Besluit van Gedeputeerde Staten van Utrecht van 30 september 2025, nr. UTSP-8141755331-1316 tot wijziging van de Subsidieregeling Leefomgeving landelijk gebied provincie Utrecht

Gedeputeerde staten van Utrecht;

 

Gelet op het gestelde in de Algemene subsidieverordening provincie Utrecht 2022, de Beleidsregel exploitatiesubsidies, de Beleidsregel projectsubsidies en de Beleidsregel Toezicht en naleving subsidieverplichtingen provincie Utrecht;

 

Overwegende dat:

het gewenst is om een nieuw onderdeel Realisatie extensief kruidenrijk grasland toe te voegen aan de aan de Subsidieregeling Leefomgeving landelijk gebied;

 

het gewenst is om een nieuw onderdeel Fieldlab Groene Hart: investeren, meten en monitoren toe te voegen aan de Subsidieregeling Leefomgeving landelijk gebied;

 

het gewenst is om in hoofdstuk 2 Aankoop en ontpachting NNN-gronden in artikel 2.1 een uitzondering op te nemen ten aanzien van de subsidiabiliteit van ontpachting of erfpachtvrij maken wanneer de huidige eigenaar de (erf)pacht zelf heeft gevestigd;

 

het gewenst is om in hoofdstuk 4 Bestrijding en beheersing invasieve exoten, de randvoorwaarden te wijzigen, zodat deze overeenkomen met de wijzigingen in de Europese wet- en regelgeving en om de maximale subsidie per aanvraag op te hogen om tegemoet te kunnen komen in hogere kosten door grotere groeihaarden en oplopende marktprijzen;

 

het gewenst is om een correctie in de bijlage bij de UMDL Fruitteelt door te voeren.

 

Besluiten:

Artikel I  

De Subsidieregeling Leefomgeving landelijk gebied provincie Utrecht wordt als volgt gewijzigd:

 

A.

 

Hoofdstuk 2 Aankoop en ontpachting NNN-gronden, wordt als volgt gewijzigd:

 

Aan Artikel 2.1. wordt toegevoegd:

  • 3.

    Ontpachting of erfpachtvrij maken is niet subsidiabel indien de huidige eigenaar de (erf)pacht zelf heeft gevestigd.

  • 4.

    In afwijking van het derde lid is subsidie wel mogelijk indien de (erf)pacht vóór 1 januari 1990 is gevestigd.

B.

 

Hoofdstuk 4 Bestrijding en beheersing invasieve exoten, wordt als volgt gewijzigd:

 

Artikel 4.6 Subsidieplafond komt te luiden:

 

Het subsidieplafond bedraagt in het jaar 2025 € 500.000,-.

 

Artikel 4.7 Hoogte van de subsidie lid a. wordt gewijzigd in:

 

  • a.

    maximaal 100% van de subsidiabele kosten voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.1., eerste lid, tot een maximum van € 75.000,-.

C.

 

Na hoofdstuk 16 worden de hoofdstukken 17 en 18 ingevoegd die als volgt luiden:

 

Hoofdstuk 17 Realisatie extensief kruidenrijk grasland

 

Artikel 17.1 Subsidiecriteria

 

  • 1.

    In het kader van het provinciale meerjarendoel 2.4.1 “De landbouw is meer circulair, natuurinclusief, klimaatneutraal en economisch rendabel” kan subsidie worden verstrekt voor het uitvoeren van een project Realisatie extensief kruidenrijk grasland minimaal type 2 in de periode 2025 tot en met 2029.

  • 2.

    Subsidie wordt slechts verstrekt als de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, voldoen aan de volgende criteria:

    • a.

      Het project wordt uitgevoerd in de veenweidegebieden Utrechtse Venen, Veenweiden de Meije, Oostelijke Vechtplassen, Eemvallei, Utrechtse Waarden of Vijfheerenlanden, zoals aangegeven op de kaart in de bijlage bij dit hoofdstuk.

    • b.

      Er wordt minimaal 0,5 ha extensief kruidenrijk grasland per deelnemer gerealiseerd.

    • c.

      Het project ten behoeve van het realiseren van extensief kruidenrijk grasland minimaal type 2 omvat ten minste:

      • i.

        het uitvoeren van vooronderzoek, bijvoorbeeld bodemonderzoek, nulmeting, graslandanalyse, mestanalyse;

      • ii.

        het begeleiden van deelnemers aan het project;

      • iii.

        het optimaliseren van de bodemkwaliteit, zoals verbeteren pH en C/N-verhouding;

      • iv.

        het zo nodig inzaaien van de grond met inheemse zaadmengsels op het moment dat de bodem, afhankelijk van bodemtype, voldoende is verschraald, aangetoond met een bodemanalyse of botanische analyse, goed te keuren door het collectief;

      • v.

        het tijdelijk uitvoeren van extra bewerkingen als gevolg van beperkingen in gebruik van meststoffen en chemische bestrijdingsmiddelen;

      • vi.

        optioneel: het aanleggen van greppels als lijnvormige elementen met een breedte van minimaal 0,5 m en een lengte van minimaal 25 m. Deze greppels hebben geen landbouwkundige functie, maar worden vanuit een ecologische doelstelling (nat microreliëf) aangelegd; en

      • vii.

        het delen van opgedane kennis en ervaringen met de deelnemers en andere geïnteresseerden, uitgevoerd door gekwalificeerd en geregeld opgeleid personeel.

Artikel 17.2 Subsidieontvangers (doelgroep)

 

  • 1.

    Subsidie kan worden kan worden verstrekt aan:

    • a.

      een Collectief voor agrarisch natuurbeheer in de volgende veenweidegebieden: Utrechtse Venen, Veenweiden de Meije, Oostelijke Vechtplassen, Eemvallei, Utrechtse Waarden en Vijfheerenlanden; of

    • b.

      een samenwerkingsverband van twee of meer Collectieven werkzaam in de onder a. genoemde gebieden.

  • 2.

    Als een samenwerkingsverband als bedoeld in het eerste lid, onder b, geen rechtspersoonlijkheid bezit:

    • a.

      wordt subsidie aangevraagd door één Collectief voor agrarisch natuurbeheer; en

    • b.

      draagt het project de instemming van de andere deelnemers van het samenwerkingsverband, blijkend uit een samenwerkingsverklaring.

  • 3.

    Als eindbegunstigde van de subsidie worden grote ondernemingen uitgesloten.

  • 4.

    Voor de eindbegunstigde geldt het volgende.

    • a.

