Wijzigingsbesluit Verordening Europese Landbouwsubsidies 2023-2027 Provincie Limburg

Gedeputeerde Staten van Limburg

 

Overwegende dat de Europese Commissie op 13 december 2022 het Nederlands Nationaal Strategisch Plan in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 2023-2027 heeft goedgekeurd;

 

Overwegende dat Gedeputeerde Staten bij de Verordening Europese Landbouwsubsidies 2023–2027 zijn aangewezen als intermediaire instantie als bedoeld in artikel 123, vierde lid, van verordening 2021/2115;

 

Overwegende dat het wenselijk is de Verordening Europese Landbouwsubsidies 2023-2027 Provincie Limburg te wijzigen in verband met enkele technische wijzigingen;

 

Maken ter voldoening aan het bepaalde in de Provinciewet en het Delegatiebesluit van 26 september 2014 bekend dat zij in hun vergadering van 1 juli 2025 het volgende besluit hebben genomen

 

Wijzigingsbesluit Verordening Europese Landbouwsubsidies 2023-2027 Provincie Limburg

Artikel I Wijziging Verordening Europese Landbouwsubsidies 2023-2027 Provincie Limburg (PB. 6 september 2023, nr. 10391 en laatst gewijzigd bij PB. 27 november 2024, nr. 18238)

De Verordening Europese Landbouwsubsidies 2023-2027 Provincie Limburg (PB. 6 september 2023, nr. 10391 en laatst gewijzigd bij PB. 27 november 2024, nr. 18238) wordt als volgt gewijzigd:

 

A.

 

Artikel 1.1 wordt als volgt gewijzigd:

 

  • 1.

    In artikel 1.1 wordt in de alfabetische volgorde de volgende begripsbepaling ingevoegd:

  • niet-productieve investering: investering die niet leidt tot een aanzienlijke stijging van de waarde of de rentabiliteit van het bedrijf;

  • productieve investering: investering in vaste activa of immateriële activa van ondernemingen met het oog op de productie van goederen en diensten, waardoor wordt bijgedragen tot de vorming van brutokapitaal en het scheppen van werkgelegenheid;

  • 2.

    In de alfabetische volgorde vervalt de begripsbepaling ‘verordening 2018/1046’.

B.

 

Artikel 1.9b, eerste lid, luidende:

 

‘’De loonkosten en kosten eigen arbeid als bedoeld in artikel 1.8, onder a en b, worden berekend door de overige subsidiabele kosten te vermenigvuldigen met 0,23.’’

 

Wordt gewijzigd in:

 

‘’De loonkosten en kosten eigen arbeid als bedoeld in artikel 1.8, onder a en b, worden berekend door de overige subsidiabele kosten te vermenigvuldigen met 0,23, onder de voorwaarden, genoemd in artikel 55, eerste lid, van verordening 2021/1060’’

 

C.

 

Artikel 1.10, onderdeel g luidende:

 

‘’kosten die naar het oordeel van Gedeputeerde Staten niet voldoen aan de vereisten van goed financieel beheer als bedoeld in artikel 33 van verordening 2018/1046.’’

 

Wordt gewijzigd in:

 

‘’kosten die naar het oordeel van Gedeputeerde Staten niet voldoen aan de vereisten van goed financieel beheer als bedoeld in artikel 33 van verordening 2024/2509 van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (PbEU L 2024/2509).’’

 

D.

 

Artikel 1.11 luidende:

 

‘’Onverminderd artikel 63, negende lid, van verordening 2021/1060 en artikel 36 van verordening 2021/2116 wordt, indien reeds door een bestuursorgaan of de Europese Commissie subsidie is verstrekt voor de subsidiabele kosten of een deel daarvan, slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan het bedrag dat volgens de toepasselijke interventie is toegestaan.’’

 

Wordt gewijzigd in:

 

‘’Onverminderd artikel 63, negende lid, van verordening 2021/1060 en artikel 36 van verordening 2021/2116 wordt, indien reeds door een bestuursorgaan of de Europese Commissie subsidie is verstrekt voor de subsidiabele kosten of een deel daarvan, slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan het bedrag dat volgens de toepasselijke Europese verordeningen is toegestaan.’’

 

E.

 

Artikel 1.12, zesde lid luidende:

 

‘’Indien toepassing van het derde of vijfde lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.’’

 

Wordt gewijzigd in:

 

‘’Indien toepassing van het derde of vijfde lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, en het plafond met toekenning van deze aanvragen zou worden overschreden wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.’’

 

 

F.

 

Artikel 1.15, lid 5 en 6 luidende:

 

  • "5.

    De administratie wordt ten minste vijf jaar na de subsidievaststelling bewaard;

  • 6.

