Revisievergunning Ecopark de Wierde aan de Dolten 11 te Heerenveen

Onderwerp

Op 8 juli 2021 is een aanvraag voor een omgevingsvergunning ontvangen van Omrin. Het betreft een nieuwe, de gehele inrichting omvattende omgevingsvergunning (revisievergunning) voor Ecopark De Wierde aan De Dolten 11 te Heerenveen. De aanvraag heeft betrekking op de gehele inrichting en zal de eerder verleende omgevingsvergunningen voor deze locatie vervangen.

De voornaamste wijzigingen ten opzichte van de eerder vergunde situatie betreffen het verhogen van de stortplaats van 24 meter naar 29 meter en een uitbreiding van het terrein aan de oostzijde. De aanvraag heeft betrekking op De Dolten 11 te Heerenveen. De aanvraag is geregistreerd onder nummer 2021-FUMO-0055029 en olo nr. 5225673.

Besluit

Wij besluiten, gezien de overwegingen die zijn opgenomen in deze vergunning en gelet op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de daarop betrekking hebbende uitvoeringsbesluiten en -regelingen, aan Omrin een (omgevings)vergunning:

  • op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c Wabo (het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met de beheersverordening) te verlenen voor het aan de oostzijde uitbreiden van het terrein van Ecopark De Wierde met circa 4 ha en het verhogen van de stortplaats van 24 naar 29 meter;

  • op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, juncto artikel 2.6 van de Wabo (gedeeltelijk) te verlenen voor het veranderen en in werking hebben van een inrichting na die verandering (revisievergunning). Aan de vergunning zijn voorschriften verbonden. Deze staan in dit besluit;

  • op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, juncto artikel 2.6 van de Wabo te weigeren voor zover de vergunning betrekking heeft op het verwerken van biologisch afbreekbaar keuken- en kantineafval (euralcode 200108), biologisch afbreekbaar afval (euralcode 200201) en spijsolie en -vetten (euralcode 200125) in de scheidings- en vergistingsinstallatie;

Tevens besluiten wij:

  • dat de volgende delen van de aanvraag onderdeel uitmaken van deze vergunning zoals aangegeven in bijlage 1;

  • toe te staan dat, in afwijking van het gestelde in artikel 2.12, derde lid, van het Activiteitenbesluit, de volgende niet gevaarlijke afvalstoffen met elkaar gemengd mogen worden:

    • o

      RDF (euralcodes 191212 en 191210);

    • o

      residu van GHA (euralcode 191212 );

    • o

      met GHA-residu vergelijkbaar bedrijfsafval (euralcodes 191212 en 200301);

    • o

      digestaat (euralcode 190604) en/of

    • o

      ONF (euralcode 191212 ).

Namens het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân,

Hoogachtend,

S.G.C. Boender 

Afdelingshoofd Vergunningverlening en Specialistisch Advies

I.a.a.

Gemeente Heerenveen

Postbus 15000

8440 GA Heerenveen

Wetterskip Fryslân

Postbus 36

8900 AA Leeuwarden

Brandweer Fryslân

T.a.v. afdeling Risicobeheersing

Postbus 612

8901 BK Leeuwarden

Inspectie Leefomgeving en Transport

Postbus 1691

2500 BD Den Haag

Indieners van zienwijzen

VOORSCHRIFTEN

1 ALGEMENE VOORSCHRIFTEN

1.1 Terrein van de inrichting en toegankelijkheid

  • 1.1.1

    Binnen de inrichting moet een overzichtelijke en actuele plattegrond aanwezig zijn. Op deze plattegrond moeten ten minste de volgende aspecten zijn aangegeven: 

    • alle gebouwen en de installaties met hun functies;

    • alle opslagen van stoffen die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken met vermelding van aard en maximale hoeveelheid.

  • 1.1.2

    Op het terrein van de inrichting moet een zodanige afscheiding aanwezig zijn dat de toegang tot de inrichting voor onbevoegden redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • 1.1.3

    De inrichting moet schoon worden gehouden en in goede staat van onderhoud verkeren.

  • 1.1.4

    Dagelijks dient de directe omgeving van de inrichting, de stortbunker, de containeropslagplaats, de rekashal, de KSI en de WVI te worden ontdaan van zwerfafval.

  • 1.1.5

    De deuren van de stortbunker dienen na afloop van de dagelijkse aanvoer van afval te worden gesloten. Bij aanvoer van afval buiten de normale aanvoertijden dienen de deuren alleen te worden geopend voor het direct doorlaten van een vracht afval.

  • 1.1.6

    De toegang tot de inrichting moet tijdens de openingstijden onder voortdurend toezicht staan van een daartoe door de bedrijfsleiding aangewezen persoon.

  • 1.1.7

    Gebouwen, installaties en opslagvoorzieningen moeten altijd goed bereikbaar zijn voor alle voertuigen die in geval van calamiteiten toegang tot de inrichting/installatie moeten hebben. Binnen of nabij de installaties mogen geen andere goederen of stoffen worden opgeslagen dan die welke voor het proces nodig zijn of daardoor zijn verkregen, met uitzondering van brandbestrijdingsmiddelen.

  • 1.1.8

    Het aantrekken van vogels, insecten, knaagdieren en ander ongedierte moet worden voorkomen. Zo vaak de omstandigheden daartoe aanleiding geven moet een doelmatige bestrijding van insecten, knaagdieren en ander ongedierte plaatsvinden.

1.2 Instructies

  • 1.2.1

    De vergunninghouder moet de binnen de inrichting (tijdelijk) werkzame personen instrueren over de voor hen van toepassing zijnde voorschriften van deze vergunning en de van toepassing zijnde veiligheidsmaatregelen. Tijdens het in bedrijf zijn van installaties die in geval van storingen of onregelmatigheden kunnen leiden tot nadelige gevolgen voor het milieu, moet steeds voldoende, kundig personeel aanwezig zijn om in voorkomende gevallen te kunnen ingrijpen.

  • 1.2.2.

    De vergunninghouder moet één of meer ter zake kundige personen aanwijzen die in het bijzonder belast zijn met de zorg voor de naleving van de in deze vergunning opgenomen voorschriften.

1.3 Melding contactpersoon en wijziging vergunninghouder

  • 1.3.1

    De vergunninghouder moet direct nadat de vergunning in werking is getreden schriftelijk naam en telefoonnummer opgeven aan het het bevoegd gezag van degene (en van diens plaatsvervanger) met wie in spoedeisende gevallen, ook buiten normale werktijden, contact kan worden opgenomen. Als deze gegevens wijzigen moet dit vooraf onder vermelding van de wijzigingsdatum schriftelijk worden gemeld aan het het bevoegd gezag.

1.4 Registratie

  • 1.4.1

    Binnen de inrichting is een exemplaar van deze vergunning (inclusief aanvraag) met bijbehorende voorschriften aanwezig. Verder zijn binnen de inrichting de volgende documenten aanwezig:

    • a.

      alle overige voor de inrichting geldende omgevingsvergunningen en meldingen;

    • b.

      de veiligheidsinformatiebladen die behoren bij de in de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen;

    • c.

      de bewijzen, resultaten en/of bevindingen van de in deze vergunning voorgeschreven inspecties, onderzoeken, keuringen, onderhoud en/of metingen;

    • d.

      de registratie van het jaarlijks elektriciteit-, water-, diesel en gasverbruik.

    • e.

      een opgave van de datum, de duur, de aard en wijze van beperken of ongedaan maken van de gevolgen van alle storingen en calamiteiten die zich voordoen en milieubelasting veroorzaken; tevens dient hierbij de datum waarop de gevolgen van de storingen en calamiteiten zijn beperkt of ongedaan zijn gemaakt en de naam van de uitvoerende instantie/persoon te worden aangegeven;

    • f.

      de registratie van specifieke operationele en controle- en onderhoudswerkzaamheden;

    • g.

      de registratie op basis van 4.2.1 van de dagen en tijden waarop de puinbreker en houtshredder in gebruik zijn.

  • 1.4.2

    De documenten genoemd in voorschrift 1.4.1 moeten ten minste vijf jaar worden bewaard.

  • 1.4.3

    Onderhoudswerkzaamheden waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen dat deze buiten de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, dan wel dat hiervan in de omgeving meer nadelige gevolgen voor het milieu worden ondervonden dan uit de normale bedrijfsvoering voortvloeit, moeten ten minste 3 dagen voor de aanvang van de uitvoering aan het het bevoegd gezag worden gemeld.

  • 1.4.4

    Klachten van derden en de actie die door de vergunninghouder is ondernomen om de bron van de klachten te onderzoeken en eventueel weg te nemen, moeten worden geregistreerd.

1.5 Inspectie, keuringen en onderhoud 

  • 1.5.1

    Door middel van regelmatige interne (apparaat-) inspecties en/of testen moet het naar behoren functioneren van alle installaties en voorzieningen worden gecontroleerd, waarbij de bevindingen schriftelijk moeten worden vastgelegd. Onder bevindingen wordt ook verstaan het uitvoeren van reparaties, verbeteringen en geconstateerde afwijkingen. De frequentie van het uitvoeren van (apparaat)inspecties en/of testen moet schriftelijk zijn vastgelegd. De vergunninghouder moet de frequentie van onderhoud/inspectie aanpassen als de bevindingen daartoe aanleiding geven. Deze registratie moet in de inrichting aanwezig zijn.

  • 1.5.2

    De wijze waarop de vergunninghouder het gestelde in voorgaand voorschrift waarborgt, moet hij vastleggen in een daartoe te ontwikkelen organisatorisch systeem met betrekking tot het beheer van de installaties (onderhoudsmanagementsysteem). De beschrijving van het onderhoudsmanagementsysteem (op hoofdlijnen) moet worden overgelegd aan het bevoegd gezag. Installaties moeten zijn onderverdeeld in objecten en voor elk object moet een uitvoeringsmethode worden opgesteld m.b.t. onderhoud, inspectie en/of testen. Deze uitvoeringsmethoden moeten mede zijn gebaseerd op analyses van de kans op en de gevolgen van eventueel falen. Verslaglegging (schriftelijk) en terugkoppeling moeten onderdeel zijn van het systeem. Uiterlijk twaalf maanden na het in gebruik nemen van de installaties moet dit systeem volledig operationeel zijn. 

  • 1.5.3

    Een overzicht van de wijzigingen die zijn doorgevoerd in het in voorschrift 1.5.2 bedoelde systeem, moet op verzoek kunnen worden getoond aan het bevoegd gezag.

  • 1.5.4

    Bij onderhouds- en reparatiewerkzaamheden moeten voorzorgsmaatregelen worden genomen om nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen.

  • 1.5.5

    Indien uit de inhoud van keurings- en inspectierapporten blijkt dat gevaar voor verontreiniging dreigt, moet direct het het bevoegd gezag daarvan in kennis worden gesteld.

1.6 Bedrijfsbeëindiging

  • 1.6.1

    Bij het geheel of gedeeltelijk beëindigen van de activiteiten binnen de inrichting moeten alle aanwezige stoffen en materialen, die uitsluitend aanwezig zijn vanwege de – te beëindigen- activiteiten, door of namens vergunninghouder op milieuhygiënisch verantwoorde wijze in overleg met het het bevoegd gezag worden verwijderd.

  • 1.6.2

    Van het structureel buiten werking stellen van (delen van) installaties en/of beëindigen van (een van de) activiteiten moet het het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk op de hoogte worden gesteld. Installaties of delen van installaties die structureel buiten werking zijn gesteld en nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, moeten in overleg met het het bevoegd gezag worden verwijderd tenzij de (delen van de) installaties in een zodanige staat van onderhoud worden gehouden dat de nadelige gevolgen niet kunnen optreden.

1.7 Proefnemingen

Algemeen

  • 1.7.1

    Vergunninghouder mag - mits hiervoor vooraf schriftelijk goedkeuring is verleend door het het bevoegd gezag en bij wijze van proef - andere dan in deze vergunning opgenomen technische installaties en/of alternatieve grond-, hulp-, of brandstoffen toepassen dan wel andere afvalstoffen verwerken. Goedkeuring wordt slechts verleend indien de proefneming noodzakelijk is om informatie te vergaren over de technische haalbaarheid van de andere toepassing en deze informatie niet op een andere wijze kan worden verkregen.

  • 1.7.2

    Voordat goedkeuring kan worden verleend voor een proef, moeten minimaal zes weken voor aanvang van de proef de volgende gegevens schriftelijk aan het het bevoegd gezag worden verstrekt:

    • h.

      het doel en de noodzaak van de proefneming;

    • i.

      een beschrijving van de alternatieve stof of van de alternatieve techniek of het alternatieve proces, met vermelding van de capaciteit inclusief eventuele wijzigingen in installaties en procesvoeringen;

    • j.

      de te verwachten wijziging in emissies en verbruiken, aangegeven met behulp van massabalansen en de verwachte wijziging in gevolgen voor het milieu;

    • k.

      de wijze waarop tijdens de proefneming processen en emissies, gevolgen voor het milieu en de verbruiken zullen worden beheerd en geregistreerd;

    • l.

      een beschrijving van de afwijking van de geldende minimumstandaard en een beschrijving van hoe deze werkwijze leidt tot een gelijkwaardigere of hoogwaardige verwerking van de minimumstandaard.

    • m.

      de hoeveelheid in te zetten materiaal;

    • n.

      de duur van de proef mag maximaal 9 maanden zijn

  • 1.7.3

    Het bevoegd gezag kan naar aanleiding van een onderzoeksopzet goedkeuring onthouden dan wel nadere eisen stellen aan de proefneming. Deze nadere eisen kunnen een beperking van duur of een beperking van de bij de proefnemingen te verwerken hoeveelheid materiaal betekenen. Tevens kunnen nadere eisen gesteld worden aan de milieuhygiënische randvoorwaarden van de proefnemingen.

  • 1.7.4

    De proefneming mag uitsluitend worden uitgevoerd binnen de aan de goedkeuring verbonden voorwaarden. Zodra blijkt dat deze randvoorwaarden niet in acht genomen (kunnen) worden of dat de gevolgen voor het milieu groter zijn dan voorzien, moet de proef onmiddellijk gestopt worden.

  • 1.7.5

    De resultaten van de proefneming moeten uiterlijk drie maanden na beëindiging van de proefneming aan het het bevoegd gezag worden overgelegd.

Proefnemingen met alternatieve afvalstoffen

  • 1.7.6

    In afwijking van het gestelde in de aanvraag en de voorschriften, mogen afvalstoffen die niet aan de ingevolge de aanvraag en deze voorschriften geldende acceptatiecriteria voldoen, bij wijze van proef worden be- of verwerkt, mits, voordat deze afvalstoffen worden aangevoerd, hiervoor schriftelijk toestemming is verleend door het bevoegd gezag.

  • 1.7.7

    Toestemming wordt slechts verleend indien:

    • a.

      de proefneming dient om een gelijkwaardige of meer hoogwaardige techniek voor de be- of verwerking van afvalstoffen te ontwikkelen en te implementeren dan de techniek die in het LAP als minimumstandaard is beschreven;

    • b.

      de proefneming ten hoogste 9 maanden duurt;

    • c.

      de bij de proefneming te be- of verwerken hoeveelheid afvalstoffen niet meer is dan benodigd is voor de ontwikkeling en de implementatie van de alternatieve techniek;

    • d.

      aangetoond is dat ten gevolge van de proefneming de ingevolge deze vergunning geldende milieuhygiënische randvoorwaarden niet zullen worden overschreden.

  • 1.7.8

    Een verzoek om toestemming dient uiterlijk 6 weken voor de beoogde aanvang van de proefneming aan het bevoegd gezag te zijn overgelegd. Het verzoek dient vergezeld te gaan van de volgende gegevens:

    • a.

      het doel, de functie en een beschrijving van de techniek met vermelding van de capaciteit;

    • b.

      de aard, de samenstelling en de hoeveelheid van de te behandelen afvalstoffen;

    • c.

      de wijzigingen in installaties en procesvoeringen die benodigd zijn;

    • d.

      de wijze waarop tijdens de proefneming processen en emissies zullen worden geregistreerd en beheerst;

    • e.

      de verwachte wijziging in massabalansen, in emissies naar lucht en van geluid, in energiegebruik en in risico’s voor de omgeving;

    • f.

      de samenstelling, fysische, chemische en toxicologische eigenschappen van de reststoffen en mogelijkheden voor hergebruik of andere bestemming;

    • g.

      de voorgestelde wijzigingen in acceptatiecriteria en acceptatieprocedure;

    • h.

      de geschatte hoeveelheid afvalstoffen die, bij het slagen van de proefneming, binnen de inrichting per jaar kan worden be- of verwerkt;

    • i.

      de thans toegepaste technieken voor be- of verwerking van de afvalstoffen dan wel de huidige bestemming van deze stoffen.

Proefnemingen met meer hoogwaardige technieken (afvalstoffen)

  • 1.7.9

    Vergunninghouder mag bij wijze van proef bij het be- of verwerken van afvalstoffen alternatieve technieken toepassen die niet in de aanvraag zijn beschreven, mits, voordat deze techniek wordt toegepast, hiervoor schriftelijk toestemming is verleend door het bevoegd gezag.

  • 1.7.10

    Toestemming wordt slechts verleend indien:

    • a.

      de proefneming dient om een gelijkwaardige of hoogwaardiger techniek voor de be- of verwerking van afvalstoffen te ontwikkelen en te implementeren dan de techniek die in het LAP als minimumstandaard is beschreven;

    • b.

      de proefneming ten hoogste 9 maanden duurt;

    • c.

      de bij de proefneming te be- of verwerken hoeveelheid afvalstof niet meer is dan benodigd is voor de ontwikkeling en de implementatie van de alternatieve techniek;

    • d.

      aangetoond is dat ten gevolge van de proefneming de ingevolge deze vergunning geldende milieuhygiënische randvoorwaarden niet zullen worden overschreden.

  • 1.7.11

    Een verzoek om toestemming dient uiterlijk 6 weken voor de beoogde aanvang van de proefneming aan het bevoegd gezag te zijn overgelegd. Het verzoek dient vergezeld te gaan van de volgende gegevens:

    • a.

      het doel, de functie en een beschrijving van de techniek met vermelding van de capaciteit;

    • b.

      de aard, de samenstelling en de hoeveelheid van de te behandelen afvalstoffen;

    • c.

      de wijzigingen in installaties en procesvoeringen die benodigd zijn;

    • d.

      de wijze waarop tijdens de proefneming processen en emissies zullen worden geregistreerd en beheerst;

    • e.

      de verwachte wijziging in massabalansen, in emissies naar lucht en van geluid, in energiegebruik en in risico's voor de omgeving;

    • f.

      de samenstelling, fysische, chemische en toxicologische eigenschappen van de reststoffen en mogelijkheden voor hergebruik of andere bestemming;

    • g.

      de voorgestelde wijzigingen in acceptatiecriteria en acceptatieprocedure;

    • h.

      de geschatte hoeveelheid afvalstoffen die, bij het slagen van de proefneming, binnen de inrichting per jaar kan worden be- of verwerkt;

    • i.

      de thans toegepaste technieken voor be- of verwerking van de afvalstoffen dan wel de huidige bestemming van deze stoffen.

2 AFVALSTOFFEN

2.1 Opslag van afvalstoffen

  • 2.1.1

    De op- en overslag en het transport van afvalstoffen moeten zodanig plaatsvinden dat zich geen afval in of buiten de inrichting kan verspreiden. Mocht onverhoopt toch verontreiniging buiten de inrichting plaatsvinden, dan moeten direct maatregelen worden getroffen om deze verontreiniging te verwijderen.

    Verder dient vergunninghouder het zwerfvuil van afval bestemd voor Ecopark De Wierde in de directe omgeving van de inrichting regelmatig te verwijderen conform de wijze als beschreven in de vergunningaanvraag.

  • 2.1.2

    De verpakking van gevaarlijk afval moet zodanig zijn dat:

    • a.

      niets van de inhoud uit de verpakking kan ontsnappen;

    • b.

      het materiaal van de verpakking niet door gevaarlijke stoffen kan worden aangetast, dan wel met die gevaarlijke stoffen een reactie kan aangaan dan wel een verbinding kan vormen;

    • c.

      deze tegen normale behandeling bestand is;

    • d.

      deze is voorzien van een etiket, waarop de gevaarsaspecten van de gevaarlijke stof duidelijk tot uiting komen.

    • e.

      Afvalstoffen moeten zodanig gescheiden van elkaar worden opgeslagen dat de verschillende soorten afvalstoffen ten opzichte van elkaar geen reactiviteit kunnen veroorzaken.

    • f.

      De termijn van opslag van afvalstoffen mag maximaal één jaar bedragen. In afwijking hiervan mag de termijn van opslag van afvalstoffen maximaal drie jaar bedragen indien de vergunninghouder aan het het bevoegd gezag heeft aangetoond dat de opslag van afvalstoffen gevolgd wordt door nuttige toepassing van afvalstoffen.

2.2 Acceptatie van afvalstoffen

  • 2.2.1

    In de inrichting mogen de hieronder vermelde afvalstoffen per kalenderjaar worden geaccepteerd. Voor de diverse deelstromen gelden de maxima zoals deze zijn genoemd in de onderstaande tabel.

Gebruikelijke benaming afvalstof

Max. opslag

Max. te accepteren per jaar

Diverse stromen te storten niet gevaarlijk afval

n.v.t.

250.000 ton

Te storten stromen gevaarlijk afval

n.v.t.

25.000 ton

Huishoudelijk afval

3.000 m³

280.000 ton

ONF derden

600 m³

76.000 ton

Organische reststromen (incl. ijzerslib)

9.000 m³

Veegvuil, RKG-slib en grondachtige stromen

25.000 ton

20.000 m3

25.000 ton

Baggerslib

10.000 ton

8.333 m3

10.000 ton

Te reinigen gronden en

inerte stromen (inclusief

asbesthoudend

materiaal)

50.000 ton

33.333 m3

50.000 ton

AEEA

Aanvoer 26 containers; afvoer 10 containers

20.000 ton

Afvalstromen t.b.v. immobilisatie

25.333 m3

38.000 ton

Afvalstromen t.b.v. recyclingactiviteiten:

77.900 ton

GFT

250 ton

250 m3

15.000 ton

Papier

500 ton

1000m3

15.000 ton

Glas

200 ton

200 m3

15.000 ton

Vlakglas

50 ton

40 m3

500 ton

Gips

25 ton

40m3

1.500 ton

B-hout

200 ton

800 m3

20.000 ton

C-hout

50 ton

200 m3

4.000 ton

Gemengd tapijt

50 ton

100 m3

1.000 ton

Autobanden

50 ton

100 m3

400 ton

Snoeiafval

250 ton

1000 m3

1.000 ton

Houtsnippers

1.100 ton

2750 m3

3.000 ton

Dakleer

25 ton

40 m

1.500 ton

Bewerking van bouw- en sloopafval

500 m3

10.000 ton

Bedrijfsafval

500 m3

20.000 ton

Residu grof huishoudelijk

afval (GHA)

500 m3

10.000 ton

Afvalwater derden

20.000 m3

Brongescheiden kunststoffen

6.000 ton

2.400 m3

42.000 ton

Nagescheiden kunststoffen inclusief intern t.b.v. KSI

1.000 ton

6.000 m3

58.000 ton

De bijbehorende euralcodes zijn te vinden in de bijlage Afvalstoffenregister van 25-07-2022 behorend bij deze aanvraag

  • 2.2.2

    Van het bij de aanvraag gevoegde A&V-beleid moet voor alle euralcodes in het Afvalstoffenregister de samenhang tussen de verschilende onderdelen van het A&V-beleid (Afvalregister, beslisboom, Acceptatie-en Verwerkingsbeleid en de Niet Technische Samenvatting) worden nagegaan. Gecontroleerd moet worden of de onderdelen voor alle euralcodes een sluitend geheel vormen. Zonodig moet het A&V-beleid worden aangevuld of gewijzigd.

  • 2.2.3

    Het bij de aanvraag gevoegde A&V-beleid moet met de volgende onderdelen worden aangevuld:

    • a.

      A&V-beleid: de aanvulling van de beschrijving onder 3.13 (Organische reststromen) zodanig dat duidelijk is dat de verwerking van slibben uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie in de vergistingsinstallatie alleen mag plaatvinden als de ontdoener heeft aangetoond dat recycling technisch niet mogelijk is of dat de kosten voor afgifte van deze partijen aan de poort van de verwerker door de ontdoener meer zouden bedragen dan € 205,-/ton;

    • b.

      A&V-beleid: de bepaling dat van AVI-bodemas alleen het residu van het ‘opwerkingsproces’ conform de bepalingen van de Green Deal mag worden gestort.

  • Deze aanvulling en de in voorschrift 2.2.2 bedoelde aanvulling of wijziging moeten binnen een maand na inwerkingtreding van deze vergunning ter goedkeuring aan het bevoegd gezag zijn voorgelegd:

  • 2.2.4

    Tenzij de voorschriften in deze vergunning anders bepalen, moet de vergunninghouder altijd handelen overeenkomstig het bij de aanvraag gevoegde A&V-beleid en de AO/IC inclusief (voorzover van toepassing) de goedgekeurde aanvullingen en de toegezonden wijzigingen.

  • 2.2.5

    Het A&V-beleid en de AO/IC en de doorgevoerde wijzigingen moeten gedurende de openingstijden van de inrichting voor het het bevoegd gezag ter inzage liggen.

  • 2.2.6

    Wijzigingen van de procedure voor acceptatie, be- en verwerking, registratie of controle en wijzigingen in het afvalstoffenregistermoeten, ter bepaling van de procedure die in relatie tot de aard van de wijziging is vereist, schriftelijk aan het bevoegd gezag worden voorgelegd. In het voornemen tot wijziging moet het volgende aangegeven worden:

    • a.

      de reden tot wijziging;

    • b.

      de aard van de wijziging;

    • c.

      de gevolgen van de wijziging voor andere onderdelen van het A&V-beleid en de AO/IC;

    • d.

      de datum waarop vergunninghouder de wijziging wil invoeren.

Pas na beoordeling/goedkeuring van het bevoegd gezag mag de wijziging doorgevoerd. worden.

2.3 Bedrijfsvoering

  • 2.3.1

    Binnen de inrichting mogen per kalenderjaar niet meer dan de hieronder aangegeven hoeveelheden afvalstoffen worden verwerkt.

Verwerking

Maximale hoeveelheid (ton/jaar)

Afvalberging

250.000

Deponie voor gevaarlijk afval

25.000 ton

Strategische aanvoer/afvoer huishoudelijk afval

10.000 ton

Afvalbunker huishoudelijk afval

280.000 ton

ONF derden

76.000 ton*

Organische reststromen (incl. 7.500 ton ijzerslib)

110.000 ton*

Veegvuil, RKG-slib en grondachtige stromen

25.000 ton

Baggerslibbewerking

10.000 ton

Grondreiniging (inclusief inert)

50.000 ton

Sorteren AEEA

20.000 ton

Immobilisatie

38.000 ton

Recyclingactiviteiten

77.900 ton

Bewerking bouw- en sloop-afval (B&S)

10.000 ton

Bedrijfsafval

20.000 ton

Residu grof huishoudelijk afval (GHA)

10.000 ton

Afvalwater derden

20.000 m³

Kunststoffen extern t.b.v. KSI

72.000 ton

Kunststoffen intern t.b.v. KSI

28.000 ton

* De aangeven tonnages voor de aanvoer van ONF derden en organische reststromen naar de scheidings- en vergistingsinstallatie zijn onderling uitwisselbaar en uitwisselbaar met de tonnages van ONF uit de scheidingsinstallatie.

  • 2.3.2

    Indien de afzet van de opgeslagen afvalstoffen stagneert, geeft de vergunninghouder dit onverwijld schriftelijk te kennen aan het bevoegd gezag. Deze mededeling bevat ten minste gegevens over de oorzaak van de stagnatie en de verwachte tijdsduur, alsmede de maatregelen die worden genomen om de stagnatie op te heffen, respectievelijk in de toekomst te voorkomen.

  • 2.3.3

    De opslaghoogte van het brandbaar afval en de kunststoffen in balen mag maximaal 5 meter bedragen.

  • 2.3.4

    De oppervlakte van een vak voor de opslag van brandbaar afval en kunststoffen mag niet meer dan 2500 m2 bedragen.

  • 2.3.5

    De afstand tussen de verschillende opslagvakken met brandbaar afval en kunststoffen moet minimaal 10 meter bedragen.

  • 2.3.6

    Op het terrein van de inrichting moeten opslagvoorzieningen worden aangebracht, waarin afvalstoffen tijdelijk kunnen worden opgeslagen indien nader onderzoek noodzakelijk is, alvorens overgegaan kan worden tot verwerking van deze afvalstoffen. De voorziening waarin afvalstoffen worden opgeslagen, dient te worden afgezeild of op een andere wijze doeltreffend te worden afgesloten.

  • 2.3.7

    Brandende of smeulende stoffen mogen niet tot de inrichting worden toegelaten.

  • 2.3.8

    De ten behoeve van de acceptatieprocedure te nemen monsters dienen gedurende ten minste 1 maand te worden bewaard.

  • 2.3.9

    In geval van noodsituaties of calamiteiten kan het bevoegd gezag in het belang van een milieuhygiënisch verantwoorde verwijdering van afvalstoffen een aanwijzing geven op grond waarvan vergunninghouder tijdelijk de in de aanwijzing aangeduide afvalstoffen moet accepteren en verwerken. De aanwijzing zal zich daarbij maximaal uitstrekken tot de afvalstoffen die ingevolge deze vergunning geaccepteerd mogen worden.

2.4 Sturing

  • 2.4.1

    Het verwerken van niet voor recycling geschikt procesafhankelijk industrieel afval van productieprocessen tot brandstof voor motoren van voer- en vaartuigen, andere mobiele toepassingen of vormen van inzet buiten inrichtingen, is niet toegestaan.

  • 2.4.2

    Gemengd bouw- en sloopafval moet ten minste in de volgende fracties (voor zover aanwezig) gescheiden worden:

    • a.

      als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen in de afvalstoffenlijst bedoeld behorende bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst, voor zover deze stoffen niet in de onderdelen b tot en met j van dit lid zijn opgenomen;

    • b.

      teerhoudende dakbedekking, al dan niet met dakbeschot;

    • c.

      teerhoudend asfalt;

    • d.

      bitumineuze dakbedekking, al dan niet met dakbeschot;

    • e.

      niet-teerhoudend asfalt;

    • f.

      vlakglas, al dan niet met kozijn;

    • g.

      gipsblokken en gipsplaatmateriaal;

    • h.

      dakgrind;

    • i.

      armaturen;

    • j.

      gasontladingslampen;

    • k.

      steenachtig materiaal;

    • l.

      hout, inclusief verpakkingshout (gescheiden in a-/b-hout, c-hout);

    • m.

      kunststof;

    • n.

      metaal;

    • o.

      zeefzand.

  • 2.4.3

    Indien vergunninghouder niet alle fracties zoals genoemd in vorig voorschrift kan uitsorteren, moet de overgebleven afvalstroom afgevoerd worden naar een inrichting waar de nog niet verwijderde fracties alsnog uitgesorteerd worden. Dit moet blijken uit een schriftelijke overeenkomst met de betreffende vergunninghouder.

  • 2.4.4

    Het uitsorteren van gemengd bouw- en sloopafval moet plaatsvinden tot het moment dat verdere verwerking gezien de aard en/of samenstelling niet meer mogelijk is, of de kosten voor verdere sortering hoger zijn dan in sectorplan 28 opgenomen.

  • 2.4.5

    Het resulterende sorteerresidu van bouw- en sloopafval moet nog minimaal verbrand kunnen worden in een AVI.

  • 2.4.6

    De verwerking van gemengd grof huishoudelijk afval moet worden ingericht op het zoveel mogelijk afscheiden van van monostromen die geschikt zijn voor recycling. Afvoer van deze gemengde stroom naar een laagwaardigere verwerking dan recycling, zoals verbranding en stort, is niet toegestaan.

2.5 Registratie

  • 2.5.1

    In de inrichting moet een registratiesysteem aanwezig zijn, waarin van alle aangevoerde afvalstoffen het volgende moet worden vermeld:

    • a.

      de datum van aanvoer;

    • b.

      de aangevoerde hoeveelheid (kg);

    • c.

      de naam en adres van de locatie van herkomst;

    • d.

      de naam en adres van de ontdoener;

    • e.

      de gebruikelijke benaming van de afvalstoffen;

    • f.

      de euralcode;

    • g.

      het afvalstroomnummer (indien van toepassing).

  • Ad c: Indien de aangevoerde afvalstoffen worden verkregen door route-inzameling, kan bij de registratie van naam en adres van de locatie van herkomst worden volstaan met "diverse locaties".

    Indien de afvalstoffen worden aangevoerd door een inzamelaar (niet zijnde de vergunninghouder) met toepassing van de inzamelaarsregeling, moet de locatie van herkomst worden aangegeven zoals deze moet worden vermeld op de begeleidingsbrief.

    Ad d: Indien de aangevoerde afvalstoffen worden verkregen door route-inzameling of via de inzamelaarsregeling, wordt met de ontdoener de inzamelaar bedoeld.

  • 2.5.2

    In de inrichting moet van alle aangevoerde hulpstoffen die bij de verwerking van afvalstoffen worden gebruikt, het volgende worden geregistreerd:

    • a.

      benaming hulpstof;

    • b.

      de datum van aanvoer;

    • c.

      de aangevoerde hoeveelheid;

    • d.

      de naam en adres van de leverancier.

  • 2.5.3

    In de inrichting moet eveneens een registratiesysteem aanwezig zijn waarin van alle afgevoerde afvalstoffen, (grond)stoffen of producten die bij de verwerking zijn ontstaan, het volgende moet worden vermeld:

    • a.

      de datum van afvoer;

    • b.

      de afgevoerde hoeveelheid (kg);

    • c.

      de afvoerbestemming;

    • d.

      de naam en adres van de afnemer;

    • e.

      de gebruikelijke benaming van de (afval)stoffen;

    • f.

      de euralcode (indien van toepassing);

    • g.

      het afvalstroomnummer (indien van toepassing).

  • 2.5.4

    In de inrichting moet een registratiesysteem aanwezig zijn, waarin van alle interne (afval)stromen binnen de inrichting het volgende moet worden vermeld:

    • a.

      de datum van aanvoer;

    • b.

      de aangevoerde hoeveelheid (kg);

    • c.

      de locatie van herkomst;

    • d.

      de gebruikelijke benaming van de (afval)stoffen;

    • e.

      de euralcode (indien van toepassing

    • f.

      het afvalstroomnummer (indien van toepassing)

    • g.

      de bestemming van de (afval)stof binnen de inrichting;

  • 2.5.5

    Van de reeds ingewogen afvalstoffen die op grond van een acceptatievoorschrift van deze vergunning niet mogen worden geaccepteerd, moet een registratie bijgehouden worden waarin staat vermeld:

    • a.

      de datum van aanvoer;

    • b.

      de aangeboden hoeveelheid (kg);

    • c.

      de naam en adres van plaats herkomst;

    • d.

      de reden waarom de afvalstoffen niet mogen worden geaccepteerd;

    • e.

      de euralcode;

    • f.

      het afvalstroomnummer (indien van toepassing);

    • g.

      de datum van afvoer;

    • h.

      de naam en adres van plaats afvoer.

  • 2.5.6

    Ten behoeve van de registratie als bedoeld in dit hoofdstuk moet een registratiepost aanwezig zijn. De hoeveelheden die op grond van dit hoofdstuk moeten worden geregistreerd, moeten worden bepaald door middel van een binnen de inrichting aanwezige weegvoorziening. De weegvoorziening(en) waarvan gebruik wordt gemaakt, moet(en) overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften van het Nederlands Meetinstituut zijn geijkt. Op aanvraag moeten geldige certificaten van weegvoorziening(en) aan het het bevoegd gezag ter inzage worden gegeven.

  • 2.5.7

    Er moet een sluitend verband bestaan tussen de (afval)stoffenregistratie als bedoeld in dit hoofdstuk en de financiële administratie.

  • 2.5.8

    Binnen één maand na ieder kalenderjaar moet ter afsluiting van dit kalenderjaar een inventarisatie plaatsvinden van de in de inrichting op de laatste dag van het jaar aanwezige voorraad afvalstoffen. Deze gegevens moeten in een rapportage worden vastgelegd. Op verzoek moet deze rapportage aansluitend worden verzonden aan het bevoegd gezag. In de rapportage moet het volgende worden geregistreerd:

    • a.

      een omschrijving van de aard, de samenstelling en euralcode van de opgeslagen (afval)stoffen;

    • b.

      de opgeslagen hoeveelheid (omgerekend naar kg) per soort (afval)stof;

    • c.

      de datum, waarop de inventarisatie is uitgevoerd.

  • Verschillen tussen deze fysieke voorraad en de administratieve voorraad (op basis van geregistreerde gegevens) moeten in deze rapportage worden verklaard.

  • 2.5.9

    Uiterlijk 1 juli van elk kalenderjaar moet een sluitende massabalans over het voorgaande jaar aan het bevoegd gezag worden gezonden. In deze balans moet duidelijk onderscheid worden gemaakt naar de aard van de stoffen. De balans moet het volgende bevatten:

    • a.

      de voorraad grondstoffen en afvalstoffen aan het begin en aan het einde van het voorafgaande jaar;

    • b.

      de ontvangen hoeveelheden grondstoffen en afvalstoffen in dat jaar;

    • c.

      de verwerkte hoeveelheden grondstoffen en afvalstoffen in dat jaar;

    • d.

      de afgevoerde hoeveelheden afvalstoffen en deelstromen en eindproducten (inclusief vermelding van bestemming);

    • e.

      een verklaring van de verschillen in de massabalans.

  • 2.5.10

    Van afvalstoffen die binnen de stortplaats nuttig worden toegepast (waaronder materiaal voor tussenafdichting, storttaluds en steunlaag bovenafdichting) moet worden geregistreerd:

    • de oorsprong;

    • de hoeveelheid (in tonnen);

    • een omschrijving van de aard en samenstelling;

    • de wijze waarop deze nuttig worden toegepast;

    • de afvalstofcode (overeenkomstig de Eural).

  • Vergunninghouder dient uiterlijk 1 juli een rapportage over het voorgaande kalenderjaar aan het bevoegd gezag hierover te verstrekken.

  • 2.5.11

    Alle op grond van dit hoofdstuk te registreren gegevens moeten dagelijks worden bijgehouden en samen met de in het vorige voorschrift genoemde rapportage gedurende ten minste vijf jaar in de inrichting worden bewaard en aan de daartoe bevoegde personen op aanvraag ter inzage worden gegeven.

2.6 Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS)

  • 2.6.1

    Binnen 3 maanden na inwerkingtreding van deze vergunning moet voor wat betreft de in de inrichting te accepteren categorieën afvalstoffen een plan van aanpak zijn opgesteld en ter goedkeuring zijn voorgelegd aan het bevoegd gezag. In het plan van aanpak moet door vergunninghouder zijn uitgewerkt hoe op continue basis wordt gestreefd naar het zo goed mogelijk in beeld brengen en houden van (veranderingen in) de ZZS-samenstelling van ZZS-bevattende afvalstoffen. In het plan van aanpak moeten minimaal de volgende onderzoeksvragen per relevante (mogelijk ZZS-houdende) afvalstroom per Euralcode worden beantwoord en gemotiveerd:

    • a.

      Welke informatie wordt waar en met welke frequentie opgevraagd?

    • b.

      Worden analyses uitgevoerd en zo ja welke, door wie en overeenkomstig welke normering?

    • c.

      Hoe en hoe vaak wordt gecontroleerd of de informatie nog actueel is?

    • d.

      Welke informatie kan niet in beeld worden gebracht, wat zijn daar de oorzaken van en welke actie onderneemt vergunninghouder daarop?

  • Het door het bevoegd gezag goedgekeurde plan van aanpak moet worden uitgevoerd.

  • 2.6.2

    Op basis van de inzichten die (zijn) ontstaan door uitvoering te geven aan voorschrift 2.6.1, moet vergunninghouder op basis van zijn A&V-AO/IC komen tot een jaarlijkse toetsing van zijn A&V-beleid en moet hij zich er daarbij van vergewissen dat dit niet strijdig is met:

    • geldende wet- en regelgeving;

    • de minimumstandaard als verwoord in de toepasselijke sectorplannen van het LAP3.

  • 2.6.3

    Indien het technisch en economisch mogelijk is (al dan niet door derden) om de in een geaccepteerde partij afvalstoffen aanwezige ZZS hieruit te vernietigen of af te scheiden en de afvalstof dan zonder ZZS of met een heel laag gehalte ervan alsnog voor recycling of nuttige toepassing in te zetten, is het mengen van deze ZZS-houdende partij afvalstoffen zonder deze reinigingsstap (al dan niet door derden) niet toegestaan.

3 ENERGIE 

3.1.1 Vergunninghouder dient uiterlijk 31 december 2024 en vervolgens elke vier jaar vóór 31 december de rapportage van een energieonderzoek ter goedkeuring in bij het bevoegd gezag. Het energieonderzoek heeft tot doel om de rendabele en technisch haalbare energie-efficiënte maatregelen te identificeren. De rapportage van het onderzoek moet de volgende gegevens bevatten:

  • a.

    een beschrijving van de processen, faciliteiten en gebouwen (per bedrijfsonderdeel);

  • b.

    een beschrijving van de energiehuishouding, dat wil zeggen een overzicht van de energiebalans van de totale inrichting, met daarin:

    • 1.

      het energieverbruik van de hele inrichting, waarvan ten minste 90% is toebedeeld aan individuele installaties en (deel)processen;

    • 2.

      de uitgaande energiestromen, waarbij ten minste 90% van de uitgaande hoeveelheid energie wordt benoemd. Per energiestroom wordt het vermogen, temperatuurniveau en het medium aangegeven;

    • 3.

      een overzicht van intern hergebruikte energiestromen, waarbij ten miste 90% van de hergebruikte energie wordt benoemd;

  • c.

    voor de hierboven onder b. bedoelde individuele installaties en (deel)processen, de relevante uitgaande energiestromen en de intern hergebruikte energiestromen: een overzicht van alle maatregelen (technieken en voorzieningen) die in de branche als beste beschikbare techniek kunnen worden beschouwd en mogelijk rendabel zijn. Als er dergelijke maatregelen zijn, die niet zijn onderzocht, dan wordt de reden daarvan in de rapportage gemotiveerd.

    Per maatregel wordt een berekening van de terugverdientijd opgesteld volgens de methodiek zoals beschreven in bijlage 10a van de Activiteitenregeling milieubeheer, tenzij vergunninghouder onderbouwt waarom het niet noodzakelijk is om voor deze maatregel een terugverdientijd te bepalen. Op basis van deze berekening wordt per maatregel de conclusie getrokken dat de maatregel rendabel of niet rendabel is;

  • d.

    een overzicht van mogelijke organisatorische (waaronder bedieningsinstructies) en good housekeeping maatregelen (waaronder onderhoud) die leiden tot energiebesparing;

  • e.

    een energie-uitvoeringsplan waarin het volgende is opgenomen:

    • 1.

      een omschrijving van de maatregel, waaruit blijkt wat de maatregel inhoudt en in welk deel van de inrichting deze wordt toegepast;

    • 2.

      voor alle rendabele maatregelen en mogelijke organisatorische (waaronder bedieningsinstructies) en good housekeeping maatregelen (waaronder onderhoud), wanneer die zullen worden getroffen;

    • 3.

      als er rendabele maatregelen niet worden uitgevoerd, een motivering waarom dit niet gebeurt;

  • f.

    de verrichte en voorgenomen inspanningen wat betreft verduurzaming van het energieverbruik van de inrichting en de barrières die daarbij geslecht moeten worden. Deze inspanningen zijn erop gericht uiterlijk in 2050 het energieverbruik volledig te hebben verduurzaamd.

  • Toelichting bij het energieonderzoek:

    Voor de rapportage van dit onderzoek kan waar mogelijk gebruik worden gemaakt van actuele informatie en gegevens uit de rapportage in het kader van de EED en/of andere energie-rapportages. Met uw deelname of betrokkenheid bij dergelijke initiatieven op het gebied van energie en duurzaamheid, kan vergunninghouder mogelijk deels invulling geven aan het gevraagde energieonderzoek.

  • 3.1.2

    De vergunninghouder kan een gemotiveerd verzoek tot het afwijken van de in voorschrift 3.1.1. genoemde vierjaarlijkse datum bij het bevoegde gezag indienen. 

  • 3.1.3

    Als de installaties niet zijn gewijzigd, kan voor de actualisatie van het energieonderzoek volstaan worden met een actualisatie van de onderdelen c. tot en met f. uit het energieonderzoek als bedoeld in voorschrift 3.1.1.

  • 3.1.4

    Indien uit het energieonderzoek blijkt dat er geen rendabele maatregelen zijn te treffen, dan vervalt de verplichting voor het aanwezig hebben van een energie-uitvoeringsplan voor de betreffende vierjaarlijkse onderzoeksperiode van het energieonderzoek.

  • 3.1.5

    Vergunninghouder verbetert de energie-efficiëntie van de inrichting door alle rendabele maatregelen en organisatorische en good housekeeping maatregelen die leiden tot energiebesparing uit het energie-uitvoeringsplan uit te voeren, binnen de termijn die per maatregel in het plan is aangegeven.

  • 3.1.6

    Vergunninghouder mag een maatregel uit het energie-uitvoeringsplan vervangen door een gelijkwaardig alternatief, op voorwaarde dat de gelijkwaardigheid in het energiedeel van het milieujaarverslag of anderszins richting het bevoegd gezag wordt gemotiveerd. Onder gelijkwaardig wordt verstaan dat de alternatieve maatregel minstens evenveel bijdraagt aan de verbetering van de energie-efficiëntie en geen stijging geeft van de milieubelasting ten opzichte van de te vervangen maatregel.

  • 3.1.7

    Binnen de inrichting moet het energieonderzoek met het energie-uitvoeringsplan aanwezig zijn voor het uitvoeren van de in de bovenstaande voorschriften genoemde energiemaatregelen.

  • 3.1.8

    Vergunninghouder registreert de voortgang van de uitvoering van de maatregelen uit het energie-uitvoeringsplan. Deze registratie is op verzoek beschikbaar voor het het bevoegd gezag.

