Provinciaal blad van Utrecht
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Utrecht | Provinciaal blad 2025, 12011 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Utrecht | Provinciaal blad 2025, 12011 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Besluit van Gedeputeerde Staten van Utrecht van 15 juli 2025, nummer UTSP-852987353-50718, houdende nadere regels op grond van de Algemene subsidieverordening provincie Utrecht 2022 (Subsidieregeling Impulsplannen Utrecht Talent Alliantie 2025-2027)
In deze subsidieregeling wordt verstaan onder:
Leven Lang Ontwikkelen (LLO): opscholing (gericht op kwalificatie van een hoger onderwijsniveau), omscholing (gericht op kwalificatie van hetzelfde onderwijsniveau, maar in een ander vakgebied, bijscholing (cursus) en informeel leren (leren in de context van een werkverband, maar buiten een formele leeromgeving);
Opschaling: onder opschaling wordt in dit kader verstaan: het duurzaam vergroten van het bereik (kwantitatieve opschaling), het verbeteren of verdiepen van de aanpak (kwalitatieve opschaling) of het toepassen van het LLO-project in andere gemeenten of regio’s binnen de provincie Utrecht (geografische opschaling);
Taskforce Utrecht Talent Alliantie (UTA): regionale samenwerking tussen (in ieder geval) de provincie Utrecht, gemeenten Utrecht en Amersfoort, Regio U10, Regio Gooi en Vechtstreek, Beroepsonderwijs Utrecht, Universiteit Utrecht, Utrechtzorg, Utrecht Leert, Technologieraad Regio Utrecht, U-TECH community, NRTO en UWV.
Artikel 2 Subsidiabele activiteiten
Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten gericht op het toegankelijk, haalbaar en vanzelfsprekend maken van een Leven Lang Ontwikkelen (LLO).
Subsidie kan slechts worden verstrekt als de activiteiten, bedoeld in artikel 2, voldoen aan de volgende criteria:
Het is in het projectplan aannemelijk gemaakt dat de activiteiten schaalbaar zijn: de activiteiten kunnen breder toegepast worden, bijvoorbeeld in andere sectoren of andere subregio’s in de Regio Utrecht zodat het bereik en effectiviteit van de activiteiten binnen en na de projectperiode kan worden vergroot;
Tot de subsidiabele kosten behoren, voor zover noodzakelijk en in directe relatie tot het doel van de subsidie, de kosten die op grond van artikel 31 ‘Opleidingssteun’ van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV, Verordening (EU) nr. 651/2014) als verenigbaar met de interne markt worden aangemerkt, onverminderd artikel 4.8 van de Algemene subsidieverordening provincie Utrecht 2022.
Tot de subsidiabele kosten behoren, voor zover noodzakelijk en in directe relatie tot het doel van de subsidie, de kosten die op grond van artikel 27 ‘Steun voor innovatieclusters’ van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV, Verordening (EU) nr. 651/2014) als verenigbaar met de interne markt worden aangemerkt, onverminderd artikel 4.8 van de Algemene subsidieverordening provincie Utrecht 2022.
Artikel 8 Te overleggen informatie bij een subsidieaanvraag
Bij de subsidieaanvraag worden de volgende gegevens en stukken meegestuurd, in aanvulling op de gegevens en stukken als genoemd in artikel 4.4. AsvpU:
Het subsidieplafond bedraagt in de periode van 01 september 2025 tot en met 31 december 2027 € 8.500.000 minus de onder de subsidieregeling 'Impulsplannen Utrecht Talent Alliantie' verstrekte middelen.
In aanvulling op het bepaalde in artikel 4.6 van de AsvpU, gelden de volgende weigeringsgronden. Subsidie voor impulsplannen kan worden geweigerd indien:
Subsidies die zijn aangevraagd vóór de datum van inwerkingtreding van deze subsidieregeling of een wijziging hiervan, worden behandeld overeenkomstig de op dat moment geldende regelgeving.