    In geval van een gerechtelijke procedure wordt de administratie ten minste tien jaar na de datum van de afhandeling van de gerechtelijke procedure bewaard.’’

Wordt gewijzigd in:

 

  • "5.

    De verplichting bedoeld in het vierde lid, onderdeel d, is niet van toepassing indien de subsidieverlening mede is gebaseerd op het gebruik van de vereenvoudigde kostenoptie bedoeld in artikel 1.9b;

  • 6.

    De administratie wordt ten minste vijf jaar na de subsidievaststelling bewaard;

  • 7.

    In geval van een gerechtelijke procedure wordt de administratie ten minste tien jaar na de datum van de afhandeling van de gerechtelijke procedure bewaard.’’

G.

 

Artikel 2.2.4 luidende:

 

  • 1.

    ‘’Als de aanvraag wordt ingediend door een landbouwer met een biologische bedrijfsvoering of landbouwer die in omschakeling is naar biologische landbouw wordt, in aanvulling op artikel 1.6, de aanvraag vergezeld van een erkend certificaat of kwaliteitskeurmerk waaruit dit blijkt.

  • 2.

    Als de aanvraag wordt ingediend door een landbouwer die in omschakeling is naar biologische landbouw wordt, in aanvulling op artikel 1.6, de aanvraag vergezeld van het inschrijfnummer en documentatie van een certificerende instantie ter onderbouwing dat de bedrijfsomschakeling is gestart.’’

Wordt gewijzigd in:

 

  • 1.

    ‘’Als de aanvraag wordt ingediend door een landbouwer met een biologische bedrijfsvoering of landbouwer die in omschakeling is naar biologische landbouw wordt, in aanvulling op artikel 1.6, de aanvraag vergezeld van een erkend certificaat of kwaliteitskeurmerk waaruit dit blijkt;

  • 2.

    Als de aanvraag wordt ingediend door een landbouwer die in omschakeling is naar biologische landbouw wordt, in aanvulling op artikel 1.6, de aanvraag vergezeld van het inschrijfnummer en documentatie van een certificerende instantie ter onderbouwing dat de bedrijfsomschakeling is gestart;

  • 3.

    In aanvulling op het eerste en tweede lid kunnen Gedeputeerde Staten in het openstellingsbesluit bepalen dat de subsidie 70% van de subsidiabele kosten bedraagt, of 80% als de subsidie wordt verstrekt aan een jonge landbouwer, indien sprake is van investeringen in:

    • a.

      agroforestry, te weten landbouwsystemen en -praktijken die houtige meerjarige planten, te weten bomen en struiken, bewust combineren op hetzelfde stuk land waar ook andere landbouwgewassen worden geteeld of veehouderij plaatsvindt, waardoor een ecologische en economische wisselwerking plaats tussen houtige en niet-houtige onderdelen van landbouwsystemen; of

    • b.

      waterbeheervoorzieningen ter verlaging van risico’s van verontreiniging van oppervlaktewater door erfspoeling.

  • 4.

    Bij toepassing van het derde lid geven Gedeputeerde Staten in het openstellingsbesluit aan op welke specifieke categorieën uit de investeringslijst de investeringen betrekking kunnen hebben.’’

H.

 

Artikel 2.3.2 luidende:

 

‘’Subsidie kan worden verstrekt aan landbouwers of een samenwerkingsverband van landbouwers.’’

 

Wordt gewijzigd in:

 

‘’Subsidie kan worden verstrekt aan:

  • a.

    een agrarisch collectief, te weten een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid bestaande uit landbouwers en andere grondgebruikers van landbouwgrond;

  • b.

    een landbouwer;

  • c.

    een landbouworganisatie, te weten een organisatie in de agrarische sector die aantoonbaar zowel de economische als de sociale belangen van de ondernemers in de agrarische sector behartigt;

  • d.

    een organisatie voor landschapsbeheer, te weten een organisatie die aantoonbaar gericht is op het beheer van natuur of landschap; of

  • e.

    een samenwerkingsverband van landbouwers.’’

I.

 

Artikel 2.3.3 luidende;

 

  • 1.

    ‘’Als de aanvraag wordt ingediend door een landbouwer met een biologische bedrijfsvoering of landbouwer die in omschakeling is naar biologische landbouw wordt, in aanvulling op artikel 1.6, de aanvraag vergezeld van een erkend certificaat of kwaliteitskeurmerk waaruit dit blijkt;

  • 2.

    Als de aanvraag wordt ingediend door een landbouwer die in omschakeling is naar biologische landbouw wordt, in aanvulling op artikel 1.6, de aanvraag vergezeld van het inschrijfnummer en documentatie van een certificerende instantie ter onderbouwing dat de bedrijfsomschakeling is gestart.’’

