Provinciaal blad van Gelderland
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Gelderland | Provinciaal blad 2025, 12579 | delegatie- of mandaatbesluit |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Gelderland | Provinciaal blad 2025, 12579 | delegatie- of mandaatbesluit |
Algemeen reglement mandaat Gelderland 2025
Tenzij bij de mandaatverlening anders is bepaald, kan de algemeen directeur een eerste ondermandaat verlenen aan een directeur, een concernmanager of een externe die onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam is binnen de provinciale organisatie. Aan het ondermandaat kunnen aanvullende voorwaarden worden verbonden.
Artikel 8. Instemming tweede portefeuillehouder
Een collegelid neemt een beslissing krachtens mandaat alleen met instemming van de tweede portefeuillehouder.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing voor zover het betreft de bekendmaking en mededeling van in mandaat vastgestelde ontwerpbeslissingen of beslissingen van Gedeputeerde Staten of de Commissaris van de Koning in het Provinciaal Blad of in een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad. In dat geval luidt de ondertekening “Gedeputeerde Staten van Gelderland" respectievelijk "Commissaris van de Koning van Gelderland".
Als mandaat een bevoegdheid van Gedeputeerde Staten betreft ter uitvoering van taken als managementautoriteit voor het Operationeel Programma EFRO Oost-Nederland 2014-2020 betreft, worden uitgaande stukken ondertekend met: "Namens de Managementautoriteit Oost-Nederland", gevolgd door de handtekening, naam en functie van de gemandateerde.
Als mandaat een bevoegdheid van Gedeputeerde Staten betreft ter uitvoering van taken als beheerautoriteit voor het Operationeel Programma EFRO Oost-Nederland 2021-2027 betreft, worden uitgaande stukken ondertekend met: "Namens de Beheerautoriteit Oost-Nederland", gevolgd door de handtekening, naam en functie van de gemandateerde.
Artikel 11. Elektronisch besluitvormingssysteem
Een gemandateerde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b of c, neemt beslissingen door het geven van een akkoord in het elektronisch besluitvormingssysteem van de provincie. Beslissingen van een gemandateerde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, worden in het besluitvormingssysteem vastgelegd door ambtenaren die door de Algemeen Directeur zijn aangewezen.
Hoofdstuk III Mandaat algemene bevoegdheden
Paragraaf I Voorbereiding, bekendmaking, uitvoering en goedkeuring
Artikel 13. Voorbereiding, bekendmaking en uitvoering
Paragraaf III Besluiten Omgevingswet, omgevingsverordening en verkeersregelgeving
Artikel 17. Advies en instemming
De algemeen directeur is bevoegd tot het nemen van beslissingen in verband met het geven van advies en van instemming als bedoeld in paragraaf 16.2.3 van de Omgevingswet en afdeling 4.2 van het Omgevingsbesluit.
Paragraaf V Bezwaar, beroep, mediation en klachten
Artikel 22. Administratief beroep
De algemeen directeur is bevoegd tot het bevestigen van de ontvangst van een beroepschrift.
De algemeen directeur is bevoegd tot het nemen van beslissingen en het verrichten van handelingen in verband met het voeren van rechtsgedingen, arbitrage, het maken van bezwaar en het instellen van administratief beroep en (hoger) beroep bij een bestuursrechter en burgerlijke rechter namens de provincie of het provinciebestuur, voor zover het betreft:
De algemeen directeur wint over de deelname aan mediation of het ondertekenen van een mediationovereenkomst tevoren advies in bij de ambtelijke eenheid die belast is met mediation als de mediation betrekking heeft op een kwestie, die aanhangig is gemaakt door indiening van een bezwaarschrift, beroepschrift of klaagschrift.
