Provinciaal blad van Fryslân
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Fryslân | Provinciaal blad 2024, 7152 | andere beschikking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Fryslân | Provinciaal blad 2024, 7152 | andere beschikking |
Revisievergunning Ecopark de Wierde aan de Dolten 11 te Heerenveen
Op 8 juli 2021 is een aanvraag voor een omgevingsvergunning ontvangen van Omrin. Het betreft een nieuwe, de gehele inrichting omvattende omgevingsvergunning (revisievergunning) voor Ecopark De Wierde aan De Dolten 11 te Heerenveen. De aanvraag heeft betrekking op de gehele inrichting en zal de eerder verleende omgevingsvergunningen voor deze locatie vervangen.
De voornaamste wijzigingen ten opzichte van de eerder vergunde situatie betreffen het verhogen van de stortplaats van 24 meter naar 29 meter en een uitbreiding van het terrein aan de oostzijde. De aanvraag heeft betrekking op De Dolten 11 te Heerenveen. De aanvraag is geregistreerd onder nummer 2021-FUMO-0055029 en olo nr. 5225673.
Wij besluiten, gezien de overwegingen die zijn opgenomen in deze vergunning en gelet op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de daarop betrekking hebbende uitvoeringsbesluiten en -regelingen, aan Omrin een (omgevings)vergunning:
op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, juncto artikel 2.6 van de Wabo te weigeren voor zover de vergunning betrekking heeft op het verwerken van biologisch afbreekbaar keuken- en kantineafval (euralcode 200108), biologisch afbreekbaar afval (euralcode 200201) en spijsolie en -vetten (euralcode 200125) in de scheidings- en vergistingsinstallatie;
Namens het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân,
Afdelingshoofd Vergunningverlening en Specialistisch Advies
T.a.v. afdeling Risicobeheersing
Inspectie Leefomgeving en Transport
1.1 Terrein van de inrichting en toegankelijkheid
Gebouwen, installaties en opslagvoorzieningen moeten altijd goed bereikbaar zijn voor alle voertuigen die in geval van calamiteiten toegang tot de inrichting/installatie moeten hebben. Binnen of nabij de installaties mogen geen andere goederen of stoffen worden opgeslagen dan die welke voor het proces nodig zijn of daardoor zijn verkregen, met uitzondering van brandbestrijdingsmiddelen.
De vergunninghouder moet de binnen de inrichting (tijdelijk) werkzame personen instrueren over de voor hen van toepassing zijnde voorschriften van deze vergunning en de van toepassing zijnde veiligheidsmaatregelen. Tijdens het in bedrijf zijn van installaties die in geval van storingen of onregelmatigheden kunnen leiden tot nadelige gevolgen voor het milieu, moet steeds voldoende, kundig personeel aanwezig zijn om in voorkomende gevallen te kunnen ingrijpen.
1.3 Melding contactpersoon en wijziging vergunninghouder
De vergunninghouder moet direct nadat de vergunning in werking is getreden schriftelijk naam en telefoonnummer opgeven aan het het bevoegd gezag van degene (en van diens plaatsvervanger) met wie in spoedeisende gevallen, ook buiten normale werktijden, contact kan worden opgenomen. Als deze gegevens wijzigen moet dit vooraf onder vermelding van de wijzigingsdatum schriftelijk worden gemeld aan het het bevoegd gezag.
Binnen de inrichting is een exemplaar van deze vergunning (inclusief aanvraag) met bijbehorende voorschriften aanwezig. Verder zijn binnen de inrichting de volgende documenten aanwezig:
een opgave van de datum, de duur, de aard en wijze van beperken of ongedaan maken van de gevolgen van alle storingen en calamiteiten die zich voordoen en milieubelasting veroorzaken; tevens dient hierbij de datum waarop de gevolgen van de storingen en calamiteiten zijn beperkt of ongedaan zijn gemaakt en de naam van de uitvoerende instantie/persoon te worden aangegeven;
Onderhoudswerkzaamheden waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen dat deze buiten de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, dan wel dat hiervan in de omgeving meer nadelige gevolgen voor het milieu worden ondervonden dan uit de normale bedrijfsvoering voortvloeit, moeten ten minste 3 dagen voor de aanvang van de uitvoering aan het het bevoegd gezag worden gemeld.
1.5 Inspectie, keuringen en onderhoud
Door middel van regelmatige interne (apparaat-) inspecties en/of testen moet het naar behoren functioneren van alle installaties en voorzieningen worden gecontroleerd, waarbij de bevindingen schriftelijk moeten worden vastgelegd. Onder bevindingen wordt ook verstaan het uitvoeren van reparaties, verbeteringen en geconstateerde afwijkingen. De frequentie van het uitvoeren van (apparaat)inspecties en/of testen moet schriftelijk zijn vastgelegd. De vergunninghouder moet de frequentie van onderhoud/inspectie aanpassen als de bevindingen daartoe aanleiding geven. Deze registratie moet in de inrichting aanwezig zijn.
De wijze waarop de vergunninghouder het gestelde in voorgaand voorschrift waarborgt, moet hij vastleggen in een daartoe te ontwikkelen organisatorisch systeem met betrekking tot het beheer van de installaties (onderhoudsmanagementsysteem). De beschrijving van het onderhoudsmanagementsysteem (op hoofdlijnen) moet worden overgelegd aan het bevoegd gezag. Installaties moeten zijn onderverdeeld in objecten en voor elk object moet een uitvoeringsmethode worden opgesteld m.b.t. onderhoud, inspectie en/of testen. Deze uitvoeringsmethoden moeten mede zijn gebaseerd op analyses van de kans op en de gevolgen van eventueel falen. Verslaglegging (schriftelijk) en terugkoppeling moeten onderdeel zijn van het systeem. Uiterlijk twaalf maanden na het in gebruik nemen van de installaties moet dit systeem volledig operationeel zijn.
Bij het geheel of gedeeltelijk beëindigen van de activiteiten binnen de inrichting moeten alle aanwezige stoffen en materialen, die uitsluitend aanwezig zijn vanwege de – te beëindigen- activiteiten, door of namens vergunninghouder op milieuhygiënisch verantwoorde wijze in overleg met het het bevoegd gezag worden verwijderd.
Van het structureel buiten werking stellen van (delen van) installaties en/of beëindigen van (een van de) activiteiten moet het het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk op de hoogte worden gesteld. Installaties of delen van installaties die structureel buiten werking zijn gesteld en nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, moeten in overleg met het het bevoegd gezag worden verwijderd tenzij de (delen van de) installaties in een zodanige staat van onderhoud worden gehouden dat de nadelige gevolgen niet kunnen optreden.
Vergunninghouder mag - mits hiervoor vooraf schriftelijk goedkeuring is verleend door het het bevoegd gezag en bij wijze van proef - andere dan in deze vergunning opgenomen technische installaties en/of alternatieve grond-, hulp-, of brandstoffen toepassen dan wel andere afvalstoffen verwerken. Goedkeuring wordt slechts verleend indien de proefneming noodzakelijk is om informatie te vergaren over de technische haalbaarheid van de andere toepassing en deze informatie niet op een andere wijze kan worden verkregen.
Het bevoegd gezag kan naar aanleiding van een onderzoeksopzet goedkeuring onthouden dan wel nadere eisen stellen aan de proefneming. Deze nadere eisen kunnen een beperking van duur of een beperking van de bij de proefnemingen te verwerken hoeveelheid materiaal betekenen. Tevens kunnen nadere eisen gesteld worden aan de milieuhygiënische randvoorwaarden van de proefnemingen.
Proefnemingen met alternatieve afvalstoffen
In afwijking van het gestelde in de aanvraag en de voorschriften, mogen afvalstoffen die niet aan de ingevolge de aanvraag en deze voorschriften geldende acceptatiecriteria voldoen, bij wijze van proef worden be- of verwerkt, mits, voordat deze afvalstoffen worden aangevoerd, hiervoor schriftelijk toestemming is verleend door het bevoegd gezag.
Proefnemingen met meer hoogwaardige technieken (afvalstoffen)
De op- en overslag en het transport van afvalstoffen moeten zodanig plaatsvinden dat zich geen afval in of buiten de inrichting kan verspreiden. Mocht onverhoopt toch verontreiniging buiten de inrichting plaatsvinden, dan moeten direct maatregelen worden getroffen om deze verontreiniging te verwijderen.
Verder dient vergunninghouder het zwerfvuil van afval bestemd voor Ecopark De Wierde in de directe omgeving van de inrichting regelmatig te verwijderen conform de wijze als beschreven in de vergunningaanvraag.
De verpakking van gevaarlijk afval moet zodanig zijn dat:
De termijn van opslag van afvalstoffen mag maximaal één jaar bedragen. In afwijking hiervan mag de termijn van opslag van afvalstoffen maximaal drie jaar bedragen indien de vergunninghouder aan het het bevoegd gezag heeft aangetoond dat de opslag van afvalstoffen gevolgd wordt door nuttige toepassing van afvalstoffen.
2.2 Acceptatie van afvalstoffen
De bijbehorende euralcodes zijn te vinden in de bijlage Afvalstoffenregister van 25-07-2022 behorend bij deze aanvraag
Van het bij de aanvraag gevoegde A&V-beleid moet voor alle euralcodes in het Afvalstoffenregister de samenhang tussen de verschilende onderdelen van het A&V-beleid (Afvalregister, beslisboom, Acceptatie-en Verwerkingsbeleid en de Niet Technische Samenvatting) worden nagegaan. Gecontroleerd moet worden of de onderdelen voor alle euralcodes een sluitend geheel vormen. Zonodig moet het A&V-beleid worden aangevuld of gewijzigd.
Het bij de aanvraag gevoegde A&V-beleid moet met de volgende onderdelen worden aangevuld:
A&V-beleid: de aanvulling van de beschrijving onder 3.13 (Organische reststromen) zodanig dat duidelijk is dat de verwerking van slibben uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie in de vergistingsinstallatie alleen mag plaatvinden als de ontdoener heeft aangetoond dat recycling technisch niet mogelijk is of dat de kosten voor afgifte van deze partijen aan de poort van de verwerker door de ontdoener meer zouden bedragen dan € 205,-/ton;
Wijzigingen van de procedure voor acceptatie, be- en verwerking, registratie of controle en wijzigingen in het afvalstoffenregistermoeten, ter bepaling van de procedure die in relatie tot de aard van de wijziging is vereist, schriftelijk aan het bevoegd gezag worden voorgelegd. In het voornemen tot wijziging moet het volgende aangegeven worden:
Pas na beoordeling/goedkeuring van het bevoegd gezag mag de wijziging doorgevoerd. worden.
* De aangeven tonnages voor de aanvoer van ONF derden en organische reststromen naar de scheidings- en vergistingsinstallatie zijn onderling uitwisselbaar en uitwisselbaar met de tonnages van ONF uit de scheidingsinstallatie.
Indien de afzet van de opgeslagen afvalstoffen stagneert, geeft de vergunninghouder dit onverwijld schriftelijk te kennen aan het bevoegd gezag. Deze mededeling bevat ten minste gegevens over de oorzaak van de stagnatie en de verwachte tijdsduur, alsmede de maatregelen die worden genomen om de stagnatie op te heffen, respectievelijk in de toekomst te voorkomen.
Op het terrein van de inrichting moeten opslagvoorzieningen worden aangebracht, waarin afvalstoffen tijdelijk kunnen worden opgeslagen indien nader onderzoek noodzakelijk is, alvorens overgegaan kan worden tot verwerking van deze afvalstoffen. De voorziening waarin afvalstoffen worden opgeslagen, dient te worden afgezeild of op een andere wijze doeltreffend te worden afgesloten.
In geval van noodsituaties of calamiteiten kan het bevoegd gezag in het belang van een milieuhygiënisch verantwoorde verwijdering van afvalstoffen een aanwijzing geven op grond waarvan vergunninghouder tijdelijk de in de aanwijzing aangeduide afvalstoffen moet accepteren en verwerken. De aanwijzing zal zich daarbij maximaal uitstrekken tot de afvalstoffen die ingevolge deze vergunning geaccepteerd mogen worden.
Indien vergunninghouder niet alle fracties zoals genoemd in vorig voorschrift kan uitsorteren, moet de overgebleven afvalstroom afgevoerd worden naar een inrichting waar de nog niet verwijderde fracties alsnog uitgesorteerd worden. Dit moet blijken uit een schriftelijke overeenkomst met de betreffende vergunninghouder.
Ad c: Indien de aangevoerde afvalstoffen worden verkregen door route-inzameling, kan bij de registratie van naam en adres van de locatie van herkomst worden volstaan met "diverse locaties".
Indien de afvalstoffen worden aangevoerd door een inzamelaar (niet zijnde de vergunninghouder) met toepassing van de inzamelaarsregeling, moet de locatie van herkomst worden aangegeven zoals deze moet worden vermeld op de begeleidingsbrief.
Ad d: Indien de aangevoerde afvalstoffen worden verkregen door route-inzameling of via de inzamelaarsregeling, wordt met de ontdoener de inzamelaar bedoeld.
Ten behoeve van de registratie als bedoeld in dit hoofdstuk moet een registratiepost aanwezig zijn. De hoeveelheden die op grond van dit hoofdstuk moeten worden geregistreerd, moeten worden bepaald door middel van een binnen de inrichting aanwezige weegvoorziening. De weegvoorziening(en) waarvan gebruik wordt gemaakt, moet(en) overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften van het Nederlands Meetinstituut zijn geijkt. Op aanvraag moeten geldige certificaten van weegvoorziening(en) aan het het bevoegd gezag ter inzage worden gegeven.
Binnen één maand na ieder kalenderjaar moet ter afsluiting van dit kalenderjaar een inventarisatie plaatsvinden van de in de inrichting op de laatste dag van het jaar aanwezige voorraad afvalstoffen. Deze gegevens moeten in een rapportage worden vastgelegd. Op verzoek moet deze rapportage aansluitend worden verzonden aan het bevoegd gezag. In de rapportage moet het volgende worden geregistreerd:
2.6 Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS)
Binnen 3 maanden na inwerkingtreding van deze vergunning moet voor wat betreft de in de inrichting te accepteren categorieën afvalstoffen een plan van aanpak zijn opgesteld en ter goedkeuring zijn voorgelegd aan het bevoegd gezag. In het plan van aanpak moet door vergunninghouder zijn uitgewerkt hoe op continue basis wordt gestreefd naar het zo goed mogelijk in beeld brengen en houden van (veranderingen in) de ZZS-samenstelling van ZZS-bevattende afvalstoffen. In het plan van aanpak moeten minimaal de volgende onderzoeksvragen per relevante (mogelijk ZZS-houdende) afvalstroom per Euralcode worden beantwoord en gemotiveerd:
Indien het technisch en economisch mogelijk is (al dan niet door derden) om de in een geaccepteerde partij afvalstoffen aanwezige ZZS hieruit te vernietigen of af te scheiden en de afvalstof dan zonder ZZS of met een heel laag gehalte ervan alsnog voor recycling of nuttige toepassing in te zetten, is het mengen van deze ZZS-houdende partij afvalstoffen zonder deze reinigingsstap (al dan niet door derden) niet toegestaan.
3.1.1 Vergunninghouder dient uiterlijk 31 december 2024 en vervolgens elke vier jaar vóór 31 december de rapportage van een energieonderzoek ter goedkeuring in bij het bevoegd gezag. Het energieonderzoek heeft tot doel om de rendabele en technisch haalbare energie-efficiënte maatregelen te identificeren. De rapportage van het onderzoek moet de volgende gegevens bevatten:
voor de hierboven onder b. bedoelde individuele installaties en (deel)processen, de relevante uitgaande energiestromen en de intern hergebruikte energiestromen: een overzicht van alle maatregelen (technieken en voorzieningen) die in de branche als beste beschikbare techniek kunnen worden beschouwd en mogelijk rendabel zijn. Als er dergelijke maatregelen zijn, die niet zijn onderzocht, dan wordt de reden daarvan in de rapportage gemotiveerd.
Per maatregel wordt een berekening van de terugverdientijd opgesteld volgens de methodiek zoals beschreven in bijlage 10a van de Activiteitenregeling milieubeheer, tenzij vergunninghouder onderbouwt waarom het niet noodzakelijk is om voor deze maatregel een terugverdientijd te bepalen. Op basis van deze berekening wordt per maatregel de conclusie getrokken dat de maatregel rendabel of niet rendabel is;
Toelichting bij het energieonderzoek:
Voor de rapportage van dit onderzoek kan waar mogelijk gebruik worden gemaakt van actuele informatie en gegevens uit de rapportage in het kader van de EED en/of andere energie-rapportages. Met uw deelname of betrokkenheid bij dergelijke initiatieven op het gebied van energie en duurzaamheid, kan vergunninghouder mogelijk deels invulling geven aan het gevraagde energieonderzoek.
Vergunninghouder mag een maatregel uit het energie-uitvoeringsplan vervangen door een gelijkwaardig alternatief, op voorwaarde dat de gelijkwaardigheid in het energiedeel van het milieujaarverslag of anderszins richting het bevoegd gezag wordt gemotiveerd. Onder gelijkwaardig wordt verstaan dat de alternatieve maatregel minstens evenveel bijdraagt aan de verbetering van de energie-efficiëntie en geen stijging geeft van de milieubelasting ten opzichte van de te vervangen maatregel.
Bij het nemen van energierelevante investeringsbeslissingen moet vergunninghouder energiezuinigere alternatieven onderzoeken, tenzij deze beslissing betrekking heeft op maatregelen die al in het energieonderzoek zijn opgenomen. Indien een energiezuiniger alternatief in vijf jaar of korter terug te verdienen is, moet voor dat alternatief gekozen worden. De gemaakte keuzes moeten worden gemeld en onderbouwd in de jaarlijkse rapportage, zoals beschreven in voorschrift 3.1.9.
4.1 Representatieve bedrijfssituatie
Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan:
De ligging van de beoordelingspunten is aangegeven in bijlage 3 “ligging beoordelingspunten”.
De beoordelingshoogte voor de dag-, avond- en nachtperiode is 5 meter.
Het maximale geluidsniveau LAmax veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan:
De ligging van de beoordelingspunten is aangegeven in bijlage 3 “ligging beoordelingspunten”.
De beoordelingshoogte voor de dag-, avond- en nachtperiode is 5 meter.
In afwijking van voorschrift 4.1.1 mag op zondagen het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan:
De ligging van de beoordelingspunten is aangegeven in bijlage 3 “ligging beoordelingspunten”.
De beoordelingshoogte voor de dag-, avond- en nachtperiode is 5 meter.
In afwijking van voorschrift 4.1.2 mag op zondagen het maximale geluidsniveau LAmax veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan:
De ligging van de beoordelingspunten is aangegeven in bijlage 3 “ligging beoordelingspunten”.
De beoordelingshoogte voor de dag-, avond- en nachtperiode is 5 meter.
Er moet een werkinstructie aanwezig zijn binnen de inrichting om de piekgeluiden (LAmax) in de avond en nacht onder controle te houden. Deze werkinstructie moet eenmaal in de twee maanden onder de aandacht worden gebracht bij personeel/chauffeurs van de vergunninghouder middels een briefing (mondeling).
Geurreducerende voorzieningen moeten voor de goede werking onder optimale condities in bedrijf worden gehouden. De voorzieningen moeten ten minste jaarlijks of zo vaak als nodig is, volgens een geurbeheerplan worden onderhouden en geïnspecteerd. Het geurfilter of geurfiltermateriaal in de voorziening moet zo vaak als voor een goede werking noodzakelijk is worden vervangen en gereinigd.
Tot het moment dat vergunninghouder beschikt over een goedgekeurd geurbeheersplan dient er op de volgende manier gehandeld te worden: Bij aanhoudende geurhinder en/of het slecht functioneren van installaties die gevolgen hebben op de geuremissie, moet onderzoek worden gedaan naar de mogelijkheid tot het treffen van (aanvullende) maatregelen. Voor zover relevant:
Ter voorkoming van diffuse emissie dienen de deuren van de scheidingshal, DANO-hal, de rekashal, de ONF-opslag, de WVI-hal en de KSI-hal voortdurend gesloten te zijn, behalve in geval van het doorlaten van personen of goederen. De werking van dit deurenregime dient zo vaak als nodig en ten minste dagelijks te worden gecontroleerd.
5.2.1 De geuremissies in Europese geureenheden (ouE) uit de volgende bronnen mogen per bron de waarden uit onderstaande tabel niet overschrijden:
Geuremissiemetingen moeten worden uitgevoerd volgens de NTA 9065 en de geldende norm (NEN-EN 13725). De resultaten van de metingen (en berekeningen) moeten worden gerapporteerd conform de NTA 9065 in Europese geureenheden (ouE). Het meetplan moet vooraf ter goedkeuring worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag moet in kennis gesteld worden om bij de geurmetingen aanwezig te kunnen zijn. Het onderzoek moet onder representatieve bedrijfsomstandigheden door een geaccrediteerde meetinstantie (monstername, analyse en debietmetingen) uitgevoerd worden. Resultaten van uitgevoerde onderzoeken moeten uiterlijk 2 maanden na uitvoering van het onderzoek aan het bevoegd gezag zijn gezonden.
6.1 Emissies van stoffen uit puntbronnen
6.1.1 De emissies uit de volgende bronnen mogen per puntbron de waarden uit onderstaande tabel niet overschrijden:
De concentratie van de componenten genoemd in het voorgaande voorschrift moet eenmaal per 6 maanden of volgens de in het door Gedeputeerde Staten goedgekeurde controleplan vastgestelde meetfrequentie worden vastgesteld. Uiterlijk drie maanden na de meting worden de resultaten van de emissiemetingen en de emissierelevante parameters (ERP’s) van de puntbronnen inclusief toetsing aan de geldende emissiegrenswaarden overgelegd aan het bevoegd gezag. De emissiemetingen moeten worden uitgevoerd met genormaliseerde meetmethoden zoals vermeld in bijlage 2 “Luchtmetingen”.
De stofreducerende voorzieningen moeten voor de goede werking onder optimale condities in bedrijf worden gehouden en ten minste eens per half jaar of zo vaak als nodig is volgens het controleplan worden onderhouden en geïnspecteerd. Het filter of filtermateriaal in de voorziening moet zo vaak als voor een goede werking noodzakelijk is worden vervangen en gereinigd.
Voor borging van de goede werking van de toegepaste stofreducerende voorzieningen zijn instructies en procedures beschikbaar, die de uitvoering van inspectie en onderhoud van deze installaties beschrijven. Deze instructies en procedures zijn vastgelegd in het controleplan. Vergunninghouder moet binnen 6 maanden na het in werking treden van deze vergunning het controleplan ter goedkeuring indienen bij het bevoegd gezag. Het controleplan moet ten minste aangeven:
Het uitvoeren van periodieke metingen en parallelmetingen geschiedt door een rechtspersoon die voor deze verrichtingen geaccrediteerd is door een accreditatie-instantie. Indien de metingen worden verricht door een niet-geaccrediteerde instantie, moet vooraf instemming zijn verkregen van het bevoegd gezag. De kwaliteit moet dan op andere wijze aantoonbaar geborgd zijn. Het bevoegd gezag wordt ten minste twee weken van tevoren op de hoogte gesteld van de periode waarin een periodieke meting of een parallelmeting zal worden uitgevoerd.
Het zwavelgehalte (H2S + organische zwavelverbindingen) van in een wkk, stoomketel of fakkel te verbranden biogene gassen mag niet meer dan 0.0050% (50 ppm) bedragen. Indien deze waarde niet haalbaar is, kan worden volstaan met een zwavelverwijderingsrendement van ten minste 98% en een zwavelgehalte van maximaal 250 ppm.
Zo vaak als voor de goede werking van de fakkels en/of de stort- of biogasbenuttingsinstallatie is vereist, maar minimaal één maal per jaar, moet op representatieve wijze in de verzamelleiding van het systeem direct voor de fakkel en/of benuttingsinstallatie de samenstelling (met name methaan, koolstofdioxide, zuurstof, zwavel en gehalogeneerde koolwaterstoffen) van het stort- en biogas worden gemeten. De resultaten van de metingen dienen te worden geregistreerd en jaarlijks voor 1 juli te worden gerapporteerd aan het bevoegd gezag.
De onttrokken stortgassen en de biogassen afkomstig van de vergistingsinstallatie moeten, voor zover niet nuttig toegepast, worden verbrand in een affakkelinstallatie, die aan de navolgende eisen moet voldoen. Er geldt een uitzondering voor een tijdelijke fakkelinstallatie die uitsluitend in gebruik is tijdens onderhoudsbeurten en storingen:
Bedrijfsgegevens van het gasbehandelingssysteem moeten in dag- en maandrapporten worden vastgelegd en op verzoek aan het bevoegd gezag worden overgelegd. Deze gegevens dienen een duidelijk beeld te geven van de input (hoeveelheden stortgas en biogas uit de vergister), op welke wijze het gas wordt benut en de output (hoeveelheden elektriciteit, afvalstoffen, etc.) van de installatie, alsmede van het aantal bedrijfsuren, het brandstofverbruik en de verbrandingswaarde van de brandstoffen.
De registratie moet binnen de inrichting aanwezig zijn en moet op verzoek aan het bevoegd gezag worden getoond.
Deze paragraaf is van toepassing op diffuse stofemissies van op- en overslag, laden en lossen, transporteren en verwerking van niet-inerte vaste bulkgoederen, alsmede op diffuse stofemissies van de verwerking van inerte vaste bulkgoederen anders dan overslag, opslag, laden, lossen, transport, mengen en anders dan het zeven van zand.
Het tegengaan van stofverspreiding van opslagen en activiteiten in de buitenlucht dient plaats te vinden door:
indien voor het besproeien/benevelen van goederen een andere vloeistof wordt gebruikt dan water, mag uitsluitend gebruik worden gemaakt van een vloeistof die geen stankhinder, luchtvervuiling of bodemverontreiniging veroorzaakt. In dat geval moet er steeds voldoende geschikte vloeistof in de inrichting beschikbaar zijn. Besproeien met een andere vloeistof dan water moet vooraf aan het bevoegd gezag ter goedkeuring worden voorgelegd.
Gesloten uitvoering (silo’s/ bunkers/ hoppers/ containers)
Binnen de inrichting moet een zodanig goed werkende windsnelheidsmeter aanwezig zijn, dat een representatieve en kwartiergemiddelde windsnelheid kan worden gemeten en afgelezen. De windsnelheid moet continu gemeten en geregistreerd worden. De geregistreerde gegevens moeten ten minste drie achtereenvolgende jaren binnen de inrichting bewaard worden en op verzoek van het bevoegd gezag aan hem worden toegezonden.
Teneinde hinderlijke verspreiding van stof buiten de inrichting te voorkomen als gevolg van de transportactiviteiten, moet onmiddellijk kunnen worden voorzien in en - indien noodzakelijk - gebruik worden gemaakt van een veegmachine en/of sproeiwagen die, zo vaak als nodig is, het gedeelte van de inrichting waarop transportverkeer plaatsvindt, schoonveegt en/of besproeit met water.
Terreinverlichting moet op een dusdanige wijze zijn uitgevoerd dat er geen direct licht buiten de inrichting terecht komt. Hierbij dient gebruik gemaakt te worden van armaturen die aan de bovenzijde en rondom zijn afgeschermd, aan de onderzijde voorzien zijn van vlakglas en naar beneden zijn gericht.
8.3 Breken van bouw- en sloopafval
Aanvullend aan de gegevens die op basis van de voorschriften onder 2.5 dient in het registratiesysteem van alle aangevoerde afvalstoffen en van alle aangevoerde stoffen die bij de be- of verwerking van afvalstoffen worden gebruikt alsmede van alle interne afvalstromen, afgevoerde afvalstoffen en van alle afgevoerde stoffen die bij de be- of verwerking zijn ontstaan, het volgende te worden vermeld:
Bij de aan- en afvoer en het laden en lossen van bagger mag het terrein van de inrichting en de directe omgeving daarvan niet worden verontreinigd. De bagger moet in daartoe geschikte transportmiddelen zodanig worden getransporteerd dat verontreiniging van bodem, oppervlaktewater en/of grondwater niet kan optreden. Mocht onverhoopt toch verontreiniging van het terrein van de inrichting of directe omgeving plaatsvinden, dan moeten direct maatregelen worden getroffen om deze verontreiniging te verwijderen.
Alvorens de bagger in het depot wordt gebracht of na ontwatering in het depot, moet de bagger zijn ontdaan van andere afvalstoffen zoals hout, plastic en metalen. Deze afvalstoffen dienen te worden opgeslagen in (een) daartoe bestemde container(s) en zo spoedig als mogelijk binnen de inrichting te worden be- of verwerkt of te worden afgevoerd naar een daartoe vergunde be-/verwerker.
Bij het depot moet, gedurende de uren dat bagger wordt aan- of afgevoerd, ten minste één door de vergunninghouder aangewezen persoon aanwezig zijn. Voornoemde persoon moet onder andere belast zijn met het toezicht op de stortactiviteiten en op de hoogte zijn van de in deze vergunning vermelde voorschriften.
