Provinciaal blad van Fryslân
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Fryslân | Provinciaal blad 2024, 7118 | andere beschikking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Fryslân | Provinciaal blad 2024, 7118 | andere beschikking |
Ambtshalve wijziging omgevingsvergunning Van der Wiel Infra&Milieu B.V.,Tolhekbuurt 1, Nij Beets
Voor de inrichting van Van der Wiel Infra&Milieu B.V. op het adres Tolhekbuurt 1 in Nij Beets gelden de omgevingsvergunning van 24 mei 2006 (kenmerk 640547), ambtshalve wijziging van 29 oktober 2013 (kenmerk 2013-09135), veranderingsvergunning van 23 januari 2017 (kenmerk 2016-FUMO-0018314), veranderingsvergunning van 23 juli 2020 (kenmerk 2019-FUMO-0034271 en ambtshalve wijziging van 13 januari 2022 (kenmerk 2020-FUMO-00411251).
Wij zijn voornemens de omgevingsvergunning van 24 mei 2006 te actualiseren. De overige omgevingsvergunningen en ambtshalve wijzigingen zijn wel meegenomen in de beoordeling, maar zijn verder niet relevant in het kader van deze actualisatie.
Binnen de inrichting is een IPPC-installatie aanwezig, namelijk een installatie als genoemd in categorie 5.3b; verwijdering of nuttige toepassing van ongevaarlijke afvalstoffen door biologische behandeling met een capaciteit groter dan 75 ton per dag (compostering). Sinds 1 januari 2013 geldt een extra actualisatieplicht voor IPPC-installaties (artikel 2.30 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in combinatie met artikel 5.10, lid 1 van het Besluit omgevingsrecht). De plicht houdt in dat binnen vier jaar na publicatie van de beste beschikbare technieken (BBT)-conclusies moet worden getoetst of de vergunning nog voldoet aan de BBT-conclusies. Indien de voorschriften niet voldoen, moet de vergunning binnen de termijn van vier jaar zijn geactualiseerd.
De BBT-conclusies Afvalbehandeling zijn op 17 augustus 2018 gepubliceerd. Wij hebben de vergunning van 24 mei 2006 beoordeeld en zijn van mening dat deze vergunning niet geheel voldoet aan de BBT-conclusies Afvalbehandeling.
Wij actualiseren daarom de voorschriften van de omgevingsvergunningen van 24 mei 2006 door nieuwe voorschriften aan deze vergunning te verbinden.
Wij besluiten, gelet op artikel 2.31, eerste lid, onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht:
Namens het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân,
Afdelingshoofd Vergunningverlening en Specialistisch Advies
Bijlage: voorschriften en overwegingen actualisatie omgevingsvergunning
Bekendmaking, inwerkingtreding en rechtsbeschermingsmiddelen (definitieve) beschikking
Deze beschikking wordt bekendgemaakt door toezending aan de aanvrager. Daarnaast wordt een kennisgeving gegeven door publicatie in de Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad en in het Provinciaal blad van Fryslân via www.officielebekendmakingen.nl. De beschikking treedt in werking 6 weken na bekendmaking van het definitief besluit.
De aanvraag en de beschikking met de daarbij behorende stukken worden op grond van de Algemene wet bestuursrecht ter inzage gelegd. Inzage is mogelijk bij de provincie/FUMO.
Een dag nadat de beschikking ter inzage is gelegd, start de termijn van zes weken voor het indienen van een beroepschrift. In die periode kunnen zowel u als belanghebbenden beroep aantekenen tegen deze beschikking. Ook niet-belanghebbenden kunnen beroep aantekenen indien zij een zienswijze hebben ingediend.
Het beroepschrift moet in tweevoud ingediend worden bij Rechtbank Noord-Nederland, Postbus 781, 9700 AT Groningen.
Het indienen van een beroepschrift stelt de werking van de beschikking niet uit. Als u of belanghebbenden niet willen dat deze beschikking in werking treedt na afloop van de beroepstermijn, kan tijdens die termijn om een voorlopige voorziening worden verzocht. Dit verzoek kan worden gedaan bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord Nederland, Postbus 781 9700 AT Groningen. De beschikking treedt in dat geval niet in werking voordat over dit verzoek is beslist.
Voorschriften ambtshalve wijziging omgevingsvergunning activiteit milieu
Het in voorschrift 1.1.1 bedoelde verzoek om goedkeuring moet schriftelijk worden gericht aan de FUMO, Postbus 3347, 8901 DH LEEUWARDEN of info@fumo.nl.
