Besluit van provinciale staten van Utrecht van 8 oktober 2025, kenmerk: UTSP-1546707642-508, tot het delegeren van de bevoegdheid tot het vaststellen van delen van de Omgevingsverordening aan gedeputeerde staten van Utrecht (Delegatiebesluit Omgevingsverordening provincie Utrecht 2025)

Provinciale staten van Utrecht;

 

Op voorstel van gedeputeerde staten van Utrecht van UTSP-1546707642-509;

 

Overwegende dat:

  • -

    het wenselijk is bevoegdheden tot het vaststellen van delen van de Omgevingsverordening provincie Utrecht 2025 (hierna: Omgevingsverordening) te delegeren aan gedeputeerde staten met het oog op het vereenvoudigen en versnellen van het wijzigen van de Omgevingsverordening;

Gelet op artikel 2.8, artikel 4.15, vierde lid en artikel 4.16, vierde lid, van de Omgevingswet;

 

Besluiten vast te stellen het volgende besluit:

 

Het Delegatiebesluit Omgevingsverordening provincie Utrecht 2025 vast te stellen en het Delegatiebesluit Omgevingsverordening provincie Utrecht 2024 in te trekken.

 

Delegatiebesluit Omgevingsverordening provincie Utrecht 2025

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die van toepassing zijn op de Omgevingsverordening provincie Utrecht zijn ook van toepassing op dit besluit.

Artikel 1.2 Toepassingsgebied

  • 1.

    Dit besluit gaat over het delegeren door provinciale staten aan gedeputeerde staten van de bevoegdheden tot het vaststellen van:

    • a.

      delen van de Omgevingsverordening provincie Utrecht, en

    • b.

      voorbereidingsbesluiten.

  • 2.

    Dit besluit is niet van toepassing als provinciale staten de Omgevingsverordening provincie Utrecht wijzigen en daarbij gelijktijdig regels of gebieden bedoeld in dit besluit wijzigen.

Hoofdstuk 2 Aanpassen en aanwijzen gebieden en tekst

Artikel 2.1 Aanpassen gebieden en tekst

  • 1.

    Gedeputeerde staten kunnen kennelijke onjuistheden in de geometrische begrenzing van de in de Omgevingsverordening aangewezen werkingsgebieden wijzigen.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen kennelijke onjuistheden in de tekst van de Omgevingsverordening wijzigen.

  • 3.

    Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de technische aanpassingen van de bij dit besluit aangewezen gebieden.

Artikel 2.2 Aanwijzen gebied voor experimenten of innovatie

Wanneer gedeputeerde staten een ontheffing op grond van artikel 1.7 van de Omgevingsverordening hebben verleend, dan kunnen zij daarbij een gebied Ruimte voor experimenten aanwijzen.

Hoofdstuk 3 Wijzigingen water

Artikel 3.1 Termijn omgevingswaarde regionale waterkeringen

Gedeputeerde staten zijn bevoegd om op verzoek van het dagelijks bestuur van het waterschap de datum voor het voldoen aan de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 2.2 van de Omgevingsverordening, aan te passen.

Artikel 3.2 Termijn omgevingswaarden wateroverlast

Gedeputeerde staten stellen na overleg met het waterschap het tijdstip vast waarop de bergings- en afvoercapaciteit van de verschillende regionale wateren moeten voldoen aan de omgevingswaarden, bedoeld in de artikelen 2.4 tot en met 2.11 van de Omgevingsverordening.

Artikel 3.3 Uitzondering omgevingswaarde wateroverlast

Als het nemen van maatregelen om aan de omgevingswaarden, bedoeld in de artikelen 2.4 tot en met 2.11 van de Omgevingsverordening, te voldoen niet doelmatig is, kunnen gedeputeerde staten op basis van een gemotiveerd verzoek van het waterschap die omgevingswaarden wijzigen.

Artikel 3.4 Stoffenlijst

Gedeputeerde staten zijn bevoegd om aan bijlage VI van de Omgevingsverordening toe te voegen:

  • a.

    andere voor het grondwater niet-toelaatbare stoffen;

  • b.

    andere voor het grondwater schadelijke stoffen; en

  • c.

    andere voor het grondwater risicovolle stoffen.

