Provinciaal blad van Zeeland
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Zeeland | Provinciaal blad 2025, 17538 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Zeeland | Provinciaal blad 2025, 17538 | beleidsregel |
Besluit van Gedeputeerde Staten houdende vaststelling van het Uitvoerings- en Handhavingsbeleid Zeeland 2025
Besluit van Gedeputeerde Staten van provincie Zeeland van 21 oktober 2025, kenmerk 702013, tot vaststelling van het Uitvoerings- en Handhavingsbeleid Zeeland 2025 .
Gedeputeerde Staten van Zeeland;
het noodzakelijk is dat Gedeputeerde Staten het VTH Beleid 2024 actualiseren;
de essentie van het beleid wijzigt niet, het omvat opnieuw de taken van Zeeuwse overheden op gebied van de fysieke leefomgeving: milieu, water, bodem, natuur, ruimtelijke ordening, erfgoed en bouwen. Het beleid geeft de uitvoeringskaders voor vergunningverlening, toezicht en handhavingstaken aan. Ook blijft het doel gelijk: het beleid draagt bij aan een schoon, veilig, gezond, biodivers en duurzaam Zeeland. Daarnaast is het resultaat van een evaluatie van de werking van het voormalige VTH-beleid verwerkt;
hiertegen zijn zienswijzen ingediend. Een aantal van deze zienswijzen hebben geleid tot enkele tekstuele aanvullingen en aanscherpingen, zonder dat de beleidsinhoud van het ontwerp van het Uitvoerings- en Handhavingsbeleid Zeeland 2025 fundamenteel is gewijzigd; voor de beoordeling van de zienswijze wordt verwezen naar het van dit besluit deel uitmakend ‘Eindverslag inspraakprocedure ontwerp Uitvoerings- en Handhavingsbeleid Zeeland 2025’.
Met genoegen bieden wij u de Zeeuwse strategie voor Uitvoering en Handhaving (verder te noemen U&H-beleid) in de fysieke leefomgeving aan. U&H-beleid of -strategie betreffen termen die in de Omgevingswet worden gehanteerd. We kennen dit in de huidige vorm als ‘VTH-beleid’. De essentie wijzigt niet: het gaat om een beschrijving van uitvoeringskaders voor vergunningverlening, toezicht en handhavingstaken. In dit U&H-beleid benoemen we de bestuurlijke uitgangspunten voor dit taakveld in Zeeland. De strategie is vastgesteld voor de Omgevingswet en de wetgeving die daarnaast nog inwerking is. De reikwijdte van deze strategie omvat alle taken van de Zeeuwse overheden voor de fysieke leefomgeving: milieu, water, bodem, natuur, ruimtelijke ordening, erfgoed en bouwen1. Deze vernieuwde strategie borduurt voort op het beleid en de strategie van 2021. Actualisatie was nodig, doordat het nieuwe wettelijke stelsel van de Omgevingswet op 1 januari 2024 in werking is getreden en doordat wij het voormalige beleid hebben geëvalueerd. Naast de Omgevingswet passen wij ook nog andere wetgeving toe. Deze wetgeving2 is voorlopig nog buiten de Omgevingswet gebleven. Een bij de wetgeving passende strategie is ook een kwaliteitseis in de Omgevingswet. Door vaststelling voldoen wij weer aan dat vereiste.
Het beleid draagt bij aan een schoon, veilig, gezond, biodivers en duurzaam Zeeland. Het beleid draagt daarnaast bij aan het bewaren van ons Zeeuws erfgoed. Dit beleid is tot stand gekomen door gezamenlijke inspanning van alle Zeeuwse overheden, Regionale uitvoeringsdienst Zeeland (RUD) en Dienst centraal milieubeheer Rijnmond (DCMR), Waterschap Scheldestromen, hebben Veiligheidsregio Zeeland, Gemeenschappelijke gezondheidsdienst Zeeland (GGD), natuurbeheerders, politie en Openbaar Ministerie. De Zeeuwse bevoegde gezagen samen besloten om een eenduidig U&H-beleid voor heel Zeeland op te stellen. Een gezamenlijk beleid draagt bij aan integrale benadering van zaken, opereren als 1 overheid, en onderling vertrouwen is daarbij belangrijk. Een belangrijk uitgangspunt in dit proces is dat een Zeeuws-breed gedragen U&H-beleid een gelijk speelveld voor inwoners en bedrijven moet opleveren, zonder dat dit ten koste gaat van de mogelijkheid om lokaal maatwerk te realiseren. Dat laatste is de kern van de Omgevingswet, op maat naar de lokale situatie kijken bij de uitvoering van werk.
Wij kijken terug op een boeiend en productief proces. Het proces begon in december 2023 met het opstellen van een beleid neutrale aanpassing van de eerder opgestelde strategieën aan de Omgevingswet. Na de gezamenlijke en inhoudelijke evaluatie in 2024 is het nieuwe Zeeuws brede U&H-beleid nu beschikbaar.
Steeds meer komt de nadruk te liggen op integraal, probleem- en programmagericht werken. Dat proces begint met het vaststellen van de problemen en de prioriteiten. Naast het opstellen van dit nieuwe beleid is ook de gezamenlijke probleemanalyse opgesteld. De daaruit voortkomende Zeeuwse prioriteiten zijn samengevat in de het beleid opgenomen.
Zeeland kiest met dit gezamenlijke beleid voor een afgestemd geheel van bestuurlijke kaderstelling, een uitvoerbare en eenduidige strategie. Zo zorgen we ervoor dat we gezamenlijk in Zeeland de goede dingen doen met goede uitvoering.
Het Uitvoerings- en Handhavingsbeleid (U&H-beleid) is onderdeel van de beleidscyclus. Deze beleidscyclus, ook wel Regionale beleidscyclus (RBC) genoemd, is een 'dubbele regelkring' en wordt ook wel de 'Big 8' genoemd. De Provincie voert de strategische (oftewel het linkerdeel van de) cyclus uit en de omgevingsdiensten de operationele (oftewel het rechterdeel van de) cyclus. De start van de cyclus ligt in een analyse van problemen en risico’s, die samen met de bestuurlijke ambities leidt tot speerpunten (prioriteiten en doelen). Deze zijn (onder andere) vastgelegd in de Zeeuwse Omgevingsvisie en het Milieuprogramma van Provincie Zeeland. Het U&H-beleid beschrijft op welke manier deze ambities met Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (hierna: VTH) kunnen worden bereikt en vormt het kader voor de omgevingsdiensten. De werk- of jaarplannen van de omgevingsdiensten zijn hierop gebaseerd. Deze zijn bepalend voor de werkwijze en de uitvoering van de VTH-taken door de omgevingsdiensten. Monitoring en evaluatie maken inzichtelijk of de prioriteiten en doelen gerealiseerd worden. Dit kan leiden tot een aanpassing van het uitvoeringsbeleid (jaarcyclus) of wijziging van de speerpunten (meerjarencyclus).
In heel Zeeland één gezamenlijke U&H-beleid
De overheden en uitvoeringsdiensten in Zeeland hebben samen een U&H-beleid opgesteld, mede vanwege de kwaliteitseisen in de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit. In het U&H-beleid staat beschreven hoe wij de komende jaren uitvoering geven aan onze taken op het gebied van VTH. Het U&H-beleid is het product van de samenwerking en geldt niet alleen voor de basistaken, maar voor het hele spectrum van taken dat onder de noemer VTH te vatten is. Het gezamenlijke U&H-beleid draagt bij aan de uniforme borging van de kwaliteitseisen uit de Omgevingswet. De strategieën in het beleid benoemen de uitgangspunten voor preventie, vergunningverlening, gedogen, toezicht en handhaving in Zeeland.
Het UH-beleid legt daarmee randvoorwaarden vast voor de uitvoering van deze taken en biedt het kader voor een efficiënte en professionele samenwerking. Wetgeving verplicht Gedeputeerde Staten om een strategisch/operationeel beleidskader voor uitvoering en handhaving vast te stellen. Dit is belangrijk om goed te kunnen sturen op de resultaten die Gedeputeerde Staten willen bereiken.
Het gezamenlijk opgestelde U&H-strategie is integraal onderdeel van ons Provinciale U&H-beleid en is opgenomen in hoofdstuk 2.
Als Provincie Zeeland hebben we nog aanvullende uitvoeringskaders voor VTH-taken vastgesteld. Dit zijn onder meer:
Risicogericht uitvoeren toezicht
Gedeputeerde Staten willen dat bedrijven de wet- en regelgeving steeds beter naleven en dat ervaren overlast uit de omgeving wordt beperkt of zoveel mogelijk wordt voorkomen. In opdracht van Gedeputeerde Staten bepalen de omgevingsdiensten waar het zinvol is om controles uit te voeren en hoeveel en welke soort controles dat moeten zijn. Dit beleid beschrijft hiervoor de methode die ook het naleefgedrag en klachten vanuit de omgeving opneemt in de analyse. Goed naleefgedrag wordt beloond met minder intensief toezicht voor zover de inherente risico's dat toelaten. Wanneer het naleefgedrag niet afdoende is, wordt het toezicht juist intensiever.
Economische ontwikkeling bevorderen door snelle en correcte vergunningverlening
Gedeputeerde Staten dragen met snelle en correcte vergunningverlening bij aan een goed vestigingsklimaat voor bedrijven in Zeeland. Bedrijven waar Gedeputeerde Staten bevoegd gezag zijn, hebben vaak een vergunning nodig wanneer zij zich vestigen in de provincie, veranderen van activiteit of uitbreiden. Om deze bedrijven optimaal te faciliteren en zo de economie te stimuleren, streven Gedeputeerde Staten naar het zo snel mogelijk en correct verlenen van deze vergunningen, in ieder geval binnen de geldende wettelijke termijnen.
Aansturing en kwaliteit van omgevingsdiensten
De omgevingsdiensten worden door GS aangestuurd aan de hand van drie pijlers:
GS-opdrachtgever van de Omgevingsdiensten
De Provincie heeft de uitvoering van de VTH-taken in het fysieke domein ondergebracht bij de omgevingsdiensten, met uitzondering van vergunningverlening van natuur-activiteiten die vallen onder de Omgevingswet. DCMR voert de VTH-taken uit met betrekking tot bedrijven die onder de reikwijdte van de Europese Seveso-richtlijn gevallen en de Richtlijn Industriële emissies (RIE4) vallen, terwijl RUD Zeeland de VTH-taken uitvoert voor de overige bedrijven waar de provincie bevoegd gezag voor is. Ook voert de RUD specialistische taken uit zoals die voor geluid. De RUD is een gemeenschappelijke regeling waarvan de Provincie en de Zeeuwse gemeenten eigenaren en opdrachtgevers zijn. Voor Seveso-taken verstrekken Gedeputeerde Staten opdracht aan DCMR.
Provincie blijft eindverantwoordelijk voor taken omgevingsdiensten
De omgevingsdiensten voeren de taken in mandaat uit. Dat betekent dat Gedeputeerde Staten eindverantwoordelijk blijven voor deze taken en de daarmee samenhangende resultaten. Als opdrachtgever stellen Gedeputeerde Staten kaders vast voor de uitvoering en stellen zij het werk- of jaarplan van de omgevingsdiensten vast.
Samenwerken met andere overheden
Door coördinatie en samenwerking versterkt de provincie de kwaliteit van uitvoering, toezicht en handhaving. De Provincie draagt zorg voor de coördinatie van de samenwerking op VTH-gebied tussen de bestuursrechtelijk en strafrechtelijke partners. Hiervoor heeft de Provincie het ambtelijk en bestuurlijk overleg omgevingsrecht Zeeland en het Casusoverleg Zeeland opgericht. Het doel van deze overleggen is het afstemmen en coördineren van VTH-taken inzake milieu, bouw en sloop, ruimtelijke ordening, natuur, water en ketens in de regio Zeeland tussen bestuurs- en strafrechtelijke partners in Zeeland. Daarnaast zijn Gedeputeerde Staten regisseur voor een aantal provinciebrede taken, namelijk:
De U&H-strategie voor Zeeland is een uitgebreid document dat de kaders schetst voor uitvoering en handhaving in de fysieke leefomgeving. Het beleid is gericht op samenwerking, transparantie en het waarborgen van een veilige en duurzame leefomgeving. Door de nadruk te leggen op preventie en integrale samenwerking voldoet Zeeland aan de eisen van de Omgevingswet en zetten wij in op verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving.
De Provincie streeft naar een sterke economie, een goed woon- en werkklimaat in Zeeland en kwaliteit van water en landelijk gebied. Het uitvoeren van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH-taken) draagt bij aan deze hoofddoelstelling en daaraan gekoppelde (milieu)doelen zoals die zijn opgenomen in de Zeeuwse Omgevingsvisie en het Milieuprogramma van Provincie Zeeland.
De overheden en uitvoeringsdiensten in Zeeland (verder de U&H-partners; zie bijlage 1) hebben gezamenlijk een strategie opgesteld voor uitvoering en handhaving (U&H). Dit document presenteert het Zeeuwse U&H-beleid, dat een integraal onderdeel vormt van het Stelsel van de Omgevingswet. De U&H-strategie is, in de huidige vorm bekend als ‘VTH-beleid’. Het beschrijft de uitvoeringskaders voor vergunningverlening, toezicht en handhavingstaken. De gezamenlijke U&H-strategie draagt bij aan een ‘mooi, schoon, veilig, gezond, biodivers en duurzaam Zeeland’.
Wij beschouwen een gezamenlijke en uniforme U&H-strategie in Zeeland als wenselijk en waardevol. Ons gezamenlijke doel en proces is een breed gedragen U&H-beleid. Onderdeel hiervan is een gezamenlijke probleemanalyse, waarbij de prioriteiten worden geïdentificeerd.
De bevoegde gezagen voor de VTH-taken zijn en blijven individueel verantwoordelijk om beleid te ontwikkelen, af te stemmen en vast te stellen. Regionaal bestaat de wettelijke verplichting om een gezamenlijk uniform U&H–beleid op te stellen en te implementeren voor de bij de omgevingsdiensten ondergebrachte basistaken. De deelnemers aan de RUD zijn de Zeeuwse gemeenten en de Provincie Zeeland. De Provincie is ook opdrachtgever voor DCMR voor taken bij Seveso-inrichtingen en RIE-4 bedrijven.
De gezamenlijke Zeeuwse U&H-strategie is een onderdeel van het U&H-beleid van de Provincie Zeeland. Waar de gezamenlijke Zeeuwse U&H-strategie geldt voor alle VTH-taken die onder gebracht zijn bij omgevingsdiensten én de overige provinciale VTH-taken, bevat het beleid van de Provincie daarnaast nog enkele andere aanvullende randvoorwaarden voor deze VTH-taken.
Specifiek voor de uitvoering van de VTH-taken voor de BRIKS-onderwerpen (bouwen, reclame, inritten, kap en sloop) bij bedrijven waar de Provincie bevoegd gezag is, is het uitvoeringskader BRIKS vastgesteld en gepubliceerd. Dat geldt ook voor de Beleidsregel bestuurlijke boete Seveso-inrichtingen. Dit uitvoeringskader en deze beleidsregel zijn ook onderdeel van het U&H-beleid.
Gedeputeerde Staten bezien periodiek in hoeverre het U&H-beleid nog actueel is. Het VTH-werkveld is immers continu in ontwikkeling. Zo voorzien we ontwikkelingen ten aanzien van de volgende inhoudelijke onderwerpen: beleidsregels over gezondheid, Safe-by-Desing principes (effecten op veiligheid en gezondheid bij het ontwerpen van nieuwe producten en processen), ‘scherp vergunnen van emissies’3 en toepassing van financiële zekerheid. Deze worden op termijn in het U&H-beleid verwerkt.
De wettelijke kaders voor de VTH-taken zijn vastgelegd in de Omgevingswet.
Vanuit deze wettelijke kaders vloeien kwaliteitseisen voort voor het beleid, de organisatie en de kwaliteit van personeel. Een voorbeeld daarvan is de verplichting van invoering van het programmatisch werken. Dit betekent leren van de voorbije periode (evaluatie, jaarverslag), analyse van wat de komende periode nodig is (risicoanalyse en prioritering), bepalen van de beste aanpak van de prioriteiten (strategie) en vervolgens uitvoeren van wat bepaald is (jaarbeleid).
Het doel van de wettelijke kwaliteitseisen in de Omgevingswet is een robuust en professioneel werkende uitvoeringsstructuur voor vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) die:
Met dit U&H-beleid beogen we de realisatie en borging van deze kwaliteitseisen bij de uitvoerende werkzaamheden.
In deel A van dit hoofdstuk volgen algemene doelstellingen, prioriteiten en uitgangspunten van de strategie. In deel B de specifieke U&H-strategieën preventie, uitvoering, toezicht, sanctie en gedogen.
Deel A Algemene inleiding en onze uitgangspunten
In deel A van dit hoofdstuk volgen algemene doelstellingen, prioriteiten en uitgangspunten van de strategie. In deel B de specifieke U&H-strategieën preventie, uitvoering, toezicht, sanctie en gedogen.
Voor U&H-taken werken wij programmatisch. Deze aanpak is verdeeld in een beleidsmatig en een uitvoerend deel. De eerste stap omvat de probleem- en risicoanalyse en het bepalen van prioriteiten (wat). Deze werkwijze is deels wettelijk bepaald, deels gebaseerd op jurisprudentie en deels op (landelijke) bestuurlijke afspraken, zoals in de VNG of het IPO.
Deze U&H-strategie beschrijft stap 2 in het programmatisch werken: HOE we invulling geven aan het bereiken van goede naleving van de gestelde prioriteiten. In de onderstaande figuur is de gehele beleidscyclus weergegeven, inclusief de samenhang tussen de doelen en prioriteiten, de U&H-strategie, het jaarlijkse uitvoeringsprogramma en de evaluatie.
Figuur 1:de Big Eight, het symbool voor programmatisch werken.
Strategische afwegingsruimte van het bevoegd gezag
Voor de gekozen prioriteiten hebben we ruimte om strategische afwegingen te maken bij de inzet van U&H-instrumenten. Dit betreft met name:
Dit geheel vormt onze strategie, die verder wordt uitgewerkt in deel B.
2.1.2 Aansturing omgevingsdiensten en gemeenschappelijke regelingen
Onze omgevingsdiensten en andere gemeenschappelijke regelingen, verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving in Zeeland (RUD Zeeland, DCMR, GGD en VRZ), worden aangestuurd met het instrument accountmanagement.
Dit houdt in dat we aansturen via drie pijlers:
2.1.3 Missie, visie en U&H-strategie
We willen een mooi, schoon, veilig, gezond, biodivers en duurzaam Zeeland.
Om dit te behouden en verbeteren voeren we een transparante preventie, uitvoering, risicogericht toezicht en een eenduidige handhaving uit. We willen een mooi, schoon, veilig, gezond, biodivers en duurzaam Zeeland.
Bij het uitvoeren van onze missie en visie werken we samen, integraal, risicogericht, transparant, professioneel, zijn betrouwbaar en leggen verantwoordelijkheden daar waar ze horen. We willen een mooi, schoon, veilig, gezond, biodivers en duurzaam Zeeland.
Wij hebben niet alleen de wens, maar ook de wettelijke plicht om de organisatie en uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving waar nodig te verbeteren. We creëren een ‘gelijk speelveld’ voor inwoners, bedrijven en instellingen die aan bepaalde regels zijn gebonden. Iedereen kan erop rekenen dat we in vergelijkbare gevallen op een vergelijkbare manier handelen. We streven naar hoge professionaliteit en optimale samenwerking met onze ketenpartners. We zorgen ervoor dat de eindproducten, zoals verleende vergunningen of controles bij activiteiten of bedrijven, goed aansluiten bij de specifieke locatie. Dit is een essentieel onderdeel van risicogericht werken; wat op de ene locatie mogelijk is, is dat op een andere locatie misschien niet.
Visie op uitvoering en handhaving
Het vaststellen van regels, het toezien op de naleving van deze regels en het optreden tegen overtredingen vormen de kerntaken van onze organisatie. We willen voorkomen dat overtredingen de belangen van de overheid, inwoners en de fysieke leefomgeving schaden.
De eerste verantwoordelijkheid voor het beheersen van risico’s ligt bij de veroorzaker zelf, maar het vergt ook een actieve houding van de overheid. Voor de uitvoering van deze taken is een heldere visie op uitvoering, toezicht en handhaving noodzakelijk. We nemen onze verantwoordelijkheid door bestuurlijke uitgangspunten te formuleren en zetten de beschikbare instrumenten uniform, risicogericht en proportioneel in: zacht waar mogelijk en hard waar nodig, met de verantwoordelijkheid daar waar deze hoort.
2.1.4 Bestuurlijke Uitgangspunten U&H
We hanteren de volgende bestuurlijke uitgangspunten vanuit onze visie:
Wij fungeren als één loket en zorgen voor een integrale beoordeling van vergunningaanvragen en meldingen. Dit bereiken we door te werken volgens de volgende doelstellingen:
Integraal werken is van groot belang, zoals blijkt uit de doelstellingen van de Omgevingswet. Dit komt terug in diverse wettelijke voorschriften, zoals coördinatie- en doorzendplichten en de verplichte integrale belangenafweging.
