Ambtshalve actualisatie omgevingsvergunning van BAM Wegen B.V. Regio Noord

Onderwerp

Op 13 februari 2013 is een omgevingsvergunningen met kenmerk 12-0412 verleend voor de inrichting van BAM Wegen B.V. Regio Noord op de locatie Tussendiepen 12a, 14 en 72 in Drachten. Nadien zijn op 21 november 2019 en 17 februari 2021 ambtshalve wijzigingen van de vergunning van 13 februari 2013 voor LAP3 en energie doorgevoerd met de kenmerken 2019-FUM0-0032787 en 2020-FUM0-0041157.

Deze vergunningen worden aangemerkt als omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

Wij besluiten de omgevingsvergunning van 13 februari 2013 ambtshalve te wijzigen.

Binnen de inrichting is een categorie 5.5 IPPC-installatie aanwezig, namelijk een installatie als bedoeld in de Richtlijn industriële emissies: tijdelijke opslag van gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van 50 ton of meer in afwachting van in categorie 5.1, 5.2, 5.4 en 5.6 vermelde behandelingen. Sinds 1 januari 2013 geldt een extra actualisatieplicht voor IPPC-installaties (artikel 2.30 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in combinatie met artikel 5.10, lid 1 van het Besluit omgevingsrecht). De plicht houdt in dat binnen vier jaar na publicatie van de beste beschikbare technieken (BBT)-conclusies moet worden getoetst of de vergunning nog voldoet aan de BBT-conclusies. Indien de voorschriften niet voldoen, moet de vergunning binnen de termijn van vier jaar zijn geactualiseerd.

De BBT-conclusies Afvalbehandeling zijn op 17 augustus 2018 gepubliceerd. Wij hebben de vergunning van 13 februari 2013 beoordeeld en hebben geconcludeerd dat deze vergunning niet geheel voldoet aan de BBT-conclusies Afvalbehandeling. Wij passen daarom de omgevingsvergunning van 13 februari 2013 ambtshalve aan door er voorschriften over een milieubeheerssysteem aan toe te voegen.

Besluit

Wij zijn besluiten, gelet op artikel 2.31, eerste lid, onder b, van de Wabo:

  • de omgevingsvergunning d.d. 13 februari 2013 van BAM Wegen bv Regio Noord, Tussendiepen 12a, 14 en 72 in Drachten, kenmerk 1380871, ambtshalve te wijzigen door bijgevoegde voorschriften aan deze vergunning toe te voegen;

Ondertekening en verzending

Namens het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân,

S.G.C. Boender

Afdelingshoofd Vergunningverlening en Specialistisch Advies

Afschrift aan:

ECD Milieumanagement B.V.

Hovenlaan 101

3329 BC Dordrecht

Wetterskip Fryslân

Postbus 36

8900 AA Leeuwarden

Gemeente Smallingerland

Postbus 10.000

9200 HA Drachten

Rechtsmiddelen en inwerkingtreding

Bekendmaking en rechtsbeschermingsmiddelen

Deze ontwerpbeschikking wordt bekendgemaakt door toezending aan de aanvrager. Daarnaast wordt een kennisgeving gepubliceerd in de Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad en in het Provinciaal blad van Fryslân via www.officielebekendmakingen.nl. De ontwerpbeschikking met de daarbij behorende stukken worden op grond van de Algemene wet bestuursrecht met ingang van 4 april 2023 ter inzage gelegd bij de gemeente Smallingerland, Provincie Fryslân en bij de FUMO. Een ieder kan gedurende zes weken na de start van de ter inzage termijn eventuele zienswijzen tegen of adviezen over de ontwerpbeschikking indienen bij het college van Gedeputeerde Staten van Fryslân, postbus 20120, 8900 HM Leeuwarden.

Voorschriften

  • 1.

    Algemene voorschriften 

  • 1.6

    Milieubeheerssyteem

  • 1.6.1

    Binnen 3 maanden na de inwerkingtreding van deze ambtshalve wijziging moet vergunninghouder een milieubeheerssysteem ter goedkeuring aan het bevoegd gezag hebben overgelegd.

  • 1.6.2

    Het milieubeheerssysteem bevat, naast de elementen zoals genoemd in bijlage 1 van deze ambtshalve wijziging, ten minste en voor zover van toepassing de volgende onderdelen:

    Beleid

    • a.

      de milieustrategie;

    • b.

      het milieuplan;

  • Bedrijfsprocessen

    • c.

      procedures in het kader van het A&V-beleid en AO/IC;

    • d.

      procedures voor het doorvoeren van wijzigingen in processen;

    • e.

      procedures voor het evalueren van het managementsysteem;

    • f.

      procedures voor het monitoren milieuaspecten afvalwater en luchtemissies;

    • g.

      procedures voor het wijzigen van installaties

    • h.

      procedures voor onderhoud en keuringen op basis van de op 13 februari 2013 verleende vergunning;

  • Per procedure

    • i.

      taken en verantwoordelijkheden/bevoegdheden;

    • j.

      werkinstructies.

  • 1.6.3

    Het in voorschrift 1.6.1 bedoelde verzoek om goedkeuring moet schriftelijk worden gericht aan de FUMO, Postbus 3347, 8901 DH LEEUWARDEN of info@fumo.nl.

  • 1.6.4

    Binnen 3 maanden na de inwerkingtreding van deze ambtshalve wijzging moet vergunninghouder het goedgekeurde milieubeheerssysteem hebben geïmplementeerd.

Overwegingen

1. Procedurele overwegingen

1.1. Projectbeschrijving

BAM Wegen bv Regio Noord op de locatie Tussendiepen 12a, 14 en 72 in Drachten heeft een vergunning van 13 februari 2013 voor de volgende activiteiten:

  • het exploiteren van een wegenbouwbedrijf;

  • het exploiteren van een grondbank dan wel op- en overslag van (verontreinigde) grond en bouw- en afvalstoffen(zogenaamde bouwstoffenbank);

  • de bewerking van bouw- en afvalstoffen door middel van breken, zeven en shredderen.