Hoofdstuk 4 Wijzigingen bereikbaarheid en mobiliteit

Artikel 4.1 Aanpassen werkingsgebieden

Gedeputeerde staten kunnen de aanwijzing van werkingsgebieden genoemd in hoofdstuk 4 van de Omgevingsverordening, aanpassen voor zover het gaat om ondergeschikte, uitvoeringstechnische of administratieve aanpassingen.

Artikel 4.2 Activiteiten ten aanzien van de provinciale weg, vaarweg en lokale spoorweg

  • 1.

    Gedeputeerde staten kunnen regels stellen ten aanzien van het verbod zonder vergunning activiteiten te verrichten op de weg, lokale spoorweg en vaarweg. De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen mede strekken tot:

    • a.

      aanwijzing van vergunningvrije gevallen;

    • b.

      het omzetten van vergunningplicht naar meldplicht met bijbehorende regels;

    • c.

      het opleggen van de verplichting opgave te doen van gegevens en bescheiden;

    • d.

      het stellen van voorschriften aan de activiteit; of

    • e.

      het toepassen of uitsluiten van gelijkwaardige maatregelen.

Artikel 4.3 Externe veiligheid provinciale wegen

Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen over externe veiligheid langs provinciale wegen.

Artikel 4.4 Vaarwegdiepte en doorvaarthoogte

Gedeputeerde staten kunnen de minimaal benodigde vaarwegdiepten en de minimaal benodigde doorvaarthoogten vaststellen voor de vaarwegen, bedoeld in artikel 4.54 van de Omgevingsverordening.

Artikel 4.5 Bedieningstijden bruggen en sluizen

  • 1.

    Gedeputeerde staten stellen de bedieningstijden vast van de beweegbare bruggen en sluizen, behorende bij de vaarwegen op de lijsten A en B van bijlage IX Vaarwegbeheer bij de Omgevingsverordening.

  • 2.

    Het eerste lid geldt niet voor spoorbruggen en bij het Rijk in beheer zijnde bruggen en sluizen.

Artikel 4.6 Toedeling vaarwegbeheer

  • 1.

    Gedeputeerde staten kunnen wijzigingen aanbrengen in de toedeling van het vaarwegbeheer bedoeld in artikel 4.53 van de Omgevingsverordening.

  • 2.

    Voordat gedeputeerde staten gebruikmaken van de bevoegdheid tot wijzigen, vragen zij advies aan burgemeester en wethouders van de betrokken gemeenten, en zo nodig aan het waterschap of een ander openbaar lichaam, als deze de vaarweg beheert.

Hoofdstuk 5 Wijzigingen Natuur

Artikel 5.1 Wijziging gebied natuurnetwerk Nederland

  • 1.

    Gedeputeerde staten kunnen het werkingsgebied van het natuurnetwerk Nederland wijzigen als:

    • a.

      het gaat om een ondergeschikte wijziging van dat werkingsgebied; en

    • b.

      de wijziging bijdraagt aan de natuurbescherming, het in standhouden en versterken van een robuust netwerk van natuurgebieden en het behouden en versterken van de biodiversiteit.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen als en voor zover nodig is in verband met de wijziging bedoeld in het eerste lid, gelijktijdig met die wijziging de werkingsgebieden die aan het natuurnetwerk Nederland grenzen, wijzigen.

Artikel 5.2 Wijziging gebied Groene contour

  • 1.

    Gedeputeerde staten kunnen het werkingsgebied van de Groene Contour wijzigingen in het werkingsgebied natuurnetwerk Nederland wanneer de natuur als functie is vastgelegd in een inwerking getreden omgevingsplan.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen als en voor zover nodig is in verband met de wijziging bedoeld in het eerste lid, gelijktijdig met die wijziging de samenvallende werkingsgebieden wijzigen.

Artikel 5.3 Aanpassen werkingsgebied Beschermd klein landschapselement

  • 1.

    Gedeputeerde staten kunnen besluiten kleine landschapselementen, die voldoen aan de door hen vastgestelde beleidsregels, aan te wijzen en toe te voegen aan het werkingsgebied Beschermd klein landschap.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen om dringende redenen, anders dan de redenen, bedoeld in artikel 6.24, tweede lid van de Omgevingsverordening de aanwijzing van een beschermd klein landschapselement geheel of gedeeltelijk opheffen.