  • 3.1.9

    Vergunninghouder moet met ingang van 2024 jaarlijks, voor 1 juli, aan het bevoegd gezag rapporteren over ontwikkelingen op energiegebied binnen de inrichting. Deze rapportage moet ten minste de volgende onderwerpen omvatten: 

    • a.

      een energiebalans van de inrichting van het voorgaande kalenderjaar, met daarin zowel de ingekochte hoeveelheden energie per energiedrager, de hergebruikte hoeveelheden energie als de uitgaande energiestromen, inclusief vermogens en temperatuurniveaus;

    • b.

      energiemaatregelen die in het kader van het energie-uitvoeringsplan zijn genomen;

    • c.

      (indien van toepassing) wijzigingen in de tijdsplanning van de activiteiten uit het energie-uitvoeringsplan, vergezeld van motivering;

    • d.

      (indien van toepassing) vervanging van maatregelen door een gelijkwaardige energiebesparende maatregel, vergezeld van motivering;

    • e.

      (indien van toepassing) de energierelevante investeringsbeslissingen zoals bedoeld in voorschrift 3.1.10, vergezeld van motivering.

  • 3.1.10

    Bij het nemen van energierelevante investeringsbeslissingen moet vergunninghouder energiezuinigere alternatieven onderzoeken, tenzij deze beslissing betrekking heeft op maatregelen die al in het energieonderzoek zijn opgenomen. Indien een energiezuiniger alternatief in vijf jaar of korter terug te verdienen is, moet voor dat alternatief gekozen worden. De gemaakte keuzes moeten worden gemeld en onderbouwd in de jaarlijkse rapportage, zoals beschreven in voorschrift 3.1.9.

4 GELUID EN TRILLINGEN

4.1 Representatieve bedrijfssituatie

  • 4.1.1

    Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan:

Beoordelingspunt en omschrijving

Rijksdriehoeks-coördinaten x;y

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau

LAr,LT in dB(A)

Dag

Avond

Nacht

07.00 -19.00 uur

19.00 -23.00 uur

23.00 -07.00 uur

VP1 De Dolten 8

187199,77; 554752,79

48

37

35

VP2 De Dolten 9

187356,07; 554115,99

46

29

28

VP3 Welleweg 14

188012,57; 555325,29

43

33

32

VP4 Welleweg

187945,67, 555520,29

41

31

29

VP5 laad- en loskade

188587,97; 554661,89

46

27

27

VP6 kanaal NO

188513,17; 555386,59

39

30

29

De ligging van de beoordelingspunten is aangegeven in bijlage 3 “ligging beoordelingspunten”.

De beoordelingshoogte voor de dag-, avond- en nachtperiode is 5 meter.

  • 4.1.2

    Het maximale geluidsniveau LAmax veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan:

Beoordelingspunt en omschrijving

Rijksdriehoeks-coördinaten x;y

Maximale geluidsniveau LAmax

in dB(A)

Dag

Avond

Nacht

07.00 -19.00 uur

19.00 -23.00 uur

23.00 -07.00 uur

VP1 De Dolten 8

187199,77; 554752,79

56

53

51

VP2 De Dolten 9

187356,07; 554115,99

49

42

42

VP3 Welleweg 14

188012,57; 555325,29

49

41

41

De ligging van de beoordelingspunten is aangegeven in bijlage 3 “ligging beoordelingspunten”.

De beoordelingshoogte voor de dag-, avond- en nachtperiode is 5 meter.

  • 4.1.3

    In afwijking van voorschrift 4.1.1 mag op zondagen het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan:

Beoordelingspunt en omschrijving

Rijksdriehoeks-coördinaten x;y

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau

LAr,LT in dB(A)

Dag

Avond

Nacht

07.00 -19.00 uur

19.00 -23.00 uur

23.00 -07.00 uur

VP1 De Dolten 8

187199,77; 554752,79

36

34

34

VP2 De Dolten 9

187356,07; 554115,99

28

28

28

VP3 Welleweg 14

188012,57; 555325,29

33

32

32

VP4 Welleweg

187945,67, 555520,29

30

29

29

VP5 laad- en loskade

188587,97; 554661,89

27

27

27

VP6 kanaal NO

188513,17; 555386,59

30

29

29

De ligging van de beoordelingspunten is aangegeven in bijlage 3 “ligging beoordelingspunten”.

De beoordelingshoogte voor de dag-, avond- en nachtperiode is 5 meter.

  • 4.1.4

    In afwijking van voorschrift 4.1.2 mag op zondagen het maximale geluidsniveau LAmax veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan:

Beoordelingspunt en omschrijving

Rijksdriehoeks-coördinaten x;y

Maximale geluidsniveau LAmax

in dB(A)

Dag

Avond

Nacht

07.00 -19.00 uur

19.00 -23.00 uur

23.00 -07.00 uur

VP1 De Dolten 8

187199,77; 554752,79

51

51

51

VP2 De Dolten 9

187356,07; 554115,99

42

42

42

VP3 Welleweg 14

188012,57; 555325,29

49

41

41

De ligging van de beoordelingspunten is aangegeven in bijlage 3 “ligging beoordelingspunten”.

De beoordelingshoogte voor de dag-, avond- en nachtperiode is 5 meter.

4.2 Diversen geluid

  • 4.2.1

    De puinbreker en de houtshredder mogen niet tegelijkertijd in werking zijn. De dagen en tijden dat de puinbreker en de houtshredder in werking zijn, moeten worden geregistreerd.

  • 4.2.2

    Bij het achteruitrijden van vrachtwagens en shovels op het terrein tussen 22.00 uur en 6.00 uur wordt niet met piepjes gewerkt, maar met flikkerlichten.

  • 4.2.3

    Bij het overslaan/verplaatsen van glas, grind en/of granulaat in de open lucht mag de hoogte van de vrije val van het materiaal maximaal 1 meter bedragen.

  • 4.2.4

    Er moet een werkinstructie aanwezig zijn binnen de inrichting om de piekgeluiden (LAmax) in de avond en nacht onder controle te houden. Deze werkinstructie moet eenmaal in de twee maanden onder de aandacht worden gebracht bij personeel/chauffeurs van de vergunninghouder middels een briefing (mondeling).

  • 4.2.5

    In aanvulling op voorschrift 1.5.1 moet van de relevante geluidsbronnen binnen de inrichting maandelijks worden gecontroleerd of geluidsniveaus geproduceerd worden die hoger zijn dan verwacht.

5 GEUR

5.1 Algemeen

  • 5.1.1

    Geurreducerende voorzieningen moeten voor de goede werking onder optimale condities in bedrijf worden gehouden. De voorzieningen moeten ten minste jaarlijks of zo vaak als nodig is, volgens een geurbeheerplan worden onderhouden en geïnspecteerd. Het geurfilter of geurfiltermateriaal in de voorziening moet zo vaak als voor een goede werking noodzakelijk is worden vervangen en gereinigd.

  • 5.1.2

    Voor borging van de goede werking van de toegepaste geurreducerende voorzieningen zijn instructies en procedures beschikbaar, die de uitvoering van inspectie en onderhoud van deze installaties beschrijven. Deze instructies en procedures dienen aan te geven: 

    • hoe het onderhoud wordt uitgevoerd (manier en frequentie) en hoe controle, onderhoud en vervanging wordt geborgd;

    • hoe het onderhoud wordt geregistreerd (o.a. standtijd, storingen);

    • hoe hiermee preventief onderhoud wordt bevorderd;

    • op welke wijze de emissie zo laag mogelijk wordt gehouden in gevallen dat de nageschakelde emissiebeperkende technieken worden gerepareerd, onderhouden of vervangen;

    • hoe de periodieke monitoring van de werking van bedoelde voorzieningen wordt uitgevoerd en geregistreerd;

    • welke meetfrequentie en meettechniek worden toegepast (monitoring) om de werking van desbetreffende voorzieningen te controleren.

  • 5.1.3

    De vergunninghouder dient te handelen in overeenstemming met de in voorschrift 5.1.2 bedoelde instructies en procedures.

  • 5.1.4

    Van het onderhoud en de inspectie moet verslag worden gelegd in een logboek, dat ter plaatse altijd voor de toezichthouder ter inzage beschikbaar moet zijn.

  • 5.1.5

    Vergunninghouder moet uiterlijk binnen 3 maanden na het in werking treden van deze vergunning een geurbeheerplan ter goedkeuring indienen bij het bevoegd gezag. In het geurbeheerplan dient te zijn opgenomen:

    • een protocol met acties en termijnen voor onderhoud en inspectie van de geurreducerende voorzieningen;

    • een protocol voor de monitoring van geur. De monitoringsfrequentie voor geleide emissies naar lucht is daarbij gebaseerd op BBT-conclusie 8 van de BREF afvalbehandeling. Dit kan worden aangevuld met de meting/schatting van de blootstelling aan geur of de schatting van de geuroverlast;

    • een protocol voor de reactie op geconstateerde geurincidenten, bijv. klachten;

    • een programma ter voorkoming en beperking van geuren, ontworpen om:

      • o

        de bronnen te bepalen;

      • o

        om de blootstelling aan de geur te meten/schatten;

      • o

        om de bijdragen van de bronnen te karakteriseren en

      • o

        om preventieve en/of beperkende maatregelen uit te voeren.

  • 5.1.6

    Relevante wijzigingen in het geurbeheersplan moeten schriftelijk ter goedkeuring aan het het bevoegd gezag worden voorgelegd.

  • 5.1.7

    Tot het moment dat vergunninghouder beschikt over een goedgekeurd geurbeheersplan dient er op de volgende manier gehandeld te worden: Bij aanhoudende geurhinder en/of het slecht functioneren van installaties die gevolgen hebben op de geuremissie, moet onderzoek worden gedaan naar de mogelijkheid tot het treffen van (aanvullende) maatregelen. Voor zover relevant:

    • moet inspectie en onderhoud aan de installaties worden uitgevoerd;

    • moeten maatregelen worden getroffen ter voorkoming of beperking van diffuse emissies;

    • moeten incidentele geurpieken worden beperkt (bijvoorbeeld tot bepaalde tijdstippen) en;

    • moeten aanvullende geurmetingen worden uitgevoerd om de situatie in kaart te brengen en het effect van aanvullende maatregelen inzichtelijk te maken.

  • 5.1.8

    Ter voorkoming van diffuse emissie dienen de deuren van de scheidingshal, DANO-hal, de rekashal, de ONF-opslag, de WVI-hal en de KSI-hal voortdurend gesloten te zijn, behalve in geval van het doorlaten van personen of goederen. De werking van dit deurenregime dient zo vaak als nodig en ten minste dagelijks te worden gecontroleerd.

  • 5.1.9

    Balen met brandbaar afval (RDF) en kunststoffen zijn luchtdicht in plastic verpakt.

5.2 Geuremissienormen

5.2.1 De geuremissies in Europese geureenheden (ouE) uit de volgende bronnen mogen per bron de waarden uit onderstaande tabel niet overschrijden:

Geurbron

Nr. (geurbron)

Geuremissie

(in MouE/h)

Oppervlaktebronnen

stortfront - stortfront afgedekt

4

13

werken in stort

2

188

veegvuil/kolkenslib

1

3,2

stortplaats voor gevaarlijk afval

3

2,0

diffuse emissie KSI (west)

5

2,8

diffuse emissie KSI (oost)

6

2,8

nieuwe locatie veegvuil/kolkenslib

7

3,2

Puntbronnen

oude awzi

1

1,2

nieuwe awzi

2

0,4

storten baggerslib

3

7

stortbunker

4

92

halafzuiging 1 bestaande scheidingshal

5

7,5

bestaande scheidingshal diffuus

6

17

recyclinghal

7

36,8

ONF-buffer/hal

8

20

biofilter

9

53

digestaatbewerkingszeef

10

2,8

WVI hal deuren

13

8

inpandig lossen van ONF derden

14

15,8

laden gft

15

22

lossen gft

16

22

shredderen grof huishoudelijk afval

17

27,5

spirofloor

18

30

halafzuiging KSI

19

2,8

DANO-scheidingshal gereinigd via afvoer 1

20

2,3

DANO-scheidingshal ongereinigd diffuus via

deuren (west)

21

2,3

DANO-scheidingshal ongereinigd diffuus via

deuren (oost)

22

2,3

DANO-scheidingshal gereinigd via afvoer 2

23

2,3

halafzuiging 2 bestaande scheidingshal (rekas)

24

7,5

5.3 Metingen en rapportage

  • 5.3.1

    Eenmaal per drie jaar moet vergunninghouder, door middel van geurmetingen, controleren dat de geuremmissie(s) de in dit hoofdstuk opgenomen normen niet overschrijden.

  • 5.3.2

    Voor het uitvoeren van deze metingen moet een meetprogramma worden opgesteld. Het meetprogramma moet ten minste bevatten: 

    • de uit te voeren metingen;

    • de geplande meetperiode;

    • de monsternametechniek(en);

    • het aantal metingen en de meetplaatsen;

    • de bedrijfsomstandigheden waarbij wordt gemeten.

  • Het meetprogramma moet voorafgaand aan de uitvoering de goedkeuring van het bevoegd gezag hebben. Op grond van een bijgeleverde motivering kan het bevoegd gezag besluiten tot een vermindering van het aantal bronnen dat wordt gemeten.

  • 5.3.3

    Geuremissiemetingen moeten worden uitgevoerd volgens de NTA 9065 en de geldende norm (NEN-EN 13725). De resultaten van de metingen (en berekeningen) moeten worden gerapporteerd conform de NTA 9065 in Europese geureenheden (ouE). Het meetplan moet vooraf ter goedkeuring worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag moet in kennis gesteld worden om bij de geurmetingen aanwezig te kunnen zijn. Het onderzoek moet onder representatieve bedrijfsomstandigheden door een geaccrediteerde meetinstantie (monstername, analyse en debietmetingen) uitgevoerd worden. Resultaten van uitgevoerde onderzoeken moeten uiterlijk 2 maanden na uitvoering van het onderzoek aan het bevoegd gezag zijn gezonden.

  • 5.3.4

    De in voorschrift 5.3.2 bedoelde meetplaatsen moeten goed en veilig bereikbbaar zijn. Zonodig moeten permanent aangebrachte voorzieningen zoals trappen, kooiladders en bordessen zijn aangebracht die het verrichten van metingen en het nemen van monsters mogelijk maken.

  • 5.3.5

    Meetpunten moeten uitgevoerd zijn overeenkomstig NEN-EN 15259.

 

6 LUCHT

6.1 Emissies van stoffen uit puntbronnen

6.1.1 De emissies uit de volgende bronnen mogen per puntbron de waarden uit onderstaande tabel niet overschrijden:

Bron

Stof

Emissieconcentratie (mg/Nm3)

Windshifter met luchtfilter

stof (PM10)

5

Luchtfilter SBI

stof (PM10)

5

Luchtfilter Dano-hal

stof (PM10)

5

  • 6.1.2

    De concentratie van de componenten genoemd in het voorgaande voorschrift moet eenmaal per 6 maanden of volgens de in het door Gedeputeerde Staten goedgekeurde controleplan vastgestelde meetfrequentie worden vastgesteld. Uiterlijk drie maanden na de meting worden de resultaten van de emissiemetingen en de emissierelevante parameters (ERP’s) van de puntbronnen inclusief toetsing aan de geldende emissiegrenswaarden overgelegd aan het bevoegd gezag. De emissiemetingen moeten worden uitgevoerd met genormaliseerde meetmethoden zoals vermeld in bijlage 2 “Luchtmetingen”.

  • 6.1.3

    De stofreducerende voorzieningen moeten voor de goede werking onder optimale condities in bedrijf worden gehouden en ten minste eens per half jaar of zo vaak als nodig is volgens het controleplan worden onderhouden en geïnspecteerd. Het filter of filtermateriaal in de voorziening moet zo vaak als voor een goede werking noodzakelijk is worden vervangen en gereinigd.

  • 6.1.4

    Voor borging van de goede werking van de toegepaste stofreducerende voorzieningen zijn instructies en procedures beschikbaar, die de uitvoering van inspectie en onderhoud van deze installaties beschrijven. Deze instructies en procedures zijn vastgelegd in het controleplan. Vergunninghouder moet binnen 6 maanden na het in werking treden van deze vergunning het controleplan ter goedkeuring indienen bij het bevoegd gezag. Het controleplan moet ten minste aangeven:

    • o

      hoe het onderhoud wordt uitgevoerd (manier en frequentie) en hoe de controle (Emissie-relevante parameters (ERP’s) in relatie tot standtijd), het onderhoud en de vervanging worden geborgd;

    • o

      hoe het onderhoud wordt geregistreerd (o.a. standtijd, ERP’s, storingen);

    • o

      de actie bij het over- en onderschrijden van de vastgestelde grenswaarde voor de ERP;

    • o

      hoe hiermee preventief onderhoud wordt bevorderd;

    • o

      op welke wijze de emissie zo laag mogelijk wordt gehouden in gevallen dat de nageschakelde emissiebeperkende technieken worden gerepareerd, onderhouden of vervangen;

    • o

      hoe de periodieke monitoring van de werking van bedoelde voorzieningen wordt uitgevoerd en geregistreerd (over- en onderschrijden van de vastgestelde grenswaarde voor de ERP’s);

    • o

      welke meetfrequentie en meettechniek wordt toegepast (monitoring, zie BBT-conclusie 8 van de BREF Afvalbehandeling) om de werking van desbetreffende voorzieningen te controleren.

  • 6.1.5

    Relevante wijzigingen in het controleplan moeten schriftelijk ter goedkeuring aan het bevoegd gezag worden voorgelegd.

  • 6.1.6

    De vergunninghouder dient te handelen in overeenstemming met de instructies en procedures uit het controleplan waarvoor het bevoegd gezag op basis van voorschrift 6.1.4 schriftelijk goedkeuring heeft verleend.

  • 6.1.7

    Van het onderhoud en de inspectie moet verslag worden gelegd in een logboek, dat ter plaatse altijd voor het bevoegd gezag ter inzage beschikbaar moet zijn.

  • 6.18

    Het uitvoeren van periodieke metingen en parallelmetingen geschiedt door een rechtspersoon die voor deze verrichtingen geaccrediteerd is door een accreditatie-instantie. Indien de metingen worden verricht door een niet-geaccrediteerde instantie, moet vooraf instemming zijn verkregen van het bevoegd gezag. De kwaliteit moet dan op andere wijze aantoonbaar geborgd zijn. Het bevoegd gezag wordt ten minste twee weken van tevoren op de hoogte gesteld van de periode waarin een periodieke meting of een parallelmeting zal worden uitgevoerd.

6.2 Stortgas 

  • 6.2.1

    Het stortgas moet binnen of buiten de inrichting worden benut of afgefakkeld.

  • 6.2.2

    Het zwavelgehalte (H2S + organische zwavelverbindingen) van in een wkk, stoomketel of fakkel te verbranden biogene gassen mag niet meer dan 0.0050% (50 ppm) bedragen. Indien deze waarde niet haalbaar is, kan worden volstaan met een zwavelverwijderingsrendement van ten minste 98% en een zwavelgehalte van maximaal 250 ppm.

  • 6.2.3

    Zo vaak als voor de goede werking van de fakkels en/of de stort- of biogasbenuttingsinstallatie is vereist, maar minimaal één maal per jaar, moet op representatieve wijze in de verzamelleiding van het systeem direct voor de fakkel en/of benuttingsinstallatie de samenstelling (met name methaan, koolstofdioxide, zuurstof, zwavel en gehalogeneerde koolwaterstoffen) van het stort- en biogas worden gemeten. De resultaten van de metingen dienen te worden geregistreerd en jaarlijks voor 1 juli te worden gerapporteerd aan het bevoegd gezag.

  • 6.2.4

    Het bevoegd gezag kan, als de evaluatie van de gegevens daar aanleiding toe geeft, nadere eisen stellen met betrekking tot inhoud, frequentie en plaats van de metingen.

  • 6.2.5

    De onttrokken stortgassen en de biogassen afkomstig van de vergistingsinstallatie moeten, voor zover niet nuttig toegepast, worden verbrand in een affakkelinstallatie, die aan de navolgende eisen moet voldoen. Er geldt een uitzondering voor een tijdelijke fakkelinstallatie die uitsluitend in gebruik is tijdens onderhoudsbeurten en storingen:

    • a)

      de uittreedtemperatuur bedraagt ten minste 900° C;

    • b)

      de verblijftijd van de verbrandingsgassen in de fakkel bedraagt ten minste 0,3 seconden;

    • c)

      de fakkel behoort tot het gesloten type.

6.3 Gasbehandeling

  • 6.3.1

    Bedrijfsgegevens van het gasbehandelingssysteem moeten in dag- en maandrapporten worden vastgelegd en op verzoek aan het bevoegd gezag worden overgelegd. Deze gegevens dienen een duidelijk beeld te geven van de input (hoeveelheden stortgas en biogas uit de vergister), op welke wijze het gas wordt benut en de output (hoeveelheden elektriciteit, afvalstoffen, etc.) van de installatie, alsmede van het aantal bedrijfsuren, het brandstofverbruik en de verbrandingswaarde van de brandstoffen.

  • 6.3.2

    Van het affakkelen moeten ten minste de volgende gegevens worden geregistreerd:

    • o

      datum, begin- en eindtijd van het affakkelen;

    • o

      aard en oorzaak van het affakkelen;

    • o

      gemeten dan wel berekende hoeveelheid afgefakkeld gas;

    • o

      uittreedtemperatuur, deze moet tijdens het affakkelen continu worden gemeten.

De registratie moet binnen de inrichting aanwezig zijn en moet op verzoek aan het bevoegd gezag worden getoond.

6.4 Diffuse stofemissies

  • 6.4.1

    Deze paragraaf is van toepassing op diffuse stofemissies van op- en overslag, laden en lossen, transporteren en verwerking van niet-inerte vaste bulkgoederen, alsmede op diffuse stofemissies van de verwerking van inerte vaste bulkgoederen anders dan overslag, opslag, laden, lossen, transport, mengen en anders dan het zeven van zand.

Algemeen

  • 6.4.2

    Activiteiten binnen de inrichting moeten op zodanige wijze plaatsvinden dat als gevolg daarvan op meer dan 2 meter vanaf de bron geen stofvorming visueel waarneembaar is.

  • 6.4.3

    Het tegengaan van stofverspreiding van opslagen en activiteiten in de buitenlucht dient plaats te vinden door:

    • vochtig houden van de stoffen door besproeiing;

    • bevochtigen van de stoffen bij het opbouwen en afgraven van een menghoop;

    • het beperken van de storthoogte tot minder dan 1 meter bij het laden en lossen van stuifgevoelige goederen in de open lucht. In afwijking hiervan mag de afstorthoogte van een transportband bij opbouw van een berg maximaal 3 meter bedragen;

    • een nevelgordijn tijdens het laden en lossen van afvalstoffen/goederen uit stuifklasse S2 en S4;

    • indien voor het besproeien/benevelen van goederen een andere vloeistof wordt gebruikt dan water, mag uitsluitend gebruik worden gemaakt van een vloeistof die geen stankhinder, luchtvervuiling of bodemverontreiniging veroorzaakt. In dat geval moet er steeds voldoende geschikte vloeistof in de inrichting beschikbaar zijn. Besproeien met een andere vloeistof dan water moet vooraf aan het bevoegd gezag ter goedkeuring worden voorgelegd.

  • 6.4.4

    Dagelijks worden er visuele inspecties uitgevoerd om te zien of zich stofemissies voordoen en om te controleren of de preventieve maatregelen goed werken.

Gesloten uitvoering ( loods)

  • 6.4.5

    Het opslaan en verwerken van afvalstoffen en goederen behorend tot stuifklasse S1 en S3 moet in gesloten ruimtes plaatsvinden. Deuren en toegangen van deze gesloten ruimtes mogen slechts kortstondig voor de aan- en afvoer van goederen open staan.

Gesloten uitvoering (silo’s/ bunkers/ hoppers/ containers)

  • 6.4.6

    De opslag van afvalstoffen en goederen behorend tot stuifklasse S1 en S3 vindt in silo’s/ bunkers/hoppers/containers plaats.

  • 6.4.7

    De silo’s/hoppers zijn voorzien van filtrerende afscheiders om stofemissie tijdens het vullen en legen te verminderen. De filters verkeren in goede staat van onderhoud, worden periodiek gecontroleerd en worden zo vaak als voor de goede werking nodig is schoongemaakt en vervangen.

Staken activiteit

  • 6.4.8

    Laden, lossen en transporteren van afvalstoffen en goederen moet worden gestaakt indien de windsnelheid de bij de onderstaande stuifklasse genoemde waarde overschrijdt:

    • a)

      stuifklasse S1 en S2 8 m/s; windkracht 4 / matige wind

    • b)

      stuifklasse S3 14 m/s; windkracht 6 / krachtige wind

    • c)

      stuifklasse S4 en S5 20 m/s; windkracht 8 / stormachtige wind.

  • 6.4.9

    Binnen de inrichting moet een zodanig goed werkende windsnelheidsmeter aanwezig zijn, dat een representatieve en kwartiergemiddelde windsnelheid kan worden gemeten en afgelezen. De windsnelheid moet continu gemeten en geregistreerd worden. De geregistreerde gegevens moeten ten minste drie achtereenvolgende jaren binnen de inrichting bewaard worden en op verzoek van het bevoegd gezag aan hem worden toegezonden.

Transport

  • 6.4.10

    Teneinde hinderlijke verspreiding van stof buiten de inrichting te voorkomen als gevolg van de transportactiviteiten, moet onmiddellijk kunnen worden voorzien in en - indien noodzakelijk - gebruik worden gemaakt van een veegmachine en/of sproeiwagen die, zo vaak als nodig is, het gedeelte van de inrichting waarop transportverkeer plaatsvindt, schoonveegt en/of besproeit met water.

7 LICHT

7.1 Algemeen

  • 7.1.1

    Terreinverlichting moet op een dusdanige wijze zijn uitgevoerd dat er geen direct licht buiten de inrichting terecht komt. Hierbij dient gebruik gemaakt te worden van armaturen die aan de bovenzijde en rondom zijn afgeschermd, aan de onderzijde voorzien zijn van vlakglas en naar beneden zijn gericht.

  • 7.1.2

    De fakkelinstallatie moet zijn voorzien van een deugdelijke voorziening, zodanig dat er buiten de inrichting geen sprake is van lichthinder.

8 BOUW- EN SLOOPAFVAL

8.1 Algemeen

  • 8.1.1

    Het leegstorten van voertuigen moet zodanig geschieden dat de aangevoerde afvalstoffen niet buiten de daarvoor bestemde opslaglocatie kunnen geraken.

  • 8.1.2

    Binnen de inrichting moeten dichte containers aanwezig zijn waarin (afval)stoffen die onverhoopt in de geaccepteerde vrachten zijn aangetroffen, gescheiden kunnen worden opgeslagen.

8.2 Acceptatie breken

  • 8.2.1

    De steenachtige fractie dient afkomstig te zijn van selectieve sloopactiviteiten van onverdachte sloopobjecten, van gescheiden inzameling op de bouw-/slooplocatie of van erkende sorteerinrichtingen.

8.3 Breken van bouw- en sloopafval 

  • 8.3.1

    De breker dient voorzien te zijn van een vaste sproei-installatie. Tijdens het breken dient het bouw- en sloopafval en in samenstelling vergelijkbaar bedrijfsafval zodanig vochtig te zijn of te worden gehouden dat stuiven wordt voorkomen. Er mag hierbij geen afvalwater vrijkomen.

  • 8.3.2

    Dakgrind mag niet worden bewerkt in de puinbreker.

  • 8.3.3

    Teerhoudend asfaltpuin mag niet worden bewerkt binnen de inrichting.

9 BAGGER IN DEPOT

9.1 Registratie

  • 9.1.1

    Aanvullend aan de gegevens die op basis van de voorschriften onder 2.5 dient in het registratiesysteem van alle aangevoerde afvalstoffen en van alle aangevoerde stoffen die bij de be- of verwerking van afvalstoffen worden gebruikt alsmede van alle interne afvalstromen, afgevoerde afvalstoffen en van alle afgevoerde stoffen die bij de be- of verwerking zijn ontstaan, het volgende te worden vermeld:

    • a.

      de bodemkwaliteitsklasse-indeling van de baggerspecie of grond;

    • b.

      een uniek kenmerk van de partij;

    • c.

      kenmerk van het analyserapport (indien van toepassing).

  • 9.1.2

    Er dient een registratie (logboek) te worden bijgehouden van de bedrijfsvoering van het samenvoegen/opsplitsen van partijen. In het logboek dient te worden vastgelegd:

    • de datum waarop samengevoegd/opgesplitst is;

    • de hoeveelheden en de kwaliteit en de unieke nummers van de samen te voegen / op te splitsen partijen;

    • een nieuw uniek nummer (dat correspondeert met het bordje op het terrein) voor de samengevoegde/opgesplitste partij;

    • kenmerk van het analyserapport (indien van toepassing) en bodemkwaliteitsklasse-indeling van de samengevoegde / opgesplitste partij.

9.2 Bedrijfsvoering

  • 9.2.1

    Het baggerdepot moet in overeenstemming zijn met de in de aanvraag vermelde gegevens, tenzij in deze voorschriften anders wordt bepaald.

  • 9.2.2

    Het baggerdepot, ingericht voor het inbrengen van verontreinigde baggerspecie, moet zijn omringd door een perskade. De perskade dient zodanig te zijn uitgevoerd dat deze in staat is krachten die ontstaan tijdens de opslag en het bewerken van bagger, te allen tijde te weerstaan.

  • 9.2.3

    Bij de aan- en afvoer en het laden en lossen van bagger mag het terrein van de inrichting en de directe omgeving daarvan niet worden verontreinigd. De bagger moet in daartoe geschikte transportmiddelen zodanig worden getransporteerd dat verontreiniging van bodem, oppervlaktewater en/of grondwater niet kan optreden. Mocht onverhoopt toch verontreiniging van het terrein van de inrichting of directe omgeving plaatsvinden, dan moeten direct maatregelen worden getroffen om deze verontreiniging te verwijderen.

  • 9.2.4

    Alvorens de bagger in het depot wordt gebracht of na ontwatering in het depot, moet de bagger zijn ontdaan van andere afvalstoffen zoals hout, plastic en metalen. Deze afvalstoffen dienen te worden opgeslagen in (een) daartoe bestemde container(s) en zo spoedig als mogelijk binnen de inrichting te worden be- of verwerkt of te worden afgevoerd naar een daartoe vergunde be-/verwerker.

  • 9.2.5

    Bij het depot moet, gedurende de uren dat bagger wordt aan- of afgevoerd, ten minste één door de vergunninghouder aangewezen persoon aanwezig zijn. Voornoemde persoon moet onder andere belast zijn met het toezicht op de stortactiviteiten en op de hoogte zijn van de in deze vergunning vermelde voorschriften.

  • 9.2.6

    Te onderscheiden klassen bagger die separaat gebaggerd kunnen worden, dienen ook separaat per klasse opgeslagen te worden. De compartimenten waarin de verschillende klassen opgeslagen liggen, dienen te zijn gemarkeerd.

9.3 Afvalwater

  • 9.3.1

    De ontwatering dient plaats te vinden door middel van verdamping en drainage zoals is aangegeven in de aanvraag om vergunning.

  • 9.3.2

    Het percolatiewater dient naar buiten de inrichting te worden afgevoerd overeenkomstig de vergunning die door de waterkwaliteitsbeheerder op grond van de Waterwet is verleend.

9.4 Afvoer bagger

  • 9.4.1

    Van de ingedikte baggerspecie die geschikt is voor nuttige toepassing dient de milieuhygiënische kwaliteit in het kader van het Besluit bodemkwaliteit met een milieuhygiënische verklaring te worden aangetoond.

10 ASBEST

10.1 Algemeen

  • 10.1.1

    Onverhoopt aangetroffen asbest (of asbesthoudende producten) moet, tenzij dit door vorm of formaat niet mogelijk is, verpakt worden in niet luchtdoorlatende kunststofverpakking en moet in een speciaal voor de opslag van asbest en asbesthoudende producten ingerichte container worden opgeslagen of worden afgevoerd naar de stortplaats.

  • 101.2

    Als het asbest mogelijk niet hechtgebonden is, moet het asbestverdacht afval worden verwijderd door een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf.

  • 10.1.3

    Als het onverhoopt los aangetroffen asbest uit kleine stukjes bestaat, moeten deze direct bevochtigd worden.

  • 10.1.4

    Asbest (of een asbesthoudend product) mag niet verkleind dan wel ver- of bewerkt worden.

  • 10.1.5

    Verpakkingsmateriaal voor asbest moet van zodanige dikte en sterkte zijn dat dit niet scheurt.

  • 10.1.6

    Transportfaciliteiten en handelingen met verpakt asbest(houdend) afval moeten zodanig zijn dat beschadiging van het verpakkingsmateriaal uitgesloten is.

  • 10.1.7

    De asbestcontainer moet, behalve tijdens het inbrengen van asbest en/of asbesthoudend materiaal, zijn afgesloten. De opslagplaats of container waar asbest en asbesthoudend afval is opgeslagen, moet duidelijk als zodanig herkenbaar zijn.

11 GROND IN DEPOT

11.1 Registratie

  • 11.1.1

    Aanvullend aan de gegevens die op basis van de voorschriften onder 2.5 worden gevraagd, dient in het registratiesysteem van alle aangevoerde en afgevoerde grond de gegevens te worden vermeld die op basis van de BRL 9335 moeten worden geregistreerd.

  • 111.2

    Er dient een registratie (logboek) te worden bijgehouden van de bedrijfsvoering van het samenvoegen/opsplitsen van partijen. In het logboek dient te worden vastgelegd:

    • de datum waarop samengevoegd/opgesplitst is;

    • de hoeveelheden en de kwaliteit en de unieke nummers van de samen te voegen / op te splitsen partijen;

    • een nieuw uniek nummer (dat correspondeert met het bordje op het terrein) voor de samengevoegde/opgesplitste partij;

    • kenmerk van het analyserapport (indien van toepassing) en bodemkwaliteitsklasse-indeling van de samengevoegde / opgesplitste partij.

11.2 Kwalificatie grond

  • 11.2.1

    De kwaliteit van elke partij dient in het kader van het Besluit bodemkwaliteit met een milieuhygiënische verklaring te worden aangetoond.

11.3 Samenvoegen grond of baggerspecie

  • 11.3.1

    Het samenvoegen van verschillende partijen grond of baggerspecie is uitsluitend toegestaan, indien deze:

    • in dezelfde bodemkwaliteitsklasse als genoemd in bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit zijn ingedeeld, en

    • zijn gekeurd en samengevoegd overeenkomstig BRL 9335 of BRL 7500, door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning.

  • De milieuhygiënische verklaringen van de oorspronkelijke partijen vervallen na samenvoegen. De vergunninghouder verstrekt een nieuwe milieuhygiënische verklaring.

    De bodemkwaliteitsklassen dienen gescheiden van elkaar te worden opgeslagen.

  • 11.3.2

    Het samenvoegen van partijen van verschillende of onbekende bodemkwaliteitsklasse is toegestaan voor partijen die kleiner zijn dan 100 ton, overeenkomstig BRL 9335 of BRL 7500.

11.4 Afvoer grond

  • 11.4.1

    Van de grond die geschikt is voor nuttige toepassing dient de milieuhygiënische kwaliteit in het kader van het Besluit bodemkwaliteit met een milieuhygiënische verklaring te worden aangetoond.

11.5 Algemene bedrijfsvoering

  • 11.5.1

    Bij de aan- en afvoer en het laden en lossen van grond mag het terrein van de inrichting en de directe omgeving daarvan niet worden verontreinigd. De grond moet in daartoe geschikte transportmiddelen zodanig worden getransporteerd dat verontreiniging van bodem, oppervlaktewater en/of grondwater niet kan optreden. Mocht onverhoopt toch verontreiniging van het terrein van de inrichting of directe omgeving plaatsvinden, dan moeten direct maatregelen worden getroffen om deze verontreiniging te verwijderen.

  • 11.5.2

    Voor een gescheiden opslag van verschillende partijen verontreinigde grond en voor de verschillende te onderscheiden bodemkwaliteitsklassen aan gekwalificeerde grond, dient vergunninghouder tussen de in opslag genomen partijen een afstand van minstens een meter aan te houden of een fysieke scheidingswand te hebben aangebracht.

  • 11.5.3

    Bij ieder opslagvak dient door middel van een bord het unieke nummer van de betreffende opslag te zijn aangegeven.

  • 11.5.4

    Vergunninghouder dient er naar te streven voor het hergebruik van partijen die voldoen aan de achtergrondwaarden, het percentage aan bodemvreemd materiaal door zeven binnen de inrichting terug te brengen tot maximaal 20% (gewichtspercentage).

  • 11.5.5

    Vergunninghouder dient voor het hergebruik van partijen, anders dan die genoemd in vorig voorschrift, het percentage aan bodemvreemd materiaal, door zeven binnen de inrichting terug te brengen tot maximaal 20% (gewichtspercentage).

  • 11.5.6

    De vrijgekomen bodemvreemde materialen of afgezeefde stoffen, zoals bedoeld in de vorige voorschriften, dienen gescheiden te worden opgeslagen in daarvoor bestemde (vloeistofdichte) containers. Volle containers moeten direct en overeenkomstig de geldende wettelijke bepalingen worden afgevoerd, bewerkt of gestort.

12 BEWERKING VEEGVUIL, GRONDACHTIGE STROMEN EN RIOOL-, KOLKEN- EN GEMALENSLIB

  • 12.1.1

    Het reinigen dient op zodanige wijze plaats te vinden, dat zich geen schuim buiten de inrichting verspreidt.

  • 12.1.2

    De voorschriften van hoofdstuk 14 met betrekking tot grondreiniging zijn ook van toepassing op het reinigen van voornoemde stromen.

13 REGIONAAL SORTEERCENTRUM VOOR AFGEDANKTE ELEKTRISCHE EN ELEKTRONISCHE APPARATUUR (AEEA)

  • 13.1.1

    Binnen de inrichting mag geen andere be- en verwerking van AEEA plaatsvinden dan een sortering in deelstromen.

  • 13.1.2

    De opslag van gesorteerde en ongesorteerde AEEA moet binnen of in dichte containers plaatsvinden. De opslag moet zodanig plaatsvinden dat hierbij geen gevaar bestaat voor het vrijkomen van schadelijke gassen en stoffen.

14 GRONDREINIGING

  • 14.1.1

    Het opmengen van partijen grond moet plaatsvinden conform BRL 9335 en BRL 7500.

  • 14.1.2

    Benzeenhoudende verontreinigde grond, baggerspecie en overige potentieel herbruikbare afvalstoffen dienen, behoudens aan- en afvoerbewegingen, steeds te zijn afgedekt met folie. Dit geldt niet indien deze afvalstoffen in het biologisch reinigingsbed aanwezig zijn, mits hierbij lucht uit de afvalstoffen wordt afgezogen en wordt afgevoerd via een actief koolfilter.

  • 14.1.3

    Benzeenhoudende grond, baggerspecie en overige potentieel herbruikbare afvalstoffen mogen niet worden gezeefd, gehydrocycloneerd en gemengd. Dit geldt niet indien deze afvalstoffen biologisch gereinigd zijn, mits hierbij lucht uit de afvalstoffen is afgezogen en is afgevoerd via een actief koolfilter.

  • 14.1.4

    De voorgaande twee voorschiften zijn niet van toepassing indien door vergunninghouder door middel van een onderzoek is aangetoond dat bij de handelingen waarop deze voorschriften betrekking hebben, geen (of verwaarloosbare) benzeenemissie zal optreden. Indien vergunninghouder een dergelijk onderzoek over wil leggen, dient/dienen:

    • de onderzoeksopzet ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te worden voorgelegd;

    • de resultaten en conclusies van het onderzoek ter goedkeuring aan het bevoegd gezag worden voorgelegd. De aangepaste, versoepelde bedrijfsvoering mag pas worden gehanteerd na goedkeuring van het bevoegd gezag.

  • 14.1.5

    Er dient regelmatig toezicht te worden gehouden op de toestand van de folie die over de benzeenhoudende verontreinigde grond, baggerspecie en overige potentieel herbruikbare afvalstoffen is gebracht. Indien de folie beschadigingen vertoont, dient de folie terstond te worden hersteld of te worden vervangen. Eventueel verwaaid of weggespoeld materiaal dient terstond te worden opgeruimd.

  • 14.1.6

    Aan de te reinigen grond mag maximaal 5% nutriënten worden bijgemengd.

  • 14.1.7

    Voor ieder afzonderlijk proces moeten bedieningsvoorschriften zijn opgesteld waarin ten minste onderstaande is opgenomen:

    • de procesvoorbereidende handelingen, het opstarten en uit bedrijf nemen van de voor het proces noodzakelijke stoffen;

    • de hoeveelheden en wijze en volgorde van doseren van de voor het proces noodzakelijke stoffen;

    • de procesomstandigheden voor een normaal procesverloop;

    • de te treffen maatregelen bij abnormale procesomstandigheden die tot een gevaarlijke situatie kunnen leiden en noodstopprocedures;

    • de te volgen schoonmaakprocedures van de installaties.

  • De bedoelde bedieningsvoorschriften moeten gedurende de procesvoering centraal aanwezig zijn op de plaats waar het proces wordt geregeld en moeten door ter zake kundig personeel worden uitgevoerd.

  • 14.1.8

    Voor iedere partij te verwerken afvalstoffen in de extractieve reinigingsinstallatie moet een verwerkingsreceptuur worden opgesteld, waarin is aangegeven op welke wijze de verwerking moet plaatsvinden en welke voorzieningen en maatregelen daarbij nodig zijn. Deze verwerkingsreceptuur dient te worden voorgelegd ter goedkeuring aan het bevoegd gezag vóór verwerking.

15 AFVALWATERZUIVERING

  • 15.1.1

    Aan- en afvoerleidingen moeten zo vaak als noodzakelijk worden gereinigd om ophoping en verstopping met slib te voorkomen.

  • 15.1.2

    Bedrijfsstoringen moeten zo snel mogelijk worden opgeheven. Hiertoe moeten kwetsbare onderdelen in reserve aanwezig zijn.

  • 15.1.3

    Indien de zuiveringsinstallatie of onderdelen daarvan buiten bedrijf zijn, moeten zodanige maatregelen worden getroffen dat hierdoor geen stankoverlast ontstaat.

  • 15.1.4

    De procesparameters moeten zodanig zijn, dat de goede werking van het zuiveringsproces is gewaarborgd. Hiertoe moeten debiet van het inkomend afvalwater en zuurstofgehalte van de beluchtingstank continu worden geregistreerd.

  • 15.1.5

    In de beluchtingstank moet steeds zoveel zuurstof worden ingebracht dat in de gehele tank het afvalwater zodanig aëroob is dat geen extra stankstoffen worden geëmitteerd. In het geval denitrificatie plaatsvindt, moet een aantoonbaar nitraatgehalte aanwezig zijn.

  • 15.1.6

    Tijdens het lossen, overslaan en behandelen van slib moeten voorzorgmaatregelen worden getroffen om verspreiding van slib op het terrein te voorkomen. Deze terreingedeelten moeten zijn voorzien van een vloeistofdichte verharding die afwaterend is gelegd op een rioleringsput.

  • 15.1.7

    Gemorst slib moet terstond worden weggespoten met ruim water. Dit mengsel moet zo spoedig mogelijk worden verwerkt in de installaties van de inrichting.

16 EXTERNE VEILIGHEID

16.1 Algemeen

  • 16.1.1

    De binnen de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen mogen de hoeveelheden zoals opgenomen in onderstaande tabel niet overschrijden. Daarnaast mogen de binnen de inrichting aanwezige hoeveelheden gevaarlijke stoffen bij toepassing van de sommatieregels (zoals genoemd in aantekening 4, behorende bij bijlage I van de Richtlijn 2012/18/EU van 4 juli 2012), niet resulteren in een uitkomst die groter is dan of gelijk is aan 1. Het gaat hierbij om de totale hoeveelheid gevaarlijke stoffen die binnen de inrichting aanwezig is. Dat wil zeggen: de in de installaties en in de (opslag)gebouwen aanwezige gevaarlijke stoffen.

Categorie in Bijlage I van de Seveso III-richtlijn

Installatie/insluitsysteem

Hoeveelheid [kg]

P2a in Deel 1: Ontvlambare gassen

biogasbuffer

  • 1.

     

vergistingsreactoren1 incl. leidingwerk en gasopwerking

ca.1.146

Nr.18 in Deel 2: Ontvlambare gassen (groen gas, CNG, aardgas)

CNG-installatie, CNG-leiding incl. leidingen en leiding naar invoerpunt

ca. 2.374

Nr. 22 in Deel 2: methanol

methanoltank

33.440

1)Dit is de hoeveelheid exclusief de 4e vergistingsreactor zoals die is betrokken in de QRA “Kwantitatieve risicoanalyse Omrin Ecopark De Wierde”, versie 7.0 d.d. 7 juli 2022. De 4e vergister betreft een toekomstige situatie die nog moet worden aangevraagd en is daarom niet meegenomen in deze revisievergunning.

  • 16.1.2

    Binnen de inrichting moet een bewakingssysteem in werking zijn waarmee wordt gewaarborgd dat de hoeveelheden als bedoeld in voorschrift 16.1.1 niet kunnen worden overschreden. Hierbij dienen ook de aantekeningen behorende bij Bijlage I van de Richtlijn 2012/18/EU van 4 juli 2012 in acht te worden genomen (sommatieregels, aantekening 4).

  • 16.1.3

    Op verzoek van het bevoegd gezag moet, op basis van het bewakingssysteeem, inzage worden gegeven in de actuele hoeveelheden van stoffen en uitkomst van de sommatieregels, zoals genoemd in voorschrift 16.1.1 en als bedoeld in voorschrift 16.1.2.

16.2 Opslag gevaarlijke stoffen

Opslag verpakte gevaarlijke stoffen tot 10.000 kg

  • 16.21.

    De opslag van verpakte gevaarlijke (afval)stoffen die vallen onder de ADR-categorieën zoals genoemd in de richtlijn PGS 15 Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen (Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 2016 versie 1.0 (september 2016)), moet voldoen aan de voorschriften van hoofdstuk 3 van voornoemde richtlijn.

