Provinciaal blad van Noord-Brabant
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Noord-Brabant | Provinciaal blad 2025, 11133 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Noord-Brabant | Provinciaal blad 2025, 11133 | beleidsregel |
Beleidsregel van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant van 1 juli 2025 tot wijziging van de Beleidsregel omgevingsrecht Noord-Brabant in verband met het doorvoeren van enkele wijzigingen in paragrafen 1.2, 2.1, 2.2, 6.1, 7.1 en 7.3 (Derde wijziging Beleidsregel omgevingsrecht Noord-Brabant)
Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant;
Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;
Overwegende dat Gedeputeerde Staten het wenselijk achten de Beleidsregel omgevingsrecht Noord-Brabant te wijzigen in verband met doorvoeren van enkele wijzigingen in paragraaf 1.2 Volksgezondheid en mestbewerking, paragraaf 2.1 Natura 2000-activiteit, paragraaf 2.2 Beperken latente ruimte bij industriële bedrijven, paragraaf 6.1 Grondwaterbeheer, paragraaf 7.1 Maatwerk omgevingskwaliteit en paragraaf 7.3 Brabantse zorgvuldigheidsscore veehouderij;
Artikel I Wijziging Beleidsregel omgevingsrecht Noord-Brabant
De Beleidsregel omgevingsrecht Noord-Brabant wordt als volgt gewijzigd:
In artikel 1.2.1 vervalt het begrip “Adviescommissie veehouderij Noord-Brabant”.
In artikel 1.2.6 vervallen het tweede lid alsmede de aanduiding “1.”voor het eerste lid.
Artikel 2.1.1 wordt als volgt gewijzigd:
In de volgende artikelen wordt “toestemming” vervangen door “natuurtoestemming”:
Artikel 2.1.4, vijfde lid, komt te luiden:
In artikel 2.2.1 komt de omschrijving van het begrip “natuurtoestemming” te luiden:
In artikel 6.1.4, aanhef, wordt “grondwateronttrekkingsactiviteit” vervangen door “milieubelastende activiteit”.
Paragraaf 7.1 Maatwerk omgevingskwaliteit
Artikel 7.1.1 Begripsbepalingen
grond: aarde, bestaande uit een mix van zand, klei en organische stoffen, die de plantgroei ondersteunen;
rekenmodule: hulpmiddel om de fysieke tegenprestatie in omgevingskwaliteit te berekenen als bedoeld in artikel 7.1.7 van deze paragraaf.
Artikel 7.1.2 Toepassingsbereik en algemene voorwaarden
Gedeputeerde Staten kunnen meewerken aan het toevoegen van een woning als bedoeld in artikel 5.14, derde lid, onder a, van de Omgevingsverordening Noord Brabant indien:
de ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in artikel 5.14, eerste lid, onder e, bij de ontwikkeling van meerdere woningen specifiek rekening houdt met de effecten van de ontwikkeling op het landelijk gebied, de woningbouwopgave in het stedelijk gebied, de bereikbaarheid van voorzieningen en mobiliteit.
Artikel 7.1.3 Maatwerk omgevingskwaliteit saneren bedrijfsbebouwing
Gedeputeerde Staten hanteren bij de beoordeling of sprake is van een voldoende fysieke tegenprestatie tot versterken van omgevingskwaliteit in de hierna opgenomen gevallen de volgende uitgangspunten:
Artikel 7.1.4 Maatwerk omgevingskwaliteit saneren milieubelastende activiteit
Gedeputeerde Staten hanteren voor het realiseren van een voldoende fysieke tegenprestatie in het versterken van omgevingskwaliteit bij beëindiging van een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 5.14, tweede lid, van de Omgevingsverordening Noord-Brabant de volgende uitgangspunten:
Artikel 7.1.5 Waardering overige maatregelen
Gedeputeerde Staten hanteren voor overige maatregelen gericht op het realiseren van een voldoende fysieke tegenprestatie in het versterken van omgevingskwaliteit de volgende uitgangspunten:
bij het afwaarderen van gronden ten behoeve van maatregelen gericht op extensivering van het grondgebruik vanwege het bereiken van doelen uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn of de Kaderrichtlijn Water geldt dat als:
juridisch geborgde maatregelen worden getroffen voor water- en bodemsysteemherstel, in combinatie met 5 % groenblauwe dooradering en het gebruik van drijfmest, kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen juridisch wordt uitgesloten, de afwaardering van die gronden kan worden betrokken bij de tegenprestatie tot ten hoogste €4 per m2;
als aangetoond is dat de meerkosten voor de aanvoer van grond voor het dempen van mestputten of kelders vanwege de sloop van bebouwing aanzienlijk hoger zijn dan €25 per m2, kan de aanvoer van grond betrokken worden als tegenprestatie voor het versterken van de omgevingskwaliteit tot een maximum van €5 per m3;
als bij de sloop van opstallen asbest is betrokken en onderbouwd wordt dat de sloopkosten hoger zijn dan €25 per m2, kunnen de meerkosten daarvan worden betrokken tot een maximum van €2 per m2 voor asbesthoudende daken en een maximum voor €7,50 per m2 voor verspreid door het gebouw aanwezige asbest;
Artikel 7.1.6 Omvang fysieke tegenprestatie in omgevingskwaliteit per woningtype
Gedeputeerde Staten hanteren bij het realiseren van een voldoende fysieke tegenprestatie tot versterken van omgevingskwaliteit bij de hierna opgenomen woningtypen de volgende uitgangspunten:
In artikel 7.3.1 vervalt het begrip “adviescommissie”
Artikel 7.3.3 wordt als volgt gewijzigd:
Bijlagen 8,9 en 10 behorende bij artikel 7.3.3 van de Beleidsregel omgevingsrecht Noord-Brabant worden vervangen door bijlagen 1,2 en 3 bij deze beleidsregel.
’s-Hertogenbosch, 1 juli 2025
Gedeputeerde Staten voornoemd,
de voorzitter,
mr. I.R. Adema
de secretaris,
drs. G.H.E. Derks MPA
Bijlage 1 behorende bij artikel I, onder K, van de Derde wijziging Beleidsregel omgevingsrecht Noord-Brabant
Bijlage 8 behorende bij artikel 7.3.3 van de Beleidsregel omgevingsrecht Noord-Brabant
Berekeningssystematiek ten behoeve van de eindscore van de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij
De Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (hierna: BZV) maakt het handelen van de veehouder op het gebied van volksgezondheid, dierenwelzijn en fysieke leefomgeving inzichtelijk. Wanneer de veehouder relevante aspecten beter regelt dan de wet voorschrijft haalt hij een hoge BZV-score en kan hij daarmee ontwikkelruimte verdienen. De veehouder heeft keuzevrijheid bij het behalen van de minimale scores. De provincie Noord-Brabant is verantwoordelijk voor het tot stand komen en onderhouden van de BZV. Dit gebeurt in nauwe samenwerking met de partners in het Brabantberaad. De BZV is dan ook een gezamenlijk product van al deze partners. Voor de BZV zijn drie uitgangspunten van belang:
De BZV geldt voor iedere vorm van veehouderij. Hobbymatig gehouden dieren (wanneer er van de desbetreffende soort een beperkt aantal dieren aanwezig is) hoeven in de BZV niet beoordeeld te worden. Het bevoegd gezag moet beoordelen of er sprake is van het hobbymatig houden van dieren. Elementen die daarbij een rol spelen zijn:
Bij twijfel bepaalt het bevoegd gezag wanneer het houden van dieren als bedrijfsmatig gezien moet worden.
De score van de BZV bestaat uit de pijler Certificaten en de pijler Inrichting & Omgeving. Voor iedere veehouderijsector kan een score worden berekend. Niet alle maatlatten zijn voor alle veehouderijsectoren operationeel. Zo zijn er bijvoorbeeld geen wettelijk vastgestelde geuremissiefactoren voor melkvee en er zijn voor sommige sectoren geen erkende technieken die de emissie van geur of fijn stof verminderen. Het aantal maatlatten waarop een veehouderij kan scoren verschilt daardoor per sector. In onderstaande tabel is per sector aangegeven welke diersoorten op welke maatlatten scoren en met welke correctiefactor er wordt gerekend bij de berekening van de eindscore. De correctiefactor trekt het verschil tussen de veehouderijsectoren gelijk waardoor er een eerlijke berekening ontstaat. Deze is als volgt berekend: de maximale score bij 6 maatlatten (600 punten) gedeeld door de maximale score voor de desbetreffende sector (300, 400 of 600 punten). Het maximaal te behalen aantal punten verschilt per maatlat. Zie hiervoor het basisrapport van de WUR.
Tabel 1: correctiefactor per diersector t.b.v. de berekening van de eindscore van de BZV binnen de pijler Inrichting & Omgeving
Afhankelijk van het aantal thema’s en het niveau van de vereiste maatregelen krijgt een certificaat meer of minder punten in de BZV. De correctiefactor is uitgekomen op 20. Wanneer een bedrijf meer dan één certificaat heeft, telt de veehouder de basispunten bij elkaar op. Dit levert dan de score op het onderdeel certificaten op. Omdat er allerlei combinaties van certificaten denkbaar zijn is het niet mogelijk een maximale score te bepalen.
Indien er op een locatie meerdere diersoorten worden gehouden, wordt er een wegingsnorm gehanteerd waarbij de punten per maatlat in verhouding worden weergegeven. Dat gebeurt op basis van de Grootte Vee Eenheid (GVE) waarbij het aantal dieren worden omgerekend naar GVE en vervolgens wordt er een verhouding in GVE berekend per diersoort. Het aantal GVE op een bedrijf is afgeleid uit bijlage 6 van het rapport “Rekenregels van de Kringloopwijzer” van Wageningen Research (WUR). Indien het genoemde rapport niet in normen voorziet is het aantal GVE afgeleid uit bijlage 1 uit de verordening EU2018/1091 van het Europees Parlement en de Raad. Voor de GVE-factoren per diersoort, zie tabel 2.
|
Vleesvarkens (>=25 kg), opfokberen (>=25 kg en < 7 mnd) en opfokzeugen (>=25 kg) |
|||
|
Legkippen (>=18 weken), ouderdieren van legkippen (>=18 weken) |
|||
1) GVE-norm afkomstig uit bijlage 1 uit de verordening EU2018/1091 van het Europees Parlement en de Raad.
Bijlage 2 behorende bij artikel I, onder K, van de Derde wijziging Beleidsregel omgevingsrecht Noord-Brabant
Bijlage 9 behorende bij artikel 7.3.3 van de Beleidsregel omgevingsrecht Noord-Brabant
Berekening score pijler Certificaten
Idealiter zouden er private certificaten moeten zijn die een zorgvuldige veehouderij in zijn geheel omvatten. Deze zijn op dit moment nog niet aanwezig. Ieder certificaat levert een aantal punten op. Dit is gebaseerd op de maatregelen die een certificaat borgt. Er wordt getoetst op de volgende onderwerpen, te weten:
Voor zoönosen en antibiotica is de systematiek gehanteerd van de risicobenadering. Deze aanpak sluit aan bij het rapport ‘Aanvullend toetsingsinstrument, een risico-inventarisatie en –evaluatie voor gezondheid bij veehouderij’. Dit rapport is onderdeel van de Beleidsregel Aanvullend toetsingsinstrument, een risico-inventarisatie en – evaluatie voor gezondheid bij veehouderij, dat de GGD samen met de gemeenten Oirschot, Reusel-De Mierden en Gemert-Bakel in 2013 heeft opgesteld.
Daarnaast is bij zoönosen gewerkt met de HACCP-benadering (Hazard Analysis and Critical Control Points voor de risicobeoordeling en –beheersing). Deze biedt een goede aanvliegroute voor het in kaart brengen van:
De risicoanalyse richt zich zowel op risico’s voor omwonenden als op risico’s voor de veehouder en zijn personeel. Bij inschatting van de risico’s voor omwonenden wordt vooral gekeken naar de bronsterkte van het bedrijf (bijvoorbeeld: hoe groot zijn de diergezondheidsrisico’s van het bedrijf en wat wordt gedaan aan uitstootpreventie?). Er is nog te weinig wetenschappelijke kennis over de verspreidings- en impactdynamiek om ook maatregelen op het gebied van verspreiding van ziekteverwekkers en endotoxinen te waarderen in de BZV.
Voor dierenwelzijn en fosfaatefficiëntie zijn de maatregelen uit het onderbouwingsrapport van Wageningen University & Research gebruikt. De maatregelen ten behoeve van energie & klimaat en brandveiligheid zijn afgeleid van de Maatlat Duurzame Veehouderij. En tot slot zijn de maatregelen voor bodem, water en biodiversiteit afkomstig uit de systematiek van duurzame pachtuitgifte.
Er worden alleen certificaten opgenomen waarvan de criteria openbaar zijn en een onafhankelijke derde partij borgt dat aan de eisen in het systeem is voldaan. Certificaten die hier (nog) niet aan voldoen staan in “de wachtkamer”. Daar waar certificaten overlappen is de waardering dusdanig toegepast dat er geen dubbeltelling optreedt.
In tabel 3 staat aangegeven hoeveel basispunten een bepaald certificaat oplevert en hoe deze punten zijn opgebouwd.
Tabel 3: Aantal punten pijler Certificaten
1) IKB Ei basis en KAT basis overlappen met elkaar en ook de aanvullende certificaten voor IKB Ei en KAT overlappen. In de BZV wordt het certificaat met de hoogste punten meegerekend in de score bij zowel de basis als bij de aanvullende certificaten (IKB Ei of KAT).
2) De certificaten On the way to PlanetProof Eieren en BeterLeven (1, 2 en 3 sterren) leghennen overlappen met elkaar. In de BZV wordt het certificaat met de hoogste punten meegerekend in de score. Er wordt 1 punt bij opgeteld voor de score op energie bij het certificaat OTWTPP Melk.
3) De certificaten OTWTPP Melk en Beterleven (1, 2 en 3 sterren) melkvee overlappen met het certificaat van weidegang. In de BZV wordt het certificaat met de hoogste punten meegerekend in de score.
