Ambtshalve wijziging omgevingsvergunning Van der Wiel Infra&Milieu B.V.,Tolhekbuurt 1, Nij Beets

Onderwerp

Voor de inrichting van Van der Wiel Infra&Milieu B.V. op het adres Tolhekbuurt 1 in Nij Beets gelden de omgevingsvergunning van 24 mei 2006 (kenmerk 640547), ambtshalve wijziging van 29 oktober 2013 (kenmerk 2013-09135), veranderingsvergunning van 23 januari 2017 (kenmerk 2016-FUMO-0018314), veranderingsvergunning van 23 juli 2020 (kenmerk 2019-FUMO-0034271 en ambtshalve wijziging van 13 januari 2022 (kenmerk 2020-FUMO-00411251).

Wij zijn voornemens de omgevingsvergunning van 24 mei 2006 te actualiseren. De overige omgevingsvergunningen en ambtshalve wijzigingen zijn wel meegenomen in de beoordeling, maar zijn verder niet relevant in het kader van deze actualisatie.

Binnen de inrichting is een IPPC-installatie aanwezig, namelijk een installatie als genoemd in categorie 5.3b; verwijdering of nuttige toepassing van ongevaarlijke afvalstoffen door biologische behandeling met een capaciteit groter dan 75 ton per dag (compostering). Sinds 1 januari 2013 geldt een extra actualisatieplicht voor IPPC-installaties (artikel 2.30 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in combinatie met artikel 5.10, lid 1 van het Besluit omgevingsrecht). De plicht houdt in dat binnen vier jaar na publicatie van de beste beschikbare technieken (BBT)-conclusies moet worden getoetst of de vergunning nog voldoet aan de BBT-conclusies. Indien de voorschriften niet voldoen, moet de vergunning binnen de termijn van vier jaar zijn geactualiseerd.

De BBT-conclusies Afvalbehandeling zijn op 17 augustus 2018 gepubliceerd. Wij hebben de vergunning van 24 mei 2006 beoordeeld en zijn van mening dat deze vergunning niet geheel voldoet aan de BBT-conclusies Afvalbehandeling.

Wij actualiseren daarom de voorschriften van de omgevingsvergunningen van 24 mei 2006 door nieuwe voorschriften aan deze vergunning te verbinden.

Besluit

Wij besluiten, gelet op artikel 2.31, eerste lid, onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht:

  • de omgevingsvergunning d.d. 24 mei 2006, met kenmerk 640547 van Van der Wiel Infra&Milieu B.V., Tolhekbuurt 1 in Nij Beetste actualiseren door bijgevoegde voorschriften aan deze omgevingsvergunning te verbinden.

Datum: 16 mei 2023

Ondertekening en verzending

Namens het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân,

Hoogachtend,

S.G.C. Boender

Afdelingshoofd Vergunningverlening en Specialistisch Advies

Bijlage: voorschriften en overwegingen actualisatie omgevingsvergunning

Afschrift aan:

  • Wetterskip Fryslân, Postbus 36, 8900 AA Leeuwarden

  • Gemeente Opsterland, Postbus 10.000, 9244 ZP Beetsterzwaag

  • Enviso Ingenieursbureau, Postbus 332, 9200 AH Drachten

Rechtsbeschermingsmiddelen

Bekendmaking, inwerkingtreding en rechtsbeschermingsmiddelen (definitieve) beschikking

Deze beschikking wordt bekendgemaakt door toezending aan de aanvrager. Daarnaast wordt een kennisgeving gegeven door publicatie in de Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad en in het Provinciaal blad van Fryslân via www.officielebekendmakingen.nl. De beschikking treedt in werking 6 weken na bekendmaking van het definitief besluit. 

De aanvraag en de beschikking met de daarbij behorende stukken worden op grond van de Algemene wet bestuursrecht ter inzage gelegd. Inzage is mogelijk bij de provincie/FUMO.

Een dag nadat de beschikking ter inzage is gelegd, start de termijn van zes weken voor het indienen van een beroepschrift. In die periode kunnen zowel u als belanghebbenden beroep aantekenen tegen deze beschikking. Ook niet-belanghebbenden kunnen beroep aantekenen indien zij een zienswijze hebben ingediend.

Het beroepschrift moet in tweevoud ingediend worden bij Rechtbank Noord-Nederland, Postbus 781, 9700 AT Groningen.

Het indienen van een beroepschrift stelt de werking van de beschikking niet uit. Als u of belanghebbenden niet willen dat deze beschikking in werking treedt na afloop van de beroepstermijn, kan tijdens die termijn om een voorlopige voorziening worden verzocht. Dit verzoek kan worden gedaan bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord Nederland, Postbus 781 9700 AT Groningen. De beschikking treedt in dat geval niet in werking voordat over dit verzoek is beslist.

Voorschriften ambtshalve wijziging omgevingsvergunning activiteit milieu

  • 1.