Gasflessen

  • 16.2.2

    De opslag van gasflessen (ADR-klasse 2) moet in speciaal daarvoor bestemde ruimten plaatsvinden en moet voldoen aan de voorschriften van de paragrafen 6.1, 6.2 en 6.3 van de PGS 15 Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen (Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 2016 versie 1.0 (september 2016)).

16.3 Opslag van methanol in een enkelwandige bovengrondse tank

  • 16.3.1

    De opslag van methanol in een stationaire bovengrondse opslagtank met de daarbij behorende leidingen en appendages voldoet aan de volgende voorschriften van PGS 31 Overige gevaarlijke vloeistoffen – opslag in ondergrondse en bovengrondse tankinstallaties” (Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 2018 versie 1.0 (april 2018)):

    • a.

      de voorschriften 2.2.1, 2.2.2, 2.2.4, 2.2.10, 2.2.13, 2.2.17, 2.2.18, 2.2.21, 2.2.22, 2.2.23, 2.2.24, 2.2.26, 2.2.28, 2.2.29, 2.2.34;

    • b.

      2.3.10, 2.3.11, 2.3.12, 2.3.14, 2.3.15;

    • c.

      3.1.1, 3.1.2;

    • d.

      3.2.1 t/m 3.2.20;

    • e.

      5.2.1 t/m 5.2.3;

    • f.

      5.3.1, 5.3.6, 5.3.7;

    • g.

      5.5.1 t/m 5.5.3;

    • h.

      5.6.1 t/m 5.6.3;

    • i.

      5.7.1;

    • j.

      5.8.1;

    • k.

      6.2.1, 6.2.2, 6.2.3;

    • l.

      6.3.3;

    • m.

       6.4.1, 6.4.3, 6.4.5, 6.4.6;

    • n.

      6.5.1, 6.5.2, 6.5.3, 6.5.6, 6.5.7, 6.5.8;

    • o.

      6.6.1;

    • p.

      6.7.1, 6.7.2, 6.7.3, 6.7.4;

    • q.

      6.8.1, 6.8.2

16.4 Aflevering van diesel aan interne transportmiddelen

  • 16.4.1

    Bij de aflevering van vloeibare brandstoffen zijn de voorschriften 3.4.1 t/m 3.4.6, 3.4.8 en 3.4.9 van de PGS 30:2011 (versie 2011) van toepassing.

  • 16.4.2

    De zand/slibvanger en de olie/benzine-afscheider moeten ten minste eenmaal per zes maanden worden gecontroleerd op goede werking en zo vaak als nodig worden leeggemaakt volgens NEN-EN-858-2. Het verwijderde materiaal moet volgens de geldende voorschriften worden afgevoerd. Indien de olie/benzine-afscheider ten behoeve van inspectie wordt geleegd, moet deze nadien worden gevuld met water.

17 BRANDBESTRIJDING

17.1 Bereikbaarheid

  • 17.1.1

    Alle brandblusmiddelen, brandbestrijdings- en brandveiligheidssystemen moeten steeds:

    • a.

      voor onmiddellijk gebruik gereed zijn;

    • b.

      goed bereikbaar zijn;

    • c.

      als zodanig herkenbaar zijn.

  • 17.1.2

    Het terrein en het wegenstelsel moeten zodanig zijn ingericht en de toegankelijkheid moet zodanig zijn bewaakt, dat elk deel van de inrichting te allen tijde vanuit ten minste twee richtingen is te bereiken.

18 VERGISTINGSINSTALLATIE EN GASBEHANDELING

18.1 Vergistingsreactoren

  • 18.1.1

    De vergistingsreactor, het leidingwerk en de overige voorzieningen en behandelingsapparatuur die in aanraking komen met biogas (tezamen het biogas­systeem), moeten gasdicht zijn uitgevoerd en bestand zijn tegen de optredende omstandig­heden (corrosiviteit, vochtgehalte, temperatuur en druk).

  • 18.1.2

    Het biogassysteem moet regelmatig, maar ten minste eenmaal per maand, visueel worden gecontroleerd op tekenen van verwering, lekkage, slijtage of beschadigingen en indien nodig direct worden gerepareerd. Deze controle moet worden opgenomen in het registratiesysteem (voorschrift 1.4.1).

  • 18.1.3

    De druk in het biogassysteem dient op daarvoor relevante plaatsen permanent te worden gemeten door middel van goed werkende, bij voorkeur elektronische, drukmeters.

  • 18.1.4

    Procesonderdelen waar biogas wordt geproduceerd en opgeslagen, moeten zijn voorzien van een automatisch in werking tredende beveiliging tegen te hoge druk. De afvoer van de druk- of niveaubeveiliging van de biogassystemen moet zijn aangesloten op een fakkelinstallatie met automatische ontsteking.

  • 18.1.5

    Indien de druk in het biogassysteem een niveau bereikt van 95% van de maximaal ingestelde waarde, dient de overdrukbeveiliging in werking te treden, totdat de normale bedrijfsdruk weer is bereikt.

  • 18.1.6

    De overdrukbeveiliging van het biogassysteem moet zijn uitgerust met een (voor)alarm, zodat tijdig (binnen één uur) een actie kan worden ondernomen met het doel de storing te verhelpen en het weer bereiken van de veilige druk, zodat onbedoeld afblazen van biogas naar de atmosfeer respectievelijk de fakkel wordt voorkomen.

  • 18.1.7

    Het biogassysteem (waaronder die van elke (na)vergister en na-opslag) moet zijn voorzien van een on­afhankelijke over­druk­beveiliging, bijvoorbeeld door toepassing van vloeistofsloten, voor het direct aflaten van biogas bij te hoge druk als gevolg van het falen van de normale (over)­drukbeveiliging. Deze overdrukbeveiligingen moeten zodanig zijn uitgevoerd en geplaatst dat bevriezing steeds wordt voorkomen. De uitlaten van deze overdrukbeveiligingen hebben een (bij voorkeur verticale) uitmonding op een veilige hoogte in relatie tot het aan­sluitende terrein, monden uit op een veilige plaats in de buitenlucht en zijn beschermd tegen in­regenen en bevriezen.

  • 18.1.8

    Bij het buiten bedrijf stellen van een vergister wordt de inhoud en elk restant daarin verwijderd en wordt het biogas dan wel Bio-LNG, indien mogelijk, nuttig toegepast en, voor zover dat niet mogelijk is, vernietigd via de fakkel. Daarna wordt de betreffende vergister gereinigd en schoon opgeleverd.

18.2 Gasbuffer

  • 18.2.1

    De druk in een gasbuffer moet permanent worden gemeten door middel van een geijkte drukmeter.

  • 18.2.2

    Een gashouder moet zijn uitgerust met een alarm om een waarschuwing te geven indien de maximale druk wordt bereikt. Dit alarm dient te worden verzonden naar een tracer, pieper, mobiele telefoon of gelijkwaardig ontvangstapparaat van de persoon die op dat moment verantwoordelijk is voor de werking en aansturing van de gehele vergistingsinstallatie.

  • 18.2.3

    Een gashouder moet zijn voorzien van een noodafblaasvoorziening in de vorm van een fakkelinstallatie en een waterslot of een gelijkwaardige voorziening, zodat in geval van storing van de gasopwerking of WKK-installatie en een (gelijktijdige) storing van de fakkelinstallatie geen overdruk ontstaat in de gasbuffer. In de directe omgeving van een afblaaspunt mogen geen ontstekingsbronnnen aanwezig zijn.

  • 18.2.4

    De ten aanzien van de overdrukbeveiliging toegepaste watersloten moeten zodanig zijn geplaatst dat bevriezing steeds wordt voorkomen.

  • 18.2.5

    De gasopvang dient zodanig te zijn geconstrueerd dat deze bestand is tegen de maximale gasdruk die binnen het systeem kan optreden.

18.3 Biogasleidingen/groengasleidingen/aardgasleidingen

  • 18.3.1.

    Aan biogasvoerende leidingen waarvan terugstroming mogelijk en onwenselijk is, moeten voorzieningen zijn getroffen om dit te voorkomen.

  • 18.3.2

    Bovengrondse biogasleidingen zijn beveiligd (beschermd) tegen aanrijden en tegen het be­vriezen van vocht in de leidingen.

  • 18.3.3

    Zichtbare biogasleidingen zijn herkenbaar als zodanig gekenmerkt. De leidingen zijn bestand tegen de in de leidingen aanwezige stoffen en (atmosferische) omstandigheden.

  • 18.3.4

    Biogasleidingen, de daarin geplaatste afsluiters en eventuele regel- en beveiligings­apparatuur worden gekeurd en onderhouden door een ter zake kundig bedrijf. Van de keuring is een verklaring binnen de inrichting aanwezig die wordt bewaard in het registratiesysteem (voorschrift 1.4.1).

  • 18.3.5

    In de persleiding van biogascompressoren is na elke compressor een terugslaginrichting geplaatst.

  • 18.3.6

    Bij graafwerkzaamheden binnen de inrichting moet een lint met de tekst ‘gas’ of ‘biogas’ circa 10 cm boven de ondergrondse leiding zijn aangebracht.

18.4 Ontluchtingsleidingen

  • 18.4.1.

    Aan ontluchtingsleidingen en de uitlaat van veiligheden die zijn geplaatst op tanks en procesapparatuur en tankwagens waarin explosieve damp-luchtmengsels kunnen voorkomen, moet een vlamkering of een gelijkwaardige voorziening zijn aangebracht. De ontluchtingsleidingen moeten op een veilige plaats ten opzichte van ontstekingsbronnen in de buitenlucht en mogelijke verblijfplaatsen voor personen uitmonden.

18.5 Gashoudende ruimten, installaties

  • 18.5.1

    Elke ruimte waarin zich mogelijk biogas, stortgas, groengas of aardgas kan verzamelen, wordt doelmatig geventileerd, waar­onder wordt verstaan een ventilatievoud van ten minste 1x per uur.

  • 18.5.2

    De emissies van veiligheden monden altijd uit op een veilige plaats in de buitenlucht.

  • 18.5.3

    Zodra (een onderdeel van) de installatie niet meer gasdicht is, wordt deze zo snel mogelijk van de rest van de installatie afgesloten en ontgast.

18.6 Gasopwerking

  • 18.6.1

    De afblaas van veiligheidsvoorzieningen van de gasopwerkingsinstallatie mondt recht­streeks uit in de buitenlucht. Elke afblaas(leiding) heeft voor­zieningen om de goede en veilige werking bij het afblazen te garanderen en om inregenen te voorkomen. In de omgeving van elk afblaas­punt (minimaal 5 m rondom) mogen geen (potentiële) ontstekings­bronnen aan­wezig zijn. 

  • 18.6.2

    Het gasdetectiesysteem in de ruimten waarin de gasopwerking is geplaatst, moet:

    • a.

      zijn aangesloten op een noodstroomvoorziening;

    • b.

      op strategische en tactische plaatsen te bemonsteren zijn of zijn voorzien van op deze plaatsen opgestelde detectorkoppen;

    • c.

      zijn voorzien van één alarmeenheid per monster- of detectorkop of per groep van monster- of detector­koppen, waarbij een indicatie aanwezig is om de alarmerende monster- of detectorkop aan te geven;

    • d.

      zo zijn ingericht dat het alarmsignaal optisch en akoestisch waarneembaar is en binnen­komt op een con­tinu bezette post;

  • 18.6.3

    Elke alarmeenheid zoals bedoeld in het voorgaande voorschrift, moet zijn uitgerust met ten minste één alarmniveau dat is ingesteld op ten hoogste 10% LEL (explosiegevaar, methaan).

  • 18.6.4

    Het gasdetectiesysteem dient jaarlijks op deugdelijkheid te worden gecontroleerd door een daartoe deskundige onafhankelijke instantie, zoals de leverancier of diens vertegenwoordiger, en als zodanig te worden gewaarmerkt.

  • 18.6.5

    Het groengas/aardgas ten behoeve van invoeren op het openbare gasnet en aflevering aan het CNG-tankstation, moet worden geodoriseerd met tetrahydrothiofeen (of een vergelijkbare stof).

18.7 Fakkelinstallatie

  • 18.7.1

    Als het geproduceerde biogas tijdens normaal bedrijf of bij geplande onderhouds­werk- zaamheden niet voldoende kan worden opgevangen of verwerkt in de gasnabehandeling, dan moet bij overschrijding (gesignaleerd door een over­schrijding van de biogasdruk) automatisch de fakkel­installatie inschakelen om het teveel aan het geproduceerde biogas te verbranden.

  • 18.7.2

    Indien bij onderhoud of een calamiteit biogas vrijkomt of dreigt vrij te komen, dan moet de fakkel­installatie inschakelen om een drukoverschrijding te voorkomen en het teveel aan biogas te verbranden.

  • 18.7.3

    De fakkel moet zijn voorzien van een vlamterugslagvoorziening.

  • 18.7.4

    De fakkel is steeds voor onmiddellijk gebruik gereed en wordt ten minste eenmaal per jaar gekeurd door een ter zake kundig bedrijf. Van deze keuring wordt aantekening gemaakt in het registratiesysteem (zie voorschrift 1.4.1).

  • 18.7.5

    De fakkel moet ten minste vier keer per jaar op de goede werking worden gecontroleerd en zodanig worden geïnspecteerd, getest en onderhouden, dat te allen tijde ontsteking van de aan de fakkel toegevoerde brandbare dampen/gassen is verzekerd. Van de resultaten van deze controle wordt aantekening gemaakt in het registratiesysteem (zie voorschrift 1.4.1).

  • 18.7.6

    Bij een defect in het fakkelsysteem moet het fakkelsysteem onmiddellijk en op een veilige wijze buiten bedrijf worden gesteld en gerepareerd. De installaties die op het defecte fakkelsysteem zijn aangesloten, moeten daarbij zo spoedig mogelijk buiten bedrijf worden gesteld, tenzij de functie van het fakkelsysteem tijdelijk door een ander (nood)fakkelsysteem is overgenomen.

  • 18.7.7

    De bedrijfsvoering van de fakkel wordt zodanig uitgevoerd, dat er bij de verbranding in de fakkelinstallatie geen roet- of geurvorming optreedt.

18.8 Bliksembeveiliging

  • 18.8.1

    De vergistingsinstallatie, gasopwerkingsinstallatie en gebouwen moeten ter beveiliging tegen blikseminslag zijn voorzien van een doelmatige aarding. Gebouwen en procesinstallaties met ontploffings- en brandgevaar moeten tegen blikseminslag en elektrostatische oplading zijn beveiligd met een bliksemafleider- en aardinginstallatie. 

  • 18.8.2

    Het ontwerpen, vervangen en installeren van de bliksembeveiliging moet plaatsvinden door een deskundige die een verklaring afgeeft waaruit blijkt dat de installatie voldoet aan NEN-EN-IEC 62305 en NPR 1014.

  • 18.8.3

    Vergunninghouder mag afwijken van het gestelde in voorschrift 18.8.1 mits is aangetoond dat er geen noodzaak tot bliksembeveiliging bestaat.

  • 18.8.4

    De uitvoering, de inspectie en het onderhoud van de bliksemafleider- en van de aardingsinstallaties moeten geschieden overeenkomstig NEN-EN-IEC 62305-reeks (2006).

19 INSTALLATIES

19.1 Risicorelevante apparatuur

  • 19.1.1

    Risicorelevante procesapparatuur, opslagtanks, leidingen en leidingondersteuningen die zich aan een terreingedeelte bevinden waar gemotoriseerd verkeer kan plaatsvinden, moeten afdoende zijn beschermd door een vangrail of een gelijkwaardige constructie.

  • 19.1.2

    Procesleidingen, tanks, vast opgestelde procesapparatuur, los- en laadpunten, emballage en dergelijke moeten zijn voorzien van een codering, waaruit blijkt welke (soort) stof daarin aanwezig is.

19.2 Procesvoering

  • 19.2.1

    Aan biogasvoerende leidingen waarvan terugstroming mogelijk en onwenselijk is, moeten voorzieningen zijn getroffen om dit te voorkomen.

  • 19.2.2

    Bij stroomstoring en/of storing in de toevoer van instrumentenlucht moeten de voor de procesbeveiliging van belang zijnde kleppen en/of afsluiters in de veilige stand komen.

  • 19.2.3

    Om een veilige, verantwoorde bedrijfsvoering te waarborgen, in- en uitbedrijfname inbegrepen, moet voor de hieronder genoemde installatieonderdelen die als kritisch voor de bedrijfsvoering kunnen worden aangemerkt, een noodstroomvoorziening met voldoende capaciteit aanwezig zijn:

    • a.

      noodverlichting;

    • b.

      gasdetectiesysteem;

    • c.

      fakkelinstallatie;

    • d.

      instrumentenlucht;

    • e.

      alarmeringen en instrumentele beveiligingen met meldsysteem en besturing.

  • 19.2.4

    Van het gestelde in voorschrift 19.2.3 mag worden afgeweken mits het het bevoegd gezag toestemming heeft verleend en waarbij door vergunninghouder is aangetoond dat de installatie(s) bij stroomuitval veilig uit bedrijf kunnen worden genomen respectievelijk dat alarmen en procesbesturing gedurende 60 minuten in werking blijven.

  • 19.2.5

    Bij storingen in het procesbesturingssysteem moeten te allen tijde de voor het veiligstellen noodzakelijke beveiligingen operationeel blijven.

  • 19.2.6

    De instrumentele beveiligingen van een installatie die van belang zijn voor het voorkomen van nadelige gevolgen voor veiligheid en/of milieu, moeten worden getest op de goede werking. De testfrequentie moet zijn vastgesteld op basis van een risico-inventarisatie of gegevens van de desbetreffende leverancier.

  • 19.2.7

    Beveiligingen mogen niet overbrugd zijn, tenzij dit door een procedure tijdelijk wordt gedaan en de risico’s zijn beoordeeld en aanvaardgbaar worden geacht. Hiervoor moet een protocol/procedure voorhanden zijn waarin het volgende geborgd wordt:

    • a.

      de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden bij het overbruggen van beveiligingen;

    • b.

      de registratie;

    • c.

      de herkenbaarheid van overbruggingen voor operationele medewerkers.

  • 19.2.8

    De instrumentele beveiligingen van een installatie die van belang zijn voor het voorkomen van nadelige gevolgen voor veiligheid en/of milieu, moeten worden getest op de goede werking. De testfrequentie moet zijn vastgesteld op basis van een risico-inventarisatie of gegevens van de desbetreffende leverancier.

  • 19.2.9

    De installaties moeten worden beschermd tegen verlies van stoffen door corrosie en beschadigingen.

  • 19.2.10

    In de inrichting moet aanwezig zijn :

    • 1.

      een registratiesysteem

    • 2.

      een archiefsysteem;

  • In het registratiesysteem moeten zijn opgenomen:

    • a.

      alle procesvaten, opslagtanks, ketels, leidingsystemen, pompen, compressoren, gasdetectiesystemen, olieafscheiders, fakkelsystemen inclusief toebehoren;

    • b.

      de geplande vaste data waarop controle en/of onderhoud moet plaatsvinden;

    • c.

      de data waarop controle en/of onderhoud is uitgevoerd;

  • In het archiefsysteem moeten zijn opgenomen:

    • a.

      de meetresultaten, omschrijvingen en installatietekeningen (eventueel aangepast), reparaties, beproevingen en de beoordelingen.

19.3 Inspectie en onderhoud

  • 19.3.1

    Vergunninghouder moet bevindingen van het functioneren van alle installaties en voorzieningen die gevolgen voor het milieu kunnen hebben, vastleggen in een organisatorisch systeem met betrekking tot beheer van de installaties (onderhoudsmanagementsysteem). Onder bevindingen wordt ook verstaan het uitvoeren van reparatie, verbeteringen en geconstateerde afwijkingen. Installaties moeten zijn onderverdeeld in objecten en voor elk object moet een uitvoeringsmethode worden opgesteld m.b.t. onderhoud, inspectie en/of testen. Deze uitvoeringsmethoden moeten mede zijn gebaseerd op analyses van de kans op en de gevolgen van eventueel falen. Verslaglegging (schriftelijk) en terugkoppeling moeten onderdeel zijn van het systeem.

19.4 Keuringen/inspectie

  • 19.4.1

    Procesapparatuur, leidingen en opslagtanks moeten periodiek aan de hand van een keuringsplan worden gekeurd en/of worden geïnspecteerd. In het keuringsplan (inspectieplan) dient het keuringsregime (inspectieregime) en de termijn van periodiek onderzoek te zijn opgenomen. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de plannen.

19.5 Bediening en monitoring installaties

  • 19.5.1

    Het personeel belast met dagelijks toezicht op de installatie is duidelijk geïnstrueerd over constructie, toezicht, bediening en onderhoud van de installatie, de na te leven veiligheidsinstructies, handelswijze bij procesafwijkingen, onregelmatigheden en/of storingen, de vereiste persoonlijke beschermingsmiddelen en de eigenschappen van de aanwezige gevaarlijke stoffen.

  • 19.5.2

    Een installatie voor het vergisten van organische afvalstoffen, het opslaan van vergistingsgas en het transporteren en bewerken van vergistingsgas, is voorzien van een elektronisch monitoringssysteem dat de goede werking van de installatie controleert en de vergunninghouder waarschuwt bij incidenten die kunnen leiden tot onveilige situaties of de emissie van vergistingsgas meldt. De vergunninghouder draagt er zorg voor dat binnen een uur na de waarschuwing actie wordt ondernomen om incidenten die zijn gemeld door het systeem te verhelpen.

  • 19.5.3

    Indien een installatie voor het vergisten van organische afvalstoffen of een voorziening voor het opslaan of bewerken van vergistingsgas buiten gebruik wordt gesteld, wordt eerst het restant vergistingsgas uit de installatie verwijderd. Het vergistingsgas wordt indien mogelijk nuttig toegepast en voor zover dat niet mogelijk is, vernietigd of anders afgevoerd met zo min mogelijk gevaar voor mens en milieu. Zodra de installatie niet meer gasdicht is, wordt het overgebleven restproduct zo snel mogelijk uit de installatie verwijderd en gestabiliseerd.

  • 19.5.4

    Voor het bedienen van de installaties (bedrijfsvoering) moeten bedienings­voorschriften of ‑procedures zijn op­gesteld waarin ten minste het onderstaande is opgenomen:

    • a.

      de (proces) voorbereidende handelingen, het opstarten, het volgen en het stoppen;

    • b.

      de uit te voeren handelingen ingeval van storing, uitval van de elektriciteits­voorziening en tijdens herstelwerkzaamheden;

    • c.

      los- en laadinstructies met betrekking tot de aanvoer van grondstoffen en de afvoer van producten;

    • d.

      de hoeveelheden, de wijze en de volgorde van doseren van de nood­zakelijke stoffen;

    • e.

      de omstandigheden en grenzen voor een normaal verloop van het proces per installatie of systeem inclusief de vermelding van de grenzen voor een veilige bedrijfsvoering;

    • f.

      de te treffen maatregelen bij niet normale omstandigheden en die mogelijk kunnen leiden tot gevaarlijke situaties en (extra) belasting van de leefomgeving;

    • g.

      de te volgen procedure om de installaties productvrij respectievelijk gasvrij te maken.

  • 19.5.5

    Door middel van een actuele procedure dient geborgd te zijn dat voornoemde onderdelen, proces­beschrijvingen en equipmentlijsten van procesinstallaties actueel zijn. Deze actuele documen­ten moeten steeds (digitaal) beschikbaar zijn in de controle­kamer.

  • 19.5.6

    1 Voor de installaties moet een noodprocedure zijn opgesteld waarin ten minste is opgenomen:

    • a.

      een beschrijving van de handelingen die moeten worden verricht bij ten minste de volgende incidenten:

      • stroomuitval;

      • brand of rook;

      • overige afwijkingen van de normale bedrijfssituatie;

      • vorst;

    • b.

      een duidelijke plattegrond met de plaatsen van de:

      • opgeslagen (gevaarlijke) stoffen;

      • emissiepunten van de overdrukbeveiligingen;

      • noodknoppen, -schakelaars, -afsluiters en brandblusvoorzieningen.

19.6 Meet-, regel- en beveiligingsapparatuur

  • 19.6.1

    Meet-, regel- of beveiligingsapparatuur die direct verband heeft met het optreden van bijzondere situaties voor wat betreft veiligheid en emissies en die niet of slecht funtioneert, moet direct worden gerepareerd of vervangen. Als de betreffende apparatuur niet direct kan worden gerepareerd of vervangen, moeten de activiteiten worden stilgelegd tenzij vergunninghouder kan aantonen dat met behulp van bijvoorbeeld visueel toezicht het proces tijdelijk afdoende kan worden beheerst.

  • 19.6.2

    De zogenaamde kritische alarmeringen (alarmeringen die direct verband hebben met het optreden van bijzondere situaties voor wat betreft veiligheid en emissies) moeten visueel en akoestisch worden aangegeven en moeten gehandhaafd blijven totdat deze door een ter zake kundige worden geaccepteerd en zo snel mogelijk worden opgeheven.

19.7 Gasdetectiesysteem

  • 19.7.1

    Op plaatsen waar biogas, groen gas of aardgas vrij kan komen, moet een continu werkend gasdetectiesysteem aanwezig zijn dat alarmeert bij gaslekkage uit het betreffende systeem, zodanig dat onmiddellijk bij het aanspreken van het alarm de juiste veiligheidshandelingen kunnen worden verricht.

19.8 Veiligheidstoestellen

  • 19.8.1

    Bij veiligheidstoestellen die rechtstreeks naar de atmosfeer afblazen, moeten voorzieningen zijn aangebracht om een goede veilige werking bij het afblazen te garanderen, zoals vlamterugslagbeveiliging, aarding, verwarming of voorzieningen om lucht bij te mengen in de uitlaat.

  • 19.8.2

    Veiligheidstoestellen moeten zo zijn geplaatst en beschermd dat hun werking geborgd is door een onderhoud- en inspectiesysteem, waardoor afzettingen van producten uit de systemen worden beperkt.

20 STORTPLAATS VOOR GEVAARLIJK AFVAL EN NIET GEVAARLIJK AFVAL

20.1 Acceptatie

  • 20.1.1
    • a.

      Binnen de inrichting mogen geen afvalstoffen worden gestort waarvoor op grond van artikel 1, eerste lid van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen (Bssa) een stortverbod geldt.

    • b.

      In afwijking van het gestelde onder a. mogen afvalstoffen die zijn aangewezen krachtens artikel 5, dan wel indien daarvoor een verklaring geldt als bedoeld in artikel 6 van dit besluit, binnen de inrichting worden gestort.

    • c.

      Bij de toepassing van het gestelde onder b mag geen strijd ontstaan met het ingevolge artikel 11 f van het Bssa bepaalde.

    • d.

      Het gestelde onder b. is niet van toepassing op de categorieën van afvalstoffen, genoemd in artikel 1, eerste lid, onder 1 t/m 14 van het Bssa.

  • 20.1.2

    In geval van noodsituaties of calamiteiten kan het bevoegd gezag in het belang van een milieuhygiënisch verantwoorde verwijdering van afvalstoffen een aanwijzing geven op grond waarvan vergunninghouder tijdelijk de in de aanwijzing aangeduide afvalstoffen moet accepteren en verwerken.

20.2 Onderafdichting, controlesysteem en percolaatopvang- en – afvoersysteem

  • 20.2.1

    Aan de onderkant van de gestorte afvalstoffen moet een dubbele onderafdichting aanwezig zijn. Deze onderafdichting dient ten minste een beschermingsniveau te bieden gelijkwaardig aan het gestelde in de Richtlijn onderafdichtingen.

  • 20.2.2

    De stortplaats moet zodanig zijn ingericht dat de afstand van de onderkant van het afval, na zetting van de bodem, niet minder bedraagt dan 0,70 meter boven de te verwachten gemiddeld hoogste grondwaterstand. 

  • 20.2.3

    Er moet een deugdelijk controlesysteem aanwezig zijn waarmee de hoedanigheden van de bodem en het grondwater kunnen worden onderzocht, bestaande uit: 

    • onder de onderafdichting beneden de laagste grondwaterstand gelegen, horizontaal aangebrachte grondwaterbemonsteringsdrainagebuizen;

    • zowel bovenstrooms als benedenstrooms van de stortplaats in het grondwater aangebrachte grondwaterbemonsteringspeilbuizen.

  • De bemonstering en vaststelling van de hoedanigheden van de bodem moet voor elke grondwaterbemonsteringsdrainagebuis of grondwaterbemonsteringspeilbuis afzonderlijk kunnen geschieden.

  • 20.2.4

    De drainage- en controlesystemen dienen ten minste een beschermingsniveau te bieden dat gelijkwaardig is aan de bescherming van de bodem die is beoogd met het gestelde in het Stortbesluit en de bijbehorende Richtlijn drainage- en controlesystemen.

  • 20.2.5

    In geval van lekkage van de onderafdichting moet de controledrainage als beheersbemaling functioneren. De controledrainage moet op deze functie zijn berekend qua dimensionering, materiaalkeuze en ligging ten opzichte van de grondwaterstand en grondwaterstroming.

  • 20.2.6

    Boven de onderafdichting moeten voorzieningen worden aangebracht om het percolatiewater af te voeren. De wijze van opvangen, verzamelen en zuiveren of afvoeren dient op een zodanige wijze te geschieden dat geen gevaar bestaat voor verontreiniging van de bodem. De afvoer van het percolatiewater moet gescheiden van andere waterstromen plaatsvinden. De percolaatafvoerende voorzieningen moeten waar mogelijk gebruik maken van natuurlijk verhang. Het natuurlijk verhang moet ook na zettingen zijn gewaarborgd.

  • 20.2.7

    De percolaatopvang en het -afvoersysteem dient te voldoen aan de Richtlijn drainage- en controlesystemen.

  • 20.2.8

    Na het aanbrengen van de drainage- en controlesystemen onder nieuw aan te leggen compartimenten, dient direct vastgesteld te worden of deze open zijn. Eventuele defecten aan deze stelsels moeten onmiddellijk worden hersteld. Het controleren van het functioneren van het drainagesysteem voor percolatiewater, van de onderafdichting en van het controlesysteem in het grondwater ten aanzien van de vloeistofstroming in drains en leidingen, dient plaats te vinden in de daartoe aangebrachte schachten c.q. inspectieputten of verzamelleiding overeenkomstig de methode aangegeven in de Richtlijn drainage- en controlesystemen.

  • 20.2.9

    Het surplus aan water uit de ringsloot en uit de percolaatdrains moet via gescheiden systemen worden opgevangen en verzameld.

  • 20.2.10

    Twee maanden voor de aanbesteding van de aanleg van (delen van) de voorzieningen als bedoeld in voorschrift 20.2.1 t/m 20.2.9, dient vergunninghouder een uitvoeringsgereed plan (bestek) aan het bevoegd gezag voor te leggen. 

    Het bestek dient (als bijlage) de volgende onderdelen te bevatten:

    • een “kwaliteitsplan directievoering” waarin de te volgen wijze van controle (inclusief stoppunten) van de (in uitvoering zijnde) werkzaamheden zijn beschreven;

    • een plan van eisen en randvoorwaarden op basis waarvan de uitvoering van het werk dient te geschieden;

    • een beschrijving van de wijze waarop tijdens het werk de, ten opzichte van het bestek, door te voeren afwijkingen en wijzigingen zullen worden beoordeeld en vastgelegd.

  • De in dit voorschrift bedoelde eisen en randvoorwaarden voor de uitvoering van de werkzaamheden dienen door de aannemer te worden uitgewerkt tot een uitvoeringsplan. Dit uitvoeringsplan dient door of namens de vergunninghouder door een deskundige met aantoonbare expertise te worden beoordeeld. Deze beoordeling dient aan het bevoegd gezag te worden voorgelegd.

    Met de uitvoering van het in dit voorschrift bedoelde bestek mag niet worden begonnen voordat het bevoegd gezag het bestek, het “kwaliteitsplan directievoering” en het uitvoeringsplan heeft goedgekeurd.

  • 20.2.11

    Na oplevering van de in voorschrift 20.2.10 bedoeld bestek beschreven werkzaamheden dient een opleveringsrapportage aan het bevoegd gezag te worden overgelegd, waarin zijn opgenomen:

    • alle relevante aspecten betreffende de uitvoering van de werkzaamheden;

    • de wijze waarop directievoering op de uitvoering van de werkzaamheden heeft plaatsgevonden;

    • alle verkregen controleresultaten;

    • de tijdens het werk, ten opzichte van het bestek, doorgevoerde afwijkingen en wijzigingen;

    • de revisietekeningen.

  • De (deel)rapportages dienen door de uitvoerende en controlerende instantie(s) te zijn ondertekend.

20.3 Uitvoering van de stortwerkzaamheden 

  • 20.3.1

    Uiterlijk 1 april van elk kalenderjaar dient vergunninghouder een stortplan in te dienen bij het bevoegd gezag. 

    In het stortplan dient ten minste te zijn aangegeven:

    • a.

      een prognose van de te storten afvalstoffen en secundaire bouwstoffen gedurende het jaar. Hierbij dient aandacht te worden besteed aan de volgende aspecten:

      • de hoeveelheid te storten afvalstoffen;

      • de hoeveelheid secundaire bouwstoffen die nuttig worden toegepast;

      • -de aard van de te storten afvalstoffen, waarbij een onderverdeling wordt gemaakt naar de stortplaats voor gevaarlijk afval en niet-gevaarlijk afval en naar afvalstoffen waar geen stortverbod voor geldt en waar een ontheffing voor is/wordt verleend;

      • de aard van de nuttig toe te passen secundaire bouwstoffen waarbij wordt aangegeven waar de secundaire bouwstoffen voor worden gebruikt;

    • b.

      de hoeveelheid die het afgelopen jaar is gestort vergeleken met de prognose voor het afgelopen jaar en in het geval er verschil is, een verklaring geven voor het verschil tussen prognose en werkelijkheid;

    • c.

      per compartiment aangeven de stand van zaken (hoeveelheid, hoogte, stortruimte, bovenafdichting) en hierbij ook de bijzonderheden aangeven van het afgelopen jaar en de verwachting voor het betreffende jaar;

    • d.

      dde inhoud van de stort met inhoudsberekeningen (onderverdeeld naar de stortplaats voor gevaarlijk afval en niet gevaarlijk afval, naar fasen en hoogten van 29 en 24 meter) aan het begin van het afgelopen jaar, de hoeveelheid die gedurende het afgelopen jaar is gestort (afvalstoffen en secundaire bouwstoffen) en de restcapaciteit aan het eind van het afgelopen jaar;

    • e.

      een overzichtstekening van de indeling van de compartimenten van de stortplaats;

    • f.

      de opbouw van de hellingen van de stortplaats.

  • Het stortplan behoeft de goedkeuring van het bevoegd gezag.

  • 20.3.2

    Bij de uitvoering van de stortwerkzaamheden moet het plan als vermeld in voorschrift 20.3.1 worden gevolgd.

  • 20.3.3

    Wijzigingen van het stortplan dienen alvorens zij worden toegepast ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te worden voorgelegd.

  • 20.3.4

    De wijze van storten en de opbouw van het stort moet zodanig geschieden dat emissies zo beperkt en beheersbaar mogelijk zijn en blijven, de stabiliteit van het stortlichaam gewaarborgd is en de restklink zoveel als mogelijk wordt beperkt.

  • 20.3.5

    De buitenzijde, wielen en onderkant van de vrachtwagens die afval hebben gestort en de afvalberging willen verlaten, dienen op een binnen de inrichting ingerichte wasplaats te worden ontdaan van restanten (asbesthoudend) materiaal.

Niet gevaarlijke afvalstoffen

  • 20.3.6

    De niet gevaarlijke afvalstoffen moeten direct na aflevering op het stortfront in de inrichting worden geëgaliseerd en aangedrukt tot lagen van maximaal 0,30 meter. De lagen moeten van buiten naar het midden aflopen, om zijdelings uitstromend percolatiewater te voorkomen.

  • 20.3.7

    Het stortfront moet zo klein mogelijk worden gehouden en zijn afgestemd op het dagelijkse afvalaanbod. Een stortfront mag niet breder zijn dan 30 meter en de totale omvang van de in exploitatie zijnde stortfronten mag niet meer bedragen dan 1000 m2.

  • 20.3.8

    Op het stortfront moet, zodra op dat front afvalstoffen ter verwerking worden aangevoerd, ten minste één machine de aangevoerde afvalstoffen verwerken.

  • 20.3.9

    Het op het stortfront aangevoerde afval moet zodanig verdicht worden dat een maximale verdichtingsgraad wordt bereikt en een stabiel en beheersbaar stortlichaam ontstaat.

  • 20.3.10

    De gedurende de werkdag geaccepteerde afvalstoffen moeten uiterlijk aan het eind van de werkdag verwerkt en verdicht zijn.

  • 20.3.11

    Aan het einde van elke werkdag moet elk stortfront zodanig worden afgedekt dat het ontstaan van zwerfvuil en stankverspreiding afdoende wordt voorkomen.

    Het dagelijks afdekken dient te geschieden met grond dan wel met een ander daartoe naar het oordeel van het bevoegd gezag geschikt materiaal met een minimale dikte van 0,05 tot 0,10 meter.

  • 20.3.12

    De storttaluds mogen niet steiler afgewerkt worden dan onder een helling van 1:3.

  • 20.3.13

    Indien langer dan een maand geen nieuw afval wordt gestort op een verdichte laag afval, moet het afval afgedekt worden met een ten minste 0,20 meter dikke laag grond of een ander, daartoe naar het oordeel van het bevoegd gezag, geschikt materiaal.

  • 20.3.14

    De samenstelling en het aanbrengen van de afvallagen direct gelegen boven de onderafdichting en onder de bovenafdichting, dient in overeenstemming te zijn met het gestelde in de Richtlijn dichte eindafwerking.

  • 20.3.15

    Het aanbrengen van afvallagen op de afvalberging voor gevaarlijk afval en niet-gevaarlijk afval dient zodanig te geschieden dat – rekening houdend met het optreden van zetting en klink – de maximale eindhoogte van 24 meter boven N.A.P. niet wordt overschreden.

Gevaarlijke afvalstoffen

  • 20.3.16

    De gedurende de werkdag geaccepteerde gevaarlijke afvalstoffen moeten uiterlijk aan het eind van de werkdag zijn verwerkt.

Asbest(houdend afval)

  • 20.3.17

    Asbest(houdend afval) moet op de stortplaats voor niet-gevaarlijk afval in een afgescheiden (deel van een) stortcompartiment, zogenaamde cel, worden verwerkt. 

    De afscheiding dient ten minste als volgt te geschieden:

    • a.

      onderzijde met een laag van grond(achtig) materiaal van ten minste 20 cm of een andere hiertoe geëigende constructie;

    • b.

      zijkanten middels een wal van grond(achtig) materiaal of een andere hiertoe geëigende constructie;

    • c.

      bovenzijde middels steunlaag of een laag van grond(achtig) materiaal van ten minste 20 cm dan wel een andere hiertoe geëigende constructie.

  • 20.3.18

    Indien voor de in voorschrift 20.3.17 bedoelde fysieke afscheiding van de cellen van de mogelijkheid gebruik wordt gemaakt om een andere hiertoe geëigende constructie toe te passen, dient vergunninghouder die aan het bevoegd gezag voor te leggen en pas na zijn goedkeuring door te voeren.

  • 20.3.19

    Binnen de inrichting dient een plattegrond aanwezig te zijn waarop alle in het stortlichaam aangebrachte cellen als bedoeld in voorschrift 20.3.17 zijn vastgelegd. Dit dient te geschieden door op de plattegrond de aanduiding van de op iedere cel van toepassing zijnde x-, y- en z-coördinaten (zijnde bepalend voor de lengte, breedte en hoogte van de cel) weer te geven.

  • 20.3.20

    In de cellen die zijn bestemd voor asbest(houdend afval) mogen geen andere afvalstoffen worden gestort dan dit asbest(houdend afval) of materiaal dat wordt gebruikt om de afvalstoffen af te dekken.

  • 20.3.21

    Bij het verwerken van asbest(houdend afval) dienen zodanige voorzieningen getroffen te worden dat asbesthoudende afvalstoffen niet met andere afvalstoffen vermengd kunnen raken.

  • 20.3.22

    Het los te storten asbesthoudend bulkmateriaal mag uitsluitend worden aangevoerd in vrachtwagens voorzien van een lekdichte laadruimte met een stofdicht afsluitsysteem.

  • 20.3.23

    Indien tijdens het storten van onverpakte asbesthoudende bulkmaterialen verstuiving of stofvorming optreedt dan wel indien verpakking van het asbestafval tijdens het storten onverhoopt wordt beschadigd, dient het materiaal tijdens het storten onmiddellijk door besproeiing/verneveling te worden bevochtigd.

    Daartoe dienen nabij de in voorschrift 20.3.17 bedoelde stortlocatie(s) alle benodigde voorzieningen aanwezig te zijn.

  • 20.3.24

    Nadat storting van het asbest(houdend) afval heeft plaatsgevonden, moet het asbest(houdende) afval direct zodanig worden afgedekt dat geen verspreiding van asbestvezels kan plaatsvinden.

  • 20.3.25

    De stortactiviteiten van onverpakte asbesthoudende bulkmaterialen dienen te worden gestopt indien de windsnelheid de waarde van windkracht 5 overschrijdt. Om de windsnelheid te meten en te registreren, dient binnen de inrichting goed functionerende meetapparatuur aanwezig te zijn. Het tijdstip waarop onverpakte asbesthoudende bulkmaterialen worden gestort, dient geregistreerd te worden. Het registratiesysteem dient steeds ter controle beschikbaar te zijn.

  • 20.3.26

    Op de stortlocatie(s) waar asbest(houdend) afval is gestort, mogen geen werkzaamheden worden uitgevoerd die het vrijkomen van vezels tot gevolg kunnen hebben, zoals het boren van gaten.

20.4 Stortgas

  • 20.4.1

    Het bestaande stortgasonttrekkingssysteem dient continu in gebruik te zijn.

  • 20.4.2

    Tijdens het opbouwen van een stortcompartiment moet een gasonttrekkingssysteem worden aangelegd waarmee het vrijkomende stortgas wordt opgevangen en verwerkt. Dit voorschrift is niet van toepassing op de stortcompartimenten waar uitsluitend inert materiaal (inclusief benodigde hulpstoffen) wordt gestort.

  • 20.4.3

    Het gasonttrekkingssysteem moet uiterlijk een half jaar na ingebruikname van een stortcompartiment in werking worden gebracht, tenzij vergunninghouder kan aantonen dat het afval in het betreffende stortcompartiment zich nog niet in de methanogene fase bevindt.

  • 20.4.4

    Het ontgassingssysteem moet bestand zijn tegen verwachte zetting en klink, corrosie en chemische componenten in de gestorte afvalstoffen, het percolaat en het condensaat.

    Bij het uitvallen van een afzuigsysteem voor de afvoer van de vrijkomende gassen, moet onmiddellijk een alarmsysteem in werking treden dat een duidelijk signaal voor in de inrichting werkzame personen afgeeft. Buiten de werktijden dient het signaal anderszins aan een controlerende persoon of instantie kenbaar te worden gemaakt.

  • 20.4.5

    Om te voorkomen dat condensaat zich ophoopt in het gasdrainagesysteem, dient het condensaat uit het gasonttrekkingssysteem te worden afgevoerd via het percolaatafvoersysteem, dan wel in het stort te worden teruggevoerd.

20.5 Controle en onderhoud 

  • 20.5.1

    Ten behoeve van de controle en het onderhoud van het percolaatafvoersysteem moeten de volgende werkzaamheden worden uitgevoerd: 

    • a.

      de drains en de leidingen moeten vanaf het moment dat de stortplaats in bedrijf wordt genomen tot twee jaar na het gereedkomen van de definitieve bovenafdichting, elk jaar worden doorgespoten ten behoeve van het verwijderen en voorkomen van verstoppingen. Twee jaar na het gereedkomen van de definitieve bovenafdichting kan de frequentie, met goedkeuring van het bevoegd gezag, worden verminderd tot eenmaal per twee jaar;

    • b.

      voorafgaande aan de aanleg van (een deel van) de bovenafdichting moeten de in de teen van het stort aanwezige drains en leidingen met behulp van een camera worden geïnspecteerd. De rapportage van de bevindingen moet aan het bevoegd gezag worden overgelegd.

  • 20.5.2

    Eenmaal per twee jaar dient in opdracht van de vergunninghouder door een in overeenstemming met het bevoegd gezag aangewezen ter zake kundige:

    • a.

      te worden nagegaan of wordt voldaan aan het gestelde in voorschrift 20.2.2;

    • b.

      de voorzieningen die in het belang van de bescherming van de bodem op de stortplaats zijn getroffen, te worden gekeurd, alsmede;

    • c.

       onderzoek te worden gedaan met betrekking tot de hoedanigheden van de bodem onder de stortplaats.

  • 2.

    De bedoelde keuringen van de bodembeschermende voorzieningen en onderzoeken naar de technische staat dienen te geschieden overeenkomstig:

    • a.

      hoofdstuk 15 van de Richtlijn dichte eindafwerking voor de bovenafdichting;

    • b.

      de Richtlijn drainage- en controlesystemen, met uitzondering van de paragrafen 3.11 en 4.3.2, voor het opvang- en afvoersysteem van percolaat, voor de controle van drainagevoorzieningen en voor de bemonsteringsdrainagebuizen;

    • c.

      de Ontwerpprocedure grondwatermonitoring voor de bemonsteringspeilbuizen met uitzondering van bijlage V;

    • d.

      de Richtlijn geohydrologische isolatie voorzover geohydrologische isolatie is vereist;

    • e.

      het bepaalde in voorschrift 17.5.7.

  • 3.

    Het onderzoek naar de hoedanigheden van de bodem bestaat uit een bemonstering van het percolaat, van het water in de verschillende grondwaterbemonsteringsdrainagebuizen en verzamelleidingen van het drainagesysteem onder de onderafdichting, en van het grondwater in de grondwaterbemonste-ringspeilbuizen. De verkregen monsters moeten worden geanalyseerd op:

    • a.

      zuurgraad (pH);

    • b.

      elektrische geleidbaarheid;

    • c.

      CZV;

    • d.

      Kjeldahl-N;

    • e.

