Ambtshalve wijziging Omgevingsvergunning van Orgaworld Nederland B.V.

Onderwerp

Op 20 mei 2015 en op 15 januari 2019 zijn omgevingsvergunningen met kenmerk respectievelijk 1380871 en 2016-FUMO-0018730 verleend voor de inrichting aan Stuurboord 11 te Drachten. Deze vergunningen worden aangemerkt als omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

Wij besluiten de omgevingsvergunning van 20 mei 2015 ambtshalve te wijzigen.

Binnen de inrichting is een IPPC-installatie vallend onder categorie 5.3b aanwezig. Sinds 1 januari 2013 geldt een extra actualisatieplicht voor IPPC-installaties (artikel 2.30 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in combinatie met artikel 5.10, lid 1 van het Besluit omgevingsrecht). De plicht houdt in dat binnen vier jaar na publicatie van de beste beschikbare technieken (BBT) -conclusies moet worden getoetst of de vergunning nog voldoet aan de BBT-conclusies. Indien de voorschriften niet voldoen moet de vergunning binnen de termijn van vier jaar zijn geactualiseerd.

De BBT-conclusies Afvalbehandeling zijn op 17 augustus 2018 gepubliceerd. Wij hebben de vergunningen van 20 mei 2015 en 15 januari 2019 beoordeeld en zijn van mening dat de vergunning van 20 mei 2015 niet geheel voldoet aan de BBT-conclusies Afvalbehandeling. Wij passen daarom de omgevingsvergunning van 20 mei 2015 ambtshalve aan door er voorschriften met betrekking tot een milieubeheerssysteem, geur en klachtenmanagement aan toe te voegen.

Besluit

Wij besluiten, gelet op artikel 2.31, eerste lid, onder b, van de Wabo:

  • de omgevingsvergunning d.d. 20 mei 2015 van Orgarworld Nederland B.V, Stuurboord 11 te Drachten, kenmerk 1380871, ambtshalve te actualiseren door bijgevoegde voorschriften aan deze vergunning te verbinden;

  • dat het IPPC-document ontvangen per e-mail 20-12-2021 onderdeel uitmaakt van de van 20 mei 2015. Voor zover de aan de vergunning verbonden IPPC-tool niet in overeenstemming is met de gestelde voorschriften, zijn de voorschriften bepalend.

Ondertekening en verzending

Namens het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân,

S.G.C. Boender

Afdelingshoofd Vergunningverlening en Specialistisch Advies

Afschrift aan: Wetterskip Fryslan

Postbus 36

8900 AA Leeuwarden

Gemeente Smallingerland

Postbus 10.000

9200 HA Drachten

Rechtsmiddelen en inwerkingtreding

Bekendmaking en rechtsbeschermingsmiddelen

Bekendmaking, inwerkingtreding en rechtsbeschermingsmiddelen (definitieve) beschikking

Deze beschikking wordt bekendgemaakt door toezending aan de aanvrager. Daarnaast wordt een kennisgeving gegeven door publicatie in de Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad en in het Provinciaal blad van Fryslân via www.officielebekendmakingen.nl. De beschikking treedt in werking 6 weken na bekendmaking van het definitief besluit.

De aanvraag en de beschikking met de daarbij behorende stukken worden op grond van de Algemene wet bestuursrecht met ingang van 6 maart 2023 ter inzage gelegd. Inzage is mogelijk bij de gemeente, provincie Fryslân en bij de FUMO.

Een dag nadat de beschikking ter inzage is gelegd, start de termijn van zes weken voor het indienen van een beroepschrift. In die periode kunnen zowel u als belanghebbenden beroep aantekenen tegen deze beschikking. Ook niet-belanghebbenden kunnen beroep aantekenen indien zij een zienswijze hebben ingediend.

Het beroepschrift moet in tweevoud ingediend worden bij Rechtbank Noord-Nederland, Postbus 781, 9700 AT Groningen.

Het indienen van een beroepschrift stelt de werking van de beschikking niet uit. Als u of belanghebbenden niet willen dat deze beschikking in werking treedt na afloop van de beroepstermijn, kan tijdens die termijn om een voorlopige voorziening worden verzocht. Dit verzoek kan worden gedaan bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord Nederland, Postbus 781 9700 AT Groningen. De beschikking treedt in dat geval niet in werking voordat over dit verzoek is beslist.

Voorschriften ambtshalve wijziging omgevingsvergunning activiteit milieu

  • 1.

    Algemeen

  • 1.4

    Milieubeheersysteem

  • 1.4.1

    Binnen 3 maanden na de inwerkingtreding van deze ambtshalve wijziging moet vergunninghouder een milieubeheerssysteem ter goedkeuring aan het bevoegd gezag hebben overgelegd.

  • 1.4.2

    Het milieubeheerssysteem bevat, naast de elementen zoals genoemd in bijlage 1 van deze ambtshalve wijziging, ten minste en voor zover van toepassing de volgende onderdelen:

    Beleid

    • a.

      de milieustrategie;

    • b.

      het milieuplan;

  • Bedrijfsprocessen

    • c.

      procedures in het kader van het A&V-beleid en AO/IC;

    • d.

      procedures voor het doorvoeren van wijzigingen in processen;

    • e.

      procedures voor het evalueren van het managementsysteem;

    • f.

      procedures voor het monitoren milieuaspecten afvalwater en luchtemissies;

    • g.

      procedures voor het wijzigen van installaties

    • h.

      procedures voor onderhoud en keuringen op basis van de op 2 augustus 2007 verleende vergunning;

  • Per procedure

    • i.

      taken en verantwoordelijkheden/bevoegdheden;

    • j.

      werkinstructies.

  • 1.4.3

    Het in voorschrift 1.1.1 bedoelde verzoek om goedkeuring moet schriftelijk worden gericht aan de FUMO, Postbus 3347, 8901 DH LEEUWARDEN of info@fumo.nl.

  • 1.4.4

    Binnen drie maanden na ons besluit naar aanleiding van de goedkeuring als bedoeld in voorschrift 1.1.1, moet vergunninghouder het goedgekeurde milieubeheerssysteem hebben geïmplementeerd.