Wordt gewijzigd in:

 

  • 1.

    ‘’Als de aanvraag wordt ingediend door een landbouwer met een biologische bedrijfsvoering of landbouwer die in omschakeling is naar biologische landbouw wordt, in aanvulling op artikel 1.6, de aanvraag vergezeld van een erkend certificaat of kwaliteitskeurmerk waaruit dit blijkt;

  • 2.

    Als de aanvraag wordt ingediend door een landbouwer die in omschakeling is naar biologische landbouw wordt, in aanvulling op artikel 1.6, de aanvraag vergezeld van het inschrijfnummer en documentatie van een certificerende instantie ter onderbouwing dat de bedrijfsomschakeling is gestart;

  • 3.

    Als de aanvraag wordt ingediend door een agrarisch collectief, landbouworganisatie of organisatie voor landschapsbeheer wordt, in aanvulling op artikel 1.6, de aanvraag vergezeld van de statuten van de aanvrager.’’

J.

 

Artikel 2.5.1 luidende:

 

‘’In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    duurzame toegevoegde waardeketen: duurzame keten van activiteiten waarbij waarde aan de producten wordt toegevoegd op het moment dat deze een volgende activiteit in een keten passeren en waarbij de keten als geheel het product toegevoegde waarde geeft;

  • b.

    EIP: een Europees Partnerschap voor innovatie, voor de productiviteit en duurzaamheid in de landbouw als bedoeld in artikel 127 van verordening 2021/2115;

  • c.

    GVE: grootvee-eenheden volgens de vereenvoudigde omzettingscoëfficiënten bedoeld in de bijlage bij Uitvoeringverordening (EU) 2021/2290 van de Commissie van 21 december 2021 tot vaststelling van regels voor de berekeningsmethoden gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren die zijn opgenomen in bijlage I bij Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013 (PbEU 2021, L 458).’’

Wordt gewijzigd in:

 

‘’In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    duurzame toegevoegde waardeketen: duurzame keten van activiteiten waarbij waarde aan de producten wordt toegevoegd op het moment dat deze een volgende activiteit in een keten passeren en waarbij de keten als geheel het product toegevoegde waarde geeft;

  • b.

    EIP: een Europees Partnerschap voor innovatie, voor de productiviteit en duurzaamheid in de landbouw als bedoeld in artikel 127 van verordening 2021/2115;’’

K.

 

Artikel 2.5.4 luidende:

 

‘’In aanvulling op het bepaalde in artikel 1.3 en 1.6 bevat de aanvraag om subsidie:

  • a.

    een aantoonbare oriëntatie op reeds uitgevoerde onderzoeken en bestaande initiatieven omtrent de betreffende innovatie;

  • b.

    een uitwerking van de beoogde activiteiten voor kennisverspreiding met gebruik van de hiertoe geëigende netwerken, waaronder het nationale en Europese EIP-netwerk;

  • c.

    een toelichting op eventuele investeringen in bedrijfsmiddelen binnen het project;

  • d.

    het verwachte aantal personen dat van advies, opleiding, kennisuitwisseling of deelname aan de activiteiten van het samenwerkingsverband zal profiteren door betere duurzame economische, sociale, milieu- en klimaatprestaties en prestaties op het gebied van hulpbronnenefficiëntie te leveren;

  • e.

    het verwachte aandeel GVE vallend onder ondersteunde acties ter verbetering van dierenwelzijn.’’

Wordt gewijzigd in:

 

‘’In aanvulling op het bepaalde in artikel 1.3 en 1.6 bevat de aanvraag om subsidie:

  • a.

    een aantoonbare oriëntatie op reeds uitgevoerde onderzoeken en bestaande initiatieven omtrent de betreffende innovatie;

  • b.

    een uitwerking van de beoogde activiteiten voor kennisverspreiding met gebruik van de hiertoe geëigende netwerken, waaronder het nationale en Europese EIP-netwerk;

  • c.

    een toelichting op eventuele investeringen in bedrijfsmiddelen binnen het project;

  • d.

    het verwachte aantal personen dat van advies, opleiding, kennisuitwisseling of deelname aan de activiteiten van het samenwerkingsverband zal profiteren door betere duurzame economische, sociale, milieu- en klimaatprestaties en prestaties op het gebied van hulpbronnenefficiëntie te leveren.’’

L.

 

Artikel 2.5.11 luidende:

 

‘’In aanvulling op het bepaalde in de artikelen 1.16 en 1.18 bevat een voortgangsverslag of deelbetalingsverzoek de volgende gegevens:

  • c.