Artikel 5.4 Wijziging Waardevolle houtopstanden

Gedeputeerde staten kunnen de geometrische begrenzing van Waardevolle houtopstanden-oude bosgroeiplaatsen, bedoeld in artikel 6.13 van de Omgevingsverordening wijzigen, als onderzoek naar de op de locatie van de oude bosgroeiplaats aanwezige waarden daartoe aanleiding geeft.

Artikel 5.5 Wijziging Bijlage XI Wezenlijke kenmerken en waarden

Gedeputeerde staten kunnen Bijlage XI Wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk Nederland, bedoeld in artikel 6.3, lid 1 van de Omgevingsverordening wijzigen als er sprake is van nieuwe feiten of inzichten over de actuele en potentiële waarden en er sprake is van een wijziging van ondergeschikte aard.

Artikel 5.6 Wijziging Ganzenrustgebied

Gedeputeerde staten kunnen de geometrische begrenzing van Ganzenrustgebied wijzigen als is gebleken dat delen van het gebied geen foerageer- of rustfunctie meer kunnen vervullen.

Artikel 5.7 Wijziging Weidevogelkerngebied

Gedeputeerde staten kunnen de geometrische begrenzing van Weidevogelkerngebied wijzigen:

  • a.

    als onderzoek, waaronder de driejaarlijkse provinciale weidevogelinventarisatie, daartoe aanleiding geeft; of

  • b.

    om die begrenzing in overeenstemming te brengen met nationaal of provinciaal beleid.

Artikel 5.8 Wijziging provinciale vrijstelling schadesoorten

Gedeputeerde staten kunnen de artikelen 6.44 tot en met 6.48 van de Omgevingsverordening wijzigen op de onderdelen: ganzensoorten, periode van kwetsbaar gewas, tijdvak van afschot, gewassoorten, uitzonderingen gewassoorten en afschot, groepsgrootte, aantal doden per verjaagactie, middelen, en wijze van gegevenslevering.

Artikel 5.9 Wijziging uitzondering vergunningplicht andere soorten

Gedeputeerde staten kunnen bijlage X, Uitzondering vergunningplicht andere soorten, van de Omgevingsverordening, wijzigen als nieuwe inzichten over de staat van instandhouding van soorten daar aanleiding toe geven.

Hoofdstuk 6 Wijzigingen wonen, werken, recreëren

Artikel 6.1 Wijziging gebied Uitbreiding woningbouw onder voorwaarden

Gedeputeerde staten kunnen de geometrische begrenzing van Uitbreiding woningbouw onder voorwaarden mogelijk, wijzigen in Stedelijk gebied wanneer de woningbouw is vastgelegd in een omgevingsplan.

Artikel 6.2 Wijziging gebied Uitbreiding bedrijventerrein onder voorwaarden

Gedeputeerde staten kunnen de geometrische begrenzing van Uitbreiding bedrijventerrein onder voorwaarden mogelijk wijzigen in Stedelijk gebied wanneer een bedrijventerrein is vastgelegd in een omgevingsplan.

Artikel 6.3 Wijziging gebied Detailhandel

Gedeputeerde staten kunnen de geometrische begrenzing van gebied Bestaand winkelgebied wijzigen.

Artikel 6.4 Wijziging gebied Stiltegebied

Gedeputeerde staten kunnen de geometrische begrenzing van Stiltegebied wijzigen.

Hoofdstuk 7 Voorbereidingsbescherming

Artikel 7.1 Voorbereidingsbesluit

Gedeputeerde staten kunnen een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.15 of artikel 4.16 van de Omgevingswet nemen, indien:

  • a.

    de verwachte of gebleken schadelijke effecten van een activiteit niet met inzet van andere aan hen toekomende bevoegdheden kunnen worden beschermd, en

  • b.

    een tijdig voorbereidingsbesluit door provinciale staten niet mogelijk is.

Hoofdstuk 8 Slotbepalingen

Artikel 8.1 Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op 1 december 2025.

Artikel 8.2 Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Delegatiebesluit Omgevingsverordening provincie Utrecht 2025.

