Regeling van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant van 1 juli 2025 tot wijziging van de regeling Europese Landbouwsubsidies 2023-2027 Noord-Brabant in verband met enkele wijzigingen in hoofdstuk 1 en hoofdstuk 2, paragraaf 6 (achtste wijziging regeling Europese Landbouwsubsidies 2023-2027 Noord-Brabant)

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant;

 

Gelet op artikel 2 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;

 

Overwegende dat het wenselijk is de regeling Europese Landbouwsubsidies 2023-2027 Noord-Brabant te wijzigen in verband met enkele wijzigingen in hoofdstuk 1 en paragraaf 6;

 

Besluiten vast te stellen de volgende regeling:

Artikel I Wijziging regeling Europese Landbouwsubsidies 2023-2027 Noord-Brabant

De regeling Europese Landbouwsubsidies 2023-2027 Noord-Brabant wordt als volgt gewijzigd:

 

A.

 

Artikel 1.1 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1.

    In de alfabetische volgorde worden de volgende begripsbepalingen ingevoegd:

    niet-productieve investering: investering die niet leidt tot een aanzienlijke stijging van de waarde of de rentabiliteit van het bedrijf;

    productieve investering: investering in vaste activa of immateriële activa van ondernemingen met het oog op de productie van goederen en diensten, waardoor wordt bijgedragen tot de vorming van brutokapitaal en het scheppen van werkgelegenheid;

  • 2.

    In de alfabetische volgorde vervalt de begripsbepaling 'verordening 2018/1046'.

B.

 

Aan artikel 1.9b, eerste lid, wordt toegevoegd ', onder de voorwaarden, genoemd in artikel 55, eerste lid, van verordening 2021/1060'.

 

C.

 

In artikel 1.10, onderdeel g, wordt 'Verordening (EU) 2018/1046' vervangen door 'Verordening (EU) 2024/2509 van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (PbEU L 2024/2509)'.

 

D.

 

In artikel 1.11 wordt 'de toepasselijke interventie' vervangen door 'de toepasselijke Europese verordeningen'.

 

E.

 

In artikel 1.12, zesde lid, wordt na 'op een gelijk puntenaantal eindigen' ingevoegd ', en het plafond met toekenning van deze aanvragen zou worden overschreden'.

 

F.

 

In artikel 1.15 wordt, onder vernummering van het vijfde en zesde lid tot zesde en zevende lid, een lid ingevoegd, luidende:

  • 5.

    De verplichting bedoeld in het vierde lid, onder d, is niet van toepassing indien de subsidieverlening mede is gebaseerd op het gebruik van de vereenvoudigde kostenoptie bedoeld in artikel 1.9b.

G.

 

Artikel 2.6.4 wordt als volgt gewijzigd:

 

  • 1.

    In het eerste lid wordt 'als bedoeld in artikel 2.6.3' vervangen door 'als bedoeld in artikel 2.6.3, tweede lid'.

  • 2.

    In het tweede lid wordt 'tenminste één kennisaanbieder' vervangen door 'ten minste één kennisaanbieder'.

H.

 

Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel h door een puntkomma wordt aan artikel 2.6.5, tweede lid, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • i.

    een toelichting op de begroting bedoeld in artikel 1.6, tweede lid, onder b, waaruit blijkt dat de subsidie voor de kosten, genoemd in artikel 2.6.9, tweede lid, onder g of i, maximaal 25% van de totale subsidie bedraagt.

I.

 

Artikel 2.6.9 wordt als volgt gewijzigd:

 

  • 1.

    In het eerste lid vervalt 'tot een maximum van € 40.000'.

  • 2.

    In het vierde lid wordt 'tweede lid, onder f tot en met i, en het derde lid' vervangen door 'tweede lid, onder g of i'.

Artikel II Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst.

’s-Hertogenbosch, 1 juli 2025

Gedeputeerde Staten voornoemd,

de voorzitter,

mr. I.R. Adema

de secretaris,

drs. G.H.E. Derks MPA

Toelichting behorende bij de achtste wijziging regeling Europese Landbouwsubsidies 2023-2027 Noord-Brabant

Artikel I (Wijziging regeling Europese Landbouwsubsidies 2023-2027 Noord-Brabant)

 

Deze wijzigingsregeling betreft een aanpassing van de regeling Europese Landbouwsubsidies 2023-2027 Noord-Brabant (hierna: de regeling). De wijziging vloeit voort uit recente aanpassingen aan het interprovinciaal vastgestelde model. Met deze wijziging is de regeling in overeenstemming met dit model.

 

Hieronder worden de specifieke wijzigingen toegelicht.