      EOX;

    • f.

      minerale olie;

    • g.

      chloride;

    • h.

      sulfaat;

    • i.

      VOX;

    • j.

      PAK's;

    • k.

      cyaniden;

    • l.

      cadmium, chroom, koper, nikkel ,lood, zink, kwik en arseen.

  • 4.

    Gedeputeerde Staten kunnen naast de in het derde lid genoemde parameters ook nog andere parameters aanwijzen.

  • 5.

    Gedeputeerde Staten kunnen in afwijking van het derde lid bepalen dat analyse van een of meer van de in het derde lid genoemde parameters achterwege kan blijven, indien op grond van de samenstelling van de gestorte stoffen danwel op de uit het verleden bekende monitoringsgegevens buiten twijfel staat dat deze stoffen niet voor zullen komen in het percolaat van de stortplaats.

  • 20.5.3

    Eenmaal per jaar dient de vergunninghouder onderzoek te doen naar de hoedanigheden van de bodem onder de stortplaats. 

    Het onderzoek naar de hoedanigheden van de bodem bestaat uit een bemonstering van het percolaat, van het water in alle grondwaterbemonsteringsdrainagebuizen en verzamelleidingen of inspectieputten van het drainagesysteem onder de onderafdichting, alsmede van het grondwater in alle grondwaterbemonsteringspeilbuizen. De verkregen monsters worden geanalyseerd op:

    • a.

      pH;

    • b.

      elektrische geleidbaarheid;

    • c.

      Kjeldahl-N;

    • d.

      CZV;

    • e.

      EOX;

    • f.

      minerale olie;

    • g.

      chloride;

    • h.

      sulfaat;

    • i.

      VOX;

    • j.

      BTEX;

    • k.

      cyaniden;

    • l.

      cadmium, chroom, koper, nikkel, lood, zink, kwik en arseen.

  • 2.

    Het bevoegd gezag kan, afhankelijk van de samenstelling van het gestorte afval dan wel op grond van uit het verleden bekende monitoringsgegevens, naast de in het eerste lid genoemde parameters ook nog andere parameters aanwijzen;

  • 3.

    Het bevoegd gezag kan, in afwijking van het eerste lid, afhankelijk van de samenstelling van het gestorte afval dan wel op grond van uit het verleden bekende monitoringsgegevens, bepalen dat de analysefrequentie moet worden verhoogd dan wel verlaagd;

  • 4.

    Het bevoegd gezag kan, in afwijking van het eerste lid, bepalen dat analyse van een of meer van de in het eerste lid genoemde parameters achterwege kan blijven, indien op grond van de samenstelling van de gestorte stoffen dan wel op de uit het verleden bekende monitoringsgegevens buiten twijfel staat dat deze stoffen niet voor zullen komen in het percolaat van de stortplaats.

  • 20.5.4

    Van het uit de percolaatdrains verzamelde water:

    • a.

      dient de hoeveelheid maandelijks te worden vastgesteld;

    • b.

      kan het bevoegd gezag, als de structuur, de opbouw en de samenstelling van het gestorte afval of de evaluatie van de gegevens daartoe aanleiding geeft, bepalen dat de controlefrequentie van de hoeveelheid van het percolaat wordt aangepast;

    • c.

      dienen de monsters op representatieve plaatsen te worden genomen en representatief te zijn voor de gemiddelde samenstelling;

    • d.

      dient het bemonsteren en meten van de hoeveelheid en samenstelling afzonderlijk op elk punt waar percolaat uit de stortplaats vrijkomt plaats te vinden.

      Rapportage van dit onderzoek dient jaarlijks voor 1 juli te worden overgelegd aan het bevoegd gezag.

  • 20.5.5

    Twee maal per maand (op de 14e en op de 28e) moet de grondwaterstand in alle grondwaterbemonsteringspeilbuizen als bedoeld in voorschrift 20.2.3 worden gemeten. De bepaling van de grondwaterstanden moet worden gemeten overeenkomstig NEN 5120: 1991 NL en NEN 5120/A1: 1997 NL.

  • 20.5.6

    Alvorens tot het storten van afvalstoffen in nieuwe gerealiseerde stortcompartimenten wordt overgegaan, moet de uitgangssituatie van de milieuhygiënische kwaliteit van het grondwater (de nulsituatie) vastgelegd worden door bemonstering en analyse van watermonsters uit de grondwaterbemonsteringspeilbuizen als bedoeld in voorschrift 20.2.3 en uit de grondwaterbemonsteringsdrainagebuizen als bedoeld in voorschrift 20.2.3. Analyse dient te geschieden op de parameters genoemd in voorschrift 20.5.3.

    Rapportage van dit onderzoek dient uiterlijk 3 maanden na het onderzoek ter goedkeuring te worden overgelegd aan het bevoegd gezag.

  • 20.5.7

    De werkwijze bij de in dit hoofdstuk bedoelde monsterneming, monstervoorbehandeling en analyse van de monsters van het grondwater, het percolaat en het oppervlaktewater dient in overeenstemming te zijn met de normen, opgenomen in de bijlage behorende bij artikel 13 van de vigerende Uitvoeringsregeling stortbesluit bodembescherming. 

    De analyse van grond- en grondwatermonsters dient plaats te vinden door een laboratorium dat een kwaliteitsborgingsysteem hanteert, gebaseerd op de Europese Norm NEN-EN-ISO/IEC 17025.

  • 20.5.8

    De resultaten van de keuring en het onderzoek als bedoeld in de voorschriften van paragraaf 20.5 dienen zodanig op schrift te worden gesteld dat:

    • een duidelijk inzicht wordt gegeven in de beheersbaarheid van de situatie;

    • de technische staat van de voorzieningen wordt beschreven, waarbij tevens een schatting van de resterende levensduur van de voorziening is opgenomen;

  • Bij het op schrift stellen van de verkregen onderzoeksresultaten moet voorschrift 20.5.9 worden gevolgd.

    De rapportage dient uiterlijk 3 maanden na het onderzoek te worden overgelegd aan het bevoegd gezag.

  • 20.5.9

    Door of vanwege de vergunninghouder dient bij het op schrift stellen van de op grond van de in paragraaf 20.5 verkregen onderzoeksresultaten, een vergelijking te worden gemaakt tussen deze onderzoeksresultaten en de voorafgaande onderzoeksresultaten. De resultaten van het onderzoek naar de kwaliteit van het water uit de grondwaterbemonsteringsdrainagebuizen en het water uit de stroomafwaarts gelegen grondwaterbemonsteringsbuizen, moet daarbij worden vergeleken met de resultaten van het onderzoek naar de kwaliteit van het water uit de stroomopwaarts gelegen grondwaterbemonsteringsbuizen. 

  • 20.5.10

    Ingeval sprake is van overschrijding van de toetsingswaarde van een (van de) parameter(s), dient door een in overeenstemming met het bevoegd gezag aangewezen ter zake kundige zo spoedig mogelijk nogmaals een bemonstering en analyse van de betreffende stof(fen) te worden uitgevoerd en te worden onderzocht of de overschrijding daadwerkelijk wordt veroorzaakt door de stortplaats. 

    De rapportage van dit onderzoek dient uiterlijk 1 maand na het onderzoek te worden overgelegd aan het bevoegd gezag.

  • 20.5.11

    Het in de voorschriften 20.6.1 en 20.6.2 bedoelde interventiepunt wordt bereikt als met inachtneming van voorschrift 20.5.10 gebleken is dat voor één van de desbetreffende stoffen de toetsingswaarde is overschreden.

20.6 Urgentieplan op hoofdlijnen 

  • 20.6.1

    Het binnen de inrichting aanwezige urgentieplan op hoofdlijnen (20 november 2014, kenmerk 14.03114) dient als uitgangspunt te fungeren voor het bepalen van de vraag welke maatregelen dienen te worden getroffen als een voor de stortplaats vastgesteld interventiepunt wordt bereikt. 

  • 20.6.2

    Indien een voor de stortplaats vastgesteld interventiepunt wordt bereikt moet vergunninghouder: 

    • a.

      na constatering de overschrijding direct aan het bevoegd gezag melden;

    • b.

      binnen 1 maand na constatering van de overschrijding als bedoeld in lid a bij het bevoegd gezag een planning/plan van aanpak indienen waaruit moet blijken op welke wijze aan het gestelde in lid c zal worden voldaan;

    • c.

      op basis van het urgentieplan op hoofdlijnen als bedoeld in voorschrift 20.6.1 in overleg met het bevoegd gezag binnen 1 jaar na de onder a bedoelde melding een uitgewerkt urgentieplan opstellen.

20.7 Dichte eindafwerking 

  • 20.7.1

    Aan de bovenkant van de gestorte afvalstoffen moet een dichte eindafwerking worden aangebracht zodanig dat infiltratie van water in de gestorte afvalstoffen wordt tegengegaan. De dichte eindafwerking dient ten minste een beschermingsniveau te bieden gelijkwaardig aan het gestelde in de Richtlijn dichte eindafwerking.

  • 20.7.2

    Het tijdstip van aanbrengen van de dichte eindafwerking dient overeenkomstig het gestelde in de Richtlijn dichte eindafwerking te worden bepaald, waarbij zo spoedig als technisch mogelijk, rekening houdend met onder meer de processen gasvorming en klink, maar uiterlijk 30 jaar na het aanbrengen van de onderafdichting, de dichte eindafwerking wordt aangebracht. 

  • 20.7.3

    Teneinde te kunnen voldoen aan het bepaalde in het voorschrift 20.7.2 moet jaarlijks door meting de hoogteligging van het stort worden bepaald. De wijze van meting is vastgelegd in het meetplan van MUG (21 maart 2013, kenmerk 13.01611 AF/rop/jha). Wijziging van de wijze van meting behoeft de goedkeuring van het bevoegd gezag.

  • 20.7.4

    Alvorens de dichte eindafwerking wordt aangelegd, dient door een ter zake kundige de toestand van het gedeelte van de stortplaats waarbij de dichte eindafwerking wordt aangebracht, te worden beoordeeld. Deze beoordeling omvat ten minste:

    • a.

      het verloop van zetting en klink in de tijd en een op basis van dit verloop gemaakte schatting van de restzettingen, de restklink en de verschilzakkingen;

    • b.

      het verloop van de processen die in de stort plaatsvinden aan de hand van de samenstelling van het percolaat en de vorming en samenstelling van het gas;

    • c.

      het vaststellen of ten gevolge van het aanbrengen van een dichte eindafwerking aanpassing van het gasonttrekkingssysteem voor een optimale afvoer en benutting van gas noodzakelijk is;

    • d.

      de staat van de aanwezige bodembeschermende voorzieningen.

  • Op basis van deze beoordelingen moet worden bepaald of aanpassing van de aanwezige bodembeschermende voorzieningen noodzakelijk is. De ontwerpvoorwaarden voor de dichte eindafwerking alsook het gasonttrekkingssysteem dienen in relatie daarmee te worden aangegeven.

    Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de beoordeling van de toestand van het gedeelte van de stortplaats waar een dichte eindafwerking wordt aangebracht, voor zover van belang voor de goede werking en de landschappelijke inpassing van de dichte eindafwerking. De resultaten van deze beoordeling dienen te worden overgelegd aan het bevoegd gezag.

  • 20.7.5

    Bij doorvoeringen van het ontgassingssysteem door de dichte eindafwerking dient de gas- en waterdichtheid van de dichte eindafwerking gewaarborgd te blijven.

  • 20.7.6

    De dichte eindafwerking dient water- en gasdicht aan te sluiten op de onderafdichting. De water- en gasafdichting dient gewaarborgd te blijven.

  • 20.7.7

    Onder de dichte eindafwerking moet een ontgassingsysteem worden aangelegd. Dit systeem moet zodanig zijn ontworpen dat geen ophoping van gas onder de eindafwerking kan plaatsvinden.

  • 20.7.8

    De dichte eindafwerking moet worden uitgevoerd conform een door de vergunninghouder op te stellen afdichtingsplan, dat uiterlijk drie maanden voor het aanbrengen van de dichte eindafwerking ter goedkeuring aan het bevoegd gezag moet worden overgelegd. Dit plan omvat ten minste de beoordeling van de toestand van het gedeelte waarbij de dichte eindafwerking wordt aangebracht en een uitvoeringsgereed plan (bestek). In het plan dient tevens te zijn beschreven hoe met de dichte eindafwerking een beschermingsniveau wordt gerealiseerd dat ten minste gelijkwaardig is aan de Richtlijn dichte eindafwerking.

    Indien de ingevolge voorschrift 20.5.1 uitgevoerde camera-inspectie aanleiding geeft tot herstel en/of vervanging van (een deel van) de geïnspecteerde drains en leidingen, dienen deze werkzaamheden in het bestek te zijn opgenomen.

    Tevens dient het bestek (als bijlage) de volgende onderdelen te bevatten:

    • een “kwaliteitsplan directievoering” waarin de te volgen wijze van controle (inclusief stoppunten) van de (in uitvoering zijnde) werkzaamheden zijn beschreven;

    • de eisen en randvoorwaarden voor de uitvoering van werkzaamheden;

    • een beschrijving van de wijze waarop tijdens het werk de, ten opzichte van het bestek, door te voeren afwijkingen en wijzigingen zullen worden beoordeeld en vastgelegd.

  • 20.7.9

    Met de uitvoering van het in 20.7.8 bedoelde bestek mag niet worden begonnen voordat het bevoegd gezag het bestek en alle bijbehorende relevante informatie heeft goedgekeurd.

  • 20.7.10

    Na het aanbrengen van drainagebuizen van de bovenafdichting moet direct worden vastgesteld of deze open zijn.

  • 20.7.11

    Onmiddellijk nadat een dichte eindafwerking is aangebracht dient in opdracht van de vergunninghouder door een met instemming van het bevoegd gezag aangewezen ter zake kundige, een keuring te worden verricht van de voorzieningen die in het belang van de bescherming van de bodem op de stortplaats zijn getroffen, alsmede onderzoek worden gedaan naar de hoedanigheden van de bodem onder de stortplaats. De keuring van de voorzieningen en het onderzoek naar de hoedanigheid van de bodem dient te geschieden in overeenstemming met het gestelde in voorschrift 20.5.2 van deze vergunning.

    De vergunninghouder zendt de resultaten van de keuring zo spoedig mogelijk naar het bevoegd gezag.

  • 20.7.12

    Na oplevering van de in het in voorschrift 20.7.8 bedoelde bestek beschreven werkzaamheden dient een opleveringsrapportage ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te worden overgelegd waarin zijn opgenomen: 

    • alle relevante aspecten betreffende de uitvoering van de werkzaamheden;

    • de wijze waarop directievoering op de uitvoering van de werkzaamheden heeft plaatsgevonden;

    • alle verkregen controleresultaten;

    • de tijdens het werk, ten opzichte van het bestek, doorgevoerde afwijkingen en wijzigingen;

    • de revisietekeningen.

  • De (deel)rapportages dienen door de uitvoerende en controlerende instantie(s) te zijn ondertekend.

  • 20.7.13

    Op het gedeelte van de inrichting dat overeenkomstig het gestelde in de voorschriften 20.7.1 is afgedicht, moeten zo spoedig mogelijk afdoende maatregelen ter voorkoming van erosie worden genomen door inzaaien met graszaad. Deze handeling moet zonodig meermalen herhaald worden.

20.8 Controle eindafdichting 

  • 20.8.1

    Eenmaal per twee jaar dient in opdracht van vergunninghouder door een met instemming van het bevoegd gezag aangewezen ter zake kundige de dichte eindafwerking te worden geïnspecteerd. De inspectie bestaat uit een vaststelling van de technische staat van alle in deze vergunning voorgeschreven bodembeschermende voorzieningen overeenkomstig hoofdstuk 15 van de Richtlijn dichte eindafwerking. 

  • 20.8.2
    • 1.

      De resultaten van de keuring en het onderzoek dienen zodanig op schrift te worden gesteld dat:

    • a.

      een duidelijk inzicht wordt gegeven in de beheersbaarheid van de situatie;

    • b.

      de technische staat van de voorzieningen wordt aangegeven, waarbij tevens een schatting van de resterende levensduur van de voorzieningen is opgenomen;

    • c.

      de op grond van voorschrift 20.7.14 verkregen onderzoeksresultaten moeten zijn vergeleken met de onderzoeksresultaten verkregen bij het onderzoek ten behoeve van de vergunningaanvraag. De resultaten van het onderzoek naar de kwaliteit van het water uit de drainagebuizen en het water uit de stroomafwaarts van de stortplaats gelegen bemonsteringsbuizen, worden vergeleken met de resultaten van het onderzoek naar de kwaliteit van het water uit de stroomopwaarts gelegen bemonsteringsbuizen. De onderzoeksresultaten moeten bovendien zijn vergeleken met alle voorafgaande onderzoeksresultaten.

  • 2.

    De resultaten dienen zo spoedig mogelijk nadat de keuring heeft plaatsgevonden te worden toegezonden aan het bevoegd gezag.

  • 20.8.3

    Controle van de bovenafdichting op zakking moet jaarlijks plaatsvinden door hoogtemeting van het eindafwerkingsoppervlak. De wijze van meting is vastgelegd in het meetplan van MUG (21 maart 2013, kenmerk 13.01611 AF/rop/jha). Alternatieve meting van de zakking behoeft de goedkeuring van het bevoegd gezag.

  • 20.8.4

    Elke zes maanden dient controle op de dichtheid van de bovenafdichting door het inspecteren van de taluds op uittredend percolatiewater plaats te vinden. Verder dient onderzocht te worden of er sprake is van lekkage van percolatiewater ter plaatse van de teenconstructie, zijnde de verbindingsconstructie tussen de onder- en de bovenafdichting en het nabijgelegen deel van het talud. De controle en het onderzoek geschieden overeenkomstig de methode aangegeven in hoofdstuk 13 van de Richtlijn dichte eindafwerking. 

  • 20.8.5

    De stabiliteit van de bovenafdichting en van het stort als geheel, dient halfjaarlijks te worden bepaald. Het bevoegd gezag kan een afwijkende frequentie voorschrijven. Het bevoegd gezag zal dit schriftelijk melden aan de vergunninghouder. De inspectie dient tegelijkertijd met de periodieke controle als bedoeld in voorschrift 20.8.4 te worden uitgevoerd. 

  • 20.8.6

    Aanvullend op wat is gesteld in de voorschriften 20.7.16 tot en met 20.7.18, moeten ten behoeve van de controle en het onderhoud van de bovenafdichting de volgende werkzaamheden worden uitgevoerd: 

    • a.

      de algehele staat van de bovenafdichting moet jaarlijks visueel geïnspecteerd worden. Bij deze inspectie moet aandacht worden besteed aan de volgende aspecten:

      • 1.

        storingen in de groei van de vegetatie;

      • 2.

        kenmerken die kunnen wijzen op slechte ontwatering (bijvoorbeeld drassige plekken);

      • 3.

        geurwaarnemingen;

      • 4.

        erosie-kenmerken;

    • b.

      indien tijdens de visuele inspectie zoals beschreven onder a onregelmatigheden worden geconstateerd, dan moet op de betreffende plaats de isolerende laag visueel geïnspecteerd worden;

    • c.

      wanneer bij de visuele inspectie zoals beschreven in voorschrift 20.7.19a afwijkingen worden geconstateerd in de groei van de vegetatie, dient ter plaatse een gedetailleerd onderzoek met gasdetectieapparatuur te worden uitgevoerd om de exacte locaties van de lekkage vast te stellen.

20.9 Financiële zekerheid eindafwerking 

  • 20.9.11

    Voor het nakomen van de voorschriften met betrekking tot de dichte eindafwerking dient vergunninghouder ten genoegen van het bevoegd gezag financiële zekerheid te stellen, totdat is vastgesteld dat de eindafwerking van de stortplaats is uitgevoerd conform het goedgekeurde opleveringsplan als bedoeld in voorschrift 20.7.12 van de vergunning. Het bedrag waarvoor financiële zekerheid dient te worden verkregen bedraagt 2,27 euro per ton gestorte afvalstoffen.

 

OVERWEGINGEN VERGUNNING

1. PROCEDURELE ASPECTEN

Gegevens aanvrager

Op 8 juli 2021 is een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ontvangen. Het betreft een verzoek van Omrin voor de locatie Ecopark De Wierde aan De Dolten 11 te Heerenveen.

Projectbeschrijving

Het project waarvoor vergunning wordt gevraagd, is als volgt te omschrijven: er wordt een revisievergunning aangevraagd voor alle activiteiten die binnen de inrichting worden uitgevoerd. Het betreft hier een afvalverwerkende inrichting waar de volgende werkzaamheden plaatsvinden:

  • een afvalberging voor niet gevaarlijke afvalstoffen;

  • een afvalberging voor gevaarlijke afvalstoffen;

  • een scheidings- en vergistingsinstallatie voor huishoudelijk afval en handel-, diensten- en overheidsafval (HDO-afval);

  • een gasopwerkingsinstallatie voor onttrokken stortgas en het in de vergisting geproduceerde biogas;

  • het bewerken van veegvuil, grondachtige stromen en riool-, kolken- en gemalenslib (RKG-slib);

  • het bewerken van baggerslib;

  • het reinigen van verontreinigde grond en verwerking inerte stromen;

  • de op- en overslag en het shredderen van afvalstoffen;

  • het sorteren van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur;

  • het bewerken van bouw- en sloopafval, bedrijfsafval en het residu grof huishoudelijk afval;

  • de Regionale inzameldienst Omrin/Fryslân Miljeu Zuidoost N.V. met een kantoor, werkplaats voertuigen, romneyloods voor opslag van onderdelen, stalling en uitrukpunt voor het inzamelmaterieel en de buitenopslag van lege containers, milieuboxen (KCA/KGA emballage depot);

  • werkplaatsen en opslagruimten;

  • een afvalwaterzuiveringsinstallatie (AWZI);

  • een tankstation;

  • de opslag van brandbaar afval en kunststoffen in balen;

  • een laad- en loskade;

  • een kunststofsorteerinstallatie.

De voornaamste wijzigingen betreffen een uitbreiding van de inrichting aan de oostzijde van het terrein van Ecopark De Wierde met circa 4 ha, het verhogen van de stortplaats van 24 naar 29 meter en een uitbreiding van de doorzet van huishoudelijk afval van 230.000 naar 280.000 ton. Een uitgebreide projectomschrijving is opgenomen in de aanvraag om vergunning.

Gelet op bovenstaande omschrijving wordt vergunning gevraagd voor de volgende in de Wabo omschreven activiteiten:

  • het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met de beheersverordening (artikel 2.1, eerste lid, onder c);

  • het veranderen en in werking hebben van een inrichting na die verandering (revisievergunning) (artikel 2.1, eerste lid, onder e, juncto artikel 2.6).

Huidige vergunningsituatie

Voor de inrichting zijn eerder de onderstaande vergunningen en/of ontheffingen verleend dan wel meldingen geaccepteerd:

SOORT VERGUNNING

DATUM

KENMERK

ONDERWERP

revisievergunning

16 juli 2012

998449

Afvalverwerkende inrichting.

verandering

21 januari 2013

1037148

Tankstation, containerwisselplaats, opslag- en opstelplaatsen voor containers, laad- en loskade, gasopwerkingsinstallatie, wijzigen infrastructuur en het mengen van afvalstoffen.

wijzigen voorschrift

24 juni 2013

1064432

Wijzigen voorschrift 17.1.3 in verband met wijziging Bssa.

milieuneutrale wijziging inclusief melding Activiteitenbesluit

16 juli 2013

1060445

Realisatie bunker voor de opslag van groente-, fruit- en tuinafval en het vervangen van twee gasmotoren door één gasmotor voor stortgas.

milieuneutrale wijziging

27 augustus 2013

1070835

Mengen van digestaat, rdf en residu gha met een doseerhopper en het verplaatsen van de kunststofscheiding van de rekashal naar de scheidingshal.

milieuneutrale wijziging

21 januari 2014

2013-FUMO-0000070

Het gelijktijdig in werking hebben van de scheidingsinstallatie in de rekashal en de kunststofscheidingsinstallatie in de scheidingshal.

milieuneutrale wijziging

23 januari 2014

2013-FUMO-0000037

Het ontvangen en vergisten van melk met resten antibiotica (zijnde categorie 2-materiaal).

milieuneutrale wijziging

5 juni 2014

2014-FUMO-0000816

Het aanpassen van het acceptatie- en verwerkingsbeleid met o.a. het toevoegen van een aantal euralcodes.

milieuneutrale wijziging en melding Activiteitenbesluit

3 juli 2014

2014-FUMO-0001646

Het wijzigen van de indeling van het tankstation.

melding Activiteitenbesluit

13 augustus 2014

2014-FUMO-0002096

Wijziging tankstation nl. plaatsen van schakelkasten in een technische ruimte.

milieuneutrale wijziging

2 december 2014

2014-FUMO-0003072

Plaatsen van een transportband aan de buitenkant van de scheidingshal.

milieuneutrale wijziging

10 december 2014

2014-FUMO-0002914

Weegbrug voor het wegen van interne transporten.

milieuneutrale wijziging

28 april 2015

2015-FUMO-0004361

Tijdelijke opslag van brandbaar afval bovenop en naast de stortplaats.

milieuneutrale wijziging

11 mei 2015

2015-FUMO-0004686

Tegelijkertijd in werking hebben van de scheidingsinstallatie en het mengen van digestaat met refuse derive fuel (RDF) en grof huishoudelijk afval (GHA) in de recyclinghal.

milieuneutrale wijziging

10 november 2015

2015-FUMO-0011552

Wijzigen gasopwerkingsinstallatie.

milieuneutrale wijziging

26 januari 2016

2015-FUMO-0013015

Ingebruikname van de droge scheidingsinstallatie met de x-tract.

milieuneutrale wijziging

11 februari 2016

2015-FUMO-0013449

Het verwijderen van bodemvreemd materiaal (waaronder munitie) uit niet-reinigbare grond en niet-reinigbare baggerspecie op de stortplaats.

milieuneutrale wijziging

8 maart 2016

2015-FUMO-0013266

Het vergroten van de gasopslag voor geproduceerd biogas van 70 m³ naar 4.900 m³.

milieuneutrale wijziging

20 juni 2016

2016-FUMO-0016216

Wijzigen van het acceptatie- en verwerkingsbeleid en de acceptatie van nieuwe afvalstoffen.

verandering

30 juni 2016

2016-FUMO-0012682

Realiseren van een zogenaamde Spirofloor (transportvloer) en een gesloten transportband naast de scheidingshal.

milieuneutrale wijziging

10 oktober 2016

2016-FUMO-0016988

Uitbreiding van de werkplaats.

milieuneutrale wijziging

12 oktober 2016

2016-FUMO-0016890

Uitbreiding bedrijfsgebouw.

verandering

25 april 2017

2016-FUMO-0018404

Het realiseren van een kunststofsorteerinstallatie met bijbehorend terrein en de wijziging van de entreesituatie met een portiersloge, twee nieuwe weegbruggen en een containeropstelplaats.

milieuneutrale wijziging

8 augustus 2017

2017-FUMO-0023194

Het wijzigen van de portiersloge, de weegbruggen en de terreininfrastructuur.

milieuneutrale wijziging

14 juni 2018

2018-FUMO-0027195

Het inrichten van het KSI-terrein als opstelplaats voor lege en volle containers, het verplaatsen van de parkeerplaats en het plaatsen van 8 vlaggenmasten.

verandering

17 september 2019

2018-FUMO-0028828

De intensivering van de nascheiding van het huishoudelijk afval door uitbreiding van de scheidings- en bewerkingsinstallatie met een nieuwe hal met Dano-trommels en vlakzeef. Verplaatsen van de activiteiten containeropslag en –wisselplaats.

milieuneutrale wijziging

2 april 2020

2020-FUMO-0038317

Het veranderen van de locatie van de (nog niet gebouwde) Dano-hal

milieuneutrale wijziging

13 juli 2020

2020-FUMO-0041027

Het plaatsen van een bouwwerk met een extra compressor bij het tankstation.

milieuneutrale wijziging

25 november 2020

2020-FUMO-0044738

Het plaatsen van nieuwe stof- en geurfilterinstallaties bij de scheidingshal en de danohal en het vervangen van de stoomketel.

De hierboven genoemde vergunningen zullen vervallen zodra deze revisievergunning onherroepelijk wordt.

Vergunningplicht

De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I, onderdeel C van het Besluit omgevingsrecht (Bor). De volgende categorieën zijn van toepassing:

Categorie

Omschrijving

28.4 onder a

Inrichtingen voor het opslaan van de volgende afvalstoffen:

  • 1°.van buiten de inrichting afkomstige ingezamelde of afgegeven huishoudelijke afvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 35 m3 of meer;

  • 3°. van buiten de inrichting afkomstige verontreinigde grond, waaronder begrepen verontreinigde baggerspecie, met een capaciteit ten aanzien daarvan van 10.000 m3 of meer;

  • 5°. van buiten de inrichting afkomstige gevaarlijke afvalstoffen;

  • 6°. andere dan de onder 1° tot en met 5° genoemde van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 1.000 m3 of meer.

28.4, onder b

Inrichtingen voor het overslaan van buiten de inrichting afkomstige:

  • 1°. huishoudelijke afvalstoffen of van buiten de inrichting afkomstige bedrijfsafvalstoffen met een opslagcapaciteit ten aanzien daarvan van 1.000 m3 of meer.

28.4, onder c

Inrichtingen voor het:

  • 1°. het ontwateren, microbiologisch of anderszins biologisch of chemisch omzetten, agglomereren, deglomereren, mechanisch, fysisch of chemisch scheiden, mengen, verdichten of thermisch behandelen - anders dan

verbranden - van van buiten de inrichting afkomstige huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 15.000.000 kg per jaar of meer;

e 2°. het verwerken of vernietigen - anders dan verbranden - van buiten de inrichting afkomstige gevaarlijke afvalstoffen.

28.4, onder f

Inrichtingen voor het op of in de bodem brengen van huishoudelijke afvalstoffen, bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen om deze stoffen daar te laten.

28.10

Inrichtingen voor nuttige toepassing of verwijdering van afvalstoffen. De inrichting valt niet onder de uitzonderingen.

Op grond van categorie 28.10 is sprake van een vergunningplichtige activiteit.

Het betreft een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort als genoemd in Bijlage I, categorie 5.3.b en 5.4 van de Richtlijn industriële emissies (Rie). Om die reden is op grond van artikel 2.1, tweede lid van het Bor sprake van een vergunningplichtige inrichting.

Het bevoegd gezag

Wij zijn het bevoegd gezag voor de inrichting. Dit volgt uit artikel 2.4, tweede lid van de Wabo juncto artikel 3.3, eerste lid van het Bor, op grond van de activiteiten van de inrichting, genoemd in Bijlage I onderdeel C, categorie 28.4 van het Bor.

Coördinatie met de Waterwet

De aangevraagde activiteit heeft betrekking op een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort, waarbij sprake is van een handeling waarvoor een watervergunning voor het lozen van stoffen als bedoeld in artikel 6.27, eerste lid van de Waterwet vereist is.

Op Ecopark De Wierde wordt afvalwater via een persleiding op de rioolwaterzuiveringsinstallatie van Heerenveen geloosd. Wetterskip Fryslân is hiervoor de bevoegde instantie.

Op 11 augustus 2021 heeft Wetterskip Fryslân van Omrin een aanvraag ontvangen voor een nieuwe watervergunning (OLO nr. 6226749).

Bestemmingsplan

Het project ligt in een gebied waar de beheersverordeningen “Joure, Langweer, Nijehaske, Oudehaske en het Buitengebied” en “Kanaal West” geldt. Conform deze beheersverordeningen blijven de bepalingen van de voorheen geldende bestemmingsplannen van kracht. Het project is in strijd met artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 2, van de bouw- en gebruiksregels van dit bestemmingsplan. Wij gaan hier verder op in bij de activiteit “gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een planologische regeling”.

Beoordeling van de aanvraag

Na ontvangst van de aanvraag hebben wij deze getoetst op volledigheid. In verband met het ontbreken van een aantal gegevens hebben wij de aanvrager per brief op 10 december 2021 en op 27 juni 2022 in de gelegenheid gesteld om de aanvraag aan te vullen. Wij hebben de aanvullende gegevens respectievelijk ontvangen op 22 februari 2022 en op 11 juli 2022 .

Daarnaast hebben wij van Omrin na overleg ook nog kleine aanvullingen ontvangen op

25 augustus 2021 (overzicht over koelsystemen, compressoren, fakkelinstallaties, machines, toestellen, werkplaatsen, opslag van vloeistoffen in tanks en stookinstallaties), op 26 april 2022 (aangevuld BBT-document BREF afvalbehandeling), op 25 juli 2022 (laatste aanpassingen n.a.v. kort overleg over aanvullingen van 11 juli 2022) en op 23 mei 2022 (toelichtende brief bij aanvulling van 22 februari 2022).

Na ontvangst van de aanvullende gegevens hebben wij de aanvraag opnieuw getoetst op volledigheid. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag met alle aanvullende gegevens voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanvraag is dan ook in behandeling genomen.

Adviezen

In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 van de Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor, hebben wij de aanvraag ter advies aan de volgende instanties/bestuursorganen gezonden:

  • Gemeente Heerenveen

  • Wetterskip Fryslân

  • Brandweer Fryslân

  • Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat)

  • Provincie Fryslân (afdeling Romte).

Wij behandelen hieronder de uitgebrachte adviezen:

Advies Wetterskip Fryslân

Op 15 november 2021 hebben wij een advies van Wetterskip Fryslân ontvangen. Dit advies hebben wij verwerkt in deze vergunning onder de paragraaf Coördinatie met de Waterwet en onder de inhoudelijke overwegingen over afvalwater. Verder geeft Wetterskip Fryslân aan geen op- en/of aanmerkingen over de aanvraag te hebben.

Advies Brandweer Fryslân

Van Brandweer Fryslân hebben wij tweemaal advies ontvangen over de aanvraag en de aanvullingen.

Het advies is gericht op het brandveiligheidsaspect.

Eerste advies van 15 oktober 2021 van Brandweer Fryslân, samengevat:

Maatregelen ter beperking van vogeloverlast

Ter beperking van vogeloverlast wordt een valkenier ingezet voor de verjaging van voornamelijk meeuwen. Tevens worden hiervoor vuurpijlen toegepast door de valkenier.

Opmerking: de toepassing van vuurpijlen geeft risico op brand, zo is in het verleden gebleken. Wij adviseren deze toepassing niet uit te voeren of een alternatieve methode toe te passen.

Maatregelen bij calamiteiten

De maatregelen bij calamiteiten staan beschreven in het bedrijfsnoodplan. Met de plaatselijke brandweer is een aanvalsplan besproken. Op de locatie is tijdens de bedrijfsuren een BHV’er aanwezig.

Brandweer Fryslân geeft aan dat deze generieke beschrijving niet voldoende dekkend is voor de specifieke risico’s die per activiteit of per gebouw bestaan. Aanwezige brandveiligheidsvoorzieningen, zoals een sprinklerinstallatie in een gebouw, zijn bedoeld om een bepaald risico te verkleinen. Te nemen maatregelen moeten gericht zijn op het risico. Het verwijzen naar het bedrijfsnoodplan is onvoldoende, omdat het bedrijfsnoodplan niet voldoende gericht is op deze maatregelen en risico’s.

Kunststofsorteerinstallatie (KSI), opslag buitenterrein KSI

Aviv heeft onderzocht hoe balen met gesorteerde kunststoffen op een brandveilige manier op het KSI-terrein kunnen worden opgeslagen (bijlage 15), aangezien dit nog niet is vergund. Brandweer Fryslân geeft aan dat op basis van dit onderzoek de uitkomsten nog niet vertaald zijn in definitieve maatregelen. Aviv geeft slechts advies. De definitieve maatregelen (bijv. hoogtes keerwanden) ziet Brandweer Fryslân graag vastgelegd op een tekening. Daarnaast ontbreken de achterliggende berekeningen voor het bepalen van de juiste afstanden tot gebouw en perceelgrens. Deze berekeningen, met toepassing hogere bronstraling, dienen te worden aangeleverd. Op de voorgestelde locatie van de kunststof balen liggen tevens twee bluswatervoorzieningen die nu niet meer bereikbaar zijn. Deze zijn van belang voor de KSI.

Bedrijfsnoodplan

Algemeen: het plan bevat, zoals eerder gesteld, bij maatregelen bij calamiteiten onvoldoende informatie over de specifieke risico’s die per activiteit of gebouw kunnen optreden. Daarbij ontbreekt hoofdstuk 7 Risicoscenario’s van het bedrijfsnoodplan. Op basis van optredende risico’s kunnen maatregelen genomen worden of aanwezig zijn die het risico verlagen. Brandweer Fryslân verzoekt om het bedrijfsnoodplan aan te laten vullen.

Tekeningen terreinindeling

Op diverse delen staat aangegeven: “waterinlaatplaats”. Dit suggereert een inlaat voor het waterpeil, maar dit zijn opstelplaatsen voor bluswatervoorziening voor de brandweer.

Daarnaast zijn er bij de KSI en het naastliggende opslagterrein aan de Nieuwe Haskersloot opstelplaatsen bluswatervoorziening aanwezig die niet zijn weergegeven. Dit is eerder besproken en afgestemd met Omrin. De aangegeven containerplaatsen op het terrein KSI belemmeren de bereikbaarheid van een brandweervoertuig voor voldoende bluswater (zie ook opmerking kunststof balen).

Beperken en bestrijden van brand

Op basis van artikel 3 Wet veiligheidsregio’s (Wvr) behoort tot de brandweerzorg het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar, het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand en al hetgeen daarmee verband houdt. Op grond van artikel 10, lid c en artikel 25, lid 1 onder e van de Wvr kan Brandweer Fryslân adviseren over bovenstaande taak.

Vanuit dit oogpunt constateert Brandweer Fryslân dat het risico op brand op Ecopark de Wierde mogelijk is, waarbij bouw- en milieuregelgeving de mogelijke effecten van brand niet afdoende afdekt. Dat betekent dat een grote brand kan ontstaan die langdurig kan branden met mogelijke overlast voor de omgeving. Brandweer Fryslân adviseert maatregelen te nemen waarbij Ecopark De Wierde langdurige brandweerzorg kan overnemen, bijvoorbeeld door de inzet van particuliere brandbestrijdingsbedrijven.

Tweede advies van Brandweer Fryslân van 2 mei 2022, naar aanleiding van aanvullingen van 22 februari 2022.

Brandweer Fryslân is akkoord met de ingediende stralingsberekeningen van Aviv.

Verder geeft Brandweer Fryslân aan dat de volgende onderdelen nog ontbreken:

  • Tekening/ opstelling definitieve kunststofbalenopslag

  • Aangepast NTS

  • Aangepast bedrijfsnoodplan.

Na dit tweede advies heeft er overleg plaatsgevonden tussen Omrin en Brandweer Fryslân over bovenstaande punten. Tijdens dit overleg zijn ook afspraken gemaakt voor een regulier overleg tussen Brandweer en Omrin. Vervolgens is de aanvraag op 11 juli 2022 aangevuld met een aangepast bedrijfsnoodplan, een scenarioboek en een bereikbaarheidskaart Brandweer. Brandweer Fryslân heeft op 18 juli 2022 aangegeven dat zij akkoord is met de aanpassingen van en aanvullingen op de aanvraag van 11 juli 2022.

Advies van ILT

Wij hebben van ILT advies ontvangen naar aanleiding van de aanvraag en de ingediende aanvullingen. Wij hebben met ILT en met Omrin meerdere overleggen gehad over de ingediende adviezen en mogelijkheden tot verbetering.

In het eerste advies van 9 september 2021 heeft ILT het volgende aangegeven:

“De aanvraag is onvolledig of onduidelijk en er zijn aanvullingen/ophelderingen nodig:

  • 1.

    Het is niet mogelijk de verwerking van de afvalstoffen tegen de van toepassing zijnde minimumstandaard te toetsen omdat de informatie in de aanvraag onvoldoende specifiek is.

    • a.

      Het afvalstoffenregister bevat een opsomming van de 403 euralcodes waaronder de afvalstoffen vallen die Omrin aanvraagt. Per euralcode heeft Omrin het sectorplan (in sommige gevallen meerdere) vermeldt dat van toepassing zou zijn en de bijbehorende minimumstandaard(en). Per euralcode vermeldt Omrin de methoden waarmee de afvalstof verwerkt kan worden.

      • i.

        In onderdeel IV van ieder sectorplan staat een indicatieve opsomming van euralcodes waarop het sectorplan van toepassing kan zijn. In een redelijk aantal gevallen veronderstelt Omrin de toepassing van een sectorplan op een euralcode terwijl die niet in onderdeel IV van dat sectorplan staat opgenomen. Ter illustratie; van de 170 euralcodes waarop volgens Omrin alleen sectorplan 3 van toepassing is, komen 54 niet voor in onderdeel IV van sectorplan 3. Hoewel een sectorplan wel degelijk van toepassing kan zijn op een eural code die niet voorkomt in onderdeel IV dient Omrin dit wel te onderbouwen.

      • ii.

        De minimumstandaard die Omrin in verbinding brengt met een eural code betreffen vaak alle verschillende minimumstandaarden uit het desbetreffende sectorplan. Bovendien acht Omrin voor 72 eural codes meerdere sectorplannen van toepassing waardoor het palet aan mogelijke toepasselijke minimumstandaarden nog breder wordt. Op een afvalstof kan slechts één minimumstandaard van toepassing zijn. Indien een eural code te breed is gedefinieerd om toe te kennen aan een enkele minimumstandaard dient Omrin de afvalstoffen die onder dezelfde eural code vallen te differentiëren naar een niveau waarop dat wel kan.

      • iii.

        De verwerking op de inrichting wordt inzichtelijk gemaakt door per Eural code de mogelijke verwerkingsactiviteiten te benoemen. Ook hiervoor geldt dat Omrin de afvalstoffen op een detailniveau moet omschrijven waarop ze kan aangeven wat de verwerking zal zijn en niet wat de verschillende opties zijn.

    • b.

      De ‘niet technische samenvatting’ bevat in hoofdstuk 2 een omschrijving van de verschillende verwerkingsactiviteiten die op de inrichting plaatsvinden. Per activiteit worden de afvalstoffen kort omschreven die verwerkt worden. De omschrijving is echter te generiek om te bepalen welke eural codes daar bij horen. Hoewel de koppeling tussen omschrijving van afvalstof en eural code wel expliciet wordt gemaakt op p.18-20 geldt dat maar voor 20-25% van de eural codes. Voor de overige wordt verwezen naar het afvalstoffenregister. Zie in dat kader ook het voorgaande punt.

  • 2.

    De acceptatiecriteria in hoofdstuk 3 van het AV en AO/IC zijn onvoldoende uitgewerkt.

    • a.

      In samenhang met punt 1 is het niet duidelijk voor welke eural codes de criteria gelden.

    • b.

      Een acceptatiecriterium is een parameter met een grenswaarde waarboven of waaronder een afvalstof niet wordt geaccepteerd. De parameters die in hoofdstuk 3 worden genoemd zijn niet altijd gekoppeld aan een grenswaarde. Zie bijvoorbeeld §3.2.

    • c.

      De samenhang tussen de ZZS die in de ZZS inventarisatie zijn geïdentificeerd en de acceptatiecriteria in hoofdstuk 3 van het AV en AO/IC wordt niet toegelicht. Aangezien die ook niet zondermeer is af te leiden, dient toegelicht te worden op welke basis wordt bepaald om een acceptatiecriterium te formuleren voor een ZZS.

  • 3.

    De menghandelingen zijn onduidelijk en onvoldoende onderbouwd. In §2.4.2 van de ‘niet technische samenvatting’ en §6.5 van het AV en AO/IC staat informatie over menghandelingen. Wederom zijn de euralcodes niet vermeld van de afvalstoffen die worden gemengd. Dit is ook niet eenduidig af te leiden uit de omschrijving. De onderbouwing die wordt gegeven op p.39 van de ‘niet technische samenvatting’ beslaat twee zinnen en is te summier om te voldoen aan de onderbouwing die is vereist vanuit hoofdstuk D4 van LAP-3.

  • 4.

    In de risico analyse in bijlage D van het AV en AO/IC, is het risico op een onjuiste toekenning van een eural code niet expliciteit herkend en de borging is onvoldoende risicogestuurd.

    De eural code is bepalend voor de wijze waarop de afvalstof wordt verwerkt. Een onjuiste toekenning leidt tot een onjuiste verwerking die niet conform de minimum standaard is. Daarom is dit risico van belang. Vanwege de aanzienlijke hoeveelheid euralcodes die Omrin aanvraagt waarvan 30-40% euralcodes die tot een categorie overig behoren (niet elders genoemd, niet onder die en die eural code vallend) is het risico aanwezig.

    Vanwege het belang en de aanwezigheid van dit risico dient het daarom expliciet geanalyseerd te worden. Hierbij moet ook bepaald worden voor welke groepen eural codes dit risico meer speelt dan voor andere. De borging dient daar op afgestemd te zijn.

  • 5.

    De informatie over de stookinstallaties (ketel, WKKs, fakkel) is onvolledig of onduidelijk.

    • a.

      De verbrandingsefficiëntie van de fakkel ontbreekt.

    • b.

      De SO2 emissies van de installaties die op vergistingsgas worden gestookt, ontbreekt.

    • c.

      De specifieke wettelijke basis van de vermelde emissiegrenswaarde voor de NOx emissie van de WKKs (luchtkwaliteitsonderzoek) is niet duidelijk.

    • d.

      De NOx emissie van de ketel ontbreekt.

    • e.

      De status (afval of niet afval) van het biogas dat niet wordt opgewerkt tot biomethaan maar wordt verstookt in de stookinstallaties is niet duidelijk.

  • 6.

    Op basis van een berekening door Antea Groep (d.d. 18 juni 2015, 404016 – 150387 – HH06) welke niet is toegevoegd aan de aanvraag, is bepaald dat de drempelwaarden voor gevaarlijke stoffen zoals genoemd in de BRZO niet worden overschreden. Uit de QRA is op te maken dat geen enkele afvalstof als relevant wordt beschouwd voor de QRA. De onderbouwing daarvan ontbreekt. Die is wel nodig. Er worden immers brandbare afvalstoffen ingenomen, en de stelling die in §1.2.3.2 van het AV en AO/IC wordt gedaan dat giftige stoffen niet worden ingenomen, is niet onderbouwd.”