    Het gerealiseerde en nog te verwachten aantal personen dat van advies, opleiding, kennisuitwisseling of deelname aan de activiteiten van het samenwerkingsverband heeft geprofiteerd of zal profiteren om betere duurzame economische, sociale, milieu- en klimaatprestaties en prestaties op het gebied van hulpbronnenefficiëntie te leveren;

  • d.

    Het gerealiseerde en nog te verwachten aandeel GVE’s vallend onder ondersteunde acties ter verbetering van dierenwelzijn.”

Wordt gewijzigd in:

 

‘’In aanvulling op het bepaalde in de artikelen 1.16 en 1.18 bevat een voortgangsverslag of deelbetalingsverzoek het gerealiseerde en nog te verwachten aantal personen dat van advies, opleiding, kennisuitwisseling of deelname aan de activiteiten van het samenwerkingsverband heeft geprofiteerd of zal profiteren om betere duurzame economische, sociale, milieu- en klimaatprestaties en prestaties op het gebied van hulpbronnenefficiëntie te leveren.’’

 

M.

 

Artikel 2.5.12 luidende:

 

‘’In aanvulling op het bepaalde in de artikelen 1.20 en 1.21 bevat een inhoudelijk verslag de volgende gegevens:

  • a.

    Het gerealiseerde aantal personen dat van advies, opleiding, kennisuitwisseling of deelname aan de activiteiten van het samenwerkingsverband heeft geprofiteerd om betere duurzame economische, sociale, milieu- en klimaatprestaties en prestaties op het gebied van hulpbronnenefficiëntie te leveren;

  • b.

    Het gerealiseerde aandeel GVE vallend onder ondersteunde acties ter verbetering van dierenwelzijn.’’

Wordt gewijzigd in:

 

‘’In aanvulling op het bepaalde in de artikelen 1.20 en 1.21 bevat een inhoudelijk verslag het gerealiseerde aantal personen dat van advies, opleiding, kennisuitwisseling of deelname aan de activiteiten van het samenwerkingsverband heeft geprofiteerd om betere duurzame economische, sociale, milieu- en klimaatprestaties en prestaties op het gebied van hulpbronnenefficiëntie te leveren.’’

 

N.

 

Artikel 2.6.4 luidende:

 

  • 1.

    ‘’Een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2.6.3 bestaat tenminste uit twee actoren waarvan tenminste één landbouwer

  • 2.

    Indien bijeenkomsten voor kennisoverdracht onderdeel uitmaken van het gebiedsplan, bestaat het samenwerkingsverband in aanvulling op het eerste lid ook uit tenminste één kennisaanbieder als bedoeld in artikel 2.10.2;

  • 3.

    In aanvulling op het bepaalde in artikel 1.2, derde lid, kunnen Gedeputeerde Staten in een openstellingsbesluit nadere regels stellen omtrent:

    • a.

      de deelnemende partijen in het samenwerkingsverband;

    • b.

      het minimale aantal bij het samenwerkingsverband betrokken partijen.’’

Wordt gewijzigd in:

 

  • 1.

    ‘’Een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2.6.3, tweede lid bestaat tenminste uit twee actoren waarvan tenminste één landbouwer

  • 2.

    Indien bijeenkomsten voor kennisoverdracht onderdeel uitmaken van het gebiedsplan, bestaat het samenwerkingsverband in aanvulling op het eerste lid ook uit tenminste één kennisaanbieder als bedoeld in artikel 2.10.2;

  • 3.

    In aanvulling op het bepaalde in artikel 1.2, derde lid, kunnen Gedeputeerde Staten in een openstellingsbesluit nadere regels stellen omtrent:

    • a.

      de deelnemende partijen in het samenwerkingsverband;

    • b.

      het minimale aantal bij het samenwerkingsverband betrokken partijen.’’

O.

 

Artikel 2.6.5 luidende:

 

  • "1.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 bevat een aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 2.6.1, eerste lid, onder a:

    • a.

      een korte beschrijving van het beoogde gebied, de uitdagingen waar het gebied voor staat en een visie voor de beoogde bijdrage aan de doelen op het gebied van klimaat, water, bodem, lucht of biodiversiteit;

    • b.

      een korte beschrijving van de organisatiestructuur van het beoogde samenwerkingsverband waaronder de rollen en verantwoordelijkheden van de verschillende partners om tot een integraal gebiedsplan te komen;

    • c.

      een beschrijving welke mogelijke tegenstrijdige effecten die bij de uitvoering van het integrale gebiedsplan zouden kunnen optreden en welke beheermaatregelen worden genomen om deze effecten te voorkomen;

    • d.

      een uitwerking van de beoogde activiteiten voor kennisverspreiding met gebruik van de hiertoe geëigende netwerken, waaronder het nationale en Europese EIP-netwerk als bedoeld in artikel 127 van verordening 2021/2115.