Onverhoopt aangetroffen asbest (of asbesthoudende producten) moet, tenzij dit door vorm of formaat niet mogelijk is, verpakt worden in niet luchtdoorlatende kunststofverpakking en moet in een speciaal voor de opslag van asbest en asbesthoudende producten ingerichte container worden opgeslagen of worden afgevoerd naar de stortplaats.
11.3 Samenvoegen grond of baggerspecie
Bij de aan- en afvoer en het laden en lossen van grond mag het terrein van de inrichting en de directe omgeving daarvan niet worden verontreinigd. De grond moet in daartoe geschikte transportmiddelen zodanig worden getransporteerd dat verontreiniging van bodem, oppervlaktewater en/of grondwater niet kan optreden. Mocht onverhoopt toch verontreiniging van het terrein van de inrichting of directe omgeving plaatsvinden, dan moeten direct maatregelen worden getroffen om deze verontreiniging te verwijderen.
Voor een gescheiden opslag van verschillende partijen verontreinigde grond en voor de verschillende te onderscheiden bodemkwaliteitsklassen aan gekwalificeerde grond, dient vergunninghouder tussen de in opslag genomen partijen een afstand van minstens een meter aan te houden of een fysieke scheidingswand te hebben aangebracht.
De vrijgekomen bodemvreemde materialen of afgezeefde stoffen, zoals bedoeld in de vorige voorschriften, dienen gescheiden te worden opgeslagen in daarvoor bestemde (vloeistofdichte) containers. Volle containers moeten direct en overeenkomstig de geldende wettelijke bepalingen worden afgevoerd, bewerkt of gestort.
12 BEWERKING VEEGVUIL, GRONDACHTIGE STROMEN EN RIOOL-, KOLKEN- EN GEMALENSLIB
13 REGIONAAL SORTEERCENTRUM VOOR AFGEDANKTE ELEKTRISCHE EN ELEKTRONISCHE APPARATUUR (AEEA)
Benzeenhoudende verontreinigde grond, baggerspecie en overige potentieel herbruikbare afvalstoffen dienen, behoudens aan- en afvoerbewegingen, steeds te zijn afgedekt met folie. Dit geldt niet indien deze afvalstoffen in het biologisch reinigingsbed aanwezig zijn, mits hierbij lucht uit de afvalstoffen wordt afgezogen en wordt afgevoerd via een actief koolfilter.
Benzeenhoudende grond, baggerspecie en overige potentieel herbruikbare afvalstoffen mogen niet worden gezeefd, gehydrocycloneerd en gemengd. Dit geldt niet indien deze afvalstoffen biologisch gereinigd zijn, mits hierbij lucht uit de afvalstoffen is afgezogen en is afgevoerd via een actief koolfilter.
De voorgaande twee voorschiften zijn niet van toepassing indien door vergunninghouder door middel van een onderzoek is aangetoond dat bij de handelingen waarop deze voorschriften betrekking hebben, geen (of verwaarloosbare) benzeenemissie zal optreden. Indien vergunninghouder een dergelijk onderzoek over wil leggen, dient/dienen:
Er dient regelmatig toezicht te worden gehouden op de toestand van de folie die over de benzeenhoudende verontreinigde grond, baggerspecie en overige potentieel herbruikbare afvalstoffen is gebracht. Indien de folie beschadigingen vertoont, dient de folie terstond te worden hersteld of te worden vervangen. Eventueel verwaaid of weggespoeld materiaal dient terstond te worden opgeruimd.
Voor iedere partij te verwerken afvalstoffen in de extractieve reinigingsinstallatie moet een verwerkingsreceptuur worden opgesteld, waarin is aangegeven op welke wijze de verwerking moet plaatsvinden en welke voorzieningen en maatregelen daarbij nodig zijn. Deze verwerkingsreceptuur dient te worden voorgelegd ter goedkeuring aan het bevoegd gezag vóór verwerking.
De binnen de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen mogen de hoeveelheden zoals opgenomen in onderstaande tabel niet overschrijden. Daarnaast mogen de binnen de inrichting aanwezige hoeveelheden gevaarlijke stoffen bij toepassing van de sommatieregels (zoals genoemd in aantekening 4, behorende bij bijlage I van de Richtlijn 2012/18/EU van 4 juli 2012), niet resulteren in een uitkomst die groter is dan of gelijk is aan 1. Het gaat hierbij om de totale hoeveelheid gevaarlijke stoffen die binnen de inrichting aanwezig is. Dat wil zeggen: de in de installaties en in de (opslag)gebouwen aanwezige gevaarlijke stoffen.
|
||
|
Nr.18 in Deel 2: Ontvlambare gassen (groen gas, CNG, aardgas) |
CNG-installatie, CNG-leiding incl. leidingen en leiding naar invoerpunt |
|
1)Dit is de hoeveelheid exclusief de 4e vergistingsreactor zoals die is betrokken in de QRA “Kwantitatieve risicoanalyse Omrin Ecopark De Wierde”, versie 7.0 d.d. 7 juli 2022. De 4e vergister betreft een toekomstige situatie die nog moet worden aangevraagd en is daarom niet meegenomen in deze revisievergunning.
Binnen de inrichting moet een bewakingssysteem in werking zijn waarmee wordt gewaarborgd dat de hoeveelheden als bedoeld in voorschrift 16.1.1 niet kunnen worden overschreden. Hierbij dienen ook de aantekeningen behorende bij Bijlage I van de Richtlijn 2012/18/EU van 4 juli 2012 in acht te worden genomen (sommatieregels, aantekening 4).
16.2 Opslag gevaarlijke stoffen
Opslag verpakte gevaarlijke stoffen tot 10.000 kg
De opslag van verpakte gevaarlijke (afval)stoffen die vallen onder de ADR-categorieën zoals genoemd in de richtlijn PGS 15 Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen (Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 2016 versie 1.0 (september 2016)), moet voldoen aan de voorschriften van hoofdstuk 3 van voornoemde richtlijn.
16.3 Opslag van methanol in een enkelwandige bovengrondse tank
De opslag van methanol in een stationaire bovengrondse opslagtank met de daarbij behorende leidingen en appendages voldoet aan de volgende voorschriften van PGS 31 Overige gevaarlijke vloeistoffen – opslag in ondergrondse en bovengrondse tankinstallaties” (Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 2018 versie 1.0 (april 2018)):
16.4 Aflevering van diesel aan interne transportmiddelen
De zand/slibvanger en de olie/benzine-afscheider moeten ten minste eenmaal per zes maanden worden gecontroleerd op goede werking en zo vaak als nodig worden leeggemaakt volgens NEN-EN-858-2. Het verwijderde materiaal moet volgens de geldende voorschriften worden afgevoerd. Indien de olie/benzine-afscheider ten behoeve van inspectie wordt geleegd, moet deze nadien worden gevuld met water.
18 VERGISTINGSINSTALLATIE EN GASBEHANDELING
De overdrukbeveiliging van het biogassysteem moet zijn uitgerust met een (voor)alarm, zodat tijdig (binnen één uur) een actie kan worden ondernomen met het doel de storing te verhelpen en het weer bereiken van de veilige druk, zodat onbedoeld afblazen van biogas naar de atmosfeer respectievelijk de fakkel wordt voorkomen.
Het biogassysteem (waaronder die van elke (na)vergister en na-opslag) moet zijn voorzien van een onafhankelijke overdrukbeveiliging, bijvoorbeeld door toepassing van vloeistofsloten, voor het direct aflaten van biogas bij te hoge druk als gevolg van het falen van de normale (over)drukbeveiliging. Deze overdrukbeveiligingen moeten zodanig zijn uitgevoerd en geplaatst dat bevriezing steeds wordt voorkomen. De uitlaten van deze overdrukbeveiligingen hebben een (bij voorkeur verticale) uitmonding op een veilige hoogte in relatie tot het aansluitende terrein, monden uit op een veilige plaats in de buitenlucht en zijn beschermd tegen inregenen en bevriezen.
Bij het buiten bedrijf stellen van een vergister wordt de inhoud en elk restant daarin verwijderd en wordt het biogas dan wel Bio-LNG, indien mogelijk, nuttig toegepast en, voor zover dat niet mogelijk is, vernietigd via de fakkel. Daarna wordt de betreffende vergister gereinigd en schoon opgeleverd.
Een gashouder moet zijn uitgerust met een alarm om een waarschuwing te geven indien de maximale druk wordt bereikt. Dit alarm dient te worden verzonden naar een tracer, pieper, mobiele telefoon of gelijkwaardig ontvangstapparaat van de persoon die op dat moment verantwoordelijk is voor de werking en aansturing van de gehele vergistingsinstallatie.
Een gashouder moet zijn voorzien van een noodafblaasvoorziening in de vorm van een fakkelinstallatie en een waterslot of een gelijkwaardige voorziening, zodat in geval van storing van de gasopwerking of WKK-installatie en een (gelijktijdige) storing van de fakkelinstallatie geen overdruk ontstaat in de gasbuffer. In de directe omgeving van een afblaaspunt mogen geen ontstekingsbronnnen aanwezig zijn.
18.3 Biogasleidingen/groengasleidingen/aardgasleidingen
Aan ontluchtingsleidingen en de uitlaat van veiligheden die zijn geplaatst op tanks en procesapparatuur en tankwagens waarin explosieve damp-luchtmengsels kunnen voorkomen, moet een vlamkering of een gelijkwaardige voorziening zijn aangebracht. De ontluchtingsleidingen moeten op een veilige plaats ten opzichte van ontstekingsbronnen in de buitenlucht en mogelijke verblijfplaatsen voor personen uitmonden.
18.5 Gashoudende ruimten, installaties
De afblaas van veiligheidsvoorzieningen van de gasopwerkingsinstallatie mondt rechtstreeks uit in de buitenlucht. Elke afblaas(leiding) heeft voorzieningen om de goede en veilige werking bij het afblazen te garanderen en om inregenen te voorkomen. In de omgeving van elk afblaaspunt (minimaal 5 m rondom) mogen geen (potentiële) ontstekingsbronnen aanwezig zijn.
Als het geproduceerde biogas tijdens normaal bedrijf of bij geplande onderhoudswerk- zaamheden niet voldoende kan worden opgevangen of verwerkt in de gasnabehandeling, dan moet bij overschrijding (gesignaleerd door een overschrijding van de biogasdruk) automatisch de fakkelinstallatie inschakelen om het teveel aan het geproduceerde biogas te verbranden.
De fakkel moet ten minste vier keer per jaar op de goede werking worden gecontroleerd en zodanig worden geïnspecteerd, getest en onderhouden, dat te allen tijde ontsteking van de aan de fakkel toegevoerde brandbare dampen/gassen is verzekerd. Van de resultaten van deze controle wordt aantekening gemaakt in het registratiesysteem (zie voorschrift 1.4.1).
Bij een defect in het fakkelsysteem moet het fakkelsysteem onmiddellijk en op een veilige wijze buiten bedrijf worden gesteld en gerepareerd. De installaties die op het defecte fakkelsysteem zijn aangesloten, moeten daarbij zo spoedig mogelijk buiten bedrijf worden gesteld, tenzij de functie van het fakkelsysteem tijdelijk door een ander (nood)fakkelsysteem is overgenomen.
De vergistingsinstallatie, gasopwerkingsinstallatie en gebouwen moeten ter beveiliging tegen blikseminslag zijn voorzien van een doelmatige aarding. Gebouwen en procesinstallaties met ontploffings- en brandgevaar moeten tegen blikseminslag en elektrostatische oplading zijn beveiligd met een bliksemafleider- en aardinginstallatie.
19.1 Risicorelevante apparatuur
Van het gestelde in voorschrift 19.2.3 mag worden afgeweken mits het het bevoegd gezag toestemming heeft verleend en waarbij door vergunninghouder is aangetoond dat de installatie(s) bij stroomuitval veilig uit bedrijf kunnen worden genomen respectievelijk dat alarmen en procesbesturing gedurende 60 minuten in werking blijven.
De instrumentele beveiligingen van een installatie die van belang zijn voor het voorkomen van nadelige gevolgen voor veiligheid en/of milieu, moeten worden getest op de goede werking. De testfrequentie moet zijn vastgesteld op basis van een risico-inventarisatie of gegevens van de desbetreffende leverancier.
De instrumentele beveiligingen van een installatie die van belang zijn voor het voorkomen van nadelige gevolgen voor veiligheid en/of milieu, moeten worden getest op de goede werking. De testfrequentie moet zijn vastgesteld op basis van een risico-inventarisatie of gegevens van de desbetreffende leverancier.
Vergunninghouder moet bevindingen van het functioneren van alle installaties en voorzieningen die gevolgen voor het milieu kunnen hebben, vastleggen in een organisatorisch systeem met betrekking tot beheer van de installaties (onderhoudsmanagementsysteem). Onder bevindingen wordt ook verstaan het uitvoeren van reparatie, verbeteringen en geconstateerde afwijkingen. Installaties moeten zijn onderverdeeld in objecten en voor elk object moet een uitvoeringsmethode worden opgesteld m.b.t. onderhoud, inspectie en/of testen. Deze uitvoeringsmethoden moeten mede zijn gebaseerd op analyses van de kans op en de gevolgen van eventueel falen. Verslaglegging (schriftelijk) en terugkoppeling moeten onderdeel zijn van het systeem.
Procesapparatuur, leidingen en opslagtanks moeten periodiek aan de hand van een keuringsplan worden gekeurd en/of worden geïnspecteerd. In het keuringsplan (inspectieplan) dient het keuringsregime (inspectieregime) en de termijn van periodiek onderzoek te zijn opgenomen. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de plannen.
19.5 Bediening en monitoring installaties
Het personeel belast met dagelijks toezicht op de installatie is duidelijk geïnstrueerd over constructie, toezicht, bediening en onderhoud van de installatie, de na te leven veiligheidsinstructies, handelswijze bij procesafwijkingen, onregelmatigheden en/of storingen, de vereiste persoonlijke beschermingsmiddelen en de eigenschappen van de aanwezige gevaarlijke stoffen.
Een installatie voor het vergisten van organische afvalstoffen, het opslaan van vergistingsgas en het transporteren en bewerken van vergistingsgas, is voorzien van een elektronisch monitoringssysteem dat de goede werking van de installatie controleert en de vergunninghouder waarschuwt bij incidenten die kunnen leiden tot onveilige situaties of de emissie van vergistingsgas meldt. De vergunninghouder draagt er zorg voor dat binnen een uur na de waarschuwing actie wordt ondernomen om incidenten die zijn gemeld door het systeem te verhelpen.
Indien een installatie voor het vergisten van organische afvalstoffen of een voorziening voor het opslaan of bewerken van vergistingsgas buiten gebruik wordt gesteld, wordt eerst het restant vergistingsgas uit de installatie verwijderd. Het vergistingsgas wordt indien mogelijk nuttig toegepast en voor zover dat niet mogelijk is, vernietigd of anders afgevoerd met zo min mogelijk gevaar voor mens en milieu. Zodra de installatie niet meer gasdicht is, wordt het overgebleven restproduct zo snel mogelijk uit de installatie verwijderd en gestabiliseerd.
19.6 Meet-, regel- en beveiligingsapparatuur
Meet-, regel- of beveiligingsapparatuur die direct verband heeft met het optreden van bijzondere situaties voor wat betreft veiligheid en emissies en die niet of slecht funtioneert, moet direct worden gerepareerd of vervangen. Als de betreffende apparatuur niet direct kan worden gerepareerd of vervangen, moeten de activiteiten worden stilgelegd tenzij vergunninghouder kan aantonen dat met behulp van bijvoorbeeld visueel toezicht het proces tijdelijk afdoende kan worden beheerst.
De zogenaamde kritische alarmeringen (alarmeringen die direct verband hebben met het optreden van bijzondere situaties voor wat betreft veiligheid en emissies) moeten visueel en akoestisch worden aangegeven en moeten gehandhaafd blijven totdat deze door een ter zake kundige worden geaccepteerd en zo snel mogelijk worden opgeheven.
20 STORTPLAATS VOOR GEVAARLIJK AFVAL EN NIET GEVAARLIJK AFVAL
20.2 Onderafdichting, controlesysteem en percolaatopvang- en – afvoersysteem
Boven de onderafdichting moeten voorzieningen worden aangebracht om het percolatiewater af te voeren. De wijze van opvangen, verzamelen en zuiveren of afvoeren dient op een zodanige wijze te geschieden dat geen gevaar bestaat voor verontreiniging van de bodem. De afvoer van het percolatiewater moet gescheiden van andere waterstromen plaatsvinden. De percolaatafvoerende voorzieningen moeten waar mogelijk gebruik maken van natuurlijk verhang. Het natuurlijk verhang moet ook na zettingen zijn gewaarborgd.
Na het aanbrengen van de drainage- en controlesystemen onder nieuw aan te leggen compartimenten, dient direct vastgesteld te worden of deze open zijn. Eventuele defecten aan deze stelsels moeten onmiddellijk worden hersteld. Het controleren van het functioneren van het drainagesysteem voor percolatiewater, van de onderafdichting en van het controlesysteem in het grondwater ten aanzien van de vloeistofstroming in drains en leidingen, dient plaats te vinden in de daartoe aangebrachte schachten c.q. inspectieputten of verzamelleiding overeenkomstig de methode aangegeven in de Richtlijn drainage- en controlesystemen.
De in dit voorschrift bedoelde eisen en randvoorwaarden voor de uitvoering van de werkzaamheden dienen door de aannemer te worden uitgewerkt tot een uitvoeringsplan. Dit uitvoeringsplan dient door of namens de vergunninghouder door een deskundige met aantoonbare expertise te worden beoordeeld. Deze beoordeling dient aan het bevoegd gezag te worden voorgelegd.
Met de uitvoering van het in dit voorschrift bedoelde bestek mag niet worden begonnen voordat het bevoegd gezag het bestek, het “kwaliteitsplan directievoering” en het uitvoeringsplan heeft goedgekeurd.
20.3 Uitvoering van de stortwerkzaamheden
Uiterlijk 1 april van elk kalenderjaar dient vergunninghouder een stortplan in te dienen bij het bevoegd gezag.
In het stortplan dient ten minste te zijn aangegeven:
dde inhoud van de stort met inhoudsberekeningen (onderverdeeld naar de stortplaats voor gevaarlijk afval en niet gevaarlijk afval, naar fasen en hoogten van 29 en 24 meter) aan het begin van het afgelopen jaar, de hoeveelheid die gedurende het afgelopen jaar is gestort (afvalstoffen en secundaire bouwstoffen) en de restcapaciteit aan het eind van het afgelopen jaar;
Aan het einde van elke werkdag moet elk stortfront zodanig worden afgedekt dat het ontstaan van zwerfvuil en stankverspreiding afdoende wordt voorkomen.
Het dagelijks afdekken dient te geschieden met grond dan wel met een ander daartoe naar het oordeel van het bevoegd gezag geschikt materiaal met een minimale dikte van 0,05 tot 0,10 meter.
Binnen de inrichting dient een plattegrond aanwezig te zijn waarop alle in het stortlichaam aangebrachte cellen als bedoeld in voorschrift 20.3.17 zijn vastgelegd. Dit dient te geschieden door op de plattegrond de aanduiding van de op iedere cel van toepassing zijnde x-, y- en z-coördinaten (zijnde bepalend voor de lengte, breedte en hoogte van de cel) weer te geven.
Indien tijdens het storten van onverpakte asbesthoudende bulkmaterialen verstuiving of stofvorming optreedt dan wel indien verpakking van het asbestafval tijdens het storten onverhoopt wordt beschadigd, dient het materiaal tijdens het storten onmiddellijk door besproeiing/verneveling te worden bevochtigd.
Daartoe dienen nabij de in voorschrift 20.3.17 bedoelde stortlocatie(s) alle benodigde voorzieningen aanwezig te zijn.
De stortactiviteiten van onverpakte asbesthoudende bulkmaterialen dienen te worden gestopt indien de windsnelheid de waarde van windkracht 5 overschrijdt. Om de windsnelheid te meten en te registreren, dient binnen de inrichting goed functionerende meetapparatuur aanwezig te zijn. Het tijdstip waarop onverpakte asbesthoudende bulkmaterialen worden gestort, dient geregistreerd te worden. Het registratiesysteem dient steeds ter controle beschikbaar te zijn.
Tijdens het opbouwen van een stortcompartiment moet een gasonttrekkingssysteem worden aangelegd waarmee het vrijkomende stortgas wordt opgevangen en verwerkt. Dit voorschrift is niet van toepassing op de stortcompartimenten waar uitsluitend inert materiaal (inclusief benodigde hulpstoffen) wordt gestort.
Het ontgassingssysteem moet bestand zijn tegen verwachte zetting en klink, corrosie en chemische componenten in de gestorte afvalstoffen, het percolaat en het condensaat.
Bij het uitvallen van een afzuigsysteem voor de afvoer van de vrijkomende gassen, moet onmiddellijk een alarmsysteem in werking treden dat een duidelijk signaal voor in de inrichting werkzame personen afgeeft. Buiten de werktijden dient het signaal anderszins aan een controlerende persoon of instantie kenbaar te worden gemaakt.
Ten behoeve van de controle en het onderhoud van het percolaatafvoersysteem moeten de volgende werkzaamheden worden uitgevoerd:
de drains en de leidingen moeten vanaf het moment dat de stortplaats in bedrijf wordt genomen tot twee jaar na het gereedkomen van de definitieve bovenafdichting, elk jaar worden doorgespoten ten behoeve van het verwijderen en voorkomen van verstoppingen. Twee jaar na het gereedkomen van de definitieve bovenafdichting kan de frequentie, met goedkeuring van het bevoegd gezag, worden verminderd tot eenmaal per twee jaar;
Het onderzoek naar de hoedanigheden van de bodem bestaat uit een bemonstering van het percolaat, van het water in de verschillende grondwaterbemonsteringsdrainagebuizen en verzamelleidingen van het drainagesysteem onder de onderafdichting, en van het grondwater in de grondwaterbemonste-ringspeilbuizen. De verkregen monsters moeten worden geanalyseerd op:
Gedeputeerde Staten kunnen in afwijking van het derde lid bepalen dat analyse van een of meer van de in het derde lid genoemde parameters achterwege kan blijven, indien op grond van de samenstelling van de gestorte stoffen danwel op de uit het verleden bekende monitoringsgegevens buiten twijfel staat dat deze stoffen niet voor zullen komen in het percolaat van de stortplaats.
Eenmaal per jaar dient de vergunninghouder onderzoek te doen naar de hoedanigheden van de bodem onder de stortplaats.
Het onderzoek naar de hoedanigheden van de bodem bestaat uit een bemonstering van het percolaat, van het water in alle grondwaterbemonsteringsdrainagebuizen en verzamelleidingen of inspectieputten van het drainagesysteem onder de onderafdichting, alsmede van het grondwater in alle grondwaterbemonsteringspeilbuizen. De verkregen monsters worden geanalyseerd op:
Het bevoegd gezag kan, in afwijking van het eerste lid, bepalen dat analyse van een of meer van de in het eerste lid genoemde parameters achterwege kan blijven, indien op grond van de samenstelling van de gestorte stoffen dan wel op de uit het verleden bekende monitoringsgegevens buiten twijfel staat dat deze stoffen niet voor zullen komen in het percolaat van de stortplaats.
Alvorens tot het storten van afvalstoffen in nieuwe gerealiseerde stortcompartimenten wordt overgegaan, moet de uitgangssituatie van de milieuhygiënische kwaliteit van het grondwater (de nulsituatie) vastgelegd worden door bemonstering en analyse van watermonsters uit de grondwaterbemonsteringspeilbuizen als bedoeld in voorschrift 20.2.3 en uit de grondwaterbemonsteringsdrainagebuizen als bedoeld in voorschrift 20.2.3. Analyse dient te geschieden op de parameters genoemd in voorschrift 20.5.3.
Rapportage van dit onderzoek dient uiterlijk 3 maanden na het onderzoek ter goedkeuring te worden overgelegd aan het bevoegd gezag.
De werkwijze bij de in dit hoofdstuk bedoelde monsterneming, monstervoorbehandeling en analyse van de monsters van het grondwater, het percolaat en het oppervlaktewater dient in overeenstemming te zijn met de normen, opgenomen in de bijlage behorende bij artikel 13 van de vigerende Uitvoeringsregeling stortbesluit bodembescherming.
De analyse van grond- en grondwatermonsters dient plaats te vinden door een laboratorium dat een kwaliteitsborgingsysteem hanteert, gebaseerd op de Europese Norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.
Door of vanwege de vergunninghouder dient bij het op schrift stellen van de op grond van de in paragraaf 20.5 verkregen onderzoeksresultaten, een vergelijking te worden gemaakt tussen deze onderzoeksresultaten en de voorafgaande onderzoeksresultaten. De resultaten van het onderzoek naar de kwaliteit van het water uit de grondwaterbemonsteringsdrainagebuizen en het water uit de stroomafwaarts gelegen grondwaterbemonsteringsbuizen, moet daarbij worden vergeleken met de resultaten van het onderzoek naar de kwaliteit van het water uit de stroomopwaarts gelegen grondwaterbemonsteringsbuizen.
Ingeval sprake is van overschrijding van de toetsingswaarde van een (van de) parameter(s), dient door een in overeenstemming met het bevoegd gezag aangewezen ter zake kundige zo spoedig mogelijk nogmaals een bemonstering en analyse van de betreffende stof(fen) te worden uitgevoerd en te worden onderzocht of de overschrijding daadwerkelijk wordt veroorzaakt door de stortplaats.
De rapportage van dit onderzoek dient uiterlijk 1 maand na het onderzoek te worden overgelegd aan het bevoegd gezag.
20.6 Urgentieplan op hoofdlijnen
Aan de bovenkant van de gestorte afvalstoffen moet een dichte eindafwerking worden aangebracht zodanig dat infiltratie van water in de gestorte afvalstoffen wordt tegengegaan. De dichte eindafwerking dient ten minste een beschermingsniveau te bieden gelijkwaardig aan het gestelde in de Richtlijn dichte eindafwerking.
Het tijdstip van aanbrengen van de dichte eindafwerking dient overeenkomstig het gestelde in de Richtlijn dichte eindafwerking te worden bepaald, waarbij zo spoedig als technisch mogelijk, rekening houdend met onder meer de processen gasvorming en klink, maar uiterlijk 30 jaar na het aanbrengen van de onderafdichting, de dichte eindafwerking wordt aangebracht.
Teneinde te kunnen voldoen aan het bepaalde in het voorschrift 20.7.2 moet jaarlijks door meting de hoogteligging van het stort worden bepaald. De wijze van meting is vastgelegd in het meetplan van MUG (21 maart 2013, kenmerk 13.01611 AF/rop/jha). Wijziging van de wijze van meting behoeft de goedkeuring van het bevoegd gezag.
Op basis van deze beoordelingen moet worden bepaald of aanpassing van de aanwezige bodembeschermende voorzieningen noodzakelijk is. De ontwerpvoorwaarden voor de dichte eindafwerking alsook het gasonttrekkingssysteem dienen in relatie daarmee te worden aangegeven.
Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de beoordeling van de toestand van het gedeelte van de stortplaats waar een dichte eindafwerking wordt aangebracht, voor zover van belang voor de goede werking en de landschappelijke inpassing van de dichte eindafwerking. De resultaten van deze beoordeling dienen te worden overgelegd aan het bevoegd gezag.
De dichte eindafwerking moet worden uitgevoerd conform een door de vergunninghouder op te stellen afdichtingsplan, dat uiterlijk drie maanden voor het aanbrengen van de dichte eindafwerking ter goedkeuring aan het bevoegd gezag moet worden overgelegd. Dit plan omvat ten minste de beoordeling van de toestand van het gedeelte waarbij de dichte eindafwerking wordt aangebracht en een uitvoeringsgereed plan (bestek). In het plan dient tevens te zijn beschreven hoe met de dichte eindafwerking een beschermingsniveau wordt gerealiseerd dat ten minste gelijkwaardig is aan de Richtlijn dichte eindafwerking.
Indien de ingevolge voorschrift 20.5.1 uitgevoerde camera-inspectie aanleiding geeft tot herstel en/of vervanging van (een deel van) de geïnspecteerde drains en leidingen, dienen deze werkzaamheden in het bestek te zijn opgenomen.
Tevens dient het bestek (als bijlage) de volgende onderdelen te bevatten:
Onmiddellijk nadat een dichte eindafwerking is aangebracht dient in opdracht van de vergunninghouder door een met instemming van het bevoegd gezag aangewezen ter zake kundige, een keuring te worden verricht van de voorzieningen die in het belang van de bescherming van de bodem op de stortplaats zijn getroffen, alsmede onderzoek worden gedaan naar de hoedanigheden van de bodem onder de stortplaats. De keuring van de voorzieningen en het onderzoek naar de hoedanigheid van de bodem dient te geschieden in overeenstemming met het gestelde in voorschrift 20.5.2 van deze vergunning.
De vergunninghouder zendt de resultaten van de keuring zo spoedig mogelijk naar het bevoegd gezag.