Het tweede advies van 22 april 2022 van ILT luidt:

“Ik heb de aanvullingen getoetst tegen de punten die ik in mijn eerdere advies van 9 september 2021 over de aanvraag had gemaakt. Ik constateer dat aan vrijwel al mijn punten geen of onvoldoende invulling is gegeven. Daarmee voldoet de voorliggende aanvraag nog steeds niet aan de indieningsvereisten en adviseer ik de aanvraag weer te laten aanvullen.

Dit op onderstaande punten (1 t/m 5).

  • 1.

    Toets tegen minimum standaard niet mogelijk

    In de nieuwe versie van het afvalstoffenregister wordt nu maximaal één sectorplan gekoppeld aan een euralcode. Dat is een verbetering. Tegelijkertijd wordt nog steeds geen informatie verstrekt waaruit de van toepassing zijnde minimumstandaard valt af te leiden. Voor bijvoorbeeld afval‐coatingpoeder (080201), waarop sectorplan 3 van toepassing wordt geacht, geeft Omrin aan dat het op de volgende manier verwerkt wordt; afvalberging, scheiden, vergisten, recycling en op‐ en overslag. Dit lijkt nog steeds een algemeen keuzemenu en geeft geen duidelijkheid over hoe een specifieke afvalstof concreet wordt verwerkt en waarom dat volgens de van toepassing zijnde minimumstandaard is. Omdat het hoofdstuk over de verwerkingsactiviteiten in de nieuwe versie van de ‘niet technische samenvatting’ ook nog steeds geen specifieke omschrijving van de afvalstoffen bevat en eural codes ontbreken, is er ook vanuit dat document geen zicht op te krijgen.

  • 2.

    Uitwerking acceptatiecriteria onvoldoende

    Er is geen invulling gegeven aan mijn punten over de acceptatiecriteria uit mijn vorige advies. Daarom neem ik ze in dit advies ongewijzigd over.

    “De acceptatiecriteria in hoofdstuk 3 van het AV en AO/IC zijn onvoldoende uitgewerkt.

    • a.

      In samenhang met punt 1 is het niet duidelijk voor welke eural codes de criteria gelden.

    • a.

      Een acceptatiecriterium is een parameter met een grenswaarde waarboven of waaronder een afvalstof niet wordt geaccepteerd. De parameters die in hoofdstuk 3 worden genoemd zijn niet altijd gekoppeld aan een grenswaarde. Zie bijvoorbeeld §3.2.

    • b.

      De samenhang tussen de ZZS die in de ZZS inventarisatie zijn geïdentificeerd en de acceptatiecriteria in hoofdstuk 3 van het AV en AO/IC wordt niet toegelicht. Aangezien die ook niet zondermeer is af te leiden, dient toegelicht te worden op welke basis wordt bepaald om een acceptatiecriterium te formuleren voor een ZZS.

  • 3.

    Risico toekenning onjuiste euralcode

    Er is geen invulling gegeven aan mijn punt over het toekennen van euralcodes. Daaromneem ik dat in dit advies ongewijzigd over.

    “In de risico analyse in bijlage D van het AV en AO/IC, is het risico op een onjuiste toekenning van een eural code niet expliciteit herkend en de borging is onvoldoende risico-gestuurd.

    De eural code is bepalend voor de wijze waarop de afvalstof wordt verwerkt. Een onjuiste toekenning leidt tot een onjuiste verwerking die niet conform de minimum standaard is. Daarom is dit risico van belang. Vanwege de aanzienlijke hoeveelheid euralcodes die Omrin aanvraagt waarvan 30‐40% euralcodes die tot een categorie overig behoren (niet elders genoemd, niet onder die en die eural code vallend) is het risico aanwezig.”

  • 4.

    SO2 emissies bij stook op biogas

    In §3.4 van de nieuwe versie van de luchtkwaliteitstoets staat vermeld dat er bij stook op biogas (WKKs) geen sprake is van SO2‐emissies omdat het biogas is opgewerkt tot aardgas kwaliteit. Tegelijkertijd valt er uit §2.4.1 en §2.5.1 van de niet technische samenvatting af te leiden dat biogas het vergistingsgas betreft dat niet is opgewerkt tot groen gas en daarmee niet dezelfde kwaliteit als aardgas heeft. Daardoor is opgave van de SO2‐emissies nog steeds relevant.

  • 5.

    BRZO toets

    Er is geen invulling gegeven aan mijn punt over de BRZO toets. Daarom neem ik dat in dit advies ongewijzigd over.

    “Op basis van een berekening door Antea Groep (d.d. 18 juni 2015, 404016 – 150387 -HH06) welke niet is toegevoegd aan de aanvraag, is bepaald dat de drempelwaarden voor gevaarlijke stoffen zoals genoemd in de BRZO niet worden overschreden. Uit de QRA is op te maken dat geen enkele afvalstof als relevant wordt beschouwd voor de QRA. De onderbouwing daarvan ontbreekt. Die is wel nodig. Er worden immers brand‐bare afvalstoffen ingenomen, en de stelling die in §1.2.3.2 van het AV en AO/IC wordt gedaan dat giftige stoffen niet worden ingenomen, is niet onderbouwd.”

Overige opmerkingen:

  • “Menghandelingen: In de nieuwe versie van het AV en AO/IC worden in §6.5 de eural codes opgegeven van de afvalstoffen die worden gemengd. Deze eural codes komen voor in de tabel op p.19‐p.22 van de nieuwe versie van de niet technische samenvatting.

    Deze tabel is verder aangevuld met de bestemming van de betreffende afvalstoffen. Hieruit valt af te leiden dat de afvalstoffen die worden gemengd brandbare restfracties betreffen die worden afgevoerd naar erkende afvalverbrandingsinstallaties. Dat lijkt de bewering van Omrin (die in §6.5 van het AV en AO/IC overigens zonder onderbouwing wordt gedaan) dat de gemengde afvalstoffen conform minimum standaard worden verwerkt en niet leiden tot onaanvaardbare blootstelling in ieder geval niet tegen te spreken”.

  • “Fakkel: De noodfakkel voor de verwerking van stortgas en biogas is een activiteit die niet is opgenomen in het activiteitenbesluit. Het is daarom logisch om terug te grijpen op de bepalingen in de bijzondere regeling G1 ("Verwerking van gassen van stortplaatsen, af‐valvergisting en anaërobe afvalwaterzuiverings installaties") van de Nederlandse Emissie Richtlin (NeR) ondanks dat deze is vervallen. De G1 bepaalt dat de fakkels van een ‘gesloten type’ zijn, de verblijftijd van de verbrandingsgassen in de fakkels minimaal 0,3 seconden is en uittreedtemperatuur tenminste 900 ⁰C. Dit laatste is hoger dan de verbrandingstemperatuur (800⁰ C) die Omrin in §3.4 van de nieuwe versie van de luchtkwaliteitstoets opgeeft voor haar fakkel.”

Naar aanleiding van de aanvulling van de aanvraag op 11 juli 2022 heeft de ILT een mail gestuurd op 14 juli 2022 en 1 augustus 2022. Samengevat luidt het advies in de mails van de ILT:

De structuur en samenhang lijkt er door de aanvullingen nu wel te zijn. De beslisboom biedt wel de helicopter view die tot dusver ontbrak.

“Mis (nog steeds) wel de uitwerking/concretisering op sommige punten zodat er goed op gehandhaafd kan worden. Gezien de tijdsdruk zou dat geregeld kunnen worden door die uitwerking als een voorschrift op te nemen.

Voor de twee euralcodes (010504 en 080201) die ik vaker heb gebruikt om de samenhang, duidelijkheid en volledigheid van alle AV-gerelateerde documenten te toetsen, is ook op basis van de beslisboom voor mij niet helemaal duidelijk wat nu de verwerking is. Voor 010504 kom ik overigens wel iets verder dan voor 080201 maar het blijft gissen. De opmerkingen die ik t.a.v. die euralcodes maakte in mijn toelichting van 2 juni 2022 zijn daarom nog steeds niet voldoende geadresseerd.

Ik vraag me af of dit op meer euralcodes van toepassing zijn (dat heb ik niet getoetst). Ook vraag ik me af of alle keuzemomenten die in de beslisboom staan terug te vinden zijn in H3 van het AV en AO/IC.”

Wij zijn met de ILT van mening dat vanwege de grote hoeveelheid aan euralcodes, de samenhang tussen de verschillende onderdelen van het A&V-beleid (Afvalregister, beslisboom, Acceptatie- en verwerkingsbeleid en de Niet Technische Samenvatting) naar onze mening niet voor alle euralcodes helemaal sluitend is. Hierdoor is niet altijd duidelijk op welke manier de afvalstoffen worden verwerkt.

Onder het hoofdstuk A&V-beleid en AO/IC gaan wij hier verder op in.

Zienswijzen op de ontwerpbeschikking

Van het ontwerp van de beschikking hebben wij op 27 augustus 2022 kennis gegeven in de Leeuwarder Courant en het Friesch Dagblad. Ook is digitaal gepubliceerd op internet, in het Provinciaal Blad Fryslân via https://www.officielebekendmakingen.nl.

Tussen 29 augustus 2022 en 10 oktober 2022 heeft het ontwerp ter inzage gelegen en is een ieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is gebruik gemaakt.

Op 10 oktober 2022 hebben we zienswijzen ontvangen van:

  • A.

    Plaatselijk Belang Nieuwebrug-Haskerdijken, namens de inwoners van de dorpen Nieuwebrug en Haskerdijken en de leden van de vereniging;

  • B.

    Plaatselijk Belang Vegelinsoord en Oudehaske, namens de inwoners van de dorpen Vegelinsoord en Oudehaske en de leden van de vereniging;

  • C.

    Een bewoner van de Welleweg (omwonenden 1);

  • D.

    Twee omwonenden van de Welleweg (omwonenden 2);

  • E.

    Dommerholt Advocaten, namens bewoners van De Dolten;

  • F.

    Op 7 oktober hebben we een zienswijze ontvangen van Omrin zelf.

In bijlage 5 hebben we de zienswijzen samengevat en hebben we een reactie op de zienswijzen gegeven.

Wijzigingen ten opzichte van de ontwerpbeschikking

Ten opzichte van de ontwerpvergunning zijn de volgende wijzigingen aangebracht:

  • de adressering is aangepast;

  • de datum voor het indienen van de energierapportage is veranderd in 1 juli (voorschrift 3.1.9);

  • voorschriften voor geluid op zondag zijn toegevoegd (voorschriften 4.1.3 en 4.1.4);

  • in de geluidvoorschriften (voorschriften 4.1.1 en 4.1.3) is een vergunningpunt toegevoegd (VP4);

  • in de geluidvoorschriften is een voorschrift toegevoegd over het bijhouden van een logboek (voorschrift 4.2.5);

  • de termijn voor het indienen van een geurbeheerplan is aangepast (voorschrift 5.1.5);

  • voorschrift 6.1.1 is aangepast, de hoeveelheden in de tabel van de ontwerpbeschikking weken af van de aangevraagde hoeveelheid. De hoeveelheden zijn nu in overeenstemming met de aanvraag. Ook is de tekst van het voorschrift aangepast. Het voorschrift geeft nu meer duidelijkheid voor toezicht op het voorschrift;

  • voorschrift 18.7.3 van de ontwerpbeschikking over registraties van het affakkelen is voor de duidelijkheid samengevoegd met voorschrift 6.3.2. Voorschrift 18.7.3 van de ontwerpbeschikking is daarmee vervallen;

  • voorschrift 19.3.2 van de ontwerpbeschikking is vervallen, omdat dit hetzelfde is als voorschrift 19.2.1;

  • Voorschrift 20.4.2 over het gasonttrekkingssysteem is aangepast. Dit voorschrift is nu niet meer van toepassing op de stortcompartimenten waar uitsluitend inert materiaal (inclusief benodigde hulpstoffen) wordt gestort;

Verklaring van geen bedenkingen

Op grond van artikel 2.27 van de Wabo wijst het Bor of een bijzondere wet categorieën van gevallen aan waarvoor geldt dat een omgevingsvergunning niet eerder wordt verleend dat nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. Omdat het hier een geval betreft als vermeld in artikel 6.5 van het Bor (afwijken van de beheersverordening), wordt de omgevingsvergunning niet eerder verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente Heerenveen heeft verklaard dat daartegen geen bedenkingen zijn. In dit kader hebben wij na ontvangst van de aanvraag een exemplaar daarvan gezonden aan de gemeente Heerenveen.

Op 28 maart 2023 hebben wij van de gemeenteraad van Heerenveen een verklaring ontvangen waaruit blijkt dat er, gelet op het belang van een goede ruimtelijke ordening, geen bedenkingen zijn tegen het verlenen van de gevraagde vergunning. Deze verklaring bestaat uit een raadsbesluit (d.d. 23 maart 2023). Er zijn geen voorschriften gegeven.

Wet natuurbescherming

In de Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen dat deze wet aanhaakt bij de Wabo wanneer:

  • 1.

    een activiteit plaatsvindt in of om een Natura 2000-gebied en deze activiteit de kwaliteit van de habitats en de habitats van soorten verslechtert (handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden), en/of;

  • 2.

    een activiteit plaatsvindt waarbij in onvoldoende mate sprake is van het beschermen van inheemse plant- en diersoorten en het bewaken van de biodiversiteit tegen invasieve uitheemse plant- en diersoorten (handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten).

Voor Ecopark De Wierde is op 10 februari 2017 een vergunning ingevolge de Wet natuurbescherming verleend (kenmerk 01389216).

Voor de nu aangevraagde activiteiten heeft Omrin op 2 juli 2020 een Wnb-vergunning aangevraagd. Dit betekent dat de Wnb in principe niet aanhaakt in deze Wabo-procedure. Vermeld kan worden dat er op 1 april 2021 een positieve weigering is afgegeven door de provincie Fryslân, omdat er geen vergunning nodig is. Voor de Wnb-aanvraag is een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is bij de aanvraag gevoegd. Uit dit onderzoek blijkt dat de doorgevoerde wijzigingen in de revisievergunningaanvraag geen verhoogde stikstofdepositie veroorzaken.

Voor het voorgenomen project is op 8 april 2020 een ontheffing Wnb aangevraagd voor de buizerd en gewone dwergvleermuis. Dit betekent dat de Wnb niet aanhaakt in deze Wabo-procedure. Op 10 juli 2020 heeft de provincie Fryslân de gevraagd ontheffing verleend.

M.e.r.-beoordelingsbesluit

De voorgenomen activiteit valt onder categorie 18.1 van de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Het bevoegd gezag moet bepalen of de activiteit daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Op grond van de Wm heeft de aanvrager de voorgenomen activiteit op 11 mei 2021 bij ons aangemeld door middel van een aanmeldnotitie (Wm, artikel 7.16). Daarop hebben wij op 29 juni 2021 het besluit, kenmerk 20201-FUMO-0041141, genomen dat voor deze voorgenomen activiteit geen milieueffectrapport opgesteld hoeft te worden. Dit besluit hebben wij op 3 juli 2021 bekend gemaakt. Dit besluit is bij de aanvraag gevoegd.

2. TOETSINGSKADER MILIEU

Inleiding

De aanvraag heeft betrekking op een revisievergunning voor een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e juncto artikel 2.6 van de Wabo.

Toetsing revisie

Bij onze beslissing op de aanvraag hebben wij conform artikel 2.14, eerste lid, onder a, b en c van de Wabo:

  • de bestaande toestand van het milieu betrokken;

  • met het milieubeleidsplan rekening gehouden;

  • de beste beschikbare technieken in acht genomen.

In de onderstaande hoofdstukken lichten wij dit nader toe. Wij beperken ons tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed (kunnen) zijn.

Activiteitenbesluit

In het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) zijn voor een groot aantal activiteiten die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden, rechtstreeks werkende, algemene regels opgenomen.

De inrichting waarvoor vergunning is aangevraagd, is aangemerkt als een inrichting waarvoor vergunningplicht (type C inrichting) geldt.

Binnen het bedrijf vinden de volgende activiteiten plaats die vallen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit:

  • lozen van hemelwater (niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening);

  • het in werking hebben van verschillende stookinstallaties;

  • het in werking hebben van een natte koeltoren;

  • het in werking hebben van een tankstation;

  • wassen van voertuigen op een wasplaats;

  • opslag van stoffen in bovengrondse en ondergrondse tanks.

Er moet worden voldaan aan de volgende paragrafen uit het Activiteitenbesluit en de daarbij behorende Activiteitenregeling, voor zover deze betrekking hebben op de genoemde (deel)activiteiten:

Paragraaf 3.1.3 Lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening

Paragraaf 3.2.1 Het in werking hebben van een middelgrote stookinstallatie, gestookt op standaard brandstof

Paragraaf 3.2.5 In werking hebben van een natte koeltoren

Paragraaf 3.3.1 Afleveren van vloeibare brandstof of gecomprimeerd aardgas aan motorvoertuigen voor het wegverkeer of afleveren van vloeibare brandstof aan spoorvoertuigen

Paragraaf 3.3.2 Het uitwendig wassen en stallen van motorvoertuigen, werktuigen of spoorvoertuigen

Paragraaf 3.4.2 Opslaan in ondergrondse opslagtanks van vloeibare brandstof, afgewerkte olie, bepaalde organische oplosmiddelen of vloeibare bodembedreigende stoffen die geen gevaarlijke stoffen of CMR stoffen zijn

Paragraaf 3.4.3 Opslaan en overslaan van goederen

Paragraaf 3.4.9 Opslaan van gasolie, smeerolie of afgewerkte olie in een bovengrondse opslagtank.

Voor het overige is per hoofdstuk of afdeling aangegeven of deze op een type C inrichting van toepassing is. Dit betekent dat ook hoofdstuk 1, afdeling 2.1 tot en met 2.4, 2.10 en 2.11 van hoofdstuk 2 en de overgangsbepalingen uit hoofdstuk 6 van het Activiteitenbesluit van toepassing kunnen zijn. Van belang voor deze vergunning is, of de inrichting ook voor de activiteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen voldoet aan de beste beschikbare technieken. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf.

Maatwerkvoorschrift

Wij hebben op verzoek van Omrin op 26 augustus 2015 (kenmerk 2015-FUMO-00211369) een maatwerkvoorschrift gesteld. In afwijking van artikel 2.9 van het Activiteitenbesluit kan voor de afvalwaterzuivering in de MBR-installatie met bijbehorende opslag van afvalwater een aanvaardbaar bodemrisico gerealiseerd worden. De bodembeschermende voorzieningen en maatregelen moeten worden uitgevoerd overeenkomstig het bij het maatwerkbesluit behorende plan van aanpak.

De voorschriften voor het onderdeel milieu die in deze vergunning zijn opgenomen, betreffen aspecten en activiteiten die niet zijn geregeld in het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling.

Beste beschikbare technieken

Toetsingskader

In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast.

Bij het opstellen van de omgevingsvergunning milieu moet rekening worden gehouden met de BBT-conclusies. De Europese Commissie stelt de BBT-conclusies op en maakt deze bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

BBT-conclusies is een document met de conclusies over beste beschikbare technieken, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, lid 5 en 7 van de Rie.

Het verschil tussen artikel 13, lid 5 en lid 7 van de Rie is:

  • BBT-conclusies overeenkomstig artikel 13, lid 5 heeft de Europese Commissie vastgesteld na 6 januari 2011. Dit op basis van artikel 75, lid 2 van de Rie.

  • BBT-conclusies overeenkomstig artikel 13, lid 7 is het hoofdstuk Best available techniques (BAT) uit de BREF's. De Europese commissie heeft deze BREF's vastgesteld vóór 6 januari 2011. Dit hoofdstuk geldt als BBT-conclusies totdat de Europese Commissie voor die activiteit nieuwe BBT-conclusies vaststelt.

Concrete bepaling beste beschikbare technieken

Binnen de inrichting worden één of meer van de activiteiten uit bijlage 1 van de Rie uitgevoerd en wel de volgende:

  • Categorie 5.3: Nuttige toepassing, of een combinatie van nuttige toepassing en verwijdering, van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 75 t per dag, door middel van een of meer van de volgende activiteiten, met uitzondering van activiteiten die onder Richtlijn 91/271/EEG inzake de behandeling van stedelijk afvalwater vallen.

    • I.

      biologische behandeling;

    • II.

      voorbehandeling van afval voor verbranding of meeverbranding;

    • III

      behandeling van slakken en as;

    • IV

      behandeling in shredders van metaalafval, met inbegrip van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur.

  • Categorie 5.4: Stortplaatsen als gedefinieerd in artikel 2, onder g) van Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen, die meer dan 10 ton afval per dag ontvangen of een totale capaciteit van meer dan 25.000 ton hebben, met uitzondering van stortplaatsen voor inerte afvalstoffen.

Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofactiviteit en aan andere relevante BBT-conclusies.

Op grond van artikel 9.2 van de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor) moet voor het bepalen van BBT binnen de inrichting aanvullend een toetsing plaatsvinden aan relevante aangewezen informatiedocumenten over BBT.

Uit jurisprudentie is gebleken dat het bevoegd gezag bij het toetsen aan BBT-conclusies de ontwikkelingen van BBT moet nagaan die sinds het vaststellen van de BBT-conclusies hebben plaatsgevonden. Bronnen voor ontwikkelingen over BBT zijn onder andere de concepten van herziene BREF’s.

Bij het bepalen van de BBT hebben we rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde BBT-conclusies:

  • BREF Afvalbehandeling;

  • BREF Op- en overslag bulkgoederen;

  • BREF Energie efficiëntie.

Bij het bepalen van de BBT hebben wij rekening gehouden met de volgende informatiedocumenten over BBT, zoals aangewezen in de bijlage van de Mor:

  • Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB 2012);

  • PGS 15 Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen ( september 2016);

  • PGS 25 Aardgas-afleverinstallaties voor motorvoertuigen (december 2012);

  • PGS 30 Vloeibare brandstoffen – bovengrondse tankinstallaties en afleverinstallaties (december 2011);

  • PGS 31 Overige gevaarlijke vloeistoffen: opslag in ondergrondse en bovengrondse tankinstallaties (oktober 2018).

  • Handreiking methaanreductie stortplaatsen.

Verder hebben wij bij het bepalen van de BBT rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde specifieke literatuur:

  • Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen;

  • LAP3.

Voor stortplaatsen is geen BREF beschikbaar. De eisen aan stortplaatsen uit de Richtlijn Storten van Afvalstoffen (Richtlijn 1999/31/EG) kunnen als BBT beschouwd worden. De Richtlijn storten is in 2001 verwerkt in de Nederlandse regelgeving voor stortplaatsen in onder meer:

  • het Stortbesluit bodembescherming en de bijbehorende uitvoeringsregeling en

  • het Besluit stortplaatsen en stortverboden;

Bij het beoordelen van de aanvraag hebben we rekening gehouden met de eisen die volgens die richtlijn zijn gesteld.

Wij hebben verder rekening gehouden met de Handreiking methaanreductie stortplaatsen van april 2007 (rwsleefomgeving.nl), zoals aangewezen in de bijlage van de Regeling omgevingsrecht (Mor).

De regels in de Richtlijn Industriële Emissies zijn gericht op het voorkomen van emissies. De emissies van gestort afval, zowel naar de bodem als naar de lucht, zijn laag in Nederland. Dit komt door de eisen aan de onderafdichting en de bovenafdichting van stortplaatsen en door de samenstelling van het afval dat nu gestort wordt. Vrijkomend stortgas wordt gecontroleerd aan stortvakken onttrokken.

Conclusies BBT

De inrichting voldoet - met inachtneming van de bij deze vergunning behorende voorschriften - aan BBT. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf.

Wij zijn van oordeel dat de ingediende gegevens voldoende informatie bevatten voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. Het toetsdocument waarin staat hoe invulling is gegeven aan de BBT, laten wij daarom onderdeel uitmaken van deze omgevingsvergunning.

AFVALSTOFFEN

Algemeen

Het beleid met betrekking tot afvalverwerking is gericht op het doelmatig beheer van afvalstoffen, zoals gedefinieerd in artikel 1.1 van de Wm. In dat kader houden wij rekening met het geldende afvalbeheersplan (het Landelijk Afvalbeheerplan 2017-2029, hierna aangeduid als het LAP) waaronder begrepen deel E (minimumstandaard per specifieke afvalstroom). De doelstellingen van het LAP geven invulling aan de prioriteitsvolgorde in de afvalhiërarchie zoals die in artikel 10.4 van de Wm is opgenomen:

  • a.

    preventie;

  • b.

    voorbereiding voor hergebruik;

  • c.

    recycling;

  • d.

    andere nuttige toepassing, waaronder energieterugwinning;

  • e.

    veilige verwijdering.

De minimumstandaard geeft de minimale hoogwaardigheid aan van de verwerking van een bepaalde afvalstof of categorie van afvalstoffen. Deze minimumstandaard is bedoeld om te voorkomen dat afvalstoffen laagwaardiger worden verwerkt dan wenselijk is. Als de minimumstandaard bestaat uit verschillende verwerkingshandelingen bij diverse inrichtingen, kan voor de afzonderlijke verwerkingsstappen een vergunning worden verleend, mits de totale verwerking voldoet aan de minimumstandaard. In een aantal sectorplannen is vermeld dat het opnemen van sturingsvoorschriften dan noodzakelijk is.

Preventie

Preventie van afval is een van de hoofddoelstellingen van het afvalstoffenbeleid. In deel B2 van het Landelijk Afvalbeheerplan 2017-2029, hierna aangeduid als het LAP, is het beleid uitgewerkt voor afvalpreventie. In Nederland is een separaat afvalpreventieprogramma vastgesteld. De uitwerking van preventie-activiteiten vindt voornamelijk plaats via het programma Van Afval Naar Grondstof (VANG) en is inmiddels voortgezet in de vorm van het Rijksbrede programma Circulaire Economie.

In alle bedrijfsprocessen kunnen mogelijkheden bestaan om het ontstaan van afvalstoffen en het

- directe of indirecte - gebruik van grondstoffen terug te dringen of de bestaande grondstoffen te vervangen door duurzame alternatieven. Zowel het beperken van de hoeveelheid afvalstoffen als het terugdringen van de hoeveelheid grondstoffen levert direct een financiële besparing op.

Uitgangspunt voor alle bedrijven is dat het ontstaan van afval moet worden voorkomen of beperkt.

Ecopark De Wierde is een inrichting waar de opslag en be- en verwerking van afval centraal staat.

Gezien de uitgevoerde activiteiten op Ecopark De Wierde concluderen wij dat preventie niet relevant is. Wij verwachten niet dat preventie leidt tot veel minder afval. Wij hebben daarom in deze vergunning verder geen aandacht besteed aan de preventie van afvalstoffen.

Afvalscheiding

In bijlage 11 van de Activiteitenregeling zijn verschillende categorieën van gevaarlijke en niet-gevaarlijke afvalstoffen vastgelegd die niet met elkaar, met andere afvalstoffen of met niet afvalstoffen mogen worden gemengd. Deze categorieën moeten dus gescheiden gehouden worden. Voor de overwegingen met betrekking tot het gescheiden houden/niet mengen van deze categorieën van afvalstoffen wordt verwezen naar de paragraaf ‘mengen’.

Categorieën van gevaarlijke afvalstoffen mogen op grond van artikel 10.54a van de Wet milieubeheer niet worden gemengd met elkaar, met andere afvalstoffen of met niet afvalstoffen. Hiervan kan alleen worden afgeweken wanneer dat in een omgevingsvergunning is vastgelegd.

Mengen van afvalstoffen ontstaan binnen de inrichting

Met ingang van 1 juli 2019 is artikel 2.12 van het Activiteitenbesluit mede van toepassing verklaard op type C-inrichtingen. Hierdoor zijn voor dit type inrichtingen de algemene regels van het Activiteitenbesluit van toepassing op:

  • het mengen van gevaarlijk afval met andere afvalstoffen (gevaarlijk of ongevaarlijk) of met niet-afvalstoffen voorafgaand aan afvalstoffenbeheer;

  • het mengen van ongevaarlijke afvalstoffen die binnen de inrichting zijn ontstaan met andere categorieën van afvalstoffen;

  • het mengen van ongevaarlijke afvalstoffen met andere ongevaarlijke afvalstoffen tijdens afvalstoffenbeheer.

Op het mengen van afvalstoffen is ook bijlage 11 van de Activiteitenregeling van toepassing.

Op het mengen van afvalstoffen ontstaan binnen de inrichting zijn de algemene regels uit het Activiteitenbesluit en daarbij horende regeling van toepassing. Afwijken van de in het Activiteitenbesluit opgenomen mengverboden kan alleen worden toegestaan voor het mengen van niet-gevaarlijke afvalstoffen, indien het gescheiden houden en gescheiden afgeven redelijkerwijs niet gevergd kan worden. Het beleid zoals opgenomen in de delen B3 (afvalscheiding) en B7 (mengen) van het LAP is hiervoor als toetsingskader gebruikt.

Acceptatie en/of verwerking van afvalstoffen

BBT-conclusies afvalbehandeling

Op 10 augustus 2018 is het document met BBT-conclusies voor afvalbehandeling vastgesteld. Veel BBT-conclusies voor afvalbehandeling hebben betrekking op emissies naar water en lucht (stof en geur), alsmede op geluid en trillingen.

Voor zover een BBT-conclusie betrekking heeft op emissies naar de lucht, de bodem, het water, geluidemissies en/of trillingen, wordt voor de overwegingen verwezen naar de desbetreffende paragraaf.

Bij het bepalen van de BBT specifiek voor de acceptatie en/of verwerking van afvalstoffen, hebben we rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde BBT-conclusies voor afvalbehandeling:

Algemene BBT-conclusies:

  • BBT 2;

  • BBT 5.

Tabel 1 Installatiespecifieke BBT-conclusies

Installatie

Van toepassing zijnde BBT-conclusies

Vergistingsinstallatie (monitoring afval)

BBT 38

De aangevraagde acceptatie en/of verwerking van afvalstoffen voldoet aan de hierboven genoemde BBT-conclusies.

Voor de acceptatie van afvalstoffen is een Acceptatie- en verwerkingsbeleid opgesteld en ingevoerd. Ook beschikt Omrin over een milieukwaliteitssysteem waarin de procedures voor de overbrenging van afval zijn vastgelegd.

Toetsing van de aangevraagde afvalactiviteiten

Uitsluitend opslaan van afvalstoffen

In het LAP is aangegeven dat voor het uitsluitend opslaan van afvalstoffen in beginsel een vergunning kan worden verleend. Drie afvalstromen worden hiervan uitgezonderd, te weten:

  • Afvalmunitie, vuurwerkafval en overig explosief afval;

  • Dierlijke bijproducten;

  • Brandbaar afval in afwachting van verwerking in een AVI (dit is alleen toegestaan binnen de inrichting van de afvalverbrandingsinstallatie of op een stortplaats).

Als gevolg van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen wordt de opslag van afvalstoffen voorafgaand aan verwijdering gezien als storten, indien de tijdsduur van één jaar wordt overschreden. Indien de opslag voorafgaat aan nuttige toepassing van de afvalstoffen, is deze termijn drie jaar. Het is niet de bedoeling om voor of na afloop van de genoemde termijnen afvalstoffen weer langdurig in opslag te nemen binnen een andere inrichting. Na benutting van deze termijnen moet het afval worden afgevoerd naar een verwerker.

Uit de aanvraag blijkt dat de volgende afvalstoffen binnen de inrichting worden opgeslagen:

  • partijen grond en puin in afwachting van keuring;

  • afgedankte Elektrische en Elektronische Apparatuur (AEEA);

  • bouw- en sloopafval en grof huishoudelijk afval;

  • brandbaar afval en kunststoffen;

  • gft;

  • papier en karton;

  • glas;

  • vlakglas;

  • gips;

  • hout;

  • gemengd tapijt;

  • autobanden;

  • snoeiafval;

  • houtsnippers;

  • dakleer.

Voor het opslaan van deze afvalstoffen beschikt de aanvrager over de benodigde voorzieningen.

Voor de opslagtermijn van deze afvalstoffen is maximaal drie jaar bij een vorm van nuttige toepassing en één jaar in geval van verwijdering in de aanvraag opgenomen.

Binnen de inrichting wordt brandbaar afval opgeslagen dat in afwachting is van afvoer naar een AVI. Dit is toegestaan omdat het hier een stortplaats betreft.

Voor het opslaan van de hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend, omdat deze afvalstromen verder niet behoren tot de in het LAP genoemde uitzonderingen. In de vergunning is vastgelegd dat de termijn van opslag voorafgaand aan verwijdering maximaal 1 jaar is en de termijn van opslag voorafgaand aan nuttige toepassing maximaal 3 jaar.

Mengen niet gevaarlijke afvalstoffen

Categorieën van gevaarlijke afvalstoffen mogen op grond van artikel 10.54a van de Wet milieubeheer niet worden gemengd met elkaar, met andere afvalstoffen of met niet afvalstoffen. Hiervan kan alleen worden afgeweken wanneer dat in een omgevingsvergunning is vastgelegd.

Mengen van afvalstoffen ontstaan binnen de inrichting

Afvalstoffen moeten na het ontstaan gescheiden worden gehouden van andere afvalstoffen. Door gescheiden houden van afvalstoffen kan het afvalbeheer op een veilige manier gebeuren en kan er zoveel mogelijk gerecycled worden. Ook is het is ongewenst wanneer in afval gecumuleerde milieugevaarlijke stoffen door wegmengen ongecontroleerd in het milieu verspreid raken. Bovendien is het ook ongewenst als bepaalde, in afval aanwezige zeer zorgwekkende stoffen door mengen in producten terechtkomen, waarbij ze op enig moment (in de gebruiksfase of de afvalfase) in het milieu verspreid kunnen worden.

Onder bepaalde condities kunnen verschillende afvalstromen echter net zo goed of soms zelfs beter gezamenlijk worden verwerkt. Het samenvoegen van qua aard, samenstelling en concentraties niet met elkaar vergelijkbare (verschillende ) afvalstoffen, alsmede het samenvoegen van afvalstoffen en niet-afvalstoffen, wordt mengen genoemd.

Mengen is niet toegestaan, tenzij dat expliciet en gespecificeerd is aangevraagd en vastgelegd in de vergunning.

In artikel 2.12, derde lid van het Activiteitenbesluit is een mengverbod opgenomen voor van buiten de inrichting afkomstige niet gevaarlijke afvalstoffen, met andere categorieën van afvalstoffen.

Met ingang van 1 juli 2019 is artikel 2.12 van het Activiteitenbesluit mede van toepassing verklaard op type C-inrichtingen. Hierdoor zijn ook voor deze inrichting de algemene regels van het Activiteitenbesluit van toepassing op:

  • het mengen van gevaarlijk afval met andere afvalstoffen (gevaarlijk of ongevaarlijk) of met niet-afvalstoffen voorafgaand aan afvalstoffenbeheer;

  • het mengen van ongevaarlijke afvalstoffen die binnen de inrichting zijn ontstaan met andere categorieën van afvalstoffen;

  • het mengen van ongevaarlijke afvalstoffen met andere ongevaarlijke afvalstoffen tijdens afvalstoffenbeheer.

Op het mengen van afvalstoffen is ook bijlage 11 van de Activiteitenregeling van toepassing.

Afwijken van de in het Activiteitenbesluit opgenomen mengverboden kan alleen worden toegestaan voor het mengen van niet-gevaarlijke afvalstoffen indien het gescheiden houden en gescheiden afgeven redelijkerwijs niet gevergd kan worden. Het beleid zoals opgenomen in de delen B3 (afvalscheiding) en B7 (mengen) van het LAP is hiervoor het toetsingskader.

In de aanvraag wordt verzocht in afwijking van de algemene regels uit het Activiteitenbesluit de volgende niet gevaarlijke afvalstoffen met elkaar te mengen:

  • RDF (euralcodes 191212 en 191210);

  • residu van GHA (euralcode 191212 );

  • met GHA-residu vergelijkbaar bedrijfsafval (euralcodes 191212 en 200301);

  • digestaat (euralcode 190604) en/of

  • ONF (euralcode 191212).

Genoemde afvalstoffen worden gemengd ten behoeve van afvoer naar een verbrandingsinstallatie.

Op basis van het gestelde in de aanvraag hebben wij de doelmatigheid van het mengen van deze niet gevaarlijke afvalstromen als volgt beoordeeld:

Bij de beoordeling is het beleid zoals opgenomen in de delen B3 (afvalscheiding) en B7 (mengen) van het LAP is als toetsingskader gebruikt.

De minimum standaard van de genoemde afvalstoffen betreft verbranden. Het mengen van de afvalstoffen vormt geen belemmering voor het verwerken van de betreffende afvalstoffen volgens de minimumstandaard of een techniek die ten minste even hoogwaardig is als de minimumstandaard.

Daarnaast zijn er geen andere redenen zoals milieubescherming of bescherming van de volksgezondheid, zoals arbo of veiligheid, waarom de afvalstoffen niet mogen worden gemengd.

De vergunning voor het mengen van de genoemde afvalstoffen kan worden verleend.

Gevaarlijke afvalstoffen

De gevaarlijk afvalstoffen die binnen de inrichting worden verwerkt of opgeslagen zijn alleen de afvalstoffen die gevaarlijk zijn op basis van de concentratie asbest of afgedankte elektrische en elektronische apparatuur

Verwerking

Verwerking: afvalstro(o)m(en) waarvoor in deel E van het LAP een sectorplan is opgenomen

Voor de onderhavige aanvraag zijn de volgende sectorplannen uit deel E van het LAP van toepassing:

  • Huishoudelijk restafval (inclusief grof) (sectorplan 1);

  • Restafval van bedrijven (sectorplan 2);

  • Procesafhankelijk industrieel afval (sectorplan 3);

  • Gescheiden ingezameld organisch bedrijfsafval (sectorplan 7);

  • Gescheiden ingezameld groenafval (sectorplan 8);

  • Afval van onderhoud van openbare ruimten (sectorplan 9);

  • Waterzuiveringsslib (sectorplan 16);

  • Reststoffen van drinkwaterbereiding (sectorplan 17);

  • AVI-bodemas (sectorplan 20);

  • AVI-vliegas (sectorplan 21);

  • Reststoffen van kolengestookte energiecentrales (sectorplan 23);

  • Reststoffen van energiewinning uit biomassa (sectorplan 24);

  • Actief kool (sectorplan 25);

  • Gemengd bouw- en sloopafval en gemengde fracties (sectorplan 28);

  • Steenachtig materiaal (sectorplan 29);

  • Gips (sectorplan 31);

  • Cellenbeton (sectorplan 32);

  • Dakafval (sectorplan 33);

  • Straalgrit (sectorplan 35);

  • Hout (sectorplan 36);

  • Asbest en asbesthoudende afvalstoffen (sectorplan 37);

  • Verontreinigde grond (sectorplan 39);

  • Baggerspecie (sectorplan 40);

  • Verpakkingen algemeen (sectorplan 41);

  • Afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (sectorplan 71)

  • Overige monostromen (tapijt) (sectorplan 84).

Huishoudelijk restafval (fijn en grof) (sectorplan 1)

In de aanvraag is voor huishoudelijk afval de volgende verwerkingsmethode beschreven:

Het bewerken van huishoudelijk afval (HHA) door middel van een scheidings- en vergistingsinstallatie. Het doel van de installatie is de maximale terugwinning van grondstoffen en groengas uit het huishoudelijk afval. De installatie is in een drietal processtappen in te delen, te weten:

  • 1.

    mechanische scheiding van het afval in een organische natte fractie (ONF), metalen, kunststoffen/drankenkartons en een brandbare restfractie;

  • 2.

    ONF-voorbehandeling en vergisten van het ONF;

  • 3.

    omzetting van biogas in groengas.

In de aanvraag wordt tevens aangegeven dat het residu grof huishoudelijk afval (GHA) wordt verwerkt. Een deel van het GHA-residu wordt geshredderd en vervolgens afgevoerd naar een verbrandingsinstallatie.

Het beleid voor huishoudelijk restafval is neergelegd in sectorplan 1 en is gericht op recycling van deelstromen. Voor de verwerking van het residu van (grof) huishoudelijk restafval heeft nuttige toepassing de voorkeur. Vanwege de heterogeniteit van huishoudelijk afval niet zijnde GHA is dat niet altijd mogelijk. Om die reden is de minimumstandaard 'verbranden als vorm van verwijdering'. Bij verbranden van huishoudelijk restafval in een AVI leidt de rookgasreiniging tot een minimale hoeveelheid reststoffen die wordt gestort. De overige reststoffen worden nuttig toegepast. Bovendien wordt bij het verbranden energie gewonnen.

Voor grof huishoudelijk restafval is het beleid primair gericht op verwerken ten behoeve van nuttige toepassing. Uitgangspunt is wel dat wordt voorkomen dat deelstromen of residuen na het verwerken worden gestort. De terugvaloptie voor deze residuen is verbranden als vorm van verwijdering. Storten

wordt niet toegestaan. Dit betekent dit dat de verwerking moet worden ingericht op het maximaliseren van hergebruik, met als beperking dat het residu ten minste verbrand moet kunnen blijven worden.

Fijn huishoudelijk restafval

De minimumstandaard voor fijn huishoudelijk restafval is verbranden als vorm van verwijdering. Sorteren, nascheiden of anderzins verwerken gericht op nuttige toepassing van (een deel van) het huishoudelijk afval is toegestaan, met als beperking dat het overblijvende residu nog minimaal verbrand moet kunnen worden. Voor de verwerking van de hierbij gevormde deelfracties / monostromen wordt verwezen naar de daarvoor geldende minimumstandaarden of het beleidskader.

Het gaat hier om het huishoudelijk restafval en de residuen die ontstaan bij het sorteren of anderszins verwerken van huishoudelijk restafval.

De in de aanvraag voor fijn huishoudelijk restafval beschreven verwerkingsmethode voldoet aan de minimumstandaard.

Grof huishoudelijk restafval (GHA-residu)

De minimumstandaard voor grof huishoudelijk restafval (de container 'overig' of 'rest' op de milieustraat) is verbranden als vorm van verwijdering.

De in de aanvraag voor grof huishoudelijk restafval beschreven verwerkingsmethode voldoet aan de minimumstandaard.

Deelstromen van grof huishoudelijk afval

De minimumstandaard voor deelstromen van grof huishoudelijk afval is sorteren of anderszins verwerken met als doel zoveel mogelijk monostromen af te scheiden die geschikt zijn voor recycling. De mate van recycling dient gelijkwaardig te zijn aan de situatie waarin de stromen wel meteen op de milieustraat gescheiden gehouden waren. De verwerking van de hierbij gevormde deelfracties / monostromen moet vervolgens voldoen aan de daarvoor geldende minimumstandaarden.

De in de aanvraag voor deelstromen van grof huishoudelijk afval beschreven verwerkingsmethode voldoet aan de minimumstandaard.

Gemengd grof huishoudelijk afval

Voor grof huishoudelijk restafval dat gemengd is aangeboden of bij inzameling niet naar soort gescheiden is gehouden, is de minimumstandaard verwerken met als doel zoveel mogelijk monostromen af te scheiden die geschikt zijn voor recycling, met als beperking dat het residu ten minste verbrand moet kunnen worden.

Verder moet worden voorkomen dat er afvoer plaatsvindt naar een laagwaardigere verwerking dan recycling, zoals verbranding en storten.

Binnen Ecopark De Wierde wordt deze gemengde stroom grof huishoudelijk afval niet verwerkt.

Sturingsvoorschrift

Wij hebben voor de verwerking van grof huishoudelijk afval een sturingsvoorschrift opgenomen in de vergunning. Het sturingsvoorschrift is opgenomen zodat de verwerking van grof huishoudelijk afval wordt ingericht op het maximaliseren voor hergebruik, met als beperking dat het residu ten minste nog verbrand moet kunnen worden.

Restafval van bedrijven (sectorplan 2)

Dit sectorplan heeft betrekking op restafval van bedrijven dat qua aard en samenstelling vergelijkbaar is met fijn huishoudelijk restafval.

In de aanvraag is voor het bewerken van handel-, diensten- en overheidsafval (HDO) de volgende verwerkingsmethode beschreven:

Het bewerken van handel-, diensten- en overheidsafval (HDO) door middel van een scheidings- en vergistingsinstallatie. Het doel van de installatie is de maximale terugwinning van grondstoffen en groengas uit het huishoudelijk afval.

De installatie is in een drietal processtappen in te delen, te weten:

  • 1.

    mechanische scheiding van het afval in een organische natte fractie (ONF), metalen, kunststoffen/drankenkartons en een brandbare restfractie;

  • 2.

    ONF-voorbehandeling en vergisten van het ONF;

  • 3.

    omzetting van biogas in groengas.

Het beleid voor restafval van bedrijven is neergelegd in sectorplan 2 en is gericht op nuttige toepassing van de deelstromen.

Voor de volgende afvalstoffen vallende onder de reikwijdte van dit sectorplan:

  • fijn restafval van niet industriële bedrijven;

  • niet procesafhankelijke fijn restafval van industriële bedrijven;

  • niet specifiek ziekenhuisafval;

is de minimumstandaard verbranden als vorm van verwijdering. Sorteren, nascheiden of anderszins verwerken gericht op nuttige toepassing van (een deel van) het restafval van bedrijven is toegestaan, met als beperking dat het overblijvende residu nog minimaal verbrand moet kunnen worden. Voor de verwerking van de hierbij gevormde deelfracties / monostromen wordt verwezen naar de daarvoor geldende minimumstandaarden.

Voor de volgende afvalstoffen vallende onder de reikwijdte van dit sectorplan:

  • overblijvend residu van het sorteren of anderszins verwerken van fijn restafval van bedrijven;

  • keukenafval en etensresten afkomstig van internationaal opererende vervoersmiddelen;

is de minimumstandaard verbranden als vorm van verwijdering.

De in de vergunningaanvraag beschreven verwerkingsmethode voor restafval van bedrijven voldoet aan de minimumstandaard.

