemen om hun weg te vinden en worden steeds afhankelijker van het digitaal communiceren over bijvoorbeeld wegwerkzaamheden, maximumsnelheden, schoolzones en brugopeningen.  De Provincieprovincie werkt samen met ruim 50 wegbeheerders in de regio, de MRDH, Zuid-Holland Bereikbaar en het rijkRijk aan op orde krijgen en houden van slimme mobiliteitsoplossingen in de regio.

De stip op de horizonHet doel is een veilig, slim en duurzaam verkeersverkeer- en vervoersysteem waarvan de verschillende mobiliteitsnetwerken nog beter worden benut. Weggebruikers beschikken over voorspellende en actuele informatie over de verkeerssituatie, de rij- of vaartaak wordt verder geautomatiseerd en voertuigen communiceren met elkaar, de infrastructuur en andere verkeersdeelnemers en. Zij kunnen zo direct op deze informatie anticiperen. Deze ontwikkeling speelt zich af in de volle breedte van het mobiliteitssysteem. De uitkomst: gebruikers maken schonere en slimmere verplaatsingskeuzes met behulp van slimme technologie.

O

Sectie '2.1.1.5 Stimuleren bewust mobiliteitsgedrag' wordt geplaatst na sectie '2.1.1.4 Slimmere mobiliteit & digitalisering'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

2.1.1.5 Stimuleren bewust mobiliteitsgedrag

Wat gaat de provincie doen?

Het wordt steeds drukker op wegen en fietspaden en grootschalig onderhoud gaat voor hinder en files zorgen. Om de mobiliteitsgroei op te kunnen vangen wil de provincie daarom mensen positief verleiden om andere vormen van vervoer te gebruiken zoals fiets en openbaar vervoer, buiten de spits te reizen of om bijvoorbeeld thuis te werken. Hierdoor wordt alle infrastructuur zo optimaal mogelijk wordt benut en files geminimaliseerd. 

Rol

Samenwerkend

Uitwerking

In het samenwerkingsverband Zuid-Holland Bereikbaar werkt de provincie samen met andere infrastructuurbeheerders en hun opdrachtgevers in Zuid-Holland en met grote bedrijven, vervoerders, brancheorganisaties, belangenverenigingen en lokale overheden. Er wordt ingezet op gezamenlijke en samenhangende programmering van werkzaamheden om zo de hinder te minimaliseren. Tijdens werkzaamheden vindt verkeersmanagement plaats en worden alternatieven aangeboden, afgestemd op het desbetreffende gebied en de gebruikers om de hinder te verminderen.  Daarbij wordt de onvermijdelijke overlast door noodzakelijke (onderhouds)werkzaamheden als kans benut om gedrag van reizigers structureel te veranderen.

P

Sectie '2.1.1.6 Vaker en verder fietsen door meer mensen' wordt geplaatst na sectie '2.1.1.5 Stimuleren bewust mobiliteitsgedrag'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

2.1.1.6 Vaker en verder fietsen door meer mensen

Wat gaat de provincie doen?

Inwoners en bezoekers van Zuid-Holland makengebruiken vaker gebruik van de (elektrische) fiets en leggen langere afstanden met de fiets af in het dagelijks en recreatief gebruik en als onderdeel van een reis met het openbaar vervoer. De provincie volgt het fietsgebruik en onderzoekt samen met gemeenten en regio’s hoe het gebruik van de fiets kan toenemen. De voorbereiding en uitvoering van fietsprojecten is onderdeel van de beleidskeuzes ‘Voorbereiding (provinciale) infrastructuurprojecten en bijdragen aan projecten van anderen’ en ‘Realisatie provinciale infrastructuurprojecten’.

Rol

Samenwerkend

Uitwerking

De provincie doet onderzoek naar een veilig en aantrekkelijk provinciaal (hoofd-) fietsnetwerk en specifiek de ontwikkeling van doorfietsroutes naar de grote steden en de combinatie van fietsen en het gebruik van openbaar vervoer. Betere ketenvoorzieningen dragen bij aan de overstap tussen fiets en het openbaar vervoer. De provincie kijkt daarbij ook naar inrichting van de omgeving en mogelijkheden om fietsers voorrang te geven bij kruispunten.

De provincie streeft naar een dekkend netwerk van doorfietsroutes naar de Zuid-Hollandse steden. Daartoe verricht de provincie onderzoek en geeft ondersteuning aan gemeenten. Uitvoering gebeurt samen met onder andere gemeenten en waterschappen. Zuid-Holland brengt de kwaliteit en de veiligheid van het provinciaal hoofd-) fietsnetwerk in beeld. De uitkomsten hiervan geven inzicht in de bestaande aantrekkelijkheid en veiligheid van het netwerk en maatregelen die het netwerk verbeteren, zodat inwoners en bezoekers gestimuleerd worden om meer te gaan fietsen.  

Betere overstapvoorzieningen dragen bij aan de overstap tussen fiets en het openbaar vervoer. De provincie subsidieert niet alleen fietsparkeerplekken, maar brengt ook de veiligheid en aantrekkelijkheid van routes naar de overstapvoorzieningen in beeld.  Om het aantrekkelijk en veilig te maken om te fietsen in nieuwbouwgebieden, ontwikkelt de provincie een handleiding voor fietsvriendelijk ingerichte woon- en werklocaties.

Q

Sectie '2.1.1.7 Veilig gedrag in het verkeer' wordt geplaatst na sectie '2.1.1.6 Vaker en verder fietsen door meer mensen'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

2.1.1.7 Veilig gedrag in het verkeer

Wat gaat de provincie doen?

De provincie wil de stijging van het aantal dodelijke verkeersslachtoffers om te buigenombuigen in een daling. De provincie vindt ieder verkeersslachtoffer er één te veel en streeft naar elk jaar minder verkeersslachtoffers en nul verkeersslachtoffers in 2050. De provincie werkt samen met regionale partners om verkeersveilig gedrag te stimuleren door middel van educatie en voorlichting en onderhoudt contact met politie politie en het Openbaar Ministerie (OM) over handhaving. Het verkeersveiliger maken van infrastructuur door provinciale projecten of projecten van anderen is onderdeel van de beleidskeuzes ‘Voorbereiding (provinciale) infrastructuurprojecten en bijdragen aan projecten van anderen’ en ‘Realisatie provinciale infrastructuurprojecten’. Het veilig houden van bestaande infrastructuur is onderdeel van de beleidskeuze beheer en onderhoud op orde.

Rol

Presterend

Uitwerking

De provincie werkt samen met Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH), gemeenten, waterschappen, Regionaal Ondersteuningsbureau Verkeersveiligheid Zuid-Holland (ROVZH), Openbaar Ministerie, politie en maatschappelijke organisaties zoals de ANWB, VVNVeilig Verkeer Nederland en de Fietsersbond aan een veilige infrastructuur, verkeerseducatie, voorlichting en handhaving.

Naast de rol presterende overheid hebben we ook de rol samenwerkende overheid.

R

Sectie '2.1.1.8 Bevorderen Lopen' wordt geplaatst na sectie '2.1.1.7 Veilig gedrag in het verkeer'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

2.1.1.8 Bevorderen Lopen

Wat gaat de provincie doen?

Provincie Zuid-Holland De provincie streeft samen met gemeenten en andere partners ernaar dat mensen veilig en aantrekkelijk kunnen lopen naar hun dagelijkse voorzieningen en het openbaar vervoer. Provincie en gemeenten bevorderen daarmeeDe provincie bevordert lopen als actieve vervoerswijze ter bevordering van dedie bereikbaarheid, leefbaarheid en gezondheid verbetert. Dit doet zij door gemeenten te ondersteunen bij het ontwikkelen en realiseren van hun voetgangersbeleid.

Rol

Samenwerkend

Uitwerking

Provincie Zuid-Holland werkt samen met gemeenten en de Metropoolregio Rotterdam Den Haag ( MRDH) aan een loopvriendelijke openbare ruimte waarin meer mensen meer lopen. Dit draagt bij aan de volksgezondheid, de bereikbaarheid, leefbaarheid en de mogelijkheden tot stedelijke verdichting, vergroening en verduurzaming. Dit alles vertaalt zich in een positieve bijdrage aan de brede welvaart in Zuid-Holland. Lopen is schoon, stil en veilig voor de omgeving en vergt vergeleken met andere vormen van verplaatsing de minste ruimte, energie en grondstoffen. Een loopvriendelijke openbare ruimte draagt bij aan het beperken van energiegebruik en de stikstofuitstoot, wat verdere economische ontwikkeling en woningbouw beter mogelijk maakt. Loopvriendelijke openbare ruimte draagt ook bij aan ontmoeting, welzijn en sociale samenhang. Ook de economie profiteert, wat zich o.a. vertaalt in hogere omzetten en vastgoedwaarden. Vanuit de provinciale opgaven voor gezondheid, bereikbaarheid, ruimte en recreatie, toerisme en sport werken we samen aan een loopvriendelijke openbare ruimte.

De provincie werkt samen met gemeenten en de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH) aan voetgangersvriendelijke straten waarin meer mensen meer lopen en aangenaam kunnen verblijven. Dit draagt bij aan de volksgezondheid, bereikbaarheid, vergroening en verduurzaming. Lopen is schoon, stil en veilig voor de omgeving en vergt vergeleken met andere vormen van verplaatsing de minste ruimte, energie en grondstoffen. Ook draagt een voetgangersvriendelijke omgeving bij aan ontmoeting, welzijn en sociale samenhang. Ook de lokale economie profiteert van meer voetgangers, want in straten met meer voetgangers gaan omzetten en vastgoedwaarden omhoog.

S

Sectie '2.1.2.1 Deelmobiliteit & publiek vervoer' wordt geplaatst na sectie '2.1.1.8 Bevorderen Lopen'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

2.1.2.1 Deelmobiliteit & publiek vervoer

Wat gaat de provincie doen?

De provincie wil dat andere vormen van vervoer de bereikbaarheid van een gebied of de keuze van de reiziger vergrootvergroten en dat het vervoer beter aansluit bij wensen van mensen. Kleine kernen en steden moeten met het openbaar vervoer toegankelijk blijven. Denk aan flexvervoer (taxibusjes), deelvervoer (deelfietsen, deelauto’s) en meerijden (carpoolen, liften). Samen met het openbaar vervoer heet dit ‘publiek vervoer’. Zo stimuleert de provincie deelfietsen bij (hoogwaardige) haltes om bestemmingen die 1 tot 3 kilometer van de halte of station liggen beter bereikbaar te maken.

Rol

Presterend

Uitwerking

De provincie onderzoekt op welke manier het mogelijk is om een tussenvorm te creëren tussen een lijndienst en vraagafhankelijk vervoer en gaat hiervoor in overleg met de reizigers en ondernemers om te inventariseren welke wensen leven. Op basis van deze inbreng wordt bepaald hoe het aanbod van vervoer aantrekkelijker kan worden. De provincie zet zich verder in om voor gehandicapten en mindervaliden te komen tot één nationaal ov-reisassistentiesysteem.

Naast de rol presterende overheid heeft de provincie ook de rol van samenwerkende overheid

T

Sectie '2.1.2.2 Goed en schoon regionaal openbaar vervoer' wordt geplaatst na sectie '2.1.2.1 Deelmobiliteit & publiek vervoer'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

2.1.2.2 Goed en schoon regionaal openbaar vervoer

Wat gaat de provincie doen?

De provincie is verantwoordelijk voor het aanbieden van het regionaal openbaar vervoer in Zuid-Holland buiten de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH). De provincie exploiteert hiervoor twee spoorlijnen: de MerwedeLingelijn (van Dordrecht, via Gorinchem naar Geldermalsen) en de Treindienst Alphen aan den Rijn – Gouda. De provincie besteedt openbaar vervoer concessiesopenbaarvervoerconcessies over de weg, het water en over bovengenoemde spoorlijnen aan.

Om De drempel om het openbaar vervoer waar mogelijk een volwaardig alternatief te laten zijn voor de auto,gebruiken moet de drempel om het te gebruiken zo laag mogelijk zijn. De provincie zorgt via eisen aan de vervoerders dat het openbaar vervoer makkelijk en begrijpelijk in gebruik is, met goede actuele reisinformatie, eenvoudige en betaalbare tarieven in een netwerk waarbij verbindingen op elkaar aansluiten.

Rol

Presterend

Uitwerking

De provincie onderzoekt en realiseert nieuwe snelle, frequente, en betrouwbare lijnen (R-net). Aanpassingen aan provinciale infrastructuur en bijdragen aan projecten van anderen zoals weg, spoor en haltes zijn onderdeel van de beleidskeuzes ‘Voorbereiding (provinciale) infrastructuurprojecten en bijdragen aan projecten van anderen’ en ‘Realisatie provinciale infrastructuurprojecten’.

Werkingsgebied: Heel Zuid-Holland en voor wat betreft de concessies gaat het over de concessiegebieden:

  • Goeree-Overflakkee en Hoeksche Waard 

  •  Zuid-Holland Noord 

  •  Drechtsteden Molenlanden Gorinchem 

  • Treindienst Alphen aan den Rijn – Gouda

  • Personenvervoer over Water Rotterdam - Drechtsteden

U

Sectie '2.1.2.3 Snel internationaal openbaar vervoer en optimaal hoofdrailnet van het rijk' wordt geplaatst na sectie '2.1.2.2 Goed en schoon regionaal openbaar vervoer'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

2.1.2.3 Snel internationaal openbaar vervoer en optimaal hoofdrailnet van het rijk

Wat gaat de provincie doen?

De provincie is groot voorstander  van goede, snelle en betaalbare internationale treinverbindingen vanuit onze provincie met andere Europese steden en sluiten ons. De provincie sluit zich daarom aan bij bestaande lobbytrajecten en initiatieven daartoe. De doelstelling is dat de trein de eerste keuze wordt bij reizen tot 750 km.

Een goed functionerend hoofdrailnet is cruciaal voor de bereikbaarheid van Zuid-Holland. Zowel voor de verplaatsingen binnen de provincie als verbindingen naar buiten de provincie speelt dit hoofdrailnet een belangrijke rol. Een groot deel van de provinciale woningbouwopgavegeplande woningbouw vindt plaats in de directe omgeving vanvlak bij stations. De provincie streeft naar een frequent, snel en betrouwbaar systeem, waarbij plek is voor hoogfrequente sprinters, en intercity’s en meer stations.

Rol

Samenwerkend

Uitwerking

De provincie is niet het bevoegd gezag over het hoofdrailnet en werkt daarom samen met andere decentrale overheden als gemeenten, de MRDH en, de verschillende regio’s en het Rijk aan voorstellen om het hoofdrailnet te verbeteren. Via het MIRT-programma werkt de provincie mee aan diverse projecten van anderen. De infrastructuurprojecten zijn onderdeelhet ministerie van de beleidskeuze ‘Voorbereiding (provinciale) infrastructuurprojecten en bijdragenInfrastructuur en Waterstaat werkt de provincie mee aan projecten van anderen’diverse projecten.

V

Sectie '2.1.3.1 Inzet op digitalisering' wordt geplaatst na sectie '2.1.2.3 Snel internationaal openbaar vervoer en optimaal hoofdrailnet van het rijk'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

2.1.3.1 Inzet op digitalisering

Wat gaat de provincie doen?

De provincie wil dat de regionale (vers)logistieke sector meer datagericht gaat werken en digitalisering gebruikt bij de gewenste optimalisering van goederenstromen via ladingverschuiving en op regionale hubs. Digitalisering kan een belangrijke rol gaan vervullen in het inzichtelijk maken van vervoersstromen waardoor efficiency van transportmodaliteiten verhoogd kan worden. Daarnaast kan digitalisering zorgen voor efficiënter gebruik van ligplaatsen en walstroomvoorzieningen en het gebruik van de kunstwerken op de vaarwegen. Dit kan zorgen voor minder onnodige vervoersbewegingen en verminder van brandstofgebruik en uitstoot van schadelijke stoffen door minder hard varen.

Voor de goederenvervoercorridors werkt de provincie met diverse partijen samen aan digitaliseringsinitiatieven. De provincie faciliteert innovatief onderzoek en werk mee aan pilots om te ontdekken wat autonoom rijden en varen kunnen betekenen voor de verdere ontwikkeling van logistieke stromen binnen de provincie en langs belangrijk transportcorridors. Voor vervoer over water stimuleert de provincie innovatieve initiatieven, zoals SMASH (geautomatiseerd varen) en CAT4Yards (de ontwikkeling van geautomatiseerd wegtransport).

Rol

Samenwerkend

Uitwerking

Binnen de goederenvervoercorridors werkt de provincie samen met diverse partijen aan digitaliseringsinitiatieven die zorgen voor nieuwe digitale toepassingen. Voor de (on)mogelijkheden die autonoom rijden en varen bieden voor de doorontwikkeling van logistieke stromen binnen de provincie en langs corridors zal de provincie faciliteren in innovatief onderzoek en meewerken aan pilots. Voor vervoer over water stimuleert de Provincie het innovatie initiatief van SMASH (Smart Shipping) en daarmee de relatie met eigen vaarwegbeheer.

De provincie wil dat de regionale sector voor het vervoer van verse producten meer datagericht gaat werken en digitalisering gebruikt om goederenstromen te verbeteren. Digitalisering kan een belangrijke rol vervullen in het inzichtelijk maken van vervoersstromen. Daardoor kunnen vervoerswijzen en regionale hubs efficiënter ingezet worden. Ook speelt digitalisering een rol bij het gerichter faciliteren van vervoerstromen die bijdragen aan de ruimtelijk-economische visie en aan een duurzame en circulaire economie. Daarnaast maakt digitalisering efficiënter gebruik van ligplaatsen en walstroomvoorzieningen en het passeren van beweegbare bruggen en sluizen op de vaarwegen mogelijk. Dit zorgt voor minder onnodige vervoersbewegingen, minder brandstofgebruik en minder uitstoot van schadelijke stoffen.

W

Sectie '2.1.3.2 Versterken en veilig houden van goederencorridors' wordt geplaatst na sectie '2.1.3.1 Inzet op digitalisering'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

2.1.3.2 Versterken en veilig houden van goederencorridors

Wat gaat de provincie doen?

De provincie wil goederenstromen optimaliseren en werkt hiervoor samen met partners binnen en buiten de provincie aan bijvoorbeeld veilig truck parkeren, beschikbaarheid van schone brandstoffen (weg en water), bundeling van goederenstromen.

De provincie wil goederenstromen optimaliseren en gericht toewerken naar een toekomstbestendige economie met een betere leefomgevingskwaliteit en gezondheid. Ze geeft voorrang aan een duurzame, digitale en inclusieve economie, met borging van maatschappelijke meerwaarde. De provincie zet in op het creëren van hubs, denk aan veilig truck parkeren, schone laadinfrastructuur en koelopslag. Daarnaast zet de provincie in op digitalisering, bijvoorbeeld voor het bundelen van goederenstromen. En het stimuleren van vervoer via spoor, water en buis voor o.a. bouw, afval en stadslogistiek.  Inzet hierbij is:

  • 1.

     het creëren van hubs (voor onder andere veilig truck parkeren, schone laadinfrastructuur en koelopslag voor verstransport),

  • 2.

    digitalisering voor bijvoorbeeld bundeling van goederenstromen

  • 3.

    ladingverschuiving via spoor, water en buis, met aandacht voor bouw-, afval- en stadslogistiek. De provincie werkt hiervoor samen met partners binnen en buiten de provincie.

Rol

Samenwerkend

Uitwerking

Het aanpassen van provinciale infrastructuur of het bijdragen aan projecten van anderen op de goederencorridors zijnis onderdeel van de beleidskeuzes ‘Voorbereiding (provinciale) infrastructuurprojecten en bijdragen aan projecten van anderen’ en ‘Realisatie provinciale infrastructuurprojecten’. 

X

Sectie '2.1.1.2 Modal shift, regionale hubs en zero emissie' wordt geplaatst na sectie '2.1.3.2 Versterken en veilig houden van goederencorridors'. De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

2.1.1.2 2.1.3.3 Modal shift, regionale hubs en zero emissie

Wat gaat de provincie doen?

De provincie wil de verwachte groei in de logistieke sector en gevolgen van de grote onderhoudswerkzaamheden rondom Rotterdam in goede banen leiden. Door de ontwikkeling van regionale hubs voor haven-, vers, stads en bouwlogistiek te stimuleren wordt de verschuiving van lading naar relatief duurzame vervoerwijzen, zoals binnenvaart, buisleidingen en spoor gefaciliteerd.  Hiermee wordt de weginfrastructuur ontlast en de uitstoot van schadelijke stoffen beperkt. De provincie wil daarnaast de transitie naar schoon vervoer helpen versnellen en faciliteert initiatieven die bijdragen aan de transitie naar (nagenoeg) geen uitstoot van schadelijke stoffen en opgeschaald kunnen worden.

Rol

Samenwerkend

Uitwerking

De provincie werkt samen met het regionale bedrijfsleven via logistieke makelaars en met regionale partners en Zuid-Holland Bereikbaar. 

De provincie anticipeert op groei in de logistieke sector en drukte op de wegen als gevolg van de vele onderhoudswerkzaamheden rondom Rotterdam. In samenwerking met lokale partners probeert zij dit in goede banen te leiden. Bij het zoeken naar oplossingen geeft zij voorrang aan een toekomstbestendige en dus duurzame, digitale en inclusieve economie, met borging van maatschappelijke meerwaarde.

Rol

Samenwerkend

Uitwerking

De provincie stimuleert de verschuiving van lading van de weg naar duurzame vervoerwijzen via spoor, water en buis, zowel internationaal als voor het laatste stuk van de reis. De provincie moedigt ook de ontwikkeling aan van regionale hubs voor haven-, vers-, stads- en bouwlogistiek. Dit ontlast de weg ontlast en beperkt de uitstoot van schadelijke stoffen. De provincie wil daarnaast de transitie naar schoon vervoer helpen versnellen en faciliteert initiatieven die bijdragen aan de transitie naar (nagenoeg) geen uitstoot van schadelijke stoffen en die opgeschaald kunnen worden.

In stedelijk gebied focust de provincie op vervoer van afval-, bouwmaterialen en andere goederen over water. Daarbij is het belangrijk dat regionale vaarwegen en kades beschikbaar zijn en blijven voor overslag van materialen en goederen.

De provincie werkt samen met bedrijfsleven via logistieke makelaars, regionale partners en Zuid-Holland Bereikbaar. De provincie stimuleert uitstootvrije binnenvaart en de laadinfrastructuur die daarbij hoort. Ook werkt de provincie samen met andere provincies en de Rijksoverheid om de belangrijkste goederencorridors toekomstbestendig te maken.

Y

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

2.1.4.1 Bijdragen aan (infrastructuur)projecten van anderen

Wat gaat de provincie doen?

Het mobiliteitssysteem in Zuid-Holland bestaat uit infrastructuur (en mobiliteitsdiensten) van het Rijk, provincie, gemeenten en waterschappen. Omdat de provincie maar over een deel van het mobiliteitssysteem gaat draagt zij ook bij (financieelmet geld en expertise) aan projecten van anderen. Dit zijn projecten met een nationaal of regionaal belang die samen met de provinciale projecten ervoor moet zorgen dat de provincie Zuid-Holland voor iedereen bereikbaar is en blijft op een duurzame en veilige manier. De infrastructuurprojecten zijn terug te vinden in het jaarlijkse Programma Zuid-Hollandse infrastructuurInfrastructuur (bijlage bij de begroting).

Rol

Presterend

Z

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

2.1.4.2 Voorbereiding aanleg en verbetering van provinciale infrastructuur

Wat gaat de provincie doen?

De provincie wil bij de voorbereiding van een project (de initiatieffase en daaropvolgende verkenning) bepalen of een infrastructurele ingreep passend en nodig is. In de initiatieffase worden de gebiedsgerichte of thematische opgaven, kansen en problemen in kaart gebracht en wat de mogelijke oplossingsrichtingen zijn. Op basis daarvan kunnen de deelnemende partijen beslissen of en, zo ja, welke oplossingsrichtingen in een verkenning (de volgende fase) uitgewerkt zouden moeten worden. Een Verkenningverkenning is bedoeld om te komen tot een slimme, integrale voorkeursoplossing, op basis van een brede beschouwing van de opgave, scherpe probleemanalyse en een inzichtelijke afweging. De voorkeursoplossing die ontstaat op het eind van de Verkenningverkenning kan bestaan uit één voorkeursalternatief of uit een samenhangend pakket van maatregelen (integrale maatwerkoplossingen) waaronder aanleg en verbetering van provinciale infrastructuur. De infrastructuurprojecten (initiatieffase en verkenning) zijn terug te vinden in het jaarlijkse Programma Zuid-Hollandse infrastructuurInfrastructuur (bijlage bij de begroting).

Rol

Presterend

AA

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Beleidsdoel 2-22.2 Goed functionerende provinciale infrastructuur

BB

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

2-2 2.2 Goed functionerende provinciale infrastructuur

CC

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Maatregelen van 2-22.2 Goed functionerende provinciale infrastructuur

DD

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Beleidsdoel 3-13.1 Energietransitie

EE

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

3-1 3.1 Energietransitie

FF

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Maatregelen van 3-13.1 Energietransitie

GG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

3.1.1.1 Realiseren van windenergie

Wat gaat de provincie doen?

Mede door de omvang en invloed op de ruimtelijke kwaliteit en het landschap van grote windturbines is het van belang een zorgvuldige en bovenregionale afweging op provinciaal niveau te maken over de locatiekeuze. De provincie wil grote turbines geconcentreerd plaatsen in daarvoor geschikte gebieden en versnippering over de hele provincie voorkomen.

De provincie zoekt samen met RES-partners naar geschikte gebieden waar windturbines geconcentreerd kunnen worden geplaatst. De provincie doet dat via zoekgebieden en locaties voor windenergie.

De zoekgebieden zijn gebieden waar nog een nadere afweging plaats moet vinden, maar waar de provincie op regionale schaal kansen ziet voor windparken. Deze afweging maakt de provincie samen met de RES-partners. Samen met hen werkt de provincie aan een ontwikkelstrategie met planning om te verkennen waar en wanneer windturbines in deze zoekgebieden het beste te realiseren zijn.

Locaties voor windenergie zijn concreet aangeduide plekken in de Omgevingsverordening waar Omgevingsplannen windturbines met as-hoogtes van meer dan 45 meter mogen toestaan. Locaties voor windenergie zijn in de Omgevingsverordening opgenomen en geven feitelijk aan waar het realiseren van windenergie door gemeenten volgens de provincie is toegestaan.

Gemeenten zijn met de nieuwe Energiewet bevoegd gezag voor windparken met een opgesteld vermogen kleiner dan 15 MW. Alles daarboven tot 100MW is aan de provincie. Een gemiddelde windturbine op land produceert tegenwoordig circa 5 MW.

Rol

Samenwerkend

Uitwerking

Uitgangspunten voor windturbines naar ashoogteas-hoogte:

Grote windturbines (ashoogte is hoger dan 45 meter) Grote windturbines (as-hoogte hoger dan 45 meter)

  • Geconcentreerd plaatsen en voorkomen van versnippering

  • Langs grootschalige infrastructuur (snelwegen, rivieren)

  • Bij grootschalige bedrijvigheid (energievragers)

  • Grootschalige scheidslijnen tussen land en water en grote landschappelijke structuren (daar waar het waait)

  • Voorkeur voor enkelvoudige lijnopstellingen en clusters, in samenhang met en evenwijdig aan de betreffende infrastructuur en scheidslijnen

 Windturbines met een ashoogte tot 45 meter

  • Binnen bestaand stads- en dorpsgebied

  • Glastuinbouwgebied passend bij de lokale situatie

  • Bedrijventerreinen

  • Dit is ter beoordeling aan de gemeente. De provincie kan wel een zienswijze indienen, indien te weinig rekening is gehouden met het omringende landschap en de cultuurhistorische, ecologische en recreatieve kwaliteiten.

 Windturbines tot 15 meter ashoogte

  • Kunnen overal, mits rekening gehouden met het omringende landschap en de cultuurhistorische, ecologische en recreatieve kwaliteiten.

  • Dit is ter beoordeling aan de gemeente. De provincie kan wel een zienswijze indienen, indien te weinig rekening is gehouden met het omringende landschap en de cultuurhistorische, ecologische en recreatieve kwaliteiten.

De aangewezen locaties zijn vastgelegd in de Omgevingsverordening.

De locaties zijn het resultaat van een afweging tussen eisen vanuit windenergie en voorwaarden vanuit landschap en ruimtelijke kwaliteit. Mochten die om technische of andere redenen niet haalbaar zijn, dan moet het opnemen van nieuwe locaties worden overwogen. Daarvoor is dan aanpassing van de verordening nodig.

De provincie maakt onderscheid tussen zoekgebieden en locaties voor windenergie.

Zoekgebieden voor windenergie

De provincie heeft primaire en secundaire zoekgebieden voor windenergie opgenomen in de Omgevingsvisie. Deze bevinden zich in de RES-regio’s Holland Rijnland, Midden-Holland. Niet alle zoekgebieden hoeven tot realisatie te komen. Zo ligt een aantal zoekgebieden bij elkaar in de buurt, zoals enkele zoekgebieden ten zuiden van Alphen aan den Rijn. Hier zit dus ruimte voor een verdere afweging in samenwerking met de RES-partners. Voor de RES-regio Drechtsteden heeft de provincie één zoekgebied opgenomen in de Omgevingsvisie.

De provincie wil samen met de RES-partners een ontwikkelstrategie met een concrete planning uitwerken en onderzoeken welke zoekgebieden uiteindelijk als locaties voor windenergie gerealiseerd worden – bij voorkeur onder bevoegd gezag van de betreffende gemeente. De provincie wil gemeenten voldoende tijd en ruimte geven om zelf afwegingen te maken en samen met hen nader onderzoek doen, participatietrajecten uitvoeren en onderzoeks- en ontwerpvragen beantwoorden.

Na inwerkingtreding van de Herziening Omgevingsbeleid 2025, maken GS met de betrokken RES-regio’s de balans op in hoeverre windenergie dient bij te dragen om de RES-doelstellingen voor 2030 binnen bereik te houden. GS kunnen voorbereidingen treffen om bepaalde zoekgebieden om te zetten naar locaties voor windenergie in de Omgevingsverordening, indien zij dit nodig achten. Daarvoor dient een wijziging van het Omgevingsbeleid plaats te vinden. In dit traject wil de provincie in goede samenspraak en samenwerking met de RES-regio’s optrekken. Uitgangspunt is om de regio zelf te laten kiezen en ook de uitvoering van eventueel latere windprojecten aan de gemeenten te laten, bijvoorbeeld door de bevoegdheid over te dragen. De provincie heeft altijd de mogelijkheid om de regie bij zich te houden.

Participatie

De provincie vindt participatie bij de realisatie van windenergieprojecten belangrijk. De provincie heeft hier participatiebeleid voor en geeft daar uitvoering aan. Dit geldt voor het betrekken van de omgeving bij het aanwijzen van zoekgebieden als locaties voor windenergie. Dit is specifiek uitgewerkt in de Beleidskeuze 3.1.2 Lokale initiatieven en inclusieve energietransitie.

Locaties voor windenergie

De locaties voor windenergie in de omgevingserordening zijn het resultaat van een afweging tussen (veiligheids)eisen vanuit windenergie, hinderbeperking en andere provinciale belangen zoals ecologie en landschap. Mochten de locaties om technische of andere redenen niet haalbaar zijn, dan is het aan gemeenten om in regionaal verband te overwegen om de provincie te verzoeken tot het opnemen van alternatieve locaties in de omgevingsverordening. Wanneer gemeenten dit niet doen en regio’s hun doelstellingen niet halen dan kan de provincie eigenstandig besluiten om een alternatieve locatie in de omgevingsverordening op te nemen.  Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de primaire en secundaire zoekgebieden Windenergie.

Sloop en circulair Realisatie windenergie per RES-regio

Een omgevingsplan dat plaatsing van windturbines en andere bouwwerken gericht op de opwekking van energie uit wind mogelijk maakt, verantwoordt in de toelichting de wijze waarop is verzekerd dat de windturbines na afloop van het daadwerkelijke gebruik worden gesloopt.

De provincie wil een volledige circulaire economie in Zuid-Holland bereiken in 2050 met als tussendoel 50% reductie van (primaire) materialen in 2030. Dit geldt ook voor de energietransitie.

De economische kracht van Zuid-Holland is afhankelijk van enorme hoeveelheden grondstoffen en energie. Steeds meer van die grondstoffen worden schaars en beginnen zelfs op te raken. Tegelijkertijd is er veel verspilling, waardoor we onnodig waarde verloren laten gaan. Ook veroorzaakt de economie – met afval als eindproduct – schade aan het klimaat, de biodiversiteit, het milieu en onze gezondheid. Om concurrerend en toekomstbestending te blijven als provincie is het inspelen op de transitie naar een circulaire economie van belang voor de economie en het milieu van de provincie Zuid-Holland.

De provincie maakt realisatie van windprojecten mogelijk en streeft ernaar dit zoveel mogelijk samen met de RES-partners te doen. Hieronder een overzicht per regio wat de provincie de komende periode in nauwe samenwerking met gemeenten gaat ondernemen om meer duurzame energie uit windenergie te realiseren:

RES Midden-Holland en RES Holland Rijnland

De provincie heeft zoekgebieden voor windenergie verkend. Deze staan op de kaart Zoekgebieden Windenergie in de Omgevingsvisie. Omdat de zoekgebieden effect hebben op hun omgeving dient binnen en tussen deze zoekgebieden nog een afweging gemaakt te worden. De provincie zet zich in om deze zoekgebieden met de RES-partners verder uit te werken en uiteindelijk tot locaties voor windenergie te komen.

De primaire zoekgebieden zijn (nummers corresponderen met zoekgebieden op de kaart Zoekgebieden Windenergie in de Omgevinsvisie):

1. Kaag en Braassem – Wassenaarsche polder

Mogelijkheden voor een concentratie van 9 windturbines in de vorm van een cluster in een droogmakerij, waarbij rekening gehouden moet worden met hoogtebeperkingen vanuit Schiphol. Dit zoekgebied heeft kans op interferentie met zoekgebied 2. Een afweging tussen de gebieden is onderdeel van de verdere besluitvorming. Mogelijkheden om zoekgebied 1 en 2 te verbinden via een lange lijnopstelling in plaats van een cluster kunnen worden onderzocht.

2.  Kaag en Braassem – polder Vierambacht

Mogelijkheden voor een concentratie van 12 windturbines in de vorm van een cluster in een droogmakerij. Dit zoekgebied heeft kans op interferentie met zoekgebied 1. Een afweging tussen de gebieden is onderdeel van de verdere besluitvorming. Mogelijkheden om zoekgebied 1 en 2 te verbinden via een lange lijnopstelling in plaats van een cluster kunnen worden onderzocht.

3. Nieuwkoop – Polder Nieuwkoop

Mogelijkheden voor een concentratie van 9 windturbines in de vorm van een cluster in een droogmakerij, waarbij rekening gehouden moet worden met hoogtebeperkingen vanuit Schiphol. Bij de verdere uitwerking dient onder meer rekening gehouden te worden met een nieuwbouwlocatie bij Nieuwkoop.

4. Alphen aan den Rijn – Polder Groenendijk, N11

Mogelijkheden voor een lijnopstelling van 6 windturbines parallel aan de bundel N11, spoor en Oude Rijn. Uitwerking van dit zoekgebied in samenhang met zoekgebied 5 én de bestaande locaties langs de N11. 

5. Alphen aan de Rijn en Bodegraven – Polder Steekt en binnenpolder, N11.

Mogelijkheden voor een lijnopstelling van 9 windturbines parallel aan de bundel N11 en Oude Rijn. Uitwerking van dit zoekgebied gebeurt in samenhang met zoekgebied 4 én de bestaande locaties langs de N11. Weidevogels vormen in dit zoekgebied een aandachtspunt. Via ontwerpend onderzoek en visualisaties dienen de mogelijkheden voor een rustige lijnopstelling onderzocht te worden. Hierbij dient een brede zone te worden betrokken. 

6. Waddinxveen – Achterofsche Polder

Mogelijkheden voor de opstelling van 9 windturbines in een cluster ten zuiden van het Bentwoud. Bij verdere uitwerking van dit zoekgebied kan gekeken worden wat de mogelijkheden zijn voor windturbines in combinatie met het recreatiegebied.

7. Krimpenerwaard – Roozendaalsche polder

Mogelijkheden voor de opstelling van een lange lijn van 6 windturbines. Voor dit gebied geldt dat de ontwikkeling in afstemming met de zoekgebieden van de provincie Utrecht plaats moeten vinden. De nabijheid van N2000 gebied vraagt aandacht. Het heeft de voorkeur een rechte lijn te ontwikkelen.

8.  Krimpenerwaard – Lekkerkerksche Boezem

Mogelijkheden voor opstelling van een lange lijn van 7 windturbines. Voor dit zoekgebied gelden mogelijk beperkingen vanuit Werelderfgoed Kinderdijk. Voor verdere besluitvorming moet een Heritage Impact Assessment (HIA) uitgevoerd worden. Een aandachtspunt zijn broedvogels en niet-broedvogels.

Secundaire zoekgebieden:

9. Alphen aan de Rijn – Zoeterwoude, Benthuizerpolder

Mogelijkheden voor de opstelling van een lange lijn van 4 windturbines in samenhang met zoekgebieden 5 en/of 10. Landschappelijk is dit een nieuwe structuur dwars door een aantal droogmakerijen met verschillende randen. Bij de nadere uitwerking vraagt dit aandacht. Vanuit landschappelijke kwaliteit en leefomgevingskwaliteit is het ongewenst windturbines in dit zoekgebied mogelijk te maken samen met de zoekgebieden 6 en 4.  Bij nadere uitwerking is aandacht voor de kruisende structuren van belang naast de bestaande turbines langs de N11 en zoekgebied 5.

10. Alphen aan de Rijn – Hazerswoudse Droogmakerij

Mogelijkheden voor een opstelling van een lange lijn van 5 windturbines in samenhang met zoekgebieden 5 en 9. Landschappelijk is dit een nieuwe structuur dwars door een aantal droogmakerijen met verschillende randen. Bij de nadere uitwerking vraagt dit aandacht. Vanuit landschappelijke en leefomgevingskwaliteit is het ongewenst windturbines in dit zoekgebied mogelijk te maken samen met de zoekgebieden 6 en 4. Bij nadere uitwerking is aandacht voor de kruisende structuren van belang, naast de bestaande turbines langs de N11 en zoekgebied 5.

12. Bodegraven – Weijland en de Bree

Mogelijkheid voor de opstelling van een lange lijn van 7 windturbines in een grote open ruimte met relatief weinig bebouwing. Aandachtspunten zijn hier natuur en cultuurhistorie, waaronder de nabijheid van het kroonjuweel Wierickerschans.

Bij nadere uitwerking is aandacht voor de bestaande turbines langs de N11 en zoekgebied 5 van belang.

Daarnaast biedt de provincie de mogelijkheid aan initiatiefnemers in deze RES-regio’s om bestaande turbines te optimaliseren (“repoweren”).

RES Rotterdam Den Haag

In deze regio voert de provincie een OER uit om nieuwe potentiële locaties te onderzoeken. Op basis van dit onderzoek hoopt de provincie meer ruimte te kunnen geven aan windturbines, zodat ook deze regio het RES-bod kan realiseren. Daarnaast biedt de provincie de mogelijkheid aan initiatiefnemers voor het repoweren van bestaande turbines.

RES Alblasserwaard

In de RES Alblasserwaard wordt ingezet op het optimaliseren van de bestaande locatie voor windenenergie in de omgevingsverordening – Gorinchem-Noord (locatie S) nabij bedrijventerrein Groote Haar – en de mogelijkheden van middelgrote windturbines op bedrijventerreinen. Daarnaast biedt de provincie de mogelijkheid aan initiatiefnemers voor het repoweren van bestaande turbines.

RES Goeree-Overflakkee, RES Hoeksche Waard en RES Drechtsteden

In de RES Goeree-Overflakkee en de RES Hoeksche Waard biedt de provincie de mogelijkheid aan initiatiefnemers voor het repoweren van bestaande turbines. De RES Drechtsteden ligt volgens de RES Voortgangsrapportage 2025 op koers om het RES bod van 2030 te behalen. Zolang de RES-regio op koers blijft en er geen andere provinciale belangen in het geding zijn ziet de provincie geen aanleiding om windpotentiegebieden of zoeklocaties toe te voegen in de RES Drechtsteden. De RES-partners kunnen, mede op basis van de uitkomsten van het OER, aangeven waar zij windturbines willen realiseren om invulling te geven aan de ambities na 20230. Op basis van het OER is het volgende primaire zoekgebied aangewezen:

11. Dordrecht – Zuidpunt

Dit gebied wordt begrensd ten oosten van de A16, ten noorden van afrit 19 en ten zuiden van de Wieldrechtse Zeedijk. In dit zoekgebied ziet de provincie kansen voor een opstelling van een lijn langs de infrabundel. Bestaande opstellingen van windturbines en de landschappelijke doorkruising van verschillende polders en randen vragen aandacht bij de verdere uitwerking.  Daarnaast biedt de provincie ook hier de mogelijkheid aan initiatiefnemers voor het repoweren van bestaande turbines.

Te onderzoeken effecten

Bij de plaatsing van windturbines dienen op projectniveau de effecten ten aanzien van o.m.onder andere cumulatieve effecten natuur,op flora en fauna, bescherming van waardevol cultureel erfgoed, geluid, externe veiligheid, radar, slagschaduw, lichtschittering, vaarwegen en waterstaatswerken, landschappelijke inpassing, netinfrastructuur, watertoets en archeologie te worden onderzocht. Het voorgaande dient in een MER en/of een ruimtelijke onderbouwingmotivering te worden vastgelegd. De MER verplichting geld alleen voor grote windturbineparken.

Beleidsuitwerking

De provincie maakt de realisatie van het Klimaatakkoord ruimtelijk mogelijk in een aantal specifieke gebieden die opgenomen zijn in de Omgevingsverordening.

Actuele informatie over de realisatie (aantal MW en gerealiseerde locaties) is terug te vinden in de jaarlijkse voortgangsrapportage ‘Meterstand’. 

De provincie verkent de voor- en nadelen van een maximale geluidsnorm voor absoluut geluid op de gevel bij windturbines.

Middelgrote windturbines (as-hoogte tot 45 meter)

Middelgrote windturbines kunnen worden geplaatst:

  • Binnen bestaand stads- en dorpsgebied

  • In glastuinbouwgebied passend bij de lokale situatie

  • Op bedrijventerreinen.

Dit is ter beoordeling aan de gemeente. De provincie kan een zienswijze indienen op een omgevingsplan, indien te weinig rekening is gehouden met het omringende landschap en de cultuurhistorische, ecologische en recreatieve kwaliteiten.

Kleine windturbines (as-hoogte tot 15 meter)

Kleine windturbines kunnen in Zuid-Holland overal worden geplaatst, als er rekening wordt gehouden met het omringende landschap en de cultuurhistorische, ecologische en recreatieve kwaliteiten.

Dit is ter beoordeling aan de gemeente. De provincie kan wel een zienswijze op een omgevingsplan indienen, indien te weinig rekening is gehouden met het omringende landschap en de cultuurhistorische, ecologische en recreatieve kwaliteiten.

HH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

3.1.1.2 Realiseren van Zonne-energie

Wat gaat de provincie doen?

De provincie wil de energietransitie realiseren door het opwekken van zonne-energie te ondersteunen met behoud en bescherming van het landschap en de onbebouwde ruimte in Zuid-Holland. Daarom kijkt de provincie vooral naar de mogelijkheden om zonne-energie op te wekken binnen bestaand stads- en dorpsgebied, bij voorkeur op het dak. Door de inzet van diverse maatregelen waaronder een subsidieregeling, een handreiking en enkele onderzoeken, wil de provincie de realisatie van zonne-energie stimuleren.

De provincieondersteunt het realiseren van zonne-energie om de energietransitie mogelijk te maken. Dit doet zij met behoud en bescherming van het landschap en de onbebouwde ruimte in Zuid-Holland. Daarom kijkt de provincie vooral naar de mogelijkheden om zonne-energie op te wekken binnen bestaand stads- en dorpsgebied, bij voorkeur op het dak, parkeerterreinen en andere objecten. Daar waar buiten bestaand stads- en dorpsgebied zonne-energie is toegestaan, onderzoekt de provincie hoe dit op de meest zorgvuldige wijze kan plaatsvinden. De ruimtelijke uitgangspunten voor de realisatie van zonne-energie en de provinciale zonneladder zijn geregeld in artikel 7.76a. Een uitvoerige toelichting op dit onderwerp is te vinden bij de artikelsgewijze toelichting van dit artikel 7.76a.

De provincie stimuleert de realisatie van zonne-energie door middel vaneen subsidieregeling voor zon op dak, een handreiking voor zon op land en het uitvoeren van onderzoek.

Rol

Presterend

Uitwerking

RES Zoekgebieden zon

Uit de Regionale Energiestrategieën blijkt dat er aanvullend behoefte is aan locaties waar duurzame elektriciteit opgewekt kan worden met behulp van zonnepanelen ook buiten het bestaand stads- en dorpsgebied op land. In juni 2021 zijn in de Zuid-Hollandse RES’en 1.0 zoekgebieden voor zon vastgesteld.

In aanvulling op de locaties zoals die zijn opgenomen in de provinciale uitwerking van de zonneladder zoals geregeld in artikel 7.76a van de Verordening, is -als laatste trede- in de RES zoekgebieden zon meer ruimte voor zonne-energie binnen kaders en randvoorwaarden.

Kaders zonne-energie

Voor de uitwerking van de zoekgebieden zon, zijn voor de provincie de volgende kaders van belang: 

Het provinciale Omgevingsbeleid is van toepassing bij de uitwerking van de zoekgebieden zon. Dit betekent onder andere dat daar waar de zoekgebieden overlappen met de beschermingscategorieën ruimtelijke kwaliteit, de regels voor deze gebieden uit de omgevingsverordening van toepassing zijn. Dit houdt in dat in deze (delen van) de zoekgebieden slechts onder voorwaarden ontwikkelingen voor de opwek van duurzame energie mogelijk zijn, rekening houdend met, en bijdragend aan de beschermde waarden in die gebieden (natuur, kroonjuwelen cultuurhistorie, beschermde graslanden bollenstreek, belangrijke weidevogelgebieden, recreatiegebieden, groene buffergebieden). Praktisch gezien zijn zonnevelden in natuurnetwerk Nederland, de graslanden in de bollenstreek en in belangrijke weidevogelgebieden dan nagenoeg uitgesloten. 

Naast de provinciale voorkeurslocaties ontstaan in de zoekgebieden zon meer mogelijkheden voor zonnevelden als deze verder zijn uitgewerkt en daar (boven-) regionaal over is afgestemd met de betrokken RES-partners, waaronder de provincie. In het kader van de uitwerking van de zoekgebieden vindt een integrale afweging plaats en bovenregionale samenhang met andere (ruimtelijke) opgaven, bijvoorbeeld op het gebied van woningbouw, mobiliteit, recreatie, klimaat, biodiversiteit, landbouw, etc.. Dit om te voorkomen dat later in het proces, bij de vertaling naar het beleid van de betrokken overheden, aan het licht komt dat de voorstellen niet uitgevoerd kunnen worden. Energie infrastructuur: bij de uitwerking wordt gekeken of er voldoende ruimte op het netwerk beschikbaar of tijdig realiseerbaar is.

Naast deze locaties zijn er buiten de zoekgebieden voor zon onder voorwaarden zonnevelden mogelijk, op locaties die vallen binnen de provinciale uitwerking van de zonneladder. Buiten de zoekgebieden is ontheffing op deze provinciale uitwerking van de zonneladder uitsluitend mogelijk als het gaat om een ruimtelijk aanvaardbaar lokaal initiatief dat tot stand is gekomen na een zorgvuldig doorlopen participatieproces. 

Uitwerking zoekgebieden

De provincie zet bij de uitwerking van de zoekgebieden naast de kaders in op het maken van afspraken over proces, scope en product. Het leveren van een bijdrage aan het bevorderen van de biodiversiteit en het realiseren van een goede landschappelijke inpassing vormen de basis bij elk te realiseren zonneveld. Bij de uitwerking zijn de volgende aspecten van belang: 

a.      Integraliteit: met andere opgaven ruimtelijke afweging maken;

b.      Prioritering: o.a. ruimte op het energienetwerk  meewegen;

c.      Ontwerpend onderzoek: visualisaties etc. Scenario’s voor een ruimtelijk samenhangend integraal beeld ontwikkelen;

d.      Product (opsomming hieronder). 

e.      Participatie (zie maatregel 3.1.2 )

Ad c. Ontwerpend onderzoek: 

Zet het instrument van ontwerpend onderzoek in bij het verder uitwerken van de zoekgebieden 

Ad d. Product: 

Bestaat uit: 

  • 1.

    Beschrijving van de andere (ruimtelijke) opgaven en relevante meekoppelkansen per zoekgebied. 

  • 2.

    Visualisaties van de wijze waarop deze meekoppelkansen kunnen worden benut. 

  • 3.

    Globaal kaart beeld van het beoogde ‘eindplaatje’ in het zoekgebied of de ligging van een concrete locatie (als dat het resultaat is van de uitwerking van het zoekgebied) 

  • 4.

    (Suggesties voor) te nemen inrichtings- en beheersmaatregelen op het gebied van landschappelijke inpassing en de bevordering van de biodiversiteit. 

  • 5.

    Afspraken over hoeveelheid ha zonneveld dat gebouwd kan worden in het zoekgebied en de mogelijke locaties daarvan binnen het zoekgebied. (kan bv zijn: direct aansluitend aan de dorpsrand, in een specifieke clustering enz.

  • 6.

    Afspraken over hoe procesmatig wordt omgegaan met initiatieven binnen het zoekgebied zodat deze inderdaad op de beoogde plekken landen en op de juiste wijze worden uitgewerkt. 

  • 7.

    Inschatting van de beoogde bijdrage aan de geformuleerde ambitie in de RES. 

  • 8.

    Beschrijving van de eventueel benodigde aanpassing in de netinfrastructuur. 

 Stimuleren Zonne-energie op dakenen dubbel ruimtegebruik 

Zuid-Holland heeft veel daken die kunnen worden benut voor het opwekken van zonne-energie. Met het Aanvalsplan ‘Zon op Dak’ stimuleert de provincie dat op zoveel mogelijk hiervoor geschikte daken zonnepanelen worden geplaatst. Dit doet de provincie door:

  • aanmoedigen zon op dak en dubbel ruimtegebruik, conform provinciale uitwerking van de zonneladder;

  • energiecoöperaties en eigenaren van daken bij elkaar te brengen;

  • het bieden van ondersteuning en advies bij het aanvragen van subsidies;

  • de ontwikkeling van kennis over bijvoorbeeld nieuwe financieringsmogelijkheden.

 Met de subsidieregeling ‘Zonnig Zuid-Holland’ stimuleert de provincie de toepassing van zonnepanelen op met name grote daken. Deze subsidieregeling draagt bij aan:

Zuid-Holland heeft veel daken, gevels en andere objecten die benut kunnen worden voor het opwekken van zonne-energie. De provincie stimuleert dit door middel van: 

  • aanmoedigen zon op dak en dubbel ruimtegebruik, conform provinciale uitwerking van de zonneladder; 

  • subsidieregeling om daken en objecten geschikt te maken voor het benutten van zonne-energie; 

  • interesse wekken bij dakeigenaren om dak beschikbaar te stellen aan o.a. energiecoöperaties door het bieden van ondersteuning en advies; 

  • het ontwikkelen en het delen van kennis en ervaring. 

  • Met de subsidieregeling ‘Zonnig Zuid-Holland’ stimuleert de provincie de toepassing van zonnepanelen op grote daken. Deze subsidieregeling draagt bij aan: 

  • het onderbrengen van daken bij energiecoöperaties; 

  • de kosten die nodig zijn om zonnepanelen op moeilijkere (maar wel geschikte) plaatsen te installeren;

    het verlagen van de kosten die nodig zijn om zonnepanelen te installeren op bestaande daken die geschikt gemaakt moeten worden; 

  • zon zonnepanelen op waterbassins, indien er eerst een constructie gebouwd moet worden; 

  • zon zonnepanelen op parkeerterreinen, indien er eerst een constructie gebouwd moet worden. 

Handreiking ruimtelijke kwaliteit zonne-energie-actualiseren

Toch Handreiking ruimtelijke kwaliteit zonne-energie actualiseren

Er
zijn er ook initiatieven om zonnevelden buiten bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) aan te leggen. Om handvatenhandvatten te bieden voor het ontwikkelen van zonnevelden met een meerwaarde voor de omgeving heeft de provincie een Handreiking ‘ruimtelijke kwaliteit zonne-energie Zuid-Holland’ ontwikkeld. De handreiking is bedoeld voor ontwikkelaars en gemeenten en bevat een toelichting op het beleid, een stappenplan, praktische informatie en voorbeelden voor het uitwerken van zonnevelden. Deze handreiking wordt geactualiseerd en uitgebreid met inzichten over het versterken van biodiversiteit, (voorafgaand aan een landelijk Ecocertified Label voor zonnevelden), agri-PV en zonthermie. 

Een goed ontworpen en beheerd zonneveld kan bijdragen aan de verbetering van de biodiversiteit ter plaatse. Daartoe zal de provincie ook de handreiking ruimtelijke kwaliteit zonne-energie uitbreiden met voorbeelden en suggesties voor inrichting en beheer gericht op het bevorderen van de biodiversiteit.

Onderzoeken 

Onderzoek ruimtelijke impact zonthermie - De provincie start een onderzoek om inzichtelijk te maken of en welke voorwaarden van toepassing zijn bij de realisatie van een zonthermie-veld. Het onderzoek moet leiden tot aanbevelingen voor de ruimtelijke inpassing van zonthermie. Op basis hiervan kan, indien nodig, het omgevingsbeleid worden aangepast en de handreiking ruimtelijke kwaliteit zonne-energie worden aangevuld. Dit als handvat bij het uitwerken en beoordelen van initiatieven voor zonthermie velden en installaties.

Onderzoek zonnepanelen als teelt ondersteunende voorziening of meervoudig ruimtegebruik in de vorm van agri-PV. Het gaat hierbij om een permanente voorziening. De provincie vindt dit een interessante ontwikkeling en start een onderzoek om inzichtelijk te maken of en onder welke voorwaarde zonnepanelen kunnen worden ingezet als teelt ondersteunende voorziening of agri-PV. Daarbij wordt onderzocht: de verschijningsvorm, het mogelijke toepassingsgebied, eventuele randvoorwaarden voor de toepassing en aanbevelingen voor de landschappelijke inpassing.

De provincie vindt zonnepanelen als teelt ondersteunende voorziening of meervoudig ruimtegebruik in de vorm van een agrarische permanente voorziening (agri-PV) een interessante ontwikkeling en start een onderzoek. Op basis van de resultaten van het onderzoek kan, indien nodig, een voorstel worden gedaan voor aanpassing van het Omgevingsbeleid.

Op basis van de resultaten van het onderzoek kan, indien nodig, een voorstel worden gedaan voor aanpassing van het omgevingsbeleid en de handreiking ruimtelijke kwaliteit zonne-energie. Hangende dit onderzoek worden initiatieven voor zonnepanelen als teelt ondersteunende voorziening beoordeeld op basis van het ruimtelijke kwaliteitsbeleid en landschappelijke inpassing. 

Nadere uitwerking ruimtelijke uitgangspunten zonne-energie

De ruimtelijke uitganspunten die de provincie hanteert voor realisatie van zonne-energie volgen de provinciale zonneladder en zijn te vinden in de toelichting op de verordening.

II

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

3.1.1.5 Uitwerken RES-zoekgebieden zon en wind

Wat gaat de provincie doen?

In een aantal RES-regio’s zijn zoekgebieden voor wind en/of zon opgenomen. De aard, omvang en mate van uitwerking van deze zoekgebieden verschilt per RES-regio. Waarbij de inzet is dat er een integrale afweging en uitwerking plaatsvindt, en rekening wordt gehouden met andere opgaven en ruimtelijke ontwikkelingen.

Rol

Presterend

Uitwerking

Uit de planMER bij deze herziening is gebleken dat, met de beperkingen die volgen uit de planMER, het mogelijk lijkt om de opgetelde doelstellingen voor energieopwekking vanuit de RES’en binnen Zuid-Holland in te kunnen vullen. In dit proces worden de zoekgebieden uit de RES1.0 verder uitgewerkt en afgewogen. De provincie blijft daarbij als partner in de RES betrokken.

In aanvulling op de locaties zoals die zijn opgenomen in de provinciale uitwerking van de zonneladder, is in de zoekgebieden meer ruimte voor als de zoekgebieden verder zijn uitgewerkt en daar regionaal over is afgestemd met de betrokken RES-partners.

Bij de totstandkoming van de RES’en is bij de keuze van de zoekgebieden niet in alle gevallen sprake geweest van een integrale afweging met andere opgaven en ruimtelijke claims. De verdere uitwerking van de zoekgebieden kan dan ook leiden tot nieuwe inzichten waarbij (delen van) zoekgebieden niet geschikt blijken voor wind en/of zon en nieuwe zoekgebieden mogelijk in beeld komen.

Beleid zon

Het beleid voor zonne-energie bestaat naast een beleidskeuze Duurzame opwek elektriciteit uit regels in de omgevingsverordening. Daarnaast is het ruimtelijke kwaliteitsinstrumentarium van belang met onder andere een richtpunt voor zon bij de kwaliteitskaart, de beschermingscategorieën ruimtelijke kwaliteit en de handreiking ruimtelijke kwaliteit zonne-energie.

Beleid wind

Het beleid voor windenergie bestaat naast een beleidskeuze Duurzame opwek elektriciteit uit regels in de omgevingsverordening. Bij een verkenning naar nieuwe locaties voor wind is de provinciale omgevingsvisie leidend. De ruimtelijke uitgangspunten zijn daarbij dat windenergie passend is langs grootschalige infrastructuur (op snelwegen), op grote bedrijventerreinen, of op de grote scheidslijnen tussen land en water. Windturbines plaatsen we ‘daar waar het waait’ (denk aan kustgebieden), ‘daar waar energie gevraagd wordt’ (denk aan industrie) en ‘daar waar ze aan kunnen sluiten bij grote landschappelijke structuren’ (grootschalige overgangen land-water, grote lijnvormige (infra)structuren (havengebied)).

Definitie zoeklocaties- en zoekgebieden

Zoeklocatie: gaat om een concrete plek voor de realisatie van wind (en/of zon). Voor deze zoeklocaties is een nadere uitwerking, verbeelding en onderzoek naar effecten op bijvoorbeeld natuur, radar, andere opgaven aan de orde. De uitkomsten van deze uitwerking kan leiden tot opname van deze locaties op de kaart in de Omgevingsverordening.

Zoekgebieden: zijn plekken/zones/grotere gebieden waar een nadere uitwerking, verfijning en afweging nodig is over de realisatie van duurzame opwek. Het kan gaan om zon en/of wind.

Uitwerking

De provincie zet bij de uitwerking van de zoekgebieden op het volgende in:

  • Maken van afspraken over proces, scope, product

  • Kaders

Ad 1 Proces, scope, product

Bij de uitwerking van de RES 1.0 maken de partners in de RES-regio’s afspraken over het te doorlopen proces, de scope en het op te leveren product. Bij het maken van deze afspraken vindt de provincie de volgende aspecten van belang:

a. Integraliteit

b. Prioritering

c. Ontwerpend onderzoek

d. Product.

e. Participatie

Ad a. Integraliteit:

In het kader van de uitwerking van de zoekgebieden vindt ook een integrale afweging plaats met andere (ruimtelijke) opgaven, bijvoorbeeld op het gebied van woningbouw, mobiliteit, recreatie, klimaat, biodiversiteit, landbouw. Dit om te voorkomen dat later in het proces, bij de vertaling naar het omgevingsbeleid van de betrokken overheden, aan het licht komt dat de voorstellen niet uitgevoerd kunnen worden.

Ad b. Prioritering:

Start met de uitwerking van die zoekgebieden waar er nog voldoende ruimte op het netwerk is en die als kansrijk uit de planMER komen.

Ad c. Ontwerpend onderzoek:

Zet het instrument van ontwerpend onderzoek in bij het verder uitwerken van de zoekgebieden

Ad d. Product:

Bestaat uit:

  • 1.

    Beschrijving van de andere (ruimtelijke) opgaven en relevante meekoppelkansen per zoekgebied.

  • 2.

    Visualisaties van de wijze waarop deze meekoppelkansen kunnen worden benut.

  • 3.

    Globaal kaart beeld van het beoogde ‘eindplaatje’ in het zoekgebied of de ligging van een concrete locatie (als dat het resultaat is van de uitwerking van het zoekgebied)

  • 4.

    (Suggesties voor) te nemen inrichtings- en beheersmaatregelen op het gebied van landschappelijke inpassing en de bevordering van de biodiversiteit.

  • 5.

    Afspraken over hoeveelheid ha zonneveld/ aantal windturbines dat gebouwd kan worden in het zoekgebied en de mogelijke locaties daarvan binnen het zoekgebied. (kan bv zijn: alleen achter op de percelen of: direct aansluitend aan de dorpsrand of: tussen elk zonneveld moet minimaal x percelen zitten enz.).

  • 6.

    Afspraken over hoe procesmatig wordt omgegaan met initiatieven binnen het zoekgebied zodat deze inderdaad op de beoogde plekken landen en op de juiste wijze worden uitgewerkt.

  • 7.