Om de geuremissie van de compostering te verminderen en de algehele milieuprestaties te verbeteren, moeten de preacceptatie, acceptatie en sortering van de afvalinput zodanig worden uitgevoerd dat de afvalinput geschikt is voor de compostering, bijvoorbeeld voor wat betreft de nutriëntenbalans, het vochtgehalte of toxische verbindingen die de biologische activiteit kunnen verminderen.
Om diffuse emissies van geur afkomstig van behandelingsstappen in de open lucht te verminderen, worden één of beide onderstaande technieken gebruikt:
Aanpassing van de activiteiten aan de meteorologische omstandigheden. Dit omvat technieken zoals:
rekening houden met weersomstandigheden en -voorspellingen bij het uitvoeren van grote procesactiviteiten in de open lucht, bijvoorbeeld vermijden dat rillen/tafels of hopen worden opgezet of gekeerd, gezeefd of versnipperd bij meteorologische omstandigheden die ongunstig zijn voor wat betreft emissieverspreiding (bijv. de windsnelheid is te laag of te hoog, of de wind waait in de richting van gevoelige receptoren);
rillen/tafels zodanig plaatsen dat het kleinst mogelijke oppervlak van de compostmassa aan de overheersende wind is blootgesteld, teneinde de verspreiding van verontreinigende stoffen van het ril-/tafeloppervlak te verminderen. De rillen/tafels en hopen bevinden zich bij voorkeur op het minst hoge punt binnen de gehele indeling van een installatie.
Het in voorschrift 2.2.1 bedoelde verzoek om goedkeuring moet schriftelijk worden gericht aan de FUMO, J.W. de Visserwei 10, 9001 ZE Grou of info@fumo.nl.
Het geurbeheerplan wordt minimaal één keer per jaar door het management geëvalueerd en zo nodig aangepast. Wanneer het geurbeheerplan wordt aangepast, moet het aangepaste geurbeheerplan ter goedkeuring aan het bevoegd gezag worden toegezonden. Het verzoek om goedkeuring moet schriftelijk worden gericht aan de FUMO, J.W. de Visserwei 10, 9001 ZE Grou of info@fumo.nl.
Van der Wiel Infra&Milieu BV heeft voor de locatie Tolhekbuurt 1 in Nij Beets vergunning voor de volgende activiteiten:
Sinds 1 januari 2013 geldt een extra actualisatieplicht voor IPPC-installaties (artikel 2.30 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in combinatie met artikel 5.10, lid 1, van het Besluit omgevingsrecht). De plicht houdt in dat binnen een termijn van vier jaar na publicatie van de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit van een IPPC-installatie de vergunning, waar nodig, moet zijn geactualiseerd op basis van de nieuwe BBT-conclusie.
Op 17 augustus 2018 heeft de Europese commissie de beste beschikbare technieken (BBT)-conclusies afvalbehandeling gepubliceerd. De BBT-conclusies afvalbehandeling gaan onder andere over de volgende activiteiten uit bijlage 1 van de Richtlijn industriële emissies (RIE):
Voor deze actualisatie hebben wij de verleende omgevingsvergunning(en) van Van der Wiel Infra&Milieu B.V. getoetst aan de BBT-conclusies Afvalbehandeling.
De toetsing geeft aanleiding tot het aanpassen van de vergunning van 24 mei 2006 met kenmerk 640547.
Voor de inrichting van Van der Wiel Infra&Milieu B.V. op het adres Tolhekbuurt 1 in Nij Beets zijn eerder de onderstaande omgevingsvergunningen verleend:
De hierboven genoemde vergunningen waar een * bij staat, zijn volgens de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Invoeringswet Wabo) gelijkgesteld aan een omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd.
De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I, onderdeel C van het Bor. De volgende categorieën zijn van toepassing:
Op grond van categorie 11.4 en 28.10, onder 28b van bijlage I, onderdeel C van het Bor is sprake van een vergunningplichtige activiteit.
Het betreft een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort als genoemd in Bijlage I, categorie 5.3b, onder i van de Richtlijn industriële emissies. Om die reden is op grond van artikel 2.1, tweede lid, van het Bor sprake van een vergunningplichtige inrichting.
Wij zijn bevoegd gezag voor de inrichting. Dit volgt uit artikel 2.4 van de Wabo juncto artikel 3.3, eerste lid van het Bor. De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I, onderdeel C, categorie 28.4 van het Bor. Daarnaast is binnen de inrichting een IPPC-installatie zoals genoemd in Bijlage 1 onder categorie 5.3b van de Richtlijn industriële emissies aanwezig.
