Beleidsregels externe veiligheid Oostpolder, Groningen

GEDEPUTEERDE STATEN VAN DE PROVINCIE GRONINGEN

 

ARTIKEL I

Op 8 juli 2025 hebben gedeputeerde staten van de provincie Groningen de volgende beleidsregel vastgesteld:

 

1. Inleiding

1.1 Introductie en samenhang met het PIP

De provincie Groningen stelt een Provinciaal InpassingsPlan (PIP) op voor de Oostpolder te Groningen. Voorzien is dat het huidige agrarisch gebied wordt omgevormd tot een industrieterrein dat vooral gericht is op het faciliteren van de energietransitie en hoogwaardige maakindustrie. Dit betekent dat op het industrieterrein ook – op grote schaal - milieugevaarlijke stoffen worden gemaakt, worden opgeslagen en getransporteerd zullen worden. De omgang met gevaarlijke stoffen impliceert een kans op incidenten en daarmee gevaar voor mensen op het industrieterrein en in de omgeving. Daarnaast kunnen incidenten ook negatief van invloed zijn op continuïteit van de diverse functies en activiteiten op het industrieterrein zelf. Het is dan ook belangrijk om grenzen te stellen aan die risico’s die de omgang met gevaarlijke stoffen veroorzaken en binnen en buiten het plangebied een omgeving te creëren waar het verantwoord is om te verblijven en te ondernemen.

 

De te realiseren omgevingsveiligheid staat beschreven in de externe veiligheidsrapportage bij het PIP en is verankerd in de planregels van het PIP. Vanuit het PIP wordt doorverwezen naar de beleidsregels. Het onderhavige document betreft de beleidsregels externe veiligheid voor de ontwikkeling van Oostpolder in de provincie Groningen.

 

De beleidsregels geven niet alleen direct te realiseren beschermingsdoelen. De beleidsregels vragen ook om bij het ontwerp van een risicovolle inrichting, binnen het signaleringsgebied van een windturbine (zone rondom windturbine bepaald door de grootste effectafstand, zie verder rapportage externe veiligheid PIP oostpolder), ‘intelligent te ontwerpen’ zodat de veiligheid geoptimaliseerd wordt. Bij de aanvraag om een vergunning voor die risicovolle installatie, moet het doorlopen ontwerpproces worden gerapporteerd.

 

Om de kwaliteit van de daadwerkelijke invulling en ontwikkeling van Oostpolder te borgen, zal een regieteam worden samengesteld. Het meedenken bij het ‘intelligent ontwerpen’ is één van de taken van het regieteam. De informatie in de externe veiligheidsrapportage én deze beleidsregels is ook bruikbaar voor het regieteam bij het sturing geven aan de ontwikkeling van Oostpolder. Immers bij een beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning maken deze regels, voor zover van toepassing verklaard in het PIP, onderdeel uit van het juridisch toetsingskader (beoordelingsregels).

Ook bij andere gevallen waar het regieteam wordt ingezet kunnen de regels van het PIP en de beleidsregels worden gebruikt bij de uitwerking van het initiatief. Dat vergroot de kans op een optimale inrichting van Oostpolder als geheel en de afzonderlijke bedrijfspercelen in het bijzonder.

 

Deze beleidsregels zijn vastgesteld na het van kracht worden van de Omgevingswet. Omdat het PIP echter in procedure is gebracht vóór het van kracht worden van de Omgevingswet, zijn de beleidsregels gebaseerd op toen geldende wetgeving. Daarom is ook aangesloten bij de terminologie van uit de oude wetgeving. Dat wil zeggen dat de beleidsregels in de basis uitgaan van de begrippen risicovolle inrichting en (beperkt) kwetsbare objecten. Voor wat betreft de risicovolle inrichtingen wordt onder de Omgevingswet gewerkt met risicovolle activiteiten. Dat betreffen de onderdelen van de risicovolle inrichting waar een risico van uit kan gaan. Zowel onder de ‘oude’ wetgeving als onder de Omgevingswet wordt uiteindelijk gestuurd met de risicocontouren doordat de risicocontouren wel altijd vanuit de locatie waar de werkzaamheden of opslag van de gevaarlijke stoffen plaatsvindt is bepaald. Dat is vergelijkbaar met de gronden waar de risicovolle activiteiten plaatsvinden. Daar zit de mogelijkheid om te ordenen met veiligheid. In deze beleidsregels staat de risicovolle inrichting daarom centraal.

