Provinciaal blad van Groningen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Reactietermijn |
|---|---|---|---|---|
| Groningen | Provinciaal blad 2025, 15558 | ander besluit van algemene strekking | 05-11-2025 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Reactietermijn |
|---|---|---|---|---|
| Groningen | Provinciaal blad 2025, 15558 | ander besluit van algemene strekking | 05-11-2025 |
Vaststelling Natuurbeheerplan Groningen 2026
[Een deel van de tekst van deze bekendmaking is overeenkomstig artikel 7 lid 2 Bekendmakingswet bekendgemaakt en hier beschikbaar: Kaarten Natuurbeheerplan Groningen 2026.]
GEDEPUTEERDE STATEN VAN DE PROVINCIE GRONINGEN
Gedeputeerde Staten van Groningen (GS) maken bekend dat zij 26 augustus 2025 het Natuurbeheerplan Groningen 2026 hebben vastgesteld. In dit Natuurbeheerplan Groningen geven GS aan waar, welke subsidies voor natuur- en landschapsbeheer op basis van het Subsidiestelsel voor Natuur en Landschap (SNL) van toepassing zijn.
Het Ontwerp Natuurbeheerplan Groningen 2026 heeft van 16 april tot 28 mei 2025 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is eenieder in staat gesteld om schriftelijk of mondeling zijn of haar zienswijzen over het ontwerp kenbaar te maken. GS hebben de reacties behandeld in de Nota Reacties en Commentaar Natuurbeheerplan Groningen 2026. Naar aanleiding van de reacties is het Natuurbeheerplan Groningen aangepast.
GS hebben ervoor gekozen om bij de vaststelling van het Natuurbeheerplan Groningen de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure te volgen. Dat betekent dat belanghebbenden die gereageerd hebben op het Ontwerp, belanghebbenden met bezwaren tegen de ten opzichte van het Ontwerp aangebrachte wijzigingen, of belanghebbenden die redelijkerwijs niet verweten kan worden dat zij niet eerder gereageerd hebben op het Ontwerp, binnen zes weken na bekendmaking van het vaststellingsbesluit een beroepschrift in kunnen dienen bij de Rechtbank Groningen, sector Bestuursrecht, Postbus 150, 9700 AD Groningen. Het beroepschrift moet worden ondertekend en moet ten minste bevatten: naam en adres van de indiener, dagtekening, omschrijving van het besluit waartegen het beroep is gericht en de gronden van het beroep.
Het Natuurbeheerplan Groningen 2026 en de nota Reacties en Commentaar Natuurbeheerplan 2026 Groningen liggen digitaal ter inzage 24 september 2025 tot 5 november 2025. Indien de digitale terinzagelegging op moeilijkheden stuit, kan er contact worden opgenomen met onderstaand telefoonnummer.
Voor nadere inlichtingen over het Natuurbeheerplan Groningen 2026 kunt u zich wenden tot de Provincie Groningen, Team Natuur, Domein Beleid, telefoon 050-316 4329. Wij vertrouwen erop u hiermee voldoende geïnformeerd te hebben.
Hierbij de link naar de kaarten:
Kaarten Natuurbeheerplan Groningen 2026
Het Natuurbeheerplan Groningen 2026 en het kaartmateriaal zijn tevens beschikbaar op de provinciale website.
1. Wat is het Natuurbeheerplan?
Voor u ligt het Natuurbeheerplan Groningen 2026. Dit plan beschrijft de beleidsdoelen en de subsidiemogelijkheden voor de ontwikkeling en het beheer van natuurgebieden, agrarische natuur en landschapselementen in de provincie. Het natuurbeheerplan is verankerd in het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL) 2016. Dit stelsel bestaat uit: de ‘Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer 2016’ (SVNL2016) voor het beheer van natuur en landschap en de ‘Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap 2016’ (SKNL2016) voor investeringen in natuur en landschap (omvorming, inrichting en kwaliteitsontwikkeling).
De provincie stelt de kaders voor de uitvoering van het natuur- en landschapsbeheer door dit Natuurbeheerplan vast te stellen. Het Natuurbeheerplan geeft aan waar welke natuur aanwezig is en welke beheerdoelen hiervoor gelden. Daarnaast financiert de provincie een aanzienlijk deel van de kosten voor de ontwikkeling en het beheer van natuur door middel van subsidies. Het Natuurbeheerplan vormt de basis voor de aanvraag van deze subsidies.
Het plan is geen statisch document. De provincie kan de inhoud van de plantekst en de kaarten, indien nodig, jaarlijks aanpassen. Hoewel het Natuurbeheerplan de laatste tijd met een jaarlijkse frequentie is aangepast, kan het plan voor meerdere jaren gelden tot GS of PS weer een nieuw Natuurbeheerplan vaststellen.
1.2 Doel en status natuurbeheerplan
Het natuurbeheerplan is een beleidskader om het Europese, rijks- en provinciale natuur- en landschapsbeleid te realiseren. Het gaat daarbij om bestaande natuurgebieden, gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt, landbouwgebieden die worden beheerd volgens agrarisch natuurbeheer en de Natura 2000-gebieden. Het Natuurbeheerplan beschrijft per (deel)gebied welke natuur- en landschapsdoelen nagestreefd worden. Het plan bevat de begrenzing van de natuur- en agrarische natuurgebieden, met name toegespitst op de internationale biodiversiteitsdoelen en de internationale natuurgerichte agromilieu, water en klimaat doelen. Het plan is het beleidskader voor het provinciale natuurbeleid en ook voor de implementatie van artikel 65 van het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid- Nationaal Strategisch Plan (GLB-NSP)). Het plan is verankerd in de SVNL en SKNL en daarmee kaderstellend voor de SNL-subsidies.
In het Natuurpact en de overeenkomst met de Manifestpartijen zijn afspraken gemaakt om naast internationale soortendoelen ook internationale Kaderrichtlijn Water (KRW)-doelen op te nemen. Als waterschappen voor waterbeheerdiensten (Blauwe diensten) gebruik willen maken van EU-cofinanciering dan kan dit uitsluitend via gebiedsaanvragen van agrarische collectieven, het Natuurbeheerplan en de SVNL2016. De waterschappen geven daarvoor aan voor welke waterdoelen welke waterbeheerdiensten nodig zijn, inclusief randvoorwaarden en prioriteiten.
In het GLB-NSP is afgesproken om naast de internationale soortendoelen, KRW doelen ook klimaatdoelen op te nemen. Het kader hiervoor wordt gevormd door het Klimaatakkoord, de nationale klimaatadaptatiestrategie en de bossenstrategie. Er wordt ingezet op klimaatadaptatie en mitigatie, zoals bijvoorbeeld verminderen effecten extreme weersomstandigheden door water-, bodem- en teeltmanagement, reductie uitstoot broeikasgassen.
Begrenzing van natuur en landschap
In het Natuurbeheerplan zijn de Natura 2000-gebieden, het Natuur Netwerk Nederland, de ecologische verbindingszones en de agrarische gebieden met natuurwaarden aangeduid (‘begrensd’). De begrenzing van de Natura 2000-gebieden, het Natuur Netwerk Nederland en de ecologische verbindingszones is vastgelegd op de begrenzingenkaart.
Bepalen van huidige en gewenste beheerdoelen van natuurgebieden
In het Natuurbeheerplan zijn de huidige en de gewenste beheerdoelen voor de Natura 2000-gebieden, het Natuur Netwerk Nederland en agrarische gebieden met natuurwaarden opgenomen. In dit plan begrenst en beschrijft de provincie de gebieden waar subsidiëring van beheer en ontwikkeling van natuur, agrarische natuur en landschapselementen plaats kan vinden. De begrenzing is aangeduid op twee kaarten: de beheertypenkaart en de ambitiekaart.
De vaststelling van het Natuur Netwerk Nederland in planologisch opzicht is vastgesteld in de omgevingsverordening. Het natuurbeheerplan heeft geen planologische consequenties en heeft dus geen invloed op eigenomsrechten of bestaande gebruiksmogelijkheden.
Het Natuurbeheerplan bevat geen bindende regels of verplichtingen voor burgers. Ook kunnen er geen rechten aan worden ontleend; opname van een terrein in het Natuurbeheerplan leidt dus niet vanzelfsprekend tot een positief besluit over subsidiëring van het beheer. Het zorgt er alleen voor dat beheerders en gecertificeerde agrarische collectieven van de gronden die zijn begrensd als natuurgebied, als agrarische natuur of als landschapselement de mogelijkheid krijgen om subsidie aan te vragen voor het beheer van deze gronden. Ook is het mogelijk om subsidie aan te vragen voor natuurgerichte agromilieu, klimaat en waterdoelen.
2.1 Europees kader natuur en landschap
Het Natuurbeheerplan is gebaseerd op het vigerend beleid voor het landelijk gebied voor water, milieu en ruimtelijke ordening van de Europese Unie, het Rijk en de provincie. In dit hoofdstuk lichten wij de belangrijkste onderdelen van het vigerend beleid en de recente ontwikkelingen toe.
De lidstaten van de EU hebben gezamenlijk specifieke wetten en beleidsdoelen vastgesteld voor het instandhouden van bepaalde planten- en diersoorten en natuurlijke habitats van internationale betekenis via de Vogel- en Habitatrichtlijn (VR/HR) en Natura 2000, voor de instandhouding van gezonde watersystemen (Kaderrichtlijn water) en voor een schoon milieu (Nitraatrichtlijn). De Europese Commissie (EC) ziet er op toe dat de lidstaten deze afspraken nakomen.