  • 1.5

    Klachtenmanagementsysteem en communicatieplan

  • 1.5.1

    Uiterlijk zes maanden na het in werking treden van deze beschikking dient vergunninghouder te beschikken over:

    • a

      Een, altijd bereikbaar, telefonisch en/of elektronisch meldpunt voor klachten (op zo’n manier ingericht dat de vergunninghouder op ieder moment in staat is om, afhankelijk van de situatie, per direct actie te ondernemen). Het telefoonnummer en/of meldpunt moeten actief bekend zijn gemaakt aan de omgeving, bijvoorbeeld via een website of communicatieplan;

    • b

      Een door het bevoegd gezag goedgekeurd klachtenmanagementsysteem waarin ten minste wordt vastgelegd:

      • de ingekomen klacht, met vermelding van datum, tijdstip, melder, omschrijving en aard van de overlast;

      • welke acties, met inzet van welk onderzoek en welke deskundigheid, worden uitgevoerd naar aanleiding van de ingekomen klacht;

      • de wijze waarop de bevindingen van de verrichte onderzoeken worden vastgelegd;

      • de criteria op grond waarvan maatregelen en voorzieningen worden getroffen in geval van gebleken gegrondheid van de klacht;

      • de wijze waarop getroffen maatregelen en voorzieningen worden vastgelegd;

      • de wijze waarop terugkoppeling naar de melder van een klacht en het bevoegd gezag plaatsvindt en;

      • indien het klachtenbeeld daartoe aanleiding geeft, de wijze van opschaling en de wijze waarop het management van de inrichting geïnformeerd wordt.

    • c

      Een door het bevoegd gezag goedgekeurd communicatieplan waarin wordt aangegeven op welke wijze bijzondere bedrijfsactiviteiten en ongewone voorvallen, die aanleiding kunnen geven tot klachten, actief kenbaar worden gemaakt aan de omgeving. De omgeving is het gebied waar vanwege het in bedrijf zijn van de inrichting hinder/overlast plaats kan vinden.

  • 1.5.2

    Binnen drie maanden na het in werking treden van deze beschikking moet het klachtenmanagementsysteem en communicatieplan zoals genoemd in voorschrift 2.2.1 ter goedkeuring aan het bevoegd gezag zijn overgelegd.

  • 6.

    Geur en lucht

  • 6.3

    Geurbeheerplan

  • 6.3.1

    Binnen vier maanden na het in werking treden van deze beschikking moet een geurbeheerplan zijn opgezet en ingevoerd dat alle volgende elementen omvat:

    • I.

      Een protocol voor de monitoring van geur met acties en termijnen;

    • II.

      Een protocol voor de reactie op geconstateerde geurincidenten zoals bijvoorbeeld klachten en onvoorziene voorvallen;

    • III.

      Een programma ter voorkoming en beperking van geuren met acties en termijnen, ontworpen om de bron(nen) te bepalen;

    • IV.

      De karakterisering van de bijdragen van de bronnen, en de invoering van preventieve en/of beperkende maatregelen.

  • Het plan moet voorafgaand aan invoering goedgekeurd zijn door het bevoegd gezag. Het plan moet actueel worden gehouden en minimaal één keer per jaar worden geactualiseerd.

  • 6.3.2

    Om geuremissies te voorkomen of, indien dat niet haalbaar is, te verminderen, wordt één techniek of een combinatie van de onderstaande technieken toegepast:

    • a)

      de verblijftijd van (potentieel) geurend afval in opslag of in hanteringssystemen (bijv. leidingen, tanks, bassins, containers) dient geminimaliseerd te worden. Er dienen adequate voorzieningen getroffen te worden voor de acceptatie van seizoensgebonden piekvolumes van afval. 

  • Toelichting: alleen toepasbaar op open systemen.

    • b)

      er worden chemische stoffen gebruikt om geurende verbindingen te vernietigen of de vorming ervan te beperken (bijv. oxidatie of precipitatie van waterstofsulfide. 

  • Toelichting: deze techniek is niet toepasbaar indien dit de gewenste kwaliteit van de output kan ondermijnen. Dit dient dan aangetoond te worden.

    • c)

      de aerobe behandeling van op water gebaseerde, vloeibare afvalstromen dient geoptimaliseerd te zijn. Dit kan omvatten:

      • het gebruik van zuivere zuurstof;

      • schuimverwijdering in tanks/bassins;

      • frequent onderhoud van het beluchtingssysteem.

  • 6.4

    Shredderen van hout

  • 6.4.1

    De shredderinstallatie moet zijn voorzien van een vernevelingsinstallatie die zodanig is aangebracht dat geen visueel waarneembare stofverspreiding over een afstand van meer dan twee meter van de bron kan ontstaan.

  • 6.4.2

    Na het shredderen moet het neergeslagen shredderstof direct worden verwijderd. Het verzamelde stof moet zodanig worden opgeslagen dat het zich niet meer kan verspreiden.

Overwegingen

1. Procedurele overwegingen

1.1. Projectbeschrijving

Orgaworld Nederland B.V. aan Stuurboord 11 te Drachten heeft vergunningen van 20 mei 2015 en 15 januari 2019 voor de volgende activiteiten:

  • het in werking hebben van een composteerinrichting met een verwerkingscapaciteit van 90.000 ton organisch afval op jaarbasis;

  • opslag dieselolie in tank;

  • wasplaats c.q. tankplaats;

  • opslag gevaarlijke stoffen in een container;

  • klein onderhoud aan materieel;

  • het lozen van terreinwater op de gemeentelijke riolering.

De activiteit nuttige toepassing, of een combinatie van nuttige toepassing en verwijdering, van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 75 t per dag, door middel van biologische behandeling, wordt genoemd in bijlage 1 van de Richtlijn Industriële Emissies (RIE) en wel in categorie 5.3b onder i.

Orgaworld Nederland B.V. heeft een IPPC-installatie die valt onder categorie 5.3b onder i van de RIE.

Wij hebben de omgevingsvergunningen van 20 mei 2015 en 15 januari 2019 getoetst aan:

  • de RIE en de daarbij behorende BBT-conclusies;

  • de BBT-conclusies Afvalbehandeling versie 17 augustus 2018.