 

In het PIP is daarnaast gekozen voor de term hogepopulatieobjecten. Hogepopulatieobjecten zijn delen van gebouwen (meestal zullen dit delen van kwetsbare objecten zijn), waarin grote groepen personen verblijven. Het gebruik van deze definitie maakt het mogelijk de bescherming van personen in gebouwen meer gericht aan te duiden. Dit met inachtneming van de wettelijke normen (zie ook paragraaf 5.2 van de externe veiligheidsrapportage dd. 17 februari 2025 van het PIP).

 

1.2 Opbouw van de beleidsregels

In het volgende hoofdstuk zijn de open normen uit het PIP verder uitgewerkt. Het PIP bevat twee open normen:

  • 1.

    ‘voldoende beschermingsniveau’;

  • 2.

    ‘aanvaardbaar veiligheidsniveau’.

In het PIP zijn de basisregels om aan deze normen te voldoen al uitgewerkt. In de beleidsregels wordt nadere invulling gegeven aan specifieke aspecten. Er wordt uitgegaan van drie situaties waarvoor een omgevingsvergunning is vereist of waar voorwaardelijke verplichtingen zijn gesteld en waarvoor de beleidsregels van toepassing zijn:

  • het realiseren van een nieuwe of het wijzigen van een bestaande risicovolle inrichting;

  • het realiseren van een nieuwe of het wijzigen van een bestaand (beperkt) kwetsbare object, waaronder hogepopulatieobjecten;

  • een ontwikkeling binnen het signaleringsgebied van windturbines (realiseren/wijzigen van een risicovolle inrichting en positioneren van hogepopulatieobjecten).

Voor zover in de navolgende hoofdstukken de tekst cursief is, betreft dit een toelichting bij de betreffende beleidsregel. Voor de algehele toelichting wordt verwezen naar de rapportage externe veiligheid bij het PIP.

2. Beleidsregels: voldoende beschermingsniveau

Dit hoofdstuk bevat de beleidsregels voor een voldoende beschermingsniveau bij het realiseren van risicovolle inrichtingen in Oostpolder. De motivering voor deze regels wordt gegeven in de rapportage externe veiligheid bij het PIP. De beleidsregels voor een voldoende beschermingsniveau vallen uiteen in een aantal aspecten, die onderstaand in afzonderlijke paragrafen zijn uitgewerkt. Het betreft:

  • bedrijfsveiligheidsplan:

    • o

      BHV en gewenst handelingsperspectief;

    • o

      veilig schuilen en vluchten;

  • berekeningsmethodiek van de plaatsgebonden risicocontour:

    • o

      berekeningen 10-6 bij Bevi-bedrijven;

    • o

      berekeningen 10-5 bij Bevi-bedrijven;

    • o

      berekeningen van het plaatsgebonden risico van niet Bevi-bedrijven, exclusief windturbines;

  • zwaarwegende redenen.

2.1 Bedrijfsveiligheidsplan

Het bedrijfsveiligheidsplan bevat ten minste twee aspecten die van invloed zijn op het bereiken van een voldoende beschermingsniveau. Het betreft de BHV, gericht op het gewenste handelingsperspectief, en de mogelijkheden om veilig te schuilen en te vluchten bij een (dreigende) calamiteit met gevaarlijke stoffen. In deze beleidsregels worden eisen gesteld aan de BHV organisatie en de vluchtgelegenheden. Deze beleidsregels stellen geen eisen aan ander onderdelen van een bedrijfsveiligheidsplan.

2.1.1 BHV en gewenst handelingsperspectief

Door het treffen van organisatorische maatregelen wordt bevorderd dat bij een (dreigende) calamiteit met gevaarlijke stoffen de aanwezige personen het gewenste handelingsperspectief ten uitvoer brengen. De toepassing van organisatorische maatregelen is goed mogelijk indien de BHV (bedrijfshulpverlening) 1 :

  • veiligheidsinstructies samenvoegt met de andere veiligheidstaken (veiligheid binnen het gebouw);

  • regelmatig oefent;

  • waar nodig de faciliteiten en getroffen maatregelen in stand houdt.