Naast de bovenstaande beleidskaders is zowel de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer 2016 (SVNL2016) als de Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap 2016 (SKNL2016) getoetst op staatssteun. Op basis van de Richtsnoeren voor de land en bosbouwsector heeft de Europese Commissie goedkeuring verleend aan de beide modelverordeningen en hebben de provincies zich daarmee gecommitteerd aan de bijbehorende vereisten.
Voor het platteland zijn door de EC beleidsdoelen en regels vastgesteld met betrekking tot de verduurzaming en vergroening van de landbouw. Dit wordt concreet geëffectueerd in de vorm van het GLB-NSP 2023-2027.
Het motto van het Nederlandse Strategisch Plan (NSP) is ‘Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) gaat toekomstbestendig boeren beter belonen. Alle 9 doelen moeten in samenhang aan de orde komen, afhankelijk van de behoeften van de lidstaat. Daarin is de lidstaat niet helemaal vrij, het GLB kent een aantal Europese vereisten. Daarnaast worden ook de nationale vereisten meegenomen in het uit te werken Nationaal Strategisch Plan.
Het GLB-NSP staat in het teken van de noodzaak om een toekomstbestendige landbouw te realiseren, aan de hand van 9 Europese specifieke doelstellingen en een overkoepelende opgave tot innoveren, netwerken en digitaliseren. Het GLB-NSP moet ook ingezet worden voor de Green Deal, met in het bijzonder de strategieën Farm2Fork (Boer tot Bord) en Biodiversiteit.
Met het GLB-NSP zetten rijk, provincies en waterschappen samen de beleidslijnen uit voor beide subsidiefondsen van het GLB, zowel het Plattelandsfonds (pijler 2), als het Garantiefonds (pijler 1). Het Garantiefonds wordt deels ingezet via het nieuwe instrument ecoregelingen en door budget over te hevelen naar het plattelandsfonds, waardoor meer ruimte ontstaat voor investeringen, innovatie, samenwerken en kennisoverdracht voor toekomstgerichte bedrijven en verbreding en optimalisatie van het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb).
Duidelijk is inmiddels dat ecoregelingen en conditionaliteiten uit pijler 1 van het GLB-NSP en het agrarisch natuur- en landschapsbeheer uit pijler 2 van het GLB-NSP naast elkaar kunnen worden ingezet en elkaar kunnen versterken. Ook is het mogelijk om ze beiden in te zetten mits zogenaamde double funding voorkomen wordt (dit betekent dat voor hetzelfde perceel niet twee keer subsidie mag worden verleend). De ecoregelingen en conditionaliteiten hebben een meer nationale generieke invulling (met regionale gebiedsgerichte accenten) Het herstel en instandhouding van habitats en landschappen vergt een integrale aanpak die past bij het gebied. Het ANLb richt zich op gebiedsgerichte activiteiten die boeren samen ondernemen om doelsoorten en doelen uit de opgave Water en Klimaat te ondersteunen.
De bijdrage die de Nederlandse lidstaat levert aan het agro milieu en klimaat is vastgelegd in het GLB-NSP fiche (art. 65), waarin de ambitie van Nederland is aangeduid. Het agrarisch natuurbeleid, het ecologisch waterbeheer en klimaatdoelen worden gekoppeld aan het ANLb en worden deels gefinancierd met Europees geld. Daarmee moet de uitvoering van het agrarisch natuurbeheer inclusief natuurgerelateerde water- en klimaatdoelen voldoen aan het GLB-NSP fiche. In het fiche (fiche voor goedkeuring van het ANLb in Brussel) zijn drie leefgebieden (open grasland, open akkerland, dooradering) en de categorieën water en klimaat opgenomen.
Op 18 augustus 2024 is de Europese natuurherstelverordening in werking getreden. Deze verordening verplicht lidstaten om doeltreffende maatregelen te treffen om de natuur te herstellen, continu te verbeteren en niet te laten verslechteren. Het bevat oplopende kwantitiatieve doelstellingen voor terrestrische, kust- en zoetwaterecosystemen en mariene ecosystemen die nu niet in goede conditie verkeren, voor 2030, 2040 en 2050. Ook zijn er aanvullende doelstellingen, bijvoorbeeld voor landbouwecosystemen. Daarnaast gelden er verplichtingen m.b.t. het opstellen van een nationaal natuurherstelplan, monitoring en verslaglegging.
Alle artikelen van de verordening zijn direct van toepassing. Op dit moment wordt uitgewerkt welke aanpassingen van het Rijks- en provinciaal beleid noodzakelijk zijn. Dit heeft daarom nog niet tot aanpassing in dit natuurbeheerplan geleid.
2.2 Rijksbeleid natuur en landschap
Het Rijk stelt in het kader van de internationale verplichtingen op hoofdlijnen de ambities voor de agromilieu- en klimaatdiensten vast en geeft de kaders aan waarbinnen die ambities gerealiseerd kunnen worden.
Het Rijksbeleid heeft zich de afgelopen jaren ontwikkeld langs twee lijnen: de eerste lijn betreft het versterken en verbeteren van het bestaande natuurbeleid. Dit richt zich op natuurgebieden en de directe omgeving daarvan. Denk hierbij aan de uitvoering van het Natuurpact (2013) door de provincies. Daarnaast heeft het Rijk verantwoordelijkheid voor het beheren en verbeteren van natuur in de grote wateren, duurzame bescherming van de Noordzee en het verder ontwikkelen van de Nationale Parken. Met het Programma Natuur is in het kader van de stikstofaanpak extra geld beschikbaar gesteld voor natuurherstel en -ontwikkeling met een focus op stikstofgevoelige natuurgebieden. De tweede lijn gaat over het verbreden van het natuurbeleid naar andere sectoren en domeinen. Hierin past de transitie naar een natuurinclusieve samenleving, waaronder de transitie in de landbouw richting kringlooplandbouw. Hierin werkt het Ministerie van LVVN via o.a. de Agenda Natuurinclusief, het Deltaplan Biodiversiteitsherstel en Basiskwaliteit Natuur samen met provincies en maatschappelijke partijen aan de transitie naar een natuurinclusieve samenleving.
De uitvoering van het stimuleringsbeleid voor natuur en platteland is met ingang van 2014 gedecentraliseerd naar de provincies en vastgelegd in een decentralisatieakkoord 2014-2027 en een Natuurpact van overheden en maatschappelijke organisaties. Dit is op 18 september 2013 door staatssecretaris Dijksma aangeboden aan de Tweede kamer. In dit Natuurpact zijn de ambities vastgelegd met betrekking tot ontwikkeling en beheer van natuur in Nederland voor de periode tot en met 2027. Het Rijk draagt bij aan de realisatie van deze ambities door jaarlijks extra te investeren in natuur. De onderdelen van deze ambities zijn:
Ontwikkeling Robuust Natuurnetwerk Nederland (NNN) inclusief Natura 2000-gebieden. Het NNN moet een robuuste ruggengraat van de natuur in Nederland zijn. Dat gaat gebeuren door hem te vergroten, te verbeteren en belangrijke natuurlijke verbindingen te realiseren tussen natuurgebieden onderling en tussen natuurgebieden en hun omgeving.
Soortenbescherming; Bescherming van afzonderlijke plant- en diersoorten is nodig vanwege Europese verplichtingen en afspraken waaraan Nederland zich in internationaal verband heeft gecommitteerd (VR/HR). Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het NNN door het nemen van juridische en/of fysieke maatregelen, die vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren.
Agrarisch natuurbeheer; het ANLb kan buiten en binnen het NNN worden toegepast. De uitvoering van het agrarisch natuurbeheer moet eenvoudiger en met minder kosten, en zal een duidelijke meerwaarde voor natuur, landschap en agrarisch ondernemerschap moeten opleveren. Het ANLb moet vooral worden ingezet voor het beschermen en verbeteren van internationale soorten.
Natuur en water; Er zijn diverse mogelijkheden om de ontwikkeling van de natuur, de vergroting van het NNN en de aanpak van de Natura 2000-gebieden optimaal te laten samengaan met het verbeteren van de condities van de kwantiteit en de kwaliteit van het water. Er wordt daarbij maximale synergie gezocht met maatregelen om te voldoen aan de KRW en de Nitraatrichtlijn.
Aanpak Ruimte voor Landbouw en Natuur
Het ministerie van LVVN heeft het Nationaal Programma Landelijk Gebied stopgezet en in de kamerbrief van 29 november 2024 aangekondigd deze te vervangen door de aanpak Ruimte voor Landbouw en Natuur. Deze aanpak beoogt een bijdrage te leveren aan het behalen van wettelijke doelstellingen voor natuur-, water en klimaat. Concreet betreft het de Europese doelen van de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR), de Natuurherstelverordening (NHV), de Kaderrichtlijn water (KRW) en de (Europese) Klimaatverplichtingen voor de landbouw. Ook zal er in het kader van de inbreukprocedure voor de grutto, specifieke aandacht worden besteed aan uitbreiding van het ANLb bij weidevogelkerngebieden (met name ten behoeve van de grutto). Deze aanpak wordt momenteel uitgewerkt door het Rijk, in samenwerking met de provincies.