Deze toetsing geeft aanleiding tot het aanpassen van de vergunning van 20 mei 2015.

1.2. Huidige vergunningsituatie

Voor de inrichting zijn eerder de onderstaande vergunningen en/of ontheffingen verleend dan wel meldingen geaccepteerd:

Soort

datum

Kenmerk

Onderwerp

Omgevingsvergunning (Wabo)

20 mei 2015

1380871

Revisie

Milieuneutrale wijziging

18 juli 2016

2016-FUMO-0016100

Vervangen tijdelijk

kantoorgebouw

Omgevingsvergunning (Wabo)

15 januari 2019

2016-FUMO-0018730

Lozen van terreinwater op de gemeentelijke riolering

Ambtshalve wijziging

23 februari 2021

2020-FUM0-0040918

Actualisatie energievoorschriften van de vergunning 20 mei 2015

1.3. Vergunningplicht

De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I, onderdeel C van het Bor. De volgende categorieën zijn van toepassing:

Categorie

Omschrijving

  • 28.4

Opslaan van afvalstoffen en biologisch behandelen van afvalstoffen (composteren)

  • 28.10

Nuttig toepassen van afvalstoffen (composteren)

De activiteiten vallen niet onder de uitzonderingen genoemd onder 28.10 van bijlage 1 onderdeel c van het bor. Om die reden is op grond van artikel 2.1, tweede lid van het Bor eveneens sprake van een vergunningplichtige inrichting.

1.4. Bevoegd gezag

Wij zijn bevoegd gezag voor de inrichting. Dit volgt uit artikel 2.4, tweede lid van de Wabo juncto artikel 3.3, eerste lid van het Bor, op grond van de activiteiten van de inrichting, genoemd in Bijlage 1 onderdeel C, categorie 28.4, onder C, 1° van het Bor en omdat het een inrichting betreft waartoe een IPPC-installatie behoort als genoemd in Bijlage I, categorie 5.3b onder i van de RIE.

1.5. Procedure

De vigerende omgevingsvergunning is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Gelet hierop dient de ambsthalve wijziging eveneens te worden voorbereid met deze uitgebreide voorbereidingsprocedure.

1.6. Adviezen

In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 van de Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor, hebben wij het voornemen ter advies aan de volgende instanties/bestuursorganen gezonden:

  • de gemeente Smallingerland

  • Wetterskip Fryslân.

De gemeente Smallingerland

De gemeente Smallingerland heeft op 13 september 2022 geadviseerd, is positief over de voorgenomen acualisatie en heeft inhoudelijk geen opmerkingen. Wel heeft de gemeente geadviseerd om de nummering van de voorschriften aan te laten sluiten op de revisievergunning. Dit advies hebben wij opgevolgd.

Wetterskip Fryslân

Wetterskip Fryslân heeft op 10 oktober 2022 advies uitgebracht over het aspect afvalwater.

Wetterskip Fryslân is van mening dat Orgaworld Nederland B.V. gevestigd in Drachten aan Stuurboord 11 de beste beschikbare technieken toepast en daarmee voor het onderdeel water voldoet aan de BREF Afvalbehandeling.

1.7. Zienswijzen

Van het ontwerp van de beschikking hebben wij de kennis gegeven in de Leeuwarder Courant en het Friesch Dagblad van 17 december 2022 en in het Provinciaal blad van Fryslân via https://officielelebekendmakingen.nl.

Tussen 19 december 2022 en 30 januari 2023 heeft het ontwerp ter inzage gelegen en is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

1.8 Wijzigingen ten opzichte van de ontwerpvergunning

Ten opzichte van de ontwerpvergunning zijn geen wijzigingen aangebracht.

2. Inhoudelijke overwegingen

2.1. Toetsingskader

Sinds 1 januari 2013 geldt een actualisatieplicht voor IPPC-installaties (artikel 5.10 eerste lid, van het Bor). De plicht houdt in dat:

  • binnen een termijn van vier jaar na publicatie in het Publicatieblad van de Europese Unie van de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit van een IPPC-installatie de voorschriften van de omgevingsvergunning moeten worden getoetst aan de beste beschikbare technieken (BBT) die staan in deze(nieuwe) BBT-conclusies (en alle overige relevante BBT-documenten);

  • als niet wordt voldaan aan deze BBT's moeten de vergunningvoorschriften worden geactualiseerd en;

  • de betreffende IPPC-installatie binnen de termijn van vier jaar gaat voldoen aan deze geactualiseerde voorschriften.

De actualisatieplicht start dus op het moment dat de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit zijn gepubliceerd. Daarom zal bij IPPC-installaties waarin meerdere activiteiten uit bijlage 1 van de RIE worden uitgeoefend, bepaald moet worden welke activiteit voor de betreffende IPPC-installatie zal worden aangemerkt als de hoofdactiviteit.

Binnen deze inrichting vinden meerdere activiteiten uit bijlage 1 van de RIE plaats. Daarom is in overleg met de vergunninghouder van de inrichting nagegaan welke BBT-conclusies relevant zijn voor de hoofdactiviteit en welke BBT-conclusies daarmee het startpunt zullen worden van de (verplichte) vergunning actualisatie. Dit betekent dat na publicatie van deze BBT-conclusies in het publicatieblad van de Europese Unie de actualisatieplicht zal beginnen.

Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit en aan andere relevante BBT-conclusies.

Sinds 1 januari 2018 geldt een actualisatieplicht voor afvalverwerkende bedrijven (artikel 5.10, tweede lid van het Bor). De plicht houdt in dat binnen één jaar na inwerkingtreding van het afvalbeheerplan de vergunningen getoetst moeten worden aan de minimale hoogwaardigheid van verwerking van afzonderlijke afvalstoffen of categorieën afvalstoffen zoals beschreven in het afvalbeheerplan. Als niet wordt voldaan aan het afvalbeheerplan moeten de vergunningvoorschriften worden geactualiseerd.

Overeenkomstig artikel 2.31, eerste lid van de Wabo, moet en overeenkomstig artikel 2.31, tweede lid van de Wabo, kan het bevoegd gezag voorschriften die aan een omgevingsvergunning zijn verbonden, wijzigen. De omstandigheden waaronder dit moet of kan gebeuren zijn eveneens vermeld in dit artikel. In dit geval is er sprake van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.31, eerste lid, onder b.