Integraal werken en de één-loketgedachte vereisen goed casemanagement. We passen dit toe bij uitvoering en handhaving, bijvoorbeeld via het instrument ‘Omgevingstafel’. We stimuleren initiatiefnemers om het principe van participatie te hanteren. Hiervoor maken we gebruik van participatiebeleid en participatieverordeningen, die de wettelijke eisen voor participatie concretiseren. Met deze werkwijze voorkomen we dat we op één regelgeving goed handelen, maar door strijdigheid of samenloop met andere regelgeving geen samenhangend besluit nemen. In Zeeland is casemanagement en integraal werken uitgewerkt in het Protocol Casemanagement 2025.
We richten ons op de grootste risico’s, omdat we niet alles kunnen toetsen en controleren. Ook zorgen we ervoor dat bedrijven en inwoners de regels naleven. We willen de veiligheid verhogen, de kwaliteit van de leefomgeving behouden en onnodige administratieve lasten voorkomen. Bij het verlenen van nieuwe vergunningen bepalen we risico’s en prioriteiten aan de hand van de uitvoeringstrategie en het actualiseringsbeleid voor bestaande vergunningen.
Bij het toezichthouden concentreren we ons op de belangrijkste risico’s en onze prioriteiten. We wegen het (naleef)gedrag van bedrijven en inwoners en de gevolgen van niet-naleven zorgvuldig af. Met tijdige en goede voorlichting en communicatie proberen we overtredingen en risico’s te voorkomen. Naleving wordt voor een groot deel bereikt doordat doelgroepen op de hoogte zijn van de regels. Door de komst van de Omgevingswet zijn we geconfronteerd met veel nieuwe wetgeving (zoals het begrip milieubelastende activiteit (MBA), de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen, de nieuwe basis voor Natura2000-vergunningen, het omgevingsplan, de omgevingsverordening en de waterschapsverordening). De preventiestrategie is hierbij cruciaal.
We informeren de samenleving over de nieuwe regels om overtredingen door onbekendheid te voorkomen.
We stellen periodiek prioriteiten via een gezamenlijke probleemanalyse om onze beperkte menskracht en middelen evenwichtig te verdelen. We streven ernaar om onze probleemanalyse elke vier jaar te vernieuwen. Bij het bepalen van risico’s en inzet kijken we naar de maatschappelijke betekenis van wat er kan gebeuren als een regel niet wordt nageleefd.
De probleemanalyse voor deze periode is gebaseerd op analyses van individuele partners, aangevuld met resultaten van expertmeetings in januari 2025. De samenvatting van deze resultaten is in de onderstaande tabel weergegeven. Hierin nemen wij gezamenlijke problemen, risico’s en bijbehorende activiteiten op. Deze gelden voor zowel Uitvoering (U) als Handhaving (H) vanwege de dwarsverbanden tussen deze taakvelden. In deel C is de volledige probleem- en risicoanalyse opgenomen.
Tabel 1: samenvatting gezamenlijke problemen, risico’s en bijbehorende activiteiten.
Wij willen niet dat inwoners of bedrijven een vergunning of toestemming gebruiken om activiteiten uit te voeren met geld dat is verdiend via misdrijven. Ook willen we niet dat zij een vergunning mede gebruiken voor het plegen van misdrijven. Daarom toetsen we volgens het Bibob beleid de integriteit van aanvragers. Als hieruit onaanvaardbare risico’s blijken, maken we gebruik van onze bevoegdheden onder de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob). Dit stelt ons in staat om gerichte aanvullende voorschriften aan de vergunning te koppelen. Ook kunnen we besluiten om een vergunning te weigeren of in te trekken, maar dit doen we pas na zorgvuldige en, waar nodig, gezamenlijke afweging.
We zetten de instrumenten van preventie, toezicht en sanctie actief in om ondermijnende activiteiten te voorkomen of te stoppen. Activiteiten die ondermijning met zich meebrengen, gedogen we niet.
We bestrijden ondermijning door samen te werken bij de uitvoering van de U&H-taken, in samenwerking met het Openbaar Ministerie, andere overheden en ketenpartners. We wisselen proactief informatie uit, niet alleen op verzoek. We passen het Zeeuwse Bibob beleid eenduidig toe.
4. Betrouwbaar: doen wat we moeten doen
Wij zijn betrouwbaar voor onze inwoners, partners en het bedrijfsleven. Dit bereiken we door ons werk te standaardiseren en standaard vergunningsvoorschriften en dezelfde strategie toe te passen voor vergelijkbare situatie. Hierdoor waarborgen we rechtsgelijkheid. Maatwerk passen we toe waar de specifieke locatie dat vereist of mogelijk maakt.
Wij voeren de U&H-taken transparant uit. Dit is niet alleen een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, maar is ook verankerd in diverse wetten. Denk hierbij aan het publiceren van aanvragen, vergunningen (en andere beschikkingen) en meldingen. Evenals aan het openbaar maken van de namen van risicovollere bedrijven die herhaaldelijk de regels overtreden. We zorgen ervoor dat onze procedures reproduceerbaar zijn. Dit houdt in dat het procesverloop en de genomen beslissingen in het dossier worden vastgelegd.
6. Professioneel: kwaliteit, kennis en kunde
Voor de uitvoering van onze taken hanteren we de (landelijk) gestelde proces- en kwaliteitscriteria 3.0 (2025). Het vaststellen en toepassen van de U&H-verordening voor de Omgevingswet dient als ons instrument hiervoor.
7. Verantwoordelijkheid waar deze hoort
Wij nemen onze verantwoordelijkheid en werken binnen de kaders van de geldende wet- en regelgeving. We hanteren de beginselplicht tot handhaving, wat ook geldt voor onze eigen werkzaamheden en die van andere overheden.
Wij benaderen bedrijven, instellingen, particulieren en overheden vanuit het principe dat iedere partij zijn eigen verantwoordelijkheid heeft. Daarom verwachten we dat zij hun verantwoordelijkheid voor de naleving van regels oppakken door, onder andere:
De uitwerking van deze uitgangspunten in de verschillende onderdelen van de U&H-strategie staat beschreven in deel B.
2.1.5 Reikwijdte U&H-strategie Zeeland en bevoegd gezag
Deze U&H-strategie is van toepassing op de uitvoering en handhaving van de basistaken die zijn ondergebracht bij omgevingsdiensten en gemeenschappelijke regelingen. Daarnaast geldt deze strategie voor overige taken van de Omgevingswet en de bijbehorende regelgeving.
De betrokken wetten en de regels die daaruit voortkomen, waarvoor de volgende instanties als bevoegd gezag zijn aangewezen, zijn:
Deze strategie omvat ook de besluiten die op deze wetten zijn gebaseerd, zoals Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB's) en ministeriële regelingen.
2.2 Preventiestrategie Uitvoering- en Handhavingsbeleid Zeeland 2.2.1 Inleiding de U&H-strategie in onderdelen
Wij passen verschillende deelstrategieën toe voor de U&H-taken. Hierbij volgen we zoveel mogelijk de landelijke strategieën. Dit garandeert uniforme besluiten en een transparant besluitvormingsproces voor bedrijven, inwoners, instanties en andere betrokkenen. In deel B van dit hoofdstuk zijn deze strategieën opgenomen.
2.2.1 Inleiding de U&H-strategie in onderdelen
Wij passen verschillende deelstrategieën toe voor de U&H-taken. Hierbij volgen we zoveel mogelijk de landelijke strategieën. Dit garandeert uniforme besluiten en een transparant besluitvormingsproces voor bedrijven, inwoners, instanties en andere betrokkenen. In deel B van dit hoofdstuk zijn deze strategieën opgenomen.
Voor een mooie, schone, veilige, gezonde, biodiverse en duurzame leefomgeving is het essentieel dat inwoners, bedrijven en instellingen zich aan de regels houden. Daarom stimuleren we naleving en voorkomen we overtredingen. Het doel van onze preventie-strategie is om de bekendheid van de regelgeving en de gekozen prioriteiten te vergroten, zodat de naleving van regels verbetert. Regelgeving naleven is niet altijd vanzelf-prekend. Door middel van communicatiemiddelen (zoals voorlichting) en ondersteunende aanpak (zoals vooroverleg en de omgevingstafel) beïnvloeden we het gedrag op een positieve manier.
We vinden het belangrijk om duidelijk te communiceren welke regels en prioriteiten er zijn, waarom deze bestaan en hoe we toezicht houden. Met een effectieve inzet van communicatiemiddelen kunnen we het naleefgedrag op de gestelde prioriteiten aanzienlijk verbeteren. Alleen als regels bekend zijn, kunnen inwoners, bedrijven en instellingen deze bewust naleven. Het blijft echter primair de verantwoordelijkheid van de burger, ondernemer of instelling om op de hoogte te zijn van de regels en deze te blijven volgen.
Vergunningverleners en toezichthouders vormen een belangrijke schakel tussen de overheid, inwoners en bedrijven. Zij spelen een cruciale rol in het verbeteren van naleefgedrag. Door direct contact met inwoners en bedrijven leggen wij vergunningvoorschriften en algemene regels uit en lichten deze waar nodig toe.
2.2.3 Samenhang preventie, toezicht en sanctie
Preventie, toezicht en sanctie kunnen zowel afzonderlijk als in combinatie worden ingezet om naleefgedrag te bevorderen. We zetten preventieve instrumenten vooral in bij welwillend gedrag, terwijl we toezicht en sancties meer toepassen bij calculerend en bewust overtredend gedrag. Preventieve instrumenten kunnen echter ook bijdragen aan betere naleving, zelfs in gevallen van calculerend gedrag.
We maken gebruik van de volgende preventieve instrumenten:
Eenvoudige en duidelijke regels voor vergelijkbare situaties, maatwerk waar nodig of mogelijk: Wij stellen regels en voorschriften op die zo eenvoudig en duidelijk mogelijk zijn. Dit vermindert discussies over interpretatie. Waar nodig passen we maatwerkbeschikkingen of maatwerkregels toe. Hiermee verbeteren we de bescherming van de fysieke leefomgeving en voorkomen we klachten.
Informeren over (nieuwe) regels en processen: We communiceren proactief over veranderingen in regelgeving, zoals die voortkomen uit de Omgevingswet en de gestelde prioriteiten. Wanneer inwoners of ondernemers niet bekend zijn met de regels, weten ze soms niet dat ze in overtreding zijn. We gebruiken passende communicatiemiddelen voor de doelgroep, zoals massacommunicatie via websites of gerichte communicatie via brieven of voorlichtingsbijeenkomsten. We leggen regels en processen duidelijk uit. Bij de activiteiten in het jaarprogramma toetsen we de bekendheid van de regelgeving onder de doelgroepen. Bij onvoldoende onbekendheid passen we onze preventiestrategie aan. We delen goede voorbeelden actief om de voorlichting zoveel mogelijk uniform te maken.
Stimuleren van vooroverleg, Omgevingstafel en Participatie: Wij moedigen participatie aan door initiatiefnemers bij nieuwe ontwikkelingen. De verantwoordelijkheid voor participatie tijdens de uitvoering ligt bij de initiatiefnemer. We stimuleren vooroverleg bij initiatieven of plannen voor activiteiten. Dit overleg tussen een initiatiefnemer en de overheid helpt ons om tijdig te beoordelen of een plan past op de gewenste locatie en welke voorschriften van toepassing zijn. De initiatiefnemer kan hier in een vroeg stadium rekening mee houden. Door de komst van de Omgevingswet gelden vaak kortere termijnen voor het beoordelen van vergunningaanvragen. Een goede en volledige aanvraag is daarom cruciaal. Vooroverleg versnelt en stroomlijnt het vergunningproces en vermindert het aantal aanvragen dat we buiten behandeling moeten laten of moeten weigeren.
Zichtbaarheid van toezicht en handhavingsactiviteiten: We laten zien dat we toezicht houden en handhaven wanneer dat nodig is. We communiceren vooraf over onze toezicht- en handhavingsprioriteiten en delen na afloop de resultaten. Het openbaar maken van toezichtresultaten op bedrijfsniveau fungeert ook als preventiemiddel, hoewel we dit terughoudend gebruiken en alleen als het wettelijk verplicht is. Daarnaast zijn we regelmatig zichtbaar aanwezig in het veld. In jaarprogramma’s en projectplannen integreren we preventie en communicatie als standaardinstrumenten.
Informatie delen: We delen actief informatie tussen de betrokken partijen. Dit stelt ons in staat om risicogericht en informatie gestuurd toezicht en handhaving uit te voeren. Dit maakt de handhaving efficiënter en effectiever. Informatie over bedrijven, inwoners of instellingen wordt centraal opgeslagen en is raadpleegbaar voor overheden, mits wettelijk toegestaan.
Maatschappelijke controle stimuleren: We moedigen sociale controle aan, zoals buurtpreventie. We willen dat de omgeving de regels kent, overtredingen kan signaleren en hierover met elkaar in gesprek gaat. Vergunningen en besluiten zijn zoveel mogelijk digitaal in te zien. We vragen klagers daarnaast om zelf de overlastgever te wijzen op hun overlast. Wijkcoördinatoren, wijkmanagers, wijkagenten en boa’s spelen een belangrijke rol in het stimuleren van maatschappelijke controle.
We gebruiken communicatiemiddelen die aansluiten bij de doelgroep en het juiste moment of gedrag van de betrokkenen. Bij voorkeur communiceren we interactief. Op die manier gaan we direct na of de informatie goed begrepen wordt. We houden ook rekening met de gedragsmotieven van degenen met wie we communiceren, zoals meewerkend of tegenwerkend gedrag, bij de keuze van het communicatiemiddel.
Onder de Omgevingswet is een vergunning eerder de uitzondering dan de regel. Veel activiteiten kunnen rechtmatig worden uitgevoerd door vooraf een melding in te dienen of te voldoen aan de informatieplicht. Bij het verlenen van vergunningen volgen wij de wettelijke voorschriften en vastgestelde beleidsuitgangspunten. We stellen duidelijke, transparante en handhaafbare vergunningen op en verlenen deze binnen de gestelde termijn.
Initiatiefnemers zijn verantwoordelijk voor het naleven van hun verplichtingen. Bij initiatieven die meerdere vergunningen of toestemmingen vereisen, stemmen we waar mogelijk af met andere bevoegde overheden en omgevingsdiensten. Hierbij fungeren we niet als adviesorgaan, maar als procesbegeleider. De initiatiefnemer blijft verantwoordelijk voor het indienen van de aanvraag.
Dit alles gebeurt vanuit de één-loketgedachte. Hiermee voorkomen we dat we een activiteit gedeeltelijk vergunnen, terwijl deze op basis van andere wetgeving toch niet is toegestaan. Het vooroverleg speelt hierbij een cruciale rol. In de kwaliteitscriteria wordt dit vereiste aangeduid als ‘casemanagement’.
De Omgevingswet verplicht ons om te werken als één loket en een integrale, omgevingsgerichte beoordeling van vergunningaanvragen en meldingen uit te voeren. Dit blijkt onder andere uit de doelstellingen van de wet en komt tot uiting in de gewijzigde wettelijke voorschriften in de Algemene wet bestuursrecht (Awb), met name de coördinatiebepalingen. Vooroverleg en de ‘omgevingstafel’ spelen hierin een cruciale rol.
Het staat een aanvrager echter vrij om bepaalde activiteiten afzonderlijk aan te vragen. We kennen onder de Omgevingswet geen onlosmakelijkheid meer. Daarom zetten we in op casemanagement. Hierdoor signaleren en voorkomen we in een vroeg stadium problemen voor de fysieke leefomgeving.
2.3.2 Integraal werken is ons uitgangspunt
Bij de uitvoering benaderen we wetten en besluiten op een integrale manier. Dit betekent dat we plannen en initiatieven zo vroeg mogelijk integraal beoordelen, ook op basis van de uitvoeringstrategie. De betrokken bevoegde gezagen en omgevingsdienst(en) werken gericht samen voor integrale en samenhangende besluitvorming, in ieder geval voor de reikwijdte van de fysieke leefomgeving4.
1. We passen integraal casemanagement toe
Wij passen integraal casemanagement toe als het belangrijkste instrument voor integrale werkwijze. Dit strategische uitgangspunt is onafhankelijk van de plek binnen de organisatie waar het is ondergebracht.
Casemanagement in de uitvoering
Casemanagement vormt vaak de eerste stap in het proces van een integrale benadering van een project of aanvraag. Hierna volgen toezicht en handhaving. Casemanagement is cruciaal voor zowel de omgeving als de klant. Het speelt ook een belangrijke rol in de uitvoering van taken door betrokken organisaties of afdelingen. Dit draagt bij aan een integraal proces en verkort en vereenvoudigt de procedures, wat het kwaliteits- en dienstverleningsniveau verhoogt. Effectief casemanagement zorgt voor een integrale beoordeling van samenhangende aanvragen en leidt uiteindelijk tot maatwerkbesluit-vorming die aansluit bij de specifieke omgeving.
Vanuit de Omgevingswet en de bijbehorende kwaliteitscriteria zijn we verplicht om casemanagement minimaal toe te passen op de wettelijke taken die voortvloeien uit deze wet. In Zeeland passen we casemanagement breder toe, omdat er ook andere wetten en verordeningen naast de Omgevingswet van toepassing zijn.
Een casemanager is verantwoordelijk voor het uitvoeren van casemanagement. Deze persoon coördineert de integrale beoordeling van aanvragen en stemt samenhangende besluiten af met andere betrokken bevoegde gezagen of adviesorganen, waaronder:
Zie verder het Protocol Integraal Casemanagement (2025) in deel C.
2. Aanvragen voorzien we van een goed bij de omgeving passend kader (zie model hieronder)
De manier waarop we uitvoering en casemanagement invullen, is sterk afhankelijk van het kader waarin we deze beoordelen. We maken hierbij onderscheid op basis van:
Op basis van deze indicatoren bepalen we of aanvragen technisch of sociaal-maatschappelijk eenvoudig of complex zijn.
We classificeren aanvragen in vier typen vergunningen:
De vier typen vergunningen worden schematisch weergegeven.
Figuur 2: Vier typen vergunningen, afhankelijk van de technisch-inhoudelijke en sociaal-maatschappelijke complexiteit van het project, de inrichting of activiteit en/of het gebied waarin de inrichting is gevestigd of de activiteit plaatsvindt.
De indicatoren spelen een cruciale rol bij het formuleren van een kader dat aansluit bij de omgeving voor de activiteiten. Deze indeling is breder toepasbaar dan alleen voor vergunningen. We passen deze werkwijze ook toe bij het behandelen van meldingen, informatieplichten, het opstellen van maatwerkvoorschriften en bij de toepassing van een gelijkwaardigheidsbepaling.
3. We werken met actuele vergunningen
Actuele vergunningen dragen bij aan de vermindering van negatieve invloeden op de fysieke leefomgeving, de bescherming van de natuur en de verbetering van naleefgedrag. Een actuele omgevingsvergunning, die is aangepast aan de laatste stand van techniek en kennis, is beter toetsbaar en handhaafbaar. De Omgevingswet verplicht ons om omgevingsvergunningen voor milieu te actualiseren. Dit geldt echter niet voor andere typen vergunningen. Daarnaast verplicht de Europese Richtlijn Industriële Emissies (RIE) de wettelijke actualisatie van vergunningen voor IPPC-installaties.
Om de omgevingsvergunningen voor milieu actueel te houden, passen we het volgende beleid toe. Jaarlijks nemen we in het U&H-programma de volgorde en prioritering op van de vergunningen en maatwerkvoorschriften die we moeten actualiseren, evenals de capaciteit die we daarvoor nodig hebben.
Bij de actualisatietoets van het vergunningenbestand beoordelen we de volgende aspecten:
Indien nodig en waar mogelijk passen we ambtshalve revisie toe. Dit is een nieuwe mogelijkheid die de Omgevingswet biedt in artikel 5.43.
De uitkomsten van de actualisatietoets worden opgenomen in een meerjarenplan voor de uitvoering.
Jaarlijks verlenen wij verschillende soorten vergunningen. De meeste vergunninghouders realiseren hun projecten en activiteiten direct na het verlenen van de vergunning. Het komt echter ook voor dat een initiatiefnemer geen gebruik maakt van een vergunning, of pas na jaren enkele delen daarvan benut.
Wij beschouwen het ongebruikt laten voortbestaan van rechten uit vergunningen of delen van vergunningen als ongewenst om verschillende redenen:
Wij kunnen vergunningen intrekken in de volgende gevallen:
Daarnaast kan de aanvrager zelf verzoeken om het intrekken van een vergunning als startpunt voor het proces.
Wij kunnen vergunningen (deels) intrekken wanneer de wetgeving hiervoor mogelijkheden biedt, zoals in de Woningwet of de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) en verder bijvoorbeeld op basis van jurisprudentie (bij omgevingsvergunningen milieu).
Bij het behandelen van een vergunningaanvraag of een ingediende melding hanteren we de volgende vier uitgangspunten om te zorgen voor een kwalitatief goede beoordeling. Deze uitgangspunten vormen een aanvulling op de algemene uitgangspunten van onze U&H-strategie uit deel A.