Paragraaf VI Overige bevoegdheden
Artikel 27. Privaatrechtelijke rechtshandelingen
Bij afwijking van door Gedeputeerde Staten en Provinciale Staten vastgestelde regels legt de algemeen directeur een door hem te nemen beslissing voor aan de Gedeputeerde Staten. Beslissingen in afwijking van de Algemene inkoopvoorwaarden Gelderland 2023 of met toepassing van artikel 2, tweede lid, of artikel 3, tweede lid, van de Beleidsregels aanbesteding Gelderland 2013 worden alleen genomen na instemming van de ambtelijke eenheid die belast is met inkoop en aanbesteding.
Artikel 28. Privaatrechtelijke rechtshandelingen als werkgever
De algemeen directeur is voor de medewerkers, waarvoor Gedeputeerde Staten de werkgeversrol vervullen, bevoegd alle privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten voor het aangaan, wijzigen, uitvoeren en beëindigen van arbeidsovereenkomsten met inachtneming van het bepaalde in Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Cao Provinciale Sector en de Ambtenarenwet 2017 en het toepassen, uitvoeren en wijzigen van het Personeelshandboek provincie Gelderland en de provincie hierbij namens de Commissaris van de Koning in en buiten rechte te vertegenwoordigen, met uitzondering van de volgende privaatrechtelijke rechtshandelingen:
Gedeputeerde Staten van Gelderland
Daniël Wigboldus
Commissaris van de Koning
Secretaris
Johan Osinga
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
Bestuursorganen verrichten naast publiekrechtelijke rechtshandelingen ook privaatrechtelijke rechtshandelingen en feitelijke handelingen. In die gevallen wordt bij vertegenwoordiging niet van mandaat gesproken, maar van volmacht respectievelijk machtiging. Om te voorkomen dat voor de verschillende vormen van vertegenwoordiging verschillende regimes zouden gelden, verklaart de Algemene wet bestuursrecht (artikel 10:12) dat alle bepalingen die betrekking hebben op mandaat van overeenkomstige toepassing zijn als een bestuursorgaan volmacht of machtiging verleent aan een ander werkzaam onder zijn verantwoordelijkheid. Van deze benadering is ook bij dit reglement uitgegaan: het gaat over mandaat, maar is ook van toepassing op volmacht en machtiging.
Het reglement staat de volgende vormen van mandaat toe: mandaat aan een collegelid, de algemeen directeur of een persoon die niet werkzaam is onder de verantwoordelijkheid van Gedeputeerde Staten of de Commissaris van de Koning. In het tweede lid is bepaald dat een mandaat aan een collegelid verleend wordt aan de eerste portefeuillehouder. De portefeuillehouder is belast met een door Gedeputeerde Staten vastgestelde portefeuille van tot het bestuur behorende zaken. In de regel worden er zo min mogelijk portefeuillemandaten verleend. De bevoegdheid wordt ofwel door Gedeputeerde Staten uitgevoerd, of gemandateerd aan de ambtelijke organisatie.
De algemeen directeur kan een eerste ondermandaat verlenen aan een directeur of aan een concernmanager, tenzij Gedeputeerde Staten of de Commissaris van de Koning expliciet hebben aangeven dat dit niet het geval is.
De algemeen directeur kan tot op zekere hoogte een eerste ondermaat verlenen aan een externe, namelijk als die externe werkzaam is onder zijn verantwoordelijkheid binnen de provinciale organisatie, bijvoorbeeld een interim-functionaris. De algemeen directeur kan dus geen ondermandaat verlenen aan personen die niet onder de verantwoordelijkheid van Gedeputeerde Staten of de Commissaris van de Koning werkzaam zijn. Deze bevoegdheid is voorbehouden aan de bestuursorganen zelf.
Het verlenen van mandaat aan externen die niet functioneren binnen de provinciale organisatie is relatief uniek en vergt een afzonderlijke, bestuurlijke afweging. Dit geldt al helemaal voor het verlenen van volmacht of machtiging aan externen, aangezien de regels van de Algemene wet bestuursrecht hierop niet van toepassing zijn.