Eenmaal per twee jaar dient in opdracht van vergunninghouder door een met instemming van het bevoegd gezag aangewezen ter zake kundige de dichte eindafwerking te worden geïnspecteerd. De inspectie bestaat uit een vaststelling van de technische staat van alle in deze vergunning voorgeschreven bodembeschermende voorzieningen overeenkomstig hoofdstuk 15 van de Richtlijn dichte eindafwerking.
de op grond van voorschrift 20.7.14 verkregen onderzoeksresultaten moeten zijn vergeleken met de onderzoeksresultaten verkregen bij het onderzoek ten behoeve van de vergunningaanvraag. De resultaten van het onderzoek naar de kwaliteit van het water uit de drainagebuizen en het water uit de stroomafwaarts van de stortplaats gelegen bemonsteringsbuizen, worden vergeleken met de resultaten van het onderzoek naar de kwaliteit van het water uit de stroomopwaarts gelegen bemonsteringsbuizen. De onderzoeksresultaten moeten bovendien zijn vergeleken met alle voorafgaande onderzoeksresultaten.
Controle van de bovenafdichting op zakking moet jaarlijks plaatsvinden door hoogtemeting van het eindafwerkingsoppervlak. De wijze van meting is vastgelegd in het meetplan van MUG (21 maart 2013, kenmerk 13.01611 AF/rop/jha). Alternatieve meting van de zakking behoeft de goedkeuring van het bevoegd gezag.
Elke zes maanden dient controle op de dichtheid van de bovenafdichting door het inspecteren van de taluds op uittredend percolatiewater plaats te vinden. Verder dient onderzocht te worden of er sprake is van lekkage van percolatiewater ter plaatse van de teenconstructie, zijnde de verbindingsconstructie tussen de onder- en de bovenafdichting en het nabijgelegen deel van het talud. De controle en het onderzoek geschieden overeenkomstig de methode aangegeven in hoofdstuk 13 van de Richtlijn dichte eindafwerking.
De stabiliteit van de bovenafdichting en van het stort als geheel, dient halfjaarlijks te worden bepaald. Het bevoegd gezag kan een afwijkende frequentie voorschrijven. Het bevoegd gezag zal dit schriftelijk melden aan de vergunninghouder. De inspectie dient tegelijkertijd met de periodieke controle als bedoeld in voorschrift 20.8.4 te worden uitgevoerd.
20.9 Financiële zekerheid eindafwerking
Voor het nakomen van de voorschriften met betrekking tot de dichte eindafwerking dient vergunninghouder ten genoegen van het bevoegd gezag financiële zekerheid te stellen, totdat is vastgesteld dat de eindafwerking van de stortplaats is uitgevoerd conform het goedgekeurde opleveringsplan als bedoeld in voorschrift 20.7.12 van de vergunning. Het bedrag waarvoor financiële zekerheid dient te worden verkregen bedraagt 2,27 euro per ton gestorte afvalstoffen.
Op 8 juli 2021 is een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ontvangen. Het betreft een verzoek van Omrin voor de locatie Ecopark De Wierde aan De Dolten 11 te Heerenveen.
Het project waarvoor vergunning wordt gevraagd, is als volgt te omschrijven: er wordt een revisievergunning aangevraagd voor alle activiteiten die binnen de inrichting worden uitgevoerd. Het betreft hier een afvalverwerkende inrichting waar de volgende werkzaamheden plaatsvinden:
De voornaamste wijzigingen betreffen een uitbreiding van de inrichting aan de oostzijde van het terrein van Ecopark De Wierde met circa 4 ha, het verhogen van de stortplaats van 24 naar 29 meter en een uitbreiding van de doorzet van huishoudelijk afval van 230.000 naar 280.000 ton. Een uitgebreide projectomschrijving is opgenomen in de aanvraag om vergunning.
Gelet op bovenstaande omschrijving wordt vergunning gevraagd voor de volgende in de Wabo omschreven activiteiten:
Voor de inrichting zijn eerder de onderstaande vergunningen en/of ontheffingen verleend dan wel meldingen geaccepteerd:
De hierboven genoemde vergunningen zullen vervallen zodra deze revisievergunning onherroepelijk wordt.
De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I, onderdeel C van het Besluit omgevingsrecht (Bor). De volgende categorieën zijn van toepassing:
Op grond van categorie 28.10 is sprake van een vergunningplichtige activiteit.
Het betreft een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort als genoemd in Bijlage I, categorie 5.3.b en 5.4 van de Richtlijn industriële emissies (Rie). Om die reden is op grond van artikel 2.1, tweede lid van het Bor sprake van een vergunningplichtige inrichting.
Wij zijn het bevoegd gezag voor de inrichting. Dit volgt uit artikel 2.4, tweede lid van de Wabo juncto artikel 3.3, eerste lid van het Bor, op grond van de activiteiten van de inrichting, genoemd in Bijlage I onderdeel C, categorie 28.4 van het Bor.
De aangevraagde activiteit heeft betrekking op een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort, waarbij sprake is van een handeling waarvoor een watervergunning voor het lozen van stoffen als bedoeld in artikel 6.27, eerste lid van de Waterwet vereist is.
Op Ecopark De Wierde wordt afvalwater via een persleiding op de rioolwaterzuiveringsinstallatie van Heerenveen geloosd. Wetterskip Fryslân is hiervoor de bevoegde instantie.
Op 11 augustus 2021 heeft Wetterskip Fryslân van Omrin een aanvraag ontvangen voor een nieuwe watervergunning (OLO nr. 6226749).
Het project ligt in een gebied waar de beheersverordeningen “Joure, Langweer, Nijehaske, Oudehaske en het Buitengebied” en “Kanaal West” geldt. Conform deze beheersverordeningen blijven de bepalingen van de voorheen geldende bestemmingsplannen van kracht. Het project is in strijd met artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 2, van de bouw- en gebruiksregels van dit bestemmingsplan. Wij gaan hier verder op in bij de activiteit “gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een planologische regeling”.
Na ontvangst van de aanvraag hebben wij deze getoetst op volledigheid. In verband met het ontbreken van een aantal gegevens hebben wij de aanvrager per brief op 10 december 2021 en op 27 juni 2022 in de gelegenheid gesteld om de aanvraag aan te vullen. Wij hebben de aanvullende gegevens respectievelijk ontvangen op 22 februari 2022 en op 11 juli 2022 .
Daarnaast hebben wij van Omrin na overleg ook nog kleine aanvullingen ontvangen op
25 augustus 2021 (overzicht over koelsystemen, compressoren, fakkelinstallaties, machines, toestellen, werkplaatsen, opslag van vloeistoffen in tanks en stookinstallaties), op 26 april 2022 (aangevuld BBT-document BREF afvalbehandeling), op 25 juli 2022 (laatste aanpassingen n.a.v. kort overleg over aanvullingen van 11 juli 2022) en op 23 mei 2022 (toelichtende brief bij aanvulling van 22 februari 2022).
Na ontvangst van de aanvullende gegevens hebben wij de aanvraag opnieuw getoetst op volledigheid. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag met alle aanvullende gegevens voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanvraag is dan ook in behandeling genomen.
In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 van de Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor, hebben wij de aanvraag ter advies aan de volgende instanties/bestuursorganen gezonden:
Wij behandelen hieronder de uitgebrachte adviezen:
Op 15 november 2021 hebben wij een advies van Wetterskip Fryslân ontvangen. Dit advies hebben wij verwerkt in deze vergunning onder de paragraaf Coördinatie met de Waterwet en onder de inhoudelijke overwegingen over afvalwater. Verder geeft Wetterskip Fryslân aan geen op- en/of aanmerkingen over de aanvraag te hebben.
Van Brandweer Fryslân hebben wij tweemaal advies ontvangen over de aanvraag en de aanvullingen.
Het advies is gericht op het brandveiligheidsaspect.
Eerste advies van 15 oktober 2021 van Brandweer Fryslân, samengevat:
Maatregelen ter beperking van vogeloverlast
Ter beperking van vogeloverlast wordt een valkenier ingezet voor de verjaging van voornamelijk meeuwen. Tevens worden hiervoor vuurpijlen toegepast door de valkenier.
Opmerking: de toepassing van vuurpijlen geeft risico op brand, zo is in het verleden gebleken. Wij adviseren deze toepassing niet uit te voeren of een alternatieve methode toe te passen.
De maatregelen bij calamiteiten staan beschreven in het bedrijfsnoodplan. Met de plaatselijke brandweer is een aanvalsplan besproken. Op de locatie is tijdens de bedrijfsuren een BHV’er aanwezig.
Brandweer Fryslân geeft aan dat deze generieke beschrijving niet voldoende dekkend is voor de specifieke risico’s die per activiteit of per gebouw bestaan. Aanwezige brandveiligheidsvoorzieningen, zoals een sprinklerinstallatie in een gebouw, zijn bedoeld om een bepaald risico te verkleinen. Te nemen maatregelen moeten gericht zijn op het risico. Het verwijzen naar het bedrijfsnoodplan is onvoldoende, omdat het bedrijfsnoodplan niet voldoende gericht is op deze maatregelen en risico’s.
Kunststofsorteerinstallatie (KSI), opslag buitenterrein KSI
Aviv heeft onderzocht hoe balen met gesorteerde kunststoffen op een brandveilige manier op het KSI-terrein kunnen worden opgeslagen (bijlage 15), aangezien dit nog niet is vergund. Brandweer Fryslân geeft aan dat op basis van dit onderzoek de uitkomsten nog niet vertaald zijn in definitieve maatregelen. Aviv geeft slechts advies. De definitieve maatregelen (bijv. hoogtes keerwanden) ziet Brandweer Fryslân graag vastgelegd op een tekening. Daarnaast ontbreken de achterliggende berekeningen voor het bepalen van de juiste afstanden tot gebouw en perceelgrens. Deze berekeningen, met toepassing hogere bronstraling, dienen te worden aangeleverd. Op de voorgestelde locatie van de kunststof balen liggen tevens twee bluswatervoorzieningen die nu niet meer bereikbaar zijn. Deze zijn van belang voor de KSI.
Algemeen: het plan bevat, zoals eerder gesteld, bij maatregelen bij calamiteiten onvoldoende informatie over de specifieke risico’s die per activiteit of gebouw kunnen optreden. Daarbij ontbreekt hoofdstuk 7 Risicoscenario’s van het bedrijfsnoodplan. Op basis van optredende risico’s kunnen maatregelen genomen worden of aanwezig zijn die het risico verlagen. Brandweer Fryslân verzoekt om het bedrijfsnoodplan aan te laten vullen.
Op diverse delen staat aangegeven: “waterinlaatplaats”. Dit suggereert een inlaat voor het waterpeil, maar dit zijn opstelplaatsen voor bluswatervoorziening voor de brandweer.
Daarnaast zijn er bij de KSI en het naastliggende opslagterrein aan de Nieuwe Haskersloot opstelplaatsen bluswatervoorziening aanwezig die niet zijn weergegeven. Dit is eerder besproken en afgestemd met Omrin. De aangegeven containerplaatsen op het terrein KSI belemmeren de bereikbaarheid van een brandweervoertuig voor voldoende bluswater (zie ook opmerking kunststof balen).
Beperken en bestrijden van brand
Op basis van artikel 3 Wet veiligheidsregio’s (Wvr) behoort tot de brandweerzorg het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar, het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand en al hetgeen daarmee verband houdt. Op grond van artikel 10, lid c en artikel 25, lid 1 onder e van de Wvr kan Brandweer Fryslân adviseren over bovenstaande taak.
Vanuit dit oogpunt constateert Brandweer Fryslân dat het risico op brand op Ecopark de Wierde mogelijk is, waarbij bouw- en milieuregelgeving de mogelijke effecten van brand niet afdoende afdekt. Dat betekent dat een grote brand kan ontstaan die langdurig kan branden met mogelijke overlast voor de omgeving. Brandweer Fryslân adviseert maatregelen te nemen waarbij Ecopark De Wierde langdurige brandweerzorg kan overnemen, bijvoorbeeld door de inzet van particuliere brandbestrijdingsbedrijven.
Tweede advies van Brandweer Fryslân van 2 mei 2022, naar aanleiding van aanvullingen van 22 februari 2022.
Brandweer Fryslân is akkoord met de ingediende stralingsberekeningen van Aviv.
Verder geeft Brandweer Fryslân aan dat de volgende onderdelen nog ontbreken:
Na dit tweede advies heeft er overleg plaatsgevonden tussen Omrin en Brandweer Fryslân over bovenstaande punten. Tijdens dit overleg zijn ook afspraken gemaakt voor een regulier overleg tussen Brandweer en Omrin. Vervolgens is de aanvraag op 11 juli 2022 aangevuld met een aangepast bedrijfsnoodplan, een scenarioboek en een bereikbaarheidskaart Brandweer. Brandweer Fryslân heeft op 18 juli 2022 aangegeven dat zij akkoord is met de aanpassingen van en aanvullingen op de aanvraag van 11 juli 2022.
Wij hebben van ILT advies ontvangen naar aanleiding van de aanvraag en de ingediende aanvullingen. Wij hebben met ILT en met Omrin meerdere overleggen gehad over de ingediende adviezen en mogelijkheden tot verbetering.
In het eerste advies van 9 september 2021 heeft ILT het volgende aangegeven:
“De aanvraag is onvolledig of onduidelijk en er zijn aanvullingen/ophelderingen nodig:
Het is niet mogelijk de verwerking van de afvalstoffen tegen de van toepassing zijnde minimumstandaard te toetsen omdat de informatie in de aanvraag onvoldoende specifiek is.
Het afvalstoffenregister bevat een opsomming van de 403 euralcodes waaronder de afvalstoffen vallen die Omrin aanvraagt. Per euralcode heeft Omrin het sectorplan (in sommige gevallen meerdere) vermeldt dat van toepassing zou zijn en de bijbehorende minimumstandaard(en). Per euralcode vermeldt Omrin de methoden waarmee de afvalstof verwerkt kan worden.
In onderdeel IV van ieder sectorplan staat een indicatieve opsomming van euralcodes waarop het sectorplan van toepassing kan zijn. In een redelijk aantal gevallen veronderstelt Omrin de toepassing van een sectorplan op een euralcode terwijl die niet in onderdeel IV van dat sectorplan staat opgenomen. Ter illustratie; van de 170 euralcodes waarop volgens Omrin alleen sectorplan 3 van toepassing is, komen 54 niet voor in onderdeel IV van sectorplan 3. Hoewel een sectorplan wel degelijk van toepassing kan zijn op een eural code die niet voorkomt in onderdeel IV dient Omrin dit wel te onderbouwen.
De minimumstandaard die Omrin in verbinding brengt met een eural code betreffen vaak alle verschillende minimumstandaarden uit het desbetreffende sectorplan. Bovendien acht Omrin voor 72 eural codes meerdere sectorplannen van toepassing waardoor het palet aan mogelijke toepasselijke minimumstandaarden nog breder wordt. Op een afvalstof kan slechts één minimumstandaard van toepassing zijn. Indien een eural code te breed is gedefinieerd om toe te kennen aan een enkele minimumstandaard dient Omrin de afvalstoffen die onder dezelfde eural code vallen te differentiëren naar een niveau waarop dat wel kan.
De verwerking op de inrichting wordt inzichtelijk gemaakt door per Eural code de mogelijke verwerkingsactiviteiten te benoemen. Ook hiervoor geldt dat Omrin de afvalstoffen op een detailniveau moet omschrijven waarop ze kan aangeven wat de verwerking zal zijn en niet wat de verschillende opties zijn.
De ‘niet technische samenvatting’ bevat in hoofdstuk 2 een omschrijving van de verschillende verwerkingsactiviteiten die op de inrichting plaatsvinden. Per activiteit worden de afvalstoffen kort omschreven die verwerkt worden. De omschrijving is echter te generiek om te bepalen welke eural codes daar bij horen. Hoewel de koppeling tussen omschrijving van afvalstof en eural code wel expliciet wordt gemaakt op p.18-20 geldt dat maar voor 20-25% van de eural codes. Voor de overige wordt verwezen naar het afvalstoffenregister. Zie in dat kader ook het voorgaande punt.
De acceptatiecriteria in hoofdstuk 3 van het AV en AO/IC zijn onvoldoende uitgewerkt.
De samenhang tussen de ZZS die in de ZZS inventarisatie zijn geïdentificeerd en de acceptatiecriteria in hoofdstuk 3 van het AV en AO/IC wordt niet toegelicht. Aangezien die ook niet zondermeer is af te leiden, dient toegelicht te worden op welke basis wordt bepaald om een acceptatiecriterium te formuleren voor een ZZS.
De menghandelingen zijn onduidelijk en onvoldoende onderbouwd. In §2.4.2 van de ‘niet technische samenvatting’ en §6.5 van het AV en AO/IC staat informatie over menghandelingen. Wederom zijn de euralcodes niet vermeld van de afvalstoffen die worden gemengd. Dit is ook niet eenduidig af te leiden uit de omschrijving. De onderbouwing die wordt gegeven op p.39 van de ‘niet technische samenvatting’ beslaat twee zinnen en is te summier om te voldoen aan de onderbouwing die is vereist vanuit hoofdstuk D4 van LAP-3.
In de risico analyse in bijlage D van het AV en AO/IC, is het risico op een onjuiste toekenning van een eural code niet expliciteit herkend en de borging is onvoldoende risicogestuurd.
De eural code is bepalend voor de wijze waarop de afvalstof wordt verwerkt. Een onjuiste toekenning leidt tot een onjuiste verwerking die niet conform de minimum standaard is. Daarom is dit risico van belang. Vanwege de aanzienlijke hoeveelheid euralcodes die Omrin aanvraagt waarvan 30-40% euralcodes die tot een categorie overig behoren (niet elders genoemd, niet onder die en die eural code vallend) is het risico aanwezig.
Vanwege het belang en de aanwezigheid van dit risico dient het daarom expliciet geanalyseerd te worden. Hierbij moet ook bepaald worden voor welke groepen eural codes dit risico meer speelt dan voor andere. De borging dient daar op afgestemd te zijn.
Op basis van een berekening door Antea Groep (d.d. 18 juni 2015, 404016 – 150387 – HH06) welke niet is toegevoegd aan de aanvraag, is bepaald dat de drempelwaarden voor gevaarlijke stoffen zoals genoemd in de BRZO niet worden overschreden. Uit de QRA is op te maken dat geen enkele afvalstof als relevant wordt beschouwd voor de QRA. De onderbouwing daarvan ontbreekt. Die is wel nodig. Er worden immers brandbare afvalstoffen ingenomen, en de stelling die in §1.2.3.2 van het AV en AO/IC wordt gedaan dat giftige stoffen niet worden ingenomen, is niet onderbouwd.”
Het tweede advies van 22 april 2022 van ILT luidt:
“Ik heb de aanvullingen getoetst tegen de punten die ik in mijn eerdere advies van 9 september 2021 over de aanvraag had gemaakt. Ik constateer dat aan vrijwel al mijn punten geen of onvoldoende invulling is gegeven. Daarmee voldoet de voorliggende aanvraag nog steeds niet aan de indieningsvereisten en adviseer ik de aanvraag weer te laten aanvullen.
Dit op onderstaande punten (1 t/m 5).
Toets tegen minimum standaard niet mogelijk
In de nieuwe versie van het afvalstoffenregister wordt nu maximaal één sectorplan gekoppeld aan een euralcode. Dat is een verbetering. Tegelijkertijd wordt nog steeds geen informatie verstrekt waaruit de van toepassing zijnde minimumstandaard valt af te leiden. Voor bijvoorbeeld afval‐coatingpoeder (080201), waarop sectorplan 3 van toepassing wordt geacht, geeft Omrin aan dat het op de volgende manier verwerkt wordt; afvalberging, scheiden, vergisten, recycling en op‐ en overslag. Dit lijkt nog steeds een algemeen keuzemenu en geeft geen duidelijkheid over hoe een specifieke afvalstof concreet wordt verwerkt en waarom dat volgens de van toepassing zijnde minimumstandaard is. Omdat het hoofdstuk over de verwerkingsactiviteiten in de nieuwe versie van de ‘niet technische samenvatting’ ook nog steeds geen specifieke omschrijving van de afvalstoffen bevat en eural codes ontbreken, is er ook vanuit dat document geen zicht op te krijgen.
Uitwerking acceptatiecriteria onvoldoende
Er is geen invulling gegeven aan mijn punten over de acceptatiecriteria uit mijn vorige advies. Daarom neem ik ze in dit advies ongewijzigd over.
“De acceptatiecriteria in hoofdstuk 3 van het AV en AO/IC zijn onvoldoende uitgewerkt.
De samenhang tussen de ZZS die in de ZZS inventarisatie zijn geïdentificeerd en de acceptatiecriteria in hoofdstuk 3 van het AV en AO/IC wordt niet toegelicht. Aangezien die ook niet zondermeer is af te leiden, dient toegelicht te worden op welke basis wordt bepaald om een acceptatiecriterium te formuleren voor een ZZS.
Risico toekenning onjuiste euralcode
Er is geen invulling gegeven aan mijn punt over het toekennen van euralcodes. Daaromneem ik dat in dit advies ongewijzigd over.
“In de risico analyse in bijlage D van het AV en AO/IC, is het risico op een onjuiste toekenning van een eural code niet expliciteit herkend en de borging is onvoldoende risico-gestuurd.
De eural code is bepalend voor de wijze waarop de afvalstof wordt verwerkt. Een onjuiste toekenning leidt tot een onjuiste verwerking die niet conform de minimum standaard is. Daarom is dit risico van belang. Vanwege de aanzienlijke hoeveelheid euralcodes die Omrin aanvraagt waarvan 30‐40% euralcodes die tot een categorie overig behoren (niet elders genoemd, niet onder die en die eural code vallend) is het risico aanwezig.”
SO2 emissies bij stook op biogas
In §3.4 van de nieuwe versie van de luchtkwaliteitstoets staat vermeld dat er bij stook op biogas (WKKs) geen sprake is van SO2‐emissies omdat het biogas is opgewerkt tot aardgas kwaliteit. Tegelijkertijd valt er uit §2.4.1 en §2.5.1 van de niet technische samenvatting af te leiden dat biogas het vergistingsgas betreft dat niet is opgewerkt tot groen gas en daarmee niet dezelfde kwaliteit als aardgas heeft. Daardoor is opgave van de SO2‐emissies nog steeds relevant.
Er is geen invulling gegeven aan mijn punt over de BRZO toets. Daarom neem ik dat in dit advies ongewijzigd over.
“Op basis van een berekening door Antea Groep (d.d. 18 juni 2015, 404016 – 150387 -HH06) welke niet is toegevoegd aan de aanvraag, is bepaald dat de drempelwaarden voor gevaarlijke stoffen zoals genoemd in de BRZO niet worden overschreden. Uit de QRA is op te maken dat geen enkele afvalstof als relevant wordt beschouwd voor de QRA. De onderbouwing daarvan ontbreekt. Die is wel nodig. Er worden immers brand‐bare afvalstoffen ingenomen, en de stelling die in §1.2.3.2 van het AV en AO/IC wordt gedaan dat giftige stoffen niet worden ingenomen, is niet onderbouwd.”
“Menghandelingen: In de nieuwe versie van het AV en AO/IC worden in §6.5 de eural codes opgegeven van de afvalstoffen die worden gemengd. Deze eural codes komen voor in de tabel op p.19‐p.22 van de nieuwe versie van de niet technische samenvatting.
Deze tabel is verder aangevuld met de bestemming van de betreffende afvalstoffen. Hieruit valt af te leiden dat de afvalstoffen die worden gemengd brandbare restfracties betreffen die worden afgevoerd naar erkende afvalverbrandingsinstallaties. Dat lijkt de bewering van Omrin (die in §6.5 van het AV en AO/IC overigens zonder onderbouwing wordt gedaan) dat de gemengde afvalstoffen conform minimum standaard worden verwerkt en niet leiden tot onaanvaardbare blootstelling in ieder geval niet tegen te spreken”.
“Fakkel: De noodfakkel voor de verwerking van stortgas en biogas is een activiteit die niet is opgenomen in het activiteitenbesluit. Het is daarom logisch om terug te grijpen op de bepalingen in de bijzondere regeling G1 ("Verwerking van gassen van stortplaatsen, af‐valvergisting en anaërobe afvalwaterzuiverings installaties") van de Nederlandse Emissie Richtlin (NeR) ondanks dat deze is vervallen. De G1 bepaalt dat de fakkels van een ‘gesloten type’ zijn, de verblijftijd van de verbrandingsgassen in de fakkels minimaal 0,3 seconden is en uittreedtemperatuur tenminste 900 ⁰C. Dit laatste is hoger dan de verbrandingstemperatuur (800⁰ C) die Omrin in §3.4 van de nieuwe versie van de luchtkwaliteitstoets opgeeft voor haar fakkel.”
Naar aanleiding van de aanvulling van de aanvraag op 11 juli 2022 heeft de ILT een mail gestuurd op 14 juli 2022 en 1 augustus 2022. Samengevat luidt het advies in de mails van de ILT:
De structuur en samenhang lijkt er door de aanvullingen nu wel te zijn. De beslisboom biedt wel de helicopter view die tot dusver ontbrak.
“Mis (nog steeds) wel de uitwerking/concretisering op sommige punten zodat er goed op gehandhaafd kan worden. Gezien de tijdsdruk zou dat geregeld kunnen worden door die uitwerking als een voorschrift op te nemen.
Voor de twee euralcodes (010504 en 080201) die ik vaker heb gebruikt om de samenhang, duidelijkheid en volledigheid van alle AV-gerelateerde documenten te toetsen, is ook op basis van de beslisboom voor mij niet helemaal duidelijk wat nu de verwerking is. Voor 010504 kom ik overigens wel iets verder dan voor 080201 maar het blijft gissen. De opmerkingen die ik t.a.v. die euralcodes maakte in mijn toelichting van 2 juni 2022 zijn daarom nog steeds niet voldoende geadresseerd.
Ik vraag me af of dit op meer euralcodes van toepassing zijn (dat heb ik niet getoetst). Ook vraag ik me af of alle keuzemomenten die in de beslisboom staan terug te vinden zijn in H3 van het AV en AO/IC.”
Wij zijn met de ILT van mening dat vanwege de grote hoeveelheid aan euralcodes, de samenhang tussen de verschillende onderdelen van het A&V-beleid (Afvalregister, beslisboom, Acceptatie- en verwerkingsbeleid en de Niet Technische Samenvatting) naar onze mening niet voor alle euralcodes helemaal sluitend is. Hierdoor is niet altijd duidelijk op welke manier de afvalstoffen worden verwerkt.
Onder het hoofdstuk A&V-beleid en AO/IC gaan wij hier verder op in.
Zienswijzen op de ontwerpbeschikking
Van het ontwerp van de beschikking hebben wij op 27 augustus 2022 kennis gegeven in de Leeuwarder Courant en het Friesch Dagblad. Ook is digitaal gepubliceerd op internet, in het Provinciaal Blad Fryslân via https://www.officielebekendmakingen.nl.
Tussen 29 augustus 2022 en 10 oktober 2022 heeft het ontwerp ter inzage gelegen en is een ieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is gebruik gemaakt.
Op 10 oktober 2022 hebben we zienswijzen ontvangen van:
In bijlage 5 hebben we de zienswijzen samengevat en hebben we een reactie op de zienswijzen gegeven.
Wijzigingen ten opzichte van de ontwerpbeschikking
Ten opzichte van de ontwerpvergunning zijn de volgende wijzigingen aangebracht:
voorschrift 6.1.1 is aangepast, de hoeveelheden in de tabel van de ontwerpbeschikking weken af van de aangevraagde hoeveelheid. De hoeveelheden zijn nu in overeenstemming met de aanvraag. Ook is de tekst van het voorschrift aangepast. Het voorschrift geeft nu meer duidelijkheid voor toezicht op het voorschrift;
Verklaring van geen bedenkingen
Op grond van artikel 2.27 van de Wabo wijst het Bor of een bijzondere wet categorieën van gevallen aan waarvoor geldt dat een omgevingsvergunning niet eerder wordt verleend dat nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. Omdat het hier een geval betreft als vermeld in artikel 6.5 van het Bor (afwijken van de beheersverordening), wordt de omgevingsvergunning niet eerder verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente Heerenveen heeft verklaard dat daartegen geen bedenkingen zijn. In dit kader hebben wij na ontvangst van de aanvraag een exemplaar daarvan gezonden aan de gemeente Heerenveen.
Op 28 maart 2023 hebben wij van de gemeenteraad van Heerenveen een verklaring ontvangen waaruit blijkt dat er, gelet op het belang van een goede ruimtelijke ordening, geen bedenkingen zijn tegen het verlenen van de gevraagde vergunning. Deze verklaring bestaat uit een raadsbesluit (d.d. 23 maart 2023). Er zijn geen voorschriften gegeven.
In de Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen dat deze wet aanhaakt bij de Wabo wanneer:
Voor Ecopark De Wierde is op 10 februari 2017 een vergunning ingevolge de Wet natuurbescherming verleend (kenmerk 01389216).
