Provinciaal blad van Fryslân
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Fryslân | Provinciaal blad 2024, 7120 | andere beschikking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Fryslân | Provinciaal blad 2024, 7120 | andere beschikking |
Ambtshalve actualisatie omgevingsvergunning van BAM Wegen B.V. Regio Noord
Op 13 februari 2013 is een omgevingsvergunningen met kenmerk 12-0412 verleend voor de inrichting van BAM Wegen B.V. Regio Noord op de locatie Tussendiepen 12a, 14 en 72 in Drachten. Nadien zijn op 21 november 2019 en 17 februari 2021 ambtshalve wijzigingen van de vergunning van 13 februari 2013 voor LAP3 en energie doorgevoerd met de kenmerken 2019-FUM0-0032787 en 2020-FUM0-0041157.
Deze vergunningen worden aangemerkt als omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Wij besluiten de omgevingsvergunning van 13 februari 2013 ambtshalve te wijzigen.
Binnen de inrichting is een categorie 5.5 IPPC-installatie aanwezig, namelijk een installatie als bedoeld in de Richtlijn industriële emissies: tijdelijke opslag van gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van 50 ton of meer in afwachting van in categorie 5.1, 5.2, 5.4 en 5.6 vermelde behandelingen. Sinds 1 januari 2013 geldt een extra actualisatieplicht voor IPPC-installaties (artikel 2.30 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in combinatie met artikel 5.10, lid 1 van het Besluit omgevingsrecht). De plicht houdt in dat binnen vier jaar na publicatie van de beste beschikbare technieken (BBT)-conclusies moet worden getoetst of de vergunning nog voldoet aan de BBT-conclusies. Indien de voorschriften niet voldoen, moet de vergunning binnen de termijn van vier jaar zijn geactualiseerd.
De BBT-conclusies Afvalbehandeling zijn op 17 augustus 2018 gepubliceerd. Wij hebben de vergunning van 13 februari 2013 beoordeeld en hebben geconcludeerd dat deze vergunning niet geheel voldoet aan de BBT-conclusies Afvalbehandeling. Wij passen daarom de omgevingsvergunning van 13 februari 2013 ambtshalve aan door er voorschriften over een milieubeheerssysteem aan toe te voegen.
Wij zijn besluiten, gelet op artikel 2.31, eerste lid, onder b, van de Wabo:
Namens het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân,
Afdelingshoofd Vergunningverlening en Specialistisch Advies
Rechtsmiddelen en inwerkingtreding
Bekendmaking en rechtsbeschermingsmiddelen
Deze ontwerpbeschikking wordt bekendgemaakt door toezending aan de aanvrager. Daarnaast wordt een kennisgeving gepubliceerd in de Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad en in het Provinciaal blad van Fryslân via www.officielebekendmakingen.nl. De ontwerpbeschikking met de daarbij behorende stukken worden op grond van de Algemene wet bestuursrecht met ingang van 4 april 2023 ter inzage gelegd bij de gemeente Smallingerland, Provincie Fryslân en bij de FUMO. Een ieder kan gedurende zes weken na de start van de ter inzage termijn eventuele zienswijzen tegen of adviezen over de ontwerpbeschikking indienen bij het college van Gedeputeerde Staten van Fryslân, postbus 20120, 8900 HM Leeuwarden.
Het in voorschrift 1.6.1 bedoelde verzoek om goedkeuring moet schriftelijk worden gericht aan de FUMO, Postbus 3347, 8901 DH LEEUWARDEN of info@fumo.nl.
BAM Wegen bv Regio Noord op de locatie Tussendiepen 12a, 14 en 72 in Drachten heeft een vergunning van 13 februari 2013 voor de volgende activiteiten:
De activiteit tijdelijke opslag van gevaarlijke stoffen wordt genoemd in bijlage 1 van de Richtlijn Industriële Emissies (RIE) en wel in categorie 5.5. Voorwaarde hierbij is dat de opslag van gevaarlijke stoffen in afwachting is van een behandeling die valt onder categorie 5.1, 5.2b, 5.4 of 5.6 van de RIE.
BAM Wegen bv Regio Noord heeft een IPPC-installatie die valt onder categorie 5.5, onder i van de RIE.
Wij hebben de omgevingsvergunning van 13 februari 2013 getoetst aan:
Deze toetsing geeft aanleiding tot het aanpassen van de vergunning van 13 februari 2013.