    Milieubeheersysteem

  • 1.1

    Milieubeheersysteem

  • 1.1.1

    Binnen drie maanden na de inwerkingtreding van deze beschikking, moet vergunninghouder een milieubeheersysteem ter goedkeuring aan ons hebben overgelegd. Het milieubeheersysteem heeft betrekking op de activiteiten de vallen onder categorie 5.3b van bijlage 1 van de Richtlijn Industriële emissies.

  • 1.1.2

    Het milieubeheersysteem bevat naast de elementen zoals genoemd in bijlage 1 van deze vergunning, ten minste en voor zover van toepassing, de volgende onderdelen:

    Beleid

    • a.

      de milieustrategie;

    • b.

      het milieuplan;

  • Bedrijfsprocessen

    • c.

      procedures in het kader van het A&V-beleid en AO/IC;

    • d.

      procedures voor het doorvoeren van wijzigingen in processen;

    • e.

      procedures voor het evalueren van het managementsysteem;

    • f.

      procedures voor het monitoren milieuaspecten afvalwater en luchtemissies;

    • g.

      procedures voor het wijzigen van installaties;

    • h.

      procedures voor onderhoud en keuringen op basis van de verleende vergunning;

  • Per procedure

    • i.

      taken en verantwoordelijkheden/bevoegdheden;

    • j.

      werkinstructies.

  • 1.1.3

    Het in voorschrift 1.1.1 bedoelde verzoek om goedkeuring moet schriftelijk worden gericht aan de FUMO, Postbus 3347, 8901 DH LEEUWARDEN of info@fumo.nl.

  • 1.1.4

    Binnen drie maanden na ons besluit naar aanleiding van de goedkeuring als bedoeld in voorschrift 1.1.1, moet vergunninghouder het goedgekeurde milieubeheersysteem hebben geïmplementeerd.

  • 2

    Geur

  • 2.1

    Algemeen

  • 2.1.1

    Om de geuremissie van de compostering te verminderen en de algehele milieuprestaties te verbeteren, moeten de preacceptatie, acceptatie en sortering van de afvalinput zodanig worden uitgevoerd dat de afvalinput geschikt is voor de compostering, bijvoorbeeld voor wat betreft de nutriëntenbalans, het vochtgehalte of toxische verbindingen die de biologische activiteit kunnen verminderen.

  • 2.1.2

    Om de algehele milieuprestaties te verbeteren en om diffuse emissies van geur afkomstig van de compostering te verminderen, vindt monitoring en beheersing van procesparameters plaats, met inbegrip van:

    • temperatuur en vochtgehalte op verschillende punten in de ril;

    • beluchting van rillen (bijvoorbeeld via de keerfrequentie van de ril, O2 of CO2-concentratie in de ril;

    • porositeit, hoogte en breedte van de ril.

  • 2.1.3

    Om diffuse emissies van geur afkomstig van behandelingsstappen in de open lucht te verminderen, worden één of beide onderstaande technieken gebruikt:

    • a)

      Gebruik van semipermeabele membraanafdekkingen waarbij actieve compostrillen/-tafels worden afgedekt met semipermeabele membranen;

    • b)

      Aanpassing van de activiteiten aan de meteorologische omstandigheden. Dit omvat technieken zoals:

      • rekening houden met weersomstandigheden en -voorspellingen bij het uitvoeren van grote procesactiviteiten in de open lucht, bijvoorbeeld vermijden dat rillen/tafels of hopen worden opgezet of gekeerd, gezeefd of versnipperd bij meteorologische omstandigheden die ongunstig zijn voor wat betreft emissieverspreiding (bijv. de windsnelheid is te laag of te hoog, of de wind waait in de richting van gevoelige receptoren);

      • rillen/tafels zodanig plaatsen dat het kleinst mogelijke oppervlak van de compostmassa aan de overheersende wind is blootgesteld, teneinde de verspreiding van verontreinigende stoffen van het ril-/tafeloppervlak te verminderen. De rillen/tafels en hopen bevinden zich bij voorkeur op het minst hoge punt binnen de gehele indeling van een installatie.

  • 2.2

    Geurbeheerplan

  • 2.2.1

    Binnen drie maanden na de inwerkingtreding van deze beschikking, moet vergunninghouder een geurbeheerplan ter goedkeuring aan ons hebben overgelegd. Het geurbeheerplan bevat ten minstie de volgende elementen:

    • a.

      overzicht van de geurrelevante parameters (ERP’s);

    • b.

      een protocol voor de monitoring van geur, zoals vastgesteld in BBT 10;

    • c.

      maatregelen die ingevoerd worden om geurhinder te verminderen dan wel te voorkomen, inclusief de termijn waarin deze worden geïmplementeerd;

    • d.

      een evaluatie van de geurincidenten en corrigerende maatregelen en de verspreiding van kennis over geurincidenten;

    • e.

      een protocol voor de reactie op geconstateerde geurincidenten met daarin opgenomen:

      • de manier van registreren van klachten (datum, tijdstip, melder, omschrijving en aard van de overlast, weersomstandigheden);

      • welke acties, met inzet van welk onderzoek en welke deskundigheid, worden uitgevoerd naar aanleiding van de ingekomen klacht;

      • de wijze waarop de bevindingen van de verrichte onderzoeken worden vastgelegd;

      • de criteria op grond waarvan maatregelen en voorzieningen worden getroffen in geval van gebleken gegrondheid van de klacht;

      • de wijze waarop getroffen maatregelen en voorzieningen worden vastgelegd;

      • de wijze waarop terugkoppeling naar de melder van een klacht en het bevoegd gezag plaatsvindt.