    Inschatting van de beoogde bijdrage aan de geformuleerde ambitie in de RES.

  • 8.

    Beschrijving van de eventueel benodigde aanpassing in de netinfrastructuur.

  • 9.

    Planning van de realisatie en het beheer.

  • 10.

    Beschrijving hoe wordt omgegaan met de installaties na beëindiging van de vergunning hoe de ontmanteling van de opweklocatie wordt vastgelegd.

  • 11.

    Beschrijving van de benodigde participatie (proces en financieel) op projectniveau bij de realisatie van concrete initiatieven.

 Ad e. Participatie

Voorafgaand aan het uitwerken van de zoekgebieden en zoeklocaties stemt de provincie graag met de RES-partners en/of de initiatiefnemers van een project een participatieplan af, waarin de 4D’s zijn opgenomen. Ten behoeve van de besluitvorming komt er een terugkoppeling van het participatieproces en in hoeverre we erin zijn geslaagd de gestelde doelen te bereiken.

Hieronder staan de 4D’s nader uitgewerkt.

Doelen

In het participatieplan wordt vooraf beschreven welke doelen wordt nagestreefd en wat dat betekent voor de organisatie van participatie-momenten.

  • zorg voor onderbouwde doelstellingen, maak daarbij onderscheid tussen procesdoelen, inhoudelijke doelen en resultaatdoelen;

  • maak je doelen expliciet en waar mogelijk zo goed mogelijk kwalitatief of kwantitatief meetbaar om het hiermee goed bij te kunnen sturen tijdens het proces;

  • doelen kunnen dynamisch zijn; benoem momenten waarop je deze evalueert en indien nodig aanpast.

Dialoog

Het gesprek is met een open houding aangegaan, waarbij ruimte is voor zowel argumenten als emoties.

  • het gesprek wordt gevoerd via een platform dat voor een brede doelgroep beschikbaar is. Het voeren van een constructief gesprek wordt gefaciliteerd door een gespreksleider die kundig, sociaal sterk en onafhankelijk is t.a.v. de uitkomst van het besluitvormingsproces;

  • zorg dat deelnemers voldoende ruimte krijgen om zowel voor en tegen argumenten naar voren te kunnen brengen, en ook met elkaar in gesprek te kunnen gaan;

  • in het gesprek wordt niet alleen gekeken naar standpunten, maar ook de onderliggende argumenten, waarden, emoties. Elke standpunt is op zichzelf waardevol, maar het is ook belangrijk om te begrijpen waarom iemand een bepaald standpunt heeft, wat als katalysator kan dienen om het gesprek verder te brengen.

Diversiteit

  • Een zo breed mogelijke groep mensen en belangen wordt vertegenwoordigd in het participatieproces. definieer vooraf welke doelgroepen idealiter meedoen aan het participatieproces. Hanteer hierbij niet alleen demografische kenmerken (leeftijd, geslacht, opleidingsniveau, etc.) als criterium, maar ook andere gegevens zoals woningeigenaar-huurder of het geografische gebied waarbinnen je actief betrokkenen benadert;

  • geef in je participatieplan aan welke inspannings- of resultaatverplichting je verbindt aan het bereiken van de verschillende doelgroepen. Ga aan de hand hiervan gedurende het proces na wat het resultaat is: zijn ook traditioneel ondervertegenwoordigde groepen voldoende aan het woord gekomen? Zijn een verscheidenheid aan belangen naar voren gekomen?;

  • breng in kaart welke inhoudelijke, verschillende perspectieven/belangen naar voren zijn gekomen in de gesprekken en hoe deze zich verhouden tot het algemeen belang.

Doorwerking

Aan het begin van het participatieproces wordt duidelijk gemaakt aan burgers wat de ruimte is voor invloed. Achteraf wordt gecommuniceerd wat voor invloed de inbreng in het participatieproces al dan niet heeft gehad op het besluit.

  • van te voren worden duidelijke kaders gesteld voor de reikwijdte van invloed van burgers op besluitvorming. Zorg dat er een goede afstemming is met de (gemeente)raad over de mate van invloed van het publiek;

  • bij elke fase van het participatieproces wordt duidelijk gemaakt aan de deelnemers wat de reikwijdte is van invloed en in hoeverre invloed (nog) kan worden verwerkt in het besluit. - Het wordt inzichtelijk gemaakt welke resultaten zijn meegenomen uit de verschillende participatie-activiteiten en in hoeverre deze hebben geleid tot aanpassingen;

  • in de besluitvorming wordt meegewogen in hoeverre de verschillende doelen uit het participatieplan zijn gerealiseerd.

Deze uitgangspunten zijn gebaseerd op een onderzoek dat is uitgevoerd door een onderzoeksteam van de Rijksuniversiteit Groningen in opdracht van de provincie. Hierin zijn Zuid-Hollandse gemeenten, RES-regio’s en leden van Provinciale Staten betrokken. In dit onderzoek worden de uitgangspunten uitgebreider beschreven en worden werkmethoden aangereikt om deze ook in praktijk te brengen.

Ad 2: Kaders

Voor de uitwerking van de zoekgebieden zijn voor de provincie de volgende kaders van belang:

Het provinciale omgevingsbeleid is van toepassing bij de uitwerking van de zoekgebieden zon en wind. Dit betekent onder andere dat daar waar de zoekgebieden overlappen met de beschermingscategorieën ruimtelijke kwaliteit de regels voor deze gebieden uit de omgevingsverordening van toepassing zijn. Dit betekent dat in deze (delen van) de zoekgebieden slechts onder voorwaarden ontwikkelingen voor de opwek van duurzame energie mogelijk zijn rekening houdend met, en bijdragend aan de beschermde waarde in die gebieden (natuur, kroonjuwelen cultuurhistorie, beschermde graslanden bollenstreek, belangrijke weidevogelgebieden, recreatiegebieden, groene buffergebieden). Praktisch gezien zijn zonnevelden in natuurnetwerk Nederland, de graslanden in de bollenstreek en in belangrijke weidevogelgebieden dan nagenoeg uitgesloten.

Voor wind hanteren we bij de uitwerking van de zoekgebieden aanvullend daarop de provinciale visie op wind: De ruimtelijke uitgangspunten zijn daarbij dat windenergie passend is langs grootschalige infrastructuur (snelwegen), op grote bedrijventerreinen of op de grote scheidslijnen tussen land en water; de randen van de Zuid-Hollandse eilanden. Windturbines plaatsen we ‘daar waar het waait’ (denk aan kustgebieden), ‘daar waar energie gevraagd wordt’ (denk aan industrie) en ‘daar waar ze aan kunnen sluiten bij grote landschappelijke structuren’ (grootschalige overgangen land-water, grote lijnvormige (infra)structuren (havengebied)). De voorkeur wordt gegeven aan enkelvoudige lijnopstellingen en clusters, in samenhang met en evenwijdig aan de betreffende infrastructuur en scheidslijnen. Bestaande opstellingen van moderne, grote turbines kunnen ter plaatse vervangen en opgeschaald worden.

Bij de plaatsing van windturbines dienen op projectniveau effecten ten aanzien van onder meer natuur, flora en fauna, bescherming van waardevol cultureel erfgoed, geluid, externe veiligheid, radar, slagschaduw, lichtschittering, vaarwegen en waterstaatswerken, landschappelijke inpassing, beleving, netinfrastructuur, watertoets en archeologie te worden onderzocht. Het voorgaande dient in een MER en/of een ruimtelijke onderbouwing te worden vastgelegd.

Voor zon:

In aanvulling op de locaties zoals die zijn opgenomen in de provinciale uitwerking van de zonneladder kan het zijn dat in de zoekgebieden die door Provinciale Staten zijn vastgesteld, meer mogelijkheden komen voor zonnevelden. Randvoorwaarde is dan wel dat een integrale nadere verkenning en uitwerking van deze zoekgebieden is uitgevoerd waarbij onder andere opgaven rond de landbouw vanwege bijvoorbeeld bodemdaling, waterkwaliteit, stikstof en biodiversiteit, maar ook mogelijk andere ruimtelijke opgaven die spelen in het gebied, mee worden genomen.

Het leveren van een bijdrage aan het bevorderen van de biodiversiteit en het realiseren van een goede landschappelijke inpassing vormen de basis bij elk te realiseren zonneveld.

De bovenregionale samenhang en de samenhang tussen de zoekgebieden wordt meegenomen bij de uitwerking van de zoekgebieden.

In het kader van de herziening van de module energie is een planMER uitgevoerd. Aandachtspunten per zoekgebied uit deze planMER worden meegenomen bij de uitwerking van de zoekgebieden.

Energie infrastructuur: bij de uitwerking wordt gekeken of er voldoende ruimte op het netwerk beschikbaar of tijdig realiseerbaar is. Benodigde ruimte voor aanvullende of nieuwe infrastructuur (leidingen, opslag, transformatiestations etc.) wordt meegenomen bij de uitwerking van de zoekgebieden.

Proces

Zon

In de door Provinciale Staten vastgestelde zoekgebieden voor zon uit de Regionale Energiestrategieën kan het zijn dat aanvullend op de locaties zoals die zijn opgenomen in de provinciale uitwerking van de zonneladder, meer mogelijkheden komen voor zonnevelden als de zoekgebieden verder zijn uitgewerkt en daar (boven)regionaal over is afgestemd met de betrokken RES-partners.

Naast deze locaties zijn er buiten de zoekgebieden voor zon onder voorwaarden zonnevelden mogelijk op locaties die vallen binnen de provinciale uitwerking van de zonneladder. Buiten de zoekgebieden is ontheffing op deze provinciale uitwerking van de zonneladder uitsluitend mogelijk als het gaat om een ruimtelijk aanvaardbaar lokaal initiatief dat tot stand is gekomen na een zorgvuldig doorlopen participatieproces

Wind

Indien de zoekgebieden in het vervolgproces van de RES wordt gecontinueerd of concreet worden uitgewerkt is een mogelijke volgende stap deze te verwerken in de regels en kaarten (kaart 16 wind) in de Omgevingsverordening.

Conform de besluitvorming in Provinciale Staten ondersteunt de provincie in deze fase de uitwerking van zoekgebieden voor wind in het Groene Hart niet.

Deze maatregel heeft betrekking op de zoekgebieden zoals deze zijn opgenomen in de door Provinciale Staten vastgestelde RES 1.0.

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

[Vervallen]

JJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

3.1.1.6 Verbinden van energietransitie aan andere ruimtelijke opgaves

Wat gaat de provincie doen?

De provincie wil de energietransitie beter verbinden aan andere ruimtelijke opgaves, waarmee energie een vanzelfsprekend onderdeel in het Zuid-Hollandse landschap wordt. Dit vraagt om inspirerende en innoverende voorbeelden, kennisontwikkeling op het gebied van inpassing van energie in Zuid-Holland en samenwerking met partners om tot de best mogelijke oplossingen te komen.

Rol

Samenwerkend

Uitwerking

In de RES-regio’s zijn zoekgebieden voor wind en/of zon opgenomen. Ruimte en landschap vervullen in de verdere beleidsontwikkeling van provincie en gemeenten en de stap naar RES2.0 een grotere rol. Niet alleen binnen de RES, maar ook tussen en boven de schaal van de RES’en.

Bij de onderdelen zon en wind zijn verkenningen op het gebied van ruimte en energie opgenomen. Daarnaast is het nodig om verder vooruit te kijken. Waarbij rekening wordt gehouden met een andere of grotere opgave, waarbij ook het energiesysteem een belangrijke rol speelt. Een belangrijke vraag is ook hoe energie aan allerlei andere opgaven in de provincie kan worden verbonden. Het verbinden van energie met provinciale opgaven gebeurt in samenwerking met de partners. In het programma “energie en landschap in de energietransitie” wordt, in samenwerking met partners,  kennis ontwikkeld, verdiept en gedeeld.

In dit programma komen de volgende onderdelen;

  • Ontwerpend onderzoek naar ruimte en het toekomstig energiesysteem (2050)

  • Lerende netwerk in de vorm van ontwerpateliers

  • Ruimtelijke verkenningen naar verschillende onderdelen uit het energiesysteem

  • Relatie met kunst en cultuur

[Vervallen]

KK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

3.1.2.1 Lokaal eigendom

Wat gaat de provincie doen?

De provincie hanteert minimaal 50% lokaal eigendom van (grootschalige) zon en windenergieprojecten als uitgangspunt en streeft naar 100%. Er wordt met gemeenten samengewerkt om dit doel te bereiken.

Rol

Samenwerkend

Uitwerking

De komende periode zal de provincie:

  • landelijke ontwikkelingen volgen en een actieve rol spelen in kennisdeling met gemeenten;

  • een beleidskader lokaal eigendom en participatie opstellen en (daarmee) gemeenten actief benaderen met het aanbod om te ondersteunen bij het opstellen van een beleidskader voor lokaal eigendom;

  • energiecoöperaties ondersteunen bij het professionaliseren en financieel ondersteunen bij de voorbereidingsfase van energieprojecten middels het ontwikkelfonds voor energiecoöperaties;

  • de Zuid-Hollandse koepel van energie-coöperaties Energie Samen Zuid-Holland blijven steunen zodat zij namens de burgercollectieven lokaal eigendom kunnen realiseren.

  • de provincie zet zich actief in om iedereen te kunnen laten participeren in lokaal eigendom, door goede voorbeelden van inclusieve modellen voor duurzame opwekprojecten te delen met energiecoöperaties, gemeenten, lokale bedrijven en andere initiatiefnemers.

[Vervallen]

LL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

3.1.2.2 Stimuleren lokale initiatieven

Wat gaat de provincie doen?

De provincie wil dat financiële participatie in lokale energievoorzieningen ook ten goede komt aan het betreffende gebied en werkt aan een systeem daarvoor. Daarnaast zet de provincie zich in om ervoor te zorgen dat groepen die minder te besteden hebben ook de vruchten kunnen plukken van de energietransitie. Voor dat doel ondersteunt de provincie een aantal pilots en kennisnetwerken. Ook werkt de provincie samen met deze groepen, woningcorporaties en maatschappelijke organisaties aan projecten op het gebied van besparing en verduurzaming van hun huizen.

Rol

Samenwerkend

Uitwerking

De provincie stimuleert lokaal eigenaarschap van elektriciteitsvoorzieningen. Met de subsidieregeling ’lokale initiatieven‘ ondersteunt de provincie bewonersinitiatieven voor het zelf opwekken van energie. 

De provincie ondersteunt samenwerkingsverbanden en deelt de lessen hieruit. Met steun van de provincie organiseert het ‘lerend netwerk’ van lokale initiatieven kennisbijeenkomsten rondom concrete thema’s. De provincie zorgt ervoor dat de vragen, lessen en knelpunten uit het netwerk op de agenda komen van de energieregio’s en gemeenten. 

De provincie steunt de ontwikkelfaciliteit voor lokale energieprojecten. Deze faciliteit betreft een samenwerking van het ministerie van Binnenlandse Zaken, een aantal provincies en burgercoöperaties. Met behulp van de faciliteit worden risico’s over meerdere projecten verdeeld en krijgen lokale initiatieven de mogelijkheid om op professionele schaal energieprojecten te ontwikkelen.

[Vervallen]

MM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

3.1.3.1 Bevorderen duurzame verwarmingsvoorziening

Wat gaat de provincie doen?

De provincie draagt bij aan het betrouwbaar, betaalbaar, duurzaam en veilig beschikbaar stellen van warmte voor het stedelijk gebied. Daarvoor is een goede infrastructuur nodig zoals mogelijkheden voor opslag en transport van warmte, onder meer via regionale warmtetransportnetten met onafhankelijk netbeheer. De provincie stimuleert en faciliteert projecten waarbij restwarmte, geothermie en lokale bronnen optimaal benut worden voor de verschillende vormen van warmtevoorziening. 

De provincie werkt aan de optimalisatie van duurzame warmtebronnen in Zuid-Holland (restwarmte, geothermie, aquathermie en andere bronnen) en zet zich in voor de totstandkoming van een robuust, publiek beheerd warmtetransportsysteem voor Zuid-Holland. Daarnaast ondersteunt de provincie innovaties voor de optimalisatie voor duurzame warmte, zoals de ontwikkeling van slimme warmtenetwerken.

Rol

Presterend

[Vervallen]

NN

Na sectie '3.1.1.4 Samenwerken aan regionale energiestrategieën' worden vijf secties ingevoegd, luidende:

3.1.1.5 Boerenerfmolens

Wat gaat de provincie doen?

De provincie ondersteunt lokale ondernemers om meer zelfvoorzienend te worden in de opwek van hun eigen energieverbruik. Kleine windturbines op het boerenerf of bedrijfsperceel, ook wel “boerenerfmolens”, kunnen daaraan een bijdrage leveren.

Rol

Samenwerkend

Uitwerking

De provincie heeft een samenwerkende rol in de uitvoering van dit beleid. Samen met gemeenten, omgevingsdiensten, initiatiefnemers en turbinebouwers zal dit beleid nader worden uitgewerkt.

3.1.2.1 Participatie en lokaal eigendom in de energietransitie

Wat gaat de provincie doen?

De provincie Zuid-Holland wil dat inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties op een betekenisvolle manier betrokken zijn bij grootschalige energieprojecten. Dat betekent: zeggenschap, eigenaarschap en profijt voor de lokale gemeenschap. Het uitgangspunt is minimaal 50% lokaal eigendom. Dit vergroot draagvlak en vertrouwen, draagt bij aan slimme lokale oplossingen in de energietransitie en zorgt dat opbrengsten terechtkomen bij de gemeenschap waar de projecten plaatsvinden. De provincie stelt een beleidskader Participatie en Lokaal Eigendom bij grootschalige energieprojecten op dat richting geeft aan grootschalige opwekprojecten (zoals windenergie) en energieopslagprojecten. Hierin worden definities, toepassingsbereik en voorwaarden vastgelegd.

De provincie werkt samen met gemeenten in Zuid-Holland, en biedt indien gewenst ondersteuning bij het ontwikkelen van eigen kaders en beleid, zodat lokaal eigendom ook daar structureel wordt geborgd. Dit geldt ook specifiek voor Opwek van Energie op Rijksvastgoed (OER) projecten. De provincie stimuleert en faciliteert energiegemeenschappen en energiecoöperaties. Door de Energiewet 2026 krijgen zij meer ruimte; de provincie versterkt dit met kennisdeling en financiële ondersteuning, en door bij te dragen aan normering. Via het Ontwikkelfonds voor energiecoöperaties en via structurele steun aan de koepelorganisatie Energie Samen Zuid-Holland (ESZH) maakt de provincie het mogelijk dat coöperaties professionaliseren en projecten daadwerkelijk realiseren. Inclusiviteit is een expliciet aandachtspunt: ook mensen met een kleine beurs of beperkte mogelijkheden moeten kunnen meedoen en profiteren.

Rol

Samenwerkend

Uitwerking

De provincie zal de komende periode:

  • het beleidskader Participatie en Lokaal Eigendom bij grootschalige energieprojecten vaststellen en implementeren;

  • gemeenten actief benaderen om te ondersteunen bij eigen beleidsontwikkeling, en bij versterking van lokale samenwerking met energiecoöperaties en andere lokale initiatieven;

  • energiegemeenschappen ondersteunen in hun professionalisering en toegankelijkheid, en bijdragen aan normering en kwaliteitscriteria. De provincie ontwikkelt inclusieve modellen en zal deze breed delen, zodat iedereen kan deelnemen;

  • via ESZH energiecoöperaties en lokale initiatieven ondersteunen met kennis, begeleiding, en toegang tot financiering en subsidies.

3.1.2.2 Eerlijke energietransitie bevorderen

Wat gaat de provincie doen?

De provincie wil dat de energietransitie eerlijk verloopt en dat iedereen kan meedoen én profiteren. Een eerlijke transitie betekent dat lusten en lasten evenwichtiger verdeeld worden. Daarom zorgt de provincie ervoor dat rechtvaardigheid een integraal onderdeel van beleid en uitvoering wordt.

Ook is er aandacht nodig voor mensen en gemeenschappen die minder vanzelfsprekend meekomen. Voor veel inwoners – met name kwetsbare groepen – zijn hoge energiekosten, (energie)armoede en een gebrek aan handelingsperspectief een dagelijkse realiteit. Zij dreigen onevenredig te worden belast, terwijl juist zij gebaat zijn bij kansen om te verduurzamen en kosten te besparen. De provincie neemt hierin een actieve rol. Zij ondersteunt gemeenten, woningcorporaties en maatschappelijke organisaties bij de aanpak tegen energiearmoede en bij wijkgerichte energiebesparing. Daarbij is lokale samenwerking en inzet vanuit vertrouwde kring van belang.

De provincie versterkt de sociaal-maatschappelijke kant van de energietransitie door ruimte te geven aan maatschappelijk initiatief en aan maatschappelijke innovatie. Zij stimuleert en financiert bewonersinitiatieven via de Subsidieregeling Lokale Initiatieven, stimuleert collectieve en gemeenschapsgerichte projecten, en bevordert samenwerking tussen gemeenten, lokale initiatieven, en maatschappelijke partners.

De provincie brengt lessen uit de praktijk in bij het Rijk en landelijke netwerken, en zorgt dat beleid aansluit bij wat er lokaal gebeurt. Door in te zetten op kennisdeling, experimenten en samenwerking bevordert de provincie dat de energietransitie toegankelijker en haalbaarder wordt voor iedereen. Daarmee wordt vertrouwen opgebouwd, ongelijkheid verkleind en de overgang naar een duurzame energievoorziening versneld.

Rol

Responsief

Uitwerking

De provincie zal de komende periode:

  • rechtvaardigheidsprincipes verkennen en toepassen in provinciaal energiebeleid.

  • lokale initiatieven stimuleren en financieren met de subsidieregeling ‘Lokale initiatieven in de energietransitie 2023’ om collectieve en gemeenschapsgerichte energieprojecten te realiseren, en hen actief begeleiden bij aanvragen en uitvoering;

  • investeren in praktijkexperimenten en doorbraakprojecten (zoals energieopbouwwerk via welzijnsorganisaties die dicht bij bewoners staan, of het ontwikkelen van inclusieve participatiemodellen waardoor ook mensen zonder spaargeld of eigen woning kunnen profiteren van verduurzaming). De provincie doet mee met projecten in de wijk die bijdragen aan een eerlijke en inclusieve energietransitie.

  • samen met gemeenten, woningcorporaties en welzijnsorganisaties ondersteuning bieden bij energiebesparing en verduurzaming van woningen in kwetsbare wijken;

  • lerende netwerken en communities of practice faciliteren, waar gemeenten, maatschappelijke organisaties en initiatieven kennis en ervaring uitwisselen;

  • kennis en goede voorbeelden breed ontsluiten, zodat niet overal opnieuw het wiel hoeft te worden uitgevonden;

  • actief bijdragen aan landelijke programma’s en lobby om rechtvaardigheid en inclusiviteit steviger te verankeren in nationaal energiebeleid, en Zuid-Hollandse praktijkervaringen daar inbrengen. De provincie verbindt lokale praktijk en landelijke programma’s.

3.1.3.1 Energiebesparing

Wat gaat de provincie doen?

De provincie organiseert de inzet op energiebesparing langs drie lijnen; stimuleren, verbinden en versterken.  De provincie stimuleert energiebesparing door middel van initiëren, plannen, begeleiden, mogelijk maken van innovatieve pilots en het verstrekken van subsidies. Daarnaast tracht de provincie te verbinden door mensen, kennis en kunde rondom energiebesparing bijeen te brengen. Tot slot versterkt de provincie de ingezette koers op energiebesparing door de voortgang te monitoren, de resultaten te borgen en door binnen de provincie aanpalende beleidsterreinen te voorzien van relevante informatie.    

In dit programma wordt nadrukkelijk afstemming gezocht met sectorale plannen en initiatieven. Daarnaast wordt er, waar mogelijk, integraal en gebiedsgericht gewerkt.   

Rol

Presterend

Uitwerking

Ontzorgingsprogramma  

Om de doelstellingen uit het Klimaatakkoord te halen, is o.a. verduurzaming van het maatschappelijk vastgoed en Midden- en Kleinbedrijf (MBK) nodig. Voor eigenaren is dit een uitdaging door gebrek aan kennis, uitvoeringscapaciteit en middelen. De ontzorgingsprogramma’s bieden eigenaren gratis advies en ondersteuning bij de verduurzaming van hun gebouwen. Deze programma's lopen tot 2027.  

Besparingsprojecten en doelgroepenaanpak   

De provincie brengt zoveel mogelijk relevante doelgroepen bij elkaar (bijvoorbeeld eigenaren, gebruikers, ontwikkelaars – glastuinbouw en gebouwde omgeving) zodat zij gaan investeren in energiebesparingsmaatregelen en er nieuwe warmtesystemen worden gevormd. Op deze manier kan er kennis worden gedeeld en de opgedane kennis verder worden verspreid.  

3.1.3.2 Verduurzaming

Wat gaat de provincie doen?

De provincie draagt bij aan de totstandkoming van een integraal warmtesysteem in de gebouwde omgeving en glastuinbouw. De provincie ondersteunt de ontwikkeling van de clusteraanpak en een bovenlokaal warmte(transport)systeem en duurzame lokale warmtenetten. De provincie faciliteert en stimuleert de ontwikkeling en innovatie van warmtebronnen, warmteopslag en de inpassing van warmtetransportleidingen en warmtesystemen.  

Rol

Samenwerkend

Uitwerking

Bovenlokaal transportsysteem  

De provincie werkt samen met partijen en financiert door middel van een subsidie de ontwikkeling en totstandkoming van het bovenlokaal warmtetransportsysteem WarmtelinQ. Dit is een ondergrondse hoofdtransportleiding voor warmte. Met deze leiding wordt restwarmte uit de Rotterdamse haven getransporteerd naar lokale warmtenetten om zo de gebouwde omgeving en glastuinbouw duurzaam te verwarmen.  

Clusteraanpak   

De provincie werkt samen, faciliteert en stimuleert de ontwikkelingen en realisatie van collectieve en kleinschalige warmtenetten. Dit vindt plaats volgens de clusteraanpak: een samenwerking van gemeenten om tot realisatie van warmtesystemen te komen op basis van schaal. Hierbij wordt kennis en expertise gebundeld. Het doel is slagvaardigheid te creëren, het energiesysteem te optimaliseren, kennis uit te wisselen en schaalvoordelen te benutten.  

De provincie stimuleert en faciliteert onderzoek, analyses, kennisontwikkeling en projecten waarbij energiesystemen geoptimaliseerd worden en er aandacht is voor de ruimtelijke inpassing. Het optimaal benutten van de beschikbare warmtebronnen in samenhang met de warmtevraag en het warmtesysteem is essentieel voor een integraal en toekomstbestendig systeem.   

Samenwerking, procesondersteuning en ontsluiting van financiële fondsen zijn bij uitstek inspanningen waarmee de provincie bijdraagt inde warmtetransitie.  

Warmtesysteem   

Om tot een integraal warmtesysteem te komen is het noodzakelijk om ruimtelijk – bovengronds en ondergronds, te verkennen waar mogelijke warmtesystemen wenselijk zijn. De verkenningsgebieden zijn opgetekend aan de hand van de regionale toekomstbeelden voor het warmtesysteem. De verkenningsgebieden hebben een gebiedsgrootte van circa 2 kilometer breedte zodat er voldoende schuifruimte is voor afstemming met andere ruimtelijke ontwikkelingen. Zo kan er samen effectief en efficiënt gebruik gemaakt worden van de boven-, en ondergrond.  

De bovenlokale warmtesystemen bevinden zich binnen het grondgebied van meerdere gemeenten en vallen daarmee binnen de scope van de provinciale inspanningen. De distributienetwerken voor warmte naar individuele verbruikers, gelegen binnen de gemeentegrenzen zijn essentieel voor een integraal warmtesysteem, maar vallen buiten de scope van provinciale inspanningen. Een verkenning van het bovenlokale warmtesysteem biedt inzichten in de ontwikkelpotentie van distributienetwerken voor gemeenten en warmtebedrijven.  

Afwegingskader warmtekeuzes en Afwegingskader koude  

Voor een effectieve afweging tussen inzetbare warmte en koude bronnen heeft de provincie Zuid-Holland een afwegingskader Warmtekeuze en een afwegingskader Koude ontwikkeld. De afwegingskaders richten zich op het kunnen maken van rationele afwegingen over de keuze voor bepaalde verwarmings- en koelingstechnieken. Dit is gedaan door de warmte- en koudevraag in samenhang te onderzoeken. Hiermee wordt niet alleen de warmtetransitie ondersteund, maar ook de duurzame inzet van koude geoptimaliseerd.  

Deze afwegingskaders zijn een hulpmiddel voor gemeenten en andere partijen bij de keuze om te komen tot klimaatneutrale warmte- en koudevoorzieningen voor de gebouwde omgeving en glastuinbouw, voor zowel de bestaande als nieuwbouw. De afwegingskaders nemen de volgende uitgangspunten in overweging mee: ruimtelijk beslag, haalbaarheid, betaalbaarheid, toekomstbestendigheid, optimaal gebruik van de energiekwaliteit van de beschikbare Zuid-Hollandse warmte en koude bronnen en passende woningisolatie.  

Kennisontwikkeling  

De warmtetransitie is complex; het vergt veel kennis, afstemming en samenwerking. De provincie zet zich in om kennis te ontwikkelen en te verspreiden. De provincie doet dit door pilots te stimuleren, onderzoeken uit te zetten en financiële middelen ter beschikking te stellen. Daarnaast helpt de provincie samenwerkingspartners in de gebouwde omgeving en glastuinbouw om middelen van derden optimaal te benutten. Om de warmtetransitie te begrijpen en te laten slagen worden er kennis- en netwerksessies georganiseerd, zo wordt opgedane kennis verspreid.   

Glastuinbouw   

De provincie werkt in alle glastuinbouwgebieden en in de Greenport West-Holland met de samenwerkingspartners. De provincie faciliteert en stimuleert de volgende onderwerpen: kansrijke businesscases, versterking van samenwerkingsverbanden, benutting van regelingen of slimme investeringsconstructies, uitvoering van analyses en onderzoek, bevordering van aansluiting op bovenlokale warmtenetwerken en gebiedsaanpakken om de energietransities met haar partners tot stand te brengen. Er wordt verkend hoe de energietransitie kan helpen om ruimtelijke vraagstukken te bespreken voor de modernisering van het teeltareaal. De provincie bevordert de verbinding van het warmtesysteem in de glastuinbouw met de gebouwde omgeving. Door de verbinding te maken met de warmtevraag en warmteaanbod van de gebouwde omgeving en de glastuinbouw is optimalisatie van het systeem mogelijk.   

Warmtebronnen  

De provincie stimuleert en faciliteert het gebruik van duurzame warmtebronnen in Zuid-Holland (restwarmte, geothermie, aquathermie en andere bronnen) door middel van onderzoek, analyses, pilots en kennisdeling. Daarnaast ondersteunt de provincie innovaties voor de optimalisatie voor duurzame warmte. 

Verkenningsgebieden Warmtenetwerken 

afbeelding binnen de regeling

OO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

3.1.5.1 provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (pMIEK)

Wat gaat de provincie doen?

De provincie wil samen met netbeheerders, medeoverheden en andere partners het energiesysteem integraal programmeren en zo werken aan de planning en keuzes voor een duurzaam regionaal energiesysteem.

Rol

Presterend

Uitwerking

Regionale energie-infrastructuur met voldoende capaciteit is een belangrijke conditie voor verduurzaming en realisatie van toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkelingen. Door de toenemende druk op die infrastructuur signaleren verschillende partijen dat meer regie nodig is op de programmering en mogelijk prioritering van regionale energie-infrastructuur. Provincie initieert hiervoor een integraal programmeerproces voor het energiesysteem, het provinciaal Meerjarenprogramma Energie en Infrastructuur (pMIEK). In dit programma wordt in samenhang met vraag- en aanbodsectoren van energie de toekomstige energie-infrastructuur voor het energiesysteem bepaald. Er wordt tweejaarlijks een actualisatie van het pMIEK opgesteld, waarbij energie-infraprojecten geprogrammeerd worden. De samenhang met ruimtelijke ontwikkelingen wordt hierin meegenomen. In de programmering wordt nadrukkelijk afstemming gezocht met sectorale plannen. De programmering van het energiesysteem op (middel)lange termijn doorloopt de volgende stappen:

De programmering van het energiesysteem op (middel)lange termijn doorloopt de volgende stappen:

  • Plan van Aanpak voor de betreffende iteratie ronde met betrokkenheid van partners

  • Een integraal overzicht van de ontwikkeling van energievraag en -aanbod (zoals opwek, woningbouw, mobiliteit, industrie en glastuinbouw) voor het bepalen van knelpunten en kansen in Zuid-Holland

  • Opstellen of herijken van de module energie in de omgevingsvisie  en het integrale afwegingskader

  • Samenstellen en uitwerken van een aantal realistische integrale ontwikkelvarianten voor het energiesysteem in samenhang met de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van de provincie, en daarbij behorende energie-infrastructuur en andere energieprojecten in samenhang met ontwikkeling van vraag en aanbod van energie in de tijd  

  • Inschatting maken van ruimtevraag van de aanvullend benodigde energie-infrastructuur in de toekomst voor de verschillende ontwikkelvarianten richting een duurzaam energiesysteem.

  • Aan de hand van weging van de relevante ontwikkelvarianten op maatschappelijke impact en effecten op de robuustheid van het energiesysteem komen tot een gezamenlijk beeld van benodigde prioritering van infrastructurele investeringen.

  • Kennisontwikkeling a.d.h.v. de ‘onderzoeks- en actielijst’ en verdere uitwerking van ‘structurerende keuzes’ ten behoeve van het doorontwikkelen van het pMIEK. Hierbij onderzoekt de provincie samen met hun partners hoe zowel de leidende principes als structurerende keuzes verder geconcretiseerd kunnen worden.

  • Borging van gemaakte afspraken. Bij de te maken afspraken over de uitvoering kan eventueel ruimtelijk instrumentarium worden ingezet, zoals ruimtelijke reserveringen in de provinciale omgevingsverordening. De provincie kan in voorkomende gevallen kiezen om financieel bij te dragen aan (regionale) energie-infrastructuurprojecten, zoals wordt gedaan bij het Botlek Stoomnetwerk (zie Programma ‘Bijdragen aan een CO2-emissiearme en circulaire industrie maatregel C: regeling energie-infrastructuur op industrieterreinen).

PP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

3.1.5.2 Stimuleren van flexibiliteit en efficiëntie van het energiesysteem

Wat gaat de provincie doen?

De provincie Zuid-Holland zet in op de ontwikkeling en toepassing van vraag- en aanbodsturing, conversie- en opslagmethoden en procesinnovaties die bijdragen aan een flexibeler en efficiënter energiesysteem.

Rol

Presterend

Uitwerking

Flexibel en efficiënt gebruik van beschikbare energie-infrastructuur beperkt de behoefte aan (nieuwe) netwerkcapaciteit en kan een bijdrage leveren aan het vrijspelen van netwerkcapaciteit in gebieden waar netcongestie een rol speelt. Opslag van elektriciteit, warmte, of waterstof kan als buffer dienen van de capaciteit in het energiesysteem. ConversieHet omzetten van energie tussen energiedragers (elektriciteit, warmte, waterstof) heeft in Zuid-Holland veel potentie door de grote aanwezigheid van industrie. Om optimaal gebruik te makenVoor een zo efficiënt mogelijke benutting van de bestaande en toekomstige energie-infrastructuur is samenwerking essentieel. (Proces)innovaties, vraag- en aanbodsturing, conversie en opslag kunnen lokaal en regionaal bijdragen aan een efficiëntere benutting energie-infrastructuur, en bijdragen aan realisatie van bestaande doelenDit geldt tevens ook voor bijvoorbeeld zon op daken bij grotere bedrijven in de RES’enhet realiseren en optimaal inzetten van slimme oplossingen (zoals energiehubs).

Rol

Presterend

Uitwerking

(Proces)innovaties, vraag- en aanbodsturing, conversie en opslag kunnen lokaal en regionaal bijdragen aan een efficiëntere benutting energie-infrastructuur en het stimuleren van flexibiliteit, en bijdragen aan realisatie van bestaande doelen voor bijvoorbeeld zon op daken bij grotere bedrijven in de RES’en, en handelingsperspectief bieden voor economische activiteiten (industrie) en woningbouw in gebieden waar netcongestie heerst.

De provincie Zuid-Holland zet in op de ontwikkeling en toepassing van vraag- en aanbodsturing, conversie- en opslagmethoden en procesinnovaties door de volgende activiteiten:

De provincie Zuid-Holland verkent hoe bestaand instrumentarium verbreed kan worden ingezet ter beperking of voorkoming van schaarste in capaciteit op de energie-infrastructuur.

De provincie stimuleert (proces)innovaties en samenwerking met betrekking tot vraag- en aanbodsturing en conversie- en opslagmethoden om systeemflexibiliteit te vergroten en/of infrastructuurimpact te beperken. 

  • De provincie Zuid-Holland verkent hoe bestaand instrumentarium verbreed kan worden ingezet ter beperking of voorkoming van schaarste in capaciteit op de energie-infrastructuur.

  • De provincie stimuleert (proces)innovaties en samenwerking met betrekking tot vraag- en aanbodsturing en conversie- en opslagmethoden om systeemflexibiliteit te vergroten en/of infrastructuurimpact te beperken. Dit doet de provincie door handelingsopties in kaart te brengen die impact op de energie-infrastructuur kunnen beperken bij initiatieven voor verduurzaming

  • De provincie stimuleert de toepassing van de handelingsoptiesactiviteiten die de flexibiliteit en efficiëntie van het energiesysteem vergroten door te verbinden met ruimtelijke ontwikkelingen, gebieden of bedrijventerreinen waarbij netcongestie een rol speelt of waar dit ingezet kan worden als mogelijk alternatief voor netuitbreidingen.

  • Dit doet de provincie door verdere doorontwikkeling van de energietoets (op zowel visie- als verordenings-niveau), waarbij de focus uitgaat naar de concretisering van het inhoudelijke toetsingskader voor zowel individuele projecten en globale planvorming.

  • Dit doet de provincie door zowel intern tussen verschillende beleidsvelden als extern met onze partners de samenwerking op te zoeken en initiatieven te stimuleren die een netcongestie-verzachtend effect kunnen hebben.

QQ

Na sectie '3.1.5.2 Stimuleren van flexibiliteit en efficiëntie van het energiesysteem' worden drie secties ingevoegd, luidende:

3.1.5.3 Ondersteunen realisatie energiehubs

Wat gaat de provincie doen?

De provincie ondersteunt Energiehubs in hun ontwikkeling. Dit doet zij door jaarlijks bij te dragen aan de realisatie van een aantal energiehubs. Daarnaast ondersteunt zij zo veel mogelijk hubs bij hun eerste stappen. Het gaat hierbij om het opdoen en delen van kennis over het realiseren van energiehubs en het ruimte bieden aan innovatieve oplossingen in techniek en organisatie. Ook standaardiseert de provincie het  proces ‘ontwikkeling energiehub’ ten behoeve van snelheid en kostenbesparing.

Rol

Samenwerkend

Uitwerking

De provincie ondersteunt georganiseerde energiehub-initiatieven die bereid zijn om kennis te delen. We ondersteunen deze lokale initiatieven, door de inzet van capaciteit om; (1) het plan voor een energiehub verder uit te werken en (2) onderlinge kennisontwikkeling en -deling te faciliteren in een Community of Practice (CoP). Daarbij zoeken we de samenwerking met de betrokken ondernemers, maar ook de gemeente, netbeheerder en andere relevante partijen op. Er wordt ingezet op de volgende activiteiten:

  • De provincie maakt een overzicht van (initiatieven voor) energiehubs in Zuid-Holland en monitort de voortgang van de ontwikkeling op deze locaties;

  • De provincie biedt de mogelijkheid voor ondersteuning in de eerste en tweede fase (Verkennen, Plan van Aanpak & Ontwerp) van het opzetten van een energiehub, waar regionaal al ondersteuning geboden wordt, sluiten we ons daar mogelijk bij aan;

  • De provincie faciliteert een Community of Practice (CoP) voor diverse partijen om onderlinge kennisontwikkeling en -uitwisseling te stimuleren;

  • Bijdragen aan de ontwikkeling van en het gebruikmaken van de landelijke Kennisplatform Energiehubs;

  • De provincie doet (samen met partners) onderzoek naar innovatieve oplossingen die in energiehubs toegepast kunnen worden. 

3.1.5.4 Ruimtelijke verkenning voor toekomstige energie-infrastructuur

Wat gaat de provincie doen?

In samenwerking met netbeheerders, desbetreffende gemeentes en andere partners doorloopt de provincie proactief een verkenningstraject. Met behulp van onder andere kaartmateriaal, locatie-eisen en lokale kennis wordt in een iteratief proces beoogd om tot zoekgebieden/-locaties te komen voor aanvullend benodigde energie-infrastructuurprojecten. Hierbij ligt de scope op 150kV stations van de regionale netbeheerders. Om de strategische ruimtevraag van deze energie-infrastructuurprojecten voor de toekomst te waarborgen, onderzoekt de provincie welk ruimtelijke instrumentarium gebruikt kan worden om de zoekgebieden/-locaties vrij te houden.

Rol

Presterend

Uitwerking

Om zowel de energievraag van nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen als de verduurzaming van bestaande activiteiten te kunnen faciliteren en een robuust energiesysteem in 2050 in Zuid-Holland te kunnen garanderen, is aanvullende energie-infrastructuur nodig. Binnen het integraal programmeerproces dat de provincie in een tweejaarlijkse cyclus doorloopt en als eindproduct het pMIEK-document kent, wordt een inschatting voor aanvullend benodigde elektriciteitsinfrastructuur (in 150kV-station equivalenten) gemaakt. Omdat fysieke ruimte schaars is in de provincie en er talloze ruimtevragers om dezelfde ruimte concurreren, is een weloverwogen integrale afweging noodzakelijk over waar welke ontwikkeling wordt toegestaan. De provincie faciliteert de ruimtevraag voor nieuwe energie-infrastructuur wanneer dit ruimtelijk inpasbaar is, en bij voorkeur te combineren valt met de economische activiteiten op deze locaties.

De provincie draagt vanuit haar rol als gebiedsregisseur bij aan een integraal afgewogen en ruimtelijke goed ingepast energiesysteem, dat tijdig beschikbaar is. Hiervoor is inzicht in de benodigde ruimtevraag vanuit het integrale energiesysteem noodzakelijk. We werken aan deze maatregelen, door de inzet van enerzijds capaciteit om de doorlooptijd van de realisatie van energie-infrastructuur projecten te versnellen door middel van kennisdeling en anderzijds  door het ruimtelijk instrumentarium in te zetten voor de ontwikkeling van noodzakelijke energie-infra te kunnen waarborgen.

  • De provincie doet in de tweejaarlijkse iteratie van het pMIEK uitspraken over aanvullende energie-infrastructuur (in 150kV station-equivalenten) die nodig zijn om de energievraag in 2050 te kunnen accommoderen.

  • Per regio, waar aanvullende 150kV stations nodig zijn, wordt een ruimtelijk verkenningstraject doorlopen waarbij zowel (technische) aandachtspunten/criteria vanuit de netbeheerders als (beleidsmatige) belemmeringen van gemeentes en provincie gebruikt worden om tot potentiële zoekgebieden/-locaties te komen.

  • De provincie neemt een voortrekkersrol in dit verkenningstraject en faciliteert waar nodig vervolggesprekken tussen gemeente en netbeheerders bij het concretiseren van de zoekgebieden.

3.1.5.5 Elektriciteitsopslagsystemen (EOS)

Wat gaat de provincie doen?

Elektriciteitsopslagsystemen [hierna: EOS] hebben een functie in een duurzaam toekomstig energiesysteem. Tegelijkertijd is de fysieke ruimte in Zuid-Holland schaars, dus wil de provincie weloverwogen mogelijkheid bieden voor de toevoeging van EOS. Het is daarbij van belang een beeld te vormen van hoeveel en op welke plaatsen in het elektriciteitsnetwerk EOS nodig en/of wenselijk zijn. Daarnaast wordt in samenwerking met gemeenten en netbeheerders uitgewerkt volgens welke uitgangspunten EOS toegestaan worden. Wanneer een EOS wordt vergund, wordt zorgvuldig omgegaan met de ruimtelijke inpassing hiervan.

Rol

Samenwerkend

Uitwerking

  • De provincie monitort het aantal MW grootschalige opslag en intensiveert daarvoor de samenwerking met de netbeheerders;

  • De leidende principes van het Toekomstbeeld Energiesysteem 2050 zijn bepalend voor het provinciaal beleid voor EOS. Hiervoor wordt gewerkt aan een doorvertaling van deze principes die toegespitst zijn op opslag;

  • De provincie maakt afspraken met gemeenten en veiligheidsregio's over uniforme toepassing van de PGS 37-1 bij opslagsystemen;

  • De provincie zet in op een vroegtijdige betrokkenheid van de netbeheerder bij nieuwe vergunningaanvragen en maakt daarover werkafspraken en zet verder in op kennisdeling bij initiatiefnemers over de rol van nieuwe contractvormen die congestie tegen kan gaan.

  • De provincie maakt onderscheid tussen opslagsystemen op basis van opslagcapaciteit (dit heeft een relatie met het fysieke ruimtebeslag dat een dergelijke EOS heeft) en type aansluiting op het elektriciteitsnetwerk:

1.      Industriële elektriciteitsopslagsystemen (> 70 MW);

  • Stand-alone

  • Op een gedeelde aansluiting

2.      Commerciële elektriciteitsopslagsystemen (< 70 MW);

  • Stand-alone op grootverbruik-aansluiting

  • Buurtbatterij op grootverbruik-aansluiting

  • Op een gedeelde grootverbruik-aansluiting (bijvoorbeeld op wind- en zonneparken of bij bedrijven)

3.      Residentiële energieopslagsystemen

  • Stand-alone op kleinverbruik-aansluiting

  • Achter de meter op kleinverbruik-aansluiting 

*stand-alone EOS zijn direct aangesloten op het elektriciteitsnetwerk en zijn voor afname en teruglevering volledig afhankelijk van dit systeem. Systemen op een gedeelde aansluiting zijn bijvoorbeeld gekoppeld aan een zonneveld of windpark of aan een bedrijventerrein, waar zij resp. door gevoed worden of aan leveren.

Algemene uitgangspunten:

Voor alle EOS’en geldt dat deze minimaal congestieneutraal en liefst congestieverzachtend worden ingezet, waarmee wordt bedoeld dat ze geen negatieve – en liefst een positieve – bijdrage hebben op de piek- en dalbelasting van het elektriciteitsnet.

Een EOS voldoet aan de veiligheidseisen zoals opgenomen in de PGS 37-1. Dit uitgangspunt is voor alle categorieën van toepassing.

Specifieke uitgangspunten:

  • 1.

    Aan de categorie Industriële stand-alone EOS stellen wij een bovengrens van 200MW aan totaal opgesteld vermogen, behalve wanneer de netbeheerder aangeeft dat dit nodig is voor het balanceren van het energiesysteem. Deze stop is ingegeven vanwege grote ruimtebeslag en de vraag of een groter aantal MW noodzakelijk is voor het energiesysteem. Het maximale opgestelde vermogen voor grootschalige batterijen kan naar aanleiding van het Programma Energie Hoofdinfrastructuur 2 (PEH2) gewijzigd worden.

  • 2.

    Aan opwek of verbruik gebonden: bij bestaande opwek aansluiting koppelen met bestaande aansluiting. Hierdoor is geen groter opslagvermogen toegestaan dan het aansluitvermogen.

  • 3.

    Batterijen achter de meter en batterijen gekoppeld aan lokaal gebruik, zoals buurtbatterijen en batterijen voor energiehubs, voldoen aan de veiligheidsafstanden tot bebouwing.

RR

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Beleidsdoel 4-14.1 Toekomstbestendig economisch vestigingsklimaat

SS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

4-1 4.1 Toekomstbestendig economisch vestigingsklimaat

De provincie staat voor een toekomstbestendige economie met een gezond en aantrekkelijk vestigingsklimaat voor haar ondernemers en inwoners. De provincie geeft economisch beleid vorm, zodat het bijdraagt aan brede welvaart voor alle Zuid-Holland wilHollanders. Dat betekent versnelling van de transitie naar een economie die duurzaam, innovatief en inclusief is:

  • Een duurzame economie is een economie die uiteindelijk geen uitstoot heeft, en die gebaseerd is op een circulair energie- en grondstoffensysteem (onder andere voor stroom, warmte, CO2 en waterstof).

  • Een innovatieve economie heeft een sterke kennis- en concurrentiepositie, het vermogen om transities het hoofd te bieden en een vestigingsklimaat te creëren dat aantrekkelijk is.

  • Een inclusieve economie heeft gelijke kansen voor iedereen, waarin iedereen en elke regio meetelt, meedoet en op een prettige en gezonde manier kan leven.

Innovatieve Economie

De bijdrage aan brede welvaart en een duurzame, innovatieve en inclusieve economie bepaalt in steeds belangrijker mate de ‘license to operate’ van bedrijven. Deze ‘license to operate’ kan worden vertaald als een combinatie van maatschappelijk, politiek en juridisch draagvlak of legitimiteit. Dit draagvlak vormt het afwegingskader voor economische activiteiten waarvoor steun en ruimte wordt geboden. De provincie ondersteunt bedrijven in de transitie naar 'toekomstbestendigheid'. Toekomstbestendige bedrijven kunnen aanspraak maken op de steun van de provincie en de (toekomstige) ruimte in Zuid-Holland.

Innovatieve Economie

In de provincie Zuid-Holland wordtworden het innovatiemogelijkheden onvoldoende benut. Dit terwijl er een extra uitdaging ligt in de verandering naar een duurzame, inclusieve, circulaire en digitale economie. De provincie wil hetde innovatiemogelijkheden daarom beter benutten. Zo kan ze (brede) welvaart behouden en liefst verhogen, én het mogelijk maken dat bedrijven een grotere bijdrage leveren aan het oplossen van maatschappelijke uitdagingen.

Daarnaast zorgt innovatie ervoor dat er een klimaat ontstaat waarin bedrijven zich graag willen vestigen: innovatie is belangrijk voor het behoud van de economische positie van Zuid-Hollandse bedrijven. Door innovatie kunnen concurrentievoordelen worden behaald en kan meer toegevoegde waarde worden gegenereerd voor economie en maatschappij, hier en ergens anders.

Innovatie aanmoedigen doet de provincie door het werkveld van vernieuwende bedrijven te ondersteunen en sterker te maken. Dat betekent dat de provincie kijkt naar de ‘omgeving’ waarin bedrijven werken, om daarbij aan te sluiten met haar beleid. De provincie is de aangewezen laag om dit werkveld te laten groeien en de samenwerking tussen (grote en kleine) bedrijven, kennisinstellingen en overheden te bevorderen. Bovendien komen innovaties vaak niet of trager tot stand zonder ondersteunende overheidsmaatregelen (marktfalen). Voor innovaties die bijdragen aan de overgang naar een duurzame economie is daarnaast vaak sprake van ‘transitiefalen’ (bv. hoge kosten van nieuwe technologieën omdat er in de basis nog geen markt voor bestaat).

Provincie Zuid-Holland heeft aandacht voor alle soorten bedrijven. Veranderingen zijn namelijk pas succesvol als niet alleen een kopgroep innovaties ontwikkelt, maar ook het ‘peloton’ van het brede mkb én de grote bedrijven meegaat in de overgang. Het innovatieve midden- en kleinbedrijf (mkb), - vooral binnen de topsectoren van Zuid-Holland - vervult een belangrijke rol als plek waar vernieuwende producten ontstaan. Grote bedrijven hebben meestal geen hulp nodig, maar zijn wel interessant als sterke partners in een overgang. Het brede mkb vormt de ruggengraat van de lokale en regionale economie, waarin ze ook geworteld zijn.

De provincie Zuid-Holland versterkt kennis en innovatie in het werkveld door de inzet van 5 beleidsmaatregelen:         

  • Strategische samenwerking om een innovatieve economie te aan te moedigen, door ondersteuning van haar Regionale ontwikkelingsmaatschappij Innovation Quarter en de Economic Board Zuid-Holland.

  • Campussen en fieldlabs sneller ontwikkelen waardoor innovatie makkelijker kan plaatsvinden.

  • Versterken van netwerken gericht op kennis en innovatie.

  • Innovatie stimuleren binnen specifieke clusters, zoals Life Sciences & Health, Industriële biotechnologie of Aerospace.

  • Innovatie stimuleren in het MKB.

Transitie van de tuinbouw

Transitie van de tuinbouw

De tuinbouw is één van de economische topsectoren in Nederland. Zuid-Holland is met een groot deel van de Nederlandse teelt, de meeste bedrijfsinvesteringen in onderzoek en ontwikkeling, en het grootste deel van de handelsbedrijven en logistiek, dé tuinbouwprovincie van Nederland. De tuinbouw levert de nationale en regionale economie veel op, maar heeft tegelijkertijd invloed op het ruimtegebruik, de transportbewegingen, de leefomgeving en de waterkwaliteit. Daarnaast gebruikt de tuinbouw nu nog veel (fossiele) energie. Dit wil de provincie versneld veranderen zodat de tuinbouw ook in de toekomst een duurzaam verdienmodel binnen onze provincie heeft.

De provincie zet daarom in op:                                                                                                                                 

  • Bevorderen van duurzame tuinbouwgebieden: gebieden die aan de wettelijke kaders en randvoorwaarden voldoen. Dit met als belangrijkste doel om een klimaat neutrale sector te zijn in 2040, en de doelen van de Kaderrichtlijn Water te halen.

  • Verbeteren duurzaam verdienmodel: binnen de wettelijke kaders en randvoorwaarden op het gebied van water, biodiversiteit, natuur, klimaat en circulariteit, met een goede balans tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt en duurzame inzetbaarheid van flexibele arbeidskrachten.

  • Bevorderen netwerksamenwerking: door samenwerking in de regionale Greenports, het landelijke netwerk Greenports Nederland en in andere (internationale) netwerken. Men kan zo voordeel hebben van clusterkracht, kennisdeling, gezamenlijke lobby en belangenbehartiging. Dit leidt tot samenwerkingsvoordelen en een versterkte concurrentiepositie.

De provincie past hiervoor de volgende hulpmiddelen toe:

  • Netwerkkracht. Actieve deelname aan de triple helix organisaties van de regionale Greenports en Greenports Nederland en het Europese netwerk ERIAFF.

  • Gebiedsgericht werken. Samen met de tuinbouwpartners het beleid, met behulp van geld en hulpmiddelen, vertalen in een per Greenport samenhangend uitvoeringsprogramma met (gebiedsgerichte) projecten en maatregelen.

  • Ondersteunen van projecten die de transitie van de tuinbouw versnellen.

  • Wetgeving via omgevingsverordening.

  • Monitoring, dataverzameling en kennisontwikkeling.

Transitie van het Havenindustrieel Complex

Transitie van het Havenindustrieel Complex

Het Havenindustrieel complex (HIC) bestaat uit een grootindustrieel complex, een logistieke hub en een maritiem cluster. De provincie Zuid-Holland wil eraan bijdragen dat het HIC in Rotterdam, de verspreide industrie en het maritieme cluster in Zuid-Holland klimaatneutraal, circulair en slim werken. Dit vraagt om een overgang naar een economie waarin minder tot helemaal geen broeikasgassen worden uitgestoten, de stikstofuitstoot wordt verminderd en minder natuurlijke grondstoffen worden gebruikt. Hierbij is het belangrijk om een goed vestigingsklimaat te behouden voor de bedrijven en (startende) ondernemers in de industrie en het maritieme cluster. Belangrijk is dat hierbij wordt gelet op de invloed op de omgeving, de nodige (milieu)ruimte en hoogwaardige toepassing en hergebruik van grondstoffen/materialen.

De provincie gaat daarvoor innovaties ondersteunen en duurzame investeringen bevorderen. Daarnaast zal zij ervoor zorgen dat netwerken en samenwerkingsverbanden versterken, en bijdragen aan het op orde brengen van randvoorwaarden. Dit doet de provincie met de inzet van haar economisch- en innovatie instrumentarium, haar ruimtelijke instrumentarium, haar taken op het gebied van infrastructuur en milieu, en de lobby en samenwerking in de Europese Unie en bij het Rijk.

De provincie zet zich als onderdeel van dit beleid ook in voor het behoud, de versterking en de verduurzaming van de Zuid-Hollandse maritieme sector. De provinciale inzet komt grotendeels inhoudelijk voort uit de Regionale Maritieme Agenda en draagt bij aan de nationale Sectoragenda Maritieme Maakindustrie.

Digitale economie

Digitale economie

Het gebruik van digitalisering in de economische sectoren in Zuid-Holland heeft grote gevolgen. Door het gebruik van digitalisering zijn processen efficiënter geworden en zijn er nieuwe businessmodellen gekomen in bijna alle sectoren. Het bedrijfsleven in Zuid-Holland kent in verhouding veel werkvelden waarin veel digitaal gebeurt. Denk hierbij aan vervoer en opslag, handel en tuinbouw. Daardoor heeft digitalisering ook een bovengemiddeld grote invloed op onze economie. De provincie weet dat sterke sectoren zoals het havenindustrieel complex, maakindustrie en de tuinbouwsector in de komende 10-15 jaar hun manier om geld te verdienen sterk zullen veranderen. Dit wordt ook mogelijk gemaakt door digitalisering en dat digitalisering hier een rol in speelt.  

De provincie wil zorgen voor een goede ondersteuning van de economie bij deze digitale verandering en dat alle sectoren de juiste digitale voorwaarden hebben. De provincie Zuid-Holland zet daarom in op:  

  • Het van nieuwe Innovatieve manieren om geld te verdienen door gebruik te maken van nieuwe,innovatieve digitale technieken.

  • Verbeteren van het vestigingsklimaat voor de digitale economie. 

  • Bijdragen aan de digitale verandering voor het hele mkb en de kruisbestuiving tussen sectoren. 

  • Vastleggen en versterken van publieke waarden in de digitalisering van de Zuid-Hollandse economie. 

  • Het in beweging brengen en houden van een mensgerichte digitale verandering. Met hierbij bijzondere aandacht voor digitale weerbaarheid, ethiek en inclusie. 

    Verbeteren van de digitale weerbaarheid van de Zuid-Hollandse economie.

Circulair Zuid-Holland

Circulair Zuid-Holland

In april 2024 stelde de provincie de nieuwe strategie “Samen bouwen aan een Circulair Zuid-Holland” vast. Hierin geeft de provincie aan hoe zij toewerkt naar 50% circulair in 2030 en een volledig circulaire samenleving in 2050. Met deze strategie komt de provinciale aanpak in een nieuwe fase. Hierbij ligt de nadruk op de invloed. De provincie richt zich daarbij naast de koplopers ook in het bijzonder op de brede groep daarachter. Zij zet aan de ene kant in op zaken waar de provincie een verschil kan maken. En aan de andere kant waarbij circulair bijdraagt aan de oplossing van meerdere maatschappelijke vraagstukken waar de provincie aan werkt. DatDe transitie naar een circulaire economie zorgt voor nieuwe bedrijvigheid en daarmee nieuwe ruimtevragers. Ook de ruimtevraag van bestaande bedrijvigheid zal veranderen.Dat betekent ook dat de rol van de provincie verandert. Eerst zorgde zij ervoor dat alles in beweging kwam, nu verbindt de provincie vraagstukken vaker met elkaar. Daarnaast stelt de provincie kaders en geeft zij opdrachten.

Toekomstbestendige ruimte voor ondernemen

Bedrijventerreinen                                                                                                                                                                                                     De ruimte voor bedrijventerreinen is beperkt. Maar bedrijventerreinen hebben vaak nog ongebruikte mogelijkheden in energie, ruimte en klimaat. Ondernemers spelen een belangrijke rol in hoe goed de provincie kan concurreren, daarom blijft de provincie hen ruimte bieden. Daarbij onderzoekt de provincie of zij, via het stellen van randvoorwaarden bij het faciliteren van die ruimte, voorrang kan geven aan bedrijven die bijdragen aan de overgang naar een klimaat neutrale en/of circulaire economie en verbetering van het welzijn van de inwoners van Zuid-Holland.

Toekomstbestendige ruimte voor ondernemen

Economie en ruimte zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Voor een toekomstbestendige economie is een aantrekkelijk vestigings- en ondernemingsklimaat met voldoende fysieke ruimte nodig. Daarnaast leidt de ontwikkeling naar een duurzame, innovatieve en inclusieve economie tot andere eisen en wensen die we stellen aan deze ruimte. De ruimte voor economie is schaars in Zuid-Holland. Dat betekent dat we niet meer vanzelfsprekend ruimte faciliteren op basis van ramingen en prognoses, maar gericht kijken naar de bijdrage van economische ontwikkelingen aan brede welvaart en het Zuid-Hollandse ecosysteem. Dit bepaalt in steeds belangrijker mate het draagvlak voor bedrijfsactiviteiten. Duurzaamheid, innovatie en inclusiviteit zijn de pijlers van een toekomstbestendige economie en krijgen prioriteit bij de verdeling van de ruimte. Duurzaamheid, innovatie en inclusiviteit staan niet los van elkaar; ze kunnen elkaar versterken en leiden samen tot brede welvaart. Tegelijkertijd kunnen ze ook op gespannen voet met elkaar staan bij het maken van ruimtelijke keuzes. Bij de verdeling van de ruimte voor economie geven we daarom prioriteit aan de volgende activiteiten: 

  • 1.