Daarnaast is er naar aanleiding van twee rechterlijke uitspraken een ministeriële commissie Economie en Natuurherstel opgericht, die moet komen met een programma van maatregelen gericht op een gegarandeerde vermindering van stikstofuitstoot en natuurherstel.
In de loop van 2025 wordt meer bekend over de inhoud van deze beleidslijnen.
De provincies zijn – op grond van het decentralisatieakkoord natuur – volledig verantwoordelijk voor de uitvoering van het natuurbeleid. De doelen en middelen worden door de provincies vastgelegd in onder andere dit natuurbeheerplan.
In dit provinciale Natuurbeheerplan, dat de kaders en ambities bevat waarbinnen een subsidieaanvraag kan worden ingediend, is aangegeven in welke gebieden bepaalde natuur-, agromilieu- en klimaatdiensten ingezet kunnen worden.
Het provinciale beleid geeft invulling aan het Europese en Rijksbeleid en voegt daar provinciale doelen aan toe. Provincies houden bij de uitvoering van het natuurbeleid, conform de door Nederland geratificeerde Europese Landschapsconventie, rekening met beleidsdoelen van andere overheden en activiteiten in het landelijk gebied, zoals het waterbeleid, recreatiebeleid en milieubeleid, zodat synergie kan worden bereikt.
De waterdoelen zijn in 2015 door de provincies vastgesteld in een omgevingsvisie en recent geactualiseerd in het Regionaal Waterplan (2021). Als waterschappen voor waterbeheerdiensten gebruik willen maken van EU-cofinanciering dan kan dit uitsluitend via gebiedsaanvragen van agrarische collectieven, het Natuurbeheerplan en de SVNL2016. De waterschappen geven daarvoor aan voor welke waterdoelen welke waterbeheerdiensten nodig zijn, inclusief randvoorwaarden en prioriteiten.
De basis van het provinciaal beleid voor natuur en landschap is vastgelegd in de Beleidsnota Natuur 2013-2021 "Groningen Groen van Wad tot Westerwolde" en de Visie op agrarisch natuur- en landschapsbeheer, aangevuld met het actieplan Akkervogel (2022) en het actieplan Weidevogel (2018).
3. Subsidiestelsel Natuur en Landschap
Het beschermen van dieren en planten is belangrijk voor de mens. Deze bescherming vindt plaats om ecologische, economische en ethische redenen. De diversiteit van dieren en planten verhoogt de spankracht van de natuur (ecologie). Daarnaast is de biodiversiteit een belangrijke productiefactor (economie). Ten slotte worden dieren en planten vanwege hun intrinsieke waarde beschermd (ethiek). De provincie hecht veel belang aan het behoud en de ontwikkeling van de provinciale natuur. Daarom verleent zij daarvoor subsidie via het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL).
De provincie bepaalt in het Natuurbeheerplan in welke gebieden natuurbeheerders, natuurcollectieven en agrarische collectieven subsidie kunnen krijgen voor (agrarisch) natuur- en landschapsbeheer, blauwe diensten en klimaatdiensten. In het Natuurbeheerplan liggen de verschillende natuurbeheer- en landschapsbeheertypen van de Index Natuur en Landschap voor percelen en/of terreinen vast. Subsidie is alleen mogelijk voor het beheertype dat in het Natuurbeheerplan is aangegeven en begrensd.
Subsidie voor beheer en kwaliteitsimpulsen
In het Subsidiestelsel Natuur en Landschap wordt een onderscheid gemaakt tussen financiering van het beheer van de bestaande natuur en landschap en eenmalige investeringen ter verbetering van de natuurkwaliteit (kwaliteitsimpulsen). De subsidie voor het beheer van natuur, agrarische natuur en landschapselementen is geregeld in de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer 2016 (SVNL2016). De subsidie voor de kwaliteitsimpulsen is geregeld in de Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap 2016 (SKNL2016). Voor meer informatie over de subsidieverordening- en regelingen en subsidiemogelijkheden zie https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/subsidiestelsel-natuur-en-landschap/verordeningen/.
3.1. De Index Natuur en Landschap
De basis voor het Natuurbeheerplan vormt de Index Natuur en Landschap. Deze Index is een landelijk uniforme en sterk gestandaardiseerde “natuurtaal” waarin de Nederlandse natuur- en landschapselementtypen worden vastgelegd. De Index is van belang voor de aanduiding van de natuur- en landschapsdoelen door de overheid en voor de monitoring en bevordert ook een goede afstemming tussen beheerders onderling en tussen beheerders en overheden.
De Index Natuur en Landschap bestaat uit de onderdelen natuur, agrarische natuur en landschapselementen. In de Index worden twee niveaus onderscheiden: de natuurtypen voor de sturing op landelijk niveau en de beheertypen voor de operationele aansturing van het beheer op regionaal en lokaal niveau. Voor de begrenzing in het natuurbeheerplan en de subsidieverlening wordt voor het natuurbeheer het niveau van de beheertypen gebruikt. Voor het agrarisch natuurbeheer kan ook het niveau van natuurtypen worden gebruikt.
De natuurtypen zijn bedoeld als sturings- en verantwoordingsinstrument op landelijk niveau. Daarbij valt te denken aan afspraken en rapportages tussen rijk en provincies. De beheertypen zijn geschikt voor de aansturing van het beheer op interprovinciaal, provinciaal en lokaal niveau. Zij vormen de basis voor afspraken over doelen en middelen tussen provincie en beheerder.
In de Index Natuur en Landschap worden de natuurtypen, landschapstypen en agrarische natuurtypen en beheertypen beschreven.
Voor meer informatie over de Index Natuur en Landschap zie onderdeel thema ‘Index Natuur en Landschap’ op www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap.
3.2 Natuurbeheerplan: beheertypenkaart en ambitiekaart
Het natuurbeheerplan kent een beheertypenkaart en een ambitiekaart. Zij vormen met de beschrijving van de doelen de kern van het plan.
De beheertypenkaart geeft alle bestaande en beheerwaardige (agrarische) natuur en landschap weer met de benamingen volgens de landelijk uniforme systematiek van de Index Natuur en Landschap. Met de beheertypenkaart stimuleert de provincie de instandhouding van de op die kaart aangegeven en begrensde beheertypen. Deze kaart vormt ook de basis voor het verlenen van beheersubsidies op grond van de SVNL.
Voor een deel van de natuurgebieden en agrarische gebieden met natuurwaarden bestaat een ambitie om het huidige gebruik of beheer te veranderen. Het verschil tussen de beheertypenkaart en de ambitiekaart laat zien waar een verbetering van de natuurkwaliteit mogelijk en wenselijk is. De ambitiekaart vormt de basis voor de (subsidiëring van) kwaliteitsimpulsen op grond van de SKNL.
De SKNL is niet van toepassing op inrichting op agrarische gronden ten behoeve van het agrarisch natuurbeheer.
Het verstrekken van subsidies voor beheer en voor kwaliteitsimpulsen draagt bij aan de realisatie van het in hoofdstuk 2 bescheven beleid en de in hoofdstuk 4 beschreven provinciale natuur- en landschapsdoelen.
Zowel de beheertypenkaart als de ambitiekaart zijn afgestemd op de beheerplannen die in het kader van Natura 2000 worden opgesteld. Het kaartmateriaal is onderdeel van dit Natuurbeheerplan.
3.2.1 Beheertypenkaart - Beheersubsidie natuur en landschap op grond van de SVNL
Voor natuurbeheer staat op de beheertypenkaart aangegeven welke gebieden voor subsidie in aanmerking komen (zie kaartbijlage(n) 1). Op de beheertypenkaart wordt alle bestaande natuur weergegeven. Per natuurterrein en/of perceel is één beheertype toegekend en een beheerder komt alleen voor financiering van het aangewezen beheertype in aanmerking. Indien er nog geen bestaand beheertype aanwezig is, wordt het op de ambitiekaart als type N00.01 aangegeven. Dit betekent dat hier ontwikkeling tot een gewenst beheertype uit de ambitiekaart nodig is. Deze gronden komen niet direct, maar pas na inrichting c.q. functieverandering voor beheersubsidie in aanmerking. Voor het bepalen van het dan gewenste beheertype moet vaak nog aanvullend onderzoek gedaan worden.
Op bestaande natuur kan ook subsidie voor landschapsbeheer worden verstrekt. Op de beheertypenkaart is aangegeven voor welke landschapselementen subsidies landschapsbeheer kunnen worden verstrekt. Individuele landschapselementen die in natuurbeheergebied liggen en door de provincie als zodanig worden erkend, zijn op de beheertypenkaart aangegeven.
3.2.2 Ambitiekaart - Functieverandering op grond van de SKNL
Landbouwgronden die op de ambitiekaart beheertype N00.01 hebben, kunnen definitief worden omgezet in natuur, waarbij de waardevermindering van de grond wordt vergoed. Ook particulieren komen voor deze vergoeding in de vorm van subsidie functieverandering in aanmerking. De particulieren zijn en blijven in dat geval eigenaar van de gronden. Voor deze functieverandering bestaat sinds 2005 een fiscale vrijstelling. Particulier natuurbeheer is een belangrijk middel voor de realisatie van het Natuur Netwerk Nederland.