De omgevingsvergunning van 24 mei 2006 is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Gelet hierop dient de wijziging eveneens te worden voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure.
Van het ontwerp van de vergunning hebben wij kennisgegeven in de Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad en in het Provinciaal blad van Fryslân via https://officielelebekendmakingen.nl. Van 13 maart 2023 tot en met 24 april 2023 heeft een ontwerp van de vergunning ter inzage gelegen en is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 van de Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor, hebben wij het ontwerp van de ambtshalve wijziging ter advies aan de volgende instanties/bestuursorganen gezonden:
Naar aanleiding van het toezenden van de ontwerpbeschikking hebben wij geen adviezen ontvangen.
Sinds 1 januari 2013 geldt een actualisatieplicht voor IPPC-installaties (artikel 5.10, eerste lid van het Bor). De plicht houdt in dat:
binnen een termijn van vier jaar na publicatie in het Publicatieblad van de Europese Unie van de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit van een IPPC-installatie, de voorschriften van de omgevingsvergunning moeten worden getoetst aan de beste beschikbare technieken (BBT) die staan in deze (nieuwe) BBT-conclusies (en alle overige relevante BBT-documenten);
De actualisatieplicht start dus op het moment dat de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit zijn gepubliceerd. Daarom zal bij IPPC-installaties waarin meerdere activiteiten uit bijlage 1 van de RIE worden uitgeoefend, bepaald moet worden welke activiteit voor de betreffende IPPC-installatie zal worden aangemerkt als de hoofdactiviteit.
Binnen deze inrichting vindt een activiteit uit bijlage 1 van de RIE plaats. Daarom is in overleg met de vergunninghouder van de inrichting nagegaan welke BBT-conclusies relevant zijn voor deze activiteit en welke BBT-conclusies daarmee het startpunt zullen worden van de (verplichte) vergunning-actualisatie. Dit betekent dat na publicatie van deze BBT-conclusies in het publicatieblad van de Europese Unie de actualisatieplicht zal beginnen.
Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit en aan andere relevante BBT-conclusies.
Overeenkomstig artikel 2.31, eerste lid van de Wabo, moet en overeenkomstig artikel 2.31, tweede lid van de Wabo, kan het bevoegd gezag voorschriften die aan een omgevingsvergunning zijn verbonden wijzigen. De omstandigheden waaronder dit moet of kan gebeuren zijn eveneens vermeld in dit artikel. In dit geval is er sprake van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.31, eerste lid, onder b.
Artikel 2.31, eerste lid, geeft de omstandigheden aan waaronder het bevoegd gezag verplicht is de voorschriften van de omgevingsvergunning te wijzigen. Onder b wordt aangegeven dat de voorschriften van de vergunning moeten worden aangescherpt als – kort samengevat – de bescherming van het milieu dit noodzakelijk maakt. Of die noodzaak bestaat kan worden afgeleid uit het toetsingskader dat geldt voor het toepassen van de actualiseringsplicht van artikel 2.30 van de Wabo, dat is opgenomen in artikel 5.10, derde lid van het Bor. Op grond van artikel 2.31, tweede lid, heeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om een vergunning aan te passen. Deze mogelijkheid bestaat voor zover dit in het belang van de bescherming van het milieu is.
Artikel 2.31a, eerste lid van de Wabo geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om, ter bescherming van het milieu, andere technieken voor te schrijven dan in de aanvraag zijn opgenomen en daarmee de grondslag van de aanvraag te verlaten. Op grond van artikel 2.31a, tweede lid is de vergunninghouder verplicht desgevraagd gegevens aan het bevoegd gezag over te leggen die nodig zijn voor de beoordeling of alle relevante BBT-maatregelen worden toegepast.
In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast.
Bij het opstellen van de omgevingsvergunning milieu moet rekening worden gehouden met de BBT-conclusies. De Europese Commissie stelt de BBT-conclusies op en maakt deze bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.
BBT-conclusies is een document met de conclusies over beste beschikbare technieken, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, lid 5 en 7 van de Richtlijn industriële emissies (Rie).
De Europese Commissie heeft de Beste beschikbare technieken (BBT)-conclusies Afvalbehandeling gepubliceerd op 17 augustus 2018 in het Publicatieblad van de Europese Unie.
De BBT-conclusies Afvalbehandeling gaan over activiteiten uit bijlage I van de Richtlijn industriële emissies 2010/75/EU (RIE):
In het kader van de onder hoofdstuk 2.1 “Toetsing ambtshalve wijziging omgevingsvergunning” genoemde actualisatieplicht hebben wij getoetst of de voorschriften van de vigerende omgevingsvergunning(en) voldoen aan de beste beschikbare technieken (BBT) die staan in deze nieuwe BBT-conclusies.