De ondergemandateerde kan een ondermandaat verlenen aan de hoogste functionaris in de hiërarchie van de provinciale organisatie die nog een feitelijke toegevoegde waarde heeft. Dit wordt een tweede ondermandaat genoemd. Degene die op zijn beurt een tweede ondermandaat krijgt, kan geen ondermandaat geven. Ondermandaat hoger in de hiërarchie is niet wenselijk omdat dat slechts een rituele en geen materiële betekenis zou hebben. Uit dit artikel blijkt tevens dat een collegelid, anders dan de algemeen directeur, niet de bevoegdheid heeft ondermandaat te verlenen. De reden is dat als dit wel de regel zou zijn, de hiërarchische lijn binnen de ambtelijke organisatie doorbroken wordt, met een onduidelijke en minder overzichtelijke verantwoordelijkheidsrelatie als gevolg. Als het toch gewenst is bevoegdheden door de ambtelijke organisatie te laten uitoefenen, zal dit via het verlenen van mandaat aan de algemeen directeur gestalte kunnen krijgen.
Artikel 4. Functie gemandateerde
Een mandaat of ondermandaat wordt in principe verleend aan een functionaris en niet aan een persoon. Daarmee wordt voorkomen dat personele wisselingen noodzaken tot aanpassing van mandaatbesluiten. Er kunnen evenwel nader te motiveren omstandigheden zijn die ertoe leiden dat het verlenen van een mandaat of ondermandaat aan een persoon de voorkeur verdient.
Artikel 5. Vervangingsregeling
Het eerste lid van dit artikel bevat de hoofdregels van de vervanging van met betrekking tot de directie. Directeuren vervangen elkaar. In het tweede lid is een vangnetbepaling opgenomen voor situaties die niet worden gedekt door het voorgaande lid. In deze situaties kan de algemeen directeur een vervanger aanwijzen.
Voor het gebruik van de term “algemeen mandaat” is aansluiting gezocht bij artikel 10:5 van de Algemene wet bestuursrecht. Een algemeen mandaat wordt schriftelijk verleend en verschaft de bevoegdheid om een bepaalde categorie van besluiten namens de mandaatgever te nemen. Mandaat voor een bepaald geval ziet op mandaat voor een specifiek of incidenteel geval. Zo’n mandaat kan mondeling gegeven worden.
Artikel 7. Bewijs mondelinge mandaatverlening
Dit artikel is opgenomen omdat artikel 10:5 van de Algemene wet bestuursrecht alleen regelt dat schriftelijk mandaat moet worden verleend bij: a) algemeen mandaat en bij b) mandaat voor een bepaald geval aan een ander die niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van de mandaatgever. Het is uit een oogpunt van transparantie van belang dat mondeling verleend mandaat voor een bepaald geval óók schriftelijk kan worden bewezen.
Artikel 8. Instemming tweede portefeuillehouder
Voor wat betreft mandaat aan een collegelid is opgenomen dat dit alleen kan worden uitgeoefend met instemming van de tweede portefeuillehouder. Daarmee wordt recht gedaan aan het beginsel van collegiaal bestuur. Het uitgangspunt is dat bevoegdheden bij Gedeputeerde Staten of bij de ambtelijke organisatie worden neergelegd. Voor uitzonderlijke gevallen is de mogelijkheid om een collegelid te mandateren behouden.
Artikel 9. Informeren mandaatgever
Weliswaar mag de gemandateerde of ondergemandateerde de bevoegdheid uitoefenen, maar de (eerste of tweede onder)mandaatgever blijft verantwoordelijk. Om aan deze verantwoordelijkheid inhoud te kunnen geven, heeft degene aan wie het (eerste of tweede onder)mandaat is verleend de plicht om de (eerste of tweede onder)mandaatgever waar nodig tijdig een door hem te nemen beslissing voor te leggen. De (eerste of tweede onder)mandataris vraagt daarmee om sturing van de mandaatgever. Anders dan in het eerste en tweede lid wordt in het geval van het derde lid het mandaat gewoon uitgeoefend, maar wordt de (eerste of tweede onder)mandaatgever achteraf op de hoogte gesteld.