  • 2.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 bevat een aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 2.6.1, eerste lid, onder b, een integraal gebiedsplan met:

    • a.

      een beschrijving van de afbakening, analyse en uitdagingen van het gebied;

    • b.

      een uitwerking van de beoogde activiteiten die in het gebied worden uitgevoerd;

    • c.

      aangetoond draagvlak uit het gebied;

    • d.

      een beschrijving van de verschillende partijen die betrokken zijn bij het integrale gebiedsplan;

    • e.

      een beschrijving van de organisatiestructuur van het samenwerkingsverband;

    • f.

      een beschrijving van belanghebbenden en de relatie met de belanghebbenden bij het gebiedsplan;

    • g.

      een beschrijving van de wijze waarop monitoring en evaluatie over de voortgang plaatsvindt gedurende het project;

    • h.

      en beschrijving van de wijze waarop over de resultaten wordt gerapporteerd.’’

Wordt gewijzigd in:

 

  • "1.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 bevat een aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 2.6.1, eerste lid, onder a:

    • a.

      een korte beschrijving van het beoogde gebied, de uitdagingen waar het gebied voor staat en een visie voor de beoogde bijdrage aan de doelen op het gebied van klimaat, water, bodem, lucht of biodiversiteit;

    • b.

      een korte beschrijving van de organisatiestructuur van het beoogde samenwerkingsverband waaronder de rollen en verantwoordelijkheden van de verschillende partners om tot een integraal gebiedsplan te komen;

    • c.

      een beschrijving welke mogelijke tegenstrijdige effecten die bij de uitvoering van het integrale gebiedsplan zouden kunnen optreden en welke beheermaatregelen worden genomen om deze effecten te voorkomen;

    • d.

      een uitwerking van de beoogde activiteiten voor kennisverspreiding met gebruik van de hiertoe geëigende netwerken, waaronder het nationale en Europese EIP-netwerk als bedoeld in artikel 127 van verordening 2021/2115.

  • 2.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 bevat een aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 2.6.1, eerste lid, onder b, een integraal gebiedsplan met:

    • a.

      een beschrijving van de afbakening, analyse en uitdagingen van het gebied;

    • b.

      een uitwerking van de beoogde activiteiten die in het gebied worden uitgevoerd;

    • c.

      aangetoond draagvlak uit het gebied;

    • d.

      een beschrijving van de verschillende partijen die betrokken zijn bij het integrale gebiedsplan;

    • e.

      een beschrijving van de organisatiestructuur van het samenwerkingsverband;

    • f.

      een beschrijving van belanghebbenden en de relatie met de belanghebbenden bij het gebiedsplan;

    • g.

      een beschrijving van de wijze waarop monitoring en evaluatie over de voortgang plaatsvindt gedurende het project;

    • h.

      en beschrijving van de wijze waarop over de resultaten wordt gerapporteerd;

    • i.

      een toelichting op de begroting bedoeld in artikel 1.6, tweede lid, onder b, waaruit blijkt dat de subsidie voor de kosten, genoemd in artikel 2.6.9, tweede lid, onder g of i, maximaal 25% van de totale subsidie bedraagt.’’

P.

 

Artikel 2.6.6 luidende:

 

  • 1.

    ‘’Onverminderd artikel 1.5 wordt subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.6.1, eerste lid, onder a, geweigerd indien de aanvraag wordt gedaan door een reeds bestaand samenwerkingsverband;

  • 2.

    Onverminderd artikel 1.5 wordt subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.6.1, eerste lid, onder b, geweigerd indien de aanvraag wordt gedaan door een reeds bestaande samenwerking, tenzij de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd nieuw is voor het reeds bestaande samenwerkingsverband;

  • 3.

    Onverminderd artikel 1.5 wordt subsidie geweigerd voor activiteiten waarvoor steun is verstrekt op grond van titel 5.8 van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021’’

Wordt gewijzigd in:

 

  • 1.

    ‘’Onverminderd artikel 1.5 wordt subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.6.1, eerste lid, onder a, geweigerd indien de aanvraag wordt gedaan door een reeds bestaand samenwerkingsverband;

  • 2.

    Onverminderd artikel 1.5 wordt subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.6.1, eerste lid, onder b, geweigerd indien de aanvraag wordt gedaan door een reeds bestaande samenwerking, tenzij de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd nieuw is voor een reeds bestaand samenwerkingsverband;

  • 3.