4) De certificaten OTWTPP MELK en Beterleven (1, 2 en 3 sterren) melkvee overlappen met elkaar. In de BZV wordt het certificaat met de hoogste punten meegerekend in de score. Er wordt 1 punt bij opgeteld voor de score op energie bij het certificaat OTWTPP Melk.
5) De certificaten van Beter Leven 3 sterren overlapt met het SKAL certificaat op het beoordelingscriteria ‘bodem, water en biodiversiteit’. In de BZV wordt een correctie toegepast van -6 punten.
6) FoqusPlanet ‘levensduur koe’ en FoqusPlanet ‘energie’ overlappen met elkaar. Voor de BZV kan slechts één van beiden worden geselecteerd.
7) Het certificaat KDV overlapt met KDV+. In de BZV wordt het certificaat met de hoogste punten meegerekend in de score.
8) Producert geldt op dit moment voor varkens-, rund- en kippenvlees.
9) Dit certificaat is gericht op een aspect, namelijk genetische modificatie, en is niet opgenomen in de beoordelingssystematiek die ten grondslag ligt aan de BZV. Het is wel een belangrijk maatschappelijk thema dat verband houdt met de teelt van sojabonen in andere delen van de wereld en het voederen van sojaschroot in Nederland. Daarom wordt dit certificaat met een score van 1 punt opgenomen in de BZV. Zie adviesrapport van de WUR t.b.v. versie 2.3.
10) Hiervoor kunnen bedrijven in aanmerking komen die de melk leveren aan een zuivelbedrijf dat het logo van de Stichting Weidegang voert. Daarnaast is dit toegestaan door veehouders die leveren aan DOC-Kaas, de borging bij DOC-Kaas is overeenkomstig aan die van Stichting Weidegang. Veehouders die hieraan meedoen moeten vooraf een Verklaring Weidegang ondertekenen. De Stichting draagt zorg voor de controle. Veehouders die weidegang toepassen krijgen een weidegangbonus uitgekeerd vanuit de zuivelfabriek, deze is zichtbaar op een (digitaal) afschrift van de zuivelfabriek.
Certificaten zijn nog niet voor alle sectoren beschikbaar of beperkt beschikbaar. Dit geldt voor bedrijven met eenden, gespecialiseerde melkjongvee-opfok, konijnen, ouderdieren kalkoenen, overig pluimvee (zoals parelhoenders en struisvogels) en schapen. Bij elke nieuwe versie van de BZV wordt de ontheffing opnieuw beoordeeld.
In versie 2.2 is er een MDV-certificaat (Maatlat Duurzame Veehouderij) voor paarden opgenomen. Er zijn situaties denkbaar dat de veehouderij wordt gecombineerd met een paardenhouderijtak. Indien er voor de paardenhouderij gebruik is gemaakt van een MDV-certificaat, levert dit extra punten op bij de BZV-score voor de betreffende ondernemer. De ondernemer laat op deze manier zien dat zijn totale bedrijf zorgvuldig is.
Bijlage 3 behorende bij artikel I, onder K, van de Derde wijziging Beleidsregel omgevingsrecht Noord-Brabant
Bijlage 10 behorende bij artikel 7.3.3 van de Beleidsregel omgevingsrecht Noord-Brabant
Berekening score Pijler Inrichting & Omgeving
Het houden van vee dient zo min mogelijk risico’s voor de gezondheid van mensen en dieren met zich mee te brengen. Gezondheid bevat de subthema’s zoönosen, endotoxinen, geurhinder, fijn stof en antibioticagebruik. De thema’s geurhinder (emissie en impact) en fijn stof zijn opgenomen in een aparte maatlat. De andere thema’s zijn op twee manieren in de BZV opgenomen. Enerzijds via het onderdeel certificaten en anderzijds via deze maatlat Gezondheid. In deze maatlat zijn keuzemaatregelen opgenomen waarvan eenvoudig kan worden vastgesteld of deze fysiek op het bedrijf aanwezig zijn. Fysieke maatregelen zijn onder anderen af te leiden uit de bouwtekening van een bedrijf of door bedrijfsbezoek.
Bij de maatlat Gezondheid waarderen we maatregelen die ertoe leiden dat de gezondheidsrisico’s van een veehouderij afnemen. Dus hoe beter de veehouder presteert, des te kleiner de gezondheidsrisico’s voor mens en dier op en rond het bedrijf. Voedselveiligheidsrisico’s (de volksgezondheidsrisico’s die met de dierlijke producten mee de keten in gaan) die aanwezig zijn, worden in ketenverband aangepakt en blijven hier buiten beschouwing. Ook deze aanpak sluit aan bij het rapport ‘Aanvullend toetsingsinstrument, een risico-inventarisatie en –evaluatie voor gezondheid bij veehouderij’ dat onderdeel is van de Beleidsregel Aanvullend toetsingsinstrument, een risico-inventarisatie en –evaluatie voor gezondheid bij veehouderij, en de HACCP-benadering zoals beschreven bij de toelichting van ‘Pijler Certificaten’. De score op deze maatlat is maximaal 100 punten. De score is daarbij lineair omgerekend naar 100 punten. In tabel 4 staan alle maatregelen opgenomen voor de maatlat Gezondheid.
Tabel 4: maatregelen maatlat Gezondheid
1) Een flexibele belemmering van bijvoorbeeld een ketting voldoet niet voor de BZV. De transportwegen voor voer, dieren en mest zijn verhard met stenen, beton, asfalt of puin.
2) Voor dit onderdeel is een strikte scheiding vuile-schone weg vereist. Het doel van vuile-schone weg is het voorkomen van insleep van dierziektes. De dieren bevinden zich op het schone gedeelte en is afgescheiden van het vuile gedeelte. Het schone gedeelte is alleen bereikbaar via afsluitbare doorgangen. De eisen staan beschreven in de Maatlat Duurzame Veehouderij vraag 3b van de diergezondheidsmaatlat en voor melkvee is in bijlage 2 een voorbeeld met eisen weergegeven .
3) Geen punten omdat dit wettelijk vereist is.
4) Het gaat bij de afleverplaats om een fysiek afgescheiden ruimte met tenminste een dak en 3 dichte wanden, voorzien van tenminste 2 werkende drinkwatervoorzieningen. De afleverruimte is gelegen op het vuile deel van het bedrijf of indien het bedrijf geen vuile en schone weg heeft dan ligt de afleverplaats dicht bij de openbare weg langs de oprit en biedt voldoende ruimte voor vrachtwagens om te laden, maar zeker 12 meter van de openbare weg af om te laden zonder de overige weggebruikers te storen. Er is geborgd dat niemand van buitenaf vanuit de afleverruimte in de stallen/dierverblijven of op andere delen van het schone bedrijfsgedeelte kan komen. De afleverplaats moet voldoende ruimte hebben om het maximum aantal dieren dat in één transport zal worden afgevoerd, te kunnen onderbrengen. De specifieke eisen per diersoort zijn beschreven in de Maatlat Duurzame Veehouderij .
5) Er moet een vloeistofdichte beton- of kunststofvloer aanwezig te zijn. De kadaverplaat is uitgevoerd met een kadaverkap en ligt in het vuile gedeelte van het bedrijf aan de openbare weg. Er is een waterpunt aanwezig met bereik tot de kadaverplaats om de materialen die gebruikt zijn voor het vervoer van kadavers te reinigen. De kadaverplaats ligt op minimaal 5 meter van de afleverplaats en het vulpunt van de voersilo. Het vloeistofdicht zijn van de vloer wordt getest door het uitgieten van een emmer met water over de vloer waarbij het water niet mag weglopen via de vloer maar op de vloer blijft staan. De afvoer is afsluitbaar. De specifieke eisen per diersoort zijn beschreven in de Maatlat Duurzame Veehouderij. Een mobiele kadaverplaats die voldoet aan de gestelde eisen komt ook in aanmerking.
6) De eisen staan beschreven in de Maatlat Duurzame Veehouderij.
7) Geen punten omdat dit in het certificaat zit.
8) Intern luchtfilteringssyteem (doeken-/slagen-/zakkenfilter) met gemiddeld stalventilatiedebiet. (geschat reductiepercentage 30%). De eisen staan beschreven in de Maatlat Duurzame Veehouderij.
9) Verharding betekent: straatstenen, beton of asfalt, antiworteldoek met grind en zonder beplanting)
10) Het gaat om fysiek van de andere stallen gescheiden mestput, mestafvoerpunt , en ventilatiesysteem waarbij geen sprake kan zijn van uitwisseling van stallucht en mest en dat iedere stal zijn eigen toegangsdeur (buitendeur) heeft en geen direct verkeer (mens of dier) tussen stallen mogelijk is.
Het is wenselijk dat een veehouderij zo min mogelijk geur uitstoot en op deze manier de mensen in zijn omgeving zo min mogelijk hindert. Deze maatlat waardeert maatregelen die de emissie van geur per dierplaats verminderen. De score bedraagt maximaal 100 punten.
Voor het bepalen van de score van geuremissie wordt de reductie op bedrijfsniveau ten opzichte van de traditionele stalsystemen berekend. Daarbij geldt:
In de omgevingsvergunning staat de benodigde informatie om de BZV-score te berekenen. Aan de hand van de Omgevingsregeling, of de proefstalstatus, bepaalt de veehouder de emissie in de aangevraagde situatie. Vervolgens wordt de aangevraagde situatie met de bijbehorende referentiewaarde vergeleken. De referentiewaarden zijn in tabel 5 opgenomen. De punten voor de maatlat geuremissie worden met de volgende formule berekend:
# basispunten = (referentiewaarde – aangevraagde emissie) / referentiewaarde * 100
Tabel 5: emissiefactoren referentiewaarden geuremissie per diercategorie
1) Batterijhuisvesting bij leghennen is niet langer toegestaan
Gedeputeerde Staten kunnen tussentijds tabel 5 aanpassen als de wetgeving ten aanzien van deze emissiewaarden wijzigt.
Voor nog niet alle sectoren zijn (erkende) emissie reducerende technieken voor geur beschikbaar. Zolang dit nog niet het geval is kan een veehouder uit de desbetreffende sector niet scoren op deze maatlat voor wat betreft de geuremissie. Hiermee is rekening gehouden in de berekening van de score (zie bijlage 1).
Om de reductie van de geuremissie extra te stimuleren ten opzichte van de vorige vergunning, worden extra punten toegekend als de geurreductie sterker afneemt, zie tabel 6.
Tabel 6: Aantal punten per hoeveelheid geurreductie
1) Er kunnen alleen punten verdiend worden als er minder dan 15 jaar tussen de huidige en nieuwe vergunning in zit. Dit geldt ook voor bedrijven die in de oude situatie een geuremissie hadden en in de nieuwe niet meer doordat zij alleen dieren hebben zonder geuremissienorm.
De maatlat Geurimpact houdt rekening met de impact en het percentage omwonenden dat mogelijk hinder ondervindt van de geuruitstoot van een bedrijf. De geurbelasting van een bedrijf beïnvloedt de gezondheid van mensen op en rond het bedrijf. De maatlat Geurimpact geeft een score die gebaseerd is op de geurbelasting op de omgeving. De gemeente stelt een eigen geurnorm vast. In de BZV kunnen alleen punten gehaald worden als de voorgrondbelasting geur niet boven de gemeentelijke norm (met een maximum van 10 odeur units (OU)) uitkomt. Boven de 10 odeur units (OU) ontstaat er ernstige hinder voor de omgeving en daarom wordt dit als maximum gehanteerd in de BZV.
De score bedraagt maximaal 100 punten. Er worden punten toegekend als een bedrijf onder de 3 en 10 OU (afhankelijk van of het binnen of buiten de bebouwingscontour valt) en er worden hogere punten toegekend als het bedrijf onder de 2 en 5 OU blijft Als de gemeentelijke norm lager is, worden punten toegekend vanaf deze gemeentelijke norm. De punten worden afgeleid van de toets die plaatsvindt bij de omgevingsvergunning door middel van het verspreidingsmodel V-stacks. Hierbij wordt het zwaarst belaste geurgevoelige object als uitgangspunt genomen. De borging vindt plaats via de omgevingsvergunning. De score wordt als volgt berekend:
1) Indien de gemeentelijke geurnorm tussen de 3.0 en 2.0 ligt, dan worden onder de gemeentelijke norm pas punten berekend.
2) Indien de gemeentelijke geurnorm lager ligt dan 2.0, worden alsnog punten toegekend zoals in de berekening aangegeven. Dit ter stimulering om de geur terug te dringen.
3) Indien de gemeentelijke geurnorm tussen de 10.0 en 5.0 ligt, dan worden onder de gemeentelijke norm pas punten berekend.
4) Indien de gemeentelijke geurnorm lager ligt dan 5.0, worden alsnog punten toegekend zoals in de berekening aangegeven. Dit ter stimulering om de geur terug te dringen.
Fijn stof is een drager van ziekteverwekkende organismen en endotoxinen. Het is wenselijk dat een veehouderij zo min mogelijk fijn stof uitstoot en op deze manier de gezondheid van mensen op en in de omgeving van het bedrijf zo min mogelijk blootstelt aan gezondheidsrisico’s. Fijn stof kan tot luchtwegaandoeningen leiden. Daarnaast kan het ook ziektekiemen over brengen op mensen.
De score op deze maatlat kan verdiend worden met maatregelen die de emissie van fijn stof per dierplaats verminderen. De score op deze maatlat is maximaal 100. Voor het bepalen van de score fijn stof wordt de reductie op bedrijfsniveau berekend ten opzichte van de traditionele stalsystemen. Daarbij geldt:
In de omgevingsvergunning staat de benodigde informatie om de BZV-score te berekenen. De emissiefactor van het aangevraagde stalsysteem (zie lijst met emissiefactoren uit bijlage V van de Omgevingsregeling wordt vergeleken met de referentiewaarde uit tabel 6. De punten voor de maatlat fijn stofemissie worden met de volgende formule berekend:
# basispunten = (referentiewaarde – aangevraagde emissie) / referentiewaarde * 100
Bij het bepalen van de BZV-score moet uitgegaan worden van de emissiewaarden uit bijlage V van de Omgevingsregeling en de definities voor oude en nieuwe stallen uit paragraaf 4.82 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
Tabel 7: Emissiefactoren referentiewaarden fijn stof emissie per diercategorie
1) Batterijhuisvesting bij leghennen is niet langer toegestaan
2) Geldt alleen voor stallen die mechanisch geventileerd worden
3) Geldt niet voor vleeseenden die buiten worden gemest
Voor nog niet alle sectoren zijn (erkende) emissie reducerende technieken voor fijn stof beschikbaar. Zolang dit nog niet het geval is kan een veehouder uit de desbetreffende sector niet scoren op deze maatlat. Hiermee is rekening gehouden in de berekening van de score (zie bijlage 1).