      Indien hetzij het onder een verbintenis vallende volledige areaal, of een deel ervan, hetzij het gehele bedrijf aan een andere persoon wordt overgedragen gedurende de looptijd van die verbintenis, kan de verbintenis of het deel ervan dat met de areaaloverdracht overeenstemt, voor de resterende looptijd door die andere persoon worden overgenomen of kan zij vervallen, en wordt geen terugbetaling verlangd voor de periode waarin de verbintenis daadwerkelijk is nagekomen.

    • b.

      Indien een begunstigde een aangegane verbintenis niet verder kan nakomen omdat zijn bedrijf of een deel daarvan wordt herverkaveld of binnen een ruilverkaveling van overheidswege of een door de bevoegde autoriteiten goedgekeurde ruilverkaveling valt, neemt de provincie de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de verbintenis aan de nieuwe bedrijfssituatie worden aangepast. Is deze aanpassing onmogelijk, dan eindigt de verbintenis en wordt geen terugbetaling verlangd voor de periode waarin de verbintenis daadwerkelijk is nagekomen.

    • c.

      In gevallen van overmacht en de in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde uitzonderlijke omstandigheden hoeft de ontvangen steun niet te worden terugbetaald. De uitzonderlijke omstandigheden zijn:

      • i.

        de begunstigde is overleden;

      • ii.

        de begunstigde is langdurig arbeidsongeschikt geworden;

      • iii.

        het bedrijf is zwaar getroffen door een ernstige natuurramp;

      • iv.

        de veehouderijgebouwen op het bedrijf zijn door een ongeluk verloren gegaan;

      • v.

        al het vee of alle landbouwgewassen van de begunstigde of een gedeelte ervan zijn getroffen door respectievelijk een epizoötie of een plantenziekte;

      • vi.

        het volledige bedrijf of een groot deel daarvan is onteigend, indien deze onteigening op de dag van indiening van de aanvraag niet was te voorzien.

Artikel 17.3 Aanvraag

 

  • 1.

    Subsidieaanvragen kunnen worden ingediend in de periode vanaf de inwerkingtreding van dit hoofdstuk tot en met 31 december 2025.

  • 2.

    De verdeling van het beschikbare budget vindt plaats op volgorde van binnenkomst van de aanvragen met inachtneming van artikel 2.2 AsvpU en artikel 17.7.

  • 3.

    Bij de subsidieaanvraag worden de volgende gegevens en stukken gevoegd:

    • a.

      Een projectplan met daarin ten minste:

      • i.

        het aantal ha’s extensief kruidenrijk grasland van respectievelijk type 2 en type 3 dat gerealiseerd zal worden in de projectperiode van vier jaar;

      • ii.

        een beschrijving van de wijze waarop beheer en onderhoud worden geborgd na de overgangsperiode;

      • iii.

        de wijze waarop monitoring van kwaliteit van het grasland en bodem zal plaatsvinden;

    • b.

      kaartmateriaal waaruit blijkt in welke gebieden het project wordt uitgevoerd;

    • c.

      als er sprake is van een samenwerkingsverband van meerdere deelnemers, een document waaruit de instemming blijkt van alle deelnemers van het samenwerkingsverband;

    • d.

      als voor de activiteiten toestemming en medewerking vereist zijn van de eigenaar van het leefgebied, of van degene die krachtens overeenkomst of zakelijk recht gerechtigd is tot het gebruik van het leefgebied, een document waaruit die toestemming blijkt.

Artikel 17.4 Weigeringsgronden

 

Subsidie wordt geweigerd als:

  • a.

    de subsidieaanvrager een onderneming is die in financiële moeilijkheden verkeert, als bedoeld in de Communautaire richtsnoeren inzake staatssteun voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (PbEU 2014/C 249/01);

  • b.

    er een uitstaand bevel tot terugvordering is ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard.

Artikel 17.5 Verplichtingen

 

  • 1.

    De subsidie-ontvanger is verplicht:

    • a.

      een overeenkomst te sluiten met de deelnemers aan het project Realisatie extensief kruidenrijk grasland, waarbij de subsidie-ontvanger de deelnemers selecteert;

    • b.

      De concept-overeenkomsten met de deelnemers worden ter goedkeuring voorgelegd aan de provincie Utrecht;

    • c.

      ervoor zorg te dragen dat uit de overeenkomst blijkt dat:

      • i.

        de deelnemer bereid is tot deelname aan het project gedurende in totaal vier jaar;

      • ii.

        de activiteiten, bedoeld in artikel 17.1, uiterlijk 1 jaar na de datum van de subsidieverlening worden gestart;

      • iii.

        de resultaten van de activiteiten minimaal 8 jaar na realisatie in stand worden gehouden door beheer en onderhoud;

      • iv.

        de deelnemer akkoord gaat met het afsluiten van een ANLb-beheercontract voor extensief kruidenrijk grasland, minimaal type 2, zodra dit beschikbaar komt binnen de projectperiode, voor minimaal 6 jaar;

      • v.

        het grasland niet wordt gescheurd, gespit, geploegd of gefreesd.

      • vi.

        Percelen die al meerdere jaren blijvend en/of permanent grasland komen eerder in aanmerking voor deze subsidie dan percelen die eerder bouwland (bijvoorbeeld mais) waren, en daarvoor recent gescheurd en/of geploegd zijn;

      • vii.

        geen of zeer beperkt (maximaal 100 kg N/ha/jaar) bij voorkeur vaste mest wordt opgebracht;

      • viii.

        er afspraken over beweiding zijn gemaakt;

      • ix.

        er niet voor 15 juni gemaaid wordt, tenzij dit naar het oordeel van het collectief ten behoeve van de verschraling wel gewenst is;

      • x.

        er bij voorkeur per maaibeurt minimaal 10% van de oppervlakte niet gemaaid of geklepeld wordt (ook de laatste snede voor de winter). De ligging van het niet-gemaaide deel mag per maaibeurt rouleren;

      • xi.

        aanwezige nesten en/of kuikens beschermd worden door:

        • a.

          ze te ontzien van alle landbouwkundige bewerkingen;

        • b.

          het aantoonbaar zoeken naar de nesten (nestregistratie aanwezig);

        • c.

          tenminste minimaal 50 m2 rondom gevonden nesten niet te maaien;

        • d.

          alleen overdag bij voldoende daglicht te maaien.

      • xii.

        er geen kunstmest op het perceel wordt gebruikt;

      • xiii.

        er bij voorkeur geen chemische onkruidbestrijding plaatsvindt, alleen indien noodzakelijk en met toestemming van het Collectief, pleksgewijs (max 10% van de oppervlakte) voor haarden van probleemonkruiden, zoals akkerdistel, jacobskruiskruid, brandnetel, krulzuring en ridderzuring. Handmatige onkruidbestrijding heeft de voorkeur. Chemisch glyfosaat is niet toegestaan.

  • 2.