De Arbo-wetgeving verplicht tot het hebben van een BHV voor bedrijven met 1 of meerdere werknemers. De onderstaande beleidsregels zijn gericht op het samenspel tussen interne en externe veiligheid.

 

  • 1.

    De instructies van de BHV-organisatie moeten, naast de algemene verplichtingen, uitgebreid zijn met instructies omtrent de volgende scenario’s:

    • a.

      brand buiten het gebouw (op een afstand van 0 tot 50 meter);

    • b.

      explosie (Bleve) buiten het gebouw (op een afstand van 0 tot 300 meter);

    • c.

      gifwolk.

  • 2.

    De instructies moet ingaan op:

    • a.

      de organisatie, taakverdeling en onderlinge communicatie van de BHV bij de onderscheiden type scenario’s;

    • b.

      de wijze van communicatie met hulpdiensten;

    • c.

      de criteria wanneer te vluchten dan wel te schuilen bij een (dreigende) calamiteit;

    • d.

      de wijze waarop aanwezigen in het gebouw geïnformeerd worden over de van hun gewenste handelswijze;

    • e.

      de vluchtroutes die bij een (dreigende) calamiteit met gevaarlijke stoffen beschikbaar zijn;

    • f.

      de locaties van verzamelplaatsen buiten het gebouw die geschikt zijn om te verzamelen na een calamiteit met gevaarlijke stoffen;

    • g.

      de wijze waarop (en door wie) de mechanische ventilatie bij een brand- en gifwolkscenario wordt afgezet, ramen en deuren worden gesloten en de luchtcirculatie binnen het gebouw wordt geoptimaliseerd2;

    • h.

      welke gebouwen/ruimten geschikt zijn om te schuilen bij een (dreigend) incident en bij welk scenario;

    • i.

      het beleid bij buitendeuren om bij een calamiteit personen naar binnen of buiten te laten gaan3;

    • j.

      de wijze van samenwerking met BHV-organisaties van naastliggende panden ten tijde van een (dreigende) calamiteit met gevaarlijke stoffen;

    • k.

      het moment van activeren van de mechanische ventilatie na de calamiteit met gevaarlijke stoffen en – indien de personen uit een gebouw geëvacueerd zijn – het moment van betreden en herstart van het gebruik van het gebouw door het personeel.

  • 3.

    Het bevoegd gezag kan vergunningvoorschriften opnemen waarin bepaald dat:

    • a.

      de instructies binnen drie maanden na ingebruikname van het gebouw, ter goedkeuring aan het bevoegd gezag moeten worden overgelegd. Eventuele op- en aanmerkingen door het bevoegd gezag moeten binnen een maand zijn verwerkt, waarna de instructies geïmplementeerd moeten zijn. Wanneer niet aan de vergunningvoorschriften wordt voldaan is dat een reden tot handhaving.

      Burgemeester en wethouders kunnen de Veiligheidsregio om advies vragen ten aanzien van de beoordeling van de instructies;

    • b.

      een BHV-organisatie aantoonbaar over communicatiemiddelen moet beschikken, waarmee bij een (dreigende) calamiteit met gevaarlijke stoffen direct gecommuniceerd kan worden met de BHV-organisatie van het naastliggende bedrijf.

2.1.2 Veilig schuilen en vluchten

  • 1.

    De mechanische ventilatie in een gebouw moet handmatig kunnen worden afgeschakeld.

  • 2.

    Wegen, paden en andere vluchtroutes op bedrijfspercelen, moeten zoveel mogelijk in een gesloten gridstructuur zijn uitgevoerd.

  • 3.

    Doodlopende wegen hebben geen grotere lengte dan 200 meter.

  • 4.

    Een bedrijfsperceel wordt op tenminste twee plaatsen aangesloten op buiten het bedrijfsperceel gelegen openbare gebied met dien verstande dat de ontsluitingen op verschillende windrichtingen georiënteerd zijn.