Artikel 2.31, eerste lid, geeft de omstandigheden aan waaronder het bevoegd gezag verplicht is de voorschriften van de omgevingsvergunning te wijzigen. Onder b wordt aangegeven dat de voorschriften van de vergunning moeten worden aangescherpt als – kort samengevat – de bescherming van het milieu dit noodzakelijk maakt. Of die noodzaak bestaat kan worden afgeleid uit het toetsingskader dat geldt voor het toepassen van de actualiseringsplicht van artikel. 2.30 van de Wabo, dat is opgenomen in art. 5.10 derde lid van het Bor. Op grond van artikel 2.31, tweede lid, heeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om een vergunning aan te passen. Deze mogelijkheid bestaat voor zover dit in het belang van de bescherming van het milieu is.

Artikel 2.31a, eerste lid van de Wabo geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om, ter bescherming van het milieu, andere technieken voor te schrijven dan in de aanvraag zijn opgenomen en daarmee de grondslag van de aanvraag te verlaten. Op grond van artikel 2.31a, tweede lid is de vergunninghouder verplicht desgevraagd gegevens aan het bevoegd gezag over te leggen die nodig zijn voor de beoordeling of alle relevante BBT-maatregelen worden toegepast.

2.2. Beste beschikbare technieken

In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast.

Bij het opstellen van de omgevingsvergunning milieu moet rekening worden gehouden met de BBT-conclusies. De Europese Commissie stelt de BBT-conclusies op en maakt deze bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

BBT-conclusies is een document met de conclusies over beste beschikbare technieken, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, lid 5 en 7 van de Richtlijn industriële emissies (Rie).

Het verschil tussen artikel 13, lid 5 en lid 7 van de Rie is:

  • BBT-conclusies overeenkomstig artikel 13, lid 5 heeft de Europese Commissie vastgesteld na 6 januari 2011. Dit op basis van artikel 75 lid 2 van de Rie.

  • BBT-conclusies overeenkomstig artikel 13, lid 7 is het hoofdstuk Best available techniques (BAT) uit de BREF's. De Europese commissie heeft deze BREF's vastgesteld voor 6 januari 2011. Dit hoofdstuk geldt als BBT-conclusies totdat de Europese Commissie voor die activiteit nieuwe BBT-conclusies vaststelt.

Als op een activiteit of op een type productieproces binnen de inrichting waarvoor een vergunning is aangevraagd, geen BBT-conclusies of informatiedocumenten over BBT van toepassing zijn, of als de van toepassing zijnde BBT conclusies of informatiedocumenten niet alle mogelijke milieueffecten van de activiteit of het proces behandelen, moet het bevoegd gezag de BBT zelf vast stellen. Hierbij houdt het bevoegd gezag in ieder geval rekening met:

  • de toepassing van technieken die weinig afvalstoffen veroorzaken;

  • de toepassing van stoffen die minder gevaarlijk zijn dan stoffen of mengsels als omschreven in artikel 3 van de EG-verordening (nr. 1272/2008) indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels;

  • de ontwikkeling, waar mogelijk, van technieken voor de terugwinning en opnieuw gebruiken van de bij de processen in de inrichting uitgestoten en gebruikte stoffen en van afvalstoffen;

  • vergelijkbare processen, apparaten of wijzen van bedrijfsvoering die met succes in de praktijk zijn beproefd;

  • de vooruitgang van de techniek en de ontwikkeling van de wetenschappelijke kennis;

  • de aard, de effecten en de omvang van de betrokken emissies;

  • de data waarop de installaties in de inrichting in gebruik zijn of worden genomen;

  • de tijd die nodig is om een betere techniek toe te gaan passen;

  • het verbruik en de aard van de grondstoffen, met inbegrip van water, en de energie-efficiëntie;

  • de noodzaak om het algemene effect van de emissies op en de risico’s voor het milieu te voorkomen of tot een minimum te beperken;

  • de noodzaak ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor het milieu te beperken.

De op één van deze criteria vastgestelde BBT moet een milieubeschermingsniveau garanderen dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau in de BBT-conclusies.

Concrete bepaling beste beschikbare technieken

Binnen de inrichting worden één of meer van de activiteiten uit bijlage 1 van de Rie uitgevoerd en wel de volgende: categorie 5.3b onder i.

Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofactiviteit en aan andere relevante BBT-conclusies.

Op grond van artikel 9.2 van de Mor moet voor het bepalen van BBT binnen de inrichting aanvullend een toetsing plaatsvinden aan relevante aangewezen informatiedocumenten over BBT.

Uit jurisprudentie is gebleken dat het bevoegd gezag bij het toetsen aan BBT-conclusies de ontwikkelingen van BBT moet nagaan die sinds het vaststellen van de BBT-conclusies hebben plaatsgevonden. Bronnen voor ontwikkelingen over BBT zijn onder andere de concepten van herziene BREF’s.

Bij het bepalen van de BBT hebben we rekening gehouden met de van toepassing zijnde BBT-conclusies van de Bref Afvalbehandeling versie 17 augustus 2018. Hieronder volgen de overwegingen.

Milieubeheersysteem en klachtenmanagementsysteem en communicatieplan

Bij bedrijven met een IPPC-installatie waarop de BBT-conclusies afvalbehandeling van toepassing is, moet een milieubeheersysteem (MBS) worden ingevoerd. In BBT 1 staat dat het bedrijf een MBS moet invoeren en welke elementen in het MBS moeten zijn opgenomen. Om het bovenstaande te borgen, hebben wij een voorschrift verbonden aan uw vergunning van 20 mei 2015 waarin het opstellen, het invoeren en het naleven van een milieubeheersysteem met de verschillende onderdelen, genoemd in BBT 1, voorgeschreven wordt.

Vanwege ontvangen meldingen van hinder van de afgelopen jaren wordt op grond van BBT 1, 12 en 17 ook een klachtenmanagementsysteem en communicatieplan voorgeschreven.