De activiteit tijdelijke opslag van gevaarlijke stoffen wordt genoemd in bijlage 1 van de Richtlijn Industriële Emissies (RIE) en wel in categorie 5.5. Voorwaarde hierbij is dat de opslag van gevaarlijke stoffen in afwachting is van een behandeling die valt onder categorie 5.1, 5.2b, 5.4 of 5.6 van de RIE.

BAM Wegen bv Regio Noord heeft een IPPC-installatie die valt onder categorie 5.5, onder i van de RIE.

Wij hebben de omgevingsvergunning van 13 februari 2013 getoetst aan:

  • de RIE en de daarbij behorende BBT-conclusies;

  • de BBT-conclusies Afvalbehandeling versie 17 augustus 2018.

Deze toetsing geeft aanleiding tot het aanpassen van de vergunning van 13 februari 2013.

1.2. Beoordeling

Voor de beoordeling hebben wij gebruik gemaakt van de vigerende vergunningen welke vermeld zijn onder paragraaf 1.3 en de ingevulde IPPC tool welke op 29 december 2021 per e-mail bij ons is aangeleverd.

1.3. Huidige vergunningsituatie

Voor de inrichting zijn eerder de onderstaande vergunningen en/of ontheffingen verleend dan wel meldingen geaccepteerd:

Soort

Vergunning datum

Kenmerk

Onderwerp

Revisievergunning

13 februari 2013

12-0412

wegenbouwbedrijf en grondbank

Besluit proefneming

6 september 2016

Z1737697/D174 6285

proefneming

Actualisatie van de vergunning van 13 februari 2013

21 november 2019

2019-FUM0- 0032787

Actualiseren voorschriften n.a.v. LAP3

Actualisatie van de vergunning van 13 februari 2013

17 februari 2021

2020-FUM0-0041157

Actualiseren voorschriften energie

1.4. Vergunningplicht

De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I, onderdeel C van het Bor. De volgende categorieën zijn van toepassing

Categorie

Omschrijving

  • 28.4

Opslaan van afvalstoffen en biologisch behandelen van afvalstoffen

  • 28.10

Nuttig toepassen en opslaan van afvalstoffen

De activiteiten vallen niet onder de uitzonderingen genoemd onder 28.10 van bijlage 1 onderdeel c van het Bor. Om die reden is op grond van artikel 2.1, tweede lid van het Bor eveneens sprake van een vergunningplichtige inrichting.

1.5. Bevoegd gezag

Gedeputeerde Staten zijn bevoegd gezag voor de inrichting. Dit volgt uit artikel 2.4 van de Wabo, juncto artikel 3.3, lid 1van het Besluit omgevingsrecht (Bor). De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I,onderdeel C, categorie 28.4 onder a, en 6° en 28.4, onder b, 1°en 2° van het Bor. Daarnaast betreft het een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort. De inrichting valt onder Bijlage I, categorie 5.5 van de Richtlijn industriële emissies.

1.6. Procedure

De omgevingsvergunning van 13 februari 2013 is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Gelet hierop dient de ambtshalve wijziging eveneens te worden voorbereid met deze uitgebreide voorbereidingsprocedure.

1.7. Adviezen

In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 van de Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor, hebben wij het voornemen ter advies aan de volgende instanties/bestuursorganen gezonden:

  • de gemeente Smallingerland

  • Wetterskip Fryslân.

De gemeente Smallingerland

De gemeente Smallingerland heeft op 13 september 2022 geadviseerd en is positief over de voorgenomen acualisatie en heeft inhoudelijk geen opmerkingen. Wel heeft de gemeente geadviseerd om de nummering van de voorschriften aan te laten sluiten op de revisievergunning. Dit advies hebben wij opgevolgd.

Wetterskip Fryslân

Wetterskip Fryslân heeft ons op 17 oktober 2022 geadviseerd.

Wetterskip Fryslân is van mening dat BAM Wegen bv Regio Noord gelegen aan de Tussendiepen 14 te Drachten de beste beschikbare technieken toepast en daarmee voor het onderdeel water voldoet aan de BREF Afvalbehandeling.

1.8. Zienswijzen op de ontwerpbeschikking

Van het ontwerp van de beschikking hebben wij kennis gegeven in de Leeuwarder Courant en het Friesch Dagblad van 26 november 2022 en in het Provinciaal blad van Fryslân via https://officielelebekendmakingen.nl.

Tussen 28 november 2022 en 9 januari 2023 heeft het ontwerp ter inzage gelegen en is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is gebruik gemaakt.

Zienwijze vergunninghouder

Op 29 december 2022 hebben wij een zienswijze ontvangen van ECD milieu management namens BAM Wegen aan de Tussendiepen 14 te Drachten (kenmerk 09051 22B.051). De zienswijze heeft betrekking op het niet nodig achten van de ambtshalve wijziging voor de inrichting aan de Tussendiepen 14 te Drachten. Naast de primaire zienswijze bevat de brief ook subsidiaire opmerkingen.

Wij vatten de primaire zienswijzen per onderdeel samen met daaraan toegevoegd onze nummering:

  • 1.

    In de zienswijze wordt betoogd dat de thans geformuleerde voorschriften onder 1.6 ongeschikt zijn en dat er afgeweken wordt van trajecten die elders in het land in dit verband worden ingezet. Voorts zou er in het document dat is aangeleverd op 29 december 2021 (n.a.v. de uitvraag van de FUMO op 10 december 2021), voldoende zijn toegelicht op welke manier voldaan wordt aan de BBT-conclusies. Tevens wordt vermeld dat hier geen (in)formele reactie is op geweest. Om die reden wordt gesteld dat de voorschriften behorende bij de ambtshalve wijziging niet noodzakelijk zijn om te voldoen aan de BBT-conclusie voor de BREF-afvalbehandeling, te meer omdat de inrichting gecertificeerd is conform ISO 9001 en 14001.