Voor de beoordeling hebben wij gebruik gemaakt van de vigerende vergunningen welke vermeld zijn onder paragraaf 1.3 en de ingevulde IPPC tool welke op 29 december 2021 per e-mail bij ons is aangeleverd.
1.3. Huidige vergunningsituatie
Voor de inrichting zijn eerder de onderstaande vergunningen en/of ontheffingen verleend dan wel meldingen geaccepteerd:
De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I, onderdeel C van het Bor. De volgende categorieën zijn van toepassing
De activiteiten vallen niet onder de uitzonderingen genoemd onder 28.10 van bijlage 1 onderdeel c van het Bor. Om die reden is op grond van artikel 2.1, tweede lid van het Bor eveneens sprake van een vergunningplichtige inrichting.
Gedeputeerde Staten zijn bevoegd gezag voor de inrichting. Dit volgt uit artikel 2.4 van de Wabo, juncto artikel 3.3, lid 1van het Besluit omgevingsrecht (Bor). De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I,onderdeel C, categorie 28.4 onder a, en 6° en 28.4, onder b, 1°en 2° van het Bor. Daarnaast betreft het een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort. De inrichting valt onder Bijlage I, categorie 5.5 van de Richtlijn industriële emissies.
De omgevingsvergunning van 13 februari 2013 is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Gelet hierop dient de ambtshalve wijziging eveneens te worden voorbereid met deze uitgebreide voorbereidingsprocedure.
In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 van de Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor, hebben wij het voornemen ter advies aan de volgende instanties/bestuursorganen gezonden:
De gemeente Smallingerland heeft op 13 september 2022 geadviseerd en is positief over de voorgenomen acualisatie en heeft inhoudelijk geen opmerkingen. Wel heeft de gemeente geadviseerd om de nummering van de voorschriften aan te laten sluiten op de revisievergunning. Dit advies hebben wij opgevolgd.
Wetterskip Fryslân heeft ons op 17 oktober 2022 geadviseerd.
Wetterskip Fryslân is van mening dat BAM Wegen bv Regio Noord gelegen aan de Tussendiepen 14 te Drachten de beste beschikbare technieken toepast en daarmee voor het onderdeel water voldoet aan de BREF Afvalbehandeling.
1.8. Zienswijzen op de ontwerpbeschikking
Van het ontwerp van de beschikking hebben wij kennis gegeven in de Leeuwarder Courant en het Friesch Dagblad van 26 november 2022 en in het Provinciaal blad van Fryslân via https://officielelebekendmakingen.nl.
Tussen 28 november 2022 en 9 januari 2023 heeft het ontwerp ter inzage gelegen en is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is gebruik gemaakt.
Op 29 december 2022 hebben wij een zienswijze ontvangen van ECD milieu management namens BAM Wegen aan de Tussendiepen 14 te Drachten (kenmerk 09051 22B.051). De zienswijze heeft betrekking op het niet nodig achten van de ambtshalve wijziging voor de inrichting aan de Tussendiepen 14 te Drachten. Naast de primaire zienswijze bevat de brief ook subsidiaire opmerkingen.
Wij vatten de primaire zienswijzen per onderdeel samen met daaraan toegevoegd onze nummering:
In de zienswijze wordt betoogd dat de thans geformuleerde voorschriften onder 1.6 ongeschikt zijn en dat er afgeweken wordt van trajecten die elders in het land in dit verband worden ingezet. Voorts zou er in het document dat is aangeleverd op 29 december 2021 (n.a.v. de uitvraag van de FUMO op 10 december 2021), voldoende zijn toegelicht op welke manier voldaan wordt aan de BBT-conclusies. Tevens wordt vermeld dat hier geen (in)formele reactie is op geweest. Om die reden wordt gesteld dat de voorschriften behorende bij de ambtshalve wijziging niet noodzakelijk zijn om te voldoen aan de BBT-conclusie voor de BREF-afvalbehandeling, te meer omdat de inrichting gecertificeerd is conform ISO 9001 en 14001.
De subsidiaire opmerkingen in de zienswijze hebben wij één op één overgenomen:
De formulering in voorschrift 1.6.2. is buitengewoon ongelukkig nu wordt verwezen naar ‘’ten minste’’ maar ook ‘’voor zover van toepassing’’ de onderdelen in de bijlage 1 bij het ontwerpbesluit. Er dient ten minste in de overwegingen te worden ingegaan op relevante wijzigingen in de BBT-conclusies t.o.v. het eerdere BREF-Document.