Bij bedrijven met een IPPC-installatie waarop de BBT-conclusies afvalbehandeling van toepassing is, moet een milieubeheersysteem worden ingevoerd. In maatregel BBT 1 uit de BREF Afbehandeling staat dat het bedrijf een milieubeheersysteem moet invoeren en welke elementen in het milieubeheersysteem moeten zijn opgenomen. In uw IPPC-document ontvangen per e-mail op 20 december 2021, geeft u aan dat Orgaworld ISO 9001, 14001 en 45001 gecertificeerd is, waarmee wordt aangetoond dat er een werkend en deugdelijk kwaliteitsbeheerssysteem en milieumanagementsysteem aanwezig is. Maar het is onduidelijk of alle relevante elementen als genoemd in maatregel BBT 1 uit de BREF Afbehandeling aan de orde komen en hoe deze verwerkt zijn.

Om het bovenstaande te borgen, verbinden wij een voorschrift aan uw vergunning van 20 mei 2015, waarin het opstellen, de invoering en de naleving van een milieubeheersysteem met de verschillende elementen, genoemd in BBT 1, voorgeschreven wordt. Hierbij kan uiteraard gebruik worden gemaakt van het thans binnen de inrichting aanwezige milieubeheersysteem.

Geurbeheerplan

In BBT 12 van paragraaf 1.3 van de BBT-conclusies afvalbehandeling is opgenomen dat een geurbeheerplan moet worden opgezet, ingevoerd en regelmatig moet worden geëvalueerd om geuremissies te voorkomen, of als dat niet mogelijk is, te verminderen. Hierbij is toegelicht dat de toepasbaarheid is beperkt tot gevallen waarin geurhinder bij gevoelige receptoren wordt verwacht of zich al heeft voorgedaan.

Een gevoelige receptor is in de BBT Conclusies Afvalbehandeling 2018 gedefinieerd als een “zone die speciale bescherming behoeft, zoals:

  • woonzones;

  • zones waar menselijke activiteiten worden verricht (bv. aangrenzende werkplekken, scholen, kinderdagverblijven, recreatiegebieden, ziekenhuizen of verpleegtehuizen).

In de afgelopen jaren zijn geurklachten ontvangen vanuit de omgeving van het bedrijf als gevolg van de bedrijfsactiviteiten. Hierdoor is het BBT om een geurbeheersplan op te zetten, in te voeren en regelmatig te evalueren overeenkomstig BBT 12 van de BBT Conclusies Afvalbehandeling. Dit hebben wij voorschreven.

Om geuremissies te voorkomen of te verminderen, worden voorschriften op grond van BBT 13 middels deze ambtshalve wijziging toegevoegd aan uw vergunning van 20 mei 2015..

Shredderen groenafval

Binnen de inrichting gaat om het inpandig shredderen van houtachtig groenafval (takken, boomstronken en stobben) in een gesloten gebouw waarbij geshredderde materiaal wordt mee gecomposteerd. Ons inziens zijn er met deze vorm van behandeling van afval en toepassing geen verbonden risico’s op het gebied van diffuse emissies naar de lucht te verwachten. Daarom en omdat het shredderen in een gesloten gebouw plaatsvindt, is dat overeenkomstig BBT 14 d. Een stofnorm overeenkomstig BBT 25 is in dit geval niet nodig. Wel dienen maatregelen te worden getroffen om bij het inpandig shredderen van hout zoveel mogelijk stofverspreiding te voorkomen die op een afstand van meer dan 2 meter van de bron met het blote oog waarneembaar is. Om deze reden zijn voorschriften 6.4.1 en 6.4.2 opgenomen.

2.3. Conclusie

De inrichting voldoet - met inachtneming van de aan dit besluit gehechte voorschriften - aan BBT. Voor de overwegingen is verwezen naar de desbetreffende paragraaf.

Wij zijn van oordeel dat de ingediende gegevens voldoende informatie bevatten voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. Het toetsdocument waarin staat hoe invulling is gegeven aan de BBT laten wij daarom onderdeel uit maken van de omgevingsvergunning van 20 mei 2015.

BEGRIPPENLIJST

Voor de begrippen die niet in deze lijst zijn opgenomen refereren wij naar de definities zoals die zijn opgenomen in de geldende wet- en regelgeving (zoals het Activiteitenbesluit, de Activiteitenregeling, het Besluit omgevingsrecht, het Besluit externe veiligheid inrichtingen, de Wet geurhinder en veehouderij etc.)

Begrip

Definitie

Considerans

BBT

Beste Beschikbare techniek genoemd in een BBT document.

BREF

BAT Reference document. Een in Europees verband vastgesteld document waarin de BBT worden beschreven die specifiek zijn voor een bepaalde branche of activiteit.

ILT

Inspectie Leefomgeving en Transport

InfoMil

Het informatiecentrum in Nederland over milieuwet- en -regelgeving.

IPPC

Integrated Pollution Prevention and Control

ISO 14001

Milieumanagementsystemen - Eisen met richtlijnen voor gebruik, 2015

ISO 14051

Milieumanagementsystemen - Kostentoerekening van materiaalstromen - Algemeen raamwerk, 2011

MER

Milieueffectrapport

Geur

Aanvaardbaar hinderniveau

Uitkomst van het afwegingsproces van onder andere de volgende aspecten:

  • toetsingskader;

  • geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten;

  • aard en waardering van de geur (hedonische waarde);

  • klachtenpatroon; huidige en verwachte hinder;

  • technische en financiële consequenties van maatregelen en gevolgen daarvan voor andere emissies;

  • de mate waarin getroffen maatregelen ter beperking van luchtemissies overeenstemmen met BBT uit BREF’s en nationale BBT-documenten;

  • lokale situatie (onder meer planologische ruimte, sociaal-economische aspecten en andere lokale afwegingen);

  • historie van het bedrijf in zijn omgeving.

OPMERKING Het aanvaardbaar hinderniveau voor veehouderijen verschilt met het bovenstaande en is geregeld via de Wet geurhinder en veehouderijen / het Activiteitenbesluit.