  • 5.

    Aangetoond wordt dat personen en apparatuur in controlekamers, van waaruit processen met gevaarlijke stoffen worden aangestuurd, afdoende beschermd zijn tegen de impact van een incident met gevaarlijke stoffen.

 

2.2 De berekeningsmethodiek van de plaatsgebonden risicocontour

In het PIP is bepaald welke regels gesteld worden aan de 10-6-contour dan wel aan de 10-5-contour van een inrichting of activiteit. In de beleidsregels is beschreven op welke wijze deze contouren worden berekend. De beleidsregels voor plaatsgebonden risicocontour zijn opgedeeld in een aantal onderdelen:

  • het berekenen van de 10-6-contour van Bevi-bedrijven;

  • het bereken van de 10-5-contour van Bevi-bedrijven;

  • berekening van het plaatsgebonden risico van niet Bevi-bedrijven.

De beleidsregels zijn gebaseerd op de wetgeving die voor de komst van de Omgevingswet van kracht was. Dit omdat het PIP voor 1 januari 2024 in procedure is gebracht. Voor de duidelijkheid wordt (ten overvloede) in de beleidsregels de wetgeving genoemd die vóór 1 januari 2024 van toepassing was. Op deze manier is duidelijk wat de beoordelingsachtergrond is.

2.2.1 Berekening 10-6 contour bij Bevi-bedrijven

  • 1.

    De berekening van het plaatsgebonden 10-6 risicocontour van een Bevi-bedrijf moet plaatsvinden met het wettelijk aangewezen rekenprogramma en de versie hiervan, die vigerend is ten tijde van de vergunningaanvraag.

  • 2.

    De 10-6 contour betreft de wettelijk voor het Bevi-bedrijf aangegeven vaste afstand dan wel de berekende 10-6 contour van die activiteit op basis van lid 1.

  • 3.

    De toetsing aan de cumulatieve PR 10-6-contour moet plaatsvinden met het wettelijk aangewezen rekenprogramma en de versie hiervan, die vigerend is ten tijde van de vergunningaanvraag.

  • 4.

    De berekening of wordt voldaan aan de cumulatieve PR 10 6 contour vindt plaats op basis van de laatste vergunningsaanvraag in combinatie met alle eerder vergunde (risicovolle) inrichtingen in het plangebied. Als een latere versie van het rekenprogramma – bij eenzelfde input van de berekening - een grotere cumulatieve contour berekent die niet meer past binnen de artikel 14 Bevi contour, dan geldt er een eerbiedigende werking. De reeds verleende vergunningen blijven in stand en de grotere cumulatieve contour vervangt de bij het PIP vastgestelde contour vanwege die eerbiedigende werking.

  • 5.

    Het aangewezen rekenprogramma voor windturbines is het Rekenvoorschrift Omgevingsveiligheid Module IV, 2020 of een nieuwere gewijzigde versie hiervan.

  • 6.

    Indien de Regeling externe veiligheid inrichtingen een vaste afstand geeft voor de 10-6-contour, dan beoordeelt het bevoegd gezag of de individuele 10-6-contour een relevante bijdrage aan de artikel 14-Bevi-contour.

  • 7.

    Als de individuele contour, zoals genoemd onder lid 6, een relevante bijdrage kan leveren, moet de 10-6-contour alsnog berekend worden om de cumulatieve toetsing mogelijk te maken.

  • 8.

    Indien voor een risicovolle activiteit geen rekenmethode beschikbaar is, zoals thans bij de lithium houdende producten, dan vindt beoordeling van het risico, na consultatie van de Veiligheidsregio en het RIVM, plaats op basis van professioneel inzicht. Het bevoegd gezag kan – ten behoeve van de inhoudelijke beeldvorming en besluitvorming - hierbij een beroep doen op externe deskundigen. De kosten van ondersteuning door externe deskundigen worden in rekening gebracht bij de aanvrager van de vergunning.

  • 9.

    Windturbines worden niet betrokken bij de beoordeling van het cumulatieve risico op de artikel 14 Bevi-contour.

  • 10.

    De rapportage moet samen met de met de PSU-files van de berekening, verstrekt worden aan het bevoegd gezag.