    Basiseconomie en strategische belangen: De ‘basiseconomie’ heeft voldoende ruimte nodig. Dat gaat om maatschappelijke en nutsvoorzieningen en stadverzorgende bedrijvigheid die noodzakelijk is voor het functioneren van onze samenleving. Daarnaast gaat het om activiteiten die vanwege hun (nationale) strategische belang een bijdrage leveren aan onze strategische autonomie.

  • 2.

    Circulaire economie: We maken ruimte voor activiteiten die bijdragen aan de transitie naar een circulaire en klimaat neutrale economie, waarin het hergebruik van producten en grondstoffen en het behoud van natuurlijke hulpbronnen het uitgangspunt is. 

  • 3.

    Kennis- en innovatie-ecosystemen, technologische maakindustrie en toegevoegde waarde: Voor ons toekomstig verdienvermogen zetten we in op onze sterke kennis- en innovatie-ecosystemen en de technologische maakindustrie. We geven daarbij prioriteit aan activiteiten met een hogere toevoegde waarde voor de samenleving en economie en een compact ruimtebeslag. 

Bedrijventerreinen

Bedrijventerreinen zijn een cruciale schakel in het economisch functioneren van Zuid-Holland. De ca. 26.000 bedrijven op bedrijventerreinen zijn samen goed voor bijna 1/3 van de totale werkgelegenheid en de toegevoegde waarde in de provincie. Bedrijventerreinen zijn daarnaast dé locaties waar hinder veroorzakende functies zich kunnen vestigen. Daarmee zijn het ook dé plekken waar de transities naar een duurzame en circulaire economie vorm moet krijgen. De uitbreidingsruimte voor nieuwe bedrijventerreinen is beperkt, omdat wonen en werken zich moeten ontwikkelen binnen de beschikbare ruimte, inclusief de i 3ha-locaties. Daarom moet de beschikbare ruimte zorgvuldig worden beschermd en beter worden benut. Tegelijkertijd hebben bestaande bedrijventerreinen vaak nog ongebruikte mogelijkheden met betrekking tot ruimtegebruik, energietransitie en klimaatadaptatie en zullen bedrijventerreinen ook zelf moeten transformeren tot duurzame en circulaire werklocaties. Via het stellen van randvoorwaarden bij het faciliteren van de ruimte, wil de provincie voorrang geven aan bedrijven die bijdragen aan de overgang naar een duurzame, digitale en inclusieve economie en verbetering van het welzijn van de inwoners van Zuid-Holland.  

De provincie Zuid-Holland zet daarom in op:  

  • Beter benutten en duurzaam functioneren van bedrijventerreinen. De provincie zet in op het beter benutten van bestaande bedrijventerreinen onder andere door middel van meervoudig ruimtegebruik en maximale benutting van de beschikbare milieuruimte op bedrijventerreinen. Waar mogelijk wordt functiemenging onder voorwaarden mogelijk gemaakt, zoals bedrijven met een lage milieucategorie met woningbouw.  

  • Het behoud van voldoende ruimte voor bedrijven op bedrijventerreinen. De provincie blijft ervoor waken dat (selectieve) vraag en aanbod van bedrijventerreinen in de regio’s in balans blijven en dat woningbouwplannen van gemeenten niet botsen met aanwezige bedrijven op bedrijventerreinen.  

  • Beter gebruikmaken en duurzaam functioneren van bedrijventerreinen. De provincie moedigt meervoudig ruimtegebruik op bedrijventerreinen aan. Waar mogelijk mengt zij functies zoals bedrijven met een lage milieucategorie met woningbouw.

  • Het behoud van voldoende ruimte voor bedrijven in hoge milieucategorieën, milieuzones en watergebonden bedrijven. De provincie blijft controleren of woningbouwplannen van gemeenten botsen met aanwezige bedrijven uit de hogere milieucategorieën.

  • Het stimuleren van de verduurzaming vancirculaire en duurzame bedrijventerreinen door eigen duurzame opwekking en de realisatie van lokale warmtenetten. Ook kunnen deze terreinen bijdragen aan klimaatadaptatie, biodiversiteit en recreatie.  

Van bedrijven die werken met arbeidsmigranten verwacht de provincie een menswaardig huisvestingsplan. Het in beeld brengen van de huisvestingsbehoefte als gevolg van nieuwe bedrijvigheid of uitbreiding daarvan, is onderdeel van de totale huisvestingsbehoefte van arbeidsmigranten in de gemeente. Het is van belang dat de gemeente de huisvestingsbehoefte van en – mogelijkheden voor arbeidsmigranten (tijdelijk) werkzaam in de gemeente, en/of van arbeidsmigranten die langdurig in de gemeente wonen of willen wonen, actueel houdt en opneemt in gemeentelijke Omgevingsvisie in het onderdeel economie (alsmede in het onderdeel over huisvesting).  

Kantoren                                                                                                                                                                                                              Nieuwe kantorenontwikkelingen komen bij voorkeur op toplocaties (centrum Rotterdam en centrum Den Haag) en scienceparken. De provincie Zuid-Holland zet daarom in op:

Vanuit het oogpunt van optimale benutting van de ruimte voor ondernemen op bedrijventerreinen beperken we menging van kwetsbare functies op bedrijventerreinen met een hogere milieucategorie tot een minimum. Bedrijventerreinen met een hogere milieucategorie zijn primair bedoeld voor bedrijven die vanwege hun zwaardere type bedrijfsvoering zijn aangewezen op de hogere milieugezoneerde gebieden en kunnen bijzonder lastig gemengd worden met kwetsbare functies.                                                                                      

Kantoren

Nieuwe, grootschalige kantorenontwikkelingen worden op toplocaties (centrum Rotterdam en centrum Den Haag) en scienceparken geconcentreerd. De provincie Zuid-Holland zet daarom in op:

  • Het verminderen van het kantorenaanbod op minder kansrijke locaties.

  • Waar mogelijk het veranderen van leegstaande, incourante kantoren naar andere functies (wonen).

Detailhandel                                                                                                                                                                                                      Detailhandel

Gezonde, krachtige en aantrekkelijke stads- en dorpscentra zijn belangrijk voor de levenskwaliteit van onze inwoners. De provincie zet daarom in op:

  • De detailhandelsstructuur Het versterken van de detailhandelsstructuur door deze kwalitatief te verbeteren.

  • De bereikbaarheid te garanderen.

Human Capital

  • Het garanderen van de bereikbaarheid door winkels zoveel mogelijk te concentreren in bestaande centra.

Human Capital

De provincie ambieert een beroepsbevolking die past bij de economie van de toekomst. Dit kan de provincie bereiken door her-, bij- en omscholing van 55.000 werknemers en flexwerkers. En door begeleiding naar toekomstbestendig werk van 10.000 mensen en voldoende stage- en werkplekken voor alle studenten. Dit zorgt ervoor dat onze bedrijven belangrijk blijven voor het aanbod van banen.

TT

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Maatregelen van 4-14.1 Toekomstbestendig economisch vestigingsklimaat

UU

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

4.1.1.1 Innovatie infrastructuur versterken door de ontwikkeling van campussen en fieldlabs te versnellen en campussen te versterken

Wat gaat de provincie doen?

Campussen dragen als brandpunt in het regionale Kennis & Innovatie ecosysteem sterk bij aan de benutting van het innovatiepotentieel. Bedrijven op de campus werken samen met andere bedrijven en kennisinstellingen op de campus aan innovatie door gebruik te maken van gezamenlijke onderzoeks- en innovatiefaciliteiten en een gezamenlijk netwerk. Zonder financiële steun voor deze gezamenlijke faciliteiten en netwerk zouden de campussen niet of later bijdragen aan innovatie. Bovendien draagt de provincie bij aan de verdere ontwikkeling van campussen door ureninzet.

Fieldlabs zijn een wezenlijk onderdeel van de kennis en innovatie infrastructuur van de provincie. In fieldlabs testen, valideren en ontwikkelen bedrijven innovaties, zonder daarvoor zelf te hoeven investeren in vaak dure apparatuur. Deze ‘shared facilities’ zijn daarmee een belangrijke katalysator voor het tot stand komen van innovaties.

Door subsidies voor de totstandkoming en benutting door bedrijven van fieldlabs stimuleert de provincie de versnelde introductie op de markt van innovatieve producten, processen en diensten.

Om de innovatie infrastructuur optimaal te faciliteren wil de provincie innovatieve bedrijvigheid, kennis- en onderwijsinstellingen primair clusteren rondom innovatieve hotspots, zoals campussen en fieldlabs. Dit vormt een uitgangspunt bij het aantrekken en begeleiden van nieuwe bedrijvigheid en het versterken van de campussen in Zuid-Holland. 

Rol

Presterend

Uitwerking

Waar nodig en mogelijk zet de provincie in samenwerking met gemeenten in op ‘branchering’ van deze locaties, om de identiteit van de aanwezige ecosystemen te versterken. Dat betekent ook dat de provincie in sommige situaties branches of bedrijfsvestigingen willen uitsluiten, wanneer die geen meerwaarde hebben voor het ecosysteem. Belangrijk is dat daarbij de nodige flexibiliteit behouden blijft, zodat tijdig kan worden ingespeeld op de kansrijke ontwikkelingen op het gebied van onderwijs, onderzoek, innovatie en economische bedrijvigheid die het ecosysteem kunnen versterken. De provincie verkent in samenwerking met gemeenten waar branchering nodig en wenselijk is, en welk instrumentarium daarbij beschikbaar is.  

Diverse campussen in Zuid-Holland ontwikkelen zich tot innovatieve omgevingen, waar functies, zoals wonen, werken, leren, ontmoeten en ondernemen, elkaar versterken. Het gaat daarbij om fysieke locaties met hoogwaardige vestigingsmogelijkheden, die een manifeste kennisdrager hebben (universiteit of grootbedrijf), waar sprake is van open innovatie en die een (intern)nationaal belang hebben. De doorontwikkeling van deze campussen vraagt om samenhangend ruimtelijk beleid, zodat de ontwikkeling kan worden versneld. Ter versterking van deze campuslocaties wil de provincie functiemenging onder voorwaarden toestaan, door ruimte te bieden aan vormen van bewoning en (kleinschalige) voorzieningen die ondersteunend zijn aan het profiel van de campus. Belangrijke voorwaarde is dat deze functies het innovatie-ecosysteem versterken en duidelijk bijdragen aan de verdere ontwikkeling van de campus. Daarnaast dienen deze functies de hoofdfunctie van de campus niet te verdringen en inpasbaar te zijn binnen de geldende regels op het gebied van ruimtelijke ordening, (externe) veiligheid en ruimtelijke kwaliteit. In overleg met gemeenten en de aanwezige (campus)organisaties wordt bepaald in hoeverre en waar functiemenging een bijdrage levert aan de ontwikkeling van de campus. Functiemenging geldt mogelijk niet voor het hele campusgebied, maar wordt in overleg mogelijk gemaakt op bepaalde locaties. In eerste instantie kunnen het Leiden Bio Science Park, de TU Delft Campus en Space Campus Noordwijk aanspraak maken op deze mogelijkheden. 

Bij de ontwikkeling van campussen heeft de provincie in het bijzonder aandacht voor een hoge (omgevings)kwaliteit, door het vergroenen en verduurzamen van de locatie en het bieden van mogelijkheden voor ontspanning en beweging. Daarnaast heeft de provincie aandacht voor belangrijke randvoorwaarden, waaronder de beschikbaarheid van (duurzame) energie, zoet- en drinkwater, goede digitale infrastructuur en de bereikbaarheid van en op de campus.

VV

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

4.1.1.2 Innovatie stimuleren binnen specifieke clusters

Wat gaat de provincie doen?

De provincie onderscheidt een aantal specifieke innovatieclusters, die van groot belang zijn voor de Zuid-Hollandse economie. Afhankelijk van de aard en omvang van de opgave zet de provincie hier capaciteit en middelen voor in. Gezien de bijdrage aan werkgelegenheid en bedrijvigheid in de regio, en hun bijdrage aan de transitie naar een duurzame, digitale en inclusieve economie, geeft de provincie juist deze clusters extra aandacht. Mocht de situatie veranderen en de behoefte binnen nieuwe clusters voor ondersteuning ontstaan, dan kan de provincie dit logischerwijs oppakken. 

Rol

Presterend

Uitwerking

Life Sciences & Health

Life Sciences & Health (LSH) is één van de sterke economische sectoren in Zuid-Holland. Het is een innovatieve sector gericht op gezondheid, die tot de top van de wereld behoort op wetenschappelijk gebied en in ondernemerschap. De concurrentiepositie van de sector in Zuid-Holland is goed en de toegevoegde waarde ervan is groot. De sector telt in de provincie 220.000 banen en bijna 18.000 vestigingen. LSH is één van de topsectoren waar de Provincie Zuid-Holland zich op richt, vanwege het verdienvermogen en de werkgelegenheid, maar ook vanwege de bijdrage aan andere thema's van brede welvaart, zoals gezondheid en duurzaamheid . De provincie heeft een uitvoeringsprogramma ontwikkeld voor strategische versterking van het cluster en intervenieert door middel van subsidies, netwerkvorming en ureninzet in bijvoorbeeld het Leiden BioScience Park, de Erasmus MC campus Rotterdam Square en het netwerk Medical Delta.



Aerospace

Zuid-Holland heeft van oudsher een toonaangevende aerospace-sector: luchtvaart, ruimtevaart, en drones. Innovaties in de aerospace kunnen bijdragen aan diverse thema's van brede welvaart: de sector biedt werkgelegenheid en verdienvermogen, maar draagt ook bij aan duurzaamheid, door zelf te verduurzamen (zoals in de luchtvaart) maar vooral via toepassingen die bijdragen aan bijvoorbeeld veiligheid en klimaatkennis. De provincie bevordert de integratie van de drie sub-sectoren tot één ecosysteem, waarin naast bedrijven ook kennisinstellingen en overheden nauw samenwerken aan de innovaties van morgen. Hiervoor jaagt de provincie de clustering naar campussen en fieldlabs aan, waaronder de NL Space Campus in Noordwijk, Technology Park Ypenburg in Den Haag, voor ruimtevaart en Unmanned Valley in ValkenburgKatwijk voor drones en sensoren. Daarnaast ondersteunt de provincie deze clusters het opzetten van gemeenschappelijke innovatie-infrastructuur en fysieke voorzieningen, en het laagdrempeliger maken van de toegang tot financiering. Tot slot intensiveert de provincie de samenwerking tussen de clusters binnen het aerospace-ecosysteem onderling, en tussen aerospace en andere sectoren.

Met de aanwezigheid van onder meer de TU Delft, SRON, en TNO is de regio daarnaast een hotspot voor aerospace-onderzoek. Waterstofvliegtuigen, klimaatsatellieten, en inspectiedrones kunnen komende decennia en cruciale rol spelen in de complexe transities waar onze samenleving voor staat. Ook vinden innovaties in deze sector vaak hun weg naar andere Nederlandse sectoren, van landbouw tot de hulpdiensten.



Industriële Biotechnologie

Zuid-Holland huisvest de Biotech Campus in Delft, de grootste open innovatiecampus in Europa gericht op biotechnologie. De Biotech Campus faciliteert de hele innovatiecyclus, van onderzoek en pilot tot productie.  Bedrijven als DSM en Centrient hebben een vliegwielfunctie voor soortgelijke bedrijvigheid in de regio.

De provincie heeft een uitvoeringsprogramma ontwikkeld ten behoeve van de strategische versterking van het cluster. Er wordt onder andere ondersteuning geleverd aan de campusontwikkeling en het ontwikkelen van een volwaardig ‘Protein Port’ netwerk, om de bedrijven en de kennisinstellingen in de regio te ondersteunen bij de productie van alternatieve eiwitten. In het kader hiervan zijn eerste stappen gezet richting de eiwittransitie. De eiwittransitie kan de positie van de Zuid-Hollandse (en Nederlandse) voedingsindustrie als innovatieve en exportgerichte speler in de wereld verder versterken, en door zijn kwalitatief aanbod een naam krijgen als (wereldwijd) koploper op dit gebied.

Regionale samenwerking met Defensie

Door recente geopolitieke spanningen krijgen de provincie Zuid-Holland en haar regionale partners steeds vaker vragen gerelateerd aan het onderwerp defensie. Nieuwe defensie-gerelateerde investeringen, strategische autonomie, en economische veiligheid staan hoog op de agenda.

Uit een verkenning in 2024 bleek dat 25% van de Nederlandse defensie-industrie in Zuid-Holland gevestigd is. Daarnaast kent Zuid-Holland ook een omvangrijke en zeer innovatieve dual-use industrie, oftewel bedrijven die voor zowel militaire als civiele toepassingen producten of diensten leveren. Tot slot telt Zuid-Holland relatief veel onderwijs- en onderzoeksinstellingen die werken met dual-use en defensie-gerelateerde technologieën, waardoor veel kennis in deze provincie geconcentreerd is.

Om door heel het land de aanwezige kennis, innovatie, en industrie te benutten voor de nationale defensieopgaven werken de ministeries van Defensie en van Economische Zaken sinds 2024 aan samenwerkingen met alle Nederlandse regio’s. Zuid-Holland is een van deze regio’s. De twee ministeries vragen de regio’s zich te richten op het aanjagen van dual-use industrie en innovatie, terwijl zij zelf werken aan de versterking van de traditionele defensie-industrie. De provincie Zuid-Holland pakt samen met regionale ontwikkelingsmaatschappij InnovationQuarter en de Economic Board Zuid-Holland de verantwoordelijkheid op om dual-use bedrijven en kennisinstellingen bij elkaar te brengen en te versterken. Om zo als Zuid-Holland gezamenlijk bij te dragen aan de Nederlandse en Europese vrede, veiligheid, en welvaart. 

Dit zal onder meer gebeuren via een Zuid-Hollands coördinatiebureau voor dual-use industrie en innovatie, waar de drie Zuid-Hollandse partijen en de twee ministeries nauw in samenwerken. Deze samenwerking is erop gericht om de vraag vanuit Defensie en aanbod vanuit het bedrijfsleven en de kennisinstellingen aan elkaar te koppelen. De provincie neemt hierin ook het voortouw in het goed aanhaken van gemeenten, regionale samenwerkingsverbanden en onderwijsinstellingen. 

De extra investeringen vanuit de ministeries voor de Zuid-Hollandse bedrijven en kennisinstellingen zijn zeer welkom. De provincie Zuid-Holland vindt het belangrijk dat de regionale innovatie-ecosystemen, waaronder innovatieclusters zoals campussen en fieldlabs (proeftuinen), verder worden versterkt. Ook moet het lange-termijn perspectief voor de kennisintensieve industrie worden verbeterd, zodat Zuid-Hollandse kennis en innovaties ook hier behouden blijven en zo duurzaam kunnen bijdragen aan de Zuid-Hollandse economie en samenleving.

Waar zetten we op in?  

De provincie Zuid-Holland zet in op vijf focusgebieden van dual-use technologieën waar de Zuid-Hollandse industrie en kennisinstellingen toonaangevend in zijn en belangrijke bijdragen in kunnen leveren aan de inzet van het ministerie van Defensie:

  • 1.

    Maritiem 

  • 2.

    Ruimtetechnologie

  • 3.

    Cyber & Quantum 

  • 4.

    Onbemenste systemen (w.o. drones) & AI 

  • 5.

    Sensoren & Radar 

Ook de hiertoe horende ruimtelijk-economische aspecten zullen waar nodig worden versterkt, waaronder voor de innovatieclusters zoals campussen en fieldlabs, maar ook voor de bestaande bedrijventerreinen en zware industrie. Daarbij worden in relatie tot de campussen en fieldlabs ook de mogelijkheden voor voldoende dual-use test- en experimenteerruimte onderzocht, bijvoorbeeld voor het testen van nieuwe satellieten, digitale communicatie, en maritieme systemen die ook voor defensietoepassingen kunnen worden gebruikt. Deze ruimtebehoefte gaat niet om Defensielocaties, maar om proeftuinen waar dual-use bedrijven en kennisinstellingen gebruik van kunnen maken. Het ministerie van Defensie is verantwoordelijk voor het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie waarin Defensielocaties worden onderzocht. Het ministerie van Defensie voert daarover periodieke gesprekken met de provincie en lokale belanghebbenden. 

WW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

4.1.1.5 Strategische samenwerking om een innovatieve economie te stimuleren

Wat gaat de provincie doen?

De provincie wil de economische structuur duurzaam versterken en het innovatieve vermogen van de regio ontsluiten. Deze taak is voor een deel belegd bij de regionale ontwikkelingsmaatschappij InnovationQuarter (IQ). De provincie is een van de aandeelhouders en financiers van IQ, samen met het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat en andere regionale overheden, kennisinstellingen en medische centra.

Door de verstrekking van kapitaal en subsidie aan InnovationQuarter (IQ) wordt deze in staat gesteld deelnames in en leningen aan innovatief MKB in kansrijke clusters te ondersteunen, nieuwe innovatieprojecten te helpen aanjagen en realiseren en buitenlandse investeringen te helpen aantrekken.

Door kapitaal en subsidies aan InnovationQuarter (IQ) te verstrekken wordt deze in staat gesteld deelnemingen in en leningen aan innovatief MKB binnen kansrijke clusters te ondersteunen, nieuwe innovatieprojecten stimuleren en realiseren en buitenlandse investeringen te helpen aantrekken. Het uiteindelijke doel is om technologische oplossingen sneller te ontwikkelen en op de markt te brengen, met als resultaat een slimmer, duurzamer en gezonder Zuid-Holland. 

IQ heeft hiertoe drie kerntaken: 

  • 1.

    investeren in startende en innovatieve snelgroeiende bedrijven in Zuid-Holland (Investeren); 

  • 2.

    het bevorderen van de samenwerking tussen ondernemers, kennisinstellingen en overheden om 

    innovaties te versnellen en nieuwe bedrijvigheid te genereren (Innoveren); 

  • 3.

    het aantrekken van buitenlandse ondernemers naar Zuid-Holland en het ondersteunen van ondernemers in Zuid-Holland die internationaal willen groeien (Internationaliseren). De focus ligt daarbij niet op volume, maar op bedrijven met toegevoegde waarde voor de ecosystemen in onze regio.  

IQ voert ook het secretariaat van de Economic Board Zuid-Holland (EBZ). Leden van de EBZ zijn ondernemers en bestuurders van bedrijven, kennisinstellingen en overheden in Zuid-Holland. Leden agenderen strategische initiatieven die de economie van Zuid-Holland een boost geven. Dit maakt de economic board tot een driveraanjager van regionale, nationale en internationale samenwerking. De Commissaris van de Koning in Zuid-Holland is voorzitter van de EBZ.

Rol

Presterend

XX

Na sectie '4.1.2.3 Bevorderen duurzame tuinbouwgebieden en -netwerken' wordt een sectie ingevoegd, luidende:

4.1.3.1 Samenwerken om de transitie veilig te laten plaatsvinden

Wat gaat de provincie doen?

De transitie van het Rotterdamse Haven Industrieel Complex veilig te realiseren in goede balans met de ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving. De provincie zet zich samen met partners in om de transitie veilig te laten plaatsvinden. 

Rol

Samenwerkend

Uitwerking

De provincie wil dat de transitie van het haven industrieel complex  (HIC) in balans is met de omgeving. Omgevingsveiligheid is een belangrijke factor in de balans, maar het is ook mogelijk om hogere risico’s te accepteren indien dit in balans is met andere maatschappelijke belangen.  Er is bij omgevingsveiligheid altijd sprake van een ‘restrisico’. Bij de afweging of het risico acceptabel is worden ook andere belangen betrokken, waaronder de woningbouwopgave en de economische positie van de haven. Om de transitie in balans met de omgeving te realiseren is het van belang dat de hoge veiligheidsnormen die voor de fossiele industrie gelden ook voor de transitie ontwikkelingen blijven gelden. Dit gaat met name om de toepassing, verwerking, op- en overslag en transport van gevaarlijke stoffen op grote schaal die het risicoprofiel van het haven industrieel complex veranderen. Tegelijkertijd wil de provincie dat de haven zijn economische positie kan behouden en versterken.  

De provincie wil dat er binnen het HIC naar wordt gestreefd om nieuwe risicovolle activiteiten, die voor potentieel veel slachtoffers kunnen zorgen, zo ver mogelijk van woonkernen af worden gerealiseerd of er voldoende maatregelen worden getroffen. In beide gevallen is het van belang dat hoog stedelijk gebied zo veel als mogelijk wordt ontzien. De provincie ziet het groepsrisico als een belangrijk instrument om te bepalen of de afstand van de risicovolle activiteit tot de woonkernen voldoende is. Daarnaast draagt de groepsrisicoverantwoording bij aan een zorgvuldige en transparante afweging van mitigerende maatregelen. De provincie wil daarbij dat bij de beoordeling of een nieuwe activiteit wenselijk is ook de mogelijke effecten van het transport naar het achterland op de omgeving worden meegewogen. Ook wil de provincie mogelijk ongewenste lock-in en/of ongewenste lock-out van investeringen voorkomen, dit houdt in dat de provincie wil voorkomen dat investeringen nu, investeringen in de toekomst die bijdragen aan de transitie verhinderen. Dit met oog op toekomstvastheid en helderheid voor het bedrijfsleven, en gewenste transitie van het HIC te kunnen stimuleren. 

De provincie oefent invloed uit door de wenselijkheid van nieuwe initiatieven die het risicoprofiel van het HIC veranderen goed te onderzoeken en te kiezen voor de meest optimale locatie binnen het HIC en daarbij ook rekening te houden met andere ruimtevragers. Hiervoor werkt de provincie intensief samen met NOVEX Rotterdam partners. Om de meest optimale locatie in kaart te brengen stuurt de provincie nu bij initiatiefnemers aan op het doorlopen van een project-mer. 

Met betrekking tot het vervoer naar het achterland sluit de provincie zich aan bij de volgorde van kabinet. Voor grote stromen ammoniak is de voorkeursvolgorde 1) buis; 2) binnenvaart; 3) spoor en 4) weg. Voor ammoniak specifiek ziet de provincie, net zoals het kabinet, een beperkter rol voor het spoorvervoer naast vervoer per buis en per binnenvaart, maar dan wel met een voorkeur voor het gebruik van de Betuweroute van uit het HIC. 

YY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

4.1.4.1 Digitaal weerbaar

Wat gaat de provincie doen?

De provincie wil ervoor zorgen dat de digitale veiligheid en cyberweerbaarheid van bedrijven in de economische sectoren verbeterdverbetert. DeVoor het verbeteren van digitale- en cyberweerbaarheid wordt verbeterd door het stimuleren vanstimuleert de provincie digitale cyberinnovaties bij bedrijven.

Rol

Samenwerkend

Uitwerking

De provincie wil via een sectorale aanpak cyberweerbaarheid, als essentieel onderdeel van een gezonde bedrijfsvoering, zo goed mogelijk laten aansluiten bij bestaande clusterorganisaties (o.a. FERM, Cyberweerbaarheidcentrum Greenport) of initiatieven zoals DigitalZH. Daarnaast wil de provincie, in samenwerking met o.a. de gemeente Den Haag, het GovTech-ecosysteem in de regio versterken en zo een platform bieden voor alternatieve, lokale technologische oplossingen. 

Rol

Samenwerkend

Uitwerking

Door de steeds sneller gaande technologische ontwikkelingen, toepassingen van het Internet of Things (IoT) en automatisering neemt de dreiging die uitgaat van cyberonveiligheid toe. Deze dreiging neemt zowel toe in aard als in omvang en dat levert onacceptabele risico’s op voor de Zuid-Hollandse economie. Uit onderzoek van de Rabobank blijkt de gemiddelde schade 300.000 euro te zijn en wordt 20% van de ondernemers jaarlijks geraakt door een aanval. Door op deze risico’s te anticiperen kunnen ze niet alleen tegen worden gegaan, maar zelfs ook worden omgebogen tot hoogwaardige economische kans door de cybersecurity sector te ondersteunen.

De actuele geopolitieke ontwikkelingen onderstrepen het belang van een sterke en betrouwbare lokale digitale infrastructuur. Als provincie onderzoeken we daarom hoe we deze infrastructuur kunnen versterken en klaar kunnen maken voor de toekomst. Daarnaast zien we kansen in het versterken van het lokale tech ecosysteem om zo ook de afhankelijkheid van buitenlandse spelers te verminderen.

De provincie versterkt in samenwerking met verschillende partijen de cyberweerbaarheid door stevige betrokkenheid bij de uitvoering van de Roadmap Cyberweerbaarheid Zuid-Holland. Met behulp van dit programma wordt de verbinding en kennisdeling in de regio vergroot. Een gedegen programma met heldere verbindingen vergroot de kans op Rijks- of EU gelden waarmee kennisdeling verder gestimuleerd kan worden. 

Daarnaast zet de provincie in samenwerking met de Security Delta (HSD) nieuwe cyberweerbaarheidscentra op. Deze zorgen voor op maat gemaakte kennisontwikkeling en hulp bij dreigingen in de sector. Door het opzetten van deze centra kunnen bestaande initiatieven succesvol worden bestendigd en regionaal worden uitgevoerd.  

De Provincie ondersteunt het innovatieve bedrijfsleven op het gebied van cybersecurity. Er wordt ondersteuning geboden door middel van o.a. de Security Delta (HSD) en door het internationaliseringsprogramma cyber.

ZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

4.1.4.2 Digitale innovatie

Wat gaat de provincie doen?

De provincie wil innovatie versnellen door het gebruik van sleutel technologieën te vergroten. De provincie stimuleert en ondersteund maatschappelijk verantwoorde digitale innovatie met belangrijke sleutel technologieën (zoals Kunstmatige intelligentie (AI), Quantum, 5G/6G, en Immersive Tech en drones) en helpt de economische sectoren deze innovaties toe te passen. 

De provincie vervult een stimulerende en faciliterende rol bij het vergroten van het gebruik van sleuteltechnologieën. We richten ons niet op de ontwikkeling van deze technologieën zelf, maar nemen een sleutelrol in het versterken van het ecosysteem waarin deze innovaties tot bloei kunnen komen. Daarbij creëren we de juiste randvoorwaarden voor verantwoorde digitale innovatie. Dit doen we door: 

  • het verstrekken van financiële middelen (bijvoorbeeld via subsidies of regelingen), 

  • het ontwikkelen van ondersteunend beleid, 

  • het initiëren en samenbrengen van netwerken van bedrijven, kennisinstellingen en overheden, 

  • en het aanjagen van toepassingen binnen economische en maatschappelijke sectoren. 

Zo draagt de provincie bij aan een toekomstbestendige en innovatieve economie, waarin sleuteltechnologieën op verantwoorde wijze bijdragen aan maatschappelijke opgaven.

De provincie werkt per sleutel technologie samen met partners, medeoverheden, kennisinstellingen en organisaties zoals bijvoorbeeld EBZ, IQ, Security Delta (HSD), Quantumdelta NL en Future Network Services. Bij deze samenwerkingen is speciaal aandacht voor digitalisering in relatie tot brede welvaart, economische clusters, energietransitie, mobiliteit en duurzaamheid. 

Rol

Samenwerkend

Uitwerking

Door innovatieve ecosystemen te ondersteunen wordt  het organisatievermogen versterkt om zo de kans op toepassing van innovaties in de regio te vergroten. De provincie ondersteundondersteunt onderzoeken en ecosystemen rondrondom bijvoorbeeld Quantum, 5/6G, AI en Immersive tech. De provincie verstrekt subsidie en helpt bij het tot stand komen van experimenteeromgevingen zoals fieldlabs, living labs en learning communities. Met deze pilots wordt de toepassing van nieuwe technologie gestimuleerd en verspreid. Voorbeelden hiervan zijn field lab unmanned valley rond drones, Living Lab Scheveningen rond het internet of things (IoT) en Learning community AI voor MKB onder het Responsible Applied Artifical InTelligence (RAAIT)

Rol

Samenwerkend

Uitwerking

De provincie werkt per sleutel technologie samen met partners, mede overheden, kennisinstellingen en organisaties zoals EBZ, IQ, Security Delta (HSD), Quantumdelta NL, Future Network Services, GovTechNL en FutureCity Foundation. Bij deze samenwerkingen is speciaal aandacht voor digitalisering in relatie tot energietransitie, klimaat neutrale (slimme) stad, circulaire economie, glastuinbouw, goederenvervoer corridors, maritiem en haven, tekort aan arbeidskrachten, de maakindustrie en LifeSciences & Health

Om de digitale economie goed te laten functioneren is digitale connectiviteit van groot belang. Naast de ontwikkelingen in innovatieve connectiviteit zoals 5G en 6G zorgen we er ook voor dat de basis van digitale connectiviteit op orde is. Zo zijn we op de hoogte van de ontwikkelingen van nieuwe zeekabels richting Zuid-Holland en werken we aan een beleid voor datacenters. In dit beleid voeren we als provincie actief regie op datacenters met bijbehorende randvoorwaarden op bijvoorbeeld energieverbruik.

Inzet Activiteiten per sleuteltechnologie

•       AI en data

  • AI en data

Voor bedrijven bieden AI en Data zowel kansen als bedreigingen. De provincie ondersteunt bedrijven bij toegepaste innovatie, het ontwikkelen van ethisch verantwoorde producten en het beschermen van hun eigen data. Met projecten bij o.a. Datawerf, Digital ZH, MondAI en Responsible Applied AI.

•       Quantum

  • Quantum

Zuid-Holland is en blijft de Quantum hotspot van Europa. Via het actieplan Quantum Zuid-Holland en de fieldlabs ligt de focus op de toepassing binnen de verschillende economische sectoren. De provincie sluit aan bij de groeiagenda en ondersteunt aanvragen voor Europese fondsen om het ecosysteem te versterken.

•       5G / 6G / IoT

Is een belangrijke randvoorwaarde voor innovatie. Via Future Network Services draagt de provincie bij aan het 5/6G ecosysteem. De provincie ondersteunt het fieldlab DoIoT voor Internet of Things.

•       Autonoom vervoer en dronetechnologie

Nederland zit in de kopgroep van landen die zich voorbereiden op zelfrijdend vervoer. De provincie ondersteunt initiatieven zoals future Mobility Park in Rotterdam, The Greenvillage en Unmanned valley om hiermee te experimenteren, te onderzoeken wat de impact is op ruimtelijke inrichting en welke kansen het biedt voor de economische sectoren.

•       Immersive Tech (o.a. Augmented Reality/Virtual Reality)

De provincie ondersteunt deze sterk opkomende nieuwe markt en onderzoekt met partners de potentie en helpt financieel de vorming van het ecosysteem in de regio.

  • 5G / 6G / IoT

Connectiviteit is een belangrijke randvoorwaarde voor innovatie. De provincie volgt de ontwikkelingen rondom connectiviteit en helpt bij het bouwen en onderhouden van ecosystemen die de connectiviteit versterken.

  • Immersive Tech

De provincie ondersteund samen met regionale partners het ecosysteem rondom Immersive Tech (Shine) en helpt organisaties met het experimenteren met en toepassen van deze sleuteltechnologie. 

AAA

Na sectie '4.1.4.2 Digitale innovatie' wordt een sectie ingevoegd, luidende:

4.1.4.3 Verantwoorde digitalisering

Wat gaat de provincie doen?

Digitalisering wordt ingezet om bij te dragen aan de maatschappij en brede welvaart en speelt daarnaast een belangrijke rol in de transities en andere economische opgaven. De provincie zet daarom in op verantwoorde digitalisering, waarbij digitalisering wordt vormgegeven op basis van gedeelde waarden." Dit sluit aan op de werkagenda verantwoorde digitalisering van het rijk.

Rol

Samenwerkend

Uitwerking

De acties en initiatieven die de provincie uitvoert worden getoetst aan het afwegingskader gerichte groei wat momenteel in ontwikkeling is, omdat de indicatoren een groot deel van de provinciale waarden afspiegelen. Daarnaast vervult het team digitale economie van de provincie een adviesrol op het gebied van digitalisering richting andere provinciale opgaveteams op het gebied van transities en economie. Ook hebben we een activerende rol op het gebied van verantwoorde digitalisering voor externe partijen in de regio. Dit doen we onder andere door het onderwerp te agenderen op diverse gelegenheden.

De provincie werkt op het gebied van verantwoorde digitalisering samen met andere overheidspartijen, zoals de rijksoverheid en gemeenten. Ook wordt er samengewerkt met kennisinstellingen voor het ontwikkelen en toetsen van waarden en zijn er publiek-private samenwerkingen waarin kennis wordt verworven en verspreid.  

Digitalisering is van belang bij andere economische sectoren en transitieopgaven zoals bijvoorbeeld de energietransitie, circulaire transitie en logistiek. Door slimme inzet van digitalisering kunnen voordelen worden gerealiseerd. We houden oog voor het maatschappelijk perspectief en hebben positieve impact op de brede welvaart in Zuid-Holland. Dit betekent dat technologie wordt ingezet om bij te dragen aan bredere maatschappelijke doelen en een positieve impact op de samenleving.

BBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

4.1.5.1 Samen bouwen aan een Circulair Zuid-Holland

Wat gaat de provincie doen?

De provincie wil een volledige circulaire samenleving in Zuid-Holland bereiken in 2050 met als tussendoel 50% minder verbruik van primaire fossiele grondstoffen, mineralen en metalen in 2030. Een circulaire economie is een belangrijk onderdeel van die circulaire samenleving. De provincie zet in verschillende inhoudelijke thema’s waar de provincie impact kan maken. Dit doet de provincie met een transitieaanpak in samenwerking met medeoverheden, bedrijven, kennisinstellingen en andere organisaties en groepen die aan de transitie bijdragen.

Rol

Samenwerkend

Uitwerking

Samenwerkende overheid 

Essentieel in de transitie naar een circulaire economie is samenwerking tussen verschillende stakeholders. Als verbindende overheidslaag heeft de provincie een rol om deze samenwerking te stimuleren en daarmee de transitie naar een circulaire economie te versnellen. Op verschillende inhoudelijke thema’s worden netwerken met het bedrijfsleven, kennisinstellingen en medeoverheden gefaciliteerd. Maar ook samenwerking met inwoners en de provinciale omgevingsdiensten staat centraal in de provinciale aanpak. Door samen te werken met de omgeving is het mogelijk om het beleid en de instrumenten aan te passen op de behoeftes voor de transitie naar een circulaire samenleving.

Nadere uitwerking

De provincie heeft als doel om de transitie naar en circulaire samenleving te versnellen door bij te dragen aan systeemverandering. Dit doel wordt op meerdere manieren gestimuleerd aan de hand van acht bouwstenen:

1. Inclusieve transitie

Zonder de 3.800.000 Zuid-Hollanders geen Circulair Zuid-Holland. Door in te zetten op een inclusieve circulaire transitie zorgt de provincie ervoor dat iedereen de vruchten kan plukken van deze brede welvaart, en dat alle inwoners van Zuid-Holland kunnen meedoen met de transitie. Dat vraagt om erkenning van het maatschappelijk initiatief dat er nu al is, dit potentieel helpen benutten en om het mogelijk maken van circulaire keuzes door consumenten, bijvoorbeeld door het bevorderen van reparatieaanbod.

De provincie heeft zelf beperkt rechtstreeks contact met inwoners. De provincie ondersteundondersteunt gemeenten in hun benadering van inwoners. Daarbij erkenderkent de provincie , dat inwoners zelf lang niet altijd ‘circulair’ als thema beschouwen; wijk- en buurtinitiatieven hebben veelal een integraal duurzaamheids- en inclusief karakter. Zuid-Holland neemt (burger)participatie serieus. De meningen en de beelden van de inwoners zijn belangrijk voor de richting en de snelheid van de circulaire transitie: hoe denken inwoners bijvoorbeeld over het wonen in biobased huizen? Hebben zij behoefte aan lokaal geproduceerd voedsel? Onder welke voorwaarden omarmen zij retoursystemen op verpakkingen? De antwoorden op dergelijke vragen helpen in het valideren van de provinciale circulaire aanpak. De provincie maakt gebruik van het participatiekompas om te komen tot participatieaanpakken die passen bij de veelomvattendheid van het circulaire vraagstuk en onze provinciale rol.

Daarnaast is bestaanszekerheid belangrijk, daarom maakt  de provincie zich sterk om de transitie op de arbeidsmarkt zo rechtvaardig mogelijk te laten verlopen en wordt er ingezet op circulaire werkgelegenheid. Daarbij wordt er een oog gehouden voor mogelijke ongelijkheidseffecten en richt de provincie zich op het voorkomen daarvan.

2. Circulaire innovatie 

Er komt veel op bedrijven af. Schaarste aan grondstoffen, strengere milieuwetgeving, veranderende klantwensen en eisen van financiers. Verandering is van alledag. Hier ligt de kans om die verandering meteen circulair te maken: economisch en ecologisch toekomstbestendig, geopolitiek onafhankelijker en gezond voor mens en milieu. Om die kansen in beeld te krijgen en vervolgens te verzilveren is innovatie nodig. Het gaat daarbij vooral om sociale en systeeminnovatie: nieuwe verdienmodellen, nieuwe marktketens, het effectief organiseren van grondstoffenstromen en innovatie die nodig is voor opschaling. Bedrijven zijn hier zelf al volop mee bezig, maar versnelling en opschaling zijn nodig. Met de financiële regelingen innovatie wordt innovatie gestimuleerd, er wordt ruimte geboden aan  experimenten en worden markten en ketens geholpen om zich te organiseren. Daarmee is de provincie  een stimulerende en richtinggevende partij in de totstandkoming van een circulaire regionale economie.

3. Coalities en netwerken 

De circulaire transitie is alleen gezamenlijk te realiseren. De provincie organiseert  samenwerking tussen een diversiteit aan actoren, zoals overheden, regioversnellers, kennisinstellingen, start- en scale-ups, (familie)bedrijven, multinationals en inwoners. Daarbij wordt de (lokale) kennis en ervaring van iedere partner benut. Partijen die nog aan de zijlijn staan zijn uitgenodigd om mee te doen. Zo groeien circulaire netwerken voortdurend. Deze netwerken en de coalities die eruit voortkomen creëren de condities voor verandering en vergroten zo de tegenkracht tegenover de huidige lineaire economie. Door tastbare vooruitgang te boeken, kennis te delen en door beleid te beïnvloeden bouwen ze aan het draagvlak voor de circulaire transitie en hebben ze een vliegwieleffect op de regionale economie als geheel.

In de afgelopen jaren heeft het bouwen aan netwerken zich bewezen. Daarom intensiveert de provincie  deze aanpak door nieuwe netwerken en coalities te initiëren, het organiserend vermogen ervan te faciliteren, waar relevant zelf deel te nemen en door nieuwe partijen te betrekken. Provincie Zuid-Holland geeft richting aan deze samenwerkingen door kaders te stellen en door de eigen ambities helder uit te dragen.

4. Ruimte

Werken, wonen, reizen. Alle activiteiten waarin grondstoffen omgaan, landen ergens en vragen daar om ruimte. Ruimte voor circulaire bedrijven, ketens en sectoren is een cruciale voorwaarde voor een toekomstbestendige economie en samenleving. Het gaat enerzijds om aanpassingen in de huidige economie die om uitbreidingsruimte of ruimtelijke verandering vragen, en anderzijds om het realiseren van de ruimtelijke schakels die nodig zijn om in Zuid-Holland en Nederland een circulaire economie draaiende te houden (oogstruimte, logistieke ruimte (incl. opslag), verwerkingsruimte en herinrichten van gebruiksruimte). De druk op de Zuid-Hollandse ruimte is groot en ruimte is schaars. De provincie is dichtbevolkt en heeft maar weinig open ruimte. Daarom moet de bestaande ruimte beter en effectiever worden gebruikt. Circulaire activiteiten, zowel van nieuwe als bestaande spelers, hebben moeite om in Zuid-Holland een plek te vinden, terwijl juist dit gebied van belang is voor internationale circulaire ketens en logistiek. Er moeten dus keuzes worden gemaakt en creatieve oplossingen worden ingezet.  Vanuit provinciale taken in de ruimtelijke ordening en het Omgevingsbeleid worden ruimtelijke keuzes gemaakt. Dat wordt gedaan door circulair een vanzelfsprekend onderdeel te maken van het ruimtelijk beleid, door afspraken te maken in gebieden (lokaal, regionaal en bovenregionaal), door mee te doen aan ruimtelijke projecten en onderzoek, door ruimtelijke instrumenten in te zetten en door te ontwikkelen en door randvoorwaarden te scheppen die anderen in staat stellen om voor de circulaire keuze te gaan.

5. Circulaire organisatie

Bij een actief circulair beleid hoort ook ‘practice what you preach’. Door zelf ambitieus te zijn en aan de slag te gaan met circulariteit ervaart de provincie beter welke obstakels er zijn. De provincie maakt via haar inkoop en aanbesteding het verschil in het aanjagen van circulaire innovaties en markten. Zo staat de provincie steviger als we anderen aanspreken op hun rol in de transitie. Dat betekent dat medewerkers van de provincie in staat moeten zijn om hun rol hierin in te vullen, van ambtelijk opdrachtgevers, beleidsmedewerkers en toetsers tot projectleiders, inkopers. Circulair werken en werken aan transities vraagt iets van het vakmanschap van de medewerkers. Dat gaat niet vanzelf en de organisatie gaat daarmee aan de slag. De provincie is daarin enthousiasmerend waar het kan, en sturend waar het moet.

6. Financiering en subsidies

Financiering van circulaire initiatieven is nodig om te versnellen, onder meer om de risico’s van innovatieve technologieën en bedrijfsmodellen op te vangen. Aan middelen lijkt geen gebrek, maar de kaders, verzekeringen, certificeringen, risicomodellen en financieringsmogelijkheden sluiten nog niet goed aan bij wat nodig is. Er is nog geen sprake van gelijk speelveld en voor ondernemers is het lastig hun weg te vinden. Daarnaast is de aanwas van nieuwe circulaire projecten, initiatieven en startups en de doorgroei hiervan nog te klein om op te schalen en de noodzakelijke versnelling in te zetten. Vanuit de taak voor de regionale economie wil de provincie hierin een actieve rol vervullen door projecten aan te jagen, het financieringslandschap inzichtelijker te maken en eigen subsidies – zover relevant – zo in te richten dat ze ook de circulaire transitie ondersteunen. Hierbij hoort ook het agenderen van knelpunten bij het Rijk en bij financiers.

7. Beleid en monitoring

De circulaire transitie raakt de hele samenleving en zal alleen slagen als het een volwaardige plek krijgt in alle relevante beleidsvelden en instrumenten van de provincie. Het vertrekpunt hierbij is dat circulair geen doel op zich is. De circulaire transitie kan worden beschouwd  als een essentieel middel voor de oplossing van meerdere beleidsvraagstukken. Beleid geeft richting, borging voor de langere termijn en vormt de basis van het provinciaal handelen.

Het circulaire beleid is nog volop in ontwikkeling. De provincie kiest ervoor dat de komende jaren, samen met de andere opgaves en beleidsvelden, circulariteit te gaan invullen en te vertalen. Hierdoor wordt circulair onderdeel van al het relevante provinciale beleid, instrumenten en budgetten. Zuid-Holland maakt  beleid op basis van monitoring en continue reflectie. Ook de monitoring is nog in ontwikkeling. Er is nog geen eenduidige set van indicatoren en de huidige beschikbare data zijn nog maar deels geschikt voor monitoren van circulair in de regio. De ontwikkeling van monitoring wordt gedaan samen met andere partijen.

8. Vergunningverlening, toezicht en handhaving

Een toekomstige economie is gezond, veilig en circulair. Milieuvergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) vormen belangrijke kader stellende instrumenten in de circulaire transitie. Het VTH stelsel en de omgevingsdiensten die dit onder mandaat van provincies en gemeenten uitvoeren moeten de transitie goed kunnen ondersteunen. Dit komt ook naar voren in de IPO Bouwstenenvisie VTH en Circulaire Economie (2022). De kaders en regelgeving zijn gericht op het beschermen van de gezondheid en de kwaliteit van de leefomgeving. Voor nieuwe initiatieven knelt dit wel eens of ontbreken deze kaders juist nog. Aanpassingen op wet- en regelgeving zijn dan ook noodzakelijk om de circulaire transitie te ondersteunen. Ook is het voor ondernemers niet altijd duidelijk wat wel en niet kan en mag. De nieuwe milieurapportageplicht (CSRD) biedt kansen voor betere data over afval, emissies en grondstofgebruik.

In 2024 wordt er verkend voor welke bouwstenen aparte maatregelen genomen moeten worden. Hierin wordt de rolduiding en doelen voor de komende coalitieperiode benoemd.  

CCC

Na sectie '4.1.5.1 Samen bouwen aan een Circulair Zuid-Holland' wordt een sectie ingevoegd, luidende:

4.1.5.2 Ruimte voor de circulaire economie

Wat gaat de provincie doen?

De transitie naar een circulaire economie zorgt voor nieuwe bedrijvigheid en daarmee nieuwe ruimtevragers. Ook de ruimtevraag van bestaande bedrijvigheid zal veranderen. De ruimtevraag kan bijvoorbeeld gaan om locaties voor het winnen, opslaan, sorteren en verwerken van kritieke materialen, sloopmateriaal uit de bouw, groene grondstoffen of plastics. Met een circulaire economie verdienen we straks geld én creëren we de banen van de toekomst. Circulaire bedrijvigheid, zowel van nieuwe als bestaande spelers, heeft echter moeite om in Zuid-Holland voldoende ruimte te vinden, maar is essentieel om de transitie naar een circulaire economie te realiseren. Daarom wil de provincie ruimte bieden aan de circulaire economie. Op termijn biedt zij geen nieuwe ruimte meer voor bedrijven die niet circulair opereren. De provincie geeft hier invulling aan vanuit haar taken en bevoegdheden.

De provincie kan vanuit haar rol en taken een belangrijke bijdrage leveren aan het creëren van ruimte voor de circulaire economie. Dit vraagt om samenwerking met gebiedspartners. Dit doen we onder meer door ruimte voor circulaire economie onderdeel te maken van ons ruimtelijk beleid en instrumenten, door afspraken te maken in gebieden (lokaal, regionaal en bovenregionaal) en door uitvoering te geven aan (samenwerkings)projecten (realisatie ruimtelijke projecten en onderzoek). In samenwerking met andere overheden zet de provincie stappen in het bieden van voldoende ruimte voor circulaire bedrijvigheid.

Rol

Samenwerkend

Uitwerking

Deze maatregel is vormgegeven op basis van 1) de bouwsteen Ruimte in de geactualiseerde strategie ‘Samen bouwen aan een Circulair Zuid-Holland (2024-2027), 2) de Ruimtelijke Strategie Circulair Zuid-Holland en 3) de Ruimtelijke Economische Visie.  

Door de transitie naar een circulaire economie verandert de ruimtevraag van bestaande bedrijvigheid en ontstaat er nieuwe bedrijvigheid. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met een fase met mogelijk een dubbele ruimtevraag, waarin het nieuwe circulaire systeem groeit naast de bestaande (lineaire) productiecapaciteit. Deze overgangsfase vraagt om ruimte voor sanering en verbouwing van installaties of gebouwen, verplaatsing van bedrijven en aanleg van infrastructuur. De precieze aard en omvang van de circulaire economie in 2050 en de gevolgen per provincie zijn nog onduidelijk, maar voor een succesvolle transitie is het belangrijk dat rekening wordt gehouden met circulaire bedrijfsactiviteiten die de komende decennia ontstaan, zoals: (bio)grondstofopslag en verwerking, bouwhubs en binnenstedelijke locaties voor reparatie en deeleconomie.  

Verschillende partijen voeren verdiepend onderzoek uit om de ruimtelijke effecten en benodigde randvoorwaarden van de circulaire economie beter inzichtelijk te maken. Veel van deze circulaire ruimtevragen zullen landen op bedrijventerreinen. Bedrijventerreinen zijn een cruciale schakel in het economisch functioneren van Zuid-Holland. Het zijn dé locaties waar hinder veroorzakende activiteiten zich kunnen vestigen, zoals stadsverzorgende bedrijven (bouw, service), (stads)logistiek en (circulaire) industrie én waar de ruimte schaars is. Daarmee zijn het ook dé plekken waar de transitie naar een circulaire economie vorm moet krijgen.  

Aanpak  

Op hoofdlijnen is de Ruimtelijke Strategie Circulair Zuid-Holland voor een circulaire economie in Zuid-Holland ontwikkeld met een ruimtelijke hoofdstructuur die specialisatiekansen per gebied toont. Om de strategie te realiseren gaat de provincie het volgende doen:  

  • 1.

    De provincie werkt aan circulaire hotspots uit de Ruimtelijke Strategie Circulair Zuid-Holland;

  • 2.

    De provincie reserveert (tijdelijk) planologische ruimte voor strategische (hub)locaties voor de circulaire economie;

  • 3.

    De provincie geeft  prioriteit aan circulaire bedrijvigheid op nog te ontwikkelen bedrijventerreinen, passend bij het circulaire profiel van de regio;

  • 4.

    De provincie gaat bestaande ruimte voor bedrijvigheid beter benutten, mede ten behoeve van de circulaire economie;

  • 5.

    De provincie zorgt ervoor dat kennisontwikkeling en beleidsverankering van ruimte voor circulaire bedrijvigheid en samenleving aandacht krijgt in provinciaal-, lokaal- en rijksbeleid.

Dit doet de provincie als volgt:  

1. De provincie werkt aan circulaire hotspots uit de Ruimtelijke Strategie Circulair Zuid-Holland door:  

  • Met prioriteit te werken aan circulaire hotspots uit de Ruimtelijke Strategie Circulair Zuid-Holland. Dit zijn locaties met een uniek profiel, waarin belangrijke circulaire functies voor Zuid-Holland een plek zullen krijgen. Te starten met de volgende (delen van) hotspots:  

    • Westflank Rotterdam: het ontwikkelgebied aan de westkant van Rotterdam inclusief Merwe-Vierhavens waar stad en (maak)industrie elkaar raken.

    • De Oude Rijnzone: het gebied rondom Leiden en Alphen aan den Rijn dat raakt aan het Groene Hart en waar de verzorgende circulaire economie voor de steden vorm krijgt.

    • Drechtsteden: het gebied waar het haven- en industriegebied zich ontwikkelt ten behoeve van een circulaire maritieme sector.

    • Zuid-Hollandse Delta: het ‘schakelgebied’ tussen stad, land en de Rotterdamse haven waar samen gewerkt wordt aan een toekomstbestendige, vitale en circulaire regionale economie.

  • Samen met de regionale partners werkt de provincie per hotspot aan een ruimtelijke circulaire strategie en verankering daarvan in beleid van de betrokken overheden. Daarin wil zij komen tot een verdieping op relevante circulaire ketens en hun benodigde ruimtelijke randvoorwaarden. De provincie ontwikkelt deze regionale ruimtelijke circulaire strategie in een proces passend bij de behoefte/lopende processen van de partners in deze gebieden.

  • Op basis van de ervaringen in deze hotspots willen we deze aanpak op termijn in meer gebieden uitrollen.

2. De provincie reserveert (tijdelijk) planologische ruimte voor strategische (hub)locaties voor de circulaire economie:  

  • Met name schaarse watergebonden locaties met een hoge milieucategorie en multimodale transportmogelijkheden (bereikbaar via water, spoor en weg) zijn belangrijk in een circulaire economie. Daarom heeft de provincie een Locatie- en netwerkanalyse Circulaire Hubs laten uitvoeren naar kansrijke strategische (hub)locaties voor de circulaire economie. Om de transitie naar een circulaire economie te maken is het belangrijk dat de provincie deze locaties (tijdelijk) beschermt en beter benut door:  

    • Op basis van het onderzoek Locatie- en netwerkanalyse Circulaire Hubs met relevante gebiedspartners te komen tot een samenhangend hubsysteem van strategische locaties.

    • Afspraken te maken over de reservering en benutting van strategische locaties en de concrete doorvertaling naar het benodigde ruimtelijk instrumentarium van de betrokken partners.

    • De reservering van strategische locaties vast te leggen in de provinciale Omgevingsverordening.

  • Om bovenstaande te bereiken start de provincie gesprekken met de (relevante) partners.

3. De provincie geeft  prioriteit aan circulaire bedrijvigheid op nog te ontwikkelen bedrijventerreinen, passend bij het circulaire profiel van de regio door:  

  • Met gemeenten in gesprek te gaan over het beoogde circulaire profiel, op basis van de Ruimtelijke Strategie Circulair Zuid-Holland.

  • Ons instrumentarium (zoals bedrijventerreinenvisies, Omgevingsverordening, instructieregels) in te zetten om bij nog te ontwikkelen ruimte voor economie prioriteit te geven aan circulaire bedrijvigheid en ook gemeenten daarin te ondersteunen.

4. De provincie gaat bestaande ruimte voor bedrijvigheid beter benutten, mede ten behoeve van de circulaire economie door:  

  • Een aanpak voor 'beter benutten’ te ontwikkelen en realiseren, als onderdeel van de beleidskeuze ‘Concurrerende en toekomstbestendige bedrijventerreinen’, waarin ruimte voor circulaire bedrijvigheid een belangrijk uitgangspunt is. Onderdeel daarvan vormt de ontwikkeling van een verplaatsingsfonds en het creëren van ruimte voor bedrijvigheid.

5. De provincie zorgt ervoor dat kennisontwikkeling en beleidsverankering van ruimte voor circulaire bedrijvigheid aandacht krijgt in provinciaal, lokaal en rijksbeleid door:  

  • Een actieve bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van het kennisveld ruimte & circulair, onder andere via verdiepende verkenningen en deelname aan ‘lerende netwerken’.  

  • Te zorgen dat ruimte voor circulaire bedrijvigheid onderdeel is van richtinggevende ruimtelijke visies, Omgevingsbeleid en provinciaal instrumentarium.

  • Te stimuleren dat gemeenten, waterschappen en het Rijk dit ook doen, bijvoorbeeld door in rijk-regio verband samen te werken en uitvoering te geven aan de bestuurlijke afspraken over ruimte en circulair, en door het Rijk te vragen om een ruimtelijke strategie voor een circulair Nederland in Europese context te ontwikkelen.

DDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

4.1.6.1 Toekomstbestendige ruimte voor ondernemen

Wat gaat de provincie doen?

De provincie streeft naar een welvarend en krachtig Zuid-Holland met toekomstbestendige ruimte voor ondernemerschap. Dat betekent versnelling van de transitie naar een duurzame, innovatieve en inclusieve economie. Een goed vestigingsklimaat met concurrerende, toekomstbestendig bedrijventerreinen, vitale, krachtige en aantrekkelijke stads- en dorpscentra en een sterke kantorenmarkt dragen daaraan bij. Het gaat daarbij om voldoende werklocaties van de juiste kwaliteit en op de juiste plek, .  De provincie zet daarom in op:

  • Sturen op ruimte voor een duurzame, innovatieve en inclusieve economie

  • Concurrerende en toekomstbestendige bedrijventerreinen;

  • Concentratie en bundeling van nieuwe detailhandel primair in de centra van wijken, dorpen en steden;

  • Juiste kantoor op de juiste plek.

De provincie doet dit door het opstellen van ruimtelijke regels, maar ook door flankerend beleid zoals subsidieregelingen, het delen van kennis en informatie, onderzoek, het organiseren van netwerken en het inzetten van ambassadeurs.

Rol

Samenwerkend

Uitwerking

Ruimte voor een duurzame, innovatieve en inclusieve economie

De provincie staat voor een toekomstbestendige economie met een gezond en aantrekkelijk vestigingsklimaat voor haar ondernemers en inwoners. Dat betekent versnelling van de transitie naar een duurzame, innovatieve en inclusieve economie. De provincie geeft ruimtelijk-economisch beleid vorm, zodat het bijdraagt aan brede welvaart voor alle Zuid-Hollanders. De economie en bedrijven kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan brede welvaart. De provincie stuurt hierop door te kiezen voor kwaliteit en selectieve groei. Bijvoorbeeld bij keuzes rondom ruimtelijke functies, investeringen in infrastructuur en door selectief om te gaan met groei van economische activiteiten. Dat betekent dat de provincie niet meer vanzelfsprekend ruimte faciliteert op basis van ramingen en prognoses, maar gericht kijken naar de bijdrage van economische ontwikkelingen aan brede welvaart en het Zuid-Hollandse ecosysteem. Activiteiten die hieraan bijdragen verdienen steun en ruimte van de provincie. Ramingen en prognoses zijn daarbij vooral ondersteunend bedoeld en meer kwalitatief van aard. De provincie heroverweegt de uitvraag naar behoefteramingen, zodat deze aansluit op de wens om meer te sturen op kwaliteit.

Duurzaamheid, innovatie en inclusiviteit zijn de pijlers van een toekomstbestendige economie en krijgen prioriteit bij de verdeling van de ruimte. De provincie zet in op een duurzame economiezonder schadelijke uitstoot en die gebaseerd is op een circulair energie- en grondstoffensysteem. De provincie zet in op een innovatieve economiemet een gezond en aantrekkelijk vestigingsklimaat dat ruimte biedt aan ondernemerschap. De provincie zet in op een inclusieve economiemet gelijke kansen voor iedereen, waarin elke regio telt en iedereen een goede boterham kan verdienen en op een prettige en gezonde manier kan leven.

Licence to operate: draagvlak en legitimiteit

De bijdrage aan brede welvaart en een duurzame, innovatieve en inclusieve economie bepaalt in steeds belangrijker mate de ‘license to operate’ van bedrijven. Deze ‘license to operate’ kan worden vertaald als een combinatie van maatschappelijke, politieke en juridische legitimiteit. Dit vormt het afwegingskader voor economische activiteiten waarvoor ruimte wordt geboden. De provincie ondersteunt bedrijven in de transitie naar 'toekomstbestendigheid', maar wie niet toekomstbestendig is verliest op termijn draagvlak en legitimiteit en daarmee aanspraak op steun en (toekomstige) ruimte in onze provincie.