Europese geureenheid (ouE)

Eén Europese geureenheid is de hoeveelheid geurstoffen die, bij verdamping in één kubieke meter neutraal gas onder standaard condities, een fysiologische respons oproept bij een panel (detectiegrens) gelijk aan de respons die optreedt bij verdamping van 123 μg n-butanol (CAS-Nr. 71-36-3) in één kubieke meter lucht onder standaard condities (concentratie is 0,040 μmol/mol).

Geuremissie

Hoeveelheid geur die per tijdseenheid wordt geëmitteerd uitgedrukt in Europese geureenheden; De geuremissie is gelijk aan de geurconcentratie in de geëmitteerde luchtstroom vermenigvuldigd met het debiet van de luchtstroom .

Geurbelasting

Geurconcentratie in de omgeving (per tijdseenheid). De geurbelasting wordt uitgedrukt in Europese geureenheden per kubieke meter lucht bij een bepaalde percentielwaarde (ouE/m3 als x-percentiel van de uurgemiddelde concentratie). De x-percentielwaarde vertegenwoordigt de tijdsfractie van een jaar waarvoor geldt dat gedurende deze tijdsfractie de geurconcentratie beneden deze aangegeven concentratie blijft of gelijk is aan deze waarde.

Geurconcentratie

Hoeveelheid Europese geureenheden per kubieke meter lucht (ouE/m3) onder standaardcondities.

Geurdrempel

Geurconcentratie van één stof of van een mix van stoffen van één Europese geureenheid per kubieke meter.

Geuremissie

Hoeveelheid geur die per tijdseenheid wordt geëmitteerd uitgedrukt in Europese geureenheden. De geuremissie is gelijk aan de geurconcentratie in de geëmitteerde luchtstroom vermenigvuldigd met het debiet van de luchtstroom.

Geurimmissie

Geurconcentratie in de omgeving (per tijdseenheid).

NEN-EN 13725

Bepaling van de geurconcentratie door dynamische olfactometrie. (oktober 2006).

NEN-EN 15259

Luchtkwaliteit - Meetmethode emissies van stationaire bronnen - Eisen voor meetvlakken en meetlocaties en voor doelstelling, meetplan en rapportage van de meting (oktober 2007).

Percentielwaarde

Tijdfractie van het jaar dat een bepaalde geurconcentratie niet wordt overschreden.

OPMERKING Een geurbelasting van 1 ouE/m3 als 98-percentiel van de uurgemiddelde concentratie geeft bijvoorbeeld aan dat de geurconcentratie van 1 ouE/m3 gedurende 2 % van de tijd (minder dan 176 h per jaar) wordt overschreden.

Richtlijn nr. 2000/54/EG

Richtlijn nr. 2000/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 september 2000 (Pb EG L 262) betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan biologische agentia op het werk (zevende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn nr. 89/391/EEG).

Bijlage 1

Milieubeheersysteem (MBS) Afvalbedrijven

  • I.

    Inleiding

    Op grond van maatregel BBT1 maatregel zoals opgenomen in de BREF/BBT-conclusies Afvalbehandeling dient ter verbetering van de algehele milieuprestaties en de controle daarop een milieubeheersysteem (MBS) te worden ingevoerd. Dit document is bedoeld ter ondersteuning voor het opstellen van een MBS. De concrete invulling en het detailniveau van het MBS is afhankelijk van de specifieke situatie (bv. Aard, omvang en complexiteit van het bedrijf en alle mogelijke milieueffecten ervan) en dient op bedrijfsniveau bepaald te worden. Zo zal een milieuzorgsysteem van een klein bedrijf minder uitgebreid zijn dan dat van een groot bedrijf. Het opstellen en toepassen van een milieuzorgsysteem vergt inspanningen en tijd maar door het toepassen van een milieuzorgsysteem kan de milieu-impact algemeen beperkt worden.

  • II.

    Beschrijving bedrijf.

Invullen:

  • 1.

    Beschrijving van het bedrijf

    • a)

      Naw gegevens.

    • b)

      De IPPC categorie.

  • III.

    Het milieubeleid en naleven van toepassing zijnde milieuregelgeving (BBT1) :

Invullen met aandacht voor:

  • a)

    Op welke wijze is het management betrokken bij het milieubeleid.

  • b)

    Definiëren wat het milieubeleid is van het bedrijf.

  • c)

    Hoe is het milieubeleid uitgewerkt door het management en waaruit blijkt dat er sprake is van continue verbetering van de milieuprestaties.

  • IV.

    Een kwaliteitssysteem toepassen. Noodzakelijke procedures opstellen en implementeren (BBT1):

Invullen met aandacht voor:

  • 1.

    Structuren van taken en verantwoordelijkheden:

    • a)

      Implementeren en uitvoeren van de procedures met bijzondere aandacht voor;

      • bedrijfsorganisatie en verantwoordelijkheid;

      • aanwerving, opleiding, bewustmaking en bekwaamheid;

      • communicatie;

      • betrokkenheid van de werknemers;

      • documentatie (bijhouden van gegevens, registraties);

      • efficiënte procescontrole;

      • onderhoudsprogramma's;

      • monitoring;

      • noodplan en rampenbestrijding;

      • waarborgen van de naleving van de milieuwetgeving;

      • Interne audits (planning en wijze van uitvoeren).

    • b)

      Taken en verantwoordelijkheden: Wie is waar verantwoordelijk voor. Denk hierbij aan voorschriften uit de vergunning, onderhoudstermijnen maar ook het bijhouden van nieuwe wet- en regelgeving en het informeren van personeel hierover en het volgen van de ontwikkelingen op het vlak van schonere technologieën.

    • c)

      Wie controleert of taken door verantwoordelijke zijn uitgevoerd en eventueel opstellen corrigerende maatregelen.

    • d)

      Opstellen onderhouds- en inspectieprogramma’s.

    • e)

      Op welke wijze wordt bijgehouden/geregistreerd dat de dagelijkse, wekelijkse, maandelijkse, jaarlijkse taken en verplichtingen (uit de vergunning) zijn uitgevoerd waaronder ook de jaarlijkse elektronische verslaglegging E-PRTR.

    • f)

      Vastleggen dat het kwaliteitssysteem regelmatig wordt beoordeeld door de directie.

  • V.

    Borging en monitoring milieuaspecten

Invullen met aandacht voor:

  • 1.