    De subsidie-ontvanger deelt de bij de realisatie van extensief kruidenrijk grasland opgedane ervaringen en kennis ten minste éénmaal per jaar met andere (melk-)veehouders en de provincie.

  • 3.

    De subsidie-ontvanger neemt deel aan HERBGRAS (herkennen en beheren kruidenrijk grasland).

  • 4.

    Op grond van de artikelen 1.4 en 6.3 AsvpU dient de subsidie-ontvanger jaarlijks voortgangsrapportages in over het voorafgaande jaar. De rapportage, inclusief kennisuitwisselingsactiviteiten, wordt uiterlijk 1 februari ingediend bij de provincie via het door de provincie vastgestelde format voortgangsverslag. Deze rapportage bevat:

    • a.

      een financieel overzicht van de uitgekeerde bedragen aan de deelnemers; en

    • b.

      een beschrijving van de activiteiten (inclusief bodem-, water-, mest-, gras- en/of kuilanalyses) met een vergelijking tussen de begroting en daadwerkelijke uitgaven en gerealiseerde hectares.

  • 5.

    De subsidie-ontvanger voegt bij het verzoek tot vaststelling van de subsidie:

    • a.

      een verantwoording van de uitvoering van de subsidiabele activiteiten door minimaal:

      • i.

        een omschrijving of weergave van de startsituatie;

      • ii.

        een omschrijving van de uitgevoerde werkzaamheden;

      • iii.

        een omschrijving of weergave van de eindsituatie;

      • iv.

        een GIS-kaart met daarop een overzicht en locaties van de percelen met het gerealiseerde extensieve kruidenrijk grasland type 2 en 3 in hectares;

    • b.

      een verantwoording van de subsidiabele kosten.

Artikel 17.6 Subsidieplafond

 

Het subsidieplafond in 2025 bedraagt € 1.327.800,-.

 

Artikel 17.7 Hoogte van de subsidie

 

  • 1.

    De subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten.

  • 2.

    Het maximale subsidiebedrag per Collectief bedraagt:

    Lopikerwaard

    € 310.450

    Rijn, Vecht en Venen

    € 163.700

    Hollandse Venen

    € 70.700

    Eemland

    € 782.950

  • 3.

    Als door een of meer van de onder 2. genoemde collectieven een lager subsidiebedrag wordt aangevraagd dan het genoemde maximum subsidiebedrag, dan kan dit bedrag (extra) ter beschikking worden gesteld voor een of meer andere agrarische collectieven die vallen binnen het toepassingsgebied zoals aangegeven op de kaart in de bijlage bij dit hoofdstuk.

  • 4.

    Van het subsidiebedrag is € 5000,- per Collectief bestemd voor deelname aan HERBGRAS.

Artikel 17.8 Subsidiabele kosten

 

  • 1.

    De volgende kosten voor de activiteiten, bedoeld in artikel 17.1 zijn subsidiabel, mits deze aantoonbaar zijn en voldoen aan artikel 4.8 van de AsvpU en de Beleidsregel projectsubsidies:

    • a.

      plankosten, bestaande uit kosten voor:

      • i.

        vooronderzoek, waaronder bodemonderzoek, nulmeting, graslandanalyse, mestanalyse;

      • ii.

        voorbereidend onderzoek, nodig om te bepalen hoe in te richten;

      • iii.

        begeleiding van deelnemers;

      • iv.

        projectorganisatie/begeleiding;

      • v.

        delen van kennis en ervaringen met deelnemers en anderen;

      • vi.

        overige maatregelen voor zover noodzakelijk voor het project, zoals monitoring en onderzoek.

    • b.

      inrichtingskosten, bestaande uit kosten voor:

      • i.

        optimaliseren van de bodemkwaliteit (pH, C/N-verhouding, organisch stof verbeteren);

      • ii.

        inzaaien van de grond met inheemse zaadmengsels;

      • iii.

        tijdelijk uitvoeren van extra bewerkingen i.v.m. beperkingen mest/chemie;

      • iv.

        aanleggen van greppels;

      • v.

        afschrijving en/of aanschaf van voor dit project specifiek benodigde machines voor maximaal 10% van de totale inrichtingskosten;

  • 2.

    De plankosten bedoeld in lid 1. a mogen maximaal 20% van de subsidiabele kosten bedragen.

  • 3.

    De volgende kosten zijn niet subsidiabel:

    • a.

      kosten voor bouw en opstallen;

    • b.

      kosten voor parkeergelegenheid;

    • c.

      kosten voor achterstallig onderhoud;

    • d.

      kosten verband houdend met de uitvoering van wettelijke verplichtingen;

    • e.

      kosten verband houdend met de uitvoering van een (publiekrechtelijk) convenant, regeling of afspraak waardoor de aanvrager bij subsidieverlening een bedrag zou ontvangen voor kosten die hij zelf dient te dragen.

17.9 Staatssteun

 

De subsidie wordt verleend met inachtneming van het Besluit van de Europese Commissie van 26 oktober 2018, C(2018) 6937, met betrekking tot steunmaatregel SA.44848 (2017/N) (Catalogus Groenblauwe diensten).

 

Hoofdstuk 18 Fieldlab Groene Hart: investeren, meten en monitoren

 

Artikel 18.1 Subsidiabele activiteiten

  • 1.

    In het kader van het provinciale meerjarendoel 2.4.1 (de landbouw is meer circulair, natuurinclusief, klimaatneutraal en economisch rendabel) kan subsidie worden verstrekt voor een Fieldlabproject.

  • 2.

    Subsidie wordt slechts verstrekt als de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, voldoen aan de volgende criteria:

    • a.

      het Fieldlabproject bestaat uit:

      • i.

        een onderzoeks- en investeringsfase en een daaropvolgende emissiemetingenfase; of

      • ii.

        uitsluitend de emissiemetingenfase, mits de onderzoeks- en investeringsfase niet langer dan twee jaar voor de subsidieaanvraag is afgerond;

    • b.

      het Fieldlabproject duurt maximaal vier jaar;

    • c.

      het Fieldlabproject wordt uitgevoerd op één of meerdere veehouderijen waarvan de stalgebouwen gelegen zijn binnen het gebied zoals weergegeven op de kaart in de bijlage bij dit hoofdstuk;

    • d.

      het gebruik van de emissiereductietechnieken leidt, al dan niet in combinatie met managementmaatregelen, tot een deugdelijk onderbouwde verwachte emissiereductie van ten minste 50% op de betreffende veehouderij(en);

    • e.

      het Fieldlabproject draagt bij aan ten minste twee van de doelstellingen omschreven in artikel 14, derde lid onder a) tot en met g) van de Landbouwvrijstellingsverordening, waarvan ten minste één van de doelstellingen genoemd onder punten e), f) of g);

    • f.

      de metingen, de verwerking en de analyse daarvan, worden uitgevoerd door de meetinstantie in overeenstemming met het meetplan; en

    • g.

      de installatie en het onderhoud van het meetsysteem vindt plaats in overeenstemming met de op dat moment geldende emissiemeetrichtlijnen.