Procesafhankelijk industrieel afval (sectorplan 3)

Procesafhankelijk industrieel afval van productieprocessen betreft zowel gevaarlijke als niet gevaarlijke afvalstoffen die vrijkomen bij industriële productieprocessen. De afvalstoffen zijn divers van samenstelling en omvang. Het gaat bij dit sectorplan om afvalstoffen die ontstaan in het productie- of verwerkingsproces. Voorbeelden van procesafhankelijk industrieel afval zijn (niet limitatief): afval van voedselproductie, glasafval, katalysatoren, mineraal afval, gebruikte chemicaliën en chemische baden, metaalzouten, residuen en sludges, filtermateriaal, snijafval, productierestanten, filterkoek, etc. Onder procesafhankelijk industrieel afval vallen ook partijen verpakt productieafval die in het afvalstadium zijn geraakt, mischarges en ‘over-de-datum’ producten die de beoogde afnemer nog niet hebben bereikt.

Uit de aanvraag blijkt dat binnen Ecopark De Wierde alleen de niet gevaarlijke afvalstoffen die vrijkomen bij industriële productieprocessen worden verwerkt. In de aanvraag zijn voor procesafhankelijk industrieel afval de volgende verwerkingsmethodes beschreven:

  • verwerking in de waterzuiveringsinstallatie;

  • verwerking in de scheidings- en vergistingsinstallatie;

  • verwerking houtfractie in de shredder (alleen A-hout);

  • verwerking steenfractie in de puinbreker.

Het beleid voor procesafhankelijk industrieel afval van productieprocessen is gericht op recycling.

De minimumstandaard voor Procesafhankelijk industrieel afval van productieprocessen is recycling.

Niet voor recycling geschikt procesafhankelijk industrieel afval van productieprocessen

Dit betreft procesafhankelijk industrieel afval waarvoor recycling, gezien de aard of samenstelling, technisch niet mogelijk is of waarvoor de recyclingroute zo duur is dat de kosten voor afgifte van deze partijen aan de poort van de verwerker door de ontdoener, meer zouden bedragen dan € 205,-/ton.

Hiervoor is de minimumstandaard:

  • verbranden als vorm van verwijdering voor afvalstoffen die niet gestort mogen worden volgens het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen, of

  • storten op een daarvoor geschikte stortplaats voor afvalstoffen die gestort mogen worden volgens het Besluit stortplaatsen en stortverboden.

‘Hoofdgebruik als brandstof’ als vorm van nuttige toepassing is alleen toegestaan binnen inrichtingen waarin emissiebeperking is gereguleerd in specifieke regelgeving en/of daarop gebaseerde vergunningen. Dit betekent dat afzet als en het verwerken tot (onderdeel van) brandstof voor motoren van voer- en vaartuigen, andere mobiele toepassingen of vormen van inzet buiten inrichtingen voor deze afvalstof niet is toegestaan. Om een dergelijke inzet buiten inrichtingen te voorkomen, is in deze vergunning een sturingsvoorschrift opgenomen.

De in de vergunningaanvraag beschreven verwerkingsmethode voor procesafhankelijk industrieel afval voldoet aan de minimumstandaard.

Gescheiden ingezameld organisch bedrijfsafval (sectorplan 7)

In de aanvraag is aangegeven dat biologisch afbreekbaar keuken- en kantineafval

wordt verwerkt in de scheidings- en vergistingsinstallatie.

Deze afvalstroom valt onder sectorplan 7. De minimumstandaard voor biologisch afbreekbaar keuken- en kantineafval is

  • composteren met het oog op recycling, of;

  • vergisten met gebruik van het gevormde biogas als brandstof gevolgd door narijping (nacompostering of een andere vorm van aerobe droging) met het oog op recycling van het digestaat.

De in de vergunningaanvraag beschreven verwerkingsmethode voor biologisch afbreekbaar keuken- en kantineafval voldoet niet geheel aan de minimumstandaard. Het digestaat uit de vergistingsinstallatie op Ecopark De Wierde wordt afgevoerd voor verbranding. Volgens de minimumstandaard moet het digestaat gerecycled worden.

Wij zullen daarom de vergunning voor het gedeelte dat betrekking heeft op het verwerken van biologisch afbreekbaar keuken- en kantineafval (euralcode 200108) in de scheidings- en vergistingsinstallatie weigeren.

Gescheiden ingezameld groenafval (sectorplan 8);

In de aanvraag is aangegeven dat biologisch afbreekbaar afval en spijsolie en -vetten wordt verwerkt in de scheidings- en vergistingsinstallatie of in de waterzuiveringsinstallatie.

Deze afvalstromen vallen onder sectorplan 8. De minimumstandaard voor biologisch afbreekbaar keuken- en kantineafval is recycling in de vorm van:

  • composteren met het oog op recycling als compost, of;

  • vergisten met gebruik van het gevormde biogas als brandstof gevolgd door narijping (nacompostering of een andere vorm van aerobe droging) met het oog op recycling van het digestaat.

De in de vergunningaanvraag beschreven verwerkingsmethode voor biologisch afbreekbaar afval voldoet niet geheel aan de minimumstandaard. Het digestaat uit de vergistingsinstallatie op Ecopark De Wierde wordt afgevoerd voor verbranding. Volgens de minimumstandaard moet het digestaat gerecycled worden.

Wij zullen daarom de vergunning voor het gedeelte dat betrekking heeft op het verwerken van biologisch afbreekbaar afval (euralcode 200201) en spijsolie en -vetten (euralcode 200125) in de scheidings- en vergistingsinstallatie weigeren.

Afval van onderhoud van openbare ruimten (sectorplan 9)

In de aanvraag is aangegeven dat veegvuil en riool-, kolken- en gemalenslib (RKG-slib) wordt verwerkt. Deze afvalstroom valt onder sectorplan 9.

Volgens de aanvraag wordt het materiaal ontwaterd (waarbij ook de eerste afbraak van verontreinigingen plaatsvindt) en gezeefd. De zeefoverloop wordt afgevoerd voor verbranding. De grondachtige partij wordt vervolgens gekeurd volgens het Besluit bodemkwaliteit en in opslag genomen als bouwstof (grond). Indien het materiaal niet voldoet, vindt er verdere bewerking plaats door middel van omzetten van de partij of de partij wordt afgevoerd naar een derde, zoals een extractieve reiniger. Middels biologische afbraak c.q. wassing (extern) kunnen de gehalten van de

verontreinigingen weer voldoen aan de eisen van het Besluit bodemkwaliteit. Het bewerkte

materiaal kan na goedkeuring in zowel werken binnen als buiten Ecopark De Wierde worden

hergebruikt.

Het beleid voor veegvuil en RKG-slib is neergelegd in sectorplan 9 (Afval van openbare ruimten) en is gericht op nuttige toepassing als grond van de inerte fractie. Nuttige toepassing van de restfractie verdient de voorkeur, maar is vanwege de heterogeniteit van deze stroom niet altijd mogelijk. Om die reden is de minimumstandaard 'verbranden als vorm van verwijdering'. Bij verbranden van de restfractie in een AVI leidt de rookgasreiniging tot een minimale hoeveelheid reststoffen die wordt gestort. De overige reststoffen van verbranding worden nuttig toegepast. Bovendien wordt bij het verbranden energie gewonnen.

  • De minimumstandaard voor veegvuil (dat voldoet aan de maximale waarden voor kwaliteitsklasse industrie als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit) is afscheiden van de inerte fractie en vervolgens:

    • o

      verwerking conform de minimumstandaard van sectorplan 39 “grond”;

    • o

      de restfractie die overblijft na afscheiden van de inerte fractie moet worden verwijderd door verbranden. Verwerkingsvormen waarbij deelstromen of residuen worden gestort, zijn niet toegestaan.

  • De minimumstandaard voor het overige veegvuil van machinaal vegen van overige openbare ruimten en RKG-slib is verwerking conform de minimumstandaard van sectorplan 39 “grond”.

De in de vergunningaanvraag beschreven verwerkingsmethode voor veegvuil en RKG-slib voldoet aan de minimumstandaard.

Waterzuiveringsslib (sectorplan 16)

In de aanvraag is aangegeven dat waterzuiveringsslib wordt verwerkt in de scheidings- en vergistingsinstallatie.

Het beleid voor waterzuiveringsslib is neergelegd in sectorplan 16. 

Waterzuiveringsslib, niet zijnde slibben van afvalwaterzuivering uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie

Voor waterzuiveringsslib, niet zijnde slibben van afvalwaterzuivering uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie, zijn de volgende verwerkingsmethoden toegestaan:

  • Thermisch verwerken, al dan niet na voordrogen, leidend tot oxidatie van het organisch materiaal. Voorbeelden hiervan zijn:

    • verbranding in verschillende typen installaties (slibverbrandingsinstallatie (SVI), cementoven, energiecentrale of AVI), al dan niet in combinatie met biologische dan wel thermische voordroging;

    • vergassen gevolgd door nuttige toepassing van het verkregen gas.

  • Inzet als hulpstof in Hydrostab voor toepassing op een stortplaats.

  • Terugwinnen van stoffen uit het slib (bijv. fosfaat, bioplastic, alginaat, etc.) met de kanttekening dat het residu dat overblijft na terugwinning niet mag worden gestort.

De volgende verwerkingsvormen zijn nadrukkelijk niet toegestaan:

  • Natte oxidatie en pyrometallurgisch smelten;

  • Drogen of anderszins verwerken voorafgaand aan storten.

De in de aanvraag beschreven verwerking van waterzuiveringsslib, niet zijnde slibben van afvalwaterzuivering uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie, in de vergistingsinstallatie voldoet aan de minimumstandaard.

Slib van de biologische zuivering van afvalwater uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie

Voor slibben afkomstig van de biologische zuivering van afvalwater uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie is de minimumstandaard recycling (bijvoorbeeld toepassing als meststof al dan niet na biologisch drogen [composteren of vergisten]).

Inzet als hulpstof in Hydrostab voor toepassing op een stortplaats is eveneens toegestaan. Voor slibben waarvoor recycling technisch niet mogelijk is of waarvoor de kosten voor afgifte van deze partijen aan de poort van de verwerker door de ontdoener meer zouden bedragen dan € 205,-/ton, is de minimumstandaard ‘verbranden als vorm van verwijdering’.

Bij de vergisting binnen Ecopark De Wierde wordt het digestaat afgevoerd voor verbranding.

Om slibben uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie te mogen verwerken in de vergistingsinstallatie, moet de ontdoener aantonen dat recycling technisch niet mogelijk is of dat de kosten voor afgifte van deze partijen aan de poort van de verwerker door de ontdoener meer zouden bedragen dan € 205,-/ton.

In het bij de aanvraag gevoegde Acceptatie- en Verwerkingsbeleid is niet specifiek ingegaan op dit acceptatiecriterium. Wij hebben hiervoor een voorschrift opgenomen in de vergunning. Het voorschrift is opgenomen zodat de verwerking van slibben uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie in de vergistingsinstallatie alleen mag plaatvinden als de ontdoener heeft aangetoond dat recycling technisch niet mogelijk is of dat de kosten voor afgifte van deze partijen aan de poort van de verwerker door de ontdoener meer zouden bedragen dan € 205,-/ton.

Reststoffen van drinkwaterbereiding (sectorplan 17)

In de aanvraag is aangegeven dat waterzuiveringsslib (waterzuiveringsslib, onthardingsslib en niet elders genoemd afval, zijnde organische reststromen) wordt verwerkt in de scheidings- en vergistingsinstallatie.

Het beleid voor reststoffen van drinkwaterbereiding is neergelegd in sectorplan 17.

  • a.

    Reststoffen van drinkwaterbereiding

De minimumstandaard voor reststoffen van drinkwaterbereiding is recycling:

  • Gebruik als hulpstof bij de productie van meststoffen (bijvoorbeeld om het gehalte aan zwavelwaterstof beneden schadelijke niveaus te houden), of in een rioolwaterzuivering (voor bijvoorbeeld fosfaatbinding of zwavelbinding [stankbestrijding]), in beide gevallen voor zover de arseenconcentratie kleiner of gelijk is aan 150 mg/kg droge stof en de van toepassing zijnde wet- en regelgeving dit toestaat;

  • Recycling tot een bouwstof voor zover dit is toegestaan binnen de randvoorwaarden van het Besluit bodemkwaliteit en met inachtneming van het algemene beleid voor het vergunnen van menghandelingen (hoofdstuk D.4 beleidskader) en in het bijzonder mengen t.b.v. de productie van een bouwstof (§ D.4.4.5 beleidskader);

  • Andere vormen van recycling, voor zover de arseenconcentratie kleiner of gelijk is aan 500 mg/kg droge stof en de van toepassing zijnde wet- en regelgeving dit toestaat. De genoemde grens van 500 mg/kg droge stof mag niet door mengen van partijen worden bereikt.

  • b.

    Reststoffen van drinkwaterbereiding die niet geschikt zijn voor verwerking volgens a

De minimum standaard voor deze reststoffen is storten op een daarvoor geschikte stortplaats.

De verwerking van de reststoffen van drinkwaterbereiding als hulpstof in de vergistingsinstallatie voldoet aan de minimum standaard voor verwerking. De reststoffen die niet geschikt zijn voor verwerking mogen worden gestort op de stortplaats.

AVI-bodemas (sectorplan 20)

In de aanvraag is beschreven dat AVI-bodemas binnen de inrichting kan worden gestort.

Het beleid voor AVI-bodemas is neergelegd in sectorplan 20.

De minimumstandaard voor AVI-bodemas is recycling door opwerken van AVI-bodemas conform de bepalingen van de Green Deal AVI-bodemas en waarbij aan de volgende voorwaarden

(cumulatief) is voldaan:

  • 1.

    Maximale afscheiding van ferro- en non-ferro metalen t.b.v. recycling;

  • 2.

    Maximaal 15% (gewichtspercentage droge stof) van de bij een AVI vrijkomende bodemas (incl. metalen) mag als residu van het opwerkingsproces worden gestort, zie daarvoor b;

  • 3.

    Minimaal 50% van de bij de AVI vrijkomende bodemas (betrokken op de hoeveelheid na afscheiding van metalen) wordt nuttig toegepast buiten IBC-toepassingen.

Ook is recycling toegestaan, waarbij in ieder geval ook maximale afscheiding van ferro- en non-ferro metalen plaatsvind ten behoeve van recycling.

De minimumstandaard voor het residu van het ‘opwerkingsproces’ conform de bepalingen van de Green Deal, is storten op een daarvoor geschikte stortplaats. Nuttige toepassing is nadrukkelijk niet toegestaan, ook niet in combinatie met immobilisatie.

Het in de aanvraag beschreven storten van AVI-bodemas is alleen toegestaan voor het residu van het verwerkingsproces. Het AV-beleid moet op dit punt worden aangevuld. Hiervoor hebben we een voorschrift opgenomen. Binnen de stortplaats kan AVI-bodemas na afscheiding van metalen nuttig worden toegepast.

Met de bovengenoemde aanvulling voldoet de in de aanvraag beschreven bewerking van AVI-bodemas aan de minimumstandaard.

AVI-vliegas (sectorplan 21)

In de aanvraag is beschreven dat AVI-vliegas binnen de inrichting kan worden gestort.

De minimumstandaard voor verwerking van AVI-vliegas is storten, al dan niet na koude-immobilisatie, op een daarvoor geschikte stortplaats.

De in de aanvraag beschreven bewerking van AVI-vliegas voldoet aan de minimumstandaard.

Reststoffen van kolengestookte energiecentrales (sectorplan 23)

In de aanvraag is beschreven dat reststoffen van kolengestookte energiecentrales binnen de inrichting worden verwerkt binnen de stortplaats..

De minimumstandaard voor verwerking van de reststoffen van kolengestookte energiecentrales is recycling, met inachtneming van:

  • het algemene beleid voor het vergunnen van menghandelingen (hoofdstuk D.4 beleidskader) en in het bijzonder mengen t.b.v. de productie van een bouwstof (§ D.4.4.5 beleidskader) en/of

  • de voorwaarden voor gebruik in ‘noodzakelijke voorzieningen op stortplaatsen’ (hoofdstuk B.12, § B.12.9.2 beleidskader).

Om te voldoen aan de minimumstandaard mogen de reststoffen alleen binnen de stortplaats nuttig worden toegepast.

Reststoffen van energiewinning uit biomassa (sectorplan 24)

In de aanvraag is beschreven dat reststoffen van energiewinning uit biomassa binnen de inrichting kunnen worden gestort.

De minimumstandaard voor verwerking van reststoffen van energiewinning uit biomassa is storten, al dan niet na koude-immobilisatie, op een daarvoor geschikte stortplaats. 

Wanneer recycling als meststof mogelijk is volgens het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet of wanneer (eerst) het fosfaat kan worden teruggewonnen, dan hebben dergelijke verwerkingsvormen de voorkeur.

De in de aanvraag beschreven bewerking van reststoffen van energiewinning uit biomassa voldoet aan de minimumstandaard.

Actief kool (sectorplan 25);

In de aanvraag is beschreven dat Actief kool binnen de inrichting kan worden gestort.

In sectorplan 25 is het beleid voor actief kool beschreven. Alleen voor actief kool met veel onbrandbare verontreinigingen waarbij verbranden leidt tot diffuse verspreiding hiervan of tot belasting van nieuw actief kool, is de minimumstandaard voor verwerking storten.

Voor actief kool met veel onbrandbare verontreinigingen waarbij verbranden leidt tot diffuse verspreiding hiervan of tot belasting van nieuw actief kool, voldoet de beschrijving in de aanvraag aan de minimumstandaard.

Gemengd bouw- en sloopafval en gemengde fracties (sectorplan 28)

Gemengd bouw- en sloopafval: dit betreft gemengd bouw- en sloopafval aangeboden door bedrijven uit de bouw- en sloopsector, in samenstelling daarmee vergelijkbaar afval van bedrijven en particulier

gemengd verbouwingsafval (zijnde huishoudelijk restafval zoals dat ongescheiden vrijkomt bij bouwen, slopen of verbouwen door particuliere huishoudens).

Gemengde fracties: dit betreffen fracties die overblijven na sorteren of anderszins verwerken van bouw- en sloopafval, daarmee in samenstelling vergelijkbaar afval van bedrijven en particulier gemengd verbouwingsafval en mengsels van componenten als genoemd in artikel 4.1 van de Regeling Bouwbesluit 2012 die van de bouw- of slooplocatie als mengsel zijn afgevoerd met het oog op nascheiding.

Bouw- en sloopafval mag volgens de aanvraag alleen geaccepteerd worden voor verdere bewerking wanneer het gaat om een niet-verdachte locatie of om de niet-verontreinigde fractie van een verdachte locatie (bij selectieve sloop). In de aanvraag is beschreven dat de steen- en houtfractie (A-hout) uit bouw- en sloopafval wordt gebroken dan wel geshredderd.

De restfractie van bouw- en sloopafval wordt afgevoerd naar een verbrandingsinstallatie.

Er vindt geen bewerking van gemengd bouw- en sloopafval plaats.

De uit bouw- en sloopafval geproduceerde monostromen moeten worden verwerkt conform de daarvoor gelende minimumstandaarden.

Na het breken van de steenfractie worden eventuele verontreinigen verwijderd, zoals papier, glas en ferro-metalen.

De houtfractie wordt zo mogelijk eerst verkleind met een knipschaar en vervolgens geshredderd.

Verontreinigingen van metalen kunnen door sortering of magneten worden afgescheiden.

Het beleid voor bouw- en sloopafval is neergelegd in sectorplan 28.

Het uitgangspunt van het beleid is dat het gemengd bouw- en sloopafval gesorteerd wordt of anderszins verwerkt om zoveel mogelijk monostromen af te scheiden die geschikt zijn voor recycling. De minimumstandaard noemt de stromen die minimaal moeten worden afgescheiden. Verwerking van deze stromen moet vervolgens gebeuren volgens de minimumstandaarden die horen bij deze monostromen.

Voor de steenfractie is dat sectorplan 29.

Voor de houtfractie is dat sectorplan 36.

De minimumstandaard voor het sorteerresidu van gemengd bouw- en sloopafval en gemengde fracties, is verbranden als vorm van verwijdering. Dit geldt ook voor de gemengde fracties die niet geschikt zijn om te sorteren dan wel anderszins zijn te werken. Dit betreft gemengde fracties waarvoor sortering of verwerking gezien de aard en/of samenstelling niet mogelijk is, of waarvoor verwerking zo duur is dat de kosten voor afgifte door de producent/ontdoener meer zouden bedragen dan € 205,-/ton.

(Overig)Steenachtig materiaal (Sectorplan 29)

Onder dit sectorplan vallen de volgende afvalstoffen:

  • steenachtig materiaal: hieronder valt in hoofdzaak beton- en metselwerk, tegels, dakpannen, niet met teer of bitumen verkleefd dakgrind, stenen, steengruis, etc. wat ontstaat bij het bouwen, renoveren en slopen van gebouwen, bouwwerken en wegen (met uitzondering van asfalt). Ook vallen vormgegeven bouwstoffen/immobilisaten hieronder waarin in het verleden specifieke zeer zorgwekkende stoffen zijn verwerkt die op basis van huidige internationale wetgeving of de in het LAP opgenomen beleidslijn ZZS niet nuttig mogen worden toegepast (zie beleidskader hoofdstuk B.14 Zeer zorgwekkende stoffen);

  • steenachtige fracties: ontstaan bij scheidings- en sorteringsactiviteiten van gemengde afvalstoffen;

  • ballastgrind: gebruikt tussen spoorrails om de dwarsliggers op hun plek te houden;

  • steenachtig productieafval: bijvoorbeeld uit de betonproductie en de keramische industrie.

Binnen de inrichting word alleen PAK-arm steenachtig materiaal voor verwerking (breken) geaccepteerd. In de aanvraag is beschreven dat bij acceptatie van schoon puin minimaal een PAK-analyse is vereist.

De minimumstandaard voor PAK-arm steenachtig materiaal (gehalte aan PAK10 ≤ 50 mg/kg droge stof) is recycling, met inachtneming van:

  • het algemene beleid voor het vergunnen van menghandelingen (hoofdstuk D.4 beleidskader) en in het bijzonder mengen t.b.v. de productie van een bouwstof (§ D.4.4.5 beleidskader).

  • de voorwaarden voor gebruik in ‘noodzakelijke voorzieningen op stortplaatsen’ (hoofdstuk B.12, § B.12.9.2 beleidskader). De grenswaarde voor PAK10 mag niet door mengen van partijen worden bereikt.

De in de aanvraag beschreven bewerking van PAK-arm steenachtig materiaal voldoet aan de minimumstandaard.

Binnen de inrichting worden ook steenachtige afvalstoffen geaccepteerd voor verwerking op de stortplaats. Het gaat om:

  • met asbest verontreinigd steenachtig materiaal;

  • residu van extractief reinigen.

De minimumstandaard voor residu van extractief reinigen is storten op een daarvoor geschikte stortplaats. Nuttig toepassen van het residu zonder voorafgaande reiniging is nadrukkelijk niet toegestaan, ook niet in combinatie met immobilisatie. Uitzondering hierop betreft recycling (bijvoorbeeld metaalterugwinning) onder voorwaarde dat via de residuen geen diffuse verspreiding van de zware metalen plaatsvindt en de zware metalen ook niet worden verdeeld.

Verder worden steenachtige materialen toegepast als noodzakelijke voorziening op de stortplaats.

De voorwaarden voor dat gebruik staan in hoofdstuk B.12, § B.12.9.2 van het beleidskader.

Het materiaal moet in dit geval voldoen aan de kwaliteitseisen van het Besluit bodemkwaliteit (Bbk). Dit betekent onder meer dat het materiaal moet zijn voorzien van een geldige milieuhygiënische verklaring. Zonder een dergelijke verklaring is geen sprake van nuttige toepassing maar van storten.

De in de aanvraag beschreven bewerking van steenachtig materiaal voldoet aan de minimumstandaard.

Hout (sectorplan 36)

De minimumstandaard voor het be- en verwerken van A- en B-hout is nuttige toepassing.

Binnen de inrichting wordt alleen A-hout geshredderd.

De in de aanvraag beschreven bewerking van A-hout staat verdere verwerking volgens de minimumstandaard niet in de weg.

Verontreinigde houtstromen (met asbest verontreinigd) worden binnen de inrichting gestort. Dit is alleen toegestaan als er geen andere vorm van nuttige toepassing mogelijk is.

Gips, cellenbeton, dakafval, straalgrit (sectorplannen 31, 32, 33, en 35)

In de aanvraag is beschreven dat gips, cellenbeton, dakafval en straalgrit binnen de inrichting kan worden gestort.

gips

In sectorplan 31 is voor niet voor recycling geschikt gips (dit betreft gips waarvoor de recycling, gezien de aard of samenstelling, technisch niet mogelijk is of waarvoor de recyclingroute zo duur is dat de kosten voor afgifte van deze partijen aan de poort van de verwerker door de ontdoener meer zouden bedragen dan € 205,-/ton) de minimumstandaard storten op een daarvoor geschikte stortplaats.

cellenbeton

In sectorplan 31 is voor cellenbeton de minimumstandaard storten op een daarvoor geschikte stortplaats.

dakafval

In sectorplan 33 is aangegeven dat, in afwijking van de aangegeven minimumstandaard, storten alleen kan worden toegestaan voor een gemengde stroom ‘dakbedekking vreemd materiaal’ dat te veel voor AVI’s ongewenste componenten bevat. Voorwaarde is wel dat is aangetoond dat – rekening houdend met wat als best mogelijke technieken kan worden beschouwd en met bijbehorende kosten – het niet reëel is dat door verder sorteren het ontstaan van een te storten residu wordt voorkomen of significant verder wordt gereduceerd.

straalgrit

In sectorplan 35 is aangegeven dat uitsluitend straalgrit dat voldoet aan de bepalingen van de Regeling niet reinigbaar straalgrit, in afwijking van de minimumstandaard, mag worden gestort.

Het bovenstaande in acht genomen voldoet het storten van:

  • niet voor recycling geschikt gips;

  • cellenbeton;

  • gemengde stroom ‘dakbedekking vreemd materiaal’ van dakafval en

  • niet reinigbaar straalgrit

aan de minimumstandaard voor verwerking.

Asbest en asbesthoudende afvalstoffen (sectorplan 37)

Binnen de inrichting wordt asbesthoudend afval gestort.

De minimumstandaard voor asbest en asbesthoudend afval is storten op een daarvoor geschikte stortplaats.

Eveneens toegestaan is:

  • het vernietigen van asbestvezels door thermische of chemische technieken (het resterende materiaal valt vervolgens niet meer onder dit sectorplan);

  • het verwijderen van de asbestvezels uit asbesthoudend steenachtig materiaal tot beneden de restconcentratienorm (d.w.z. een concentratie van serpentijnasbest vermeerderd met tien maal de concentratie amfiboolasbest, van minder dan 100 milligram per kilogram droge stof);

    • het verwijderde asbesthoudend materiaal moet verder verwerkt worden volgens de minimumstandaard;

    • het overblijvende (niet meer asbesthoudend) materiaal valt niet meer onder dit sectorplan;

  • andere vormen van verwerking waarbij tijdens de verwerking alle asbestvezels worden vernietigd onder gelijktijdige nuttige toepassing van het resterende materiaal.

Als gevolg van bovenstaande is (andere) nuttige toepassing vanwege de aard en gevaareigenschappen niet toegestaan, ook niet in combinatie met immobilisatie.

Het storten van asbest voldoet aan de minimumstandaard voor verwerking.

Verontreinigde grond (sectorplan 39)

In de aanvraag is voor verontreinigde grond de volgende verwerkingsmethode beschreven:

binnen de inrichting vindt biologische grondreiniging plaats. Als voorbehandeling van het reinigen is het soms noodzakelijk de grond te zeven dan wel grove materialen te verwijderen. Biologische reiniging mag alleen plaatsvinden onder de BRL 7500. Het biologisch reinigen kan in de vorm van landfarming plaatsvinden en door het toevoegen van speciale entmaterialen aan de grond om zodoende een versnelling van het reinigingsproces te verkrijgen en/of een afbraak van moeilijker afbreekbare verontreinigingen.

Verder wordt grond ook toegepast als noodzakelijke voorziening op de stortplaats.

Het beleid voor verontreinigde grond is neergelegd in sectorplan 39.

grond algemeen

De algemene minimumstandaard voor het be- en verwerken van grond is nuttige toepassing volgens de normen die zijn vastgelegd in het Bbk voor het betreffende toepassingsgebied en met inachtneming van:

  • het algemene beleid voor menghandelingen (hoofdstuk D.4 beleidskader) en in het bijzonder mengen met/van grond en baggerspecie (§ D.4.4.6 beleidskader);

  • de voorwaarden voor gebruik in ‘noodzakelijke voorzieningen op stortplaatsen’ (hoofdstuk B.12, § B.12.9.2 beleidskader).

Reiniging of immobilisatie voorafgaand aan nuttige toepassing is toegestaan, met als restrictie dat geen grond mag worden gemengd ten behoeve van immobilisatie dan wel direct mag worden geïmmobiliseerd wanneer die één van de in bijlage B, tabel 1 van de Regeling bodemkwaliteit genoemde organische verontreinigingen bevat in een hoeveelheid van meer dan 120% van de referentiewaarde industrie.

Indien met een verklaring van niet-reinigbaarheid is aangetoond dat de grond niet tot minimaal de bodemkwaliteitsklasse industrie gereinigd kan worden en daarmee niet nuttig toepasbaar is, of door immobilisatie geschikt kan worden gemaakt voor nuttige toepassing, mag de grond worden gestort op een daarvoor geschikte stortplaats.

asbesthoudende grond

De minimumstandaard voor het be- en verwerken van asbesthoudende grond is het vernietigen van de asbestvezels dan wel het verwijderen van de asbestvezels tot beneden de restconcentratienorm van 100 milligram per kilogram droge stof voor serpentijnasbest, vermeerderd met tien maal de concentratie amfiboolasbest. Hierna moet de grond nuttig worden toegepast volgens de normen die zijn vastgelegd voor het toepassingsgebied.

Indien met een verklaring van niet-reinigbaarheid is aangetoond dat de grond ten minste voor asbest niet tot minimaal de bodemkwaliteitsklasse industrie gereinigd kan worden, mag de grond worden gestort op een daarvoor geschikte stortplaats

grondreinigingsresidu

De minimumstandaard voor grondreinigingsresidu is storten op een daarvoor geschikte stortplaats.

Het nuttig toepassen van het residu zonder voorafgaande reiniging is nadrukkelijk niet toegestaan, ook niet in combinatie met immobilisatie. Uitzondering hierop betreft recycling (bijvoorbeeld metaalterugwinning) onder voorwaarde dat via de residuen geen diffuse verspreiding van de zware metalen plaatsvindt en de zware metalen ook niet worden verdeeld over een substantieel groter volume. Indien het residu uitsluitend voor wat betreft de brandbare verontreinigingen niet toepasbaar

is als bedoeld in het Bbk, is thermisch reinigen ten behoeve van nuttige toepassing toegestaan.

Voor zover in een van de voorgaande gevallen sprake is van nuttige toepassing van gereinigde of geïmmobiliseerde grond in een noodzakelijke voorziening op een stortplaats, is hoofdstuk B.12, § B.12.9.2 van het beleidskader van het LAP van toepassing.

De in de vergunningaanvraag voor verontreinigde grond beschreven be- /verwerkingsmethoden, inclusief het storten van niet-reinigbare grond en grondreinigingsresidu, voldoen aan de minimumstandaard.

Baggerspecie (sectorplan 40)

In de aanvraag is beschreven dat er binnen de inrichting baggerspecie kan worden opgeslagen en ontwaterd. Eventuele verontreinigingen (stoorstoffen) kunnen worden verwijderd uit de baggerspecie. Niet reinigbare baggerspecie en bagger verontreinigd met asbest wordt binnen de inrichting gestort.

Verder wordt baggerspecie toegepast als noodzakelijke voorziening op de stortplaats.

Het beleid voor baggerspecie, al dan niet verontreinigd met diverse stoffen, is neergelegd in sectorplan 40.

Toepasbare baggerspecie

De minimumstandaard voor baggerspecie die direct kan worden toegepast conform het Besluit bodem kwaliteit (Bbk), is nuttige toepassing volgens de normen die zijn vastgelegd voor het betreffende toepassingsgebied volgens het Bbk en met inachtneming van:

  • het algemene beleid voor het vergunnen van menghandelingen (hoofdstuk D.4 beleidskader) en in het bijzonder mengen met/van grond en baggerspecie (§ D.4.4.6 beleidskader);

  • de voorwaarden voor gebruik in ‘noodzakelijke voorzieningen op stortplaatsen’ (§ hoofdstuk B.12, § B.12.9.2 beleidskader).

In afwijking van het voorgaande mag zoute baggerspecie worden gestort in een daarvoor geschikt baggerspeciedepot of op een daarvoor geschikte stortplaats, indien verspreiden in zout water

conform het Bbk niet mogelijk is.

Niet toepasbare baggerspecie

De minimumstandaard voor baggerspecie die niet direct kan worden toegepast conform het

Bbk, is storten in een daarvoor geschikt baggerspeciedepot of op een daarvoor geschikte stortplaats.

Reiniging en/of bewerking gericht op nuttige toepassing is alleen toegestaan wanneer de baggerspecie na verwerking voldoet aan de normen die zijn vastgelegd voor het betreffende toepassingsgebied en met inachtneming van:

  • het algemene beleid voor het vergunnen van menghandelingen (hoofdstuk D.4 beleidskader) en in het bijzonder mengen met/van grond en baggerspecie (§ D.4.4.6 beleidskader).

  • de voorwaarden voor gebruik in ‘noodzakelijke voorzieningen op stortplaatsen’ (hoofdstuk B.12, § B.12.9.2 beleidskader).

Reinigingsresidu vrijkomend bij reiniging van baggerspecie

De minimumstandaard voor reinigingsresidu vrijkomend bij reiniging van niet direct toepasbare baggerspecie, is storten op een daarvoor geschikte stortplaats. Nuttig toepassen van het residu door middel van immobilisatie is niet toegestaan. Uitzondering hierop betreft recycling (bijvoorbeeld

metaalterugwinning) onder voorwaarde dat via de residuen geen diffuse verspreiding van de zware metalen plaatsvindt en de zware metalen ook niet worden verdeeld over een substantieel groter

volume. Indien het residu uitsluitend voor wat betreft de brandbare verontreinigingen niet toepasbaar is als bedoeld in het Bbk, is thermisch reinigen ten behoeve van nuttige toepassing toegestaan.

De in de aanvraag voor baggerspecie beschreven verwerkingsmethode voldoet aan de minimumstandaard.

Verpakkingen algemeen (sectorplan 41)

Volgens de aanvraag is binnen de inrichting de kunststofsorteerinstallatie (KSI) aanwezig. Doel van de KSI is het verder sorteren van bron- en/of nagescheiden stromen, zoals PMD (plastic verpakkingen, metalen verpakkingen en drinkpakken), mix kunststoffen en drinkpakken. Door deze sortering worden de kunststoffen gereed en geschikt gemaakt voor nadere (nuttige) toepassing, zoals het recyclen daarvan. De installatie kan kunststoffen, metalen en drinkpakken sorteren in de volgende stromen: PET, PP, PE, folie, mix kunststoffen, drinkpakken, metalen en een sorteerrest/residu (RDF).

nagescheiden kunststofverpakkingsafval uit huishoudelijk restafval

Het beleid voor nagescheiden kunststofverpakkingsafval uit huishoudelijk restafval is neergelegd in sectorplan 1 (huishoudelijk restafval). Voor de verwerking van de bij de nascheiding gevormde deelfracties / monostromen wordt verwezen naar de daarvoor geldende minimumstandaarden. Voor het afgescheiden verpakkingsafval is dat sectorplan 41.

nagescheiden kunststofverpakkingsafval uit restafval van bedrijven

Het beleid voor nagescheiden kunststofverpakkingsafval uit restafval van bedrijven is neergelegd in sectorplan 2 (restafval van bedrijven). Voor de verwerking van de bij de nascheiding gevormde deelfracties / monostromen wordt verwezen naar de daarvoor geldende minimumstandaarden. Voor het afgescheiden verpakkingsafval is dat sectorplan 41.

brongescheiden kunststofverpakkingsafval (uit huishoudens en bedrijven

Het beleid voor brongescheiden kunststofverpakkingsafval (uit huishoudens en bedrijven) is neergelegd in sectorplan 41 (verpakkingen algemeen) en is gericht op recycling.

In sectorplan 41 is daartoe een minimumstandaard opgenomen. Voor verpakkingsafval is deze minimumstandaard recycling. Voor kunststofverpakkingsafval waarvoor recycling niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat het te sterk is verontreinigd of verkleefd is met andere materialen, is de minimumstandaard andere nuttige toepassing (bijvoorbeeld hoofdgebruik als brandstof).

De in de aanvraag beschreven be-/verwerkingsmethode voor het bron- en nagescheiden kunststofverpakkingsafval voldoet aan de minimumstandaard.

Afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (sectorplan 71)

In de aanvraag is beschreven dat afgedankte elektrische en elektronische appratuur (AEEA) binnen de inrichting slechts wordt gesorteerd. Glas van de verwerking van CRT-beeldbuizen kan worden gestort.

Het beleid voor AEEA is neergelegd in sectorplan 71.

De minimumstandaard voor het verwerken van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur is verwerken op een wijze waarop ten minste wordt voldaan aan het gestelde in artikel 11 van de Regeling Aeea.

Glas van CRT-beeldbuizen moet conform de minimum standaard gestort worden. Nuttige toepassing is uitsluitend toegestaan, indien het lood een technische functie heeft én geen sprake is van onaanvaardbare risico’s op blootstelling van mens en milieu aan lood. Hiervoor wordt getoetst aan hoofdstuk B.14, § B.14.4.3 van het beleidskader.

De minimumstandaard voor overige onderdelen en fracties die vrijkomen bij de verwerking van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, is het verwerken van de onderdelen en fracties conform de daarvoor geldende minimumstandaarden die zijn opgenomen in van toepassing zijnde sectorplannen. Voor zover onderdelen en fracties niet onder een sectorplan van het LAP vallen, moet verwerking worden getoetst aan de afvalhiërarchie, als bedoeld in hoofdstuk A.2, § A.4.2 van het beleidskader.

De aangevraagde sorteerwerkzaamheden omvatten niet de volledige minimumstandaard, maar zijn een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde sorteerwerkzaamheden een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staan, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.

Het storten van glas van de verwerking van CRT-beeldbuizen voldoet aan de minimumstandaard voor verwerking.

Monostroom tapijt (sectorplan 84)

In de aanvraag is voor tapijt aangegeven dat deze stroom kan worden geshredderd.

Het beleid voor tapijt is neergelegd in sectorplan 84 en is gericht op recycling. In sectorplan 84 is daartoe een minimumstandaard opgenomen. Voor tapijt is deze minimumstandaard nuttige toepassing. De in de aanvraag voor tapijt beschreven verwerkingsmethode voldoet aan de minimumstandaard.

Zodra voldoende recyclingcapaciteit beschikbaar is voor tapijt en er een voldoende grote afzetmarkt is, zal de minimumstandaard voor tapijt worden gespecificeerd naar recycling.

Storten

Eén van de activiteiten waar de aanvraag betrekking op heeft, is het storten van afvalstoffen.

Volgens het LAP3 is storten een basisvoorziening die goed geregeld moet zijn. Stortplaatsen vormen de laatste schakel in de afvalbeheerketen en zijn als zodanig de achtervang voor afvalstoffen die om wat voor reden dan ook niet op een hoogwaardiger wijze kunnen worden verwerkt. Voor die achtervang van afvalstoffen moet voldoende stortcapaciteit beschikbaar zijn. Omdat er in Nederland voorlopig nog voldoende stortcapaciteit beschikbaar is, is in het LAP3 vastgelegd dat er geen sprake kan zijn van uitbreiding van stortcapaciteit. In het capaciteitsplan (B.15.4.2 overzicht stortplaatsen) van het LAP blijkt dat de nu te vergunnen capaciteit is voorzien in het plan. Er vindt geen uitbreiding plaats van de al vergunde stortcapaciteit.

Stortverboden

Omdat storten wordt gezien als de minst gewenste vorm van afvalverwijdering, is het in Nederland niet toegestaan nuttig toepasbare of brandbare afvalstoffen te storten. Voor deze afvalstoffen gelden stortverboden die zijn opgenomen in het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen (Bssa).

Indien tijdelijk geen andere vorm van beheer dan storten mogelijk is, kan worden toegestaan dat een afvalstof die normaal gesproken anders wordt verwerkt, toch wordt gestort. Hiervoor moet in de omgevingsvergunning een voorschrift worden opgenomen dat bepaalde afvalstoffen waarvoor een stortverbod geldt, ook mogen worden gestort als het bevoegd gezag een ontheffing van het stortverbod heeft verleend. In deze gevallen mag het afval daarom in afwijking van de minimumstandaard wel gestort worden. Wij hebben in deze vergunning een voorschrift opgenomen dat dit mogelijk maakt.

A&V-beleid en AO/IC

Het acceptatie- en verwerkingsbeleid (A&V-beleid) en de administratieve organisatie en interne controle (AO/IC) spelen een rol bij het veilig stellen van een effectief en efficiënt beheer van afvalstoffen, respectievelijk het mogelijk maken van effectief toezicht op het afvalbeheer.

Om de risico’s van het verwerkingsproces te beheersen, moet een bedrijf dat zich met afvalbeheer bezighoudt beschrijven welke afvalstoffen worden geaccepteerd en waar nodig, welke afvalstoffen juist niet worden geaccepteerd (acceptatiebeleid) en welke afvalstoffen op welke manier binnen het bedrijf worden verwerkt (verwerkingsbeleid). Daarnaast moeten door technische, administratieve en organisatorische maatregelen de relevante processen binnen een bedrijf beheerst worden. Op deze wijze worden de milieuhygiënische en informatietechnische risico’s binnen de bedrijfsvoering geminimaliseerd. De omvang en de inhoud van de AO/IC is afhankelijk van de aard van de risico’s van het betreffende bedrijfsproces. De onderdelen die minimaal in het A&V-beleid en AO/IC moeten zijn beschreven, zijn vastgelegd in het LAP.

De minimale elementen voor het A&V-beleid en AO/IC vormen een kader en bevatten criteria op hoofdlijnen, waaraan de aanvraag inhoudelijk wordt getoetst.

Bedrijven moeten in het A&V-beleid ook uitwerken of en zo ja, welke afvalstoffen geaccepteerd worden die zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) kunnen bevatten. In het A&V-beleid moet worden uitgewerkt op welke wijze wordt beoordeeld of ZZS kunnen voorkomen in de afvalstoffen die geaccepteerd worden. Indien ZZS kunnen voorkomen, moet beschreven worden hoe de betreffende afvalstoffen worden verwerkt en hoe gewaarborgd is dat onaanvaardbare risico’s voor blootstelling van mens en milieu veroorzaakt door ZZS, worden voorkomen.

Bij de aanvraag is een beschrijving van het A&V-beleid en de AO/IC gevoegd. Daarin is per afvalstof aangegeven op welke wijze acceptatie en verwerking plaats zullen vinden. Hierbij is rekening gehouden met de specifieke bedrijfssituatie. Het beschreven A&V-beleid en de AO/IC voldoen niet geheel aan de minimale onderdelen zoals die in het LAP zijn beschreven.

  • Vanwege de grote hoeveelheid aan euralcodes in het Afvalstoffenregister is de samenhang tussen de verschillende onderdelen van het AV-beleid (Afvalregister, beslisboom, Acceptatie-en Verwerkingsbeleid en de Niet Technische Samenvatting) naar onze mening niet voor alle euralcodes helemaal sluitend.

  • Verder ontbreekt in het Acceptatie- en Verwerkingsbeleid in de beschrijving onder 3.13 (Organische reststromen) dat de verwerking van slibben uit de voedings- en genotsmid-delenindustrie in de vergistingsinstallatie alleen mag plaatsvinden als de ontdoener heeft aangetoond dat recycling technisch niet mogelijk is of dat de kosten voor afgifte van deze partijen aan de poort van de verwerker door de ontdoener meer zouden bedragen dan € 205,-/ton.

Op bovenstaande punten moet het AV-beleid worden aangepast. Daartoe hebben wij aan deze vergunning voorschriften verbonden.

Wijzigingen in het A&V-beleid en/of de AO/IC

Wijzigingen in het A&V-beleid en/of de AO/IC moeten schriftelijk aan ons worden voorgelegd. Als het bevoegd gezag zullen wij vervolgens bezien welke procedure in relatie tot de aard van de wijziging is vereist.

Registratie

De aanvrager verkrijgt met deze vergunning de mogelijkheid om afvalstoffen van buiten de inrichting te ontvangen. Op grond van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen moet de inrichting de ontvangst van afvalstoffen melden. Voor een effectieve handhaving van het afvalbeheer is het van belang om registratieverplichtingen op te nemen (artikel 5.8 van het Bor). In deze vergunning zijn dan ook voorschriften voor de registratie van o.a. de aangevoerde, de afgevoerde en de geweigerde (afval-)stoffen opgenomen.

Conclusie

Gelet op het bovenstaande zijn wij van mening dat de aangevraagde activiteiten in overeenstemming zijn met het geldende afvalbeheersplan en daarmee bijdragen aan een doelmatig beheer van afvalstoffen.

BODEM

Activiteitenbesluit

Voor wat betreft het aspect bodembescherming valt het bedrijf (behalve de stortplaats) onder het Activiteitenbesluit (met uitzondering van artikel 2.11, lid 1). In het kader van deze vergunning hoeft daarom geen nadere beoordeling plaats te vinden. Op grond van het Activiteitenbesluit moeten alle bedrijfsactiviteiten worden verricht met voorzieningen en maatregelen die leiden tot een verwaarloosbaar bodemrisico.

Het kader voor de bescherming van de bodem

Het (nationale) preventieve bodembeschermingsbeleid is vastgelegd in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB). Het uitgangspunt van de NRB is dat door een combinatie van voorzieningen en maatregelen (cvm) een verwaarloosbaar bodemrisico wordt gerealiseerd. Alleen in bepaalde bestaande situaties kan conform de NRB onder voorwaarden volstaan worden met een aanvaardbaar bodemrisico.