  • 2.

    In de zienswijze wordt betoogd dat het besluit geen enkel houvast geeft voor wat er nu verwacht wordt van de inrichtinghouder. Dit zou in strijd zijn met de rechtszekerheid.

De subsidiaire opmerkingen in de zienswijze hebben wij één op één overgenomen:

  • 3.

    De in voorschrift 1.6.1 en 1.6.4 genoemde termijn is zinledig en dient te worden geschrapt.

  • 4.

    De formulering in voorschrift 1.6.2. is buitengewoon ongelukkig nu wordt verwezen naar ‘’ten minste’’ maar ook ‘’voor zover van toepassing’’ de onderdelen in de bijlage 1 bij het ontwerpbesluit. Er dient ten minste in de overwegingen te worden ingegaan op relevante wijzigingen in de BBT-conclusies t.o.v. het eerdere BREF-Document.

  • 5.

    Aansluitend verzoeken wij u vriendelijk doch dringend zelf te bepalen welke onderdelen uit de BBT-conclusies niet van toepassing zijn, gelet op de vergunde activiteiten; Let wel; de BBT-conclusies gelden o.i. alleen voor de activiteiten die onder de reikwijdte van de RIE vallen, in dit geval tijdelijke opslag van gevaarlijke afvalstoffen (zowel qua hoeveelheid als soort/eural-codes in dit geval zeer beperkt).

  • 6.

    In het verlengde hiervan verzoeken wij u te beoordelen of en om welke reden, de algemeen geldende BBT-bepalingen uit de nummers 1 tot en met 24 voor de onderhavige inrichting relevant kunnen worden geacht. Wij achten – gezien de aard en omvang van de inrichting- bijvoorbeeld (maar niet uitsluitend). 5. Een geurbeheersplan en monitoring in dit verband, maar ook 8. Een energiebeleidsverklaring – resp. – coördinator, 9. Affakeling en de nummer 10 en 24 alsmede de hoofdstukken V, VI, VII en VIII niet van toepassing voor de onderhavige inrichting.

  • 7.

    De 1e alinea in bijlage 1 is een toelichting en dient hooguit naar de considerans te worden verplaatst.

Hieronder volgt onze reactie op de zienswijzen met daaraan toegevoegd onze nummering:

Ad. 1

Een verwijzing naar een ISO 9001 en/of 14001 certificering is niet voldoende om te voldoen aan BBT 1. Te meer omdat in BBT 1 niet wordt gevraagd om een ISO 9001 en/of 14001 certificering, maar om specifieke documenten en onderwerpen. Met slechts een verwijzing naar certificaten kunnen wij niet voldoende beoordelen of er voldaan wordt aan die specifieke onderwerpen.

Het is mogelijk dat de ISO 9001 en 14001 certificering, zoals bij de BAM Infra aanwezig zijn, in de praktijk voldoende invulling geven aan BBT 1 van de BREF-afvalbehandeling. Per onderdeel van BBT 1 zal dan toegelicht moeten worden hoe hier in de praktijk vanuit de ISO-norm invulling aan wordt gegeven en op welke onderdelen van de inrichting de certificering van toepassing is (alleen op de weegbrug of op de volledige inrichting). Deze aanpak hanteren wij ook voor de andere Friese afvalverwerkende IPPC-bedrijven. Wij kunnen niet uitsluiten dat hierin landelijke verschillen bestaan.

Naar aanleiding van deze zienswijze hebben wij enkele wijzigingen aangebracht in de overwegingen ten opzichte van het ontwerpbesluit. Bovenstaande aanvullende informatie is opgenomen in ons besluit onder paragraaf 2.3 van de overwegingen. Met betrekking tot dit onderdeel verklaren wij de zienswijze gegrond.

Voor het overige verklaren wij dit deel van de zienswijze ongegrond.

Ad. 2

Vergunningen voor een IPPC-installatie moeten worden getoetst aan de relevante BBT-conclusies. Op basis van artikel 5.10 van het Bor moet het bevoegd gezag binnen vier jaar na publicatie in het Publicatieblad van de EU van relevante BBT-conclusies toetsen of de vergunningvoorschriften voldoen aan deze nieuwe BBT-conclusies. Dit is een wettelijke plicht waarvan vergunninghouders op de hoogte moeten zijn. Dit is dan ook niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Daarnaast hebben wij naar aanleiding van de zienswijze onder Ad 1 in de overwegingen bij het besluit een uitleg van de voorschriften gegeven. Daarmee is nu voldoende duidelijk wat er van vergunninghouder wordt verwacht.

Wij verklaren dit deel van de zienswijze ongegrond.

Ad. 3

U zult aan het bevoegd gezag moeten aantonen hoe aan de specifieke onderdelen van het milieubeheerssysteem (BBT 1) invulling gegeven wordt. In de aangeleverde IPPC-tool wordt aangegeven dat er sprake is van een ISO 9001 en 14001 certificering. Er zal nog aangetoond moeten worden dat uw gecertificeerde milieuzorgsysteem voldoet aan de voorwaarden van BBT 1 zoals ook vermeld in de voorschriften 1.6.2 en bijlage 1. Hiervoor zal een document aangeleverd moeten worden binnen de termijn gesteld in voorschrift 1.6.1. Deze termijn is daarom wel degelijk relevant. De termijn van 1.6.4 is relevant als blijkt dat er nog maatregelen genomen moeten worden uit het aan te leveren document op basis van voorschrift 1.6.1. Dan zal na goedkeuring de maatregel binnen de termijn van voorschrift 1.6.4. geimplementeerd moeten worden.