Uit het oogpunt van een zorgvuldige veehouderij is het wenselijk de kringlopen van mineralen op zo klein mogelijke schaal te sluiten. De BZV-score is gebaseerd op de kringloop van fosfaat omdat dit mineraal aanwezig blijft in het voer, dier en mest en daarom relatief eenvoudig in beeld is te houden. Bovendien sluit dit aan op de landelijke mestwetgeving.
De BZV waardeert de mate waarin fosfaat uit mest in de nabijheid van het bedrijf wordt afgezet op gronden die via eigendom of op andere wijze aan het bedrijf verbonden zijn. Daarbij wordt een grens gehanteerd van 15 km rond de locatie waarvoor de BZV wordt aangevraagd. Op deze afstand is transport van voer en mest binnen het eigen bedrijf haalbaar. Mest die wordt aangewend op grond die op grotere afstand bij het bedrijf hoort telt ook mee, maar naar verhouding minder zwaar. De beoordeling is op basis van gegevens uit de gecombineerde opgave en de vastgelegde contracten van de veehouderij.
Bij de fosfaatproductie mag het bedrijf uitgaan van de forfaitaire fosfaatuitscheiding of de daadwerkelijke excretie. Wanneer de daadwerkelijke excretie wordt gehanteerd dan moet dat onderbouwd worden met bijvoorbeeld de excretie van afgelopen jaren (BEX). Bedrijven doen vooraf een berekening voor de gewenste situatie, daarin motiveren zij de te behalen score. Gemeenten kunnen dit desgewenst aan de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (AAB) voorleggen.
Percelen mogen niet voor meer dan één bedrijfslocatie worden ingezet. De aanvrager dient daarom van ieder perceel aan te geven voor welke locatie het perceel wordt gebruikt. De veehouder is verantwoordelijk voor de aangeleverde gegevens en dat de bedrijfsvoering in overeenstemming is met de aanvraag. De veehouder moet jaarlijks de wijzigingen bijwerken in de gecombineerde opgave en de perceelsregistratie. In tabel 7 staan de maatregelen met bijbehorende punten opgenomen.
Tabel 8: maatregelen maatlat Mineralenkringloop
1) Zodra dat mogelijk is wordt de BZV applicatie aangepast om de gegevens uit de perceelsregistratie op te halen. Vanaf dat moment moet de aanvrager voor ieder perceel aangeven voor welke bedrijfslocatie het wordt gebruikt.
Maatlat Verbinding, biodiversiteit en omgeving
De BZV waardeert voorzieningen die bijdragen aan de transparantie van het bedrijf en die bijdragen aan natuur en landschap op het boerenerf. De score bedraagt maximaal 100 punten en is daarbij lineair omgerekend. In tabel 8 zijn de maatregelen met bijbehorende punten opgenomen.
Tabel 9: maatregelen maatlat verbinding, biodiversiteit en omgeving
1) Het gaat hierbij om perspectiefvolle systemen van dagontmesting (varkenstoilet, mestbanden, spoelsystemen of vergelijkbare systemen) bij varkens en vleeskalveren. Bijvoorbeeld: Total Circulair Farmconcept ( Kamplan ) varkens, Comfifloor Swaans Beton (vleeskalveren), Duosep Jovas (varkens), Stal van de Toekomst (De Hoeve Innovatie BV) met een mest- en waterkanaal met koeling van de ligvloer en keldervloer waarbij de mest wordt verdund en dagelijks uit de stal wordt afgevoerd.
2) De monovergister dient op hetzelfde bouwblok gesitueerd te zijn als de veehouderijlocatie waarvoor de BZV-aanvraag wordt ingediend.
3) Er mag alleen eigen dierlijke mest vergist worden.
4) Er moet minimaal aan de afstandseisen uit de instructieregels uit het Bkl worden voldaan, zie https://iplo.nl/thema/praktijksituaties/veehouderijen/toelaten-mestvergisting-locatie .
5) Het bedrijf dient het keurmerk zoönosen te hebben om in aanmerking te komen voor de punten.
Toelichting behorende bij de Derde wijziging Beleidsregel omgevingsrecht Noord-Brabant
In deze derde wijzigingsregeling is in hoofdstuk 2 (Gebiedsbescherming), paragraaf 2.1 Natura 2000-activiteit, aan artikel 2.1.4, vijfde lid, onderdeel b toegevoegd. Bij artikel 2.1.4 gaat het om stikstofruimte die een bedrijf heeft mogen houden na beëindiging van zijn veehouderij-activiteiten voor het verrichten van bepaalde andere activiteiten. Die stikstofruimte is gekoppeld aan de andere activiteiten en daarbij mag de stikstofemissie van die andere activiteiten maximaal 15% bedragen van de oorspronkelijke stikstofemissie (zie art. 5, eerste lid, onder f, van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie (Lbv) en Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting (Lbv-plus) en art. 3.4, tweede lid, onder e, van de Landelijke verplaatsingsregeling veehouderijen met piekbelasting (Lvvp).
Onderdeel b voorziet erin dat de (resterende) stikstofruimte van deelnemers aan deze regelingen niet voor externe saldering in aanmerking komt, een voorwaarde van de Europese Commissie in het kader van de staatssteunbeoordeling en de doelstelling om met de beëindiging van veehouderijlocaties een zo groot mogelijke stikstofreductie te bewerkstelligen.
Onderdeel b heeft betrekking op de stikstofruimte die na sluiting van een veehouderijlocatie met gebruikmaking van een van de genoemde subsidieregelingen beschikbaar blijft voor de nieuwe activiteiten op de locatie, ook als nadien binnen die stikstofruimte andere activiteiten verricht gaan worden of als een ander die stikstofruimte gaat gebruiken. Zo zal ook een rechtsopvolger van de stoppende veehouder, een nieuw bedrijf dat door de deelnemer op de locatie wordt opgericht of een derde die de resterende stikstofruimte gebruikt, gebonden zijn aan het verbod van externe saldering.
Daarnaast bestaat er aanleiding voor wijziging van hoofdstuk 7 (Ruimte), paragraaf 7.1 Maatwerk omgevingskwaliteit. Er zijn wijzigingen doorgevoerd, gebaseerd op ervaringen uit de praktijk en de wens om de maatwerkregeling beter te laten aansluiten op opgaven en doelen die spelen in het landelijk gebied. De wijzigingen hebben op hoofdlijnen betrekking op:
Omdat bovenstaande heeft geleid tot veel tekstuele wijzigingen is gekozen om paragraaf 7.1 te vervangen door een geheel nieuwe paragraaf.
Artikel I Wijziging Beleidsregel omgevingsrecht Noord-Brabant
E. (artikel 2.1.4, vijfde lid)
Om te voorkomen dat (bron)maatregelen dubbel worden ingezet, is onder a onder meer verduidelijkt dat maatregelen die reeds worden gebruikt ten behoeve van een doelgebonden depositiebank (artikel 17a.4, eerste lid, van de Omgevingsregeling), niet mogen worden ingezet in het kader van een één-op-één extern saldeertransactie. Eenzelfde beperking is opgenomen voor het Actieplan Ammoniak Veehouderij. Dit was landelijk gedoogbeleid op grond van het Besluit emissiearme huisvesting. Vanwege de al langer lopende afspraken en de noodzaak van stikstofdaling mag er niet gesaldeerd worden met het deel van het bedrijf dat stopt op basis van de Stoppersregeling Actieplan Ammoniak Veehouderij (op 1 januari 2020). Deze regeling wordt hier specifiek genoemd omdat in deze regeling nog niet was opgenomen of met de vrijgemaakte ruimte gesaldeerd mag worden. In nieuwe regelingen gebeurt dit wel. Een bedrijf dat meedoet aan een in artikel 17a.4, eerste lid, van de Omgevingsregeling genoemde regeling kan alleen extern salderen met het deel van het bedrijf dat niet meedoet aan de regeling.
Het gaat in dit onderdeel om stikstofruimte die een bedrijf heeft mogen houden na beëindiging van zijn veehouderij-activiteiten voor het verrichten van bepaalde andere activiteiten. Die stikstofruimte is gekoppeld aan de andere activiteiten en daarbij mag de stikstofemissie van die andere activiteiten maximaal 15% bedragen van de oorspronkelijke stikstofemissie (zie art. 5, eerste lid, onder f, van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie (Lbv) en Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting (Lbv-plus) en art. 3.4, tweede lid, onder e, van de Landelijke verplaatsingsregeling veehouderijen met piekbelasting (Lvvp).
Onderdeel b voorziet erin dat de (resterende) stikstofruimte van deelnemers aan deze regelingen niet voor externe saldering in aanmerking komt, een voorwaarde van de Europese Commissie in het kader van de staatssteunbeoordeling en de doelstelling om met de beëindiging van veehouderijlocaties een zo groot mogelijke stikstofreductie te bewerkstelligen.
Onderdeel b heeft betrekking op de stikstofruimte die na sluiting van een veehouderijlocatie met gebruikmaking van een van de genoemde subsidieregelingen beschikbaar blijft voor de nieuwe activiteiten op de locatie, ook als nadien binnen die stikstofruimte andere activiteiten verricht gaan worden of als een ander die stikstofruimte gaat gebruiken. Zo zal ook een rechtsopvolger van de stoppende veehouder, een nieuw bedrijf dat door de deelnemer op de locatie wordt opgericht of een derde die de resterende stikstofruimte gebruikt gebonden zijn aan het verbod van externe saldering.
Per abuis stond in de aanhef van het artikel nog de oude terminologie onder de Waterwet. Term is in overeenstemming gebracht met de Omgevingswet.
Paragraaf 7.1 Maatwerk omgevingskwaliteit
Deze paragraaf heeft betrekking op het uitwerken van de fysieke tegenprestatie in omgevingskwaliteit bij de bouw van een woning, zoals bedoeld in artikel 5.14, derde lid, onder a, van de Omgevingsverordening Noord-Brabant (verder Omgevingsverordening). De voorwaarden wanneer hieraan toepassing gegeven kan worden staan in artikel 5.14 van de Omgevingsverordening. Belangrijke randvoorwaarde is dat er een voldoende fysieke tegenprestatie wordt geleverd in het versterken van omgevingskwaliteit en dat de woning wordt opgericht op een passende locatie. De omgevingsverordening verwijst voor de omvang van de fysieke tegenprestatie naar een beleidsregel van Gedeputeerde Staten. In deze paragraaf wordt concreet invulling gegeven aan de omvang van de fysieke tegenprestatie en welke maatregelen kunnen worden ingezet.
De regeling Maatwerk gericht op omgevingskwaliteit is geen beëindigingsregeling voor stoppende agrarische bedrijven. De regeling beoogt wel een stimulans te geven dat niet meer in gebruik zijnde bebouwing wordt gesloopt. Om die winst in omgevingskwaliteit te bekostigen, kan de opbrengst worden benut van de bouw van een woning op een passende locatie.
Naast sloop van bebouwing kunnen ook andere maatregelen worden ingezet als fysieke tegenprestatie in het versterken van omgevingskwaliteit, zoals maatregelen die bijdragen aan te bereiken doelen in het landelijk gebied.
De regeling wordt in veel gevallen toegepast op locaties waarop een agrarische bedrijfsfunctie rust. Feitelijk kan er dan overigens al wel sprake zijn van een reeds beëindigd bedrijf. De Omgevingsverordening vereist bij de omzetting van een agrarische bedrijfswoning naar burgerwoning dat alle overtollige bebouwing wordt gesloopt. De huidige agrarische bedrijven hebben regelmatig een dermate grote oppervlakte aan bedrijfsbebouwing en andere voorzieningen dat de eis van sloop in ruil voor enkel het omzetten van de bedrijfswoning, niet in verhouding staat. Hierdoor komt de gewenste beweging van sloop niet op gang. Bovendien worden vaak niet-volhoudbare activiteiten en vervolgfuncties aangedragen zodat omgeschakeld kan worden naar een niet-agrarische bedrijfsfunctie met behoud van veel bebouwing. Of er gebeurt niets, met kans op verloedering en dergelijke.
Vooral bij grotere bedrijven stimuleert de verplichting tot sloop van overtollige bebouwing bij het omzetten naar burgerwoning niet tot de gewenste ontwikkeling. Vanuit de praktijk komt daarom vaak de vraag om het saneren van een agrarisch bedrijf te stimuleren door de bouw van een of enkele woningen. Met deze beleidsregel komen wij daaraan tegemoet.
Het doel van de beleidsregel is een regeling op te stellen met een heldere systematiek die de gewenste beweging mogelijk maakt, met een goede en eerlijke balans tussen het saneren van het bedrijf, inclusief sloop van bedrijfsbebouwing, en nieuw rood bezien vanuit omgevingskwaliteit.
De toevoeging van een woning en de fysieke tegenprestatie zijn vanuit het doel van de regeling, het versterken van de omgevingskwaliteit, onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dit volgt uit de randvoorwaarden zoals opgenomen in de Omgevingsverordening. Gelijktijdige besluitvorming over beide ontwikkelingen is daarom voorwaarde voor het toepassen van deze paragraaf. Een uitzondering hierop vormt een storting van een bijdrage in een (gemeente)fonds.
Artikel 7.1.2 Toepassingsbereik en algemene voorwaarden
Deze paragraaf is van toepassing op ontwikkelingen waarbij een woning wordt toegevoegd buiten Stedelijk gebied als bedoeld in de regeling Maatwerk met als doel omgevingskwaliteit van artikel 5.14, derde lid, onder a, van de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Vanuit de Omgevingsverordening gelden voorwaarden voor de mogelijkheid om de regeling Maatwerk met als doel omgevingskwaliteit toe te passen. Dit artikel geeft concreet invulling aan de omvang van de fysieke tegenprestatie als bedoeld in artikel 5.14, derde lid, onder a, onder 1, en vraagt specifiek aandacht voor enkele aspecten in het geval de ontwikkeling meerdere woningen omvat. Wij benadrukken dat ook de overige voorwaarden die in de omgevingsverordening staan onverkort gelding hebben.