    Onverminderd artikel 1.5 wordt subsidie geweigerd voor activiteiten waarvoor steun is verstrekt op grond van titel 5.8 van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021’’

Q.

 

Artikel 2.6.9 luidende:

 

  • "1.

    De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.6.1, eerste lid, onder a, bedraagt 100% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 40.000.

  • 2.

    De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.6.1, eerste lid, onder b, bedraagt:

    • a.

      40% van de kosten voor investeringen als bedoeld in artikel 2.6.2, onder a;

    • b.

      100% van de kosten van investeringen, niet gericht op het watersysteem, als bedoeld in artikel 2.6.2 onder b;

    • c.

      70% van de kosten voor investeringen, gericht op het watersysteem, als bedoeld in artikel 2.6.2 onder b;

    • d.

      70% van de kosten voor investeringen, die alleen bijdragen aan waterkwantiteit, als bedoeld in artikel 2.6.2 onder c;

    • e.

      100% van de kosten voor investeringen, die niet alleen bijdragen aan waterkwantiteit, als bedoeld in artikel 2.6.2 onder c;

    • f.

      80% van de kosten voor kennisoverdrachtsactiviteiten als bedoeld in artikel 2.6.2, onder d;

    • g.

      100% van de kosten voor voorbereiding en uitvoering van ruilverkaveling als bedoeld in artikel 2.6.2, onder e;

    • h.

      100% van de kosten voor het ontwikkelen en beproeven van innovaties als bedoeld in artikel 2.6.2, onder f;

    • i.

      100% van de kosten voor draagvlakontwikkeling en samenwerkingsactiviteiten als bedoeld in artikel 2.6.2 onder h.

  • 3.

    De subsidie voor de kosten, genoemd in het tweede lid, onder f tot en met i, bedraagt maximaal 25% van de totale verstrekte subsidie.’’

Wordt gewijzigd in:

 

  • "1.

    De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.6.1, eerste lid, onder a, bedraagt 100% van de subsidiabele kosten;

  • 2.

    De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.6.1, eerste lid, onder b, bedraagt:

    • a.

      40% van de kosten voor investeringen als bedoeld in artikel 2.6.2, onder a;

    • b.

      100% van de kosten voor investeringen als bedoeld in artikel 2.6.2 onder b, die niet zijn gericht op het watersysteem;

    • c.

      70% van de kosten voor investeringen als bedoeld in artikel 2.6.2 onder b, die zijn gericht op het watersysteem;

    • d.

      100% van de kosten voor investeringen als bedoeld in artikel 2.6.2 onder c, die niet alleen bijdragen aan waterkwantiteit;

    • e.

      70% van de kosten voor investeringen als bedoeld in artikel 2.6.2 onder c, die alleen bijdragen aan waterkwantiteit;

    • f.

      80% van de kosten voor kennisoverdrachtsactiviteiten als bedoeld in artikel 2.6.2, onder d;

    • g.

      100% van de kosten voor voorbereiding en uitvoering van ruilverkaveling als bedoeld in artikel 2.6.2, onder e;

    • h.

      100% van de kosten voor het ontwikkelen of beproeven van innovaties als bedoeld in artikel 2.6.2, onder f;

    • i.

      100% van de kosten voor draagvlakontwikkeling en samenwerkingsactiviteiten als bedoeld in artikel 2.6.2 onder g.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid, onder h, bedraagt de subsidie 40% van de kosten voor investeringen in bedrijfsmiddelen indien deze deel uitmaken van het ontwikkelen of beproeven van innovaties als bedoeld in artikel 2.6.2, onder f;

  • 4.

    De subsidie voor de som van de kosten bedoeld in het tweede lid, onder g of i, bedraagt maximaal 25% van de totale subsidie.’’

Artikel II Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst.

Maastricht, 1 juli 2025

Gedeputeerde Staten voornoemd,

de voorzitter,

E.G.M. Roemer

de secretaris,

D. Timmer

Toelichting Wijzigingsbesluit Verordening Europese Landbouwsubsidies 2023-2027 Provincie Limburg

Onderdeel A

 

Artikel 1.1

 

In de Verordening Europese Landbouwsubsidies 2023-2027 Limburg ontbrak een begripsbepaling voor de termen productieve investeringen en niet-productieve investeringen. Aangezien het wenselijk is een term te definiëren die op diverse plekken voorkomt, zijn deze begrippen aan het artikel toegevoegd. De begripsbepaling ‘niet-productieve investeringen’ is identiek aan die in artikel 2, punt 39, van Verordening 2022/24721. De begripsbepaling ‘productieve investeringen’ is ontleend aan randnummer 16 van de preambule van Verordening 2021/10562.