Artikel 18.2 Subsidieontvangers (doelgroep)

  • 1.

    De subsidie moet ten goede komen aan een samenwerkingsverband waaraan in ieder geval één veehouder deelneemt en één meetinstantie.

  • 2.

    De subsidie kan worden aangevraagd door één deelnemer van het samenwerkingsverband.

Artikel 18.3 Aanvraag

  • 1.

    Subsidieaanvragen kunnen worden ingediend van 1 november 2025 tot en met 31 januari 2026.

  • 2.

    De verdeling van het beschikbare budget vindt plaats op basis van volgorde van ontvangst van de aanvragen met inachtneming van artikel 2.2 AsvpU.

  • 3.

    Bij de subsidieaanvraag worden de volgende documenten gevoegd:

    • a.

      een kadastrale kaart, waaruit blijkt dat de stalgebouwen van de deelnemende veehouderij(en) gelegen zijn binnen het gebied zoals weergegeven op de kaart in de bijlage bij dit hoofdstuk;

    • b.

      een meetplan;

    • c.

      een document waarin alle deelnemers van het samenwerkingsverband expliciet instemmen met de subsidieaanvraag;

    • d.

      een deelnamebewijs uitgegeven door de Stichting Fieldlab Groene Hart waaruit blijkt dat de veehouder deelneemt aan het Fieldlabproject Groene Hart en zich conformeert aan de rechten en plichten ten aanzien van kennisontwikkeling en kennisdeling die voortvloeien uit deelname aan het Fieldlabproject;

    • e.

      een driejarig servicecontract met een daartoe geëigende partij voor het onderhoud van het meetsysteem;

    • f.

      een projectplan waarin ten minste is opgenomen:

      • i.

        een omschrijving van de huidige activiteiten van de veehouderij en in welke richting en op welke wijze de veehouderij wordt verwacht zich te zullen ontwikkelen;

      • ii.

        een kwantitatieve beschrijving van de huidige milieuprestaties KPI’s UMDL van de veehouderij op basis van de data in de KringloopWijzer;

      • iii.

        de te verwachten emissiereductie en de randvoorwaarden die nodig zijn om deze verwachte reductie daadwerkelijk te behalen;

      • iv.

        een beschrijving van de emissiereductietechniek(en) waarmee de veehouderij de beoogde emissiereductie gaat realiseren en op welke wijze deze kan of kunnen worden ingepast binnen de bedrijfsvoering, in combinatie met ten minste vier van de volgende onderwerpen, waarvan in ieder geval onderdeel 5 “meer duurzaam bodembeheer” deel uitmaakt:

        • 1.

          minder gebruik van gewasbeschermingsmiddelen per hectare;

        • 2.

          minder uitstoot van broeikasgassen in CO2-equivalent (eq) per hectare;

        • 3.

          minder uit- en afspoeling van nitraat en fosfaat per hectare;

        • 4.

          grotere biodiversiteit met de drie groene (natuur) KPI’s in % per hectare;

        • 5.

          meer duurzaam bodembeheer middels mest- en bodemmonsters (inclusief organische stofgehalte, pH, C/N verhouding en kalium en zwavelgehalte);

        • 6.

          meer circulariteit (bijvoorbeeld middels lager stroomgebruik kWh/koe, minder input van krachtvoer, brandstof en/of kunstmest);

        • 7.

          meer dierenwelzijn en diergezondheid (zoals de uren weidegang);

      • v.

        de noodzaak van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet voor de uitvoering van het Fieldlabproject op de betreffende veehouderij(en);

      • vi.

        een begroting van de kosten van de emissiereductietechnieken op basis van onafhankelijke offertes;

      • vii.

        de financiële haalbaarheid voor de veehouderij van de eigen investeringskosten in de te (huur)kopen emissiereductietechnieken; en

      • viii.

        de financiële levensvatbaarheid van de betreffende veehouderij(en).

  • 4.

    Als voor de uitvoering van het Fieldlabproject een omgevingsvergunning is vereist als bedoeld in de Omgevingswet, dient elke bij de subsidieaanvraag betrokken veehouderij bij de subsidieaanvraag te beschikken over:

    • a.

      een onherroepelijke omgevingsvergunning, met zo nodig een voorafgaande milieueffectbeoordeling als bedoeld in artikel 14, vijfde lid van de Landbouwvrijstellingsverordening;

    • b.

      een verleende omgevingsvergunning, indien een omgevingsvergunning nog niet onherroepelijk is, maar wel is verleend;

    • c.

      een ontvangstbevestiging van het bevoegd gezag dat de aanvraag voor een omgevings-vergunning is ingediend; of

    • d.

      een door het bevoegd gezag afgegeven schriftelijke verklaring waarin zij het Fieldlabproject gedoogt.

  • 5.

    Als de veehouderij bij de subsidieaanvraag niet voldoet aan het vereiste uit het vierde lid, dan kunnen Gedeputeerde Staten de subsidie verlenen onder de voorwaarde dat de bij de subsidie betrokken veehouderij alsnog aan voornoemd vereiste voldoet binnen de in de subsidiebeschikking bepaalde termijn.

  • 6.

    Als voor het Fieldlabproject geen omgevingsvergunning vereist is als bedoeld in de Omgevingswet, dient elke bij de subsidieaanvraag betrokken veehouderij te beschikken over een document, onderbouwing of motivering waaruit genoegzaam blijkt dat een omgevingsvergunning niet vereist is.

Artikel 18.4 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd als:

  • a.

    een bij de subsidieaanvraag betrokken onderneming reeds voor dezelfde activiteiten subsidie op grond van een andere subsidieregeling heeft aangevraagd of ontvangen;

  • b.

    een bij de subsidieaanvraag betrokken onderneming een onderneming is die in financiële moeilijkheden verkeert, als bedoeld in de Communautaire richtsnoeren inzake staatssteun voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (PbEU 2014/C 249/01);

  • c.

    het Fieldlabproject de financiële levensvatbaarheid van de veehouder in gevaar brengt;

  • d.

    met de uitvoering van het Fieldlabproject naar verwachting de maximale emissie op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt overschreden;

  • e.

    het Fieldlabproject deels of geheel in strijd is met één van de doelstellingen vermeld in artikel 14 derde lid onder e), f) en g) van de Landbouwvrijstellingsverordening;

  • f.

    met de uitvoering van de subsidiabele activiteit is begonnen voordat de aanvraag om subsidie is ingediend, met uitzondering van het opstellen van een projectplan;

  • g.

    de uitvoering van het Fieldlabproject leidt een verminderd niveau van dierenwelzijn of van brandveiligheid op de betrokken veehouderij(en);

  • h.

    de aangevraagde subsidie minder bedraagt dan € 25.000,00 per aanvraag;

  • i.

    de activiteit op grond van het project- of het meetplan naar verwachting van de provincie niet zal leiden tot de in artikel 18.1 lid 2 onder d genoemde emissiereductie;

  • j.

    het meetplan of de meetinstantie niet voldoet aan de emissiemeetrichtlijnen of het modelmeetplan van de Stichting Fieldlab Groene Hart.