Voor de nu aangevraagde activiteiten heeft Omrin op 2 juli 2020 een Wnb-vergunning aangevraagd. Dit betekent dat de Wnb in principe niet aanhaakt in deze Wabo-procedure. Vermeld kan worden dat er op 1 april 2021 een positieve weigering is afgegeven door de provincie Fryslân, omdat er geen vergunning nodig is. Voor de Wnb-aanvraag is een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is bij de aanvraag gevoegd. Uit dit onderzoek blijkt dat de doorgevoerde wijzigingen in de revisievergunningaanvraag geen verhoogde stikstofdepositie veroorzaken.
Voor het voorgenomen project is op 8 april 2020 een ontheffing Wnb aangevraagd voor de buizerd en gewone dwergvleermuis. Dit betekent dat de Wnb niet aanhaakt in deze Wabo-procedure. Op 10 juli 2020 heeft de provincie Fryslân de gevraagd ontheffing verleend.
De voorgenomen activiteit valt onder categorie 18.1 van de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Het bevoegd gezag moet bepalen of de activiteit daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Op grond van de Wm heeft de aanvrager de voorgenomen activiteit op 11 mei 2021 bij ons aangemeld door middel van een aanmeldnotitie (Wm, artikel 7.16). Daarop hebben wij op 29 juni 2021 het besluit, kenmerk 20201-FUMO-0041141, genomen dat voor deze voorgenomen activiteit geen milieueffectrapport opgesteld hoeft te worden. Dit besluit hebben wij op 3 juli 2021 bekend gemaakt. Dit besluit is bij de aanvraag gevoegd.
De aanvraag heeft betrekking op een revisievergunning voor een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e juncto artikel 2.6 van de Wabo.
Bij onze beslissing op de aanvraag hebben wij conform artikel 2.14, eerste lid, onder a, b en c van de Wabo:
In de onderstaande hoofdstukken lichten wij dit nader toe. Wij beperken ons tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed (kunnen) zijn.
In het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) zijn voor een groot aantal activiteiten die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden, rechtstreeks werkende, algemene regels opgenomen.
De inrichting waarvoor vergunning is aangevraagd, is aangemerkt als een inrichting waarvoor vergunningplicht (type C inrichting) geldt.
Binnen het bedrijf vinden de volgende activiteiten plaats die vallen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit:
Er moet worden voldaan aan de volgende paragrafen uit het Activiteitenbesluit en de daarbij behorende Activiteitenregeling, voor zover deze betrekking hebben op de genoemde (deel)activiteiten:
Paragraaf 3.1.3 Lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening
Paragraaf 3.2.1 Het in werking hebben van een middelgrote stookinstallatie, gestookt op standaard brandstof
Paragraaf 3.2.5 In werking hebben van een natte koeltoren
Paragraaf 3.3.1 Afleveren van vloeibare brandstof of gecomprimeerd aardgas aan motorvoertuigen voor het wegverkeer of afleveren van vloeibare brandstof aan spoorvoertuigen
Paragraaf 3.3.2 Het uitwendig wassen en stallen van motorvoertuigen, werktuigen of spoorvoertuigen
Paragraaf 3.4.2 Opslaan in ondergrondse opslagtanks van vloeibare brandstof, afgewerkte olie, bepaalde organische oplosmiddelen of vloeibare bodembedreigende stoffen die geen gevaarlijke stoffen of CMR stoffen zijn
Paragraaf 3.4.3 Opslaan en overslaan van goederen
Paragraaf 3.4.9 Opslaan van gasolie, smeerolie of afgewerkte olie in een bovengrondse opslagtank.
Voor het overige is per hoofdstuk of afdeling aangegeven of deze op een type C inrichting van toepassing is. Dit betekent dat ook hoofdstuk 1, afdeling 2.1 tot en met 2.4, 2.10 en 2.11 van hoofdstuk 2 en de overgangsbepalingen uit hoofdstuk 6 van het Activiteitenbesluit van toepassing kunnen zijn. Van belang voor deze vergunning is, of de inrichting ook voor de activiteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen voldoet aan de beste beschikbare technieken. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf.
Wij hebben op verzoek van Omrin op 26 augustus 2015 (kenmerk 2015-FUMO-00211369) een maatwerkvoorschrift gesteld. In afwijking van artikel 2.9 van het Activiteitenbesluit kan voor de afvalwaterzuivering in de MBR-installatie met bijbehorende opslag van afvalwater een aanvaardbaar bodemrisico gerealiseerd worden. De bodembeschermende voorzieningen en maatregelen moeten worden uitgevoerd overeenkomstig het bij het maatwerkbesluit behorende plan van aanpak.
De voorschriften voor het onderdeel milieu die in deze vergunning zijn opgenomen, betreffen aspecten en activiteiten die niet zijn geregeld in het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling.
In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast.
Bij het opstellen van de omgevingsvergunning milieu moet rekening worden gehouden met de BBT-conclusies. De Europese Commissie stelt de BBT-conclusies op en maakt deze bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.
BBT-conclusies is een document met de conclusies over beste beschikbare technieken, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, lid 5 en 7 van de Rie.
Het verschil tussen artikel 13, lid 5 en lid 7 van de Rie is:
BBT-conclusies overeenkomstig artikel 13, lid 7 is het hoofdstuk Best available techniques (BAT) uit de BREF's. De Europese commissie heeft deze BREF's vastgesteld vóór 6 januari 2011. Dit hoofdstuk geldt als BBT-conclusies totdat de Europese Commissie voor die activiteit nieuwe BBT-conclusies vaststelt.
Concrete bepaling beste beschikbare technieken
Binnen de inrichting worden één of meer van de activiteiten uit bijlage 1 van de Rie uitgevoerd en wel de volgende:
Categorie 5.3: Nuttige toepassing, of een combinatie van nuttige toepassing en verwijdering, van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 75 t per dag, door middel van een of meer van de volgende activiteiten, met uitzondering van activiteiten die onder Richtlijn 91/271/EEG inzake de behandeling van stedelijk afvalwater vallen.
Categorie 5.4: Stortplaatsen als gedefinieerd in artikel 2, onder g) van Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen, die meer dan 10 ton afval per dag ontvangen of een totale capaciteit van meer dan 25.000 ton hebben, met uitzondering van stortplaatsen voor inerte afvalstoffen.
Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofactiviteit en aan andere relevante BBT-conclusies.
Op grond van artikel 9.2 van de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor) moet voor het bepalen van BBT binnen de inrichting aanvullend een toetsing plaatsvinden aan relevante aangewezen informatiedocumenten over BBT.
Uit jurisprudentie is gebleken dat het bevoegd gezag bij het toetsen aan BBT-conclusies de ontwikkelingen van BBT moet nagaan die sinds het vaststellen van de BBT-conclusies hebben plaatsgevonden. Bronnen voor ontwikkelingen over BBT zijn onder andere de concepten van herziene BREF’s.
Bij het bepalen van de BBT hebben we rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde BBT-conclusies:
Bij het bepalen van de BBT hebben wij rekening gehouden met de volgende informatiedocumenten over BBT, zoals aangewezen in de bijlage van de Mor:
Verder hebben wij bij het bepalen van de BBT rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde specifieke literatuur:
Voor stortplaatsen is geen BREF beschikbaar. De eisen aan stortplaatsen uit de Richtlijn Storten van Afvalstoffen (Richtlijn 1999/31/EG) kunnen als BBT beschouwd worden. De Richtlijn storten is in 2001 verwerkt in de Nederlandse regelgeving voor stortplaatsen in onder meer:
Bij het beoordelen van de aanvraag hebben we rekening gehouden met de eisen die volgens die richtlijn zijn gesteld.
Wij hebben verder rekening gehouden met de Handreiking methaanreductie stortplaatsen van april 2007 (rwsleefomgeving.nl), zoals aangewezen in de bijlage van de Regeling omgevingsrecht (Mor).
De regels in de Richtlijn Industriële Emissies zijn gericht op het voorkomen van emissies. De emissies van gestort afval, zowel naar de bodem als naar de lucht, zijn laag in Nederland. Dit komt door de eisen aan de onderafdichting en de bovenafdichting van stortplaatsen en door de samenstelling van het afval dat nu gestort wordt. Vrijkomend stortgas wordt gecontroleerd aan stortvakken onttrokken.
De inrichting voldoet - met inachtneming van de bij deze vergunning behorende voorschriften - aan BBT. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf.
Wij zijn van oordeel dat de ingediende gegevens voldoende informatie bevatten voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. Het toetsdocument waarin staat hoe invulling is gegeven aan de BBT, laten wij daarom onderdeel uitmaken van deze omgevingsvergunning.
Het beleid met betrekking tot afvalverwerking is gericht op het doelmatig beheer van afvalstoffen, zoals gedefinieerd in artikel 1.1 van de Wm. In dat kader houden wij rekening met het geldende afvalbeheersplan (het Landelijk Afvalbeheerplan 2017-2029, hierna aangeduid als het LAP) waaronder begrepen deel E (minimumstandaard per specifieke afvalstroom). De doelstellingen van het LAP geven invulling aan de prioriteitsvolgorde in de afvalhiërarchie zoals die in artikel 10.4 van de Wm is opgenomen:
De minimumstandaard geeft de minimale hoogwaardigheid aan van de verwerking van een bepaalde afvalstof of categorie van afvalstoffen. Deze minimumstandaard is bedoeld om te voorkomen dat afvalstoffen laagwaardiger worden verwerkt dan wenselijk is. Als de minimumstandaard bestaat uit verschillende verwerkingshandelingen bij diverse inrichtingen, kan voor de afzonderlijke verwerkingsstappen een vergunning worden verleend, mits de totale verwerking voldoet aan de minimumstandaard. In een aantal sectorplannen is vermeld dat het opnemen van sturingsvoorschriften dan noodzakelijk is.
Preventie van afval is een van de hoofddoelstellingen van het afvalstoffenbeleid. In deel B2 van het Landelijk Afvalbeheerplan 2017-2029, hierna aangeduid als het LAP, is het beleid uitgewerkt voor afvalpreventie. In Nederland is een separaat afvalpreventieprogramma vastgesteld. De uitwerking van preventie-activiteiten vindt voornamelijk plaats via het programma Van Afval Naar Grondstof (VANG) en is inmiddels voortgezet in de vorm van het Rijksbrede programma Circulaire Economie.
In alle bedrijfsprocessen kunnen mogelijkheden bestaan om het ontstaan van afvalstoffen en het
- directe of indirecte - gebruik van grondstoffen terug te dringen of de bestaande grondstoffen te vervangen door duurzame alternatieven. Zowel het beperken van de hoeveelheid afvalstoffen als het terugdringen van de hoeveelheid grondstoffen levert direct een financiële besparing op.
Uitgangspunt voor alle bedrijven is dat het ontstaan van afval moet worden voorkomen of beperkt.
Ecopark De Wierde is een inrichting waar de opslag en be- en verwerking van afval centraal staat.
Gezien de uitgevoerde activiteiten op Ecopark De Wierde concluderen wij dat preventie niet relevant is. Wij verwachten niet dat preventie leidt tot veel minder afval. Wij hebben daarom in deze vergunning verder geen aandacht besteed aan de preventie van afvalstoffen.
In bijlage 11 van de Activiteitenregeling zijn verschillende categorieën van gevaarlijke en niet-gevaarlijke afvalstoffen vastgelegd die niet met elkaar, met andere afvalstoffen of met niet afvalstoffen mogen worden gemengd. Deze categorieën moeten dus gescheiden gehouden worden. Voor de overwegingen met betrekking tot het gescheiden houden/niet mengen van deze categorieën van afvalstoffen wordt verwezen naar de paragraaf ‘mengen’.
Categorieën van gevaarlijke afvalstoffen mogen op grond van artikel 10.54a van de Wet milieubeheer niet worden gemengd met elkaar, met andere afvalstoffen of met niet afvalstoffen. Hiervan kan alleen worden afgeweken wanneer dat in een omgevingsvergunning is vastgelegd.
Mengen van afvalstoffen ontstaan binnen de inrichting
Met ingang van 1 juli 2019 is artikel 2.12 van het Activiteitenbesluit mede van toepassing verklaard op type C-inrichtingen. Hierdoor zijn voor dit type inrichtingen de algemene regels van het Activiteitenbesluit van toepassing op:
Op het mengen van afvalstoffen is ook bijlage 11 van de Activiteitenregeling van toepassing.
Op het mengen van afvalstoffen ontstaan binnen de inrichting zijn de algemene regels uit het Activiteitenbesluit en daarbij horende regeling van toepassing. Afwijken van de in het Activiteitenbesluit opgenomen mengverboden kan alleen worden toegestaan voor het mengen van niet-gevaarlijke afvalstoffen, indien het gescheiden houden en gescheiden afgeven redelijkerwijs niet gevergd kan worden. Het beleid zoals opgenomen in de delen B3 (afvalscheiding) en B7 (mengen) van het LAP is hiervoor als toetsingskader gebruikt.
Acceptatie en/of verwerking van afvalstoffen
BBT-conclusies afvalbehandeling
Op 10 augustus 2018 is het document met BBT-conclusies voor afvalbehandeling vastgesteld. Veel BBT-conclusies voor afvalbehandeling hebben betrekking op emissies naar water en lucht (stof en geur), alsmede op geluid en trillingen.
Voor zover een BBT-conclusie betrekking heeft op emissies naar de lucht, de bodem, het water, geluidemissies en/of trillingen, wordt voor de overwegingen verwezen naar de desbetreffende paragraaf.
Bij het bepalen van de BBT specifiek voor de acceptatie en/of verwerking van afvalstoffen, hebben we rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde BBT-conclusies voor afvalbehandeling:
Tabel 1 Installatiespecifieke BBT-conclusies
De aangevraagde acceptatie en/of verwerking van afvalstoffen voldoet aan de hierboven genoemde BBT-conclusies.
Voor de acceptatie van afvalstoffen is een Acceptatie- en verwerkingsbeleid opgesteld en ingevoerd. Ook beschikt Omrin over een milieukwaliteitssysteem waarin de procedures voor de overbrenging van afval zijn vastgelegd.
Toetsing van de aangevraagde afvalactiviteiten
Uitsluitend opslaan van afvalstoffen
In het LAP is aangegeven dat voor het uitsluitend opslaan van afvalstoffen in beginsel een vergunning kan worden verleend. Drie afvalstromen worden hiervan uitgezonderd, te weten:
Als gevolg van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen wordt de opslag van afvalstoffen voorafgaand aan verwijdering gezien als storten, indien de tijdsduur van één jaar wordt overschreden. Indien de opslag voorafgaat aan nuttige toepassing van de afvalstoffen, is deze termijn drie jaar. Het is niet de bedoeling om voor of na afloop van de genoemde termijnen afvalstoffen weer langdurig in opslag te nemen binnen een andere inrichting. Na benutting van deze termijnen moet het afval worden afgevoerd naar een verwerker.
Uit de aanvraag blijkt dat de volgende afvalstoffen binnen de inrichting worden opgeslagen:
Voor het opslaan van deze afvalstoffen beschikt de aanvrager over de benodigde voorzieningen.
Voor de opslagtermijn van deze afvalstoffen is maximaal drie jaar bij een vorm van nuttige toepassing en één jaar in geval van verwijdering in de aanvraag opgenomen.
Binnen de inrichting wordt brandbaar afval opgeslagen dat in afwachting is van afvoer naar een AVI. Dit is toegestaan omdat het hier een stortplaats betreft.
Voor het opslaan van de hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend, omdat deze afvalstromen verder niet behoren tot de in het LAP genoemde uitzonderingen. In de vergunning is vastgelegd dat de termijn van opslag voorafgaand aan verwijdering maximaal 1 jaar is en de termijn van opslag voorafgaand aan nuttige toepassing maximaal 3 jaar.
Mengen niet gevaarlijke afvalstoffen
Categorieën van gevaarlijke afvalstoffen mogen op grond van artikel 10.54a van de Wet milieubeheer niet worden gemengd met elkaar, met andere afvalstoffen of met niet afvalstoffen. Hiervan kan alleen worden afgeweken wanneer dat in een omgevingsvergunning is vastgelegd.
Mengen van afvalstoffen ontstaan binnen de inrichting
Afvalstoffen moeten na het ontstaan gescheiden worden gehouden van andere afvalstoffen. Door gescheiden houden van afvalstoffen kan het afvalbeheer op een veilige manier gebeuren en kan er zoveel mogelijk gerecycled worden. Ook is het is ongewenst wanneer in afval gecumuleerde milieugevaarlijke stoffen door wegmengen ongecontroleerd in het milieu verspreid raken. Bovendien is het ook ongewenst als bepaalde, in afval aanwezige zeer zorgwekkende stoffen door mengen in producten terechtkomen, waarbij ze op enig moment (in de gebruiksfase of de afvalfase) in het milieu verspreid kunnen worden.
Onder bepaalde condities kunnen verschillende afvalstromen echter net zo goed of soms zelfs beter gezamenlijk worden verwerkt. Het samenvoegen van qua aard, samenstelling en concentraties niet met elkaar vergelijkbare (verschillende ) afvalstoffen, alsmede het samenvoegen van afvalstoffen en niet-afvalstoffen, wordt mengen genoemd.
Mengen is niet toegestaan, tenzij dat expliciet en gespecificeerd is aangevraagd en vastgelegd in de vergunning.
In artikel 2.12, derde lid van het Activiteitenbesluit is een mengverbod opgenomen voor van buiten de inrichting afkomstige niet gevaarlijke afvalstoffen, met andere categorieën van afvalstoffen.
Met ingang van 1 juli 2019 is artikel 2.12 van het Activiteitenbesluit mede van toepassing verklaard op type C-inrichtingen. Hierdoor zijn ook voor deze inrichting de algemene regels van het Activiteitenbesluit van toepassing op:
Op het mengen van afvalstoffen is ook bijlage 11 van de Activiteitenregeling van toepassing.
Afwijken van de in het Activiteitenbesluit opgenomen mengverboden kan alleen worden toegestaan voor het mengen van niet-gevaarlijke afvalstoffen indien het gescheiden houden en gescheiden afgeven redelijkerwijs niet gevergd kan worden. Het beleid zoals opgenomen in de delen B3 (afvalscheiding) en B7 (mengen) van het LAP is hiervoor het toetsingskader.
In de aanvraag wordt verzocht in afwijking van de algemene regels uit het Activiteitenbesluit de volgende niet gevaarlijke afvalstoffen met elkaar te mengen:
Genoemde afvalstoffen worden gemengd ten behoeve van afvoer naar een verbrandingsinstallatie.
Op basis van het gestelde in de aanvraag hebben wij de doelmatigheid van het mengen van deze niet gevaarlijke afvalstromen als volgt beoordeeld:
Bij de beoordeling is het beleid zoals opgenomen in de delen B3 (afvalscheiding) en B7 (mengen) van het LAP is als toetsingskader gebruikt.
De minimum standaard van de genoemde afvalstoffen betreft verbranden. Het mengen van de afvalstoffen vormt geen belemmering voor het verwerken van de betreffende afvalstoffen volgens de minimumstandaard of een techniek die ten minste even hoogwaardig is als de minimumstandaard.
Daarnaast zijn er geen andere redenen zoals milieubescherming of bescherming van de volksgezondheid, zoals arbo of veiligheid, waarom de afvalstoffen niet mogen worden gemengd.
De vergunning voor het mengen van de genoemde afvalstoffen kan worden verleend.
De gevaarlijk afvalstoffen die binnen de inrichting worden verwerkt of opgeslagen zijn alleen de afvalstoffen die gevaarlijk zijn op basis van de concentratie asbest of afgedankte elektrische en elektronische apparatuur
Verwerking: afvalstro(o)m(en) waarvoor in deel E van het LAP een sectorplan is opgenomen
Voor de onderhavige aanvraag zijn de volgende sectorplannen uit deel E van het LAP van toepassing:
Huishoudelijk restafval (fijn en grof) (sectorplan 1)
In de aanvraag is voor huishoudelijk afval de volgende verwerkingsmethode beschreven:
Het bewerken van huishoudelijk afval (HHA) door middel van een scheidings- en vergistingsinstallatie. Het doel van de installatie is de maximale terugwinning van grondstoffen en groengas uit het huishoudelijk afval. De installatie is in een drietal processtappen in te delen, te weten:
In de aanvraag wordt tevens aangegeven dat het residu grof huishoudelijk afval (GHA) wordt verwerkt. Een deel van het GHA-residu wordt geshredderd en vervolgens afgevoerd naar een verbrandingsinstallatie.
Het beleid voor huishoudelijk restafval is neergelegd in sectorplan 1 en is gericht op recycling van deelstromen. Voor de verwerking van het residu van (grof) huishoudelijk restafval heeft nuttige toepassing de voorkeur. Vanwege de heterogeniteit van huishoudelijk afval niet zijnde GHA is dat niet altijd mogelijk. Om die reden is de minimumstandaard 'verbranden als vorm van verwijdering'. Bij verbranden van huishoudelijk restafval in een AVI leidt de rookgasreiniging tot een minimale hoeveelheid reststoffen die wordt gestort. De overige reststoffen worden nuttig toegepast. Bovendien wordt bij het verbranden energie gewonnen.
Voor grof huishoudelijk restafval is het beleid primair gericht op verwerken ten behoeve van nuttige toepassing. Uitgangspunt is wel dat wordt voorkomen dat deelstromen of residuen na het verwerken worden gestort. De terugvaloptie voor deze residuen is verbranden als vorm van verwijdering. Storten
wordt niet toegestaan. Dit betekent dit dat de verwerking moet worden ingericht op het maximaliseren van hergebruik, met als beperking dat het residu ten minste verbrand moet kunnen blijven worden.
De minimumstandaard voor fijn huishoudelijk restafval is verbranden als vorm van verwijdering. Sorteren, nascheiden of anderzins verwerken gericht op nuttige toepassing van (een deel van) het huishoudelijk afval is toegestaan, met als beperking dat het overblijvende residu nog minimaal verbrand moet kunnen worden. Voor de verwerking van de hierbij gevormde deelfracties / monostromen wordt verwezen naar de daarvoor geldende minimumstandaarden of het beleidskader.
Het gaat hier om het huishoudelijk restafval en de residuen die ontstaan bij het sorteren of anderszins verwerken van huishoudelijk restafval.
De in de aanvraag voor fijn huishoudelijk restafval beschreven verwerkingsmethode voldoet aan de minimumstandaard.
Grof huishoudelijk restafval (GHA-residu)
De minimumstandaard voor grof huishoudelijk restafval (de container 'overig' of 'rest' op de milieustraat) is verbranden als vorm van verwijdering.
De in de aanvraag voor grof huishoudelijk restafval beschreven verwerkingsmethode voldoet aan de minimumstandaard.
Deelstromen van grof huishoudelijk afval
De minimumstandaard voor deelstromen van grof huishoudelijk afval is sorteren of anderszins verwerken met als doel zoveel mogelijk monostromen af te scheiden die geschikt zijn voor recycling. De mate van recycling dient gelijkwaardig te zijn aan de situatie waarin de stromen wel meteen op de milieustraat gescheiden gehouden waren. De verwerking van de hierbij gevormde deelfracties / monostromen moet vervolgens voldoen aan de daarvoor geldende minimumstandaarden.
De in de aanvraag voor deelstromen van grof huishoudelijk afval beschreven verwerkingsmethode voldoet aan de minimumstandaard.
Gemengd grof huishoudelijk afval
Voor grof huishoudelijk restafval dat gemengd is aangeboden of bij inzameling niet naar soort gescheiden is gehouden, is de minimumstandaard verwerken met als doel zoveel mogelijk monostromen af te scheiden die geschikt zijn voor recycling, met als beperking dat het residu ten minste verbrand moet kunnen worden.
Verder moet worden voorkomen dat er afvoer plaatsvindt naar een laagwaardigere verwerking dan recycling, zoals verbranding en storten.
Binnen Ecopark De Wierde wordt deze gemengde stroom grof huishoudelijk afval niet verwerkt.
Wij hebben voor de verwerking van grof huishoudelijk afval een sturingsvoorschrift opgenomen in de vergunning. Het sturingsvoorschrift is opgenomen zodat de verwerking van grof huishoudelijk afval wordt ingericht op het maximaliseren voor hergebruik, met als beperking dat het residu ten minste nog verbrand moet kunnen worden.
Restafval van bedrijven (sectorplan 2)
Dit sectorplan heeft betrekking op restafval van bedrijven dat qua aard en samenstelling vergelijkbaar is met fijn huishoudelijk restafval.
In de aanvraag is voor het bewerken van handel-, diensten- en overheidsafval (HDO) de volgende verwerkingsmethode beschreven:
Het bewerken van handel-, diensten- en overheidsafval (HDO) door middel van een scheidings- en vergistingsinstallatie. Het doel van de installatie is de maximale terugwinning van grondstoffen en groengas uit het huishoudelijk afval.
De installatie is in een drietal processtappen in te delen, te weten:
Het beleid voor restafval van bedrijven is neergelegd in sectorplan 2 en is gericht op nuttige toepassing van de deelstromen.
Voor de volgende afvalstoffen vallende onder de reikwijdte van dit sectorplan:
is de minimumstandaard verbranden als vorm van verwijdering. Sorteren, nascheiden of anderszins verwerken gericht op nuttige toepassing van (een deel van) het restafval van bedrijven is toegestaan, met als beperking dat het overblijvende residu nog minimaal verbrand moet kunnen worden. Voor de verwerking van de hierbij gevormde deelfracties / monostromen wordt verwezen naar de daarvoor geldende minimumstandaarden.
Voor de volgende afvalstoffen vallende onder de reikwijdte van dit sectorplan:
is de minimumstandaard verbranden als vorm van verwijdering.
De in de vergunningaanvraag beschreven verwerkingsmethode voor restafval van bedrijven voldoet aan de minimumstandaard.
Procesafhankelijk industrieel afval (sectorplan 3)
Procesafhankelijk industrieel afval van productieprocessen betreft zowel gevaarlijke als niet gevaarlijke afvalstoffen die vrijkomen bij industriële productieprocessen. De afvalstoffen zijn divers van samenstelling en omvang. Het gaat bij dit sectorplan om afvalstoffen die ontstaan in het productie- of verwerkingsproces. Voorbeelden van procesafhankelijk industrieel afval zijn (niet limitatief): afval van voedselproductie, glasafval, katalysatoren, mineraal afval, gebruikte chemicaliën en chemische baden, metaalzouten, residuen en sludges, filtermateriaal, snijafval, productierestanten, filterkoek, etc. Onder procesafhankelijk industrieel afval vallen ook partijen verpakt productieafval die in het afvalstadium zijn geraakt, mischarges en ‘over-de-datum’ producten die de beoogde afnemer nog niet hebben bereikt.
Uit de aanvraag blijkt dat binnen Ecopark De Wierde alleen de niet gevaarlijke afvalstoffen die vrijkomen bij industriële productieprocessen worden verwerkt. In de aanvraag zijn voor procesafhankelijk industrieel afval de volgende verwerkingsmethodes beschreven:
Het beleid voor procesafhankelijk industrieel afval van productieprocessen is gericht op recycling.
De minimumstandaard voor Procesafhankelijk industrieel afval van productieprocessen is recycling.
Niet voor recycling geschikt procesafhankelijk industrieel afval van productieprocessen
Dit betreft procesafhankelijk industrieel afval waarvoor recycling, gezien de aard of samenstelling, technisch niet mogelijk is of waarvoor de recyclingroute zo duur is dat de kosten voor afgifte van deze partijen aan de poort van de verwerker door de ontdoener, meer zouden bedragen dan € 205,-/ton.
Hiervoor is de minimumstandaard:
‘Hoofdgebruik als brandstof’ als vorm van nuttige toepassing is alleen toegestaan binnen inrichtingen waarin emissiebeperking is gereguleerd in specifieke regelgeving en/of daarop gebaseerde vergunningen. Dit betekent dat afzet als en het verwerken tot (onderdeel van) brandstof voor motoren van voer- en vaartuigen, andere mobiele toepassingen of vormen van inzet buiten inrichtingen voor deze afvalstof niet is toegestaan. Om een dergelijke inzet buiten inrichtingen te voorkomen, is in deze vergunning een sturingsvoorschrift opgenomen.
De in de vergunningaanvraag beschreven verwerkingsmethode voor procesafhankelijk industrieel afval voldoet aan de minimumstandaard.
Gescheiden ingezameld organisch bedrijfsafval (sectorplan 7)
In de aanvraag is aangegeven dat biologisch afbreekbaar keuken- en kantineafval
wordt verwerkt in de scheidings- en vergistingsinstallatie.
Deze afvalstroom valt onder sectorplan 7. De minimumstandaard voor biologisch afbreekbaar keuken- en kantineafval is
De in de vergunningaanvraag beschreven verwerkingsmethode voor biologisch afbreekbaar keuken- en kantineafval voldoet niet geheel aan de minimumstandaard. Het digestaat uit de vergistingsinstallatie op Ecopark De Wierde wordt afgevoerd voor verbranding. Volgens de minimumstandaard moet het digestaat gerecycled worden.
Wij zullen daarom de vergunning voor het gedeelte dat betrekking heeft op het verwerken van biologisch afbreekbaar keuken- en kantineafval (euralcode 200108) in de scheidings- en vergistingsinstallatie weigeren.