Legitimiteit gaat om het verantwoord uitvoeren van activiteiten. Dit vormt het maatschappelijk, politiek en juridisch draagvlak een organisatie nodig heeft om te kunnen bestaan en (blijven) opereren in een samenleving. Het hebben en houden van draaglvak is breder dan het voldoen aan wet- en regelgeving, of verkrijgen van een officiële vergunning van de overheid. De wet trekt weliswaar de grenzen, maar het verkrijgen van maatschappelijk legitimiteit omvat meer dan het enkel vastleggen van zakelijke afspraken. Het gaat ook over de sociale acceptatie en erkenning die een organisatie krijgt van de maatschappij. Dat is een continu proces waarbij de verankering in de maatschappij, de verbinding met stakeholders en de toegevoegde waarde die organisaties leveren bij het oplossen van maatschappelijke knelpunten uiteindelijk het draagvlak bepalen. Dit is daarmee een voorwaarde voor een winstgevende toekomst voor organisaties.

Het maatschappelijk, politiek en juridisch draagvlak of legitimiteit bestaat uit verschillende onderdelen, waar de provincie op wil sturen.

  • Het bestaat ten eerste uit wettelijke vereisten die reeds zijn vastgelegd. Dat geldt bijvoorbeeld voor Kaderrichtlijn Water (2027), het terugbrengen van de uitstoot van CO2 (2030) en stikstofdepositie (2035), de participatiewet en externe veiligheid. Deze wettelijke doelen moeten worden gehaald binnen de termijnen die wettelijk zijn bepaald.

  • Daarnaast bestaat het uit factoren, waarover afspraken zijn of worden gemaakt met samenwerkende overheden, bedrijven of de samenleving. Hierbij gaat het om het gebruik van energie, grondstoffen en zoet- en drinkwater, circulair, huisvesting van arbeidsmigranten en gezondheid. Een voorbeeld hiervan is het Grondstoffenakkoord.

  • Ten slotte zijn er factoren waar nog geen afspraken over zijn gemaakt, maar waar de provincie in toenemende mate op gaan sturen, zoals ruimtegebruik, brede welvaart en transities.

Maatschappelijk, politiek en juridisch draagvlak of legitimiteit is geen juridisch instrument, maar wel bruikbaar om het gesprek over de gewenste economische ontwikkelingen met de buitenwereld te voeren. De werkwijze hieromtrent wordt samen met partners verder uitgewerkt. Daarnaast daagt de provincie (nieuwe) ruimtevragers uit om hun bijdrage aan de duurzame, innovatieve en inclusieve economie te vergroten. Voor activiteiten die hier positief aan bijdragen spant de provincie zich extra in.

Prioritering van economische activiteiten

Duurzaamheid, innovatie en inclusiviteit staan niet los van elkaar; ze kunnen elkaar versterken en leiden samen tot brede welvaart. Tegelijkertijd kunnen ze ook op gespannen voet met elkaar staan bij het maken van ruimtelijke keuzes. De context is veelal bepalend bij het maken van de juiste keuze. In eerste instantie zijn gemeenten de aangewezen partij om economische (bedrijfs)activiteiten te faciliteren. Wanneer dit lokaal tot knelpunten leidt, (boven)regionale belangen onder druk komen te staan en scherpe keuzes nodig zijn, pakt de provincie haar rol bij de verdeling van de ruimte. Dit geldt zowel voor nieuw uit te geven ruimte, bestaande (schuif)ruimte die beschikbaar komt of gemaakt kan worden en ruimte die momenteel niet goed wordt benut. Bij de verdeling van de ruimte voor economie geeft de provincie prioriteit aan de volgende activiteiten:

  • 1.

    Basiseconomie en strategische belangen: De ‘basiseconomie’ heeft voldoende ruimte nodig. Dat gaat om maatschappelijke en nutsvoorzieningen en stadverzorgende bedrijvigheid die noodzakelijk is voor het functioneren van onze samenleving. Dit betreft functies die vanwege hun (milieu)ruimtegebruik moeilijk inpasbaar zijn, zoals afval- of betoncentrales. Ook gaat het om stadsverzorgende bedrijvigheid en voorzieningen die uit stedelijke en landelijke gebieden verdwijnen, omdat ze steeds moeilijker (betaalbare) ruimte vinden, zoals huisartsen of onderwijs. Daarnaast gaat het om activiteiten die vanwege hun (nationale) strategische belang een bijdrage leveren aan onze strategische autonomie. Bijvoorbeeld sectoren waar Nederland of Europa minder afhankelijk wil zijn van derden, zoals defensie, kritische materialen/technologieën, duurzame energie, of de productie van voedsel of medicijnen. De benodigde aard en omvang van deze basiseconomie en strategische belangen kan in de loop van de tijd veranderen.

  • 2.

    Circulaire economie: De provincie maakt ruimte voor activiteiten die bijdragen aan de transitie naar een circulaire en klimaat neutrale economie, waarin het hergebruik van producten en grondstoffen en het behoud van natuurlijke hulpbronnen het uitgangspunt is. Het gaat daarbij om activiteiten op enkele strategische locaties, die een sleutelrol spelen in het circulaire netwerk. Zo biedt de provincie bedrijven de kans (de omslag naar) duurzaamheid en circulariteit prioriteit te geven in hun bedrijfsvoering. Op termijn biedt de provincie geen nieuwe ruimte meer voor bedrijven die niet duurzaam en circulair opereren.

  • 3.

    Kennis- en innovatie-ecosystemen, technologische maakindustrie en toegevoegde waarde: Voor het toekomstig verdienvermogen zet de provincie in op haar sterke kennis- en innovatie-ecosystemen en de technologische maakindustrie, conform de Groeiagenda Zuid-Holland. De provincie biedt ook ruimte aan start-ups en scale-ups om te kunnen groeien. De provincie geeft daarbij prioriteit aan activiteiten met een hogere toevoegde waarde voor de samenleving en economie en een compact ruimtebeslag (zoveel mogelijk toevoegde waarde per m2).

Realiseren van concurrerende en toekomstbestendige bedrijventerreinen

De provincie streeft naar concurrerende en toekomstbestendige bedrijventerreinen. Daarbij wordt ingezet op behouden van het huidige (harde en zachte plan)aanbod van bedrijventerreinen, het beter benutten en duurzaam functioneren van bestaande bedrijventerreinen en op het behoud van voldoende ruimte voor bedrijven in hogere milieucategorieën en watergebonden bedrijven, o.a. om de transitie naar een circulaire economie te kunnen realiseren.

De maatregelen die hiervoor worden ingezet zijn:

  • Subsidie planvorming bedrijventerreinen Zuid-Holland

    Voor de subsidieregeling planvorming bedrijventerreinen Zuid-Holland kunnen aanvragen ingediend worden voor (haalbaarheids-)onderzoeken om de kwaliteit van een bedrijventerreinen te verbeteren, zoals onderzoek naar energie, groen, verkeersveiligheid, OV, en digitalisering.

  • Subsidieregeling verduurzaming bedrijventerreinen

    De provincie heeft een specifieke (investerings-) subsidieregeling om duurzame energie en energiebesparing op bedrijventerreinen te ondersteunen evenals vergroening en circulaire maatregelen. Deze regeling zorgt voor een kwaliteitsimpuls van een bedrijventerrein en is een extra stap op weg richting een toekomstbestendig bedrijventerrein.

  • Kennisuitwisseling

    Kennisdelen is een belangrijk provinciaal instrument, zo ook voor het bedrijventerreinenbeleid. Kennisuitwisseling vindt op verschillende manieren plaats. Zo worden er jaarlijks twee masterclasses bedrijventerreinen georganiseerd. De doelgroep is breed, zowel overheden als bedrijven, ondernemersverenigingen, kennisinstellingen en aanverwante instellingen. Naast deze masterclasses kunnen ook andere thematische bijeenkomsten worden gehouden om de doelgroep te informeren en om input op te halen. Bijvoorbeeld parkmanagers overleggen. De provincie laat daarnaast allerlei onderzoeken uitvoeren als onderbouwing voor het beleid en zet in op het versterken van diverse netwerken. Dit gebeurt onder andere met het bedrijfsleven, overheden en de omgevingsdiensten.  

  • Gebiedsgericht werken met andere partners

    Het wordt steeds belangrijker om samen met partners (zowel overheden, marktpartijen als belangenorganisaties) te werken aan maatschappelijke opgaven. In diverse gebiedscasussen werkt de provincie samen om verschillende ambities te realiseren, waaronder ook het borgen van voldoende werkgelegenheid op bedrijventerreinen en transformatielocaties. Samenwerking op locaties vergt een actieve rol en samenwerkende insteek van de provincie. Dit staat soms op gespannen voet met de toetsende rol van de provincie aan de Omgevingsverordening. 

  • Organisatiegraad verhogen als randvoorwaarde voor verhogen kwaliteit bedrijventerreinen

    Om er voor te zorgen dat een bedrijventerrein investeert in zaken die in de toekomst essentieel zijn voor de ondernemers (zoals duurzame energie, tegen gaan van wateroverlast, et cetera), is het belangrijk dat ondernemers zich organiseren. De ervaring leert dat activiteiten beter, om niet te zeggen alléén, van de grond komen als op het bedrijventerrein een ondernemersvereniging actief is. De provincie vindt dit belangrijk en stimuleert daarom het behouden en verhogen van de organisatiegraad om zo verduurzamingsprojecten aan te jagen. Een ondernemersvereniging kan vervolgens professionele ondersteuning inhuren in de vorm van parkmanagement. Via parkmanagement kunnen activiteiten uitgevoerd worden waar de ondernemersvereniging niet aan toekomt.

  • Ruimtelijk Economische Visie

    In het Coalitieakkoord 2023-2027 is opgenomen dat er in 2024 een Ruimtelijk Economische Visie wordt opgesteld. De centrale vraag daarbij is: ‘wat is het ruimtelijk-economisch toekomstbeeld richting 2050 dat past bij de ambitie naar een toekomstbestendige economie in Zuid-Holland?’

Het doel is om te komen tot een realistische visie voor de gewenste ruimtelijke economische ontwikkeling van de provincie Zuid-Holland richting 2050. De visie gaat in op dilemma’s die worden ervaren en geeft handvatten waarmee ruimtelijk economische keuzes kunnen worden gemaakt. Op basis van de visie kan bijvoorbeeld beter worden bepaald welke ruimtevraag de provincie voor de economie in Zuid-Holland wil faciliteren en kan scherper worden gestuurd op acquisitie en locatiekeuze van (nieuwe) bedrijven. Ook beschrijft de visie welk instrumentarium daarvoor nodig is.

  • Ruimtelijk instrumentarium ten behoeve van behoud van ruimte, zorgvuldig ruimtegebruik en investeringszekerheid

    De provincie zet haar ruimtelijk instrumentarium in ten behoeve van behoud van ruimte, zorgvuldig ruimtegebruik en investeringszekerheid. Daarbij worden alle bedrijventerreinen ruimtelijk beschermd en het toevoegen van andere functies dan werken en/of ondersteunende functies beperkt. Dit om de beschikbare ruimte zo optimaal mogelijk te gebruiken voor een goed vestigingsklimaat en de transitie naar een circulaire economie. Onderzocht wordt of het instrument minimale milieucategorie ook ingezet kan worden op bestaande bedrijventerreinen.

  • Regionale visies

    Voor de regio’s MRDH, Midden-Holland en Zuid-Holland Zuid zijn tot 1 juli 2026 regionale bedrijventerreinenvisies aanvaard. Met de aanvaarding is voor de in de aanvaardingsbrieven genoemde transformatielocaties bepaald dat feitelijke compensatie kan worden toegepast in plaats van planologische compensatie. De afspraken uit deze aanvaarde visies blijven gelden en worden geborgd in de Omgevingsverordening.  

  • Opstellen behoefteramingen en monitoren/onderzoeken

    Om een goed beeld te hebben en houden van vraag en aanbod aan bedrijventerreinen laat de provincie elke vier jaar een behoefteraming opstellen voor bedrijventerreinen en wordt de bedrijventerreinendata gemonitord. Gedeputeerde Staten monitoren o.a. jaarlijks hoe de behoefteraming zich verhoudt tot de werkelijke uitgifte van bedrijventerreinen en de voortgang van de uitvoering van de regionale bedrijventerreinenvisies. Ook al is accommoderen van alle vraag niet meer het uitgangspunt, het blijft wel belangrijk om inzicht te houden in de behoefte en het aanbod aan bedrijventerreinen. 

Subsidie planvorming bedrijventerreinen Zuid-Holland

Voor de subsidieregeling planvorming bedrijventerreinen Zuid-Holland kunnen aanvragen ingediend worden voor (haalbaarheids-)onderzoeken om de kwaliteit van een bedrijventerreinen te verbeteren, zoals onderzoek naar energie, groen, verkeersveiligheid, OV, en digitalisering.

Subsidieregeling verduurzaming bedrijventerreinen

De provincie heeft een specifieke (investerings-) subsidieregeling om opwek van duurzame energie, energiebesparing en verdeling van energie op bedrijventerreinen te ondersteunen evenals vergroening en circulaire maatregelen. Deze regeling zorgt voor een kwaliteitsimpuls van een bedrijventerrein en is een extra stap op weg richting een toekomstbestendig bedrijventerrein.

Kennisuitwisseling

Kennisdelen is een belangrijk provinciaal instrument, zo ook voor het bedrijventerreinenbeleid. Kennisuitwisseling vindt op verschillende manieren plaats. Zo worden er jaarlijks twee masterclasses bedrijventerreinen georganiseerd. De doelgroep is breed, zowel overheden als bedrijven, ondernemersverenigingen, kennisinstellingen en aanverwante instellingen. Naast deze masterclasses kunnen ook andere thematische bijeenkomsten worden gehouden om de doelgroep te informeren en om input op te halen. Bijvoorbeeld parkmanagers overleggen. De provincie laat daarnaast allerlei onderzoeken uitvoeren als onderbouwing voor het beleid en zet in op het versterken van diverse netwerken. Dit gebeurt onder andere met het bedrijfsleven, overheden en de omgevingsdiensten.

Gebiedsgericht werken met andere partners

Het wordt steeds belangrijker om samen met partners (zowel overheden, marktpartijen als belangenorganisaties) te werken aan maatschappelijke opgaven. In diverse gebiedscasussen werkt de provincie samen om verschillende ambities te realiseren, waaronder ook het borgen van voldoende werkgelegenheid op bedrijventerreinen en transformatielocaties. Samenwerking op locaties vergt een actieve rol en samenwerkende insteek van de provincie. Dit staat soms op gespannen voet met de toetsende rol van de provincie aan de Omgevingsverordening.

Organisatiegraad verhogen als randvoorwaarde voor verhogen kwaliteit bedrijventerreinen

Om ervoor te zorgen dat een bedrijventerrein investeert in zaken die in de toekomst essentieel zijn voor de ondernemers (zoals duurzame energie, tegengaan van wateroverlast, et cetera), is het belangrijk dat ondernemers zich organiseren. De ervaring leert dat activiteiten beter, om niet te zeggen alléén, van de grond komen als op het bedrijventerrein een ondernemersvereniging actief is. De provincie vindt dit belangrijk en stimuleert daarom het behouden en verhogen van de organisatiegraad om zo verduurzamingsprojecten aan te jagen. Een ondernemersvereniging kan vervolgens professionele ondersteuning inhuren in de vorm van parkmanagement. Via parkmanagement kunnen activiteiten uitgevoerd worden waar de ondernemersvereniging niet aan toekomt.

Ruimtelijk instrumentarium ten behoeve van behoud van ruimte, zorgvuldig ruimtegebruik en investeringszekerheid

De provincie zet haar ruimtelijk instrumentarium in ten behoeve van behoud van ruimte, zorgvuldig ruimtegebruik en investeringszekerheid. Daarbij worden alle bedrijventerreinen ruimtelijk beschermd en het toevoegen van andere functies dan werken en/of ondersteunende functies beperkt. Dit om de beschikbare ruimte zo optimaal mogelijk te gebruiken voor een goed vestigingsklimaat en de transitie naar een circulaire economie. Het instrument minimale milieucategorie wordt ook ingezet op bestaande bedrijventerreinen.

Regionale visies

Voor de regio’s MRDH, Midden-Holland en Zuid-Holland Zuid zijn tot 1 juli 2026 regionale bedrijventerreinenvisies aanvaard. Met de aanvaarding is voor de in de aanvaardingsbrieven genoemde transformatielocaties bepaald dat feitelijke compensatie kan worden toegepast in plaats van planologische compensatie. De afspraken uit deze aanvaarde visies blijven gelden volgens een overgangsrecht en worden geborgd in de Omgevingsverordening.

Opstellen behoefteramingen en monitoren/onderzoeken

Om een goed beeld te hebben en houden van vraag en aanbod aan bedrijventerreinen laat de provincie elke vier jaar een behoefteraming opstellen voor bedrijventerreinen en wordt de bedrijventerreinendata gemonitord. Gedeputeerde Staten monitoren o.a. jaarlijks hoe de behoefteraming zich verhoudt tot de werkelijke uitgifte van bedrijventerreinen en de voortgang van de uitvoering van de regionale bedrijventerreinenvisies. Ook al is accommoderen van alle vraag niet meer het uitgangspunt, het blijft wel belangrijk om inzicht te houden in de behoefte en het aanbod aan bedrijventerreinen.

Beter benutten

Het beter benutten van de ruimte is cruciaal bij het realiseren van de provinciale ambities. Hier liggen nog grote kansen: een deel van de activiteiten op terreinen met een milieucategorie 3 of hoger hoeven daar eigenlijk niet te zitten. De provincie werkt aan een nieuwe aanpak voor beter benutten. Daarin wordt bekeken hoe de huidige werklocaties intensiever kunnen worden gebruikt, door meer te sturen op baan- en (bouw)dichtheid. Ook wordt verdiepend onderzoek gedaan naar welke bedrijven niet thuishoren op bedrijventerreinen (bijvoorbeeld vanwege hun milieucategorie) en welk ruimtebeslag deze innemen. Met het instellen van een minimale milieuzonering op (nieuwe én bestaande) bedrijventerreinen stuurt de provincie op het juiste gebruik van de locatie. De provincie wil een schuifpuzzel op gang brengen, op plekken waar (milieu)ruimte onvoldoende wordt benut, bijvoorbeeld ten behoeve van de circulaire ombouwopgave. Dit vraagt onder andere om verplaatsing van bedrijven. Dat is kostbaar. De provincie zet in op een verplaatsings- en herstructureringsfonds voor het beter benutten van bedrijventerreinen en het creëren van ruimte. De provincie maakt hier enerzijds zelf middelen voor vrij. Anderzijds vraagt de provincie het Rijk om bestuurlijke afspraken en voldoende middelen om zo’n fonds te vormen. Ook wordt een provinciale ambassadeur aangesteld die bedrijven die niet thuishoren op een bedrijventerrein verleidt om te verplaatsen, zodat deze ruimte kan worden benut voor het bedoelde (milieucategorie)gebruik.

Betaalbare bedrijfsruimte

Door stijgende prijzen voor vastgoed verdwijnt (kleinschalige) stadsverzorgende bedrijvigheid als eerste uit het stedelijk gebied, terwijl stadsverzorgende bedrijvigheid een belangrijke maatschappelijke waarde heeft. In samenwerking met gemeenten en het rijk willen de provincie inventariseren welke goede voorbeelden er zijn en experimenteren met nieuw instrumentarium om betaalbare bedrijfsruimtes aan te bieden, zoals (gemeentelijke) ‘werkcorporaties’ die zorgen voor betaalbare bedrijfsruimte.

Uitbreidingsvraag (kwantitatief en kwalitatief)

Onderstaande tabel toont de kwantitatieve en kwalitatieve uitbreidingsvraag in de bestuurlijke regio’s Holland Rijnland, Midden-Holland, Metropoolregio Rotterdam Den Haag en Zuid-Holland Zuid voor de periode 2021 tot en met 2030. Deze tabel is gebaseerd op de behoefteraming bedrijventerreinen 2021. Streven is dat de behoefteraming elke vier jaar wordt geactualiseerd. In deze raming, die per regio nader gespecificeerd is, is (met uitzondering van Midden-Holland) ook een onderverdeling naar subregio’s te vinden. De uitbreidingsvraag is onderverdeeld naar vijf werkmilieus:

  • Gemengd stedelijk: lichte bedrijvigheid, stadsverzorgend, klein tot middelgroot;

  • Campus: drie locaties in Zuid-Holland (Leiden Bio Science Park, Space Business Park en TU Delft Campus Zuid);

  • Regulier: reguliere bedrijventerreinactiviteiten als handel, bouw, productie en transport, (boven)lokaal, klein tot middelgroot;

  • Grootschalige distributie (> 3 ha): grootschalige distributie en warehousing, (boven)regionaal;

  • Grootschalige productie (dit betreft voornamelijk hogere milieucategorie-bedrijvigheid): grootschalige (overwegend vanaf 1 ha) productie/assemblage/recycling/etc., circulair, regionaal. Deze ruimtevraag bestaat voor circa 95% uit hogere milieucategorie bedrijven. Voor hogere milieucategorie-bedrijvigheid is belangrijk om te onderkennen dat deze met name voor de transitie richting een circulaire economie essentieel is.

Er is voor deze indeling naar werkmilieus gekozen omdat deze recht doet aan twee belangrijke kenmerken die ruimtelijk relevant zijn. Dit zijn de mate van hinder (lage versus hoge milieucategorie) en de omvang van het bedrijf (klein versus zeer groot).

Bij onderstaande tabel is van belang dat de vraag vanuit verschillende clusters (onder andere greenports, maritiem) dwars door deze werkmilieus heen gaat. Het kan gaan om grootschalige bedrijven, hogere milieucategorie-bedrijven, maar ook reguliere bedrijven met een voorkeur voor vestiging op een locatie aan of nabij het water. Voor de watergebonden bedrijvigheid is de ruimtevraag specifiek in beeld gebracht omdat dit een specifiek deel van de bedrijventerreinmarkt betreft met een aanzienlijk belang voor de Zuid-Hollandse economie.

Uitbreidingsvraag 2021 t/m 2030 per bestuurlijke regio

 

Holland Rijnland

Midden-Holland

MRDH

Zuid-Holland Zuid

Uitbreidingsvraag

51 – 111

43 – 86

131 – 319

48 – 149

 
 
 
 
 

Gemengd stedelijk

4 – 8

3 – 7

4 – 30

1 – 8

Campus

5 – 12

0

3 – 6

0

Regulier

20 – 42

15 – 31

21 – 78

10 – 49

Grootschalige distributie

19 – 34

20 – 35

85 – 164

32 – 66

Grootschalige productie

4 – 14

5 – 12

19 – 42

4 – 26

Watergebonden

4 – 10

5 – 10

16 – 35

10 – 26

Deze tabel hanteert een bandbreedte tussen een hoog en een laag scenario. Gezien de economische kenmerken van de regio’s in Zuid-Holland, de bevolkingsprognoses en de ruimtelijke druk is in alle regio’s het hoge scenario het meest waarschijnlijke scenario. De in de tabel genoemde totalen zijn exclusief de behoefte aan watergebonden terreinen.

Vervangingsvraag

Naast de uitbreidingsvraag is de vervangingsvraag in beeld gebracht. Door transformatie van bestaande bedrijventerreinen is een vervangingsvraag van maximaal 117 hectare geraamd tot en met 2030. Dit is circa 2% van de huidige uitgegeven voorraad. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de vervangingsvraag per bestuurlijke regio. Deze ruimtevraag is afhankelijk van de compensatieplannen van de gemeenten waar deze transformatieplannen spelen. Ondanks een goede onderbouwing vanuit de behoefteraming blijft de vervangingsvraag een onzekere factor. De vervangingsvraag fluctueert door de tijd heen.

De onderliggende locaties passen overigens niet bij voorbaat binnen het provinciaal Omgevingsbeleid en moeten daar nog op beoordeeld worden.

Vervangingsvraag 2021 t/m 2030 per bestuurlijke regio

 

Holland Rijnland

Midden-Holland

MRDH

Zuid-Holland Zuid

Vervangingsvraag

19

31

44

22

Vraag-aanbodconfrontatie per regio (kwantitatief)

In onderstaande tabel wordt de hierboven geïnventariseerde vraag (uitbreidingsvraag en vervangingsvraag) geconfronteerd met het harde planaanbod. Dit zijn plannen die al zijn vastgelegd in onherroepelijke omgevingsplannen. Bij het bepalen van de aanbodzijde is ook rekening gehouden met de leegstand in de bestaande voorraad. Want wanneer sprake is van forse leegstand, zou de bestaande voorraad een deel van de vraag kunnen opvangen. In Zuid-Holland is de leegstand echter zeer beperkt en bevindt zich in bijna alle regio’s onder de frictieleegstand. Dit is de leegstand die nodig is om een markt goed te laten functioneren. Denk hierbij aan leegstand die nodig is als schuifruimteruimte vanwege verhuizingen of verbouwingen. Door deze krapte op de Zuid-Hollandse bedrijfsruimtemarkt is het niet waarschijnlijk dat een significant deel van de vraag zal landen in de bestaande voorraad.

In deze tabel is geen rekening gehouden met het zachte planaanbod. Dit zijn namelijk plannen waarvoor nog een omgevingsplan moet worden vastgesteld. De status van zachte plannen kan sterk verschillen (van idee tot afgestemd in de regio tot voorontwerp omgevingsplan). Het zachte planaanbod is dynamisch en verandert door de tijd.

Confrontatie vraag en aanbod per bestuurlijke regio (per 1‑1‑2021)

 

Holland Rijnland

Midden-Holland

MRDH

Zuid-Holland Zuid

Uitbreidingsvraag

51 – 111

43 – 86

131 – 319 

48 – 149

Vervangingsvraag

19

31

44

22

Totale vraag

70 – 130

74 – 117

175 – 363

70 – 171

 
 
 
 
 

Hard planaanbod

71

3

308

196

Behoefte

-1 tot 59

71 tot 114

-125 tot 63

-125 tot -24

Uitgaande van het hoge scenario is in alle regio’s (met uitzondering van Zuid-Holland Zuid) sprake van een (forse) kwantitatieve behoefte aan bedrijventerrein. Deels zou dit geaccommodeerd kunnen worden door de zachte plannen.

Het behouden en creëren van watergebonden bedrijvigheid is niet alleen van belang voor economische groei, maar ook voor de realisatie van een duurzame en circulaire toekomst in Zuid-Holland in zijn geheel. Onderstaande tabel geeft daarom een overzicht van de vraag-aanbod confrontatie van de watergebonden bedrijvigheid. Hieruit blijkt dat in alle bestuurlijke regio’s sprake is van behoefte aan watergebonden bedrijventerreinen.

Confrontatie vraag en aanbod watergebonden bedrijvigheid per bestuurlijke regio (per 1‑1‑2021)

 

Holland Rijnland

Midden-Holland

MRDH

Zuid-Holland Zuid

Vraag

4 – 10

5 – 10

16 – 35

10 – 26

Aanbod

0

0

7

5

Behoefte

4 tot 10

5 tot 10

9 tot 28

5 tot 21

Vraag-aanbodconfrontatie per regio (kwalitatief)

Naast de kwantiteit is het essentieel om naar de kwaliteit van vraag en aanbod te kijken. Hierbij is de onderverdeling naar werkmilieu en de geografische spreiding van het aanbod relevant. Er wordt gekeken naar geografische spreiding omdat marktregio’s van bedrijven vaak niet gelijk zijn aan de bestuur­lijke regio’s. Grenzen zijn namelijk vaak fluïde en overlappend. Bovendien heeft elk type bedrijfssegment zijn eigen marktregio. Naast regionaal wordt ook kwalitatief onderscheid gemaakt. De reden hiervoor is dat elk segment zijn specifieke behoefte heeft qua kavelkenmerken en –omvang. Daarom is hierboven onderscheid gemaakt naar de vijf typen werkmilieus.

Toetsing en beoordeling plannen

De provincie beoordeelt bij een nieuw omgevingsplan of deze past binnen het provinciaal Omgevingsbeleid en geeft op basis hiervan advies aan de gemeente. De provincie stuurt met haar instrumentarium op behoud van het bestaande (plan)aanbod aan bedrijventerreinen.

Realiseren van concentratie en bundeling van nieuwe detailhandel primair in de centra van wijken, dorpen en steden

De provincie hecht veel waarde aan vitale, krachtige en aantrekkelijke stads- en dorpscentra en wil om dat te bereiken de detailhandelsstructuur versterken door deze vooral kwalitatief te verbeteren en ook de bereikbaarheid en de beschikbaarheid van detailhandelsvoorzieningen te garanderen. Dit levert een belangrijke bijdrage aan het woon-, werk- en leefklimaat in Zuid-Holland. Detailhandel is nog steeds een belangrijk bezoekmotief voor centra, ondanks dat in veel gebieden het draagvlak voor winkels afneemt door overaanbod, veranderend consumentengedrag en demografische ontwikkelingen. Uitbreiding van aanbod is gelet op de transitie waar alle centra voor staan, echter niet meer de focus. Het gaat in de toekomst veel meer over het relevant houden van de totale centrumgebieden, waarbij voor een goede regionale afstemming en samenwerking het juiste (relevante) verzorgingsgebied belangrijk is. Tussen detailhandelsvoorzieningen onderling en met andere (maatschappelijke) voorzieningen ontstaat synergie en combinatiebezoek. Hierdoor functioneren de voorzieningen als geheel beter dan de som der delen. De provincie benut hiermee de kracht van detailhandel voor vitale, sterke en aantrekkelijke centra waardoor optimaal wordt bijgedragen aan een kwalitatief hoogwaardigere leefomgeving.

Aanpak Winkelgebieden

Met de Aanpak Winkelgebieden biedt de provincie gemeenten naast de ruimtelijke beleidskaders hulp en ondersteuning op gebied van kennisuitwisseling, verbeteren samenwerking, aanpak leegstand, herpositioneren en transformatie winkelgebieden. Deze aanpak bestaat onder andere uit:

  • Subsidieregeling planvorming detailhandel Zuid-Holland

    De subsidieregeling planvorming detailhandel Zuid-Holland is bedoeld om de  kwaliteit en het functioneren van winkel- en centrumgebieden te optimaliseren. Gemeenten, winkeliers- en ondernemersverenigingen en stichtingen kunnen subsidie aanvragen voor activiteiten die zijn gericht op het verhogen en verbeteren van de onderlinge samenwerking van ondernemers en winkeliers, vooronderzoek voor het oprichten van een Bedrijven Investeringszone (BIZ), haalbaarheidsonderzoek om tot compactere winkelgebieden te komen en verspreid aanbod te saneren of het laten opstellen van een sterkte-zwakte analyse voor een winkel- en centrumgebied. Daarnaast kan de subsidieregeling ingezet worden om meer uitvoerende activiteiten op het gebied van herontwikkeling en transformatie te organiseren.

  • Koopstromenonderzoek

    De provincie laat regelmatig, in 2021 in samenwerking met de provincies Noord-Holland, Utrecht, en Noord-Brabant koopstromenonderzoek (KSO) uitvoeren. Koopstromenonderzoek is een grootschalig consumentenonderzoek onder inwoners van de Randstad. De enquête brengt de kooporiëntatie (waar worden boodschappen gedaan, waar wordt gewinkeld, inclusief internetaankopen) en het koopgedrag (o.a. gebruikt vervoermiddel, koopfrequentie, beoordeling winkelgebieden, combinatiebezoek) van de bevolking in beeld. De provincie gebruikt de KSO-data voor de evaluatie, monitoring en aanpassing van het (ruimtelijk) detailhandelsbeleid, o.a. met betrekking tot de ontwikkelingsmogelijkheden en de detailhandelsstructuur. De KSO-data is voor iedereen beschikbaar. Naast de provincies wordt de KSO-data door gemeenten, regio’s en marktpartijen gebruikt voor bijvoorbeeld de onderbouwing van lokaal en regionaal detailhandelsbeleid of vestigingsplaatskeuzes.

  • Professionalisering, samenwerking en kennisdeling

    De provincie wil samen met betrokken partijen in (middelgrote) steden werken aan levendige, vitale en aantrekkelijke centrumgebieden. Voor alle type centrumgebieden geldt dat ingrepen noodzakelijk kunnen zijn om tot een toekomstbestendige structuur te komen. Om daadwerkelijke sterke steden en dorpen te krijgen geldt dat de centrumfunctie in balans dient te zijn. Daarom ligt de focus op de volgende thema’s:

    • versterken toekomst centra van (middelgrote centra) door pilotprojecten

    • Kennisdeling door middel van masterclasses en kennisplatforms

    • Stimuleren van transformatie door het aanbieden van financiële a    arrangementen

  • Kennisvorming- en deling

    De provincie ziet een toegevoegde waarde voor zichzelf bij kennisvorming en –deling op het terrein van detailhandel en bredere binnenstad aanpak. Uit diverse trajecten blijkt dat met name de kleine gemeenten minder goed geëquipeerd zijn om alle trends en ontwikkelingen te volgen en onvoldoende menskracht beschikbaar hebben om benodigde acties uit te voeren. In dit kader wordt ingezet op het breed toepasbaar maken van provinciaal geïnitieerde onderzoeken (DNA van de stad, stadslogistiek), organiseren van breed toegankelijke masterclasses en kennisbijeenkomsten en het opzetten van een monitor werklocaties. Zo zijn er twee platforms opgericht voor centrummanagers en ambtenaren EZ om de binnenstad aanpak zowel inhoudelijk als procesmatig te bespreken.

  • Regionale visies en programmering

    Het is wenselijk om detailhandelsontwikkelingen in een breder regionaal kader te kunnen plaatsen met afspraken over nieuwe ontwikkelingen maar ook bijvoorbeeld over het saneren van overaanbod. De provincie zet zich daarom in om regionale samenwerking en programmering op het gebied van detailhandel te stimuleren en levert een actieve bijdrage aan regio’s die actief zijn op het gebied van visievorming en programmering. Elementen die daar onderdeel van kunnen uitmaken zijn het gebruik van actuele cijfers over aanbod en leegstand, regionale programmering, inventarisatie van kansrijke en kansarme centra, profielen per gemeente, nieuwe ontwikkelingen, schrappen (plan)aanbod en transformatie.

Overzicht provinciale detailhandelsstructuur, PDV- en GDV-locaties

Provinciale detailhandelsstructuur

In de Omgevingsvisie is op hoofdlijnen de provinciale detailhandelsstructuur (reguliere detailhandel) benoemd.

Het generieke beeld in het functioneren van de verschillende type centra is door de provincie vertaald in een ontwikkelingsperspectief voor de provinciale detailhandelsstructuur. Deze bestaat uit vier categorieën: ‘te consolideren centra’, ‘te herpositioneren centra’, ‘te optimaliseren centra’ en de ‘overige centra’.

Deze vierdeling maakt het ‘level playing field’ herkenbaar. Hierdoor wordt duidelijk en inzichtelijk welke positie een centrum heeft in de provinciale detailhandelsstructuur en worden de gemaakte keuzes voor ontwikkelingsmogelijkheden (investeringen, ruimtelijke toevoegingen en herstructureringen/transformaties) daarbinnen helder. De bij deze categorisering behorende ontwikkelingsperspectieven luiden als volgt:

Te consolideren centra

De grote centra hebben over het algemeen een ruim aanbod aan detailhandelsvoorzieningen en bieden daarnaast een breder aanbod aan publieksvoorzieningen. Dit zorgt er voor dat deze centra, niet alleen voor de aankoop van (niet-dagelijkse) artikelen, maar ook om recreatief te winkelen en als ‘dagje uit’ veelal worden bezocht.

Het toekomstperspectief voor de 'te consolideren centra' is over het algemeen goed. Dit betekent echter niet dat deze centra niet voor opgaven staan. Om hun positie te consolideren kan sprake zijn van uitbreiding van het winkelaanbod, maar er zal ook zeker sprake zijn van transformatie van zwakkere winkellocaties. Het provinciale beleid richt zich op behoud en versterking van de (boven)regionale positie van deze centra waarbij het totaal aantal winkelvloeroppervlak niet toeneemt. De Ladder voor duurzame verstedelijking blijft hiervoor een belangrijk instrument.

Ontwikkelingen in deze centra moeten niet leiden tot onaanvaardbare leegstandseffecten in andere centra. Qua omvang, functioneren en verwacht toekomstperspectief onderscheiden de binnensteden van Rotterdam en Den Haag zich ten opzichte van de andere centra. Ook hebben deze twee centra een grote aantrekkingskracht op (inter)nationale bezoekers. De andere centra in deze categorie vervullen vooral een regionale functie. Nieuwe ontwikkelingen zouden ook bij dat profiel moeten passen.

De te consolideren centra van de provinciale detailhandelsstructuur bestaan uit 7 locaties:

  • Internationale centra: Den Haag binnenstad en Rotterdam binnenstad;

  • Nieuwe centra: Leidschendam The Mall of the Netherlands

  • Historische binnensteden: Leiden centrum, Delft binnenstad, Dordrecht binnenstad en Gouda binnenstad.

Te herpositioneren centra

Deze centra zijn planmatig ontwikkeld en relatief sterk winkel georiënteerd. Ondanks hun omvang en kritische massa is door hun relatieve mono functionaliteit hun toekomstperspectief kwetsbaar in de huidige en toekomstige winkelmarkt. Deze centra zijn gebaat bij een bredere mix aan functies, afgestemd op de lokale behoefte. Uitbreiding van het winkelaanbod is in deze centra in principe niet aan de orde, tenzij er door woningbouw een substantiële toename van de bevolking te verwachten is.

Dit ontwikkelperspectief geldt voor Rijswijk in de Bogaard, Rotterdam Zuidplein en Alexandrium en Stadshart Zoetermeer.

Te optimaliseren centra

De provincie heeft 34 centra als 'te optimaliseren centra' aangeduid. Deze centra nemen een prominente positie in binnen de structuur en zijn van groot belang voor de leefbaarheid en ruimtelijke kwaliteit. De omvang van het winkelaanbod in m2 in deze centra is de afgelopen jaren over het algemeen beperkt in omvang afgenomen en missen een kritische massa die juist de grotere steden aantrekkelijk maken voor aankoop van niet-dagelijkse artikelen. Het aantal winkels is daarentegen sterker afgenomen. Een belangrijke oorzaak voor deze afname is dat Internet een belangrijk aankoopkanaal is voor vooral niet-dagelijkse goederen. Branches die veelal op internet worden gekocht, zijn juist aanwezig in dit type centra en staan dus onder druk. Andere publieksfuncties zoals horeca en leisure zijn over het algemeen wat minder sterk vertegenwoordigd. Het gevolg is dat deze centra een minder grote koopkrachttoevloeiing realiseren en dat de bestedingen per m2 op een lager niveau liggen. De betreffende gemeenten hebben ook nagenoeg geen ontwikkelingsruimte voor nieuwe detailhandelsontwikkelingen. De combinatie van deze factoren zorgt ervoor dat het (toekomstig) functioneren van deze groep centra onder druk staat. Detailhandel is een belangrijke drager voor de aantrekkelijkheid en levendigheid van deze centra. Doordat de functie van detailhandel in deze centra terugloopt, dreigt ook de vitaliteit en aantrekkelijkheid, en daarmee de sociaalmaatschappelijke functie van deze centra terug te lopen. De belangrijkste (ruimtelijke) opgaven liggen voor alle betrokken partijen (overheden en markt) dan ook bij deze categorie centra. Het winkelbestand in deze centra zou daarom bij voorkeur niet moeten uitbreiden, zich primair moeten richten op de eigen bewoners en geen of heel beperkte regionale ambities nastreven. Mocht het eigen inwonertal in aanzienlijke mate toenemen, dan kan het winkelaanbod hierop afgestemd worden. Soms kan ook intensivering op een plek aan de orde zijn, gevolgd door sanering of transformatie elders. Een belangrijke opgave ligt in het terugdringen van winkelleegstand, o.a. door transformatie naar andere functies. Toevoeging van andere publieksfuncties, zowel maatschappelijk als commercieel van aard, kan de aantrekkelijkheid van deze centra verhogen. Het gaat hierbij om een maatwerkopgave per centrum.

Overige centra

De overige centra (circa 450 centra, en niet specifiek benoemd) vervullen een lokale functie, zijn belangrijk voor de bereikbaarheid van het dagelijks aanbod en hebben een meerwaarde voor de leefbaarheid van kleine kernen, wijken en buurten. Het toekomstperspectief is divers: sommige centra functioneren goed, andere centra komen in aanmerking voor een facelift, herprofilering, (gedeeltelijke) transformatie of samenvoeging. Voor deze categorie centra kan eventuele beperkte groei van het winkeloppervlak aan de orde zijn om de dynamiek in de dagelijkse sector te faciliteren. Beperkte groei van het aanbod in de overige centra is ook mogelijk indien dit aanbod geen gelijke tred houdt met een sterke bevolkingsgroei die recent heeft plaatsgevonden, of aanstaande is, bij achterstand in het voorzieningenniveau of bij feitelijke en planologische saldering van aanwezige detailhandel uit hetzelfde verzorgingsgebied. Indien het draagvlak van een verzorgingsgebied te klein is voor een compleet winkelcentrum, kan een supermarkt de functie van centrale aankoopplaats vervullen.

Herallocatie overig centrum

Een winkelconcentratie kan op een andere centrale en goed bereikbare locatie binnen hetzelfde verzorgingsgebied geaccommodeerd worden indien bij de achterblijvende locatie sprake is van sanering van detailhandel. Hier zou sprake van kunnen zijn op het moment dat meerdere locaties worden samengevoegd op een nieuwe locatie of bij opheffing en verplaatsing van een slecht functionerende aankoopplaats. Herallocatie zal in de praktijk alleen aan de orde zijn bij ‘overige centra’. Er gelden wel een aantal voorwaarden. Voor de achterblijvende locatie dient er zicht te zijn op zowel feitelijke als planologische sanering van detailhandel. Indien er als gevolg van de verplaatsing bovengemeentelijke effecten optreden, of er is per saldo sprake van een toename van het winkelareaal, gelden dezelfde toelichtingsvereisten voor het omgevingsplan zoals beschreven onder ‘toelaatbaarheid nieuwe ontwikkelingen’.

Dagelijks aanbod (supermarkt) buiten winkelconcentratie in kleine kern

Leefbaarheid in en van kleine kernen hangt in veel gevallen samen met de beschikbaarheid en bereikbaarheid van dagelijks winkelaanbod. In deze sector zien de provincie een tendens naar schaalvergroting van supermarkten. In sommige gevallen zal het echter niet mogelijk zijn een toekomstbestendige supermarkt in een winkelconcentratie van een kleine kern onder te brengen omdat er geen geschikte ruimte te vinden is voor de benodigde omvang van de supermarkt. Via lokaal maatwerk wordt daarom de mogelijkheid geboden voor de vestiging of uitbreiding van een toekomstbestendige supermarkt in een kleine kern net buiten het winkelconcentratiegebied. Er moet dan aangetoond worden dat de supermarkt niet in of aansluitend aan het winkelconcentratiegebied gerealiseerd kan worden. Ook dient aangetoond te worden dat de leefbaarheid in de kern onder druk staat vanwege het ontbreken van een toekomstbestendige supermarkt. De omvang van het totale aanbod aan dagelijkse goederen dient wel in overeenstemming te zijn met het draagvlak van het verzorgingsgebied ( de kleine kern) en er dienen geen (blijvende) negatieve effecten op te treden op de bestaande detailhandelsstructuur.

PDV-locaties voor woongerelateerde detailhandel

Naast de reguliere detailhandelsstructuur zijn er zijn 31 opvanglocaties aangewezen waar zich grootschalige detailhandel in meubelen (inclusief In ondergeschikte mate woninginrichting) en detailhandel in keukens, badkamers, vloerbedekking, parket, zonwering en jacuzzi’s kan vestigen. Deze zogenaamde PDV-locaties (Perifere Detailhandels Vestigingen) zijn aangeduid in de Omgevingsverordening. De PDV-locaties verschillen nogal in functioneren en verschijningsvorm. Een aantal van deze locaties heeft een regionale aantrekkingskracht en andere bedienen vooral een lokale markt. Sommige zijn als ‘woonboulevard’ ontwikkeld en vormen een stedenbouwkundig geheel. Andere locaties zijn in feite gemengde bedrijventerreinen waar woongerelateerde detailhandel zich heeft gevestigd. Er is in Zuid-Holland een overschot aan woongerelateerde detailhandel waardoor veel PDV-locaties niet optimaal functioneren. Voor de meeste PDV- locaties is kwantitatieve versterking daarom niet gewenst.

GDV-locaties: Megastores en Alexandrium 2

In Zuid-Holland zijn twee locaties voor Grootschalige Detailhandels Vestigingen (GDV) aangewezen: Alexandrium II en een deel van Haaglanden Megastores. Een GDV-locatie heeft meerdere grootschalige vestigingen, waarbij de branchebeperkingen van het perifere detailhandelsbeleid niet gelden. In de jaren 90 ontstond behoefte om goed bereikbare locaties buiten de bestaande centra aan te wijzen voor grootschalige detailhandel zonder branchebeperkingen. Door de forse toename in online bestedingen en de afname van het aantal winkels en vloeroppervlak, is de behoefte aan dit soort locaties sterk afgenomen. De provincie gaat nu juist uit van behoud en versterking van de bestaande ruimtelijke detailhandelsstructuur en handhaaft het aantal GDV-locaties in Zuid-Holland daarom tot de bestaande twee. Er is op dit moment geen aanleiding om beleid en regels voor de GDV-locaties aan te passen. 

In Bijlage IX (onderdeel C) van de Omgevingsverordening is een tabel opgenomen waarin duidelijk wordt welke centra tot welk type centra van de provinciale detailhandelsstructuur behoort. Daarnaast zijn in de tabel de PDV- en GDV-locaties opgenomen.

Functioneren detailhandelsstructuur

Het functioneren van de detailhandelsstructuur staat op onderdelen onder druk. Er zijn echter ook locaties en gebieden waar de detailhandel op dit moment goed functioneert en kansen bestaan voor versterking. De provincie heeft inzicht gegeven in de ontwikkelingsmogelijkheden voor de detailhandel in Zuid-Holland, door een berekening te maken die dit indicatief in beeld brengt.

Tabel: Kwantitatieve ontwikkelingsmogelijkheden op sub regionale schaal tot 2030 in winkelvloeroppervlak (wvo).

Momentopname 24 mei 2022.

afbeelding binnen de regeling

Bovenstaande tabel laat de kwantitatieve ontwikkelingsmogelijkheden (exclusief huidige leegstand) tot 2030 op sub regionale schaal zien. Het betreft modelmatige marktruimteberekeningen op basis van een aantal traceerbare cijfers/bronnen (huidige aanbod, vraag, koopstromen, omzetcijfers, marktaandeel online) en modelmatige aannames voor de toekomst (bevolkingsprognose, marktaandeel online,). Het model houdt bewust geen rekening met beleidsmatige ambities, keuzes of ingrepen (beleidsneutraal).

De tabel is bedoeld om kwantitatief gevoel te krijgen wat het doorzetten van een aantal ontwikkelingen betekent voor de kwalitatieve en ruimtelijke provinciale beleidsopgave in centrumgebieden en daarbuiten. De tabel heeft niet als doel als ‘norm’ te dienen voor de lokale haalbaarheid van bepaalde detailhandelsontwikkelingen. Op basis van specifieke lokale omstandigheden zou voor een specifieke branche of winkel een meer locatie-specifieke berekening of afweging kunnen worden gemaakt. Daarbij dient echter wel steeds kritisch te worden gekeken naar de uitgangspunten om te voorkomen dat men zich rijk rekent en rekening wordt gehouden met (verdringings)effecten elders.

Deze tabel maakt duidelijk dat in de dagelijkse sector (levensmiddelen en persoonlijke verzorging) voor uitvoering van de harde en zachte plannen er een overaanbod is voor dagelijks winkelaanbod. Alleen in het sterk verstedelijkte gebied van de MRDH is er beperkte uitbreidingsruimte mogelijk. De uitbreidingsruimte is voor een groot deel gebaseerd op de toename van het aantal inwoners in 2030 en het effect van het online boodschappen doen.

De niet-dagelijkse sector (mode & luxe, vrije tijd, in en om het huis, overig) laat een wisselend beeld zien, zowel tussen regio’s als productgroepen. In totaal is er nu voor uitvoering van plannen een uitbreidingsruimte van 81.500 m2 wvo op provinciale schaal. De uitbreidingsruimte is ten opzichte van 2018 met zo’n 60.000 m2 toegenomen. Ook hier is deze uitbreidingsruimte gebaseerd op een verwachte toename van de bevolking (+7,5%) tot 2030. Als deze toename niet van de grond komt, is er geen ruimte voor uitbreidingsruimte.

Daarnaast is er nog een planvoorraad van bijna 330.000 m2 wvo. Na uitvoering van harde en zachte plannen laat alleen de regio MRDH nog een positieve ontwikkelingsruimte zien tot 2030, voor niet-dagelijkse artikelen. In de overige gebieden is dan sprake van overaanbod voor alle productgroepen.

Het gegeven dat momenteel in sommige regio’s voor sommige branche ontwikkelingsruimte aanwezig is, wil niet wil zeggen dat het locatiebeleid voor detailhandel niet van toepassing is. Toevoeging van detailhandel dient plaats te vinden op de juiste plek, in beginsel in de centra zodat er synergievoordelen behaald kunnen worden door geclusterd aanbod om deze gebieden en de kernen te versterken.

Toelaatbaarheid nieuwe ontwikkelingen, zowel binnen als buiten de centra

Aan nieuwe detailhandelsontwikkelingen verbindt de provincie voorwaarden op het gebied van toelaatbaarheid. Ontwikkelingen die met nieuwe detailhandel gepaard, moeten in de toelichting op het omgevingsplan onderbouwd worden via de ladder voor duurzame verstedelijking. Daarnaast moet o.a. inzicht gegeven worden in de eventuele toename van de leegstand, de gevolgen voor de ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid in het verzorgingsgebied, ontwrichting van het voorzieningenniveau alsmede eventuele mogelijkheden voor saldering.

Daarnaast kan een advies van de Adviescommissie Detailhandel Zuid-Holland nodig zijn. Dit advies is nodig bij nieuwe ontwikkelingen binnen de centra vanaf 2000 m2 bruto vloeroppervlak (binnensteden Rotterdam en Den Haag vanaf 4000 m2 bruto vloeroppervlak) en buiten de centra vanaf 1000 m2 bruto vloeroppervlak. De adviescommissie valideert objectief de onderbouwing van de nieuwe detailhandelsontwikkeling. Het gaat dan om de (regionale) kwantitatieve en kwalitatieve behoefte en de ruimtelijke effecten van de nieuwe detailhandel (zoals woon- en leefklimaat, ruimtelijke kwaliteit en leegstand).

Regionale afstemming

Vanwege de mogelijke bovenlokale ruimtelijke effecten van grootschalige detailhandelsontwikkelingen, vindt de provincie het van belang dat nieuwe grootschalige ontwikkelingen in regionaal verband worden afgestemd. Hierbij dienen gemeenten het ruimtelijk relevante verzorgingsgebied in kaart te brengen. Binnen dit verzorgingsgebied dient dan inzichtelijk gemaakt te worden in welke gemeenten ruimtelijke effecten op zouden kunnen treden als gevolg van de nieuwe ontwikkeling en met welke gemeenten hier dan afstemming over plaats zou moeten vinden. De Adviescommissie Detailhandel kan hierbij een advies uitbrengen over de door gemeenten in kaart gebrachte ruimtelijk relevante verzorgingsgebieden. De provincie beoordeelt vervolgens de toelichting op het omgevingsplan waarin de uitkomsten van deze regionale afstemming zijn opgenomen.

Realiseren juiste kantoor op de juiste plek

De provincie Zuid-Holland streeft naar voldoende kantoren in Zuid-Holland waarbij vraag en aanbod in balans zijn. Het is belangrijk dat de kantoren van de goede kwaliteit zijn. Ook moeten de kantoren op de juiste locatie staan of op een juiste locatie komen te staan. Dit vraagt aan de ene kant om een aantal sterke kantorenclusters. Aan de andere kant vraagt het om (beperkte) ruimte voor kleine kantoren in een lokaal gebied. Met sturing via ruimtelijk beleid (bv. Omgevingsverordening en kantorenstructuur), regionale afstemming (bv. regionale kantorenvisies), monitoring (bv.  behoefteraming, kwalitatieve monitor en dashboard), en onderzoek en kennisdeling werkt de provincie naar een goede kwantitatieve en kwalitatieve match van vraag en (plan- en bestaand) aanbod. Ook gaat de provincie ongewenste nieuwbouw tegen door omgevingsplannen te beoordelen. Hiermee streeft de provincie naar een welvarend Zuid-Holland met voldoende toekomstbestendige ruimte voor ondernemen ten behoeve van een toekomstbestendig economisch vestigingsklimaat.

Nieuwe kantorenontwikkelingen concentreren zich bij voorkeur op toplocaties (centrum Rotterdam en centrum Den Haag) en scienceparken. Daarnaast is er een opgave om kantoren te reduceren (zowel fysiek als qua plancapaciteit) op minder kansrijke locaties en wordt waar mogelijk de transformatie van leegstaande kantoren naar andere functies (wonen) mogelijk gemaakt.

Provinciale Kantorenstructuur

De provincie hanteert onderstaande hoofdstructuur voor kantoren. Deze hoofdstructuur is gebaseerd op de ‘behoefteraming kantoorruimte provincie Zuid-Holland’ uit 2018 en is geactualiseerd naar aanleiding van de behoefteraming kantoorruimte provincie Zuid-Holland uit 2023. Het saldo per gemeente voor nieuwbouwvraagramingen kantoren hebben betrekking op de tijdsperiode 2023-2035. De strategie dient binnen de kaders van de meest recente behoefteraming kantoren te zijn (bijlagen VIII t/m XIII behoefteraming kantoren 2023).

Locaties

Reikwijdte

Strategie (binnen kader meest recente behoefteraming kantoren)

Grootstedelijke toplocaties / centrumlocaties

 Den Haag CID (Nieuw Centraal, Nieuw Centrum, Beatrixkwartier, Utrechtsebaan, Nieuw-Laakhaven HS en binnenstad)

Rotterdam CBD (Central District,

incl. Centrum – Blaak).

(Inter)nationaal:

Grootstedelijke toplocaties (eersteklas, moderne kantoorlocaties in het topsegment) aangevuld met direct omliggende centrumlocaties in Rotterdam en Den Haag. Hier zijn meerdere (inter)nationale hoofdkantoren te vinden

CID Den Haag en CBD Rotterdam zijn zeer dominant binnen de provinciale kantorenmarkt qua omvang en opnamevolume.

CID Den Haag en CBD Rotterdam zijn zeer dominant binnen de provinciale kantorenmarkt qua omvang en opnamevolume.

Op deze locaties bevinden zich bovendien  meerdere (inter)nationale hoofdkantoren.

Groei

OV-knooppuntlocaties  en centrum/

(intercity)stationslocaties

 (Beperkte) Groei op:

Leiden Centraal (en (deel) binnenstad),

Rotterdam Alexander,

Kop van Zuid (Rotterdam).

Spoorzone Delft (en (deel) binnenstad). Spoorzone Gouda (en (deel) binnenstad)

Behoud of afname op:

Dordrecht stationsomgeving (en (deel) binnenstad),

Alphen aan den Rijn stationsomgeving,

Schiedam stationsomgeving

Provinciaal:

Het gaat hier om OV-knooppuntlocaties die zowel per intercity én per auto uitstekend bereikbaar zijn (<5 min snelweg) en multifunctionaliteit (mix van functies, incl. voorzieningen). Daarnaast betreft het centrum/(intercity)stationslocaties in de grotere kantoorgemeenten in Zuid-Holland.

Feitelijk gaat het daarmee om locaties, die na de grootstedelijke toplocaties in Den Haag en Rotterdam, de meeste toekomstpotentie hebben.  De kwaliteit en het onderscheidend vermogen van deze locaties is dan ook bovengemiddeld.

Afname en/of behoud, én beperkte groei op enkele locaties

Snelweglocaties, ov-knooppuntlocaties en overige, zoals Brainpark (Rotterdam), Fascinatio (Capelle aan den IJssel), Vijfsluizen (Vlaardingen),

Amstelwijck (Dordrecht), Plaspoelpolder (Rijswijk),

Rokkeveen Campus / Afrikaweg-Boerhaavelaan (Zoetermeer), Meerburgpolder (Zoeterwoude),  Stationsomgeving Zwijndrecht,

Bleizo (Lansingerland),

Vierzicht (Leiderdorp),

Stationsgebied Gorinchem, Stationspark (Sliedrecht) et cetera.

Regionaal:

Het gaat om snelweglocaties,  ov-knooppuntlocaties (zonder intercity bereikbaarheid) en overige locaties met een gemeentegrens overschrijdend profiel. Gemiddeld genomen zijn op deze locaties vooral bedrijven met een regionale reikwijdte gevestigd. Daarbij gaat het om een mix van kleinschalige en (middel)grote eindgebruikers (vaak in een multi-tenant omgeving). 

Deze locaties kenmerken zich momenteel veelal door bovengemiddelde leegstand, beperkte multifunctionaliteit en/of zijn terug te vinden in gemeenten met een beperkte kantorenvoorraad. Het onderscheidend vermogen van deze locaties is vaak beperkt.

Fors verdunnen

(afname planaanbod én bestaand aanbod)

Kleinschalige kantoorruimte (in omgevingsplannen) in kleinere kantoorgemeenten en/of op bedrijventerreinen.

Lokaal:

In deze categorie vinden we  vooral kantoorgebruikers met een gemiddeld lokale reikwijdte. Het gaat vaak om kleinere (of middelgrote) eindgebruikers op bedrijventerreinen of in de kleinere kantoorgemeenten.

Verdunnen met ruimte voor lokaal maatwerk

Voor bijzondere locaties die geen onderdeel uitmaken van de reguliere kantorenmarkt zoals science locaties (Bio Science Park (Leiden), TU Delft Campus Zuid (Delft), Estec en Space Business Park (Noordwijk) en Erasmus Hoboken en Woudenstein (Rotterdam), Internationale Zone en (Oude) Waalsdorperweg (Den Haag) en World Horti Center (Westland), wordt geadviseerd vooral te kijken naar de groeiontwikkeling in combinatie met de specifieke functies/doelgroepen voor deze locaties. Ze opereren veelal op (inter)nationale schaal en passen daarmee in de top van de kantorenstructuur. Bedrijfskantoren (solitaire kantoorpanden op bedrijventerreinen) maken wel onderdeel uit van de behoefteraming, maar niet van de structuur voor de reguliere kantorenmarkt.

De bovenstaande tabel betekent niet dat harde plancapaciteit op de snelweglocaties, ov-knooppuntlocaties en overige en de kleinschalige kantoorruimte niet meer gerealiseerd kan worden. Omgevingsplannen kunnen worden uitgevoerd. Aanpassing daarvan is pas aan de orde indien de locaties niet zijn opgenomen in een actuele regionale visie die is aanvaard door Gedeputeerde Staten.

Nieuwbouwvraagramingen kantoren

afbeelding binnen de regeling

De cijfers in de bovenstaande tabel zijn de cijfers per regio voor uitbreidingsvraag en vervangingsvraag met een minimaal en maximaal scenario. Deze scenario’s zijn voornamelijk gebaseerd om trends en ontwikkelingen waarbij de verwachte kantoor quotiënt (kantoorruimte per werkzame persoon) een belangrijk rol speelt. Door de grote invloed van deze quotiënt op de ruimtevraag is er continue monitoring van de provincie naar welke richting de kantorenmarkt beweegt. In deze methodiek is gekozen voor een hoofdstructuur, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende locaties en daar bijhorende strategieën.

Regionale kantorenvisies

Met regionale visies voor kantoren stemmen gemeenten in regionaal verband het planaanbod af op de vraag. De schaal van deze regionale visies is afgestemd op de markt voor de desbetreffende functie. De provincie is betrokken bij de totstandkoming van deze visies en committeert zich aan de afspraken in de door haar aanvaarde regionale visies. Het is gewenst de regionale visies actueel te houden.

De regio’s, gemeenten, experts en andere partners zijn in het voortraject nauw betrokken geweest bij het opstellen van nieuwe behoefteramingen kantoren, die door Gedeputeerde Staten zijn vastgesteld. Vervolgens heeft Gedeputeerde Staten de uitvraag aan de regio’s voor ‘actualisatie regionale kantorenvisies’ vastgesteld. In deze uitvraag staan behoefteramingcijfers per gemeente en de regio. De provincie acht het wenselijk dat regionale visies voor kantoren afgestemd worden op deze behoefteramingen. Aanvullend kan het Programma ruimte ook kwalitatieve- en locatiecriteria formuleren als uitgangspunten voor de regionale visies. In de uitvraag aan de regio’s heeft de provincie Zuid-Holland de regio’s gevraagd om in te gaan op:

  • 1.

    Visie op kwaliteit en kwantiteit van de bestaande kantorenvoorraad, inclusief aanpak leegstand

  • 2.

    Gevolgen van de visie op de bestaande kantorenvoorraad voor toekomstige kwaliteit en kwantiteit en benodigde plancapaciteit, met inachtneming van het kwantitatieve kader zoals opgenomen in de Behoefteraming kantoren Zuid-Holland (Cushman & Wakefield, 2023)

  • 3.