Binnen de inrichting worden één of meer van de activiteiten uit bijlage 1 van de Rie uitgevoerd en wel de volgende:
Om te bepalen of en in hoeverre aan de BBT-conclusies Afvalbehandeling wordt voldaan, hebben wij u op 2 november 2021 schriftelijk verzocht gegevens aan te leveren waarin aangegeven wordt hoe u voldoet aan de nieuwe BBT-conclusies Afvalbehandeling. Op 16 februari 2022 hebben wij een document BBT-conclusies ontvangen (Enviso Ingenieursbureau, kenmerk 220104, projectnummer EN00296-002 d.d. 16 februari 2022). Na beoordeling van deze informatie en de omgevingsvergunning van 24 mei 2006, is gebleken dat de omgevingsvergunning niet geheel voldoet aan de BBT-conclusies Afvalbehandeling. Wij zijn tot de conclusie gekomen dat de door u overgelegde gegevens aanleiding geven om de omgevingsvergunning van 24 mei 2006 te actualiseren.
Bij het bepalen van de BBT hebben we rekening gehouden met de van toepassing zijnde BBT-conclusies versie 17 augustus 2018. Hierbij is gebleken dat uw vergunning nog niet actueel is met betrekking tot de aanwezigheid van een milieubeheersysteem en een geurbeheerplan.
Bij bedrijven met een IPPC-installatie waarop de BBT-conclusies afvalbehandeling van toepassing is, moet een milieubeheersysteem (MBS) worden ingevoerd. In BBT 1 staat dat het bedrijf een MBS moet invoeren en welke elementen in het MBS moeten zijn opgenomen. De concrete invulling en het detailniveau van het MBS is afhankelijk van de specifieke situatie (bijv. aard, omvang en complexiteit van het bedrijf en alle mogelijke milieueffecten ervan; dit wordt mede bepaald door de soort en hoeveelheid verwerkt afval) en dient op bedrijfsniveau bepaald te worden. Het opstellen en toepassen van een milieuzorgsysteem vergt inspanningen en tijd, maar door het toepassen van een MBS kan de milieu-impact algemeen beperkt worden.
Van der Wiel Infra & Milieu BV is ISO 9001 en ISO 14001 gecertificeerd, waarmee wordt aangetoond dat er een werkend en deugdelijk kwaliteitsbeheerssysteem en milieumanagementsysteem aanwezig is. Maar het is onduidelijk of alle relevante elementen als genoemd in maatregel BBT 1 uit de BBT conclusies Afbehandeling aan de orde komen en hoe deze verwerkt zijn.
Om het bovenstaande te borgen, verbinden wij voorschriften aan uw vergunning van 24 mei 2006 waarin het opstellen, de invoering en de naleving van een milieubeheersysteem met de verschillende onderdelen, genoemd in BBT 1, voorgeschreven wordt.
De BBT-conclusies Afvalbehandeling stellen eisen aan IPPC-installaties die geuroverlast kunnen veroorzaken om overlast te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.
Omdat compostering van groenafval als een geurgevoelige activiteit kan worden aangemerkt, is BBT-conclusie 12 relevant.
In BBT 12 van paragraaf 1.3 van de BBT-conclusies afvalbehandeling is opgenomen dat een geurbeheerplan moet worden opgezet, ingevoerd en regelmatig moet worden geëvalueerd om geuremissies te voorkomen of, als dat niet mogelijk is, te verminderen. Hierbij is toegelicht dat de toepasbaarheid is beperkt tot gevallen waarin geurhinder bij gevoelige receptoren wordt verwacht of zich al heeft voorgedaan.
Een gevoelige receptor is in de BBT Conclusies Afvalbehandeling 2018 gedefinieerd als een “zone die speciale bescherming behoeft, zoals:
Het aanvaardbaar geurhinderniveau door composteerinrichting met een bestaande capaciteit van 45.000 ton per jaar is in de vergunning van 24 mei 2006 vastgelegd door het opnemen van een geurcontour van 3 geureenheden per kubieke meter (3 ge/m3). Deze geurcontour ligt o.a. op de dichtst bij de inrichting gelegen woning. Dit komt overeen met vergunde immissiewaarde van 1,5 OUE/m3 van op de dichtstbijzijnde woning Tolhekbuurt 3 in Nij Beets. Deze vergunde waarde komt overeen met de grenswaarde voor woningen gelegen in (gebied)categorie A (“wonen”) uit de Beleidsregel geur Bedrijven Fryslân 2019.