Aansluitend verzoeken wij u vriendelijk doch dringend zelf te bepalen welke onderdelen uit de BBT-conclusies niet van toepassing zijn, gelet op de vergunde activiteiten; Let wel; de BBT-conclusies gelden o.i. alleen voor de activiteiten die onder de reikwijdte van de RIE vallen, in dit geval tijdelijke opslag van gevaarlijke afvalstoffen (zowel qua hoeveelheid als soort/eural-codes in dit geval zeer beperkt).
In het verlengde hiervan verzoeken wij u te beoordelen of en om welke reden, de algemeen geldende BBT-bepalingen uit de nummers 1 tot en met 24 voor de onderhavige inrichting relevant kunnen worden geacht. Wij achten – gezien de aard en omvang van de inrichting- bijvoorbeeld (maar niet uitsluitend). 5. Een geurbeheersplan en monitoring in dit verband, maar ook 8. Een energiebeleidsverklaring – resp. – coördinator, 9. Affakeling en de nummer 10 en 24 alsmede de hoofdstukken V, VI, VII en VIII niet van toepassing voor de onderhavige inrichting.
Hieronder volgt onze reactie op de zienswijzen met daaraan toegevoegd onze nummering:
Een verwijzing naar een ISO 9001 en/of 14001 certificering is niet voldoende om te voldoen aan BBT 1. Te meer omdat in BBT 1 niet wordt gevraagd om een ISO 9001 en/of 14001 certificering, maar om specifieke documenten en onderwerpen. Met slechts een verwijzing naar certificaten kunnen wij niet voldoende beoordelen of er voldaan wordt aan die specifieke onderwerpen.
Het is mogelijk dat de ISO 9001 en 14001 certificering, zoals bij de BAM Infra aanwezig zijn, in de praktijk voldoende invulling geven aan BBT 1 van de BREF-afvalbehandeling. Per onderdeel van BBT 1 zal dan toegelicht moeten worden hoe hier in de praktijk vanuit de ISO-norm invulling aan wordt gegeven en op welke onderdelen van de inrichting de certificering van toepassing is (alleen op de weegbrug of op de volledige inrichting). Deze aanpak hanteren wij ook voor de andere Friese afvalverwerkende IPPC-bedrijven. Wij kunnen niet uitsluiten dat hierin landelijke verschillen bestaan.
Naar aanleiding van deze zienswijze hebben wij enkele wijzigingen aangebracht in de overwegingen ten opzichte van het ontwerpbesluit. Bovenstaande aanvullende informatie is opgenomen in ons besluit onder paragraaf 2.3 van de overwegingen. Met betrekking tot dit onderdeel verklaren wij de zienswijze gegrond.
Voor het overige verklaren wij dit deel van de zienswijze ongegrond.
Vergunningen voor een IPPC-installatie moeten worden getoetst aan de relevante BBT-conclusies. Op basis van artikel 5.10 van het Bor moet het bevoegd gezag binnen vier jaar na publicatie in het Publicatieblad van de EU van relevante BBT-conclusies toetsen of de vergunningvoorschriften voldoen aan deze nieuwe BBT-conclusies. Dit is een wettelijke plicht waarvan vergunninghouders op de hoogte moeten zijn. Dit is dan ook niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Daarnaast hebben wij naar aanleiding van de zienswijze onder Ad 1 in de overwegingen bij het besluit een uitleg van de voorschriften gegeven. Daarmee is nu voldoende duidelijk wat er van vergunninghouder wordt verwacht.
Wij verklaren dit deel van de zienswijze ongegrond.
U zult aan het bevoegd gezag moeten aantonen hoe aan de specifieke onderdelen van het milieubeheerssysteem (BBT 1) invulling gegeven wordt. In de aangeleverde IPPC-tool wordt aangegeven dat er sprake is van een ISO 9001 en 14001 certificering. Er zal nog aangetoond moeten worden dat uw gecertificeerde milieuzorgsysteem voldoet aan de voorwaarden van BBT 1 zoals ook vermeld in de voorschriften 1.6.2 en bijlage 1. Hiervoor zal een document aangeleverd moeten worden binnen de termijn gesteld in voorschrift 1.6.1. Deze termijn is daarom wel degelijk relevant. De termijn van 1.6.4 is relevant als blijkt dat er nog maatregelen genomen moeten worden uit het aan te leveren document op basis van voorschrift 1.6.1. Dan zal na goedkeuring de maatregel binnen de termijn van voorschrift 1.6.4. geimplementeerd moeten worden.