3.2.3 Ambitiekaart - Investeringen / kwaliteitsverbetering op grond van de SKNL
Op de ambitiekaart is aangegeven in welke gebieden gebruik kan worden gemaakt van een investeringssubsidie voor een kwaliteitsimpuls. Op de beheertypenkaart kan nu bijvoorbeeld bos zijn aangegeven, terwijl het de bedoeling is om hier heide te ontwikkelen. De investeringssubsidie kan worden gebruikt voor de verandering van bos naar heide. Na het toekennen van de subsidie (vanuit SKNL) en het uitvoeren van de inrichtingsmaatregelen zal de beheertypenkaart en daarmee het natuurbeheerplan moeten worden aangepast zodat er voor heide beheersubsidie kan worden verkregen op basis van de SVNL.
De investeringssubsidie kan gericht zijn op:
SKNL is voor het agrarisch natuurbeheer niet van toepassing op het nemen van inrichtingsmaatregelen op landbouwgrond om de kwaliteit van een aanwezig agrarisch beheertype te verhogen. Investeringen ten behoeve van het ANLb zijn nader uitgewerkt in het GLB-NSP.
Voor de specifieke voorwaarden met betrekking tot de verlening van een investeringssubsidie wordt verwezen naar www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap.
3.2.4 Beheertypenkaart – ANLb, water en klimaat
Voor het agrarisch natuur- en landschapsbeheer (ANLb) onderscheiden de provincies de volgende drie leefgebieden: open grasland, open akkerland en dooradering. Deze drie leefgebieden zijn de drie agrarische natuurtypen van de Index Natuur en Landschap. Daarnaast wordt gewerkt met een categorie water en een categorie klimaat.
In het Natuurbeheerplan worden deze drie agrarische natuurtypen en de categorieën water en klimaat als zoekgebieden op de beheertypenkaart aangeduid. Alleen binnen de begrenzing van de zoekgebieden is subsidie voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer mogelijk.
Voor de drie agrarische natuurtypen worden voor de mix aan beheertypen subsidiecriteria meegegeven. Deze criteria beschrijven de instapeisen voor een ecologisch effectieve subsidieaanvraag.
Bij de begrenzing van de zoekgebieden in het Natuurbeheerplan en de keuze op welke soorten wordt ingezet, houdt de provincie rekening met de naastgelegen provincies. Dit om een goed afgestemd soortenbeleid over de provincies te garanderen.
Er wordt naar gestreefd om het agrarisch natuur- en landschapsbeheer in te zetten in de meest kansrijke gebieden voor stabiele populaties. Hierbij is de versterking van en/of verbinding voor het Natuur Netwerk Nederland (NNN) een belangrijk uitgangspunt. Tevens is het gericht op kansrijkheid voor soorten die (deels) afhankelijk zijn van het agrarische cultuurlandschap.
Op de beheertypenkaart worden de doelstellingen voor specifieke soorten of soortengroepen binnen de agrarische beheertypen niet aangeduid. Welke specifieke doelstellingen de provincie heeft m.b.t. soorten of soortengroepen wordt beschreven in hoofdstuk 4.
Voor het zoekgebied water is in hoofdstuk 4 aangegeven op welke blauwe diensten ingezet kan worden en welke criteria daarvoor gelden. Dit geldt ook voor het zoekgebied klimaat.
Voor agrarisch natuurbeheer staat op de beheertypenkaart aangegeven welke leefgebieden, categorieën voor subsidie in aanmerking komen.
Er wordt gewerkt aan het provinciaal monitoringplan in samenwerking met de beheerders. De provincie heeft in 2015 het provinciaal meerjarenprogramma monitoring vastgesteld met als belangrijk onderdeel daarin de rapportagecyclus. Op basis van dit meerjarenprogramma wordt jaarlijks de monitoring voor zowel natuur in de natuurgebieden als natuur in de agrarische gebieden uitgevoerd.
Monitoring is een essentieel onderdeel van de beheercyclus. De uitvoering van het natuurbeleid en beheer dient onderzocht te worden om te weten of de afgesproken doelen ook gehaald en zo nodig bijgesteld moeten worden. Behalve informatie over de gerealiseerde hectares en het daarvoor benodigde geld (kwantiteit), is ook informatie nodig over de resultaten in termen van bijv. aantallen dieren en planten (kwaliteit).
Voor de monitoring van het (agrarisch) natuurbeheer is een uniforme landelijke systematiek ontworpen.
Voor de monitoring van het natuurbeheer is door de gezamenlijke provincies in overleg met de natuurbeheerders een methodiek vastgesteld, die is beschreven in de “Werkwijze Monitoring en Beoordeling Natuurnetwerk en Natura 2000/PAS”, die te vinden is op de website van BIJ12 (https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/productencatalogus/methodieken/werkwijze-monitoring/). Hierin wordt per beheertype beschreven welke monitoring noodzakelijk is en hoe deze moet worden uitgevoerd. Op de website van BIJ12 zijn ook bijlagen en achtergronddocumenten te downloaden.
Gecertificeerde natuurbeheerders hebben het recht om de monitoring zelf uit te (laten) voeren en krijgen daarvoor een monitoringssubsidie gebaseerd op de monitoringstarieven zoals vastgesteld in het openstellingsbesluit. Voor de overige natuurbeheerders voert de provincie de monitoring uit.
Agrarisch natuur- en landschapsbeheer
Voor de monitoring van het agrarisch natuurbeheer is in 2016 een systematiek ontwikkeld. Daarin wordt onderscheid gemaakt tussen beheermonitoring (het verzamelen van natuurgegevens die nodig zijn om het beheer (beter) uit te voeren) en beleidsmonitoring (het verzamelen van gegevens om de realisatie van de beleidsdoelen (op provinciaal, landelijk en Europees niveau) te evalueren).
De verantwoordelijkheid voor de beheermonitoring bij het agrarisch natuurbeheer ligt bij de agrarische collectieven, de provincies zijn verantwoordelijk voor de beleidsmonitoring.
De blauwe diensten worden ingezet op een bijdrage aan de waterkwaliteit van de KRW-watergangen en het verhogen van het waterbergend vermogen. Hiervoor is een bestaand monitoringsprogramma van waterschappen en provincies (kwaliteit en kwantiteit) via welke lijn de toestand en ontwikkeling van de betreffende parameters worden gemonitord. Dit betekent dat voor blauwe diensten niet een apart monitoringsprogramma ontwikkeld hoeft te worden.
Klimaatmaatregelen worden ingezet om een bijdrage te leveren aan CO2 vastlegging en het reduceren van broeikasgassen. Daarnaast wordt er ingezet op klimaatadaptatie door middelen van vernatten, het opvangen van waterpieken en droogte en omgaan met verzilting.
Er is voor klimaatmaatregelen (ANLb) momenteel geen specifiek beleidsmonitoringsprogramma ontwikkeld
4. Natuur- en Landschapsdoelen
Dit natuurbeheerplan geeft invulling aan het in hoofstuk 2 beschreven natuur- en landschapsbeleid van de Europese Unie, het Rijk, de provincie en waterschappen.
In dit hoofdstuk worden de beleidsdoelen en criteria beschreven ten aanzien van onze natuur, landschaps- en waterdoelen. Hieraan zullen de subsidieaanvragen van natuurbeheerders en de gebiedsaanvragen van de agrarische collectieven worden getoetst.
4.1 Integrale gebiedsbeschrijving en visie op behoud en ontwikkeling
4.1.1 Wierdenland, Waddenkust en Oldambt
De kenmerkende landschapskwaliteiten bestaan uit de openheid, oude dijken, wierden, maren, erven en groene linten (Oldambt). Voor het agrarisch landschapsbeheer zijn de oude dijken, de wierden en de maren de hoofdelementen. Daarnaast zijn er bijbehorende elementen zoals kolken bij dijken en contoursloten bij wierden.
In het Wierdenland zijn er mogelijkheden voor weidevogelbeheer. De weidevogelgebieden liggen in veel gevallen rondom NNN-natuurgebieden die ook mede bedoeld zijn voor weidevogels, bijvoorbeeld het Reitdiepdal, Hoeksmeer en Medenertilsterpolder. Daarnaast zijn er weidevogelgebieden met alleen beheer op agrarisch land: de Winsumermeeden en Crangeweer (bij Stedum). Akkervogelbeheer is mogelijk in een binnendijkse schil langs de Noordkust. Voor veel vogelsoorten is de combinatie tussen kwelders en aangrenzend akkergebied van belang. In het Oldambt is akkervogelbeheer mogelijk in gebieden die niet gedomineerd worden door melkveehouderij.
Belangrijke natuurgebieden in dit deel van de provincie zijn de kwelders langs de noordkust, het Lauwersmeergebied en het Reitdiepdal. Het natuurbeheer op de kwelders is erop gericht de verruiging met zeekweek terug te dringen en daarmee de diversiteit op de kwelders te vergroten. Dit wordt gerealiseerd door een mozaïek van beweidingsregimes, zowel wat betreft de vee-dichtheid als het type vee. Het Lauwersmeergebied is een internationaal belangrijk moeras- en watergebied. De schaal van dit natte en geregeld met oppervlaktewater overstroomde gebied leent zich voor een beheerstrategie gericht op de ontwikkeling van het beheertype 'Rivier- en moeraslandschap'. Op beperkte schaal is er ruimte voor ontwikkeling van vochtige duinvalleien en natuurlijke bossen. In het Reitdiepdal en de Medenertilsterpolder is behoud en versterking van de weidevogelpopulatie het belangrijkste beheerdoel. In het Oldambt ligt een belangrijke natuurkern rondom de Blauwe stad. Het natuurbeheer is gericht op ontwikkeling van een parkachtig landschap, bestaande uit bloemrijke graslanden, vochtig schraalgrasland, moeras, rietland en ruigte, struweel, mantel- en zoombegroeiingen en bossen.