Deze uitgangspunten helpen ons om een zorgvuldige en evenwichtige beoordeling van vergunningaanvragen te waarborgen.
a. Omgevingsgericht, integrale afstemming aan de voorkant
b. Transparant, voorspelbaar en betrouwbaar
Vergunningen voor IPPC- en Seveso-inrichtingen leggen we digitaal vast, zodat alle verplichtingen van het bedrijf op elk moment inzichtelijk zijn. Door de Omgevingswet zijn een deel van de voorschriften per 1 januari 2024 van rechtswege veranderd in maatwerkvoorschriften. We zorgen voor een geactualiseerd en geconsolideerd dossier per bedrijf.
c. Maatwerk bij beleidsrijke situaties en/of bij slecht naleefgedrag
We behandelen besluiten voor activiteiten die bij niet-naleving schade kunnen veroorzaken aan de leefomgeving, gezondheid, veiligheid en natuur intensiever. Deze besluiten bevatten meer maatwerk- en/of middelvoorschriften. We formuleren de aanvraag (wat vraagt de aanvrager precies), het besluit (wat staat we toe) en de voorschriften (onder welke voorwaarden staat het toe) in detail.
d. Gezamenlijk en professioneel
6 . Stappenplan uitvoeringsstrategie
In onderstaande figuur zijn de stappen van het proces van uitvoering samengevat en 6globaal weergegeven. Een aantal processtappen kunnen en moeten verder worden uitgewerkt in protocollen en werkinstructies.
Met toezicht houden we zicht op de naleving van regelgeving en de risico's van niet-naleven. Het is niet vanzelfsprekend dat inwoners, bedrijven en instellingen zich aan de regels houden. Wij beschouwen toezicht als een belangrijk middel om de naleving van regels te bevorderen. Toezicht draagt bij aan een schone, veilige, gezonde en aantrekkelijke leefomgeving voor iedereen.
Activiteiten kunnen risico's voor de leefomgeving met zich meebrengen. We willen deze risico's beperken en beheersen. In het verleden hebben bepaalde activiteiten geleid tot incidenten of rampen. We willen herhaling daarvan voorkomen. De naleving van regels door inwoners, bedrijven en instellingen hangt af van spontane naleving, maar ook van ons vermogen om te controleren en handhaven wanneer dat nodig is.
Onze toezichthouders controleren niet alleen of regels worden nageleefd, maar bevorderen ook actief het naleefgedrag.
Wij houden toezicht om het ontstaan van risico’s voor de leefomgeving tot een minimum te beperken. Het is belangrijk voor ons om op een consistente manier toezicht te houden in gelijke gevallen.
Een voorwaarde hiervoor is dat regels eenduidig, correct, duidelijk en toepasbaar zijn op de (gelijke) situaties.
Onze toezichtstrategie beschrijft de werkwijze van het vaststellen van het toezichtprogramma tot en met het constateren van overtredingen. Bij overtredingen reageren we volgens onze sanctiestrategie.
2.4.3 Wanneer houden we toezicht?
Wij richten ons toezicht op de meest risicovolle situaties. Dit is waar de kans het grootst is dat het naleefgedrag onvoldoende is en dit kan leiden tot schade aan de leefomgeving, volksgezondheid, veiligheid en natuur. Het is namelijk onmogelijk om binnen de beschikbare capaciteit, middelen en tijd alle objecten, activiteiten en locaties op alle punten te controleren. Bovendien is dit niet noodzakelijk, omdat niet alle situaties even risicovol zijn.
Voor de evaluatie van ons toezicht registreren we de uitgevoerde activiteiten en het naleefgedrag, inclusief de soorten overtredingen die zijn geconstateerd.
Naast toezicht hebben we ook andere mogelijkheden om het naleefgedrag te verbeteren, zoals communicatie en subsidiëring. Meer informatie hierover vind je in de preventiestrategie.
Met behulp van een probleemanalyse stellen we gezamenlijke prioriteiten voor toezicht.
De term toezicht wordt vaak in zowel brede als enge zin gebruikt. In brede zin verwijst het naar de overkoepelende term voor al het inspectiewerk in combinatie met handhaving. In engere zin verwijst het specifiek naar het concrete werk dat een toezichthouder uitvoert.
Toezicht houdt in dat we informatie verzamelen over de vraag of een handeling of situatie voldoet aan de gestelde eisen. Vervolgens vormen we een oordeel hierover en grijpen we, indien nodig, in op basis van dat oordeel
Speciaal aangewezen toezichthouders zijn verantwoordelijk voor het uitvoeren van toezicht. Een toezichthouder vertegenwoordigt het bevoegd gezag en houdt toezicht op de naleving van wettelijk vastgestelde voorschriften. Toezicht heeft een belangrijk preventief effect.
Bij toezicht voeren we controles uit, ook zonder dat we een overtreding vermoeden of bewijs hebben. We kunnen een bezoek brengen aan een activiteit, bedrijf, locatie, bouwwerk of persoon.
Samengevat: onder toezicht verstaan we het controleren of en in hoeverre inwoners, bedrijven of instellingen zich aan de regels houden.
Wij willen voorkomen dat inwoners en bedrijven onnodig vaak gecontroleerd worden. Daarom stemmen we onze toezichtacties zoveel mogelijk op elkaar af. Dit houdt in dat we als verschillende instanties of onderdelen van instanties, controles bij bedrijven of activiteiten zoveel mogelijk gelijktijdig uitvoeren. Dit betreft gezamenlijk toezicht, signaaltoezicht of integraal toezicht.
Wij houden toezicht op de effectiefste en efficiëntste manier voor de doelgroep.
De keuze voor de methode hangt onder andere af van:
Onze toezichtstrategie houdt ook in:
Voor de doelgroep betekent dit:
Voor de omgeving betekent dit:
Preventief of repressief toezicht
Wij maken gebruik van twee hoofdvormen van toezicht:
Bij zowel preventieve als repressieve controles passen we verschillende toezichtinstrumenten of combinaties van instrumenten toe. De gekozen methode is afhankelijk van de meest voor de meest geschikte toezichtvorm, de prioriteit of het thema.
De vormen van toezicht omvatten:
De geschiktste toezichtvorm leggen we vast in het jaarlijkse uitvoeringsprogramma, in projectplannen, samenwerkingsprogramma's of in toezichtplannen per complex bedrijf.
Klachten en ongewone voorvallen
In ons uitvoeringsprogramma reserveren we ook uren voor niet-gepland toezicht, dat betrekking heeft op ongewone voorvallen, meldingen en klachten. We onderzoeken altijd ongewone voorvallen, meldingen of klachten.
Bij een klacht voeren we een administratieve beoordeling of een controle ter plaatse uit om te vast te stellen of de klacht terecht is. Indien nodig ondernemen we actie en informeren we de klager over de uitkomsten.
Wij houden actief toezicht op gedoogsituaties. Regelmatig controleren we of de overwegingen voor de beslissing om af te zien van handhaving nog steeds actueel zijn. We beoordelen of de vergunninghouder de opgelegde beperkingen en voorwaarden naleeft. Indien dit niet het geval is, treden we handhavend op volgens ons beleid.
In de sanctiestrategie zijn de kaders vastgelegd die we hanteren bij het handhavend optreden wanneer we een overtreding constateren.
2.5.2 Beginselplicht tot handhaven
Wanneer we een overtreding van een voorschrift constateren, treden we in beginsel handhavend op. Prioritering beïnvloedt niet de vraag óf we handhaven, maar alleen wanneer en hoe we handhaven. In de toezichtfase stellen we prioriteiten op basis van risico’s. Zodra we controleren en een overtreding vaststellen, is handhaving doorgaans de volgende stap. Deze verantwoordelijkheid is vastgelegd in diverse bijzondere wetten, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waar de zogenoemde beginselplicht tot handhaven wordt omschreven5.
Gezien het algemeen belang dat gediend is met handhaving, dient het bestuursorgaan dat bevoegd is om bestuursdwang of een last onder dwangsom op te leggen, in principe gebruik te maken van deze bevoegdheid bij overtredingen van wettelijke voorschriften. In situaties waarin het bestuursorgaan redelijk beleid voert, bijvoorbeeld door de overtreder eerst te waarschuwen en gelegenheid tot herstel te bieden voordat het een handhavingsbesluit voorbereidt, dient het zich in beginsel aan dit beleid te houden. Dit laat onverlet dat van het bestuursorgaan slechts onder bijzondere omstandigheden mag worden gevraagd van handhaving af te zien. Dit kan het geval zijn wanneer er concreet uitzicht op legalisatie is. Bovendien kan handhavend optreden in bepaalde situaties onevenredig zijn in verhouding tot de belangen die ermee gediend zijn, wat kan leiden tot de conclusie dat in die specifieke situatie van optreden moet worden afgezien.
De beginselplicht tot handhaving is juridisch verankerd in artikel 18.1, onder c, van de Omgevingswet. Voor het Openbaar Ministerie is de basis van deze verantwoordelijkheid vastgelegd in artikel 124 van de Wet op de rechterlijke organisatie, evenals in de Europese richtlijn inzake de bescherming van het milieu via het algemeen strafrecht en de wetten die zijn gekoppeld aan de Wet op de economische delicten. Zowel wij als het Openbaar Ministerie richten ons handelen, ieder vanuit onze eigen verantwoordelijkheid, afzonderlijk en in combinatie op het naleven van wet- en regelgeving6.
Professionele handhaving kenmerkt zich door een consequente uitvoering. Handhaving kan zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk zijn. Strafrechtelijk optreden vindt vaak plaats in samenwerking met externe partners, zoals de politie. Onder ‘handhaving’ ver-taan we het afdwingen van naleving van regels door middel van juridische, bestuursrechtelijke en/of strafrechtelijke maatregelen.
Dit kan onder andere inhouden:
Deze maatregelen noemen we interventies.
Afhankelijk van de ernst van de overtreding kunnen er voorafgaand aan handhaving andere interventies plaatsvinden, zoals een gesprek. Als daardoor de overtreding wordt beëindigd, zijn bestuursrechtelijke handhavingsbesluiten niet nodig.
We bepalen de ernst van de overtreding door te kijken naar de gevolgen ervan. Naast de ernst van de overtreding speelt ook het gedrag van de overtreder een rol bij het vaststellen van de zwaarte van de sanctie.
2.5.3 Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht
Verschillende (landelijke) partijen7 stelden in 2022 de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO) vast. De LHSO heeft betrekking op de Omgevingswet, de daarop gebaseerde regels, en de wetgeving voor het omgevingsrecht die deels nog van kracht blijft, zoals de Woningwet en de Wet milieubeheer. Deze strategie dient als instrument voor de organisaties die verantwoordelijk zijn voor handhaving. De toepassing van de LHSO leidt tot een afgestemd en effectief bestuursrechtelijk en/of strafrechtelijk optreden. Hierdoor is de LHSO, met de daarin neergelegde visie, uitgangspunten en richtsnoeren, breed toepasbaar.
Alle handhavingspartners die bij de LHSO zijn betrokken, hebben de wens en de verplichting om te streven naar een integrale en effectieve handhaving van de gehele ordeningswetgeving, met bijzondere aandacht voor het omgevingsrecht. Deze noodzaak is geworteld in de manier waarop de Europese en Nederlandse wetgever toezicht, opsporing en handhaving heeft geregeld. Bovendien komt deze noodzaak naar voren in verschillende onderzoeksrapporten.
De LHSO fungeert als een gezamenlijke strategie van handhavingspartners om een afweging te maken tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving. Vijf jaar na de vaststelling zal de LHSO op initiatief van het Interprovinciaal Overleg worden geëvalueerd.
Met de LHSO streven wij ernaar de organisatie en uitvoering van, toezicht en handhaving te verbeteren, en te zorgen voor een gelijk speelveld voor inwoners, bedrijven en instellingen die onder de regels vallen. Een ander belangrijk doel van de LHSO is dat de omgeving erop kan vertrouwen dat wij optreden wanneer dat nodig is, zodat de leefomgeving veilig, schoon en gezond blijft.
De LHSO geeft richtlijnen voor hoe we per situatie reageren op verschillende soorten overtredingen. We passen de meest recente versie van de LHSO toe, met inachtneming van de onderstaande nuanceringen. De kern van de LHSO is opgenomen in de strategie. Provincie Zeeland volgt de Beleidsregel Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (vastgesteld december 2023), dan wel de meest recente versie en verder te noemen: LHSO en de Landelijke Handhavingsstrategie Seveso-inrichtingen – september 2023 (bij aangesloten juli 20138), dan wel de meest recente versie en verder te noemen: LHS Seveso-inrichtingen.
Wanneer we handhavend optreden, doen we dat volgens de richtlijnen van de LHSO. Het stappenplan begint bij de constatering van een overtreding tijdens het toezicht. De sanctiestrategie bepaalt hoe en welke sanctie we inzetten. Deze strategie waarborgt ook de afstemming en een passende inzet van bestuursrechtelijke en/of strafrechtelijke instrumenten door:
Een bestuurlijk vastgestelde specifieke handhavingsaanpak voor een apart taakveld heeft voorrang boven deze strategie. Dit betreft specifieke handhavingsaanpak(ken) met betrekking tot bijvoorbeeld bepaalde wetgeving, lokaal beleid of verordeningen, of specifieke thema's (zoals de aanpak van illegale containers in het buitengebied), met bijbehorende sanctieaanpakken. Bestaande voorbeelden hiervan zijn overtredingen die vallen onder de Wet Damocles en de Alcoholwet. Voor overtredingen van regels met een specifieke handhavingsaanpak is deze sanctiestrategie dus niet van toepassing.
Om in het omgevingsrecht tot een passende interventie te komen, zijn de volgende twee leidende hoofdvragen van toepassing (bron: LHSO).
1a. Is herstel mogelijk? Zo ja, dan is in elk geval bestuursrechtelijk optreden aan gewezen en is de vervolgvraag:
1b. Welke bestuursrechtelijke interventie is in dit geval het geschiktste?
2a. Is er aanleiding voor bestraffing? Zo ja, dan is de vervolgvraag:
2b. Welke weg (bestuursrechtelijk of strafrechtelijk) is het passendst?
Bij overtredingen onderzoeken we of er raakvlakken zijn met ketenpartners of andere overheidspartijen. In dat geval informeren we deze partijen en bekijken we of we gecoördineerd kunnen en moeten optreden. We passen de LHSO gezamenlijk toe.
Wanneer meerdere partners betrokken zijn, blijft het casemanagement voor de aanpak van de overtreding in handen van de partij die de overtreding heeft geconstateerd, totdat we andere afspraken maken.
Bij overtredingen waarbij meerdere instanties of interne afdelingen willen handhaven, werken we samen bij de toepassing van de LHSO en vullen we gezamenlijk de matrix in bij meerdere overtredingen. We delen informatie over onze aanpak en de vervolg-stappen. Wanneer het efficiënt en/of effectief is, voeren we (her)controles samen uit. Indien er een legalisatietoets van toepassing is, betrekken we de uitvoering bij het casemanagement.
Voor meer informatie over casemanagement verwijzen wij naar het Protocol Casemanagement in deel C.
Relatie tot (partieel) gedogen
Wanneer een overtreder calculerend of crimineel gedrag vertoont, werken we niet mee aan het tot stand komen van een gedoogbeschikking. We verstrekken een gedoogbeschikking alleen aan iemand van wie we verwachten dat deze zich houdt aan de voorschriften die in de gedoogbeschikking zijn opgenomen.
We passen de LHSO toe in vijf stappen:
Stap 1 – Plaats de bevinding in de interventiematrix
Schaal de overtreding in op de interventiematrix (zie figuur 4) op basis van de rapportage van bevindingen.
Als de handhaver niet in staat is om de overtreder te typeren, dan is typering A het uitgangspunt voor overtredingen met vrijwel geen gevolgen (categorie 1), terwijl typering B geldt voor overtredingen met beperkte gevolgen, gevolgen van belang of aanzienlijke/onomkeerbare gevolgen (categorie 2, 3 en 4).
Bij voortduren van een overtreding verschuift de score één stap naar rechts in de interventiematrix, bijvoorbeeld van B naar C. Bij voortduren van overtredingen waarvoor we een herstelmaatregel (zoals een last onder dwangsom of last onder bestuursdwang) hebben opgelegd, schuift de score pas naar rechts nadat de herstelsanctie is uitgewerkt en de overtreding voortduurt of zich herhaalt.
Figuur 4: de interventiematrix uit de LHSO
Stap 2 – Bepaal of er sprake is van verzwarende aspecten die aanleiding kunnen geven voor een ingrijpender of lichtere herstelsanctie of voor strafrechtelijk onderzoek of bestraffing
Indien er sprake is van verzwarende of verzachtende aspecten betrekken wij die bij de afweging voor een passende interventie. Verzwarende aspecten zijn opgenomen in de LHSO. In Zeeland hebben we hieraan toegevoegd dat het belemmeren van toezicht en handhaving, en/of bedreiging ook als verzwarend wordt beschouwd.
Voorbeelden van verzachtende omstandigheden zijn:
Zonder verzwarende of verzachtende omstandigheden kiest de handhaver voor de minst zware (combinatie van) interventies binnen het relevante segment van de interventiematrix, tenzij de handhaver motiveert dat een andere (combinatie van) interventie(s) geschikter is in de betreffende situatie.
Bij verzwarende omstandigheden wordt gekozen voor zwaardere (combinatie van) interventies. In beginsel liggen deze binnen het relevante segment, maar hiervan kan gemotiveerd worden afgeweken indien een andere interventie passender wordt geacht. In het geval van verzachtende omstandigheden worden bestuursrechtelijke herstelmaatregelen getroffen in combinatie met passende communicatie of informatie naar de overtreder (bijvoorbeeld via een maatschappelijk werker). Hierbij gaan we terughoudend om met bestraffende sancties.
Daarnaast is het bij het bepalen van de interventie van belang om te overwegen of een overtreding legaliseerbaar is.
Als voor de activiteit alsnog een vergunning of toestemming kan worden verleend, is de overtreding legaliseerbaar. In dat geval stellen we de overtreder in de gelegenheid om de benodigde toestemming aan te vragen. Indien de overtreder een ontvankelijke aanvraag indient, die volgens het bevoegd gezag kan worden verleend, is er sprake van concreet zicht op legalisatie. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is dit een grond om het opleggen van een bestuursrechtelijke herstelsanctie achterwege te laten. Een legaliseerbare overtreding bevindt zich doorgaans linksonder in de sanctiematrix. Hierdoor volstaan we in beginsel met het aanspreken en informeren van de overtreder.
Toch kan er aanleiding zijn om een herstelsanctie of een bestraffende sanctie op te leggen. Vooral als een overtreder niet tijdig, dat wil zeggen binnen een termijn die wij redelijk vinden, de vereiste toestemming aanvraagt. Met een herstelsanctie voorkomen we dit gedrag. Een bestraffende sanctie komt in beeld als sprake is van calculerend gedrag of zelfs crimineel gedrag, zoals bedoeld in de LHS. We moeten voorkomen dat iemand van tevoren bewust geen vergunning voor bepaalde activiteiten aanvraagt, omdat de overtreder er van uit gaat dat op het moment dat we erachter komen de activiteit alsnog kan worden gelegaliseerd zonder verdere consequenties. Zulk calculerend gedrag sanctioneren we.
Stap 3: Optreden aan de hand van de algemene of domeinspecifieke interventie-matrix
In deze stap besluiten we over de inzet van bestuursrechtelijke en/of strafrechtelijke maatregelen, evenals of we herstellend en/of bestraffend optreden.
Wanneer treden we bestraffend op, naast een herstelsanctie?
Wanneer de overtreding wordt ingeschaald in A3, B3, C2, C1 of D1, overwegen we of er aanleiding is om naast een herstelsanctie ook een bestraffende sanctie op te leggen. Als we besluiten om geen bestraffende sanctie op te leggen, volgt er een waarschuwing aan de overtreder. We documenteren de uitkomst in het handhavingsdossier.
Bij een bestraffende sanctie: bestuursrecht of strafrecht?
Wanneer een bestraffende sanctie geïndiceerd is, beoordelen we wat de meest passende interventie is: ofwel bestuursrechtelijk of strafrechtelijk. De uitkomst van stap 2 speelt hierbij een belangrijke rol.
In beginsel wordt bestraffing niet bestuursrechtelijk opgelegd voor overtredingen in de categorieën C3, C4, D3 en D4. Gezien de ernst van de overtreding en het gedrag van de overtreder, kunnen deze beter via het strafrechtelijke traject worden afgehandeld. Overtredingen in categorie D4 kunnen bovendien niet met een bestuurlijke boete worden bestraft.
Als het Openbaar Ministerie (OM) niet overgaat tot strafrechtelijke behandeling van overtredingen in de categorieën C3, C4 of D3, heeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om alsnog een bestuurlijke boete op te leggen. Dit vereist tijdige afstemming tussen het OM en het betreffende bevoegd gezag, aangezien dit aan bepaalde tijdstermijnen gebonden is.
A. Beleidsregels bestuurlijke boete
In de beleidsregels voor bestuurlijke boetes (deel C) zijn de voorwaarden uitgewerkt voor het opleggen van een bestuurlijke boete bij overtredingen van artikel 18.12 (regels over bouwen, slopen, gebruik en instandhouding van bouwwerken) en artikel 18.13 (erfgoedregels) van de Omgevingswet. Hierin is ook vastgelegd onder welke omstandigheden we eerst een waarschuwing geven of direct overgaan tot het opleggen van een boete. Deze beleidsregels zijn uitsluitend van toepassing op gemeenten.
