Provinciaal blad van Utrecht
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Utrecht | Provinciaal blad 2025, 16810 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Utrecht | Provinciaal blad 2025, 16810 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Besluit van Gedeputeerde Staten van Utrecht van 30 september 2025, nr. UTSP-8141755331-1316 tot wijziging van de Subsidieregeling Leefomgeving landelijk gebied provincie Utrecht
Gedeputeerde staten van Utrecht;
Gelet op het gestelde in de Algemene subsidieverordening provincie Utrecht 2022, de Beleidsregel exploitatiesubsidies, de Beleidsregel projectsubsidies en de Beleidsregel Toezicht en naleving subsidieverplichtingen provincie Utrecht;
het gewenst is om een nieuw onderdeel Realisatie extensief kruidenrijk grasland toe te voegen aan de aan de Subsidieregeling Leefomgeving landelijk gebied;
het gewenst is om een nieuw onderdeel Fieldlab Groene Hart: investeren, meten en monitoren toe te voegen aan de Subsidieregeling Leefomgeving landelijk gebied;
het gewenst is om in hoofdstuk 2 Aankoop en ontpachting NNN-gronden in artikel 2.1 een uitzondering op te nemen ten aanzien van de subsidiabiliteit van ontpachting of erfpachtvrij maken wanneer de huidige eigenaar de (erf)pacht zelf heeft gevestigd;
het gewenst is om in hoofdstuk 4 Bestrijding en beheersing invasieve exoten, de randvoorwaarden te wijzigen, zodat deze overeenkomen met de wijzigingen in de Europese wet- en regelgeving en om de maximale subsidie per aanvraag op te hogen om tegemoet te kunnen komen in hogere kosten door grotere groeihaarden en oplopende marktprijzen;
het gewenst is om een correctie in de bijlage bij de UMDL Fruitteelt door te voeren.
De Subsidieregeling Leefomgeving landelijk gebied provincie Utrecht wordt als volgt gewijzigd:
Hoofdstuk 2 Aankoop en ontpachting NNN-gronden, wordt als volgt gewijzigd:
Aan Artikel 2.1. wordt toegevoegd:
Hoofdstuk 4 Bestrijding en beheersing invasieve exoten, wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 4.6 Subsidieplafond komt te luiden:
Het subsidieplafond bedraagt in het jaar 2025 € 500.000,-.
Artikel 4.7 Hoogte van de subsidie lid a. wordt gewijzigd in:
Na hoofdstuk 16 worden de hoofdstukken 17 en 18 ingevoegd die als volgt luiden:
Hoofdstuk 17 Realisatie extensief kruidenrijk grasland
In het kader van het provinciale meerjarendoel 2.4.1 “De landbouw is meer circulair, natuurinclusief, klimaatneutraal en economisch rendabel” kan subsidie worden verstrekt voor het uitvoeren van een project Realisatie extensief kruidenrijk grasland minimaal type 2 in de periode 2025 tot en met 2029.
Artikel 17.2 Subsidieontvangers (doelgroep)
Voor de eindbegunstigde geldt het volgende.
Indien hetzij het onder een verbintenis vallende volledige areaal, of een deel ervan, hetzij het gehele bedrijf aan een andere persoon wordt overgedragen gedurende de looptijd van die verbintenis, kan de verbintenis of het deel ervan dat met de areaaloverdracht overeenstemt, voor de resterende looptijd door die andere persoon worden overgenomen of kan zij vervallen, en wordt geen terugbetaling verlangd voor de periode waarin de verbintenis daadwerkelijk is nagekomen.
Indien een begunstigde een aangegane verbintenis niet verder kan nakomen omdat zijn bedrijf of een deel daarvan wordt herverkaveld of binnen een ruilverkaveling van overheidswege of een door de bevoegde autoriteiten goedgekeurde ruilverkaveling valt, neemt de provincie de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de verbintenis aan de nieuwe bedrijfssituatie worden aangepast. Is deze aanpassing onmogelijk, dan eindigt de verbintenis en wordt geen terugbetaling verlangd voor de periode waarin de verbintenis daadwerkelijk is nagekomen.