2.2.2 Berekening 10-5 contour bij Bevi-bedrijven

  • A.

    Berekening of de 10-5-contour de inrichtingsgrens overschrijdt:

    • 1.

      De berekening van de PR 10-5-contour van een Bevi-bedrijf moet plaatsvinden met het wettelijk aangewezen rekenprogramma en de versie hiervan, die vigerend is ten tijde van de vergunningaanvraag.

    • 2.

      De contour van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen tussen aansluitende bedrijfspercelen wordt niet betrokken bij de beoordeling van de grensoverschrijding van de 10-5-contour van een Bevi-bedrijf.

    • 3.

      De 10-5-contour van een bedrijf bevat het risico van het bedrijf vermeerderd met – bij de ligging in een signaleringsgebied - het toegevoegde risico van de windturbine.

    • 4.

      Indien de Regeling externe veiligheid inrichtingen een vaste afstand geeft voor de 10-6-contour, dan mag eerst op basis van een professionele inschatting beoordeeld worden of deze activiteit een 10-5-contour heeft die inrichtingsgrens overschrijdend kan zijn. Als ingeschat wordt dat er sprake is van een relevante contour, moet deze berekend worden.

    • 5.

      De ruimtelijke rechten die op basis van de vergunningverlening verkregen zijn, zijn verkregen op basis van de verleende verguningen. Als een latere versie van het rekenprogramma – bij eenzelfde input van de berekening - een grotere contour berekent, dan treedt die grotere contour in de plaats van de eerdere contour. Als deze contour door de wijziging in het rekenprogramma komt te vallen over de zone waarbinnen risicovolle objecten zijn uitgesloten is sprake van een eerbiedigende werking en blijft de vergunning van het bedrijf in stand en treedt die grotere contour van rechtswege in werking.

    • 6.

      Indien voor een risicovolle activiteit nog geen rekenmethode beschikbaar is, zoals thans bij de lithium houdende producten, dan vindt beoordeling van het risico, na consultatie van de Veiligheidsregio en het RIVM, plaats op basis van professioneel inzicht. Het bevoegd gezag kan – ten behoeve van de inhoudelijke beeldvorming en besluitvorming - hierbij een beroep doen op externe deskundigen. De kosten van ondersteuning door externe deskundigen worden in rekening gebracht bij de aanvrager van de vergunning.

    • 7.

      De rapportage moet samen met de met de PSU-files van de berekening, verstrekt worden aan het bevoegd gezag.

  • B.

    Berekening van de omvang van de 10-5-contour binnen de inrichtingsgrens

    • 1.

      De berekening wordt uitgevoerd conform de methode voor het overschrijden van de inrichtingsgrens, zoals beschreven onder A.

    • 2.

      Aanvullend moet bij de berekening van de 10-5-contour, ten behoeve van de bepaling van de omvang van die contour binnen de inrichtingsgrens, de relevante bedrijfsinterne risico’s worden beschouwd op basis van een Building Risk Assessment. Omdat hier sprake is van een berekening van het interne risico, is paragraaf 2.1.2. van het Rekenvoorschrift Omgevingsveiligheid Module 1 op dit punt niet van toepassing.

2.2.3 Berekening van het plaatsgebonden risico van niet Bevi-bedrijven, exclusief windturbines

Het plaatsgebonden risico van niet Bevi-bedrijven wordt niet betrokken bij de toetsing aan de artikel 14-Bevi-contour.

 

  • 1.

    Ten aanzien van vaste veiligheidsafstanden in het Activiteitenbesluit, bepaalt het bevoegd gezag op basis van de aan de veiligheidscontour ten grondslag liggende uitgangspunten, wat de omvang van de 10-6-contour is van een niet Bevi-bedrijf.

Het bedrijf hoeft de informatie hoe voldaan wordt aan de uitgangspunten niet aan te leveren. Om toch te kunnen beoordelen, is de taak bij het bevoegd gezag gelegd. Overigens bij kleine contouren zal de conclusie meteen helder zijn, bij grotere contouren zal veelal sprake zijn van een (milieu)vergunningplichtige inrichting.