4.1.2 Zuidelijk Westerkwartier
De landschap- en natuurwaarden in sommige gebieden van de provincie zijn waardevol omdat ze een besloten of kleinschalig karakter hebben. Dit komt door de aanwezigheid van bos, houtsingels of andere begroeiing langs de rand van percelen. Het zuidwesten van de provincie is zo’n gebied dat aangeduid wordt als het Zuidelijk Westerkwartier. Het bestrijkt het gebied rond de dorpen Marum, Leek, Grootegast en het zuidelijke deel van Zuidhorn (gemeente Westerkwartier). Het gebied reikt tot aan de provinciegrens met Friesland in het westen en de provinciegrens met Drenthe in het zuiden. De kenmerkende landschapskwaliteiten in het Zuidelijk Westerkwartier bestaan uit hogere zandruggen (gasten) met houtsingels afgewisseld met open laagveengebieden waar percelen door sloten worden gescheiden. Dit worden ook wel de hoofdelementen genoemd. Daarnaast zijn er bijbehorende elementen zoals pingoruïnes en petgaten. Voor de uitwerking van het beheer van houtsingels: zie het rapport Houtsingelhoofdstructuur ZWK Groningen.
In de lager gelegen open natte graslandgebieden is het agrarisch natuurbeheer gericht op het beheer en het ontwikkelen van goede weidevogelbiotopen. De goede weidevogelgebieden zijn in dit plan begrensd als weidevogelkerngebied.
Het Leekstermeergebied, Dwarsdiep/Matslootgebied, de Doezumermieden en de Grootegastermolenpolder zijn belangrijke onderdelen van het Natuurnetwerk Nederland. In de open laagveengebieden wordt de ontwikkeling van vochtige hooilanden en bloemrijke graslanden nagestreefd. Deze graslanden zijn zowel in botanisch opzicht als ook voor kritische weidevogels van betekenis. In combinatie met beekherstel langs het Dwarsdiep/de Matsloot zal hier ook de oppervlakte moeras toenemen. In de petgaten-gebieden (o.a. Doezumermieden) is inrichting en beheer gericht op het ontstaan van een mozaïek van open water, moeras, moerasbos, vochtige hooilanden en bloemrijke graslanden. Op de hogere zandgronden wordt gestreefd naar versterking van natuur- en landschapswaarden die kenmerkend zijn voor kleinschalige gebieden, zoals bosjes, poelen, houtsingels en bloemrijke graslanden.
Westerwolde ligt in het zuidoosten van de provincie. Het landschap in Westerwolde maakt onderdeel uit van de gemeenten Stadskanaal en Westerwolde. De oudste nederzettingen (Sellingen, Vlagtwedde, Onstwedde en Wedde) zijn ontstaan op de zandruggen langs de Ruiten Aa, de Mussel Aa en het Pagediep. Rondom het dal van de Westerwoldse Aa ligt het jongere landschap van de heideontginningen die onlosmakelijk verbonden waren met het landbouwsysteem van essen. Westerwolde heeft altijd een natuurlijke begrenzing gehad door het Bourtangerveenmoeras in het oosten tot aan de grens met Duitsland. Vanuit het noorden was het gebied toegankelijk via de Westerwoldse Aa waarlangs een zandweg liep. Westerwolde wordt in het westen en zuiden begrensd door de veenkoloniën van Stadskanaal en Ter Apel. Westerwolde wordt gekenmerkt door esdorpen. Ze liggen langs de kronkelende Ruiten Aa aan wegen met een lanenstructuur die de essen omzomen. Langs de Ruiten Aa is zo een hoofdroute ontstaan door Westerwolde. Langs de wegen is bebouwing ontstaan. De bebouwing is niet planmatig, maar is verspreid en is organisch gegroeid. Vanaf de hogere zandruggen lopen houtwallen en -singels naar de lagergelegen beekdalen. De kenmerkende landschapskwaliteiten in Westerwolde bestaan uit hogere zandruggen met essen, waar de kronkelende beek van de Ruiten Aa door heen loopt. Vanaf de zandrug lopen houtwallen en - singels richting het lagergelegen beekdal. De wegdorpen van Blijham en Bellingwedde horen bij Westerwolde. Deze dorpen liggen op een glaciale zandrug en vallen van verre op door hun ‘groene linten’, bestaande uit zware beplanting. Essen, houtwallen en beekdalen zijn in dit gebied de hoofdelementen. Daarnaast zijn er bijbehorende elementen. Eerst wordt het belang van een goed beheer beschreven voor de hoofdelementen van Westerwolde.
In het agrarisch gebied aansluitend op Westerwolde is akkervogelbeheer mogelijk dat zich richt op vogelsoorten van besloten gebied (zoals de patrijs en de geelgors). Oostelijk van Westerwolde is akkervogelbeheer ook mogelijk voor vogelsoorten van open landschap zoals de veldleeuwerik.
Door ontwikkeling van nieuwe natuurgebieden in het beekdal van de Ruiten Aa - Westerwoldse Aa worden bestaande natuurterreinen aaneengeschakeld tot een groot samenhangend natuurgebied. Door hermeandering wordt het natuurlijke karakter van de Ruiten Aa hersteld. Het natuurbeheer op de lage gronden langs de beek is gericht op ontwikkeling van vochtige hooilanden, met overgangen naar moeras en bos. Op de hoger gelegen gronden gaat het om het ontwikkelen van kruiden- en faunarijk grasland, kruiden- en faunarijke akker (essen), droog schraalgrasland, droge- en vochtige heide en diverse bostypen.
De Veenkoloniën worden begrensd door de Hunzelaagte en het Zuidlaardermeergebied in het westen, de A7 in het noorden, de provinciegrens met Drenthe in het zuiden en Westerwolde in het oosten. Het landschap van de Veenkoloniën maakt onderdeel uit van de gemeenten MiddenGroningen, Veendam en Stadskanaal. Rond de dorpen Leek en Marum (gemeente Westerkwartier) en rond de dorpen Bellingwedde en Vlagtwedde (gemeente Westerwolde) komt ook veenkoloniaal gebied voor. De kenmerkende landschapskwaliteit bestaat uit het contrast tussen de kleinschalige bebouwingslinten langs kanalen en wijken (zonder overheersende beplantingsstructuren) en het grootschalig open landschap. Er zijn geen bijbehorende elementen te benoemen omdat het landschap van de Veenkoloniën open moet blijven. Opgaande begroeiing is uitgesloten. Ook het beheer van poelen is uitgesloten omdat die hier niet van nature voorkomen. Ze zijn niet kenmerkend voor het landschap en de ecologische functie is vanwege de drogere gronden beperkt tot een drinkfunctie voor het vee. Hieronder wordt het belang van een goed beheer beschreven voor de hoofdelementen van de Veenkoloniën.
Grote delen van de Veenkoloniën zijn van belang voor akkervogels; deze zijn dan ook begrensd als kerngebied voor akkervogelbeheer.
Binnen het deelgebied liggen een aantal natuurgebieden, die deel uit maken van het Natuurnetwerk Nederland. De belangrijkste zijn het natuurgebied bij Bourtange en de Veenhuizerstukken bij Stadskanaal. Gezien de hoogteligging ligt voor het gebied bij Bourtange het accent op natuurdoeltypen van drogere zandgronden, zoals droog schraalland en bloemrijk grasland. Voor de Veenhuizerstukken is moeras het belangrijkste beheerdoel.
Het Gorecht bestaat hoofdzakelijk uit het gebied ten zuidoosten van het dorp Haren en een klein gedeelte van de gemeente Midden Groningen. Het gebied wordt begrensd door de stad Groningen in het noorden en de oevers van het Zuidlaardermeer in het oosten. De rest van de begrenzing wordt gevormd door de provincie Drenthe. Het Gorecht maakt onderdeel uit van de Hondsrug, een uitloper van het Drents plateau. Het gebied wordt gekenmerkt door esdorpen die verspreid liggen tussen de beekdalen van de Drentsche Aa en de Hunze. De dorpen liggen langs kronkelende wegen met een lanenstructuur die vaak de essen omzomen. Vanaf de hogere zandrug lopen houtwallen en – singels naar de lagergelegen beekdalen. Ten oosten van Glimmen ligt het natuurgebied Appelbergen. De kenmerkende landschapskwaliteiten in het Gorecht bestaan uit een hogere zandrug (Hondsrug) met essen, zoals de Glimmeresch, de Onneresch en de Noordlaarderesch. In het Gorecht komen houtwallen verspreid door het gebied voor. Houtsingels liggen vooral in het gebied bij Onnen en elzensingels en meidoornhagen op de oostelijke flank van de Hondsrug. In het Gorecht ligt een landgoederenzone die kan worden aangemerkt als een landschappelijke drager, de groene ruggengraat van het gebied. Ieder landgoed heeft daarbij zijn eigen identiteit en kenmerken. Essen, houtwallen, beekdalen en landgoederen zijn in dit gebied de hoofdelementen. Daarnaast zijn er bijbehorende elementen zoals pingoruïnes en petgaten. Het belang van een goed beheer wordt beschreven voor de hoofdelementen van het Gorecht.