Wij verklaren dit deel van de zienswijze ongegrond.

Ad. 4

Voorschrift 1.6.2 is opzettelijk op deze manier geformuleerd. Wanneer specifieke onderdelen niet van toepassing zijn, kan de inrichtinghouder dit motiveren. Dit zal vervolgens beoordeeld worden door het bevoegd gezag bij de beoordeling van het milieubeheersysteem.

Wij verklaren dit deel van de zienswijze ongegrond.

Ad. 5

Wij hebben u op 10 december 2021 verzocht inzichtelijk te maken welke BBT-conclusies van toepassing zijn op de inrichting. Hiervoor heeft u op 29 december 2021 een document aangeleverd. Dat document is gebruikt bij de beoordeling en het opstellen van deze ambtshalve wijziging. Wij hebben naar aanleiding van de opmerkingen onder ad 1 een verduidelijking opgenomen in de overwegingen. Het aangeleverde document wordt nu vermeld onder paragraaf 1.2 en onder 2.3.

Voor wat betreft de opmerking dat de BBT-conclusies alleen van toepassing zijn op de IPPC-installatie, merken wij op dat de IPPC-installatie niet alleen ziet op de specifieke installatie op basis waarvan wordt bepaald dat er een IPPC installatie binnen de inrichting aanwezig is. Het begrip installatie omvat ook daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten, die technisch in verband staan met de activiteit in bijlage 1 van de RIE.

Wij verklaren dit deel van de zienswijze ongegrond.

Ad. 6

Zoals in bijlage 1 onder I van het ontwerpbesluit reeds wordt benoemd hangt de concrete invulling en het detailniveau van het MBS af van de specifieke situatie (bijv. aard, omvang en complexiteit van het bedrijf en alle mogelijke milieueffecten ervan). Dit dient op bedrijfsniveau bepaald te worden. Zo zal een milieuzorgsysteem van een klein bedrijf minder uitgebreid zijn dan dat van een groot bedrijf. Het kan dan ook voorkomen dat niet alle onderdelen van toepassing zijn op een inrichting.

Wij verklaren dit deel van de zienswijze ongegrond.

Ad. 7

Het is ons onduidelijk, wegens een gebrek aan motivering, waarom de 1e alinea van bijlage 1 naar de considerans verplaatst zou moeten worden. Het betreft hier een toelichting op de bijlage.

Wij verklaren dit deel van de zienswijze ongegrond.

Conclusie

Wij verklaren de zienswijze onder ad 1 deels gegrond. Voor het overige verklaren wij de zienswijze ongegrond.

1.9. Wijzigingen ten opzichte van de ontwerpvergunning

Ten opzichte van de ontwerpvergunning zijn enkele wijzigingen aangebracht. De wijzigingen zijn aanvullingen op de overwegingen. Hierdoor ontstaat meer duidelijkheid over de reden voor het opnemen van voorschriften. De voorschriften blijven in stand.

2. Inhoudelijke overwegingen

2.1. Toetsingskader

Sinds 1 januari 2013 geldt een actualisatieplicht voor IPPC-installaties (artikel 5.10 eerste lid van het Bor). De plicht houdt in dat:

  • binnen een termijn van vier jaar na publicatie in het Publicatieblad van de Europese Unie van de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit van een IPPC-installatie de voorschriften van de omgevingsvergunning moeten worden getoetst aan de beste beschikbare technieken (BBT) die staan in deze (nieuwe) BBT-conclusies (en alle overige relevante BBT-documenten);

  • als niet wordt voldaan aan deze BBT's moeten de vergunningvoorschriften worden geactualiseerd en;

  • de betreffende IPPC-installatie binnen de termijn van vier jaar zal voldoen aan deze geactualiseerde voorschriften.

De actualisatieplicht start dus op het moment dat de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit zijn gepubliceerd. Daarom zal bij IPPC-installaties waarin meerdere activiteiten uit bijlage 1 van de RIE worden uitgeoefend, bepaald moet worden welke activiteit voor de betreffende IPPC-installatie zal worden aangemerkt als de hoofdactiviteit.

Binnen deze inrichting vinden meerdere activiteiten uit bijlage 1 van de RIE plaats. Daarom is in overleg met de vergunninghouder van de inrichting nagegaan welke BBT-conclusies relevant zijn voor de hoofdactiviteit en welke BBT-conclusies daarmee het startpunt zullen worden van de (verplichte) actualisatie van de vergunning. Dit betekent dat na publicatie van deze BBT-conclusies in het publicatieblad van de Europese Unie de actualisatieplicht zal beginnen.

Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofactiviteit en aan andere relevante BBT-conclusies.

Sinds 1 januari 2018 geldt een actualisatieplicht voor afvalverwerkende bedrijven (artikel 5.10, tweede lid van het Bor). De plicht houdt in dat binnen één jaar na inwerkingtreding van het afvalbeheerplan de vergunningen getoetst moeten worden aan de minimale hoogwaardigheid van verwerking van afzonderlijke afvalstoffen of categorieën afvalstoffen zoals beschreven in het afvalbeheerplan. Als niet wordt voldaan aan het afvalbeheerplan moeten de vergunningvoorschriften worden geactualiseerd.

Overeenkomstig artikel 2.31, eerste lid van de Wabo, moet en overeenkomstig artikel 2.31, tweede lid van de Wabo, kan het bevoegd gezag voorschriften die aan een omgevingsvergunning zijn verbonden, wijzigen. De omstandigheden waaronder dit moet of kan gebeuren zijn eveneens vermeld in dit artikel. In dit geval is er sprake van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.31, eerste lid, onder b.