B. Sancties voor milieubelastende activiteiten
Voor milieubelastende activiteiten van inrichtingen die onder de Seveso-regels vallen, heeft de Provincie Zeeland een bestraffende sanctie vastgesteld met betrekking tot bestuurlijke boetes.
Figuur 5: Optreden met de (algemene) interventiematrix uit de LHSO
Stap 4 - Bepaal of afstemmingsoverleg nodig is?
Indien uit stap 1 en stap 2 blijkt dat er aanleiding is voor bestraffing, beoordeelt de handhaver in stap 3 of overleg met andere handhavende instanties nodig is. Als is afgesproken dat de bestraffende interventie strafrechtelijk van aard is, wordt deze route gevolgd. In gevallen waarin opzettelijk of zeer nalatig gevaar voor personen en/of het milieu wordt veroorzaakt, vindt altijd overleg met het Openbaar Ministerie (OM) plaats. Dit kan leiden tot een gezamenlijke interventie.
Deze stap is gericht op het faciliteren van goede afstemming en weloverwogen inzet van het handhavingsinstrumentarium. Het betreft een tweerichtingsverkeer: bestuursrechtelijke handhavers zoeken indien nodig overleg met de politie en het OM, en omgekeerd. Samen met tijdige informatie-uitwisseling vormt dit tweerichtingsverkeer een uitwerking van het beginsel van loyale samenwerking9.
We registreren de stappen die we doorlopen en de beslissingen die we nemen op een eenduidige manier, zodat deze duidelijk en controleerbaar zijn. We rapporteren over iedere overtreding, inclusief de positie ervan in de interventiematrix en welke keuze we maken voor de interventie.
2.5.5 Bestuursrechtelijke sanctiemiddelen, keuzes en aanpak
Er zijn drie vormen van bestuursrechtelijke herstelsancties: de last onder dwangsom, de last onder bestuursdwang en het schorsen of intrekken van de vergunning. Wij maken per geval een keuze tussen deze mogelijkheden. In deze paragraaf lichten we de verschillende bestuursrechtelijke herstelmaatregelen toe, evenals het afwegingskader om een onderbouwde keuze te maken.
Naast bestuursrechtelijke herstelsancties zijn er ook bestraffende sancties binnen het bestuursrecht, zoals de bestuurlijke boete.
De keuze tussen last onder bestuursdwang en last onder dwangsom
Wanneer we besluiten om een bestuursrechtelijke herstelsanctie op te leggen, kiezen we tussen een last onder dwangsom en een last onder bestuursdwang. Alleen in uitzonderlijke, zeer zwaarwegende omstandigheden, in wettelijk voorgeschreven situaties, of bij vastgestelde lokale regelgeving/beleid passen we het intrekken of schorsen van een vergunning als herstelsanctie toe.
Voor een goede afweging tussen last onder dwangsom en last onder bestuursdwang hanteren we de volgende uitgangspunten:
Door het inzetten van een last onder dwangsom stimuleren we de overtreder om zelf zijn overtreding of herhaling ervan ongedaan te maken. Daarom heeft de last onder dwangsom in beginsel de voorkeur boven de last onder bestuursdwang. We leggen de lasten en verantwoordelijkheden direct bij de overtreder. Dit sluit aan bij het principe ‘de overtreder betaalt’.
Wanneer er sprake is van (dreigende) onomkeerbare ernstige schade of aantasting van de openbare orde, volksgezondheid, (verkeer)veiligheid of leefomgeving willen we snel ingrijpen om de overtreding te beëindigen. De last onder bestuursdwang biedt doorgaans sneller resultaat dan de last onder dwangsom, waardoor we in dergelijke gevallen voor bestuursdwang kiezen. In spoedeisende situaties passen we vanzelfsprekend ook spoedeisende bestuursdwang toe.
Bij een last onder bestuursdwang maken we de overtreding ongedaan op kosten van de overtreder, tenzij deze dit zelf heeft gedaan voor het verstrijken van de termijn. In sommige gevallen kunnen praktische bezwaren of technische complexiteit dit bemoeilijken. Als het duidelijk is dat de overtreder, zelfs met een hogere dwangsom, de overtreding niet ongedaan gaat maken, kiezen we voor bestuursdwang. Er is geen spoedeisende situatie vereist om een last onder bestuursdwang op te leggen.
Bij handhaving geven we vaak een (begunstigings)termijn, tenzij er geen tijd nodig is om de overtreding te beëindigen of wanneer handhaving uitsluitend gericht is op het voorkomen van herhaling. In situaties die spoed vereisen, hoeven we geen (begunstigings)termijn te geven. De termijn moet voldoende lang zijn om de overtreding te verhelpen, en mag niet afhankelijk zijn van de lengte van een eventueel voortraject. We houden rekening met de tijd die nodig is voor bijvoorbeeld het bestellen van onderdelen of materialen. Een te lange (begunstigings)termijn kan worden opgevat als gedogen, wat niet is toegestaan. De Zeeuwse leidraad “richtlijn begunstigingstermijnen en dwangsombedragen 2025” (hierna leidraad), opgenomen in deel C, dient als richtlijn voor begunstigingstermijnen en is niet uitputtend. Deze leidraad is afgeleid van de landelijke leidraad en is aangepast voor de Zeeuwse situatie. Wij motiveren de lengte van de begunstigingstermijn in ons besluit. Deze leidraad is niet van toepassing op Seveso-inrichtingen waarvoor de provincie het bevoegd gezag is.
d. Keuze bij dwangsomoplegging en hoogte van de dwangsom
Bij het opleggen van een last onder dwangsom gebruiken we de Zeeuwse leidraad als basis voor gemeentelijke en provinciale bedrijven, met uitzondering van Seveso-inrichtingen. In ons besluit motiveren we de variant en hoogte van de dwangsom aan de hand van deze leidraad. De hoogte van de dwangsom moet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het geschonden belang en de beoogde werking van de last onder dwangsom. Het moet een voldoende prikkel zijn om de overtreding te beëindigen of herhaling te voorkomen.
Bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom houden we rekening met:
Toelichting financieel draagkrachtige ondernemingen
De bedragen die in de tabel van de leidraad zijn opgenomen, zijn gebaseerd op een gemiddeld mkb-bedrijf of bouwproject. Voor kleinere bedrijven, natuurlijke personen of bouwprojecten kunnen deze bedragen worden verlaagd, terwijl ze voor grotere bedrijven kunnen worden verhoogd (ECLI:NL: RVS:2022:321). Daarnaast is het belangrijk dat een dwangsom niet zo laag wordt vastgesteld dat er geen prikkel tot naleving ontstaat. Dergelijke dwangsommen zijn niet effectief en worden niet deugdelijk gemotiveerd, zoals bedoeld in artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (ECLI:NL: RVS:2006:AZ1263).
De jaaropbrengst kan ook worden gebruikt om de hoogte van de dwangsom te bepalen (ECLI:NL: RVS: 2022:334). Voor bouwprojecten kan de bouwsom als referentie dienen. In de bijlage van de leidraad is een rekenmethodiek opgenomen die kan worden toegepast voor onder toezicht staande bedrijven die financieel zeer draagkrachtig zijn of waarbij het vermoeden bestaat dat dit het geval is. De jaarrekening kan op basis van de algemene bevoegdheden uit hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden opgevraagd.
Effectueren handhavingsbesluit
Wanneer de overtreding na de (begunstigings)termijn niet is beëindigd, wordt er automatisch een dwangsom verbeurd door de overtreder. Het innen van de verbeurde dwangsom(men) of het uitvoeren van bestuursdwang, inclusief het verhalen van kosten, is een vast onderdeel van ons optreden en vormt geen onderwerp van een hernieuwde bestuurlijke afweging.
De standaardoverweging van de rechter met betrekking tot een last onder dwangsom is als volgt: "Bij een besluit omtrent de invordering van een verbeurde dwangsom dient aan het belang van invordering zwaarwegend gewicht te worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat aan een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom toekomt." Dit uitgangspunt vindt steun in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin staat dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd en dat slechts in bijzondere omstandigheden geheel of gedeeltelijk van invordering kan worden afgezien. Dit principe staat bekend als de beginselplicht tot invordering.
Naast herstelsancties hanteren we ook bestraffende sancties. Wanneer we met een bestuurlijke sanctie leed toebrengen aan de overtreder, spreken we van een bestraffende sanctie. Deze sanctie heeft een specifiek preventief effect op de overtreder, omdat we hen ontmoedigen om de overtreding opnieuw te begaan. Daarnaast heeft een bestraffende sanctie ook een algemeen preventief effect op andere personen en/of bedrijven, waardoor zij worden ontmoedigd om überhaupt overtredingen te plegen.
Een bestraffende sanctie verschilt van een herstelsanctie. Waar een herstelsanctie gericht is op het beëindigen van concrete overtredingen, het beperken of wegnemen van de gevolgen daarvan en het voorkomen van herhaling, is het doel van een bestraffende sanctie om de overtreder te straffen voor het begaan van de overtreding.
Omdat beide soorten sancties verschillende doelen hebben, kunnen we herstelsancties en bestraffende sancties naast elkaar opleggen. Een bestraffende sanctie wordt sneller toegepast als de overtreding opzettelijk is gepleegd of als deze niet kan worden hersteld met een herstelsanctie (bijvoorbeeld bij onomkeerbare overtredingen). Bestraffende sancties kunnen zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk van aard zijn. Een veelvoorkomende bestuursrechtelijke bestraffende sanctie is de bestuurlijke boete.
Bestuursrechtelijk; de bestuurlijke boete
De bestuurlijke boete is een onvoorwaardelijke verplichting tot betaling van een geldsom, opgelegd door een bestuursorgaan bij besluit. Dit betekent dat de overheid de straf direct zelf oplegt, zonder tussenkomst van een strafrechter. Tegen de boetebeschikking is rechtsbescherming mogelijk bij de bestuursrechter, maar alleen nadat de bezwaarprocedure is doorlopen.
De toepassing van de bestuurlijke boete valt onder de artikelen 18.12 en 18.13 van de Omgevingswet. Artikel 18.12 geeft het college de bevoegdheid om een bestuurlijke boete op te leggen bij overtredingen van de regels met betrekking tot bouwactiviteiten, sloopactiviteiten en het gebruik en de instandhouding van bouwwerken. Deze regels waren voorheen opgenomen in het Bouwbesluit, maar zijn nu te vinden in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), dat is gebaseerd op de Omgevingswet en in werking trad met deze wet.
Artikel 18.13 verleent het college de bevoegdheid om een bestuurlijke boete op te leggen bij overtredingen van regels die zijn opgesteld ter bescherming van cultureel erfgoed of de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed. Voor inrichtingen waarvoor de provincie bevoegd gezag is, geldt de beleidsregel bestuurlijke boete niet. Voor Seveso-inrichtingen maken we gebruik van het provinciaal boetebeleid.
Afstemming met het Openbaar Ministerie (OM)
Bij elke overtreding van enige significantie is het de vraag of het Openbaar Ministerie (OM) strafrechtelijk wil optreden. Als het OM eenmaal strafvervolging heeft ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen, is het niet meer mogelijk om een bestuurlijke boete op te leggen. Het opleggen van een bestuurlijke boete vereist dus afstemming met het OM. Uit de praktijk blijkt dat het OM terughoudend is met strafrechtelijk optreden, tenzij het gaat om overtredingen in de categorieën C3, C4, D3 of D4.
De Zeeuwse bevoegde gezagen hebben de volgende afspraken gemaakt met het Openbaar Ministerie:
Strafrechtelijk optreden; welke strafrechtelijke weg bewandelen wij?
Wanneer strafrechtelijke sancties geïndiceerd zijn, maken we gebruik van de Bestuurlijke Strafbeschikking Milieu (BSBm), de SAM-procedure (Snelle Afdoening Milieuzaken) of een regulier proces-verbaal.
a. Bestuurlijke Strafbeschikking Milieu (BSBm)
In eerste instantie beoordelen we of het instrument BSBm kan worden ingezet. De directeuren van de DCMR (voor de inrichtingen die onder haar bevoegdheid vallen) en de RUD Zeeland zijn exclusief bevoegd om een BSBm op te leggen. Zeeuwse gemeenten kunnen in bepaalde gevallen via een convenant gebruikmaken van de bevoegdheid van de RUD Zeeland. Wanneer een BSBm wordt opgelegd, is overleg met het OM niet nodig en komt strafrechtelijk optreden door het OM niet aan de orde. De procedure loopt rechtstreeks naar het CJIB.
b. SAM-procedure (Snelle Afdoening Milieuzaken)
Als de BSBm niet kan worden toegepast, maken we gebruik van de SAM-procedure. Deze methode kan worden ingezet voor alle feiten die eenvoudig van aard zijn en vallen onder artikel 1a van de Wet op de Economische Delicten, evenals voor bijvoorbeeld asbestzaken. Er zijn uitzonderingen, zoals leefbaarheidszaken, maar de meeste feiten uit het omgevingsrecht kunnen hier wel onder vallen. Daarnaast gelden er bepaalde strikte voorwaarden voor het toepassen van de SAM-procedure, zoals een bekennende verdachte, een afstandsverklaring van verdachte bij in beslag genomen voorwerpen en tevens dient sprake te zijn van een recente zaak (max. 60 dagen na vaststellen overtreding, uitzonderingen daargelaten). Door deze procedure toe te passen, verkrijgen we snel duidelijkheid over de mogelijkheid voor het Functioneel Parket om de casus in behandeling te nemen en welke informatie nodig is voor de strafzaak. Bij vaak voorkomende overtredingen is het duidelijk welke informatie het Functioneel Parket nodig heeft, waardoor een verkort proces-verbaal kan worden opgemaakt aan de hand van een SAM-verbaal.
Als zowel de BSBm als de SAM-procedure niet kunnen worden toegepast, dient er een regulier (tik)proces-verbaal te worden opgemaakt.
Periodiek overleg tussen boa’s (domein 2) en OM
Er is behoefte aan meer afstemming tussen de Buitengewoon Opsporingsambtenaren (boa’s) en het Openbaar Ministerie (OM). Deze afstemming en informatie-uitwisseling vergroten het wederzijds begrip, bevorderen de uniformiteit en verhogen de kans op een succesvolle aanpak.
We richten ons op het organiseren van periodiek overleg, inclusief evaluatiemomenten. Over deze afspraken maken we duidelijke afspraken met het OM.
NB. In Zeeland kan voor alle milieuovertredingen gebruik worden gemaakt van de boa’s van de RUD Zeeland. RUD Zeeland zal vaak al als eerste de milieuovertreding geconstateerd hebben. Voor niet-milieuovertredingen is er een samenwerkingsovereenkomst tussen de Zeeuwse gemeenten gesloten waarmee er een basis is gecreëerd om boa’s van een andere Zeeuwse gemeente in te zetten bij overtredingen binnen het eigen grondgebied.
Het is van groot belang dat een overheidsinstelling, in de rol van bouwer, exploitant, enzovoort, zich houdt aan de wet- en regelgeving en daarmee een voorbeeldfunctie vervult. Hierdoor is handhaving binnen de eigen organisatie doorgaans niet nodig. Echter, in de praktijk kunnen er situaties ontstaan waarin een onderdeel van de eigen overheidsorganisatie de regels niet naleeft. Bestuursorganen aarzelen vaak om bestuurlijke maatregelen tegen zichzelf te nemen, en handhavers bevinden zich intern in een hiërarchisch ondergeschikte positie.
Daarom is het cruciaal om vast te leggen hoe we handelen wanneer een handhaver een overtreding van een voorschrift constateert binnen (dienstonderdelen van) onze eigen organisatie. Wij hanteren voor onze eigen dienst dezelfde strategie als voor inwoners en bedrijven, waarbij we een belangrijke rol toekennen aan ons managementteam om de overtreding te beëindigen.
Daarnaast is het belangrijk om te documenteren welke procedure we volgen wanneer een toezichthouder bij een andere overheidsinstantie een overtreding constateert. We benaderen andere overheidsinstanties op dezelfde manier als bedrijven en inwoners. Het is vanzelfsprekend dat we, voordat we formele acties ondernemen, de overtredende andere overheidsinstantie (onze collega's/partners) op de hoogte brengen van de overtreding. Dit alles is gericht op een snelle beëindiging van de overtreding.
Het niet naleven van gedoogvoorwaarden kunnen we niet beschouwen als een overtreding van een wettelijk voorschrift. Hierdoor zijn we niet bevoegd om op de niet-naleving van de gedoogvoorwaarden op te treden met een herstelsanctie. We kunnen alleen bestuurlijke sancties opleggen als reactie op overtredingen van wettelijke voorschriften. In dergelijke gevallen trekken we het gedoogbesluit in en handhaven we op de onderliggende overtreding.
Wij hanteren een beginselplicht tot handhaven. Dit betekent dat we op elke geconstateerde overtreding moeten reageren met een passende interventie volgens onze sanctiestrategie. Alleen in uitzonderlijke omstandigheden zien we af van handhaving, wat losstaat van eventueel strafrechtelijk optreden.
In onze gedoogstrategie worden de situaties en condities beschreven waaronder we tijdelijk niet handhaven.
“Het bestuur dat bevoegd is tot handhaving ziet bewust (tijdelijk) af van optreden tegen een overtreding.”
2.6.2 Integrale beoordeling om te gedogen
Bij de toepassing van de gedoogstrategie onderzoeken we altijd als eerste stap of er samenloop is met andere regelgeving en of het gedogen niet in strijd is met bestaande wet- en regelgeving. We letten hierbij op onze eigen regels, maar ook op die van andere overheden. Dit sluit aan bij onze integrale aanpak, zoals beschreven in deel A en de uitvoeringsstrategie.
We volgen de vaste jurisprudentie over gedogen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
“Gezien het algemeen belang dat gediend is met handhaving, dient het bestuursorgaan dat bevoegd is om bestuursdwang of een last onder dwangsom op te leggen, in de regel van deze bevoegdheid gebruik te maken bij overtreding van een wettelijk voorschrift. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd om hiervan af te zien. Dit kan zich voordoen wanneer er concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Daarnaast kan handhavend optreden in bepaalde situaties onevenredig zijn in verhouding tot de belangen die ermee gediend zijn, waardoor van optreden in die specifieke situatie moet worden afgezien.”
Daarnaast gebruiken we de regeringsnota’s ‘Grenzen aan gedogen’ als kader voor onze beslissingen10.
Gedogen passen we alleen in uitzonderlijke en/of spoedeisende situaties toe. We gedogen alleen ‘actief’ dit betekent dat we er een besluit over nemen. Onze uitgangspunten voor gedogen zijn:
Een gedoogbesluit is geen besluit in het kader van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), en dit geldt ook voor de weigering of intrekking van een gedoogbesluit. Daarom kan een gedoogbesluit niet worden aangevochten bij de bestuursrechter. Dit neemt echter niet weg dat belanghebbenden in dergelijke gevallen wel om handhaving kunnen verzoeken. Wij zijn verplicht om op dergelijke verzoeken te reageren.
We kunnen gedogen bij overgangs- en overmacht situaties.
Overgangssituaties zijn situaties waarin we onder bepaalde voorwaarden gedogen kunnen toepassen. Deze omvatten:
Overmacht situaties zijn situaties waarin we gedogen kunnen toepassen. Deze omvatten:
Wij gedogen niet in de volgende gevallen:
Wij gedogen niet wanneer de te gedogen activiteit in strijd is met een andere regel, en het bevoegde gezag heeft aangegeven dat het bestuursrechtelijk handhaaft of van plan is dit te doen.
Een afschrift van de gedoogbeschikking sturen we naar:
We houden actief toezicht op gedoogsituaties. We evalueren of het gedogen nog actueel is en of de vergunninghouder de opgelegde beperkingen en voorwaarden naleeft.
3 Aanvullend Provinciaal beleid
3.1.1 Aanvullende algemene uitgangspunten
Bij vergunningprocedures worden de volgende algemene uitgangspunten gehanteerd:
Bedrijven waar Gedeputeerde Staten bevoegd gezag zijn, hebben vaak een vergunning nodig wanneer zij zich vestigen in de provincie, veranderen van activiteit of uitbreiden. Om deze bedrijven optimaal te faciliteren en zo de economie te stimuleren, streven Gedeputeerde Staten naar het zo snel mogelijk en correct verlenen van deze vergunningen, in ieder geval binnen de geldende wettelijke termijnen.
De taken ten aanzien van bouwen, reclame, inritten, kappen en slopen (BRIKS) zijn ondergebracht bij de omgevingsdiensten. Gemeenten voeren in opdracht van de omgevingsdiensten de advisering uit op het BRIKS onderdeel van de Omgevingswet vergunningverlening voor bedrijven waarvoor de Provincie het bevoegd gezag is. Daarbij wordt voldaan aan de vigerende kwaliteitseisen en aan het ‘Uitvoeringskader BRIKS 2025’ (vastgesteld december 2024), dan wel de meest recente versie daarvan, verder te noemen: Uitvoeringskader BRIKS.