Artikel 17.4 Weigeringsgronden
De subsidie-ontvanger is verplicht:
ervoor zorg te dragen dat uit de overeenkomst blijkt dat:
er bij voorkeur geen chemische onkruidbestrijding plaatsvindt, alleen indien noodzakelijk en met toestemming van het Collectief, pleksgewijs (max 10% van de oppervlakte) voor haarden van probleemonkruiden, zoals akkerdistel, jacobskruiskruid, brandnetel, krulzuring en ridderzuring. Handmatige onkruidbestrijding heeft de voorkeur. Chemisch glyfosaat is niet toegestaan.
Op grond van de artikelen 1.4 en 6.3 AsvpU dient de subsidie-ontvanger jaarlijks voortgangsrapportages in over het voorafgaande jaar. De rapportage, inclusief kennisuitwisselingsactiviteiten, wordt uiterlijk 1 februari ingediend bij de provincie via het door de provincie vastgestelde format voortgangsverslag. Deze rapportage bevat:
Het subsidieplafond in 2025 bedraagt € 1.327.800,-.
Artikel 17.7 Hoogte van de subsidie
Als door een of meer van de onder 2. genoemde collectieven een lager subsidiebedrag wordt aangevraagd dan het genoemde maximum subsidiebedrag, dan kan dit bedrag (extra) ter beschikking worden gesteld voor een of meer andere agrarische collectieven die vallen binnen het toepassingsgebied zoals aangegeven op de kaart in de bijlage bij dit hoofdstuk.
Artikel 17.8 Subsidiabele kosten
De subsidie wordt verleend met inachtneming van het Besluit van de Europese Commissie van 26 oktober 2018, C(2018) 6937, met betrekking tot steunmaatregel SA.44848 (2017/N) (Catalogus Groenblauwe diensten).
Hoofdstuk 18 Fieldlab Groene Hart: investeren, meten en monitoren
Artikel 18.1 Subsidiabele activiteiten
Artikel 18.2 Subsidieontvangers (doelgroep)
Bij de subsidieaanvraag worden de volgende documenten gevoegd:
een projectplan waarin ten minste is opgenomen:
een beschrijving van de emissiereductietechniek(en) waarmee de veehouderij de beoogde emissiereductie gaat realiseren en op welke wijze deze kan of kunnen worden ingepast binnen de bedrijfsvoering, in combinatie met ten minste vier van de volgende onderwerpen, waarvan in ieder geval onderdeel 5 “meer duurzaam bodembeheer” deel uitmaakt:
Als de veehouderij bij de subsidieaanvraag niet voldoet aan het vereiste uit het vierde lid, dan kunnen Gedeputeerde Staten de subsidie verlenen onder de voorwaarde dat de bij de subsidie betrokken veehouderij alsnog aan voornoemd vereiste voldoet binnen de in de subsidiebeschikking bepaalde termijn.
Artikel 18.4 Weigeringsgronden
Op grond van de artikelen 1.4 en 6.3 AsvpU dient de subsidieontvanger jaarlijks voortgangsrapportages in over het voorafgaande jaar. De rapportage wordt uiterlijk 1 februari ingediend bij de provincie via het door de provincie vastgestelde format voortgangsverslag. De opzet van dit verslag bestaat uit twee onderdelen:
Het subsidieplafond bedraagt € 1.800.000,- voor de in artikel 18.3, eerste lid genoemde openstellingsperiode.
Artikel 18.7 Hoogte van de subsidie
Artikel 18.8 Subsidiabele kosten
De volgende kosten voor de activiteiten, bedoeld in artikel 18.1 zijn subsidiabel, mits deze aantoonbaar zijn en voldoen aan artikel 4.8 van de AsvpU en de Beleidsregel projectsubsidies:
Subsidie wordt verstrekt met inachtneming van artikel 14 of artikel 38 van de Landbouwvrijstellingsverordening, met inbegrip van de in die artikelen genoemde verwijzingen.