    Speciale kantorenlocaties vanuit ruimtelijk beleid

  • 4.

    Visie op duurzaamheid (bijvoorbeeld energieverbruik van kantoren).

De provincie heeft een verwijzing naar de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in de Verordening ruimte. De onderbouwing conform de Ladder voor duurzame verstedelijking vormt een belangrijk uitgangspunt bij het opstellen van regionale visies. Als het plan qua regionale behoefteraming past in een actuele regionale visie die de instemming heeft van Gedeputeerde Staten, kan daarnaar worden verwezen bij de beschrijving van de behoefte als bedoeld in de Ladder voor duurzame verstedelijking. Gedeputeerde Staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de Ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau volgens de provincie geheel of gedeeltelijk is doorlopen. Naast het toepassen van de Ladder voor duurzame verstedelijking wil de provincie de ruimte beter benutten door in te zetten op transformeren, herstructureren en verdichten bij voorkeur binnen de invloed gebieden van de stations en haltes van Stedenbaan.

De provincie hanteert een vijfjaarstermijn voor de actualisatie van de regionale kantorenvisies. Op dit moment heeft Gedeputeerde de geactualiseerde regionale kantorenvisies van alle regio’s aanvaard tot 1 juli 2025.

Heroverwegen van onbenutte plancapaciteit

De gemeenten zijn verantwoordelijk voor het verwerken van de regionale visie wonen, kantoren, bedrijventerreinen en –indien van toepassing – detailhandel. De provincie gaat er vooralsnog vanuit dat de samenwerkende gemeenten zelf hun verantwoordelijkheid nemen en zo nodig bestaande plancapaciteit voor stedelijke ontwikkelingen die niet (langer) in overeenstemming is met een regionale visie, zullen weg- of herbestemmen. In het overleg met gemeenten of bij de beoordeling van omgevingsplannen, zal de provincie hier aandacht voor vragen. Mocht het provinciaal belang dat noodzakelijk maken, dan kan de provincie alsnog overwegen om generieke of specifieke maatregelen te treffen, gericht op het schrappen van onbenutte plancapaciteit. De provincie kan in dat geval regels in de verordening opnemen, een (proactieve) aanwijzing geven of een inpassingsplan maken.

Behoefteramingen en monitoring

De kantorenbehoefteramingen zijn de basis voor het beleid en de kantorenstructuur. Middels monitoring zal gekeken worden in hoeverre de behoefteramingen nog aansluiten op de ontwikkelingen in de kantorenmarkt. Indien nodig zullen onderdelen van het provinciaal beleid hierop worden aangepast.

Onderzoeken en kennisdeling

Belangrijke onderwerpen waar de provincie meer inzicht in wil hebben zijn duurzaamheid/energie, kantoren in nieuwe gebiedsontwikkelingen, en kantoorontwikkelingen naar aanleiding van COVID-19. Goede monitoring en rapportages kunnen hier bij helpen maar eventueel kan ook aanvullend onderzoek nodig zijn om deze ontwikkelingen in de kantorenmarkt beter in beeld te krijgen. Middels het organiseren en bijwonen van bijeenkomsten zal de provincie samen met haar partners meer inzicht krijgen in de meest urgente opgaves en oplossingen, zodat er samen naar een nog gezondere kantorenmarkt kan worden toegewerkt.

EEE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

4.1.7.1 Het ondersteunen van de uitvoering van de Human Capital Agenda Zuid-Holland

Wat gaat de provincie doen?

De aanwezigheid van voldoende en goed geschoold personeel is een belangrijke randvoorwaarde voor een goed functionerende regionale economie en het slagen van de maatschappelijke transities (energie, circulair, digitalisering). De provincie draagt bij aan het versterken van human capital door de Human Capital Agenda 2.0 Zuid-Holland (HCA) uit te voeren waarbij de provinciale subsidieregeling geld beschikbaar stelt voor deelakkoorden human capital.

Rol

Presterend

Uitwerking

Met een provinciale subsidieregeling ondersteunt de provincie partijen die samenwerken aan het realiseren van de (kwantitatieve) doelstellingen van de Human Capital Agenda 2.0 Zuid-Holland. Vooral het zogenaamde loopvermogen, de coördinatie en ontwikkelkosten, die niet aan reguliere taken of scholingsmiddelen kunnen worden toegewezen, komen voor subsidie in aanmerking. 

Tevens stimuleert de provincie kennisuitwisseling tussen uitvoerders van kwartiermakers en projectleiders van de gesubsidieerde projecten (learning community). Ook stimuleert de provincie de samenwerking met en tussen de arbeidsmarktregio’s, UWV, opleiders (mbo, hbo), brancheorganisaties en bedrijven om de leercultuur in de provincie te bevorderen, leven lang ontwikkelen (LLO) te stimuleren en onderlinge verbindingen tot stand te brengen.

FFF

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Beleidsdoel 4-24.2 Erfgoed en cultuur

GGG

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

4-2 4.2 Erfgoed en cultuur

HHH

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Maatregelen van 4-24.2 Erfgoed en cultuur

III

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Beleidsdoel 5-15.1 Gezonde natuur

JJJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

5-1 5.1 Gezonde natuur

Zuid-Holland heeft landschappen met natuurwaarden die in heel Europa bijzonder zijn: de duinen, de delta en het veenweidegebied. De provincie streeft naar vitale natuur en fraaie landschappen die beginnen bij de voordeur en zich uitstrekken tot de kernen van onze natuur- en groengebieden, verbonden met water en erfgoed. Door overal natuur- en landschapswaarden te versterken, wordt gewerkt aan het behoud en herstel van de biodiversiteit en aan een aantrekkelijke omgeving.

De biodiversiteit, de belangrijkste graadmeter voor de kwaliteit van de natuur, daalde de afgelopen decennia sterk. Om te zorgen voor een gunstige staat van instandhouding van de soorten en habitats in de provincie, is het hebben van voldoende natuur van goede kwaliteit een vereiste. Dit is niet alleen belangrijk voor de natuur zelf, maar ook voor onze gezondheid, voedselzekerheid, om ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk te maken en om de bijdrage van natuur aan brede welvaart en leefbaarheid zeker te stellen. Het beschermen van biodiversiteit is daarom vastgelegd in de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR). Per 2030 geldt de opgave om het VHR-doelbereik met 30% te verhogen. Om de gunstige staat te behalen, is realisatie, beheer en bescherming van een robuust netwerk van natuurgebieden nodig, evenals het wegnemen van drukfactoren. Ook buiten dezeSpecifiek voor Natura 2000-gebieden geldt dat dit door het Rijk aangewezen natuurgebieden met specifieke natuurdoelen (instandhoudingsdoelen) zijn gezonde, aantrekkelijke landschappen en steden. Deze instandhoudingsdoelstellingen zijn omschreven in termen van belangbehoud, waarbij de provincienatuurwaarden verbindt met andere functies, zoals landbouwverbetering van kwaliteit en behoud en wonenuitbreiding van oppervlak. Tegelijkertijd heeft de provincieaandachtDe provincie is verantwoordelijk voor gezond evenwicht in populatiesde realisatie van planten en dieren, waardoor ingrijpen soms nodigdeze doelen. Uit de KRW volgt dat de (waterkwaliteits-)eisen vanuit Natura 2000 leidend zijn voor de KRW-doelen. Dit betekent dat per 2027 de hydrologische situatie in de Natura 2000-gebieden op orde is.

Realisatie begrensde natuur                                                                                                                                                                    Realisatie van natuur is een belangrijk middel om specifieke soorten en habitatten te beschermen en in de zogenoemde ‘gunstige staat van instandhouding’ te brengen. Dit wil de provincie bereiken door een robuust netwerk van natuurgebieden, bestaande uit kerngebieden met verbindingszones daartussen te realiseren.

Met het Rijk zijn in het Natuurpact hiervoor het aantal hectaren afgesproken. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) moet eind 2027 gereed zijn. Hier geeft de provincie invulling aan met uitvoeringsprogramma’s die per gebied zijn opgesteld. De nieuwe natuur richten zij in door middel van zelfrealisatie of verwerving, in samenwerking met terreinbeherende organisaties, waterschappen, agrariërs, inwoners en ondernemers. Op deze manier werkt de provincie samen aan een samenhangend en verbindend netwerk van duurzaam behouden natuurgebieden, die populaties van planten en dieren duurzaam in stand kunnen houden.

Daarnaast realiseert de provincie in het Buijtenland van Rhoon een gebied met 600 hectare akkernatuur en natuurinclusieve landbouw, inclusief recreatieve voorzieningen en recreatieve poorten.

 Versterken natuur en landschapswaarden                                                                                                                                                Ook buiten de NNN en N2000 wilde provincie de natuur- en landschapswaarden herstellen en versterken. Een belangrijke reden hiervoor is de biodiversiteit die sterk onder druk staat. Zo verdwijnen kwetsbare planten, neemt de diversiteit en biomassa van insecten af, is de trend in aantallen van veel vogelsoorten al jaren negatief en staat het onderwaterleven onder steeds grotere druk. Daarnaast is een gezonde (beleefbare) natuur belangrijk voor de mens en draagt dit bij aan klimaatdoelen (CO2-vastlegging, waterberging, verminderen hittestress) en aan verbetering van de waterkwaliteit. De betrokkenheid en inbreng van onder andere gemeenten, waterschappen, (agrarische) ondernemers, natuurorganisaties en inwoners is hierbij van groot belang.

Daarom werkt de provincie aan:

  • Soortenbeleid: de provincie stelde 40 icoonsoorten vast die staan voor de diverse kenmerkende natuur- en landschapstypen binnen Zuid-Holland. De provincie versterkt het leefgebied van deze soorten, ook buiten natuurgebieden. Hiermee geeft zijinvulling aan haar wettelijke taak om planten en dieren te beschermen en de staat van instandhouding te verbeteren. 

  • Bos en bomen: De provincie geeft invulling aan de Motie de Spade de grond en de Motie Duurzaam Bos- en bomenbeleid en maakt een start met de doelen voor bosuitbreiding van 400 ha zoals genoemd in het Ruimtelijk voorstel en ZH-PLG, zoals klimaat en biodiversiteit. 

  • Boerenlandvogels: met de acties vanuit het actieplan boerenlandvogels en het aanvalsplan grutto en de inzet van agrariërs via het agrarisch natuurbeheer, draagt de provincie bij aan het doel om de neerwaartse trend in aantallen van boerenlandvogels te keren.

  • Groenblauwe dooradering: De provincie realiseert groenblauwe dooradering (10% in 2050 en de helft van het gat tussen de bestaande GBDA en de 10% als tussendoel in 2030). Hiermee draagt zij bij aan de doelen genoemd in het ZHPLG, waaronder biodiversiteit, waterkwaliteit en klimaat.

  • Agrarisch natuur- en landschapsbeheer: middels de openstelling van de subsidieregeling ANLb kan de provincie agrariërs ondersteunen bij de uitvoering van natuur en landschapsbeheer bij het behalen van de natuurdoelen in het landelijk gebied.

  • Overgangsgebieden: De provincie werkt verder uit of en in welke vorm overgangsgebieden een mogelijk middel zijn om efficiënt ZHPLG-doelen te behalen, waaronder de instandhoudingsdoelen binnen de N2000-gebieden, door wegnemen van drukfactoren buiten de begrenzing.

  • Voor het programma LIFE IP All4Biodiversity, is een gebiedsgerichte aanpak ontwikkeld voor stakeholders. Het 6-jarige programma eindigt in maart 2026 en maakt onderdeel uit van de aanpak van de Stichting Deltaplan Biodiversiteitsherstel. Zo heeft All4Biodiversity een toolbox ontwikkeld alsmede een training gebiedsgericht werken. De toolbox en de training maken onderdeel uit van de basiskwaliteit natuur waarvan Deltaplan recent een rapport uitbracht. In de toolbox wordt ingegaan op het concept Basiskwaliteit Natuur, een stappenplan met gemeenschappelijke visie tot maatregelen en monitoring. Het programma LIFE IP All4Biodiversity werkt nu aan de implementatie en het gebruik van de Toolbox en de training in projecten PPLG landelijk waaronder het ZHPLG, in het bijzonder voor het gebied de Mient Kooltuin/Groene Zone.

 Zuid-Hollands Programma Landelijk Gebied (ZHPLG)                                                                                                                    Gezien de opgaven op natuurherstel, water en bodem en duurzame landbouw introduceerde het Rijk het Nationaal Programma Landelijk gebied. Zij vroeg alle provincies om hier een provinciale aanpak voor te maken. Het Zuid-Hollands Programma Landelijk Gebied (ZHPLG) is de volgende stap naar een duurzame toekomst voor het landelijk gebied. Het is een aanpak om te komen tot een landelijk gebied waar de kwaliteit van het water op orde is, waar flora en fauna kunnen voortbestaan, en dat een bijdrage levert aan de strijd tegen klimaatverandering. Het landelijk gebied biedt ook ruimte voor agrarische ondernemers met duurzame verdienmodellen.

De transitie van het landelijk gebied is noodzakelijk. De provincie is zorgvuldig in haar aanpak en werkt in gezamenlijkheid en op een lerende manier naar de toekomst toe. In het ZHPLG neemt de provincie bestaande doelen op het gebied van natuurherstel, water, klimaat en stikstof als uitgangspunt. De doelen op zich zijn niet nieuw en vloeien voort uit (inter)nationale verplichtingen, die vastliggen in wetgeving en bestuursakkoorden.

De kracht van het ZHPLG is de samenhangende aanpak, die toekomstbestendig en gebiedsgericht is. Samenhangend doordat de provincie de doelen op gebied van water, natuur en klimaat in 1 keer aanpakt. Dit zodat partners en ondernemers, niet eerst voor het ene doel aan de slag hoeven, en dan voor het andere.

Tevens is het ZHPLG toekomstbestendig; De provincie richt zich op de middellange termijn maar houdt ook rekening met de uitdagingen in de verdere toekomst. De crux van het programma is dat zij de doelen gebiedsgericht aanpakt. Een aantal doelen zal hiervoor nog regionaal concreet moeten worden. Zonder een zorgvuldige aanpak in de 3 kerngebieden Veenweiden, Zuid-Hollandse Delta en Kust en Duinen, maar ook in de 16 deelgebieden bereikt de provincie de doelen niet.

Dit vergt de komende jaren veel van de provincie. Er is een actief gebiedsproces waarbij de provincie alle partners, ondernemers, gemeenten, waterschappen en maatschappelijke organisaties nodig heeft.

 Hiervoor werkt de provincie met een programmatische gebiedsgerichte aanpak. Dit betekent dat zij met gebiedspartners in fasen toewerkt naar een steeds concretere invulling van de opgave: verkenning, planuitwerking en realisatie. De provincie organiseert hiervoor onder andere keukentafelgesprekken, dialoogsessies in deelgebieden en ze heeft regiegroepen op kerngebiedsniveau. Dit gebeurt langjarig en hierbij is de provincie gebiedspartner en gebiedsautoriteit. Partner doordat de provincie nauw samenwerkt, en daarnaast geeft zij richting aan de te behalen doelen en is transparant over haar rol, taken en verantwoordelijkheden.

Daarnaast is het ZHPLG nauw verweven met de ontwikkeling van de Ruimtelijk Voorstel/Toekomstbestendig Zuid-Holland.

Natuurbeheer & kwaliteitsimpulsen Natura 2000 / Natuurnetwerk Nederland                                                                          Per 2027 geldt de opgave om de hydrologische situatie in de Natura 2000 gebieden (en daarbuiten) op orde te hebben. In 2024 zet de provincie verdere stappen richting het halen van deze gestelde doelen en werkt zij aan de verhoging van de natuurkwaliteit in de Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland gebieden. De provincie doet dat door het ecologische systeem op orde te brengen. Dit vergt inzet in de natuurgebieden en daarbuiten.

Programma Natuur

Programma Natuur is een gezamenlijk programma van Rijk en provincies. In dit programma worden maatregelen uitgevoerd voor natuurversterking, in samenspraak met andere overheden, natuurbeheerders en maatschappelijke partners. Als onderdeel van het overkoepelende Programma Natuur richt het Uitvoeringsprogramma Natuur (UPN) zich op natuurmaatregelen in en rond Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN), met de focus op stikstofgevoelige en met stikstof overbelaste natuurwaarden.

Beschermen natuur en soorten

  • Vergunningverlening, toezicht en handhaving op activiteiten die die natuur betreffen: met de naleving van de wettelijke taak op vergunningverlening, toezicht en handhaving, worden in het wild levende plant- en diersoorten beschermd. Omgevingsdiensten Haaglanden en Omgevingsdienst en Zuid-Holland Zuid hebben namens de provincie het mandaat voor de uitvoering van deze taken. Door het zorgvuldig verlenen van vergunningen kan de balans tussen soortbescherming en andere belangen worden gewaarborgd. Met de inzet van toezicht en handhaving wordt er gecontroleerd om men zich aan de regels houdt en wordt er ingegrepen bij overtredingen. Specifiek is er vanuit deze taak aandacht voor de effecten van de woningbouw- en energieopgaven op de beschermde soorten in de stedelijke omgeving.

  • Planologische bescherming: De provincie heeft regels vastgelegd met betrekking tot de (on)mogelijkheden voor ontwikkelingen in de natuur en recreatiegebieden in Zuid-Holland. Deze regels hebben als doel de gebieden alsmede de kwaliteit en samenhang van deze gebieden te behouden en te beschermen.

  • Faunabeheer: Binnen het faunabeheer streeft de provincie naar het voorkomen dan wel beperken van de schade en risico’s veroorzaakt door in het wild levende dieren. Waar nodig worden maatregelen getroffen om conflicten tussen de aanwezigheid van dieren en andere belangen (veiligheid, schade aan gewassen of aan flora en fauna) te voorkomen én om draagvlak te behouden voor natuur.

  • Invasieve exoten: Ter bescherming van de inheems flora en fauna wordt er ingezet op het bestrijden en beheer van invasieve exoten. Daarbij wordt bestrijding ingezet op de nog uitroeibare soorten. Bij de wijdverspreide invasieve exoten wordt er ingezet op plekken waar er een biodiversiteitsbelang in het geding is. Het provinciale biodiversiteitsbelang ligt vooral in de hiertoe aangewezen Natura 2000-gebieden, de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland, ter bescherming van vogel- en habitatrichtlijn soorten of rode lijst soorten buiten deze gebieden.

Natuurmonitoring                                                                                                                                                                                                  De provincie volgt de ontwikkeling van de natuur via monitoring en onderzoek, zodat zij over volledige, consistente en goed toegankelijk informatie beschikt om te kunnen (bij) sturen en verantwoorden.



Datagedreven ZH-PLG                                                                                                                                                                                               In het kader van het datagedreven ZH-PLG ontwikkelt de provincie digitale informatieproducten die het ZH-PLG en de daarmee samenhangende opgaven faciliteren. De provincie ondersteunt de gebiedsprocessen en draagt bij aan de maatschappelijk gewenste transparantie.

Ook buiten deze natuurgebieden zijn gezonde, aantrekkelijke landschappen en steden van belang voor het halen van het VHR-doelbereik. De provincie verbindt hierbij natuurwaarden met andere functies, zoals landbouw en wonen. Tegelijkertijd heeft de provincie aandacht voor gezond evenwicht in populaties van planten en dieren, waardoor ingrijpen soms nodig is.

Natuurinclusieve transitie                                                                                                                                                                                    Om stappen te zetten richting een natuurinclusieve samenleving in 2050 ondersteunt en stimuleert de provincie de uitvoering van de Groeiagenda natuurinclusief Zuid-Holland 2024-2027. Deze agenda is gericht op draagvlak, adaptatie en internalisering van het thema natuurinclusief. Met als doel om natuurbelangen integraal mee te nemen in andere opgaven, zoals bijvoorbeeld waterkwaliteit, landbouw en verstedelijking.

Stikstof                                                                                                                                                                                                                           De stikstofreductie, zowel van ammoniak als van stikstofoxiden, heeft als doel om de depositie van stikstof op de natuurgebieden te verminderen en daarmee bij te dragen aan natuurherstel. De provincie heeft een concrete reductiedoelstelling om de stikstofemissie te verminderen, met als doel een emissieplafond van 2,9 kiloton ammoniak per jaar in 2035 te bereiken. Momenteel bedraagt de jaarlijkse ammoniakemissie 5,4 kiloton. De ammoniak reductieopgave in de landbouw is onderdeel van het ZH-PLG.

Daarnaast is het voor de provincie belangrijk om maatschappelijke ontwikkelingen mogelijk te blijven maken. Om de stikstofproblematiek op te lossen werkt de provincie samen met regionale partners.

Deze inzet wordt in 2024 verder vormgegeven en verloopt langs de volgende lijnen:

  • Ammoniak (NH3) reductie voor natuurherstel;

  • Stikstofoxiden (NOx) reductie voor natuurherstel;

  • Ontwikkelingen mogelijk houden middels vergunningverlening, waaronder helpen bij de legalisatie van PAS-melders.

De provincie werkt aan een transitie naar toekomstbestendige landbouw, verdienmodellen voor de sector, grondpositie, voedselbeschikbaarheid, ontwikkeling van de rol van de boer als natuurbeheerder en dragen bij aan de stikstofreductie- opgave. Zij werkt daarbij zo veel mogelijk samen met de boeren, hun belangenorganisaties en met natuurbeherende organisaties.

KKK

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Maatregelen van 5-15.1 Gezonde natuur

LLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

5.1.1.1 Realiseren begrensde natuur

Wat gaat de provincie doen?

Realisatie van natuur is een belangrijk middel om specifieke soorten en habitatten te beschermen en in de zogenoemde ‘gunstige staat van instandhouding’ te brengen. Dit wil de provincie bereiken door een robuust netwerk van natuurgebieden, bestaande uit kerngebieden met verbindingszones daartussen te realiseren.

De provincie wil dat de tot doel gestelde hectaren in het Natuurpact, het Natuurnetwerk Nederland (NNN), vóór eind 2027 zijn gerealiseerd. Hier wordt invulling aan gegeven door middel van uitvoeringsprogramma’s die per gebied zijn opgesteld. De nieuwe natuur wordt ingericht door middel van zelfrealisatie of verwerving, in samenwerking met terrein beherende organisaties, waterschappen, natuurorganisaties, inwoners en ondernemers. Op deze manier wordt samengewerkt aan een samenhangend en verbindend netwerk van duurzaam behouden natuurgebieden. De provincie vult deze rol in door de regie te nemen op de realisatie en als verbinder tussen partijen te bewegen.

Rol

Presterend

Uitwerking

Natura 2000-gebieden zijn door het Rijk aangewezen natuurgebieden met specifieke natuurdoelen en brengen een wettelijke en Europese verplichting tot realisatie met zich mee. Het NNN is door het Rijk ingevoerd om Vogel- en Habitatrichtlijn soortenHabitatrichtlijnsoorten te beschermen door leefgebieden te behouden en uit te breiden. De provincie is verantwoordelijk voor de realisatie van deze doelen die betrekking hebben op behoud, verbetering van kwaliteit en uitbreiding van oppervlak van de leefgebieden van soorten.

Met het Rijk zijn in het kader van Natuurpact hectaren in te richten NNN afgesproken die eind 2027 gereed moeten zijn. Met de uitvoeringsprogramma's, Krimpenerwaard, Gouwe Wiericke en, Natuurnetwerk-Zuid Holland (NNZH), Buijtenland van Rhoon en Natura 2000, werkt geeft de provincie aan het beschikbaar krijgen en inrichten van gronden voor realisatie van de nieuwe natuurhier invulling aan.  Dit betreft niet altijd gehele nieuwe verbindingen of gebieden, maar kan ook om cruciale laatste onderdelen (percelen) gaan waardoor de instandhoudings-doelstellingen nu niet bereikt worden.

Daarnaast realiseert de provincie in het Buijtenland van Rhoon een gebied met 600 hectare akkernatuur en natuurinclusieve landbouw, inclusief recreatieve voorzieningen en recreatieve poorten.

MMM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

5.1.1.2 Versterken natuur- en landschapswaarden

Wat gaat de provincie doen?

De provincie wil de natuur- en landschapswaarden zowel binnen als buiten begrensde natuurgebieden behouden en versterken. De natuur- en landschapswaarden van een gebied kunnen worden gemeten aan de hand van de biodiversiteit. De provincie heeft 40 icoonsoorten vastgesteld die zij wil beschermen, deze soorten staan voor de diverse natuur- en landschapstypen binnen Zuid-Holland. Ook andere soorten liften mee op maatregelen ter verbetering van het leefgebied van icoonsoorten. Door de leefgebieden van deze icoonsoorten op orde te brengen, zal het beter gaan met de Zuid-Hollandse natuur. Een deel van de icoonsoorten en karakteristieke leefgebieden wordt beschermd door begrensde natuurgebieden. Andere soorten komen ook of juist voor op het platteland of in de stad. Ook daar werkt de provincie er aan deze soorten en hun leefgebied te versterken. Bijvoorbeeld door te werken aan de groenblauwe dooradering en het realiseren van bijenlandschappen.

De provincie wil kansen benutten en creëren voor de uitbreiding van bos en bomen. Bossen leveren veel ecosysteemdiensten en kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan veel van de provinciale opgaven zoals recreatie, gezondheid (onder andere door versterken immuunsysteem en verminderen van stress), CO₂-opslag, biodiversiteit, klimaatadaptatie (tegengaan hittestress en opvang overmatige neerslag). Deze bosuitbreidingsambitie is ook onderdeel van het ZH-PLG en komt voort uit afspraken in het kader van het klimaatakkoord.

De provincie wil de natuur- en landschapswaarden zowel binnen als buiten begrensde natuurgebieden behouden en versterken. Voor het behalen van de wettelijke verplichting tot het behouden of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van soorten genoemd in de Vogel- en Habitatrichtlijn is ook buiten de begrensde natuurgebieden geschikt leefgebied nodig.

Daarom werkt de provincie aan:

  • Soortenbeleid: de provincie stelde 40 icoonsoorten vast die staan voor de diverse kenmerkende natuur- en landschapstypen binnen Zuid-Holland. De provincie versterkt het leefgebied van deze soorten, ook buiten natuurgebieden. Hiermee geeft zij invulling aan haar wettelijke taak om planten en dieren te beschermen en de staat van instandhouding te verbeteren. 

  • Bos en bomen: De provincie geeft invulling aan de Motie de Spade de grond in en de Motie Duurzaam Bos- en bomenbeleid en start met realisatie van de doelen voor bosuitbreiding van 400 ha zoals genoemd in het Ruimtelijk voorstel, zoals klimaat en biodiversiteit.

  • Boerenlandvogels: met de acties vanuit het actieplan boerenlandvogels en het aanvalsplan grutto en de inzet van agrariërs via het agrarisch natuurbeheer, zet de provincie in op herstel van de populaties van boerenlandvogels.

  • Groenblauwe dooradering: De provincie werkt aan de realisatie van groenblauwe dooradering (10% in 2050 en de helft van het gat tussen de bestaande GBDA en de 10% als tussendoel in 2030). Hiermee draagt zij bij aan de een breed palet aan doelen waaronder biodiversiteit, waterkwaliteit en klimaat.

Rol

Presterend Rechtmatig

Uitwerking

Algemeen

Een goed functionerend natuurlijk systeem is een belangrijke randvoorwaarde voor een gezonde en duurzame economie, ruimtelijke ontwikkeling en leefomgeving. Daarom zet Zuid-Holland provincie breed in op een goede kwaliteit van de natuur en het landschap.

Zuid-Holland wil het tij keren voor de boerenlandvogels zoals de grutto, kievit, veldleeuwerik en patrijs en richt haar inspanningen op het verbeteren van de leefomgeving van akker- en weidevogels. Daarom werkt de provincie, naast de realisatie van begrensde natuur en weidevogelkerngebieden, ook aan het versterken van natuur- en landschapswaarden binnen het landelijk gebied.

De provincie werkt met haar partners toe naar een provincie dekkend en fijnmazig systeem van natuur. Hiermee worden de bestaande natuur-, recreatie- en andere groengebieden ondersteund en verbonden en de natuur versterkt in met name het landelijk gebied. Het versterken van natuur- en landschapswaarden levert een belangrijke bijdrage aan de doelen van het ZH-PLG op het vlak van natuur, klimaat, water en landbouw. Om dit proces te ondersteunen worden subsidieregelingen gericht op icoonsoorten, landschapselementen en bosuitbreiding opengesteld. Daarnaast wordt er een bosmakelaar ingezet en afspraken gemaakt over bosuitbreiding in recreatiegebieden.

Een aaneengesloten afwisseling van water en begroeiing wordt gezien als groenblauwe dooradering. Deze landschapselementen zijn de drager van natuurwaarden in het landelijk gebied en bepalen de regionale identiteit en recreatieve aantrekkelijkheid. Dit netwerk bevordert een natuurlijke verbinding in het landelijk gebied, waardoor planten en dieren kunnen migreren. Deze is nodig voor het benutten en verrijken van natuur voor VHR- en KRW-doelsoorten. De ambitie is gericht op biodiversiteitsherstel, verbetering van de waterkwaliteit, vastleggen CO₂, klimaatadaptatie, stikstof en het bereiken van een goede Basiskwaliteit Natuur (BKN) in landelijk gebied.



Boerenlandvogels

Zuid-Holland is een belangrijke provincie voor boerenlandvogels zoals de grutto, kievit, veldleeuwerik en patrijs. Omdat Nederland een internationale verantwoordelijkheid heeft voor met name de weidevogels stelt de provincie een stijging van het aantal broedparen van de grutto, als vlaggenschip en indicatorsoort voor de weidevogels, met circa 3.500 broedparen als doel. En voor akker- en bollenvogels een stijging van circa 300 paar patrijzen. Uitgangspunt is hierbij een stijging ten opzichte van het jaar 2019. Deze aantallen kunnen indicatief vertaald worden naar een kwantitatieve opgave van 11.000 extra hectare inzet in het agrarisch natuurbeheer voor weidevogels en 1.900 extra hectare voor akkervogels. Hierbij moet worden opgemerkt dat indien er meer kwaliteit wordt gerealiseerd op bestaand oppervlak agrarisch natuurbeheer of weidevogelreservaat, het benodigd extra aantal hectaren lager zal uitvallen. De extra nationale middelen die per 2026 beschikbaar komen voor Agrarisch Natuurbeheer zullen worden ingezet om hierin samen met boeren stappen te zetten. Waar nodig onderzoekt de provincie de mogelijkheden voor de inzet van aanvullend instrumentarium. Tot slot onderzoekt de provincie hoe de monitoringsinspanningen in verhouding kunnen worden gebracht met de beleidsvragen.

Bos en Bomen

De provincie wil kansen benutten en creëren voor de uitbreiding van bos en bomen. Bossen leveren veel ecosysteemdiensten en kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan veel van de provinciale opgaven zoals recreatie, gezondheid (onder andere door versterken immuunsysteem en verminderen van stress), CO₂-opslag, biodiversiteit en klimaatadaptatie (tegengaan hittestress en opvang overmatige neerslag). Deze bosuitbreidingsambitie is ook onderdeel van het Ruimtelijk Voorstel en komt voort uit afspraken in het kader van het klimaatakkoord. De 400 ha bosuitbreiding in 2030, is globaal onder te verdelen in 150 ha binnen NNN, 150 ha binnen recreatiegebieden en 100 ha daarbuiten.

Groenblauwe dooradering

Een aaneengesloten afwisseling van water en begroeiing wordt gezien als groenblauwe dooradering. Deze landschapselementen zijn de drager van natuurwaarden in het landelijk gebied en bepalen de regionale identiteit en recreatieve aantrekkelijkheid. Dit netwerk bevordert een natuurlijke verbinding in het landelijk gebied, waardoor planten en dieren kunnen migreren. Deze is nodig voor het benutten en verrijken van natuur voor VHR-soorten en KRW-doelen. De ambitie is gericht op biodiversiteitsherstel, verbetering van de waterkwaliteit, vastleggen van CO₂, klimaatadaptatie, stikstofvermindering en het bereiken van een goede Basiskwaliteit Natuur (BKN) in landelijk gebied.



Icoonsoorten

De provincie heeft 40 icoonsoorten vastgesteld, waarop zij zich bij haar inspanning focust. De icoonsoorten staan voor de diverse natuur- en landschapstypen binnen Zuid-Holland. Door de leefgebieden van deze icoonsoorten op orde te brengen, zal het beter gaan met de Zuid-Hollandse natuur. Icoonsoorten worden ook gebruikt om uit te leggen waarom bepaalde ingrepen in de fysieke leefomgeving worden gedaan ter versterking van de biodiversiteit. De provincie stuurt op het structureel benutten van kansen in de fysieke leefomgeving om het leefgebied van icoonsoorten te verbeteren en de biodiversiteit te bevorderen. Zij maakt hier middelen (zoals capaciteit, informatie en/of financiën) voor vrij. Ook wordt de verbetering van het leefgebied van de icoonsoorten, waar mogelijk en zinvol, integraal meegenomen bij ruimtelijke projecten of relevante beleidsvelden van de Provincie Zuid-Holland. Maatregelen gericht op icoonsoorten bevorderen niet alleen het leefgebied van die ene soort; het geldt als een paraplu voor de leefomstandigheden van vele andere soorten.    

Door icoonsoorten integraal te koppelen aan andere opgaven kan de biodiversiteit worden versterkt. Denk hierbij aan natuurinclusieve (land)bouw, waarbij binnen de icoonsoorten de prioriteit ligt bij Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten (VHR) buiten natuurgebieden, aangevuld met de typische Zuid-Hollandse soorten zoals de zandhommel of begeleidende soorten die typisch Zuid-Hollands zijn maar geen VHR-soort zijn.    



Faunavoorzieningen bij provinciale infrastructuur

Voor het duurzaam voortbestaan van populaties is uitwisseling met soortgenoten uit de omgeving van belang. Infrastructuur zorgt voor versnippering van de leefgebieden. Met faunapassages kan dit ten dele worden verholpen, waardoor de connectiviteit tussen de gebieden voor diverse icoonsoorten wordt verbeterd. Een groenblauw netwerk van voldoende kwaliteit maakt dit mogelijk.    

De provincie werkt dus actief aan faunavoorzieningen in gebieden waar het Natuurnetwerk Nederland provinciale infrastructuur kruist. Daarbij draagt de provincie waar mogelijk ook bij aan de passeerbaarheid van fauna waar geen Natuurnetwerk Nederland ligt, maar waar wel een faunapassage gewenst is vanuit natuur of (verkeers-)veiligheid.    

LIFE IP All4Biodiversity

Met het programma LIFE IP All4Biodiversity, is een gebiedsgerichte aanpak ontwikkeld voor stakeholders. Het 6-jarige programma eindigt in maart 2026 en maakt onderdeel uit van de aanpak van de Stichting Deltaplan Biodiversiteitsherstel. Zo heeft All4Biodiversity een toolbox ontwikkeld alsmede een training gebiedsgericht werken. De toolbox en de training maken onderdeel uit van de basiskwaliteit natuur waarvan Deltaplan recent een rapport uitbracht. In de toolbox wordt ingegaan op het concept Basiskwaliteit Natuur, een stappenplan met gemeenschappelijke visie tot maatregelen en monitoring. Het programma LIFE IP All4Biodiversity werkt nu aan de implementatie en het gebruik van de Toolbox en de training in projecten PPLG landelijk waaronder het ZHPLG, in het bijzonder voor het gebied de Mient Kooltuin/Groene Zone.

NNN

Na sectie '5.1.1.2 Versterken natuur- en landschapswaarden' wordt een sectie ingevoegd, luidende:

5.1.1.3 Zuid-Hollands Programma Landelijk Gebied (ZHPLG)

Wat gaat de provincie doen?

Voor de opgaven op het vlak van natuurherstel, water en bodem en duurzame landbouw werkt de provincie met een programmatische gebiedsgerichte aanpak. Dit betekent dat zij met gebiedspartners in fasen toewerkt naar een steeds concretere invulling van de opgave door verkenning, planuitwerking en realisatie. De provincie organiseert hiervoor onder andere keukentafelgesprekken, dialoogsessies in deelgebieden en ze heeft regiegroepen op kerngebiedsniveau. Dit gebeurt langjarig en hierbij is de provincie gebiedspartner en gebiedsautoriteit. Partner, omdat de provincie nauw samenwerkt, en gebiedspartner, omdat zij richting geeft aan de te behalen doelen en transparant is over haar rol, taken en verantwoordelijkheden.

In het kader van het datagedreven ZH-PLG ontwikkelt de provincie digitale informatieproducten die het ZH-PLG en de daarmee samenhangende opgaven faciliteren. De provincie ondersteunt de gebiedsprocessen en draagt bij aan de maatschappelijk gewenste transparantie.

Rol

Samenwerkend

Uitwerking

Gezien de opgaven op het vlak van natuurherstel, water en bodem en duurzame landbouw introduceerde het Rijk het Nationaal Programma Landelijk gebied. Zij vroeg alle provincies om hier een provinciale aanpak voor te maken. Het Zuid-Hollands Programma Landelijk Gebied (ZHPLG) is de volgende stap naar een duurzame toekomst voor het landelijk gebied. Het is een aanpak om te komen tot een landelijk gebied waar de kwaliteit van het water op orde is, waar flora en fauna kunnen voortbestaan, en dat een bijdrage levert aan de strijd tegen klimaatverandering. Het landelijk gebied biedt ook ruimte voor agrarische ondernemers met duurzame verdienmodellen.

De transitie van het landelijk gebied is noodzakelijk. De provincie is zorgvuldig in haar aanpak en werkt in gezamenlijkheid en op een lerende manier naar de toekomst toe. In het ZHPLG neemt de provincie bestaande doelen op het gebied van natuurherstel, water, klimaat en stikstof als uitgangspunt. De doelen op zich zijn niet nieuw en vloeien voort uit (inter)nationale verplichtingen, die vastliggen in wetgeving en bestuursakkoorden.

De kracht van het ZHPLG is de samenhangende aanpak, die toekomstbestendig en gebiedsgericht is. Samenhangend doordat de provincie de doelen op gebied van water, natuur en klimaat in één keer aanpakt. Dit zodat partners en ondernemers, niet eerst voor het ene doel aan de slag hoeven, en dan voor het andere.

Tevens is het ZHPLG toekomstbestendig; De provincie richt zich op de middellange termijn maar houdt ook rekening met de uitdagingen in de verdere toekomst. De crux van het programma is dat zij de doelen gebiedsgericht aanpakt. Een aantal doelen zal hiervoor nog regionaal concreet moeten worden. Zonder een zorgvuldige aanpak in de 3 kerngebieden Veenweiden, Zuid-Hollandse Delta en Kust en Duinen, maar ook in de 16 deelgebieden bereikt de provincie de doelen niet.

Er is een actief gebiedsproces waarbij de provincie alle partners, ondernemers, gemeenten, waterschappen en maatschappelijke organisaties nodig heeft.

OOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

5.1.2.1 Actieve soortenbeschermingBeschermen natuur en soorten

Wat gaat de provincie doen?

De provincie streeft er naar stabiele populaties van kenmerkende plant- en diersoorten van de Zuid-Hollandse landschappen te behouden. Zij doet dat door de druk op natuur en biodiversiteit waar mogelijk te verlagen, bijvoorbeeld door de eliminatie en beheer van invasieve exoten en versterking van leefgebied. Voor het versterken van leefgebieden is het instrument icoonsoorten ontwikkeld. De provincie heeft 40 icoonsoorten vastgesteld die staan voor de diverse natuur- en landschapstypen binnen Zuid-Holland. Door de leefgebieden van deze icoonsoorten op orde te brengen, zal het beter gaan met het hele Zuid-Hollandse ecosysteem (water, bodem, natuur).   

Met actieve natuurbescherming draagt de provincie bij aan het in stand houden en versterken van beschermde flora en fauna en de biodiversiteit. Door de basiscondities voor ecosystemen op orde te brengen kunnen ze goed functioneren en voorzien ze in de ecosysteemdiensten waar wij als mens afhankelijk van zijn. Denk daarbij aan essentiële functies als bestuiving van voedselgewassen, natuurlijke plaagbestrijding, schone lucht, inspiratie en ontspanning. De provincie zorgt hiermee voor het nakomen van de landelijk of Europees gestelde doelen. Voor de soorten van de Vogel- en Habitatrichtlijn richt de provincie haar beleid op het behouden of verkrijgen van een gunstige staat van een instandhouding. 

De provincie wil de gunstige staat van instandhouding van de beschermde flora en faunasoorten bereiken en behouden. Daarvoor is bescherming van de gebieden en flora en fauna soorten nodig. Met deze bescherming wil de provincie handelingen die beschermde gebieden en de populatie van beschermde soorten kunnen aantasten, voorkomen of in ieder geval beperken. Naast het beperken van handelingen zet de provincie ook in op de eliminatie en beheer van invasieve exoten.

De provincie wil dat de gunstige staat van instandhouding in de planvormingsfase wordt meegenomen. Op deze wijze kan eventuele aantasting van deze status in de besluitvorming worden meegenomen. Dit gaat de provincie bereiken voor wat de soorten- en houtopstanden bescherming betreft via doelmatige en heldere regels voor vergunningen en vrijstellingen. De ruimtelijke bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (inclusief de Natura2000 gebieden) en de belangrijke en kansrijke weidevogelgebieden wordt in helder beleid en regels voor bescherming en compensatie bepaald.   

De provincie onderzoekt hoe zij programma’s kan opstellen en vaststellen voor het aanwijzen van vergunningvrije gevallen voor flora- en fauna-activiteiten. Deze programma’s zijn erop gericht om populaties van soorten te behouden en waar mogelijk te versterken en hebben tevens tot doel om ruimtelijke ontwikkelingen onder voorwaarden mogelijk te maken. 

Rol

Presterend Rechtmatig

Uitwerking

Natuur is niet iets dat zich exclusief afspeelt in de beschermde natuurgebieden. Ook de stedelijke en landelijke omgeving in Zuid-Holland vervult een belangrijke waarde voor flora- en faunasoorten. Actieve soortenbescherming vormt daarmee een noodzakelijke en wettelijk vastgelegde aanvulling op de gebiedsbescherming, want de provincie is sinds 2017 verantwoordelijk voor de natuur binnen en buiten natuurgebieden.    



Instandhouding VHR- en rode lijstsoorten buiten N2000 

De wettelijke verplichting tot het behouden of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van soorten genoemd in de Vogel- en Habitatrichtlijn wordt met name gerealiseerd door het instellen en goed beheren van N2000-gebieden. Echter, ook buiten deze natuurgebieden dienen deze soorten beschermd te worden en is geschikt leefgebied nodig om de doelstellingen te behalen. Om die reden en ter versterking van de biodiversiteit als geheel, richt de provincie zich ook op de soorten die extra bescherming vragen buiten de N2000 gebieden, zoals genoemd in de VHR en op de Rode Lijsten. Dit doet de provincie via onderstaande inspanningen. 



Soortenbescherming via het instrument icoonsoorten

De provincie heeft 40 icoonsoorten vastgesteld, waarop zij zich bij haar bescherming focust. De icoonsoorten staan voor de diverse natuur- en landschapstypen binnen Zuid-Holland. Door de leefgebieden van deze icoonsoorten op orde te brengen, zal het beter gaan met de Zuid-Hollandse natuur. Icoonsoorten worden ook gebruikt om uit te leggen waarom bepaalde ingrepen in de fysieke leefomgeving worden gedaan ter versterking van de biodiversiteit. De provincie stuurt op het structureel benutten van kansen in de fysieke leefomgeving om het leefgebied van icoonsoorten te verbeteren en de biodiversiteit te bevorderen. Zij maakt hier middelen (zoals capaciteit, informatie en/of financiën) voor vrij. Ook wordt de verbetering van het leefgebied van de icoonsoorten, waar mogelijk en zinvol, integraal meegenomen bij ruimtelijke projecten of relevante beleidsvelden van de Provincie Zuid-Holland. Maatregelen gericht op icoonsoorten bevorderen niet alleen het leefgebied van die ene soort; het geldt als een paraplu voor de leefomstandigheden van vele andere soorten.    

Door icoonsoorten integraal te koppelen aan andere opgaven kan de biodiversiteit worden versterkt. Denk hierbij aan natuurinclusieve (land)bouw, waarbij binnen de icoonsoorten de prioriteit ligt bij Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten (VHR) buiten natuurgebieden, aangevuld met de typische Zuid-Hollandse soorten zoals de zandhommel of begeleidende soorten die typisch Zuid-Hollands zijn maar geen VHR-soort zijn.    



Soortenbescherming door faunavoorzieningen bij provinciale infrastructuur te realiseren

Voor het duurzaam voortbestaan van populaties is uitwisseling met soortgenoten uit de omgeving van belang. Infrastructuur zorgt voor versnippering van de leefgebieden. Met faunapassages kan dit ten dele worden verholpen, waardoor de connectiviteit tussen de gebieden voor diverse icoonsoorten wordt verbeterd. Een groenblauw netwerk van voldoende kwaliteit maakt dit mogelijk.    

De provincie werkt dus actief aan faunavoorzieningen in gebieden waar het Natuurnetwerk Nederland provinciale infrastructuur kruist. Daarbij draagt de provincie waar mogelijk ook bij aan de passeerbaarheid van fauna waar geen Natuurnetwerk Nederland ligt, maar waar wel een faunapassage gewenst is vanuit natuur of (verkeers-)veiligheid.     

Natuur is niet iets dat zich exclusief afspeelt in de beschermde natuurgebieden. Ook de stedelijke en landelijke omgeving in Zuid-Holland vervult een belangrijke waarde voor flora- en faunasoorten. Actieve soortenbescherming vormt daarmee een noodzakelijke en wettelijk vastgelegde aanvulling op de gebiedsbescherming, want de provincie is sinds 2017 verantwoordelijk voor de natuur binnen en buiten natuurgebieden.

Exotenbestrijding

Exoten zijn dieren, planten, schimmels of micro-organismen die door menselijk handelen terechtkomen in een gebied waar ze van oorsprong niet voorkwamen, maar zich wel handhaven. Een klein deel van de exoten voelt zich prima thuis in zijn nieuwe omgeving. Deze soorten kunnen zich vestigen in de natuur en zich snel vermeerderen. Dit zijn de zogenaamde invasieve exoten.  

Deze exoten kunnen inheemse soorten verdringen of op een andere manier de omgeving voor deze soorten ongeschikt maken. Daarmee kunnen deze exoten een gevaar vormen voor de biodiversiteit en de wettelijke N2000-doelen. Ook kunnen sommige exoten leiden tot grote economische schade.   

De provincie vindt de introductie en het vestigen van (nieuwe) exoten binnen de provincie niet wenselijk. De provincie zet in op bestrijding en beheersing van de (invasieve) exoten door middel van preventie, eliminatie en beheer. Wanneer (invasieve) exoten inheemse beschermde flora en fauna schaden, al of niet in combinatie met schade aan de economie en/of de volksgezondheid, neemt de provincie maatregelen.    

In toenemende mate krijgt de provincie Zuid-Holland te maken met (al dan niet invasieve) exoten.  De schade die invasieve exoten aanbrengen aan de lokale biodiversiteit is op Europees niveau erkend als een gezamenlijk probleem. Om de verspreiding van invasieve exoten tegen te gaan is er daarom een Europese verordening tot stand gekomen die de lidstaten verplicht om maatregelen te treffen voor exoten die zijn geplaatst op de zogenaamde Unielijst. De implementatie van EU-exotenverordening (Unielijst) in nationale wetgeving heeft plaatsgevonden door vaststelling van een ministeriële regeling. 

De provincie is verantwoordelijk voor het bestrijden en beheersen van een aantal exoten zoals benoemd in Bijlage Vc bij artikel 3.67 van het BKL. Daarnaast treft de provincie maatregelen tegen invasieve exoten waar de provincie geen wettelijke verplichting voor heeft, als deze inheemse beschermde flora en fauna schaden, al of niet in combinatie met schade aan de economie en/of de volksgezondheid.   

Voor het elimineren dan wel beheersen van een tweetal soorten (beverrat en muskusrat) zijn de waterschappen verantwoordelijk. Voor een zestal soorten (de Chinese wolhandkrab en de vijf Amerikaanse rivierkreeften) houdt het Rijk de verantwoordelijkheid.    

De inzet op de bestrijding en beheersing van invasieve exoten vindt plaats door middel van preventie, eliminatie en beheer.   

Preventie   

Het voorkomen dat invasieve soorten in Nederland worden geïntroduceerd en zich vestigen is primair een rol van de Rijksoverheid. De provincie zet zich waar mogelijk in om verdere verspreiding tegen te gaan en daarmee natuurschade te voorkomen.   

Eliminatie  

Als de preventie van de introductie van invasieve uitheemse soorten niet is gelukt en de populatie van deze soort nog klein en beheersbaar is, dan moet snel kunnen worden ingegrepen. Het kan dan ter bescherming van de inheemse flora en fauna noodzakelijk zijn, om de stand van deze exoten tot nul te reduceren om grotere schade in de toekomst te voorkomen. Voor de soorten die zich nog niet hebben gevestigd in Zuid-Holland, zal bij vroegtijdige detectie daarom actief worden ingezet op eliminatie van de betreffende soort. Het tijdig ingrijpen voorkomt in een later stadium een eventuele grotere beheerinspanning.  

Beheer   

Voor invasieve exoten die al gevestigd en ruim verspreid zijn, en niet in redelijkheid uit te roeien zijn, worden beheersmaatregelen getroffen. De te treffen maatregelen kunnen variëren van het elimineren in geïsoleerde gebieden of wateren, naar beheersen in de meest kwetsbare gebieden en habitats of tot alleen beheersen daar waar deze soorten ook andere belangen schaden. Bij de aanpak van deze wijdverspreide, niet meer uit te roeien soorten, heeft de provincie een grotere mate van beleidsvrijheid dan bij de nog niet gevestigde en beperkt verspreide, nog uitroeibare soorten.   

De Europese Exotenverordening is primair bedoeld om schade aan de inheemse beschermde flora en fauna te voorkomen. Daarom is het uitgangspunt bij exotenbeheer dat de provincie alleen mogelijk zal bijdragen aan de kosten van beheermaatregelen ter bestrijding van wijdverspreide invasieve exoten, indien er (ook) een concreet biodiversiteitsbelang in het geding is. Dit houdt in dat de provincie invasieve exoten beheert die wijdverspreid zijn, maar alleen in en rond eigen gebieden, NNN en N2000-gebieden of als deze soorten een belangrijke populatie vogelVogel- of habitatrichtlijnsoortenHabitatrichtlijnsoorten in het buitengebied bedreigen.   

Daar waar bestrijding van deze niet meer uitroeibare/ wijdverspreide exoten samenvalt met een publieke taak van een andere overheid dan de provincie en niet of in zeer beperkte mate met het provinciale beschermde biodiversiteitsbelang, ligt het initiatief en de verantwoordelijkheid naar de mening van de provincie bij het betreffende bestuursorgaan. Indien een ander bestuursorgaan of particulier een wijdverspreide exoot wil verwijderen op eigen gronden met beperkt beschermd biodiversiteitsbelang, dan zijn de met bestrijding samenhangende kosten primair voor diens rekening. De keuze voor eliminatie of beheer, wordt bepaald door de mate van vestiging van de invasieve exoot.   

Nog niet gevestigde invasieve exoten (Unielijst artikel 17-soorten)

Exoten die zich nog niet in Nederland gevestigd hebben. Zodra er een populatie is of gaat ontstaan, moet deze volledig worden verwijderd. Voor deze soorten heeft de provincie de verantwoordelijkheid om deze populaties te verwijderen. Bij melding van een nog uit te roeien soort benadert de provincie de terreineigenaren. De terreineigenaar kan uitroeiingsmaatregelen treffen of de provincie geeft een derde partij opdracht dat te doen. De kosten voor eliminatie, indien de eliminatie niet meegenomen kan worden bij het reguliere beheer, worden door de provincie gedragen.  

Gevestigde invasieve exoten (Unielijst artikel 19-soorten)

Exoten die al in ons land gevestigd waren op het moment van plaatsing op de Unielijst. De maatregelen kunnen gericht zijn op uitroeien, beheersen of indammen. Daarbij is landelijk er een onderscheid gemaakt tussen:   

  • 1.

     Uitroeibare soorten (artikel 19a-soorten): exoten die zich al in ons land hebben gevestigd maar nog maar op één of enkele locaties voor komen. Dergelijke soorten kunnen met de nodige inspanningen nog volledig worden uitgeroeid. Voor de aanpak van deze exoten neemt de provincie het initiatief en maakt afspraken met stakeholders over uitroeiing van deze soorten.  

  • 2.

    Wijdverspreide soorten (artikel 19b-soorten): deze exoten hebben zich in ons land gevestigd en zijn inmiddels zo wijdverspreid dat volledige uitroeiing in heel Nederland niet meer tot de mogelijkheden behoort. Bij de aanpak van deze wijdverspreide, niet meer uitroeibare soorten, heeft de provincie een grotere mate van beleidsvrijheid dan bij de nog niet gevestigde en beperkt verspreide, nog uitroeibare soorten. Er mag geprioriteerd worden.   

 Andere overheden en terreineigenaren hebben een medeverantwoordelijkheid voor hun publieke taak en/of privaat eigendom. Daar waar bestrijding/beheer van wijdverspreide exoten samenvalt met een publieke taak van een andere overheid, en niet of in zeer beperkte mate met het provinciale beschermde biodiversiteitsbelang, ligt het initiatief en de verantwoordelijkheid bij het betreffende bestuursorgaan en komen de met de bestrijding en samenhangende kosten komen in dat geval voor diens rekening. Hetzelfde geldt voor particulieren of particuliere organisaties. Dit sluit een bijdrage van de provincie in de kosten op voorhand niet uit, mits er (ook) een biodiversiteitsbelang in het geding is. Het provinciale biodiversiteitsbelang ligt vooral in de hiertoe aangewezen Natura 2000-gebieden, de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland, ter bescherming van vogelVogel- en habitatrichtlijn soortenHabitatrichtlijnsoorten of rode lijst soorten buiten deze gebieden.  

Exoten die niet in bijlage Vc bij artikel 3.67 van het BKL staan

Naast de maatregelen om een verdere verspreiding van de Unielijstsoorten tegen te gaan, kan de provincie maatregelen nemen tegen invasieve exoten die niet in bijlage Vc bij artikel 3.67 van het BKL staan, hierbij hanteert de provincie dezelfde aanpak als bij beheersbare soorten (artikel 19b-soorten). Om schade aan landbouw gewassen te beperken dan wel te voorkomen maakt de provincie het mogelijk voor zo ver het fauna betreft om maatregelen te nemen tegen een exoot indien deze schade veroorzaakt aan landbouwgewassen.    



Plan van aanpak invasieve exoten 

De eliminatie of beheer van invasieve exoten wordt verder uitgewerkt in een plan van aanpak invasieve exoten in samenwerking met een vertegenwoordiging van o.a. terrein beherende organisaties waaronder; natuurbeheerders, gemeenten en waterschappen. 

Wildopvang

Ook dierenopvang betreft (beschermde) diersoorten. Het gaat hier echter over zorg voor individuele exemplaren en dient daarmee een ander doel dan de wettelijke taak van de provincie ten aanzien van behoud van natuur en biodiversiteit. Dierenopvang vervult vooral een maatschappelijke functie en draagt niet bij aan de bescherming of het verbeteren van het leefgebied van beschermde inheemse soorten noch aan de gunstige staat van instandhouding van beschermde diersoorten. Dierenopvang-organisaties maken geen onderscheid tussen dieren. Dit betekent dat deze organisaties bijvoorbeeld ook (al dan niet invasieve) exoten opvangen en weer uitzetten, evenals soorten waarvan de populatie in Zuid-Holland beheerd wordt in verband met schade aan de biodiversiteit, landbouw of risico's op de veiligheid. Dierenopvang wordt dan ook niet vanuit het soortenbeleid ondersteund. 

Bescherming en compensatie Natuurnetwerk Nederland (NNN) en weidevogelgebieden 

De provincie is verantwoordelijk voor de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van het NNN en heeft zich als doel gesteld de weidevogelstand te verbeteren onder andere door de belangrijke en kansrijke weidevogelgebieden te beschermen. De provincie ziet erop toe dat er geen omgevingsplannen binnen deze beschermde gebieden worden aangewezen die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant aantasten of beperken.   

De provincie maakt voor het NNN een beschrijving van de wezenlijke kenmerken en waarden van de natuurgebieden. Een duidelijke beschrijving van de wezenlijke kenmerken en waarden oftewel de belangrijkste kenmerken en natuurwaarden voor de verschillende natuurgebieden kan als input worden gebruikt bij de ontwikkeling van de natuurgebieden en helpt de gemeente bij het toetsen van de effecten van ruimtelijke plannen. Door deze beschrijving toegankelijk te maken hebben gemeente en initiatiefnemer snel inzicht in de waarden van de natuurgebieden en beter inzicht of een ontwikkeling binnen de beschermde gebieden mogelijk is zonder de gebieden aan te tasten. Dit voorkomt onnodige inspanning en handelingen bij zowel de overheid als de initiatiefnemers.  Daarnaast wordt onnodige aantasting van de gebieden voorkomen.  

In de agrarische graslandgebieden in de provincie zijn gebieden waar hoge aantallen weidevogels voorkomen. Daarnaast zijn er ook (potentieel) waardevolle gebieden met lagere aantallen weidevogels waar nu extra wordt geïnvesteerd om de kwaliteit van de gebieden voor weidevogels te verbeteren. Om deze gebieden te behouden en versterken, is het nodig deze te beschermen tegen aantasting door ontwikkelingen. De provincie heeft deze gebieden aangeduid als  belangrijk weidevogelgebied en kansrijk weidevogelgebied. In belangrijke weidevogelgebieden bevinden zich hoge aantallen broedende weidevogels en hier zijn we kritisch op ontwikkelingen. In de kansrijke gebieden liggen de aantallen broedende weidevogels lager en hier is bijvoorbeeld meer ruimte voor ontwikkelingen binnen de agrarische sector. In beide typen gebieden geldt dat wanneer bepaalde ontwikkelingen leiden tot een significante aantasting, dit moet worden  gecompenseerd.

Compensatie  

In een dynamische omgeving is het onvermijdelijk dat er plannen ontwikkeld worden die inbreuk maken op de te beschermen waarden. Als na afweging van alle belangen een ingreep in de gebieden onvermijdelijk is, moet er worden gecompenseerd  zodat de natuurwaarden per saldo niet afnemen.   De provincie heeft de ambitie de compensatiegebieden digitaal te ontsluiten zodat voor iedereen inzichtelijk is waar de compensatie wordt ingevuld en het behoud van het oppervlak en samenhang van de gebieden is geborgd. 

VTH-taken op activiteiten die de natuur betreffen  

De provincie stuurt met soortbescherming op naleving van de wettelijke taak voor het beschermen van in het wild levende inheemse plant- en diersoorten. Een andere wettelijke taak is de bescherming van het bosareaal (houtopstanden). Omgevingsdiensten Haaglanden en Zuid-Holland Zuid hebben namens de provincie het mandaat voor vergunningverlening, toezicht en handhaving aangaande activiteiten die de natuur betreffen. Door het maken van een zorgvuldige afweging bij het verlenen van vergunningen kan de balans tussen soortbescherming en andere (maatschappelijke)belangen worden gewaarborgd. Met de inzet van toezicht en handhaving wordt er gecontroleerd om men zich aan de regels houdt en wordt er ingegrepen bij overtredingen. Specifiek is er vanuit deze taak aandacht voor de effecten van de woningbouw- en energieopgaven op de beschermde soorten in de stedelijke omgeving.

Voor de wettelijk beschermde flora- en faunasoorten bestaat een landelijke lijst. Provincies mogen hier beargumenteerd generiek van afwijken door vergunningsvrije gevallen aan te wijzen. De provincie onderzoekt voor de algemeen voorkomende soorten, per soort in hoeverre het mogelijk is om de onderzoeklast te verlagen als bijvoorbeeld ruimhartig wordt geïnvesteerd in het leefgebied van die soort vanuit het betreffende project. De provincie staat aan de lat voor het beschermen van populaties. De focus binnen het huidige systeem van passieve soortenbescherming ligt daarentegen op niveau van het individu. In de huidige werkwijze wordt er veel tijd en geld gestopt in het inventariseren van de huidige situatie en beperken van de effecten op het individu tijdens de uitvoering. Dit terwijl de provincie juist kansen ziet voor het optimaliseren van de toekomstige (gerealiseerde) situatie voor de populatie.  

De huidige inspanningen en beoordelingswijze richten zich dan ook met name op de eventuele effecten van activiteiten op het beschermde individu in plaats van op de te nemen maatregelen om de populatie/leefgebieden van beschermde soorten te versterken. De provincie wil bij ruimtelijke- en natuurontwikkelingen de focus (bij algemeen voorkomende soorten) op het individu loslaten en zich meer richten op de bescherming van de populaties met de daarbij behorende kritische verblijfplaatsen. Dit schept meer mogelijkheden voor de doorgang van ruimtelijke en natuurontwikkelingen gezien de ontwikkelingen een tijdelijk negatief effect kunnen hebben op enkele individuen, maar in de realisatiefase met de juiste (natuurinclusieve) maatregelen juist een gunstige bijdrage leveren voor de populatie. 