Bij het toevoegen van een woning staat de fysieke tegenprestatie in het versterken van omgevingskwaliteit qua omvang in verhouding tot het op te richten woningtype. Dat is in deze beleidsregel vastgelegd. Hierbij is uitgegaan van een tegenprestatie van € 125.000 voor de ontwikkeling van een woningbouwkavel. Dit bedrag is afgeleid van de ontwikkeling van een ruimte voor ruimtekavel waarvoor voorheen ook een bedrag van € 125.000 gold. De tegenprestatie van andere woningtypen zijn van dit uitgangspunt afgeleid en in artikel 7.1.6 uitgewerkt.
Het gaat hierbij om een forfaitair bedrag voor de toepassing van deze regeling; een woningbouwkavel is in de praktijk immers het veelvoudige waard van € 125.000. Ook de kosten die voor de fysieke tegenprestatie in omgevingskwaliteit ingebracht kunnen worden, zijn niet gelijk aan de prijzen die in de markt gerekend worden. Het bedrag van € 125.000 en de daarvan afgeleid bedragen voor andere woningtypen zijn dus niet marktconform. Met de in deze paragraaf gehanteerde normbedragen geven wij inhoud aan een evenwichtige balans tussen kosten en opbrengsten. Om de berekening te vergemakkelijken zijn rekenmodules ontwikkeld.
De voorwaarde onder b. koppelt de uitgangspunten voor de fysieke tegenprestatie aan de maatregelen die in deze beleidsregel zijn benoemd.
De voorwaarde onder c. komt uit de Omgevingsverordening en stelt eisen aan de locatie waar de woning wordt opgericht. In de Omgevingsverordening is vastgelegd dat er sprake moet zijn van een passende locatie. Deze voorwaarde is hier overgenomen omdat dit de regeling verduidelijkt. Er is sprake van een passende locatie voor de toevoeging van een woning als:
De voorwaarde onder d. geeft nader invulling aan aspecten waarvoor wij specifiek aandacht vragen bij een ontwikkeling met meerdere woningen en de onderbouwing dat dit past in de ontwikkelingsrichting van het gebied. De Omgevingsverordening bevat geen (harde) grens hoeveel woningen via deze maatwerkregeling ontwikkeld kunnen worden. De Omgevingsverordening kent verschillende mogelijkheden die de ontwikkeling van een woningen mogelijk maakt. Deze sluiten op elkaar aan.
Voor stedelijke ontwikkeling gelden instructieregels vanuit de Omgevingsverordening. In het algemeen geldt als uitgangspunt dat stedelijke ontwikkelingen (vanaf 12 woningen) plaatsvinden in of aansluitend op stedelijk gebied. Een stedelijke ontwikkeling voorziet in de geplande woningbouwbehoefte en houdt daarom rekening met de aanwezigheid van voldoende voorzieningen, ontsluiting en bereikbaarheid.
Naast de mogelijkheid dat woningen als stedelijke ontwikkeling aansluitend op stedelijk gebied worden ontwikkeld, biedt de Omgevingsverordening ook een mogelijkheid om vanuit een gebiedsgerichte benadering een gebied in de Omgevingsverordening op te nemen als Bebouwd gebied. Dergelijke gebieden kunnen aansluitend op stedelijk gebied liggen of als clusters in het landelijk gebied. Het zijn gebieden die vanwege diverse redenen (zoals omliggende waarden en functies, afstand tot de kernen voorzieningen) niet geschikt zijn voor een reguliere stedelijke ontwikkeling. Aan de andere kant is er vaak sprake van een bepaalde mate van verstening en menging van functies. Met versterking van substantiële omgevingskwaliteit is in dergelijke gebieden ook een toevoeging van woningen of een gebiedsontwikkeling mogelijk, passend bij de draagkracht van het gebied.
Deze beleidsregel gaat alleen over de toepassing van de maatwerkregeling. Deze regeling wil maatwerk bieden voor individuele ontwikkelingen waarbij ook een woning of enkele woningen kunnen worden ontwikkeld. De toepassing en mogelijkheden zijn altijd afhankelijk van de specifieke locatie. Een ontwikkeling moet zowel qua uitstraling, karakter en aantal passen bij de kwaliteiten en draagkracht van het gebied. Het is bijvoorbeeld niet wenselijk dat er in een lint met vrijstaande of geschakelde woningen een appartementsgebouw wordt opgericht of dat er achterafsituaties ontstaan omdat vanuit een eigendomssituatie wordt gekeken naar een maximale invulling van een perceel. De gewenste ontwikkeling moet passen in de uiterlijke verschijningsvorm van de bebouwing en structuur die reeds aanwezig is. De afweging wat wel/niet aanvaardbaar is, moet altijd per geval, afhankelijk van de locatie, worden gemaakt. En vraagt daarom ook altijd om een afweging op gebiedsniveau in plaats van op perceelsniveau. Daarom is in de Omgevingsverordening als voorwaarde gesteld dat een ontwikkeling moet passen in de ontwikkelingsrichting van het gebied. En is altijd in een vroegtijdig stadium overleg nodig met de provincie.
Als er sprake is van een ontwikkeling waarbij meerdere (kleinere) woningen worden ontwikkeld, is het belangrijk dat in zo’n geval specifiek rekening wordt gehouden met een aantal aspecten.
Bij de effecten op landelijk gebied gaat het dan onder andere om de effecten op verstening en de gevolgen voor omliggende agrarische functies. Ook aspecten vanuit gezondheid, zoals geur, luchtkwaliteit, endotoxinen en gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, vragen daarbij om aandacht.
Bij de gevolgen voor de woningbouwopgave in of aansluitend op stedelijk gebied gaat het onder andere om de relatie tot de mogelijkheden voor inbreiding en herstructurering in stedelijk gebied en om de inpasbaarheid van de ontwikkeling binnen regionale afspraken. Vanuit brede welvaart en gezondheid is het belangrijk dat de bereikbaarheid van voorzieningen en de effecten van mobiliteit (breed) in beeld worden gebracht. Woningbouw in landelijk gebied betekent soms ook dat de openbaar vervoervoorzieningen beperkt zijn. Of dat de infrastructuur niet is ingericht op een toename van verkeersbewegingen.
Er bestaan veel vragen over wat wel en niet kan worden ingebracht voor de waardering van de fysieke tegenprestatie in omgevingskwaliteit. De in dit lid benoemde aspecten of maatregelen kunnen niet ingezet worden als voldoende fysieke tegenprestatie in omgevingskwaliteit.
Het is niet mogelijk maatregelen in te zetten als daarvoor subsidie is verkregen.
Onderdeel b, Landschappelijke inpassing
Bij iedere ontwikkeling, dus ook bij de toevoeging van een woning, moet ook altijd worden voorzien in een goede landschappelijke inpassing. Deze inpassing kan niet worden opgevoerd als tegenprestatie in het versterken van omgevingskwaliteit.
Onderdeel c, Vervangingswaarde of boekwaarde
Het meenemen van boekwaarde of vervangingswaarde is niet mogelijk. Een dergelijke benadering is niet te zien als een fysieke bijdrage aan het versterken van omgevingskwaliteit. Bij beëindiging van een agrarisch bedrijf is er geen sprake meer van vervanging van bedrijfsbebouwing en is de bedrijfseconomische waarde van die bebouwing nihil. Mogelijk is de aanvankelijke investering nog niet helemaal afgeschreven. Het is aan de initiatiefnemer om in zijn overwegingen mee te nemen of beëindiging zinvol is met oog op dergelijke waardes.
Plankosten, leges en advieskosten betreffen geen fysieke bijdrage aan het versterken van omgevingskwaliteit.
Onderdeel e, Niet gerealiseerde bebouwing
Het afzien van het oprichten van vergunde bebouwing betreft geen fysieke verbetering van de omgevingskwaliteit. Dit kan niet worden ingezet als tegenprestatie aan het versterken van de omgevingskwaliteit.
Onderdeel f, Glastuinbouwconcentratiegebied
Binnen glastuinbouwconcentratiegebieden is het beleid er op gericht die gebieden te behouden voor glastuinbouwbedrijven. Vanuit die doelstelling is het niet wenselijk dat binnen die gebieden glas wordt gesloopt en dat de glastuinbouwfunctie wordt beëindigd. Bovendien kan niet worden geborgd dat er niet opnieuw glas wordt opgericht omdat de regelingen binnen deze gebieden dat juist mogelijk maken. Tot slot is er bij sanering van glas in een glastuinbouwconcentratiegebied geen sprake van versterking van omgevingskwaliteit; bijvoorbeeld in gevallen dat er nog omringende glastuinbouwbedrijven aanwezig zijn. Het is daarom niet mogelijk om de sanering van glasopstanden die binnen een glastuinbouwconcentratiegebied liggen in te brengen.
Onderdeel g, Subsidieregelingen voor sloop
De sloop van gebouwen of het verwijderen van voorzieningen kan niet worden ingebracht als er een sloopverplichting geldt vanuit het deelnemen aan een (subsidie)regeling. De voorwaarde is algemeen geformuleerd en niet gekoppeld aan een specifieke regeling. Dat betekent dat de sloop van gebouwen of het verwijderen van voorzieningen nooit kan worden ingebracht als tegenprestatie als er een sloopverplichting is opgelegd vanuit deelname aan een regeling. Deze voorwaarde raakt derhalve ook toekomstige -nog niet bekende- (subsidie)regelingen.
Op dit moment zijn de volgende regelingen waaruit een sloopverplichting volgt bekend:
De Subsidieregeling sanering varkenshouderijen: Deze regeling uit 2020 is inmiddels gestopt. Er zijn echter nog plannen in ontwikkeling als gevolg van deze regeling. Alleen in specifieke gevallen met aantoonbare meerkosten voor sloop en weghalen verharding kunnen deze kosten worden ingezet als tegenprestatie voor een woning.
Opkoopregelingen zoals de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijen (Lbv en Lbv-plus) en de tweede tranche van de Maatregel Gerichte Opkoop (MGO). In deze regelingen wordt uitgegaan van verplichte sloop. Enkel functies met een zeer lage stikstof productie zijn gewenst als herbestemming, wonen in voormalige bedrijfswoning ligt voor de hand. Gelet op de actieve verwerving van bedrijven door de overheid met verplichte sloop en inleveren rechten is de tegenprestatie al aanwezig en kan de sloop van gebouwen of het weghalen van voorzieningen niet (dubbel) worden ingezet voor de bouw van een woning.
In de Omgevingsverordening zijn binnen aangewezen stalderingsgebied extra voorwaarden opgenomen voor het oprichten van stallen bij hokdierbedrijven. Deze regeling is ingesteld om een verdere regionale concentratie van vee tegen te gaan en om (verdere) leegstand te voorkomen.
Gedeputeerde Staten hanteren bij de uitvoering van stalderen de paragraaf Staldering (zie hoofdstuk 7, paragraaf 4). In deze paragraaf staat dat het stalderen zich niet laat combineren met regelingen waarbij een vergoeding wordt gegeven voor het saneren van stalruimten, zoals Ruimte-voor-Ruimte en de Saneringsregeling Urgentiegebieden Noord-Brabant. Een ‘stapeling’ van de stalderingsregeling met de regeling maatwerk voor omgevingskwaliteit, is daarom ook niet mogelijk.
Onderdeel i, Glas-voor-glasregeling:
In de Omgevingsverordening is ook een glas-voor-glasregeling opgenomen die de ontwikkeling van solitaire glastuinbouwbedrijven in landelijk gebied mogelijk maakt. Gedeputeerde Staten hanteren bij de uitvoering hiervan de paragraaf Glas-voor-glas (zie hoofdstuk 7, paragraaf 5). Daarin staat dat de glas-voor-glasregeling zich niet laat combineren met regelingen waarbij een vergoeding wordt gegeven voor het saneren van glasopstanden. Een ‘stapeling’ van de glas-voor-glasregeling met de regeling maatwerk voor omgevingskwaliteit, is daarom ook niet mogelijk.
Artikel 7.1.3 Maatwerk omgevingskwaliteit saneren bedrijfsbebouwing
Dit artikel is in hoofdzaak gericht op de volledige beëindiging van (agrarische) bedrijven die de bedrijfswoning willen omzetten naar wonen en de sloop van overtollige bedrijfsgebouwen willen inzetten voor het toevoegen van een extra woning. Vanuit de Omgevingsverordening geldt bij volledige beëindiging van een (agrarisch) bedrijf als randvoorwaarde dat alle overtollige bebouwing wordt gesloopt en dat de bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning.
Ook in het geval dat men gebruik wil maken van de regeling Maatwerk omgevingskwaliteit, waarbij de sloop van bebouwing wordt ingezet voor een extra woning, is het niet toegestaan dat op de locatie (oude) bedrijfsmatige bebouwing aanwezig blijft of weer wordt toegevoegd. Daarmee wordt leegstand of het te niet doen van de bereikte omgevingskwaliteit door sloop van bebouwing voorkomen.
Onder bedrijfsgebouw wordt in deze beleidsregel verstaan: gebouwen in gebruik ten dienste van een (agrarisch) bedrijf waaronder dierenverblijven (stallen), loodsen, werktuigbergingen.
In dit artikel, onder d, is een regeling opgenomen voor ‘overige gevallen’. Dat zijn bijvoorbeeld situaties waar de omzetting naar wonen in het verleden heeft plaatsgehad maar waar nog oude bedrijfsbebouwing staat. Of situaties dat de (agrarische) bedrijfsvoering gedeeltelijk wordt beëindigd of wordt omgezet naar een andere bedrijfsmatige activiteit.
Onderdeel a beëindiging van een agrarisch bedrijf
Voor het toevoegen van een woning geldt een minimale inzet sloopoppervlakte van 1000 m² aan bedrijfsgebouwen. Van de minimaal 1000 m² sloop aan bedrijfsgebouwen geldt als basisinspanning dat de eerste 250 m² sloop van bedrijfsgebouw wordt ingezet voor de omzetting van de bedrijfswoning naar burgerwoning. Dit is redelijk in relatie tot de gevraagde inspanning bij kleinere agrarische bedrijven met een bedrijfswoning die niet aan de drempelwaarde toekomen en wel overtollige bebouwing moeten slopen.