In de bijlage bij Hoofdstuk 1 artikel 1.1 Begripsbepalingen worden op alfabetische volgorde ingevoegd:
HERBGRAS: project van Wageningen Universiteit in samenwerking met BoerenNatuur en andere partners, met als doel de monitoring van zowel de genomen beheersmaatregelen als de kruidenrijkdom van graslanden te automatiseren en data te verzamelen waarmee huidige grasgroei modellen uitgebreid kunnen worden naar alle typen grasland;
meetplan: document dat ten behoeve van één of meer veehouderijen is opgesteld door de meetinstantie in het kader van het Fieldlabproject, in overeenstemming met de emissiemeetrichtlijnen en het modelmeetplan van de Stichting Fieldlab Groene Hart en waarin de KPI’s 1 tot en met 9, 13 en 14 van de UMDL zijn verwerkt;
UMDL: Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw, zie Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw | provincie Utrecht
De bijlage bij hoofdstuk 12 bij hoofdstuk 12 Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw Fruitteelt wordt in Onderdeel B: scoretabel Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw, voor de fruitteelt het volgende gewijzigd, het gaat om kleine tekstuele aanpassingen ter verduidelijking:
In de regel 1. Variatie in soorten windhagen, worden de getallen in de kolom Score fruitteler gewijzigd in:
In de regel 16. Herkomst organische meststoffen (verhogen) worden de %-tekens achter de getallen (tweede kolom) vervangen door kg/ha.
Na de bijlage bij Hoofdstuk 15 Wolfwerende rasters wordt ingevoegd:
Bijlage bij Hoofdstuk 17 Realisatie extensief kruidenrijk grasland
Het toepassingsgebied van hoofdstuk 17 bestaat uit de groen omlijnde UPLG-gebieden.
Bijlage bij Hoofdstuk 18 Fieldlab Groene Hart: investeren, meten en monitoren
Het toepassingsgebied van hoofdstuk 18 bestaat uit de bruine gekleurde gebieden met de aanduiding “Landschap Groene Hart”.
Aan de toelichting wordt toegevoegd:
Hoofdstuk 17 Realisatie extensief kruidenrijk grasland
Deze subsidie betreft niet-productieve investeringen om extensief kruidenrijk grasland te realiseren, gedurende een beperkte overgangsperiode, tot aan de beheerfase. Het toekomstige beheer van deze kruidenrijke graslanden kan worden gesubsidieerd via het Agrarisch Natuur en Landschapsbeheer (ANLb). Daarvoor wordt door de Utrechtse agrarische collectieven gewerkt aan een extra uitbreiding van het ANLb voor agrariërs die type 2 en 3 kruidenrijk grasland realiseren. Dit wordt in de monitoring (via HERB, landelijk monitoringsproject in voorbereiding met onder andere de WUR en BoerenNatuur) en schouw door de collectieven dan ook meegenomen. Deze regeling betreft geen beheersubsidie, het gaat om investeringskosten en inkomstenderving in de overgangsfase, is deze investeringssubsidie als overbrugging bedoeld.
In het maatregelpakket 2 UPLG is deze maatregel opgenomen onder 1d. Aanleg /optimaliseren van kruidenrijk grasland en verhogen bodemkwaliteit. Onder deze maatregel valt de voorbereiding van het perceel en de daadwerkelijke teelt. Kruidenrijk grasland draagt bij aan meerdere doelen binnen de veenweiden gebieden in het UPLG:
Kruidenrijk grasland kan de sponswerking van de (veen)bodem vergroten door onder andere opbouw van organische stof op de bodem. Verschillende kruiden hebben een betere droogteresistentie dan gras. Sommige kruiden wortelen dieper dan gras, waardoor ze water uit diepere lagen kunnen halen, terwijl andere kruiden goed kunnen doorgroeien onder drogere omstandigheden. Een grote diversiteit aan wortelstructuren verhoogt het watervasthoudend vermogen en beschikbaarheid van voedingsstoffen in van de bodem.