  • 2.2.2

    Een overzicht van geurklachten dient binnen de inrichting bewaard te worden voor een periode van minimaal drie jaar.

  • 2.2.3

    Het in voorschrift 2.2.1 bedoelde verzoek om goedkeuring moet schriftelijk worden gericht aan de FUMO, J.W. de Visserwei 10, 9001 ZE Grou of info@fumo.nl.

  • 2.2.4

    Binnen drie maanden na ons besluit naar aanleiding van de goedkeuring als bedoeld in voorschrift 2.2.1, moet vergunninghouder het goedgekeurde geurbeheerplan hebben geïmplementeerd.

  • 2.2.5

    Het geurbeheerplan wordt minimaal één keer per jaar door het management geëvalueerd en zo nodig aangepast. Wanneer het geurbeheerplan wordt aangepast, moet het aangepaste geurbeheerplan ter goedkeuring aan het bevoegd gezag worden toegezonden. Het verzoek om goedkeuring moet schriftelijk worden gericht aan de FUMO, J.W. de Visserwei 10, 9001 ZE Grou of info@fumo.nl.

  • 1.

    Procedurele overwegingen

  • 1.1

    Gegevens vergunninghouder

Van der Wiel Infra&Milieu BV heeft voor de locatie Tolhekbuurt 1 in Nij Beets vergunning voor de volgende activiteiten:

  • Winning, opslag en afvoer van zand;

  • Tijdelijke opslag van schone grond en houtachtige materialen;

  • Compostering van groenafval;

  • Faciliterende activiteiten zoals opslag dieselolie in een bovengrondse tank, weegbrug, opslag smeerolie, kantoorunit en schaftunit en een container voor de opslag van diverse materialen;

  • Drijvend zonnepark met bijbehorende apparatuur.

  • 1.2

    Projectbeschrijving

Sinds 1 januari 2013 geldt een extra actualisatieplicht voor IPPC-installaties (artikel 2.30 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in combinatie met artikel 5.10, lid 1, van het Besluit omgevingsrecht). De plicht houdt in dat binnen een termijn van vier jaar na publicatie van de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit van een IPPC-installatie de vergunning, waar nodig, moet zijn geactualiseerd op basis van de nieuwe BBT-conclusie.

Op 17 augustus 2018 heeft de Europese commissie de beste beschikbare technieken (BBT)-conclusies afvalbehandeling gepubliceerd. De BBT-conclusies afvalbehandeling gaan onder andere over de volgende activiteiten uit bijlage 1 van de Richtlijn industriële emissies (RIE):

  • 5.3b; Nuttige toepassing, of een combinatie van nuttige toepassing en verwijdering, van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 75 ton per dag door middel van biologische behandeling (compostering).

Voor deze actualisatie hebben wij de verleende omgevingsvergunning(en) van Van der Wiel Infra&Milieu B.V. getoetst aan de BBT-conclusies Afvalbehandeling.

De toetsing geeft aanleiding tot het aanpassen van de vergunning van 24 mei 2006 met kenmerk 640547.

  • 1.3

    Huidige vergunningsituatie

Voor de inrichting van Van der Wiel Infra&Milieu B.V. op het adres Tolhekbuurt 1 in Nij Beets zijn eerder de onderstaande omgevingsvergunningen verleend:

Soort

Vergunning datum

Kenmerk

Onderwerp

Revisievergunning Wet milieubeheer*

24-05-2006

640547

Zandwin- en composteerinrichting

Melding artikel 8.19 Wm*

14-01-2008

00741195

Aanleg tijdelijke transportbaan

Ambtshalve wijziging van de vergunning van 24-05-2006* 

04-02-2008

00745464

Wijziging voorschriften; deze voorschriften zijn ook weer ingetrokken d.m.v. de ambtshalve wijziging (van de vergunning van 24-05-2006) van 2013

Melding artikel 8.19 Wm*

09-07-2008

00774069

Aanleg van een lichtinstallatie

Ambtshalve wijziging van de vergunning van 24-05-2006*

03-09-2008

00776649

Verladen van brandstof; deze voorschriften zijn ook weer ingetrokken d.m.v. de ambtshalve wijziging (van de vergunning van 24-05-2006) van 2013

Melding artikel 8.19 Wm*

02-10-2008

00785508

Proef digestaat

Ambtshalve wijziging van de vergunning van 24-05-2006

29-10-2013

2013-09135

Ambtshalve wijzigen voorschriften

Veranderingsvergunning

23-01-2017

2016-FUMO-0018314

Verruimen aanvoertijden groenafval

Tijdelijke vergunning voor milieuneutraal veranderen, bouw en handelen in strijd met bestemmingsplan