Aansluitend op de natuurgebieden langs de Hunze is weidevogelbeheer mogelijk in agrarisch gebied, waar dit begrensd is als kerngebied. De grootste cluster van deze begrenzing ligt in de Onnerpolder ten oosten van het dorp Onnen.
In Gorecht liggen belangrijke onderdelen van het Natuur Netwerk Nederland. De beekdalen van de Drentsche Aa en de Hunze vormen de verbindende schakel in de natte verbinding tussen het Leekstermeergebied en het Roegwold. Voor het Drentsche Aa gebied geldt als hoofddoelstelling het herstel van de natuurlijke beek met daarbij behorende processen als kwel en (over)stroming. Doel van het natuurbeheer is de ontwikkeling van een vrij meanderende beek met in het beekdal een mozaïek van bloemrijke graslanden, natte schraalgraslanden, vochtige hooilanden, moerasvegetaties en zoete wateren. Voor de polders rondom het Zuidlaardermeer ligt het accent van het natuurbeheer vooral op ontwikkeling van moerassen, overstromingsgraslanden (in de zomerpolders) 19 , weidevogelgraslanden, vochtige hooilanden en plaatselijk het beheertype 'Veenmosrietland en moerasheide'. Op de Hondsrug wordt ingezet op behoud van het kleinschalig houtwallenlandschap en op behoud/versterking van natuurwaarden die kenmerkend zijn voor hogere zandgronden, zoals droge en vochtige heide, bossen en bloemrijke graslanden.
4.1.6 Centrale Woldgebied en Duurswold
Het Centrale Woldgebied en Duurswold liggen in het hart van de provincie. Aan de noordwest kant van dit gebied grenst het noordelijk kustgebied en aan de oostkant het Oldambt. In het zuiden vormt de Rijksweg A7 de grens. Het Centrale Woldgebied en Duurswold wordt gekenmerkt door een voormalig veenlandschap waarvan de opstrekkende verkaveling nog kenmerkend is. In het Centrale Woldgebied liggen dorpen als Bedum en Ten Boer en verder buurschappen zoals SintAnnen en Thesinge. In Duurswold liggen dorpen als Harkstede en Slochteren en verder enkele buurtschappen zoals Blokum en Tjuchem. Het westen van Duurswold heeft een landschappelijke openheid die kenmerkend is voor het laagveenlandschap. In het zuiden wordt de openheid onderbroken door een lang snoer van dorpen dat zich van Harkstede in het westen tot aan Siddeburen in het oosten uitstrekt. De kenmerkende landschapskwaliteiten bestaan uit de openheid van het veenlandschap met daarin de bebouwingslinten van het wegdorpenlandschap. In het Centrale Woldgebied zijn de bewoningslinten ontstaan op de natuurlijke hoogten van kleine kwelderwallen. In Duurswold liggen de linten op glaciale verhogingen van zandruggen. Het behoud van het kenmerkende contrast tussen de kenmerkende openheid van het veenlandschap en de markante dorpssilhouetten met kerken en molens is van belang. Er zijn geen bijbehorende elementen te benoemen, behalve de meer algemene beheertypen.
In dit gebied liggen enkele deelgebieden met grotere aantallen akkervogels. Het gaat hier om akkergebieden bij Thesinge en ten Oosten van Slochteren. Deze clusters zijn begrensd als kerngebied voor akkervogels; hier kan akkervogelbeheer worden toegepast.
In dit deelgebied liggen een aantal belangrijke natuurkernen die onderdeel vormen van het Natuur Netwerk Nederland, te weten het Roegwold en het Hoeksmeer. Het Roegwold is een grootschalig nat natuurgebied. Als ambitie geldt hier het beheertype 'Rivier- en moeraslandschap'. Een combinatie van wisselende waterstanden en begrazingsbeheer zal de ontwikkeling van dit natuurgebied bepalen. Er zal een mozaïek ontstaan van stilstaand water, verlandingsvegetaties, riet- en zeggenmoeras, bloemrijke graslanden, ruigten en broekbos. Rondom het Schildmeer is ook ruimte voor ganzenfourageergebied. In het Hoeksmeer is het natuurbeheer vooral gericht op weidevogels en water- en moerasvogels.
4.2 Beleidsdoelen en criteria natuur- en landschapsbeheer
De (begrenzingen op de) ambitiekaart is/zijn tot stand gekomen binnen het beschikbare budget voor het Natuur Netwerk Nederland (NNN) op basis van de onderstaande beleidscriteria:
Het leveren van een bijdrage aan (inter-)nationale en provinciale doelen voor biodiversiteit.
De ambities voor het (agrarisch) natuurbeheer zijn vastgelegd op de ambitiekaart en de te realiseren beheerdoelen op de beheertypenkaart. In paragraaf 3.2 staat een toelichting op de interpretatie en werkwijze van de beheertypenkaart en de ambitiekaart.
4.3 Beleidsdoelen en criteria agrarisch natuur- en landschapsbeheer
In deze paragraaf wordt beschreven welke beleidsdoelen de provincie heeft, de begrensde gebieden, hoe tot de begrenzing is gekomen en waar het gebied idealiter aan moet voldoen.
Voor het agrarisch natuur- en landschapsbeheer streeft de provincie naar het behoud van een aantal soorten die van internationaal belang zijn. Op de website van BIJ12 is per agrarische beheertype een aantal soorten genoemd. Duiding van de soorten is eveneens te vinden via het rapport https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2024/02/Rap_2013-65_kansrijke_gebieden_voor_agrarisch_natuurbeheer.pdf. Naast de bekende soorten streeft de provincie ook naar het behoud van soorten die tot nu toe weinig aandacht hebben gehad.
De agrarische natuurtypen c.q. leefgebieden zijn gebieden die bijdragen aan de instandhouding en/of verbetering van een aantal soorten of soortengroepen uit de Vogel- en Habitat Richtlijn (VR/HR), aangevuld met provinciale soorten en/of bijdragen aan de versterking van het NNN, de kwaliteit van het landschap en de synergie met de doelen van de KRW. Het gaat om soorten die afhankelijk zijn van of in grote mate baat hebben bij agrarisch natuurbeheer.
Selectie en begrenzing van de gebieden
Om de gewenste ecologische effectiviteit te bereiken zijn bij het begrenzen van de agrarische leefgebieden keuzes gemaakt. Provincie heeft een aantal criteria gehanteerd om te komen tot de begrenzing. Het gaat hier onder andere om criteria t.a.v. de aanwezigheid doelsoorten en dichtheden van doelsoorten, voldoende openheid, omvang en connectiviteit, draagvlak, synergie met andere doelen, beleidskaders en financiën. Collectieven kunnen dan alleen voor deze begrensde gebieden een gebiedsaanvraag doen.
Tabel 1 uniforme instapcriteria
Onderstaand staan de instapcriteria die voor RVO controleerbaar en verifieerbaar zijn en die provincies uniform gaan hanteren.
Bron: De instapeisen zijn gebaseerd op het advies dat Alterra heeft uitgebracht over criteria voor leefgebieden en beheertypen (Alterra, “Nieuw stelsel agrarisch natuurbeheer”; criteria voor leefgebieden en beheertypen 2014). De niet controleerbare en verifieerbare criteria zijn in deze tabel weggelaten.
In de tabel in paragraaf 4.5 zijn de uniforme instapcriteria weergegeven die controleerbaar en verifieerbaar zijn. De instapcriteria zijn gedetailleerder beschreven in het rapport van Alterra en zijn relevant bij het komen tot de begrenzing.
Ecologische toets gebiedsaanvraag
Om de gewenste effectiviteit te bereiken formuleert de provincie kwaliteitscriteria die gesteld worden aan het habitat/leefgebied van de soorten. Het gaat hier om criteria die gesteld worden aan de beheerde oppervlakte. Deze criteria zijn van belang bij het uitwerken van de gebiedsaanvraag door de collectieven.
Er moet onderscheid gemaakt worden in een beschrijving van de doelen en criteria in deze paragraaf en in paragraaf 4.5. De in deze paragraaf 4.3 geschetste ecologische criteria beschrijft de gewenste kwaliteit die de provincie nastreeft in de gebieden en zijn richtinggevend bij de uitwerking van de gebiedsaanvragen door de collectieven. De in paragraaf 4.5 geschetste criteria worden door RVO gebruikt om de gebiedsaanvraag te toetsen.
Beschrijving van de begrensde gebieden
Hieronder wordt een overzicht van de begrensde leefgebieden weergegeven. De nummers verwijzen naar de deelgebieden in kaart xx bijlage 1.
Opsomming van de begrensde leefgebieden, vrij in te vullen door Provincies.
Hieronder volgt een beschrijving per gebied. In deze beschrijving worden de doelen aangeduid en zijn voor de collectieven de basis voor de uitwerking van de gebiedsaanvragen.