De Provincie heeft in de ‘Beleidsregel Bibob Provincie Zeeland 2024 inzake omgevingsvergunningen, subsidies, vastgoedtransacties en overheidsopdrachten’ (vastgesteld oktober 2023), verder te noemen: Beleidsregel Bibob Provincie Zeeland, beleidsregels vastgesteld ten aanzien van de Wet Bibob in relatie tot de Omgevingswet vergunningverlening. Omgevingsdiensten houden bij de vergunningverlening rekening met de Beleidsregel Bibob Provincie Zeeland, dan wel de meest recente versie daarvan, en leggen aanvragen waarvoor dit van toepassing is voor aan het team Bibob van de Provincie. Het besluit om een vergunning te weigeren of in te trekken op basis van de Wet Bibob is niet gemandateerd aan de Omgevingsdiensten.
In hoofdstuk 2 staat de algemene strategie voor actualisering van vergunningen. aanvullend gelden de volgende aspecten voor de vergunningen waarvoor GS bevoegd gezag is om te bepalen of actualisering noodzakelijk of gewenst is:
De Omgevingsdiensten inventariseren jaarlijks welke bedrijven in aanmerking komen voor een actualisatietoets aan de hand van een prioriteitenladder. De omgevingsdiensten nemen in het werkplan het volgende op:
Vergunningen met een eenmalig karakter en een beperkte tijdsduur (< 5 jaar) behoeven geen actualisatie.
3.1.3 Proefnemingen binnen bedrijven
GS vinden het belangrijk dat bedrijven mogelijkheden hebben om proefnemingen te doen om zo te komen proces- en productinnovatie en te stimuleren (bijvoorbeeld bij circulaire economie). Een proefneming is een tijdelijke activiteit die betrekking heeft op óf voortvloeit uit de uitgevoerde hoofdactiviteiten binnen de inrichting. Het doel hiervan is (nieuwe) methoden, processen, stoffen of technieken te ontwikkelen, verbeteren, beproeven en/of mogelijk te maken.
Proefactiviteiten moeten uit de hoofdactiviteit voortvloeien, omdat een bedrijf anders de grondslag van de aanvraag en vergunning verlaat. De proefnemingen moeten voldoen aan de relevante milieu-hygiënische eisen. Aanleiding voor een proefneming kunnen veranderingen in de markt zijn, maar ook innovatie, nieuwe beschikbare technologie en/of wensen om efficiënter of duurzamer te werken. Doorgaans experimenteert een bedrijf eerst met deze wijzigingen, alvorens ze structureel deel gaan uitmaken van de bedrijfsvoering.
De proefnemingen waar het hier om gaat, hebben de volgende kenmerken:
De geldende vergunning kan een drempel zijn voor ontwikkelingen die bijdragen aan innovatie. Voor een proefneming is het aanvragen van en besluiten op een veranderingsvergunning een veelal buitenproportioneel zware en tijdrovende procedure. Een gevolg is belemmering van innovatie. Aan vergunningen verbinden de omgevingsdiensten daarom voorschriften die het uitvoeren van proefnemingen mogelijk maken met voorafgaande goedkeuring door het bevoegd gezag.
Proefnemingen kunnen als volgt worden toegestaan:
Met het opstellen van een gedoogbeschikking, wanneer mogelijkheden 1 t/m 5 niet van toepassing zijn. Sommige proefnemingen hebben tot doel de milieubelasting terug te dringen en hebben een achterliggend belang dat beter is gediend met gedogen. Voor die gevallen biedt de gedoogstrategie ruimte tot het tijdelijk gedogen van een proefneming.
Per geval zal steeds gezocht worden naar het efficiëntste instrument dat past binnen de wettelijke mogelijkheden.
3.1.4 Geluidsaspecten bij Omgevingsvergunningen
De geluidsbelasting van bedrijven wordt getoetst aan de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening.
Gedeputeerde Staten hebben het Schone Lucht Akkoord (SLA) ondertekend.
Binnen het thema industrie onder het Schone Lucht Akkoord (SLA) werken de landelijke deelnemers van dit akkoord aan gezamenlijk beleid en uitvoering om in nieuwe en geactualiseerde vergunningen emissie-grenswaarden op te nemen die zo dicht mogelijk aan de onderkant van de BBT-range liggen. Het gaat daarbij om de laagste emissie-eisen op basis van de best beschikbare techniek.
Het Europese en het landelijke beleid met betrekking tot vergunningplichtige inrichtingen laat niet veel ruimte voor lokaal beleid, tenzij er sprake is van specifieke, lokale problemen, zoals overschrijding van de normen voor de kwaliteit van de buitenlucht. Dit soort problemen doen zich in Zeeland niet voor.
De Zeeuwse Omgevingsvisie zegt met betrekking tot luchtkwaliteit dat Gedeputeerde Staten de uitstoot van bedrijven met (zware) milieubelastende activiteiten terugdringen met de inzet van VTH. Middels het bovenbeschreven beleid wordt hier op het gebied van vergunningen invulling aan gegeven.
3.1.6 Grond- en hulpstoffen/Circulaire Economie
Nationale wetgeving verstaat onder bescherming van het milieu ook de zorg voor een zuinig gebruik van grond- en hulpstoffen. Nederland wil in 2030 50 % en in 2050 100 % circulair zijn. Dit betekent dat het gebruik van primaire en niet hernieuwbare grondstoffen zo veel mogelijk teruggedrongen moet worden. Het is namelijk niet realistisch dat er helemaal geen afval meer gestort wordt in een circulaire economie (CE) als er wordt gekeken naar de huidige stand van de techniek. Storten vormt het laatste vangnet voor een functionele circulaire economie.
Provincie Zeeland vindt de ontwikkeling naar een circulaire economie belangrijk. De transitie naar een Circulaire en Biobased economie is om die reden één van de speerpunten van de nieuwe Economische Agenda van de Provincie Zeeland. Groene economische groei en verduurzaming in de industrie en andere sectoren is een belangrijke maatschappelijke opgave. Dit betekent dat ook het stimuleren van Circulaire Economie en het toepassen van het VTH-instrumentarium om CE in goede banen te leiden bij bedrijven gewenst is.
De Provincies hebben gezamenlijk een Bouwstenenvisie CE en VTH opgesteld. Deze bouwstenenvisie is belangrijk om een gelijk speelveld te garanderen voor de bedrijven waarvoor de Provincie bevoegd gezag is en maakt onderdeel uit van de Bestuurlijke opdracht CEA van het IPO voor de periode 2024-2028. Het streven is om Circulaire Economie een volwaardige plek te geven in het provinciaal milieu- en uitvoeringsbeleid. De IPO-bouwstenenvisie CE-VTH dient daarbij als basis. Dit betekent dat de intentie is uitgesproken dat in 2026 alle provincies ten minste het basisniveau uit de Bouwstenen-visie hebben geïmplementeerd in het eigen beleid en de uitvoering hebben vastgelegd in de opdrachtverlening aan omgevingsdiensten.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, vragen de Omgevingsdiensten advies bij de Provincie voor het aspect natuur. Dit advies wordt één op één in de omgevings-vergunning overgenomen.
3.1.8 Gebruik luchtvaart (TUG)
Gedeputeerde Staten streven naar een veilige luchtvaart in Zeeland waarbij geluidshinder zoveel mogelijk wordt voorkomen. Op het gebied van vergunningverlening heeft de Provincie een tweetal taken. Ten eerste het vaststellen van luchthavenbesluiten en – regelingen en ten tweede het verlenen van TUG-ontheffingen.
Luchthavenbesluiten en -regelingen
Provinciale Staten zijn op grond van de Wet Luchtvaart bevoegd gezag voor het vaststellen van luchthavenbesluiten en Gedeputeerde Staten zijn bevoegd gezag voor het vaststellen van luchthavenregelingen (Wet luchtvaart artikelen 8.43 en 8.63). Het gaat hierbij om terreinen bedoeld voor de kleine en recreatieve luchtvaart.
Bij uitvoering van VTH-taken rondom luchtvaart, wordt gebruik gemaakt van de Lucht-vaartverordening Zeeland (vastgesteld december 2011).
Deze verordening regelt de procedurele aspecten voor het aanvragen van luchthaven-besluiten en –regelingen.
Gedeputeerde Staten zijn bevoegd gezag voor het verlenen van ontheffingen voor het tijdelijk en uitzonderlijk gebruik van terreinen voor de luchtvaart (TUG-ontheffingen). Hierbij wordt het beleid met betrekking tot luchtvaart uit de Zeeuwse Omgevingsvisie in acht genomen. RUD Zeeland verleent namens de Provincie de TUG-ontheffingen. Voor welke situaties en onder welke voorschriften een TUG-ontheffing kan worden verleend, is beschreven in de Beleidsregels ‘Ontheffingen tijdelijk en uitzonderlijk gebruik luchtvaart Provincie Zeeland’ (vastgesteld januari 2012), dan wel de geldende versie daarvan, verder te noemen: Beleidsregel TUG.
3.1.9 Bouw, Reclame, Inritten, Kap en Sloopvergunningen
In het Uitvoeringskader BRIKS zijn de kaders voor vergunningverlening beschreven. Deze taken zijn sinds 1 januari 2021 ondergebracht bij de omgevingsdiensten, waarbij de gemeenten adviestaken uitvoeren.
De omgevingsdiensten werken voor bedrijven, vallend onder bevoegd gezag van Provincie Zeeland met brancheplannen waarin per branche relevante inhoudelijke onderwerpen worden benoemd die vervolgens worden uitgewerkt in toezichtsplannen per bedrijf. Een toezichtplan beschrijft concreet hoe de inspecteur het toezichtbezoek uitvoert. Daarnaast legt het plan een relatie met de handhavingsstrategie.
Per branche is op basis van een zogeheten speerpuntenanalyse bepaald hoeveel impact/relevantie de activiteiten in die branche hebben. Milieuthema's die in de analyse onder meer worden betrokken, zijn: lucht, stank, veiligheid, geluid, bodem, energie, afval en afvalwater. Voor de bij RUD Zeeland ondergebrachte bedrijven is aan elk milieu-thema door deskundigen een score gegeven (1, 2, 3 of 4). Voor het bepalen van de risicocategorie telt het ene thema zwaarder mee dan het andere. Aan de thema's lucht, veiligheid en bodem wordt meer prioriteit gegeven. Dit zijn prioritaire thema’s, zie bijlage 3.
Elke bedrijf in Zeeland dat onder de bevoegdheid van Provincie Zeeland valt, wordt tenminste eens per jaar aan een inspectie onderworpen en per jaar worden minimaal 5 onaangekondigde inspecties uitgevoerd bij de Seveso-inrichtingen.
Voor een aantal milieuthema’s zijn er minimale toezicht frequenties in tabel 2 Minimale toezicht frequentie zijn deze opgesomd.
Tabel 2: minimaal toezicht met bijbehorende frequentie.
De omgevingsdiensten voeren deze taken namens de Provincie uit. Gedeputeerde Staten concentreren zich voor het toezicht op de volgende drie terreinen:
Het toezicht en de handhaving op de Natura 2000-gebieden voert de Provincie risicogericht uit. Voor het toezicht groene wetten wordt jaarlijks een zelfstandig uitvoeringsprogramma opgesteld op basis van een risicoanalyse. Dit plan gaat specifiek in op de activiteiten die moeten worden uitgevoerd en vormgegeven en geven een raming van de ureninzet.
Provincie Zeeland informeert het publiek over de hygiëne en veiligheid van zwemwater via de zwemwaterwebsite https://www.zwemwater.nl en de Zwemwater App. Via de Zwemwater App kunnen ook klachten, meldingen of vragen doorgegeven worden over bijvoorbeeld gevaarlijke of onhygiënische situaties bij zwemwatergelegenheden.
De zwembaden worden elk jaar gecontroleerd door RUD Zeeland. Aandachtspunten hierbij zijn waterkwaliteit, hygiëne en veiligheid. Wettelijk is bepaald dat het zwembad moet zorgen voor ‘voldoende toezicht’. Om dit na te gaan, is er ‘Toezicht op toezicht’. Hierbij wordt specifiek gelet op hoe het zwembad zelf toezicht uitoefent op de bezoekers.
In het zwemseizoen (van 1 mei tot 1 oktober) worden alle zwemlocaties in oppervlaktewater elke twee of vier weken door de waterkwaliteitsbeheerder bemonsterd en geanalyseerd en indien nodig ter handhaving aan de Provincie Zeeland gestuurd. De zwem-waterinspecteurs van RUD Zeeland bezoeken de locatie daarnaast jaarlijks voor een visuele inspectie, waarbij zij onder meer controleren of de fysieke veiligheid in orde is. Verder wordt er geïnspecteerd bij bijzonderheden, klachten of meldingen.
Bij onvoldoende zwemwaterkwaliteit of een onveilige situatie zijn er drie mogelijke maatregelen:
3.2.4 Toezicht bouw en brandveilig gebruik van gebouwen
In het Uitvoeringskader BRIKS zijn de kaders voor toezicht op bouw en brandveilig gebruik van gebouwen beschreven.
3.2.5 Toezicht bodemsaneringen, inclusief nazorg
Bij het toezicht wordt aangesloten bij de Handhavings Uitvoerings Methode Bodembe-eer (HUM Bodembeer) van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB) en het normblad 8001/8002.
Per ingediende melding of beschikkingsaanvraag wordt een risicoanalyse uitgevoerd. Aan de hand hiervan en/of constateringen vanuit een eerste inspectie, wordt besloten hoe vaak de sanering bezocht wordt. Per sanering wordt tenminste één inspectie uitgevoerd.
Belangrijkste aandachtspunten bij de risicoanalyse zijn:
3.3 Afwijkende sanctiestrategie luchtvaart
In paragraaf 2.5 is de sanctiestrategie beschreven, waarbij de landelijke handhavings-strategie het uitgangspunt is. Voor luchtvaart is deze strategie niet altijd één op één toepasbaar. Dit heeft meerdere redenen:
De LHSO heeft segmenten waarin strafrecht wordt toegepast. Dit komt bij handhaving van luchtvaart door GS niet voor. De bepalingen die in artikel 11.9 Wet Luchtvaart genoemd worden bij de strafrechtelijke handhaving komen niet nogmaals aan bod in het kader van de bestuursrechtelijke handhaving door GS (art. 11.23 Wet Luchtvaart).
Om deze reden is voor luchtvaart een aanvullende handhavingsstrategie in bijlage 4 opgenomen.
3.4 Beleidsregel bestuurlijke boete Seveso-inrichtingen
De bestuurlijke boete is een bestuursrechtelijke sanctie die niet op herstel is gericht, maar op bestraffing en kan opgelegd worden aan een bedrijf maar ook aan een natuurlijke persoon. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet (1 januari 2024) hebben provincies de mogelijkheid om aan Seveso-inrichtingen bij milieuovertredingen een bestuurlijke boete op te leggen.
Voor de uitvoering van handhavingstaken bij Seveso-inrichtingen vallen onder het bevoegd gezag van Provincie Zeeland is van toepassing, de Beleidsregel ‘Bestuurlijke boete Seveso-inrichtingen Provincie Zeeland 2024' (vastgesteld december 2023), dan wel de meest recente versie daarvan, verder te noemen: Bestuurlijke boete Seveso-inrichtingen.
De beleidsregels gaan in op wat er gebeurt, nadat is besloten tot oplegging van een boete en regelt zaken zoals:
4 Opdrachtgeverschap Omgevingsdiensten
Provincie Zeeland is eigenaar en opdrachtgever van RUD Zeeland en daarnaast opdrachtgever voor DCMR.
4.1 Samenwerking en aansturing
De omgevingsdiensten worden door GS aangestuurd aan de hand van drie pijlers:
4.2 Planning en control cyclus
De omgevingsdiensten stellen een jaarplan of werkplan op, die door GS wordt vastgesteld. In deze plannen is de programmering van de U&H-activiteiten opgenomen voor bedrijven waarvoor GS op grond van de Omgevingswet het bevoegd gezag zijn. Hierin zijn tenminste de benodigde uren en financiële middelen opgenomen en daarnaast de volgende inhoudelijke aspecten:
Het werkplan wordt geëvalueerd door de omgevingsdiensten. De evaluatie wordt vastgesteld door Gedeputeerde Staten en ter kennisname verzonden aan Provinciale Staten.
De Provincie heeft maandelijks overleg met de Omgevingsdiensten over kwantitatieve voortgangsrapportages over het werkplan met een toelichting op de resultaten. Daarnaast stellen de Omgevingsdiensten één keer in de vier maanden een inhoudelijke voortgangsrapportage op die naast een financiële verantwoording en prognose voor de rest van het jaar, ook een inhoudelijke verantwoording bevat. Deze trimester rapportage bespreken de Omgevingsdiensten ambtelijk met de Provincie, aan de hand waarvan eventuele bijsturingsmaatregelen worden besproken en gerealiseerd.
Periodiek vindt er een bestuurlijk overleg plaats met de directie/ managementteam van de omgevingsdiensten.
4.3 Kwaliteitsbeheer en kwaliteitscriteria
De uitvoering van de VTH-taken kan alleen effectief zijn als de kwaliteit is gegarandeerd. Er zijn wettelijke eisen van toepassing op grond van de Omgevingswet (vanaf 2025 gelden de kwaliteitscriteria 3.0). Daarnaast zijn de kwaliteitscriteria vastgelegd in de ‘Verordening uitvoering en handhaving (omgevingsrecht) Provincie Zeeland 2024’ (vastgesteld november 2023), verder te noemen Verordening uitvoering en handhaving (omgevingsrecht) Provincie Zeeland.
Omgevingsdiensten moeten bij de uitvoering van de VTH-taken voor de Provincie Zeeland voldoen aan de vigerende kwaliteitscriteria die hieruit, dan wel uit de meest recente versie daarvan, voortvloeien. Periodiek vinden hierop audits plaats door (of namens) de Provincie.
Jaarlijks wordt gerapporteerd aan Provinciale Staten of het kwaliteitsniveau in de praktijk is gerealiseerd.
De volgende doelen worden gemonitord:
Uit het oogpunt van onafhankelijke oordeelsvorming en belangenweging rouleren degenen die zich bezighouden met bedrijven periodiek. Toezichthouders zijn nooit langer dan vijf jaar aan één bedrijf verbonden. Voor vergunningverleners geldt een roulatietermijn van zeven jaar.
De organisatie van de uitvoering van de provinciale VTH-taken voldoet aan de wettelijke eisen betreffende de scheiding tussen vergunningverlening en handhaving. Op grond van Artikel 13.9, tweede lid, onder b van het Omgevingsbesluit is functiescheiding op persoonsniveau vereist tussen de processen vergunningverlening enerzijds en toezicht en handhaving anderzijds. Ook de landelijke kwaliteitscriteria schrijven volgens de Omgevingswet een principiële functiescheiding voor op persoonsniveau tussen vergunningen enerzijds en toezicht en handhaving anderzijds.
De Provincie vindt het belangrijk om open en transparant te zijn over haar prestaties en streeft ernaar, conform het gestelde in de Wet Elektronische publicaties, om actief verantwoording af te leggen aan burgers, bedrijven en partners. Deze ambitie werkt ook door in ons beleid. De openheid en transparantie wordt bereikt door: VTH-data actief openbaar te maken, beschikbaar te stellen en toegankelijk te maken. De data worden beschikbaar gesteld aan alle burgers, bedrijven en partners, is eenvoudig bereikbaar en begrijpelijk voor derden.
De huidige gedragsregel Openbaarheid Handhavingsinformatie (2012) wordt ingetrokken en aangesloten wordt bij landelijke ‘Handreiking Actieve publicatie handhavingsbeschikkingen’ (vastgesteld in 2024), dan wel de meest recente versie daarvan, geschreven door de zes Seveso omgevingsdiensten en de handreiking ‘Openbaarheid van milieu-informatie en emissiegegevens’ (vastgesteld januari 2024), dan wel de meest recente versie daarvan, geschreven door ministerie van infrastructuur en Waterstaat.
Gedeputeerde staten willen over hun besluiten open en transparant zijn. Om hier vorm aan te geven, is de actieve openbaarheid een uitgangspunt van het provinciaal bestuur. Dit betekent onder meer dat naast de wettelijke voorschriften ten aanzien van openbaarheid, besluiten en de daarbij behorende onderliggende documenten uit eigen beweging openbaar worden gemaakt (actief openbaar). Hoewel de Provincie zo optimaal mogelijk wil voldoen aan de algemene voorschriften ten aanzien van openbaarheid en de specifiek ten aanzien van het milieu opgestelde regels, kan het nog steeds voorkomen dat verzoeken om openbaarheid worden gedaan met een beroep op de Wet open overheid (Woo) (passief openbaar). Bij dergelijke verzoeken worden de daarvoor geldende regels in acht genomen. Naast het algemene belang van openbaarheid nemen GS ook het belang van de vergunning-aanvrager, of -houder in acht en worden diens belangen mede gewogen bij een besluit tot openbaarmaking. Het vragen van zienswijzen in gevallen waarbij mogelijke bezwaren tegen de openbaarheid mogen worden verwacht, maakt deel uit van de hierbij te voeren procedure. De Provincie streeft ernaar om actief haar VTH-data en informatie te delen met derden. Om de belangen van haar burgers, bedrijven en partners te beschermen, voldoet de data die de Provincie beschikbaar stelt aan alle geldende wet- en regelgeving rondom openbaarheid en privacy.