02-04-2020

2020-FUMO-0038521

Tijdelijk drijvend zonnepark, vergunning ingetrokken bij besluit van 30-06-2021

Milieuneutraal veranderen, bouwen en handelen in strijd met bestemmingsplan

23-07-2020

2019-FUMO-0034271

Drijvend zonnepark (vergunning voor onbepaalde tijd)

Intrekken omgevingsvergunning

30-06-2021

2021-FUMO-0053944

Intrekking tijdelijke vergunning drijvend zonnepark

Ambtshalve wijziging van de vergunning van 24-05-2006

13-01-2022

2020-FUMO-0041251

Besluit ambtshalve wijziging energievoorschriften

De hierboven genoemde vergunningen waar een * bij staat, zijn volgens de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Invoeringswet Wabo) gelijkgesteld aan een omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd.

  • 1.4

    Vergunningplicht

De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I, onderdeel C van het Bor. De volgende categorieën zijn van toepassing:

Categorie

Omschrijving

11.1, onder h

Inrichting voor het winnen, opslaan en overslaan van zand

28.1

Inrichtingen voor het opslaan van afvalstoffen en het verwerken van afvalstoffen

Op grond van categorie 11.4 en 28.10, onder 28b van bijlage I, onderdeel C van het Bor is sprake van een vergunningplichtige activiteit.

Het betreft een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort als genoemd in Bijlage I, categorie 5.3b, onder i van de Richtlijn industriële emissies. Om die reden is op grond van artikel 2.1, tweede lid, van het Bor sprake van een vergunningplichtige inrichting.

  • 1.5

    Bevoegd gezag

Wij zijn bevoegd gezag voor de inrichting. Dit volgt uit artikel 2.4 van de Wabo juncto artikel 3.3, eerste lid van het Bor. De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I, onderdeel C, categorie 28.4 van het Bor. Daarnaast is binnen de inrichting een IPPC-installatie zoals genoemd in Bijlage 1 onder categorie 5.3b van de Richtlijn industriële emissies aanwezig.

  • 1.6

    Procedure

De omgevingsvergunning van 24 mei 2006 is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Gelet hierop dient de wijziging eveneens te worden voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure.

Van het ontwerp van de vergunning hebben wij kennisgegeven in de Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad en in het Provinciaal blad van Fryslân via https://officielelebekendmakingen.nl. Van 13 maart 2023 tot en met 24 april 2023 heeft een ontwerp van de vergunning ter inzage gelegen en is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

  • 1.7

    Adviezen

In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 van de Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor, hebben wij het ontwerp van de ambtshalve wijziging ter advies aan de volgende instanties/bestuursorganen gezonden:

  • Wetterskip Fryslân;

  • Burgemeester en wethouders van Opsterland.

Naar aanleiding van het toezenden van de ontwerpbeschikking hebben wij geen adviezen ontvangen. 

  • 2.

    Inhoudelijke overwegingen 

  • 2.1

    Toetsingskader ambtshalve wijziging omgevingsvergunning

Sinds 1 januari 2013 geldt een actualisatieplicht voor IPPC-installaties (artikel 5.10, eerste lid van het Bor). De plicht houdt in dat:

  • binnen een termijn van vier jaar na publicatie in het Publicatieblad van de Europese Unie van de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit van een IPPC-installatie, de voorschriften van de omgevingsvergunning moeten worden getoetst aan de beste beschikbare technieken (BBT) die staan in deze (nieuwe) BBT-conclusies (en alle overige relevante BBT-documenten);

  • als niet wordt voldaan aan deze BBT's moeten de vergunningvoorschriften worden geactualiseerd en;

  • de betreffende IPPC-installatie binnen de termijn van vier jaar zal voldoen aan deze geactualiseerde voorschriften.

De actualisatieplicht start dus op het moment dat de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit zijn gepubliceerd. Daarom zal bij IPPC-installaties waarin meerdere activiteiten uit bijlage 1 van de RIE worden uitgeoefend, bepaald moet worden welke activiteit voor de betreffende IPPC-installatie zal worden aangemerkt als de hoofdactiviteit.

Binnen deze inrichting vindt een activiteit uit bijlage 1 van de RIE plaats. Daarom is in overleg met de vergunninghouder van de inrichting nagegaan welke BBT-conclusies relevant zijn voor deze activiteit en welke BBT-conclusies daarmee het startpunt zullen worden van de (verplichte) vergunning-actualisatie. Dit betekent dat na publicatie van deze BBT-conclusies in het publicatieblad van de Europese Unie de actualisatieplicht zal beginnen.

Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit en aan andere relevante BBT-conclusies.

Overeenkomstig artikel 2.31, eerste lid van de Wabo, moet en overeenkomstig artikel 2.31, tweede lid van de Wabo, kan het bevoegd gezag voorschriften die aan een omgevingsvergunning zijn verbonden wijzigen. De omstandigheden waaronder dit moet of kan gebeuren zijn eveneens vermeld in dit artikel. In dit geval is er sprake van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.31, eerste lid, onder b.