Het is van belang dat stukken die van de provincie uitgaan op een uniforme wijze worden ondertekend. De standaardformuleringen zijn in dit artikel vastgelegd. In het vierde lid is bepaald dat de standaardformuleringen in het eerste en tweede lid niet gelden voor wat betreft - kort samengevat - bekendmakingen in het Provinciaal Blad, dagbladen, e.d. In dat geval luidt de ondertekening "Gedeputeerde Staten van Gelderland" respectievelijk de Commissaris van de Koning in de provincie Gelderland.
Artikel 11. Elektronisch besluitvormingssysteem
Voor alle te nemen beslissingen wordt in principe gebruikgemaakt van een elektronisch besluitvormingssysteem. De algemeen directeur kan bepalen dat bepaalde beslissingen zonder gebruik van het elektronisch besluitvormingssysteem genomen kunnen worden. Het gaat om eenvoudige beslissingen, dat wil zeggen beslissingen zonder rechtsgevolg.
In het eerste lid is aangegeven dat een taak en verantwoordelijkheid van de gemandateerde onder meer wordt beperkt door budget. Of een ambtenaar een budget heeft en hoe hoog dit budget is, blijkt uit de provinciale financiële administratie.
Het tweede lid strekt ertoe verstrengeling van persoonlijke en openbare belangen te voorkomen.
Het begrip "persoonlijk belang" moet ruim worden genomen. Het kan daarbij gaan om belangen die strikt in de privé-sfeer liggen, maar ook om belangen van bedrijven, instellingen of personen, waarmee de gemandateerde is verbonden via een nevenfunctie of door familie-, vriendschaps- of daarmee gelijk te stellen relaties.
Artikel 13. Voorbereiding, bekendmaking, uitvoering en goedkeuring
Het in dit artikel aan de algemeen-directeur gegeven mandaat is zeer breed en ziet op de voorbereiding, bekendmaking en uitvoering van allerlei besluiten, die door de bestuursorganen van de provincie - Gedeputeerde Staten (GS), Provinciale Staten (PS) en de Commissaris van de Koning (CvdK) – worden of zijn genomen. Dit artikel geeft de basis voor de ambtelijke ondersteuning bij de uitoefening van bijvoorbeeld de GS-bevoegdheden, bedoeld in artikel 158 van de Provinciewet en de provinciale taken en bevoegdheden, bedoeld in artikel 2.18 Omgevingswet.
Het eerste en tweede lid geven de reikwijdte van het mandaat in algemene bewoordingen aan. Het mandaat heeft vooral betrekking op procedurele bevoegdheden en handelingen en bevoegdheden.
Het derde lid bevat een lijst van de bevoegdheden en handelingen die in elk geval binnen dit mandaat vallen. De lijst is uitdrukkelijk niet limitatief, maar geeft wel een goed beeld op welk type bevoegdheden en handelingen dit mandaat ziet.
Het mandaat ziet uitdrukkelijk niet op de besluitbevoegdheden zelf. Het vaststellen van besluiten blijft voorbehouden aan de provinciale bestuursorganen (GS, PS en CvdK), voor zover die bevoegdheden niet worden gemandateerd in de volgende paragrafen van hoofdstuk III (de artikelen 14 en volgende).
Artikel 14. Uitvoering van wettelijke taken
Niet alle bij wet- en regelgeving aan de provinciale bestuursorganen opgedragen taken vergen besluitvorming. Menige taak vraagt om concrete uitvoeringshandelingen. Die taken kunnen binnen het toegekende budget (zie artikel 12) krachtens mandaat worden uitgeoefend.