Kruiden in combinatie met bodemleven en beweiding hebben een positief effect op de biodiversiteit. Ze leiden tot een toename van bodemleven en insectenpopulaties, wat effect heeft op andere lagen van de voedselketen, zoals weidevogels. Tevens kan de diversiteit aan grassen en kruiden bijdragen aan de gezondheid van vee en een betere eiwitbenutting (lager ruw eiwit). Ca. 20-25% kruidenrijk grasland bijvoeren bij melkvee, verlaagt de melkgift niet en draagt bij aan structuurrijk voer voor de koe.
Om kruidenrijk grasland optimaal aan te leggen zijn grondmonsters nodig. De aanwezigheid van nutriënten bepaalt bijvoorbeeld de benodigde inrichtingsmaatregelen. De vervolgstappen zijn bijvoorbeeld verschraling, lichte grondbewerking, de aanschaf van kruidenrijk graszaad en het (door)inzaaien. Door het bodemleven te optimaliseren is soms bekalken/mineralen op het perceel aanbrengen nodig. Compost(thee), vaste mest of verschralen zijn mogelijke maatregelen die kunnen helpen de bodem te verbeteren. Verbetering van het bodemleven zorgt voor meer voedsel voor de weidevogels, de biodiversiteit. Door het bodemleven te optimaliseren wordt de bodem weerbaarder voor zowel natte als droge periodes. Betere en gevarieerde doorworteling zorgt voor het minder snel uitspoelen van mineralen in het oppervlakte- en grondwater. Het kunnen verhogen van de bodemkwaliteit start met het bepalen van de huidige bodemkwaliteit door middel van grondmonsters.
Hoofdstuk 18 Fieldlab Groene Hart: investeren, meten en monitoren
Met het hoofdstuk Fieldlab Groene Hart: investeren, meten en monitoren helpen we Utrechtse melkveehouders in het Groene Hart om hun bedrijf te verduurzamen. Dat past bij ons provinciale beleid om ruimte te bieden aan experimenten voor een toekomstbestendige landbouw, zoals opgenomen in Utrechts Programma Landelijk Gebied (verder: UPLG). In het Coalitieakkoord ‘Aan de slag voor Utrecht’ is de ambitie uitgesproken om samen met de agrariërs en natuurbeheerders de sector toekomstbestendig en duurzaam te maken, zodat de natuur zich kan herstellen en er op een gezonde manier voedsel geproduceerd kan worden. Er is subsidie beschikbaar voor het doen van investeringen in emissiereductietechnieken, het uitvoeren van metingen en het monitoren. De provincie Utrecht is - net als de provincies Noord-Holland en Zuid-Holland - partner in het Fieldlab Groene Hart. Het Fieldlab is een initiatief en een samenwerkingsverband dat is ontstaan in het Groene Hart, maar rekent alle melkveehouders in de drie provincies tot onderdeel van het werkingsgebied. Het Fieldlab is opgenomen in maatregelpakket 3 “landbouw” van het UPLG. Het Fieldlab is een bottom-up initiatief van boerenorganisaties, waarbij provincies en Wageningen University of Research (WUR) zijn aangesloten.
Het Fieldlab werkt aan ‘doorbraakinnovaties’ voor duurzame melkveehouderij. Dat zijn innovaties die technisch, juridisch, financieel én maatschappelijk gezien werken. Opzet van het Fieldlab is om de komende vijf jaar 120 koplopers te helpen, waarvan 30 in provincie Utrecht.
Hierin is ruimte voor circa 20 bedrijven die voer- en managementmaatregelen toepassen en bijvoorbeeld de bestaande drijfmeststal aanpassen door een waterdruppelsysteem te installeren om de stal goed schoon te houden en de mest te verdunnen met water. De beoogde emissiereductie ammoniak in de stal, van mestopslag en van het veld is hier 50%. 10 andere bedrijven combineren dit met ‘innovatieve (stal)technieken’, bronscheidingsstallen (70% emissiereductie ammoniak in de stal, van mestopslag en van het veld).