Artikel 2.31, eerste lid, geeft de omstandigheden aan waaronder het bevoegd gezag verplicht is de voorschriften van de omgevingsvergunning te wijzigen. Onder b wordt aangegeven dat de voorschriften van de vergunning moeten worden aangescherpt als – kort samengevat – de bescherming van het milieu dit noodzakelijk maakt. Of die noodzaak bestaat kan worden afgeleid uit het toetsingskader dat geldt voor het toepassen van de actualiseringsplicht van artikel 2.30 van de Wabo, dat is opgenomen in artikel 5.10, derde lid van het Bor. Op grond van artikel 2.31, tweede lid, heeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om een vergunning aan te passen. Deze mogelijkheid bestaat voor zover dit in het belang van de bescherming van het milieu is.

Artikel 2.31a, eerste lid van de Wabo geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om, ter bescherming van het milieu, andere technieken voor te schrijven dan in de aanvraag zijn opgenomen en daarmee de grondslag van de aanvraag te verlaten. Op grond van artikel 2.31a, tweede lid is de vergunninghouder verplicht desgevraagd gegevens aan het bevoegd gezag over te leggen die nodig zijn voor de beoordeling of alle relevante BBT-maatregelen worden toegepast.

  • 2.2

    Beste beschikbare technieken

In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast.

Bij het opstellen van de omgevingsvergunning milieu moet rekening worden gehouden met de BBT-conclusies. De Europese Commissie stelt de BBT-conclusies op en maakt deze bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

BBT-conclusies is een document met de conclusies over beste beschikbare technieken, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, lid 5 en 7 van de Richtlijn industriële emissies (Rie).

De Europese Commissie heeft de Beste beschikbare technieken (BBT)-conclusies Afvalbehandeling gepubliceerd op 17 augustus 2018 in het Publicatieblad van de Europese Unie.

De BBT-conclusies Afvalbehandeling gaan over activiteiten uit bijlage I van de Richtlijn industriële emissies 2010/75/EU (RIE):

  • 5.1: verwijdering of nuttige toepassing van gevaarlijke afvalstoffen;

  • 5.3 a en b: verwijdering en/of nuttige toepassing van ongevaarlijke afvalstoffen;

  • 5.5: tijdelijke opslag van gevaarlijke afvalstoffen;

  • 6.11: zelfstandige afvalwaterzuiveringsinstallatie. Wel moet het belangrijkste deel van het afvalwater van een installatie waarin een activiteit uit IPPC-categorie 5.1, 5.3 of 5.5 wordt uitgevoerd.

  • Deze BBT-conclusies gaan niet over IPPC-categorie 5.2 afvalverbranding of 5.4 stortplaatsen.

In het kader van de onder hoofdstuk 2.1 “Toetsing ambtshalve wijziging omgevingsvergunning” genoemde actualisatieplicht hebben wij getoetst of de voorschriften van de vigerende omgevingsvergunning(en) voldoen aan de beste beschikbare technieken (BBT) die staan in deze nieuwe BBT-conclusies.

  • 2.3

    Overwegingen activiteiten en aspecten

Binnen de inrichting worden één of meer van de activiteiten uit bijlage 1 van de Rie uitgevoerd en wel de volgende:

  • categorie 5.3b; Nuttige toepassing, of een combinatie van nuttige toepassing en verwijdering, van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 75 ton per dag door middel van biologische behandeling (compostering).

Om te bepalen of en in hoeverre aan de BBT-conclusies Afvalbehandeling wordt voldaan, hebben wij u op 2 november 2021 schriftelijk verzocht gegevens aan te leveren waarin aangegeven wordt hoe u voldoet aan de nieuwe BBT-conclusies Afvalbehandeling. Op 16 februari 2022 hebben wij een document BBT-conclusies ontvangen (Enviso Ingenieursbureau, kenmerk 220104, projectnummer EN00296-002 d.d. 16 februari 2022). Na beoordeling van deze informatie en de omgevingsvergunning van 24 mei 2006, is gebleken dat de omgevingsvergunning niet geheel voldoet aan de BBT-conclusies Afvalbehandeling. Wij zijn tot de conclusie gekomen dat de door u overgelegde gegevens aanleiding geven om de omgevingsvergunning van 24 mei 2006 te actualiseren.

Bij het bepalen van de BBT hebben we rekening gehouden met de van toepassing zijnde BBT-conclusies versie 17 augustus 2018. Hierbij is gebleken dat uw vergunning nog niet actueel is met betrekking tot de aanwezigheid van een milieubeheersysteem en een geurbeheerplan.