Artikel 2.31, eerste lid, geeft de omstandigheden aan waaronder het bevoegd gezag verplicht is de voorschriften van de omgevingsvergunning te wijzigen. Onder b wordt aangegeven dat de voorschriften van de vergunning moeten worden aangescherpt als – kort samengevat – de bescherming van het milieu dit noodzakelijk maakt. Of die noodzaak bestaat, kan worden afgeleid uit het toetsingskader dat geldt voor het toepassen van de actualiseringsplicht van artikel 2.30 van de Wabo, dat is opgenomen in artikel 5.10, derde lid van het Bor. Op grond van artikel 2.31, tweede lid, heeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om een vergunning aan te passen. Deze mogelijkheid bestaat voor zover dit in het belang van de bescherming van het milieu is.

Artikel 2.31a, eerste lid van de Wabo geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om, ter bescherming van het milieu, andere technieken voor te schrijven dan in de aanvraag zijn opgenomen en daarmee de grondslag van de aanvraag te verlaten. Op grond van artikel 2.31a, tweede lid is de vergunninghouder verplicht desgevraagd gegevens aan het bevoegd gezag over te leggen die nodig zijn voor de beoordeling of alle relevante BBT-maatregelen worden toegepast.

2.2. Beste beschikbare technieken

In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast.

Bij het opstellen van de omgevingsvergunning milieu moet rekening worden gehouden met de BBT-conclusies. De Europese Commissie stelt de BBT-conclusies op en maakt deze bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

BBT-conclusies is een document met de conclusies over beste beschikbare technieken, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, lid 5 en 7 van de Richtlijn industriële emissies (Rie).

Het verschil tussen artikel 13, lid 5 en lid 7 van de Rie is:

  • BBT-conclusies overeenkomstig artikel 13, lid 5 heeft de Europese Commissie vastgesteld na 6 januari 2011. Dit op basis van artikel 75 lid 2 van de Rie.

  • BBT-conclusies overeenkomstig artikel 13, lid 7 is het hoofdstuk Best available techniques (BAT) uit de BREF's. De Europese commissie heeft deze BREF's vastgesteld vóór 6 januari 2011. Dit hoofdstuk geldt als BBT-conclusies totdat de Europese Commissie voor die activiteit nieuwe BBT-conclusies vaststelt.

Als op een activiteit of op een type productieproces binnen de inrichting waarvoor een vergunning is aangevraagd, geen BBT-conclusies of informatiedocumenten over BBT van toepassing zijn, of als de van toepassing zijnde BBT conclusies of informatiedocumenten niet alle mogelijke milieueffecten van de activiteit of het proces behandelen moet het bevoegd gezag de BBT zelf vast stellen. Hierbij houdt het bevoegd gezag in ieder geval rekening met:

  • de toepassing van technieken die weinig afvalstoffen veroorzaken;

  • de toepassing van stoffen die minder gevaarlijk zijn dan stoffen of mengsels als omschreven in artikel 3 van de EG-verordening(nr. 1272/2008) indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels;

  • de ontwikkeling, waar mogelijk, van technieken voor de terugwinning en opnieuw gebruiken van de bij de processen in de inrichting uitgestoten en gebruikte stoffen en van afvalstoffen;

  • vergelijkbare processen, apparaten of wijzen van bedrijfsvoering die met succes in de praktijk zijn beproefd;

  • de vooruitgang van de techniek en de ontwikkeling van de wetenschappelijke kennis;

  • de aard, de effecten en de omvang van de betrokken emissies;

  • de data waarop de installaties in de inrichting in gebruik zijn of worden genomen;

  • de tijd die nodig is om een betere techniek toe te gaan passen;

  • het verbruik en de aard van de grondstoffen, met inbegrip van water, en de energie-efficiëntie;

  • de noodzaak om het algemene effect van de emissies op en de risico’s voor het milieu te voorkomen of tot een minimum te beperken;

  • de noodzaak ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor het milieu te beperken.

De op één van deze criteria vastgestelde BBT moet een milieubeschermingsniveau garanderen dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau in de BBT-conclusies.

2.3. Concrete bepaling beste beschikbare technieken

Binnen de inrichting worden één of meer van de activiteiten uit bijlage 1 van de Rie uitgevoerd, namelijk: categorie 5.5.

Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit en aan andere relevante BBT-conclusies.

Op grond van artikel 9.2 van de Mor moet voor het bepalen van BBT binnen de inrichting aanvullend een toetsing plaatsvinden aan relevante aangewezen informatiedocumenten over BBT.

Uit jurisprudentie is gebleken dat het bevoegd gezag bij het toetsen aan BBT-conclusies de ontwikkelingen van BBT moet nagaan die sinds het vaststellen van de BBT-conclusies hebben plaatsgevonden. Bronnen voor ontwikkelingen over BBT zijn onder andere de concepten van herziene BREF’s. Bij het bepalen van de BBT hebben we rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde BBT-conclusies: de BREF Afvalbehandeling versie 17 augustus 2018. Hieronder volgen de overwegingen.

Milieubeheersysteem

Bij bedrijven met een IPPC-installatie waarop de BBT-conclusie afvalbehandeling van toepassing is, moet een milieubeheersysteem (MBS) worden ingevoerd. In BBT 1 staat dat het bedrijf een MBS moet invoeren en welke elementen daarin moeten worden opgenomen. Om dit te borgen, hebben wij voorschriften verbonden aan uw vergunning van 13 februari 2013 waarin het opstellen, invoeren en naleven van een milieubeheersysteem met de verschillende onderdelen genoemd in BBT 1, voorgeschreven wordt.

In het IPPC-document dat wij op 29 december 2021 hebben ontvangen staat vermeld dat de inrichting ISO 9001 en ISO 14001 gecertificeerd is, waarmee wordt aangetoond dat er een werkend en deugdelijk kwaliteitsbeheerssysteem en milieumanagementsysteem aanwezig is. Het is nog onduidelijk of alle relevante elementen als genoemd in BBT 1 uit de BREF Afbehandeling aan de orde komen en hoe deze verwerkt zijn.