Op basis van de NRB worden de (voorgenomen) activiteiten beoordeeld en wordt bepaald welke combinatie van voorzieningen en maatregelen noodzakelijk is om tot een verwaarloosbaar bodemrisico te komen. Daarbij richt de NRB zich op de normale bedrijfsvoering en voorzienbare incidenten. Bodembescherming in situaties van calamiteiten wordt in het kader van de NRB niet behandeld. Een eventuele calamiteitenopvang die onlosmakelijk deel uitmaakt van de installatie, bijvoorbeeld in de vorm van een tank of opvangbassin, is wel een activiteit waar de NRB in voorziet. Tankputten en calamiteitenvijvers voor de opslag van verontreinigd bluswater worden in de NRB niet behandeld.

De bodembedreigende activiteiten

De inrichting behelst de volgende bodembedreigende activiteiten:

  • opslag van afvalstoffen;

  • overslag van afvalstoffen;

  • be- en verwerking van afvalstoffen;

  • werkplaatsen;

  • wasplaats voertuigen;

  • opslag brandstoffen in tanks;

  • tankplaats;

  • opslag chemicaliën;

  • opslag methanol in een tank.

Bij de aanvraag is een bodemrisicodocument gevoegd. Uit het document blijkt dat, uitgezonderd voor de afvalwaterzuivering, voor alle bodembedreigende activiteiten het verwaarloosbaar bodemrisico wordt behaald.

Voor de afvalwaterzuivering in de MBR-installatie met bijbehorende opslag van afvalwater kan een aanvaardbaar bodemrisico gerealiseerd worden. De bodembeschermende voorzieningen en maatregelen moeten worden uitgevoerd overeenkomstig het bij het maatwerkbesluit behorende plan van aanpak. Wij hebben dit op verzoek van Omrin op 26 augustus 2015 (kenmerk 2015-FUMO-00211369) in een maatwerkvoorschrift vastgelegd.

Storten

Storten is een potentieel bodembedreigende activiteit. Allerlei soorten afvalstoffen worden op en in de bodem gebracht met het oogmerk die daar te laten. Onder invloed van uitstromende vloeibare componenten, op de afvalstoffen neerkomend sproei- of hemelwater en uit de afvalstoffen percolerend afvalwater, ontstaan afvalwaterstromen. Als deze afvalwaterstromen ongecontroleerd uittreden, kunnen de bodem en het grond- en oppervlaktewater verontreinigd raken.

Bodembeschermende voorzieningen vanwege het storten

In het Stortbesluit bodembescherming (hierna Stortbesluit) en de daarbij horende uitvoeringsregeling is de regelgeving voor de bescherming van de bodem vastgelegd. In het besluit en de regeling wordt verwezen naar verschillende technische richtlijnen. Het Stortbesluit is een zogenaamde instructie-AMvB. Dit houdt in dat het bevoegd gezag de verplichting heeft om de regels uit de AMvB op te nemen in de vergunning voor een stortplaats. In het Stortbesluit is de EG-richtlijn Storten geïmplementeerd.

In het Stortbesluit en de uitvoeringsregeling zijn de IBC-criteria (Isoleren, Beheersen en Controleren) uitgewerkt. De concrete vertaling van de IBC-criteria resulteert in de onderstaande (belangrijkste) voorzieningen:

  • de aanleg van een dubbele onder-, zij- en bovenafdichting, bestaande uit een combinatie van een HDPE-folie en een minerale afdichtingslaag;

  • het door middel van monitoring controleren van de effectiviteit van de voorzieningen;

  • een ringsloot of goot met vloeistofdichte bodem en taluds voor de opvang en afvoer van zijdelings uittredend oppervlakkig afstromend (percolaat-, run-off- of hemelwater);

  • een plan om de kwaliteit van het grondwater en omliggende oppervlaktewater te controleren;

  • een beheersplan om verspreiding van verontreiniging naar de omgeving te voorkomen;

  • de aanleg van een dichte eindafwerking aan de bovenkant van de gestorte afvalstoffen;

  • een nazorgplan met een beschrijving van de maatregelen en de financiering daarvan voor het op lange termijn in stand houden van de IBC-voorzieningen.

De aanvraag is getoetst aan de voorgaande punten.

Toetsing 

Bij de oprichting van de stortplaats en tussentijds bij de inrichting van het stortlichaam zijn al de benodigde bodembeschermende maatregelen getroffen. Onder het stortlichaam bevindt zich een onderafdichting die van boven naar onder is opgebouwd uit:

  • een percolaatdrainagesysteem, bestaande uit een beschermlaag van 60 cm drainagezand, een grindkoffer van fijn en grof grind en de drainage;

  • een synthetische afdichting van 2 mm HDPE-folie;

  • een minerale afdichting bestaande uit 28 cm zandbentoniet of 7 cm trisoplast;

  • een uitvullaag van 0 – 50 cm zand.

Onder de afdichtingsconstructie bevindt zich een controledrainage waarmee de werking van de onderafdichting wordt gecontroleerd.

Het percolaat wordt via de percolaatdrainage afgevoerd naar de binnen de inrichting aanwezige afvalwaterzuiveringsinstallatie.

Door het periodiek monitoren van het ondiepe en diepe grondwater, het water in de controledrainage en het ringslootwater, wordt bewaakt of er verontreiniging van het grondwater optreedt. Mocht er sprake zijn van verontreiniging, dan kan de controledrainage ook als beheersdrainage dienst doen. De wijze en frequentie van monitoring hebben wij in de vergunningvoorschriften vastgelegd.

Op basis van de monitoringsresultaten van het referentiepunt uit het verleden is per te monitoren parameter een signaalwaarde bepaald. Op basis hiervan is een toetsingswaarde vastgesteld. Indien uit de metingen blijkt dat deze waarde wordt overschreden, dan dienen zodanige maatregelen te worden genomen dat verspreiding van de waargenomen verontreiniging wordt voorkomen. De maatregelen die moeten worden genomen zijn vastgelegd in het door Omrin ingediende Urgentieplan op hoofdlijnen van 20 november 2014, kenmerk 14.03114.

Bij de aanvraag is het rapport ‘1321499 – Omrin ophoogadvies Ecopark De Wierde Heerenveen – Afweging ophogen stort’ gevoegd. Om te bepalen of de ophoging van 24 naar 29 meter verantwoord is binnen de eisen van het stortbesluit is getoetst aan twee voorwaarden:

  • De onderkant van de stortplaats (zool) moet na zetting van de ondergrond minimaal 0,70 m boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) liggen;

  • De zetting die gedurende de levensduur van de onderafdichting optreedt mag niet meer bedragen dan bij voorkeur 0,25 m en maximaal 0.50 m.

Uit het rapport blijkt dat ook na ophoging van de stortplaats, de afstand tussen de zool van de afvalberging en de grondwaterstand na het bereiken van de eindzetting van het afval ten minste 0,70 m boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand zal liggen. Op basis van berekeningen en de verzamelde monitoringsgegevens van de zetting van de stortplaats kan geconcludeerd worden dat de zetting gemiddeld 0,30 m en miaximaal 0,50 m bedraagt. Hiermee wordt voldaan aan de eisen uit het Stortbesluit.

Het stortlichaam is verdeeld in een aantal compartimenten. De compartimenten zijn in de loop der jaren voorzien van een onderafdichting. In de aanvraag is aangegeven in welk jaar de onderafdichting van een compartiment is aangelegd.

Eindafwerking en nazorg

In de Uitvoeringsregeling Stortbesluit bodembescherming is opgenomen dat wij in de vergunningvoorschriften de verplichting opnemen dat zo spoedig als technisch mogelijk, doch niet later dan 30 jaar na het aanbrengen van de onderafdichting, aan de bovenkant van de afvalstoffen een bovenafdichting moet worden aangebracht die de infiltratie van regenwater tegengaat.

Aan de vergunning hebben wij voorschriften verbonden met betrekking tot het stellen van financiële zekerheid om de eindafwerking van de stortplaats te kunnen realiseren.

Voor het in stand houden van onderhoud, vervanging en monitoring van het IBC-voorzieningenniveau na sluiting van de stortplaats, is een nazorgplan opgesteld. De nazorgregeling is in de Wet Milieubeheer opgenomen. De provincie wordt na sluiting verantwoordelijk voor de nazorg van deze stortplaats.

Conclusie bodem stortplaats

Gelet op het bovenstaande stellen wij vast dat de vanuit het Stortbesluit vereiste bodembeschermende maatregelen aanwezig zijn. In de voorschriften hebben wij over de voorzieningen en de wijze van monitoring en rapporteren het gestelde in het Stortbesluit vastgelegd.

Nulsituatieonderzoek

Het preventieve bodembeschermingsbeleid gaat ervan uit dat (zelfs) een verwaarloosbaar bodemrisico nooit volledig uitsluit dat een verontreiniging of aantasting van de bodem optreedt. Om die reden is altijd een nulsituatieonderzoek naar de kwaliteit van de bodem noodzakelijk. Het nulsituatieonderzoek richt zich op de afzonderlijke activiteiten en de daar gebruikte stoffen.

Nulsituatieonderzoek bestaat uit het vastleggen van de nulsituatie bodemkwaliteit voorafgaand aan de start van de betreffende activiteit(en). Na het beëindigen van de betreffende activiteit(en) dient een vergelijkbaar eindonderzoek te worden uitgevoerd.

Het nulsituatieonderzoek moet ten minste duidelijkheid verstrekken over:

  • de bodemkwaliteit ter plaatse van de bodembedreigende activiteiten die binnen de inrichting worden uitgevoerd. Hierbij is ook van belang dat op de stoffen wordt geanalyseerd die worden gebruikt;

  • de locatie van bemonsteringspunten rekening houdend met de mobiliteit van de gebruikte stoffen en de lokale grondwaterstroming;

  • de wijze waarop de betreffende stoffen moeten worden gedetecteerd, bemonsterd en geanalyseerd;

  • de bodemkwaliteit ter plaatse van bemonsteringslocaties.

De in het nulsituatieonderzoek vastgelegde bodemkwaliteit geldt als uitgangspunt bij de beoordeling of ten gevolge van de betreffende activiteiten verontreiniging of aantasting van de bodem heeft plaatsgevonden en of bodemherstel nodig is.

Voor het bodemonderzoek noodzakelijke werkzaamheden als vermeld in de Regeling bodemkwaliteit moeten zijn uitgevoerd door een erkende instantie als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit.

Op de locatie van Ecopark De Wierde zijn sinds de oprichting diverse onderzoeken verricht naar de kwaliteit van de bodem en het grondwater. In de volgende rapporten zijn de resultaten van de bodemonderzoeken vastgelegd:

  • Verslag van referentieonderzoek op locatie Nijehaske Noord, bijlage 4 van het Milieueffectrapport Afvalstortplaats De Dolten van Haskoning van april 1988, rapportnummer 88/6045.03/3k, dossiernummer van het archief van de provincie 20814;

  • Nulfase-onderzoek afvalberging De Wierde Heerenveen van Tauw van april 1993, rapportnummer 3240975, dossiernummer van het archief van de provincie 20828;

  • Verkennend bodemonderzoek op het terrein aan de NUON Loswal te Nijehaske van Milfac B.V. milieuadvisering van 18 maart 1999, rapportnummer B5735VO, dossiernummer van het archief van de provincie 71405;

  • Milieurapportage betreffende een verkennend bodemonderzoek te Oudehaske aan De Dolten 11 van IJsselmeer beton funderingtechnologie B.V. van 26 mei 1999, opdrachtnummer 62384, dossiernummer van het archief van de provincie 71405;

  • Nulsituatie-onderzoek toekomstige tankplaats De Dolten 11 te Oudehaske van Oranjewoud van 16 juni 2003, rapportnummer 16546.137334, dossiernummer van het archief van de provincie 63908 en;

  • Nulsituatie bodemonderzoek Locatie De Dolten 11 te Oudehaske van CSO-Milfac Adviesbureau van 17 december 2009, rapportnummer 09F312.R01;

  • Verkennend milieukundig bodemonderzoek (Outline consultancy, B12K0133, 23 april 2012);

  • rapport Verkennend bodemonderzoek Frankrijkdreef (ong) te Oudehaske, LievenseCSO, documentcode 16F054.R01, 10-03-2016;

  • Verkennend bodemonderzoek De Dolten 11 te Heerenveen (Lievense CSO, documentnummer SOL004353.RAP001.WL, d.d. 26 maart 2018);

  • Rapportage nulsituatie bodemonderzoek stoomketel Ecopark De Wierde te Heerenveen, Solid veiligheid en milieu (25 september 2020, projectnummer 320080).

Bovenstaande onderzoeken zijn in eerdere vergunningprocedures beoordeeld en geven ons geen aanleiding tot het stellen van nadere maatregelen of eisen. Wij beschouwen deze onderzoeken daarom als nulsituatie-onderzoek van de bodem en het grondwater van de bestaande inrichting.

Aanvullend aangeleverde bodemonderzoeken

Voor de nu aangevraagde uitbreiding van de locatie aan de oostkant zijn de onderstaande bodemonderzoeken aangeleverd:

  • Verkennend bodemonderzoek op het terrein van NUON Loswal te Nijehaske. MIlfac, rapport B5735VO, d.d. 18 maart 1999;

  • Nulsituatie bodemonderzoek Ecopark ‘De Wierde’ te Heerenveen. Lievense Milieu B.V., projectnummer SOL008892, d.d. 19 juni 2019.

Met het verkennend bodemonderzoek (Lievense, 19 juni 2019) is de nulsituatie van de voorgenomen uitbreiding voldoende vastgelegd.

Eindsituatieonderzoek en herstelplicht bij geconstateerde verontreiniging 

Na beëindiging van de activiteiten of een deel daarvan moet een eindsituatieonderzoek naar de kwaliteit van de bodem worden verricht. Indien blijkt dat sprake is van een bodembelasting als gevolg van de activiteiten, zal de bodemkwaliteit hersteld moeten worden. Hiertoe zijn voorschriften in het Activiteitenbesluit opgenomen.

AFVALWATER

Toetsingskader

Binnen de inrichting op de locatie Ecopark De Wierde komen verschillende afvalwaterstromen vrij. Het overgrote deel van deze afvalwaterstromen wordt via een eigen afvalwaterzuiveringsinstallatie en/of een private persleiding rechtstreeks op de rioolwaterzuiveringsinstallatie te Heerenveen geloosd. Voor deze lozingen beschikt Omrin over een vigerende watervergunning. Op 11 augustus 2021 heeft Wetterskip Fryslân van Omrin tevens een aanvraag ontvangen voor een nieuwe watervergunning (OLO nr. 6226749). Omrin heeft daarnaast nog twee beperkte lozingen die plaatsvinden op de gemeentelijke riolering. Dit betreft het huishoudelijk afvalwater afkomstig van de kunststofsorteerinstallatie en het afstromend hemelwater van het buitenterrein van de kunststofsorteerinstallatie.

  • 1.

    Huishoudelijk afvalwater kunststofsorteerinstallatie

    Het huishoudelijk afvalwater is afkomstig van de sanitaire voorzieningen binnen het gebouw en wordt zonder voorzieningen geloosd op de gemeentelijke riolering. Aan de lozing van het huishoudelijk afvalwater op de riolering worden in het Activiteitenbesluit geen concrete voorschriften gesteld; de lozingen mogen in beginsel zonder beperkingen plaatsvinden. Wel moet op grond van de zorgplichtbepaling, artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit, worden voorkomen dat de doelmatige werking van de rioolwaterzuiveringsinstallatie wordt belemmerd of dat het onnodige problemen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater zou veroorzaken.

  • 2.

    Afstromend hemelwater terrein kunststofsorteerinstallatie

    Bij het gebouw van de kunststofsorteerinstallatie is een vloeistofdichte verharding aangebracht. Op deze verharding vinden de transportbewegingen plaats en worden in balen geperste fracties opgeslagen. Het afstromende hemelwater afkomstig van dit deel van het terrein wordt via een olie-/ benzineafscheider afgevoerd naar het vuilwaterriool van het gemeentelijke rioolstelsel. Deze lozing dient te voldoen aan de voorschriften in het Activiteitenbesluit onder paragraaf 3.4.3 "Opslaan en overslaan van goederen".

De bovengenoemde lozingen moeten voldoen aan de eisen van het Activiteitenbesluit.

Beoordeling en conclusie

De in de aanvraag vermelde maatregelen ter voorkoming en beperking van lozing van afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen, zullen naar verwachting leiden tot een acceptabel lozingsniveau dat in overeenstemming is met de in het Activiteitenbesluit opgenomen doelstellingen.

Geluid

De bedrijfsactiviteiten hebben tot gevolg dat geluid wordt geproduceerd. Deze geluidsemissie wordt vooral veroorzaakt door de verwerkingsinstallaties voor afvalstoffen. De veroorzaakte geluidsbelasting in de omgeving en de perioden waarin deze optreedt, is in kaart gebracht in een akoestisch rapport van Sirius, projectnummer S20001 van 22 maart 2021.

Het geluid wordt beoordeeld op basis van de representatieve bedrijfssituatie (de geluidsemissie die de inrichting onder normale omstandigheden veroorzaakt). Beoordeeld worden de geluidsbelasting (het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en de maximale geluidsniveaus) en de indirecte hinder als gevolg van het in werking zijn van de inrichting.

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau

In het kader van de beoordeling of de inrichting niet op ontoelaatbare wijze geluidshinder teweegbrengt, is gebruikgemaakt van de "Handreiking industrielawaai en vergunningverlening”, oktober 1998.

De aard van de woonomgeving kan volgens de Handreiking op drie wijzen worden gekarakteriseerd, namelijk als landelijke omgeving, als rustige woonwijk met weinig verkeer of als woonwijk in de stad. In de Handreiking zijn voor een landelijke omgeving richtwaarden opgenomen voor de dag-, avond- en nachtperiode van respectievelijk 40, 35 en 30 dB(A), voor een rustige woonwijk met weinig verkeer zijn richtwaarden voor de dag-, avond- en nachtperiode van respectievelijk 45, 40 en 35 dB(A) opgenomen en voor een woonwijk in de stad zijn richtwaarden voor de dag-, avond- en nachtperiode opgenomen van respectievelijk 50, 45 en 40 dB(A). Deze richtwaarden zijn gekoppeld aan reguliere referentieniveaus van het omgevingsgeluid in deze gebieden. Aan de west- en noordkant van de inrichting is sprake van een landelijke omgeving. Voor wat betreft de oost- en zuidkant van de inrichting hanteren wij als richtwaarde 45, 40 en 35 dB(A).

De richtwaarden worden bij de woningen gelegen aan de oost- en zuidkant van de inrichting niet overschreden.

De richtwaarden voor de landelijke omgeving bij de woningen gelegen aan de noord- en westkant van de inrichting worden wel overschreden. In een bestaande situatie zoals deze, kan een overschrijding van de richtwaarde aan de noord- en westkant van de inrichting toelaatbaar zijn tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Overschrijding van het referentieniveau tot maximaal 55 dB(A) etmaalwaarde kan in sommige gevallen toelaatbaar worden geacht op grond van een bestuurlijk afwegingsproces, waarbij de geluidbestrijdingskosten een belangrijke rol spelen. Om het referentieniveau van het omgevingsgeluid conform de richtlijn voor karakterisering en meting van omgevingsgeluid, IL-HR-15-01, vast te stellen, hebben wij geluidmetingen uitgevoerd waarvan de resultaten zijn weergegeven in het rapport “Meetverslag L95-geluidsmetingen Industrieterrein Kanaal West Versie 2 Nijehaske/Heerenveen april – augustus 2009” van 14 september 2009.

Een aanvullende meting is voor de afwegingen van de voorschriften niet nodig, omdat het geluidsniveau als gevolg van de activiteiten door de bedrijven op het bedrijventerrein niet is afgenomen tussen 2009 en 2022. Een nieuwe meting zou slechts iets hogere waarden opleveren.

Uit het akoestisch rapport blijkt dat er veel maatregelen worden getroffen en dat BBT wordt toegepast. Verder is het redelijkerwijs niet mogelijk om verdergaande maatregelen te treffen om de geluidbelasting merkbaar terug te dringen. Wij achten de aangevraagde activiteiten derhalve vergunbaar.

In de voorschriften nemen wij de berekende waarden op zoals gepresenteerd in het akoestisch onderzoek.

Maximaal geluidsniveau (LAmax)

Volgens de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening moet worden gestreefd naar het voorkomen van maximale geluidniveaus die meer dan 10 dB boven het aanwezige langtijdgemiddelde beoordelingsniveau uitkomen.

De grenswaarden voor de maximale geluidniveaus bedragen 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Uit het akoestisch onderzoek blijkt een overschrijding van de streefwaarden in de avond- en nachtperiode bij de woningen aan De Dolten 8 en 9. De maximale geluidniveaus worden veroorzaakt door het wisselen van containers. Aan de grenswaarden van 70, 65 en 60 dB(A) wordt wel voldaan.

Voor de maximale geluidsniveaus zijn door het bedrijf verbeteringen bereikt, omdat in de nieuwe situatie met een haaksysteem wordt gewerkt. Het eerder gebruikte kettingsysteem veroorzaakte hogere geluidspieken.

Omdat de LAmax-waarden door de genomen maatregelen lager zijn dan nu vergund is, achten wij de aangevraagde waarden vergunbaar.

Indirecte hinder

Het geluid van het verkeer van en naar de inrichting over de openbare weg is beoordeeld volgens de circulaire “Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer” van 29 februari 1996.

De voorkeursgrenswaarde voor de geluidsbelasting is 50 dB(A) en de grenswaarde is 65 dB(A). Een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde moet zo mogelijk worden voorkomen door het treffen van maatregelen.

Uit het akoestisch rapport blijkt dat het equivalente geluidsniveau veroorzaakt door het verkeer van en naar de inrichting bij de woningen aan De Dolten 8 en 9 niet meer bedraagt dan 50 dB(A). Aan de voorkeursgrenswaarde wordt voldaan.

Conclusies

Ten aanzien van de geluidsbelasting en de indirecte hinder is de situatie milieuhygiënisch aanvaardbaar.

Wij hebben aan de vergunning voorschriften verbonden waarin grenswaarden zijn gesteld op een aantal beoordelingspunten bij woningen van derden. De geluidsbelasting op deze punten is overeenkomstig de bij de aangevraagde activiteiten gewenste geluidsruimte.

Vanwege de grote afstand tot de inrichting van de geluidsgevoelige bestemmingen aan de oostkant van de inrichting en vanwege de invloed van andere geluidsbronnen, kan de geluidsbelasting die de inrichting veroorzaakt niet bij de geluidsgevoelige bestemmingen worden gemeten (deze kan wel worden berekend). Daarom is, naast de genoemde grenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau bij een woning, een controlewaarde vastgelegd op een controlepunt gelegen in de nabijheid van de inrichting. Op deze punten kan in het kader van het door ons uit te oefenen toezicht op de naleving worden gemeten. De geluidsbelasting op deze punten is overeenkomstig de bij de aangevraagde activiteiten gewenste geluidsruimte.

Trillingen

Gezien de aard van de activiteiten en de afstand tot de dichtstbijzijnde trillingsgevoelige bestemmingen is trillinghinder niet te verwachten. Een onderzoek naar trillingen achten wij daarom niet nodig. Ook achten wij het niet nodig hierover voorschriften op te nemen.

GEUR

Landelijk beleid

Het Nederlandse geurbeleid is opgenomen in artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit en in de Handleiding geur: bepalen van het aanvaardbaar hinderniveau van industrie en bedrijven (niet veehouderijen). Als algemene doelstelling geldt het zoveel mogelijk beperken van bestaande hinder en het voorkomen van nieuwe hinder. Daarbij staat het afwegingsproces voor het vaststellen van het aanvaardbaar hinderniveau centraal. Het aanvaardbaar hinderniveau wordt per situatie vastgesteld en zo nodig op grond van het Activiteitenbesluit als maatwerkvoorschrift aan de vergunning verbonden. Alleen als de emissies van de inrichting in het Activiteitenbesluit uitgezonderd zijn, worden de geuremissies in de vergunning beoordeeld.

Het bevoegd gezag bepaalt welke mate van hinder als aanvaardbaar wordt beschouwd. Als leidraad voor het afwegingsproces dat daarbij doorlopen wordt, geldt de hindersystematiek Geur. Deze hindersystematiek, die is vastgelegd in hoofdstuk 3 van de Handleiding geur, benoemt de verschillende aspecten die in het afwegingsproces moeten worden meegenomen om te komen tot een zorgvuldige bepaling van het aanvaardbaar hinderniveau. De aspecten die bij het vaststellen van het aanvaardbaar hinderniveau worden meegewogen, zijn eveneens opgenomen in het derde lid van artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit.

In artikel 2.3a, tweede lid van het Activiteitenbesluit is bepaald dat artikel 2.7a niet van toepassing is op emissies naar de lucht van een IPPC-installatie, indien en voor zover voor de activiteit of het type productieproces BBT-conclusies voor deze emissies zijn vastgesteld op grond van artikel 13, vijfde en zeven lid, van de EU-richtlijn industriële emissies. Wij concluderen dat artikel 2.7a niet van toepassing is op de activiteiten op Ecopark De Wierde, omdat in de BREF Waste Treatments Industries (Afvalbehandeling) op pagina 747, in paragraaf 6.3, voor de emissie van geur een BBT-conclusies (BBT 34) is vastgesteld. Als het Activiteitenbesluit niet van toepassing is, moeten voorschriften in de vergunning worden opgenomen. Voor de beoordeling van de geursituatie van de aangevraagde wijziging wordt echter wel aangesloten bij de systematiek uit de bovengenoemde Handleiding geur.

Maatregelen ter bestrijding van geurhinder moeten worden bepaald in overeenstemming met het BBT-principe (de Beste Beschikbare Technieken moeten worden toegepast).

Provinciaal of gemeentelijk beleid

Op 12 november 2019 zijn de beleidsregels geur voor Friese bedrijven vastgesteld. Deze “Beleidsregels geur Bedrijven Fryslân 2019” (hierna: het Friese geurbeleid) zijn op 20 november 2019 gepubliceerd. Geuremissie toetsen wij aan dit vastgestelde beleid.

Geurhindersituatie

Omschrijving aangevraagde situatie

Geurrelevante processen

Omrin neemt op Ecopark De Wierde diverse soorten afval in (aanvoer en opslag), selecteert deze aan de poort naar type en verwerkt deze tot reststromen. Hierbij onderscheidt zij de activiteiten die mogelijk een bron voor geur vormen. Binnen die activiteiten is er mogelijk sprake van meerdere geurbronnen (er wordt bijvoorbeeld onderscheid gemaakt in storten, opslag en overslag).

De activiteiten en de maatregelen ter beperking van geuremissie zijn uitgebreid beschreven in de Niet Technische Samenvatting (NTS) van de aanvraag d.d. 11 juli 2022. Hieronder zijn de geurrelevante activiteiten en bijbehorende relevante geurbronnen (inclusief geurreducerende maatregelen) kort beschreven:

Afvalberging (stortplaats) voor niet-gevaarlijk afval

Afval bestemd voor stort wordt op de stortplaats (stortfront) gestort. Het gaat hier om de geur van het dagelijks gestorte afval. Het stortfront wordt aan het eind van de dag afgedekt.

Het storten van baggerslib vindt beperkt plaats. Hoewel de herkomst en het type bagger kan verschillen, is de samenstelling van de bagger in de loop van de jaren niet wezenlijk gewijzigd.

Relevante geurbronnen:

  • stortfront - stortfront afgedekt

  • werken in stort

  • storten baggerslib.

Scheidings- en vergistingsinstallatie

Stortbunker of afvalbunker: in de stortbunker wordt al het (huishoudelijk) afval gestort. Na het storten wordt het afval gescheiden in diverse fracties. De activiteit van het storten is niet gewijzigd. De doorvoer van huishoudelijk afval door de installatie wordt verhoogd van 230.000 naar 280.000 ton per jaar.

Scheidingshal: de scheidingshal is direct tegen de stortbunker geplaatst. Inpandig wordt het gestorte afval met diverse machines in verschillende fracties gescheiden, waarbij een hoeveelheid geur vrijkomt. De geurhoudende lucht wordt afgezogen en gereinigd afgevoerd.

Scheiding (DANO-hal): dit is een relatief nieuwe activiteit die in 2019 is vergund. Met deze activiteit is de luchtafzuiging van zowel de DANO-hal als de scheidingshal aangepast. De nieuwe luchtafzuiging is vergund in 2020.

ONF-buffer/hal en WVI-hal: de organische natte fractie (ONF) wordt in de ONF-buffer/hal en de WVI-hal voorbehandeld met verschillende scheidings- en wastechnieken (WVI-installatie), waarbij het grof inerte vuil(waaronder zand) uit het ONF wordt gehaald. De ONF-hal wordt afgezogen en de WVI-installatie wordt brongericht afgezogen. De afgezogen lucht wordt nabehandeld in een biofilter.

Digestaatbewerking: het restant van de vergisting (digestaat) wordt ontwaterd met zeefbandpersen. Deze ontwateringsinstallatie is afgedekt en wordt afgezogen naar het biofilter. Na het persen wordt het digestaat tijdelijk opgeslagen.

Biofilter: het biofilter behandelt de afgezogen lucht van de ONF-buffer/hal, de bronnen in de WVI-hal en de digestaatontwatering. Dit is een bestaande bron die niet wordt gewijzigd.

Spirofloor: de spirofloor biedt de mogelijkheid om de stroom brandstof uit afval (refuse derived fuel, afgekort RDF) uit de scheidingshal te mengen met andere brandbare stromen, zoals grof huishoudelijk afval (GHA), ONF en digestaat. De toevoer van de afvalstromen naar de afsluitbare doseerbunker vindt plaats door transportbanden.

Relevante geurbronnen:

  • stortbunker

  • halafzuiging 1 bestaande scheidingshal

  • halafzuiging 2 bestaande scheidingshal

  • bestaande scheidingshal diffuus

  • ONF-buffer/hal

  • biofilter

  • digestaatbewerkingszeef

  • WVI-hal deuren

  • inpandig lossen van ONF derden

  • spirofloor

  • DANO-scheidingshal gereinigd via afvoer 1

  • DANO-scheidingshal ongereinigd diffuus via deuren (west)

  • DANO-scheidingshal ongereinigd diffuus via deuren (oost)

  • DANO-scheidingshal gereinigd via afvoer 2.

Recyclingactiviteiten (op- en overslag en shredderen)

Recyclinghal (Rekas): in de recyclinghal vindt overslag plaats van bedrijfsafval, RDF en residu GHA. Verder is de recyclinghal in gebruik om de samenstelling van gescheiden (kunststof) stromen te verbeteren. Hiervoor kan gebruik gemaakt worden van de rekasinstallatie. De recyclinghal beschikt over natuurlijke ventilatie.

Deponie: dit betreft een deponie in de open lucht bestemd voor opslag van veegvuil, kolkenslib en gevaarlijk afval. Dit is een bestaande bron die niet wordt gewijzigd. Ter plaatse van de uitbreiding is een kopie van deze bron opgenomen.

Opslag GFT: GFT wordt aangevoerd met vrachtwagens en gestort. De meeste geur komt vrij tijdens het storten van GFT.

Shredder GHA: de shredderinstallatie is buiten opgesteld.

Relevante geurbronnen:

  • recyclinghal

  • laden GFT

  • lossen GFT

  • deponie veegvuil/kolkenslib

  • nieuwe locatie veegvuil/kolkenslib

  • shredderen grof huishoudelijk afval.

Afvalwaterzuivering

Omrin verwerkt zijn eigen afvalwater en beschikt hiervoor over twee afvalzuiveringsinstallaties (AWZI), een oude AWZI en een nieuwere AWZI.

Relevante geurbronnen:

  • oude awzi

  • nieuwe awzi.

Kunststofsorteerinstallatie (KSI)

De KSI is gevestigd in een afzonderlijk gebouw. In de KSI vindt sortering plaats van nagescheiden en brongescheiden kunststofverpakkingsafval (inclusief drankenkartons). De hallen worden voorzien van een ruimteafzuiging waarbij de lucht uit de ontvangsthal en outputstock wordt onttrokken en naar de machinehal wordt geleid. Vanuit de machinehal wordt de afgezogen lucht naar buiten afgevoerd, met een debiet van 81.000 m3 per uur. Op de afvoer is een stof- en geurfilter geïnstalleerd.

Relevante geurbronnen:

  • halafzuiging KSI

  • diffuse emissie KSI (west)

  • diffuse emissie KSI (oost).

Geurbelasting

De bovengenoemde geurbronnen veroorzaken in de actuele situatie de volgende geurbelasting op de relevante nabijgelegen woningen en bedrijven:

Adres

Omschrijving

Geurconcentratie

98-percentiel

(ouE/m3)

Geurconcentratie

99,5-percentiel

(ouE/m3)

Geurconcentratie

99,9-percentiel

ouE/m3)

Welleweg 10

bedrijfswoning

1,9

4,1

7,4

Welleweg 12

bedrijfswoning

2,2

4,7

8,2

Welleweg 14

woning landelijk gebied

2,9

6,2

10,5

De Dolten 6

bedrijfswoning

2,2

4,9

8,7

De Dolten 8

bedrijfswoning

1,9

4,1

7,1

Denemarkendreef 5

kantoren/bedrijfsterrein

2,4

5,1

8,3

Communicatielaan 6-8

kantoren/bedrijfsterrein

2,9

5,7

9,5

Energielaan 4

kantoren/bedrijfsterrein

2,9

5,6

9,4

Energielaan 17

kantoren/bedrijfsterrein

2,9

5,8

9,9

De Lier 10 – 20

woonbestemming

1,3

2,8

5,1

Kostverloren 1001 t/m 1005

woonbestemming

1,3

3,0

5,4

Beoordeling aangevraagde geursituatie

De maximaal toegestane geurbelasting van Ecopark De Wierde is vastgelegd in de vigerende

vergunningen. In de vergunningen zijn van de concentraties zowel de 98-percentiel als de 99,9-

percentiel vastgelegd.

Om na te gaan welk effect de activiteiten in de revisieaanvraag hebben op de vergunde geursituatie, heeft Omrin een geuronderzoek laten uitvoeren. Het geuronderzoek (Anteagroup, Onderzoek Geur, Omrin Ecopark De Wierde in Heerenveen, projectnummer 0473607.100, definitief revisie 01, 17 februari 2022) is bij de aanvraag gevoegd.

In het geurrapport wordt uitgebreid ingegaan op de vergelijking tussen de nu aangevraagde geursituatie, de reeds vergunde situatie en verschillen door actualisatie van het rekenmodel.

Voor het vaststellen van de geurbelasting in de directe omgeving van Ecopark De Wierde zijn de berekende geuremissies omgerekend naar immissieconcentraties in het veld. Bij deze berekening worden de percentielwaarden van geur berekend en weergegeven als contouren. Daarnaast zijn de concentraties ter hoogte van de dichtstbijzijnde objecten afzonderlijk berekend. De berekende resultaten zijn vervolgens getoetst aan de voor Ecopark De Wierde vastgestelde toetswaarden. Deze toetswaarden zijn vastgesteld op basis van de hinderlijkheid van de geur en het Friese geurbeleid:

Toetswaarden Ecopark De Wierde:

  • 2,3 ouE/m3 berekend als 98-percentiel voor verspreid liggende woningen;

  • 1,2 ouE/m3 berekend als 98-percentiel voor aaneengesloten woonbebouwing;

en voor discontinue en fluctuerende bronnen:

  • 9,2 ouE/m3 berekend als 99,9-percentiel voor verspreid liggende woningen;

  • 4,8 ouE/m3 berekend als 99,9-percentiel voor aaneengesloten woonbebouwing.

Uit het geuronderzoek blijkt dat de berekende percentielwaarden nagenoeg gelijk zijn aan de vergunde situatie. Er is wel een kleine toename van de geurbelasting door de gewijzigde bedrijfsvoering en het gebruik van kengetallen van geurmetingen. De kleine toename wordt mede veroorzaakt door actualisatie van het rekenmodel. Dit heeft te maken met de wijziging van de meteodata (wijzigingen van het weer) en de ruwheidslengte (verandering van het terrein) ten opzichte van het moment dat de toetswaarden voor Ecopark De Wierde zijn vastgesteld.

Bij de woningen Lier 10-20 en Kostverloren 1001 tot en met 1005 neemt de geurbelasting (98-percentiel) toe met 0,2 tot 0,3 ouE/m3 door de gewijzigde bedrijfsvoering en de modelwijzigingen. Voor de 99,9-percentielwaarde is de toename bij deze woningen 0,7 tot 0,9 ouE/m3. De immissiewaarden bedragen maximaal 1,3 ouE/m3 (98-percentiel), 5,1 en 5,4 ouE/m3 (99,9-percentiel) voor deze woningen. Deze waarden zijn hoger dan de met de oude modellering vastgestelde toetswaarden, maar alle immissieniveaus blijven beneden de in het Friese geurbeleid vastgestelde grenswaarde van 1,5 ouE/m3 (98-percentiel) en 6,0 ouE/m3 (99,9-percentiel) voor bestaande bronnen (categorie A geurgevoelige objecten).

Bij de dichtstbij Ecopark De Wierde gelegen woning Welleweg 14 neemt de geurbelasting (98-percentiel) toe met 0,6 ouE/m3 door de gewijzigde bedrijfsvoering en de modelwijzigingen. Voor de 99,9-percentielwaarde is de toename hier 1,5 ouE/m3. De immissiewaarden bedragen 2,9 ouE/m3 (98-percentiel) en 10,5 ouE/m3 (99,9-percentiel) voor deze woning. Deze waarden zijn hoger dan de met de oude modellering vastgestelde toetswaarden, maar alle immissieniveaus blijven beneden de in het Friese geurbeleid vastgestelde grenswaarde voor gebiedscategorie “werken” van 5 ouE/m3 (98-percentiel) en 20 ouE/m3 (99,9-percentiel) voor bestaande bronnen.

De geurbelasting bij de overige woningen en objecten voldoet volgens het geuronderzoek zowel aan de destijds voor Ecopark De Wierde vastgestelde toetsingswaarden als aan het Friese geurbeleid.

Als maximaal hinderniveau ter plaatse van de woningen aan Lier 10-20 en Kostverloren 1001 vinden wij een geurimmissie van 1,3 ouE/m3 als 98-percentiel en een waarde van respectievelijk 5,1 en 5,4 ouE/m3 als 99,9-percentiel aanvaardbaar. Als maximaal hinderniveau ter plaatse van de woning aan Welleweg 14 vinden wij een geurimmissie van 2,9 ouE/m3 als 98-percentiel en een waarde van 10,5 ouE/m3 als 99,9-percentiel aanvaardbaar. De immissie bij de geurgevoelige objecten blijft beneden de grenswaarden uit het Friese geurbeleid.

Gelet op het bovenstaande wordt het aanvaardbaar hinderniveau ter plaatse van deze geurgevoelige objecten in acht genomen.

Beste beschikbare technieken

De geurreducerende maatregelen die binnen de inrichting zijn getroffen, worden beschouwd als de beste beschikbare technieken. De maatregelen zijn hiervoor al in het kort beschreven.

Conclusie

Gezien bovenstaande overwegingen zijn wij van mening dat de geurbelasting ten gevolge van de aangevraagde activiteiten voldoet aan het aanvaardbaar geurhinderniveau. De activiteiten voldoen aan het van toepassing zijnde toetsingskader en de beste beschikbare technieken worden toegepast.

Wij hebben over de geuremissies, periodieke meting daarvan en de geurbeheersing voorschriften in deze vergunning opgenomen.

LUCHT

Toetsingskader

Het algemeen luchtbeleid is gericht op het voorkomen dan wel zo veel mogelijk beperken van emissies naar de lucht door het toepassen van de beste beschikbare technieken (BBT) en het voldoen aan de luchtkwaliteitseisen van bijlage 2 van de Wet milieubeheer.

Luchtemissies voor inrichtingen worden in beginsel gereguleerd door de algemene regels van het Activiteitenbesluit. Deze eisen zijn rechtstreeks geldend.

Als er voor luchtemissies van IPPC-installaties BBT-conclusies zijn vastgesteld, gelden de algemene regels van Afdeling 2.3 niet (met uitzondering van de minimalisatieverplichting voor zeer zorgwekkende stoffen). Voor deze luchtemissies worden voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden die aansluiten bij de BBT-conclusies.

In deze vergunning wordt specifiek ingegaan op de luchtemissies van de inrichting. Naast de toetsing aan de beste beschikbare technieken en het Activiteitenbesluit wordt beoordeeld of de emissienormering van het Activiteitenbesluit toereikend is of dat er maatwerkvoorschriften moeten worden gesteld. Tevens wordt getoetst aan de kwaliteitseisen uit Bijlage 2 van de Wm.

In het bij de revisieaanvraag gevoegde “Onderzoek Luchtkwaliteit, Omrin Ecopark De Wierde in Heerenveen, Anteagroup, projectnummer 0473607.10017, februari 2022 revisie 02” zijn de volgende relevante activiteiten genoemd die emissies naar de lucht tot gevolg hebben:

  • het rijden van motorvoertuigen van en naar de inrichting;

  • vaarbewegingen van en naar de inrichting;

  • het rijden van motorvoertuigen op het terrein van de inrichting;

  • het (stationair) draaien van vrachtvoertuigen op het terrein;

  • het gebruik van mobiele werktuigen als shovels, heftrucks, mobiele kranen, enz.;

  • het in werking hebben van twee warmtekrachtkoppelingen (verder WKK) waarbij sprake is van verbranding van biogas;

  • het in werking hebben van diverse installaties, waaronder een puinbreker, shredder en windsifter;

  • mogelijke verstuiving bij laad- en losactiviteiten;

  • emissies uit diverse bedrijfshallen voor het afvalscheidingsproces.

Hierbij is onderscheid gemaakt tussen puntbronemissies en diffuse emissies.

Puntbronemissies van procesinstallaties

Toetsing

Het hoofdproces is als volgt te beschrijven:

Het bewerken van huishoudelijk afval (HHA) en handel-, diensten- en overheidsafval (HDO) door middel van een scheidings- en vergistingsinstallatie.

De installatie is in een drietal processtappen in te delen:

  • afvalscheidingsinstallatie: mechanische scheiding van het afval in een organische natte fractie (ONF), metalen, kunststoffen/drankenkartons en een brandbare restfractie;

  • ONF-voorbehandeling en vergisten van het ONF;

  • omzetting van biogas in groengas.

Bij deze activiteiten komen de volgende puntbronnen voor die emissies naar de lucht geven:

  • emissie van stikstofoxiden vanuit (stook)installaties (WKK’s, verwarmingsinstallaties, stoomketel, RTO en fakkel);

  • emissie van fijnstof van installaties en uit diverse bedrijfshallen.

De afvalscheidingsinstallatie van Ecopark De Wierde is een IPPC-installatie waarop de BBT-conclusies van de BREF Afvalbehandeling en de BREF Op- en overslag betrekking heeft. De BBT is om diffuse emissie naar lucht te voorkomen dan wel te verminderen door insluiting, verzameling en behandeling hiervan. De afvalscheiding vindt plaats in diverse bedrijfshallen, waarbij de lucht uit de gebouwen en puntbronnen wordt afgezogen en behandeld in stof- en geurfilters. De bijbehorende emissiepunten zijn de schoorstenen van de windsifter met luchtfilter (KSI), het luchtfilter van de SBI en het luchtfilter van de DANO-hal.

Hierna gaan wij per stof in op de relevante emissies (en de bijbehorende grenswaarden) vanuit dit emissiepunt. Voorts wordt per stof bekeken of deze in de BBT-conclusie behandeld is. BBT-conclusies zonder emissie-eisen (BAT-AEL) gaan ook vóór regels uit het Activiteitenbesluit. Als er een BBT-conclusie geldt, worden de emissiegrenswaarde, de technieken en/of maatregelen in deze vergunning opgenomen. Als de bepaalde stof of groep van stoffen in de BBT-conclusie niet is behandeld, gelden de emissie-eisen van het Activiteitenbesluit rechtstreeks. Van de in het Activiteitenbesluit gestelde eisen kan worden afgeweken via maatwerkvoorschriften. Wij geven deze afwijkingen hieronder aan.

In BBT-conclusie 25 is voor geleide stofemissies naar lucht een range van 2 tot 5 mg/Nm3 als gemiddelde concentratie over de bemonsteringsperiode opgenomen. BBT-conclusie 25 is niet van toepassing op het biofilter, een techniek waarbij de stofemissie altijd laag is.

Met de aanwezige/gekozen technieken van de behandeling van geleide stofemissie naar de lucht van de windsifter en de afgezogen lucht uit de SBI en de DANO-hal, wordt een emissiegrenswaarde gehaald die binnen deze range valt. Wij hebben de maximale stofemissiewaarde van 5 mg/Nm3 dan ook in de voorschriften van deze vergunning opgenomen.

De geleide emissie van de stookinstallaties wordt hierna in paragraaf 2.3 beschreven

Conclusie procesemissies

In onderstaande tabel hebben wij per emissiepunt het toetsingskader (norm op grond van BBT- conclusie) en de in deze vergunning opgenomen vergunningvoorschriften samengevat:

Bron

Stof

Emissieconcentratie (mg/Nm3) o.g.v. BBT-conclusie

Windsifter met luchtfilter

stof (PM10)

5

Luchtfilter SBI

stof (PM10)

5

Luchtfilter Dano-hal

stof (PM10)

5

Bron

De aangevraagde emissies (en de daarbij behorende emissiegrenswaarden) voldoen aan BBT.

Wij hebben voor de betreffende procesemissies voorschriften in deze vergunning opgenomen.

Monitoring van procesemissies

Monitoring van luchtemissies dient om aan te tonen dat een installatie voldoet aan de geldende emissiegrenswaarden en/of een reinigingstechniek goed werkt en/of voor procesmonitoring of -optimalisatie.

Monitoring van procesemissies wordt in beginsel volledig bestreken door artikel 2.8 van het Activiteitenbesluit.

Indien er op grond van artikel 2.5 en 2.6 van het Activiteitenbesluit emissiegrenswaarden gelden, dan geeft tabel 2.8 van het Activiteitenbesluit het geldende controleregime aan. Het controleregime is gebaseerd op de grootte van de storingsfactor. Uit het controleregime kan volgen dat het bedrijf metingen moet uitvoeren. Mogelijke frequenties van metingen zijn eenmalig, periodiek of continu.

Van de procesemissies kan controle plaatsvinden aan de hand van emissierelevante parameters (ERP’s cat. A of ERP’s cat. B). Afdeling 2.7 van de Activiteitenregeling geeft verdere invulling aan de monitoringseisen.