    Afval* (BBT 2)

    • a)

      Opstelling en invoering van procedures voor de karakterisering en preacceptatie van afval.

    • b)

      Informatie over de eigenschappen van het te behandelen afval en de afvalverwerkingsprocessen.

    • c)

      Opstelling en invoering van procedures voor de acceptatie van afval.

    • d)

      Opstelling en invoering van een traceersysteem en inventarisatie voor afval.

    • e)

      Opstelling en invoering van een kwaliteitsbeheersysteem voor de output.

    • f)

      Waarborgen van afvalscheiding.

    • g)

      Waarborgen van de compatibiliteit van afval vóór het mengen of vermengen van afval.

    • h)

      Sortering van inkomend vast afval.

    • i)

      Het opstellen en uitvoeren van hanterings- en overbrengingsprocedures (BBT5).

    • j)

      Materiaalefficiëntie (BBT 22).

    • k)

      Hergebruik van verpakkingen (BBT 24).

    • l)

      Inventaris in en uitgaande stromen/Afvalinput monitoren (BBT 11 en 52)

      * Er kan ook verwezen worden naar het van toepassing zijnde Acceptatie- en verwerkingsbeleid en administratieve organisatie en interne controle oftewel het A&V-beleid en AOIC. De onderdelen die niet beschreven worden in het A&V-beleid en AOIC dienen in het milieubeheerssysteem te worden beschreven.

  • 2.

    Afvalwater (BBT 3, 6, 7, 11, 19 en 20)

    Om vermindering van emissies naar water te bevorderen, is het opstellen en actueel houden van een inventaris van afvalwater, als onderdeel van het milieubeheersysteem, noodzakelijk en dienen de volgende elementen te zijn opgenomen:

    • m)

      Opstelling en invoering van procedures aangaande het afvalwater;

    • n)

      Beschrijvingen van proces geïntegreerde technieken en afvalwaterbehandeling bij de bron, inclusief de prestaties ervan.

    • o)

      Informatie over de kenmerken van de afvalwaterstromen, zoals:

      • gemiddelde waarden en variabiliteit van debiet, pH, temperatuur en geleidbaarheid.

      • gemiddelde concentratie en belastingwaarden van de relevante stoffen en hun variabiliteit (bv. CZV/TOC, stikstofverbindingen, fosfor, metalen, prioritaire stoffen/microverontreinigingen waaronder ook ZZS);

      • gegevens over biologische verwijderbaarheid (bv. BZV, BZV/CZV-ratio, Zahn-Wellenstest, potentieel tot biologische inhibitie (bv. inhibitie van actief slib)).

    • d)

      Onderhoudsschema inspectie/controle data metingen (wettelijk dan wel op basis van verleende vergunningen).

    • e)

      Monitoring afvalwater. Registratie van uitgevoerde metingen/controles/inspecties/afvalwaterhoeveelheden en emissies.

  • 3.

    Lucht (BBT 3, 8, 9, 14 en 53)

    Om vermindering van emissies naar de lucht te bevorderen, is het opstellen en actueel houden van een inventaris van afgasstromen, als onderdeel van het milieubeheersysteem, noodzakelijk en dienen de volgende elementen te zijn opgenomen:

    • a)

      Opstelling en invoering van procedures aangaande (het voorkomen van) luchtemissies.

    • b)

      beschrijvingen van proces geïntegreerde technieken en afgasbehandeling bij de bron, inclusief de prestaties ervan.

    • c)

      informatie over de eigenschappen van de afgasstromen, zoals:

      • gemiddelde waarden en variabiliteit van debiet en temperatuur;

      • gemiddelde concentratie en belastingwaarden van de relevante stoffen en hun variabiliteit (bv. organische verbindingen, POP's zoals PCB’s en ZZS);

      • ontvlambaarheid, laagste en hoogste explosiegrenswaarden, reactiviteit;

      • de aanwezigheid van andere stoffen die van invloed kunnen zijn op het afgasbehandelingssysteem of de veiligheid van de installatie (bv. zuurstof, stikstof, waterdamp, stof).

    • d)

      Onderhoudsschema inspectie/controle data metingen (wettelijk dan wel op basis van verleende vergunningen).

    • e)

      Monitoring luchtemissies. Registratie van uitgevoerde metingen/ controles/inspecties.

  • 4.

    Opslag (BBT 4)

    • a)

      Geoptimaliseerde opslag.

    • b)

      Adequate opslag capaciteit.

    • c)

      Veilige opslag.

    • d)

      Afzonderlijke ruimte voor opslag en hantering van verpakt gevaarlijk afval.

  • 5.

    Geur (BBT 10, 12, 13 en 14)

    • a)

      Opstelling en invoering van procedures aangaande (het voorkomen) van geuremissies.

    • b)

      Om geuremissies naar de omgeving te beperken en te voorkomen een geurbeheerplan opstellen.

    • c)

      Geuremissies monitoren.

  • 6.

    Geluid- en trillinghinder (BBT 17 en 18)

    • a)

      Opstellen van een beheerplan voor geluid en trillingen om geluidemissies en trillinghinder naar de omgeving te beperken en te voorkomen:

      • Borging dat er op toegezien wordt dat er een verantwoord akoestisch beleid gevoerd wordt bij nieuwbouw, aanpassing bestaande gebouwen, terreininrichting, vervanging en aanpassing van installaties en vervoermiddelen en vervoersbewegingen.

    • b)

      Monitoring geluid. Uitvoeren geluidmetingen ene registreren.

  • 7.

    Bodem inclusief bodem beschermende voorzieningen (BBT 19).

    • a)

      Onderhoudsschema inspectie/controle data metingen bodem en bodem beschermende voorzieningen (wettelijk dan wel op basis van verleende vergunningen).

    • b)

      Registratie van uitgevoerde metingen/controles/inspecties.

  • 8.

    Energie (BBT 11 en 23)

    • a)

      opstellen van een energiebeleidsverklaring door het management:

      • onderschrijving van het engagement van het management van de vestiging dat de onderneming werkt aan een optimale(re) energie-efficiëntie;

      • creëert het noodzakelijk draagvlak voor de implementatie van de energiebeheermaatregelen.