Om het bovenstaande te borgen verbinden wij voorschriften aan uw vergunning van 13 februari 2013 waarin het opstellen, invoeren en naleven van een milieubeheersysteem met de verschillende elementen, genoemd in BBT 1, voorgeschreven wordt. Hierbij kan uiteraard gebruik worden gemaakt van het thans binnen de inrichting aanwezige milieubeheersysteem.

2.4. Conclusie

Gezien het vorenstaande voegen wij een aantal aanvullende voorschriften toe aan de omgevingsvergunning van 13 februari 2013 in verband met de BBT-conclusies Afvalbehandeling.

BEGRIPPENLIJST

Voor de begrippen die niet in deze lijst zijn opgenomen refereren wij naar de definities zoals die zijn opgenomen in de geldende wet- en regelgeving (zoals het Activiteitenbesluit, de Activiteitenregeling, het Besluit omgevingsrecht, het Besluit externe veiligheid inrichtingen, de Wet geurhinder en veehouderij etc.)

Begrip

Definitie

Considerans

BBT

Beste Beschikbare techniek genoemd in een BBT-document.

BREF

BAT Reference document. Een in Europees verband vastgesteld document waarin de BBT worden beschreven die specifiek zijn voor een bepaalde branche of activiteit.

ILT

Inspectie Leefomgeving en Transport

InfoMil

Het informatiecentrum in Nederland over milieuwet- en regelgeving.

IPPC

Integrated Pollution Prevention and Control

Bijlage 1

Milieubeheersysteem (MBS) Afvalbedrijven

  • I.

    Inleiding

    Op grond van maatregel BBT1 maatregel zoals opgenomen in de BREF/BBT-conclusies Afvalbehandeling dient ter verbetering van de algehele milieuprestaties en de controle daarop een milieubeheersysteem (MBS) te worden ingevoerd. Dit document is bedoeld ter ondersteuning voor het opstellen van een MBS. De concrete invulling en het detailniveau van het MBS is afhankelijk van de specifieke situatie (bv. Aard, omvang en complexiteit van het bedrijf en alle mogelijke milieueffecten ervan) en dient op bedrijfsniveau bepaald te worden. Zo zal een milieuzorgsysteem van een klein bedrijf minder uitgebreid zijn dan dat van een groot bedrijf. Het opstellen en toepassen van een milieuzorgsysteem vergt inspanningen en tijd maar door het toepassen van een milieuzorgsysteem kan de milieu-impact algemeen beperkt worden.

  • II.

    Beschrijving bedrijf.

Invullen:

  • 1.

    Beschrijving van het bedrijf

    • a)

      Naw gegevens.

    • b)

      De IPPC categorie.

  • III.

    Het milieubeleid en naleven van toepassing zijnde milieuregelgeving (BBT1) :

Invullen met aandacht voor:

  • a)

    Op welke wijze is het management betrokken bij het milieubeleid.

  • b)

    Definiëren wat het milieubeleid is van het bedrijf.

  • c)

    Hoe is het milieubeleid uitgewerkt door het management en waaruit blijkt dat er sprake is van continue verbetering van de milieuprestaties.

  • IV.

    Een kwaliteitssysteem toepassen. Noodzakelijke procedures opstellen en implementeren (BBT1):

Invullen met aandacht voor:

  • 1.

    Structuren van taken en verantwoordelijkheden:

    • a)

      Implementeren en uitvoeren van de procedures met bijzondere aandacht voor;

      • bedrijfsorganisatie en verantwoordelijkheid;

      • aanwerving, opleiding, bewustmaking en bekwaamheid;

      • communicatie;

      • betrokkenheid van de werknemers;

      • documentatie (bijhouden van gegevens, registraties);

      • efficiënte procescontrole;

      • onderhoudsprogramma's;

      • monitoring;

      • noodplan en rampenbestrijding;

      • waarborgen van de naleving van de milieuwetgeving;

      • Interne audits (planning en wijze van uitvoeren).

    • b)

      Taken en verantwoordelijkheden: Wie is waar verantwoordelijk voor. Denk hierbij aan voorschriften uit de vergunning, onderhoudstermijnen maar ook het bijhouden van nieuwe wet- en regelgeving en het informeren van personeel hierover en het volgen van de ontwikkelingen op het vlak van schonere technologieën.

    • c)

      Wie controleert of taken door verantwoordelijke zijn uitgevoerd en eventueel opstellen corrigerende maatregelen.

    • d)

      Opstellen onderhouds- en inspectieprogramma’s.

    • e)

      Op welke wijze wordt bijgehouden/geregistreerd dat de dagelijkse, wekelijkse, maandelijkse, jaarlijkse taken en verplichtingen (uit de vergunning) zijn uitgevoerd waaronder ook de jaarlijkse elektronische verslaglegging E-PRTR.

    • f)

      Vastleggen dat het kwaliteitssysteem regelmatig wordt beoordeeld door de directie.

  • V.

    Borging en monitoring milieuaspecten

Invullen met aandacht voor:

  • 1.

    Afval* (BBT 2)

    • a)

      Opstelling en invoering van procedures voor de karakterisering en preacceptatie van afval.

    • b)

      Informatie over de eigenschappen van het te behandelen afval en de afvalverwerkingsprocessen.

    • c)

      Opstelling en invoering van procedures voor de acceptatie van afval.

    • d)

      Opstelling en invoering van een traceersysteem en inventarisatie voor afval.

    • e)

      Opstelling en invoering van een kwaliteitsbeheersysteem voor de output.

    • f)

      Waarborgen van afvalscheiding.

    • g)

      Waarborgen van de compatibiliteit van afval vóór het mengen of vermengen van afval.

    • h)

      Sortering van inkomend vast afval.