In dit artikel zijn mandaten opgenomen voor besluitvorming over subsidieverstrekking. Het vier ogenprincipe bij subsidieverlening wordt gehanteerd doordat subsidieaanvragen door een subsidiebeoordelaar worden beoordeeld en dat zij de beschikking opstellen. De beoordelaars leggen vervolgens de beschikking via het elektronische besluitvormingssysteem voor aan de subsidiemanager/coördinator die uiteindelijk het besluit neemt. Een beschikking kan en mag nooit door een subsidiemanager of coördinator zelf worden opgesteld en ondertekend. Het betreft niet alleen besluiten tot verstrekking van subsidie, maar ook besluiten tot weigering, intrekking en terugvordering van subsidie.
In artikel 15, aanhef en onder b, is een aantal bevoegdheden neergelegd die administratief regelmatig worden toegepast. Het gaat om het intrekken en wijzigen van verleende subsidies (namelijk als de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, niet of anders worden uitgevoerd) en het vaststellen van de subsidie overeenkomstig of lager dan de verlening.
In artikel 15, aanhef en onder d, is de bevoegdheid gemandateerd om bedragen terug te vorderen of te verrekenen. De bevoegdheid om deze bedragen niet terug te vorderen valt niet onder dit mandaat.
In artikel 15, aanhef en onder e, wordt mandaat verleend voor de afwijzing van zogenaamde ongereglementeerde subsidieverzoeken. Het gaat daarbij om subsidieverzoeken ingediend buiten de in de Algemene subsidieverordening Gelderland 2016 (hierna AsG) voorgeschreven termijn, voor activiteiten waarvoor geen bijzondere subsidieregeling geldt en waarvoor op de provinciale begroting ook geen gelden beschikbaar zijn gesteld. In dit onderdeel is ook de bevoegdheid gemandateerd om aanvragen van subsidie af te wijzen als door de inwilliging daarvan het desbetreffende subsidieplafond zou worden overschreden. Het betreft hier een verplichte weigeringsgrond, zodat in een dergelijk geval geen bestuurlijke afweging behoeft te worden gemaakt. Ten slotte wordt in dit artikel ook de bevoegdheid gemandateerd toestemming te verlenen voor het verrichten van de in artikel 4:71 van de Algemene wet bestuursrecht genoemde rechtshandelingen van de subsidieontvanger. Ook ten aanzien van deze rechtshandelingen is geen bestuurlijke afweging vereist.
Artikel 15, aanhef en onder g, ziet op het toepassen van artikel 10, eerste lid, onder c, van de AsG.
In dit artikel is bepaald dat wanneer de provincie subsidie verstrekt voor een activiteit waarvoor ook een andere bestuursorgaan subsidie verstrekt, de provincie bij de voorwaarden van de andere overheid kan aansluiten.
Artikel 15, aanhef en onder h, ziet op subsidiebeschikkingen ter uitvoering van een specifieke uitkering van het rijk, waarvan in het rijk als de subsidieontvanger en het bedrag heeft bepaald.
Artikel 16. Omgevingsvergunning, maatwerkvoorschrift, melding en verkeersontheffing
Dit artikel heeft betrekking op een aantal vormen van het toestaan van of expliciet toestemming verlenen voor bepaalde activiteiten.
Dat betreft allereerst de omgevingsvergunning (afdeling 5.1 van de Omgevingswet). De aanvragen voor een aantal omgevingsvergunningen wordt ‘in eigen huis’ in behandeling genomen (met name de ontgrondingsactiviteit, de Natura 2000-activiteit, de flora- en fauna-activiteit en de beperkingengebiedactiviteit voor luchthavens en voor provinciale wegen).
Voor het in behandeling nemen van aanvragen voor een aantal andere omgevingsvergunningen, waarvoor Gedeputeerde Staten bevoegd gezag zijn, is extern mandaat verleend aan de directeuren van de omgevingsdiensten. Deze bevoegdheidsverdeling geldt ook voor de andere in dit artikel genoemde beslisbevoegdheden, zoals een besluit naar aanleiding van een melding of in reactie op een verzoek om een gelijkwaardige maatregel te mogen treffen en het stellen van een maatwerkvoorschrift. Het mandaat ziet ook op aanverwante beslissingen, zoals het op verzoek of ambtshalve wijzigen of intrekken of actualiseren van een omgevingsvergunning.