Artikel 18.5 Verplichtingen

  • 1.

    De subsidie-ontvanger is verplicht:

    • a.

      gedurende ten minste twee achtereenvolgende jaren na het in werking stellen van het meetsysteem, de metingen uit te voeren voor een periode van minimaal 3 jaar;

    • b.

      gedurende drie achtereenvolgende jaren na het in werking stellen van het meetsysteem aan te leveren aan Stichting Fieldlab Groene Hart hetzij (i) de uitdraai van de Kringloopwijzer of (ii) de KPI’s 1 t/m 9, 13 en 14 van de UMDL (eventueel met behulp van de tool van de UMDL);

    • c.

      de metingen uit te voeren in overeenstemming met het meetplan;

    • d.

      gedurende drie achtereenvolgende jaren na het in werking stellen van het meetsysteem deel te nemen aan de Studiegroep meten en monitoren Fieldlab Groene Hart;

    • e.

      de voor het Fieldlabproject relevante data over de veehouderij te delen met de Stichting Fieldlab Groene Hart en toestemming te geven dat zijn data (anoniem) worden gedeeld met onderzoekers en provincie Utrecht;

    • f.

      alle meetgegevens en -resultaten te verstrekken aan de Stichting Fieldlab Groene Hart op het door de Stichting Fieldlab Groene Hart ter beschikking gestelde onafhankelijke digitale platform voor dataopslag ten behoeve van analyse, onderzoek en/of beleidsontwikkeling;

    • g.

      de bevindingen en de resultaten van het Fieldlabproject geanonimiseerd en geaggregeerd toegankelijk te laten maken op een openbare website; en

    • h.

      de resultaten van de emissiemetingenfase gedurende vijf jaar beschikbaar te houden vanaf de datum waarop de resultaten op internet beschikbaar zijn gesteld.

  • 2.

    Op grond van de artikelen 1.4 en 6.3 AsvpU dient de subsidieontvanger jaarlijks voortgangsrapportages in over het voorafgaande jaar. De rapportage wordt uiterlijk 1 februari ingediend bij de provincie via het door de provincie vastgestelde format voortgangsverslag. De opzet van dit verslag bestaat uit twee onderdelen:

    • a.

      een inhoudelijk verslag van de inhoudelijke voortgang overeenkomstig de planning van de activiteiten; en

    • b.

      een financieel overzicht waarin inzichtelijk is gemaakt wat de werkelijk gemaakte kosten en nog te verwachten kosten zijn ten opzichte van de bij de aanvraag ingediende begroting.

Artikel 18.6 Subsidieplafond

Het subsidieplafond bedraagt € 1.800.000,- voor de in artikel 18.3, eerste lid genoemde openstellingsperiode.

 

Artikel 18.7 Hoogte van de subsidie

  • 1.

    De subsidie bedraagt minimaal € 25.000 en maximaal € 200.000 waarvan maximaal € 70.000 voor de subsidiabele kosten genoemd in artikel 18.8 onderdeel b.

  • 2.

    De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal:

    • a.

      65% van de subsidiabele kosten, genoemd in artikel 18.8 onderdeel a; en

    • b.

      100% van de subsidiabele kosten, genoemd in artikel 18.8 onderdeel b.

  • 3.

    Het percentage uit het tweede lid onder a kan worden verhoogd:

    • a.

      tot maximaal 80% voor:

      • i.

        investeringen in emissiereductietechnieken die verband houden met een of meer specifieke milieu- en klimaatgerelateerde doelstellingen vermeld in artikel 14 derde lid onder e), f) en g) van de Landbouwvrijstellingsverordening; en

      • ii.

        investeringen door jonge landbouwers;

    • b.

      tot maximaal 100% voor niet-productieve investeringen in emissiereductietechnieken die verband houden met de milieu- en klimaatgerelateerde doelstellingen vermeld in artikel 14 derde lid onder e), f) en g) van de Landbouwvrijstellingsverordening.

Artikel 18.8 Subsidiabele kosten

De volgende kosten voor de activiteiten, bedoeld in artikel 18.1 zijn subsidiabel, mits deze aantoonbaar zijn en voldoen aan artikel 4.8 van de AsvpU en de Beleidsregel projectsubsidies:

  • a.

    de koop of huurkoop van emissiereductietechnieken en hiermee verband houdende algemene kosten, zoals het inschakelen van adviseurs, het uitvoeren van haalbaarheidsstudies en het (laten) opstellen van een projectplan;

  • b.

    het aanschaffen en installeren van een meetsysteem door de meetinstantie, in combinatie met:

    • i.

      het laten opstellen van een meetplan door de meetinstantie voor het meten van het effect van het gebruik van de emissiereductietechnieken op de betreffende veehouderij(en);

    • ii.

      de uitvoering van het meetplan door de meetinstantie waaronder het meten, monitoren, verzamelen en doorleveren van de meetdata aan de Stichting Fieldlab Groene Hart; en

    • iii.

      een driejarig servicecontract met een daartoe geëigende partij voor het onderhoud van het meetsysteem.

Artikel 18.9 Staatssteun

Subsidie wordt verstrekt met inachtneming van artikel 14 of artikel 38 van de Landbouwvrijstellingsverordening, met inbegrip van de in die artikelen genoemde verwijzingen.

 

Artikel 18.10 Vaststelling

  • 1.

    Gedeputeerde Staten kunnen naar aanleiding van een inhoudelijk onderbouwd, schriftelijk verzoek van de subsidieaanvrager, het in het artikel 18.1 lid 2 onder b genoemde tijdvak verlengen.

  • 2.

    De subsidieontvanger voegt bij het verzoek tot vaststelling van de subsidie:

    • a.

      een verantwoording van de uitvoering van de subsidiabele activiteiten door minimaal:

      • i.

        een omschrijving of weergave van de startsituatie met behulp van het project- en meetplan;

      • ii.

        een omschrijving van de uitgevoerde werkzaamheden;

      • iii.

        een omschrijving of weergave van de eindsituatie aan de hand van de onderdelen van het project- en meetplan; en

    • b.

      een verantwoording van de subsidiabele kosten.