Voorzieningen als sleufsilo’s, teeltondersteunende voorzieningen (hierna TOV) en verharding, tellen niet mee in deze ‘drempelwaarde’. Voor kleinere bedrijven (< 1000 m² aan bedrijfsgebouwen) blijft het uitgangspunt dat sloop van overtollige bebouwing in verhouding staat tot de gewenste omschakeling van de bedrijfswoning naar burgerwoning. Als geen sprake is van het omzetten van een aanwezige bedrijfswoning naar burgerwoning dan is de basisinspanning van eerste 250m² eerst sloop niet van toepassing. De gehele oppervlakte sloop kan dan dus worden ingezet.
Bij de omzetting naar een woonfunctie moet ook een bij die functie passende regeling in het omgevingsplan worden opgenomen.
De afname van de grondwaarde ter plaatse van de te slopen bedrijfsgebouwen telt mee als tegenprestatie. Bij de sloop van een bedrijfsgebouw hanteren wij een bedrag van €45/m2.
Vanuit gemeenten komt vaak de vraag over afwaardering van de grondwaarde van het te saneren bouwvlak. Ondanks dat een bouwvlak niet fysiek waarneembaar is, is er wel een directe koppeling aan de mogelijkheid tot bouwen en gebruik. Daar staat tegenover dat er vaak een behoorlijk overmaat in het bouwvlak zit. Deze mogelijkheden zijn tot dan toe nog niet benut, de mogelijkheid tot het oprichten van bebouwing is voorts vaak theoretisch. Het betreft immers agrarische bedrijfslocaties zonder (agrarisch) toekomstperspectief. Als dat perspectief nog wel aanwezig is, kan de locatie ook voor de sector behouden blijven. Gelet op voorgaande betrekken wij bij afwaardering alleen de grondwaarden onder de aanwezige bebouwing en overige voorzieningen. Die afwaardering betreft €17 per m². Daarbij wordt uitgegaan van de waarde van het bouwvlak van € 25 per m² minus de agrarische waarde € 8. De gronden onder de gebouwen (stallen) tellen voor 100% mee. Het totaalbedrag van € 45 is afgerond en inclusief sloop. Daarmee sluiten we aan bij de sloopvergoeding bij de Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderij (LBV).
Wij benadrukken dat de regeling niet is bedoeld als beëindigingsregeling. Afschrijvingskosten en omzetdaling zien wij niet als een fysieke tegenprestatie in omgevingskwaliteit. Wel is het vanuit de doelen (stikstof, natuur, geur en woon-en leefklimaat) wenselijk om beëindiging van agrarische bedrijven in kwetsbare gebieden te stimuleren.
Niet alle locaties van agrarische bedrijven, die wensen te beëindigen, zijn gelegen op een passende locatie. Dit terwijl ook het beëindigen van bedrijven in kwetsbare gebieden rondom natuur een grote bijdrage kan leveren aan de te behalen doelen (zie hiervoor). Realiseren van woningen ter plekke is dan niet mogelijk waardoor gezocht moet worden naar alternatieve locaties. Zo’n vervangende locatie brengt extra kosten mee. Als extra stimulans is daarom opgenomen dat bij sloop van dierenverblijven op een niet passende locatie €80/m2 als tegenprestatie kan worden ingezet. Voor de overige bebouwing (niet zijnde dierenverblijven) blijft een tegenprestatie van € 45 van toepassing. Overigens wijzen wij in dit verband ook op de mogelijkheid om ontwikkelingen in een gebied in samenhang te bezien. Indien meerdere doelen worden bereikt en er meerdere locaties bij zijn betrokken, kan met een gebiedsplan (met verevening) wellicht een oplossing worden gevonden. Met deze beleidsregel kunnen meerdere maatregelen worden betrokken in de tegenprestatie voor omgevingskwaliteit (zie ook artikel 7.1.6).
De afname van de grondwaarde ter plaatse van de aanwezige voorzieningen telt gedeeltelijk mee als tegenprestatie. Per m² verwijderen van voorzieningen geldt een bedrag van € 8,50;
Voor de overige voorzieningen, zoals mest- voeder- en sleufsilo’s, verharding en lage nertsensheds, die niet als bedrijfsgebouw kunnen worden aangemerkt, houden wij een percentage aan van 20% van de grondwaarde. Dit percentage is redelijk ten opzichte van de waarde onder gebouwen omdat de ruimtelijke impact hiervan op de omgeving beduidend kleiner is en het verwijderen van deze voorzieningen eenvoudig is. Het totaalbedrag van € 8,50 is inclusief het verwijderen/sloop.
Het is niet mogelijk om restanten van elders gesloopte bebouwing in te zetten.
Vanuit het doel van deze paragraaf geldt dat alle overtollige bebouwing op de locatie wordt gesaneerd en ingezet voor het versterken van omgevingskwaliteit. Restanten kunnen niet elders worden ingezet. Gedeeltelijke inzet levert niet de beoogde winst op in omgevingskwaliteit. In het plan moet verder worden geborgd dat er niet opnieuw bebouwing wordt opgericht. De totale ontwikkeling wordt vormgegeven en geborgd in één plan.
De beëindiging van het agrarisch bedrijf en het treffen van de fysieke maatregelen moeten juridisch zijn geborgd.
De fysieke tegenprestatie in het versterken van omgevingskwaliteit moet juridisch zijn geborgd. Het is aan gemeente en initiatiefnemer om hieraan concreet invulling te geven. Denkbaar is dat gewerkt wordt met voorwaarden die het beoogde gebruik of het mogen verrichten van de gebruiksactiviteit koppelen aan de voorwaarde dat de fysieke tegenprestatie is gerealiseerd en dat die ook in stand wordt gehouden. Daarnaast wordt een op de activiteit en fysieke versterking van omgevingskwaliteit gerichte regeling in het omgevingsplan verwacht. In sommige gevallen is het ook denkbaar dat wordt gewerkt met kwalitatieve verplichtingen. De borging moet op zo'n wijze zijn vorm gegeven dat die juridisch handhaafbaar en afdwingbaar is.
Het is hierbij van belang dat juridisch is geborgd dat de fysieke tegenprestatie is verricht voordat de nieuwe woning kan worden gerealiseerd en dat ook de landschappelijke inpassing van de nieuwe woning is geborgd. Denkbaar is bijvoorbeeld een voorwaarde dat de bouw of realisatie van de woning pas mag aanvangen nadat bebouwing is gesloopt of landschapselementen (met instandhoudingsplicht) zijn aangelegd etc. Van gemeenten wordt verwacht dat zij actief toezien op naleving van de voorwaarden en handhavend optreden in een voorkomend geval.
Gedeputeerde Staten hebben bij de vaststelling van deze paragraaf van Provinciale Staten de opdracht gekregen de toepassing en effecten van de regeling te monitoren. Dat betekent ook dat zij het toezicht en handhaving van dergelijke voorwaarden in de monitoring zullen betrekken. In de Omgevingsverordening is daarvoor een informatieplicht opgenomen voor gemeenten over de toepassing van de regeling.
In het omgevingsplan wordt het bouwperceel teruggebracht naar een omvang en regeling die passend is bij een woonfunctie.
Onderdeel b Beëindiging glastuinbouwbedrijf
Deze beleidsregel heeft betrekking op locaties waarop een functie reeds beëindigd glastuinbouwbedrijf. Glastuinbouwbedrijven worden afzonderlijk benoemd in de OV. Gelet op de afwijkende bedrijfsbebouwing (kassen) is voor beëindiging van deze bedrijfstypen een afzonderlijke beleidsregel opgenomen met betrekking tot de bijdrage aan de omgevingskwaliteit. Onder een kas wordt in dit verband verstaan: Een agrarisch bedrijfsgebouw waarvan de wanden en het dek voornamelijk bestaan uit glas.
Voor glastuinbouwbedrijven die gevestigd zijn in een Concentratiegebied glastuinbouw kan de glasopstand niet in het kader van deze maatwerkregeling worden ingebracht. Dit is opgenomen in artikel 7.1.6, tweede lid. Binnen een glastuinbouwconcentratiegebied is er een beleidsmatige doelstelling om glastuinbouw te concentreren en te behouden. Ook is de omgevingskwaliteitswinst in die gebieden niet geborgd; na sloop kan op grond van het beleid weer opnieuw glas worden opgericht.
Voor het toevoegen van een woning geldt een minimale inzet sloopoppervlakte van 4000 m2 aan glasopstand.
Van de minimaal 4000 m2 sloop aan glasopstanden geldt dat de eerste 750 m2 sloop van glasopstand wordt ingezet voor de omzetting van de bedrijfswoning naar burgerwoning. In het geval er ook bebouwing op het perceel aanwezig is, kan ook de sloop van 250 m2 bebouwing worden ingezet als drempelwaarde voor omzetting van bedrijfswoning naar burgerwoning. Er geldt dus een basisinspanning van minimaal 750 m2 glasopstand of 250 m2 bedrijfsbebouwing voor de omzetting van de bedrijfswoning naar burgerwoning.
Daarmee wordt een relatie gelegd tussen de gangbare oppervlakte aan kassen bij glastuinbouwbedrijven en de benodigde tegenprestatie voor omgevingskwaliteit. Voor kleinere glastuinbouwbedrijven (<4000 m2 sloop kassen) blijft het uitgangspunt dat sloop van overtollige bebouwing in verhouding staat tot de gewenste omschakeling naar burgerwoning.
Glasopstand heeft een ander karakter dan overige bedrijfsbebouwing; een bedrijf kent vaak grotere oppervlakten, maar glas is ook eenvoudiger te verwijderen. Dat komt tot uitdrukking in de sloopkosten. Met de drempelwaarde van 4000 m2 kas is er een evenwichtige balans tussen sloop van kassen als tegenprestatie voor omgevingskwaliteit.
De afname van de grondwaarde ter plaatse van de aanwezige kassen kan deels worden ingezet als tegenprestatie. Per m2 sloop van kassen geldt een bedrag van € 17,75. Glastuinbouwbedrijven hebben in de regel grote(re) oppervlakte aan kassen. Voor een goede balans tussen toevoegen van een woning als tegenprestatie voor de omgevingskwaliteit is het niet reëel om uit te gaan van een volledige afwaardering van de gronden onder de kassen.
Ook voor het verwijderen van de kassen is minder inspanning vereist. Daarom wordt een bedrag van € 12,75 (=75%) voor de afwaardering gehanteerd. Daarbij wordt uitgegaan van de waarde van het bouwvlak van € 25 per m2 minus de agrarische waarde € 8 x 75%. Het totaalbedrag van € 17,75 is inclusief sloop.
De afname van de grondwaarde ter plaatse van een te slopen bedrijfsgebouw telt mee als tegenprestatie, waarbij per m2 sloop bedrijfsgebouw een totaalbedrag van € 45 geldt.
De afname van de grondwaarde ter plaatse van de aanwezige voorzieningen, niet zijnde TOV, binnen het bouwperceel kan deels worden ingezet als tegenprestatie. Per m2 verwijderen van voorzieningen geldt een bedrag van € 8,50.
De grondwaarde onder TOV, zoals teeltvelden, trayvelden en/of containervelden binnen het bouwblok/differentiatievlak, wordt niet meegenomen in deze berekening. In de OV is opgenomen dat bij de realisatie van dit soort velden, vooraf verzekerd moet zijn dat bij de beëindiging van het gebruik sanering plaatsvindt. Afwaardering én verwijderen van deze TOV (inclusief onderliggende verhardingen) worden voor de tegenprestatie in omgevingskwaliteit voor het toevoegen van een woning daarom buiten beschouwing gelaten.
Onderdeel b, onder 5°, 6° en 7°
Voor een toelichting op deze aspecten wordt verwezen naar de toelichting die bij onderdeel a. is opgenomen.
Onderdeel c Beëindiging niet-agrarisch bedrijf
Deze paragraaf heeft betrekking op locaties waarop een niet-agrarische bedrijfsfunctie rust. Feitelijk kan sprake zijn van een reeds beëindigd bedrijf. Het saneren van niet agrarische bedrijven (niet zijnde extensieve recreatie, horeca en/of maatschappelijke functies) kan de omgevingskwaliteit van het landelijk gebied versterken. Vanuit de praktijk komt de vraag naar mogelijkheden om het saneren van een niet-agrarisch bedrijf te stimuleren door het toevoegen van een woning. Beëindiging van deze bedrijven in een kwetsbare omgeving met sloop van bebouwing, milieuhinderlijke bedrijvigheid kan bijdragen aan het versterken van omgevingskwaliteit. Als maatwerk daarbij zijn in deze paragraaf de volgende criteria benoemd.
Voor het toevoegen van een woning geldt een minimale inzet sloopoppervlakte van 750 m2 bedrijfsgebouw. Verhardingen en andere voorzieningen tellen niet mee voor de berekening van deze oppervlakte.
Van de minimaal 750 m2 sloop aan bedrijfsgebouwen geldt dat de eerste 250 m2 sloop wordt ingezet voor de omzetting van de bedrijfswoning naar burgerwoning. Er geldt dus een basisinspanning van minimaal 250 m2 bedrijfsgebouw voor de omzetting van de bedrijfswoning naar burgerwoning.
De afname van de grondwaarde ter plaatse van de aanwezige bedrijfsgebouwen kan deels worden ingezet als tegenprestatie. Per m2 sloop van bedrijfsgebouwen geldt een bedrag van € 56
In het landelijk gebied zijn er diverse vormen van niet agrarische activiteiten. Deze bedrijven in het landelijk gebied zijn vaak historisch op de plek gegroeid. Een vergelijk met grondwaarden voor een bijdrage in de tegenprestatie, met percelen op een daarvoor ingericht bedrijventerrein, is niet reëel met het oog op de te behalen omgevingskwaliteit. Anderzijds hebben deze bedrijfsgebouwen een ander karakter dan stallen en kassen. Daarom is rekening gehouden met een deel van de grondwaarde, € 70 min € 8 = € 62 x 50% = € 31. Het totaalbedrag van € 56 is inclusief sloop (€ 25).