 

2.3 Zwaarwegende redenen

Zwaarwegende redenen zijn inzetbaar in uitzonderlijke situaties die niet vooraf met criteria zijn ondervangen, omdat het niet mogelijk is om vooraf alle denkbare situatie te verkennen. Het kan voorkomen dat een situatie ontstaat waar met de regelingen uit het PIP en onderhavige beleidsregels niet aan kan worden voldaan maar die wel inpasbaar te maken is. In die gevallen kan alsnog worden meegewerkt aan het initiatief. Daarbij moet uiteraard wel altijd beoordeeld worden of de veiligheidssituatie voldoende is en moet er sprake blijven zijn een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het regieteam, zie hoofdstuk 7 van de bij het PIP behorende externe veiligheidsrapportage, kan bij dit proces een sturende rol spelen.

 

Onder zwaarwegende redenen wordt verstaan:

  • 1.

    Een in hoofdzaak niet risicovolle inrichting met activiteiten die niet plaats kunnen vinden zonder een ondersteunende risicovolle activiteit (bijvoorbeeld een propaantank bij een niet risicovolle inrichting).

  • 2.

    Een groot maatschappelijk belang dat zwaarder weegt dan sec de veiligheidsregels.

  • 3.

    Een economisch belang dat zwaarder weegt dan sec de veiligheidsregels.

  • 4.

    Een situatie waarbij binnen de inrichting geen doelmatige ordening van bedrijfsonderdelen gerealiseerd kan worden, maar de vestiging van het bedrijf wenselijk is en de veiligheidssituatie zo goed mogelijk geoptimaliseerd is.

  • 5.

    De plaatsgebonden risicocontour van een risicovolle inrichting wordt (in belangrijke mate) veroorzaakt door een installatie die om logistieke redenen bij de rand van de inrichting moet staan (bijvoorbeeld een compressor van een transportleidingsysteem).

Wanneer in de toekomst blijkt dat andere zwaarwegende redenen moeten worden toegevoegd, dan kan daarvoor de beleidsregel worden aangepast. Het betreft een besluit van het college waarvoor geen openbare voorbereidingsprocedure geldt. Wanneer voor een specifiek geval een zwaarwegende reden geldt die niet algemeen zou moeten worden kunnen toegepast ligt het meer voor de hand die ontwikkeling via een buitenplanse omgevingsvergunning mogelijk te maken (BOPA). Bij dergelijke procedures kunnen specifieke beoordelingen worden toegepast.

3. Beleidsregels: aanvaardbaar risiconiveau (signaleringsgebied windturbines)

Dit hoofdstuk bevat de beleidsregels voor een aanvaardbaar risiconiveau bij ontwikkelingen in het signaleringsgebied van windturbines. Belangrijk daarbij is dat in dat geval ook de regels van hoofdstuk 2 van deze beleidsregels over een voldoende beschermingsniveau van toepassing zijn.

 

In de planregels van het PIP zijn rondom windturbines signaleringsgebieden aangegeven waarbinnen de veiligheid geoptimaliseerd moet worden. De beleidsregels in dit hoofdstuk gelden binnen het signaleringsgebied. De beleidsregels richten zich op het optimaliseren van de veiligheid:

  • van risicovolle inrichtingen in het signaleringsgebied;

  • ten behoeve van het minimaliseren van het toegevoegd risico in relatie tot het voldoen aan de vereisten voor het plaatsgebonden risico in de planregels;

  • ten aanzien van het positioneren van hogepopulatieobjecten.

De beleidsregels voor een voldoende beschermingsniveau vallen uiteen in een aantal aspecten, die onderstaand in afzonderlijke paragrafen zijn uitgewerkt. Het betreft:

  • voorwaarden aan de rapportage van de trefkansberekening;

  • trefkansoptimalisatie door intelligent ontwerpen;

  • bedrijfsnoodplan bij incident met een windturbine.

De motivering voor deze regels wordt gegeven in de rapportage externe veiligheid bij het PIP.

 

3.1 Algemeen

Naast de bepalingen van onderstaande paragrafen gelden ook de regels uit hoofdstuk 2 van deze beleidsregels.