4.3.1 Leefgebied open grasland (Cluster weidevogelgraslanden)
Het leefgebied open grasland bestaat uit open landschappen met overwegend grasland, waarvan een relevant deel uit vochtig en kruidenrijk grasland bestaat. Vaak is dit leefgebied doorsneden met een fijnmazig netwerk van lijnvormige wateren: sloten, weteringen en vaarten. Er kan enige opgaande begroeiing aanwezig zijn. Sommige weidevogelsoorten (zoals grutto) zoeken altijd de meest open delen van het landschap op. Andere soorten (zoals kievit en wulp) zijn tolerant voor of juist gebaat bij aanwezigheid van riet of opgaande elementen. Naast broedende weidevogels is er ook beheer nodig voor overwinterende ganzen, zwanen en andere soorten. Enkele soorten, zoals houtduif, torenvalk, roek, kramsvogel en spreeuw maken vooral gebruik van het leefgebied open grasland voor voedsel en kunnen voor een groot deel meeliften met de maatregelen voor de overige soorten.
Idealiter bestaat een kerngebied voor soorten van open grasland zowel uit natuur- als agrarische gronden die in samenhang worden beheerd, gefaseerd in ruimte en tijd. Op de natuurgronden staat de natuurfunctie voorop. Op de agrarische gronden die mede voor weidevogels worden beheerd, weegt de productiefunctie het zwaarst, maar vindt deze productie plaats binnen de voorwaarden die het behoud van biodiversiteit stelt. Beheer en inrichting van agrarische gronden en natuurgronden worden zo goed mogelijk op elkaar afgestemd. Wanneer natuurgebied geheel afwezig is, wordt in het agrarisch gebied voor het zelfstandig functioneren als kerngebied voldoende ‘op voldoende kuikenland gericht beheer’ ingezet. Op de percelen zonder kuikenlandbeheer, wordt gestreefd naar een maximale overleving van nesten en kuikens door middel van nestbescherming in combinatie met maatregelen voor kuikenoverleving zoals randen- en greppelbeheer, vluchtheuvels en verbindingen met kruidenrijk grasland.
Richtlijnen voor de toetsing van de gebiedsaanvraag
Bij plas-dras worden alleen beheervarianten toegepast met langdurige vernatting (tot half juni). Nederland heeft een internationale verantwoordelijkheid voor een aantal soorten die voorkomen in leefgebied open grasland en die worden ondersteund door agrarisch natuurbeheer. De belangrijkste soorten waarop de provincie wil inzetten zijn:
Kritische soorten weidevogels open landschap
Binnen het leefgebied Open Grasland worden deelgebieden voor het Aanvalsplan Grutto onderscheiden. Voor deze gebieden worden extra middelen beschikbaar gesteld om het weidevogelbeheer op agrarische gronden te optimaliseren. Landelijk zijn ca. 35 gebieden in beeld voor het Aanvalsplan Grutto. Voor Groningen betreft dit de gebieden (zie bijlage 2):
In het Openstellingsbesluit worden de beschikbare middelen voor deze gebieden specifiek benoemd. De bovenstaande richtlijnen voor toetsing van de gebiedsaanvraag 'Open Grasland' zijn ook van toepassing voor het Aanvalsplan, waarbij een aantal richtlijnen zijn aangescherpt/verzwaard.
Richtlijnen voor de toetsing van gebiedsaanvraag Aanvalsplan Grutto
4.3.2 Leefgebied open akker (Cluster akkerranden en akkers)
Het leefgebied open akker bestaat uit landschappen met overwegend bouwland waarin wordt voldaan aan de eisen die akkersoorten stellen. Bouwland bestaat uit akkers bebouwd met gewassen zoals granen, aardappels of suikerbieten. De akkers zijn doorsneden met bermen, sloten en meer of minder opgaande begroeiing. Er bestaat een gradiënt van halfopen akkerbouwgebieden met veel opgaande landschapselementen naar open akkerbouwgebieden met weinig opgaande elementen. Met akkervogels wordt gedoeld op soorten die zich (in zekere mate) hebben aangepast aan de dynamiek van de hedendaagse landbouw. Daarbij is niet alleen voedselbeschikbaarheid in de vorm van zaden, insecten en muizen noodzakelijk, maar ook dekking, slaapplaatsen (zeker in winterperiode) en een gevarieerd bouwplan. Kenmerkende soorten van akkers zijn zowel soorten die broeden op deze akkers (zoals gele kwikstaart, veldleeuwerik en grauwe kiekendief) als soorten die tijdens de trek of overwintering afhankelijk zijn van niet geoogste granen en onkruidzaden (veldleeuwerik, vinken en gorzen). Akkers met veel granen en zaden zijn goed voor muizenpopulaties, die op hun beurt weer voedsel verschaffen voor roofvogels. Een soort als de kievit kent z’n zwaartepunt in het open grasland, maar komt ook relatief veel in open akkerland voor.
De belangrijkste ecologische eisen van akkersoorten zijn voldoende voedsel en rust- en broedgebieden in de zomer en voldoende voedsel en rustgebieden in de winter. Bepaalde soorten komen alleen in de zomer in akkerbouwgebieden voor (trekvogels als de gele kwikstaart en grauwe kiekendief), andere soorten verblijven jaarrond in Nederland (patrijs, blauwe kiekendief, veldleeuwerik) en weer andere soorten zijn typische wintergasten in akkerbouwgebieden (gorzen, vinken, ruigpootbuizerd).
Richtlijnen voor de toetsing van de gebiedsaanvraag
De agrarische collectieven concentreren het beheer in beheerclusters. Criteria voor die beheerclusters zijn (aanvullend op de algemene criteria voor akkervogelleefgebieden zoals hierboven geformuleerd):
Nederland heeft een internationale verantwoordelijkheid voor een aantal soorten die voorkomen in leefgebied open akker en die worden ondersteund door agrarisch natuurbeheer. De belangrijkste soorten waarop de provincie wil inzetten zijn:
Open akkers, kritische soorten
Open akkers, minder kritische soorten
Open akker, overwinterende soorten
Gezien de keuze van doelsoorten en het voor deze soorten voorkomende leefgebied kiest de provincie voor het inzetten van de volgende beheertypen:
Naast deze provinciale aandachtssoorten, zijn er aandachtssoorten die in bepaalde regio 's extra aandacht vragen. Dit zijn:
Noordelijk kleigebied: gele kwikstaart, veldleeuwerik, grauwe- blauwe- en bruine kiekendief, kievit en scholekster.
Oldambt: veldleeuwerik, grauwe kiekendief, gele kwikstaart, graspieper en kwartel.
Veenkoloniën en Duurswold: veldleeuwerik, gele kwikstaart, graspieper, patrijs en wulp. Westerwolde: patrijs, geelgors, veldleeuwerik, wulp, kievit en scholekster.
Het leefgebied dooradering binnen het agrarisch cultuurlandschap bestaat uit een netwerk van droge en natte landschapselementen. Dit netwerk bestaat uit een breed scala aan (al of niet hoog opgaande) landschapselementen met uiteenlopende lengte-, breedte- en hoogtedimensies. Het gaat om elzensingels, houtwallen, heggen en hagen, lanen, hoogstamboomgaarden, (hakhout)bosjes, struwelen, kaden en (slaper)dijken, bloemrijke (perceel)randen, ruigtezomen, overhoekjes, bermen van wegen en paden en steilrandjes. Daarnaast gaat het ook om sloten, beken, kreken, moerasjes, rietlandjes en plasdras-gebiedjes, en afhankelijk van de regio ook in de vorm van poelen en andere kleine geïsoleerde wateren, zoals pingo-ruïnes, kolken en overige vee-drinkpoelen.
Het is voor het bevorderen van soorten van dit leefgebied belangrijk om bomen, struwelen en ruigte/randen te creëren en/of in stand te houden door periodiek onderhoud uit te voeren. Ook het beheer van perceelranden (met name die aan de zuidkant gelegen en) grenzend aan de dooradering kan van groot belang zijn voor deze soorten. Een kruidenrijke rand of ruigte langs een landschapselement komt bijvoorbeeld de vegetatieheterogeniteit ten goede en voor veel soorten daarmee foerageer- en voortplantingsgeschiktheid. Wanneer elementen in zodanige hoeveelheid, kwaliteit en samenhang voorkomen dat ze van vele soorten vitale (of bron-) populaties herbergen, spreken we van kerngebieden.
Voor Groningen is dit leefgebied van belang voor de houtsingels en poelen in het ZWK en de houtwallen, hagen en poelen in het Gorecht. Het beheer voor houtwallen en houtsingels is toepasbaar ín Westerwolde en het beheer voor hagen en struweel is van toepassing róndom Westerwolde. Het beheer van randen en ruigte is van toepassing in het ZWK en het open akkergebied (o.a. Veenkoloniën). Binnen het kleigebied van het Wierdenland, Waddenkust en Oldambt bestaan de kenmerkende landschapskwaliteiten uit wierden, oude dijken met kolken en boerenerven.
Kenmerkende vogelsoorten zijn zowel soorten die in deze elementen broeden (zoals patrijs, geelgors, en braamsluiper), als soorten die tijdens de trek of overwintering afhankelijk zijn van deze elementen omdat er tal van voedselbronnen aanwezig zijn in de vorm van eetbare vruchten en zaden. Vleermuizen gebruiken dit leefgebied als oriëntatie tijdens verplaatsingen tussen rust- en foerageergebied. Voor het voorkomen van amfibieën (kikkers, salamanders en padden) is de aanwezigheid van poelen van groot belang.