Niet alle toestemmingsbeslissingen vallen onder de paraplu van de omgevingsvergunning.
Gedeputeerde Staten zijn ook bevoegd gezag voor een aantal ontheffingen. Onder dit mandaat vallen alleen de zogenoemde verkeersontheffingen, waarvoor Gedeputeerde Staten bevoegd gezag zijn:
Voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een zogenaamde TUG-ontheffing is een specifiek mandaat verleend.
Voor de ontheffing van instructieregels (artikel 2.32 van de Omgevingswet en artikel 8.47 in verbinding met de artikelen 8.9 en 8.12) is geen mandaat verleend.
Artikel 17. Advies en instemming
Aanvullend op het mandaat in artikel 13 worden in de artikelen 17 en 18 bevoegdheden gemandateerd die betrekking hebben op enkele specifieke ‘stappen’ bij de voorbereiding van bepaalde besluiten. Artikel 17 ziet op procedurestappen die gezet worden in de samenwerking en afstemming met andere bij het besluit betrokken of belanghebbende bestuursorganen: het over en weer geven van advies of instemming.
Artikel 18. Milieueffectrapportage
Veel van de procedurestappen in het kader van een milieueffectrapportage vallen onder het mandaat voor de voorbereiding van besluiten (artikel 15). Hierbij kan gedacht worden aan:
De in het verlengde van onderdeel e liggende bevoegdheid om een aanvraag af te wijzen, als het milieueffectrapport niet voldoet aan de daaraan gestelde regels, valt onder het mandaat in artikel 17, eerste lid, onderdeel a.
Artikel 18 regelt aanvullend een specifiek mandaat voor de bevoegdheid om in het kader van de voorbereiding van bepaalde besluiten een mer-beoordelingsbesluit te nemen.
Niet gemandateerd zijn dus andere beslissingen in het kader van de milieueffectrapportage, zoals bijvoorbeeld:
Artikel 19. Maatregelen en gedoogplichten
Dit mandaat ziet op ‘maatregelbevoegdheden’. Gedeputeerde Staten en de Commissaris van de Koning zijn bevoegd om in bepaalde – bijvoorbeeld bij spoedeisende – situaties maatregelen te treffen of te laten treffen. Voorbeelden hiervan zijn:
Verder ziet het mandaat op de bevoegdheid om een gedoogplicht op te leggen. Veel gedoogplichten gelden van rechtswege, maar een aantal gedoogplichten vergt een gedoogplichtbeschikking van Gedeputeerde Staten, bijvoorbeeld bij ontgrondingsactiviteiten (artikel 10.16 van de Omgevingswet).
Dit artikel regelt de mandatering van de bevoegdheid om handhavend op te treden.
Tot die bevoegdheid behoort naast het beslissen over het opleggen van een last onder bestuursdwang of dwangsom of van een bestuurlijke boete en het intrekken van een omgevingsvergunning ook het afzien van handhaving (actief gedogen). Provinciaal toezicht en handhaving vinden plaats binnen landelijk afgestemde beleidskaders.
Toezicht en handhaving van de door Gedeputeerde Staten verleende verkeersontheffingen vindt plaats in het kader van het reguliere verkeerstoezicht door de politie. Om die reden is hiervoor geen mandaat opgenomen.
Het in het eerste lid onder a bedoelde mandaat heeft betrekking op de bevoegdheid als bedoeld in artikel 7:10, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
In het tweede lid is opgenomen dat de algemeen directeur bevoegd is om de beslissing op bezwaar te nemen, als de beslissing in overeenstemming is met het advies van de Commissie Rechtsbescherming. Als de beslissing op bezwaar afwijkt van het advies van de Commissie Rechtsbescherming, moeten Gedeputeerde Staten de beslissing op bezwaar nemen.