Om burgers en andere belanghebbende goed te informeren over de kwaliteit van de leefomgeving en de invloed van de bedrijven daarop, wordt informatie via de website van de Provincie, maar ook via de websites van de omgevingsdiensten RUD Zeeland en DCMR beschikbaar gesteld. Het gaat hierbij om onder andere het volgende:
Resultaten van toezicht/inspecties:
Voor Seveso-inrichtingen worden samenvattingen van de inspectierapporten gepubliceerd op de website Seveso-plus.nl. Elk jaar verschijnt er een rapport over de veiligheid van Seveso-inrichtingen in de Provincie. Voor bedrijven waarvoor de Provincie het bevoegd gezag is, worden de resultaten van het toezicht/inspecties weergegeven op de website van de omgevingsdiensten (datum, gecontroleerde aspecten, inspectieresultaten per jaar).
5.3 Participatie onder de Omgevingswet
Onder interactie met de omgeving kan ook participatie ten behoeve van vergunningverlening, worden verstaan. Participatie is het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden (burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en (andere) overheden) bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit. Provincie Zeeland heeft een algemene Visie op Participatie (2022) opgesteld. Wanneer een bedrijf of initiatiefnemer van plan is om nieuwe activiteiten uit te gaan voeren of een uitbreiding van de bestaande activiteiten voorziet, is het zinvol om vooraf de omgeving te betrekken. Het doel daarvan is om draagvlak en begrip bij de omgeving te verkrijgen, maar ook om alternatieven te verkennen.
Bij het initiëren van participatie kan verder worden gedacht aan het organiseren van informatieavonden of Webinars voor omwonenden en belanghebbenden of het opzetten van een online community. De verantwoordelijkheid voor het initiëren van participatie ter voorbereiding van een vergunningaanvraag ligt bij de initiatiefnemer.
6.1 Zeeuws-brede coördinatie uitvoering en handhavingstaken
De Provincie draagt zorg voor de coördinatie van de samenwerking op VTH-gebied tussen de bestuursrechtelijk en strafrechtelijke partners. Hiervoor heeft de Provincie in 2020 het ambtelijk en bestuurlijk overleg omgevingsrecht Zeeland opgericht en vanaf 2023 het Casusoverleg Zeeland opnieuw gestart. Het doel van deze overleggen is het afstemmen en coördineren van VTH-taken inzake milieu, bouw en sloop, ruimtelijke ordening, natuur, water en ketens in de regio Zeeland met zowel bestuursrechtelijke als strafrechtelijke partners. Het regieteam draagt daarbij zorg voor regie op uitwerking van eventuele beleidsnota’s en uniforme implementatie bij de betrokken partners.
Daarnaast stemt de Provincie het uitvoeringsprogramma Toezicht en Handhaving jaarlijks af met de strafrechtelijke handhavingspartners.
6.2 Coördinatie Vuurwerkbesluit
Sinds 2002 is in Zeeland een Provincie brede uitvoeringsorganisatie op het gebied van vuurwerk actief (het vuurwerkteam). Binnen deze interdisciplinaire uitvoeringsorganisatie hebben Gedeputeerde Staten een coördinatietaak met betrekking tot vergunningverlening, toezicht en handhaving. Deze taak voert RUD Zeeland uit namens Gedeputeerde Staten. De coördinator van het Provincie brede vuurwerkteam en de vuurwerkcoördinator van regiopolitie Zeeland zijn gezamenlijk belast met de coördinatie tussen activiteiten van hun teams. Zij brengen hiervan jaarlijks verslag uit.
6.3 Regietaak Natuurbescherming
Op 15 april 2014 is voor de Provincie Zeeland een samenwerkingsovereenkomst gesloten onder de naam Toezichtkringen natuurhandhaving. Deelnemer aan de regiegroep zijn de Provincie Zeeland, de Regionale Uitvoeringsdienst Zeeland, Stichting Het Zeeuwse Landschap, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, Rijkswaterstaat, het ministerie van Economische Zaken, het Waterschap Scheldestromen, de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid, de Provincie Noord-Brabant en Groenservice Zuid-Holland. De regiegroep komt onder leiding van de regisseur groene handhaving (uitbesteed aan de RUD Zeeland), tenminste 2 keer per jaar bijeen om een voorzet te geven voor prioritering van diverse handhavingsitems. De regisseur organiseert daarnaast jaarlijks in het voorjaar en in het najaar regionale platformbijeenkomsten, waarvan de deelnemers bestaan uit handhavers, boa’s en betrokkenen uit het werkveld.
Op basis van de informatie vanuit de Regiegroep en de Platformbijeenkomsten stelt de regisseur groene handhaving met behulp van een risicoanalyse de onderwerpen vast voor het handhavingsuitvoeringsprogramma. Dit handhavingsprogramma wordt na instemming door de regiegroep Toezichtkringen ter accordering aangeboden aan het bestuurlijk overleg Toezichtkringen natuurhandhaving. Dit overleg bestaat uit het gedeputeerde milieu, de directeuren /eindverantwoordelijken van de deelnemende organisaties, de directeur van de RUD en de korpschef van de politie Zeeland. De Regisseur groene handhaving heeft een overall functie om de activiteiten van de inspecteurs op elkaar af te stemmen zodat in alle gebieden dezelfde werkwijze wordt gevolgd. Daartoe wordt in de verschillende regio’s een inspecteur van de RUD aangewezen die als spil zal dienen voor de overige inspecteurs in dat gebied.
Het sluitstuk van de gesloten beleids- en uitvoeringscyclus (BIG-8) is de verantwoording over inspanningen en resultaten. Daarin staat de vraag centraal of de geleverde inspanningen hebben bijgedragen aan het realiseren van de doelen. Door het periodiek meten van structurele indicatoren willen Gedeputeerde Staten de voortgang kunnen volgen.
Aan het onderliggende Milieuprogramma zijn acties en doelen verbonden. Deze worden gemonitord en gerapporteerd.
De jaar- en werkplannen van de omgevingsdiensten beschrijven de concrete inspanningen voor. Deze uitvoeringsprogramma’s worden gemonitord onder meer door middel van (vooraf bepaalde) kritische prestatie indicatoren (KPI's).
Over de doorontwikkeling van de monitoring maakt de Provincie afspraken met de RUD Zeeland en DCMR.
Bijlage 2: Gebruikte afkortingen
Bijlage 3: Risicomethodiek milieutoezicht Omgevingswet bij bedrijven
Bijlage 2: Gebruikte afkortingen
Bijlage 3: Risicomethodiek milieutoezicht Omgevingswet bij bedrijven
De inrichtingen waarvoor Gedeputeerde Staten het bevoegd gezag zijn, zijn ingedeeld in vier categorieën:
Dit gebeurt op basis van een risicoanalyse op brancheniveau en per milieuthema. Per branche zijn scores gegeven per milieudoel (geluid, lucht, veiligheid, etc.). De controlefrequentie is afhankelijk van de risico categorie waarin een bedrijf wordt ingedeeld. Ook het soort controle-instrument (zoals bijvoorbeeld aspectcontrole of integrale controle) dat wordt ingezet, is afhankelijk van de risicocategorie waarin een bedrijf wordt ingedeeld.
Uitgangspunt is een indeling van bedrijven in 38 branches, die zijn weergegeven in onderstaande tabel. Branches zijn samengestelde groepen van bedrijven, waarbij de groepering is gebaseerd op SBI-codes. De hoofdactiviteit van een bedrijf is daarbij bepalend.
Tabel 3.1: Brancheclusters met risicocategorieën
Hoe komen de scores tot stand?
De scores komen voor een belangrijk deel tot stand in de zogenaamde speerpuntenanalyse. In deze analyse krijgen branches per milieuthema een score (1, 2, 3 of 4) die uitdrukt hoeveel impact en/of relevantie de activiteiten in die branche op het milieuthema hebben.
Bij het toekennen van de scores wordt uitgegaan van de grootste groep(en) bedrijven binnen de branche. Vervolgens wordt bij het bepalen van de aanpak gedifferentieerd per bedrijf en wordt bepaald welke controle aspecten belangrijk zijn en welke controlediepgang vereist is.
De score is tot stand gekomen door ‘expert judgement’ van deskundigen (toezichthouders, vergunningverleners, themabeheerders en dergelijke). Elke branche is gescoord op de verschillende thema’s. De ingevulde scores zijn verwerkt en bediscussieerd, waarna het voorstel definitief ter besluitvorming is voorgelegd. De scores zijn in onderstaande tabel vermeld.
Tabel 3.2 risicoscores van branches op thema's
Vaststellen risicocategorie van een branche
Bij het vaststellen van de risicocategorie van een branche wordt gebruik gemaakt van prioritaire thema’s. De score op de prioritaire thema’s telt zwaarder dan die op de overige thema’s. Bij controles komen alle milieuthema’s aan bod. Voor Zeeland is aansluiting gezocht bij de missie van RUD Zeeland; “een schoon en veilig Zeeland”. In het uitgewerkte scenario is daarom gerekend met veiligheid, bodem en lucht als de prioritaire thema’s. Om te bepalen in welke risicocategorie een branche valt, wordt eerst gekeken naar de hoogste score op de prioritaire thema’s (eerste kolom in Tabel 3.2). Daarna wordt gekeken naar de hoogste score op de overige thema’s (tweede kolom in Tabel 3.2). De overige thema’s tellen een punt minder zwaar mee dan de prioritaire thema’s. Aan de hand van de tabel is dan te zien in welke categorie de branche valt.
Bijvoorbeeld: de branche energiebedrijven heeft als hoogste score op de prioritaire thema’s een 4 (in dit geval op lucht). Daarmee valt deze branche in de categorie “hoog risicobedrijven”. De branche horeca heeft als hoogste score op de prioritaire thema’s een 1. Op de overige thema’s heeft deze branche als hoogste score echter een 3 (voor geluid). Daardoor valt horeca in de “beperkt risicobedrijven”.
Tabel 3.3 scores omgezet in risicocategorieën
Verwaarloosbaar risicobedrijven
Bij de verwaarloosbaar risicobedrijven wordt “klacht- en incidentgericht toezicht” gehanteerd. Dit betekent dat alleen toezicht plaatsvindt bij klachten of incidenten.
De beperkt risicobedrijven worden steekproefsgewijs gecontroleerd. Dit is toezicht met een lage frequentie. Ook zelfcontrole valt hieronder. In de toekomst worden naleefgedrag en klachten gebruikt om te bepalen welke subgroep meer toezicht krijgt.
Dit vraagt in principe om een meerjarig ingeplande branche aanpak bij alle bedrijven in de hiertoe behorende branches. De medium risicobedrijven krijgen daarom een branche-/thema aanpak. Daarbij wordt projectmatig een branche en/of thema gecontroleerd door middel van controlebezoeken en/of (diepgaand) administratief toezicht. In de toekomst worden naleefgedrag en klachten gebruikt om te bepalen welke subgroep meer toezicht krijgt.
De groep hoog risicobedrijven krijgt een individuele aanpak. Bij deze bedrijven wordt de branchegerichte risicoanalyse uitgebreid met een bedrijfsgerichte analyse. In deze bedrijfsgerichte analyse komen ook de aspecten naleefgedrag, klachten, “kunnen” (is het bedrijf zodanig georganiseerd dat het kan naleven) en “willen” (cultuur) aan bod. Ook bestuurlijke relevantie speelt daarin een rol. De uitkomst van deze bedrijfsgerichte analyse kan invloed hebben op het aantal uren dat aan het bedrijf besteed wordt.
Bijlage 4: Handhavingsstrategie luchtvaart Zeeland
Wanneer een regel uit een luchthavenbesluit- of regeling of een voorschrift verbonden aan een TUG-ontheffing wordt overtreden, moeten Gedeputeerde Staten in beginsel handhaven. Dit kan onder bijzondere omstandigheden anders zijn. Bijvoorbeeld als er concreet zicht op legalisatie bestaat of als het handhaven onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. De toe te passen handhavingsinstrumenten worden hieronder per situatie beschreven.
In een luchthavenbesluit of luchthavenregeling staan twee soorten bepalingen:
Grenswaarden richten zich tot de exploitant en de gebruikers gezamenlijk en definiëren de milieugebruiksruimte van de luchthaven.
Bijvoorbeeld: De grenswaarde binnen de daglichtperiode Lden in dB(A) in HHP01 is 46,5.
Regels richten zich tot ieder individueel.
Bijvoorbeeld: De luchthaven is, binnen de daglichtperiode, geopend van 9:00 tot 20:00 uur.
Aan een TUG-ontheffing worden voorschriften verbonden. Deze richten zich op de gebruiker (bedrijf/piloot).
De instrumenten die bij een overtreding kunnen worden toegepast, staan in de onderstaande tabel.
Tabel 4.1 VTH Instrumenten luchtvaart
|
Maatregel11 |
De partij die het in zijn macht heeft de overschrijding tegen te gaan. |
||
|
Last onder bestuursdwang12 |
|||
|
Bestuurlijke boete (evt. in combinatie met preventieve last onder dwangsom) |
|||
|
Bestuurlijke boete (evt. in combinatie met preventieve last onder dwangsom |
|||
Zoals uit de tabel blijkt, zijn er meerdere instrumenten inzetbaar per situatie. Welk instrument daadwerkelijk zal worden gehanteerd in geval van een overtreding wordt per geval nader bezien.
Zeeuwse leidraad “richtlijn begunstigingstermijnen en dwangsombedragen 2025”
De last onder dwangsom is een handhavingsbeschikking die tot doel heeft de overtreder te bewegen tot naleving van de geldende regels. De dwangsom moet een voldoende prikkel bieden om de overtreding te beëindigen (ECLI:NL: RVS: 2020:86). Deze herstelsanctie wordt veelvuldig ingezet in het omgevingsrecht.
Het besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom moet zorgvuldig worden genomen (artikel 3:4 Awb). Dit betekent dat de bestuursrechter kan beoordelen of de dwangsom geschikt is om het doel te bereiken, of een minder ingrijpende maatregel volstond en of de last in het specifieke geval evenwichtig is (ECLI:NL: RVS:2022:285). Een voorbeeld van deze afweging is de uitspraak (ECLI:NL: RVS: 2022:321), waarbij de verwachte huurinkomsten bij het niet naleven van de last niet zijn meegenomen. Volgens Europees recht moet een dwangsom doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend zijn. Vooral de doeltreffendheid verdient aandacht.
Een last onder dwangsom bestaat uit de volgende aspecten:
De herstelmaatregel moet zo geformuleerd zijn dat de overtreder voldoende vrijheid heeft om te bepalen hoe hij aan de last voldoet. Tegelijkertijd moet de last concreet zijn, zodat de overtreder duidelijk weet wat er van hem verwacht wordt (ECLI:NL: RVS:2020:169). De last mag niet verder strekken dan het treffen van de minst bezwarende maatregel (ECLI:NL: RVS: 2022:397). Omgekeerd mag een last ook niet zo geformuleerd zijn dat, wanneer aan de last is voldaan, de overtreding niet is beëindigd (ECLI:NL: RBGEL:2023:353).
De last onder dwangsom bevat een begunstigingstermijn. Dit is de periode waarin de overtreder de mogelijkheid heeft om de situatie te herstellen zonder dat de dwangsom verbeurd raakt. De begunstigingstermijn mag niet langer zijn dan noodzakelijk om de overtreding op te heffen (ECLI:NL: RVS: 2015:3891) of om te legaliseren. Wanneer de overtreding onmiddellijk kan worden beëindigd, is een begunstigingstermijn niet vereist, maar kan dit wel wenselijk zijn (ECLI:NL: RVS:1997: AH7216). Tot slot moet worden opgemerkt dat ook bij zicht op legalisatie niet altijd kan worden afgezien van handhaving (ECLI:NL: RVS: 2022:800).
Indien naleving van de regels afhankelijk is van een vergunning van een ander bevoegd gezag, moet de begunstigingstermijn worden afgestemd met dat andere gezag (ECLI:NL: RVS:2018:3952 en ECLI:NL: RVS:2019:169). De last onder dwangsom kan namelijk leiden tot de legalisatie van de vergunningplichtige activiteit.
Sommige lasten worden geformuleerd als "vier weken na het besluit dient voldaan te worden aan...". Dergelijke lasten zonder specifieke datum beginnen te lopen de dag na het nemen van het besluit (ECLI:NL: RVS: 2016:3388). Het is duidelijker voor de overtreder om een concrete datum te benoemen, wat dan ook de voorkeur heeft. Bij herhalende overtredingen is een begunstigingstermijn niet noodzakelijk (ECLI:NL: RVS:2011: BP1330).
Als een last onder dwangsom is opgelegd en de begunstigingstermijn niet kan worden nageleefd, mag het bevoegd gezag deze termijn voor het einde ervan verlengen of na het verstrijken van de termijn een nieuwe opleggen, mits er nog geen dwangsom is verbeurd (ECLI:NL: RVS:2013:1829).
In de last onder dwangsom moet duidelijk worden opgenomen wat er gebeurt na het verstrijken van de begunstigingstermijn, namelijk of de dwangsom ineens, per tijdseenheid of per overtreding verbeurd wordt. Als richtlijn geldt dat een dwangsom per tijdseenheid vaak wordt opgelegd bij voortdurende overtredingen. Voor ernstige overtredingen kiezen we voor een eenmalige dwangsom, zodat herhaling of langdurige overtredingen niet worden toegestaan. Een dwangsom per overtreding komt vaak voor bij gedragsovertredingen. Wanneer gekozen wordt voor verbeuring per (geconstateerde) overtreding, wordt een passage opgenomen waarin een sub maximum per tijdseenheid wordt vastgesteld. Dit voorkomt dat de overtreder binnen een korte periode (bijvoorbeeld een uur) geconfronteerd wordt met meerdere verbeurde dwangsommen. De tijdseenheid is afhankelijk van het type overtreding.
Ongeacht welke verbeuring wordt gekozen, moet de last ook het maximale bedrag bevatten. De hoogte van de dwangsom hangt af van de ernst van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom.
De bestuursrechter hanteert een bestuurlijke afweging voor de hoogte van de dwangsom, wat impliceert dat er een terughoudende toetsing plaatsvindt (ECLI:NL: RVS:2017:1100). Het is aan de overtreder om aan te tonen waarom een last onevenredig hoog zou zijn in de rechtsprocedure naar aanleiding van de last (ECLI:NL: RVS: 2019:2609).
Deze richtlijn is niet van toepassing op Seveso-inrichtingen waarvoor de gedeputeerde staten van de provincie Zeeland het bevoegd gezag zijn.
Om consistent en stelselmatig te werken, stellen we in de tabel voor veelvoorkomende overtredingen vooraf bedragen en termijnen vast. Deze leidraad is niet uitputtend. Afwijkingen van de genoemde bedragen en termijnen, zowel naar boven als naar beneden, zijn altijd mogelijk, mits gemotiveerd, op basis van de ernst en omvang van de overtreding of de financiële draagkracht van de overtreder. Afwijkingen van de termijnen zijn ook mogelijk als specifieke omstandigheden dit rechtvaardigen.
Afwijkingen van de beleidsregel zijn mogelijk en zelfs verplicht als de omstandigheden van het geval, zowel op zichzelf als in combinatie met andere omstandigheden, worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden die het handelen volgens de beleidsregel onevenredig zouden maken in verhouding tot de te dienen doelen (ECLI:NL: RBDHA:2022:6663).
In de regel zullen we de termijnen en bedragen aanhouden zoals opgenomen in de tabel, tenzij de specifieke omstandigheden van het concrete geval aanleiding geven om hiervan af te wijken. Dit laat onverlet dat in het voortraject, om te komen tot een last onder dwangsom, andere termijnen kunnen worden gehanteerd om cumulatie van lange termijnen te voorkomen.
Bij het vaststellen van de hoogte van de dwangsommen houden we rekening met de gevolgen van overtredingen, die volgens de LHSO in de volgende gradaties zijn ingedeeld:
Onder gevolgen verstaan we ook dreigende gevolgen, dat wil zeggen als de overtreding (mogelijk) leidt tot nadelige effecten voor de fysieke leefomgeving, zoals hinder, schade aan beschermde waarden (zoals milieu, natuur of erfgoed), verontreiniging, zieken, gewonden of doden (mens, plant en dier). Daarnaast kunnen de gevolgen betrekking hebben op situaties die de mogelijkheden voor controle beperken of onmogelijk maken, en de verstorende effecten die de overtreding kan hebben op het gezag van de overheid of het systeem van ordening en normering binnen de betrokken bedrijfstak. Bij gevolgen is er sprake van een glijdende schaal en de ernst van de gevolgen kan per type overtreding verschillen. Het onderscheid tussen gevolgen van belang en aanzienlijke gevolgen is vooral gebaseerd op de ernst en omvang van de (dreigende) schade. Schade van enige omvang die onomkeerbaar is, wordt in beginsel als aanzienlijk ingeschat.
Naast de gevolgen zijn ook de omvang van de onderneming en haar activiteiten, de ernst van de milieuschade, de mate van overlast, de vereiste investeringen, de rechtsvorm, het kapitaal, de draagkracht, het aantal werknemers, de omzet en de winst van de onderneming relevant voor het bepalen van de hoogte van de dwangsom. Deze aspecten kunnen niet in de leidraad worden opgenomen, omdat ze altijd afhangen van de specifieke omstandigheden van het geval.