  • 2.4

    Milieubeheersysteem

Bij bedrijven met een IPPC-installatie waarop de BBT-conclusies afvalbehandeling van toepassing is, moet een milieubeheersysteem (MBS) worden ingevoerd. In BBT 1 staat dat het bedrijf een MBS moet invoeren en welke elementen in het MBS moeten zijn opgenomen. De concrete invulling en het detailniveau van het MBS is afhankelijk van de specifieke situatie (bijv. aard, omvang en complexiteit van het bedrijf en alle mogelijke milieueffecten ervan; dit wordt mede bepaald door de soort en hoeveelheid verwerkt afval) en dient op bedrijfsniveau bepaald te worden. Het opstellen en toepassen van een milieuzorgsysteem vergt inspanningen en tijd, maar door het toepassen van een MBS kan de milieu-impact algemeen beperkt worden.

Van der Wiel Infra & Milieu BV is ISO 9001 en ISO 14001 gecertificeerd, waarmee wordt aangetoond dat er een werkend en deugdelijk kwaliteitsbeheerssysteem en milieumanagementsysteem aanwezig is. Maar het is onduidelijk of alle relevante elementen als genoemd in maatregel BBT 1 uit de BBT conclusies Afbehandeling aan de orde komen en hoe deze verwerkt zijn.

Om het bovenstaande te borgen, verbinden wij voorschriften aan uw vergunning van 24 mei 2006 waarin het opstellen, de invoering en de naleving van een milieubeheersysteem met de verschillende onderdelen, genoemd in BBT 1, voorgeschreven wordt.

  • 2.5

    Geur

De BBT-conclusies Afvalbehandeling stellen eisen aan IPPC-installaties die geuroverlast kunnen veroorzaken om overlast te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.

Omdat compostering van groenafval als een geurgevoelige activiteit kan worden aangemerkt, is BBT-conclusie 12 relevant.

In BBT 12 van paragraaf 1.3 van de BBT-conclusies afvalbehandeling is opgenomen dat een geurbeheerplan moet worden opgezet, ingevoerd en regelmatig moet worden geëvalueerd om geuremissies te voorkomen of, als dat niet mogelijk is, te verminderen. Hierbij is toegelicht dat de toepasbaarheid is beperkt tot gevallen waarin geurhinder bij gevoelige receptoren wordt verwacht of zich al heeft voorgedaan.

Een gevoelige receptor is in de BBT Conclusies Afvalbehandeling 2018 gedefinieerd als een “zone die speciale bescherming behoeft, zoals:

  • woonzones;

  • zones waar menselijke activiteiten worden verricht (bv. aangrenzende werkplekken, scholen, kinderdagverblijven, recreatiegebieden, ziekenhuizen of verpleegtehuizen).

Het aanvaardbaar geurhinderniveau door composteerinrichting met een bestaande capaciteit van 45.000 ton per jaar is in de vergunning van 24 mei 2006 vastgelegd door het opnemen van een geurcontour van 3 geureenheden per kubieke meter (3 ge/m3). Deze geurcontour ligt o.a. op de dichtst bij de inrichting gelegen woning. Dit komt overeen met vergunde immissiewaarde van 1,5 OUE/m3 van op de dichtstbijzijnde woning Tolhekbuurt 3 in Nij Beets. Deze vergunde waarde komt overeen met de grenswaarde voor woningen gelegen in (gebied)categorie A (“wonen”) uit de Beleidsregel geur Bedrijven Fryslân 2019.

De geurbelasting als gevolg van de activiteiten binnen de inrichting voldoet net aan de grenswaarde zoals opgenomen in de Beleidsregels geur Bedrijven Fryslân 2019. Omdat de inrichting net voldoet aan de grenswaarde, valt niet uit te sluiten dat geurhinder wordt ervaren in de directe omgeving van de inrichting als gevolg van de composteeractiviteiten. Daarom voegen we een voorschrift aan de vergunning van 24 mei 2006 toe waarin wordt aangegeven dat er een geurbeheerplan moet worden opgesteld. Dit geurbeheerplan moet naar het bevoegd gezag gestuurd worden voor goedkeuring.

In BBT 33 van paragraaf 3.1 en BBT 36 van paragraaf 3.2.1 van de BBT-conclusies afvalbehandeling is opgenomen dat de BBT om geuremissie te verminderen en de algehele milieuprestaties te verbeteren, is om de afvalinput te selecteren en om de procesparameters te monitoren en/of te beheersen. De vergunninghouder heeft daaraan invulling gegeven met het acceptatie- en verwerkingsbeleid (Acceptatie en registratie van afvalstoffen en compost vs3 d.d. 20-03-2014).

Door BBT 33 en BBT 36 aan de vergunning van 24 mei 2006 te verbinden wordt geborgd dat het acceptatie- en verwerkingsbeleid en het monitoren/beheersen van procesparameters (onder andere temperatuur, vochtigheid en beluchting) erop is gericht om geuremissie te verminderen en de algehele milieuprestaties te verbeteren.

  • 2.6

    Conclusie

De inrichting voldoet - met inachtneming van de aan dit besluit gehechte voorschriften – aan de BBT-conclusies Afvalbehandeling.

Bijlage 1: Milieubeheersysteem (MBS) Afvalbedrijven

  • I.