De afname van de grondwaarde ter plaatse van de aanwezige voorzieningen (niet zijnde gebouwen) kan deels worden ingezet als tegenprestatie voor een woning.
Voor de overige voorzieningen (zoals verhardingen) wordt een percentage aangehouden van 20% van de afwaardering van de grondwaarde (€ 62 x 20% =). Dit percentage is redelijk ten opzichte van de waarde onder gebouwen omdat de ruimtelijke impact hiervan op de omgeving beduidend kleiner is en het verwijderen van deze voorzieningen eenvoudig is. Het totaalbedrag van € 17,50 is inclusief het verwijderen/sloop.
Onderdeel c, onder 4°, 5° en 6°
Voor een toelichting op deze aspecten wordt verwezen naar de toelichting die onder a. is opgenomen.
Naast de situaties zoals beschreven onder a t/m c zijn er overige gevallen waarin sloop van bebouwing en voorzieningen bijdragen aan het versterken van omgevingskwaliteit. Het gaat dan bijvoorbeeld om het slopen van bebouwing en het verwijderen van verhardingen en voorzieningen op locaties waar gedeeltelijke bedrijfsbeëindiging plaatsvindt, sloop van bebouwing binnen een woonfunctie, omzetting van agrarisch bedrijf naar niet-agrarisch bedrijf, omschakeling naar een andere tak of locaties die niet kunnen voldoen aan de drempelwaarden die onder a t/m c zijn opgenomen.
Bij een omzetting naar een woonfunctie of in het geval dat die omzetting al in het verleden heeft plaatsgevonden, geldt dat de eerste 250 m2 sloop van gebouwen voor die omzetting wordt ingezet.
Voorts moet juridisch geborgd zijn dat de fysieke maatregelen worden getroffen en dat er geen nieuwe bebouwing op de slooplocatie kan worden opgericht. Dit betekent dat bij een gedeeltelijke bedrijfsbeëindiging of omzetting naar een niet-agrarische bedrijfsfunctie, het bouwperceel wordt verkleind tot een omvang die past bij die (resterende) activiteit en de resterende bebouwing. De omvang van dat bouwperceel moet in normale omstandigheden voldoende ruimte bieden aan de beoogde bedrijfsuitoefening.
Als er mogelijkheden zijn voor vervangende nieuwbouw kan de sloop van bebouwing niet als fysieke tegenprestatie worden ingezet; alleen de netto -oppervlakte van de gesloopte bebouwing kan worden ingebracht.
Uiteraard geldt altijd dat de resterende bedrijfsvoering of omschakeling passend is in de ontwikkelingsrichting van het gebied.
Doordat in de overige gevallen onder d geen sprake is van een gehele bedrijfsbeëindiging maar van een situatie waar een bouwperceel resteert of een perceel waarop al een woonfunctie ligt, kan de afwaardering van grond niet als fysieke tegenprestatie worden ingebracht.
Boven de basisinspanning voor het omzetten van de bedrijfswoning naar burgerwoning (minimaal 250 m2) kan alle sloop van bebouwing en voorzieningen ingezet worden als inspanning voor versterking van omgevingskwaliteit. Om die inspanning te bekostigen kan bij voldoende inzet een woning gerealiseerd worden. Voor sloop van gebouwen geldt een bedrag van € 25 per m2, voor het verwijderen van verhardingen en voorzieningen € 5 per m2. Voor sloop van kassen geldt een bedrag van € 5 per m2. Het verwijderen van teeltondersteunende voorzieningen (TOV) kan niet worden ingezet als tegenprestatie voor omgevingskwaliteit.
Voor een verdere toelichting op de bepalingen, verwijzen wij naar de toelichting hierop bij onderdeel a.
Artikel 7.1.4 Maatwerk omgevingskwaliteit saneren milieubelastende activiteit
In artikel 5.14, tweede lid, van de Omgevingsverordening is opgenomen dat bij het saneren van een milieubelastende activiteit alle rechten en verleende toestemmingen moeten worden ingetrokken. Deze moeten betrekking hebben op de locatie waar wordt beëindigd.
De stikstofruimte die hierbij vrijkomt, wordt gebruikt als nieuwe passende maatregel om de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden door het bevorderen van afname van ammoniakdepositie te behalen. De vrijkomende stikstofruimte kan ook worden ingezet als nieuwe passende maatregel voor provinciale doelstellingen, zoals de realisatie van een maatschappelijk gewenste ruimtelijke ontwikkeling als woningbouw, natuurontwikkeling, aanleg van infrastructuur of de wateropgave. Daarnaast kan ook gedacht worden aan de inzet als een vervangende passende maatregel.
Onderdeel a, Intrekken rechten en toestemmingen
Bij de beëindiging van een milieubelastende activiteit moeten alle op de locatie rustende rechten en toestemmingen zijn ingetrokken. Naast aanpassing van het bestemmingsplan gaat het dan om intrekking van de omgevingsvergunning milieu, watervergunningen, natuurvergunningen, meldingen et cetera. Soms kan er sprake zijn van een gedeeltelijke bedrijfsbeëindiging. In zo’n geval moet de gehele milieubelastende activiteit worden beëindigd, waarvan de sanering van bebouwing en voorzieningen wordt ingezet voor de toevoeging van een woning.
In het geval dat er sprake is van een gedeeltelijke beëindiging, kan de resterende tak worden voortgezet, als dat passend is in de ontwikkelingsrichting van het gebied. Het intrekken van alle rechten en toestemmingen heeft in die gevallen alleen betrekking op de beëindiging van de milieubelastende activiteit die in het geheel wordt beëindigd.
Bij de intrekking van geldende rechten en toestemmingen wordt uitgegaan van de regels die gelden op het moment van de indiening van het verzoek tot intrekking van de rechten en/of toestemmingen (bijvoorbeeld de op moment van indiening van het verzoek geldende emissie-factoren of het op dat moment geldende Aerius-model).
Onderdeel b, Oprichten nieuwe bedrijfsbebouwing
In het geval sprake is van een gedeeltelijke beëindiging, kan de resterende tak worden voortgezet, als dat passend is in de ontwikkelingsrichting van het gebied. Er moet een passende nieuwe functie en bouwperceel in het omgevingsplan worden opgenomen. Het oprichten van bedrijfsbebouwing voor de te behouden tak is binnen de voorwaarden uit de Omgevingsverordening mogelijk.
Voor de begripsbepalingen in dit artikel verwijzen wij naar paragraaf 2.1 Natura 2000-activiteit.
Ammoniakemissie of N-emissie is gekoppeld aan een locatie en heeft na intrekking direct effect op de omgeving. Voor N-emissie geldt dat de natuurvergunning (of milieutoestemming) moet worden ingetrokken en dat de vergunde N-emissie moet worden ingeleverd. Omdat die aan een locatie is gekoppeld (en de inlevering van de vergunde N-emissie wordt ingeboekt), beschouwen wij de intrekking van N-emissie als een fysieke tegenprestatie die de omgevingskwaliteit versterkt. Hiervoor hanteren wij een financiële tegenwaarde van € 15 per kg/N/jaar.
De maximaal in te zetten N-emissie moet worden vastgesteld op basis van de referentiesituatie. Als uitgangspunt geldt dat alleen gebruik kan worden gemaakt van de in de referentiesituatie opgenomen N-emissie voor zover is aangetoond dat de capaciteit feitelijk is gerealiseerd. Bij de beoordeling van de feitelijk gerealiseerde capaciteit gaan Gedeputeerde Staten uit van de op grond van de toestemming volledig opgerichte installaties en gebouwen, of gerealiseerde infrastructuur en overige voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de activiteit, die op het moment van indiening van het verzoek tot intrekking aanwezig zijn. Er is alleen sprake van feitelijk gerealiseerde capaciteit in het geval dat een gebouw ook conform de wettelijke eisen als zodanig is ingericht. Het is dus niet voldoende dat alleen het gebouw is opgericht. Nu deze tegenprestatie wordt ingebracht ten behoeve van het realiseren van een woning waarvoor gemeenten als eerst verantwoordelijke bevoegd zijn daarover te besluiten, verwachten Gedeputeerde Staten dat gemeenten hierop toezien.
Wij vragen een Aerius-berekening te overleggen zodat wij de ingeleverde N-emissie en de daarmee gepaard gaande depositie op Natura 2000 kunnen registreren. Het is uiteraard niet mogelijk N-emissie in te brengen die aan een derde is toegezegd.
Onderdeel d, Dier- en fosfaatrechten:
In de oude regeling voor ruimte voor ruimte lag ook het inleveren van dierrechten besloten. Deze rechten hebben, doordat ze los verhandelbaar zijn, in beginsel geen binding met de concreet te saneren locatie. Deze kunnen worden bijgekocht, worden verkocht of worden geleased. Doorhaling van dierrechten en de daarvoor in te rekenen waarde levert op zichzelf geen omgevingskwaliteit op voor Noord-Brabant of de omgeving van de te saneren locatie. Dierrechten en fosfaatrechten beschouwen wij overigens als één categorie. Deze kunnen daarom niet worden betrokken als een bijdrage voor de omgevingskwaliteit. Voor deelnemers aan de oude ruimte voor ruimteregeling is overgangsrecht opgenomen in de Omgevingsverordening.
Artikel 7.1.5 Waardering overige maatregelen
Er bestaan veel vragen over wat wel en niet kan worden ingebracht voor de waardering van de fysieke tegenprestatie in omgevingskwaliteit. Mag de afwaardering van de grond worden meegenomen? Mogen vervangingswaardes of boekwaardes worden betrokken bij de tegenprestatie? In dit artikel zijn overige maatregelen verder uitgewerkt. Hierover zijn veel gesprekken gevoerd met gemeenten die hierbij zijn betrokken.
In het eerste lid van dit artikel zijn de uitgangspunten opgenomen die Gedeputeerde Staten hanteren bij de waardering van de fysieke tegenprestatie. Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten bevatten: Door inpassing, sloop, verwijderen verharding, versterking landschapsstructuur, herstel cultuurhistorische waarde, realiseren Natuur Netwerk Brabant (hierna: NNB), aanleg extensieve recreatieve mogelijkheden. Een aantal aspecten worden niet gezien als fysieke tegenprestatie.
In het tweede lid is de mogelijkheid opgenomen voor storting in een (gemeente)fonds, gericht op het realiseren van omgevingskwaliteit.
Daarmee ontstaat een gezamenlijke lijn bij plannen en is er ook vooraf duidelijkheid voor gemeenten (en initiatiefnemers). Hieronder volgt een toelichting.
Onderdeel a, Afwaardering natuur
Als de natuurontwikkeling bijdraagt aan het Natuur Netwerk Brabant (NNB waardige natuur), waaronder bos, kan de afwaardering van die gronden worden betrokken bij de tegenprestatie. Voorwaarde is wel dat deze gronden zich aansluitend bevinden aan bestaande natuurgebieden en dat er kwalitatief bij het gebied passende natuur wordt gerealiseerd. De te realiseren natuur moet bijdragen aan het versterken van de ecologische structuur en functie van het natuurnetwerk. Voorwaarde is dat de gronden ook de functie ‘Natuur’ krijgen. Als voor de inrichting van natuur subsidie is verstrekt door bijvoorbeeld Groen Ontwikkelfonds Brabant (GOB) kan voor dat subsidiedeel de afwaardering niet worden betrokken bij de tegenprestatie gekoppeld aan de bouw van een woning. Natuurmaatregelen die vanwege natuurcompensatie worden getroffen of die vanwege de landgoedregeling worden aangelegd, kunnen niet als fysieke tegenprestatie worden ingebracht.
De afwaardering van de gronden naar natuur bedraagt maximaal € 8 p/m².
In enkele gevallen wordt grond door een initiatiefnemer ingezet voor natuurontwikkeling in samenwerking met het waterschap en/of terrein beherende instanties. Voor de tegenprestatie aan omgevingskwaliteit is het inrichtingsplan (en de kosten daarvoor) bepalend.
Onderdeel b, Afwaardering extensivering van het grondgebruik
De Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn zijn richtlijnen van de Europese Unie waarin aangegeven wordt welke soorten en welke typen natuurgebieden (als leefgebieden voor soorten) en habitats beschermd moeten worden door de lidstaten. Ook de Kaderrichtlijn Water (KRW) is een Europese richtlijn die op 22 december 2000 van kracht is geworden. De doelstellingen binnen de KRW zijn gericht op het realiseren en behouden van chemisch schoon en ecologisch gezond oppervlaktewater en grondwater.
Bij de maatregelen die in dit verband zijn afgestemd op een extensivering van het agrarisch gebruik, kan een deel van de daling van de grondwaarde worden meegenomen. Er zijn twee verschillende (cumulatieve) mogelijkheden: Bij de inzet op behoud van permanent grasland bedraagt de afwaardering van de gronden maximaal 2,50 euro p/m2.
Bij extensivering van agrarisch gebruik waarbij maatregelen worden getroffen voor water- en bodemsysteemherstel, de realisering van 5 % groenblauwe dooradering, het uitrijden van drijf- of kunstmest en gebruik van gewasbeschermingsmiddelen worden verboden, bedraagt de afwaardering van de gronden maximaal 4 euro p/m2.
Bovenstaande maatregelen worden planologisch vastgelegd in het omgevingsplan of vooruitlopend op de vaststelling van dat plan met een kwalitatieve verplichting.
Met deze regeling sluiten wij aan bij bestaande regelingen zoals de susbsidieregeling voor graasdieren en de regeling voor het Ondernemend Natuurnetwerk Noord-Brabant (ONNB). In dat kader worden ook maatregelen getroffen die zich richten op water- en bodemsysteemherstel en 5 % groenblauwe dooradering van de gronden. Met groenblauwe dooradering (GBDA) wordt de realisatie van een netwerk van natuurlijke elementen in het agrarische landschap bedoeld. Dit netwerk bestaat zowel uit droge landschapselementen, zoals houtwallen, bomenrijen, kruidenrijke randen, als uit natte elementen, zoals sloten, beken met natuurlijke oevers en poelen. Bij verdergaande extensivering van gronden dan alleen behoud als grasland hoort ook een verbod op toepassen van drijf- of kunstmest en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.