De Fieldlabgedachte is dat koplopers hun eigen ontwikkelspoor kiezen: van extensivering tot ‘high tech’. Koplopers worden begeleid in het verduurzamen van hun bedrijf en ontwikkelen en delen onderling kennis. Zo wordt in de boerenpraktijk geleerd wat werkt en worden koplopers ambassadeur voor andere melkveehouders.
Subsidie is mogelijk in twee “fasen": een onderzoeks- en investeringsfase en een emissiemetingenfase. Melkveehouders kunnen of voor beide fasen subsidie aanvragen of voor alleen de emissiemetingenfase. Die laatste gaat dan om die gevallen waarin eerder al technieken zijn toegepast, maar nog niet is gestart met het meten en monitoren. Voor beide onderdelen is in totaal maximaal €200.000 subsidie beschikbaar, voor de emissiemetingenfase is in totaal maximaal €70.000 beschikbaar.
Melkveehouders kunnen voor 80% van de subsidiabele kosten (afhankelijk van de gewenste techniek) subsidie aanvragen voor ammoniak reducerende technieken, zodat we meer leren over de werking in de praktijk. Voorwaarde is dat in het projectplan is onderbouwd dat de techniek passend is voor het bedrijf en wat de verwachte emissiereductie is.
Doorontwikkeling parallel aan uitvoering Fieldlab
In samenwerking met provincie Noord-Holland en Zuid-Holland en het Fieldlab zetten we stappen in de uitvoering. Doel is om in 2026 tweede openstellingsronde te kunnen doen, waarin we de regeling indien nodig uitbouwen voor het onderdeel meten, monitoren & borgen.
Provincie Zuid-Holland heeft op dit moment een vergelijkbare regeling openstaan, waarin ook meten en monitoren is opgenomen – zij organiseren de kwaliteitsborging zelf. Provincie Noord-Holland kiest ervoor om meten en monitoren (waarvoor ook koplopersmiddelen beschikbaar zijn) in een latere openstellingsronde pas mee te nemen. Dat doen ze omdat ze Fieldlab-partner Wageningen University & Research (WUR) graag willen inzetten voor kwaliteitsborging.
Zo kunnen zij ervoor zorgen dat we meetdata verzamelen met 3 doelen: sturingsinformatie voor de boer, inzichten voor beleidsontwikkeling en wetenschappelijk onderzoek én bijdragen aan het borgen van innovaties. Voor dat derde doel is de wetenschappelijke kwaliteit van de data van groot belang.
Provincie Utrecht wil dit ook, op dit moment werken we een aanpak uit voor hoogwaardige meetplannen en één gedeelde, betrouwbare databank voor geanonimiseerde meetdata. Dat doen we dus in afstemming met de andere Fieldlab-provincies Noord-Holland en Zuid-Holland en met de noordelijke provincies en Overijssel. Al deze provincies hebben middelen voor meten en monitoren beschikbaar, en we willen die complementair inzetten zo dat we straks betrouwbare informatie hebben waarop we stappen kunnen zetten in vergunningverlening. We finaliseren de samenwerking dit najaar.
We onderzoeken vanuit het samenwerkingsverband rond het Fieldlab hoe we vergunningverlening binnen een experimenteeromgeving als het Fieldlab weer op gang kunnen helpen. In het najaar krijgen Fieldlab en de aangesloten provincies hierover onafhankelijk juridisch advies. Dan kunnen we op termijn ook andere innovaties opnemen in de regeling die vergunningplichtig zijn.
Integrale verduurzaming - Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw (UMDL)
We hebben in de regeling een koppeling gelegd met de integrale doelen die we nastreven. Zo hebben we de koppeling gelegd met de ervaringen uit de UMDL. We juichen het van harte toe als deelnemende melkveehouders ook deel gaan nemen aan de UMDL en uitwisseling met UMDL via agrarische collectieven wordt gestimuleerd.
Samenhang met subsidieregeling Klimaatslim Boeren Groene Hart
Rond de zomer is ook een subsidieregeling opengegaan voor het project Klimaatslim Boeren Groene Hart. Klimaatslim boeren richt zich op maatregelen tegen bodemdaling op polderniveau, terwijl deze regeling zich richt op het boerenerf.