    Inleiding

    Op grond van maatregel BBT1 maatregel zoals opgenomen in de BREF/BBT-conclusies Afvalbehandeling dient ter verbetering van de algehele milieuprestaties en de controle daarop een milieubeheersysteem (MBS) te worden ingevoerd. Dit document is bedoeld ter ondersteuning voor het opstellen van een MBS. De concrete invulling en het detailniveau van het MBS is afhankelijk van de specifieke situatie (bv. Aard, omvang en complexiteit van het bedrijf en alle mogelijke milieueffecten ervan) en dient op bedrijfsniveau bepaald te worden. Zo zal een milieuzorgsysteem van een klein bedrijf minder uitgebreid zijn dan dat van een groot bedrijf. Het opstellen en toepassen van een milieuzorgsysteem vergt inspanningen en tijd maar door het toepassen van een milieuzorgsysteem kan de milieu-impact algemeen beperkt worden.

  • II.

    Beschrijving bedrijf.

Invullen:

  • 1.

    Beschrijving van het bedrijf

    • a)

      Naw gegevens.

    • b)

      De IPPC categorie(ën).

  • III.

    Het milieubeleid en naleven van toepassing zijnde milieuregelgeving (BBT1) :

Invullen met aandacht voor:

  • a)

    Op welke wijze is het management betrokken bij het milieubeleid.

  • b)

    Definiëren wat het milieubeleid is van het bedrijf.

  • c)

    Hoe is het milieubeleid uitgewerkt door het management en waaruit blijkt dat er sprake is van continue verbetering van de milieuprestaties.

  • IV.

    Een kwaliteitssysteem toepassen. Noodzakelijke procedures opstellen en implementeren (BBT1):

Invullen met aandacht voor:

  • 1.

    Structuren van taken en verantwoordelijkheden:

    • a)

      Implementeren en uitvoeren van de procedures met bijzondere aandacht voor;

      • bedrijfsorganisatie en verantwoordelijkheid;

      • aanwerving, opleiding, bewustmaking en bekwaamheid;

      • communicatie;

      • betrokkenheid van de werknemers;

      • documentatie (bijhouden van gegevens, registraties);

      • efficiënte procescontrole;

      • onderhoudsprogramma's;

      • monitoring;

      • waarborgen van de naleving van de milieuwetgeving;

      • Interne audits (planning en wijze van uitvoeren).

    • b)

      Taken en verantwoordelijkheden: Wie is waar verantwoordelijk voor. Denk hierbij aan voorschriften uit de vergunning, onderhoudstermijnen maar ook het bijhouden van nieuwe wet- en regelgeving en het informeren van personeel hierover en het volgen van de ontwikkelingen op het vlak van schonere technologieën.

    • c)

      Wie controleert of taken door verantwoordelijke zijn uitgevoerd en eventueel opstellen corrigerende maatregelen.

    • d)

      Opstellen onderhouds- en inspectieprogramma’s.

    • e)

      Op welke wijze wordt bijgehouden/geregistreerd dat de dagelijkse, wekelijkse, maandelijkse, jaarlijkse taken en verplichtingen (uit de vergunning) zijn uitgevoerd waaronder ook de jaarlijkse elektronische verslaglegging E-PRTR.

    • f)

      Vastleggen dat het kwaliteitssysteem regelmatig wordt beoordeeld door de directie.

  • V.

    Borging en monitoring milieuaspecten

Invullen met aandacht voor:

  • 1.

    Afval* (BBT 2)

    • a)

      Opstelling en invoering van procedures voor de karakterisering en preacceptatie van afval.

    • b)

      Informatie over de eigenschappen van het te behandelen afval en de afvalverwerkingsprocessen.

    • c)

      Opstelling en invoering van procedures voor de acceptatie van afval.

    • d)

      Opstelling en invoering van een traceersysteem en inventarisatie voor afval.

    • e)

      Opstelling en invoering van een kwaliteitsbeheersysteem voor de output.

    • f)

      Waarborgen van afvalscheiding.

    • g)

      Het opstellen en uitvoeren van hanterings- en overbrengingsprocedures (BBT5).

    • h)

      Inventaris in- en uitgaande stromen/Afvalinput monitoren (BBT 11 en 52)

      * Er kan ook verwezen worden naar het van toepassing zijnde Acceptatie- en verwerkingsbeleid en administratieve organisatie en interne controle oftewel het A&V-beleid en AOIC. De onderdelen die niet beschreven worden in het A&V-beleid en AOIC dienen in het milieubeheerssysteem te worden beschreven.

  • 2.

    Afvalwater (BBT 3, 6, 7, 11, 19 en 20)

    Om vermindering van emissies naar water te bevorderen, is het opstellen en actueel houden van een inventaris van afvalwater, als onderdeel van het milieubeheersysteem, noodzakelijk en dienen de volgende elementen te zijn opgenomen:

    • a)

      Opstelling en invoering van procedures aangaande het afvalwater;

    • b)

      Informatie over de kenmerken van de afvalwaterstromen, zoals:

      • gemiddelde waarden en variabiliteit van debiet, pH, temperatuur en geleidbaarheid.