De afweging ten aanzien van de gunstige staat van instandhouding van soorten in relatie tot individuele vergunningsaanvragen kan makkelijker worden, als bekend is in hoeverre deze soorten al in een gunstige staat verkeren. Met soortmanagementplannen kan gebiedsspecifiek worden gekeken naar de kansen en bedreigingen van de betreffende soorten in relatie tot ruimtelijke ontwikkelingen. De provincie spreekt de ambitie uit om met soortmanagementplannen te willen werken en verleent goedkeuring aan soortmanagementplannen. Zij neemt een actieve rol in het verzamelen en ontsluiten van data en biedt ondersteuning aan gemeenten inzake het opstellen van soortmanagementplannen.  

Er is een grote blinde vlek ten aanzien van activiteiten die negatief effect hebben op de beschermde soorten en waar geen omgevingsvergunning voor flora en fauna activiteiten voor wordt aangevraagd en nagenoeg onopgemerkt blijven: naar verwachting krijgt de provincie nu 10% van het mogelijk aantal vergunningsaanvragen binnen. Het wettelijk kader is strikt en leidt in sommige gevallen tot het illegaal uitvoeren van projecten. Door onderzoek naar de juridische mogelijkheden tot aanpassing van de vergunningverlening verwacht de provincie tot een aanpak te komen die met minder kosten meer effect voor de beschermde soorten oplevert.   

Ook voor de bescherming van houtopstanden (bossen) heeft de provincie specifieke regels binnen de verordening opgenomen. Voorafgaand aan een kapmelding moet er een compensatieplan ingediend en goedgekeurd worden en ook gelden er regels voor oude bossen (bos dat er al is sinds 1850), A-locaties bossen en bosreservaten. 

Voor boerenlandvogels wordt gekeken of de naleving van de wettelijke zorgplicht verbeterd kan worden. Daarvoor zal eerst de zorgplicht worden uitgewerkt en onder de aandacht van betrokkenen worden gebracht. Daardoor wordt het voor grondgebruikers duidelijk welke maatregelen zij kunnen treffen om maaislachtoffers onder weidevogels zoveel mogelijk te voorkomen.

PPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

5.1.2.3 Beheer van begrensde en agrarische natuur

Wat gaat de provincie doen?

De provincie wil een samenhangend en duurzaam geborgd natuurnetwerk tot stand brengen. Dit natuurnetwerk bestaat uit Natura 2000 -gebieden die verbonden worden via het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Wanneer de samenhang tussen natuurgebieden wordt geborgd kunnen de ecologische systemen op orde worden gebracht en gehouden. Samenhang en het op orde brengen van de ecologische systemen begint bij goed beheer van de natuur binnen Natura 2000-gebieden, de overige natuurgebieden alsmede de ecologische verbindingen tussen de gebieden.

De provincie bepaaltbeschrijft in het Natuurbeheerplan en in de Natura 2000 -beheerplannen de te bereiken natuurdoelen en stelt vast hoe deze doelen bereikt moeten worden. De beheerders van deze gebieden worden ondersteund zodat zij het natuurbeheer op een gedegen manier kunnen uitvoeren.

De provincie draagt zorg voor een gecoördineerde aanpak van Natuurbrandbeheersing en de doorwerking daarvan in ruimtelijke plannen.

In het landelijke gebied zijn daarnaast leefgebieden aangeduid voor beheer van agrarische natuur, bijvoorbeeld het leefgebied open grasland voor met name de weidevogels en het leefgebied dooradering. Ook daar streeft de provincie naar zo hoog mogelijke natuurwaarden.  De provincie stuurt op het halen van de natuurdoelen via subsidies, monitoring, periodieke gesprekken met terreinbeheerders en veldbezoeken. De inzet is dat beheer en eventueel aangevuld met tussentijdse kwaliteitsimpulsen maximaal bijdragen aan het halen van de natuurdoelen.

Rol

Presterend

Uitwerking

Natura 2000-gebieden zijn door het Rijk aangewezen natuurgebieden met specifieke natuurdoelen (Vogel- en Habitatrichtlijndoelen). Deze instandhoudingsdoelstellingen zijn omschreven in termen van behoud, verbetering van kwaliteit en behoud en uitbreiding van oppervlak. De provincie is verantwoordelijk voor de realisatie van deze doelen. Uit de KRW volgt dat de (waterkwaliteits-)eisen vanuit Natura 2000 leidend zijn voor de KRW-doelen. Dit betekent dat per 2027 de hydrologische situatie in de Natura 2000 gebieden op orde is.

In Natura 2000-gebieden ligt de focus op de uitvoer van de Natura 2000-beheerplannen. In onder meer het natuurpact en het programma natuur zijn hier afspraken over gemaakt.  Het Programma Natuur is een gezamenlijk programma van Rijk en provincies. In dit programma worden maatregelen uitgevoerd voor natuurversterking, in samenspraak met andere overheden, natuurbeheerders en maatschappelijke partners. Als onderdeel van het overkoepelende Programma Natuur richt het Uitvoeringsprogramma Natuur (UPN) zich op natuurmaatregelen in en rond Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN), met de focus op stikstofgevoelige en met stikstof overbelaste natuurwaarden.

In het landelijke stelsel voor natuur- en landschapsbeheer, waarmee het natuurbeheer wordt gesubsidieerd, is een kwaliteitsbeoordelingssystematiek ontwikkeld. Vanuit deze systematiek kunnen met monitoringsgegevens de kwaliteitsniveaus hoog, midden en laag bepaald worden. Voor NNN-gebieden in het algemeen geldt dat de provincie wil dat de natuurgebieden uiteindelijk het kwaliteitsniveau ‘hoog’ scoren. Uitzondering hierop is de noordrand van de Krimpenerwaard, waar met zelfrealisatoren is afgesproken dat er enige mate van agrarische medegebruik mag blijven voortbestaan waardoor de verwachting is, dat het kwaliteitsniveau midden het hoogst haalbaar is.

In het landelijke gebied zijn daarnaast leefgebieden aangeduid voor beheer van agrarische natuur, bijvoorbeeld het leefgebied open grasland voor met name de weidevogels en het leefgebied dooradering. Ook daar streeft de provincie naar zo hoog mogelijke natuurwaarden.  De provincie stuurt op het halen van de natuurdoelen via subsidies, monitoring, periodieke gesprekken met terreinbeheerders en veldbezoeken. De inzet is dat beheer en eventueel aangevuld met tussentijdse kwaliteitsimpulsen maximaal bijdragen aan het halen van de natuurdoelen.

Buiten de natuurgebieden stimuleert de provincie beheermaatregelen voor een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit. Denk hierbij aan beheer voor boerenlandvogels in weide- en akkergebieden en het beheer van droge en natte dooradering, ook wel groenblauwe dooradering genoemd.

QQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

5.1.2.5 Passieve natuurbescherming

Wat gaat de provincie doen?

De provincie wil de gunstige staat van instandhouding van de beschermde flora en faunasoorten bereiken en behouden. Daarvoor is bescherming van de gebieden en flora en fauna soorten nodig. Met deze bescherming, ook wel passieve natuurbescherming genoemd, wil de provincie handelingen die beschermde gebieden en de populatie van beschermde soorten kunnen aantasten, voorkomen of in ieder geval beperken.  

 De provincie wil dat de gunstige staat van instandhouding in de planvormingsfase wordt meegenomen. Op deze wijze kan eventuele aantasting van deze status in de besluitvorming worden meegenomen. Dit gaat de provincie bereiken voor wat de soorten- en houtopstanden bescherming betreft via doelmatige en heldere regels voor vergunningen en vrijstellingen. De ruimtelijke bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (inclusief de Natura2000 gebieden) en de belangrijke weidevogelgebieden wordt in helder beleid en regels voor bescherming en compensatie bepaald.   

Rol

Rechtmatig

Uitwerking

Bescherming en compensatie Natuurnetwerk Nederland (NNN) en belangrijke weidevogelgebieden 

De provincie is verantwoordelijk voor de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van het NNN en heeft zich als doel gesteld de weidevogelstand te verbeteren onder andere door de belangrijke weidevogelgebieden te beschermen. De provincie ziet erop toe dat er geen omgevingsplannen binnen deze beschermde gebieden worden aangewezen die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant aantasten of beperken.   

De provincie maakt een beschrijving van de wezenlijke kenmerken en waarden van de natuurgebieden. Een duidelijke beschrijving van de wezenlijke kenmerken en waarden oftewel de belangrijkste kenmerken en natuurwaarden voor de verschillende natuurgebieden kan als input worden gebruikt bij de ontwikkeling van de natuurgebieden en helpt de gemeente bij het toetsen van de effecten van ruimtelijke plannen. Door deze beschrijving toegankelijk te maken hebben gemeente en initiatiefnemer snel inzicht in de waarden van de natuurgebieden en beter inzicht of een ontwikkeling binnen de beschermde gebieden mogelijk is zonder de gebieden aan te tasten. Dit voorkomt onnodige inspanning en handelingen bij zowel de overheid als de initiatiefnemers.  Daarnaast wordt onnodige aantasting van de gebieden voorkomen.  

 Compensatie  

In een dynamische omgeving is het onvermijdelijk dat er plannen ontwikkeld worden die inbreuk maken op de te beschermen waarden. Daarvoor heeft de provincie een compensatiebeleid vastgesteld. Als na afweging van alle belangen een ingreep in de gebieden onvermijdelijk is geeft het compensatiebeleid de kaders voor de wijze van compensatie zodat de natuurwaarden per saldo niet afnemen en kwalitatief en kwantitatief is geborgd.  De provincie heeft de ambitie de compensatiegebieden digitaal te ontsluiten zodat voor iedereen inzichtelijk is waar de compensatie wordt ingevuld en het behoud van het oppervlak en samenhang van de gebieden is geborgd. 

 

VTH-taken op activiteiten die de natuur betreffen  

De provincie stuurt met passieve soortbescherming op naleving van de wettelijke taak voor het beschermen van in het wild levende inheemse plant- en diersoorten. Een andere wettelijke taak is de bescherming van het bosareaal (houtopstanden). Omgevingsdiensten Haaglanden en Zuid-Holland Zuid hebben namens de provincie het mandaat voor vergunningverlening, toezicht en handhaving aangaande activiteiten die de natuur betreffen. Door het maken van een zorgvuldige afweging bij het verlenen van vergunningen kan de balans tussen soortbescherming en andere (maatschappelijke)belangen worden gewaarborgd.   

 Voor de wettelijk beschermde flora- en faunasoorten bestaat een landelijke lijst. Provincies mogen hier beargumenteerd generiek van afwijken door vergunningsvrije gevallen aan te wijzen. De provincie onderzoekt voor de algemeen voorkomende soorten, per soort in hoeverre het mogelijk is om de onderzoeklast te verlagen als bijvoorbeeld ruimhartig wordt geïnvesteerd in het leefgebied van die soort vanuit het betreffende project. De provincie staat aan de lat voor het beschermen van populaties. De focus binnen het huidige systeem van passieve soortenbescherming ligt daarentegen op niveau van het individu. In de huidige werkwijze wordt er veel tijd en geld gestopt in het inventariseren van de huidige situatie en beperken van de effecten op het individu tijdens de uitvoering. Dit terwijl de provincie juist kansen ziet voor het optimaliseren van de toekomstige (gerealiseerde) situatie voor de populatie.  

 De huidige inspanningen en beoordelingswijze richten zich dan ook met name op de eventuele effecten van activiteiten op het beschermde individu in plaats van op de te nemen maatregelen om de populatie/leefgebieden van beschermde soorten te versterken. De provincie wil bij ruimtelijke- en natuurontwikkelingen de focus (bij algemeen voorkomende soorten) op het individu loslaten en zich meer richten op de bescherming van de populaties met de daarbij behorende kritische verblijfplaatsen. Dit schept meer mogelijkheden voor de doorgang van ruimtelijke en natuurontwikkelingen gezien de ontwikkelingen een tijdelijk negatief effect kunnen hebben op enkele individuen, maar in de realisatiefase met de juiste (natuurinclusieve) maatregelen juist een gunstige bijdrage leveren voor de populatie. 

De afweging ten aanzien van de gunstige staat van instandhouding van soorten in relatie tot individuele vergunningsaanvragen kan makkelijker worden, als bekend is in hoeverre deze soorten al in een gunstige staat verkeren. Met soortmanagementplannen kan gebiedsspecifiek worden gekeken naar de kansen en bedreigingen van de betreffende soorten in relatie tot ruimtelijke ontwikkelingen. De provincie spreekt de ambitie uit om met soortmanagementplannen te willen werken en verleent goedkeuring aan soortmanagementplannen. Zij neemt een actieve rol in het verzamelen en ontsluiten van data en biedt ondersteuning aan gemeenten inzake het opstellen van soortmanagementplannen.  

 Er is een grote blinde vlek ten aanzien van activiteiten die negatief effect hebben op de beschermde soorten en waar geen omgevingsvergunning voor flora en fauna activiteiten voor wordt aangevraagd en nagenoeg onopgemerkt blijven: naar verwachting krijgt de provincie nu 10% van het mogelijk aantal vergunningsaanvragen binnen. Het wettelijk kader is strikt en leidt in sommige gevallen tot het illegaal uitvoeren van projecten. Door onderzoek naar de juridische mogelijkheden tot aanpassing van de vergunningverlening verwacht de provincie tot een aanpak te komen die met minder kosten meer effect voor de beschermde soorten oplevert.   

Ook voor de bescherming van houtopstanden (bossen) heeft de provincie specifieke regels binnen de verordening opgenomen. Voorafgaand aan een kapmelding moet er een compensatieplan ingediend en goedgekeurd worden en ook gelden er regels voor oude bossen (bos dat er al is sinds 1850), A-locaties bossen en bosreservaten. 

[Vervallen]

RRR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

5.1.4.1 Ammoniakreductie voor natuurherstel

Wat gaat de provincie doen?

De provincie wil ammoniak (NH3) reductie realiseren voor natuurherstel. De provincie heeft een concrete reductiedoelstellingals doel om de stikstofemissieammoniakemissies uit de landbouw sterk te verminderen, met als doelverlagen om zo een emissieplafond van 2,9 kiloton ammoniak per jaarbijdrage te leveren aan de reductie die landelijk nodig is (42-46% emissiereductie in 2035 te bereiken. Momenteel bedraagt de jaarlijkse ammoniakemissie 5,4 kilotonten opzichte van 2019). Deze reductie draagt bij aan het natuurherstel van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden.

Rol

Presterend

Uitwerking

De provincie Zuid-Holland werkt aan het invoeren van een doelsturingsytematiek in de landbouw. De provincie Zuid-Holland onderzoekt op welke manier per 2035 een geborgd systeem van emissiereductie kan worden gerealiseerd. Dit met als doel een verlaging van de emissie van de melkveehouderij op gebiedsniveau naar gemiddeld tussen de 35 en 45 kg per hectare.

De randvoorwaarden voor invoering zijn onder andere:

  • Een (juridisch) geborgd systeem waarbij de bedrijfsemissie (stal- en veldemissie) van bedrijven goed in kaart gebracht kan worden waarbij de gerealiseerde reductie volledig meegeteld wordt (dus ook reductie door bijvoorbeeld voer- en managementmaatregelen).

  • Handelingsperspectief voor agrariërs om binnen het plafond een duurzaam en rendabel bedrijfsmodel te kunnen

  • De ontwikkelingen op landelijke schaal aansluiten bij de invoering van een dergelijk systeem.

De provincie brengt in beeld wat erZuid-Holland sluit daarbij zo veel mogelijk en haalbaar is voor ammoniakreductie inaan bij de landbouw. Uiteindelijk is het doel dat om de ammoniakreductie te behalen er gewerkt wordt metlandelijke ontwikkelingen rondom doelsturing door middel van een KPI-systematiek. Het ministerie van LVVN werkt met een aantal provincies en de Wageningen Universiteit aan een nieuwe landelijke KPI-set die de standaard moet worden voor publieke en private beloningssystemen. Dit moet ertoe leiden dat er een menukaart ontstaat met mogelijkheden per bedrijf voor emissiereductie.

Om innovatie in de landbouw te stimuleren, heeftverstrekt de provincie plannen om subsidies te verstrekken ter ondersteuning van initiatieven die gericht zijn op het verminderen van ammoniakemissies. Dit kan onder andere gerealiseerd worden door middel van proefprojecten en pilots in samenspraak met gebiedspartijen en medeoverheden.

Ook wil de provincie inzicht krijgen in de mate waarin de reductiedoelen voor ammoniak behaald worden en of  het provinciaal beleid doelgericht is, door bij te houden hoeveel ammoniakemissies er op jaarbasis gereduceerd wordt ter vergelijking met het referentiejaar 20202019. Daarnaast streeftwerkt de provincie naar het verkrijgen van inzicht in de stikstofdepositie die neerdaalt op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, om vast te stellen in hoeverre de stikstofdepositie de Kritische Depositie Waarde (KDW) overschrijdt.

SSS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

5.1.4.2 Stikstofoxidenreductie voor natuurherstel

Wat gaat de provincie doen?

De provincie wil bijdragen aan stikstofoxiden (NOx) reductie voor natuurherstel. Voor NOx-reductie zijn er landelijke indicatieve reductiedoelstellingen voor de sectoren mobiliteit (incl. bouw) en industrie & energie van respectievelijk 2550% en 38% in 20302035 ten opzichte van 2019. De reductiedoelen zijn Rijksdoelen, de provincie draagt bij aan het behalen van de doelen. De NOx-reductie draagt onder andere bij aan het natuurherstel van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden.

Rol

Presterend

Uitwerking

De provincie draagt bij aan de Rijks-maatwerkafspraken voor industriële piekbelasters, waar mogelijk ondertekent de provincie mede de overeenkomst. De provincie stuurt op afspraken over de reductie van stikstofoxiden emissies in de overeenkomsten die door het Rijk en de bedrijven worden gesloten. Ook is de provincie bevoegd gezag bij vergunningverlening voor de industriële piekbelasters. Hiermee wil de provincie bijdragen aan stikstofoxiden reductie vanuit de industrie samen met gebiedspartijen en medeoverheden.

De provincie analyseert de NOx emissies door middel van een jaarlijkse NOx-monitor. De provincie wil daarmee inzicht krijgen in de mate waarin de NOx-reductie plaatsvindt. Daarnaast streeft de provincie naar het verkrijgen van inzicht in de stikstofdepositie die neerdaalt op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, om vast te stellen in hoeverre de stikstofdepositie de Kritische Depositie Waarde (KDW) overschrijdt.

TTT

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Beleidsdoel 5-25.2 Toekomstbestendige landbouw

UUU

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

5-2 5.2 Toekomstbestendige landbouw

VVV

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Maatregelen van 5-25.2 Toekomstbestendige landbouw

5.2.1.1 Ruimte voor toekomstbestendige landbouw

Wat gaat de provincie doen?

Binnen het landelijke gebied zijn meerdere ruimtevragers aanwezig, soms zijn deze gemeentegrens overstijgend. Het is wenselijk de ruimtevraag voor agrarische ontwikkelingen op een vergelijkbare manier te accommoderen en dit niet per gemeente op gehele andere wijze in te vullen. Op deze wijze ontstaat een goede balans tussen het belang van goede ruimtelijke kwaliteit en ruimte voor agrarische ontwikkelingen passend bij een toekomstbestendige landbouw. Daarbij neemt de provincie een flexibele houding aan bij het toestaan van experimenten en nieuwe vormen van landbouw.

De provincie wil voldoende ruimte houden voor een toekomstbestendige agrarische sector. Daarbij streeft de provincie naar een goede balans tussen toekomstbestendig ruimtegebruik, ruimtelijke kwaliteit en ruimte voor agrarische ontwikkelingen die passen bij een toekomstbestendige landbouw. De provincie streeft naar de beschikbaarheid van voldoende kwalitatief goede landbouwgrond voor een realistische extensiveringsopgave, voedselproductie en agrarisch natuur- en landschapsbeheer en neemt een flexibele houding aan bij het toestaan van experimenten voor multifunctionele en nieuwe vormen van landbouw.

Rol

Rechtmatig

Uitwerking
  • Agrarische ontwikkelingen (in de vorm van bebouwing en kassen) vinden plaats op bouwpercelen of anderszins geconcentreerd en houden rekening met de aanwezige landschappelijke kenmerken en waarden.

  • Nieuw-vestiging van intensieve veehouderij wordt niet toegelaten binnen de provincie. Intensieve veehouderij is vanwege de schaal en de aard van de bedrijfsvoering en de daarmee samenhangende ruimtelijke verschijningsvorm, in het algemeen niet passend bij het Zuid-Hollandse landschap en het karakteristieke gebruik daarvan.

  • Voor glastuinbouw, boom- en sierteelt en bollenteelt zijn speciale gebieden aangewezen, buiten die gebieden gelden beperkingen.

  • De provincie wil duurzame, productieve landbouwgronden en -gebieden beter beschermen en onderzoekt daartoe de waarde en geschiktheid van landbouwgrond voor toekomstbestendige landbouw. Samen met de gebieden en de sector geeft de provincie hier per gebied invulling aan. 

  • De provincie maakt inzichtelijk welke soorten landbouw op welke plek toekomstbestendig kunnen, rekening houdend met opgaven voor voedselproductie, water, bodem, klimaat en natuurherstel. 

  • De provincie onderzoekt hoe ze functieverandering van landbouwgrond kan beperken. Zij betrekt daarin ook de mogelijkheden van functiecombinaties en agrarisch (mede)gebruik.

  • De provincie verkent de mogelijkheden van nieuwe ruimtelijke functies zoals veenlandbouw en landschapsgrond. 

  • De provincie spant zich in om knellende wet- en regelgeving die de landbouwtransitie in de weg staan te reduceren. 

  • De provincie geeft ruimte aan multifunctionele landbouw en toekomstbestendige agrarische bedrijfsvormen. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de flexibiliteitsbepalingen in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (afwijking, ontheffing). De ervaring die hiermee wordt opgedaan zal benut worden bij de heroverweging van beleid en regels voor agrarische bedrijven.

  • De provincie onderzoekt met de omgevingsdiensten welke raakvlakken het nieuwe landbouwbeleid heeft met handhaving en toezicht.

5.2.1.2 Versterken economisch duurzame en vitale landbouwbedrijven

Wat gaat de provincie doen?

De provincie wil bedrijven in de landbouwsector helpen om toekomstbestendig te worden. De provincie werkt met de sector samen om helder te worden over waar we naartoe bewegen en hoe daarin stappen te zetten. Daarbij helpt de provincie agrarische bedrijven met het maken van plannen voor de toekomst en de bijpassende investeringen. Samen met de sector geeft de provincie inzicht in de prestaties en voortgang.

Rol

Samenwerkend

Uitwerking
  • De provincie kiest voor doelsturing en stelt een aantal kritische prestatie-indicatoren (KPI’s) op, inclusief een voorstel om deze KPI’s te verwerken in beleid en over hoe te monitoren. Denk daarbij aan een streefwaarde voor een ammoniak- emissieplafond. Hierbij werkt de provincie met realistische bandbreedtes en doeljaren zodat boeren toe kunnen werken naar huidige en toekomstige normeringen. Zo beoogt de provincie beweging te stimuleren in de richting van de integrale doelen. Daar waar nodig schrijft de provincie op termijn ook maatregelen voor.  

  • De provincie zet beschikbare middelen voor de verduurzaming van bedrijven in via verschillende instrumenten zoals subsidies en opdrachten. Daarbij ligt de focus op maatregelen die de veerkracht van de bedrijven en de sector op lange termijn verbeteren. De inzet is daarbij dat subsidies, bijvoorbeeld voor groenblauwe diensten, op zijn minst kostendekkend moeten zijn.

  • De provincie werkt met andere overheden aan een landbouwportaal waar ondernemers laagdrempelig inzicht en toegang kunnen krijgen tot beschikbare ondersteuning.

  • De Provincieprovincie ontwikkelt een datastrategie hoe we verantwoord omgaan met de data van individuele bedrijven.

  • De provincie draagt bij aan de opbouw van data op gebieds- en bedrijfsniveau en maken die inzichtelijk voor de agrariërs en andere partners. Daarbij wordt aangesloten bij beschikbare instrumenten als de ZH-PLG-gebiedsviewer en ontwikkelen die waar nodig door.

  • De provincie werkt aan een kwantitatieve aanpak die inzichtelijk maakt hoe veehouderij en akkerbouw gedurende een langere periode kunnen verduurzamen en wat financieel nodig is om de aanpassingen stapsgewijs te kunnen maken.

  • De provincie voert het Nederlands Nationaal Strategisch Plan onder het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid van de EU 2023-2027 (GLB-NSP) uit. De doelen van GLB-NSP hebben betrekking op een slimme veerkrachtige landbouw, bodem, water, lucht, biodiversiteit en klimaat en dierenwelzijn en brede plattelandsontwikkeling. In 2024 wordt het onderdeel systeemdoorbraakinnovaties toegevoegd.

  • De provincie werkt aan de uitvoering van de ANLB, in 2025 ligt de nadruk ophet ANLb (Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer), waaronder de doorontwikkeling van de agrarische collectieven. 

  • De provincie onderzoekt hoe grondbeleid ingezet kan worden om toekomstbestendige landbouw te faciliteren.

  • De provincie werkt met gebiedspartijen actief samen aan het sluiten van regionale en lokale grondstofstromen en het verbeteren van een vruchtbare bodem. 

  • De provincie ontwikkelt instrumenten om natuurinclusieve landbouw te stimuleren. Dit doet zij vanuit de verkenning Natuurinclusieve landbouw uit 2023. Verder zet zij in op het ontwikkelen van nieuwe verdienmodellen voor landschapsdiensten zoals koolstofvastlegging of landschapselementen en biodiversiteit. 

  • Binnen de zoetwateropgave brengt de provincie in kaart welke behoeften en kansen er zijn voor toekomstbestendige landbouw. 

  • De provincie stimuleert diverse ontwikkelpaden (hoogtechnologisch, natuurinclusief en multifunctioneel). 

  • De provincie stimuleert studiegroepen, coaching en het opstellen van bedrijfsontwikkelplannen. 

5.2.1.3 Versterken en versnellen (keten)innovaties landbouw

Wat gaat de provincie doen?

De weg maarnaar een toekomstbestendige landbouw is nog niet precies uitgestippeld. Samen met de sector wil de provincie kennis opbouwen en innovaties inzetten om uit te vinden welke wegen goed begaanbaar zijn of worden. Daarbij is samenwerking met ketenpartners essentieel.

De afgelopen jaren heeft de provincie geïnvesteerd in ketensamenwerking in Groene Cirkels en verschillende innovatieve projecten via Interbestuurlijk Programma’s en subsidieregelingen.  Daarbij komen de projecten voor Samenwerken voor Innovaties (GLB-NSP). De provincie voorziet dat er regie nodig is om het netwerk te vergroten en het leervermogen te versnellen en te verbreden. Voor het bereiken van doelgroepen is een kennissysteem ontwikkeld om kennis en inzichten te delen. De komende tijd verbreedt de provincie het netwerk naar de meer reguliere landbouwbedrijven en de voorlopers daar. 

Rol

Presterend

Uitwerking
  • De provincie ondersteunt via fieldlabs en subsidieregelingen de innovatie op en doorontwikkeling van landbouwbedrijven.

  • De provincie versterkt het netwerk van 'voorlopers' in de landbouwtransitie en verbindenverbindt hen aan de “middengroep”. Daarbij is oog voor voorlopers in de diverse transitiepaden door kennisbijeenkomsten te organiseren en kennis actief beschikbaar te stellen.

  • De provincie ontwikkelt via groene Cirkels vitale netwerken , werkt samen aan kennis en innovatie en vergroot de realisatiekracht in de keten en de regio.

  • De provincie ontwikkelt samen met de sector en kennispartners kennis en inzicht in het functioneren van bedrijven in gebieden en de effecten van verschillende scenario’s daarin.

  • De provincie zet in op het vergroten van de vraag naar en aanbod van regionaal voedsel, omdat dit kansen biedt voor een veerkrachtig voedselsysteem, een sterkere verbinding tussen consument en producent en een eerlijker verdienmodel voor voedselproducenten. De provincie doet dit onder andere middels het opzetten van een bioregio met een focus op biologische producenten en Groene Cirkel Tuin van Holland, met een focus op natuurinclusieve seizoensgebonden producten. In de komende jaren wordt er met verschillende netwerken gekeken hoe hier verder invulling aan gegeven kan worden. 

WWW

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Beleidsdoel 5-35.3 Leven met water

XXX

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

5-3 5.3 Leven met water

Zuid-Holland bestaat voor een zesde deel uit water. Dat water vervult een belangrijke rol in onze provincie. De provincie benut het water voor haar drinkwatervoorziening, industrie, land- en tuinbouw, natuur, recreatie, transport en om te voorkomen dat veendijken en veenbodems droogvallen. Wat een passende waterkwaliteit is verschild per functie, maar in de praktijk zijn de functies met elkaar verweven. De provincie werkt daarom aan waterkwaliteit (Kaderrichtlijn Water) en waterbeschikbaarheid. Er kan sprake zijn van te weinig water, bijvoorbeeld door droogte, of juist van te veel water door hevige regenbuien. Daarom werkt de provincie aan het beschermen van Zuid-Holland tegen watertekort, -overlast en overstromingen. Via de principes van Water en Bodem Sturend en klimaatadaptatie werkt de provincie toe naar een klimaatbestendige, waterrobuuste inrichting van onze leefomgeving.

Zuid-Holland werkt samen met de waterschappen aan de versterking van het water- en bodemsysteem. Een robuust water- en bodemsysteem is de basis voor brede welvaart en economisch verdienvermogen nu en voor toekomstige generaties. Belangrijke onderdelen daarvan zijn waterkwaliteit (Kaderrichtlijn water) en waterbeschikbaarheid. Er kan sprake zijn van te weinig water, bijvoorbeeld door droogte, of juist van te veel water door hevige regenbuien. Daarom werkt de provincie aan het beschermen van Zuid-Holland tegen watertekort, -overlast en overstromingen. De opgaven voor water (waterveiligheid, -tekort, -overlast, -kwaliteit en -beschikbaarheid) worden steeds groter en urgenter. Dat komt onder andere door klimaatverandering, druk op de waterkwaliteit door verontreinigingen uit de landbouw, industrie en huishoudens, en de toenemende zoetwater- en drinkwaterbehoefte door bijvoorbeeld bevolkingsgroei en economische ontwikkelingen. Sleutelopgaven voor versterken van het water- en bodemsysteem in Zuid-Holland betreffen: verbeteren van de kwaliteit van ons oppervlakte- en grondwater, beschikbaarheid van voldoende drinkwaterbronnen, optimaliseren van de aanvoer van zoetwater en ruimte voor waterberging, versterking van boezemsystemen, dijken en keringen en het nat houden van de veenweidegebieden.

Op veel plekken in Zuid-Holland zullen veranderingen in de condities ten aanzien van o.a. waterbeschikbaarheid, verzilting, wateroverlast, waterveiligheid, bodemdaling en de toelevering van drinkwater, ondanks versterkingen en optimaliseringen van het water- en bodemsysteem, onvermijdbaar zijn. Dit heeft impact op verdienvermogen en de volhoudbaarheid van functies en landgebruik. Via de principes van Water en Bodem Sturend en klimaatadaptatie werkt de provincie toe naar een klimaatbestendige, waterrobuuste inrichting van de leefomgeving.

De opgaven voor water (waterveiligheid, -tekort, -overlast, -kwaliteit en -beschikbaarheid) worden steeds groter en urgenter. Dat komt onder andere door klimaatverandering, druk op de waterkwaliteit door verontreinigingen uit de landbouw, industrie en huishoudens, en de toenemende zoetwaterbehoefte door bijvoorbeeld bevolkingsgroei. Deze grote vraagstukken kan de provincie niet alleen oplossen. Het vereist gezamenlijke inzet van en samenwerking met verschillende overheden en andere organisaties, zoals het Rijk, waterschappen, gemeenten en drinkwaterbedrijven. Binnen de provincie Zuid-Holland moeten deze organisaties blijven samenwerken aan oplossingen voor de wateropgaven, om zo ook andere provinciale opgaven die raken aan water te kunnen realiseren. Denk aan woningbouw, land- en tuinbouw en industrie, het versterken van natuur en biodiversiteit of de energietransitie. Water vraagt - in het belang van onze toekomstige bestaanszekerheid - ook om het vrijhouden van  ruimte voor o.a. voor waterkeringen/dijkversterkingen, waterberging, grondwaterbeschermingsgebieden en aanpassingen van de regionale watersystemenwater- en bodemsystemen. WaterHet water- en bodemsysteem is daarmee een belangrijk sturend element voor ruimtelijke keuzes in onze provincie.

Voor waterkwaliteit en –beschikbaarheid zijn in Europees verband specifieke afspraken gemaakt over hoe een duurzame bescherming van oppervlaktewater en grondwater gewaarborgd moet worden. De provincie beheert grondwatermeetnetten waarmee zij de grondwaterkwaliteit en -kwantiteit in alle grondwaterlichamen monitort. De provincie heeft een actieve rol en verantwoordelijkheid bij het voldoen aan de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW). Het Regionaal Bestuurlijk Overleg Rijn-West is het platform waar de provincie met de partners in dit Stroomgebied beleid en inzet afstemt, en de voortgang op maatregelen en doelbereik evalueert.

YYY

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Maatregelen van 5-35.3 Leven met water

ZZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

5.3.2.9 Verkennen toekomstige bronnen voor drinkwaterproductie en verlenen vergunningen

Wat gaat de provincie doen?

Nieuwe bronnen voor drinkwaterproductie

De provincie wil het aanbod van voldoende en betaalbaar drinkwater borgen. Hiervoor verkent ze samen met de drinkwaterbedrijven nieuwe bronnen voor drinkwaterproductie. Dit kunnen nieuwe locaties zijn, maar ook alternatieve bronnen voor drinkwater. Hoewel de bronkeuze (type bron en locatie) in eerste instantie bij de drinkwaterbedrijven ligt, raakt de bronkeuze de wettelijke taak van de provincie om de drinkwatervoorziening te beschermen en duurzaam veilig te stellen. 

Vergunningen

Ook is de provincie als vergunningverlener betrokken bij nieuwe winningengrondwaterwinningen en wijziging van bestaande winningen, zoals wateronttrekkingsactiviteiten voor de openbare drinkwatervoorziening. Hiervoor heeft de provincie het Operationeel Grondwaterbeleid ontwikkeld (zie de bijlage). Dat deze activiteiten vergunningplichtig zijn, is belangrijk in verband met verzilting. Waterwinningen voor de drinkwatervoorziening kunnen mogelijk verzilting versterken als bij het onttrekken van zoet water voor de drinkwatervoorziening er ook zout water mee naar boven komt (upconing). In het Operationeel Grondwaterbeleid is bepaald dat als uit een aanvraag of wijziging van een vergunning blijkt dat de verziltingssituatie kan verslechteren, een dergelijke vergunning alleen kan worden verleend na een integrale afweging door de provincie.

Provincie Zuid-Holland heeft de vergunningverlening en de ontheffingen ondergebracht bij de Omgevingsdienst Haaglanden; toezicht en handhaving zijn ondergebracht bij alle omgevingsdiensten.

Rol

Rechtmatig

Uitwerking

Activiteiten voor toekomstige bronnen voor drinkwaterproductie (niet uitputtend)

  • De provincie zoekt samen met de drinkwaterbedrijven naar alternatieve bronnen voor drinkwater om de leveringszekerheid voor de toekomst veilig te stellen. Dit gebeurt onder andere via het programma COASTAR, waarin de provincie een van de partners is. In dit programma worden twee mogelijkheden onderzocht:

    • Vergroten van de zoete grondwatervoorraad in de duinen door het onderliggende brakke water weg te trekken en te zuiveren tot drinkwater. In de duinen bij Scheveningen zijn drinkwaterbedrijf Dunea en onderzoeksinstituut KWR Water in 2021 gestart met de aanleg van win- en monitoringsputten voor een meerjarig onderzoek naar de winning en zuivering van brak grondwater. Deze techniek biedt een potentiële nieuwe bron voor drinkwater en meer ruimte voor de opslag van zoet water in de duinen.

    • Brak water uit diepe polders als drinkwaterbron benutten. Voor brakwaterwinningen zal nog moeten worden bepaald welke bescherming hieraan wordt toegekend. Bij brakwaterwinningen komt brijn vrij. Brijnlozingen in het grondwater hebben een negatief effect op de grondwaterkwaliteit. De provincie doet daarom mee aan een onderzoek naar innovatieve maatregelen om waterwinningen voor drinkwatervoorziening te laten verzoeten in plaats van verzilten.

  • De provincie onderzoekt samen met het drinkwaterbedrijf Oasen en Dunea de mogelijkheden voor een nieuwe winning in de Krimpenerwaard/Alblasserwaard. De beoogde locatie voor deze winning ligt in een ASV-gebied.

  • Daarnaast onderzoeken Dunea en de provincie de mogelijkheid van inname van oppervlaktewater uit het Valkenburgse meer en brakwaterwinning ten behoeve van drinkwaterproductie in de toekomst. Zie figuur 1a voor het zoekgebied.

  • De provincie heeft geconstateerd dat de toezicht- en handhavingstaken niet overal adequaat werden uitgevoerd. In 2020-2021 zal de provincie voor alle omgevingsdiensten de toezicht- en handhavingstaken laten vastleggen in hun werkplannen.

  • De provincie onderzoekt samen met drinkwaterbedrijven Oasen en Dunea de mogelijkheden voor de ontwikkeling van nieuwe drinkwaterbronnen.

  • Jaarlijks stelt de provincie voor alle omgevingsdiensten de toezicht- en handhavingstaken vast in werkplannen.

afbeelding binnen de regeling

Zoekgebied drinkwater Dunea

Documenten

  • Operationeel grondwaterbeleid

AAAA

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Beleidsdoel 6-16.1 Wonen

BBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

6-1 6.1 Wonen

Voldoende betaalbare huisvesting voor iedereen

Voldoende betaalbare huisvesting voor iedereen

Meer dan de helft van de Zuid-Hollandse huishoudens komt op basis van hun inkomen in aanmerking voor een sociale huurwoning. Op dit moment heeft Zuid-Holland te weinig sociale huurwoningen voor al deze huishoudens. De provincie wil het makkelijker maken voor mensen met een laag of gemiddeld inkomen om een huis te vinden. Daarom moet de voorraad betaalbare (sociale huur-) woningen worden uitgebreid. 

In 2023 is in de regionale woondeals vastgelegd dat er veel meer woningen aan de woningvoorraad worden toegevoegd. Twee derde daarvan moet ‘betaalbaar’ zijn, waarvan de helft door woningcorporaties moet worden gebouwd. Daarnaast moeten alle gemeenten toegroeien naar minimaal 30 procent sociale huur in de bestaande woningvoorraad. Daarom wil de provincie dat: 

  • er snel meer betaalbare woningen bijkomen om de achterstand in te halen en dat de sociale woningvoorraad in onze provincie met minimaal 100.000 woningen toeneemt, zodat gemeenten toegroeien naar minimaal 30% sociale huurwoningen in de bestaande voorraad; 

  • minimaal 2/3 betaalbare woningbouw (huur en koop) vanaf 2025 in het regionale woningbouwprogramma (nieuwbouwtoevoegingen);

  • waarvan minimaal de helft sociale huurwoningen, dus minimaal 1/3 vanaf 2025 in het regionale woningbouwprogramma (nieuwbouwtoevoegingen);

  • een sociale huurwoning ook echt sociaal is en ook voor minimaal 25 jaar zo wordt ingezet.

De provincie versnelt de bouw van (betaalbare) woningen. Zij wil dat er in de periode 2022 tot en met 2030 ongeveer 248.000 woningen aan de woningvoorraad toevoegenworden toegevoegd. Het vergroten van de voorraad sociale- en betaalbare woningen krijgt hierbij voorrang. De nadruk ligt op de uitvoering van vastgestelde plannen. De provincie moedigt toekomstbestendig bouwen en een toekomstbestendige inrichting van de woon- en leefomgeving aan.  

Toekomstbestendig bouwen

De provincie legt de focus op realisatie van woningbouw en zet daarbij in op het versnellen van de procedures. Een beproefd en probaat middel hiervoor is parallel plannen. Uit de uitgevoerde hackathons en scans parallel plannen is gebleken dat hiermee woningbouwplannen substantieel kunnen worden versneld. Daarom stimuleert de provincie parallel plannen bij door GS goedgekeurde woningbouwplannen.

Toekomstbestendig bouwen

De provincie draagt bij aan een toekomstbestendig ingericht bebouwd gebied dat zorgt voor een prettige, gezonde en veilige leefomgeving. Daarbij zet zij in op versnelling van de toekomstbestendige woningbouw in Zuid-Holland. Met toekomstbestendige bouw bedoelt de provincie: 

energiepositief (meer energie opwekken dan verbruiken); 

klimaatbestendig en waterrobuust (bestand tegen extreme weersomstandigheden en goed beschermd tegen te veel water); 

  • energiepositief (meer energie opwekken dan verbruiken); 

  • klimaatbestendig en waterrobuust (bestand tegen extreme weersomstandigheden en goed beschermd tegen te veel water); 

  • natuurinclusief (rekening houdend met de natuur); 

  • circulair en biobased (gemaakt van herbruikbare materialen en natuurlijke grondstoffen); 

  • uitstoot-beperkend; 

  • drinkwater besparend; 

  • gericht op een gezonde, veilige en beweegvriendelijke leefomgeving. 

Rolneming

Rolneming

De provincie neemt haar rol in de verschillende afspraken en wettelijke taken die ze heeft of nog krijgt. Gezien de grote en ingewikkelde opgave die voor ons ligt, ziet de provincie een belangrijke coördinerende, verbindende en regisserende rol voor zichzelf. Het behalen van de doelen kan alleen als ook andere partijen, zoals het Rijk, gemeenten en ontwikkelaarsprojectontwikkelaars, hun bijdrage leveren. 

De provincie blijft inzetten op samenwerking in de regio. Ze helpt en ondersteunt regio’s bij de totstandkoming van regioafspraken over bijvoorbeeld de woningbouwprogrammering, en wonen en zorg. Als er geen regioafspraken komen, of er geen resultaten volgen, grijpt ze in.  

Als de wetWet Versterking regie volkshuisvesting wordt aangenomenkracht van wet heeft, krijgt de provincie meer wettelijke taken op het gebied van woningbouw, volkshuisvesting en toezicht op de asielopvangvolkshuisvesting. De provincie zorgt dat de organisatie deze opgave kan uitvoeren. Ze blijft bij het Rijk aangeven dat doelen haalbaar en proportioneel moet zijn. 

Woningbouwafspraken tot en met 2030

Woningbouwafspraken tot en met 2030

De provincie houdt vast aan een aantal al gemaakte afspraken. Dit zijn: 

  • ze bouwt voort op de 5 bestaande woondeals met de regio’s. Hierin maakt ze afspraken met gemeenten, woningbouwcorporaties en andere belangrijke samenwerkingspartijen. 

  • ze zet in op de relatie met alle betrokken partijen. En betrekt daarbij ook projectontwikkelaars, waterschappen en nutsbedrijven. 

CCCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Maatregelen van 6-16.1 Wonen

6.1.1.1 Uitwerking instrumenten woonbeleid

Wat gaat de provincie doen?

In deze maatregel is beschreven welke inspanningen Gedeputeerde Staten doen om de doelstellingen van het woonbeleid, zoals genoemd in de Omgevingsvisie, te bereiken. Het gaat om de inzet van de volgende instrumenten:

  • Woningbehoefteverkenning Zuid-Holland

  • Regionale woonzorgvisie

  • Regionaal woningbouwprogramma

  • Regionale realisatieagenda’s

  • Bestuurlijke afspraken over woningbouw

  • Toezicht houden op de Huisvestingswet

  • Regioplannen en provinciaal plan asielopvang

  • Subsidies

  • Kennisdeling

Rol

Samenwerkend

Uitwerking

Woningbehoefteverkenning Zuid-Holland

De meest actuele Woningbehoefteverkenning Zuid-Holland is leidend voor het gesprek over de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte aan woningen. Dit onderzoek wordt periodiek geactualiseerd en bestaat uit enerzijds een raming van de gewenste woningvoorraadtoename en anderzijds een verkenning van de gewenste woningdifferentiatie van die woningvoorraadtoename op basis van toekomstvoorspellingen.

Woningbehoefteverkenning Zuid-Holland

De meest actuele Woningbehoefteverkenning Zuid-Holland is onderdeel voor het gesprek over de invulling van de kwalitatieve en kwantitatieve opgave aan woningen. Daarbij geldt wel dat er in Zuid-Holland niet altijd automatisch plek voor woningbouw is. Het onderzoek bestaat uit enerzijds een raming van de verwachte kwantitatieve woningbouwopgave per regio en anderzijds prognoses van de gewenste kwalitatieve woningdifferentiatie voor het woningbouwprogramma per regio in het algemeen en voor sommige specifieke doel- en aandachtsgroepen op basis van toekomstvoorspellingen.  De provincie actualiseert het onderzoek periodiek en volgt sluit daarbij aan op de raming en prognoses van het Rijk.

Regionale woonzorgvisie 

Gemeenten, regio en provincie stellen, zo mogelijk ook met woningcorporaties en huurdersorganisaties, periodiek een regionale woonzorgvisie vast, waarin de gewenste kwalitatieve en kwantitatieve ontwikkelrichting voor de bestaande en gewenste woningvoorraad binnen de regio wordt bepaald. Om in voldoende, en passende en betaalbare woningen op de juiste plekken voor de verschillende doelgroepen te voorzien, wordt de regionale woningbehoefteramingwoningbouwopgave door de provincie vastgesteld. In de Omgevingsvisie zijn de doelstellingen opgenomen voor om tot voldoende betaalbare woningbouw te komen. De regionale woonzorgvisie vormt vervolgens het kader voor en de onderbouwing van het door de regio op te stellen en jaarlijks te actualiseren regionale woningbouwprogramma en de beoordeling daarvan door de provincie. Gemeenten in de regio brengen hun lokale woonzorgvisies in lijn met de regionale woonzorgvisie.

In de toelichting van de consultatieversie van het Wetsvoorstel Versterking Regie Volkshuisvestingversterking regie volkshuisvesting (februari 2023) is aangegeven dat iedere gemeente en provincie in 2026 een Volkshuisvestingsprogramma moet hebben. Het Rijk komt met een nadere invulling van het volkshuisvestingsprogramma. Door de val van het kabinet is de planning onduidelijk. Volgens de eerder gecommuniceerde planning van het Rijk gaat de woonzorgvisie in 2025 op in het volkshuisvestingsprogramma. Tot 2026 is er nog sprake van een gemeentelijke of regionale woonzorgvisie. Gezien dit vooruitzicht adviseert de provincie gemeenten wanneer een traject gestart wordt voor actualiseren van de gemeentelijke of regionale woonzorgvisie daar ook al aandacht te besteden aan de huisvesting van aandachtsgroepen en ouderen. Indien nodig kan de provincie ondersteuning bieden bij het opstellen van een regionale woonzorgvisie. Waar in de tekst van het Omgevingsbeleid wordt gesproken over een regionale woonvisie wordt een regionale woonzorgvisie bedoeld.

Regionale afspraken met betrekking tot de evenwichtig spreiding van sociale woningbouw worden beschouwd als een uitwerking van de regionale woonzorgvisie, mits die afspraken de instemming hebben van of zijn vastgesteld door Gedeputeerde Staten.

Regionale woonzorgvisies moeten actueel zijn. Zowel de gemeenten als de provincie kunnen het initiatief nemen tot actualisatie van een regionale woonzorgvisie. GS stellen een regionale woonzorgvisie mede vast als deze voldoet aan het Omgevingsbeleid.

De regionale woonzorgvisie bevat in ieder geval de volgende onderwerpen:

1.     Voorraadontwikkeling en planrealisatie 

De voorraadontwikkeling binnen het Het regionale woningbouwprogramma dient te passen binnen de door GS vastgestelde woningbehoefteramingwoningbouwopgave per regio. Voor het akkoord van GS op de plannen uit het gezamenlijk vastgestelde regionaal woningbouwprogramma vormt het digitale systeem Planregistratie wonenWonen het middel om dat aan te geven.

De regio geeft een minimumpercentage aan dat ze van de planvoorraad in de planperiode van het regionaal woningbouwprogramma wil en kan realiseren op basis van uitgangspunt dat programmeren is toegestaan tot 130% en realisatie tot 100% van de provinciale behoefteramingregionale woningbouwopgave. Dit minimumpercentage is een criterium voor realisatie en biedt de mogelijkheid om het gesprek met de provincie aan te gaan over mogelijke versnellingsmogelijkheden en knelpunten.

2.     Voorraadontwikkeling voor specifieke inkomensgroepen 

a. Voorraadontwikkeling sociale huur 

In de Omgevingsvisie staan de volgende doelstellingen:

  • minimaal 2/3 betaalbare woningbouw (huur en koop) vanaf 2025 in het regionale woningbouwprogramma (nieuwbouwtoevoegingen);

  • waarvan minimaal de helft sociale huurwoningen dus minimaal 1/3 vanaf 2025 in het regionale woningbouwprogramma (nieuwbouwtoevoegingen);

  • doorgroeien naar minimaal 30% sociale huur in de totale woningvoorraad per gemeente.

Omdat de sociale woningvoorraad in iedere gemeente verschillend is, kiezen we er voor een gedifferentieerde aanpak dat past bij het uitgangspunt dat we gaan voor het maximale, maar niet het onmogelijke.

Gemeenten die substantieel minder sociale huur in de voorraad hebben, moeten ook substantieel meer dan 1/3e sociale huurwoningen in hun programmering opnemen. Het gaat daarbij om gemeenten die minder dan 27% (10% onder de doelstelling) sociale huur in de woningvoorraad hebben.

We vragen gemeenten na te denken over een realistisch groeipad om de doelstelling van een minimale sociale huurvoorraad van 30% te behalen en dit in een plan vast te leggen als aanvulling vanop hun regionale woonzorgvisie. Indien uit het plan blijkt dat het niet binnen afzienbare termijn mogelijk is om op de minimaal 30% sociale huur in de totale voorraad te komen, bijvoorbeeld omdat er weinig nieuwbouwplannen zijn in de komende 10-15 jaar, dan is dat een basis voor maatwerk afspraken.

Een gemeente die meer dan 1/3 sociale huurwoningen in de bestaande woningvoorraad heeft, kan een lager aandeel doendeel opnemen in hun programmering, mits de totale voorraad niet daalt onder de 30%. Hierover zijn maatwerkafspraken te maken.

b. Voorraadontwikkeling middenhuur en betaalbare koop  

Voor de invulling van deze doelstelling sluit de provincie aan bij doelstelling van het Rijk.  

Elk regionaal woningbouwprogramma moet vanaf 2025 voor minimaal 2/3  uit betaalbare woningbouw bestaan. Dit bestaat uit middenhuur en betaalbare koop.

De gemeenten geven in de regionale woonzorgvisie aan hoe zij zich zullen inspannen om de doelstelling voor middenhuur en betaalbare koop te halen.

3.     Voorraadontwikkeling voor specifieke doelgroepen

a. Voorraadontwikkeling woningen voor ouderen

Tot de doelgroep ouderen behoort iedereen vanaf 65 jaar. Hiermee sluit de provincie aan op de definitie gehanteerd door Het Rijk in het programma “Wonen en zorg voor ouderen". Deze doelgroep is heel divers; qua inkomen, woonwensen en gezondheid. De huisvestings- en zorgvraag binnen  deze doelgroep is daarom sterk afhankelijk van de persoonlijke situatie.

Er is een groot tekort aan voor ouderen geschikte woningen. Om de vergrijzing op te kunnen vangen moeten er ruim 66.000 voor ouderen geschikte woningen bij in Zuid-Holland. Dit kan in de nieuwbouw maar ook in de bestaande voorraad. In de regionale woonzorgvisie wordt daarom aangegeven: wat de ambitie is voor het toevoegen in zowel de bestaande voorraad als in de nieuwbouw van de volgende woningtypen:

  • Nultredenwoningen;

    Nultredenwoningen zijn zelfstandige woningen die zowel intern als extern toegankelijk zijn. Dit houdt in dat je de woningen kan bereiken zonder trap te lopen (extern toegankelijk) en dat woonkamer, keuken, badkamer, toilet en minimaal 1 slaapkamer zonder trappen te bereiken zijn (intern toegankelijk). Deze woningen zijn toegankelijk bij oplevering van nieuwbouw of verbouw en behoeven geen grotere aanpassing meer. Bijvoorbeeld, een reguliere eengezinswoning die wordt aangepast met een traplift is geen nultredenwoning.

  • geclusterde woonvormen;

    Geclusterde woonvormen voor ouderen

    Geclusterde ouderenwoningen zijn woningen die voldoen aan de definitie voor nultredenwoningen in een geclusterde woonvorm. Geclusterd betekent dat deze woonvormen ingericht zijn op het bevorderen van sociaal contact en gemeenschapsgevoel, waardoor eenzaamheid wordt tegengegaan en samenredzaamheid wordt bevorderd. Er moet daarom een ontmoetingsruimte inpandig aanwezig zijn of op loopafstand voor ouderen (bv. ca. 100 m). Die ruimte moet gericht zijn op ontmoeting van bewoners en eventueel buurtbewoners en op een open en transparante basis te gebruiken zijn. Landelijk wordt bij clustering uitgegaan van een schaal van minimaal 12 woningen. Voorbeelden van geclusterde woonvormen kunnen onder andere hofjeswoningen, serviceflats, aanleunwoningen en seniorenflats zijn. In dit type woning kan onder voorwaarden (Wlz) zorg geleverd worden. Het advies is om geclusterde woonvormen zoveel mogelijk dementievriendelijk in te richten.

  • zorggeschikte woningen (verpleegzorgplekken) waar ook mensen die zware zorg nodig hebben kunnen blijven wonen.

     Zorggeschikte woningen

    Zorggeschikte woningen zijn zelfstandige nultredenwoningen waarin Wlz-zorg geleverd kan worden voor bewoners en die onderdeel zijn van een geclusterde woonvorm (zie definitie nultredenwoningen en geclusterde woningen). Om alle vormen van zorg te kunnen leveren dienen deze wooneenheden en de woonvorm rolstoeltoegankelijk te zijn, met voldoende ruimte om zorg te verlenen. De woningen zijn dementievriendelijk ingericht. Woningen die vallen onder de categorie BAT 3 of 4 en Woonkeur 6 vallen binnen deze definitie.

Tevens wordt aangegeven over welke woningtypen men regionale (verdeel)afspraken gaat maken en op welk termijn deze gerealiseerd gaan worden. Naast de toenemende vergrijzing is ook de doorstroming op de woningmarkt een belangrijke reden om extra in te zetten op de bouw van voor ouderen geschikte woningen.

Naast de toenemende vergrijzing is ook de doorstroming op de woningmarkt een belangrijke reden om extra in te zetten op de bouw van voor ouderen geschikte woningen. In de regionale woonzorgvisie wordt daarom ook aangegeven wat de inzet is om doorstroming van ouderen op de woningmarkt te bevorderen, zoals de inzet van seniorenmakelaars, verhuisvergoedingen, labelen en toewijzen.

b. Huisvesting van aandachtsgroepen

Tot de aandachtsgroepen behoren vooralsnog de volgende personen:

  • sociaal-medische groepen: mantelzorgverleners- en ontvangers, mensen met een lichamelijke, verstandelijke of zintuigelijke beperking of psychische kwetsbaarheid, uitstromers uit intramurale zorginstellingen (maatschappelijke opvang, opvang van slachtoffers van geweld in huiselijke kring/ ‘vrouwenopvang’, opvang van slachtoffers van mensenhandel, beschermd wonen, instellingen voor klinische geestelijke gezondheidszorg en forensische zorg, instellingen voor jeugdhulp), woningzoekenden na (jeugd)detentie, (dreigend) dakloze mensen, stoppende sekswerkers,

  • statushouders,

  • arbeidsmigranten,

  • studenten,

  • woonwagenbewoners.

Voor de huisvesting van statushouders hebben gemeenten een wettelijke taak die in de Huisvestingswet geregeld is en waarop de provincie toezicht houdt. Dit is beschreven in de paragraaf ‘Toezicht houden op de Huisvestingswet’

In de regionale woonzorgvisies dienen alle aandachtsgroepen te worden behandeld. In de regionale woonzorgvisie wordt aangegeven:

  • wat de omvang van personen binnen de  verschillende aandachtsgroepen is,

  • wat de zorg- en ondersteuningsbehoefte is van de aandachtsgroepen,

  • hoe de aandachtsgroepen gehuisvest gaan worden,

  • wat de regionale verdeelafspraken zijn over de huisvesting van de aandachtsgroepen,

  • hoe regionale afstemming plaatsvindt over zorg en ondersteuning.

De woonbehoefte van de aandachtsgroepen wordt vertaald in het regionale woningbouwprogramma.

c. Voorraadontwikkeling flexwonen

In de regionale woonzorgvisie vraagt de provincie om een visie op het toepassen van flexwonen. Flexwonen is geen opgave op zich, maar altijd een aanvulling op reguliere permanente woningbouw. Een tijdelijke flexibele schil van (sociale) huurwoningen kan worden ingezet als buffer en invoegstrook voor spoedzoekers naar een permanente woning. Uit de visie zou in theorie kunnen blijken dat afgezien kan worden van de inzet van flexwoningen omdat in de woonvraag van aandachtsgroepen kan worden voldaan aangezien er voldoende permanente sociale huurwoningen beschikbaar komen.

 Aan de samenwerkende gemeenten vraagt de provincie om in de regionale woonzorgvisie:

  • Te beschrijven in welke mate Flexwonen kan bijdragen aan de huisvesting van die verschillende doelgroepen;

  • Te beschrijven hoe initiatieven van Flexwonen worden bevorderd;

  • Op te sommen welke Flexwonenprojecten er zijn en worden gerealiseerd.

De provincie bevordert Flexwonen met subsidiering én door naast de reguliere programmaruimte extra programmaruimte voor initiatieven met ‘flexwoningen’ te bieden. Flexwoningen die worden verhuurd onder de huurtoeslaggrens inen die  in beheer zijn bij een gemeente of toegelaten instelling tellen bij de initiële plaatsing (dus niet bij herplaatsing) in de woningmarktregiowoningbouwregio mee bij de taakstelling nieuwbouw sociale huur.

 Tevens gaat de regionale woonzorgvisie in op de volgende punten: 

 4.     1. Ladder voor duurzame verstedelijking Ladder voor duurzame verstedelijking

Een beschrijving van hoe wordt omgegaan met het uitgangspunt van de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ en van het verstedelijkingsbeleid van de provincie om binnenstedelijk te bouwen en/of binnen de invloedsfeer van hoogwaardig openbaar vervoer. Voor zover locaties buiten bestaand stads- en dorpsgebied of buiten de invloedsfeer van HOV nodig zijn, worden de ruimtelijke aspecten (waaronder de ontsluiting) van die locaties onderbouwd. 

5.     2. Beter benutten

Een weergave van de potenties om gebouwen en locaties zowel kwalitatief als kwantitatief beter en adequater te benutten door ingrijpende woningverbetering, sloop-nieuwbouw, herstructurering, flexwonen, verdichting en transformatie. Dit vanuit de wens om te komen tot betere benutting van de gebouwde omgeving. 

6 3.     Relatie van wonen met andere opgaven 

Een onderbouwing van de keuzes en maatregelen voor de woonopgaven in relatie tot energietransitie, natuurinclusiviteit, klimaatadaptatie en -mitigatie, bodemdaling, circulariteit en gezonde leefomgeving.  

Regionaal woningbouwprogramma 

Gezamenlijk werken gemeenten in regionaal verband en de provincie aan het jaarlijks actualiseren en vaststellen van regionale woningbouwprogramma’s. Het provinciaal Omgevingsbeleid en de door GS vastgestelde regionale woonzorgvisie vormen daarvoor het kader. Actualisering houdt in dat nieuw beleid en nieuwe inzichten ertoe kunnen leiden dat woningbouwplannen opnieuw worden bezien, bijvoorbeeld met betrekking tot het aandeel betaalbare woningen en sociale huurwoningen. In de regionale woningbouwprogramma’s geven regio’s en gemeenten op welke plannen er zijn voor de woningbouw in hun regio en gemeente voor de komende 10 jaar. Dit gaat zowel over aantallen, prijsklassen, beoogde jaren van oplevering, woonmilieuswoningtypen voor specifieke doelgroepen en andere onderwerpen die onderstaand zijn aangegeven. In dit proces wordt jaarlijks doormaken GS periodiek de woningbehoefteraming vastgesteldbekend die een inschatting maaktis het van het aantal benodigde woningen per regio. Op basis daarvan worden door gemeenten en regio’s regionale woningbouwprogramma’s opgesteld waarover zowel ambtelijke als bestuurlijke gesprekken plaatsvinden. Daarbij geldt wel dat er in Zuid-Holland niet altijd automatisch plek is voor woningbouw. Het actualiseren van het regionale woningbouwprogramma gebeurt via een digitaal systeem (Planregistratie wonenWonen) en bevat een toelichting over de daarin opgenomen ontwikkelingen. De actualisatie volgt een jaarcyclus (zie afbeelding). De provincie voert een quick-scan uit op de beoogde plannen om mogelijke botsingen met provinciaal beleid vroegtijdig te signaleren en indien nodig wordt hierover overleg gevoerd. Vervolgens worden de regionale woningbouwplannen bestuurlijk vastgesteld door gemeente, regio en provincie. Met deze vaststelling is tevens de behoefte onderbouwd,voldaan aan ladderonderbouwing zoals bedoeld in de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’.

afbeelding binnen de regeling

Een regionaal woningbouwprogramma (en volkshuisvestingsprogramma) bevat ten minste de volgende informatie:

  • Het aantal voorgenomen te realiseren woningen in relatie tot de gewenste woningvoorraadtoenamebenodigde bruto nieuwbouw. De provinciale woningbehoefteramingen zijndoor de provincie hiervoor vastgestelde regionale opgave is hierin leidend.