 

3.2 Voorwaarden aan de rapportage van de trefkansberekening

De rapportage bij een berekening moet:

  • 1.

    Uiteraard aantonen dat voldaan wordt aan het gestelde in de planregels en beleidsregels.

  • 2.

    Inzicht geven hoe uitvoering is gegeven aan de vereiste tot intelligent ontwerpen (zie addendum).

  • 3.

    Samen met de met de PSU-files van de berekening, verstrekt worden aan het bevoegd gezag.

3.3 Trefkansoptimalisatie door intelligent ontwerpen

  • 1.

    Een vergunningaanvraag voor het realiseren van een risicovol object binnen het signaleringsgebied wordt vergezeld van een rapportage waaruit blijkt dat door intelligent ontwerpen de veiligheid geoptimaliseerd is.

  • 2.

    Onder intelligent ontwerpen wordt verstaan het ordenen met bouwwerken en functies zodanig dat een zo optimaal mogelijk veilige situatie ontstaat, waarbij voldaan wordt aan de normen voor plaatsgebonden risico en het minimaliseren van de trefkans in geval van een calamiteit met een windturbine.

  • 3.

    Aangetoond wordt dat het plaatsgebonden risico voldoet aan de daarvoor geldende normen, waarbij de rekenregels uit paragraaf 3.4 worden gehanteerd.

  • 4.

    Indien het effect van een incident blijft binnen de criteria, zoals gesteld in paragraaf 2.1.2. van het Rekenvoorschrift Omgevingsveiligheid, versie oktober 2020, (de subselectie) dient dit in de rapportage te worden aangetoond en behoeft de optimalisatie van de veiligheid buiten de te ontwikkelen inrichting niet nader te worden beschouwd. De optimalisatie moet wel worden aangetoond voor de veiligheid binnen de eigen inrichting.

  • 5.

    De trefkans per m² per geprojecteerde locatie voor een risicovolle activiteit, bepaald overeenkomstig Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid Module IV (2020) van het RIVM, of een nieuwere gewijzigde versie hiervan. De trefkans moet per locatie worden gepresenteerd per 10 meter afstandstoename van de windturbine. Hierbij kan, als basisinformatie, gebruik worden gemaakt van de bij de bij het PIP gevoegde berekeningen.

  • 6.

    Een beschrijving van de bedrijfsactiviteiten van een risicovolle inrichting die per locatie is voorgenomen. De omschrijving bevat tenminste:

    • a.

      de afstand tot de windturbine(s);

    • b.

      het oppervlak van het te treffen object (zowel de gevels als het dak);

    • c.

      de trefkans gecorrigeerd naar het totale te treffen oppervlak van het object;

    • d.

      de invloed van eventuele afscherming van het te treffen object;

    • e.

      de sterkte van de te treffen constructie van het te treffen object;

    • f.

      de inhoud (volume en aard) die kan vrijkomen (en de mogelijke limitering hiervan door bijvoorbeeld extra afsluiters te aan te brengen);

    • g.

      de impact van de vrijkomende stof op de omgeving.

  • 7.

    Een beschrijving van het doorlopen proces om aan de hand van de parameters a tot en met g de veiligheid geoptimaliseerd is.

  • 8.

    Een onderbouwing dat het plaatsgebonden risico van de betreffende inrichting blijft binnen de in de planregels gestelde normering.

  • 9.

    Ondergrondse en bovengrondse infrastructuur voor veiligheidscommunicatie, zoals de communicatie tussen een controlekamer en de te controleren installaties, moet binnen een signaleringsgebied van een windturbine in kring, dan wel dubbel zijn uitgevoerd. Dit kan gerealiseerd worden – via gescheiden van elkaar afgelegen circuits of door een combinatie van kabel en draadloze communicatie.

  • 10.

    Bij het ‘intelligent ontwerpen’ mag een reductiefactor worden toegepast die bepaald in welke mate het treffen bij een calamiteit met een windturbine gelijk staat aan het falen van een installatie met gevaarlijke stoffen. Daarbij gelden de volgende voorwaarden:

    • a.

      De reductiefactor wordt bepaald op basis van:

      • i.

        de inrichtingsgegevens; en

      • ii.

        advies van de veiligheidsregio en eventueel andere deskundigen;

    • b.