Aldus vastgesteld in de vergadering van Gedeputeerde Staten van Utrecht van 15 juli 2025
Voorzitter,
mr. J.H. Oosters
Secretaris,
mr. drs. A.G. Knol-van Leeuwen
De regio Utrecht staat voor de opgave om een groene, gezonde en slimme economie te realiseren waaraan iedereen kan deelnemen en waar iedereen baat bij heeft. Een goed functionerende arbeidsmarkt waarin ieders talent optimaal wordt benut draagt bij aan de maatschappelijke en economische veerkracht van de regio.
Om knelpunten op de arbeidsmarkt op te lossen heeft de provincie Utrecht samen met gemeenten Utrecht en Amersfoort, Regio U10, Regio Gooi- en Vechtstreek, EBU, Beroepsonderwijs Utrecht en Universiteit Utrecht het initiatief genomen om de Utrecht Talent Alliantie op te richten. De alliantie is inmiddels uitgebreid met de Technologieraad Regio Utrecht, Utrechtzorg, Utrecht Leert, U-TECH community, NRTO, ROM Utrecht Region en UWV.
Deze alliantie kent stevige doelstellingen ten behoeve van de werkende beroepsbevolking en werkgevers, gericht op het haalbaar, toegankelijk en vanzelfsprekend maken van leven lang ontwikkelen. De daarin gemaakte keuzes zorgen ervoor dat de regio economisch én maatschappelijk sterker wordt en de maatschappelijke transities en opgaven in de regio kunnen worden gerealiseerd. Maar de agenda van de alliantie gaat vooral over mensen. Door publiek-privaat te investeringen in een toekomstgerichte beroepsbevolking wordt ieders talent optimaal benut en blijft talent zich ontwikkelen in een veranderende arbeidsmarkt.
De doelstellingen zijn opgenomen in de Human Capital Agenda regio Utrecht. Deze agenda is op 19 maart 2021 door partijen in het voormalige clusterbestuur Human Capital Agenda onder de Economic Board Utrecht vastgesteld en vervolgens op 2 juni 2021 door Provinciale Staten van de provincie Utrecht omarmd. In de agenda worden vier structurele knelpunten benoemd die de werking van de arbeidsmarkt en daarmee de economie belemmeren. Naast deze structurele ontwikkelingen is de actuele Regionale Economische Agenda (REA) 2020-2027 een belangrijk richtinggevend kader voor de Utrecht Talent Alliantie. In de REA zijn de maatschappelijke opgaven vastgelegd waarop de regio haar economische structuurversterking richt: een toekomstgerichte leefomgeving, gezonde mensen en waardevolle digitalisering. Om de hiervoor noodzakelijke oplossingen te kunnen ontwikkelen, zijn nieuwe kennis en vaardigheden nodig.
De Utrecht Talent Alliantie (UTA) heeft als concreet doel geformuleerd dat Leven Lang Ontwikkelen voor iedereen haalbaar, toegankelijk en vanzelfsprekend zou moeten zijn. In de periode van zeven jaar heeft iedereen in de regionale beroepsbevolking deelgenomen aan een activiteit waarmee haar of zijn vaardigheden worden vergroot.
Om deze ambitie waar te maken, is een echte samenwerkingscultuur nodig van bedrijven, werkgevers, overheden en onderwijs. De Human Capital Agenda van de Utrecht Talent Alliantie geeft daarbij sturing en richting. De UTA fungeert als aanjager door bestaande, vaak succesvolle initiatieven en programma’s met elkaar te verbinden en te versnellen. Hierdoor ontstaat een groter bereik en krijgen initiatieven een duurzaam karakter. Innovatieve oplossingen en nieuwe vormen van samenwerking die nodig zijn voor de noodzakelijke schaalsprong worden gestimuleerd. Daarbij werkt de alliantie aan het bouwen van blijvende structuren die de arbeidsmarkt duurzaam versterken. Impulsplannen dragen substantieel bij aan het realiseren van deze doelstelling door te richten op de verschillende schakels in de LLO-keten. Het gaat daarbij om impulsplannen die massa kunnen maken en de potentie hebben om op te schalen naar andere sectoren en andere subregio’s binnen de regio Utrecht. We hanteren een participatie- en groeistrategie. We bedenken, experimenteren, testen en stellen bij. Binnen het programma Lerende Aanpak van de UTA worden initiatieven aan elkaar verbonden, lessen gedeeld en methodes ontwikkeld om de effectiviteit te vergroten.