Onderdeel c, Aanleg landschapselementen
Met de aanleg van landschapselementen (buiten het bestemmingsvlak) kan een goede bijdrage worden geleverd aan het versterken van de landschappelijke kwaliteit. De visuele aantrekkelijkheid, het cultuurhistorische karakter of de biodiversiteit kunnen er bijvoorbeeld mee vergroot worden. De aanleg van landschapselementen kan gebeuren op basis van de karakteristieken van het landschap. De STILA (Subsidieregeling stimuleringsregeling landschap Noord-Brabant) onderscheidt hiervoor verschillende landschapstype en -elementen. Per landschapselement is aangegeven in welk landschapstype deze kan worden toegepast. Beheer en onderhoud kan voor maximaal zes jaar worden ingebracht. De afwaardering van grond voor de aanleg van landschapselementen betreft geen fysieke tegenprestatie en kan niet worden ingebracht.
Onderdeel d, Behoud of terugbrengen cultuurhistorische elementen
Het behoud van aantoonbare cultuurhistorisch waardevolle elementen in/aan een gebouw kan ook een belangrijke bijdrage leveren aan omgevingskwaliteit. Redelijke kosten die gemaakt moeten worden vanwege het behoud van deze elementen kunnen ingebracht worden tot een maximum van € 62.500. Regulier onderhoud (bijvoorbeeld de vervanging van een rieten dak) of kosten voor het geschikt maken voor bewoning of een andere functie van een totaal vervallen gebouw kunnen niet worden ingebracht.
Ook het terugbrengen (en vervolgens beschermen) van oude cultuurhistorische elementen, zoals een oorspronkelijk zandpad, een bakhuisje of een oude waterput kan bijdragen aan het versterken van omgevingskwaliteit en kan daarom als fysieke tegenprestatie worden ingebracht in het versterken van omgevingskwaliteit.
De kosten voor het herstel of herkenbaar terugbrengen van cultuurhistorische landschapselementen kunnen worden ingezet via de aanleg van landschapselementen.
Onderdeel e, Kosten van beheer en onderhoud
De reële kosten van onderhoud en beheer van aan te leggen beplantingen en ontwikkeling van natuur zijn gericht op de instandhouding van de fysieke maatregelen. Deze kosten kunnen voor een periode van maximaal zes jaar worden meegenomen in het kader van de tegenprestatie. Dit wordt in de afsprakenkaders kwaliteitsverbetering landschap nader uitgewerkt.
Voor het dichten van mestputten moet grond worden aangevoerd. In sommige gevallen betreft dit een hoge kostenpost. Als onderbouwd is dat de aanvoer van grond niet binnen de € 25 per m² mogelijk is (de sloopkosten), kan dit tot een maximum van € 5 per m³ grond worden betrokken bij de tegenprestatie aan het versterken van de omgevingskwaliteit. Het gaat hierbij dus nadrukkelijk niet om de aanvoer van grond voor het bouwrijp maken van het perceel of de aanleg van de tuin.
Als bij de sloop van opstallen asbest is betrokken waardoor de sloopkosten hoger zijn dan € 25 per m², kunnen de meerkosten onderbouwd worden meegenomen. De toepassing van deze regeling is beperkt tot uitzonderingssituaties. In het overgrote deel van de gevallen zijn de kosten voor het verwijderen van asbest standaard al meegenomen in de sloopkosten. De meerkosten worden aangetoond met specifieke offertes en/of rekeningen die betaald worden.
Voor meerkosten hanteren wij als normbedrag voor:
Het verwijderen van asbesthoudende grond (of het saneren van andere grondverontreinigingen) kan niet worden ingezet als tegenprestatie aan het versterken van de omgevingskwaliteit.
Onderdeel h, Asbest glastuinbouw
Als bij de sloop van glasopstanden asbesthoudende kit is betrokken, waardoor de sloopkosten aanzienlijk hoger zijn dan € 5 per m², kunnen de meerkosten onderbouwd worden meegenomen. Hiervoor hanteren wij als normbedrag een maximum van € 5 per m². De toepassing van deze regeling is beperkt tot uitzonderingssituaties. Het verwijderen van asbest is standaard al meegenomen in de sloopkosten. De meerkosten worden aangetoond met specifieke offertes en rekeningen die betaald zijn.
Onderdeel i, Legale bebouwing onder het overgangsrecht
Bebouwing die onder het overgangsrecht valt, is feitelijk legaal aanwezig en wordt ‘beschermd’ door het overgangsrecht. Sloop van deze bebouwing kan worden ingezet als tegenprestatie bij een ontwikkeling. Illegaal opgerichte bebouwing kan niet worden ingebracht.
Onderdeel j, Extensieve recreatieve voorzieningen
De aanleg van extensieve recreatieve voorzieningen kan een bijdrage aan omgevingskwaliteit zijn. Te denken valt aan de aanleg van een nieuw wandelpad of het herstellen van een oud pad. Bovendien zijn deze paden leefgebied voor specifieke diersoorten. Voorzieningen als bankjes of picknicksets zijn waardevol, mits ze op de juiste locatie geplaatst worden. De recreatieve voorzieningen moeten passend zijn in het landschap.
In het verleden zijn door de Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte zogenaamde maatwerktitels uitgegeven. Deze titels kunnen voorlopig nog worden ingebracht als fysieke tegenprestatie voor het versterken van omgevingskwaliteit. De maatwerktitels zijn gebaseerd op de kwaliteitswinst door de toepassing van de regeling Ruimte-voor-Ruimte Verbreed. Met die regeling heeft de provincie de sanering van agrarische bedrijven, glastuinbouwcomplexen en MOB-complexen gefinancierd die door de Ontwikkelingsmaatschappij werd terugverdiend.
De inzet van een volledige titel die door de Ontwikkelingsmaatschappij is uitgegeven is mogelijk op basis van artikel 5.15 Omgevingsverordening. In de Omgevingsverordening wordt in artikel 5.15, tweede lid, een termijn opgenomen tot wanneer de (maatwerk)titels ingezet kunnen worden.
In de praktijk blijkt dat het niet altijd mogelijk is om een (voldoende) fysieke tegenprestatie te leveren in de omgevingskwaliteit voor de toevoeging van een woning. In zo’n geval biedt de regeling de mogelijkheid dat een initiatiefnemer de verplichting tot het doen van de fysieke tegenprestatie stort in een fonds dat is gericht op het realiseren van omgevingskwaliteit. In zo’n geval draagt de initiatiefnemer de verplichting tot het realiseren van omgevingskwaliteit over aan de beheerder van dat fonds.
In de praktijk zal er meestal sprake zijn van een storting in een gemeentefonds dat is ingericht voor het realiseren van omgevingskwaliteit. De initiatiefnemer stort in zo’n geval de voor de realisatie van omgevingskwaliteit benodigde financiële middelen in het daartoe ingestelde gemeentefonds. Hieraan zijn geen minimale of maximale bedragen gekoppeld. Nu de initiatiefnemer niet zelf in de noodzakelijke tegenprestatie voorziet, staat de gemeente hiervoor aan de lat.
Het gemeentefonds moet zodanig zijn ingericht dat duidelijk is welke concrete tegenprestatie is gekoppeld aan de gedane inleg in het fonds. Zowel voor de initiatiefnemers, belanghebbenden bij ruimtelijke procedures, als voor het doel van de regeling om omgevingskwaliteit te genereren, is dit van belang. De gelden moeten binnen 5 jaar zijn belegd. Het kan immers zijn dat de gemeente (nog) moet starten met het project en/of de gelden worden besteed aan een gebiedsontwikkeling, waarvoor meer tijd nodig is.
Het gemeentefonds en de relatie met de concrete (fysieke) tegenprestatie
In artikelen 7.1.3, 7.1.4 en 7.1.5, eerste lid, zijn de maatregelen (met normbedragen) benoemd die het gemeentefonds als tegenprestatie kan inzetten. De gemeente kan er dus voor kiezen om het fonds in te zetten voor de sloop van bebouwing en verwijderen van voorzieningen bij beëindiging van (agrarische) bedrijven, overige sloop of het saneren van een milieubelastende activiteit. Daarnaast kunnen gemeenten met de besteding uit het fonds aansluiting zoeken bij lopende (natuur)projecten en/of maatregelen in het kader van de gebiedsgerichte aanpak en aanpak landelijk gebied. Gedeputeerde Staten zullen de besteding van het fonds jaarlijks monitoren. Deze monitoring richt zich op de storting en daaraan gekoppelde besteding van de middelen (binnen 5 jaar) aan maatregelen gericht op het versterken van omgevingskwaliteit.
Het is ook mogelijk dat er een storting wordt gedaan in het Groen Ontwikkelfonds Brabant (GOB). Dit fonds richt zich op de realisatie van natuur binnen het Natuur Netwerk Brabant. Dit is alleen mogelijk als een gemeente daarmee instemt. De gemeente neemt hiervoor rechtstreeks contact op met het GOB (info@groenontwikkelfondsbrabant.nl) en zorgt dat hierover concrete afspraken worden gemaakt en vastgelegd. De fysieke tegenprestatie kan in de directe omgeving van de rode ontwikkeling worden gerealiseerd maar ook in een andere gemeente. Het is niet mogelijk dat initiatiefnemers hiertoe zelf initiatief richting het GOB nemen.
Als van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt, wordt in het plan verantwoord welke fysieke tegenprestatie door het GOB wordt gerealiseerd en binnen welke termijn. Het is vervolgens de verantwoordelijkheid van de gemeente om te controleren dat deze fysieke tegenprestatie ook conform de afspraken is gerealiseerd.
Artikel 7.1.6 Omvang fysieke tegenprestatie in omgevingskwaliteit per woningtype
Het is niet de bedoeling om enkel ruimte te bieden voor grote woningen in het buitengebied, maar ook om in het buitengebied de mogelijkheid te bieden om in te spelen op actuele ontwikkelingen op de woningmarkt. De gemeente kan bij de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling de actuele vraag naar woningen binnen de gemeente betrekken. Uitgangspunt daarbij is wel dat de woningbouwtypen worden gesitueerd op een passende en vanuit de ontwikkeling aanvaardbare locatie. Deze mogelijkheid beperkt zich tot bebouwingsconcentraties (linten, clusters en kernrandzones). Het ‘splitsen’ van bouwvolumes in kleinere wooneenheden heeft immers ook gevolgen voor de verkeersaantrekkende werking en het verstedelijkingsbeleid. Dit laatste hangt sterk samen met het aantal woningen dat wordt gerealiseerd. De gemeenten dienen in dat verband de ontwikkelingsrichting voor het gebied te bepalen. In artikel 7.1.2, tweede lid, onder d, zijn specifieke aandachtspunten opgenomen waarmee rekening moet worden gehouden in het geval de ontwikkeling meerdere woningen omvat. Wij verwijzen naar de toelichting op dat artikel.
Rekening houdend met de juiste balans tussen de gewenste woonvorm, het aantal woningen/wooneenheden én de omgevingskwaliteit van het buitengebied, is vanuit versterking van omgevingskwaliteit maatwerk mogelijk. De maatwerkregeling gaat uit van een tegenprestatie in omgevingskwaliteit afhankelijk van de omvang en aard van de woning of ontwikkeling. De beleidsregel maakt daarbij onderscheid tussen verschillende soorten woningtypen en de daarbij behorende tegenprestatie.
Onderdeel a, Vrijstaande woningen en twee-onder één kapwoningen (Woningtype A)
Dit woningtype bevindt zich in het luxe segment. Het betreft vrijstaande woningen, zoals een boerderette, een bungalow of een herenhuis, en grote twee onder één kapwoningen. Hiervoor geldt geen maximale inhoudsmaat. De tegenprestatie hiervoor bedraagt € 125.000. Dat is een bestendiging van het ruimte-voor-ruimte beleid.
Onderdeel b, Woningen in één bouwmassa (Woningtype B)
Om aan te sluiten bij de karakteristiek van bebouwing in het landelijk gebied en vanuit omgevingskwaliteit, willen wij dat nieuwe bebouwing hierbij aansluit. De vraag richt zich steeds meer op kleinere woningtypes voor een- en tweepersoonshuishoudens. In deze paragraaf gaan wij er daarom vanuit dat deze woningtypen altijd in een (groter) gebouw van circa 1000 m³ met meerdere wooneenheden worden opgericht.
De vraag richt zich vaak op wooneenheden voor starters en ouderen. Binnen de bouwmassa van 1000 m³ kan het dan gaan om twee wooneenheden (met een max inhoudsmaat van 500 m³), rijtjeswoningen (ca. 350 m³), appartementen, studio’s en/of een maisonnette.
Het is voor deze woningtypen niet reëel om voor elke wooneenheid uit te gaan van een tegenprestatie van € 125.000. Voor de tegenprestatie gaan wij daarom uit van de inhoud van het gebouw (bouwvolume). Hierbij hanteren wij als bijdrage in het versterken van de omgevingskwaliteiten een inspanning ter hoogte van €125.000 per 1000 m³(bruto) van de omvang van het gebouw. Een inhoudsmaat van minimaal 1000 m³ past in beginsel bij het type bebouwing dat in het landelijk gebied voorkomt. Als een grotere inhoudsmaat wenselijk is en past in de omgeving, wordt daarvoor een evenredige tegenprestatie gevraagd. Wij hanteren daarbij (telkens) een minimum van 200 m³ (boven 1000 m³) waarvoor een bijdrage geldt van € 25.000. De mogelijkheid om de bouwmassa te vergroten is niet aanwezig als het initiatief uitgaat van twee wooneenheden in de bouwmassa van 1000 m³. Voor grotere twee- onder één kapwoningen geldt dat die zich in het luxe segment bevinden met de daarbij behorende tegenprestatie (woningtype A).
Deze categorie gaat niet over het (achteraf) splitsen van bestaande woningen in meerdere wooneenheden. Voor zover er sprake is van karakteristieke bebouwing is daarvoor een regeling opgenomen in onderdeel e.