De bedragen die in de tabel van deze leidraad zijn opgenomen, zijn gebaseerd op een gemiddeld mkb-bedrijf of bouwproject. Voor kleinere bedrijven, natuurlijke personen of bouwprojecten kunnen de genoemde bedragen worden verlaagd, terwijl ze voor grotere ondernemingen kunnen worden verhoogd (ECLI:NL: RVS:2022:321). Al verkregen financieel voordeel mag niet worden meegenomen bij het vaststellen van de hoogte van de last onder dwangsom (ECLI:NL: RVS:2011: BP7185). Daarnaast mag een dwangsom niet zo laag worden vastgesteld dat er geen prikkel tot naleving ontstaat. Dergelijke dwangsommen zijn niet effectief en kunnen niet deugdelijk worden gemotiveerd, zoals bedoeld in artikel 3:46 Awb (ECLI:NL: RVS:2006:AZ1263).
De jaaropbrengst kan ook worden gebruikt om de hoogte van de dwangsom te bepalen (ECLI:NL: RVS: 2022:334). Voor bouwprojecten kan de bouwsom als referentie dienen. In bijlage 2 is een rekenmethodiek opgenomen die kan worden toegepast voor onder toezicht staande bedrijven die financieel zeer draagkrachtig zijn of waarbij het vermoeden bestaat dat dit het geval is. De jaarrekening kan op basis van de algemene bevoegdheden uit hoofdstuk 5 van de Awb door toezichthouders worden opgevraagd.
In dit beleid hanteren we voor financieel draagkrachtige ondernemingen de indeling uit het Burgerlijk Wetboek, boek twee. Het betreft ondernemingen zoals genoemd in artikel 397 BW2 en groter. Er moet aan twee van de drie criteria worden voldaan om in een bepaalde categorie te vallen, en de rekenmethodiek wordt alleen toegepast bij middelgrote en grote ondernemingen.
Tabel 5.1 overzicht van de categorieën ondernemingen
De termijn moet in ieder geval redelijk zijn, wat inhoudt dat het redelijkerwijs mogelijk moet zijn om binnen de gestelde termijn aan de last te voldoen. Daarnaast moet de hoogte van de dwangsom in redelijke verhouding staan tot de ernst van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom. In de praktijk betekent dit dat de dwangsom een voldoende prikkel moet bieden om de last uit te voeren.
De ernst van de ene overtreding kan in een specifiek geval anders gewogen worden dan die van een andere overtreding, ook al valt deze onder dezelfde categorie in de tabel. Bovendien kan het zijn dat voor vermogende bedrijven de hoogte van de dwangsom anders dient te zijn dan voor een kleine zelfstandige, rekening houdend met de beoogde werking van de dwangsom (prikkel).
Tabel 5.2: overzicht van overtreding met bijbehorende begunstigingstermijn, hoogte dwangsom, per overtreding/per tijdseenheid en het maximum bedrag.
2 Rekenmethodiek dwangsomhoogte financieel krachtige bedrijven
Totale dwangsomhoogte = (a+b) *0,5*factor LHSO
20% van de jaaromzet is een winstpercentage waar bedrijven veelal naar streven. Goede geleide bedrijven bezitten veelal de helft van de activa als vreemd vermogen. Dit vermenigvuldigt met de wettelijke rente (11,15%, peildatum 1/1/2025) geeft inzicht in de liquiditeit.
Het gemiddelde van de eerder vastgestelde bedragen geeft een goed inzicht in de financiële draagkracht voor investeringen van een bedrijf.
Afhankelijk van de gevolgen van overtredingen, volgens de LHSO getypeerd in de gradatie van vrijwel nihil, beperkt, van belang of aanzienlijk vindt demping plaats van de dwangsomhoogte.
Een bedrijf heeft een omzet van €7.500.000. Dan is a €7.500.000 * 0,20 = €1.500.000. De Totale activa bedraagt €15.000.000 en de wettelijke rente bedraagt 11,15%. b is dan €15.000.000 * 0,5 * 0,1115 = €836.250. Het gemiddelde bedraagt €1.500.000 + €836.250 * 0,5 = €1.168.125. De overtreding die begaan is, is van belang, wat een LHSO factor geeft van 0,5. De totale mogelijke dwangsomhoogte die een prikkel geeft om tot naleving over te gaan komt dan uit op €584.063 (€1.168.125 * 0,5). Dit bedrag geldt als richtwaarde en wordt dan verdeeld over het aantal verbeuringen.
Probleem- en risicoanalyse 2025
Deze bijlage bevat een overzicht van gezamenlijke prioriteiten binnen het vakgebied vergunningverlening en handhaving. De analyse van knelpunten en de vaststelling van prioriteiten zijn tot stand gekomen door middel van expertmeetings.
Tijdens deze bijeenkomsten, die zijn georganiseerd op basis van de indeling van de fysieke leefomgeving binnen de Omgevingswet, hebben experts verschillende problemen benoemd. Deze problemen zijn vervolgens beoordeeld op hun ernst en hun impact op de maatschappelijke doelen uit de U&H-strategie.
Aan de expertmeetings hebben de volgende organisaties deelgenomen:
Tabel 5.4: overzicht van gezamenlijke prioriteiten binnen het vakgebied vergunningverlening
Tabel 5.5: overzicht van gezamenlijke prioriteiten binnen het vakgebied handhaving
Protocol Casemanagement Omgevingswet
Het Protocol casemanagement is opgesteld door de werkgroep Casemanagement in opdracht van het Regieteam Zeeuws U&H-beleid.
1. Aanleiding en noodzaak protocol casemanagement.
“Casemanagement is het belangrijkste instrument bij integraal werken”.
In Zeeland zijn veel overheidsinstanties betrokken bij de wetgeving die toeziet op de fysieke leefomgeving. De Zeeuwse gemeenten en de provincie Zeeland werken samen met het Waterschap Scheldestromen, Rijkswaterstaat, de GGD, de Veiligheidsregio Zeeland (VRZ), de Regionale Uitvoeringsdienst (RUD) Zeeland en de DCMR Milieudienst Rijnmond aan de U&H-taken uit de Omgevingswet en andere relevante wetgeving. Deze partijen voeren verschillende vergunnings-, toezicht- en handhavingstaken uit, gezamenlijk aangeduid als U&H-partijen of ketenpartners.
Om als één overheid naar inwoners en bedrijven te handelen, is er een grote behoefte aan onderlinge afstemming en coördinatie. De invulling van de één-loketgedachte voor inwoners en bedrijven is nog niet optimaal. Inwoners en bedrijven ervaren vaak te veel verschillende loketten voor zowel vergunningverlening als toezicht en handhaving. Het nemen van integrale en samenhangende besluiten is een uitdaging voor de bevoegde gezagen, gezien de vele interne en externe vakdisciplines, en verloopt soms moeizaam. Dit vraagt om professioneel casemanagement.
Momenteel ontbreekt het aan één protocol voor de betrokken partijen dat het begrip casemanagement uitlegt en een duidelijke werkwijze biedt voor een eenduidige toepassing.
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 wordt het werken als één loket en het integraal beoordelen van vergunningaanvragen en meldingen een wettelijk vereiste. Ook het integraal uitvoeren van toezicht- en handhavingstaken is verplicht. Dit blijkt uit de doelstellingen van de wet en is terug te zien in verschillende wettelijke voorschriften, zoals coördinatie- en doorzendplichten en de verplichte integrale belangenafweging.
De uitgangspunten voor integraal werken en de één-loketgedachte vereisen goed casemanagement. Dit wordt ook onderschreven in de nota en strategie van het U&H-Beleid Zeeland 2025, waaraan de betrokken overheidsinstanties in Zeeland zich hebben gecommitteerd.
De inzet van een casemanager leidt tot duidelijke afspraken en verwachtingen tussen alle U&H-partijen en andere stakeholders, wat resulteert in een volledig, integraal en tijdig verlopend U&H-proces.
Dit protocol beschrijft hoe casemanagement op een adequate en eenduidige wijze invulling geeft aan de één-loketgedachte voor vergunningverlening, toezicht en handhaving (U&H-taken) in Zeeland. Het vertrekpunt is het U&H-Beleid Zeeland 2025.
De doelstelling is het opstellen van een advies en protocol voor de Zeeuwse gemeenten, de provincie Zeeland, het Waterschap Scheldestromen, Rijkswaterstaat (RWS), de GGD, de Veiligheidsregio Zeeland (VRZ), de Regionale Uitvoeringsdienst (RUD) Zeeland en de DCMR. Dit document bevat afspraken, voorschriften en bruikbare instrumenten die aangeven hoe casemanagement de uitvoering van U&H-taken ondersteunt. Hierbij wordt onder andere gekeken naar (horizontale) verantwoordelijkheden: wie is de zaakeigenaar wanneer meerdere afdelingen, bevoegde gezagen, gemandateerde partijen en externe organisaties betrokken zijn? Hoe organiseer je dit en hoe vind je elkaar? Casemanagement kan worden belegd bij het bevoegd gezag of bij een gemandateerde partij.
Dit protocol bevordert een eenduidige invulling en uitvoering van het begrip casemanagement. Casemanagement waarborgt een goede samenwerking tussen ketenpartners bij de uitvoering van U&H-taken en zorgt ervoor dat de ‘klant’ de één-loketgedachte en een samenwerkende overheid ervaart die samenhangende besluiten neemt.
Met het protocol geven we praktische invulling aan casemanagement, zoals neergelegd in het U&H-Beleid Zeeland 2025. De werkgroep gaat ervan uit dat het protocol casemanagement, inclusief de bijbehorende instrumenten en methoden, bij alle U&H-processen en vraagstukken onder de Omgevingswet wordt toegepast.
Het protocol casemanagement U&H beschrijft de rol van de casemanager en hoe hij/zij (samen) werkt. Het biedt echter geen gedetailleerde richtlijnen over hoe elke partij het casemanagement binnen de eigen organisatie moet inrichten. Iedere organisatie heeft de vrijheid om dit zelf te organiseren, mits zij voldoen aan de Zeeuwse uitgangspunten van ‘casemanagement’.
De relevante wet- en regelgeving waarmee de casemanager te maken heeft, is terug te vinden in bijlage 1 van het protocol casemanagement U&H. Daarnaast zijn de mogelijkheden binnen een U&H-zaaksysteem, het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) en de samenwerkingsfunctionaliteit van cruciaal belang voor de uitwerking en implementatie van casemanagement. Het DSO biedt momenteel nog geen mogelijkheid om bij een aanvraag te zien welke andere onderdelen er zijn voor andere bevoegde gezagen, waardoor het vormgeven van integraal casemanagement een uitdaging vormt. Daarnaast constateren we dat er veel raakvlakken zijn met ruimtelijke ordening, waar case-management ook een belangrijke rol kan spelen. Gezien onze opdracht beperken we ons echter tot de U&H-keten.
Van intern casemanagement naar integraal casemanagement
Het casemanagement binnen de verschillende organisaties is momenteel divers ingericht.
Als werkgroep baseren we ons, gezien de bovenstaande knelpunten, op zowel intern als integraal casemanagement:
Intern casemanagement: Dit houdt in dat casemanagement plaatsvindt binnen de eigen organisatie. De casemanager voert strakke regie over alle betrokken vergunningverleners en adviseurs binnen deze organisatie. Daarnaast zorgt de casemanager voor horizontale afstemming met betrokken partijen. In dit geval is de casemanager echter niet het aanspreekpunt namens de andere partijen of organisaties richting de initiatiefnemer.
Integraal casemanagement: Een integraal casemanager coördineert ook voor externe partijen. Hij of zij heeft een overzicht van het geheel en fungeert als aanspreekpunt voor alle betrokken partijen en organisaties richting de initiatiefnemer. Idealiter heeft integraal casemanagement altijd de voorkeur. Dit type casemanagement voert de regie over alle onderdelen, zelfs wanneer er meerdere bevoegde gezagen zijn die besluiten moeten nemen of toezicht en handhaving moeten uitvoeren.
3. Wat wordt verstaan onder casemanagement
Casemanagement is een generieke deskundigheid die een brede expertise vereist van de persoon die deze taak vervult. Voor de integrale benadering van klantvragen is casemanagement opgenomen als het eerste deskundigheidsgebied in de landelijke Kwaliteitscriteria 3.0 (Omgevingswet). Recentelijk zijn er ook kwaliteitscriteria toegevoegd met betrekking tot competentieprofielen, waarin de functie van casemanager is opgenomen.
De nieuwe competentieprofielen bestaan uit vijf verschillende onderdelen:
De competenties omvatten onder andere omgevingsbewustzijn, het vermogen om te verbinden, bestuurlijke sensitiviteit, integraal (samen)werken en verantwoordelijkheid nemen.
Goed casemanagement is primair in het belang van de klant, maar het is ook cruciaal voor de effectieve uitvoering van taken door verschillende partijen. Het draagt bij aan het verkorten en transparant maken van procedures, voorkomt mogelijke bezwaren en beroep, en verhoogt daarmee de kwaliteit en het dienstverleningsniveau.
Dit protocol beschrijft de deskundigheid van casemanagement en de wijze waarop deze in de praktijk kan worden toegepast. Voor een eenduidige toepassing van casemanagement is het belangrijk dat betrokkenen een helder beeld hebben van wat casemanagement inhoudt.
De landelijke kwaliteitscriteria specificeren welke activiteiten onder casemanagement vallen volgens de omgevingswet, welke eisen aan een casemanager worden gesteld en welke eisen gelden voor de organisatie waarin casemanagement wordt uitgevoerd. In dit protocol zijn de U&H-kwaliteitscriteria leidend, en we zullen deze waar nodig verduidelijken en concretiseren.
Casemanagement (bron kwaliteitscriteria 3.0)
Een ervaren integraaldenkende en omgevingsbewuste medewerker beoordeelt bij de intake per geval of er sprake is van een complexe of eenvoudige situatie.
De kwaliteitscriteria schetsen een beeld van casemanagement als de eerste stap in de uitvoering van U&H-taken. In de afgelopen jaren hebben verschillende bevoegde gezagen en gemandateerde partijen al gewerkt met het principe van casemanagement. Deze ervaring heeft aangetoond dat het principe ook effectief kan worden ingezet bij toezicht en handhaving.
Taken en verantwoordelijkheden
Integraal werken is een vereiste volgens de Omgevingswet. Om een (aan)vraag, toezichts- of handhavingszaak integraal te behandelen, moet deze vanuit alle relevante beleidsvelden worden bekeken. Daarnaast heeft de klant behoefte aan één duidelijk aanspreekpunt.
De casemanager vervult deze cruciale rol. Hij of zij is het centrale aanspreekpunt (loket) voor de aanvrager, melder of overtreder. De casemanager is verantwoordelijk voor de integrale afhandeling van de aanvraag of zaak en houdt toezicht op de procesgang en de kwaliteit van het te leveren product of de dienst. De casemanager vervult een centrale rol en heeft de volgende taken:
De casemanager kan nooit, en zeker niet zonder formele bevoegdheden, taken op zich nemen van een ander overheidsorgaan waarvoor hij of zij niet werkzaam is.
Casemanagement is een generieke deskundigheid die van toepassing is in zowel eenvoudige als complexe situaties. Een medewerker met een HBO-niveau beoordeelt per klantvraag of initiatief of het gaat om een complexe of eenvoudige situatie. Hiervoor maken we gebruik van de vier kwadranten zoals beschreven in de vergunningenstrategie.
Eenvoudige dossiers kunnen worden behandeld door een casemanager met een MBO-niveau, terwijl complexe dossiers in handen zijn van een casemanager met een HBO-niveau. Deze uitwerking is vastgelegd in de Kwaliteitscriteria 3.0, waarin ook eisen worden gesteld met betrekking tot werkervaring, aanvullende kennis en de frequentie van de werkzaamheden. Voor meer details verwijzen we naar tabel 1 en tabel 2.
Tabel 1: kwaliteitscriteria 3.0 medewerkers casemanagen
Tabel 2: kwaliteitscriteria 3.0 organisatie casemanagen
4. Wie verzorgt het casemanagement?
De U&H-taken in Zeeland worden uitgevoerd door verschillende ketenpartners, waaronder provincie Zeeland, gemeenten, waterschap Scheldestromen, RUD Zeeland, DCMR, Rijkswaterstaat, Veiligheidsregio Zeeland (VRZ) en de GGD. Het casemanagement kan binnen al deze partijen worden uitgevoerd. Elke partij voert intern casemanagement uit voor de onderdelen waarvoor zij bevoegd of gemandateerd is. Wanneer meerdere partijen betrokken zijn, is het wenselijk dat, naast het interne casemanagement, één casemanager naar voren treedt. Deze casemanager coördineert en stroomlijnt de verschillende onderdelen van de betrokken partijen. Hij of zij heeft het overzicht en fungeert als aanspreekpunt voor alle betrokken partijen en organisaties richting de initiatiefnemer. In deze situatie spreken we van integraal casemanagement. Het zwaartepunt van de betreffende aanvraag of zaak bepaalt waar het integraal casemanagement wordt uitgevoerd. Ketenpartners moeten onderling vaststellen waar dit zwaartepunt ligt, wat gebeurt bij de intake of aanvang van een aanvraag of zaak.
“In een wereld zonder afspraken over casemanagement”
Op de online PZC verschijnt een filmpje van een oude toren die -onder professionele begeleiding- wordt opgeblazen. Het ziet er spectaculair uit. Diezelfde dag belt een Natuurbeschermingsvereniging naar de provincie met de vraag: wat is er geregeld voor de vleermuizen die in de toren huisden? De medewerker natuurbescherming onder de Omgevingswet (hoofdstuk 11 Bal) bij de provincie, die bevoegd gezag is voor deze wetgeving, weet niets van de sloop van de toren. Er is geen vergunning (artikel 5.1 Ow) aangevraagd voor het vernietigen van deze rustplaats voor vleermuizen. De initiatiefnemer heeft wel een sloopmelding (hoofdstuk 7 Bbl) bij de gemeente ingediend. Bij de sloop van zo’n oude toren is de kans groot dat er beschermde soorten aanwezig zijn. Daar had de initiatiefnemer op gewezen moeten worden. Na een belronde blijkt dat de gemeente de behandeling van sloopmeldingen heeft gemandateerd aan de omgevingsdienst. De gemeente gaat ervanuit dat de omgevingsdienst dan ook inventariseert of er andere zaken geregeld moeten worden dan het indienen van de sloopmelding. Andersom geeft de omgevingsdienst aan uitsluitend gemandateerd te zijn voor het onderdeel sloopmelding en gaat ervanuit dat de gemeente zelf advies geeft over overige zaken. Uiteindelijk heeft niemand aan de initiatiefnemer aangegeven dat hij maatregelen voor de vleermuizen moest treffen. Met goed casemanagement kunnen we dit in de toekomst voorkomen.
Intern casemanagement in eigen organisatie
Wanneer er één of meerdere aanvragen of zaken zijn die binnen één partij worden behandeld, zetten we uitsluitend intern casemanagement in. Aangezien er in dit geval geen onderdelen van andere partijen spelen, is afstemming met deze partijen niet nodig. De casemanager stroomlijnt het U&H-proces binnen de eigen organisatie. Het kan echter nodig zijn om afdeling overstijgend te werken. De taken en verantwoordelijkheden, zoals opgesomd in hoofdstuk 3, zijn ook van toepassing op intern casemanagement. Wanneer er meerdere aanvragen of zaken zijn die door verschillende partijen behandeld worden, is afstemming met casemanagers van die andere partijen noodzakelijk. In dit geval vindt er horizontaal overleg plaats tussen de betrokken partijen, zodat de processen waar mogelijk op elkaar afgestemd kunnen worden. De interne casemanager fungeert in deze situatie als het aanspreekpunt richting de initiatiefnemer namens de eigen organisatie.
Omdat bij alle ketenpartners de basis op orde moet zijn, dient elke partij eerst intern casemanagement te implementeren. Dit betreft de groen omkaderde figuur in figuur 1. Van de casemanagers van verschillende bevoegde gezagen en gemandateerde partijen wordt verwacht dat zij onderling afstemming zoeken wanneer dat nodig is voor de behandeling van een zaak of aanvraag.
Figuur 1: Intern casemanagement met horizontale communicatielijnen
NB. Zodra het technisch en organisatorisch mogelijk is, zou het horizontale overleg vervangen moeten worden door integraal casemanagement.
Integraal casemanagement bij meerdere partijen
Wanneer er meerdere aanvragen of zaken zijn die door verschillende ketenpartners worden behandeld, is afstemming tussen deze partijen noodzakelijk. In dit geval is, naast intern casemanagement, ook integraal casemanagement van toepassing. Een integraal casemanager kijkt verder dan de grenzen van de eigen organisatie.
In figuur 2 wordt de horizontale lijn uit figuur 1 verder toegelicht. Hier is sprake van een aanvraag of zaak waarbij meerdere bevoegde gezagen of gemandateerde partijen betrokken zijn.
De integraal casemanager fungeert in dit geval als de ‘eigenaar’ van alle onderdelen van de aanvraag of zaak.