    • i)

      Het opstellen en uitvoeren van hanterings- en overbrengingsprocedures (BBT5).

    • j)

      Materiaalefficiëntie (BBT 22).

    • k)

      Hergebruik van verpakkingen (BBT 24).

    • l)

      Inventaris in en uitgaande stromen/Afvalinput monitoren (BBT 11 en 52)

      * Er kan ook verwezen worden naar het van toepassing zijnde Acceptatie- en verwerkingsbeleid en administratieve organisatie en interne controle oftewel het A&V-beleid en AOIC. De onderdelen die niet beschreven worden in het A&V-beleid en AOIC dienen in het milieubeheerssysteem te worden beschreven.

  • 2.

    Afvalwater (BBT 3, 6, 7, 11, 19 en 20)

    Om vermindering van emissies naar water te bevorderen, is het opstellen en actueel houden van een inventaris van afvalwater, als onderdeel van het milieubeheersysteem, noodzakelijk en dienen de volgende elementen te zijn opgenomen:

    • m)

      Opstelling en invoering van procedures aangaande het afvalwater;

    • n)

      Beschrijvingen van proces geïntegreerde technieken en afvalwaterbehandeling bij de bron, inclusief de prestaties ervan.

    • o)

      Informatie over de kenmerken van de afvalwaterstromen, zoals:

      • gemiddelde waarden en variabiliteit van debiet, pH, temperatuur en geleidbaarheid.

      • gemiddelde concentratie en belastingwaarden van de relevante stoffen en hun variabiliteit (bv. CZV/TOC, stikstofverbindingen, fosfor, metalen, prioritaire stoffen/microverontreinigingen waaronder ook ZZS);

      • gegevens over biologische verwijderbaarheid (bv. BZV, BZV/CZV-ratio, Zahn-Wellenstest, potentieel tot biologische inhibitie (bv. inhibitie van actief slib)).

    • d)

      Onderhoudsschema inspectie/controle data metingen (wettelijk dan wel op basis van verleende vergunningen).

    • e)

      Monitoring afvalwater. Registratie van uitgevoerde metingen/controles/inspecties/afvalwaterhoeveelheden en emissies.

  • 3.

    Lucht (BBT 3, 8, 9, 14 en 53)

    Om vermindering van emissies naar de lucht te bevorderen, is het opstellen en actueel houden van een inventaris van afgasstromen, als onderdeel van het milieubeheersysteem, noodzakelijk en dienen de volgende elementen te zijn opgenomen:

    • a)

      Opstelling en invoering van procedures aangaande (het voorkomen van) luchtemissies.

    • b)

      beschrijvingen van proces geïntegreerde technieken en afgasbehandeling bij de bron, inclusief de prestaties ervan.

    • c)

      informatie over de eigenschappen van de afgasstromen, zoals:

      • gemiddelde waarden en variabiliteit van debiet en temperatuur;

      • gemiddelde concentratie en belastingwaarden van de relevante stoffen en hun variabiliteit (bv. organische verbindingen, POP's zoals PCB’s en ZZS);

      • ontvlambaarheid, laagste en hoogste explosiegrenswaarden, reactiviteit;

      • de aanwezigheid van andere stoffen die van invloed kunnen zijn op het afgasbehandelingssysteem of de veiligheid van de installatie (bv. zuurstof, stikstof, waterdamp, stof).

    • d)

      Onderhoudsschema inspectie/controle data metingen (wettelijk dan wel op basis van verleende vergunningen).

    • e)

      Monitoring luchtemissies. Registratie van uitgevoerde metingen/ controles/inspecties.

  • 4.

    Opslag (BBT 4)

    • a)

      Geoptimaliseerde opslag.

    • b)

      Adequate opslag capaciteit.

    • c)

      Veilige opslag.

    • d)

      Afzonderlijke ruimte voor opslag en hantering van verpakt gevaarlijk afval.

  • 5.

    Geur (BBT 10, 12, 13 en 14)

    • a)

      Opstelling en invoering van procedures aangaande (het voorkomen) van geuremissies.

    • b)

      Om geuremissies naar de omgeving te beperken en te voorkomen een geurbeheerplan opstellen.

    • c)

      Geuremissies monitoren.

  • 6.

    Geluid- en trillinghinder (BBT 17 en 18)

    • a)

      Opstellen van een beheerplan voor geluid en trillingen om geluidemissies en trillinghinder naar de omgeving te beperken en te voorkomen:

      • Borging dat er op toegezien wordt dat er een verantwoord akoestisch beleid gevoerd wordt bij nieuwbouw, aanpassing bestaande gebouwen, terreininrichting, vervanging en aanpassing van installaties en vervoermiddelen en vervoersbewegingen.

    • b)

      Monitoring geluid. Uitvoeren geluidmetingen ene registreren.

  • 7.

    Bodem inclusief bodem beschermende voorzieningen (BBT 19).

    • a)

      Onderhoudsschema inspectie/controle data metingen bodem en bodem beschermende voorzieningen (wettelijk dan wel op basis van verleende vergunningen).

    • b)

      Registratie van uitgevoerde metingen/controles/inspecties.

  • 8.

    Energie (BBT 11 en 23)

    • a)

      opstellen van een energiebeleidsverklaring door het management:

      • onderschrijving van het engagement van het management van de vestiging dat de onderneming werkt aan een optimale(re) energie-efficiëntie;

      • creëert het noodzakelijk draagvlak voor de implementatie van de energiebeheermaatregelen.

    • c)

      aanstellen van een energiecoördinator:

      • wordt aangesteld door het management;

      • coördineert het te volgen energiebeleid binnen de onderneming en ziet toe op een verantwoord (duurzaamheids) beleid bij nieuwbouw, aanpassing bestaande gebouwen, vervanging en aanpassing van installaties en vervoermiddelen;

      • is verantwoordelijk voor de communicatie (in beide richtingen) rond het energiebeleid en de daaruit voortvloeiende activiteiten.