D.

 

In de bijlage bij Hoofdstuk 1 artikel 1.1 Begripsbepalingen worden op alfabetische volgorde ingevoegd:

  • -

    emissiemeetrichtlijnen: de meest recent gepubliceerde richtlijnen voor het bepalen van emissies uit veestallen, opgesteld door Wageningen University & Research en gepubliceerde op de website Fieldlabgroenehart.nl;

  • -

    emissiereductie: de reductie van emissies van ammoniak en methaan uit mest;

  • -

    emissiereductietechnieken: (stal)technieken, uitrusting, systemen, machines en installaties die, al dan niet in combinatie met elkaar en/of met managementmaatregelen, aantoonbaar kunnen bijdragen aan de emissiereductie op de betreffende veehouderij(en);

  • -

    extensief kruidenrijk grasland type 2: grassenmix-plus (12-17 soorten/25 m2, 75-100 kg N/ha/jaar), zoals beschreven in de Veldgids, ontwikkelen van kruidenrijk grasland van Wim Schipper (2023);

  • -

    extensief kruidenrijk grasland type 3: gras-kruidenmix (15-25 soorten/25 m2, 50-75 kg N/ha/jaar), zoals beschreven in de Veldgids, ontwikkelen van kruidenrijk grasland van Wim Schipper (2023);

  • -

    Fieldlabproject: een samenwerkingsproject gericht op het onderzoeken van (doorbraak)innovaties op het gebied van brongerichte emissiereducties in de provincie Utrecht;

  • -

    HERBGRAS: project van Wageningen Universiteit in samenwerking met BoerenNatuur en andere partners, met als doel de monitoring van zowel de genomen beheersmaatregelen als de kruidenrijkdom van graslanden te automatiseren en data te verzamelen waarmee huidige grasgroei modellen uitgebreid kunnen worden naar alle typen grasland;

  • -

    inheems zaad: zaad van een plantensoort waarvan Nederland tot het oorspronkelijke verspreidingsgebied hoort;

  • -

    meetinstantie: de entiteit die (i) samen met de veehouder het meetplan opstelt, (ii) voldoet aan de vereisten van de emissiemeetrichtlijnen en (iii) verantwoordelijk is voor het meten en monitoren;

  • -

    meetplan: document dat ten behoeve van één of meer veehouderijen is opgesteld door de meetinstantie in het kader van het Fieldlabproject, in overeenstemming met de emissiemeetrichtlijnen en het modelmeetplan van de Stichting Fieldlab Groene Hart en waarin de KPI’s 1 tot en met 9, 13 en 14 van de UMDL zijn verwerkt;

  • -

    meetsysteem: totaal van alle benodigde onderdelen om de emissiereducties en overige meet- en monitoringsresultaten te bepalen in overeenstemming met de emissiemeetrichtlijnen;

  • -

    overgangsfase: periode die nodig is om te komen tot Extensief kruidenrijk grasland type 2 of 3;

  • -

    Studiegroep meten en monitoren Fieldlab Groene Hart: samenwerkingsverband tussen de veehouders, meetinstanties en de Stichting Fieldlab Groene Hart ten behoeve van de uitwisseling van de resultaten en ervaringen van de metingen;

  • -

    UMDL: Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw, zie Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw | provincie Utrecht

  • -

    veehouder: landbouwer die landbouwproducten produceert door middel van het houden van dieren;

  • -

    veehouderij: een eenheid die grond, gebouwen en voorzieningen omvat die door een veehouder wordt gebruikt voor de productie van primaire dierlijke landbouwproducten;

E.

 

De bijlage bij hoofdstuk 12 bij hoofdstuk 12 Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw Fruitteelt wordt in Onderdeel B: scoretabel Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw, voor de fruitteelt het volgende gewijzigd, het gaat om kleine tekstuele aanpassingen ter verduidelijking:

 

In de regel 1. Variatie in soorten windhagen, worden de getallen in de kolom Score fruitteler gewijzigd in:

> 5

3 - 5

2

 

In de regel 16. Herkomst organische meststoffen (verhogen) worden de %-tekens achter de getallen (tweede kolom) vervangen door kg/ha.

 

F.

 

Na de bijlage bij Hoofdstuk 15 Wolfwerende rasters wordt ingevoegd:

 

Bijlage bij Hoofdstuk 17 Realisatie extensief kruidenrijk grasland

 

Het toepassingsgebied van hoofdstuk 17 bestaat uit de groen omlijnde UPLG-gebieden.

 

 

Bijlage bij Hoofdstuk 18 Fieldlab Groene Hart: investeren, meten en monitoren

Het toepassingsgebied van hoofdstuk 18 bestaat uit de bruine gekleurde gebieden met de aanduiding “Landschap Groene Hart”.

 

 

G.

 

Aan de toelichting wordt toegevoegd:

 

Hoofdstuk 17 Realisatie extensief kruidenrijk grasland

 

Algemene toelichting

Deze subsidie betreft niet-productieve investeringen om extensief kruidenrijk grasland te realiseren, gedurende een beperkte overgangsperiode, tot aan de beheerfase. Het toekomstige beheer van deze kruidenrijke graslanden kan worden gesubsidieerd via het Agrarisch Natuur en Landschapsbeheer (ANLb). Daarvoor wordt door de Utrechtse agrarische collectieven gewerkt aan een extra uitbreiding van het ANLb voor agrariërs die type 2 en 3 kruidenrijk grasland realiseren. Dit wordt in de monitoring (via HERB, landelijk monitoringsproject in voorbereiding met onder andere de WUR en BoerenNatuur) en schouw door de collectieven dan ook meegenomen. Deze regeling betreft geen beheersubsidie, het gaat om investeringskosten en inkomstenderving in de overgangsfase, is deze investeringssubsidie als overbrugging bedoeld.

In het maatregelpakket 2 UPLG is deze maatregel opgenomen onder 1d. Aanleg /optimaliseren van kruidenrijk grasland en verhogen bodemkwaliteit. Onder deze maatregel valt de voorbereiding van het perceel en de daadwerkelijke teelt. Kruidenrijk grasland draagt bij aan meerdere doelen binnen de veenweiden gebieden in het UPLG:

  • 1.

    Kruidenrijk grasland kan de sponswerking van de (veen)bodem vergroten door onder andere opbouw van organische stof op de bodem. Verschillende kruiden hebben een betere droogteresistentie dan gras. Sommige kruiden wortelen dieper dan gras, waardoor ze water uit diepere lagen kunnen halen, terwijl andere kruiden goed kunnen doorgroeien onder drogere omstandigheden. Een grote diversiteit aan wortelstructuren verhoogt het watervasthoudend vermogen en beschikbaarheid van voedingsstoffen in van de bodem.