Utrecht, 8 oktober 2025

Provinciale Staten van Utrecht

Voorzitter,

mr. J.H. Oosters

Griffier,

mr. C.A. Peters

Toelichting  

Hoofdstuk 2 Aanpassen en aanwijzen gebieden

 

Toelichting artikel 2.1 Aanpassen gebieden en tekst

Gedeputeerde staten kunnen, wanneer het gaat om kennelijke onjuistheden, gebieden aanpassen en ook de tekst van de verordening wijzigen. De bijlagen maken onderdeel uit van de tekst. In geval van tekst gaat het onder meer om:

  • -

    kleine tekstuele correcties van artikelen vanwege uniformiteit van bepalingen in de Omgevingsverordening;

  • -

    aanpassingen ter verduidelijking van een bepaling of toelichting of vervanging van ouderwets taalgebruik;

  • -

    kleine aanvullingen op indieningseisen, noodzakelijk voor het genereren van aanvraagformulieren in het Digitaal Systeem Omgevingswet (conform huidige formulieren);

  • -

    herstel van verkeerde of overbodige verwijzingen; en

  • -

    verbetering van spellingsfouten of grammaticale fouten.

Hoofdstuk 3 Wijzigingen water

 

Toelichting artikel 3.1 Termijn omgevingswaarde regionale waterkeringen

De tijdstippen waarop de verschillende regionale waterkeringen op orde moeten zijn worden door gedeputeerde staten vastgesteld in overleg met het dagelijks bestuur van het waterschap. Hierbij wordt ook vastgelegd onder welke voorwaarden kan worden afgeweken van deze tijdstippen.

Voor de Slaperdijk geldt als omgevingswaarde het handhaven van het huidig profiel. Omdat dit een doorlopend proces is, geldt hiervoor geen einddatum. Over het afsluitbaar maken van de doorgangen in de Slaperdijk, zoals bedoeld in artikel 2.3 lid 1 onder b, en over het oplossen van nieuwe knelpunten, worden door gedeputeerde staten afspraken gemaakt met het dagelijks bestuur van het waterschap.

 

Toelichting artikel 3.2 Termijn omgevingswaarden wateroverlast

De omgevingswaarden wateroverlast zijn vastgelegd als inspanningsverplichting voor de waterschappen. Het op orde brengen en houden van de verschillende gebieden is een doorlopend proces dat niet op één moment afgerond is. Over het oplossen van specifieke knelpunten die al bekend zijn of nieuw ontstaan, door bijvoorbeeld bodemdaling of andere peilvakindeling, worden door gedeputeerde staten afspraken gemaakt met het dagelijks bestuur van het waterschap.

 

Toelichting artikel 3.3 Uitzondering omgevingswaarde wateroverlast

Het nemen van maatregelen om te voldoen aan de omgevingswaarden voor wateroverlast is in bepaalde situaties niet doelmatig, omdat de schade die voorkomen wordt in deze gevallen aanmerkelijk kleiner is dan de kosten van de te treffen maatregelen. In die situatie verdient het de voorkeur die maatregelen geheel of gedeeltelijk achterwege te laten en aan belanghebbenden de schade te vergoeden die als gevolg daarvan ontstaat. Afwijking van de algemene norm moet echter aan strenge eisen voldoen. Daarom is bepaald is dat van die mogelijkheid alleen gebruik gemaakt kan worden op basis van een gemotiveerd verzoek van het dagelijks bestuur. Vereist is dat een dergelijk verzoek voor een door het waterschap te bepalen deelgebied een uitwerking van de overwogen maatregelen en van de te vermijden schade bevat alsmede een financiële onderbouwing daarvan. Ook zal moeten worden aangegeven op welke wijze belanghebbenden (financieel) worden gecompenseerd. Die compensatie is een vereiste uit een oogpunt van rechtsgelijkheid. Indien groenblauwe diensten onderdeel uitmaken van het maatregelenpakket worden die diensten meegenomen in het verzoek. Om dezelfde reden is het gewenst dat het dagelijks bestuur ook de mogelijkheid van tussenvarianten in de vorm van een beperkter maatregelenpakket en een beperktere financiële compensatie onderzoekt en daarop ingaat in zijn verzoek. Gedeputeerde staten kunnen bij het toepassing geven aan de hun toegekende bevoegdheid bepalen dat de afwijking voor een bepaalde periode geldt.