De algemeen directeur is alleen bevoegd om beslissingen op bezwaar te nemen als hij hoger in rang is dan degene die het primaire besluit heeft genomen. Is het primaire besluit bijvoorbeeld genomen door Gedeputeerde Staten, dan is de algemeen directeur niet bevoegd om de beslissingop bezwaar te nemen en moeten Gedeputeerde Staten de beslissing op bezwaar nemen.
Artikel 22. Administratief beroep
Verschillende bijzondere wetten, bijvoorbeeld de Wet op de lijkbezorging en de Waterschapswet, stellen beroep open tegen Gedeputeerde Staten die aldus een belangrijke rol spelen als administratief beroepsorgaan.
Dit artikel heeft betrekking op het voeren van rechtsgedingen voor de bestuursrechter, de burgerlijke rechter en het voeren van een arbitraal geding. Bij de omschrijving van de bevoegdheden is aansluiting gezocht bij artikel 158, eerste lid, onder e, van de Provinciewet waarin de bevoegdheden van Gedeputeerde Staten zijn opgenomen om rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratieve beroepsprocedures namens de provincie of het provinciebestuur te voeren. De bevoegdheden zijn omschreven in de hoofdstukken 7 en 8 van de Algemene wet bestuursrecht en de desbetreffende artikelen uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Dit artikel regelt de mandatering van de bevoegdheid tot het beslissen over deelname aan mediation alsmede van de overige aan mediation verbonden bevoegdheden. Bij mediation wordt onder leiding van een mediator buiten de procedure bij bijvoorbeeld de rechtbank of de Raad van State om onderhandeld over een oplossing van het geschil welke voor alle partijen aanvaardbaar is. Mediation is ook mogelijk in de bezwaarprocedure. Mediation wordt in de regel afgerond met een vaststellingsovereenkomst waarin alle betrokken partijen vastleggen uitvoering te geven aan het resultaat van de gesprekken en de onderhandelingen. In dat geval kan de rechterlijke procedure worden stopgezet. Met het onder a geregelde mandaat wordt ook de bevoegdheid gemandateerd deelname aan mediation te beëindigen.
In dit artikel zijn de mandaten geregeld voor wat betreft de afhandeling van klaagschriften. Een klaagschrift is een schriftelijke klacht over de wijze waarop een bestuursorgaan zich in een bepaalde aangelegenheid jegens de klager heeft gedragen. Ten behoeve van de afhandeling van klaagschriften zijn hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht en de Verordening rechtsbescherming Gelderland 2016 van belang.
Artikel 26. Overige publiekrechtelijke bevoegdheden
Voor een restcategorie van beslissingen is een voorziening getroffen.
Onderdeel a: bij het nemen van besluiten over verzoeken op grond van de Wet open overheid heeft het mandaat onder meer betrekking op het verstrekken van documenten en de weigering om documenten openbaar te maken.
Als het verlengen van de termijn van de beantwoording van statenvragen (onderdeel c) politiek gevoelig ligt, kan op grond van artikel 9 geen gebruik gemaakt worden van het mandaat en nemen Gedeputeerde Staten het besluit.
Met name bij de uitvoering van wegenprojecten en het beheer van de provinciale gebouwen komt het voor dat bij een ander bestuursorgaan een vergunning of ontheffing aangevraagd wordt (onderdeel e).
Onderdeel g heeft betrekking op de goedkeuring door Gedeputeerde Staten van door andere bestuursorganen of instanties genomen besluiten. Voorbeeld hiervan zijn het projectbesluit van het dagelijks bestuur van een waterschap (artikel 16.72 van de Omgevingswet) en de goedkeuring van een faunabeheerplan (artikel 8.1 van de Omgevingswet). Dit mandaat ziet niet op de goedkeuringsbeslissing zelf: daarvoor is zowel voor het projectbesluit als het faunabeheerplan een specifiek mandaat verleend.