 

Onderdelen B en C

 

Artikelen 1.9b en 1.10

 

De aanpassing in artikel 1.9b zorgt ervoor dat deze bepaling hetzelfde is opgebouwd als artikel 1.3a van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021. De aanpassing in artikel 1.10 zorgt ervoor dat deze naar het actuele Financieel Reglement verwijst, en niet naar het vorige. Inhoudelijk wijzigt er niets in deze artikelen.

 

Onderdeel D

 

De aanpassing in artikel 1.11 zorgt ervoor dat de Verordening dezelfde opbouw kent als de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021.

 

Onderdeel E

 

Artikel 1.12

 

De aanpassing in het zesde lid zorgt ervoor dat een loting alleen plaatsvindt als door toekenning van de aanvragen het subsidieplafond wordt overschreden. Volgens de eerdere tekst moest altijd worden geloot wanneer aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen. Dat is een overbodige administratieve last in het geval er genoeg budget is om de betreffende aanvragen toe te kennen.

 

Onderdeel F

 

Artikel 1.15

 

Op grond van artikel 1.15, vierde lid, onder c, is de subsidieontvanger, kort gezegd, verplicht een urenadministratie bij te houden. Deze verplichting past niet bij een project waarin de subsidiabele kosten worden berekend met de vereenvoudigde kostenoptie voor arbeidskosten (artikel 1.9b). Daarom is in het zevende lid expliciet opgenomen dat de verplichting uit het vierde lid, onder c, in die situatie niet van toepassing is.

 

Onderdeel G

 

Artikel 2.2.4

 

Voor investeringen in agroforestry en in waterbeheervoorzieningen ter verlaging van risico’s van verontreiniging van oppervlaktewater door erfspoeling zijn in de eerste openstelling te weinig aanvragen gedaan.

 

Bij agroforestry gaat het om landbouwsystemen en -praktijken die houtige meerjarige planten, te weten bomen en struiken, bewust combineren op hetzelfde stuk land waar ook andere landbouwgewassen worden geteeld of veehouderij plaatsvindt, waardoor een ecologische en economische wisselwerking plaats tussen houtige en niet-houtige onderdelen van landbouwsystemen.

 

Het steunpercentage (40% van de subsidiabele kosten van de productieve investering) had bij deze investeringen te weinig effect op potentiële aanvragers. Daarom is het Nederlands Nationaal Strategisch Plan GLB 2023-2027 (hierna: NSP) aangepast. Voor deze twee investeringen kunnen Gedeputeerde Staten in het openstellingsbesluit bepalen dat het steunpercentage 70% bedraagt, dan wel 80% bij jonge landbouwers. Hierdoor wordt het voor landbouwers aantrekkelijker investeringen te doen in agroforestry of in waterbeheervoorzieningen ter verlaging van risico’s van verontreiniging van oppervlaktewater door erfspoeling.

Hierbij geldt dat Gedeputeerde Staten in het openstellingsbesluit aangeven voor welke specifieke categorieën uit de investeringslijst dit verhoogde steunpercentage geldt.

 

Onderdelen H en I

 

Artikelen 2.3.2 en 2.3.3

 

Artikel 2.3.2

De eerste openstellingen voor paragraaf 3 hadden een beperkt resultaat. Om het effect van deze interventie te verhogen, is het NSP aangepast. Hierbij is rekening gehouden met de omstandigheid dat niet-productieve investeringen op landbouwbedrijven vaak collectief worden gedaan.

 

Het aantal categorieën van aanvragers is hierdoor uitgebreid van twee naar vijf. Naast landbouwers en samenwerkingsverbanden van landbouwers kunnen de volgende categorieën aanvragers een aanvraag doen:

  • -

    agrarisch collectieven;

  • -

    landbouworganisaties; en

  • -

    organisaties voor landschapsbeheer.

Bij agrarisch collectieven gaat het primair om de collectieven die de subsidies voor agrarisch natuurbeheer uit het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL) uitvoeren. Dit laat onverlet dat ook partijen die niet bij het SNL betrokken zijn een collectief kunnen oprichten. Bij landbouworganisaties en organisaties voor landschapsbeheer gaat het om organisaties die respectievelijk de sociale belangen van ondernemers in de agrarische sector behartigen, en die gericht zijn op het beheer van natuur of landschap.

 

Artikel 2.3.3, derde lid

Om te kunnen toetsen of een aanvrager een agrarisch collectief, landbouworganisatie of organisatie voor landschapsbeheer is, stuurt de aanvrager de statuten mee met de aanvraag. Het gaat bij een landbouworganisatie of organisatie voor landschapsbeheer dan ook om rechtspersonen.