 

Hoofdstuk 4 Wijzigingen bereikbaarheid en mobiliteit

 

Toelichting artikel 4.1 Aanpassen werkingsgebieden

Op grond van dit artikel kunnen werkingsgebieden gewijzigd worden, bijvoorbeeld wijziging van een beperkingengebied ten gevolge van bijvoorbeeld een reconstructie. De beperkingengebieden beheer en vrij zicht zijn bijvoorbeeld direct gekoppeld aan respectievelijk het beheer- en onderhoudsgebied en het benodigde vrije zicht van en op een provinciale weg. Door het realiseren van een rotonde of een extra rijstrook verandert het beheer- en onderhoudsgebied en veranderen de benodigde zichthoeken. De beperkingengebieden waarin activiteiten gereguleerd worden, moeten dan mee veranderd worden. Hetzelfde geldt ook voor de beperkingengebieden bij lokaal spoor en vaarwegen.

Daarnaast kunnen de werkingsgebieden van provinciale netwerken, zoals het bereikbaarheidsnetwerk, OV-netwerk en fietsnetwerk aangepast worden voor zover het gaat om ondergeschikte, uitvoeringstechnische of administratieve aanpassingen.

 

Toelichting artikel 4.2 Activiteiten ten aanzien van de provinciale weg, vaarweg en lokale spoorweg

Dit artikel bevat onder andere de mogelijkheid om een meldingssysteem voor een bepaalde activiteit in te voeren. Het stellen van de regels om het verbod zonder vergunning om te zetten in een verbod zonder melding voor het verrichten van de activiteit wordt gedelegeerd aan gedeputeerde staten. Een meldingssysteem geeft gedeputeerde staten de tijd voor een controle over de activiteit, zodat het zich ervan kan vergewissen dat de regels worden nageleefd.

 

Toelichting artikel 4.4 Vaarwegdiepte en doorvaarthoogte

Voor het vaststellen van de minimaal benodigde doorvaarthoogte en vaarwegdiepte is het streven om aan te sluiten bij de Beleidsvisie Recreatietoervaart Nederland (BRTN). In specifieke gevallen kan worden besloten daarvan af te wijken, bijvoorbeeld in het geval van een bestaande brug die te laag is en waarvoor de kosten van vervanging onredelijk hoog zijn.

 

Toelichting artikel 4.5 Bedieningstijden bruggen en sluizen

Het belang van de beroepsvaart en de recreatievaart is gediend met een optimale afstemming van het bedieningsregime van de beweegbare bruggen en sluizen. Gedeputeerde staten stellen de bedieningstijden vast in overleg met de uitvoerende vaarweg- en nautische beheerders. Voor de vaststelling van de bedieningstijden voor vaarwegen die opgenomen zijn in de Beleidsvisie Recreatietoervaart Nederland (BRTN) worden de BRTN-richtlijnen ten behoeve van de recreatievaart meegewogen.

 

Hoofdstuk 5 Wijzigingen natuur

 

Toelichting artikel 5.1 Wijziging gebied natuurnetwerk Nederland

Dit artikel ziet alleen op ondergeschikte wijzigingen van het werkingsgebied natuurnetwerk Nederland (NNN), zoals een wijziging van de begrenzing om een beperkt oppervlak aan gronden toe te voegen aan het NNN, of

een combinatie van een beperkte verwijdering van gronden uit het NNN en een gelijktijdige toevoeging van gronden die leidt tot behoud of een toename van oppervlakte, kwaliteit en samenhang van het NNN.

Gedeputeerde staten kunnen het werkingsgebied van het NNN wijzigen als die wijziging ook (deels) in provinciaal belang is doordat de wijziging helpt om het doel van het NNN, namelijk natuurbescherming, een robuust netwerk van natuurgebieden en behouden en versterken van de biodiversiteit, te bereiken. Gewenste wijzigingen die niet aan deze voorwaarden voldoen, omdat deze bijvoorbeeld te groot zijn, kunnen niet op grond van dit artikel worden gewijzigd. Die wijzigingen gaan mee in een wijziging van de omgevingsverordening vast te stellen door provinciale staten.