De geurbelasting als gevolg van de activiteiten binnen de inrichting voldoet net aan de grenswaarde zoals opgenomen in de Beleidsregels geur Bedrijven Fryslân 2019. Omdat de inrichting net voldoet aan de grenswaarde, valt niet uit te sluiten dat geurhinder wordt ervaren in de directe omgeving van de inrichting als gevolg van de composteeractiviteiten. Daarom voegen we een voorschrift aan de vergunning van 24 mei 2006 toe waarin wordt aangegeven dat er een geurbeheerplan moet worden opgesteld. Dit geurbeheerplan moet naar het bevoegd gezag gestuurd worden voor goedkeuring.
In BBT 33 van paragraaf 3.1 en BBT 36 van paragraaf 3.2.1 van de BBT-conclusies afvalbehandeling is opgenomen dat de BBT om geuremissie te verminderen en de algehele milieuprestaties te verbeteren, is om de afvalinput te selecteren en om de procesparameters te monitoren en/of te beheersen. De vergunninghouder heeft daaraan invulling gegeven met het acceptatie- en verwerkingsbeleid (Acceptatie en registratie van afvalstoffen en compost vs3 d.d. 20-03-2014).
Door BBT 33 en BBT 36 aan de vergunning van 24 mei 2006 te verbinden wordt geborgd dat het acceptatie- en verwerkingsbeleid en het monitoren/beheersen van procesparameters (onder andere temperatuur, vochtigheid en beluchting) erop is gericht om geuremissie te verminderen en de algehele milieuprestaties te verbeteren.
De inrichting voldoet - met inachtneming van de aan dit besluit gehechte voorschriften – aan de BBT-conclusies Afvalbehandeling.
Bijlage 1: Milieubeheersysteem (MBS) Afvalbedrijven
Op grond van maatregel BBT1 maatregel zoals opgenomen in de BREF/BBT-conclusies Afvalbehandeling dient ter verbetering van de algehele milieuprestaties en de controle daarop een milieubeheersysteem (MBS) te worden ingevoerd. Dit document is bedoeld ter ondersteuning voor het opstellen van een MBS. De concrete invulling en het detailniveau van het MBS is afhankelijk van de specifieke situatie (bv. Aard, omvang en complexiteit van het bedrijf en alle mogelijke milieueffecten ervan) en dient op bedrijfsniveau bepaald te worden. Zo zal een milieuzorgsysteem van een klein bedrijf minder uitgebreid zijn dan dat van een groot bedrijf. Het opstellen en toepassen van een milieuzorgsysteem vergt inspanningen en tijd maar door het toepassen van een milieuzorgsysteem kan de milieu-impact algemeen beperkt worden.
Structuren van taken en verantwoordelijkheden:
Taken en verantwoordelijkheden: Wie is waar verantwoordelijk voor. Denk hierbij aan voorschriften uit de vergunning, onderhoudstermijnen maar ook het bijhouden van nieuwe wet- en regelgeving en het informeren van personeel hierover en het volgen van de ontwikkelingen op het vlak van schonere technologieën.
Inventaris in- en uitgaande stromen/Afvalinput monitoren (BBT 11 en 52)
* Er kan ook verwezen worden naar het van toepassing zijnde Acceptatie- en verwerkingsbeleid en administratieve organisatie en interne controle oftewel het A&V-beleid en AOIC. De onderdelen die niet beschreven worden in het A&V-beleid en AOIC dienen in het milieubeheerssysteem te worden beschreven.
Beste beschikbare technieken (BBT):
Voor het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu meest doeltreffende
technieken om de emissies en andere nadelige gevolgen voor het milieu, die een inrichting kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken, die - kosten en baten in aanmerking genomen - economisch en technisch haalbaar in de bedrijfstak waartoe de inrichting behoort, kunnen worden toegepast, en die voor degene die de inrichting drijft, redelijkerwijs in Nederland of daarbuiten te verkrijgen zijn; daarbij wordt onder technieken mede begrepen het ontwerp van de inrichting, de wijze waarop zij wordt gebouwd en onderhouden, alsmede de wijze van bedrijfsvoering en de wijze waarop de inrichting buiten gebruik wordt gesteld.
Een gegronde geurklacht is een geurklacht over een bedrijf die namens het bevoegd gezag is geverifieerd door een toezichthouder en als zodanig kan worden toegeschreven aan de activiteiten van het betreffende bedrijf.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2024-7118.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.