De provincie Utrecht ziet daar waar het de Utrecht Talent Alliantie betreft een aanjagende, stimulerende en coördinerende rol voor zich. Als gecommitteerd partner doet zij geen zaken over, ook neemt zij geen taken of bevoegdheden over, maar wil bestaande middelen en initiatieven richten op het behalen van de gezamenlijke ambities. Als één van de partijen in de alliantie vult de provincie deze rol onder andere in met het subsidiëren van impulsplannen.
Impulsplannen kunnen worden opgesteld door partijen uit en/of werkzaam voor een sector, een branche of een deelpopulatie. Deze partijen werken als samenwerkingsverband, maar de samenwerking is niet exclusief, tussentijds kunnen nieuwe partijen toetreden. De provincie Utrecht heeft zitting in de taskforce UTA, die het impulsplan ook bekrachtigd door het afgeven van een steunbrief. De provincie Utrecht is zelf geen tekenende partij, maar is via de mogelijk toe te kennen subsidie betrokken. Het impulsplan moet ondersteunend zijn aan de drie maatschappelijke transities die benoemd zijn in de Regionale Economische Agenda. En inhoudelijk maken de impulsplannen duidelijk op welke wijze en in welke mate een bijdrage wordt geleverd aan de kwalitatieve en kwantitatieve doelstellingen uit de agenda van de Utrecht Talent Alliantie.
Onderdeel van de vereiste stukken is een steunbrief van de taskforce van de Utrecht Talent Alliantie. In deze alinea wordt het proces tot het verkrijgen van deze steunbrief omschreven. Een eerste stap is het informeren van het coördinatieteam van de Utrecht Talent Alliantie van de wens tot het verkrijgen van subsidie. De strategisch projectadviseur zal gedurende het gehele traject contactpersoon blijven voor de initiatiefnemer en het initiatief door het proces begeleiden tot aan indiening van de subsidieaanvraag bij de provincie Utrecht. Er vindt een eerste toets plaats of het initiatief past bij de doelstellingen van de UTA. Ook wordt er gezamenlijk verkend of er andere financiële bronnen zijn die kunnen worden gekoppeld, bijvoorbeeld vanuit het Rijk, Europa of opleidingsfondsen. Indien mogelijk wordt de aanvrager geïnformeerd over de planning van het besluitvormingsproces. De initiatiefnemer werkt een eerste versie van het plan uit en wordt hierbij bijgestaan door een werkgroep bestaande uit een vertegenwoordiging van de taskforce Utrecht Talent Alliantie (UTA). Deze werkgroep denkt met de initiatiefnemer mee over hoe het plan kan worden verrijkt en heeft oog voor hoe het plan zo goed mogelijk kan aansluiten op de bestaande initiatieven. Initiatieven worden uitgedaagd om een waardepropositie/business case te ontwikkelen. Belangrijke bouwstenen hierbij zijn vraagsturing, partners, uitvoerbaarheid en impact. Het plan moet bovendien na de subsidieperiode verduurzaamd worden. In deze fase moet ook duidelijk worden wie penvoerder is. De beslissing of een voorstel wordt behandeld in de taskforce UTA is voorbehouden aan deze werkgroep. Wanneer een plan voldoende kansrijk wordt geacht wordt het, vaak onder begeleiding van een pitch, voorgelegd aan het de taskforce UTA. De taskforce UTA besluit of het positieve advies van de werkgroep bekrachtigt. De steunbrief van de taskforce UTA inclusief de steun van ten minste één koepelorganisatie is nodig om een succesvolle subsidieaanvraag te kunnen doen.