Gescheiden ingezameld groenafval (sectorplan 8);
In de aanvraag is aangegeven dat biologisch afbreekbaar afval en spijsolie en -vetten wordt verwerkt in de scheidings- en vergistingsinstallatie of in de waterzuiveringsinstallatie.
Deze afvalstromen vallen onder sectorplan 8. De minimumstandaard voor biologisch afbreekbaar keuken- en kantineafval is recycling in de vorm van:
De in de vergunningaanvraag beschreven verwerkingsmethode voor biologisch afbreekbaar afval voldoet niet geheel aan de minimumstandaard. Het digestaat uit de vergistingsinstallatie op Ecopark De Wierde wordt afgevoerd voor verbranding. Volgens de minimumstandaard moet het digestaat gerecycled worden.
Wij zullen daarom de vergunning voor het gedeelte dat betrekking heeft op het verwerken van biologisch afbreekbaar afval (euralcode 200201) en spijsolie en -vetten (euralcode 200125) in de scheidings- en vergistingsinstallatie weigeren.
Afval van onderhoud van openbare ruimten (sectorplan 9)
In de aanvraag is aangegeven dat veegvuil en riool-, kolken- en gemalenslib (RKG-slib) wordt verwerkt. Deze afvalstroom valt onder sectorplan 9.
Volgens de aanvraag wordt het materiaal ontwaterd (waarbij ook de eerste afbraak van verontreinigingen plaatsvindt) en gezeefd. De zeefoverloop wordt afgevoerd voor verbranding. De grondachtige partij wordt vervolgens gekeurd volgens het Besluit bodemkwaliteit en in opslag genomen als bouwstof (grond). Indien het materiaal niet voldoet, vindt er verdere bewerking plaats door middel van omzetten van de partij of de partij wordt afgevoerd naar een derde, zoals een extractieve reiniger. Middels biologische afbraak c.q. wassing (extern) kunnen de gehalten van de
verontreinigingen weer voldoen aan de eisen van het Besluit bodemkwaliteit. Het bewerkte
materiaal kan na goedkeuring in zowel werken binnen als buiten Ecopark De Wierde worden
Het beleid voor veegvuil en RKG-slib is neergelegd in sectorplan 9 (Afval van openbare ruimten) en is gericht op nuttige toepassing als grond van de inerte fractie. Nuttige toepassing van de restfractie verdient de voorkeur, maar is vanwege de heterogeniteit van deze stroom niet altijd mogelijk. Om die reden is de minimumstandaard 'verbranden als vorm van verwijdering'. Bij verbranden van de restfractie in een AVI leidt de rookgasreiniging tot een minimale hoeveelheid reststoffen die wordt gestort. De overige reststoffen van verbranding worden nuttig toegepast. Bovendien wordt bij het verbranden energie gewonnen.
De in de vergunningaanvraag beschreven verwerkingsmethode voor veegvuil en RKG-slib voldoet aan de minimumstandaard.
Waterzuiveringsslib (sectorplan 16)
In de aanvraag is aangegeven dat waterzuiveringsslib wordt verwerkt in de scheidings- en vergistingsinstallatie.
Het beleid voor waterzuiveringsslib is neergelegd in sectorplan 16.
Waterzuiveringsslib, niet zijnde slibben van afvalwaterzuivering uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie
Voor waterzuiveringsslib, niet zijnde slibben van afvalwaterzuivering uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie, zijn de volgende verwerkingsmethoden toegestaan:
De volgende verwerkingsvormen zijn nadrukkelijk niet toegestaan:
De in de aanvraag beschreven verwerking van waterzuiveringsslib, niet zijnde slibben van afvalwaterzuivering uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie, in de vergistingsinstallatie voldoet aan de minimumstandaard.
Slib van de biologische zuivering van afvalwater uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie
Voor slibben afkomstig van de biologische zuivering van afvalwater uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie is de minimumstandaard recycling (bijvoorbeeld toepassing als meststof al dan niet na biologisch drogen [composteren of vergisten]).
Inzet als hulpstof in Hydrostab voor toepassing op een stortplaats is eveneens toegestaan. Voor slibben waarvoor recycling technisch niet mogelijk is of waarvoor de kosten voor afgifte van deze partijen aan de poort van de verwerker door de ontdoener meer zouden bedragen dan € 205,-/ton, is de minimumstandaard ‘verbranden als vorm van verwijdering’.
Bij de vergisting binnen Ecopark De Wierde wordt het digestaat afgevoerd voor verbranding.
Om slibben uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie te mogen verwerken in de vergistingsinstallatie, moet de ontdoener aantonen dat recycling technisch niet mogelijk is of dat de kosten voor afgifte van deze partijen aan de poort van de verwerker door de ontdoener meer zouden bedragen dan € 205,-/ton.
In het bij de aanvraag gevoegde Acceptatie- en Verwerkingsbeleid is niet specifiek ingegaan op dit acceptatiecriterium. Wij hebben hiervoor een voorschrift opgenomen in de vergunning. Het voorschrift is opgenomen zodat de verwerking van slibben uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie in de vergistingsinstallatie alleen mag plaatvinden als de ontdoener heeft aangetoond dat recycling technisch niet mogelijk is of dat de kosten voor afgifte van deze partijen aan de poort van de verwerker door de ontdoener meer zouden bedragen dan € 205,-/ton.
Reststoffen van drinkwaterbereiding (sectorplan 17)
In de aanvraag is aangegeven dat waterzuiveringsslib (waterzuiveringsslib, onthardingsslib en niet elders genoemd afval, zijnde organische reststromen) wordt verwerkt in de scheidings- en vergistingsinstallatie.
Het beleid voor reststoffen van drinkwaterbereiding is neergelegd in sectorplan 17.
De minimumstandaard voor reststoffen van drinkwaterbereiding is recycling:
Gebruik als hulpstof bij de productie van meststoffen (bijvoorbeeld om het gehalte aan zwavelwaterstof beneden schadelijke niveaus te houden), of in een rioolwaterzuivering (voor bijvoorbeeld fosfaatbinding of zwavelbinding [stankbestrijding]), in beide gevallen voor zover de arseenconcentratie kleiner of gelijk is aan 150 mg/kg droge stof en de van toepassing zijnde wet- en regelgeving dit toestaat;
Recycling tot een bouwstof voor zover dit is toegestaan binnen de randvoorwaarden van het Besluit bodemkwaliteit en met inachtneming van het algemene beleid voor het vergunnen van menghandelingen (hoofdstuk D.4 beleidskader) en in het bijzonder mengen t.b.v. de productie van een bouwstof (§ D.4.4.5 beleidskader);
De minimum standaard voor deze reststoffen is storten op een daarvoor geschikte stortplaats.
De verwerking van de reststoffen van drinkwaterbereiding als hulpstof in de vergistingsinstallatie voldoet aan de minimum standaard voor verwerking. De reststoffen die niet geschikt zijn voor verwerking mogen worden gestort op de stortplaats.
In de aanvraag is beschreven dat AVI-bodemas binnen de inrichting kan worden gestort.
Het beleid voor AVI-bodemas is neergelegd in sectorplan 20.
De minimumstandaard voor AVI-bodemas is recycling door opwerken van AVI-bodemas conform de bepalingen van de Green Deal AVI-bodemas en waarbij aan de volgende voorwaarden
Ook is recycling toegestaan, waarbij in ieder geval ook maximale afscheiding van ferro- en non-ferro metalen plaatsvind ten behoeve van recycling.
De minimumstandaard voor het residu van het ‘opwerkingsproces’ conform de bepalingen van de Green Deal, is storten op een daarvoor geschikte stortplaats. Nuttige toepassing is nadrukkelijk niet toegestaan, ook niet in combinatie met immobilisatie.
Het in de aanvraag beschreven storten van AVI-bodemas is alleen toegestaan voor het residu van het verwerkingsproces. Het AV-beleid moet op dit punt worden aangevuld. Hiervoor hebben we een voorschrift opgenomen. Binnen de stortplaats kan AVI-bodemas na afscheiding van metalen nuttig worden toegepast.
Met de bovengenoemde aanvulling voldoet de in de aanvraag beschreven bewerking van AVI-bodemas aan de minimumstandaard.
In de aanvraag is beschreven dat AVI-vliegas binnen de inrichting kan worden gestort.
De minimumstandaard voor verwerking van AVI-vliegas is storten, al dan niet na koude-immobilisatie, op een daarvoor geschikte stortplaats.
De in de aanvraag beschreven bewerking van AVI-vliegas voldoet aan de minimumstandaard.
Reststoffen van kolengestookte energiecentrales (sectorplan 23)
In de aanvraag is beschreven dat reststoffen van kolengestookte energiecentrales binnen de inrichting worden verwerkt binnen de stortplaats..
De minimumstandaard voor verwerking van de reststoffen van kolengestookte energiecentrales is recycling, met inachtneming van:
Om te voldoen aan de minimumstandaard mogen de reststoffen alleen binnen de stortplaats nuttig worden toegepast.
Reststoffen van energiewinning uit biomassa (sectorplan 24)
In de aanvraag is beschreven dat reststoffen van energiewinning uit biomassa binnen de inrichting kunnen worden gestort.
De minimumstandaard voor verwerking van reststoffen van energiewinning uit biomassa is storten, al dan niet na koude-immobilisatie, op een daarvoor geschikte stortplaats.
Wanneer recycling als meststof mogelijk is volgens het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet of wanneer (eerst) het fosfaat kan worden teruggewonnen, dan hebben dergelijke verwerkingsvormen de voorkeur.
De in de aanvraag beschreven bewerking van reststoffen van energiewinning uit biomassa voldoet aan de minimumstandaard.
In de aanvraag is beschreven dat Actief kool binnen de inrichting kan worden gestort.
In sectorplan 25 is het beleid voor actief kool beschreven. Alleen voor actief kool met veel onbrandbare verontreinigingen waarbij verbranden leidt tot diffuse verspreiding hiervan of tot belasting van nieuw actief kool, is de minimumstandaard voor verwerking storten.
Voor actief kool met veel onbrandbare verontreinigingen waarbij verbranden leidt tot diffuse verspreiding hiervan of tot belasting van nieuw actief kool, voldoet de beschrijving in de aanvraag aan de minimumstandaard.
Gemengd bouw- en sloopafval en gemengde fracties (sectorplan 28)
Gemengd bouw- en sloopafval: dit betreft gemengd bouw- en sloopafval aangeboden door bedrijven uit de bouw- en sloopsector, in samenstelling daarmee vergelijkbaar afval van bedrijven en particulier
gemengd verbouwingsafval (zijnde huishoudelijk restafval zoals dat ongescheiden vrijkomt bij bouwen, slopen of verbouwen door particuliere huishoudens).
Gemengde fracties: dit betreffen fracties die overblijven na sorteren of anderszins verwerken van bouw- en sloopafval, daarmee in samenstelling vergelijkbaar afval van bedrijven en particulier gemengd verbouwingsafval en mengsels van componenten als genoemd in artikel 4.1 van de Regeling Bouwbesluit 2012 die van de bouw- of slooplocatie als mengsel zijn afgevoerd met het oog op nascheiding.
Bouw- en sloopafval mag volgens de aanvraag alleen geaccepteerd worden voor verdere bewerking wanneer het gaat om een niet-verdachte locatie of om de niet-verontreinigde fractie van een verdachte locatie (bij selectieve sloop). In de aanvraag is beschreven dat de steen- en houtfractie (A-hout) uit bouw- en sloopafval wordt gebroken dan wel geshredderd.
De restfractie van bouw- en sloopafval wordt afgevoerd naar een verbrandingsinstallatie.
Er vindt geen bewerking van gemengd bouw- en sloopafval plaats.
De uit bouw- en sloopafval geproduceerde monostromen moeten worden verwerkt conform de daarvoor gelende minimumstandaarden.
Na het breken van de steenfractie worden eventuele verontreinigen verwijderd, zoals papier, glas en ferro-metalen.
De houtfractie wordt zo mogelijk eerst verkleind met een knipschaar en vervolgens geshredderd.
Verontreinigingen van metalen kunnen door sortering of magneten worden afgescheiden.
Het beleid voor bouw- en sloopafval is neergelegd in sectorplan 28.
Het uitgangspunt van het beleid is dat het gemengd bouw- en sloopafval gesorteerd wordt of anderszins verwerkt om zoveel mogelijk monostromen af te scheiden die geschikt zijn voor recycling. De minimumstandaard noemt de stromen die minimaal moeten worden afgescheiden. Verwerking van deze stromen moet vervolgens gebeuren volgens de minimumstandaarden die horen bij deze monostromen.
Voor de steenfractie is dat sectorplan 29.
Voor de houtfractie is dat sectorplan 36.
De minimumstandaard voor het sorteerresidu van gemengd bouw- en sloopafval en gemengde fracties, is verbranden als vorm van verwijdering. Dit geldt ook voor de gemengde fracties die niet geschikt zijn om te sorteren dan wel anderszins zijn te werken. Dit betreft gemengde fracties waarvoor sortering of verwerking gezien de aard en/of samenstelling niet mogelijk is, of waarvoor verwerking zo duur is dat de kosten voor afgifte door de producent/ontdoener meer zouden bedragen dan € 205,-/ton.
(Overig)Steenachtig materiaal (Sectorplan 29)
Onder dit sectorplan vallen de volgende afvalstoffen:
steenachtig materiaal: hieronder valt in hoofdzaak beton- en metselwerk, tegels, dakpannen, niet met teer of bitumen verkleefd dakgrind, stenen, steengruis, etc. wat ontstaat bij het bouwen, renoveren en slopen van gebouwen, bouwwerken en wegen (met uitzondering van asfalt). Ook vallen vormgegeven bouwstoffen/immobilisaten hieronder waarin in het verleden specifieke zeer zorgwekkende stoffen zijn verwerkt die op basis van huidige internationale wetgeving of de in het LAP opgenomen beleidslijn ZZS niet nuttig mogen worden toegepast (zie beleidskader hoofdstuk B.14 Zeer zorgwekkende stoffen);
Binnen de inrichting word alleen PAK-arm steenachtig materiaal voor verwerking (breken) geaccepteerd. In de aanvraag is beschreven dat bij acceptatie van schoon puin minimaal een PAK-analyse is vereist.
De minimumstandaard voor PAK-arm steenachtig materiaal (gehalte aan PAK10 ≤ 50 mg/kg droge stof) is recycling, met inachtneming van:
De in de aanvraag beschreven bewerking van PAK-arm steenachtig materiaal voldoet aan de minimumstandaard.
Binnen de inrichting worden ook steenachtige afvalstoffen geaccepteerd voor verwerking op de stortplaats. Het gaat om:
De minimumstandaard voor residu van extractief reinigen is storten op een daarvoor geschikte stortplaats. Nuttig toepassen van het residu zonder voorafgaande reiniging is nadrukkelijk niet toegestaan, ook niet in combinatie met immobilisatie. Uitzondering hierop betreft recycling (bijvoorbeeld metaalterugwinning) onder voorwaarde dat via de residuen geen diffuse verspreiding van de zware metalen plaatsvindt en de zware metalen ook niet worden verdeeld.
Verder worden steenachtige materialen toegepast als noodzakelijke voorziening op de stortplaats.
De voorwaarden voor dat gebruik staan in hoofdstuk B.12, § B.12.9.2 van het beleidskader.
Het materiaal moet in dit geval voldoen aan de kwaliteitseisen van het Besluit bodemkwaliteit (Bbk). Dit betekent onder meer dat het materiaal moet zijn voorzien van een geldige milieuhygiënische verklaring. Zonder een dergelijke verklaring is geen sprake van nuttige toepassing maar van storten.
De in de aanvraag beschreven bewerking van steenachtig materiaal voldoet aan de minimumstandaard.
De minimumstandaard voor het be- en verwerken van A- en B-hout is nuttige toepassing.
Binnen de inrichting wordt alleen A-hout geshredderd.
De in de aanvraag beschreven bewerking van A-hout staat verdere verwerking volgens de minimumstandaard niet in de weg.
Verontreinigde houtstromen (met asbest verontreinigd) worden binnen de inrichting gestort. Dit is alleen toegestaan als er geen andere vorm van nuttige toepassing mogelijk is.
Gips, cellenbeton, dakafval, straalgrit (sectorplannen 31, 32, 33, en 35)
In de aanvraag is beschreven dat gips, cellenbeton, dakafval en straalgrit binnen de inrichting kan worden gestort.
In sectorplan 31 is voor niet voor recycling geschikt gips (dit betreft gips waarvoor de recycling, gezien de aard of samenstelling, technisch niet mogelijk is of waarvoor de recyclingroute zo duur is dat de kosten voor afgifte van deze partijen aan de poort van de verwerker door de ontdoener meer zouden bedragen dan € 205,-/ton) de minimumstandaard storten op een daarvoor geschikte stortplaats.
In sectorplan 31 is voor cellenbeton de minimumstandaard storten op een daarvoor geschikte stortplaats.
In sectorplan 33 is aangegeven dat, in afwijking van de aangegeven minimumstandaard, storten alleen kan worden toegestaan voor een gemengde stroom ‘dakbedekking vreemd materiaal’ dat te veel voor AVI’s ongewenste componenten bevat. Voorwaarde is wel dat is aangetoond dat – rekening houdend met wat als best mogelijke technieken kan worden beschouwd en met bijbehorende kosten – het niet reëel is dat door verder sorteren het ontstaan van een te storten residu wordt voorkomen of significant verder wordt gereduceerd.
In sectorplan 35 is aangegeven dat uitsluitend straalgrit dat voldoet aan de bepalingen van de Regeling niet reinigbaar straalgrit, in afwijking van de minimumstandaard, mag worden gestort.
Het bovenstaande in acht genomen voldoet het storten van:
aan de minimumstandaard voor verwerking.
Asbest en asbesthoudende afvalstoffen (sectorplan 37)
Binnen de inrichting wordt asbesthoudend afval gestort.
De minimumstandaard voor asbest en asbesthoudend afval is storten op een daarvoor geschikte stortplaats.
Als gevolg van bovenstaande is (andere) nuttige toepassing vanwege de aard en gevaareigenschappen niet toegestaan, ook niet in combinatie met immobilisatie.
Het storten van asbest voldoet aan de minimumstandaard voor verwerking.
Verontreinigde grond (sectorplan 39)
In de aanvraag is voor verontreinigde grond de volgende verwerkingsmethode beschreven:
binnen de inrichting vindt biologische grondreiniging plaats. Als voorbehandeling van het reinigen is het soms noodzakelijk de grond te zeven dan wel grove materialen te verwijderen. Biologische reiniging mag alleen plaatsvinden onder de BRL 7500. Het biologisch reinigen kan in de vorm van landfarming plaatsvinden en door het toevoegen van speciale entmaterialen aan de grond om zodoende een versnelling van het reinigingsproces te verkrijgen en/of een afbraak van moeilijker afbreekbare verontreinigingen.
Verder wordt grond ook toegepast als noodzakelijke voorziening op de stortplaats.
Het beleid voor verontreinigde grond is neergelegd in sectorplan 39.
De algemene minimumstandaard voor het be- en verwerken van grond is nuttige toepassing volgens de normen die zijn vastgelegd in het Bbk voor het betreffende toepassingsgebied en met inachtneming van:
Reiniging of immobilisatie voorafgaand aan nuttige toepassing is toegestaan, met als restrictie dat geen grond mag worden gemengd ten behoeve van immobilisatie dan wel direct mag worden geïmmobiliseerd wanneer die één van de in bijlage B, tabel 1 van de Regeling bodemkwaliteit genoemde organische verontreinigingen bevat in een hoeveelheid van meer dan 120% van de referentiewaarde industrie.
Indien met een verklaring van niet-reinigbaarheid is aangetoond dat de grond niet tot minimaal de bodemkwaliteitsklasse industrie gereinigd kan worden en daarmee niet nuttig toepasbaar is, of door immobilisatie geschikt kan worden gemaakt voor nuttige toepassing, mag de grond worden gestort op een daarvoor geschikte stortplaats.
De minimumstandaard voor het be- en verwerken van asbesthoudende grond is het vernietigen van de asbestvezels dan wel het verwijderen van de asbestvezels tot beneden de restconcentratienorm van 100 milligram per kilogram droge stof voor serpentijnasbest, vermeerderd met tien maal de concentratie amfiboolasbest. Hierna moet de grond nuttig worden toegepast volgens de normen die zijn vastgelegd voor het toepassingsgebied.
Indien met een verklaring van niet-reinigbaarheid is aangetoond dat de grond ten minste voor asbest niet tot minimaal de bodemkwaliteitsklasse industrie gereinigd kan worden, mag de grond worden gestort op een daarvoor geschikte stortplaats
De minimumstandaard voor grondreinigingsresidu is storten op een daarvoor geschikte stortplaats.
Het nuttig toepassen van het residu zonder voorafgaande reiniging is nadrukkelijk niet toegestaan, ook niet in combinatie met immobilisatie. Uitzondering hierop betreft recycling (bijvoorbeeld metaalterugwinning) onder voorwaarde dat via de residuen geen diffuse verspreiding van de zware metalen plaatsvindt en de zware metalen ook niet worden verdeeld over een substantieel groter volume. Indien het residu uitsluitend voor wat betreft de brandbare verontreinigingen niet toepasbaar
is als bedoeld in het Bbk, is thermisch reinigen ten behoeve van nuttige toepassing toegestaan.
Voor zover in een van de voorgaande gevallen sprake is van nuttige toepassing van gereinigde of geïmmobiliseerde grond in een noodzakelijke voorziening op een stortplaats, is hoofdstuk B.12, § B.12.9.2 van het beleidskader van het LAP van toepassing.
De in de vergunningaanvraag voor verontreinigde grond beschreven be- /verwerkingsmethoden, inclusief het storten van niet-reinigbare grond en grondreinigingsresidu, voldoen aan de minimumstandaard.
In de aanvraag is beschreven dat er binnen de inrichting baggerspecie kan worden opgeslagen en ontwaterd. Eventuele verontreinigingen (stoorstoffen) kunnen worden verwijderd uit de baggerspecie. Niet reinigbare baggerspecie en bagger verontreinigd met asbest wordt binnen de inrichting gestort.
Verder wordt baggerspecie toegepast als noodzakelijke voorziening op de stortplaats.
Het beleid voor baggerspecie, al dan niet verontreinigd met diverse stoffen, is neergelegd in sectorplan 40.
De minimumstandaard voor baggerspecie die direct kan worden toegepast conform het Besluit bodem kwaliteit (Bbk), is nuttige toepassing volgens de normen die zijn vastgelegd voor het betreffende toepassingsgebied volgens het Bbk en met inachtneming van:
In afwijking van het voorgaande mag zoute baggerspecie worden gestort in een daarvoor geschikt baggerspeciedepot of op een daarvoor geschikte stortplaats, indien verspreiden in zout water
conform het Bbk niet mogelijk is.
De minimumstandaard voor baggerspecie die niet direct kan worden toegepast conform het
Bbk, is storten in een daarvoor geschikt baggerspeciedepot of op een daarvoor geschikte stortplaats.
Reiniging en/of bewerking gericht op nuttige toepassing is alleen toegestaan wanneer de baggerspecie na verwerking voldoet aan de normen die zijn vastgelegd voor het betreffende toepassingsgebied en met inachtneming van:
Reinigingsresidu vrijkomend bij reiniging van baggerspecie
De minimumstandaard voor reinigingsresidu vrijkomend bij reiniging van niet direct toepasbare baggerspecie, is storten op een daarvoor geschikte stortplaats. Nuttig toepassen van het residu door middel van immobilisatie is niet toegestaan. Uitzondering hierop betreft recycling (bijvoorbeeld
metaalterugwinning) onder voorwaarde dat via de residuen geen diffuse verspreiding van de zware metalen plaatsvindt en de zware metalen ook niet worden verdeeld over een substantieel groter
volume. Indien het residu uitsluitend voor wat betreft de brandbare verontreinigingen niet toepasbaar is als bedoeld in het Bbk, is thermisch reinigen ten behoeve van nuttige toepassing toegestaan.
De in de aanvraag voor baggerspecie beschreven verwerkingsmethode voldoet aan de minimumstandaard.
Verpakkingen algemeen (sectorplan 41)
Volgens de aanvraag is binnen de inrichting de kunststofsorteerinstallatie (KSI) aanwezig. Doel van de KSI is het verder sorteren van bron- en/of nagescheiden stromen, zoals PMD (plastic verpakkingen, metalen verpakkingen en drinkpakken), mix kunststoffen en drinkpakken. Door deze sortering worden de kunststoffen gereed en geschikt gemaakt voor nadere (nuttige) toepassing, zoals het recyclen daarvan. De installatie kan kunststoffen, metalen en drinkpakken sorteren in de volgende stromen: PET, PP, PE, folie, mix kunststoffen, drinkpakken, metalen en een sorteerrest/residu (RDF).
nagescheiden kunststofverpakkingsafval uit huishoudelijk restafval
Het beleid voor nagescheiden kunststofverpakkingsafval uit huishoudelijk restafval is neergelegd in sectorplan 1 (huishoudelijk restafval). Voor de verwerking van de bij de nascheiding gevormde deelfracties / monostromen wordt verwezen naar de daarvoor geldende minimumstandaarden. Voor het afgescheiden verpakkingsafval is dat sectorplan 41.
nagescheiden kunststofverpakkingsafval uit restafval van bedrijven
Het beleid voor nagescheiden kunststofverpakkingsafval uit restafval van bedrijven is neergelegd in sectorplan 2 (restafval van bedrijven). Voor de verwerking van de bij de nascheiding gevormde deelfracties / monostromen wordt verwezen naar de daarvoor geldende minimumstandaarden. Voor het afgescheiden verpakkingsafval is dat sectorplan 41.
brongescheiden kunststofverpakkingsafval (uit huishoudens en bedrijven
Het beleid voor brongescheiden kunststofverpakkingsafval (uit huishoudens en bedrijven) is neergelegd in sectorplan 41 (verpakkingen algemeen) en is gericht op recycling.
In sectorplan 41 is daartoe een minimumstandaard opgenomen. Voor verpakkingsafval is deze minimumstandaard recycling. Voor kunststofverpakkingsafval waarvoor recycling niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat het te sterk is verontreinigd of verkleefd is met andere materialen, is de minimumstandaard andere nuttige toepassing (bijvoorbeeld hoofdgebruik als brandstof).
De in de aanvraag beschreven be-/verwerkingsmethode voor het bron- en nagescheiden kunststofverpakkingsafval voldoet aan de minimumstandaard.
Afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (sectorplan 71)
In de aanvraag is beschreven dat afgedankte elektrische en elektronische appratuur (AEEA) binnen de inrichting slechts wordt gesorteerd. Glas van de verwerking van CRT-beeldbuizen kan worden gestort.
Het beleid voor AEEA is neergelegd in sectorplan 71.
De minimumstandaard voor het verwerken van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur is verwerken op een wijze waarop ten minste wordt voldaan aan het gestelde in artikel 11 van de Regeling Aeea.
Glas van CRT-beeldbuizen moet conform de minimum standaard gestort worden. Nuttige toepassing is uitsluitend toegestaan, indien het lood een technische functie heeft én geen sprake is van onaanvaardbare risico’s op blootstelling van mens en milieu aan lood. Hiervoor wordt getoetst aan hoofdstuk B.14, § B.14.4.3 van het beleidskader.
De minimumstandaard voor overige onderdelen en fracties die vrijkomen bij de verwerking van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, is het verwerken van de onderdelen en fracties conform de daarvoor geldende minimumstandaarden die zijn opgenomen in van toepassing zijnde sectorplannen. Voor zover onderdelen en fracties niet onder een sectorplan van het LAP vallen, moet verwerking worden getoetst aan de afvalhiërarchie, als bedoeld in hoofdstuk A.2, § A.4.2 van het beleidskader.
De aangevraagde sorteerwerkzaamheden omvatten niet de volledige minimumstandaard, maar zijn een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde sorteerwerkzaamheden een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staan, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
Het storten van glas van de verwerking van CRT-beeldbuizen voldoet aan de minimumstandaard voor verwerking.
Monostroom tapijt (sectorplan 84)
In de aanvraag is voor tapijt aangegeven dat deze stroom kan worden geshredderd.
Het beleid voor tapijt is neergelegd in sectorplan 84 en is gericht op recycling. In sectorplan 84 is daartoe een minimumstandaard opgenomen. Voor tapijt is deze minimumstandaard nuttige toepassing. De in de aanvraag voor tapijt beschreven verwerkingsmethode voldoet aan de minimumstandaard.
Zodra voldoende recyclingcapaciteit beschikbaar is voor tapijt en er een voldoende grote afzetmarkt is, zal de minimumstandaard voor tapijt worden gespecificeerd naar recycling.
Eén van de activiteiten waar de aanvraag betrekking op heeft, is het storten van afvalstoffen.