    • c)

      aanstellen van een energiecoördinator:

      • wordt aangesteld door het management;

      • coördineert het te volgen energiebeleid binnen de onderneming en ziet toe op een verantwoord (duurzaamheids) beleid bij nieuwbouw, aanpassing bestaande gebouwen, vervanging en aanpassing van installaties en vervoermiddelen;

      • is verantwoordelijk voor de communicatie (in beide richtingen) rond het energiebeleid en de daaruit voortvloeiende activiteiten.

    • d)

      Energieverbruik monitoren en registreren.

  • 9.

    Affakkeling (BBT 15 en 16)

    • a)

      Correct ontwerp van de installatie.

    • b)

      Installatiebeheer.

    • c)

      Monitoring en registratie als onderdeel van het fakkelbeheer.

  • 10.

    (Metaal)shredderinstallaties (BBT 8, 14, 25, 26, 27 en 28)

    • a)

      Monitoring.

    • b)

      Deflagraties te voorkomen.

    • c)

      Shreddervoeding stabiel te houden ikv energie.

    • d)

      Prestatie verbetering.

    • e)

      Voorkomen emissies bij incidenten.

  • 11.

    Behandeling AEEA VFK's en/of VKW’s bevatten (BBT 14, 29 en 30).

  • 12.

    Mechanische behandeling van afval met calorische waarde (BBT 31).

  • 13.

    Mechanische behandeling van kwikhoudende AEEA (BBT 32).

  • 14.

    Biologische behandeling van afval (BBT 33, 34, 35).

  • 15.

    Aerobe behandeling van afval (BBT 36 en 37).

  • 16.

    Anaerobe behandeling van afval (BBT 38).

  • 17.

    Mechanische biologische behandeling (MBB) van afval (BBT 39).

  • 18.

    Fysisch-chemische behandeling van vast afval en/of steekvast slib (BBT 40 en 41).

  • 19.

    Herraffinage van afgewerkte olie (BBT 42, 43 en 44).

  • 20.

    Fysisch-chemische behandeling van afval met calorische waarde (BBT 45).

  • 21.

    Regeneratie van afgewerkte oplosmiddelen (BBT 46, 47 en BBT-GEN onder 4.5).

  • 22.

    Thermische behandeling van afgewerkte actieve kool, gebruikte katalysatoren en uitgegraven verontreinigde grond (BBT 48 en 49).

  • 23.

    Reiniging van uitgegraven verontreinigde grond met water (BBT 50).

  • 24.

    Decontaminatie van PCB-houdende apparatuur (BBT 51).

  • VI.

    Borging en monitoring overige en algemene aspecten:

Invullen met aandacht voor:

  • 1.

    Een correcte inventaris van in- en uitgaande stromen bijhouden (monitoren en meten). Voorbeelden van parameters die via monitoring opgevolgd kunnen worden, zijn:

    • a)

      Waterverbruik (11 en 19).

    • b)

      Chemicaliënverbruik (BBT 11).

  • 2.

    Preventieve maatregelen toepassen om onvoorziene lozingen die schadelijk zijn voor het milieu te voorkomen, bv. door lekkage, verspilling, slecht werkende installaties of slecht werkende controlesystemen (BBT 5, 14, 19, 21, 32 en hfdst. 6.2):

    • a)

      inventariseren mogelijke bronnen van onvoorziene lozingen die schadelijk zijn voor het milieu;

    • b)

      Controlemaatregelen identificeren en toepassen ter voorkoming van onvoorziene lozingen en ter beperking van het schadelijk effect voor het milieu (bv. alarm, noodbuffer, verzegelde noodaansluiting).

  • 3.

    Noodplan opstellen, implementeren en regelmatig uittesten, bv. (BBT 1 en 23)

    • a)

      Branddetectie, brandblusapparatuur, brandweg, pictogrammen, jaarlijkse evacuatieoefening.

    • b)

      Onderhouds/Inspectie signalering en registratie brandpreventie middelen zoals branddetectie- en brandblusapparatuur.

    • c)

      Ongevallenbeheerplan.

    • d)

      Zoneringsplan opstellen (ivm stofexplosies).

    • e)

      Incidenten en onvoorziene gebeurtenissen onderzoeken en rapporteren.

    • f)

      Procedure opstellen melden ongewoon voorval aan bevoegd gezag.

  • VII.

    Informatieverstrekking en training/coaching met het oog op bewustzijn en betrokkenheid van de werknemers BBT 1):

Invullen met aandacht voor:

  • 1.

    Communicatie en training zijn belangrijk om medewerkers te sensibiliseren:

    • a)

      Interne communicatie.

      • i.

        management/energiecoördinator: informatie verspreiden (aanpak, doelstellingen, enz.) en maar ook terugkoppeling van resultaten (bv. aantal Euro’s bespaard);

      • ii.

        werknemers: verzamelen van ideeën, voorstellen en eventuele vragen op het gebied van opleidingen.

    • b)

      externe communicatie:

      • iii.

        ketenefficiëntie verbeteren; samen met leveranciers en klanten zoeken naar energetische verbeteringen (ook op vlak van transport en logistiek);

      • iv.

        regelmatige en gepaste communicatie naar de omgeving van de onderneming over behaalde resultaten op gebied van bv. energiereducties en maatregelen ter verbetering van de leefomgeving.

    • c)

      De aandacht die gegeven wordt aan opleiding en training.

    • d)

      Onderwerpen die tijdens de trainingen aan bod kunnen komen zoals:

      • mogelijke problemen die zich voordoen tijdens de normale bedrijfsprocessen;

      • mogelijke problemen die zich voordoen in niet-routine situaties;

      • risicoanalyse van bedrijfsprocessen.

  • VIII.

    Potentieel en impact van nieuwe schone technologieën onderzoeken/bijhouden (BBT 1):

Invullen met aandacht voor:

  • 1.

    Aandacht voor innovatie.

  • 2.

    Borgen dat bij de ontwerpfase van een nieuwe installatie rekening wordt gehouden met de milieueffecten tijdens de volledige levensduur en de latere ontmanteling ervan.

  • 3.

    Op regelmatige basis een sectorale benchmarking uitvoeren.

Naar boven