Wij verklaren dit deel van de zienswijze ongegrond.
Voorschrift 1.6.2 is opzettelijk op deze manier geformuleerd. Wanneer specifieke onderdelen niet van toepassing zijn, kan de inrichtinghouder dit motiveren. Dit zal vervolgens beoordeeld worden door het bevoegd gezag bij de beoordeling van het milieubeheersysteem.
Wij verklaren dit deel van de zienswijze ongegrond.
Wij hebben u op 10 december 2021 verzocht inzichtelijk te maken welke BBT-conclusies van toepassing zijn op de inrichting. Hiervoor heeft u op 29 december 2021 een document aangeleverd. Dat document is gebruikt bij de beoordeling en het opstellen van deze ambtshalve wijziging. Wij hebben naar aanleiding van de opmerkingen onder ad 1 een verduidelijking opgenomen in de overwegingen. Het aangeleverde document wordt nu vermeld onder paragraaf 1.2 en onder 2.3.
Voor wat betreft de opmerking dat de BBT-conclusies alleen van toepassing zijn op de IPPC-installatie, merken wij op dat de IPPC-installatie niet alleen ziet op de specifieke installatie op basis waarvan wordt bepaald dat er een IPPC installatie binnen de inrichting aanwezig is. Het begrip installatie omvat ook daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten, die technisch in verband staan met de activiteit in bijlage 1 van de RIE.
Wij verklaren dit deel van de zienswijze ongegrond.
Zoals in bijlage 1 onder I van het ontwerpbesluit reeds wordt benoemd hangt de concrete invulling en het detailniveau van het MBS af van de specifieke situatie (bijv. aard, omvang en complexiteit van het bedrijf en alle mogelijke milieueffecten ervan). Dit dient op bedrijfsniveau bepaald te worden. Zo zal een milieuzorgsysteem van een klein bedrijf minder uitgebreid zijn dan dat van een groot bedrijf. Het kan dan ook voorkomen dat niet alle onderdelen van toepassing zijn op een inrichting.
Wij verklaren dit deel van de zienswijze ongegrond.
Het is ons onduidelijk, wegens een gebrek aan motivering, waarom de 1e alinea van bijlage 1 naar de considerans verplaatst zou moeten worden. Het betreft hier een toelichting op de bijlage.
Wij verklaren dit deel van de zienswijze ongegrond.
Wij verklaren de zienswijze onder ad 1 deels gegrond. Voor het overige verklaren wij de zienswijze ongegrond.
1.9. Wijzigingen ten opzichte van de ontwerpvergunning
Ten opzichte van de ontwerpvergunning zijn enkele wijzigingen aangebracht. De wijzigingen zijn aanvullingen op de overwegingen. Hierdoor ontstaat meer duidelijkheid over de reden voor het opnemen van voorschriften. De voorschriften blijven in stand.
Sinds 1 januari 2013 geldt een actualisatieplicht voor IPPC-installaties (artikel 5.10 eerste lid van het Bor). De plicht houdt in dat:
binnen een termijn van vier jaar na publicatie in het Publicatieblad van de Europese Unie van de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit van een IPPC-installatie de voorschriften van de omgevingsvergunning moeten worden getoetst aan de beste beschikbare technieken (BBT) die staan in deze (nieuwe) BBT-conclusies (en alle overige relevante BBT-documenten);
De actualisatieplicht start dus op het moment dat de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit zijn gepubliceerd. Daarom zal bij IPPC-installaties waarin meerdere activiteiten uit bijlage 1 van de RIE worden uitgeoefend, bepaald moet worden welke activiteit voor de betreffende IPPC-installatie zal worden aangemerkt als de hoofdactiviteit.
Binnen deze inrichting vinden meerdere activiteiten uit bijlage 1 van de RIE plaats. Daarom is in overleg met de vergunninghouder van de inrichting nagegaan welke BBT-conclusies relevant zijn voor de hoofdactiviteit en welke BBT-conclusies daarmee het startpunt zullen worden van de (verplichte) actualisatie van de vergunning. Dit betekent dat na publicatie van deze BBT-conclusies in het publicatieblad van de Europese Unie de actualisatieplicht zal beginnen.
Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofactiviteit en aan andere relevante BBT-conclusies.
Sinds 1 januari 2018 geldt een actualisatieplicht voor afvalverwerkende bedrijven (artikel 5.10, tweede lid van het Bor). De plicht houdt in dat binnen één jaar na inwerkingtreding van het afvalbeheerplan de vergunningen getoetst moeten worden aan de minimale hoogwaardigheid van verwerking van afzonderlijke afvalstoffen of categorieën afvalstoffen zoals beschreven in het afvalbeheerplan. Als niet wordt voldaan aan het afvalbeheerplan moeten de vergunningvoorschriften worden geactualiseerd.
Overeenkomstig artikel 2.31, eerste lid van de Wabo, moet en overeenkomstig artikel 2.31, tweede lid van de Wabo, kan het bevoegd gezag voorschriften die aan een omgevingsvergunning zijn verbonden, wijzigen. De omstandigheden waaronder dit moet of kan gebeuren zijn eveneens vermeld in dit artikel. In dit geval is er sprake van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.31, eerste lid, onder b.
Artikel 2.31, eerste lid, geeft de omstandigheden aan waaronder het bevoegd gezag verplicht is de voorschriften van de omgevingsvergunning te wijzigen. Onder b wordt aangegeven dat de voorschriften van de vergunning moeten worden aangescherpt als – kort samengevat – de bescherming van het milieu dit noodzakelijk maakt. Of die noodzaak bestaat, kan worden afgeleid uit het toetsingskader dat geldt voor het toepassen van de actualiseringsplicht van artikel 2.30 van de Wabo, dat is opgenomen in artikel 5.10, derde lid van het Bor. Op grond van artikel 2.31, tweede lid, heeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om een vergunning aan te passen. Deze mogelijkheid bestaat voor zover dit in het belang van de bescherming van het milieu is.
Artikel 2.31a, eerste lid van de Wabo geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om, ter bescherming van het milieu, andere technieken voor te schrijven dan in de aanvraag zijn opgenomen en daarmee de grondslag van de aanvraag te verlaten. Op grond van artikel 2.31a, tweede lid is de vergunninghouder verplicht desgevraagd gegevens aan het bevoegd gezag over te leggen die nodig zijn voor de beoordeling of alle relevante BBT-maatregelen worden toegepast.
2.2. Beste beschikbare technieken
In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast.
Bij het opstellen van de omgevingsvergunning milieu moet rekening worden gehouden met de BBT-conclusies. De Europese Commissie stelt de BBT-conclusies op en maakt deze bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.
BBT-conclusies is een document met de conclusies over beste beschikbare technieken, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, lid 5 en 7 van de Richtlijn industriële emissies (Rie).
Het verschil tussen artikel 13, lid 5 en lid 7 van de Rie is:
BBT-conclusies overeenkomstig artikel 13, lid 7 is het hoofdstuk Best available techniques (BAT) uit de BREF's. De Europese commissie heeft deze BREF's vastgesteld vóór 6 januari 2011. Dit hoofdstuk geldt als BBT-conclusies totdat de Europese Commissie voor die activiteit nieuwe BBT-conclusies vaststelt.
Als op een activiteit of op een type productieproces binnen de inrichting waarvoor een vergunning is aangevraagd, geen BBT-conclusies of informatiedocumenten over BBT van toepassing zijn, of als de van toepassing zijnde BBT conclusies of informatiedocumenten niet alle mogelijke milieueffecten van de activiteit of het proces behandelen moet het bevoegd gezag de BBT zelf vast stellen. Hierbij houdt het bevoegd gezag in ieder geval rekening met:
De op één van deze criteria vastgestelde BBT moet een milieubeschermingsniveau garanderen dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau in de BBT-conclusies.
2.3. Concrete bepaling beste beschikbare technieken
Binnen de inrichting worden één of meer van de activiteiten uit bijlage 1 van de Rie uitgevoerd, namelijk: categorie 5.5.
Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit en aan andere relevante BBT-conclusies.
Op grond van artikel 9.2 van de Mor moet voor het bepalen van BBT binnen de inrichting aanvullend een toetsing plaatsvinden aan relevante aangewezen informatiedocumenten over BBT.