    • d)

      Energieverbruik monitoren en registreren.

  • 9.

    Affakkeling (BBT 15 en 16)

    • a)

      Correct ontwerp van de installatie.

    • b)

      Installatiebeheer.

    • c)

      Monitoring en registratie als onderdeel van het fakkelbeheer.

  • 10.

    (Metaal)shredderinstallaties (BBT 8, 14, 25, 26, 27 en 28)

    • a)

      Monitoring.

    • b)

      Deflagraties te voorkomen.

    • c)

      Shreddervoeding stabiel te houden ikv energie.

    • d)

      Prestatie verbetering.

    • e)

      Voorkomen emissies bij incidenten.

  • 11.

    Behandeling AEEA VFK's en/of VKW’s bevatten (BBT 14, 29 en 30).

  • 12

    Mechanische behandeling van afval met calorische waarde (BBT 31).

  • 13

    Mechanische behandeling van kwikhoudende AEEA (BBT 32).

  • 14

    Biologische behandeling van afval (BBT 33, 34, 35).

  • 15

    Aerobe behandeling van afval (BBT 36 en 37).

  • 16

    Anaerobe behandeling van afval (BBT 38).

  • 17

    Mechanische biologische behandeling (MBB) van afval (BBT 39).

  • 18

    Fysisch-chemische behandeling van vast afval en/of steekvast slib (BBT 40 en 41).

  • 19

    Herraffinage van afgewerkte olie (BBT 42, 43 en 44).

  • 20

    Fysisch-chemische behandeling van afval met calorische waarde (BBT 45).

  • 21

    Regeneratie van afgewerkte oplosmiddelen (BBT 46, 47 en BBT-GEN onder 4.5).

  • 22

    Thermische behandeling van afgewerkte actieve kool, gebruikte katalysatoren en uitgegraven verontreinigde grond (BBT 48 en 49).

  • 23

    Reiniging van uitgegraven verontreinigde grond met water (BBT 50).

  • 24

    Decontaminatie van PCB-houdende apparatuur (BBT 51).

  • VI.

    Borging en monitoring overige en algemene aspecten:

Invullen met aandacht voor:

  • 1.

    Een correcte inventaris van in- en uitgaande stromen bijhouden (monitoren en meten). Voorbeelden van parameters die via monitoring opgevolgd kunnen worden, zijn:

    • a)

      Waterverbruik (11 en 19).

    • b)

      Chemicaliënverbruik (BBT 11).

  • 2.

    Preventieve maatregelen toepassen om onvoorziene lozingen die schadelijk zijn voor het milieu te voorkomen, bv. door lekkage, verspilling, slecht werkende installaties of slecht werkende controlesystemen (BBT 5, 14, 19, 21, 32 en hfdst. 6.2):

    • a)

      inventariseren mogelijke bronnen van onvoorziene lozingen die schadelijk zijn voor het milieu;

    • b)

      Controlemaatregelen identificeren en toepassen ter voorkoming van onvoorziene lozingen en ter beperking van het schadelijk effect voor het milieu (bv. alarm, noodbuffer, verzegelde noodaansluiting).

  • 3.

    Noodplan opstellen, implementeren en regelmatig uittesten, bv. (BBT 1 en 23)

    • a)

      Branddetectie, brandblusapparatuur, brandweg, pictogrammen, jaarlijkse evacuatieoefening.

    • b)

      Onderhouds/Inspectie signalering en registratie brandpreventie middelen zoals branddetectie- en brandblusapparatuur.

    • c)

      Ongevallenbeheerplan.

    • d)

      Zoneringsplan opstellen (ivm stofexplosies).

    • e)

      Incidenten en onvoorziene gebeurtenissen onderzoeken en rapporteren.

    • f)

      Procedure opstellen melden ongewoon voorval aan bevoegd gezag.

  • VII.

    Informatieverstrekking en training/coaching met het oog op bewustzijn en betrokkenheid van de werknemers BBT 1):

Invullen met aandacht voor:

  • 1.

    Communicatie en training zijn belangrijk om medewerkers te sensibiliseren:

    • a)

      Interne communicatie.

      • i.

        management/energiecoördinator: informatie verspreiden (aanpak, doelstellingen, enz.) en maar ook terugkoppeling van resultaten (bv. aantal Euro’s bespaard);

      • ii.

        werknemers: verzamelen van ideeën, voorstellen en eventuele vragen op het gebied van opleidingen.

    • b)

      externe communicatie:

      • iii.

        ketenefficiëntie verbeteren; samen met leveranciers en klanten zoeken naar energetische verbeteringen (ook op vlak van transport en logistiek);

      • iv.

        regelmatige en gepaste communicatie naar de omgeving van de onderneming over behaalde resultaten op gebied van bv. energiereducties en maatregelen ter verbetering van de leefomgeving.

    • c)

      De aandacht die gegeven wordt aan opleiding en training.

    • d)

      Onderwerpen die tijdens de trainingen aan bod kunnen komen zoals:

      • mogelijke problemen die zich voordoen tijdens de normale bedrijfsprocessen;

      • mogelijke problemen die zich voordoen in niet-routine situaties;

      • risicoanalyse van bedrijfsprocessen.

  • VIII.

    Potentieel en impact van nieuwe schone technologieën onderzoeken/bijhouden (BBT 1):

Invullen met aandacht voor:

  • 1.

    Aandacht voor innovatie.

  • 2.

    Borgen dat bij de ontwerpfase van een nieuwe installatie rekening wordt gehouden met de milieueffecten tijdens de volledige levensduur en de latere ontmanteling ervan.

  • 3.

    Op regelmatige basis een sectorale benchmarking uitvoeren.

Naar boven