Provincie Utrecht wil beide routes – verduurzaming op het erf, en verduurzaming op polderniveau – financieel aantrekkelijker maken voor agrariërs. We hebben in de communicatie aandacht voor de samenhang tussen deze twee regelingen en onderzoeken wat we aanvullend kunnen doen om het overzichtelijker en gemakkelijker te maken voor boeren om hulp te krijgen bij verduurzaming.
Dit hoofdstuk 18 Fieldlab Groene Hart: investeren, meten en monitoren opent van 1 november 2025 tot en met 31 januari 2026. Een tweede openstellingsronde is gepland voor begin 2026.
Er zijn geen maatregelen voorgeschreven. Het is aan de aanvragers om te komen met voorstellen. Ter inspiratie hieronder een niet-limitatieve lijst met beoogde reducerende maatregelen:
Per bedrijf zal gekeken worden wat precies gemeten en gemonitord gaat worden. Dit gebeurt onder begeleiding van de studiegroep meten en monitoren van de Stichting Fieldlab Groene Hart. Op basis van het modelmeetplan maakt de aanvrager een concept meetplan. Dit meetplan wordt beoordeeld door de studiegroep inclusief de provincie Utrecht. In samenhang met het meten met sensoren is het relevant om mest- en bodemmonsters op te nemen in het meetplan. Als een bedrijf deelneemt aan de UMDL, is in overleg met het lokale agrarische collectief, het mogelijk een mestmonster vergoed krijgen.
Dit artikel gaat over de subsidiehoogte. Voor jonge landbouwers bestaat de mogelijkheid om tot 80% subsidie aan te vragen. Indien een jonge landbouwer inschrijft geldt deze voorwaarde uiteraard alleen voor deze jonge landbouwer en niet voor de hele subsidie.
De toelichting wordt als volgt gewijzigd:
In de toelichting bij Hoofdstuk 2 Aankoop en ontpachting NNN-gronden wordt onder Activiteiten waarvoor subsidie wordt verstrekt de laatste alinea vervangen door:
Bij de afkoop van (erf)pacht (categorie b) gaat het om gronden binnen het NNN die de eigenaar in bezit heeft gekregen met de (erf)pachter er (nog) op, en waarbij de (erf)pacht de daadwerkelijke omvorming naar natuur belemmert. In beginsel geldt dat ontpachting of erfpachtvrij maken niet subsidiabel is wanneer de huidige eigenaar de (erf)pacht zelf heeft gevestigd.
Een uitzondering geldt voor (erf)pacht die vóór 1990 is gevestigd. Voor die tijd was het NNN nog niet vastgesteld en konden eigenaren redelijkerwijs niet voorzien dat hun gronden voor natuurontwikkeling waren bestemd. Met het landelijke Natuurbeleidsplan 1990 werd de Ecologische Hoofdstructuur (de voorloper van het huidige NNN) voor het eerst beleidsmatig vastgelegd.
In de toelichting bij Hoofdstuk 4 Bestrijding en beheersing invasieve exoten komt de volgende alinea te vervallen:
Naast de door de EU en van Rijkswege aangewezen invasieve soorten, kunnen provincies ook soorten aanwijzen binnen hun grondgebied die de biodiversiteit bedreigen, mits op grond van een wetenschappelijke risicobeoordeling aangetoond is of wordt dat ze de biodiversiteit bedreigen en de wettelijke zorgplicht in acht wordt genomen. Op advies van het Platform Invasieve Exoten Provincie Utrecht zijn (vooralsnog) de drie soorten Aziatische Duizendknopen, gestreepte Amerikaanse rivierkreeft en de watercrassula op de ‘Utrechtse lijst’ gezet. Deze soorten dienen op vergelijkbare wijze te worden bestreden of ‘beheerst’ als de Unielijstsoorten. Zodoende zijn ze ook meegenomen in dit hoofdstuk.
Hoofdstuk 18 Slotbepalingen wordt hernummerd naar Hoofdstuk 19 Slotbepalingen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2025-16810.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.