Ook kunnen gedeputeerde staten alleen van artikel 5.1 gebruik maken als er niet gewacht kan worden op een volgende wijziging van de omgevingsverordening vast te stellen door provinciale staten. Er moet dus sprake zijn van enige spoed.

Het tweede lid maakt het mogelijk dat gedeputeerde staten een werkingsgebied dat grenst aan het NNN, wijzigen als dat door de wijziging van het werkingsgebied NNN nodig is. Deze mogelijkheid ziet op de gedeelde grens van deze werkingsgebieden met het NNN, bijvoorbeeld het werkingsgebied Luchtvaartterrein. De wijziging van die werkingsgebieden gebeurt gelijktijdig met de wijziging van het werkingsgebied NNN.

 

Toelichting artikel 5.2 Wijziging gebied Groene contour

Dit artikel ziet op gevallen waarin in een omgevingsplan aan een locatie gelegen in het werkingsgebied de Groene contour de functie “natuur” wordt toegedeeld en/of op die gronden gebruik voor -alleen- natuur mogelijk wordt gemaakt. Deze locatie kan al als natuur zijn ingericht (zonder functie “natuur”), maar kan ook bedoeld zijn voor natuurrealisatie. Deze bevoegdheid kan alleen worden toegepast als het omgevingsplan ook al in werking is getreden en daarmee vaststaat dat de locatie alleen voor natuur(realisatie) kan worden gebruikt.

Het tweede lid maakt het mogelijk dat gedeputeerde staten gelijktijdig zo nodig de begrenzing van andere werkingsgebieden aanpassen. Hierbij kan gedacht worden aan de werkingsgebieden:

  • a.

    uitbreiding woningbouw onder voorwaarde mogelijk;

  • b.

    uitbreiding bedrijventerrein onder voorwaarde mogelijk;

  • c.

    windturbines landelijk gebied;

  • d.

    windenergielocatie;

  • e.

    zonnevelden;

  • f.

    luchtvaartterrein;

  • g.

    buffer luchtvaartterrein

Toelichting artikel 5.4 Wijziging Waardevolle houtopstanden

Wanneer uit onderzoek blijkt dat er voor bepaalde gronden geen oude bosgroeiplaats-waarden meer aanwezig zijn, kunnen gedeputeerde staten het gebied Waardevolle houtopstanden wijzigen. Het is mogelijk dat op basis van aanvullend kaart- of luchtfoto onderzoek blijkt dat op locaties langere tijd geen bos aanwezig is geweest en dat locaties dus ten onrechte zijn aangewezen als oude bosgroeiplaats. Ook is het mogelijk dat locaties wel voldoen aan de definitie maar nog niet op kaart zijn aangewezen. Daarnaast kan het ook om andere redenen mogelijk zijn dat percelen niet meer aan de voorwaarden voldoen om te worden aangemerkt als oude bosgroeiplaats.

 

Toelichting artikel 5.5 Wijziging Bijlage XI Wezenlijke kenmerken en waarden

Op grond van dit artikel kunnen gedeputeerde staten de bijlage XI aanpassen op die nieuwe feiten en inzichten, als dit tot een wijziging van ondergeschikte aard leidt. In Bijlage XI zijn de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk Nederland (NNN) opgenomen. Dit zijn zowel actuele als potentiële natuurwaarden van het NNN en de daarvoor vereiste bodem- en watercondities. De wezenlijke kenmerken en waarden zijn opgesteld met als doel het beschermen, in stand houden, verbeteren en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, het behouden en herstellen van de biologische diversiteit.

 

De actuele of potentiële natuurwaarden kunnen zich ontwikkelen en/of de condities voor die waarden in en nabij het NNN kunnen wijzigen, waardoor er ook nieuwe feiten en inzichten over die waarden kunnen ontstaan. Ook kunnen er nieuwe inzichten zijn over wat een waarde inhoudt of wat er kwalificeert als waarde. Deze feiten en inzichten kunnen bijvoorbeeld blijken uit nader onderzoek, monitoring en dergelijke.