Slechts indien en voor zover er voor de betreffende emissies BBT-conclusies zijn vastgesteld en deze emissies daardoor in de omgevingsvergunning milieu geregeld worden, wordt het onderwerp monitoring ook in deze vergunning geregeld. In BBT-conclusie 8 van de BREF Afvalbehandeling is de monitoring geregeld.

De vergunninghouder heeft in de aanvraag alle luchtemissies gepresenteerd, maar een controleplan met daarin de daarbij horende monitoringsfrequentie en emissierelevante parameters (ERP’s) ontbreekt. Om alle luchtemissies op overzichtelijke wijze (blijvend) te presenteren en te laten zien welke controle hierop plaatsvindt, is dit controleplan nodig voor Ecopark De Wierde. Ook moet dit plan geactualiseerd worden aan de hand van de overwegingen van deze vergunning c.q. de actuele wet- en regelgeving. Hierdoor heeft de vergunninghouder en ook wij één document waarin alle geldende regelgeving en voorschriften bij elkaar staan. Het controleplan, waarvoor goedkeuring nodig is, toetsen wij aan de BBT-conclusies en artikel 2.8 van het Activiteitenbesluit.

Wij hebben hiervoor voorschriften opgenomen in deze vergunning.

Emissies van stookinstallaties, niet zijnde een grote stookinstallatie

Volgens de definitie van het Activiteitenbesluit is een stookinstallatie een technische eenheid waarin brandstoffen worden geoxideerd teneinde de aldus opgewekte warmte te gebruiken. Binnen de inrichting zijn de volgende kleine en middelgrote stookinstallaties aanwezig: Wkk-installaties, de verwarmingsinstallaties, de regeneratieve thermische oxidatie (RTO) en de stoomketel. De emissie-eisen en/of het keurings- en onderhoudsregime van paragraaf 3.2.1 van het Activiteitenbesluit en de Aciviteitenregeling milieubeheer zijn van toepassing.

Door de stookinstallaties worden relevante hoeveelheden NOx geëmitteerd naar de lucht.

Op de emissies van de fakkelinstallaties is het Stortbesluit van toepassing. Wij hebben de instructiebepalingen voor fakkels als voorschriften opgenomen in deze vergunning.

Diffuse emissies

Binnen de inrichting is sprake van diffuse emissies afkomstig van de volgende activiteiten:

stikstofemissies van voertuigen, mobiele werktuigen en bewerkingsinstallatie (een puinbreker en een shredder voor grof huishoudelijk afval); stofemissies van opslag en verwerking (sorteren, mengen, breken, shredderen, zeven) van vaste bulkgoederen

Vaste bulkgoederen

Uit het bij de aanvraag behorende “Onderzoek Luchtkwaliteit, Omrin Ecopark De Wierde in Heerenveen, Anteagroup, projectnummer 0473607.10017, februari 2022 revisie 02” en de niet technische samenvatting blijkt welke activiteiten stuifgevoelig zijn en welke emissiebeperkende maatregelen toegepast worden per activiteit.

In beginsel gelden de luchtvoorschriften uit Afdeling 2.3 van het Activiteitenbesluit. Deze afdeling is echter niet van toepassing op emissies naar de lucht van een IPPC-installatie, voor zover voor de activiteit of het type productieproces BBT-conclusies voor deze emissies zijn vastgesteld.

De activiteiten op-, overslag en bewerking van steenachtige materialen, puin, puingranulaat en (PAK-arm) asfalt(granulaat) zijn echter niet behandeld in bovengenoemde BBT-conclusies. Hiervoor geldt dus het hieronder gestelde.

Handelingen met inerte vaste bulkgoederen vallend onder het Activiteitenbesluit

Op de overslag, opslag, laden, lossen, transport, mengen van de inerte goederen en op het zeven van zand en grond is paragraaf 3.4.3 (artikelen 3.32, 3.37 t/m 3.39) van het Activiteitenbesluit van toepassing. Uit de aanvraag blijkt dat aan deze bepalingen wordt voldaan.

Overige handelingen met inerte vaste bulkgoederen en handelingen met niet-inerte vaste bulkgoederen

Voor de diffuse stofemissies van de verwerking van vaste inerte bulkgoederen anders dan overslag, opslag, laden, lossen, transport, mengen en anders dan het zeven van zand en grond, alsmede voor diffuse stofemissies van op- en overslag, laden en lossen, transporteren en verwerking van vaste niet-inerte bulkgoederen, gelden de regels van het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling niet.

Wij hebben hiervoor voorschriften opgenomen in deze vergunning.

Zeer zorgwekkende stoffen (ZSS)

Afvalstoffen kunnen ZZS bevatten. De voorschriften van artikel 2.4 van het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling gelden. Voor een IPPC-installatie met BBT-conclusie voor ZZS, geldt op grond van het Activiteitenbesluit voor ZZS alleen artikel 2.4, tweede lid. Dit artikel gaat over de minimalisatieverplichting.

De minimalisatieverplichting houdt in dat iedere vijf jaar aan het bevoegd gezag gerapporteerd moet worden over de mate waarin emissies van ZZS naar de lucht plaatsvinden en de mogelijkheden om die emissies te voorkomen c.q. te beperken.

Voor de emissie van ZZS naar lucht blijkt dat voldaan wordt aan de eisen uit het Activiteitenbesluit.

Luchtkwaliteit

In Titel 5.2 Wet milieubeheer en de bijbehorende bijlage 2 bij de Wet milieubeheer zijn grens- en richtwaarden gesteld aan de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht op leefniveau, die wij als toetsingscriteria moeten hanteren.

De inrichting emitteert een aantal stoffen waarvoor deze grenswaarden gelden, te weten zwaveldioxide, stikstofdioxide, zwevende deeltjes (PM2,5 en PM10), De concentraties van fijnstof (PM2,5 en PM10) en stikstofdioxide (NO2) zijn in de Nederlandse situatie het meest kritisch ten opzichte van de grenswaarden.

De inrichting heeft voor deze stoffen een immissietoets uitgevoerd. Deze is opgenomen in het luchtkwaliteitsonderzoek bij de aanvraag “Onderzoek Luchtkwaliteit, Omrin Ecopark De Wierde in Heerenveen, Anteagroup, projectnummer 0473607.10017, februari 2022 revisie 02”.

Op grond van artikel 5.16, lid 1 van de Wet milieubeheer kan de vergunning alleen worden verleend, als aannemelijk gemaakt kan worden dat voldaan wordt aan (minimaal) één van de volgende criteria:

  • a.

    er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde

  • b.

    er is - al dan niet per saldo - geen verslechtering van de luchtkwaliteit

  • c.

    de bijdrage aan de concentratie van een stof is ‘niet in betekenende mate' (NIBM)

  • d.

    het project is genoemd of past binnen het NSL of binnen een regionaal programma van maatregelen.

Op basis van verspreidingsberekeningen concluderen wij dat voldaan wordt aan de grenswaarden in Bijlage 2 van de Wet milieubeheer.

PRTR-verslag

Aangezien er binnen de inrichting activiteiten worden uitgevoerd als bedoeld in Bijlage I van de EG-Verordening PRTR, geldt dat conform titel 12.3 van de Wm een elektronisch PRTR-verslag moet worden ingediend.

Op grond van artikel 12.20, lid 1 van de Wm geldt dat de vergunninghouder de emissies (jaarvrachten) moet rapporteren.

Eindconclusie aspect lucht

Wij zijn van oordeel dat uit de aanvraag blijkt dat er voldoende maatregelen worden toegepast c.q. zullen worden toegepast om luchtemissies te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. De aangevraagde situatie is daarmee vergunbaar. Wij hebben in de vergunning emissiegrenswaarden opgenomen.

EXTERNE VEILIGHEID

Algemeen

Bij Omrin zijn gevaarlijke stoffen aanwezig. De processen, de aard en hoeveelheid van de gebruikte gevaarlijke stoffen zoals vermeld in de aanvraag kunnen een risico vormen voor de omgeving.

Het externe veiligheidsbeleid in Nederland is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van activiteiten voor de omgeving (mens en milieu). Het gaat hierbij onder meer om de risico's die verbonden zijn aan de opslag en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Zoals in het NMP4 (Vierde Nationaal Milieubeleidsplan) is aangegeven, is de basis van het huidige risicobeleid dat het gevaar van een activiteit acceptabel is wanneer:

  • het plaatsgebonden risico niet hoger is dan is genormeerd;

  • de kans op een groot ongeluk met veel slachtoffers kan worden verantwoord (het groepsrisico).

Het plaatsgebonden risico is een maatstaf om te bepalen welke afstand nodig is tussen de risicodragende activiteit en de bebouwde omgeving. Het plaatsgebonden risico is de kans dat zich op een bepaalde plaats over een periode van één jaar een dodelijk ongeval voordoet als direct gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen, indien zich op die plaats 24 uur per dag en onbeschermd een persoon zou bevinden. Het plaatsgebonden risico is een maatstaf om te bepalen welke afstand nodig is tussen de risicodragende activiteit en de bebouwde omgeving.

Het plaatsgebonden risico is het risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is.

De gehanteerde norm voor het plaatsgevonden risico in Nederland is in beginsel 10-6 per jaar (dit wil zeggen een kans van 1 op de miljoen per jaar). Deze norm is opgenomen in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi).

In het Bevi is aangegeven in welke gevallen hiervan (tijdelijk) kan worden afgeweken. Het groepsrisico voegt daar als maatstaf aan toe de verwachte omvang van een ongeval, uitgedrukt in het aantal dodelijke slachtoffers, gegeven de kans op dat ongeval. Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep personen die zich in de omgeving van de risicosituatie bevindt, overlijdt vanwege een ongeval met gevaarlijke stoffen. Met de grootheid groepsrisico is getracht een maat voor maatschappelijke ontwrichting te creëren. In het Bevi is een niet-normatieve benadering van het groepsrisico neergelegd. Het groepsrisico moet altijd verantwoord worden. Bij de beoordeling van het groepsrisico is de vraag aan de orde welke omvang van een ramp, gegeven de kans daarop, maatschappelijk aanvaardbaar is.

Besluit risico’s zware ongevallen 2015

Met het in werking treden van het Brzo 2015 is de Europese Seveso lll-richtlijn uit 2012 geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving. Het Brzo 2015 richt zich op het beheersen van zware ongevallen en heeft tot doel om het risico van (grote) ongevallen bij bedrijven zo klein mogelijk te maken. Dat gebeurt enerzijds door de kans dat dergelijke ongevallen plaatsvinden te verkleinen (proactie, preventie en preparatie) en anderzijds door de gevolgen van een eventueel ongeval voor mens en milieu te beperken (repressie). Op grond van de aangevraagde hoeveelheid gevaarlijke stoffen wordt de lage drempelwaarden uit bijlage I van de Seveso III-richtlijn na sommatie niet overschreden. De sommatiewaarde bedraagt namelijk circa 0,82. Hierin is de hoeveelheid biogas in de vierde reactor niet meegenomen, omdat deze als toekomstige ontwikkeling is beschouwd in de aanvraag. Dit betekent dat voor realisatie van deze reactor te zijner tijd een nieuwe vergunning moet worden aangevraagd..

Gevaarlijke stoffen

Om te voorkomen dat de inrichting wel een Brzo-inrichting kan worden, hebben wij de aangevraagde hoeveelheden gevaarlijke stoffen die aanwezig kunnen zijn in de diverse installatie(s)/onderdelen en die bepalend kunnen zijn voor de Seveso-status, vastgelegd in de voorschriften van deze vergunning. Deze voorschriften zijn controleerbaar. Aangezien deze hoeveelheden in stationaire installaties kunnen voorkomen, zijn deze als zodanig niet onderhevig aan fluctuaties. Omdat daarnaast ook nog andere gevaarlijke stoffen aanwezig zijn hebben wij in de vergunning vastgelegd dat er een bewakingssysteem in werking moet zijn om te waarborgen dat de toegestane hoeveelheden niet worden overschreden.

Gevaarlijke afvalstoffen

De inrichting van Omrin betreft een afvalverwerkend bedrijf. Voor de inventarisatie van de binnen de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen moeten ook de gevaarlijke afvalstoffen worden betrokken bij de bepaling van de Brzo-status. De wettelijke grondslag hiervoor is EU 1357/2014.

De Seveso III-richtlijn is ook van toepassing op gevaarlijke afvalstoffen (1357/2014). Stortplaatsen voor afvalstoffen, met inbegrip van ondergrondse opslag van afvalstoffen, vallen echter niet onder de Seveso III-richtlijn. In Aantekening 5 bij Bijlage I bij de Seveso III-richtlijn wordt verwezen naar CLP-verordening (EG) nr. 1272/2008 en worden afvalstoffen expliciet vermeld: „Gevaarlijke stoffen die niet onder Verordening (EG) nr. 1272/2008 vallen, waaronder afvalstoffen, maar niettemin in een inrichting aanwezig zijn of kunnen zijn en onder de in de inrichting heersende omstandigheden gelijkwaardige eigenschappen hebben of kunnen hebben wat de mogelijkheden van een zwaar ongeval betreft, worden voorlopig toegewezen aan de meest gelijkende categorie of met naam genoemde gevaarlijke stof die onder het toepassingsgebied van deze verordening valt.” Vanwege de wijze van “geïmmobiliseerde” opslag van het materiaal in de deponie, gaat hiervan geen gevaar uit voor een zwaar ongeval. De aangevraagde hoeveelheid in de deponie in compartimenten 4A/4B/3c wordt dan ook niet betrokken in de toetsing.

Voor de overige gevaarlijke afvalstoffen heeft Omrin in de aanvraag, document “reactie verzoek aanvullende gegevens” d.d. 22-2-2022 onder punt 3 over het acceptatie- en verwerkingsbeleid, de aangevraagde Eural-codes vermeld. Dit betreft gevaarlijke afvalstoffen zoals bouw- en sloopafval, bitumineuze afvalstoffen, grond, isolatiemateriaal, afval van de verbranding, afval van de mechanische afvalverwerking, afval van de bodemsanering en stedelijk afval die asbest kunnen bevatten. De asbesthoudende afvalstoffen worden verpakt aangeleverd en ondergaan verder geen behandeling.

Van de aangevraagde Eural-codes kan worden aangenomen dat deze geen zodanige verontreinigingen in concentraties bevatten, dat deze afvalstoffen als zodanig moeten worden betrokken bij de bepaling van de Seveso-relevante hoeveelheid. Van deze Eural-codes gaan dan ook geen risico’s op een zwaar ongeval uit.

Op basis van het bovenstaande concluderen wij dat met inachtneming van de aan deze vergunning verbonden voorschriften geborgd is dat de inrichting niet onder de werkingssfeer van het Brzo 2015 komt te vallen.

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)

Geen van de aangevraagde activiteiten valt onder het toepassingsgebied van het Bevi. Dat geldt ook voor de opslag van methanol in een bovengrondse tank. Voor de beoordeling van methanol worden alleen de brandbare eigenschappen betrokken zoals bepaald in de Regeling externe veiligheid inrichtingen. De inhoud van de methanoltank is kleiner dan 120 m3.

Registratiebesluit/Regeling provinciale risicokaart

Het Registratiebesluit externe veiligheid (hierna: Revi) geeft aan welke inrichtingen en welke informatie opgenomen moet worden in het Risicoregister. Daarnaast moeten ook inrichtingen die vallen onder de reikwijdte van de Regeling provinciale risicokaart worden opgenomen in het register. De criteria van het besluit en de regeling zijn samengevoegd in de drempelwaardentabel die is opgenomen in de Leidraad Risico Inventarisatie. Ecopark De Wierde Omrin valt onder de criteria van het Registratiebesluit en/of de Regeling.

Na afronding van de vergunningprocedure worden de gegevens in het risicoregister geactualiseerd.

Warenwetbesluit drukapparatuur

Bij de inrichting is apparatuur in gebruik met een maximaal toelaatbare druk van meer dan 0,5 bar. Voor deze installatie gelden de eisen zoals verwoord in het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016. Dit besluit is van toepassing op het ontwerp, de fabricage, de overeenstemmingsbeoordeling, de ingebruikneming en periodieke keuring van drukapparatuur, samenstellen en druksystemen waarvan de maximaal toelaatbare druk (PS) meer dan 0,5 bar bedraagt. Het besluit is rechtstreeks werkend, zodat in deze vergunning geen nadere eisen gesteld (mogen) worden. De Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) is toezichthouder voor het in werking hebben van deze drukapparatuur.

Relatie met Atex

Gasexplosie

Een gasexplosie kan ontstaan wanneer een ontstekingsbron een explosief mengsel van een brandbaar gas (verdampte vluchtige vloeistof) én zuurstof (lucht) tot ontsteking brengt. Bij Ecopark De Wierde bestaat de mogelijke aanwezigheid van vrijgekomen brandbaar gas (biogas, groen gas, CNG) en de kans dat dit gas tot ontbranding of ontsteking wordt gebracht.

De verplichtingen voor bedrijven ten aanzien van gas- en stofontploffingsgevaar zijn verankerd in de Arbowet en het Arbobesluit (Atex). Concreet gaat het voor inrichtingen (bedrijven) dan met name om het explosieveiligheidsdocument, de RI&E voor de onderdelen gas- en stofontploffing en de gevaren- zone-indeling.

De NLA (Nederlandse Arbeidsinspectie) is toezichthoudende instantie. Om deze reden worden voor gas- en stofontploffingsgevaar geen voorschriften aan deze vergunning verbonden.

(Intern) noodplan

In de arbowetgeving is het hebben van een noodplan geregeld. Op basis van artikel 2.5 c van het Arbobesluit is een bedrijf verplicht om een noodplan te hebben. Gelet hierop worden voor een (intern) bedrijfsnoodplan geen voorschriften aan deze omgevingsvergunning verbonden.

BRANDVEILIGHEID

Bouwbesluit 2012

Met ingang van 1 april 2012 is het Bouwbesluit 20212 in werking getreden. Er is voor een nieuwe afbakening gekozen tussen bouw- en milieuregelgeving.

Wanneer sprake is van:

  • een brandbare milieugevaarlijke stof en de opslaghoeveelheid boven de grens van tabel 7.6 van het Bouwbesluit 2012 ligt, dan is de Wabo het wettelijke kader;

  • een brandbare milieugevaarlijke stoffen en de opslaghoeveelheid onder de grens van tabel 7.6 van het Bouwbesluit 2012 ligt, dan is het Bouwbesluit 20212 het wettelijke kader;

  • een brandbare en NIET milieugevaarlijke stof, dan is het Bouwbesluit 2012 het wettelijke kader.

In onderhavige inrichting worden op het buitenterrein (diverse opslagterreinen) en de stortplaats brandbare stoffen opgeslagen:

  • autobanden (50 ton )

  • C-hout (50 ton)

  • B-hout (200 ton)

  • houtsnippers (1100 ton)

  • kunststoffen (100.000 ton)

  • RDF-fractie.

Dit betreft alleen brandbare niet milieugevaarlijke stoffen.

Opslag van brandgevaarlijke niet milieugevaarlijke stoffen op het buitenterrein

In het Bouwbesluit 2012 zijn in artikel 7.7 voorschriften met betrekking tot de opslag van brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen opgenomen. Doel van de voorschriften is om de brandveiligheid van belendingen te waarborgen. In het Bouwbesluit 2012 is een algemene functionele eis voor de opslag van de betreffende stoffen opgenomen, die inhoudt dat de opslag zodanig moet geschieden dat geen onveilige situatie ontstaat voor percelen die zijn gelegen naast het perceel waar de opslag plaatsvindt. Degene die voor de opslag verantwoordelijk is, zal zo nodig aan het bevoegd gezag aannemelijk moeten maken dat de opslag voldoende veilig plaatsvindt.

In bijlage 15 van de aanvraag zijn voor de opslag van kunststofbalen de brandbeheersingsmaatregelen beschreven. Wij hebben de aangevraagde maatregelen opgenomen in deze vergunning.

PGS-RICHTLIJNEN

Op- en overslag van gevaarlijke stoffen

Voor de op- en overslag van gevaarlijke stoffen zijn diverse richtlijnen opgesteld in de Publicatiereeks gevaarlijke stoffen (PGS), waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu wordt gerealiseerd. Deze PGS-richtlijnen zijn vermeld als Nederlandse Informatiedocumenten over BBT in de bijlage van de Mor.

PGS 15: Opslag verpakte gevaarlijke stoffen in emballage

De voor de inrichting relevante voorschriften hebben wij opgenomen in deze vergunning.

PGS 25: Aardgas afleverinstallaties  voor motorvoertuigen

Binnen de inrichting bevindt zich een CNG-tankstation dat wordt gevoed met het tot aardgas opgewerkte biogas uit de vergistingsinstallatie. De PGS 25: Aardgas-afleverinstallaties voor motorvoertuigen is het aangewezen informatiedocument over de beste beschikbare technieken. In de Activiteitenregeling milieubeheer zijn de rechtstreeks werkende voorschriften opgenomen.

PGS 30: Vloeibare brandstoffen – bovengrondse tankinstallaties en afleverinstallaties 2011

Bij Ecopark De Wierde wordt dieselolie opgeslagen in een bovengrondse tank van 40 m3. Voor dieselolie staan de voorschriften in paragraaf 3.4.9 van het Activiteitenbesluit, die op de inrichting van toepassing zijn. Daarom worden in de vergunning geen voorschriften hiervoor opgenomen. Voor het afleveren van vloeibare brandstof (dieselolie) aan interne transportmiddelen hebben wij voorschriften opgenomen. Wij hebben een aanvullend voorschrift opgenomen voor inspectie en onderhoud aan de slibvanger en olie-/benzineafscheider.

PGS 31: Opslag gevaarlijke vloeistoffen in ondergrondse en bovengrondse tankinstallaties

Bij Ecopark De Wierde wordt methanol opgeslagen in een bovengrondse tank met een inhoud van 41,8 m3. De voor deze tankinstallatie relevante voorschriften van PGS 31 hebben wij opgenomen in deze vergunning.

Beoordeling en conclusie

Ten aanzien van de risico’s als gevolg van de activiteiten zijn wij van mening dat wanneer binnen de inrichting conform de aan deze vergunning verbonden voorschriften en van toepassing zijnde wettelijke regels wordt gewerkt, er geen sprake zal zijn van onaanvaardbare risico’s voor de omgeving ten gevolge van een ongeval met (gevaarlijke) (afval) stoffen; de restrisico’s worden in voldoende mate beheerst.

ENERGIE

Landelijk beleid

In het landelijke beleid zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit worden inrichtingen aan de hand van het jaarlijkse energieverbruik als volgt ingedeeld:

  • Kleinverbruikers: minder dan 25.000 m³ aan aardgasequivalenten én minder dan 50.000 kWh elektriciteitsverbruik;

  • Middelgrote verbruikers: tussen 25.000 en 75.000 m³ aan aardgasequivalenten en/of tussen 50.000 en 200.000 kWh elektriciteitsverbruik;

  • Grootverbruikers: meer dan 75.000 m³ aan aardgasequivalenten en/of meer dan 200.000 kWh elektriciteitsverbruik.

Voor andere energiebronnen dan elektriciteit en aardgas wordt het verbruik uitgedrukt in aardgasequivalenten door de omrekenfactoren te hanteren zoals opgenomen in artikel 2.16d van de Activiteitenregeling.

Uit de aanvraag om revisievergunning blijkt dat sprake is van een energierelevante inrichting en van een energiegrootverbruiker.

Voorschriften voor vergunningplichtige bedrijven

Voor vergunningplichtige bedrijven geldt dat de energievoorschriften uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling niet rechtstreeks werkend zijn. Regels voor energiebesparing worden dan ook via voorschriften in de vergunning geregeld op basis van artikel 5.7 van het Bor. Dat artikel verplicht het bevoegd gezag voorschriften aan de vergunning te verbinden met betrekking tot een doelmatig gebruik van energie en grondstoffen. Dit betekent dat moet worden getoetst of de inrichting de beste beschikbare technieken (BBT) toepast om tot een zuinig energieverbruik te komen.

Een energiebesparende maatregel moet genomen worden als de terugverdientijd vijf jaar of korter is. Welke maatregelen dit zijn, moet blijken uit een vierjaarlijks energieonderzoek. Verder moeten grootverbruikers een uitvoeringsplan voor de maatregelen opstellen en jaarlijks rapporteren over het energieverbruik van de inrichting en welke energiebesparende maatregelen zijn getroffen.

Daarnaast moet bij het nemen van energierelevante investeringsbeslissingen die niet zijn opgenomen in het meest recente energieonderzoek, voorafgaand aan het investeringsbesluit worden nagegaan of er energiezuinigere alternatieven zijn. Als dat het geval is en een alternatief binnen vijf jaar terug te verdienen is, moet voor dat alternatief gekozen worden. Investeringen die energierelevant zijn, zijn bijvoorbeeld aanschaf, renoveren of grootschalig onderhouden van verwarmingstoestellen, machines en apparaten, maar ook het vervangen van verlichting.

In het licht van de verdragen, afspraken en doelstellingen die op alle niveaus, van internationaal tot lokaal, bestaan, is het noodzakelijk om de energievoorziening en het energieverbruik verder te verduurzamen. Daartoe moet in een vierjaarlijks onderzoek worden gekeken naar de maatregelen die noodzakelijk zijn om de energievoorziening van de inrichting volledig te verduurzamen, met als streefjaar 2050. Door een vierjaarlijkse onderzoeksverplichting wordt BBT voor het onderdeel energie periodiek in kaart gebracht

Richtlijn energie-efficiëntie (EED)

De Europese richtlijn Energy Efficiency Directive (ook wel EED genoemd) is in Nederland omgezet in artikel 18 en artikel 18a van de Wet uitvoering EU-handelingen energie-efficiëntie. De belangrijkste verplichting uit de Europese richtlijn energie-efficiëntie is het uitvoeren van een energie-audit. In het Besluit energie-audit zijn de eisen die worden gesteld aan energie-audits en de verslaglegging hiervan nader gegeven. De auditplicht geldt voor ondernemingen met meer dan 250 medewerkers (fte) of een jaaromzet groter dan € 50 miljoen en een jaarlijks balanstotaal groter dan € 43 miljoen.

Afvalsturing Friesland N.V., waar de inrichting deel van uitmaakt, valt onder de Europese richtlijn energie-efficiëntie. In dat kader zijn in het verleden energie-audits per vestiging uitgevoerd. Voor de inrichting zijn enkele energiebesparende maatregelen vastgesteld en aanbevelingen gedaan voor verbetering van de energiehuishouding.

Momenteel is geen sprake van deelname aan een of meerdere keurmerken die een vrijstelling geven van de EED-auditplicht.

Initiatieven energie en duurzaamheid

Omrin is deelnemer aan meerdere keurmerken, waaronder ISO-9001:2015, ISO 14001:2015 (milieuzorgsysteem), ISO 45001:2018 (managementsysteem voor gezond en veilig werken) en ISCC (certificaat hernieuwbare energie).

Deze keurmerken zijn primair gericht op respectievelijk kwaliteitsmanagement, milieuzorg, gezond en veilig werken en hernieuwbare energie en kunnen elementen over energie-efficiëntie bevatten.

Daarnaast heeft Omrin aangegeven dat bij Ecopark De Wierde gewerkt wordt met een vierjaarlijkse strategiecyclus, waarbij de plannen voor de komende 4 jaar worden bepaald inclusief circulaire economie (inkoop), duurzaamheid, recycling, VANG-doelstellingen, energieproductie uit afvalstoffen en biomassa. Op grond daarvan stelt ieder bedrijfsonderdeel jaarplannen voor het komende jaar op.

Samenhang energieonderzoek met initiatieven energie en duurzaamheid

Er bestaat naar verwachting inhoudelijke overlap tussen het energieonderzoek dat in deze vergunning wordt geëist en de bovengenoemde EED-plicht en andere initiatieven op het gebied van energie en duurzaamheid.

EED-audit

De overlap tussen het energieonderzoek dat in deze vergunning wordt geëist en het EED-auditverslag, is niet volledig. De inhoudelijke vereisten waaraan het verslag van de energie-audit moet voldoen, zijn opgenomen in het Besluit en de Regeling energie-audit. Hierin staan eisen, zoals vervoersmanagement, die niet in het energieonderzoek staan dat in deze vergunning wordt geëist. Anderzijds worden in deze vergunning eisen gesteld die niet in de energie-audit staan, zoals de verplichting om de rendabele energiemaatregelen in een energie-uitvoeringsplan te zetten, met vermelding van de fasering in de uitvoering van deze maatregelen. Ook is voor de energie-audit geen methode vastgelegd voor het bepalen van de terugverdientijd van maatregelen. In deze vergunning is in voorschrift 3.1.1 vastgelegd dat de terugverdientijd van maatregelen bepaald moet worden volgens de in bijlage 10a van de Activiteitenregeling milieubeheer beschreven methodiek.

Onder het kopje initiatieven en duurzaamheid zijn relevante keurmerken, trajecten en plannen nader toegelicht. Deze kunnen elementen bevatten die (deels) invulling geven aan het energieonderzoek en/of uitvoeringsplan dat in deze vergunning wordt voorgeschreven. Het is dan ook raadzaam om deze informatie hierbij te betrekken.

Combineren rapportages

Het is aan te raden om bovengenoemde rapportages vanuit verschillende trajecten te combineren in één rapport. Om bedrijven hierin te faciliteren zijn er plannen om te zijner tijd een format op te stellen met daarin de eisen aan het verplicht onderzoek naar maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik en de energie-audit.

Om de vierjaarlijkse rapportage uit voorschrift 3.1.1 te kunnen combineren met het EED-auditverslag en/of andere relevante rapportages, kan de vergunninghouder verzoeken om de vierjaarlijkse rapportagedatum aan te laten sluiten bij andere rapportageverplichtingen. Dit is vastgelegd in voorschrift 3.1.2

ONGEWONE VOORVALLEN 

In artikel 17.2, eerste lid van de Wet milieubeheer is vastgelegd dat ongewone voorvallen waardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of dreigen te ontstaan, door het bedrijf zo spoedig mogelijk aan ons moeten worden gemeld. In artikel 17.2, vierde lid is vermeld dat het bevoegd gezag in een omgevingsvergunning voor een inrichting of bij een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 8.42 voor een ongewoon voorval, waarvoor de nadelige gevolgen niet significant zijn, kan bepalen dat, in afwijking van artikel 17.2, eerste lid, het voorval wordt geregistreerd en kan voorschrijven binnen welke termijn en op welke wijze het voorval moet worden gemeld. Deze termijn kan afwijken van de verplichting, genoemd in artikel 17.2, eerste lid, om het voorval zo spoedig mogelijk te melden.

De aanvrager heeft om toepassing verzocht van artikel 17.2, vierde lid. De inrichting is te kenmerken als een inrichting waarbij regelmatig ongewone voorvallen zonder significante gevolgen voor het milieu plaats kunnen vinden. De ervaring leert dat regelmatig meldingen worden ingediend, terwijl er geen sprake is van enige significante gevolgen voor het milieu. Daarmee vormt het altijd zo spoedig mogelijk moeten melden van ongewone voorvallen zonder significante gevolgen een onnodige administratieve belasting voor het bedrijf.

Omrin heeft een meldschema ontwikkeld waarmee kan worden vastgesteld welke ongewone voorvallen kunnen worden geclassificeerd als voorval zonder significante gevolgen voor het milieu. Wij zijn van mening dat met dit meldschema voldoende onderscheid wordt gemaakt tussen ongewone voorvallen mét en zónder significante gevolgen voor het milieu.

Wij achten het echter van belang om zicht te houden op de aantallen, aard en omvang van de ongewone voorvallen zonder significante gevolgen voor het milieu. Deze kunnen een indicatie zijn of de processen (in de ruimste zin) in voldoende mate worden beheerst en de installaties deugdelijk zijn.

Daarom hebben wij, naast het toepassen van het meldschema, ook een aantal voorschriften opgenomen voor het verplicht registreren ervan en de wijze waarop wij periodiek moeten worden geïnformeerd over de ongewone voorvallen zonder significante gevolgen voor het milieu die zich hebben voorgedaan.

Naast het inzichtelijk hebben van de ongewone voorvallen zonder significante gevolgen voor het milieu, stellen wij echter ook eisen aan het afhandelingsproces van ongewone voorvallen binnen de inrichting. Daarbij gaat het om zaken als signalering van de ongewone voorvallen, communicatie, onderzoek en bevoegdheden van medewerkers. Omrin heeft een beschrijving ingediend waarbij op hoofdlijnen inzichtelijk is gemaakt hoe het afhandelingsproces is georganiseerd. Om te borgen dat ook in de toekomst ongewone voorvallen zonder significante gevolgen voor het milieu door Omrin op de juiste manier worden afgehandeld, hebben wij voorschriften opgenomen over het in stand houden van dat afhandelingsproces.

OVERIGE ASPECTEN

Bedrijfsbeëindiging

Voor het treffen van maatregelen om bij definitieve bedrijfsbeëindiging de nadelige gevolgen die de inrichting heeft veroorzaakt voor het terrein waarop zij was gevestigd, ongedaan te maken of te beperken voor zover dat nodig is om dat terrein weer geschikt te maken voor een volgende functie, zijn in paragraaf 1.6 van deze vergunning voorschriften opgenomen. De voorschriften hebben betrekking op de verwijdering van aanwezige stoffen en materialen bij het gedeeltelijk of geheel beëindigen van de activiteiten.

Op grond van artikel 8.49 van de Wm gelden voor de binnen de inrichting aanwezige stortplaats specifieke eisen bij bedrijfsbeëindiging.

Proefnemingen

Voor veel inrichtingen is het zoeken naar verbetering(en) van producten en procesvoering een veelvuldig terugkerend aandachtspunt. Vaak wordt ook aan productonderzoek en/of -ontwikkeling gedaan. Dergelijke ontwikkelingen dragen veelal ook bij aan een vermindering van de belasting van het milieu.

Vanuit de geschetste achtergrond kan de behoefte bestaan en is het vaak van essentieel belang om op bepaalde momenten gedurende enige tijd proefnemingen uit te voeren. Op die manier kan informatie worden vergaard over de beoogde verbeteringen en/of aanpassingen in product of proces en om inzicht te krijgen in de daaraan verbonden milieu-hygiënische consequenties.

Proefnemingen worden gekenmerkt door een beperkte duur (wij gaan uit van maximaal negen maanden).

In de aanvraag heeft aanvrager aangegeven de mogelijkheid te willen hebben om desgewenst proefnemingen uit te kunnen voeren. Wij achten dit acceptabel. Wel zijn wij van oordeel dat daaraan randvoorwaarden moeten worden gesteld en dat proefnemingen ruim voor aanvang (minimaal zes weken) bij ons voor toestemming moeten worden voorgelegd. Daartoe hebben wij voorschriften opgenomen. Tevens moet over de resultaten van de proef aan ons worden gerapporteerd.

De proefnemingen moeten plaatsvinden binnen de milieuhygiënische randvoorwaarden van deze vergunning en mogen pas aanvangen na toestemming van ons.

Ten overvloede merken wij nog op dat indien een proef succesvol is verlopen en vergunninghouder de resultaten daarvan wil implementeren, daartoe eerst steeds zal moeten worden bezien in hoeverre een procedure op grond van de Wabo zal moeten worden doorlopen.

Proefnemingen met afvalstoffen

Een van de kernpunten van het afvalstoffenbeleid is dat de be- en/of verwerking van afvalstoffen op een zo hoogwaardig mogelijke wijze moet plaatsvinden. Het beoordelingskader daarvoor is het LAP. Om informatie te vergaren over bijvoorbeeld de technische haalbaarheid van nieuwe hoogwaardige technieken of andere be- of verwerkingsmethoden van afvalstoffen en om inzicht te krijgen in de daaraan verbonden milieuhygiënische consequenties, kan het uitvoeren van proefnemingen van essentieel belang zijn.

Proefnemingen worden gekenmerkt door een beperkte duur (wij gaan uit van maximaal negen maanden) en een beperkte hoeveelheid afvalstoffen.

In de aanvraag heeft aanvrager aangegeven de mogelijkheid te willen hebben om desgewenst proefnemingen uit te kunnen voeren. Wij achten dit acceptabel. Wel zijn wij van oordeel dat daaraan randvoorwaarden moeten worden gesteld en dat proefnemingen ruim voor aanvang (ten minste zes weken) bij ons voor toestemming moeten worden voorgelegd. Daartoe hebben wij voorschriften opgenomen. Tevens moet over de resultaten van de proef aan ons worden gerapporteerd.

De proefnemingen moeten plaatsvinden binnen de milieuhygiënische randvoorwaarden van deze vergunning en mogen pas aanvangen na toestemming van ons.

Ten overvloede merken wij nog op dat indien een proef succesvol is verlopen en vergunninghouder de resultaten daarvan wil implementeren, daartoe eerst steeds zal moeten worden bezien in hoeverre een procedure op grond van de Wabo zal moeten worden doorlopen.

TOEKOMSTIGE ONTWIKKELINGEN

Omrin wil in de toekomst een vierde vergistingstoren bouwen om meer biogas te kunnen opslaan. Daarnaast lopen er plannen voor het realiseren van een zonnepark aan de noordkant. Ook wordt de mogelijkheid onderzocht om de kantoren naar de noordkant te verplaatsen.

CONCLUSIE

Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op een revisievergunning kan worden geconcludeerd, dat de omgevingsvergunning verleend kan worden voor de onderdeel milieu (revisievergunning).

In deze vergunning zijn de voor het onderdeel milieu relevante voorschriften opgenomen.

3. HANDELEN IN STRIJD MET EEN BESTEMMINGSPLAN

Inleiding

Een aanvraag omgevingsvergunning voor het afwijken van het geldende bestemmingsplan of beheersverordening (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c van de Wabo) kan slechts worden geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 Wabo niet mogelijk is.

Beheersverordening

De planlocatie valt binnen de beheersverordeningen “Joure, Langweer, Nijehaske, Oudehaske en het Buitengebied’ en “Kanaal West”. Conform deze beheerverordeningen blijven de bepalingen van de voorheen geldende bestemmingsplannen van kracht. Het plan betreft het uitbreiden van het terrein aan de oostzijde, waarmee de bestaande activiteiten die momenteel centraal op het terrein plaatsvinden worden uitgebreid. Tevens wordt de hoogte van de stortplaats verhoogd van 24 naar 29 meter.

Het terrein van Omrin wordt aan de oostzijde uitgebreid. Deze uitbreiding vindt plaats op gronden met de bestemming “Agrarische doeleinden”. Het storten van afval is alleen mogelijk op gronden met de bestemming “Afvalberging”. Uitbreiding van het terrein aan de oostzijde is daarmee in strijd met de geldende beheersverordening.

Tevens voorzien het plan in een verhoging van de stort van 24 naar maximaal 29 meter. Na inklinking is de verwachting dat de stortplaats uiteindelijk 25 a 26 hoog zal zijn. Op grond van artikel 4 onder D van het voorheen geldende bestemmingsplan is het gebruik van gronden met de bestemming “Afvalberging”, waarbij de afvalberging hoger is dan 24 meter, in strijd met de bestemming. De uitbreiding van de maximale hoogte is daarom in strijd met de beheersverordening.

Beoordeling

Voor zover sprake is van een aanvraag omgevingsvergunning voor gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemminsplan of beheersverordening (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c van de Wabo) kan de vergunning op grond van artikel 2.12 van de Wabo alleen worden verleend:

  • a.

    met toepassing van de in de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking (binnenplanse afwijking);

  • b.

    in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen (buitenplanse afwijking op basis van de kruimelgevallenlijst), of,

  • c.

    indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke ordening bevat (buitenplanse afwijking – projectafwijkingsbesluit).

Ad a. Toetsing binnenplanse afwijking

Er is geen binnenplanse planologische afwijkingsmogelijkheid in de geldende beheersverordening en bijhorende bestemmingsplan opgenomen. Een binnenplanse afwijking op grond van artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 1 van de Wabo behoort niet tot de mogelijkheden.

Ad b. Toetsing buitenplanse afwijking via de kruimelgevallenlijst

De strijdige activiteiten komen niet voor in de categorieën die zijn genoemd in artikel 4 van bijlage II van het Bor. Een buitenplanse afwijking via de kruimelgevallenlijst op grond van artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 2 behoort eveneens niet tot de mogelijkheden.

Ad c. Toetsing buitenplanse afwijking – projectafwijkingsbesluit.

In dit geval wordt gebruik gemaakt van een buitenplanse afwijking voor een omgevingsvergunning die is voorzien van een ruimtelijke onderbouwing (projectafwijkingsbesluit) op grond van artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3.

Overwegingen

Afwijken van de beheersverordening is alleen wenselijk indien na een afweging van diverse belangen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Om navolgende redenen is ons inziens sprake van een goede ruimtelijke ordening en worden belangen niet geschaad.

Het project voorziet in een behoefte

De uitbreiding van het Ecopark is voor de continuïteit van de afvalverwerking noodzakelijk. Door de geleidelijke invulling van de stortplaats op de locatie neemt het terreinoppervlak voor de reguliere activiteiten af. Tot nu toe konden deze activiteiten vanwege de niet volledige ingebruikneming van de stortplaats hier plaatsvinden. Dat wijzigt nu. Omdat er minder ruimte beschikbaar is, is een verhoging van de afvalberging nodig. Daarnaast moet een deel van de activiteiten, die nu binnen het gebied plaatsvinden dat is bestemd voor afvalberging, naar een andere plek worden verplaatst. Het gaat enkel om opslagactiviteiten. De daarvoor benodigde ruimte ligt oostelijk van de bestaande inrichting. De uitbreiding is niet bestemd voor afvalberging. De vergunde toegestane capaciteit voor stort wordt niet overschreden.

Het project is landschappelijk zorgvuldig ingepast

Het oostelijke deel van het plangebied betreft uitbreiding van het terrein. Hier komt verharding en wordt het terrein ingericht ten behoeve van de opslag van RDF-balen, kunststofbalen, digestaat, grondachtige stromen en lege containers. De opslag zal een maximale hoogte hebben van 10 meter. Het uitgangspunt van de inrichting is dat de landschappelijke bufferwerking van de oostzijde blijft bestaan. De bestaande dubbele bomenrij met een hoogte van circa 15 meter blijft gehandhaafd. Ten noorden en oosten van de uitbreidingslocatie wordt een geluidswal van 3 à 4 meter hoog gerealiseerd. De geluidswal zal bestaan uit een aarden wal waarop struweelbeplanting wordt aangebracht met een hoogte van circa 6 meter. De totale hoogte van de wal met de beplanting komt daarmee op ongeveer 10 meter. Door deze landschappelijke inpassing blijft het uitzicht vanaf het noorden en oosten ongewijzigd.

Naast de uitbreiding van het terrein, zal de stort verhoogd worden van 24 tot maximaal 29 meter. Na inklinking is de verwachting dat de stortplaats uiteindelijk 25 a 26 meter hoog zal zijn. Omrin heeft voor de situatie na inpassing visualisaties (Visualisaties Landschappelijke Inpassing Omrin: Rho adviseurs, 15 februari 2022) aangeleverd. Op basis daarvan kan worden geconcludeerd dat het project kan worden gerealiseerd zonder dat het beeld vanuit de omgeving wezenlijk verandert.

Archeologie

Voor het aanleggen van het verhard oppervlak wordt circa 40.000 m2 tot een diepte van circa 0,7 m-mv afgegraven. Op basis van de gegevens van de FAMKE en de aanvullende landschappelijke, historische en archeologische gegevens, blijkt dat binnen het gehele plangebied een lage verwachting geldt voor alle perioden, met uitzondering van het Paleolithicum-Neolithicum (oude steentijd-nieuwe steentijd). Uit het archeologische onderzoek (Heerenveen, Ecopark De Wierde, Een Archeologisch Bureauonderzoek & Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O) Verkennende Fase: De Steekproef bv Archeologisch Onderzoeks- en Adviesbureau, juni 2020) dat is aangeleverd, blijkt dat de bodem in het plangebied ook in de steentijd te nat was om een aantrekkelijke vestigingslocatie te kunnen vormen. Nauwkeurige inspectie van de top van het dekzand heeft dan ook nergens in het plangebied archeologische indicatoren opgeleverd. Een archeologisch vervolgonderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

Wel blijft in alle gevallen onverminderd van kracht dat indien bij graafwerkzaamheden toch archeologisch relevante vondsten worden gedaan, hiervan direct melding dient te worden gemaakt conform de Erfgoedwet 2015, artikel 5.10 & 5.11.

Cultuurhistorie

Uit de Cultuurhistorische kaart blijkt dat in en nabij het projectgebied geen monumenten aanwezig zijn. Rondom het projectgebied zijn wel enkele waardevolle routes aanwezig, waaronder De Dolten en het pad langs de zuidzijde van het Ecopark. Ook het Hearrenfeanster Kanaal is van cultuurhistorische betekenis. Er worden binnen de inrichting geen ingrepen gedaan die de cultuurhistorische waarden negatief beïnvloeden.

Omgevingsfactoren

Voorts zijn er geen omgevingsfactoren die het initiatief in de weg staan. Voor de volledigheid wordt verwezen naar de bijgevoegde ruimtelijk onderbouwing, waarin een uitgebreide beschrijving van de omgevingsaspecten is opgenomen. Deze ruimtelijke onderbouwing maakt integraal onderdeel uit van deze omgevingsvergunning.

Geconcludeerd kan worden dat het initiatief niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Gelet hierop kan de omgevingsvergunning, met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3 van de Wabo worden verleend.

Verklaring van geen bedenkingen

Op grond van artikel 2.12, lid 1 sub a, onder 3 en artikel 2.27 lid 1 Wabo is een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad nodig om medewerking te kunnen verlenen aan de afwijking op de beheersverordening en bijhorende bestemmingsplan. Dit staat verwoord in artikel 6.5 lid 1 Bor. De gemeenteraad van de gemeente Heerenveen heeft op 6 juli 2022 besloten de ontwerp vvgb af te geven.

Conclusie

Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op de strijdigheid met het bestemmingsplan (beheer, kan worden geconcludeerd, dat de omgevingsvergunning verleend kan worden.

In deze vergunning zijn voor dit onderdeel geen voorschriften opgenomen.

Naar boven