Het mandaat ziet verder op uitvoeringshandelingen in de situatie waarin voor een provinciaal besluit goedkeuring nodig is van ‘het Rijk’. Voorbeelden hiervan zijn de ‘geldelijke voorzieningen’ ten behoeve van Statenleden en commissies (zie de artikelen 95 en 96 van de Provinciewet).
Onderdeel i betreft een specifieke procedurele bevoegdheid bij de bekendmaking van een gemeentelijk omgevingsplan. Tussen de vaststelling en terinzagelegging van het omgevingsplan zit een termijn van twee weken, waardoor Gedeputeerde Staten voldoende gelegenheid krijgen om eventueel een interventiebesluit te nemen. Als Gedeputeerde Staten niet voornemens zijn zo’n besluit te nemen, kunnen zij bepalen dat de gemeente het vastgestelde omgevingsplan eerder ter inzage kan leggen (artikel 16.77b van de Omgevingswet).
Onderdeel l tenslotte ziet op het aanwijzingsbesluit voor toezichthoudende ambtenaren. Bij dit aanwijzingsbesluit kan aan die ambtenaren ook de bevoegdheid tot binnentreden worden verleend (zie artikel 18.7 van de Omgevingswet).
Artikel 27. Privaatrechtelijke rechtshandelingen
Dit artikel regelt de mandatering van de bevoegdheid om tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van de provincie te besluiten en de provincie ter zake te vertegenwoordigen. In dit artikel verlenen Gedeputeerde Staten aan de algemeen directeur mandaat voor het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen.
Zo’n rechtshandeling betreft bijvoorbeeld het sluiten van een contract voor de inkoop van goederen (artikel 158, eerste lid, onder d, van de Provinciewet) of een van de handelingen in het kader onteigening en herverkaveling (de hoofdstukken 11 en 16 van de Omgevingswet). Daaraan gekoppeld is een besluit van de Commissaris van de Koning om ten aanzien van zijn bevoegdheid contracten te ondertekenen, volmacht te verlenen (artikel 176 van de Provinciewet).
In dit artikel is tevens bepaald dat bij afwijking van de ter zake door Gedeputeerde Staten en Provinciale Staten vastgestelde regels de gemandateerde of ondergemandateerde een door hem te nemen beslissing voorlegt aan de Gedeputeerde Staten. Hiermee wordt allereerst beoogd dat de gemandateerde of ondergemandateerde verplicht is de door Gedeputeerde Staten en Provinciale Staten vastgestelde regels in acht te nemen.
Wordt afgeweken van de algemene inkoopvoorwaarden Gelderland of wordt gebruik gemaakt van een afwijkingsmogelijkheid uit het inkoopbeleid van Gelderland, dan hoeft het besluit niet voorgelegd te worden aan de mandaatgever, maar is instemming van het ambtelijke team Inkoop noodzakelijk.
Een ondermandaat voor deze rechtshandelingen kan alleen worden verleend aan een ambtenaar met leidinggevende bevoegdheid of aan een programmamanager. Voor voorbereidings- en uitvoeringshandelingen zoals bijvoorbeeld het tekenen van facturen, het paraferen van bestellingen uit het inkoopsysteem e.d. kan echter ook een ondermandaat worden verleend aan ambtenaren die geen leidinggevende bevoegdheid hebben. De financiële omvang van de bevoegdheid tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen blijkt uit de provinciale financiële administratie.
Artikel 29. Feitelijke aangelegenheden
Voor correspondentie over feitelijke aangelegenheden die geen besluiten inhouden geldt dat zij in overeenstemming zijn met het beleid van Gedeputeerde Staten of ter uitvoering van het beleid van Gedeputeerde Staten dienen.
Gedeputeerde Staten van Gelderland
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2025-12579.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.