 

Toelichting artikel 5.6 Wijziging Ganzenrustgebied

Indien uit onderzoek blijkt dat delen van een ganzenrustgebied niet (meer) geschikt zijn om als foerageer- of rustgebied te functioneren, kunnen de begrenzingen van de huidige ganzenrustgebieden worden aangepast. Het gaat hierbij om beperkte aanpassingen ten gevolge van feitelijke veranderingen van het foerageer- of rustgebied. Artikel 5.6 ziet niet op grootschalige aanpassingen van deze gebieden. Dergelijke aanpassingen moeten in samenhang beschouwd worden met het bredere ganzenbeleid. Ook ziet dit artikel niet op de aanwijzing van nieuwe ganzenrustgebieden.

 

Toelichting artikel 5.7 Wijziging Weidevogelkerngebied

De weidevogelkerngebieden zijn internationaal van groot belang voor de bescherming van weidevogels. De begrenzing van dit gebied kan door gedeputeerde staten worden gewijzigd als onderzoek, waaronder de driejaarlijkse weidevogelinventarisatie, daartoe aanleiding geeft. Een aanleiding kan zijn dat uit een dergelijk onderzoek bijvoorbeeld blijkt dat de geschiktheid van een gebied als leefgebied van weidevogels feitelijk is gewijzigd, waardoor bepaalde gronden wel of juist niet meer deel van het weidevogelkerngebied moeten zijn.

Ook nationaal of provinciaal beleid dat de basis vormt voor de weidevogelkerngebieden kunnen aanleiding zijn om de begrenzing van een weidevogelkerngebied te wijzigen. Denk daarbij bijvoorbeeld aan een eventuele toekomstige wijziging van het Aanvalsplan Grutto.

 

Toelichting artikel 5.8 Wijziging provinciale vrijstelling schadesoorten

In de artikelen 6.44 tot en met 6.48 van de Omgevingsverordening zijn gevallen aangewezen waarvoor geen omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit aangevraagd hoeft te worden. Hiervoor moet aan de in die artikelen genoemde voorwaarden worden voldaan. GS kunnen deze voorwaarden wijzigen op de in artikel 5.8 genoemde onderdelen. Een dergelijke wijziging zal aan wet- en regelgeving en aan nationaal en provinciaal beleid moeten voldoen. Dit moet in het besluit tot wijziging worden gemotiveerd.

 

Toelichting artikel 5.9 Wijziging uitzondering vergunningplicht andere soorten

Artikel 6.51 van de Omgevingsverordening beschrijft gevallen waarvoor geen omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit aangevraagd hoeft te worden. Hierbij moet sprake zijn van een soort die voorkomt op bijlage X én moet er worden voldaan aan de in artikel 6.51 van de Omgevingsverordening genoemde voorwaarden. Provinciale staten kunnen in een bepaling in de Omgevingsverordening zogenoemde vergunningvrije gevallen aanwijzen als aan de beoordelingsregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wordt voldaan. Als uit nieuwe inzichten over de staat van instandhouding van één van de soorten genoemd in bijlage X blijkt dat deze niet meer in een gunstige staat van instandhouding verkeert, kan niet meer aan het Bkl worden voldaan. Dit heeft tot gevolg dat de aanwijzing van een flora- en fauna-activiteit ten opzichte van die soort als vergunningvrij geval, niet meer kan worden gehandhaafd. Gelet hierop is aan gedeputeerde staten in artikel 5.9 de bevoegdheid toegekend om bijlage X Uitzondering vergunningplicht andere soorten, van de Omgevingsverordening te wijzigen.

 

Hoofdstuk 7 Voorbereidingsbescherming

 

Toelichting artikel 7.1 Voorbereidingsbesluit

Voor een locatie kunnen gedeputeerde staten een voorbereidingsbesluit nemen met het oog op de voorbereiding van in de omgevingsverordening te stellen regels. Het gaat hier om een voorbereidingsbesluit dat de omgevingsverordening wijzigt met voorbeschermingsregels. Daarnaast kunnen gedeputeerde staten een voorbereidingsbesluit nemen als zij een projectbesluit voorbereiden waarmee het omgevingsplan wordt gewijzigd.

 

Hoofdstuk 8 Slotbepalingen

 

Toelichting artikel 8.1 Inwerkingtreding

In artikel 8.1 is geregeld dat dit Delegatiebesluit in werking treedt op 1 december 2025.

Naar boven