  • 2.

    Kruiden kunnen nutriënten beter vasthouden en benutten, wat uitspoeling tegengaat en de waterkwaliteit verbetert.

  • 3.

    Kruiden in combinatie met bodemleven en beweiding hebben een positief effect op de biodiversiteit. Ze leiden tot een toename van bodemleven en insectenpopulaties, wat effect heeft op andere lagen van de voedselketen, zoals weidevogels. Tevens kan de diversiteit aan grassen en kruiden bijdragen aan de gezondheid van vee en een betere eiwitbenutting (lager ruw eiwit). Ca. 20-25% kruidenrijk grasland bijvoeren bij melkvee, verlaagt de melkgift niet en draagt bij aan structuurrijk voer voor de koe.

Om kruidenrijk grasland optimaal aan te leggen zijn grondmonsters nodig. De aanwezigheid van nutriënten bepaalt bijvoorbeeld de benodigde inrichtingsmaatregelen. De vervolgstappen zijn bijvoorbeeld verschraling, lichte grondbewerking, de aanschaf van kruidenrijk graszaad en het (door)inzaaien. Door het bodemleven te optimaliseren is soms bekalken/mineralen op het perceel aanbrengen nodig. Compost(thee), vaste mest of verschralen zijn mogelijke maatregelen die kunnen helpen de bodem te verbeteren. Verbetering van het bodemleven zorgt voor meer voedsel voor de weidevogels, de biodiversiteit. Door het bodemleven te optimaliseren wordt de bodem weerbaarder voor zowel natte als droge periodes. Betere en gevarieerde doorworteling zorgt voor het minder snel uitspoelen van mineralen in het oppervlakte- en grondwater. Het kunnen verhogen van de bodemkwaliteit start met het bepalen van de huidige bodemkwaliteit door middel van grondmonsters.

 

Hoofdstuk 18 Fieldlab Groene Hart: investeren, meten en monitoren

 

Algemene toelichting

Met het hoofdstuk Fieldlab Groene Hart: investeren, meten en monitoren helpen we Utrechtse melkveehouders in het Groene Hart om hun bedrijf te verduurzamen. Dat past bij ons provinciale beleid om ruimte te bieden aan experimenten voor een toekomstbestendige landbouw, zoals opgenomen in Utrechts Programma Landelijk Gebied (verder: UPLG). In het Coalitieakkoord ‘Aan de slag voor Utrecht’ is de ambitie uitgesproken om samen met de agrariërs en natuurbeheerders de sector toekomstbestendig en duurzaam te maken, zodat de natuur zich kan herstellen en er op een gezonde manier voedsel geproduceerd kan worden. Er is subsidie beschikbaar voor het doen van investeringen in emissiereductietechnieken, het uitvoeren van metingen en het monitoren. De provincie Utrecht is - net als de provincies Noord-Holland en Zuid-Holland - partner in het Fieldlab Groene Hart. Het Fieldlab is een initiatief en een samenwerkingsverband dat is ontstaan in het Groene Hart, maar rekent alle melkveehouders in de drie provincies tot onderdeel van het werkingsgebied. Het Fieldlab is opgenomen in maatregelpakket 3 “landbouw” van het UPLG. Het Fieldlab is een bottom-up initiatief van boerenorganisaties, waarbij provincies en Wageningen University of Research (WUR) zijn aangesloten.

Het Fieldlab werkt aan ‘doorbraakinnovaties’ voor duurzame melkveehouderij. Dat zijn innovaties die technisch, juridisch, financieel én maatschappelijk gezien werken. Opzet van het Fieldlab is om de komende vijf jaar 120 koplopers te helpen, waarvan 30 in provincie Utrecht.

Hierin is ruimte voor circa 20 bedrijven die voer- en managementmaatregelen toepassen en bijvoorbeeld de bestaande drijfmeststal aanpassen door een waterdruppelsysteem te installeren om de stal goed schoon te houden en de mest te verdunnen met water. De beoogde emissiereductie ammoniak in de stal, van mestopslag en van het veld is hier 50%. 10 andere bedrijven combineren dit met ‘innovatieve (stal)technieken’, bronscheidingsstallen (70% emissiereductie ammoniak in de stal, van mestopslag en van het veld).

De Fieldlabgedachte is dat koplopers hun eigen ontwikkelspoor kiezen: van extensivering tot ‘high tech’. Koplopers worden begeleid in het verduurzamen van hun bedrijf en ontwikkelen en delen onderling kennis. Zo wordt in de boerenpraktijk geleerd wat werkt en worden koplopers ambassadeur voor andere melkveehouders.

Subsidie is mogelijk in twee “fasen": een onderzoeks- en investeringsfase en een emissiemetingenfase. Melkveehouders kunnen of voor beide fasen subsidie aanvragen of voor alleen de emissiemetingenfase. Die laatste gaat dan om die gevallen waarin eerder al technieken zijn toegepast, maar nog niet is gestart met het meten en monitoren. Voor beide onderdelen is in totaal maximaal €200.000 subsidie beschikbaar, voor de emissiemetingenfase is in totaal maximaal €70.000 beschikbaar.

Melkveehouders kunnen voor 80% van de subsidiabele kosten (afhankelijk van de gewenste techniek) subsidie aanvragen voor ammoniak reducerende technieken, zodat we meer leren over de werking in de praktijk. Voorwaarde is dat in het projectplan is onderbouwd dat de techniek passend is voor het bedrijf en wat de verwachte emissiereductie is.

 

Doorontwikkeling parallel aan uitvoering Fieldlab

In samenwerking met provincie Noord-Holland en Zuid-Holland en het Fieldlab zetten we stappen in de uitvoering. Doel is om in 2026 tweede openstellingsronde te kunnen doen, waarin we de regeling indien nodig uitbouwen voor het onderdeel meten, monitoren & borgen.

Provincie Zuid-Holland heeft op dit moment een vergelijkbare regeling openstaan, waarin ook meten en monitoren is opgenomen – zij organiseren de kwaliteitsborging zelf. Provincie Noord-Holland kiest ervoor om meten en monitoren (waarvoor ook koplopersmiddelen beschikbaar zijn) in een latere openstellingsronde pas mee te nemen. Dat doen ze omdat ze Fieldlab-partner Wageningen University & Research (WUR) graag willen inzetten voor kwaliteitsborging.

Zo kunnen zij ervoor zorgen dat we meetdata verzamelen met 3 doelen: sturingsinformatie voor de boer, inzichten voor beleidsontwikkeling en wetenschappelijk onderzoek én bijdragen aan het borgen van innovaties. Voor dat derde doel is de wetenschappelijke kwaliteit van de data van groot belang.