Volgens het LAP3 is storten een basisvoorziening die goed geregeld moet zijn. Stortplaatsen vormen de laatste schakel in de afvalbeheerketen en zijn als zodanig de achtervang voor afvalstoffen die om wat voor reden dan ook niet op een hoogwaardiger wijze kunnen worden verwerkt. Voor die achtervang van afvalstoffen moet voldoende stortcapaciteit beschikbaar zijn. Omdat er in Nederland voorlopig nog voldoende stortcapaciteit beschikbaar is, is in het LAP3 vastgelegd dat er geen sprake kan zijn van uitbreiding van stortcapaciteit. In het capaciteitsplan (B.15.4.2 overzicht stortplaatsen) van het LAP blijkt dat de nu te vergunnen capaciteit is voorzien in het plan. Er vindt geen uitbreiding plaats van de al vergunde stortcapaciteit.
Omdat storten wordt gezien als de minst gewenste vorm van afvalverwijdering, is het in Nederland niet toegestaan nuttig toepasbare of brandbare afvalstoffen te storten. Voor deze afvalstoffen gelden stortverboden die zijn opgenomen in het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen (Bssa).
Indien tijdelijk geen andere vorm van beheer dan storten mogelijk is, kan worden toegestaan dat een afvalstof die normaal gesproken anders wordt verwerkt, toch wordt gestort. Hiervoor moet in de omgevingsvergunning een voorschrift worden opgenomen dat bepaalde afvalstoffen waarvoor een stortverbod geldt, ook mogen worden gestort als het bevoegd gezag een ontheffing van het stortverbod heeft verleend. In deze gevallen mag het afval daarom in afwijking van de minimumstandaard wel gestort worden. Wij hebben in deze vergunning een voorschrift opgenomen dat dit mogelijk maakt.
Het acceptatie- en verwerkingsbeleid (A&V-beleid) en de administratieve organisatie en interne controle (AO/IC) spelen een rol bij het veilig stellen van een effectief en efficiënt beheer van afvalstoffen, respectievelijk het mogelijk maken van effectief toezicht op het afvalbeheer.
Om de risico’s van het verwerkingsproces te beheersen, moet een bedrijf dat zich met afvalbeheer bezighoudt beschrijven welke afvalstoffen worden geaccepteerd en waar nodig, welke afvalstoffen juist niet worden geaccepteerd (acceptatiebeleid) en welke afvalstoffen op welke manier binnen het bedrijf worden verwerkt (verwerkingsbeleid). Daarnaast moeten door technische, administratieve en organisatorische maatregelen de relevante processen binnen een bedrijf beheerst worden. Op deze wijze worden de milieuhygiënische en informatietechnische risico’s binnen de bedrijfsvoering geminimaliseerd. De omvang en de inhoud van de AO/IC is afhankelijk van de aard van de risico’s van het betreffende bedrijfsproces. De onderdelen die minimaal in het A&V-beleid en AO/IC moeten zijn beschreven, zijn vastgelegd in het LAP.
De minimale elementen voor het A&V-beleid en AO/IC vormen een kader en bevatten criteria op hoofdlijnen, waaraan de aanvraag inhoudelijk wordt getoetst.
Bedrijven moeten in het A&V-beleid ook uitwerken of en zo ja, welke afvalstoffen geaccepteerd worden die zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) kunnen bevatten. In het A&V-beleid moet worden uitgewerkt op welke wijze wordt beoordeeld of ZZS kunnen voorkomen in de afvalstoffen die geaccepteerd worden. Indien ZZS kunnen voorkomen, moet beschreven worden hoe de betreffende afvalstoffen worden verwerkt en hoe gewaarborgd is dat onaanvaardbare risico’s voor blootstelling van mens en milieu veroorzaakt door ZZS, worden voorkomen.
Bij de aanvraag is een beschrijving van het A&V-beleid en de AO/IC gevoegd. Daarin is per afvalstof aangegeven op welke wijze acceptatie en verwerking plaats zullen vinden. Hierbij is rekening gehouden met de specifieke bedrijfssituatie. Het beschreven A&V-beleid en de AO/IC voldoen niet geheel aan de minimale onderdelen zoals die in het LAP zijn beschreven.
Verder ontbreekt in het Acceptatie- en Verwerkingsbeleid in de beschrijving onder 3.13 (Organische reststromen) dat de verwerking van slibben uit de voedings- en genotsmid-delenindustrie in de vergistingsinstallatie alleen mag plaatsvinden als de ontdoener heeft aangetoond dat recycling technisch niet mogelijk is of dat de kosten voor afgifte van deze partijen aan de poort van de verwerker door de ontdoener meer zouden bedragen dan € 205,-/ton.
Op bovenstaande punten moet het AV-beleid worden aangepast. Daartoe hebben wij aan deze vergunning voorschriften verbonden.
Wijzigingen in het A&V-beleid en/of de AO/IC
Wijzigingen in het A&V-beleid en/of de AO/IC moeten schriftelijk aan ons worden voorgelegd. Als het bevoegd gezag zullen wij vervolgens bezien welke procedure in relatie tot de aard van de wijziging is vereist.
De aanvrager verkrijgt met deze vergunning de mogelijkheid om afvalstoffen van buiten de inrichting te ontvangen. Op grond van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen moet de inrichting de ontvangst van afvalstoffen melden. Voor een effectieve handhaving van het afvalbeheer is het van belang om registratieverplichtingen op te nemen (artikel 5.8 van het Bor). In deze vergunning zijn dan ook voorschriften voor de registratie van o.a. de aangevoerde, de afgevoerde en de geweigerde (afval-)stoffen opgenomen.
Gelet op het bovenstaande zijn wij van mening dat de aangevraagde activiteiten in overeenstemming zijn met het geldende afvalbeheersplan en daarmee bijdragen aan een doelmatig beheer van afvalstoffen.
Voor wat betreft het aspect bodembescherming valt het bedrijf (behalve de stortplaats) onder het Activiteitenbesluit (met uitzondering van artikel 2.11, lid 1). In het kader van deze vergunning hoeft daarom geen nadere beoordeling plaats te vinden. Op grond van het Activiteitenbesluit moeten alle bedrijfsactiviteiten worden verricht met voorzieningen en maatregelen die leiden tot een verwaarloosbaar bodemrisico.
Het kader voor de bescherming van de bodem
Het (nationale) preventieve bodembeschermingsbeleid is vastgelegd in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB). Het uitgangspunt van de NRB is dat door een combinatie van voorzieningen en maatregelen (cvm) een verwaarloosbaar bodemrisico wordt gerealiseerd. Alleen in bepaalde bestaande situaties kan conform de NRB onder voorwaarden volstaan worden met een aanvaardbaar bodemrisico.
Op basis van de NRB worden de (voorgenomen) activiteiten beoordeeld en wordt bepaald welke combinatie van voorzieningen en maatregelen noodzakelijk is om tot een verwaarloosbaar bodemrisico te komen. Daarbij richt de NRB zich op de normale bedrijfsvoering en voorzienbare incidenten. Bodembescherming in situaties van calamiteiten wordt in het kader van de NRB niet behandeld. Een eventuele calamiteitenopvang die onlosmakelijk deel uitmaakt van de installatie, bijvoorbeeld in de vorm van een tank of opvangbassin, is wel een activiteit waar de NRB in voorziet. Tankputten en calamiteitenvijvers voor de opslag van verontreinigd bluswater worden in de NRB niet behandeld.
De bodembedreigende activiteiten
De inrichting behelst de volgende bodembedreigende activiteiten:
Bij de aanvraag is een bodemrisicodocument gevoegd. Uit het document blijkt dat, uitgezonderd voor de afvalwaterzuivering, voor alle bodembedreigende activiteiten het verwaarloosbaar bodemrisico wordt behaald.
Voor de afvalwaterzuivering in de MBR-installatie met bijbehorende opslag van afvalwater kan een aanvaardbaar bodemrisico gerealiseerd worden. De bodembeschermende voorzieningen en maatregelen moeten worden uitgevoerd overeenkomstig het bij het maatwerkbesluit behorende plan van aanpak. Wij hebben dit op verzoek van Omrin op 26 augustus 2015 (kenmerk 2015-FUMO-00211369) in een maatwerkvoorschrift vastgelegd.
Storten is een potentieel bodembedreigende activiteit. Allerlei soorten afvalstoffen worden op en in de bodem gebracht met het oogmerk die daar te laten. Onder invloed van uitstromende vloeibare componenten, op de afvalstoffen neerkomend sproei- of hemelwater en uit de afvalstoffen percolerend afvalwater, ontstaan afvalwaterstromen. Als deze afvalwaterstromen ongecontroleerd uittreden, kunnen de bodem en het grond- en oppervlaktewater verontreinigd raken.
Bodembeschermende voorzieningen vanwege het storten
In het Stortbesluit bodembescherming (hierna Stortbesluit) en de daarbij horende uitvoeringsregeling is de regelgeving voor de bescherming van de bodem vastgelegd. In het besluit en de regeling wordt verwezen naar verschillende technische richtlijnen. Het Stortbesluit is een zogenaamde instructie-AMvB. Dit houdt in dat het bevoegd gezag de verplichting heeft om de regels uit de AMvB op te nemen in de vergunning voor een stortplaats. In het Stortbesluit is de EG-richtlijn Storten geïmplementeerd.
In het Stortbesluit en de uitvoeringsregeling zijn de IBC-criteria (Isoleren, Beheersen en Controleren) uitgewerkt. De concrete vertaling van de IBC-criteria resulteert in de onderstaande (belangrijkste) voorzieningen:
De aanvraag is getoetst aan de voorgaande punten.
Bij de oprichting van de stortplaats en tussentijds bij de inrichting van het stortlichaam zijn al de benodigde bodembeschermende maatregelen getroffen. Onder het stortlichaam bevindt zich een onderafdichting die van boven naar onder is opgebouwd uit:
Onder de afdichtingsconstructie bevindt zich een controledrainage waarmee de werking van de onderafdichting wordt gecontroleerd.
Het percolaat wordt via de percolaatdrainage afgevoerd naar de binnen de inrichting aanwezige afvalwaterzuiveringsinstallatie.
Door het periodiek monitoren van het ondiepe en diepe grondwater, het water in de controledrainage en het ringslootwater, wordt bewaakt of er verontreiniging van het grondwater optreedt. Mocht er sprake zijn van verontreiniging, dan kan de controledrainage ook als beheersdrainage dienst doen. De wijze en frequentie van monitoring hebben wij in de vergunningvoorschriften vastgelegd.
Op basis van de monitoringsresultaten van het referentiepunt uit het verleden is per te monitoren parameter een signaalwaarde bepaald. Op basis hiervan is een toetsingswaarde vastgesteld. Indien uit de metingen blijkt dat deze waarde wordt overschreden, dan dienen zodanige maatregelen te worden genomen dat verspreiding van de waargenomen verontreiniging wordt voorkomen. De maatregelen die moeten worden genomen zijn vastgelegd in het door Omrin ingediende Urgentieplan op hoofdlijnen van 20 november 2014, kenmerk 14.03114.
Bij de aanvraag is het rapport ‘1321499 – Omrin ophoogadvies Ecopark De Wierde Heerenveen – Afweging ophogen stort’ gevoegd. Om te bepalen of de ophoging van 24 naar 29 meter verantwoord is binnen de eisen van het stortbesluit is getoetst aan twee voorwaarden:
Uit het rapport blijkt dat ook na ophoging van de stortplaats, de afstand tussen de zool van de afvalberging en de grondwaterstand na het bereiken van de eindzetting van het afval ten minste 0,70 m boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand zal liggen. Op basis van berekeningen en de verzamelde monitoringsgegevens van de zetting van de stortplaats kan geconcludeerd worden dat de zetting gemiddeld 0,30 m en miaximaal 0,50 m bedraagt. Hiermee wordt voldaan aan de eisen uit het Stortbesluit.
Het stortlichaam is verdeeld in een aantal compartimenten. De compartimenten zijn in de loop der jaren voorzien van een onderafdichting. In de aanvraag is aangegeven in welk jaar de onderafdichting van een compartiment is aangelegd.
In de Uitvoeringsregeling Stortbesluit bodembescherming is opgenomen dat wij in de vergunningvoorschriften de verplichting opnemen dat zo spoedig als technisch mogelijk, doch niet later dan 30 jaar na het aanbrengen van de onderafdichting, aan de bovenkant van de afvalstoffen een bovenafdichting moet worden aangebracht die de infiltratie van regenwater tegengaat.
Aan de vergunning hebben wij voorschriften verbonden met betrekking tot het stellen van financiële zekerheid om de eindafwerking van de stortplaats te kunnen realiseren.
Voor het in stand houden van onderhoud, vervanging en monitoring van het IBC-voorzieningenniveau na sluiting van de stortplaats, is een nazorgplan opgesteld. De nazorgregeling is in de Wet Milieubeheer opgenomen. De provincie wordt na sluiting verantwoordelijk voor de nazorg van deze stortplaats.
Gelet op het bovenstaande stellen wij vast dat de vanuit het Stortbesluit vereiste bodembeschermende maatregelen aanwezig zijn. In de voorschriften hebben wij over de voorzieningen en de wijze van monitoring en rapporteren het gestelde in het Stortbesluit vastgelegd.
Het preventieve bodembeschermingsbeleid gaat ervan uit dat (zelfs) een verwaarloosbaar bodemrisico nooit volledig uitsluit dat een verontreiniging of aantasting van de bodem optreedt. Om die reden is altijd een nulsituatieonderzoek naar de kwaliteit van de bodem noodzakelijk. Het nulsituatieonderzoek richt zich op de afzonderlijke activiteiten en de daar gebruikte stoffen.
Nulsituatieonderzoek bestaat uit het vastleggen van de nulsituatie bodemkwaliteit voorafgaand aan de start van de betreffende activiteit(en). Na het beëindigen van de betreffende activiteit(en) dient een vergelijkbaar eindonderzoek te worden uitgevoerd.
Het nulsituatieonderzoek moet ten minste duidelijkheid verstrekken over:
De in het nulsituatieonderzoek vastgelegde bodemkwaliteit geldt als uitgangspunt bij de beoordeling of ten gevolge van de betreffende activiteiten verontreiniging of aantasting van de bodem heeft plaatsgevonden en of bodemherstel nodig is.
Voor het bodemonderzoek noodzakelijke werkzaamheden als vermeld in de Regeling bodemkwaliteit moeten zijn uitgevoerd door een erkende instantie als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit.
Op de locatie van Ecopark De Wierde zijn sinds de oprichting diverse onderzoeken verricht naar de kwaliteit van de bodem en het grondwater. In de volgende rapporten zijn de resultaten van de bodemonderzoeken vastgelegd:
Bovenstaande onderzoeken zijn in eerdere vergunningprocedures beoordeeld en geven ons geen aanleiding tot het stellen van nadere maatregelen of eisen. Wij beschouwen deze onderzoeken daarom als nulsituatie-onderzoek van de bodem en het grondwater van de bestaande inrichting.
Aanvullend aangeleverde bodemonderzoeken
Voor de nu aangevraagde uitbreiding van de locatie aan de oostkant zijn de onderstaande bodemonderzoeken aangeleverd:
Met het verkennend bodemonderzoek (Lievense, 19 juni 2019) is de nulsituatie van de voorgenomen uitbreiding voldoende vastgelegd.
Eindsituatieonderzoek en herstelplicht bij geconstateerde verontreiniging
Na beëindiging van de activiteiten of een deel daarvan moet een eindsituatieonderzoek naar de kwaliteit van de bodem worden verricht. Indien blijkt dat sprake is van een bodembelasting als gevolg van de activiteiten, zal de bodemkwaliteit hersteld moeten worden. Hiertoe zijn voorschriften in het Activiteitenbesluit opgenomen.
Binnen de inrichting op de locatie Ecopark De Wierde komen verschillende afvalwaterstromen vrij. Het overgrote deel van deze afvalwaterstromen wordt via een eigen afvalwaterzuiveringsinstallatie en/of een private persleiding rechtstreeks op de rioolwaterzuiveringsinstallatie te Heerenveen geloosd. Voor deze lozingen beschikt Omrin over een vigerende watervergunning. Op 11 augustus 2021 heeft Wetterskip Fryslân van Omrin tevens een aanvraag ontvangen voor een nieuwe watervergunning (OLO nr. 6226749). Omrin heeft daarnaast nog twee beperkte lozingen die plaatsvinden op de gemeentelijke riolering. Dit betreft het huishoudelijk afvalwater afkomstig van de kunststofsorteerinstallatie en het afstromend hemelwater van het buitenterrein van de kunststofsorteerinstallatie.
Huishoudelijk afvalwater kunststofsorteerinstallatie
Het huishoudelijk afvalwater is afkomstig van de sanitaire voorzieningen binnen het gebouw en wordt zonder voorzieningen geloosd op de gemeentelijke riolering. Aan de lozing van het huishoudelijk afvalwater op de riolering worden in het Activiteitenbesluit geen concrete voorschriften gesteld; de lozingen mogen in beginsel zonder beperkingen plaatsvinden. Wel moet op grond van de zorgplichtbepaling, artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit, worden voorkomen dat de doelmatige werking van de rioolwaterzuiveringsinstallatie wordt belemmerd of dat het onnodige problemen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater zou veroorzaken.
Afstromend hemelwater terrein kunststofsorteerinstallatie
Bij het gebouw van de kunststofsorteerinstallatie is een vloeistofdichte verharding aangebracht. Op deze verharding vinden de transportbewegingen plaats en worden in balen geperste fracties opgeslagen. Het afstromende hemelwater afkomstig van dit deel van het terrein wordt via een olie-/ benzineafscheider afgevoerd naar het vuilwaterriool van het gemeentelijke rioolstelsel. Deze lozing dient te voldoen aan de voorschriften in het Activiteitenbesluit onder paragraaf 3.4.3 "Opslaan en overslaan van goederen".
De bovengenoemde lozingen moeten voldoen aan de eisen van het Activiteitenbesluit.
De in de aanvraag vermelde maatregelen ter voorkoming en beperking van lozing van afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen, zullen naar verwachting leiden tot een acceptabel lozingsniveau dat in overeenstemming is met de in het Activiteitenbesluit opgenomen doelstellingen.
De bedrijfsactiviteiten hebben tot gevolg dat geluid wordt geproduceerd. Deze geluidsemissie wordt vooral veroorzaakt door de verwerkingsinstallaties voor afvalstoffen. De veroorzaakte geluidsbelasting in de omgeving en de perioden waarin deze optreedt, is in kaart gebracht in een akoestisch rapport van Sirius, projectnummer S20001 van 22 maart 2021.
Het geluid wordt beoordeeld op basis van de representatieve bedrijfssituatie (de geluidsemissie die de inrichting onder normale omstandigheden veroorzaakt). Beoordeeld worden de geluidsbelasting (het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en de maximale geluidsniveaus) en de indirecte hinder als gevolg van het in werking zijn van de inrichting.
Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau
In het kader van de beoordeling of de inrichting niet op ontoelaatbare wijze geluidshinder teweegbrengt, is gebruikgemaakt van de "Handreiking industrielawaai en vergunningverlening”, oktober 1998.
De aard van de woonomgeving kan volgens de Handreiking op drie wijzen worden gekarakteriseerd, namelijk als landelijke omgeving, als rustige woonwijk met weinig verkeer of als woonwijk in de stad. In de Handreiking zijn voor een landelijke omgeving richtwaarden opgenomen voor de dag-, avond- en nachtperiode van respectievelijk 40, 35 en 30 dB(A), voor een rustige woonwijk met weinig verkeer zijn richtwaarden voor de dag-, avond- en nachtperiode van respectievelijk 45, 40 en 35 dB(A) opgenomen en voor een woonwijk in de stad zijn richtwaarden voor de dag-, avond- en nachtperiode opgenomen van respectievelijk 50, 45 en 40 dB(A). Deze richtwaarden zijn gekoppeld aan reguliere referentieniveaus van het omgevingsgeluid in deze gebieden. Aan de west- en noordkant van de inrichting is sprake van een landelijke omgeving. Voor wat betreft de oost- en zuidkant van de inrichting hanteren wij als richtwaarde 45, 40 en 35 dB(A).
De richtwaarden worden bij de woningen gelegen aan de oost- en zuidkant van de inrichting niet overschreden.
De richtwaarden voor de landelijke omgeving bij de woningen gelegen aan de noord- en westkant van de inrichting worden wel overschreden. In een bestaande situatie zoals deze, kan een overschrijding van de richtwaarde aan de noord- en westkant van de inrichting toelaatbaar zijn tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Overschrijding van het referentieniveau tot maximaal 55 dB(A) etmaalwaarde kan in sommige gevallen toelaatbaar worden geacht op grond van een bestuurlijk afwegingsproces, waarbij de geluidbestrijdingskosten een belangrijke rol spelen. Om het referentieniveau van het omgevingsgeluid conform de richtlijn voor karakterisering en meting van omgevingsgeluid, IL-HR-15-01, vast te stellen, hebben wij geluidmetingen uitgevoerd waarvan de resultaten zijn weergegeven in het rapport “Meetverslag L95-geluidsmetingen Industrieterrein Kanaal West Versie 2 Nijehaske/Heerenveen april – augustus 2009” van 14 september 2009.
Een aanvullende meting is voor de afwegingen van de voorschriften niet nodig, omdat het geluidsniveau als gevolg van de activiteiten door de bedrijven op het bedrijventerrein niet is afgenomen tussen 2009 en 2022. Een nieuwe meting zou slechts iets hogere waarden opleveren.
Uit het akoestisch rapport blijkt dat er veel maatregelen worden getroffen en dat BBT wordt toegepast. Verder is het redelijkerwijs niet mogelijk om verdergaande maatregelen te treffen om de geluidbelasting merkbaar terug te dringen. Wij achten de aangevraagde activiteiten derhalve vergunbaar.
In de voorschriften nemen wij de berekende waarden op zoals gepresenteerd in het akoestisch onderzoek.
Maximaal geluidsniveau (LAmax)
Volgens de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening moet worden gestreefd naar het voorkomen van maximale geluidniveaus die meer dan 10 dB boven het aanwezige langtijdgemiddelde beoordelingsniveau uitkomen.
De grenswaarden voor de maximale geluidniveaus bedragen 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Uit het akoestisch onderzoek blijkt een overschrijding van de streefwaarden in de avond- en nachtperiode bij de woningen aan De Dolten 8 en 9. De maximale geluidniveaus worden veroorzaakt door het wisselen van containers. Aan de grenswaarden van 70, 65 en 60 dB(A) wordt wel voldaan.
Voor de maximale geluidsniveaus zijn door het bedrijf verbeteringen bereikt, omdat in de nieuwe situatie met een haaksysteem wordt gewerkt. Het eerder gebruikte kettingsysteem veroorzaakte hogere geluidspieken.
Omdat de LAmax-waarden door de genomen maatregelen lager zijn dan nu vergund is, achten wij de aangevraagde waarden vergunbaar.
Het geluid van het verkeer van en naar de inrichting over de openbare weg is beoordeeld volgens de circulaire “Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer” van 29 februari 1996.
De voorkeursgrenswaarde voor de geluidsbelasting is 50 dB(A) en de grenswaarde is 65 dB(A). Een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde moet zo mogelijk worden voorkomen door het treffen van maatregelen.
Uit het akoestisch rapport blijkt dat het equivalente geluidsniveau veroorzaakt door het verkeer van en naar de inrichting bij de woningen aan De Dolten 8 en 9 niet meer bedraagt dan 50 dB(A). Aan de voorkeursgrenswaarde wordt voldaan.
Ten aanzien van de geluidsbelasting en de indirecte hinder is de situatie milieuhygiënisch aanvaardbaar.
Wij hebben aan de vergunning voorschriften verbonden waarin grenswaarden zijn gesteld op een aantal beoordelingspunten bij woningen van derden. De geluidsbelasting op deze punten is overeenkomstig de bij de aangevraagde activiteiten gewenste geluidsruimte.
Vanwege de grote afstand tot de inrichting van de geluidsgevoelige bestemmingen aan de oostkant van de inrichting en vanwege de invloed van andere geluidsbronnen, kan de geluidsbelasting die de inrichting veroorzaakt niet bij de geluidsgevoelige bestemmingen worden gemeten (deze kan wel worden berekend). Daarom is, naast de genoemde grenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau bij een woning, een controlewaarde vastgelegd op een controlepunt gelegen in de nabijheid van de inrichting. Op deze punten kan in het kader van het door ons uit te oefenen toezicht op de naleving worden gemeten. De geluidsbelasting op deze punten is overeenkomstig de bij de aangevraagde activiteiten gewenste geluidsruimte.
Gezien de aard van de activiteiten en de afstand tot de dichtstbijzijnde trillingsgevoelige bestemmingen is trillinghinder niet te verwachten. Een onderzoek naar trillingen achten wij daarom niet nodig. Ook achten wij het niet nodig hierover voorschriften op te nemen.
Het Nederlandse geurbeleid is opgenomen in artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit en in de Handleiding geur: bepalen van het aanvaardbaar hinderniveau van industrie en bedrijven (niet veehouderijen). Als algemene doelstelling geldt het zoveel mogelijk beperken van bestaande hinder en het voorkomen van nieuwe hinder. Daarbij staat het afwegingsproces voor het vaststellen van het aanvaardbaar hinderniveau centraal. Het aanvaardbaar hinderniveau wordt per situatie vastgesteld en zo nodig op grond van het Activiteitenbesluit als maatwerkvoorschrift aan de vergunning verbonden. Alleen als de emissies van de inrichting in het Activiteitenbesluit uitgezonderd zijn, worden de geuremissies in de vergunning beoordeeld.
Het bevoegd gezag bepaalt welke mate van hinder als aanvaardbaar wordt beschouwd. Als leidraad voor het afwegingsproces dat daarbij doorlopen wordt, geldt de hindersystematiek Geur. Deze hindersystematiek, die is vastgelegd in hoofdstuk 3 van de Handleiding geur, benoemt de verschillende aspecten die in het afwegingsproces moeten worden meegenomen om te komen tot een zorgvuldige bepaling van het aanvaardbaar hinderniveau. De aspecten die bij het vaststellen van het aanvaardbaar hinderniveau worden meegewogen, zijn eveneens opgenomen in het derde lid van artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit.
In artikel 2.3a, tweede lid van het Activiteitenbesluit is bepaald dat artikel 2.7a niet van toepassing is op emissies naar de lucht van een IPPC-installatie, indien en voor zover voor de activiteit of het type productieproces BBT-conclusies voor deze emissies zijn vastgesteld op grond van artikel 13, vijfde en zeven lid, van de EU-richtlijn industriële emissies. Wij concluderen dat artikel 2.7a niet van toepassing is op de activiteiten op Ecopark De Wierde, omdat in de BREF Waste Treatments Industries (Afvalbehandeling) op pagina 747, in paragraaf 6.3, voor de emissie van geur een BBT-conclusies (BBT 34) is vastgesteld. Als het Activiteitenbesluit niet van toepassing is, moeten voorschriften in de vergunning worden opgenomen. Voor de beoordeling van de geursituatie van de aangevraagde wijziging wordt echter wel aangesloten bij de systematiek uit de bovengenoemde Handleiding geur.
Maatregelen ter bestrijding van geurhinder moeten worden bepaald in overeenstemming met het BBT-principe (de Beste Beschikbare Technieken moeten worden toegepast).
Provinciaal of gemeentelijk beleid
Op 12 november 2019 zijn de beleidsregels geur voor Friese bedrijven vastgesteld. Deze “Beleidsregels geur Bedrijven Fryslân 2019” (hierna: het Friese geurbeleid) zijn op 20 november 2019 gepubliceerd. Geuremissie toetsen wij aan dit vastgestelde beleid.
Omschrijving aangevraagde situatie
Omrin neemt op Ecopark De Wierde diverse soorten afval in (aanvoer en opslag), selecteert deze aan de poort naar type en verwerkt deze tot reststromen. Hierbij onderscheidt zij de activiteiten die mogelijk een bron voor geur vormen. Binnen die activiteiten is er mogelijk sprake van meerdere geurbronnen (er wordt bijvoorbeeld onderscheid gemaakt in storten, opslag en overslag).
De activiteiten en de maatregelen ter beperking van geuremissie zijn uitgebreid beschreven in de Niet Technische Samenvatting (NTS) van de aanvraag d.d. 11 juli 2022. Hieronder zijn de geurrelevante activiteiten en bijbehorende relevante geurbronnen (inclusief geurreducerende maatregelen) kort beschreven:
Afvalberging (stortplaats) voor niet-gevaarlijk afval
Afval bestemd voor stort wordt op de stortplaats (stortfront) gestort. Het gaat hier om de geur van het dagelijks gestorte afval. Het stortfront wordt aan het eind van de dag afgedekt.
Het storten van baggerslib vindt beperkt plaats. Hoewel de herkomst en het type bagger kan verschillen, is de samenstelling van de bagger in de loop van de jaren niet wezenlijk gewijzigd.
Scheidings- en vergistingsinstallatie
Stortbunker of afvalbunker: in de stortbunker wordt al het (huishoudelijk) afval gestort. Na het storten wordt het afval gescheiden in diverse fracties. De activiteit van het storten is niet gewijzigd. De doorvoer van huishoudelijk afval door de installatie wordt verhoogd van 230.000 naar 280.000 ton per jaar.