Het is mogelijk dat een bestaand bedrijfsgebouw wordt verbouwd ten behoeve van woningen. Er vindt dan geen sloop plaats en er wordt ook geen nieuwe bebouwing toegevoegd. Gelet op de daarmee gepaard gaande functieverandering is ook dan een bijdrage in de omgevingskwaliteit gerechtvaardigd. In deze situatie wordt uitgegaan van een fictieve sloop van het gebouw met de onderliggende bestemmingswaarde (€ 45 per m²), die kan worden ingezet als tegenprestatie.
Een ontwikkeling kan een combinatie zijn van de verschillende woningtypen A en B. Dan geldt voor de bijdrage in het versterken van de omgevingskwaliteiten een inspanning zoals die per woningtypen in deze paragraaf is opgenomen.
Onderdeel c, Standplaats woonwagen
Een woonwagen valt onder de definitie ‘woning’, maar is wel voorzien voor een speciale doelgroep. Op zichzelf beschouwd betreft een woonwagencentrum een woonvoorziening, er is geen sprake van een collectieve woonvorm. In sommige gevallen kan er sprake zijn van een stedelijke ontwikkeling. Dat is afhankelijk van locatie en de concrete ontwikkeling. Als er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling, kan een ontwikkeling mits passend in de omgeving met deze beleidsregel worden gerealiseerd.
Voor deze doelgroep is er een bijzondere taakstelling vanuit de gemeente. Het betreft ook een afwijkende marktwaarde. Tot slot betreft het een geringe standplaats in vergelijk met een woonbestemming (vaak 1000 m² of groter) met een geringe inhoudsmaat. Vanuit de doelgroep en zorgvuldig ruimtegebruik is het logisch dat de mogelijkheden worden gezocht op of aansluitend bij een bestaand woonwagencentrum (in plaats van het inrichten van een nieuw woonwagencentrum). Voor de realisatie van een standplaats voor een woonwagen in het landelijk gebied is maatwerk met betrekking tot de omgevingskwaliteit opgenomen in deze paragraaf. De tegenprestatie bedraagt € 20.000.
Een tiny house is een ‘nieuwe’ woonvorm met een duidelijke filosofie. Kleine volwaardige vaak vrijstaande woningen van maximaal 50 m² vloeroppervlak met een zo klein mogelijke ecologische voetafdruk. Ze staan op een (tijdelijke) fundering, maar ook op wielen. Een tiny house betreft echter een woonfunctie. Dat betekent dat voor de tegenprestatie in principe dezelfde vereisten gelden als bij een (reguliere) woning. Het is echter niet redelijk en financieel haalbaar om bij dit type woningen een tegenprestatie te vragen die qua omvang ten minste gelijk is aan de tegenprestatie van een ‘reguliere’ ruimte voor ruimtewoning (de grotere woningen). Omdat sprake is van een woning met een onderliggend bestemmingsvlak (bouwperceel), maar de inhoudsmaat beperkt is (maximaal 150 m³), is maatwerk met betrekking tot de omgevingskwaliteit opgenomen. Indien meerdere tiny houses worden opgericht worden deze geconcentreerd opgericht, waarbij het type en maximale inhoud in het plan wordt vastgelegd. Met deze regel wordt invulling gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik en wordt voorkomen dat in het landelijk gebied verspreide bebouwing ontstaat. De tegenprestatie bedraagt €15.000.
Uit de praktijk blijkt dat er verzoeken zijn voor een tijdelijke plaatsing van tiny houses. De tijdelijkheid ligt in het algemeen tussen de 10 en 15 jaar. Een dergelijke periode van maximaal 15 jaar betekent dat langdurig wordt ingegrepen op het karakter van het landelijk gebied. Het is daarom gerechtvaardigd om (ook) voor een tijdelijk geplaatst tiny house een bijdrage in het versterken van omgevingskwaliteit te vragen. Gelet op de tijdelijkheid bedraagt de tegenprestatie € 7.500,00. In het plan wordt geborgd dat na de periode het tiny house en eventuele voorzieningen worden verwijderd.
Onderdeel e Karakteristieke bebouwing
In het landelijk gebied komen ook veel cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en beeldbepalende bebouwing voor. Het betreffen onder andere de traditionele langgevel- en kopgevelboerderijen. Soms heeft een gemeente die beleidsmatig als cultuurhistorisch waardevol aangeduid binnen het eigen erfgoedbeleid, soms is dat niet gebeurd. Het gaat hierbij overigens niet alleen om boerderijen, ook andere cultuurhistorisch waardevolle of beeldbepalende bebouwing valt in de categorie karakteristieke bebouwing.
Vanuit omgevingskwaliteit is het wenselijk dat dergelijke bebouwing behouden blijft. Dit is een afweging van de gemeenten, rekening houdend met randvoorwaarden die in de Omgevingsverordening zijn opgenomen, bijvoorbeeld in artikel 5.14 maar ook randvoorwaarden vanwege een ligging in een gebied met waarden. Als een gemeente splitsing aanvaardbaar vindt, hoeft er geen aanvullend onderzoek gedaan te worden naar aanwezigheid/herstel van cultuurhistorische elementen. Een plan bevat uiteraard wel een onderbouwing waarom de bebouwing als karakteristiek is aangemerkt, bijvoorbeeld omdat de bebouwing op de gemeentelijke erfgoedkaart is opgenomen.
Dit onderdeel van de beleidsregel is niet van toepassing op gemeentelijke- en rijksmonumenten of cultuurhistorisch waardevolle complexen, zoals beschreven op de Cultuurhistorische waardenkaart. Daarvoor gelden de uitgangspunten zoals opgenomen in artikel 5.14, derde lid, onderdeel d, van de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Vanuit het gelijkheidsbeginsel is het gerechtvaardigd om ook bij inpandige splitsing van karakteristieke bebouwing een fysieke tegenprestatie te vragen. Bij splitsing worden immers evenals in de andere gevallen uit dit artikel, nieuwe woningen in het landelijk gebied toegevoegd. Het is daarom van belang dat ook bij splitsing een evenredige inspanning wordt geleverd voor omgevingskwaliteit. Deze is bij splitsing bepaald op€ 62.500.
Binnen karakteristieke bebouwing kunnen ook meerdere wooneenheden worden gerealiseerd. In die gevallen wordt de € 62.500 die geldt als inspanning voor omgevingskwaliteit gekoppeld aan een omvang per wooneenheid van 1000 m3.
Bij inpandige splitsing van karakteristieke bebouwing wordt aandacht gevraagd voor bescherming tegen sloop, het behoud van de karakteristieke of cultuurhistorische waarden en kenmerken van de bebouwing, aan- en uitbouwen worden voorkomen en dat bijgebouwen op een passende plek worden gesitueerd.
In de praktijk worden uiteenlopende berekeningen opgesteld voor de berekening van de tegenprestatie in omgevingskwaliteit. Deze beleidsregel legt hiervoor eenduidige rekenregels vast. Daarmee wordt willekeur voorkomen en wordt in een vroegtijdig stadium duidelijkheid gegeven over de wijze van berekening. De uitgangspunten zoals opgenomen in deze paragraaf zijn verwerkt in een rekenmodule. In artikel 7.1.5 is aangegeven waaruit de (overige) waardering kan bestaan voor de fysieke tegenprestatie. Gemeenten geven onderbouwd aan uit welke fysieke maatregelen, en tegen welke kosten, de waardering bestaat.
Zorgvuldige bedrijven die door hun innovatieve karakter op voorhand moeilijk kunnen scoren op de pijlers Certificaten en Inrichting & Omgeving worden voorgelegd aan een deskundige.
Een veehouderij die van deze mogelijkheid gebruik wil maken legt via de gemeente een volledig ingevulde Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij en een bedrijfsplan voor aan de provincie die een deskundige inschakelt. Het advies wordt via Gedeputeerde Staten aan de gemeente voorgelegd. De gemeente neemt vervolgens de nodige beslissingen inzake de vergunningverlening.
Wijzigingen Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij versie 3.0 ten opzichte van Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij versie 2.3
Tot en met versie 2.3 werden diercategorieën met elkaar vergeleken door de dieren om te rekenen met een Nederlandse Grootte Eenheid (Nge). Deze normen zijn voor het laatst in 2007 aangepast en daarmee gedateerd. In versie 3.0 sluiten we aan bij actuele normen die ook voor ander (Brabants) beleid wordt gebruikt, zoals regelgeving rondom gebied beperkingen en de meststoffenwet. Dit betreft de normen van de Grootvee eenheid (GVE). Het aantal GVE op een bedrijf dient te worden afgeleid uit de bijlage uit de meest actuele versie van het rapport “Rekenregels van de Kringloopwijzer” van Wageningen Research (WUR). Daarin staan GVE-normen per dier gebaseerd op RVO- en WUM-fosfaatexcreties. Indien het genoemde rapport niet in normen voorziet wordt het aantal GVE afgeleid uit bijlage 1 uit de verordening EU2018/1091 van het Europees Parlement en de Raad.
De beoordelingssystematiek van versie 1 en 2 van de BZV wordt onderscheid gemaakt tussen binnen of buiten concentratiegebieden. De grenzen van 10 en 3 odeur units (OU) gelden binnen concentratiegebieden, en buiten concentratiegebieden gelden normen van 4,5 en 2 OU. Dit onderscheid vervalt, dit sluit aan bij de adviezen uit het GGD rapport (Van Aalsburg et al., november 2023). Bedrijven die onder de 3 OU (woonkernen) en 10 OU (buitengebied) scoren krijgen punten.
Naast deze normen zijn er de normen van 2 OU (woonkernen) en 5 OU (buitengebied), zoals destijds vastgelegd in bijlage 6 en 7 van de handreiking WGV, om te komen tot maximaal respectievelijk 12% en 20% geurgehinderden. Bedrijven die onder deze normen zitten, krijgen daar in verhouding meer punten voor. Op deze wijze is zowel sprake van bovenwettelijke beloning en extra beloning als aan de onderbouwde waarden wordt voldaan. Een extra toevoeging in deze maatlat is de gemeentelijke geurnorm. Boven de gemeentelijke geurnorm kan niet gescoord worden. Echter in het geval dat de geurnorm van de gemeente onder de 2 OU (woonkernen) en 5 OU (buitengebied) ligt, worden er toch punten gescoord om de bedrijven te belonen voor hun inzet op de reductie van de geurbelasting.
Gezondheid kan zowel de fysieke als de mentale gezondheid van mens en dier betekenen. De provincie hecht waarde aan de gezondheid van mens en dier en wil 3 gezonde levensjaren erbij (zie beleidskader Gezondheid). De impact van de veehouderij op de omgeving kan hier een bijdrage aan leveren. Gezondheidsmaatregelen zitten verwerkt in de certificaten en de maatlatten Gezondheid, Verbinding & Biodiversiteit, Geurimpact, Geuremissie en Fijnstof. Samen met de GGD is gekeken naar gezondheidsmaatregelen die in de maatlatten zijn opgenomen. Uitkomsten zijn dat de maatlat Geurimpact is verzwaard, er extra beloning wordt gegeven als er een substantiële afname van de geuremissie plaatsvindt bij de nieuwe vergunning en er zijn extra maatregelen opgenomen bij de maatlat Verbinding & Biodiversiteit waarbij er meer begrip ontstaat tussen boer en burger (denk aan nevenfuncties op het bedrijf). Daarnaast zijn er wat puntenscores aangepast van specifieke maatregelen.
Het VGO-onderzoek is begin 2025 gepubliceerd. Het Rijk heeft advies gevraagd aan de Gezondheidsraad hoe om te gaan met de uitkomsten van het VGO-onderzoek. In provincie Brabant geldt tot die tijd het geitenmoratorium. Totdat er meer bekend is over hoe om wordt gegaan met deze sector, worden er geen extra maatregelen opgenomen in de BZV.
Dierenwelzijn is belangrijk voor de provincie Noord-Brabant. Mede daardoor is dit één van de beoordelingscriteria bij de certificaten. Op dit moment vinden er landelijk nog gesprekken plaats over de invulling van een Dierwaardige veehouderij. Omdat dit nog niet verwerkt is in regelgeving, kunnen we op dit moment hier nog niet op inspringen in de BZV. In de volgende versie van de BZV wordt opnieuw bekeken of en hoe we dierenwelzijn beter of nog meer kunnen opnemen.
puntenscore per certificaat zijn herzien. Hierbij is rekening gehouden met de aanpassingen binnen de voorwaarden van de certificaten en wijzigingen in regelgeving (waardoor sommige maatregelen niet meer bovenwettelijk zijn). Ook is het beoordelingscriteria ‘energie’ uitgebreid met klimaat. Daarnaast is een extra beoordelingscriterium Bodem, Water & Biodiversiteit opgenomen. Dit heeft geleid tot substantiële aanpassingen in de puntenscores bij de certificaten. Doordat de (wettelijke) eisen voor veehouderijbedrijven steeds strenger zijn worden in de loop der jaren en bedrijven op die manier al een flinke verduurzaming hebben teweeggebracht, is besloten om de correctiefactor voor certificaten te verlagen zodat de minimum gestelde eisen van de BZV haalbaar blijven voor de veehouderijbedrijven. Ondanks de verlaging van de correctiefactor, is er toch spraken van een verzwaring voor de bedrijven. De nieuwe correctiefactor wordt 20.
We zien dat de certificaten een breder palet aan eisen krijgt, waardoor de markt op meerdere thema’s meer eist van een veehouderijbedrijf. Dit sluit aan bij de visie van de provincie dat door de eisen van de markt de BZV op termijn overbodig wordt. Door deze kanteling in de markt willen we de voorlopers die hoog scoren op de certificaten uitzonderen van de BZV. Zij tonen middels de certificaten aan dat zij een duurzaam bedrijf zijn. Bij een score van minimaal 0,5 op certificaten, krijgt een bedrijf een uitzondering op de BZV.
Bij de oprichting van de BZV zijn randvoorwaarden geschept. Eén van de randvoorwaarden is dat de veehouderij telkens wat verder moet verduurzamen. Wet- en regelgeving zorgt hier natuurlijk al voor, maar ook met de BZV willen we die verduurzaming verder aanjagen. In deze versie zijn de punten voor de certificaten aangescherpt wat voor een verzwaring zorgt, maar ook de eindscore wordt wat verzwaard naar een 7,3.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2025-11133.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.