  • De beoogde woningdifferentiatie, in ieder geval naar eigendomsvorm, woningtype, prijsklasse en woonmilieu.

  • Een inzicht in de programmering van het aantal sociale huurwoningen.

  • Een inzicht in de programmering van het aantal woningen middenhuur en betaalbare koop.

  • Een inzicht in de programmering van het aantal woningen dat door woningcorporaties in portefeuille wordt genomen (sociale huur / middenhuur).

  • Indien een sociale huurwoning niet in bezit komt van een woningcorporatie wordt aangegeven of de woning minimaal 25 jaar beschikbaar blijft als sociale huurwoning, er sprake is van een begrensde huurstijging en of de woning via een woonruimteverdeelsysteem wordt verhuurd.

  • De ligging van de locaties binnen en buiten bestaand stads- en dorpsgebied, nabij HOV.

  • Een inzicht in de programmering van het aantal woningen geschikt voor ouderen en de onderverdeling daarvan in nultredenwoningen, geclusterde woonvormen en zorggeschikte woningen.

  • Een inzicht in de programmering van het aantal woningen geschikt en bestemd voor aandachtsgroepen.

 Andere punten die van belang zijn bij het regionale woningbouwprogramma:  

  • De provincie geeft waar nodig ruimte voor 30 procent overprogrammering in het woningbouwprogramma in verband met planuitvalplanvertraging- en uitval.  

  • De provincie sluit probeert met de systematiek van regionale programmering voor gemeenten ook voor hen aan te sluiten bij het invulling geven aan bij de verplichte motivering van de behoefte uit de Rijksladder voor duurzame verstedelijking. Transformatie van bestaand stads- en dorpsgebied, zoals kantoren, winkels en cultuurhistorische waardevolle gebouwen, binnen de invloedssfeer van Hoogwaardig Openbaar Vervoer zijn vaak niet ladderplichtig en kunnen met het oog op de woningbehoeftewoningbouwopgave altijd worden gestart. Ook als deze transformatie nog niet in overeenstemming is met het regionale woningbouwprogramma. Bij de jaarlijkse actualisering van het regionale woningbouwprogramma moet vervolgens rekening worden gehouden met deze transformatieprojecten, ook als die daarvoor nog niet in overeenstemming waren met het regionale woningbouwprogramma.  

  • Waar het gaat om het omzetten van de functies van gronden met niet-woongebouwen naar wonen binnen BSD en nabij HOV en deze omzetting cijfermatig niet past binnen het regionale woningbouwprogramma, gaat de provincie samen met de initiatiefnemendeinitiatief nemende gemeente graag het gesprek aan met de regio om deze ontwikkeling in het regionale woningbouwprogramma op te nemen.

  • De provincie monitort het percentage sociale huur in de voorraad per gemeente en legt dit naast het percentage sociale huur in het woningbouwprogramma. De provincie kan gemeenten die nog niet voldoen aan de 30% sociale huurvoorraad vragen om een toelichting op eventuele benodigde maatregelen.

  • Naast de reguliere programmaruimte is er onder voorwaarden extra programmaruimte (bovenop de 130%) voor initiatieven met ‘Flexwoningen’. Dit met het doel om te bezien of het bieden van specifieke (programma)ruimte hiervoor ook daadwerkelijk gaat leiden tot extra ’Flexwoningen’.

Deze voorwaarden zijn:

  • Het gaat om nieuwe woningen, te weten (on)zelfstandige woningen of ‘woonunits’, die voor de duur van minimaal vijf jaar tijdelijk (= voor bepaalde duur) verhuurd worden conform de wettelijke regels;

  • De gemeente heeft de afspraken met de eigenaar of exploitant over het voorgaande in een overeenkomst vastgelegd;

  • De woningen moeten binnen vijf jaar opgeleverd worden (vanwege de actuele spanning op de woningmarkt);

  • In de Huisvestingsverordening moet bij het opleveren van de allereerste Flexwoningen opgenomen zijn dat het bepaalde in artikel 11.a. en 11.b. van de Huisvestingswet 2014 van toepassing is;

  • Voor de huisvesting van arbeidsmigranten in flexwoningenFlexwoningen gelden kwaliteitseisen die zijn beschreven in de paragraaf Prioritaire doelgroepen, onderdeel arbeidsmigranten.

  • De plannen voor ‘Flexwoningen’ moeten in het regionale woningbouwprogramma opgenomen worden (inclusief markering als ‘Flexwoning’), waarbij in een aanvullende projectbeschrijving ingegaan wordt op de wijze waarop aan bovenstaande voorwaarden is of wordt voldaan. Door de markering ‘Flexwoning’ kan het aantal Flexwoningen dat voldoet aan de voorwaarden los worden gezien van de andere woningen in het woningbouwprogramma.

Het regionale woningbouwprogramma vormtspeelt ook de basis vooreen rol bij de periodieke actualisatie van lijst met de grote buitenstedelijke bouwlocaties (3 hectare-kaart).  

Bij het ontbreken van een actueel regionaal woningbouwprogramma beoordeelt de provincie per woningbouwplan of de behoefte voldoende is onderbouwd dat dit past binnen de opgave. Wanneer er geen sprake is van een door de provincie (volledig) vastgestelde regionale woonvisie en/of vastgesteld regionaal woningbouwprogramma hebben Gedeputeerde Staten de mogelijkheid om zelf een woonvisie en/of een regionaal woningbouwprogramma vast te stellen.  

De provincie zal het regionaal woningbouwprogramma beoordelen op het behalen van de volgende doelstellingen: 

  • 1.

    minimaal 2/3 betaalbare woningbouw (huur en koop) vanaf 2025 in het regionale woningbouwprogramma (nieuwbouwtoevoegingen); 

  • 2.

    waarvan minimaal de helft sociale huurwoningen, dus minimaal 1/3 vanaf 2025 in het regionale woningbouwprogramma (nieuwbouwtoevoegingen); 

  • 3.

    doorgroeien naar minimaal 30% sociale huur in de totale woningvoorraad per gemeente.

Onderstaand is per doelstelling uitgewerkt wat GS van belang vinden bij deze beoordeling:

Doelstelling 1: minimaal 2/3 betaalbare woningbouw (huur en koop) vanaf 2025 in het regionale woningbouwprogramma; 

Doelstelling 2: minimaal de helft daarvan sociale huurwoningen, dus minimaal 1/3 vanaf 2025 in het regionale woningbouwprogramma (nieuwbouw).

Elk regionaal woningbouwprogramma moet vanaf het jaar 2025 bestaan uit minimaal 2/3 betaalbare woningen (toevoegingen huur en koop) (nieuwbouw) voor minimaal 1/3 bestaan uit sociale huurwoningen. Voor de doelstellingen gaat het om het totaalpercentage van de hele regio. In het regionale woningbouwprogramma moet een regio aangegeven hoeveel woningen in de prijsklassen van betaalbare woningbouw zijn geprogrammeerd. Een regionaal woningbouwprogramma kent een planningshorizon van 10 jaar. Het gemiddelde percentage van de eerste 10 jaar van het regionale woningbouwprogramma moet vanaf de jaarschijf 2025 of 2026 voldoen aan de genoemde doelstelling.

Voorbeeld: in het woningbouwprogramma dat begin 2024 door GS wordt aanvaard moet het gemiddelde van de jaren 2025 t/m 2034 aan de doelstellingen voldoen, in het woningbouwprogramma dat in begin 2025 door GS wordt aanvaard moet het gemiddelde van de jaren 2025 t/m 2034 aan de doelstellingen voldoen, in het woningbouwprogramma dat in 2026 door GS worden aanvaard moet het gemiddelde van de jaren 2026 t/m 2035 aan de doelstellingen voldoen etc.

De provincie verwacht dat de gemeenten zich maximaal inspannen om de doelstellingen te halen. Bij de beoordeling let de provincie op de inspanning van de gemeente en omstandigheden waar de gemeente geen invloed op heeft.

 Bij de jaarlijkse vaststelling door gedeputeerde staten van het regionale woningbouwprogramma word wordt op regionaal niveau beoordeeld of de samenwerkende gemeenten binnen de regio de doelstellingen halen. Elk van de doelstellingen is van toepassing voor de planperiode van 10 jaar van het regionaal woningbouwprogramma. Om tot de aangegeven doelstellingen te komen tellen ook woningbouwplannen mee waarvan nog geen prijsklassen bekend zijn. GS zullen deze plannen voorlopig vaststellen en pas bij het bekend worden van de prijsklassen een definitief oordeel geven.

Indien overeenstemming wordt bereikt over hoe de doelstellingen (op termijn) kunnen worden behaald in het regionale woningbouwprogramma, dan worden de afspraken vastgelegd en toegevoegd aan de regionale woonzorgvisie en het regionale woningbouwprogramma. Dit regionaal woningbouwprogramma wordt eveneens lokaal (en soms regionaal) vastgesteld en doorvertaalddoor vertaald in de concrete planvorming. Deze flexibiliteit is opgenomen als tussenstap om in een reëel scenario toe te werken naar de doelstelling. Dit is uitdrukkelijk geen permanente afwijking/ontheffing op de vastgestelde doelstelling in de Omgevingsvisie.  

 Indien in het regionale woningbouwprogramma nog niet kan worden voldaan aan één of meerdere doelstellingen, beoordelen gedeputeerde statenGedeputeerde Staten het behalen van de doelstellingen in de woningbouwprogramma's op gemeentelijk niveau. Onderdelen die meespelen in de beoordeling zijn de al aanwezige voorraad sociale huur binnen de totale voorraad, de ruimtelijke mogelijkheden, de leefbaarheid binnen wijken en reeds gemaakt bestuurlijke afspraken die uitgaan van lagere percentages betaalbare woningbouw. Gedeputeerde Staten  kunnen dan besluiten om woningbouwplannen aan te houden voor een door Gedeputeerde Staten  te bepalen periode van een gemeente waar wel mogelijkheden zijn om het percentage sociale en betaalbare woningbouw te verhogen en die nog grote stappen heeft te zetten heeft om te voldoen aan de doelstellingen. In deze periode kan de gemeente zich extra inspannen om de percentages die in de doelstellingen genoemd zijn in de gemeentelijke woningbouwprogrammering te verhogen. Wanneer dit onvoldoende soelaas biedt stellen gedeputeerde statenGedeputeerde Staten de betreffende woningbouwplannen niet vast als onderdeel van de regionale programmering en dient de gemeente per wijziging van het omgevingsplan met 12 of meer woningen die geen onderdeel uit maaktuitmaakt van de regionale programmering te voldoen aan respectievelijk:

  • minimaal 2/3 betaalbare woningbouw;

  • minimaal de helft daarvan, dus 1/3 van het totaal sociale huurwoningen;

  • Indien de gemeente wel kan voldoen aan de doelstellingen of er zijn aantoonbare omstandigheden waardoor dat niet mogelijk is zij voldoen dan kan het gemeentelijk nieuwbouwprogrammawoningbouwprogramma uit het regionale woningbouwprogramma met alle woningbouwplannen worden vastgesteld.

Doelstelling 3: streven naar minimaal 30% sociale huur in de totale woningvoorraad per gemeente.

Van een gemeente die substantieel minder sociale huur in de voorraad heeft, dient een hoger aandeel van meer dan 1/3e sociaal in de gemeentelijke woningbouwprogrammering te realiseren, zodat de voorraad sociale huurvoorraad toeneemt. Het gaat daarbij om gemeenten die minder dan 27% (10% onder de doelstelling) sociale huur in de woningvoorraad hebben.

Een gemeente die meer dan 1/3e sociale huurwoningen in de bestaande woningvoorraad heeft, kan een lager aandeel doenopnemen in de programmering, mits de totale voorraad niet daalt onder de 30%. Hierover zijn maatwerkafspraken te maken.

Op dit moment zijn er alleen landelijke cijfers beschikbaar van het aandeel corporatiewoningen sociale huur in de totale woningvoorraad per gemeente. Het aandeel particuliere sociale huurwoningen in de totale woningvoorraad per gemeente wordt niet bijgehouden. Als een gemeente onder de 30% sociale huur (corporatiewoningen) in de totale woningvoorraad zit dan ligt de bewijslast bij de gemeente om het aandeel particuliere sociale huur in de totale woningvoorraad aan te tonen. Niet alle particuliere sociale huur telt mee. Alleen de particuliere sociale huur die aan de voorwaarden voor sociale huur voldoet die zijn vastgelegd in de Omgevingsvisie: beschikbaar zijn voor de DAEB-inkomensgroep, minimaal 25 jaar vanaf de bouw wordt ingezet als sociale huurwoning, een begrensde huur heeft en er is sprake van een maximale jaarlijkse huurverhoging, verhuurd worden via een woonruimteverdeelsysteem. De extra woningen die aan deze voorwaarden voldoen tellen dan mee in het aandeel sociale huur in de totale woningvoorraad, waardoor de gemeente boven de 30% sociale huur in de totale woningvoorraad uit kan komen.

De provincie heeft met een aantal gemeenten en regio’s bestuurlijke afspraken gemaakt over locatie, kwantiteit, kwaliteit en tempo van (sociale) woningbouw. Dit neemt niet weg dat locaties waarvoor bestuurlijke afspraken met de provincie zijn gemaakt op het gebied van wonen moeten voldoen aan het provinciale Omgevingsbeleid. Gewijzigde omstandigheden kunnen voor alle partijen aanleiding geven voor heroverweging. Een overzicht van deze afspraken is opgenomen in het Omgevingsprogramma. 

Regionale realisatieagenda

Op 11 oktober 2022 hebben Gedeputeerde Staten de ‘Samenwerkingsafspraken woningbouw Zuid-Holland’ tussen Rijk en provincie vastgesteld en daarmee met de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) de ambitie uitgesproken in de periode 2022 tot en met 2030 235.460 woningen toe te voegen in onze provincie, waarvan minimaal 2/3e in het betaalbare segment (sociale huur, middenhuur en koopwoningen tot 355.000 euro), waarvan de helft door woningbouwcorporaties wordt gerealiseerd. Ook is afgesproken dat elke gemeente toegroeit naar 30% sociale huur in de voorraad per gemeente.

De doelstellingen uit de Samenwerkingsafspraken Rijk-provincie zijn beschreven en uitgewerkt in vijf regionale realisatieagenda’s wonen (RRA's) voor de woonregio’s Holland Rijnland, Haaglanden, Rotterdamse regio, Midden-Holland en voor de samenwerkende woonregio’s Alblasserwaard, Drechtsteden, Goeree-Overflakkee en Hoeksche Waard.

De RRA’s zijn op 14 maart 2023 ondertekend door de minister voor VRO, provincie, gemeenten en woningcorporaties. Daarnaast hebben verschillende commerciële marktpartijen, drinkwaterleidingbedrijven, netbeheerders en huurdersorganisaties een steunverklaring gegeven. De komende periode zal de samenwerking tussen de partijen van de regionale realisatieagenda's verder worden vormgegeven.

In de regionale realisatieagenda’s zijn nadrukkelijk een aantal randvoorwaarden in de vorm van kritische succesfactoren genoemd die van invloed zijn op de realisatie van de doelstellingen en zijn oplossingsrichtingen voor de kritische succesfactoren aangegeven. Genoemd als kritische succesfactor zijn o.a. het stikstofdossier en het tekort aan personeel bij zowel overheden als bouwbedrijven. De partijen die de regionale realisatieagenda’s hebben ondertekend gaan met elkaar periodiek in overleg hoe de kritische succesfactoren op te lossen.

Bestuurlijke afspraken over woningbouw

De provincie heeft met een aantal gemeenten en regio’s bestuurlijke afspraken gemaakt over locatie, kwantiteit, kwaliteit en tempo van woningbouw. Dit neemt niet weg dat bestemmingsplannen voor locaties waarvoor bestuurlijke afspraken met de provincie zijn gemaakt op het gebied van wonen moeten voldoen aan het provinciale omgevingsbeleid. Zo dient er conform de ladder voor duurzame verstedelijking de behoefteeen ladderonderbouwing te worden onderbouwdzijn op basis van actueel onderzoek. 

Gewijzigde omstandigheden kunnen voor alle partijen aanleiding geven voor heroverweging.

- Duin- en Bollenstreek

In het kader van de Gebiedsuitwerking Haarlemmermeer-Bollenstreek heeft de provincie afspraken gemaakt met het Rijk, regio Holland Rijnland en provincie Noord-Holland over de realisering van 4.600 woningen plus 600 greenportwoningen in de Duin- en Bollenstreek tot 2030 voor de woningbehoeftewoningbouwopgave van de metropoolregio Amsterdam. Verdere fasering, verdeling en dosering van dit woningbouwprogramma staat benoemd in de Regionale Woonagenda Holland Rijnland.  

600 Greenportwoningen

Aan de afspraak over 600 Greenportwoningen zijn onderstaande voorwaarden verbonden:

  • de woningen mogen niet gerealiseerd worden binnen het Kroonjuweel Landgoed Keukenhof;

  • de opbrengst van de bouw van de woningen wordt afgedragen aan de Greenport Ontwikkelingsmaatschappij (GOM) ten behoeve van de projecten uit het meerjarenprogramma.

- Valkenburg

Onze ambitie is om het voormalige vliegkamp Valkenburg voortvarend en integraal te transformeren en te versterken naar een duurzame, hoogwaardige en goed ontsloten locatie voor wonen, werken, recreatie, natuur en water, met inpassing van het aanwezige cultuurhistorische erfgoed. Gestreefd wordt naar een nieuwe woonwijk met maximaal 5.600 woningen met een breed palet aan prijsklassen, van sociale huurwoningen tot en met woningen in het topmilieu (maximaal 500). Tijdelijk gebruik van de locatie tijdens de gefaseerde ontwikkeling wordt gestimuleerd, bijvoorbeeld voor tijdelijke huisvesting van bijzondere doelgroepen of duurzame energieopwekking. Belangrijk vertrekpunt voor de ontwikkeling van Valkenburg is de woningbehoeftewoningbouwopgave van regio Holland Rijnland. De verstedelijkingsopgave is maatgevend. Leidend zijn de Regionale Woonagenda Holland Rijnland en de daarbij behorende regionaal woningbouwprogrammering waarmee Gedeputeerde Staten hebben ingestemd.

De nieuwe woonwijk wordt ontsloten met twee ongelijkvloerse aansluitingen op de N206/Tjalmaweg (RijnlandRoute). Het streven is om het verkeer op de N441/Wassenaarseweg niet te laten toenemen als gevolg van de nieuwe wijk en sluipverkeer tegen te gaan. Dit mede ook om stikstofdepositie op de nabijgelegen kwetsbare natuur in de duinen te beperken. Ten zuiden van de N206/Tjalmaweg wordt een vrije busbaan aangelegd voor het R-net tussen Leiden Centraal en Katwijk met een spitsfrequentie van 12 bussen per uur. De busbaan krijgt ter hoogte van Nieuw Valkenburg twee R-net bushaltes. De haalbaarheid van additioneel openbaar of andere (innovatieve) vormen van vervoer door de woonwijk kan nader worden onderzocht bij de verdere planontwikkeling. Gestreefd wordt naar een ontsluiting per fiets en te voet in alle windrichtingen, bij voorkeur als onderdeel van regionale (snel)fiets- en wandelverbindingen. Fietsers en voetgangers kunnen, na realisatie, gebruik maken van de oostelijke ongelijkvloerse kruising van de Tjalmaweg, waar tevens een reservering voor de HOV-baan is opgenomen.

In de bestaande hangaarzonehangaar zone van het voormalige vliegkamp wordt meegewerkt aan een pilot voor Unmanned Valley Valkenburg, een test- en ontwikkelcentrum voor onbemande systemen, met een proefperiode tot mei 2023 (te verlengen tot mei 2028). Tevens wordt ruimte geboden aan een bijbehorend tijdelijk testveld van maximaal 500 bij 500 meter. Bij een succesvolle proefperiode wordt ruimte geboden aan een permanent testveld van maximaal 500 bij 500 meter met een gunstige situering voor een corridor naar zee. Bij een eventuele situering in de Groene Zone tussen de nieuwe woonwijk en de bestaande woonkern van Wassenaar zal het testveld een groen karakter krijgen, passend binnen het landschappelijke karakter hiervan. Aan de oostrand van de nieuwe woonwijk wordt ruimte gereserveerd voor een nieuw werkpark voor internationale bedrijven en kennisinstellingen, zoals bijvoorbeeld bio science, met een uitgeefbaar oppervlak van maximaal 15 hectare in een groene, campusachtige omgeving. Bij de uitwerking wordt rekening gehouden met het voorgedragen werelderfgoed Limes en de overige delen van de Limes. De cultuurhistorische waarden worden zoveel mogelijk beleefbaar gemaakt. Tussen de nieuwe woonwijk en de bestaande kern van Wassenaar wordt gestreefd naar een brede, robuuste en kwalitatief Groene Zone. Onderdeel daarvan is de ecologische verbinding tussen de duinen en het Groene Hart. De noordoostelijke begrenzing van de Groene Zone wordt gevormd door de rand van de nieuwe woonwijk. Deze begrenzing wordt bij de planuitwerking verder geoptimaliseerd in de vorm van zachte overgangen tussen het nieuwe stedelijk gebied en het bestaande landelijke gebied. De Groene Zone zal samen met de Mient Kooltuin en het Valkenburgse Meer mede gaan voorzien in de extensieve recreatiebehoefte voor de inwoners van de nieuwe woonwijk en wijde omgeving. Het Valkenburgse Meer zal daarnaast naar verwachting tot 2042 in gebruik blijven als zandwinning. De ontwikkeling van een nieuwe woonwijk met maximaal 5.600 woningen en de ontwikkeling van 15 hectare nieuw bedrijventerrein biedt dé mogelijkheid om te streven naar een duurzame, gasloze energiehuishouding met onder andere collectieve warmte/koude voorzieningen en de opwekking van zonne-energie. Daarnaast is de oever van het Valkenburgse Meer in de Omgevingsverordening aangewezen als locatie voor windenergie.

-Middengebied Zuidplaspolder

Rolkeuze - Middengebied Zuidplaspolder

Rolkeuze

In de gebiedsontwikkeling van het Middengebied vervult de provincie verschillende rollen die bovendien veranderen in de tijd. Hieronder wordt dit per rol toegelicht.

Reguleren

Vanuit haar verantwoordelijkheid voor de ruimtelijke ordening en de fysieke leefomgeving heeft de provincie een belangrijke regulerende rol over waar grootschalige, stedelijke ontwikkelingen buiten Bestaand Stads- en Dorpsgebied (BSD) wel en niet kunnen plaatsvinden. Er is in de ontwikkeling van het Middengebied sprake van grootschalige, stedelijke ontwikkelingen en de eerder in dit document beschreven voorgenomen wijziging van de provinciale Omgevingsverordening is daarvoor nodig.

Regisseren

De provincie heeft heel lang een regisserende rol gehad in de ontwikkeling van het Middengebied. De afgelopen jaren is deze rol steeds meer overgenomen door de gemeente Zuidplas, maar de provincie heeft deze rol nog steeds omdat de provincie (voor 40%) deelnemer is aan de Grondbank RZG Zuidplas die 300 hectare grond bezit in het Middengebied en omdat de provincie zelf ca. 40 hectare grond in het Middengebied in eigendom heeft. Er zijn inmiddels koopovereenkomsten gesloten tussen de Grondbank RZG Zuidplas en de gemeente Zuidplas en tussen de provincie en de gemeente Zuidplas om al deze gronden over te nemen en die verkoop zal definitief worden wanneer het nieuwe Omgevingsplan voor het Middengebied onherroepelijk is geworden. De regisserende rol van de provincie zal dus steeds kleiner worden.

Voor een aantal projecten zal de provincie haar regisserende en uitvoerende rol in het Middengebied behouden. Bijvoorbeeld voor de realisatie van de Groene Waterparel en de afgesproken aanpassingen van provinciale wegen.

Faciliteren

De gemeente Zuidplas neemt het grootste deel van de uitvoering van de Overeenkomst voor haar rekening, maar in de Overeenkomst zijn ook nog een heel aantal verplichtingen voor de provincie opgenomen en vooral veel afspraken over onderwerpen die gezamenlijk worden opgepakt (zoals de realisatie van de ecologische verbindingszone en benodigde maatregelen op het gebied van mobiliteit). De provincie heeft in de uitvoering van de Overeenkomst dus vooral een faciliterende rol. Ook deze Herziening van de provinciale Omgevingsverordening en het provinciale Omgevingsprogramma passen binnen die rol. Naar mate steeds meer afspraken uit de Overeenkomst uitgevoerd zijn, zal de faciliterende rol van de provincie steeds kleiner worden.

Stimuleren

Hierboven is beschreven dat de regisserende en faciliterende rol van de provincie door de jaren heen naar verwachting steeds kleiner zal worden. De verwachting is ook dat de provincie in de toekomst steeds meer een stimulerende rol zal innemen voor de ontwikkeling van het Middengebied. De gemeente Zuidplas zal ongetwijfeld nog veel uitdagingen tegenkomen in de ontwikkeling van het Middengebied en de provincie zal de gemeente daarbij waar mogelijk helpen en ondersteunen.

Toelichting

In het Middengebied van de Zuidplaspolder vindt een grootschalige, integrale gebiedsontwikkeling plaats. De afspraken over deze gebiedsontwikkeling zijn vastgelegd in de Bestuurlijke Overeenkomst Ontwikkeling Middengebied Zuidplaspolder die op 1 juli 2021 door de gemeente Zuidplas, de Grondbank RZG Zuidplas en de provincie Zuid-Holland is ondertekend. Er wordt een nieuw dorp met bijbehorende voorzieningen, 47 hectare (uitgeefbaar) bedrijventerrein rond de Gouweknoop, bijbehorende infrastructuur, natuur en recreatievoorzieningen gerealiseerd. De woningbouw in het Vijfde Dorp, de bedrijventerreinen “Doelwijk II” en “Gouwepark II” en de rest van het Middengebied van de Zuidplaspolder worden conform het Convenant Klimaatadaptief Bouwen (4 oktober 2018) of diens opvolger, klimaatadaptief ingericht met een wijze van bebouwing die bijdraagt aan een gezonde en veilige leefomgeving.

Op de locatie ‘Vijfde Dorp’ komen 8.000 woningen in dorpse en landelijke woonmilieus waarvan minimaal de helft in het betaalbare segment en 30% van de woningen worden sociale huurwoningen. Er zijn 4.200 woningen voor het Middengebied opgenomen in het in 2021 door de provincie aanvaarde regionale woningbouwprogramma tot 2031 van de regio Midden-Holland. Onderdeel van deze aanvaarding is dat tot 2031 2.000 woningen voor deze locatie zijn toegekend uit de ‘provinciale woningbehoeftepot’. De 3.800 woningen die na 2030 gerealiseerd worden in het Middengebied, worden voor zo ver mogelijk binnen de toegestane woningvoorraadtoename van de regio Midden-Holland voor de periode 2031-2040 gerealiseerd. Indien dit aantal niet (in zijn geheel) past binnen de dan geldende toegestane woningvoorraadtoename van de regio Midden-Holland voor de periode 2031-2040, omdat er voldoende geschikte woningbouwlocaties elders in de regio Midden-Holland beschikbaar zijn, dan zal dat deel van de 3.800 woningen dat niet past binnen de dan geldende toegestane woningvoorraadtoename van de regio Midden-Holland voor de periode 2031-2040, ten laste worden gebracht van de dan geldende toegestane provinciale woningvoorraadtoename voor de periode 2031-2040. Onder geschikte woningbouwlocaties worden daarbij woningbouwlocaties verstaan die passen binnen het dan geldende provinciale omgevingsbeleid en waarvan aangetoond is dat die uiterlijk in 2040 volledig gerealiseerd kunnen zijn.

Tevens zal de gemeente Zuidplas het Koning Willem I bos realiseren. Het voornemen is om de begrenzing van het Koning Willem I bos op te nemen in het provinciaal omgevingsbeleid nadat deze begrenzing is vastgelegd in het gemeentelijke Omgevingsplan.

- Knoop Leiden West

In de Overeenkomst Knoop Leiden West is een stelsel van bestuurlijke afspraken gemaakt voor een integrale ontwikkeling van de “Knoop” in samenhang met andere projecten in de As Leiden-Katwijk. Voor woningbouw betreft dit afspraken over de ontwikkeling van woningen op de locaties Rijnfront-Noord, Rijnoevers, Frederiksoord Zuid (Oegstgeestse deel), de locatie Rijnoevers (meest zuidelijke eiland) en Rijnfront Zuid. De woningen zijn opgenomen in de Regionale Woonagenda Holland Rijnland. De provincie zal zo nodig in overleg treden over de fasering en dosering van de ruimtelijke ontwikkelingen.

- Noordse Buurt

In de gemeente Nieuwkoop wordt de verouderde glastuinbouwlocatie Noordse Buurt gesaneerd. Dit vindt plaats om de kwaliteit van het landschap, de waterhuishouding, de waterkwaliteit en de ecologische structuur rondom het Natura2000-gebied de Nieuwkoopse Plassen te verbeteren. Om de glassanering in de Noordse Buurt te financieren, is met de gemeente Nieuwkoop overeengekomen 430 woningen boven op de behoefteramingopgave te realiseren aansluitend aan een vijftal kernen. Het gaat om Nieuwveen (De Verwondering), Ter Aar (West en Zuid-OostZuidoost), Noorden (Land van Koppen), Nieuwkoop (Buytewech Noord) en Langeraar (Noord-WestNoordwest).

 -Maasluis-Dijkpolder

In de gemeente Maassluis biedt de locatie Dijkpolder de mogelijkheid om invulling te geven aan een woningvraag die in deze subregio slechts in uitleglocaties gerealiseerd kan worden. In de Dijkpolder kan woningbouw ontwikkeld worden die aansluit bij de verhoudingen 80% binnenstedelijk bouwen en 20% in uitleglocaties, zoals in de Verstedelijkingsstrategie Zuidvleugel is opgenomen. Na de planperiode van het vigerende bestemmingsplan kan Dijkpolder verder ontwikkeld worden voor woningbouw.

- Zoeterwoude

Met de gemeente Zoeterwoude is in het kader van de bestuursovereenkomst inzake het HOV-Net Zuid-Holland Noord van 17 mei 2013 de afspraak gemaakt dat zij minimaal 300 woningen zal realiseren in Meerburg. 

- Duivenvoordecorridor

Met de gemeente Voorschoten en Leidschendam-Voorburg zijn bestuurlijke afspraken gemaakt voor de ruimtelijke invulling van de Duivenvoordecorridor. De afspraken zijn gericht op het realiseren van een duurzame landschappelijke structuur en het waarborgen van een duurzame recreatiefunctie in een overwegend groen landschap. Dit betekent dat, ondanks dat de Duivenvoordecorridor gelegen is in een gebied met beschermingscategorie 1, waar aanpassing en transformatie niet is toegestaan, deze afspraken wel uitgevoerd kunnen worden. Voorwaarden hiervoor zijn:

  • De ruimtelijke kwaliteit van dit gebied dient verbeterd te worden door het vervangen van de kassen en bedrijfsgebouwen die een oppervlak van 33 hectare innemen. Maximaal 15% van het oppervlak van de gesloopte opstallen mag voor woongebouwen worden bestemd. De rest van de gronden wordt benut voor het realiseren van groendoelstellingen.

  • Woningbouw is toegestaan mits de realisatie van de groenopgave en de recreatieve functie zich gelijktijdig zullen voltrekken.

  • De glastuinbouw wordt gesaneerd, buitenplaatsen en bosschages worden hersteld en ontwikkeld en er wordt voorzien in recreatieve faciliteiten.

  • Verrommeling van het landschap moet voorkomen worden. Stimuleren van ruimtelijke functies die bijdragen aan de openheid en het groene landelijk gebied, waarbij als doelstelling het saneren van ongewenste bebouwing geldt.

  • Het beleid is erop gericht om dit gebied te transformeren tot relatief grootschalig, groen gebiedgroengebied met diverse recreatiemogelijkheden.

-Kwintsheul – De Driesprong

De woningbouwlocatie De Driehoek bij Kwintsheul (gemeente Westland) heeft een omvang van bijna 7 ha en biedt ruimte aan ongeveer 230 woningen. De woningen zijn onder andere nodig om de doorstroming binnen de woningvoorraad van Kwintsheul te bevorderen. Voldoende sociale woningbouw (meer dan 30%) is voor de provincie voorwaarde voor ontwikkeling van deze locatie buiten bestaand stads- en dorpsgebied. In het kader van de regionale woonvisie zal dit worden vastgelegd.

-Brielle – Oude Goote

De woningbouwlocatie Oude Goote heeft een omvang van ongeveer 30 ha. Er worden ongeveer 700 woningen gerealiseerd, waarvan 30% sociale woningen. Bij de uitwerking van de woningbouwlocatie wordt een bijzondere overgang naar het landelijk gebied gerealiseerd, waarbij wordt gedacht aan een gespreide of geclusterde ontwikkeling in het zuidelijk deel van het plangebied.

- Topmilieus

Voor het leveren van een bijdrage aan een (internationaal) vestigingsklimaat zijn in de afgelopen decennia op meerdere plekken in Zuid-Holland topmilieus gerealiseerd, bijvoorbeeld in delen van de Westlandse Zoom. Het gaat dan om woningbouw, die zowel kwalitatief als financieel, tot het topsegment behoort. Veelal betreft dit kleinere aantallen woningen in het topmilieu. Grootschalige realisatie van een topmilieu is mogelijk op een deel van Valkenburg (zie ook elders in dit Programma).

Toezicht houden op de Huisvestingswet

Het toezicht houden betreft het toezicht op de wettelijke taak van gemeenten om vergunninghouders te huisvesten en om toezicht op de toepassing van de Huisvestingswet in het geval dat gemeenten een huisvestingsverordening vaststellen.

Het provinciale belang om te voorzien in voldoende betaalbare woningen en voldoende passende huisvesting op de juiste plekken voor alle doelgroepen is onderhevig aan ontwikkelingen op de woningmarkt die zich niet beperken tot gemeente- en/of regiogrenzen. Regionale samenwerking is daarom noodzakelijk in het streven naar een evenwichtige regionale woningmarkt. Ten behoeve van een evenwichtige regionale woningmarkt kunnen Gedeputeerde Staten in de toekomst zonodig gebruik maken van artikel 3 van de Huisvestingswet dat de mogelijkheid biedt om op verzoek van burgemeester en wethouders van een of meer gemeenten een woningmarktregio aan te wijzen. Het kan namelijk wenselijk zijn dat een woningmarktregio door de provincie wordt aangewezen, omdat het huisvestingsbeleid van de ene gemeente rechtstreekse gevolgen kan hebben voor de aangrenzende gemeente. 

-Huisvesting vergunninghouders (statushouders)

De provincie heeft in het aanvullend beleidskader 2020 beschreven hoe zij haar toezicht uitoefent door gebruik te maken van de bestuurlijke interventieladder. Als een gemeente haar wettelijke taak niet naar behoren uitvoert kan de provincie in het uiterste geval de wettelijke taak voor de gemeente uitvoeren op kosten van de gemeente; de zogenoemde indeplaatsstelling.

De bestuurlijke interventieladder waarborgt dat de gemeente voldoende mogelijkheden heeft gehad om zelf zorg te dragen voor het huisvesten van voldoende vergunninghouders, voordat de provincie over gaat tot de indeplaatsstelling.

-Vaststellen huisvestingsverordening

Als een gemeente een huisvestingsverordening opstelt dient zij zich te houden aan het bepaalde in de Huisvestingswet. Mocht een gemeente dat niet doen dan kan de provincie het besluit tot vaststellen van de huisvestingsverordening voordragen voor schorsing of vernietiging.

Om dit te voorkomen wordt de provincie graag betrokken bij de voorbereiding van het vaststellen van een huisvestingsverordening. Op grond van de (het wetsvoorstel tot wijziging van de) Huisvestingswet vragen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van wijziging of vaststelling van een Huisvestingsverordening advies aan Gedeputeerde Staten over de gevolgen voor de regionale woningmarkt, de woningbouwopgave en de toepassing van artikel 14 van de Huisvestingswet.

Indien de gemeenteraad voornemens is een huisvestingsverordening vast te stellen vanuit het oogpunt van het bestrijden van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan woonruimte, onderbouwendan onderbouwt het college van burgemeester en wethouders in de woonzorgvisie de maatregelen die zij nemen om deze schaarste tegen te gaan en. Ook wordt in de woonzorgvisie de inzet van de gemeente op het gebied van de lokale en regionale woningbouwopgave onderbouwd. Wij vragenDe provincie vraagt de gemeenten om dit ook in de lokale en regionale woonzorgvisie toe te lichten.  

De lokale en regionale woonzorgvisie bevat dan tenminste het volgende: 

  • Een definitie van het begrip schaarste aan woonruimten. Deze definitie dient aan te sluiten bij de bevindingen van het gebruik van de huisvestingsverordening en de monitor woonruimteverdeling.  

  • Eén of meer indicatoren waarmee de schaarste wordt gemeten.  

  • Een kwantitatief uitbreidingsprogramma om de voorraad goedkope woonruimten af te stemmen op de omvang van doelgroepen,. Dit is gericht op een significante afname binnen een benoemde termijn (vier jaar) van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan goedkope woonruimte. De bevindingen van het gebruik van de huisvestingsverordening en de monitor woonruimteverdeling leveren informatie op voor dit uitbreidingsprogramma. Bij dit uitbreidingsprogramma wordt rekening gehouden met de specifieke woningbehoeftenwoningvraag van bepaalde doelgroepen, bijvoorbeeld goed toegankelijke woningen voor senioren. 

In het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting heeft het Rijk het voornemen aangegevenstaat dat elke gemeentegemeenten voor bepaalde aandachtsgroepen verplicht een urgentieverordening heeft, waarbijmoeten hebben. Hierbij krijgt de provincie een coördinerende rol krijgt. De verdere uitwerking van dit voornemen volgt medio 2023. Door de val van het kabinet is planning en inwerkingtreding van het wetsvoorstel onduidelijk.

Opvang van asielzoekers

De provincie Zuid-Holland wil samen met gemeenten verantwoordelijkheid nemen in de maatschappelijke opgave om  meer en kwalitatief betere asielopvang te realiseren. Met inwerkingtreding van de Spreidingswet hebben gemeenten een (structurele) wettelijke taak in de opvang van asielzoekers gekregen. Voor 1 februari maakt het ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) het aantal benodigde opvangplekken voor de komende 2 jaar bekend, samen met de provinciale opgave en een indicatie per gemeente. Voor 1 november brengt de commissaris van de Koning verslag uit over de verdeling van de opvangplekken. Als er dan nog niet voldoende opvangplekken zijn, komt de staatssecretaris van JenV voor 31 december met een verdeelbesluit. De gemeenten hebben vervolgens zes maanden om de opvangplekken beschikbaar te stellen. JenV houdt toezicht op de uitvoering.

Voor het realiseren van voldoende asielopvang zijn in Zuid-Holland Regionale Regietafels (RRT’s) ingericht, die rapporteren aan de Provinciale Regietafel (PRT). De regio’s Haaglanden, Rotterdam-Rijnmond en Zuid-Holland Zuid hebben hierbij de structuur van de veiligheidsregio aangehouden. De regio’s Holland Rijnland en Midden-Holland hanteren de structuur van de woonregio’s. Elke RRT stelt een regioplan op waarin staat beschreven hoe aan de asielopgave wordt voldaan. Hierbij worden ook zoveel mogelijk de opgaven voor de opvang van Oekraïense ontheemden en de huisvesting van vergunninghouders betrokken. De provincie heeft, om dit te faciliteren, een ruimtelijke strategie asielopvang vastgesteld:

  • De voorkeur gaat uit naar het realiseren van duurzame locaties voor minimaal vijf jaar.

  • Locaties binnen bestaand stad- en dorpsgebied (BSD) zijn zeer kansrijk, zoals het transformeren van bestaand vastgoed en leegstaande kantoorpanden. Ook omdat voorzieningen, zoals winkels en scholen, vanaf deze locaties vaak goed bereikbaar zijn (te maken). Daarnaast zijn woningbouwlocaties buiten BSD die zijn opgenomen in het Omgevingsbeleid, de zogenaamde 3 hectare locaties, kansrijk om (tijdelijk) te benutten voor asielopvang.

  • Voor grotere locaties, die niet passen binnen het Omgevingsbeleid, zijn maatwerk oplossingen bespreekbaar. Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag van burgemeester en wethouders ontheffing verlenen. De voorwaarde die wij richting gemeenten daaraan verbinden is dat het gaat om locaties die minimaal vijf jaar beschikbaar zijn en minimaal 500 opvangplekken hebben. Bij uitzondering is een lager aantal bespreekbaar, mits dit past binnen de business case van het COA. Hierbij hanteren wij 250 opvangplekken of de gemeentelijke opgave als ondergrens. Om aan de opgave te kunnen voldoen, zijn grote locaties nodig. Dit ook vanuit de gedachte dat deze locaties het mogelijk maken om meer kleinschalige opvang te realiseren (kleine locaties kunnen leunen op de voorzieningen van grote locaties). 

  • De provincie onderzoekt welke beleidswijzigingen in het provinciaal beleid nodig zijn om snel in te kunnen spelen op locaties in de regionale plannen voor (duurzame) asielopvang. Hiervoor wordt gekeken of een aanpassing van het ruimtelijk beleid noodzakelijk is en of er door veranderde wetgeving geen nieuwe beperkingen optreden voor asielopvang. Wanneer nodig worden er wijzigingen meegenomen in de Herziening 2025 van het Omgevingsbeleid.

De provincie heeft een rol in het organiseren van de Provinciale Regietafel (PRT), het ondersteunen van de regio’s bij het opstellen van de regioplannen om tot voldoende asielopvang te komen, het samen met gemeenten verkennen van locaties en het uitwerken van maatwerk oplossingen voor grotere locaties. De verantwoordelijkheid voor de organisatie van de PRT ligt bij de commissaris van de Koning, de verantwoordelijkheid voor de ruimtelijke invulling van de regioplannen (wanner het raakt aan provinciaal beleid) bij Gedeputeerde Staten. Zolang er vanuit het Rijk geen extra financiële middelen komen, worden er geen nieuwe taken opgepakt.   

Subsidies

De provincie zet subsidies in voor het stimuleren van de planvorming en bouw van betaalbare huurwoningen, geclusterde woningen geschikt voor ouderen en collectieve woonvormen. Vanaf 1 januariAlle regelingen zijn alle bestaande regelingen onderdeel van de Subsidieregeling wonen Zuid-Holland. De voortgang van de subsidies wordt in de Planning & Control-producten beschreven.

Kennisdeling

De provincie zorgt voor actieve kennisdeling over de verschillende woononderwerpen door middel van bijvoorbeeld bijeenkomsten, websites of leerkringen.

6.1.1.2 Regioplannen en provinciaal plan asielopvang

Wat gaat de provincie doen?

De provincie Zuid-Holland wil samen met gemeenten verantwoordelijkheid nemen in de maatschappelijke opgave om meer en kwalitatief betere asielopvang te realiseren. Met inwerkingtreding van de Spreidingswet hebben gemeenten een (structurele) wettelijke taak in de opvang van asielzoekers gekregen. 

Voor het realiseren van voldoende asielopvang zijn in Zuid-Holland Regionale Regietafels (RRT’s) ingericht, die rapporteren aan de Provinciale Regietafel (PRT). De regio’s Haaglanden, Rotterdam-Rijnmond en Zuid-Holland Zuid hebben hierbij de structuur van de veiligheidsregio aangehouden. De regio’s Holland Rijnland en Midden-Holland hanteren de structuur van de woonregio’s.

Rol

Samenwerkend

Uitwerking

Elke RRT stelt een regioplan op waarin staat beschreven hoe aan de asielopgave wordt voldaan. Hierbij worden ook zoveel mogelijk de opgaven voor de opvang van Oekraïense ontheemden en de huisvesting van vergunninghouders betrokken. De provincie hanteert, om dit te faciliteren, de volgende ruimtelijke uitgangspunten:

  • Asielopvang betreft een nieuwe stedelijke ontwikkeling met een maatschappelijke functie (een beheerde opvanglocatie, geen zelfstandige huisvesting).

    • De voorkeur gaat uit naar het realiseren van duurzame locaties voor minimaal vijf jaar en de locatie past binnen de business case van het COA.

    • Locaties binnen bestaand stad- en dorpsgebied (BSD) zijn zeer kansrijk, zoals het transformeren van bestaand vastgoed en leegstaande kantoorpanden. Ook omdat voorzieningen, zoals winkels en scholen, vanaf deze locaties vaak goed bereikbaar zijn (te maken). Daarnaast zijn woningbouwlocaties buiten BSD die zijn opgenomen in het Omgevingsbeleid, de zogenaamde 3 hectare locaties, kansrijk om (tijdelijk) te benutten voor asielopvang.

    • Voor locaties, die niet passen binnen het Omgevingsbeleid, zijn maatwerk oplossingen bespreekbaar. Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag van burgemeester en wethouders onder voorwaarden ontheffing verlenen, voor een periode van maximaal 15 jaar na ingebruikname van de opvanglocatie.

Maatwerk is mogelijk door vroegtijdig in goed overleg met de provincie te treden. Het maatwerk kan bestaan uit:

  • Opvang van asielzoekers op bedrijventerreinen op percelen die incourant zijn voor bedrijven, mits de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven niet onevenredig wordt beperkt. Een goed woon- en leefklimaat dient door de gemeente verzekerd te worden (nabijheid voorzieningen, zichtbaarheid, sociale veiligheid).

  • Bij uitzondering aan de rand van BSD in het beschermingsgebied onbebouwde ruimte, indien binnen BSD geen ruimte beschikbaar is. Dit kan alleen met toepassing van de afwijkingsmogelijkheden in de verordening, of met toepassing van de ontheffingsbevoegdheid.

  • Nevenactiviteiten (zoals flexwoningen) die worden meegenomen in de tijdelijke aanvraag voor een opvanglocatie voor asielzoekers, mits:

    • Asielopvang (maatschappelijke functie) de hoofdactiviteit is en andere functies die gekoppeld worden aan de aanvraag een nevenactiviteit.

    • De asielopvang en de nevenactiviteit vormen ruimtelijk één ontwikkeling. (Bijvoorbeeld omdat de asielopvang locatie en de nevenactiviteit aaneengesloten op één perceel of direct naastgelegen percelen zijn gelegen of omdat het past in één gebiedsontwikkeling of gebiedsaanwijzing).

    • Uitgangspunt hierbij is dat de beoogde termijn voor een nevenactiviteit (bijvoorbeeld flexwoningen) niet langer is dan de termijn voor de hoofdactiviteit asielopvang.

Na afloop van de vergunde periode dient de gemeente te verzekeren in een overeenkomst met grondeigenaren en gebruikers dat de oorspronkelijke functie binnen een jaar wordt hersteld. Het is overigens ook bespreekbaar om op een plek die minimaal 10 jaar is gebruikt voor asielopvang aan de rand van een kern, op basis van het straatje erbij of ertussen, daarna woningbouw mogelijk te maken.

  • De provincie blijft monitoren of er beleidswijzigingen nodig zijn in het provinciaal beleid om snel in te kunnen spelen op locaties in de regioplannen voor (duurzame) asielopvang. Hiervoor kan bij een volgende wijziging van het Omgevingsbeleid worden gekeken of aanpassingen van het ruimtelijk beleid noodzakelijk zijn.

  • De provincie heeft een rol in het organiseren van de Provinciale Regietafel (PRT), het ondersteunen van de regio’s bij het opstellen van de regioplannen om tot voldoende asielopvang te komen, het samen met gemeenten verkennen van locaties en het uitwerken van maatwerk oplossingen voor locaties. De verantwoordelijkheid voor de organisatie van de PRT ligt bij de commissaris van de Koning, de verantwoordelijkheid voor de ruimtelijke invulling van de regioplannen, als het raakt aan het provinciale Omgevingsbeleid, bij Gedeputeerde Staten.

6.1.1.3 Aanpak huisvesting arbeidsmigranten

Wat gaat de provincie doen?

De provincie werkt samen met het rijk, maatschappelijke partners en vakbonden aan de uitwerking van de zogenoemde Roemernormen. Het gaat bijvoorbeeld om certificatie van uitzendbureaus en betere registratie van arbeidsmigranten zodat zicht ontstaat op de aantallen en behoefte aan huisvesting. Om hierbij te helpen dienen gemeenten bij nieuwe bedrijvigheid in beeld te brengen hoeveel arbeidsmigranten er komen werken en hoe zij worden gehuisvest. De provincie adviseert gemeenten en andere initiatiefnemers over de gekozen locaties voor de huisvesting van arbeidsmigranten. Het is van belang dat deze locaties passen binnen de beleidskaders van de provincie. Ook verkent de provincie of gemeenten bij de realisatie van locaties knelpunten ervaren en hoever gemeenten zijn met beleidskaders voor arbeidsmigranten. Hierbij wordt verkend in hoeverre het huidige beleid ten aanzien van ruimtelijke mogelijkheden voldoende is en of wordt samengewerkt om huisvesting aan te jagen en te versnellen.

Rol

Samenwerkend

Uitwerking

Beleid huisvesting arbeidsmigranten: locaties

Huisvesting van arbeidsmigranten (zowel tijdelijk als permanent) wordt beschouwd als een stedelijke functie die – in overeenstemming met de ladder voor duurzame verstedelijking – in beginsel binnen bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) moet worden gerealiseerd. Dat kan in de bestaande woningvoorraad, maar ook via transformatie van leegkomende andere panden of (tijdelijk) op nog niet ontwikkelde locaties voor bijvoorbeeld woningbouw of bedrijventerreinen.

Onder voorwaarden is short- en midstay huisvesting ten behoeve van arbeidsmigranten mogelijk in de greenports (glastuinbouw, bollenteelt en boom- en sierteelt). Hierdoor kunnen arbeidsmigranten dichter in de buurt van het werk worden gehuisvest. Hergebruik of transformatie van kassen naar andere functies dan teelt is niet mogelijk. Dit geldt eveneens voor de als categorie 1 gekwalificeerde bedrijfsbebouwing ten behoeve van de herstructureringsopgave in het door de gemeente en de provincie vastgestelde Werkboek Westland.

Voor nieuwbouw kan ook gedacht worden aan (tijdelijke) huisvesting op bouwlocaties die nog niet/ niet- geheel zijn ontwikkeld. Huisvesting van arbeidsmigranten op bedrijventerreinen is toegestaan op percelen waarvoor bedrijven weinig belangstelling tonen (incourant) of bij meervoudig ruimtegebruik. Bij het laatste valt te denken aan huisvesting boven op een loods of verzamelgebouw). In alle gevallen geldt: mits de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven niet onevenredig wordt beperkt en een goed woon- en leefklimaat kan worden geboden (nabijheid voorzieningen, zichtbaarheid, sociale veiligheid). De voorgaande vormen van huisvesting zullen in de regel niet op een “woonbestemming” worden gerealiseerd, maar eerder op een bestemming “verblijf, logies” etc.

Bij een piekbehoefte kan tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten voor maximaal drie maanden worden gerealiseerd bij het bedrijf (op het betreffende terrein/perceel) dat de arbeidskrachten gedurende deze piekperiode nodig heeft. Daarna moet de bebouwing weer worden verwijderd en de huisvesting beëindigd. Wel is het van belang dat de huisvesting geen belemmering vormt voor de (agrarische) bedrijfsvoering in de omgeving.

Hergebruik van bestaande of leegstaande gebouwen ten behoeve van de (tijdelijke) huisvesting van arbeidsmigranten buiten BSD is in beginsel mogelijk. Hierbij is de nabijheid van voorzieningen wel gewenst. Ruimtelijke kwaliteitseisen zijn van toepassing. Gebruik van recreatiecomplexen voor de al dan niet tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten en eventuele andere groepen die tijdelijke huisvesting zoeken, is ongewenst indien dit de hoofdfunctie van het complex (toeristisch-recreatief gebruik) in de weg zit.

Beleid huisvesting arbeidsmigranten: kwaliteit SNF

Om de omstandigheden waarin arbeidsmigranten wonen te verbeteren zijn de volgende zaken van belang. Allereerst is een goed woon- en leefklimaat voor arbeidsmigranten van belang. Huisvesting voor arbeidsmigranten dient dan ook minimaal te voldoen aan de normen van de Stichting Normering Flexwonen (SNF). Minimaal, omdat de provincie graag ziet dat gemeenten en marktpartijen hogere kwaliteitsnormen stellen, zoals ook aanbevolen door het Aanjaagteam bescherming arbeidsmigranten, vastgelegd in het rapport ‘Geen tweederangsburgers’, oktober 2020.

Organisaties die de huisvesting van arbeidsmigranten verzorgen kunnen een certificaat van de SNF behalen als zij laten zien dat zij aan de kwaliteitsnormen van SNF voldoen. Het certificaat kan worden ingetrokken indien er op grond van de controle niet wordt voldaan aan de SNF-normen. Het intrekken van het certificaat door SNF betekent echter niet per se dat de locatie vanuit dit Omgevingsbeleid ongeschikt is.

Eén persoon per kamer

Het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten noemt ook de norm van één persoon per slaapkamer met een minimale oppervlakte van 5,5 m² (ongeveer drie keer de oppervlakte van een éénpersoonsbed) en minimaal 15m2 leefoppervlakte per persoon in de woonvoorziening (inclusief genoemde 5,5 m²). Onder deze leefoppervlaktes vallen bijvoorbeeld ook gangen en gelijksoortige gezamenlijke voorzieningen. De provincie Zuid-Holland hecht ook een groot belang aan de huisvestingskwaliteit en wil hierin ook deze Roemernorm volgen.

In de sector wordt ook aansluiting gezocht bij de uitgangspunten van "Roemer". Er wordt een nieuwe standaard geschapen die gaat bijdragen aan kwaliteitsverbetering en daarmee bijdraagt aan het versterken van de bonafide partijen op het vlak van huisvesting van arbeidsmigranten.

Het is daarom wenselijk dat gemeenten uitgaan van deze normen bij nieuwbouw van huisvesting voor arbeidsmigranten en bij bestaande locaties voor de huisvesting van arbeidsmigranten waarvoor een nieuwe vergunning wordt afgegeven. Zowel bij nieuwbouw als bij de overige bestaande locaties zoals genoemd, gaat het steeds om minimaal 10 bedden. Situaties waarin huisvesting uit de bestaande voorraad wordt herbestemd zonder dat een nieuwe vergunning nodig is, vallen hier niet onder. Onder groepsaccommodaties wordt verstaan accommodaties die permanent of tijdelijk zijn, bedoeld voor huisvesting van arbeidsmigranten, al dan niet gemengd met andere doelgroepen, zoals bijvoorbeeld spoedzoekers en jongeren/studenten, waar de beschikking is over gezamenlijke ruimtes zoals een woonkamer en gedeeld sanitair.

In geval van een stel is het mogelijk om twee personen per slaapkamer te huisvesten. In dat geval is voor de oppervlakte van de slaapkamer dan wel twee keer minimaal 5,5 m² en voor de leefoppervlakte twee keer 15m² wenselijk. Dat kan ook zijn in de vorm van twee slaapkamers (opgeteld minimaal twee keer 5,5 m² en twee keer de leefruimte per persoon van 15m²). Bij huisvesting in de vorm van de zogenaamde piekseizoenregeling (maximaal 3 maanden) lijkt het redelijk om de vigerende voorwaarden van SNF op dit gebied aan te houden en niet uit te gaan van 1 persoon per kamer.

Het doel is de kwaliteit van huisvesting – en daarmee de leefbaarheid, welzijn, welbevinden en privacy - voor arbeidsmigranten te verbeteren. Door te zorgen voor voldoende persoonlijke ruimte, en respect voor de privacy wordt een gezonde leefomgeving bevorderd. Dit kan bijdragen aan het verminderen van stress en het verbeteren van de algehele mentale en fysieke gezondheid van arbeidsmigranten. Uit meerjarig onderzoek van RISBO blijkt dat arbeidsmigranten die op of net boven het wettelijk minimumloop (WML) worden betaald, zich bij langer verblijf in Nederland minder gewaardeerd voelen en hun (mentale) gezondheid achteruitgaat. Dit effect doet zich vooral in de provincie Zuid-Holland voor. RISBO vermoedt dat dit te maken heeft met werkomstandigheden en de leeftijd van de langer verblijvende groep. Onze verwachting is dat goede huisvesting met meer privacy kan bijdragen aan beter welbevinden.

Het is niet gewenst een verdienmodel in stand te houden als een arbeidsmigrant wordt gehuisvest tegen (te) lage kosten. Dit gaat ten koste van onder meer de leefomstandigheden van deze arbeidsmigrant en de spankracht van de samenleving. Het belang van een goede woon- en leefkwaliteit weegt hier dan ook op tegen het bezwaar dat mogelijk meer druk ontstaat op het goedkopere segment en mogelijke prijsstijgingen. De kostenstijging zal met groepsaccommodaties en een minimumaantal jaren niet fors zijn, is de verwachting.

Er zijn gesprekken gevoerd met markt- en overheidsorganisaties. Zij geven onder meer aan dat de wens van één persoon per kamer bijdraagt aan het welzijn van de arbeidsmigrant. Door verbeterde omstandigheden in eigen land willen veel arbeidsmigranten kamers vaak niet meer delen; andere arbeidsmigranten zijn hier vanwege het kostenvoordeel nog wel toe bereid.

Tegelijk geven zij aan dat de kosten per kamer mogelijk stijgen. De Vereniging van Huisvesters Arbeidsmigranten geeft aan dat dit met een slim ontwerpproces meevalt. Een huisvester geeft aan dat voor de terugverdiencapaciteit de minimale termijn van een locatie van 15 jaar van belang is. In Zuid-Holland is in de greenports 15 jaar het maximum; op bedrijventerreinen geldt nu 10 jaar maximaal (daar wordt dit lastiger in geval van een groepsaccommodatie vanaf 10 bedden met een nieuwe vergunning).

Mocht sprake zijn van kostenstijging, dan wordt deze waarschijnlijk doorberekend aan de huurder/werkgever (uitzender of inlener) maar komt deze niet bij de arbeidsmigrant terecht. De kosten kunnen maar heel beperkt worden doorberekend aan de arbeidsmigrant. Bij de Algemene Bond Uitzendondernemingen (ABU) en de Nederlandse Bond van Bemiddelings- en Uitzendondernemingen (NBBU) is de huurprijs gebonden aan een maximum, volgens het daar geldende Prijs-kwaliteitsysteem (PKS). Ook het puntenstelsel van het landelijke woningwaarderingsstelsel voor Onzelfstandige eenheden (WWSO) is van toepassing op onzelfstandige woningen (ook voor de partijen die niet vallen onder het PKS). Voor de arbeidsmigrant zelf geldt dus een maximale huurprijs. Een huisvester geeft aan dat hij binnen deze maxima goed eenpersoonskamers kan bouwen. Waar de hogere kosten precies terecht komen (uitzendbureau, inlener) is niet goed te voorspellen volgens marktpartijen zoals VNO-NCW, ABU en de FNV. Als de inlener arbeidsmigranten echt nodig heeft zal deze de wat hogere huurprijs betalen. Door uit te gaan van groepsaccommodaties met ten minste 10 bedden moet in beginsel een goede businesscase op te bouwen zijn. De businesscase verbetert naarmate de vergunde duur langer is en ter plaatse naar een optimum in het aantal bewoners kan worden gestreefd.

Ook is aangegeven dat door de kwaliteitseisen van huisvesting te verhogen, bonafide huisvesters worden gestimuleerd. Dit zijn huisvesters die ook op andere vlakken kwaliteit hoog in het vaandel hebben staan. De stimulering van één persoon per kamer draagt daarmee bij aan een bredere kwaliteitsslag. Er zijn al huisvesters die dit in hun eigen bouwbeleid hebben opgenomen als norm. Ook SNF en AKF zijn op weg deze norm in te voeren.

Grote zorgen worden geuit op gebied van het verdwijnen van de huidige huurcontractmogelijkheden (naar aard van korte duur) voor arbeidsmigranten en het inzetten op langlopende contracten die uitgaan van wonen (niet logies) als bestemming. Een huurcontract naar burgerlijk recht voor onbepaalde tijd kan immers alleen op de bestemming "wonen” worden afgesloten. De meeste huidige locaties zijn dan niet meer legaal (hebben bijvoorbeeld een bestemming "verblijf"/"logies"/"recreatie"/"horeca") en er zal moeten worden uitgeweken naar locaties waar een woonbestemming op zit of kan komen. Dit vormt dan een nieuwe concurrerende woonvorm (bij één persoon per kamer zijn ook alternatieve doelgroepen mogelijk). Draagvlak in een woonwijk voor grootschalige locaties zal lastiger worden. Hier heeft de provincie echter geen taak of bevoegdheid.

Scheiding bed en baan

Scheiding van bed en baan is een belangrijk uitgangspunt om misstanden en uitbuiting van arbeidsmigranten tegen te gaan. Zo is het zeer ongewenst dat beëindiging van het werkcontract van arbeidsmigranten samenvalt met snelle beëindiging van het wooncontract, waardoor arbeidsmigranten snel op straat komen te staan. In de Wet goed verhuurderschap is juridisch geregeld dat de huurcontracten niet meer afhankelijk mogen zijn van de arbeidscontracten en separaat dienen te worden gesloten. Misstanden kunnen aangekaart worden via een klachtprocedure bij een door de wet ingesteld meldpunt. Aanvullend kunnen gemeenten in een verhuurdersverordening een vergunningplicht in het leven roepen waardoor het mogelijk is om verhuurders te toetsen aan de eisen van goed verhuurderschap.