      De reductiefactor mag nooit meer bedragen dan 50%.

3.4 Bedrijfsnoodplan bij incident met een windturbine

Een bedrijfsnoodplan is onderdeel van een bedrijfsveiligheidsplan voor bedrijven die binnen het signaleringsgebied van een windturbine liggen. Daarnaast heeft een exploitant van een windturbine zelf ook over een bedrijfsnoodplan. Het is gewenst dat beide bedrijfsnoodplannen op elkaar worden afgestemd. Ook is het gewenst dat de monitoringsinformatie van de windturbine, zover het de parameters betreft die indicaties geven voor de veiligheid in de omgeving van de windturbine, afgestemd worden met de gebruiker van de gronden rondom de windturbine.

 

  • 1.

    Voorafgaand aan de ingebruikname van risicovolle inrichtingen en risicovolle installaties in het signaleringsgebied, moet de exploitant een bedrijfsnoodplan operationeel hebben als onderdeel van het bedrijfsveiligheidsplan.

  • 2.

    Een bedrijfsnoodplan bevat ten minste:

    • a.

      alle maatregelen en voorzieningen die een bedrijf heeft getroffen om adequaat te kunnen reageren op calamiteiten en noodsituaties om effecten op de omgeving te beperken.

    • b.

      een beschrijving hoe afstemming met de verschillende hulpdiensten is geregeld.

    • c.

      een beschrijving van:

      • i.

        alle bedrijfsactiviteiten en werkprocessen van de inrichting, voor zover daar gevaarlijke stoffen bij zijn betrokken, en de wijze waarop wijzigingen in de activiteiten worden bijgehouden;

      • ii.

        de criteria, normen, richtlijnen en overige relevante documenten en de veiligheidsindicatoren en milieu-indicatoren van de gevaarlijke stoffen die worden toegepast;

      • iii.

        de risico-inventarisatie en risico-evaluatie voor elke activiteit van de risicovolle inrichting en de risico's voor de omgeving;

      • iv.

        de technische en organisatorische maatregelen die verband houden met de geïnventariseerde risico’s voor de omgeving;

      • v.

        de taken en bevoegdheden van het personeel voor de veiligheid van mens en milieu;

      • vi.

        de organisatie, het toezicht, de procedures en middelen ter uitvoering van het beleid bij:

        • 1.

          normaal bedrijf;

        • 2.

          onderhoud;

        • 3.

          verhoogde risico's;

      • vii.

        de wijze waarop aandacht wordt besteed aan de onderlinge beïnvloeding tussen gevaarlijke stoffen en de activiteiten van de risicovolle inrichting, hoe hierover wordt gecommuniceerd en welke maatregelen daaruit voortvloeien;

      • viii.

        het meten en evalueren van de prestaties voor de veiligheid van mens en milieu en de wijze waarop de prestaties worden geanalyseerd, bewaakt, bijgehouden en bewaard;

      • ix.

        de wijze waarop aantekeningen worden gemaakt van de getroffen maatregelen, controles en onderzoeken, de resultaten daarvan en de daaruit voortvloeiende aanpassingen van het beleid;

      • x.

        de tekeningen of beschrijvingen waaruit de registratiegegevens van de buisleidingen blijken.

  • 3.

    Het bedrijfsnoodplan wordt afgestemd met de exploitant van de windturbine.

  • 4.

    Het bedrijfsnoodplan moet worden vastgesteld in overleg met de Veiligheidsregio.

  • 5.

    Het bedrijfsnoodplan wordt herzien bij:

    • a.

      een wijziging in de activiteiten of werkproces met gevaarlijke stoffen, binnen een inrichting, die voor de risico's van een ongewoon voorval aanzienlijke gevolgen kan hebben;

    • b.

      een verandering in het veiligheidsinzicht of een verandering van de beste beschikbare technieken.

ARTIKEL II

Deze beleidsregel treedt inwerking met ingang van de dag na bekendmaking in het provinciaal blad.

Groningen, 8 juli 2025

Gedeputeerde Staten van Groningen:

René Paas, voorzitter

Hans Schrikkema, secretaris

Naar boven