De penvoerder is aanspreekbaar en verantwoordelijk voor de aangevraagde subsidie zoals bedoeld in artikel 4.1 lid 2 van de AsvpU.
Artikel 2: Subsidiabele activiteiten
Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten gericht op het toegankelijk, haalbaar en vanzelfsprekend maken van leven lang ontwikkelen (LLO), zoals bedoeld in het Statenvoorstel Human Capital Agenda regio Utrecht.
Onderdeel a. In het impulsplan dient beschreven te worden aan welk maatschappelijk vraagstuk een bijdrage wordt geleverd. In de Regionaal Economische Agenda (REA, 2019) van de Regio Utrecht (provincie Utrecht en Gooi- en Vechtstreek) staat het oplossen van drie maatschappelijke vraagstukken centraal. Deze vraagstukken zijn direct van invloed op het welzijn en de welvaart van de inwoners van de regio. Dit zijn:
Onderdeel b. De subsidieregeling heeft tot doel onderdelen van de LLO-keten op te schalen. Opschaling kan bestaan uit een interventie die tot doel heeft de kwaliteit van de LLO-keten te verbeteren. Denk bijvoorbeeld aan het ontwikkelen van innovatief instrumentarium of scholingsaanbod of het versterken van de samenwerking in de LLO-keten. Onder opschaling kan ook een interventie gericht op kwantitatieve schaalvergroting worden verstaan waardoor meer LLO-activiteiten kunnen worden uitgevoerd of een geografische uitbreiding omvatten die het mogelijk maakt dat activiteiten op meer plekken binnen de regio Utrecht worden ontplooid.
Onderdeel c. Aanvragers dienen in het projectplan aannemelijk te maken dat er minimaal 100 LLO-deelnames worden gerealiseerd en minimaal 10 werkgevers worden bereikt. Er wordt waarde gehecht aan het streven naar een dergelijke ondergrens om te zorgen dat de impulsplannen in hun bereik en effectiviteit een substantiële bijdrage leveren aan het bereiken van de kwantitatieve doelstellingen.
Onderdeel d. Partijen dienen in het projectplan aan te geven op welke wijze de activiteiten binnen de subsidieperiode schaalbaar zijn naar andere sectoren en/of andere subregio’s binnen de Regio Utrecht zodat het bereik en effectiviteit van de activiteiten binnen en na de projectperiode kunnen worden vergroot. De UTA streeft naar een blijvende en structurele versterking van de regionale arbeidsmarkt.
Onderdeel e. De activiteit moet in staat zijn om na de maximale subsidietermijn de activiteiten blijvend zelf te bekostigen, zonder aanvullende subsidie vanuit de provincie Utrecht.
Onderdeel a: Voor subsidie in aanmerking komen kosten voor coördinatie, projectleiding, ondersteuning en communicatie van het impulsplan. Hierbij gaat het om personeelskosten voor zogenaamd ‘loopvermogen’. Werkzaamheden die zonder subsidie niet of niet in die grote en snelheid zouden zijn opgepakt, maar die noodzakelijk zijn voor de realisatie van het impulsplan. Voorstelbaar is dat voor de uitvoering van het impulsplan, waar meerdere partijen zich aan verbinden, een nieuwe projectstructuur moet worden opgezet. Er moet iemand verantwoordelijk zijn en het overzicht hebben en bewaren, zodat de in het impulsplan gemaakte afspraken daadwerkelijk worden uitgevoerd, dat een overlegstructuur wordt georganiseerd, dat vergaderingen worden gepland en dat aan de resultaten communicatief aandacht wordt besteed. Het is niet reëel om te verwachten dat deze kosten uit de reguliere activiteiten worden bekostigd.