Scheidingshal: de scheidingshal is direct tegen de stortbunker geplaatst. Inpandig wordt het gestorte afval met diverse machines in verschillende fracties gescheiden, waarbij een hoeveelheid geur vrijkomt. De geurhoudende lucht wordt afgezogen en gereinigd afgevoerd.
Scheiding (DANO-hal): dit is een relatief nieuwe activiteit die in 2019 is vergund. Met deze activiteit is de luchtafzuiging van zowel de DANO-hal als de scheidingshal aangepast. De nieuwe luchtafzuiging is vergund in 2020.
ONF-buffer/hal en WVI-hal: de organische natte fractie (ONF) wordt in de ONF-buffer/hal en de WVI-hal voorbehandeld met verschillende scheidings- en wastechnieken (WVI-installatie), waarbij het grof inerte vuil(waaronder zand) uit het ONF wordt gehaald. De ONF-hal wordt afgezogen en de WVI-installatie wordt brongericht afgezogen. De afgezogen lucht wordt nabehandeld in een biofilter.
Digestaatbewerking: het restant van de vergisting (digestaat) wordt ontwaterd met zeefbandpersen. Deze ontwateringsinstallatie is afgedekt en wordt afgezogen naar het biofilter. Na het persen wordt het digestaat tijdelijk opgeslagen.
Biofilter: het biofilter behandelt de afgezogen lucht van de ONF-buffer/hal, de bronnen in de WVI-hal en de digestaatontwatering. Dit is een bestaande bron die niet wordt gewijzigd.
Spirofloor: de spirofloor biedt de mogelijkheid om de stroom brandstof uit afval (refuse derived fuel, afgekort RDF) uit de scheidingshal te mengen met andere brandbare stromen, zoals grof huishoudelijk afval (GHA), ONF en digestaat. De toevoer van de afvalstromen naar de afsluitbare doseerbunker vindt plaats door transportbanden.
Recyclingactiviteiten (op- en overslag en shredderen)
Recyclinghal (Rekas): in de recyclinghal vindt overslag plaats van bedrijfsafval, RDF en residu GHA. Verder is de recyclinghal in gebruik om de samenstelling van gescheiden (kunststof) stromen te verbeteren. Hiervoor kan gebruik gemaakt worden van de rekasinstallatie. De recyclinghal beschikt over natuurlijke ventilatie.
Deponie: dit betreft een deponie in de open lucht bestemd voor opslag van veegvuil, kolkenslib en gevaarlijk afval. Dit is een bestaande bron die niet wordt gewijzigd. Ter plaatse van de uitbreiding is een kopie van deze bron opgenomen.
Opslag GFT: GFT wordt aangevoerd met vrachtwagens en gestort. De meeste geur komt vrij tijdens het storten van GFT.
Shredder GHA: de shredderinstallatie is buiten opgesteld.
Omrin verwerkt zijn eigen afvalwater en beschikt hiervoor over twee afvalzuiveringsinstallaties (AWZI), een oude AWZI en een nieuwere AWZI.
Kunststofsorteerinstallatie (KSI)
De KSI is gevestigd in een afzonderlijk gebouw. In de KSI vindt sortering plaats van nagescheiden en brongescheiden kunststofverpakkingsafval (inclusief drankenkartons). De hallen worden voorzien van een ruimteafzuiging waarbij de lucht uit de ontvangsthal en outputstock wordt onttrokken en naar de machinehal wordt geleid. Vanuit de machinehal wordt de afgezogen lucht naar buiten afgevoerd, met een debiet van 81.000 m3 per uur. Op de afvoer is een stof- en geurfilter geïnstalleerd.
De bovengenoemde geurbronnen veroorzaken in de actuele situatie de volgende geurbelasting op de relevante nabijgelegen woningen en bedrijven:
Beoordeling aangevraagde geursituatie
De maximaal toegestane geurbelasting van Ecopark De Wierde is vastgelegd in de vigerende
vergunningen. In de vergunningen zijn van de concentraties zowel de 98-percentiel als de 99,9-
Om na te gaan welk effect de activiteiten in de revisieaanvraag hebben op de vergunde geursituatie, heeft Omrin een geuronderzoek laten uitvoeren. Het geuronderzoek (Anteagroup, Onderzoek Geur, Omrin Ecopark De Wierde in Heerenveen, projectnummer 0473607.100, definitief revisie 01, 17 februari 2022) is bij de aanvraag gevoegd.
In het geurrapport wordt uitgebreid ingegaan op de vergelijking tussen de nu aangevraagde geursituatie, de reeds vergunde situatie en verschillen door actualisatie van het rekenmodel.
Voor het vaststellen van de geurbelasting in de directe omgeving van Ecopark De Wierde zijn de berekende geuremissies omgerekend naar immissieconcentraties in het veld. Bij deze berekening worden de percentielwaarden van geur berekend en weergegeven als contouren. Daarnaast zijn de concentraties ter hoogte van de dichtstbijzijnde objecten afzonderlijk berekend. De berekende resultaten zijn vervolgens getoetst aan de voor Ecopark De Wierde vastgestelde toetswaarden. Deze toetswaarden zijn vastgesteld op basis van de hinderlijkheid van de geur en het Friese geurbeleid:
Toetswaarden Ecopark De Wierde:
en voor discontinue en fluctuerende bronnen:
Uit het geuronderzoek blijkt dat de berekende percentielwaarden nagenoeg gelijk zijn aan de vergunde situatie. Er is wel een kleine toename van de geurbelasting door de gewijzigde bedrijfsvoering en het gebruik van kengetallen van geurmetingen. De kleine toename wordt mede veroorzaakt door actualisatie van het rekenmodel. Dit heeft te maken met de wijziging van de meteodata (wijzigingen van het weer) en de ruwheidslengte (verandering van het terrein) ten opzichte van het moment dat de toetswaarden voor Ecopark De Wierde zijn vastgesteld.
Bij de woningen Lier 10-20 en Kostverloren 1001 tot en met 1005 neemt de geurbelasting (98-percentiel) toe met 0,2 tot 0,3 ouE/m3 door de gewijzigde bedrijfsvoering en de modelwijzigingen. Voor de 99,9-percentielwaarde is de toename bij deze woningen 0,7 tot 0,9 ouE/m3. De immissiewaarden bedragen maximaal 1,3 ouE/m3 (98-percentiel), 5,1 en 5,4 ouE/m3 (99,9-percentiel) voor deze woningen. Deze waarden zijn hoger dan de met de oude modellering vastgestelde toetswaarden, maar alle immissieniveaus blijven beneden de in het Friese geurbeleid vastgestelde grenswaarde van 1,5 ouE/m3 (98-percentiel) en 6,0 ouE/m3 (99,9-percentiel) voor bestaande bronnen (categorie A geurgevoelige objecten).
Bij de dichtstbij Ecopark De Wierde gelegen woning Welleweg 14 neemt de geurbelasting (98-percentiel) toe met 0,6 ouE/m3 door de gewijzigde bedrijfsvoering en de modelwijzigingen. Voor de 99,9-percentielwaarde is de toename hier 1,5 ouE/m3. De immissiewaarden bedragen 2,9 ouE/m3 (98-percentiel) en 10,5 ouE/m3 (99,9-percentiel) voor deze woning. Deze waarden zijn hoger dan de met de oude modellering vastgestelde toetswaarden, maar alle immissieniveaus blijven beneden de in het Friese geurbeleid vastgestelde grenswaarde voor gebiedscategorie “werken” van 5 ouE/m3 (98-percentiel) en 20 ouE/m3 (99,9-percentiel) voor bestaande bronnen.
De geurbelasting bij de overige woningen en objecten voldoet volgens het geuronderzoek zowel aan de destijds voor Ecopark De Wierde vastgestelde toetsingswaarden als aan het Friese geurbeleid.
Als maximaal hinderniveau ter plaatse van de woningen aan Lier 10-20 en Kostverloren 1001 vinden wij een geurimmissie van 1,3 ouE/m3 als 98-percentiel en een waarde van respectievelijk 5,1 en 5,4 ouE/m3 als 99,9-percentiel aanvaardbaar. Als maximaal hinderniveau ter plaatse van de woning aan Welleweg 14 vinden wij een geurimmissie van 2,9 ouE/m3 als 98-percentiel en een waarde van 10,5 ouE/m3 als 99,9-percentiel aanvaardbaar. De immissie bij de geurgevoelige objecten blijft beneden de grenswaarden uit het Friese geurbeleid.
Gelet op het bovenstaande wordt het aanvaardbaar hinderniveau ter plaatse van deze geurgevoelige objecten in acht genomen.
De geurreducerende maatregelen die binnen de inrichting zijn getroffen, worden beschouwd als de beste beschikbare technieken. De maatregelen zijn hiervoor al in het kort beschreven.
Gezien bovenstaande overwegingen zijn wij van mening dat de geurbelasting ten gevolge van de aangevraagde activiteiten voldoet aan het aanvaardbaar geurhinderniveau. De activiteiten voldoen aan het van toepassing zijnde toetsingskader en de beste beschikbare technieken worden toegepast.
Wij hebben over de geuremissies, periodieke meting daarvan en de geurbeheersing voorschriften in deze vergunning opgenomen.
Het algemeen luchtbeleid is gericht op het voorkomen dan wel zo veel mogelijk beperken van emissies naar de lucht door het toepassen van de beste beschikbare technieken (BBT) en het voldoen aan de luchtkwaliteitseisen van bijlage 2 van de Wet milieubeheer.
Luchtemissies voor inrichtingen worden in beginsel gereguleerd door de algemene regels van het Activiteitenbesluit. Deze eisen zijn rechtstreeks geldend.
Als er voor luchtemissies van IPPC-installaties BBT-conclusies zijn vastgesteld, gelden de algemene regels van Afdeling 2.3 niet (met uitzondering van de minimalisatieverplichting voor zeer zorgwekkende stoffen). Voor deze luchtemissies worden voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden die aansluiten bij de BBT-conclusies.
In deze vergunning wordt specifiek ingegaan op de luchtemissies van de inrichting. Naast de toetsing aan de beste beschikbare technieken en het Activiteitenbesluit wordt beoordeeld of de emissienormering van het Activiteitenbesluit toereikend is of dat er maatwerkvoorschriften moeten worden gesteld. Tevens wordt getoetst aan de kwaliteitseisen uit Bijlage 2 van de Wm.
In het bij de revisieaanvraag gevoegde “Onderzoek Luchtkwaliteit, Omrin Ecopark De Wierde in Heerenveen, Anteagroup, projectnummer 0473607.10017, februari 2022 revisie 02” zijn de volgende relevante activiteiten genoemd die emissies naar de lucht tot gevolg hebben:
Hierbij is onderscheid gemaakt tussen puntbronemissies en diffuse emissies.
Puntbronemissies van procesinstallaties
Het hoofdproces is als volgt te beschrijven:
Het bewerken van huishoudelijk afval (HHA) en handel-, diensten- en overheidsafval (HDO) door middel van een scheidings- en vergistingsinstallatie.
De installatie is in een drietal processtappen in te delen:
Bij deze activiteiten komen de volgende puntbronnen voor die emissies naar de lucht geven:
De afvalscheidingsinstallatie van Ecopark De Wierde is een IPPC-installatie waarop de BBT-conclusies van de BREF Afvalbehandeling en de BREF Op- en overslag betrekking heeft. De BBT is om diffuse emissie naar lucht te voorkomen dan wel te verminderen door insluiting, verzameling en behandeling hiervan. De afvalscheiding vindt plaats in diverse bedrijfshallen, waarbij de lucht uit de gebouwen en puntbronnen wordt afgezogen en behandeld in stof- en geurfilters. De bijbehorende emissiepunten zijn de schoorstenen van de windsifter met luchtfilter (KSI), het luchtfilter van de SBI en het luchtfilter van de DANO-hal.
Hierna gaan wij per stof in op de relevante emissies (en de bijbehorende grenswaarden) vanuit dit emissiepunt. Voorts wordt per stof bekeken of deze in de BBT-conclusie behandeld is. BBT-conclusies zonder emissie-eisen (BAT-AEL) gaan ook vóór regels uit het Activiteitenbesluit. Als er een BBT-conclusie geldt, worden de emissiegrenswaarde, de technieken en/of maatregelen in deze vergunning opgenomen. Als de bepaalde stof of groep van stoffen in de BBT-conclusie niet is behandeld, gelden de emissie-eisen van het Activiteitenbesluit rechtstreeks. Van de in het Activiteitenbesluit gestelde eisen kan worden afgeweken via maatwerkvoorschriften. Wij geven deze afwijkingen hieronder aan.
In BBT-conclusie 25 is voor geleide stofemissies naar lucht een range van 2 tot 5 mg/Nm3 als gemiddelde concentratie over de bemonsteringsperiode opgenomen. BBT-conclusie 25 is niet van toepassing op het biofilter, een techniek waarbij de stofemissie altijd laag is.
Met de aanwezige/gekozen technieken van de behandeling van geleide stofemissie naar de lucht van de windsifter en de afgezogen lucht uit de SBI en de DANO-hal, wordt een emissiegrenswaarde gehaald die binnen deze range valt. Wij hebben de maximale stofemissiewaarde van 5 mg/Nm3 dan ook in de voorschriften van deze vergunning opgenomen.
De geleide emissie van de stookinstallaties wordt hierna in paragraaf 2.3 beschreven
In onderstaande tabel hebben wij per emissiepunt het toetsingskader (norm op grond van BBT- conclusie) en de in deze vergunning opgenomen vergunningvoorschriften samengevat:
De aangevraagde emissies (en de daarbij behorende emissiegrenswaarden) voldoen aan BBT.
Wij hebben voor de betreffende procesemissies voorschriften in deze vergunning opgenomen.
Monitoring van luchtemissies dient om aan te tonen dat een installatie voldoet aan de geldende emissiegrenswaarden en/of een reinigingstechniek goed werkt en/of voor procesmonitoring of -optimalisatie.
Monitoring van procesemissies wordt in beginsel volledig bestreken door artikel 2.8 van het Activiteitenbesluit.
Indien er op grond van artikel 2.5 en 2.6 van het Activiteitenbesluit emissiegrenswaarden gelden, dan geeft tabel 2.8 van het Activiteitenbesluit het geldende controleregime aan. Het controleregime is gebaseerd op de grootte van de storingsfactor. Uit het controleregime kan volgen dat het bedrijf metingen moet uitvoeren. Mogelijke frequenties van metingen zijn eenmalig, periodiek of continu.
Van de procesemissies kan controle plaatsvinden aan de hand van emissierelevante parameters (ERP’s cat. A of ERP’s cat. B). Afdeling 2.7 van de Activiteitenregeling geeft verdere invulling aan de monitoringseisen.
Slechts indien en voor zover er voor de betreffende emissies BBT-conclusies zijn vastgesteld en deze emissies daardoor in de omgevingsvergunning milieu geregeld worden, wordt het onderwerp monitoring ook in deze vergunning geregeld. In BBT-conclusie 8 van de BREF Afvalbehandeling is de monitoring geregeld.
De vergunninghouder heeft in de aanvraag alle luchtemissies gepresenteerd, maar een controleplan met daarin de daarbij horende monitoringsfrequentie en emissierelevante parameters (ERP’s) ontbreekt. Om alle luchtemissies op overzichtelijke wijze (blijvend) te presenteren en te laten zien welke controle hierop plaatsvindt, is dit controleplan nodig voor Ecopark De Wierde. Ook moet dit plan geactualiseerd worden aan de hand van de overwegingen van deze vergunning c.q. de actuele wet- en regelgeving. Hierdoor heeft de vergunninghouder en ook wij één document waarin alle geldende regelgeving en voorschriften bij elkaar staan. Het controleplan, waarvoor goedkeuring nodig is, toetsen wij aan de BBT-conclusies en artikel 2.8 van het Activiteitenbesluit.
Wij hebben hiervoor voorschriften opgenomen in deze vergunning.
Emissies van stookinstallaties, niet zijnde een grote stookinstallatie
Volgens de definitie van het Activiteitenbesluit is een stookinstallatie een technische eenheid waarin brandstoffen worden geoxideerd teneinde de aldus opgewekte warmte te gebruiken. Binnen de inrichting zijn de volgende kleine en middelgrote stookinstallaties aanwezig: Wkk-installaties, de verwarmingsinstallaties, de regeneratieve thermische oxidatie (RTO) en de stoomketel. De emissie-eisen en/of het keurings- en onderhoudsregime van paragraaf 3.2.1 van het Activiteitenbesluit en de Aciviteitenregeling milieubeheer zijn van toepassing.
Door de stookinstallaties worden relevante hoeveelheden NOx geëmitteerd naar de lucht.
Op de emissies van de fakkelinstallaties is het Stortbesluit van toepassing. Wij hebben de instructiebepalingen voor fakkels als voorschriften opgenomen in deze vergunning.
Binnen de inrichting is sprake van diffuse emissies afkomstig van de volgende activiteiten:
stikstofemissies van voertuigen, mobiele werktuigen en bewerkingsinstallatie (een puinbreker en een shredder voor grof huishoudelijk afval); stofemissies van opslag en verwerking (sorteren, mengen, breken, shredderen, zeven) van vaste bulkgoederen
Uit het bij de aanvraag behorende “Onderzoek Luchtkwaliteit, Omrin Ecopark De Wierde in Heerenveen, Anteagroup, projectnummer 0473607.10017, februari 2022 revisie 02” en de niet technische samenvatting blijkt welke activiteiten stuifgevoelig zijn en welke emissiebeperkende maatregelen toegepast worden per activiteit.
In beginsel gelden de luchtvoorschriften uit Afdeling 2.3 van het Activiteitenbesluit. Deze afdeling is echter niet van toepassing op emissies naar de lucht van een IPPC-installatie, voor zover voor de activiteit of het type productieproces BBT-conclusies voor deze emissies zijn vastgesteld.
De activiteiten op-, overslag en bewerking van steenachtige materialen, puin, puingranulaat en (PAK-arm) asfalt(granulaat) zijn echter niet behandeld in bovengenoemde BBT-conclusies. Hiervoor geldt dus het hieronder gestelde.
Handelingen met inerte vaste bulkgoederen vallend onder het Activiteitenbesluit
Op de overslag, opslag, laden, lossen, transport, mengen van de inerte goederen en op het zeven van zand en grond is paragraaf 3.4.3 (artikelen 3.32, 3.37 t/m 3.39) van het Activiteitenbesluit van toepassing. Uit de aanvraag blijkt dat aan deze bepalingen wordt voldaan.
Overige handelingen met inerte vaste bulkgoederen en handelingen met niet-inerte vaste bulkgoederen
Voor de diffuse stofemissies van de verwerking van vaste inerte bulkgoederen anders dan overslag, opslag, laden, lossen, transport, mengen en anders dan het zeven van zand en grond, alsmede voor diffuse stofemissies van op- en overslag, laden en lossen, transporteren en verwerking van vaste niet-inerte bulkgoederen, gelden de regels van het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling niet.
Wij hebben hiervoor voorschriften opgenomen in deze vergunning.
Zeer zorgwekkende stoffen (ZSS)
Afvalstoffen kunnen ZZS bevatten. De voorschriften van artikel 2.4 van het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling gelden. Voor een IPPC-installatie met BBT-conclusie voor ZZS, geldt op grond van het Activiteitenbesluit voor ZZS alleen artikel 2.4, tweede lid. Dit artikel gaat over de minimalisatieverplichting.
De minimalisatieverplichting houdt in dat iedere vijf jaar aan het bevoegd gezag gerapporteerd moet worden over de mate waarin emissies van ZZS naar de lucht plaatsvinden en de mogelijkheden om die emissies te voorkomen c.q. te beperken.
Voor de emissie van ZZS naar lucht blijkt dat voldaan wordt aan de eisen uit het Activiteitenbesluit.
In Titel 5.2 Wet milieubeheer en de bijbehorende bijlage 2 bij de Wet milieubeheer zijn grens- en richtwaarden gesteld aan de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht op leefniveau, die wij als toetsingscriteria moeten hanteren.
De inrichting emitteert een aantal stoffen waarvoor deze grenswaarden gelden, te weten zwaveldioxide, stikstofdioxide, zwevende deeltjes (PM2,5 en PM10), De concentraties van fijnstof (PM2,5 en PM10) en stikstofdioxide (NO2) zijn in de Nederlandse situatie het meest kritisch ten opzichte van de grenswaarden.
De inrichting heeft voor deze stoffen een immissietoets uitgevoerd. Deze is opgenomen in het luchtkwaliteitsonderzoek bij de aanvraag “Onderzoek Luchtkwaliteit, Omrin Ecopark De Wierde in Heerenveen, Anteagroup, projectnummer 0473607.10017, februari 2022 revisie 02”.
Op grond van artikel 5.16, lid 1 van de Wet milieubeheer kan de vergunning alleen worden verleend, als aannemelijk gemaakt kan worden dat voldaan wordt aan (minimaal) één van de volgende criteria:
Op basis van verspreidingsberekeningen concluderen wij dat voldaan wordt aan de grenswaarden in Bijlage 2 van de Wet milieubeheer.
Aangezien er binnen de inrichting activiteiten worden uitgevoerd als bedoeld in Bijlage I van de EG-Verordening PRTR, geldt dat conform titel 12.3 van de Wm een elektronisch PRTR-verslag moet worden ingediend.
Op grond van artikel 12.20, lid 1 van de Wm geldt dat de vergunninghouder de emissies (jaarvrachten) moet rapporteren.
Wij zijn van oordeel dat uit de aanvraag blijkt dat er voldoende maatregelen worden toegepast c.q. zullen worden toegepast om luchtemissies te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. De aangevraagde situatie is daarmee vergunbaar. Wij hebben in de vergunning emissiegrenswaarden opgenomen.
Bij Omrin zijn gevaarlijke stoffen aanwezig. De processen, de aard en hoeveelheid van de gebruikte gevaarlijke stoffen zoals vermeld in de aanvraag kunnen een risico vormen voor de omgeving.
Het externe veiligheidsbeleid in Nederland is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van activiteiten voor de omgeving (mens en milieu). Het gaat hierbij onder meer om de risico's die verbonden zijn aan de opslag en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Zoals in het NMP4 (Vierde Nationaal Milieubeleidsplan) is aangegeven, is de basis van het huidige risicobeleid dat het gevaar van een activiteit acceptabel is wanneer:
Het plaatsgebonden risico is een maatstaf om te bepalen welke afstand nodig is tussen de risicodragende activiteit en de bebouwde omgeving. Het plaatsgebonden risico is de kans dat zich op een bepaalde plaats over een periode van één jaar een dodelijk ongeval voordoet als direct gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen, indien zich op die plaats 24 uur per dag en onbeschermd een persoon zou bevinden. Het plaatsgebonden risico is een maatstaf om te bepalen welke afstand nodig is tussen de risicodragende activiteit en de bebouwde omgeving.
Het plaatsgebonden risico is het risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is.
De gehanteerde norm voor het plaatsgevonden risico in Nederland is in beginsel 10-6 per jaar (dit wil zeggen een kans van 1 op de miljoen per jaar). Deze norm is opgenomen in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi).
In het Bevi is aangegeven in welke gevallen hiervan (tijdelijk) kan worden afgeweken. Het groepsrisico voegt daar als maatstaf aan toe de verwachte omvang van een ongeval, uitgedrukt in het aantal dodelijke slachtoffers, gegeven de kans op dat ongeval. Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep personen die zich in de omgeving van de risicosituatie bevindt, overlijdt vanwege een ongeval met gevaarlijke stoffen. Met de grootheid groepsrisico is getracht een maat voor maatschappelijke ontwrichting te creëren. In het Bevi is een niet-normatieve benadering van het groepsrisico neergelegd. Het groepsrisico moet altijd verantwoord worden. Bij de beoordeling van het groepsrisico is de vraag aan de orde welke omvang van een ramp, gegeven de kans daarop, maatschappelijk aanvaardbaar is.
Besluit risico’s zware ongevallen 2015
Met het in werking treden van het Brzo 2015 is de Europese Seveso lll-richtlijn uit 2012 geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving. Het Brzo 2015 richt zich op het beheersen van zware ongevallen en heeft tot doel om het risico van (grote) ongevallen bij bedrijven zo klein mogelijk te maken. Dat gebeurt enerzijds door de kans dat dergelijke ongevallen plaatsvinden te verkleinen (proactie, preventie en preparatie) en anderzijds door de gevolgen van een eventueel ongeval voor mens en milieu te beperken (repressie). Op grond van de aangevraagde hoeveelheid gevaarlijke stoffen wordt de lage drempelwaarden uit bijlage I van de Seveso III-richtlijn na sommatie niet overschreden. De sommatiewaarde bedraagt namelijk circa 0,82. Hierin is de hoeveelheid biogas in de vierde reactor niet meegenomen, omdat deze als toekomstige ontwikkeling is beschouwd in de aanvraag. Dit betekent dat voor realisatie van deze reactor te zijner tijd een nieuwe vergunning moet worden aangevraagd..
Om te voorkomen dat de inrichting wel een Brzo-inrichting kan worden, hebben wij de aangevraagde hoeveelheden gevaarlijke stoffen die aanwezig kunnen zijn in de diverse installatie(s)/onderdelen en die bepalend kunnen zijn voor de Seveso-status, vastgelegd in de voorschriften van deze vergunning. Deze voorschriften zijn controleerbaar. Aangezien deze hoeveelheden in stationaire installaties kunnen voorkomen, zijn deze als zodanig niet onderhevig aan fluctuaties. Omdat daarnaast ook nog andere gevaarlijke stoffen aanwezig zijn hebben wij in de vergunning vastgelegd dat er een bewakingssysteem in werking moet zijn om te waarborgen dat de toegestane hoeveelheden niet worden overschreden.
De inrichting van Omrin betreft een afvalverwerkend bedrijf. Voor de inventarisatie van de binnen de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen moeten ook de gevaarlijke afvalstoffen worden betrokken bij de bepaling van de Brzo-status. De wettelijke grondslag hiervoor is EU 1357/2014.
De Seveso III-richtlijn is ook van toepassing op gevaarlijke afvalstoffen (1357/2014). Stortplaatsen voor afvalstoffen, met inbegrip van ondergrondse opslag van afvalstoffen, vallen echter niet onder de Seveso III-richtlijn. In Aantekening 5 bij Bijlage I bij de Seveso III-richtlijn wordt verwezen naar CLP-verordening (EG) nr. 1272/2008 en worden afvalstoffen expliciet vermeld: „Gevaarlijke stoffen die niet onder Verordening (EG) nr. 1272/2008 vallen, waaronder afvalstoffen, maar niettemin in een inrichting aanwezig zijn of kunnen zijn en onder de in de inrichting heersende omstandigheden gelijkwaardige eigenschappen hebben of kunnen hebben wat de mogelijkheden van een zwaar ongeval betreft, worden voorlopig toegewezen aan de meest gelijkende categorie of met naam genoemde gevaarlijke stof die onder het toepassingsgebied van deze verordening valt.” Vanwege de wijze van “geïmmobiliseerde” opslag van het materiaal in de deponie, gaat hiervan geen gevaar uit voor een zwaar ongeval. De aangevraagde hoeveelheid in de deponie in compartimenten 4A/4B/3c wordt dan ook niet betrokken in de toetsing.
Voor de overige gevaarlijke afvalstoffen heeft Omrin in de aanvraag, document “reactie verzoek aanvullende gegevens” d.d. 22-2-2022 onder punt 3 over het acceptatie- en verwerkingsbeleid, de aangevraagde Eural-codes vermeld. Dit betreft gevaarlijke afvalstoffen zoals bouw- en sloopafval, bitumineuze afvalstoffen, grond, isolatiemateriaal, afval van de verbranding, afval van de mechanische afvalverwerking, afval van de bodemsanering en stedelijk afval die asbest kunnen bevatten. De asbesthoudende afvalstoffen worden verpakt aangeleverd en ondergaan verder geen behandeling.
Van de aangevraagde Eural-codes kan worden aangenomen dat deze geen zodanige verontreinigingen in concentraties bevatten, dat deze afvalstoffen als zodanig moeten worden betrokken bij de bepaling van de Seveso-relevante hoeveelheid. Van deze Eural-codes gaan dan ook geen risico’s op een zwaar ongeval uit.
Op basis van het bovenstaande concluderen wij dat met inachtneming van de aan deze vergunning verbonden voorschriften geborgd is dat de inrichting niet onder de werkingssfeer van het Brzo 2015 komt te vallen.
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)
Geen van de aangevraagde activiteiten valt onder het toepassingsgebied van het Bevi. Dat geldt ook voor de opslag van methanol in een bovengrondse tank. Voor de beoordeling van methanol worden alleen de brandbare eigenschappen betrokken zoals bepaald in de Regeling externe veiligheid inrichtingen. De inhoud van de methanoltank is kleiner dan 120 m3.