In Groningen is het voor de 'natte' elementen van belang dat het behoud van de kleinschaligheid door het beheer van oevers en de aanleg van natuurvriendelijke oevers is afgestemd op de aanwezige cultuurhistorische waarden. Dit geldt voor de gebieden Middag-Humsterland, het gebied rondom Onderdendam, het gebied ten noorden van Appingedam-Delfzijl en in de Fivelboezem. Daarnaast is de wijkenstructuur van de Veenkoloniën van belang. Voor veel soorten vissen, libellen, amfibieën en vogels zijn lijn- en puntvormige wateren van groot belang voor het in stand houden van populaties. Vissen zijn vooral afhankelijk van watergangen met een goede waterkwaliteit en vaak (maar niet altijd) weelderige onderwatervegetatie. Voor libellen is daarnaast ook een goed ontwikkelde oevervegetatie van belang.
De meeste soorten amfibieën zijn weer afhankelijk van een combinatie van sloten of poelen met gras- of akkerland en opgaande begroeiing. Natte landschapselementen houden niet op bij de waterlijn; ook oeverranden, moerasjes, bermen en plasdras-zones zijn onderdeel van dit leefgebied en belangrijk voor de soorten die hiervan gebruik maken. Een geleidelijke gradiënt van nat naar droog zorgt ervoor dat er verschillende vereiste deel-habitats voor soorten aanwezig zijn.
Voor dit leefgebied is de verbinding met gebieden in de omgeving van belang, zodat uitwisseling mogelijk is om vitale populaties van doelsoorten te handhaven.
Richtlijnen voor de toetsing van de gebiedsaanvraag
Nederland heeft een internationale verantwoordelijkheid voor een aantal soorten die voorkomen in leefgebied dooradering en die worden ondersteund door agrarisch natuurbeheer. De belangrijkste soorten waarop de provincie wil inzetten zijn:
Kritische soorten bomenrij en laan
Kritische soorten lijnvormige elementen (beheertype lijnvormige wateren)
4.4 Beleidsdoelen en criteria water en klimaat
Zie ook tekst verdeling commissie Beukema en beleidskader categorie klimaat ANLb d.d. 18 februari 2022)
De % verdeling van de commissie Beukema en beleidskader klimaat is leidend
Voor de verdeling van de additionele middelen voor klimaat en water wordt beschikbare budget als volgt verdeeld over klimaatmitigatie-, klimaatadaptatie- en watermaatregelen:
Verbetering waterkwaliteit via agrarisch waterbeheer (categorie water):
In overleg met de waterschappen Noorderzijlvest en Hunze en Aa's worden de volgende waterdoelen opgenomen in dit natuurbeheerplan. Er kan een bijdrage worden geleverd aan verbetering van de oppervlaktewaterkwaliteit en verbetering van de grondwaterkwaliteit.
Deze waterdoelen zijn tevens weergegeven op kaart zoekgebied Water in de bijlagen van dit natuurbeheerplan.
Er is een ANLb-vergoeding mogelijk voor waterberging, bufferzones en akkerranden langs oppervlaktewater voor het verminderen van emissies naar oppervlaktewater. Daarnaast kan er worden ingezet op verbetering van de bodemstructuur (sponswerking) ter verbetering van de ecologische kwaliteit.
Het zoekgebied voor de inzet van blauwe diensten (categorie water) is ruim begrensd. De collectieven dienen een verdere uitwerking te maken in de gebiedsaanvraag, in nauw overleg met 31 provincie en waterschap. Uitgangspunt daarbij is dat het gaat om beheeractiviteiten die een bovenwettelijke inspanning vormen voor een agrariër en bijdragen aan de waterdoelen. De effectiviteit van de middelen is groter indien gekozen wordt voor het geclusterd en zoveel mogelijk aaneengesloten uitvoeren van de watermaatregelen en wanneer er synergie wordt gezocht met beheermaatregelen in de leefgebieden en categorie klimaat van het ANLb.
De categorie Klimaat is gericht op klimaatbeheermaatregelen die CO2-vastlegging, het verminderen van broeikasgassen en het vasthouden en afvoeren van water als doelstelling hebben. Deze doelstelling is opgesplitst in klimaatmitigatie en klimaatadaptatie.
Deze klimaatdoelen zijn tevens weergegeven op kaart zoekgebied klimaat in de bijlagen van dit natuurbeheerplan.
4.6 Aanvullende vereisten voor de aanleg van beboste gronden onder de SKNL
Bij de aanleg van nieuw bos binnen het kader van de SKNL gelden de volgende voorschriften, gebaseerd op punt 504 van de Staatssteunrichtsnoeren voor de Land- en Bosbouwsector:
Alternatieven bij moeilijke omstandigheden
Wanneer vanwege ongunstige bodem-, klimatologische of milieuomstandigheden (inclusief aantasting van het milieu) geen bosbedekking volgens de nationale wetgeving kan worden gerealiseerd, mag alternatieve houtige vegetatie worden aangeplant, zoals struiken of heesters die geschikt zijn voor de lokale omstandigheden.
De doelen uit het Natuurbeheerplan zullen via uitvoerend beheer door natuurbeheerders (natuurorganisaties, natuurcollectieven, particuliere natuurbeheerders, agrarische collectieven) worden gerealiseerd. Bij het beheren en uitvoeren van beheeractiviteiten zijn er verschillende subsidiemogelijkheden.
5.2 Natuur- en landschapsbeheer
Beheersubsidie is een vergoeding voor het beheer van een beheertype. Een beheertype beschrijft aan welke terreinkenmerken het terrein moet voldoen. Beheertypen mogen elkaar niet overlappen. Op een oppervlakte kan één natuurbeheertype worden aangevraagd.
Bij de subsidie voor natuurbeheer moet de beheerder zijn terrein openstellen. Het natuurterrein is opengesteld als het minimaal 358 dagen per jaar gratis fysiek bereikbaar en toegankelijk is.
Sinds 2017 kunnen beheerders beneden de 75hectare alleen nog via een collectief subsidie krijgen voor natuur- en landschapsbeheer. Een collectief is een (coöperatieve) vereniging/ een samenwerkingsverband in een (zelfgekozen) samenstelling die bestaat uit particuliere natuurbeheerders en andere beheerders met eigendomsrecht. Het collectief is eindbegunstigde van de subsidie.
Beheerders met een beheeroppervlakte boven de ondergrens kunnen deelnemen aan een collectief maar kunnen ook nog individueel subsidie aanvragen.
Daarnaast moeten beheerders gecertificeerd zijn om in aanmerking te komen voor subsidie. Dit kan door individueel een certificaat aan te vragen of door een aanvraag te doen via een gecertificeerd collectief.
5.3 Agrarisch natuur- en landschapsbeheer en blauwe diensten
Alleen agrarische collectieven kunnen subsidie krijgen voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Een agrarisch collectief is een gecertificeerde (coöperatieve) vereniging / een samenwerkingsverband in een (zelfgekozen) begrensd gebied die bestaat uit agrariërs en andere beheerders met gebruiksrecht van landbouwgrond in een gebied. Het collectief is eindbegunstigde van de subsidie.
Voor het verkrijgen van subsidie is een samenhangende gebiedsaanvraag vereist. Dit is een in nauwe afstemming met gebiedspartners tot stand gekomen, samenhangend ecologisch effectief en economisch efficiënt plan van een agrarisch collectief voor het uitvoeren van agrarisch natuur- en landschapsbeheer in een bepaald gebied. Het aanvragen van subsidie voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer door een individuele agrariër is dus niet mogelijk. Per gebied wordt er maar 1 aanvraag gehonoreerd.
De eisen die gesteld worden aan de gebiedsaanvraag staan in de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer provincie Groningen 2016.
5.4 Kwaliteitsimpuls: investeringen en functieverandering (SKNL)
De subsidie kwaliteitsimpuls (SKNL) is voor grondgebruikers die grond geschikt willen maken voor natuurbeheer en voor natuurbeheerders die de kwaliteit van de natuur verder willen ontwikkelen en verhogen. Voor een kwaliteitsimpuls natuur en landschap zijn twee subsidiemogelijkheden: investeringssubsidie en subsidie functieverandering. Een combinatie hiervan is ook mogelijk.
Dit is subsidie voor maatregelen die het gebied geschikt maken voor natuurbeheer of voor een kwaliteitsverbetering van de natuur. Bij de kwaliteitsverbetering wordt de natuurkwaliteit van een bestaand natuurbeheertype verhoogd of wordt een bestaand beheertype omgezet naar een ander type.
Dit is subsidie voor de waardedaling van de grond door het veranderen van landbouwgrond in bos of andere natuur. Het gebied waar het om gaat moet met het beheertype N00.01 Nog om te vormen naar natuur zijn opgenomen op de ambitiekaart van het Natuurbeheerplan.
Meer informatie over het (agrarisch) natuur- en landschapsbeheer vindt u op: www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/subsidiestelsel-natuur-en-landschap/
Dit portaal is de verzamelplaats van alle (beleids)informatie over Natuur en Landschap in Nederland.
1a. Beheertypenkaart en ambitiekaart
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2025-15558.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.