Onderdeel b: Bij kosten voor instrumentontwikkeling gaat het bijvoorbeeld om de ontwikkeling van apps of andere tools die noodzakelijk dan wel ondersteunend zijn voor de realisatie van de doelstellingen. Ook kan het hierbij gaan om de ontwikkeling van een methodische benadering voor het succesvol begeleiden van deelnemers bij een overstap naar een andere baan of naar het deelnemen aan scholing.
Onderdeel c: Bij kosten voor de ontwikkeling van een scholingsaanbod gaat het om scholingsaanbod dat (nog) niet bestaat, maar dat nodig is om een groep werknemers bij-, om- of her te scholen in een richting die aansluit bij de beroepen met tekorten of groeipotentie en de maatschappelijke transities van de REA. Hierbij kan gedacht worden aan het ontwikkelen van lesmateriaal, lesstof en/ of het aanschaffen van lesbenodigdheden. Het kan daarbij ook gaan om het op maat maken van al bestaand materiaal.
Onderdeel d: Ook kosten voor de certificering van het ontwikkelde scholingsaanbod komen voor subsidie in aanmerking. Het kan voorkomen dat het civiel effect van een opleiding (nog) niet te bepalen is, omdat er geen certificering is. Dit is voor een goede borging van de scholingsinspanningen wel van belang. Kosten die hiermee gemoeid zijn, kunnen voor subsidiering worden opgenomen.
Onderdeel e: Kosten voor de realisatie van het haalbaar, toegankelijk maken van LLO ten behoeve vanoverstappen naar beroepen met tekorten en groeipotentie kunnen, voor zover ze niet onder de reguliere werkzaamheden van de betrokken organisaties vallen, opgevoerd worden ter subsidiering. Van belang is dat dit onderdeel is van een sluitende LLO keten en niet een op zichzelf staande activiteit is. Alleen het bij elkaar brengen van partijen of het matchen van groepen is immers onvoldoende om soepele en veilige transities te realiseren. Het impulsplan dient een betekenisvolle bijdrage te leveren aan het sluiten van een LLO keten.Alleen binnen dat totaalpakket zijn de kosten subsidiabel.
Onderdeel f: Om voldoende bereik en effect te sorteren is het van belang om de deelnemers zo goed en gericht mogelijk te bereiken. De kosten voor directe communicatie en het gericht betrekken van deelnemers zijn subsidiabel.
Onderdeel a: Kosten die niet voor subsidie in aanmerking komen zijn kosten die betrekking hebben op de eigenlijke her- en omscholing van werknemers. Hiervoor zijn reguliere sectorale middelen uit bijvoorbeeld O&O-fondsen beschikbaar of meer algemeen geoormerkte middelen vanuit het rijk (departementen SZW, EZK en OCW) of vanuit Europa. Eventuele verletkosten (gemiste inkomsten door deelname aan scholing of begeleiding) komen ook niet voor subsidie in aanmerking.
Onderdeel b: Kosten met betrekking tot opleidingen die worden gegeven om te voldoen aan bindende nationale opleidingsnormen zijn niet subsidiabel. Er kunnen alleen opleidingsactiviteiten worden gesubsidieerd die een stimulerend effect bewerkstelligen.
Onderdeel c: kosten die niet bijdragen aan ‘opschaling’ zoals bedoeld in artikel 1 sub i zijn niet subsidiabel. Het gaat hier bijvoorbeeld om kosten die gemoeid zijn met het voortzetten van bestaande activiteiten van de subsidieaanvrager.
Artikel 8: te overleggen informatie bij een subsidieaanvraag
Onderdeel a: In samenspraak met de coördinator en strategisch projectadviseur wordt toegewerkt naar een steunbrief door de Taskforce Utrecht Talent Alliantie. De steunbrief van de taskforce UTA inclusief de steun van ten minste één koepelorganisatie is nodig om een succesvolle subsidieaanvraag te kunnen doen.