Registratiebesluit/Regeling provinciale risicokaart
Het Registratiebesluit externe veiligheid (hierna: Revi) geeft aan welke inrichtingen en welke informatie opgenomen moet worden in het Risicoregister. Daarnaast moeten ook inrichtingen die vallen onder de reikwijdte van de Regeling provinciale risicokaart worden opgenomen in het register. De criteria van het besluit en de regeling zijn samengevoegd in de drempelwaardentabel die is opgenomen in de Leidraad Risico Inventarisatie. Ecopark De Wierde Omrin valt onder de criteria van het Registratiebesluit en/of de Regeling.
Na afronding van de vergunningprocedure worden de gegevens in het risicoregister geactualiseerd.
Warenwetbesluit drukapparatuur
Bij de inrichting is apparatuur in gebruik met een maximaal toelaatbare druk van meer dan 0,5 bar. Voor deze installatie gelden de eisen zoals verwoord in het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016. Dit besluit is van toepassing op het ontwerp, de fabricage, de overeenstemmingsbeoordeling, de ingebruikneming en periodieke keuring van drukapparatuur, samenstellen en druksystemen waarvan de maximaal toelaatbare druk (PS) meer dan 0,5 bar bedraagt. Het besluit is rechtstreeks werkend, zodat in deze vergunning geen nadere eisen gesteld (mogen) worden. De Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) is toezichthouder voor het in werking hebben van deze drukapparatuur.
Een gasexplosie kan ontstaan wanneer een ontstekingsbron een explosief mengsel van een brandbaar gas (verdampte vluchtige vloeistof) én zuurstof (lucht) tot ontsteking brengt. Bij Ecopark De Wierde bestaat de mogelijke aanwezigheid van vrijgekomen brandbaar gas (biogas, groen gas, CNG) en de kans dat dit gas tot ontbranding of ontsteking wordt gebracht.
De verplichtingen voor bedrijven ten aanzien van gas- en stofontploffingsgevaar zijn verankerd in de Arbowet en het Arbobesluit (Atex). Concreet gaat het voor inrichtingen (bedrijven) dan met name om het explosieveiligheidsdocument, de RI&E voor de onderdelen gas- en stofontploffing en de gevaren- zone-indeling.
De NLA (Nederlandse Arbeidsinspectie) is toezichthoudende instantie. Om deze reden worden voor gas- en stofontploffingsgevaar geen voorschriften aan deze vergunning verbonden.
In de arbowetgeving is het hebben van een noodplan geregeld. Op basis van artikel 2.5 c van het Arbobesluit is een bedrijf verplicht om een noodplan te hebben. Gelet hierop worden voor een (intern) bedrijfsnoodplan geen voorschriften aan deze omgevingsvergunning verbonden.
Met ingang van 1 april 2012 is het Bouwbesluit 20212 in werking getreden. Er is voor een nieuwe afbakening gekozen tussen bouw- en milieuregelgeving.
In onderhavige inrichting worden op het buitenterrein (diverse opslagterreinen) en de stortplaats brandbare stoffen opgeslagen:
Dit betreft alleen brandbare niet milieugevaarlijke stoffen.
Opslag van brandgevaarlijke niet milieugevaarlijke stoffen op het buitenterrein
In het Bouwbesluit 2012 zijn in artikel 7.7 voorschriften met betrekking tot de opslag van brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen opgenomen. Doel van de voorschriften is om de brandveiligheid van belendingen te waarborgen. In het Bouwbesluit 2012 is een algemene functionele eis voor de opslag van de betreffende stoffen opgenomen, die inhoudt dat de opslag zodanig moet geschieden dat geen onveilige situatie ontstaat voor percelen die zijn gelegen naast het perceel waar de opslag plaatsvindt. Degene die voor de opslag verantwoordelijk is, zal zo nodig aan het bevoegd gezag aannemelijk moeten maken dat de opslag voldoende veilig plaatsvindt.
In bijlage 15 van de aanvraag zijn voor de opslag van kunststofbalen de brandbeheersingsmaatregelen beschreven. Wij hebben de aangevraagde maatregelen opgenomen in deze vergunning.
Op- en overslag van gevaarlijke stoffen
Voor de op- en overslag van gevaarlijke stoffen zijn diverse richtlijnen opgesteld in de Publicatiereeks gevaarlijke stoffen (PGS), waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu wordt gerealiseerd. Deze PGS-richtlijnen zijn vermeld als Nederlandse Informatiedocumenten over BBT in de bijlage van de Mor.
PGS 15: Opslag verpakte gevaarlijke stoffen in emballage
De voor de inrichting relevante voorschriften hebben wij opgenomen in deze vergunning.
PGS 25: Aardgas afleverinstallaties voor motorvoertuigen
Binnen de inrichting bevindt zich een CNG-tankstation dat wordt gevoed met het tot aardgas opgewerkte biogas uit de vergistingsinstallatie. De PGS 25: Aardgas-afleverinstallaties voor motorvoertuigen is het aangewezen informatiedocument over de beste beschikbare technieken. In de Activiteitenregeling milieubeheer zijn de rechtstreeks werkende voorschriften opgenomen.
PGS 30: Vloeibare brandstoffen – bovengrondse tankinstallaties en afleverinstallaties 2011
Bij Ecopark De Wierde wordt dieselolie opgeslagen in een bovengrondse tank van 40 m3. Voor dieselolie staan de voorschriften in paragraaf 3.4.9 van het Activiteitenbesluit, die op de inrichting van toepassing zijn. Daarom worden in de vergunning geen voorschriften hiervoor opgenomen. Voor het afleveren van vloeibare brandstof (dieselolie) aan interne transportmiddelen hebben wij voorschriften opgenomen. Wij hebben een aanvullend voorschrift opgenomen voor inspectie en onderhoud aan de slibvanger en olie-/benzineafscheider.
PGS 31: Opslag gevaarlijke vloeistoffen in ondergrondse en bovengrondse tankinstallaties
Bij Ecopark De Wierde wordt methanol opgeslagen in een bovengrondse tank met een inhoud van 41,8 m3. De voor deze tankinstallatie relevante voorschriften van PGS 31 hebben wij opgenomen in deze vergunning.
Ten aanzien van de risico’s als gevolg van de activiteiten zijn wij van mening dat wanneer binnen de inrichting conform de aan deze vergunning verbonden voorschriften en van toepassing zijnde wettelijke regels wordt gewerkt, er geen sprake zal zijn van onaanvaardbare risico’s voor de omgeving ten gevolge van een ongeval met (gevaarlijke) (afval) stoffen; de restrisico’s worden in voldoende mate beheerst.
In het landelijke beleid zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit worden inrichtingen aan de hand van het jaarlijkse energieverbruik als volgt ingedeeld:
Voor andere energiebronnen dan elektriciteit en aardgas wordt het verbruik uitgedrukt in aardgasequivalenten door de omrekenfactoren te hanteren zoals opgenomen in artikel 2.16d van de Activiteitenregeling.
Uit de aanvraag om revisievergunning blijkt dat sprake is van een energierelevante inrichting en van een energiegrootverbruiker.
Voorschriften voor vergunningplichtige bedrijven
Voor vergunningplichtige bedrijven geldt dat de energievoorschriften uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling niet rechtstreeks werkend zijn. Regels voor energiebesparing worden dan ook via voorschriften in de vergunning geregeld op basis van artikel 5.7 van het Bor. Dat artikel verplicht het bevoegd gezag voorschriften aan de vergunning te verbinden met betrekking tot een doelmatig gebruik van energie en grondstoffen. Dit betekent dat moet worden getoetst of de inrichting de beste beschikbare technieken (BBT) toepast om tot een zuinig energieverbruik te komen.
Een energiebesparende maatregel moet genomen worden als de terugverdientijd vijf jaar of korter is. Welke maatregelen dit zijn, moet blijken uit een vierjaarlijks energieonderzoek. Verder moeten grootverbruikers een uitvoeringsplan voor de maatregelen opstellen en jaarlijks rapporteren over het energieverbruik van de inrichting en welke energiebesparende maatregelen zijn getroffen.
Daarnaast moet bij het nemen van energierelevante investeringsbeslissingen die niet zijn opgenomen in het meest recente energieonderzoek, voorafgaand aan het investeringsbesluit worden nagegaan of er energiezuinigere alternatieven zijn. Als dat het geval is en een alternatief binnen vijf jaar terug te verdienen is, moet voor dat alternatief gekozen worden. Investeringen die energierelevant zijn, zijn bijvoorbeeld aanschaf, renoveren of grootschalig onderhouden van verwarmingstoestellen, machines en apparaten, maar ook het vervangen van verlichting.
In het licht van de verdragen, afspraken en doelstellingen die op alle niveaus, van internationaal tot lokaal, bestaan, is het noodzakelijk om de energievoorziening en het energieverbruik verder te verduurzamen. Daartoe moet in een vierjaarlijks onderzoek worden gekeken naar de maatregelen die noodzakelijk zijn om de energievoorziening van de inrichting volledig te verduurzamen, met als streefjaar 2050. Door een vierjaarlijkse onderzoeksverplichting wordt BBT voor het onderdeel energie periodiek in kaart gebracht
Richtlijn energie-efficiëntie (EED)
De Europese richtlijn Energy Efficiency Directive (ook wel EED genoemd) is in Nederland omgezet in artikel 18 en artikel 18a van de Wet uitvoering EU-handelingen energie-efficiëntie. De belangrijkste verplichting uit de Europese richtlijn energie-efficiëntie is het uitvoeren van een energie-audit. In het Besluit energie-audit zijn de eisen die worden gesteld aan energie-audits en de verslaglegging hiervan nader gegeven. De auditplicht geldt voor ondernemingen met meer dan 250 medewerkers (fte) of een jaaromzet groter dan € 50 miljoen en een jaarlijks balanstotaal groter dan € 43 miljoen.
Afvalsturing Friesland N.V., waar de inrichting deel van uitmaakt, valt onder de Europese richtlijn energie-efficiëntie. In dat kader zijn in het verleden energie-audits per vestiging uitgevoerd. Voor de inrichting zijn enkele energiebesparende maatregelen vastgesteld en aanbevelingen gedaan voor verbetering van de energiehuishouding.
Momenteel is geen sprake van deelname aan een of meerdere keurmerken die een vrijstelling geven van de EED-auditplicht.
Initiatieven energie en duurzaamheid
Omrin is deelnemer aan meerdere keurmerken, waaronder ISO-9001:2015, ISO 14001:2015 (milieuzorgsysteem), ISO 45001:2018 (managementsysteem voor gezond en veilig werken) en ISCC (certificaat hernieuwbare energie).
Deze keurmerken zijn primair gericht op respectievelijk kwaliteitsmanagement, milieuzorg, gezond en veilig werken en hernieuwbare energie en kunnen elementen over energie-efficiëntie bevatten.
Daarnaast heeft Omrin aangegeven dat bij Ecopark De Wierde gewerkt wordt met een vierjaarlijkse strategiecyclus, waarbij de plannen voor de komende 4 jaar worden bepaald inclusief circulaire economie (inkoop), duurzaamheid, recycling, VANG-doelstellingen, energieproductie uit afvalstoffen en biomassa. Op grond daarvan stelt ieder bedrijfsonderdeel jaarplannen voor het komende jaar op.
Samenhang energieonderzoek met initiatieven energie en duurzaamheid
Er bestaat naar verwachting inhoudelijke overlap tussen het energieonderzoek dat in deze vergunning wordt geëist en de bovengenoemde EED-plicht en andere initiatieven op het gebied van energie en duurzaamheid.
De overlap tussen het energieonderzoek dat in deze vergunning wordt geëist en het EED-auditverslag, is niet volledig. De inhoudelijke vereisten waaraan het verslag van de energie-audit moet voldoen, zijn opgenomen in het Besluit en de Regeling energie-audit. Hierin staan eisen, zoals vervoersmanagement, die niet in het energieonderzoek staan dat in deze vergunning wordt geëist. Anderzijds worden in deze vergunning eisen gesteld die niet in de energie-audit staan, zoals de verplichting om de rendabele energiemaatregelen in een energie-uitvoeringsplan te zetten, met vermelding van de fasering in de uitvoering van deze maatregelen. Ook is voor de energie-audit geen methode vastgelegd voor het bepalen van de terugverdientijd van maatregelen. In deze vergunning is in voorschrift 3.1.1 vastgelegd dat de terugverdientijd van maatregelen bepaald moet worden volgens de in bijlage 10a van de Activiteitenregeling milieubeheer beschreven methodiek.
Onder het kopje initiatieven en duurzaamheid zijn relevante keurmerken, trajecten en plannen nader toegelicht. Deze kunnen elementen bevatten die (deels) invulling geven aan het energieonderzoek en/of uitvoeringsplan dat in deze vergunning wordt voorgeschreven. Het is dan ook raadzaam om deze informatie hierbij te betrekken.
Het is aan te raden om bovengenoemde rapportages vanuit verschillende trajecten te combineren in één rapport. Om bedrijven hierin te faciliteren zijn er plannen om te zijner tijd een format op te stellen met daarin de eisen aan het verplicht onderzoek naar maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik en de energie-audit.
Om de vierjaarlijkse rapportage uit voorschrift 3.1.1 te kunnen combineren met het EED-auditverslag en/of andere relevante rapportages, kan de vergunninghouder verzoeken om de vierjaarlijkse rapportagedatum aan te laten sluiten bij andere rapportageverplichtingen. Dit is vastgelegd in voorschrift 3.1.2
In artikel 17.2, eerste lid van de Wet milieubeheer is vastgelegd dat ongewone voorvallen waardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of dreigen te ontstaan, door het bedrijf zo spoedig mogelijk aan ons moeten worden gemeld. In artikel 17.2, vierde lid is vermeld dat het bevoegd gezag in een omgevingsvergunning voor een inrichting of bij een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 8.42 voor een ongewoon voorval, waarvoor de nadelige gevolgen niet significant zijn, kan bepalen dat, in afwijking van artikel 17.2, eerste lid, het voorval wordt geregistreerd en kan voorschrijven binnen welke termijn en op welke wijze het voorval moet worden gemeld. Deze termijn kan afwijken van de verplichting, genoemd in artikel 17.2, eerste lid, om het voorval zo spoedig mogelijk te melden.
De aanvrager heeft om toepassing verzocht van artikel 17.2, vierde lid. De inrichting is te kenmerken als een inrichting waarbij regelmatig ongewone voorvallen zonder significante gevolgen voor het milieu plaats kunnen vinden. De ervaring leert dat regelmatig meldingen worden ingediend, terwijl er geen sprake is van enige significante gevolgen voor het milieu. Daarmee vormt het altijd zo spoedig mogelijk moeten melden van ongewone voorvallen zonder significante gevolgen een onnodige administratieve belasting voor het bedrijf.
Omrin heeft een meldschema ontwikkeld waarmee kan worden vastgesteld welke ongewone voorvallen kunnen worden geclassificeerd als voorval zonder significante gevolgen voor het milieu. Wij zijn van mening dat met dit meldschema voldoende onderscheid wordt gemaakt tussen ongewone voorvallen mét en zónder significante gevolgen voor het milieu.
Wij achten het echter van belang om zicht te houden op de aantallen, aard en omvang van de ongewone voorvallen zonder significante gevolgen voor het milieu. Deze kunnen een indicatie zijn of de processen (in de ruimste zin) in voldoende mate worden beheerst en de installaties deugdelijk zijn.
Daarom hebben wij, naast het toepassen van het meldschema, ook een aantal voorschriften opgenomen voor het verplicht registreren ervan en de wijze waarop wij periodiek moeten worden geïnformeerd over de ongewone voorvallen zonder significante gevolgen voor het milieu die zich hebben voorgedaan.
Naast het inzichtelijk hebben van de ongewone voorvallen zonder significante gevolgen voor het milieu, stellen wij echter ook eisen aan het afhandelingsproces van ongewone voorvallen binnen de inrichting. Daarbij gaat het om zaken als signalering van de ongewone voorvallen, communicatie, onderzoek en bevoegdheden van medewerkers. Omrin heeft een beschrijving ingediend waarbij op hoofdlijnen inzichtelijk is gemaakt hoe het afhandelingsproces is georganiseerd. Om te borgen dat ook in de toekomst ongewone voorvallen zonder significante gevolgen voor het milieu door Omrin op de juiste manier worden afgehandeld, hebben wij voorschriften opgenomen over het in stand houden van dat afhandelingsproces.
Voor het treffen van maatregelen om bij definitieve bedrijfsbeëindiging de nadelige gevolgen die de inrichting heeft veroorzaakt voor het terrein waarop zij was gevestigd, ongedaan te maken of te beperken voor zover dat nodig is om dat terrein weer geschikt te maken voor een volgende functie, zijn in paragraaf 1.6 van deze vergunning voorschriften opgenomen. De voorschriften hebben betrekking op de verwijdering van aanwezige stoffen en materialen bij het gedeeltelijk of geheel beëindigen van de activiteiten.
Op grond van artikel 8.49 van de Wm gelden voor de binnen de inrichting aanwezige stortplaats specifieke eisen bij bedrijfsbeëindiging.
Voor veel inrichtingen is het zoeken naar verbetering(en) van producten en procesvoering een veelvuldig terugkerend aandachtspunt. Vaak wordt ook aan productonderzoek en/of -ontwikkeling gedaan. Dergelijke ontwikkelingen dragen veelal ook bij aan een vermindering van de belasting van het milieu.
Vanuit de geschetste achtergrond kan de behoefte bestaan en is het vaak van essentieel belang om op bepaalde momenten gedurende enige tijd proefnemingen uit te voeren. Op die manier kan informatie worden vergaard over de beoogde verbeteringen en/of aanpassingen in product of proces en om inzicht te krijgen in de daaraan verbonden milieu-hygiënische consequenties.
Proefnemingen worden gekenmerkt door een beperkte duur (wij gaan uit van maximaal negen maanden).
In de aanvraag heeft aanvrager aangegeven de mogelijkheid te willen hebben om desgewenst proefnemingen uit te kunnen voeren. Wij achten dit acceptabel. Wel zijn wij van oordeel dat daaraan randvoorwaarden moeten worden gesteld en dat proefnemingen ruim voor aanvang (minimaal zes weken) bij ons voor toestemming moeten worden voorgelegd. Daartoe hebben wij voorschriften opgenomen. Tevens moet over de resultaten van de proef aan ons worden gerapporteerd.
De proefnemingen moeten plaatsvinden binnen de milieuhygiënische randvoorwaarden van deze vergunning en mogen pas aanvangen na toestemming van ons.
Ten overvloede merken wij nog op dat indien een proef succesvol is verlopen en vergunninghouder de resultaten daarvan wil implementeren, daartoe eerst steeds zal moeten worden bezien in hoeverre een procedure op grond van de Wabo zal moeten worden doorlopen.
Proefnemingen met afvalstoffen
Een van de kernpunten van het afvalstoffenbeleid is dat de be- en/of verwerking van afvalstoffen op een zo hoogwaardig mogelijke wijze moet plaatsvinden. Het beoordelingskader daarvoor is het LAP. Om informatie te vergaren over bijvoorbeeld de technische haalbaarheid van nieuwe hoogwaardige technieken of andere be- of verwerkingsmethoden van afvalstoffen en om inzicht te krijgen in de daaraan verbonden milieuhygiënische consequenties, kan het uitvoeren van proefnemingen van essentieel belang zijn.
Proefnemingen worden gekenmerkt door een beperkte duur (wij gaan uit van maximaal negen maanden) en een beperkte hoeveelheid afvalstoffen.
In de aanvraag heeft aanvrager aangegeven de mogelijkheid te willen hebben om desgewenst proefnemingen uit te kunnen voeren. Wij achten dit acceptabel. Wel zijn wij van oordeel dat daaraan randvoorwaarden moeten worden gesteld en dat proefnemingen ruim voor aanvang (ten minste zes weken) bij ons voor toestemming moeten worden voorgelegd. Daartoe hebben wij voorschriften opgenomen. Tevens moet over de resultaten van de proef aan ons worden gerapporteerd.
De proefnemingen moeten plaatsvinden binnen de milieuhygiënische randvoorwaarden van deze vergunning en mogen pas aanvangen na toestemming van ons.
Ten overvloede merken wij nog op dat indien een proef succesvol is verlopen en vergunninghouder de resultaten daarvan wil implementeren, daartoe eerst steeds zal moeten worden bezien in hoeverre een procedure op grond van de Wabo zal moeten worden doorlopen.
Omrin wil in de toekomst een vierde vergistingstoren bouwen om meer biogas te kunnen opslaan. Daarnaast lopen er plannen voor het realiseren van een zonnepark aan de noordkant. Ook wordt de mogelijkheid onderzocht om de kantoren naar de noordkant te verplaatsen.
Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op een revisievergunning kan worden geconcludeerd, dat de omgevingsvergunning verleend kan worden voor de onderdeel milieu (revisievergunning).
In deze vergunning zijn de voor het onderdeel milieu relevante voorschriften opgenomen.
3. HANDELEN IN STRIJD MET EEN BESTEMMINGSPLAN
Een aanvraag omgevingsvergunning voor het afwijken van het geldende bestemmingsplan of beheersverordening (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c van de Wabo) kan slechts worden geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 Wabo niet mogelijk is.
De planlocatie valt binnen de beheersverordeningen “Joure, Langweer, Nijehaske, Oudehaske en het Buitengebied’ en “Kanaal West”. Conform deze beheerverordeningen blijven de bepalingen van de voorheen geldende bestemmingsplannen van kracht. Het plan betreft het uitbreiden van het terrein aan de oostzijde, waarmee de bestaande activiteiten die momenteel centraal op het terrein plaatsvinden worden uitgebreid. Tevens wordt de hoogte van de stortplaats verhoogd van 24 naar 29 meter.
Het terrein van Omrin wordt aan de oostzijde uitgebreid. Deze uitbreiding vindt plaats op gronden met de bestemming “Agrarische doeleinden”. Het storten van afval is alleen mogelijk op gronden met de bestemming “Afvalberging”. Uitbreiding van het terrein aan de oostzijde is daarmee in strijd met de geldende beheersverordening.
Tevens voorzien het plan in een verhoging van de stort van 24 naar maximaal 29 meter. Na inklinking is de verwachting dat de stortplaats uiteindelijk 25 a 26 hoog zal zijn. Op grond van artikel 4 onder D van het voorheen geldende bestemmingsplan is het gebruik van gronden met de bestemming “Afvalberging”, waarbij de afvalberging hoger is dan 24 meter, in strijd met de bestemming. De uitbreiding van de maximale hoogte is daarom in strijd met de beheersverordening.
Voor zover sprake is van een aanvraag omgevingsvergunning voor gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemminsplan of beheersverordening (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c van de Wabo) kan de vergunning op grond van artikel 2.12 van de Wabo alleen worden verleend:
Ad a. Toetsing binnenplanse afwijking
Er is geen binnenplanse planologische afwijkingsmogelijkheid in de geldende beheersverordening en bijhorende bestemmingsplan opgenomen. Een binnenplanse afwijking op grond van artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 1 van de Wabo behoort niet tot de mogelijkheden.
Ad b. Toetsing buitenplanse afwijking via de kruimelgevallenlijst
De strijdige activiteiten komen niet voor in de categorieën die zijn genoemd in artikel 4 van bijlage II van het Bor. Een buitenplanse afwijking via de kruimelgevallenlijst op grond van artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 2 behoort eveneens niet tot de mogelijkheden.
Ad c. Toetsing buitenplanse afwijking – projectafwijkingsbesluit.
In dit geval wordt gebruik gemaakt van een buitenplanse afwijking voor een omgevingsvergunning die is voorzien van een ruimtelijke onderbouwing (projectafwijkingsbesluit) op grond van artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3.
Afwijken van de beheersverordening is alleen wenselijk indien na een afweging van diverse belangen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Om navolgende redenen is ons inziens sprake van een goede ruimtelijke ordening en worden belangen niet geschaad.
Het project voorziet in een behoefte
De uitbreiding van het Ecopark is voor de continuïteit van de afvalverwerking noodzakelijk. Door de geleidelijke invulling van de stortplaats op de locatie neemt het terreinoppervlak voor de reguliere activiteiten af. Tot nu toe konden deze activiteiten vanwege de niet volledige ingebruikneming van de stortplaats hier plaatsvinden. Dat wijzigt nu. Omdat er minder ruimte beschikbaar is, is een verhoging van de afvalberging nodig. Daarnaast moet een deel van de activiteiten, die nu binnen het gebied plaatsvinden dat is bestemd voor afvalberging, naar een andere plek worden verplaatst. Het gaat enkel om opslagactiviteiten. De daarvoor benodigde ruimte ligt oostelijk van de bestaande inrichting. De uitbreiding is niet bestemd voor afvalberging. De vergunde toegestane capaciteit voor stort wordt niet overschreden.
Het project is landschappelijk zorgvuldig ingepast
Het oostelijke deel van het plangebied betreft uitbreiding van het terrein. Hier komt verharding en wordt het terrein ingericht ten behoeve van de opslag van RDF-balen, kunststofbalen, digestaat, grondachtige stromen en lege containers. De opslag zal een maximale hoogte hebben van 10 meter. Het uitgangspunt van de inrichting is dat de landschappelijke bufferwerking van de oostzijde blijft bestaan. De bestaande dubbele bomenrij met een hoogte van circa 15 meter blijft gehandhaafd. Ten noorden en oosten van de uitbreidingslocatie wordt een geluidswal van 3 à 4 meter hoog gerealiseerd. De geluidswal zal bestaan uit een aarden wal waarop struweelbeplanting wordt aangebracht met een hoogte van circa 6 meter. De totale hoogte van de wal met de beplanting komt daarmee op ongeveer 10 meter. Door deze landschappelijke inpassing blijft het uitzicht vanaf het noorden en oosten ongewijzigd.
Naast de uitbreiding van het terrein, zal de stort verhoogd worden van 24 tot maximaal 29 meter. Na inklinking is de verwachting dat de stortplaats uiteindelijk 25 a 26 meter hoog zal zijn. Omrin heeft voor de situatie na inpassing visualisaties (Visualisaties Landschappelijke Inpassing Omrin: Rho adviseurs, 15 februari 2022) aangeleverd. Op basis daarvan kan worden geconcludeerd dat het project kan worden gerealiseerd zonder dat het beeld vanuit de omgeving wezenlijk verandert.
Voor het aanleggen van het verhard oppervlak wordt circa 40.000 m2 tot een diepte van circa 0,7 m-mv afgegraven. Op basis van de gegevens van de FAMKE en de aanvullende landschappelijke, historische en archeologische gegevens, blijkt dat binnen het gehele plangebied een lage verwachting geldt voor alle perioden, met uitzondering van het Paleolithicum-Neolithicum (oude steentijd-nieuwe steentijd). Uit het archeologische onderzoek (Heerenveen, Ecopark De Wierde, Een Archeologisch Bureauonderzoek & Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O) Verkennende Fase: De Steekproef bv Archeologisch Onderzoeks- en Adviesbureau, juni 2020) dat is aangeleverd, blijkt dat de bodem in het plangebied ook in de steentijd te nat was om een aantrekkelijke vestigingslocatie te kunnen vormen. Nauwkeurige inspectie van de top van het dekzand heeft dan ook nergens in het plangebied archeologische indicatoren opgeleverd. Een archeologisch vervolgonderzoek is derhalve niet noodzakelijk.
Wel blijft in alle gevallen onverminderd van kracht dat indien bij graafwerkzaamheden toch archeologisch relevante vondsten worden gedaan, hiervan direct melding dient te worden gemaakt conform de Erfgoedwet 2015, artikel 5.10 & 5.11.
Uit de Cultuurhistorische kaart blijkt dat in en nabij het projectgebied geen monumenten aanwezig zijn. Rondom het projectgebied zijn wel enkele waardevolle routes aanwezig, waaronder De Dolten en het pad langs de zuidzijde van het Ecopark. Ook het Hearrenfeanster Kanaal is van cultuurhistorische betekenis. Er worden binnen de inrichting geen ingrepen gedaan die de cultuurhistorische waarden negatief beïnvloeden.
Voorts zijn er geen omgevingsfactoren die het initiatief in de weg staan. Voor de volledigheid wordt verwezen naar de bijgevoegde ruimtelijk onderbouwing, waarin een uitgebreide beschrijving van de omgevingsaspecten is opgenomen. Deze ruimtelijke onderbouwing maakt integraal onderdeel uit van deze omgevingsvergunning.
Geconcludeerd kan worden dat het initiatief niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Gelet hierop kan de omgevingsvergunning, met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3 van de Wabo worden verleend.
Verklaring van geen bedenkingen
Op grond van artikel 2.12, lid 1 sub a, onder 3 en artikel 2.27 lid 1 Wabo is een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad nodig om medewerking te kunnen verlenen aan de afwijking op de beheersverordening en bijhorende bestemmingsplan. Dit staat verwoord in artikel 6.5 lid 1 Bor. De gemeenteraad van de gemeente Heerenveen heeft op 6 juli 2022 besloten de ontwerp vvgb af te geven.
Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op de strijdigheid met het bestemmingsplan (beheer, kan worden geconcludeerd, dat de omgevingsvergunning verleend kan worden.
In deze vergunning zijn voor dit onderdeel geen voorschriften opgenomen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2024-7152.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.