 

Onder A, artikel 1.1

In de regeling ontbrak een begripsbepaling voor de termen productieve investeringen en niet-productieve investeringen. Aangezien het wenselijk is een term te definiëren die op diverse plekken voorkomt, zijn deze begrippen aan het artikel toegevoegd. De begripsbepaling ‘niet-productieve investeringen’ is identiek aan die in artikel 2, punt 39, van Verordening 2022/24721 . De begripsbepaling ‘productieve investeringen’ is ontleend aan randnummer 16 van de preambule van Verordening 2021/10562 .

 

Onder B en C, artikelen 1.9b en 1.10

De aanpassing in artikel 1.9b zorgt ervoor dat deze bepaling hetzelfde is opgebouwd als artikel 1.3a van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021. De aanpassing in artikel 1.10 zorgt ervoor dat deze naar het actuele Financieel Reglement verwijst, en niet naar het vorige. Inhoudelijk wijzigt er niets in deze artikelen.

 

Onder D, artikel 1.11

De aanpassing in artikel 1.11 zorgt ervoor dat de regeling dezelfde opbouw kent als de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021.

 

Onder E, artikel 1.12

De aanpassing in het zesde lid zorgt ervoor dat een loting alleen plaatsvindt als door toekenning van de aanvragen het subsidieplafond wordt overschreden. Volgens de eerdere tekst moest altijd worden geloot wanneer aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen. Dat is een overbodige administratieve last in het geval er genoeg budget is om de betreffende aanvragen toe te kennen.

 

Onder F, artikel 1.15

Op grond van artikel 1.15, vierde lid, onder d, is de subsidieontvanger, kort gezegd, verplicht een urenadministratie bij te houden. Deze verplichting past niet bij een project waarin de subsidiabele kosten worden berekend met de vereenvoudigde kostenoptie voor arbeidskosten (artikel 1.9b). Daarom is in het vijfde lid expliciet opgenomen dat de verplichting uit het vierde lid, onder c, in die situatie niet van toepassing is.

 

Onder G, artikel 2.6.4

In het eerste lid is verduidelijkt dat de eis aan het samenwerkingsverband (ten minste twee actoren, waarvan ten minste één landbouwer) geldt voor een samenwerkingsverband dat de subsidie aanvraagt voor het in samenwerking uitvoeren van een integraal gebiedsplan. De aanpassing in het tweede lid betreft de aanpassing van een verschrijving.

 

Onder H en I, artikelen 2.6.5 en 2.6.9

 

Artikel 2.6.9 is op twee plekken gewijzigd. Dit heeft tot gevolg dat aan artikel 2.6.5, tweede lid, een onderdeel is toegevoegd.

De aanpassingen vloeien voort uit een aanpassing van het NSP.

 

Artikel 2.6.9, eerste lid:

De subsidie van maximaal € 40.000 voor de voorbereidende activiteiten bleek voor grotere gebiedsplannen te laag. Daarom is dit maximum geschrapt.

 

Artikel 2.6.9, vierde lid:

De hoogte van de subsidie voor een project bedraagt de optelsom van de per product of activiteit, bepaalde respectievelijk berekende bedragen. Daarbij geldt dat de kosten voor draagvlakontwikkeling en samenwerking en voor de voorbereiding en uitvoering van ruilverkaveling niet meer mogen bedragen dan 25% van de totale subsidie. Het gaat bij draagvlakontwikkeling en voorbereiding en uitvoering van ruilverkaveling om activiteiten als coördinatie, planvorming, monitoring en het intekenen van percelen en landschapselementen.

 

In de regeling hoorden de kosten voor kennisoverdracht en innovatie eerder tot dit maximum van 25%. Kennisoverdracht en innovatie bleken vaak een belangrijk onderdeel van de gebiedsplannen (bijvoorbeeld kennis over voer- en managementmaatregelen die bijdragen aan de doelen in het gebied). Daarom past het beter om deze kosten niet langer onder het maximum van 25% te laten vallen. Dit maximum geldt zowel bij de aanvraag om verlening als bij vaststelling. In artikel 2.6.5, tweede lid, onder i, is toegevoegd dat uit de toelichting op de begroting moet blijken dat de subsidie voor deze kosten (draagvlakontwikkeling, voorbereiding en uitvoering van ruilverkaveling) maximaal 25% van de totale subsidie bedraagt. Als een aanvraag hieraan niet voldoet, wordt deze afgewezen. Dit op basis van de weigeringsgrond in artikel 1.5, onder h. Bij de vaststelling volgt een correctie als de begunstigde een aanvraag tot vaststelling doet die niet voldoet aan de kostenverdeling uit artikel 2.6.9, vierde lid.

 

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

 

de voorzitter,

mr. I.R. Adema

 

de secretaris,

drs. G.H.E. Derks MPA

Naar boven