De integraal casemanager kan echter nooit, en zeker niet zonder formele bevoegdheden, taken op zich nemen van een ander overheidsorgaan waarvoor hij of zij niet werkzaam is. Wanneer besluitvorming over andere wet- en regelgeving aan de orde is en deze is bij een andere overheid belegd, blijft de interne casemanager van die partij voor dat onderdeel formeel het bevoegde gezag, tenzij anders bepaald (bijvoorbeeld door delegatie of mandatering).
Voor deze onderdelen ligt het vooral in de verantwoordelijkheid van de integraal casemanager om de voortgang en integraliteit te bewaken en informatie uit te wisselen met de interne casemanagers van de andere bevoegde gezagen en/of gemandateerde partijen of organisaties. Indien mogelijk coördineert de integraal casemanager ook eventuele adviesverzoeken.
Daarnaast is de integraal casemanager verantwoordelijk voor het samenbrengen van de resultaten van de doorlopen fase. Het is van groot belang dat de integraal casemanager voortdurend alert is op het juiste moment en de juiste partijen of organisaties waarmee moet worden samengewerkt.
Figuur 2: Integraal casemanagement met casemanager tussen aanvrager en bevoegde gezagen
5. Casemanagement in alle stadia van de U&H-keten
In dit hoofdstuk werken we per onderdeel van de U&H-keten een stappenplan uit voor de casemanager. We beginnen met het vooroverleg, waarna we de vergunningaanvraag behandelen en afsluiten met de handhaving. Elk onderdeel bevat een toelichting op het proces, gevolgd door een samenvatting van het stappenplan.
Tijdens het vooroverleg onderzoekt de casemanager samen met de ‘klant’ de mogelijkheden en de betrokken partijen. De uitdaging hierbij is om naast de taken van de Omgevingswet ook andere relevante aspecten in overweging te nemen, zodat we de één-loketgedachte kunnen realiseren.
In het onderstaande stappenplan zijn de werkzaamheden voor het vooroverleg verder uitgewerkt.
Stappenplan voor een casemanager bij vooroverleg
Dit stappenplan is bedoeld voor zowel interne als integrale casemanagers. Intern casemanagement betreft het casemanagement binnen de eigen organisatie, terwijl integraal casemanagement betrekking heeft op samenwerking met meerdere ketenpartners. Waar mogelijk heeft integraal casemanagement altijd de voorkeur.
Als casemanager volg je altijd de stappen voor intern casemanagement. De dikgedrukte tekst is specifiek voor de integrale casemanagers.
Start bij het eerste contact met de overheid:
Bij betrokkenheid van meerdere bevoegde gezagen wordt in onderling overleg bepaald bij welke organisatie het zwaartepunt ligt. Deze organisatie neemt de verantwoordelijkheid voor het integraal casemanagement. Bij het bepalen van het zwaartepunt worden zowel technisch-inhoudelijke als sociaal-maatschappelijke aspecten in overweging genomen, waarbij ook politieke gevoeligheid een rol kan spelen.
Inventariseren van betrokken partijen: De casemanager inventariseert welke partijen betrokken zijn bij het initiatief of een adviesrol vervullen. Hij of zij zorgt voor afstemming met deze partijen. Zie onder andere de samenwerkingsmatrix in bijlage 3 voor informatie over wanneer welke partij betrokken moet worden.
Regie voeren: De casemanager houdt strakke regie over het proces, zodat alle betrokken partijen binnen de eigen organisatie zich houden aan de procesafspraken. Indien nodig coördineert hij of zij verzoeken om aanvullingen met de adviseurs van de verschillende aspecten. Een integraal casemanager doet dit ook voor externe partijen. Daarnaast heeft hij of zij het overzicht en fungeert als aanspreekpunt namens alle betrokken partijen voor de initiatiefnemer.
Een vooroverleg leidt niet altijd direct tot een aanvraag. Wanneer dit wel het geval is, geldt als uitgangspunt dat dezelfde persoon die als casemanager fungeert tijdens het vooroverleg, ook de casemanager blijft tijdens de aanvraag.
Wanneer het traject vooroverleg is afgerond en de initiatiefnemer een vergunningaanvraag indient, start het casemanagement voor vergunningverlening. Het is belangrijk om bij de behandeling van een vergunningaanvraag of melding eerst te bepalen of het gaat om een eenvoudige of complexe situatie. Hiervoor kan aansluiting worden gezocht bij de vier kwadranten, zoals beschreven in de Vergunningenstrategie (zie bijlage 2 voor een visueel overzicht van de vier kwadranten).
De wijze waarop ketenpartners invulling geven aan casemanagement is sterk afhankelijk van het kader waarin de vergunningaanvraag wordt beoordeeld. Het U&H-beleid maakt hierbij onderscheid op basis van:
Op basis van deze indicatoren bepaalt de betrokken partij of aanvragen technisch-inhoudelijk of sociaal-maatschappelijk eenvoudig of complex zijn. Aanvragen kunnen worden onderverdeeld in vier typen vergunningen.
Een vergunning voor een situatie met geringe technisch-inhoudelijke en sociaal-maatschappelijke complexiteit bestaat voornamelijk uit standaardvoorschriften. Dit betreft een niet-gevoelig besluit, dat is opgebouwd uit standaardvoorschriften.
Eenvoudige situaties kunnen onder andere zijn: een enkelvoudige aanvraag omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, een melding op basis van de Wkb, een milieumelding of informatieplicht voor een kleine wijziging.
Wanneer de situatie technisch-inhoudelijk niet complex is, maar sociaal-maatschappelijk wel, bestaat de vergunning vooral uit standaardvoorschriften. In dit geval besteden we extra aandacht aan afstemming, overleg en samenwerking tussen betrokken partijen en organisaties. Dit betreft een gevoelig besluit, met standaardvoorschriften.
Bij een technisch-inhoudelijk complexe situatie met een geringe sociaal-maatschappelijke complexiteit bestaat de vergunning voornamelijk uit specifieke voorschriften. Dit is een niet-gevoelig besluit, maar met specifieke voorschriften.
In situaties die zowel technisch-inhoudelijk als sociaal-maatschappelijk complex zijn, vereisen we specifieke voorschriften in de vergunning. Dit vraagt om zorgvuldige afstemming, samenwerking en overleg tussen betrokken partijen en organisaties. Dit betreft een gevoelig besluit, met specifieke voorschriften.
De mate van technisch-inhoudelijke of sociaal-maatschappelijke complexiteit is bepalend voor de invulling van het casemanagement. Casemanagement is een generieke deskundigheid die in essentie gericht is op het managen van één of meerdere aanvragen of meldingen, en op het bewaken van de integraliteit en procesgang.
De combinatie van casemanager en vakspecialist kan een dubbelrol inhouden voor de betreffende medewerker. In deze rol moet de casemanager zowel vakinhoudelijke werkzaamheden verrichten als de procesbewaking van de gehele integrale case verzorgen (zie figuur 2) breedtekennis is het noodzakelijk dat deze persoon ook dieptekennis heeft van bijvoorbeeld PGS-richtlijnen of het Bouwbesluit.
Figuur 3: voorbeeld eenvoudige situatie. Meerdere toestemmingen of adviezen binnen één partij. Intern case-management van toepassing.
Figuur 4: voorbeeld complexe situatie. Meerdere toestemmingen of adviezen bij diverse partijen. Integraal casemanagement van toepassing.
Een aanvraag of initiatief kan als complex worden aangemerkt wanneer er meerdere vergunning-plichtig onderdelen, overheidsorganen of in- of externe adviseurs (inclusief andere overheidsorganen) bij betrokken zijn. Ook aanvragen of initiatieven met ingrijpende gevolgen voor de fysieke leefomgeving, of die bestuurlijk of politiek gevoelige gevolgen hebben, kunnen als complex worden beschouwd. In complexe situaties ligt de focus van de casemanager op de integrale behandeling en procesbewaking, waarbij hij of zij minder betrokken is bij de inhoudelijke beoordeling (zie figuur 4).
Voorbeelden van complexe situaties zijn het volledig nieuw oprichten (bouwen) van een groot bedrijf met mogelijke effecten op de omgeving, de aanleg van een nieuw wegtracé of de ontwikkeling van een nieuwe haven.
De casemanager controleert of er sprake is geweest van participatie. De weging van participatie valt echter buiten de rol van de casemanager en ligt bij de inhoudelijk beoordelaar, meestal de vergunningverlener.
In het schema wordt het proces van casemanagement bij vergunningverlening schematisch weergegeven in figuur 5.
Figuur 5: Proces casemanagement bij vergunningverlening
Stappenplan voor een casemanager bij een vergunningaanvraag
Dit stappenplan is bedoeld voor zowel interne als integrale casemanagers. Intern casemanagement betreft het casemanagement binnen de eigen organisatie, terwijl integraal casemanagement betrekking heeft op samenwerking met meerdere ketenpartners. Waar mogelijk heeft integraal casemanagement altijd de voorkeur. Wanneer je als casemanager optreedt, volg je altijd de stappen die voor intern casemanagement gelden. De dikgedrukte tekst is specifiek van toepassing op de integrale casemanagers.
Bij betrokkenheid van meerdere bevoegde gezagen wordt in onderling overleg vastgesteld bij welke organisatie het zwaartepunt ligt. Deze organisatie neemt de verantwoordelijkheid voor het integraal casemanagement. Bij het bepalen van het zwaartepunt houden we rekening met zowel de technisch-inhoudelijke als de sociaal-maatschappelijke aspecten. Politieke gevoeligheid kan hierbij ook een rol spelen.
Inventariseren van Betrokken Partijen: De casemanager inventariseert welke partijen betrokken zijn bij de besluitvorming over de aanvraag of een adviesrol vervullen. Vervolgens legt de casemanager contacten met deze partijen en stroomlijnt de verschillende procedures. De casemanager zorgt voor horizontale afstemming met de betrokken partijen. Zie onder meer de samenwerkingsmatrix in bijlage 3 voor informatie over wanneer welke partij betrokken moet worden.
Regie Voeren: De casemanager voert strakke regie over de betrokken vergunningverleners en adviseurs binnen de eigen organisatie, zodat zij zich houden aan de gemaakte procesafspraken. Indien nodig coördineert hij of zij verzoeken om aanvullingen en aanvullende aanvragen met de adviseurs van de verschillende aspecten. Een integraal casemanager doet dit ook voor externe partijen en heeft daarnaast het overzicht en fungeert als aanspreekpunt voor alle betrokken partijen richting de initiatiefnemer.
Overdracht naar fase toezicht/handhaving
Casemanagement wordt in de kwaliteitscriteria niet (meer) als functie beschreven, maar het blijft cruciaal voor het gerichter aanpakken van problemen en het verbeteren van de dienstverlening. We willen onder andere voorkomen dat inwoners en bedrijven onnodig vaak gecontroleerd worden. Daarom stemmen we toezichts- en handhavingsacties zoveel mogelijk op elkaar af en voeren we als verschillende instanties of onderdelen van instanties controles bij bedrijven of activiteiten gelijktijdig uit.
Om de deskundigheid van casemanagement eenduidig vorm te geven, is het van belang om bij toezicht en handhaving zoveel mogelijk aansluiting te zoeken bij de uitgangspunten voor casemanagement bij vergunningverlening. De handhavingsstrategie zoals beschreven in het U&H-beleid Zeeland 2025 fungeert hierbij als maatgevend kader.
Casemanagement bij toezicht en handhaving begint bij een klacht, een (on)geplande controle (gezamenlijk toezicht, signaaltoezicht of integraal toezicht) of een overtreding. Bij intern casemanagement blijft de casemanager binnen de organisatie actief, maar het is belangrijk dat er horizontaal niveau afstemming plaatsvindt met de betrokken partijen.
Elke ketenpartner voert zijn eigen beleid en programma voor toezicht en handhaving uit. Wanneer blijkt dat meerdere ketenpartners gelijktijdig bij een zaak betrokken zijn, wordt, indien mogelijk, integraal casemanagement toegepast. De casemanager van de organisatie die de toezichtscontroles plant, weegt dit af, nodigt de andere partijen uit om deel te nemen aan de integrale controle en zorgt voor de nodige afstemming.
Er kunnen meerdere ketenpartners tegelijkertijd betrokken zijn in de volgende situaties:
Bij deze controles kunnen naast de reguliere ketenpartners ook andere partijen betrokken zijn, zoals de belastingdienst, politie, Functioneel Parket en Burgerregistratie personen-ambtenaren.
Bij overtredingen waarbij meerdere instanties of interne afdelingen willen handhaven, werken de casemanagers samen bij de toepassing van de LHSO. De betrokken partijen wisselen informatie uit over de aanpak en het vervolg. Wanneer het efficiënt en/of effectief is, voeren de betrokken partijen (her)controles gezamenlijk uit.
“In een wereld zonder afspraken over casemanagement”
Door de omgevingsdienst is geconstateerd dat er een overtreding is binnen een milieubelastende activiteit (bedrijf). De vergunninghouder is hierop aangeschreven maar de overtreding is nog steeds niet beëindigd. De volgende stap is het opleggen van een dwangsom, waarbij een periode wordt gesteld waarbinnen de overtreding ongedaan gemaakt moet zijn.
Door onderzoek van de vergunninghouder blijkt dat er 1 manier is om de overtreding te beëindigen. Dit betreft het creëren van een uitrit aan de andere kant van zijn inrichting. Uit milieuoogpunt is dit een goede oplossing. Echter op het gebied van ruimtelijke ordening en voor het in gebruik nemen van de uitrit past het niet in het bestaande beleid en voldoet niet aan het Omgevingsplan. En er bestaat geen mogelijkheid om het passend te maken. De vergunninghouder zal dus opnieuw naar een oplossing moeten zoeken en de termijn zal moeten worden verlengd. Indien in vroegtijdig stadium casemanagement was toegepast was de procedure zonder extra inspanning van de vergunninghouder en de betrokken partijen verlopen.
In het schema wordt het proces van casemanagement bij toezicht en handhaving schematisch weergegeven in figuur 6.
Figuur 6: Proces casemanagement bij toezicht en handhaving
Stappenplan voor een casemanager bij toezicht en handhaving.
Dit stappenplan is bedoeld voor zowel interne als integrale casemanagers. Intern casemanagement betreft het beheer van aanvragen binnen de eigen organisatie, terwijl integraal casemanagement gericht is op samenwerking met meerdere ketenpartners. Waar mogelijk heeft integraal casemanagement altijd de voorkeur.
Als casemanager volg je altijd de stappen die voor intern casemanagement gelden. De dikgedrukte tekst is specifiek van toepassing op de integrale casemanagers.
Beoordeling van meerwaarde van Casemanagement: De organisatie die verantwoordelijk is voor toezicht en handhaving beoordeelt of casemanagement meerwaarde biedt wanneer er sprake is van een overtreding of (on)geplande controles en klachten. Deze beoordeling gebeurt aan de hand van de volgende criteria:
Wanneer er meerdere bevoegde gezagen betrokken zijn, wordt vastgesteld bij welke organisatie het zwaartepunt ligt. Deze organisatie neemt de verantwoordelijkheid voor het integraal casemanagement. Bij het bepalen van het zwaartepunt houden we rekening met zowel de technisch-inhoudelijke als de sociaal-maatschappelijke aspecten. Daarnaast kan politieke gevoeligheid ook een rol spelen.
Inventariseren van Betrokken Partijen: De casemanager inventariseert welke partijen betrokken zijn bij toezicht en/of handhaving. Hij of zij legt contacten met casemanagers binnen andere organisaties op horizontaal niveau. Een integraal casemanager doet dit ook met en voor externe partijen. Zie onder meer de samenwerkingsmatrix in bijlage 3.
Procesbewaking: De casemanager houdt het overzicht over de processen en voert strakke regie over alle betrokken adviseurs en organisaties, zodat zij zich houden aan de vastgelegde procesafspraken. Hij of zij controleert structureel de voortgang van de zaak en sluit dit waar nodig kort met de betrokkenen.
Afstemming van Processtappen: Bij waarschuwingen, handhavingsbesluiten en dergelijke zorgt de casemanager ervoor dat deze processen op elkaar zijn afgestemd. De casemanager is in principe het aanspreekpunt voor de inhoudelijke en procesmatige onderdelen van het dossier. Een integraal casemanager doet dit ook met en voor externe partijen. Daarnaast heeft hij of zij het overzicht en fungeert als aanspreekpunt voor alle betrokken partijen.
Beoordeling van Aspecten: De casemanager bevestigt of alle aspecten voldoende zijn behandeld (besluiten zijn genomen op alle onderdelen) en controleert het concept-besluit op tegenstrijdigheden, overlappingen en hiaten. Hij of zij rapporteert hierover aan de betrokken ketenpartners. Een integraal casemanager doet dit ook met en voor externe partijen.
6. Implementatie, borging en evaluatie
Dit protocol dient als handleiding voor de beroepspraktijk. We realiseren ons dat een document van vele pagina’s niet het meest praktische instrument is voor het beantwoorden van korte vragen. Desondanks is ons doel dat alle deelnemers de stappenplannen volgen die in dit protocol zijn beschreven. Deze stappenplannen zijn ontworpen om de implementatie van casemanagement binnen de betrokken Zeeuwse organisaties te vergemakkelijken.
Binnen elk bevoegd gezag dient er een aantal collega's aanwezig te zijn die het gedachtegoed van casemanagement uitdragen. De implementatie van casemanagement kan financiële en personele gevolgen hebben voor de bevoegde gezagen en uitvoeringsorganisaties die tot nu toe nog geen (volledige) invulling hebben gegeven aan casemanagement. Er zijn ook organisaties waarbij de uitvoeringspraktijk al dicht bij de modellen ligt zoals weergegeven. Daarom is het niet mogelijk om een financieel plaatje te maken dat op alle deelnemers van het U&H-beleid van toepassing is.
Voordat het lokale bestuur overgaat tot vaststelling van het beleid, moet er in de ambtelijke lijn een impactanalyse worden uitgevoerd. Deze analyse moet in kaart brengen in hoeverre de bedrijfsvoering moet worden aangepast, inclusief de bijbehorende financiële consequenties.
De naleving van het protocol is primair de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag. Het conformeren aan het beleid en de bijbehorende opdrachten is echter niet vrijblijvend. We maken afspraken met elkaar en als ketenpartner moet je hierop kunnen vertrouwen. Daarom worden de uitkomsten van vervolgopdrachten, waarbij casemanagement een van de onderdelen is, ter besluitvorming voorgelegd aan het Bestuurlijk Overleg Omgevingsrecht (BOOR) om vervolgens door elke deelnemer afzonderlijk te laten bekrachtigen. Op deze manier is de implementatie van casemanagement binnen de betrokken organisaties formeel voldoende geborgd.
Binnen de Big 8-cyclus is evaluatie een wettelijk verplicht instrument13 dat input kan leveren voor het aanpassen van het beleid. De evaluatie van het protocol Casemanagement moet dan ook binnen deze context worden uitgevoerd. Gezamenlijk kan worden bepaald hoe deze evaluatie vorm krijgt, maar deze zal per bevoegd gezag moeten worden uitgevoerd. De rapportage hierover is eveneens een wettelijke verplichting en kan aan het BOOR worden aangeboden.
Daarnaast stellen we in het protocol dat integraal casemanagement ons einddoel is. Dit houdt in dat we op een bepaald moment moeten overstappen van het interne model naar het integrale model. De variabelen die bepalen of het integrale model in de praktijk kan worden ingezet zijn:
Deelnemers zijn afhankelijk van hun ketenpartners om te bepalen of een overstap naar het integrale model mogelijk is, aangezien iedereen een gelijke voortgang in de implementatie moet hebben.
Bijlage 1: Reikwijdte Uit Casemanagement, de reikwijdte.
Het achtergronddocument is een aanvullend document bij de U&H-strategie 2025 van Zeeland. De daarin opgenomen reikwijdte (zie 2.1.5) is ook de reikwijdte voor dit protocol.
Bijlage 3: Samenwerkingsmatrix (deze lijst is niet uitputtend)
(dynamisch document overzicht op hoofdlijnen uit U&H-ketensamenwerking)
[2] omgevingsveiligheid@vrzeeland.nl
Eindverslag inspraakprocedure concept nota Uitvoerings- en Handhavingsbeleid Zeeland 2025-2028
De concept nota Uitvoerings- en Handhavingsbeleid 2025 (provincie Zeeland) heeft van 4 juni 2025 t/m 17 juli 2025 ter inzage gelegen (voor gemeenten t/m 1 september 2025). Ingezetenen en belanghebbenden konden tijdens deze periode hun zienswijze als bedoeld in artikel 3:15 Algemene wet bestuursrecht mondeling of schriftelijk bij de provincie/gemeenten indienen.
Op de volgende pagina zijn de ingekomen zienswijzen weergegeven met daarbij de reactie op de zienswijze(n). De ontvangen zienswijzen geven geen aanleiding tot inhoudelijke aanpassing van het concept Uitvoerings- en Handhavingsbeleid Zeeland 2025-2028.
Onderstaande zienswijze is ingediend door:
Een inwoner ingediend bij de Provincie Zeeland op 10 juni 2025.
Onderstaande zienswijzen zijn ingediend door:
Stichting Zeeuws Platform Stralingsrisico bij het regieteam U&H op 8 augustus 2025.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2025-17538.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.