      • gemiddelde concentratie en belastingwaarden van de relevante stoffen en hun variabiliteit (bv. CZV/TOC, stikstofverbindingen, fosfor, metalen, prioritaire stoffen/microverontreinigingen waaronder ook ZZS);

      • gegevens over biologische verwijderbaarheid (bv. BZV, BZV/CZV-ratio, Zahn-Wellenstest, potentieel tot biologische inhibitie (bv. inhibitie van actief slib);

    • c)

      Monitoring;

    • d)

      Onderhoudsschema inspectie/controle data metingen (wettelijk dan wel op basis van verleende vergunningen).

  • 3.

    Bodem inclusief bodem beschermende voorzieningen (BBT 19).

    • a)

      Onderhoudsschema inspectie/controle data metingen bodem en bodem beschermende voorzieningen (wettelijk dan wel op basis van verleende vergunningen).

    • b)

      Registratie van uitgevoerde metingen/controles/inspecties.

  • 4.

    Energie (BBT 11 en 23)

    • a)

      opstellen van een energiebeleidsverklaring door het management:

      • onderschrijving van het engagement van het management van de vestiging dat de onderneming werkt aan een optimale(re) energie-efficiëntie;

      • creëert het noodzakelijk draagvlak voor de implementatie van de energiebeheermaatregelen.

    • b)

      aanstellen van een energiecoördinator:

      • wordt aangesteld door het management;

      • coördineert het te volgen energiebeleid binnen de onderneming en ziet toe op een verantwoord (duurzaamheid) beleid bij nieuwbouw, aanpassing bestaande gebouwen, vervanging en aanpassing van installaties en vervoermiddelen;

      • is verantwoordelijk voor de communicatie (in beide richtingen) rond het energiebeleid en de daaruit voortvloeiende activiteiten.

    • c)

      Energieverbruik monitoren en registreren.

  • 5.

    Geluid (BBT 17)

    • a)

      Beheerplan geluid- en trillingen.

  • 6.

    Geur (BBT 8, 10 en 12)

    • a)

      Monitoring;

    • b)

      Geurbeheerplan.

  • 7.

    Lucht (BBT 8 en 27 )

    • a)

      Informatie over de kenmerken van de afgassen waaronder ook ZZS;

    • b)

      Registratie van uitgevoerde metingen/controles/inspecties;

    • c)

      Monitoring;

    • d)

      Beheerplan voor deflagratie (bij shredders).

  • 8.

    Opslag (BBT 4)

    • a)

      Geoptimaliseerde opslag.

    • b)

      Adequate opslag capaciteit.

    • c)

      Veilige opslag.

  • VI.

    Informatieverstrekking en training/coaching met het oog op bewustzijn en betrokkenheid van de werknemers BBT 1):

Invullen met aandacht voor:

  • 1.

    Communicatie en training zijn belangrijk om medewerkers te sensibiliseren:

    • a)

      Interne communicatie.

      • i.

        management/energiecoördinator: informatie verspreiden (aanpak, doelstellingen, enz.) en maar ook terugkoppeling van resultaten (bv. aantal Euro’s bespaard);

      • ii.

        werknemers: verzamelen van ideeën, voorstellen en eventuele vragen op het gebied van opleidingen.

    • b)

      externe communicatie:

      • iii.

        ketenefficiëntie verbeteren; samen met leveranciers en klanten zoeken naar energetische verbeteringen (ook op vlak van transport en logistiek);

      • iv.

        regelmatige en gepaste communicatie naar de omgeving van de onderneming over behaalde resultaten op gebied van bv. energiereducties en maatregelen ter verbetering van de leefomgeving.

    • c)

      De aandacht die gegeven wordt aan opleiding en training.

    • d)

      Onderwerpen die tijdens de trainingen aan bod kunnen komen zoals:

      • mogelijke problemen die zich voordoen tijdens de normale bedrijfsprocessen;

      • mogelijke problemen die zich voordoen in niet-routine situaties;

      • risicoanalyse van bedrijfsprocessen.

BIJLAGE - BEGRIPPEN 

Beste beschikbare technieken (BBT):

Voor het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu meest doeltreffende

technieken om de emissies en andere nadelige gevolgen voor het milieu, die een inrichting kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken, die - kosten en baten in aanmerking genomen - economisch en technisch haalbaar in de bedrijfstak waartoe de inrichting behoort, kunnen worden toegepast, en die voor degene die de inrichting drijft, redelijkerwijs in Nederland of daarbuiten te verkrijgen zijn; daarbij wordt onder technieken mede begrepen het ontwerp van de inrichting, de wijze waarop zij wordt gebouwd en onderhouden, alsmede de wijze van bedrijfsvoering en de wijze waarop de inrichting buiten gebruik wordt gesteld.

Bor:

Besluit omgevingsrecht

Gegronde geurklacht:

Een gegronde geurklacht is een geurklacht over een bedrijf die namens het bevoegd gezag is geverifieerd door een toezichthouder en als zodanig kan worden toegeschreven aan de activiteiten van het betreffende bedrijf.

Naar boven