Uit jurisprudentie is gebleken dat het bevoegd gezag bij het toetsen aan BBT-conclusies de ontwikkelingen van BBT moet nagaan die sinds het vaststellen van de BBT-conclusies hebben plaatsgevonden. Bronnen voor ontwikkelingen over BBT zijn onder andere de concepten van herziene BREF’s. Bij het bepalen van de BBT hebben we rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde BBT-conclusies: de BREF Afvalbehandeling versie 17 augustus 2018. Hieronder volgen de overwegingen.
Bij bedrijven met een IPPC-installatie waarop de BBT-conclusie afvalbehandeling van toepassing is, moet een milieubeheersysteem (MBS) worden ingevoerd. In BBT 1 staat dat het bedrijf een MBS moet invoeren en welke elementen daarin moeten worden opgenomen. Om dit te borgen, hebben wij voorschriften verbonden aan uw vergunning van 13 februari 2013 waarin het opstellen, invoeren en naleven van een milieubeheersysteem met de verschillende onderdelen genoemd in BBT 1, voorgeschreven wordt.
In het IPPC-document dat wij op 29 december 2021 hebben ontvangen staat vermeld dat de inrichting ISO 9001 en ISO 14001 gecertificeerd is, waarmee wordt aangetoond dat er een werkend en deugdelijk kwaliteitsbeheerssysteem en milieumanagementsysteem aanwezig is. Het is nog onduidelijk of alle relevante elementen als genoemd in BBT 1 uit de BREF Afbehandeling aan de orde komen en hoe deze verwerkt zijn.
Om het bovenstaande te borgen verbinden wij voorschriften aan uw vergunning van 13 februari 2013 waarin het opstellen, invoeren en naleven van een milieubeheersysteem met de verschillende elementen, genoemd in BBT 1, voorgeschreven wordt. Hierbij kan uiteraard gebruik worden gemaakt van het thans binnen de inrichting aanwezige milieubeheersysteem.
Gezien het vorenstaande voegen wij een aantal aanvullende voorschriften toe aan de omgevingsvergunning van 13 februari 2013 in verband met de BBT-conclusies Afvalbehandeling.
Voor de begrippen die niet in deze lijst zijn opgenomen refereren wij naar de definities zoals die zijn opgenomen in de geldende wet- en regelgeving (zoals het Activiteitenbesluit, de Activiteitenregeling, het Besluit omgevingsrecht, het Besluit externe veiligheid inrichtingen, de Wet geurhinder en veehouderij etc.)
Milieubeheersysteem (MBS) Afvalbedrijven
Op grond van maatregel BBT1 maatregel zoals opgenomen in de BREF/BBT-conclusies Afvalbehandeling dient ter verbetering van de algehele milieuprestaties en de controle daarop een milieubeheersysteem (MBS) te worden ingevoerd. Dit document is bedoeld ter ondersteuning voor het opstellen van een MBS. De concrete invulling en het detailniveau van het MBS is afhankelijk van de specifieke situatie (bv. Aard, omvang en complexiteit van het bedrijf en alle mogelijke milieueffecten ervan) en dient op bedrijfsniveau bepaald te worden. Zo zal een milieuzorgsysteem van een klein bedrijf minder uitgebreid zijn dan dat van een groot bedrijf. Het opstellen en toepassen van een milieuzorgsysteem vergt inspanningen en tijd maar door het toepassen van een milieuzorgsysteem kan de milieu-impact algemeen beperkt worden.
Structuren van taken en verantwoordelijkheden:
Taken en verantwoordelijkheden: Wie is waar verantwoordelijk voor. Denk hierbij aan voorschriften uit de vergunning, onderhoudstermijnen maar ook het bijhouden van nieuwe wet- en regelgeving en het informeren van personeel hierover en het volgen van de ontwikkelingen op het vlak van schonere technologieën.
Inventaris in en uitgaande stromen/Afvalinput monitoren (BBT 11 en 52)
* Er kan ook verwezen worden naar het van toepassing zijnde Acceptatie- en verwerkingsbeleid en administratieve organisatie en interne controle oftewel het A&V-beleid en AOIC. De onderdelen die niet beschreven worden in het A&V-beleid en AOIC dienen in het milieubeheerssysteem te worden beschreven.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2024-7120.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.