Provincie Utrecht wil dit ook, op dit moment werken we een aanpak uit voor hoogwaardige meetplannen en één gedeelde, betrouwbare databank voor geanonimiseerde meetdata. Dat doen we dus in afstemming met de andere Fieldlab-provincies Noord-Holland en Zuid-Holland en met de noordelijke provincies en Overijssel. Al deze provincies hebben middelen voor meten en monitoren beschikbaar, en we willen die complementair inzetten zo dat we straks betrouwbare informatie hebben waarop we stappen kunnen zetten in vergunningverlening. We finaliseren de samenwerking dit najaar.

 

Vergunningverlening

We onderzoeken vanuit het samenwerkingsverband rond het Fieldlab hoe we vergunningverlening binnen een experimenteeromgeving als het Fieldlab weer op gang kunnen helpen. In het najaar krijgen Fieldlab en de aangesloten provincies hierover onafhankelijk juridisch advies. Dan kunnen we op termijn ook andere innovaties opnemen in de regeling die vergunningplichtig zijn.

 

Integrale verduurzaming - Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw (UMDL)

We hebben in de regeling een koppeling gelegd met de integrale doelen die we nastreven. Zo hebben we de koppeling gelegd met de ervaringen uit de UMDL. We juichen het van harte toe als deelnemende melkveehouders ook deel gaan nemen aan de UMDL en uitwisseling met UMDL via agrarische collectieven wordt gestimuleerd.

 

Samenhang met subsidieregeling Klimaatslim Boeren Groene Hart

Rond de zomer is ook een subsidieregeling opengegaan voor het project Klimaatslim Boeren Groene Hart. Klimaatslim boeren richt zich op maatregelen tegen bodemdaling op polderniveau, terwijl deze regeling zich richt op het boerenerf.

Provincie Utrecht wil beide routes – verduurzaming op het erf, en verduurzaming op polderniveau – financieel aantrekkelijker maken voor agrariërs. We hebben in de communicatie aandacht voor de samenhang tussen deze twee regelingen en onderzoeken wat we aanvullend kunnen doen om het overzichtelijker en gemakkelijker te maken voor boeren om hulp te krijgen bij verduurzaming.

 

Vervolgprocedure

Dit hoofdstuk 18 Fieldlab Groene Hart: investeren, meten en monitoren opent van 1 november 2025 tot en met 31 januari 2026. Een tweede openstellingsronde is gepland voor begin 2026.

 

Artikelsgewijze toelichting

 

Artikel 18.3 lid 3, d

Er zijn geen maatregelen voorgeschreven. Het is aan de aanvragers om te komen met voorstellen. Ter inspiratie hieronder een niet-limitatieve lijst met beoogde reducerende maatregelen:

  • de aanschaf van een staltechniek ten behoeve van de aanpassing van een stalgebouw naar het huisvestingssyteem;

  • de aanschaf van een koetoilet;

  • een beweidingssysteem;

  • een druppel-/vernevelings-/sproei- of spoelinstallatie;

  • modulaire, verwijderbare emissiearme vloeren;

  • een stikstofkraker/-stripper;

  • een mestrobot;

  • een mestvergister

Artikel 18.5

Per bedrijf zal gekeken worden wat precies gemeten en gemonitord gaat worden. Dit gebeurt onder begeleiding van de studiegroep meten en monitoren van de Stichting Fieldlab Groene Hart. Op basis van het modelmeetplan maakt de aanvrager een concept meetplan. Dit meetplan wordt beoordeeld door de studiegroep inclusief de provincie Utrecht. In samenhang met het meten met sensoren is het relevant om mest- en bodemmonsters op te nemen in het meetplan. Als een bedrijf deelneemt aan de UMDL, is in overleg met het lokale agrarische collectief, het mogelijk een mestmonster vergoed krijgen.

 

Artikel 18.7 lid 3

Dit artikel gaat over de subsidiehoogte. Voor jonge landbouwers bestaat de mogelijkheid om tot 80% subsidie aan te vragen. Indien een jonge landbouwer inschrijft geldt deze voorwaarde uiteraard alleen voor deze jonge landbouwer en niet voor de hele subsidie.

 

H.

 

De toelichting wordt als volgt gewijzigd:

 

In de toelichting bij Hoofdstuk 2 Aankoop en ontpachting NNN-gronden wordt onder Activiteiten waarvoor subsidie wordt verstrekt de laatste alinea vervangen door:

Bij de afkoop van (erf)pacht (categorie b) gaat het om gronden binnen het NNN die de eigenaar in bezit heeft gekregen met de (erf)pachter er (nog) op, en waarbij de (erf)pacht de daadwerkelijke omvorming naar natuur belemmert. In beginsel geldt dat ontpachting of erfpachtvrij maken niet subsidiabel is wanneer de huidige eigenaar de (erf)pacht zelf heeft gevestigd.

Een uitzondering geldt voor (erf)pacht die vóór 1990 is gevestigd. Voor die tijd was het NNN nog niet vastgesteld en konden eigenaren redelijkerwijs niet voorzien dat hun gronden voor natuurontwikkeling waren bestemd. Met het landelijke Natuurbeleidsplan 1990 werd de Ecologische Hoofdstructuur (de voorloper van het huidige NNN) voor het eerst beleidsmatig vastgelegd.

 

In de toelichting bij Hoofdstuk 4 Bestrijding en beheersing invasieve exoten komt de volgende alinea te vervallen:

 

Naast de door de EU en van Rijkswege aangewezen invasieve soorten, kunnen provincies ook soorten aanwijzen binnen hun grondgebied die de biodiversiteit bedreigen, mits op grond van een wetenschappelijke risicobeoordeling aangetoond is of wordt dat ze de biodiversiteit bedreigen en de wettelijke zorgplicht in acht wordt genomen. Op advies van het Platform Invasieve Exoten Provincie Utrecht zijn (vooralsnog) de drie soorten Aziatische Duizendknopen, gestreepte Amerikaanse rivierkreeft en de watercrassula op de ‘Utrechtse lijst’ gezet. Deze soorten dienen op vergelijkbare wijze te worden bestreden of ‘beheerst’ als de Unielijstsoorten. Zodoende zijn ze ook meegenomen in dit hoofdstuk.

 

I.

 

Hoofdstuk 18 Slotbepalingen wordt hernummerd naar Hoofdstuk 19 Slotbepalingen.

Artikel II Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal blad waarin het wordt geplaatst.

Aldus vastgesteld in de vergadering van Gedeputeerde Staten van Utrecht van 30 september 2025.

Voorzitter,

mr. J.H. Oosters

Secretaris,

mr. drs. A.G. Knol-van Leeuwen

Naar boven