Onderdeel b: Samenwerkende partijen leggen hun samenwerking met uitgewerkte taakverdeling en onderlinge afspraken vast in een overeenkomst die door alle partijen wordt ondertekend en wordt toegevoegd aan het impulsplan. In het impulsplan is een uitgewerkte begroting opgenomen van de totale programmakosten. Het is dus van belang aan te tonen hoe de meerjarige dekking van de gerealiseerde cofinanciering eruitziet voor zowel subsidiabele als niet subsidiabele kosten
Onderdeel a: wanneer een aanvrager wenst de projectperiode te verlengen dient hier een wijzigingsverzoek voor worden ingediend. De provincie Utrecht beoordeeld of er sprake is van bijzondere omstandigheden die buiten de invloedsfeer van de ontvanger liggen.
Onderdeel b: Voor de activiteiten die rechtstreeks vallen onder de UTA is het programma Lerende aanpak van de UTA ontwikkeld, zodat activiteiten kunnen leren van elkaar en effectieve aanpakken kunnen worden opgeschaald naar andere sectoren of andere plekken in de regio. Met het indienen van een impulsplan en het ontvangen van de subsidie is de activiteit verplicht om actief deel te nemen aan de community en kennis uit de activiteit te delen. In sommige gevallen participeren ook initiatieven die niet rechtstreeks vallen onder de UTA maar wel in lijn zijn met vereisten zoals bedoeld in artikel 2 lid 2.
Onderdeel c: In het projectplan is aangegeven naar welke aantallen LLO-deelnames en bereikte werkgevers wordt gestreefd. De provincie wenst op de hoogte gehouden te worden van de voortgang van dit bereik. Ook voor de UTA impactmonitor is het wenselijk dat de initiatiefnemer per kalenderjaar aan de UTA rapporteert over het aantal bereikte deelnemers en werkgevers.
Onderdeel d: De activiteit maakt onderdeel uit van de alliantie. Om de zichtbaarheid en het effect van de alliantie bij deelnemers te vergroten worden alle activiteiten gevraagd het UTA-logo en een verwijzing naar UTA op te nemen in alle communicatiemiddelen zoals op de website en in publicaties.
De provincie toetst subsidieaanvragen aan de Europese staatssteunregelgeving. Staatssteun omvat, kort gezegd, niet-marktconforme voordelen van de overheid aan ondernemingen, waarmee de mededinging wordt vervalst en het handelsverkeer ongunstig wordt beïnvloed. Als een aangevraagde subsidie leidt tot het verstrekken van onverenigbare staatssteun dan kan de provincie deze weigeren. Provinciale subsidies aan ondernemingen die voldoen aan de staatssteuncriteria moeten in beginsel ter goedkeuring worden aangemeld bij de Europese Commissie. De aanmeldingsplicht kent echter een aantal uitzonderingen. Zo biedt de zogenaamde Algemene Groepsvrijstellingsverordening voor bepaalde categorieën steun de mogelijkheid deze onder voorwaarden direct te verlenen.
Daarnaast levert subsidie die onder de zogenaamde de-minimisverordening valt geen staatssteun op. Deze verordening is van toepassing op subsidies waarvan het bruto steunbedrag, ongeacht vorm en doel voor een onderneming over een periode van drie belastingjaren het plafond van € 300.000,- niet overschrijdt. In voorkomend geval dient de subsidieontvanger een de-minimisverklaring te ondertekenen, waarmee wordt aangetoond dat het plafond niet wordt overschreden.
De steunmaatregelen die op basis van deze verordening verstrekt kunnen worden aangemerkt als staatsteun. Elke steunmaatregel die op basis van deze verordening verstrekt wordt zal derhalve individueel beoordeeld worden op de vraag of verlening van de steun staatsteun oplevert. Voor zover sprake is van staatsteun wordt de subsidie geweigerd tenzij de steun verleend kan worden op basis van de Algemene groepsvrijstellingsverordening of de De-minimis verordening.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2025-12011.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.