 

Onderdelen J, K, L en M

 

Artikelen 2.5.1, 2.5.4, 2.5.11 en 2.5.12

 

De term ‘GVE’ vervalt in artikel 2.5.1, net als de eis het verwachte aandeel GVE op te geven in de artikelen 2.5.4, 2.5.11 en 2.5.12. De reden hiervoor is dat het bij nader inzien niet noodzakelijk is hierover aan de Europese Commissie te kunnen rapporteren.

 

Onderdelen N en P

 

Artikelen 2.6.4 en 2.6.6

 

Artikel 2.6.4, eerste lid

In het eerste lid is verduidelijkt dat de eis aan het samenwerkingsverband (tenminste twee actoren, waarvan tenminste één landbouwer) geldt voor een samenwerkingsverband dat de subsidie aanvraagt voor het in samenwerking uitvoeren van een integraal gebiedsplan.

 

Artikel 2.6.6, tweede lid

De aanpassing van ‘het reeds bestaand samenwerkingsverband’ door ‘een reeds bestaand samenwerkingsverband’ betreft een cosmetische aanpassing die tevens verduidelijkt dat deze eis geldt voor elk denkbaar bestaand samenwerkingsverband.

 

Onderdelen O en Q

 

Artikelen 2.6.5 en 2.6.9

 

Artikel 2.6.9 is op diverse plekken gewijzigd. Dit heeft tot gevolg dat aan artikel 2.6.5, tweede lid, een onderdeel is toegevoegd.

De aanpassingen in het eerste en zesde onderdeel vloeien voort uit een aanpassing van het NSP. De aanpassingen in het tweede tot en met vijfde onderdeel dienen ter verduidelijking van de regelingstekst.

De aanpassingen staan hieronder achter het onderdeel uit de wijziging.

 

Aanpassingen vanwege aangepast NSP:

  • 1.

    De subsidie van maximaal € 40.000 voor de voorbereidende activiteiten bleek voor grotere gebiedsplannen te laag. Daarom is dit maximum geschrapt.

  • 6.

    De hoogte van de subsidie voor een project bedraagt de optelsom van de per product of activiteit, bepaalde respectievelijk berekende bedragen, waarbij de kosten voor draagvlakontwikkeling en samenwerking en voor de voorbereiding en uitvoering van ruilverkaveling niet meer mogen bedragen dan 25% van de totale subsidie. Het gaat hierbij om activiteiten als coördinatie, planvorming, monitoring en het intekenen van percelen en landschapselementen.

In de regeling hoorden de kosten voor kennisoverdracht en innovatie eerder tot dit maximum van 25%. Kennisoverdracht en innovatie bleken vaak een belangrijk onderdeel van de gebiedsplannen (bijvoorbeeld kennis over voer- en managementmaatregelen die bijdragen aan de doelen in het gebied). Daarom past het beter om deze kosten niet langer onder het maximum van 25% te laten vallen. Dit maximum geldt zowel bij de aanvraag om verlening als bij vaststelling. In artikel 2.6.5, tweede lid, onder i, is toegevoegd dat uit de toelichting op de begroting moet blijken dat de subsidie voor deze kosten maximaal 25% van de totale subsidie bedraagt. Als een aanvraag hieraan niet voldoet, wordt deze afgewezen. Dit op basis van de weigeringsgrond in artikel 1.5, onder h. Bij de vaststelling volgt een correctie als de begunstigde de kosten een aanvraag tot vaststelling doet die niet voldoet aan de kostenverdeling uit artikel 2.6.9, derde lid.

 

Verduidelijkingen:

  • 2.

    Tweede lid, onderdelen b tot en met e: Dit betreft cosmetische aanpassingen, zoals ‘investeringen voor’ in plaats van ‘investeringen van’.

  • 3.

    Tweede lid, onderdeel h: In de tekst stond ‘het ontwikkelen en beproeven van innovaties’, terwijl ‘het ontwikkelen of beproeven van innovaties’ eveneens onder de paragraaf past. Dit is aangepast.

  • 4.

    Dit betreft de aanpassing van een verschrijving: er is geen artikel 2.6.2, onderdeel h. Wel een onderdeel g.

  • 5.

    De kosten voor het ontwikkelen en beproeven van innovaties als bedoeld in artikel 2.6.2, onder f, kunnen kosten voor investeringen in bedrijfsmiddelen omvatten. Deze investeringen zijn voor 40% subsidiabel. En dus niet, zoals de overige kosten voor het ontwikkelen en beproeven van innovaties, voor 100%. Dit is in het nieuwe derde lid expliciet vastgelegd.

 

 

 

 

 

 

Naar boven