Huisvestingseffect en vraag

Bij de komst of uitbreiding van nieuwe bedrijvigheid bestaat er een verplichting om bij initiatieven die leiden tot een aanzienlijke toename van de huisvestingsvraag, onderzoek te doen naar het effect op de huisvesting en tevens aan te geven hoe in de extra vraag wordt voorzien. Dit dient regionaal te worden afgestemd.

Waar dit in de rapportage van Emile Roemer de ‘bedrijfseffectrapportage’ wordt genoemd, kiest de provincie voor ‘huisvestingseffect’ omdat dit beter aangeeft waar het om gaat.

Het huisvestingseffect zoals verordend, ziet alleen op gevallen van nieuwe bedrijvigheid of uitbreiding daarvan waarbij het omgevingsplan wijzigt. Vaak is dit in een later stadium van de planvorming als er al bedrijvigheid in zicht is en (nog) geen ruimte beschikbaar is voor de huisvesting van arbeidsmigranten.  Het is daarom van belang dat gemeente deze aspecten ook al vroeg regionaal bespreken, bijvoorbeeld wanneer (regionale) gesprekken worden gevoerd over de economie en bedrijvigheid. Zo kan de gemeente de huisvesting van arbeidsmigranten laten meewegen in overwegingen en besluiten rondom (nieuwe) bedrijvigheid. Het huisvestingseffect wordt hierdoor al aan de voorkant van planvorming meegenomen.

Daarnaast is het van belang dat gemeenten de gehele vraag naar huisvesting voor arbeidsmigranten actueel houden en voorzien in voldoende mogelijkheden hiervoor. Het is gewenst dit ook af te stemmen met omliggende gemeenten en/of in de regio.

De Monitor huisvesting aandachtsgroepen bevat een deel van de opgave, maar bevat nog niet alle arbeidsmigranten. Waar mogelijk wordt verwacht dat de gemeente deze data aanvult met eigen data en combineert met de Monitor (in de databank van de monitor zijn soms ook meer data beschikbaar dan meegenomen in de Monitor). Hiermee wordt scherper inzicht verkregen in de totale huisvestingsvraag van arbeidsmigranten die tijdelijk in de gemeente werken en ook in de huisvestingsvraag van de arbeidsmigranten die langdurig in de gemeente wonen of willen wonen. De huisvestingsvraag en wenselijke woonomstandigheden van deze groepen verschillen sterk van elkaar, bijvoorbeeld door verschillen in gezinssamenstelling. Om in te kunnen spelen op de verschillende huisvestingswensen van arbeidsmigranten is het dus van belang dat gemeenten daarin differentiëren en zowel de huisvestingsvraag voor zowel tijdelijk als langdurig verblijf onderzoeken en registreren.

Daarbij is belangrijk dat gemeenten ook een overzicht hebben van de bestaande en geplande huisvestingsmogelijkheden voor arbeidsmigranten, voor zowel tijdelijk als langdurig verblijf. Op die manier wordt inzicht verkregen in eventuele regionale hiaten en welk aanvullend aanbod daarvoor nodig is. Wij gaan ervan uit dat deze vraag wordt geaccommodeerd (inclusief het huisvestingseffect voor specifieke situaties) en dat vraag en mogelijkheden door een gemeente worden beschreven – telkens op het beleids- of uitvoeringsniveau dat daarmee overeenstemt - in omgevingsvisies, woonzorgvisies (c.q. volkshuisvestingsprogramma’s), omgevingsplannen of onderbouwingen van afwijkingen daarop en planregistraties.

DDDD

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Beleidsdoel 6-26.2 Ruimte en landschap

EEEE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

6-2 6.2 Ruimte en landschap

De provincie wil de schaarse ruimte in de stedelijke en landelijke gebieden optimaal beschermen en benutten voor de verschillende opgaven in de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat kwaliteit boven kwantiteit, houdt de provincie rekening met het water- en bodemsysteem en zet zij in op zowel het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit als het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysiekeen aantrekkelijke leefomgeving.

In haar rol als gebiedsregisseur en vanuit de verantwoordelijkheid voor een goede ruimtelijke ordening, weegt de provincie zorgvuldig af welke ruimtelijke ontwikkelingen op welke plek wenselijk zijn. Daarbij stuurt zij op:

Integrale ruimtelijke keuzes

De provincie wil voorbereid zijn op de toekomst en daarvoor integrale keuzes maken die bijdragen aan het vergroten van de brede welvaart in gebieden.

Ruimtelijke kwaliteit en landschap

De provincie zet in op het behouden en versterken van de ruimtelijke kwaliteit van de landschappen en het stedelijk gebied in Zuid-Holland.

Groenblauwe netwerken

De provincie wil dat toegankelijke en hoogkwalitatieve groenblauwe netwerken in en tussen steden en landschappen in Zuid-Holland tot stand komen.

Toekomstbestendige stedelijke ontwikkeling

De provincie streeft naar een toekomstbestendige en gezonde stedelijke ontwikkeling in Zuid-Holland, met een compact, klimaatbestendig en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied, waarbij de ruimte zuinig en meervoudig wordt gebruikt en zo min mogelijk bodem wordt bedekt. 

Vitaal landelijk gebied

De provincie zet in op een klimaatbestendig en zorgvuldig ruimtegebruik in het landelijk gebied van Zuid-Holland, zodat de vitaliteit verbetert en voldoende ruimte beschikbaar blijft voor landbouw, natuur en recreatie en voor de energie-, water-, klimaat- en groenopgaven. 

Toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling

De provincie streeft naar een toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling waarbij de beperkt beschikbare ruimte beter en efficiënter wordt benut. Bestaande steden en dorpen ontwikkelen zich hierbij optimaal binnen de ruimte die daarvoor al is gereserveerd. Tegelijkertijd wil de provincie de kwaliteiten van het landschap behouden en versterken en ruimte beschikbaar houden voor het realiseren van prioritaire opgaven die voorwaardelijk zijn voor een toekomstbestendige ontwikkeling van Zuid-Holland.

Ruimtelijke kwaliteit en landschap

De provincie wil de ruimtelijke kwaliteit van stedelijke en landelijke gebieden behouden en versterken. Dit geldt in principe voor het grondgebied van de gehele provincie, dat wil zeggen zowel voor de bebouwde als onbebouwde ruimte. Ruimtelijke kwaliteit is het resultaat van goede ruimtelijke ordening en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning positief bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving.

Groenblauw netwerk

De provincie streeft naar een voor mens en dier toegankelijk, hoogkwalitatief en robuust groenblauw netwerk binnen en tussen steden, dorpen en landschappen. Dit groenblauw netwerk kan tegen een stootje en draagt bij aan een aantrekkelijk, natuurinclusief, gezond en klimaatbestendig Zuid-Holland.

Ontwikkelingen houden rekening met water en bodem

In het licht van klimaatverandering, bodemdaling en toenemende druk op de leefomgeving is het essentieel dat water en bodem een centrale rol spelen in de ruimtelijke ordening van Zuid-Holland. Rekening houden met water en bodem betekent dat bij het plannen en inrichten van gebieden de natuurlijke kenmerken en draagkracht van het landschap leidend zijn. Dit vraagt om een fundamentele omslag: niet langer aanpassen aan de ruimtewensen van mens en economie, maar bouwen en ontwikkelen binnen de grenzen die water- en bodemsystemen stellen. Dat betekent dat ruimte die nodig is voor het water- en bodemsysteem vrij wordt gehouden van ruimtelijke functies die daar niet mee gecombineerd kunnen worden. En dat ruimtelijke functies tijdig anticiperen op onvermijdbare veranderingen in bodem- en watercondities die niet meer kunnen worden opgevangen, gemitigeerd of voorkomen.

FFFF

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Maatregelen van 6-26.2 Ruimte en landschap

GGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

6.2.1.1 Samenwerken aan een aantrekkelijke en beleefbare Vlietzone

Wat gaat de provincie doen?

De Vlietzone is een groenblauwe en deels stedelijk zone tussen Leiden en Delft met bijzondere kwaliteiten op het gebied van landschap, cultuurhistorie en natuur. Het gebied is essentieel voor de leefbaarheid van de regio, omdat het ruimte biedt voor ontspanning, verkoeling, biodiversiteit en wateropvang. Voor mens en dier vormt de Vlietzone een essentiële schakel tussen stad en land en tussen de verschillende groengebieden.

De provincie neemt de regie om, op basis van het vastgestelde toekomstbeeld Vlietzone, samen met de gemeenten, waterschappen, bewoners en gebruikers te werken aan de verdere ontwikkeling van de Vlietzone tot een aantrekkelijk, herkenbaar en beleefbaar stadslandschapspark voor de regio.

Rol

Samenwerkend

Uitwerking

Bij de verdere ontwikkeling van de Vlietzone staan de leidende principes uit het Toekomstbeeld Vlietzone centraal. Dit zijn:

  • 1.

    Een robuust watersysteem als sturend principe;

  • 2.

    Een sterke identiteit van de Vlietzone;

  • 3.

    Groenblauwe dooradering;

  • 4.

    Sterke en zichtbare cultuurhistorische en archeologische basis;

  • 5.

    De Vliet als ruimtelijke drager.

[Vervallen]

HHHH

Voor sectie '6.2.1.3 Transformeren, herstructureren en verdichten van locaties' worden twee secties ingevoegd, luidende:

6.2.1.1 Gebiedsgerichte uitwerking ruimtelijke koers

Wat gaat de provincie doen?

De provincie is gestart met gebiedsgerichte uitwerkingen van de ruimtelijke koers. De ruimtelijke afwegingen die hiervoor plaatsvinden worden besproken in vijf BO-RO-tafels (Bestuurlijk Overleg Ruimtelijke Ordening). De bijbehorende gebieden zijn: Haagse regio, Rotterdamse regio, Duin- en Bollenstreek met Leidse regio, Veenweiden en Delta.

Bij het maken van de gebiedsgerichte uitwerkingen werkt de provincie primair samen met gemeenten en waterschappen. Hiervoor is zowel vanuit de provincie als vanuit de partners voldoende en kwalitatief goede inzet vereist. De gebiedssamenwerking op ruimtelijke ordening is in ontwikkeling. Deze samenwerking is complementair aan andere gebiedsprocessen, zoals het Zuid-Hollands Programma Landelijk Gebied (ZH-PLG) en NOVEX.

In het kader van de Ruimtelijke Puzzel ontwikkelt de provincie digitale informatieproducten die het programma en de bijbehorende opgaven ondersteunen. Hiermee faciliteert de provincie de gebiedsprocessen en draagt zij bij aan maatschappelijk gewenste transparantie.

Rol

Samenwerkend

Uitwerking

Vanuit de complexe opgaven voor de fysieke leefomgeving ontwikkelt de provincie een geïntegreerde aanpak waarin het maken van afwegingen vorm krijgt. De aanpak richt zich op een evenwichtige inrichting van de ruimte, waarbij onder andere wonen, werken, mobiliteit, energie en klimaatadaptatie in samenhang worden aangepakt, met behoud van voldoende ruimte voor landbouw, natuur en recreatie en oog voor de specifieke kenmerken van de regio. Afwegingen in de fysieke leefomgeving zijn noodzakelijk om een goede balans te vinden tussen de groeiende vraag naar woningen, duurzame mobiliteit, natuur, een duurzame energievoorziening, een toekomstbestendige landbouw en een veerkrachtige leefomgeving.



De provincie kiest voor een zorgvuldige en participatieve aanpak, waarbij zij samen met partners op een lerende manier werkt aan de toekomst. Hierbij zijn bestaande doelen zoals op het gebied van ruimtelijke ordening, woningbouw, mobiliteit, energietransitie, landbouw, natuur en water en bodem sturend uitgangspunt. Deze doelen vloeien voort uit (inter-) nationale verplichtingen, vastgelegd in wetgeving en bestuursakkoorden.

De kracht van deze maatregel ligt in de samenhangende en gebiedsgerichte aanpak;

  • Samenhangend, omdat de provincie de doelen voor onder andere wonen, mobiliteit, energie en klimaatadaptatie integraal met partners uitwerkt;

  • Gebiedsgericht, omdat de aanpak is afgestemd op de specifieke kenmerken van de regio’s binnen de provincie, zoals meer verstedelijkte gebieden, of meer agrarische gebieden en industriële gebieden.

Om deze aanpak te laten slagen worden per gebied Bestuurlijk Overleg Ruimtelijke Ordening georganiseerd. Deze tafels worden ingezet voor:

  • Het kanaliseren van informatie en participatie bij beleidsvorming;

  • Het versnellen van keuzes voor bovenlokale opgaven waar ruimtelijke afwegingen en een provinciale regierol nodig zijn, zoals bij de inpassing en aanleg van duurzame energievoorzieningen;

  • Het gezamenlijk opstellen van gebiedsprogramma’s en gebiedsafwegingen, inclusief bijhorende kaarten en uitvoeringsafspraken. Hierin wordt vastgelegd wat prioriteit heeft en waar en hoeveel ruimte er voor de verschillende opgaven wordt gereserveerd. Uitgangspunt hierbij is dat zorgvuldig wordt omgegaan met eventuele functiewijziging van landbouwgrond naar andere functies. In een gebied kunnen meerdere landschapstypen met specifieke opgaven voorkomen. Afhankelijk van de kwaliteiten en draagkracht van de voorkomende landschapstypen kunnen de opgaven per gebied op verschillende manieren worden uitgewerkt. De provincie onderscheidt hierbij de volgende landschapstypen:

    • Delta;

    • Veenweide en droogmakerijen:

      • Waarden (Krimpenerwaard, Alblasserwaard);

      • Overig veenweidegebied;

      • Droogmakerijen;

    • Kust en duinen.

Naast bovengenoemde landschapstypen zijn door menselijk ingrijpen in hoogstedelijke en grootindustriële gebieden andere verschijningsvormen ontstaan, waarbij het oorspronkelijke landschap niet langer of nog slechts beperkt waarneembaar is. Hier wordt in de landschapstafels aandacht aan besteed.

6.2.1.2 Richting geven aan kleinschalige ontwikkelingen in de onbebouwde ruimte

Wat gaat de provincie doen?

De provincie hanteert het ‘nee, tenzij’-beleid voor ontwikkelingen met stedelijke functies in het beschermingsgebied onbebouwde ruimte, zoals vastgelegd in artikel 7.41dd van de Omgevingsverordening. Op dit beleid zijn enkele uitzonderingen van toepassing, waaronder voor kleinschalige ontwikkelingen met stedelijke functies van het type inpassen. Deze maatregel richt zich op twee vaker voorkomende vormen van kleinschalige ontwikkelingen – herontwikkeling van vrijkomende agrarische bebouwing (VAB) en uitbreiding van niet-agrarische bedrijven op solitaire locaties – waarvoor richtsnoeren zijn opgesteld.

De provincie:

  • Hanteert een richtsnoer voor de herontwikkeling van vrijkomende agrarische bebouwing en een richtsnoer voor uitbreiding van niet-agrarische bedrijvigheid in het beschermingsgebied onbebouwde ruimte van Zuid-Holland.

  • Toetst ruimtelijke initiatieven aan deze richtsnoeren en beoordeelt of plannen voldoen.

  • Stimuleert het opstellen van gebiedsgerichte kaders in regio’s waar meerdere herontwikkelings- of uitbreidingsinitiatieven spelen, zeker in gebieden met veel stoppende agrarische bedrijven.

  • Stuurt op behoud of verbetering van ruimtelijke kwaliteit bij de herontwikkeling van vrijkomende agrarische bebouwing, met inachtneming van cultuurhistorische waarden, uitstraling van boerderij-erf, landschap en de identiteit van het gebied.

  • Voorkomt dat individuele ontwikkelingen samen leiden tot een grotere ruimtelijke impact, met versnippering van functies en verlies van landschappelijke en cultuurhistorische waarden.

  • Beperkt uitbreidingsmogelijkheden van niet-agrarische bedrijven in de onbebouwde ruimte die keer op keer worden vergroot en stimuleert verplaatsing van deze bedrijven naar bedrijventerreinen.

  • Stemt ruimtelijke keuzes voor herontwikkeling af met andere provinciale opgaven, zoals landbouw, het verbeteren van natuurdoelen en waterkwaliteit, stikstofreductie, klimaatadaptatie en -mitigatie, het tegengaan van bodemdaling en de energietransitie.

  • Voert overleg met gemeenten en regio’s over de toepassing van het richtsnoer.

Rol

Rechtmatig

Uitwerking

De provincie stuurt op de herontwikkeling van vrijkomende agrarische bebouwing buiten de gebieden voor glastuinbouw, boom- en sierteelt en bollenteelt. Hoewel de impact van herontwikkeling per individueel perceel vaak beperkt blijft, kan de optelsom van meerdere ontwikkelingen een aanzienlijke impact hebben op de ruimtelijke kwaliteit en ontwikkelrichting van een gebied, zeker in gebieden waar veel agrarische bedrijven stoppen. Daarom vraagt de provincie individuele plannen op elkaar af te stemmen en stimuleert zij het opstellen van gebiedsgerichte kaders. Bij functieverandering van bebouwing en ruimte in het onbebouwd gebied wordt ten doel gesteld de ruimtelijke kwaliteit ten minste te behouden of te verbeteren. Ook dienen cultuurhistorische waarden van bebouwing, erf en landschap behouden te blijven en sluit nieuwe bebouwing aan op de identiteit van het gebied.

Voor individuele plannen hanteert de provincie het volgende richtsnoer:

  • Nieuwe functies kunnen zich vestigen binnen de bestaande bebouwing; uitbreiding van de bebouwing is uitgesloten, ook in de toekomst.

  • Hergebruik van kassen is uitgesloten.

  • Sloop en nieuwbouw van (een deel van) de bebouwing is mogelijk, mits:

    • de hoeveelheid bebouwing per saldo substantieel afneemt;

    • het perceel de uitstraling behoudt van een boerderij-erf; en

    • cultuurhistorisch waardevolle bebouwing in stand blijft.

  • De verkeer aantrekkende werking van de nieuwe functies is gering en past bij de huidige ontsluitingsstructuur.

  • Rekening wordt gehouden met de bestaande aanwezige functies in de omgeving.

  • Als het gaat om bedrijvigheid wordt dit beperkt tot lichte vormen (vergelijkbaar met milieucategorie 1 en 2).

  • Opslag van materialen buiten de bebouwing is uitgesloten.

  • Het toevoegen van woningen is in beperkte mate mogelijk. Het toevoegen van een groter aantal wooneenheden is mogelijk voor zorgfuncties en huisvesting van arbeidsmigranten. De toevoeging van woningen moet passen in het regionaal woningbouwprogramma; betaalbaarheid en bouwen voor kleine huishoudens zijn aandachtspunten.

  • De omvang van de woningen moet passend zijn bij de uitstraling van het boerderijerf. Als richtsnoer geldt een maximum van 2.000 m3 te verdelen over de te bouwen woningen en maximaal 650 m3 per woning.

Daarnaast is ander relevant provinciaal beleid van toepassing, onder meer op het gebied van water, bodem en toekomstbestendig bouwen.

Voor bestaande niet-agrarische bedrijven buiten dorpskernen geldt dat verdere doorgroei op deze solitaire locaties in principe niet wenselijk is. Wanneer bedrijven willen uitbreiden, geldt verplaatsing naar een bedrijventerrein als uitgangspunt. Ter plaatse wordt uitbreiding beperkt tot eenmalig 10%, mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo gelijk blijft of verbetert.

IIII

Sectie '6.2.1.2 Bijzonder Provinciaal Landschap Midden-Delfland' wordt geplaatst na sectie '6.2.1.3 Transformeren, herstructureren en verdichten van locaties'. Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

6.2.1.2 6.2.2.1 Bijzonder Provinciaal Landschap Midden-Delfland

JJJJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

6.2.1.4 Subsidieregeling verplaatsing en beëindiging veehouderij Zuid-Holland

Wat gaat de provincie doen?

In een aantal gebieden zijn de transitieopgaven, met name voor stikstofreductie, natuur en bodemdaling, zo urgent dat de provincie de verplaatsing of beëindiging van agrarische bedrijven in de betreffende gebieden wil stimuleren.  De provincie stelt hiertoe een subsidieregeling ‘Subsidieregeling verplaatsing en beëindiging veehouderij Zuid-Holland’ open voor specifieke gebieden, aan te wijzen middels een openstellingsbesluit. Op grond van deze subsidieregeling kunnen eigenaren van een landbouwbedrijf in een gebied waarvoor de regeling is opengesteld,  een subsidie aanvragen voor de kosten van verplaatsing of beëindiging van hun landbouwbedrijf, wanneer deze verplaatsing of beëindiging bijdraagt aan: 

  • de realisatie van een ruimtelijk gebiedsplan voor een door Gedeputeerde Staten aangewezen transitiegebied;

  • de stikstofreductie in een of meer stikstofgevoelige habitats in Natura2000-gebieden in Zuid-Holland;

  • de realisatie van het Natuurnetwerk Nederland; of

  • de reductie van CO2 vanwege bodemdaling.

Rol

Presterend

[Vervallen]

KKKK

Na sectie '6.2.1.2 Bijzonder Provinciaal Landschap Midden-Delfland' worden drie secties ingevoegd, luidende:

6.2.3.1 Aanpak groenblauw netwerk

Wat gaat de provincie doen?

Met de aanpak Groenblauw werkt de provincie samen met partners de komende jaren aan de verbetering van het Groenblauw Netwerk. Onderdeel van deze aanpak is om samen met partners, zoals gemeenten en waterschappen bestaande regionale groenblauwe structuren, de ontbrekende schakels en de ontwikkelmogelijkheden in kaart te brengen met een overzicht over te beschermen, te verbeteren en te versterken onderdelen voor gezondheid, recreatie, biodiversiteit en klimaatadaptatie  

Rol

Samenwerkend

Uitwerking

afbeelding binnen de regeling

Een aantrekkelijk, toegankelijk en robuust groenblauw netwerk is een voorwaarde voor een gezonde en toekomstbestendige leefomgeving voor mens en dier. Het is nodig dat er een forse verbeterslag in groen en blauw plaatsvindt en dat de kwaliteit van het netwerk meegroeit met de verdergaande verstedelijking van Zuid-Holland.    

De provincie agendeert de (verbetering van de) groenblauwe hoofdstructuur als voorwaarde voor een gezonde en toekomstbestendige leefomgeving bij haar partners, zoals gemeenten en het Rijk. Zij neemt hiervoor deel aan het Rijksoverleg Groen in en om de Stad, waarbij ook de betekenis is van de EU-Natuurherstelwet voor met name het groen in en om de stad uitgewerkt wordt.   

Op de Gesprekskaart robuust groenblauw netwerk 2050 staan de gebieden, belangrijke verbindingszones en groenblauwe schakels die van regionaal belang zijn. Deze ambitiekaart is de start voor het gesprek over de verdere uitwerking van de aanpak Groenblauw netwerk. Op de kaart staan gebieden (regionale landschapsparken), verbindingszones langs de hoofdwaterstructuur en (ontbrekende) groenblauwe schakels.  

Novex Zuidelijke Randstad  

Het Programma Groenblauwe Netwerk heeft mede in de vorm van het Landschapspark Zuidvleugel, een relatie met het uitvoeringsprogramma van NOVEX-gebied Zuidelijke Randstad. Binnen de samenwerking van NOVEX Zuidelijke Randstad werkt de provincie met het rijk en de regionale partners aan een uitvoeringsagenda waar de groenblauwe hoofdstructuur een belangrijke opgave is. De deelgebieden van het Landschapspark Zuidvleugel liggen allemaal in of nabij het stedelijk netwerk van NOVEX Zuidelijke Randstad. De uitvoeringsagenda zal uitmonden in een investeringsagenda, waarbij concrete uitvoerbare projecten worden geprioriteerd en er gekozen wordt voor de projecten die maximaal bijdragen aan het verbeteren van de kwaliteit van het gebied en het Groenblauwe Netwerk.  

Groene cirkel Groene Gezonde Stad  

In de Groene Cirkel Groene Gezonde Stad werken provincie, gemeenten, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties samen. In dit netwerk wordt kennis rond radicale vergroening van steden gedeeld en vergroot. Met deelname in het netwerk leren organisaties van elkaars ervaringen en inspirerende voorbeelden. De provincie faciliteert het netwerk en neemt inhoudelijk deel.  

De gezamenlijke droom van groene en gezonde steden staat in het netwerk Groene Cirkel Groene Gezonde stad centraal. In deze droom draagt vergroening bij aan klimaatadaptatie, gezondheid, een fijne leefomgeving en meer biodiversiteit. Elke partner uit het netwerk voegt hier vanuit de eigen (strategische) belangen kennis en expertise toe om groenere steden te realiseren.  

6.2.3.2 Ontwikkeling en realisatie deelgebieden Landschapspark

Wat gaat de provincie doen?

De realisatie van het Groenblauwe netwerk vindt plaats onder de noemer “Landschapspark”, waarbij de provincie trekker is van het proces. Vier deelgebieden zijn al gestart. Dat zijn de deelgebieden Vlietzone, Rottezone, Schiezone en het Getijdepark XL. In deze deelgebieden werkt de provincie samen met de gebiedspartners en met de stakeholders in het gebied aan een gezamenlijk, integraal toekomstbeeld. Vanuit dit gedeelde toekomstbeeld wordt een uitvoeringsagenda opgesteld waarin staat hoe de provincie en partners het gedeelde toekomstbeeld uit gaan voeren. 

Rol

Samenwerkend

Uitwerking

Voor de Vlietzone, Rottezone, Schiezone en het Getijdepark XL geldt dat dit groenblauwe en deels stedelijke zones betreffen met eigen bijzondere kwaliteiten op het gebied van landschap, cultuurhistorie en natuur. De gebieden zijn essentieel voor de leefbaarheid van de regio, omdat ze ruimte bieden voor ontspanning, verkoeling, biodiversiteit en wateropvang. Voor mens en dier vormen de zones een belangrijke schakel tussen stad en land en tussen de verschillende groengebieden. Tegelijk blijven deze zones belangrijk voor wonen, werken en sporten in de regio.   

Ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en inpassing van een drinkwatervoorziening in de Vlietzone wordt in het Omgevingsplan aangaande bedrijventerrein Westvlietweg III geen ruimte geboden voor de verplaatsing van het watergebonden deel van het afvalcluster vanaf de Binckhorst. Dit geldt ook voor de nog nader te onderzoeken eventuele uitbreiding van bedrijventerrein Westvlietweg III.

De provincie stelt samen met gebiedspartners en stakeholders per gebied een uitvoeringsagenda op. De uitvoeringsagenda leidt tot het uitvoeren van concrete projecten die het Groenblauwe netwerk in het gebied robuuster maken. Gebiedseigen kwaliteiten zijn uitgangspunt bij de realisatie van het Groenblauwe Netwerk. Elk gebied wordt daarmee net anders opgepakt en uitgevoerd. Een aantal principes staat hierbij centraal;   

  • Een robuust watersysteem als sturend principe,   

  • Een sterke gebiedseigen identiteit,   

  • Groenblauwe dooradering,  

  • Een sterke en zichtbare cultuurhistorische en archeologische basis,   

  • De waterstructuur als ruimtelijke drager van het deelgebied   

  • Werken aan kwaliteitsvolle verbindingen tussen de deelgebieden verenigd in een Groenblauw Netwerk.  

6.2.4.1 Water en bodem in locatiekeuze en locatie-inrichting

Wat gaat de provincie doen?

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten klimaatadaptief en waterrobuust zijn. De provincie zet in op het meenemen van klimaatrisico’s in locatiekeuze en locatie-inrichting van ruimtelijke ontwikkelingen, in samenwerking met gemeenten en waterschappen. De provincie zet agenderend en in samenwerking met waterpartners in op drinkwaterbesparing en het beperken van nieuwe grote zoetwatervragers.

De provincie werkt aan kaarten en richtlijnen, zoals de “Signaleringskaart klimaatrisico’s voor bouwactiviteiten” en de Leidraad klimaatadaptief bouwen. Deze kaarten en richtlijnen dienen als hulpmiddel bij de planvorming. Ook worden de mogelijkheden verder verkend om het gebruik van de provinciaal en landelijke beschikbare hulpmiddelen te reguleren zodat deze in een vroeg stadium van het planproces ingezet worden.

Rol

Samenwerkend

Uitwerking

In ruimtelijke visies en plannen wordt opgenomen hoe ruimtelijke ontwikkelingen rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering en kunnen bijdragen aan de klimaatrobuustheid van het water- en bodemsysteem.

Locatiekeuze

De “Signaleringskaart klimaatrisico’s voor bouwactiviteiten” is bedoeld om op het schaalniveau van de provincie voor stedelijke gebruiksfuncties de klimaatrisico’s te duiden. Hogere klimaatrisico’s leiden bij planvorming tot meer aandachtspunten vanuit het water- en bodemsysteem. Planvormers kunnen hiermee makkelijker de keuze maken om de ontwikkeling op een locatie met minder klimaatrisico’s te realiseren.

Locatie-inrichting

De Provincie stimuleert gemeenten en initiatiefnemers om de prestatie-eisen voor klimaatadaptief ruimtelijke ontwikkelen in het planvormingsproces mee te nemen. Hierin baseert de provincie zich op de leidraad Klimaatadaptief Bouwen 2.0 en de doorontwikkeling van deze leidraad op https://bouwadaptief.nl/doelen-en-eisen/. Het betreft prestatie-eisen ten aanzien van schadebeperking door wateroverlast, droogte, overstroming, hitte en bodemdaling. Deze prestatie-eisen zijn in een proces van publiek-private samenwerking tussen provincie, gemeenten, waterschappen, ontwikkelaars en bouwsector ontwikkeld. De prestatie-eisen vallen binnen de woontopafspraken en zijn in lijn met de STOER-adviezen over de Nationale Maatlat.

Het gaat om de volgende prestatie-eisen in onderstaande tabel:

 Tabel Prestatie-eisen

Thema

Prestatie-eis

Wateroverlast 1

Als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling treedt er geen waterschade op aan bebouwing en infrastructuur bij neerslag die 1 keer per 100 jaar kan voorkomen.

Wateroverlast 2

Vitale en kwetsbare functies blijven functioneren bij neerslag die 1 keer per 250 jaar kan voorkomen.

Wateroverlast 3

Bij neerslag wordt tenminste 50 millimeter van de neerslagsom op een dag op privaat terrein geïnfiltreerd, vastgehouden of geborgen in voorzieningen op het terrein zelf of in daarvoor bestemde voorzieningen in de directe omgeving van de ruimtelijke ontwikkeling of binnen de watersysteemgrenzen.

Wateroverlast 4

Een ruimtelijke ontwikkeling leidt niet tot versnelde afvoer van afvloeiend hemelwater naar het oppervlaktewatersysteem ten opzichte van de bestaande situatie.

Droogte 1

Een ruimtelijke ontwikkeling leidt niet tot extra aanvoer van oppervlaktewater naar het plangebied.

Droogte 2

De ruimtelijke ontwikkeling is infiltratieneutraal bij locaties buiten bestaand stads- en dorpsgebied en infiltratiepositief bij locaties binnen bestaand stads- en dorpsgebied.

Droogte 3

Bij ruimtelijke ontwikkelingen zijn de grondwaterstanden en de zoetwaterbeschikbaarheid sturend in de functiekeuzes, watersysteemkeuze en inrichtingskeuzes.

Droogte 4

Bij het ontwerp en inrichting van ruimtelijke ontwikkelingen wordt ingezet op drinkwaterbesparing, regenwaterbenutting en de verbetering van de waterkwaliteit.

Droogte 5

Vitale en kwetsbare functies zijn bestand tegen langdurige droogte.

Hitte 1

Vanaf ieder gebouw met een woonfunctie zijn schaduwrijke plekken van minimaal 200 m2 aanwezig en openbaar toegankelijk op een loopafstand van maximaal 300 meter.

Hitte 2

De ruimtelijke ontwikkeling zorgt voor schaduw bij de hoogste zonnestand op 21 juni van:

1. minimaal 40% voor verblijfsplekken en wegen waar langzaam verkeer zich verplaatst; en

2. minimaal 30% op buurtniveau.

Hitte 3

Een ruimtelijke ontwikkeling zorgt ervoor dat minimaal 40% van alle horizontale en verticale oppervlakten warmtewerend en verkoelend worden ingericht, mits dit geen negatief effect heeft op de gevoelstemperatuur op verblijfplekken en wegen waar langzaam verkeer zich verplaatst.

Hitte 4

De koeling van gebouwen leidt niet tot opwarming van de verblijfsplekken in de directe omgeving van een ruimtelijke ontwikkeling.

Hitte 5

Vitale en kwetsbare functies in de openbare ruimte zijn bestand tegen de hitte.

Bodemdaling 1

De restzetting na oplevering van het bouwrijp maken bedraagt maximaal 20 centimeter maaivelddaling in 30 jaar.

Bodemdaling 2

Bij een ruimtelijke ontwikkeling is de natuurlijke draagkracht van de bodem mede sturend in de functiekeuzes, watersysteemkeuze en inrichtingskeuzes.

Overstromingen 1

Als gevolg van een overstroming of van wateroverlast met een waterdiepte van minder dan 20 centimeter:

1.          blijven vitale en kwetsbare functies functioneren;

2.          ondervinden technische installaties van gebouwen geen schade; en

3.          blijven de hoofdwegen begaanbaar voor hulpdiensten.

Overstromingen 2

Bij een overstroming of wateroverlast die leidt tot een waterdiepte van 20 tot 50 centimeter moet schade worden beperkt, mits doelmatig.

Overstromingen 3

Bij een overstroming die leidt tot een waterdiepte van 50 tot 200 centimeter zijn vitale functies beschermd en blijven zij functioneren, mits doelmatig.

Overstromingen 4

Bij een overstroming die leidt tot een waterdiepte van meer dan 200 centimeter moet het mogelijk zijn om:

1. te evacueren; of

2. veilig te schuilen als de evacuatietijd te kort is.

Groen 1

Minimaal 30 % van de ruimtelijke ontwikkeling wordt groen ingericht, waarbij het horizontale en verticale oppervlak ingericht wordt in samenhang met de bestaande groenblauwe structuren in de omgeving.

Groen 2

Groenvoorzieningen in de openbare ruimte zijn weerbaar tegen wateroverlast, droogte en hitte.

Procesrol waterschappen

Zoals opgenomen in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl) worden waterschappen betrokken bij ruimtelijke plannen met een impact op het watersysteem. Het desbetreffende waterschap heeft vroegtijdig een wettelijke adviserende rol in het planproces (weging van het waterbelang). Daarnaast hebben de waterschappen kennis en expertise in huis over de prestatie-eisen. 

Opgave drinkwaterbesparing en zoetwatergebruik

De provincie werkt met de drinkwatersector en waterpartners mee aan de uitvoering van het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing, met als hoofddoel te komen tot een flinke drinkwaterbesparing. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zet de provincie  agenderend in op drinkwaterbesparende maatregelen rond woningen en bedrijven. Daarnaast zet de provincie agenderend in op het vooraf toetsen van de zoetwatervraag van nieuwe ontwikkelingen.

LLLL

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Beleidsdoel 7-17.1 Bevorderen verbetering milieukwaliteit en gezondheid

MMMM

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

7-1 7.1 Bevorderen verbetering milieukwaliteit en gezondheid

NNNN

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Maatregelen van 7-17.1 Bevorderen verbetering milieukwaliteit en gezondheid

OOOO

Na sectie '7.1.1.2 Verbetering luchtkwaliteit' wordt een sectie ingevoegd, luidende:

7.1.2.1 Actieplan Geluid

Wat gaat de provincie doen?

Het actieplan voor geluidbronnen (actieplan geluid) is op grond van artikel 3.8, eerste lid van de Omgevingswet een verplicht programma voor de provincies. In Zuid-Holland gaat het alleen om de geluidbron provinciale wegen, en niet over spoorwegen en burgerluchthavens van regionale betekenis. Deze verplichting volgt uit de Europese richtlijn omgevingslawaai. Het actieplan geluid wordt elke 5 jaar geactualiseerd.

Rol

Responsief

Uitwerking

Het doel van het Actieplan Geluid provinciale wegen is om het omgevingslawaai van provinciale wegen waar mogelijk te voorkomen en te beperken waar het hinderlijk is en/of schadelijke effecten heeft voor de gezondheid van de mens.

Het actieplan geluid provinciale wegen van de provincie Zuid-Holland beschrijft gedetailleerd hoe de provincie geluidbelasting Lden en Lnight wil beperken. Het actieplan bestaat uit een uitwerking van de maatregelen.

Het Actieplan Geluid provinciale wegen is een doorlopend plan. Dat wil zeggen dat de beleidsdoelstelling waarschijnlijk niet in de planperiode kan worden bereikt, er weer nieuwe knelpunten/geluidsbelasting kunnen ontstaan en het op voorhand niet zeker is welke maatregelen op welk moment kunnen worden uitgevoerd. Dat wordt veroorzaakt door de keuzes “werk met werk te maken”, meer te meten en klachten gerelateerd te werken.

Vanwege de wettelijke verplichtingen die gesteld zijn aan een actieplan geluid wordt een actieplan geluid als zelfstandig programma opgesteld: Actieplan Geluid provinciale wegen 2024-2029

Hier staat het vigerende actieplan geluid https://omgevingsdocumenten.zuid-holland.nl/actieplan-geluid

PPPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

7.1.4.3 Optimaal benutten en beheren van de bodem en ondergrond

Wat gaat de provincie doen?

Optimaal benutten en beheren van de bodem en ondergrond: 

  • Duurzaam positioneren, beheren en afbouwen van winningsfuncties, opslagfuncties en transportfuncties; 

  • Beheren van de natuurlijke en antropogene waarden van de ondergrond; 

  • Bevorderen van 3D4D-Ordening als instrument van’ Water en Bodem Sturend’ (WBS) in ruimtelijke planprocessen. 

Rol

Rechtmatig

Uitwerking

Het gaat erom 3D4D-Ordening als instrumentarium van ‘Water en Bodem Sturend (WBS)’ standaard en structureel onderdeel te laten worden van alle relevante ruimtelijke planprocessen in Zuid-Holland. In het kader van de Omgevingswet worden tussen provincies, omgevingsdiensten, waterschappen en gemeenten afspraken gemaakt over samenwerking en een nieuwe rolverdeling bij het realiseren van een duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond. In elk omgevingsplan dient als uitwerking van de lagenbenadering in de praktijk’ twee kaarten toe te worden toegevoegd: één met het (natuurlijk) watersysteem en één met het (natuurlijk) bodemsysteem. Vervolgens dient ook een toelichtende paragraaf bij die twee kaarten te voegen, waarmee wordt verwoord en verbeeld wat WBS betekent voor de (on)mogelijkheden van beoogd ruimtelijk plan cq. beoogde gebiedsontwikkeling.

QQQQ

Na sectie '7.1.4.3 Optimaal benutten en beheren van de bodem en ondergrond' wordt een sectie ingevoegd, luidende:

7.1.6.1 Samenwerken aan een gezond Zuid-Holland

Wat gaat de provincie doen?

Gezondheid is de optelsom van verschillende factoren. Van milieufactoren, voldoende bewegen, voldoende geld, gezond eten tot een goede woning. Op nationaal niveau zijn de gezondheidsverschillen in Zuid-Holland het grootst en het aantal jaren in ervaren gezondheid is het laagst. De provincie draagt daarom bij aan het verbeteren van de gezondheid van haar inwoners. Zowel in de reguliere taken als in het programma Gezondheid en Welzijn. In dit programma wordt gewerkt aan twee inhoudelijke programmalijnen: gezonde leefomgeving en gezond voedsel. In de programmalijn kennisinfrastructuur worden alle betrokken gezondheidspartijen in het fysiek, sociaal en medisch domein gestimuleerd om kennis te delen en samen te werken ten behoeve van de gezondheid van de inwoners in Zuid-Holland.

Rol

Samenwerkend

Uitwerking

Programmalijn 1: Gezonde leefomgeving

Een gezonde leefomgeving is essentieel voor de gezondheid en het welzijn van mensen. Dit is een omgeving die als prettig wordt ervaren, die uitnodigt tot gezond gedrag en waar de druk op de gezondheid zo laag mogelijk is. De uitdaging is de omgeving zó in te richten dat de gezonde keuze de makkelijkste is. De vraag die centraal staat binnen deze programmalijn is daarom: Hoe richten we de leefomgeving zo in dat deze de gezondheid van inwoners ondersteunt?

De provincie werkt enerzijds aan de gezonde inrichting van de leefomgeving en anderzijds betrekt ze burgers actief bij de inrichting van een gezonde leefomgeving. Concreet werkt de provincie aan de volgende activiteiten:

  • Conceptontwikkeling. Het ontwikkelen van een concept voor een gezonde leefomgeving samen met gemeenten, inwoners en deskundigen.

  • Kennisverspreiding. Het toepassen en uitdragen van dit concept gezonde leefomgeving in verschillende gemeenten en relevante netwerken zodat steeds meer ontwikkelingen van de leefomgeving op een gezonde wijze kunnen plaatsvinden.

Programmalijn 2 Gezond voedsel

De beschikbaarheid en toegankelijkheid van gezond voedsel beïnvloeden de voedingskeuzes van individuen in positieve zin. De vraag die de provincie daarom centraal stelt binnen deze programmalijn is: Hoe ondersteunen we mensen in Zuid-Holland om gezonder te eten?

Dit doet de provincie samen met haar netwerk. Voedseleducatie en het vergroten van het bewustzijn van gezonde voeding spelen een belangrijke rol bij het bevorderen van gezonde eetgewoonten. Door extra inzet in kwetsbare buurten en plekken waar de gezondheid lager is, kunnen gezondheidsverschillen tussen verschillende sociaaleconomische groepen worden verkleind. De provincie helpt werkgevers, het onderwijs en gemeenten over de wijzen waarop zij toegang tot gezond voedsel kunnen borgen, voedseleducatie kunnen vormgeven en gedragsverandering kunnen bewerkstelligen.

Concreet werkt de provincie samen met haar partners aan de volgende activiteiten:

  • Voedseleducatie. De provincie wil jongeren, met name in het mbo en het voortgezet onderwijs, in Zuid-Holland verleiden om gezondere keuzes te maken en organiseert hiervoor samen met partners verschillende programma’s.

  • Verbeteren voedselomgeving. De provincie stimuleert werkgevers, zorginstellingen, het onderwijs en gemeenten om toegang tot gezond voedsel te kunnen bieden.

  • Lokale voedselproductie. Het ondersteunen van lokale, seizoensgebonden voedselproductie-initiatieven die dichtbij en met burgers plaatsvinden.

  • Voedselverspilling en gezondheid. Het verbinden van initiatieven gericht op het voorkomen van voedselverspilling door voedselreststromen te verbinden aan (sociale) afnemers.

Programmalijn 3 Kennisinfrastructuur

In de provincie Zuid-Holland is veel expertise over gezondheid beschikbaar, onder meer bij kennisinstellingen en GGD-en. Doel van deze programmalijn is om te beschikken over een robuuste kennisinfrastructuur, die zorgt voor structurele kennisdeling en -toepassing tussen deze partijen, wat de effectiviteit van gezondheidsbeleid vergroot. Met deze programmalijn wil de provincie de regionale kennisinfrastructuur verbeteren door partijen te helpen om elkaar te vinden en aanwezige kennis te benutten.

Concreet voert de provincie de volgende activiteiten uit:

  • Kennisinfrastructuur opbouwen. Samen met de Zuid-Hollandse universiteiten, academische medische centra en hogescholen werkt de provincie aan het meerjarige ‘Healthy Society’ programma, waarbij bewezen gezondheidsinterventies breed in Zuid-Holland kunnen worden toegepast.

  • Netwerk van partners opbouwen die werken aan een gezonde samenleving. De provincie bouwt aan een netwerk gericht op het vergroten van gezondheid, door middel van een jaarlijkse netwerkbijeenkomst ‘Gezond Verstand’, structurele samenwerking met de GGD en samenwerking met een groot aantal andere partners van arts, werkgever en boer tot architect en ambtenaren die samen de ambitie van een gezond Zuid-Holland delen.

RRRR

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Beleidsdoel 7-27.2 Bevorderen recreatie, duurzaam toerisme en sport

SSSS

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

7-2 7.2 Bevorderen recreatie, duurzaam toerisme en sport

TTTT

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Maatregelen van 7-27.2 Bevorderen recreatie, duurzaam toerisme en sport

UUUU

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Beleidsdoel 7-37.3 Klimaatbestendig Zuid-Holland, opgewassen tegen de effecten van klimaatverandering

VVVV

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

7-3 7.3 Klimaatbestendig Zuid-Holland, opgewassen tegen de effecten van klimaatverandering

Beperken maatschappelijke kosten door bodemdaling

De provincie zet zich in om klimaatverandering tegen te gaan. Ze werkt aan het verminderen van de CO2-uitstoot en bodemdaling in de Veenweidegebieden volgens de afspraken uit het Klimaatakkoord, onderdeel land- en landgebruik. In Veenweidegebieden moet 1 Mton CO2 worden bespaard in 2030. Het Zuid-Hollandse aandeel in de opgave wordt ingeschat op 21%, ofwel: 0,21 Mton. De provincie werkt hierbij samen met agrariërs, mede-overheden en maatschappelijke partijen in de veenweidegebieden via een gebiedsgerichte aanpak in het kader van het Zuid-Hollands Programma Landelijk Gebied. Hierbij is zij zich ervan bewust dat de keuzes die ze maakt om bodemdaling te remmen, het watersysteem en landgebruik onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Ook is verdere kennisontwikkeling en beleidsvorming nodig. In overleg met de mede-overheden, maatschappelijke partijen, kennisinstituten en andere partijen werkt de provincie hieraan. 

Klimaatadaptatie

Het klimaat verandert. Het wordt warmer, er is meer kans op een extreme regenbui, op een hittegolf en op een lange droge periode. De zeespiegel stijgt en als gevolg daarvan neemt de kans op een overstroming toe. Door lange droogte daalt de bodem. Zuid-Holland is kwetsbaar voor klimaatverandering door zijn ligging aan zee en door zijn lage ligging. De snelheid waarmee klimaatveranderingen zich manifesteren (extreme buien, droogte, hitte, zeespiegelstijging, bodemdaling) neemt nog altijd toe.

 De provincie wil dat Zuid-Holland een fijne plek blijft om te werken, wonen en recreëren, ook als omstandigheden veranderen. Daarom neemt de provincie nu maatregelen om ons voor te bereiden op klimaatopgaven als weersextremen (hitte, droogte, wateroverlast, overstromingen), zeespiegelstijging en bodemdaling. Samen met waterschappen, gemeenten en het Rijk zorgt de provincie voor een klimaatbestendig en waterrobuust ingerichte provincie in 2050. Niet alleen om schade en overlast te beperken, maar ook vanuit haar ambitie te streven naar een gezonde, groene leefomgeving, een aantrekkelijk vestigingsklimaat, goede bereikbaarheid en een veerkrachtige innovatieve economie.

De inzet van de provincie is om de overgang naar een klimaatbestendige provincie onlosmakelijk onderdeel uit te laten maken van het gehele provinciale beleid en de praktijk. Klimaatadaptatie is een dwarsdoorsnijdend thema dat vele beleidsterreinen raakt. Denk aan infrastructuur, landbouwtransitie, natuur, stedelijke ontwikkeling, etc. Op al deze terreinen zet de provincie in op de bescherming van mensen, leefomgeving en economie, tegen de gevolgen van overstromingen en extreem weer. Bijvoorbeeld door het stimuleren van innovatieve oplossingen voor waterberging en voorkomen van hittestress in stedelijk gebied. Ook werkt de provincie aan een duurzame zoetwatervoorziening waarbij vraag en aanbod in balans zijn, en aan het voorbereiden van onze natuur en economie op de klimaatverandering.

De inzet van de provincie is tevens om bij ruimtelijke ontwikkelingen (nieuw of in bestaand bebouwd gebied) de betrokken partijen de risico’s als gevolg van de klimaatopgaven expliciet mee te laten wegen bij de locatiekeuze of inrichting van het gebied. Daarbij maakt de provincie in ieder geval gebruik van de uitkomsten van de klimaatstresstesten die overheden hebben uitgevoerd (volgens de afspraken uit het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie). Op die manier wordt bij nieuwe ruimtelijke projecten rekening gehouden met de impact van klimaatverandering en kan het risico op schade en slachtoffers voor zover dat redelijkerwijs haalbaar is, worden beperkt. Centraal vertrekpunt daarbij is dat de provincie meer ruimte bieden aan het water, natuurlijke processen, en groen. Dit uitgangspunt draagt tevens bij aan andere opgaven als een gezonde leefomgeving, bescherming van de natuur en de verhoging van biodiversiteit.

Door beleid tijdig aan te passen, maakt de provincie tevens gebruik van kansen om adaptieve maatregelen mee te nemen in al geplande ruimtelijke projecten of ontwikkelingen, bijvoorbeeld op gebied van beheer en onderhoud van de eigen bezittingen als gebouwen, wegen en infrastructuur. Hiermee kan de provincie geld slimmer inzetten en bespaart ze kosten, beperkt ze schade en overlast, en geeft het goede voorbeeld.

WWWW

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Maatregelen van 7-37.3 Klimaatbestendig Zuid-Holland, opgewassen tegen de effecten van klimaatverandering

XXXX

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

7.3.1.2 Gebiedsaanpakken veenVitale Veenweiden

Wat gaat de provincie doen?

De provincie faciliteert en/of stimuleert diverse gebiedsaanpakken waarin, samen met de gebiedspartijen en andere partners, gewerkt wordt aan integrale benadering, verkenning en aanpak van de opgave(n), waarbij ook ingezet wordt op verbinding en afstemming met de Regionale Veenweide Strategie. Dat gebeurt onder meer in:  

Het Interbestuurlijk Programma Vitaal Platteland (IBP-VP). Het IBP wil verkennen wat op strategisch niveau nodig is voor verandertrajecten in veenpolders. In het Utrecht-Hollandse veenweidegebied start het IBP daarom zes veranderpilots die via verschillende invalshoeken gebiedsgericht werken aan een verandering van het landgebruik / de wijze van landbouw / een sociale transitie gericht op een integrale polderaanpak. In Zuid-Holland betreft dit de gebieden:  

Rol

Presterend

Uitwerking

In kader van het Zuid-Hollands Programma Landelijk Gebied (ZHPLG) faciliteert en/of stimuleert de provincie diverse gebiedsaanpakken waarin, samen met de gebiedspartijen en andere partners, gewerkt wordt aan integrale benadering, verkenning en aanpak van de opgave(n). Daarbij wordt zo veel mogelijk voortgebouwd op de eerder vastgestelde Regionale Veenweide Strategie en Strategie Vitale Veenweiden Zuid-Holland (die waar nodig worden aangepast op basis van nieuwe inzichten of (politiek) ontwikkelingen. Dat gebeurt onder meer door te werken aan integrale gebiedsplannen en – biedingen in onderstaande deelgebieden:

  • Alblasserwaard

  • Krimpenerwaard (“Trots op Krimpenerwaard”),  

  • Kagerplassen   Groene Hart Noord

  • Midden Delfland

  • Alblasserwaard (“Groene Cirkel Kaas en Bodemdaling”) Nieuwkoop e.o. 

  • Wierickerland

  • Zuidplas e.o.

Andere gebiedsaanpakken zoals in het (Rest)Veengebied Zuidplaspolder, een zogenoemd “knikpuntgebied” dat tegen de fysieke en financiële grenzen van blijven meebewegen met doorgaande bodemdaling aanloopt. 

Rol

Presterend

YYYY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

7.3.1.3 Regionale Veenweide Strategieën, Nationaal Veenplan en Gebiedsaanpakken 7.3.1.3 Ontwikkelen kennis, instrumenten, regels en middelen

Wat gaat de provincie doen?

De provincie leidt het opstellen van de Regionale Veenweide Strategie (gericht op 2030), op basis van gebiedsaanpakken in de Krimpenerwaard, Alblasserwaard en Nieuwkoop en in Gouwe Wiericke, Rijn en Veenstreek, Kagerplassen, MiddenDelfland en (Rest)Veengebied Zuidplaspolder. Het zwaartepunt van de provinciale inzet ligt (vooralsnog) bij de eerst genoemde drie gebieden omdat daar de snelst dalende aaneengesloten gebieden liggen en (in Nieuwkoop) een koppeling met stikstof reductie opgave is.

De provincie gaat door met het stimuleren van en bijdragen aan het ontwikkelen van kennis over bodemdaling en broeikasgasemissies uit veen, het bieden van handelingsperspectieven en het bieden van stimulerend en/of ondersteunend beleid voor een vitale en (be)leefbare toekomst van de veenweiden en de mensen die het aangaat.

Rol

Presterend

Uitwerking

In het Klimaatakkoord is afgesproken dat de provincie de regie neemt om in 2020 – samen met grondgebruikers (onder andere agrariërs), maatschappelijke actoren, bewoners en medeoverheden – per veenweidegebied een conceptprogramma (regionale veenweide strategie) op te leveren. Hierin komt te staan hoe de doelstelling voor 2030 uit het Klimaatakkoord wordt behaald (1 Mton CO2-eq reductie).

Daarnaast levert de provincie input voor het Nationaal Veenplan (met doorkijk naar 2050). De Regionale Veenweide Strategieën vormen de kern van het Veenplan. De regering stelt het Veenplan op samen met andere stakeholders, waaronder provincies, waterschappen, gemeenten, de agrarische sector, de recreatiesector, natuur- en milieuorganisaties en kennisinstellingen. Het Nationaal Veenplan moet inzicht bieden in handelingsperspectieven voor de veenweideproblematiek, waarna de stakeholders uitwerking hieraan geven op gebiedsniveau. Het Nationaal Veenplan moet gereed zijn in het voorjaar van 2020.

De provincie faciliteert en/of stimuleert diverse gebiedsaanpakken waarin, samen met de gebiedspartijen en andere partners, gewerkt wordt aan integrale benadering, verkenning en aanpak van de opgave(n), waarbij ook ingezet wordt op verbinding en afstemming met de Regionale Veenweide Strategie. Dat gebeurt onder meer in:

Kennis en monitoring

De provincie gaat door met het stimuleren van/bijdragen aan het beter (wetenschappelijk onderbouwd) inzichtelijk en bespreekbaar maken bodemdaling en CO2 emissies uit veen, evenals het helpen bieden van handelingsperspectieven. Dit doet de provincie onder andere via het Nationaal Onderzoeksprogramma Broeikasgassen Veenweiden (NOBV), het Nationale Veenweide Innovatieprogramma (VIP-NL), het Kenniscentrum Bodemdaling en Funderingen (KBF), Groene Cirkels Kaas en Bodemdaling, diverse livinglabs e.a.

Daarnaast wil de provincie, samen met de betrokken partijen, werken aan monitoring van de voortgang en resultaten.

Instrumenten, regels en middelen

De provincie wil het beleid – nodig om de beweging een hogere grondwaterstand mogelijk te maken - verder ontwikkelen. De provincie wil dat doen samen met andere overheden en partijen/partners, rekening houdend met ieders rol, verantwoordelijkheden en mogelijkheden. Dat beleid bestaat uit een pakket van ruimtelijke, technische, juridische en financiële instrumenten en middelen. Dat zal in elk geval gaan over:

  • Het opvangen van effecten op het watersysteem, zoals in elk geval op waterkwaliteit, wateroverlast, waterbeschikbaarheid en de inrichting van het watersysteem. Bijvoorbeeld door verkennen en eventueel mogelijk maken van een ‘veengraslandnorm’ voor wateroverlast.

  • Het Interbestuurlijk Programma Vitaal Platteland (IBP-VP). Het IBP wil verkennen wat op strategisch niveau nodig is voor verandertrajecten in veenpolders. In het Utrecht-Hollandse veenweidegebied start het IBP daarom zes veranderpilots die via verschillende invalshoeken gebiedsgericht werken aan een verandering van het landgebruik / de wijze van landbouw / een sociale transitie gericht op een integrale polderaanpak. In Zuid-Holland betreft dit de gebieden:

    Het ondersteunen van het grondgebruik/de grondgebruiker om de beweging naar een hogere grondwaterstand te kunnen maken. Onder meer door het verkennen en eventueel beschikbaar maken van een “landgebruikscategorie veenweide bij hoog water” en een “compensatie systematiek veenweiden”.

    • Krimpenerwaard (“Trots op Krimpenerwaard”),

    • Kagerplassen

    • Alblasserwaard (“Groene Cirkel Kaas en Bodemdaling”).

  • Andere gebiedsaanpakken zoals in het (Rest)Veengebied Zuidplaspolder, een zogenoemd “knikpuntgebied” dat tegen de fysieke en financiële grenzen van blijven meebewegen met doorgaande bodemdaling aanloopt.

    Het slim benutten en stapelen van inzet en (rijks)middelen voor gebieden waar ook andere opgaven spelen die baat hebben bij een hoge grondwaterstand, zoals weidevogelgebieden of zones rondom hydrologische kwetsbare natuurgebieden of te vernatten gedraineerde agrarische veengronden (naar aanleiding van de EU-natuurherstelwet).

Strategische samenwerkingen

De provincie wil strategisch en doelmatig samenwerken met betrokken overheden en andere partijen. Dat gebeurt onder meer via de Nationale en Regionale Regiegroepen Veenweiden, het Platform (Novex) Groene Hart, het Platform Slappe Bodem (PSB) en diverse ambtelijke en bestuurlijke overlegtafels

ZZZZ

Bijlage 1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage 1 Overzicht informatieobjecten

Bestaand verblijfsrecreatiepark

/join/id/regdata/pv28/2024/4‑6‑74/nld@2025‑10‑28;1

Bijzonder Provinciaal Landschap Midden-Delfland

/join/id/regdata/pv28/2024/4‑6‑65/nld@2025‑10‑28;1

Campussen en fieldlabs

/join/id/regdata/pv28/2024/4‑6‑62/nld@2025‑10‑28;1

Concessie- en contractgebied openbaar vervoer

/join/id/regdata/pv28/2024/4-21/nld@2025‑02‑10;2

Drinkwaterproductie en -infrastructuur

/join/id/regdata/pv28/2024/4-26/nld@2025‑02‑10;2

Gebiedsaanpak veen

/join/id/regdata/pv28/2024/4-52/nld@2025‑02‑10;2

Duurzame gietwatervoorziening

/join/id/regdata/pv28/2024/4-29/nld@2025‑02‑10;2

/join/id/regdata/pv28/2024/4-29/nld@2025‑10‑28;3

Erfgoed (subsidieregeling)

/join/id/regdata/pv28/2024/4-40/nld@2025‑02‑10;2

/join/id/regdata/pv28/2024/4-40/nld@2025‑10‑28;3

RES-zoekgebieden zon en wind

/join/id/regdata/pv28/2024/4-36/nld@2025‑02‑10;2

Groenblauw netwerk

/join/id/regdata/pv28/2024/4‑6‑67/nld@2025‑10‑28;1

Internationale treinverbinding

/join/id/regdata/pv28/2024/4-24/nld@2025‑02‑10;2

Regionale energiestrategie (RES)

/join/id/regdata/pv28/2024/4-44/nld@2025‑02‑10;2

Regionale veenweide strategie

/join/id/regdata/pv28/2024/4-39/nld@2025‑02‑10;2

Verblijfsrecreatie buiten bestaand stads- en dorpsgebied

/join/id/regdata/pv28/2024/4‑2‑5/nld@2025‑02‑10;1

Vlietzone

/join/id/regdata/pv28/2024/4‑2‑54/nld@2025‑02‑10;1

Klimaatrisico’s voor bouwactiviteiten

/join/id/regdata/pv28/2024/4‑6‑59/nld@2025‑10‑28;1

Landschapspark

/join/id/regdata/pv28/2024/4‑6‑68/nld@2025‑10‑28;1

Nationaal park

/join/id/regdata/pv28/2024/4‑6‑64/nld@2025‑10‑28;1

NatuurNetwerk Nederland

/join/id/regdata/pv28/2024/4‑6‑41/nld@2025‑10‑28;1

Natuurbeheer

/join/id/regdata/pv28/2024/4‑6‑63/nld@2025‑10‑28;1

Recreatiegebied

/join/id/regdata/pv28/2024/4‑2‑48/nld@2025‑02‑10;1

/join/id/regdata/pv28/2024/4‑2‑48/nld@2025‑10‑28;2

Ruimte voor ondernemen

/join/id/regdata/pv28/2024/4‑6‑57/nld@2025‑10‑28;1

Stortplaats Wet milieubeheer

/join/id/regdata/pv28/2024/4-25/nld@2025‑02‑10;2

Transformatiegebied

/join/id/regdata/pv28/2024/4-9/nld@2025‑02‑10;2

Tuinbouw

/join/id/regdata/pv28/2024/4‑6‑56/nld@2025‑10‑28;1

Veenweiden

/join/id/regdata/pv28/2024/4‑6‑73/nld@2025‑10‑28;1

Warmtenetwerk

/join/id/regdata/pv28/2024/4‑6‑55/nld@2025‑10‑28;1

Windenergie

/join/id/regdata/pv28/2024/4‑6‑3/nld@2025‑10‑28;1

Woonbeleid instrumenten

/join/id/regdata/pv28/2024/4‑6‑75/nld@2025‑10‑28;1

Zonne-energie

/join/id/regdata/pv28/2024/4‑6‑61/nld@2025‑10‑28;1

Naar boven