Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo): Besluit ambtshalve wijziging vergunning PreZero, Energielaan 17 te Heerenveen

  • I.

    Onderwerp

Op 27 november 2008 is een revisievergunning met kenmerk 00796760 verleend voor de inrichting van PreZero Heerenveen (hierna: de inrichting), gevestigd aan de Energielaan 17 te Heerenveen. De omgevingsvergunning heeft betrekking op de op- en overslag en bewerking van (gevaarlijk) afval afkomstig van buiten de inrichting. Nadien zijn er nog diverse vergunningen verleend dan wel hebben er ambtshalve wijzigingen plaatsgevonden. Een overzicht van de huidige vergunningsituatie is opgenomen in paragraaf 1.3 van dit besluit.

Wij zijn voornemens de omgevingsvergunning van 27 november 2008 ambtshalve te wijzigen.

Binnen de inrichting is een IPPC-installatie aanwezig, namelijk een categorie 5.5-installatie als bedoeld in de Richtlijn industriële emissies (RIE): tijdelijke opslag van gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van 50 ton of meer in afwachting van in categorie 5.1, 5.2, 5.4 en 5.6 vermelde behandelingen. Sinds januari 2013 geldt een extra actualisatieplicht voor IPPC-installaties (artikel 2.30 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in combinatie met artikel 5.10, lid 1 van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor)). De plicht houdt in dat binnen vier jaar na publicatie van conclusies over de beste beschikbare technieken (hierna: BBT-conclusies) moet worden getoetst of de omgevingsvergunning nog voldoet aan de BBT-conclusies. Indien de voorschriften niet voldoen, moet de omgevingsvergunning binnen de termijn van vier jaar zijn geactualiseerd.

De BBT-conclusies Afvalbehandeling zijn op 17 augustus 2018 gepubliceerd. Wij hebben de omgevingsvergunning van 27 november 2008 beoordeeld en zijn van oordeel dat de omgevingsvergunning niet geheel voldoet aan de BBT-conclusies Afvalbehandeling. Wij passen daarom de omgevingsvergunning van 27 november 2008 ambtshalve aan door bestaande voorschriften te wijzigen en nieuwe voorschriften aan de vergunning toe te voegen.

  • II.

    Besluit

Wij besluiten, gelet op artikel 2.31, eerste lid, onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo):

  • de omgevingsvergunning d.d. 27 november 2008, kenmerk 00796760, ambtshalve te actualiseren door de voorschriften 1.1 t/m 2.1.2, zoals vermeld in de bijlage bij dit besluit, aan deze vergunning toe te voegen en de voorschriften uit paragrafen 4.2 en 4.3 te vervangen door de voorschriften 4.2.1 t/m 4.3.5, zoals vermeld in de bijlage bij dit besluit ;

  • dat het document BBT-conclusies (PreZero Heerenveen_ippc-tool_FUMO_20211206), ontvangen per e-mail op 6 december 2021, onderdeel uitmaakt van de omgevingsvergunning van 27 november 2008, kenmerk 00796760.

  • III.

    Bekendmaking, inwerkingtreding en rechtsbeschermingsmiddelen (definitieve) beschikking

Deze beschikking wordt bekendgemaakt door toezending aan de aanvrager. Daarnaast wordt een kennisgeving gepubliceerd in de Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad en in het Provinciaal blad van Fryslân via www.officielebekendmakingen.nl. De beschikking treedt zes weken na de bekendmaking in werking.

De aanvraag en de beschikking met de daarbij behorende stukken worden op grond van de Algemene wet bestuursrecht met ingang van de in de kennisgeving vermelde dag ter inzage gelegd. Inzage is mogelijk bij de gemeente/provincie/FUMO.

Een dag nadat de beschikking ter inzage is gelegd, start een termijn van zes weken voor het indienen van een beroepschrift. Binnen deze termijn kunnen zowel u als belanghebbenden beroep aantekenen tegen deze beschikking. Ook niet-belanghebbenden kunnen beroep aantekenen indien zij een zienswijze hebben ingediend.

Het beroepschrift moet in tweevoud worden ingediend bij de Rechtbank Noord-Nederland, Postbus 150, 9700 AT Groningen.

Het indienen van een beroepschrift stelt de werking van de beschikking niet uit. Als u of belanghebbenden niet willen dat deze beschikking in werking treedt na afloop van de beroepstermijn, kan tijdens die termijn om een voorlopige voorziening worden verzocht. Dit verzoek kan worden gedaan bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Nederland, Postbus 150 9700 AT Groningen. De beschikking treedt in dat geval niet in werking voordat over dit verzoek is beslist.

  • IV.

    Ondertekening en verzending

Namens het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân,     

S.G.C. Boender

Afdelingshoofd Vergunningverlening en Specialistisch Advies  

Een kopie van deze beschikking is naar de volgende instanties en personen gestuurd:

College van Burgemeester en Wethouders

van de gemeente Leeuwarden

Postbus 21000

8900 JA Leeuwarden

Brandweer Fryslân

Postbus 612

8901 BK Leeuwarden

Wetterskip Fryslân

Postbus 36

8900 AA Leeuwarden

Voorschriften behorend bij de vergunning van 27 november 2008, kenmerk 00796760

  • 1.

    Afvalstoffen

  • 1.1

    Milieubeheersysteem

  • 1.1.1

    In de inrichting moet een actueel milieubeheersysteem aanwezig zijn, waarin uitwerking is gegeven aan alle, op de tijdelijke opslag van gevaarlijke (afval)stoffen, van toepassing zijnde elementen van BBT 1 uit het uitvoeringsbesluit (EU) met kenmerk 2018/1147 van 10 augustus 2018.

  • 1.1.2

    Binnen 4 maanden na de inwerkingtreding van deze vergunning, moet vergunninghouder een milieubeheersysteem ter goedkeuring aan het bevoegd gezag hebben overgelegd. Het milieubeheersysteem heeft betrekking op de activiteiten de vallen onder categorie 5.5 van bijlage 1 van de Richtlijn industriële emissies (2010/75/EU).

  • 1.1.3

    Het milieubeheersysteem bevat naast de elementen zoals genoemd in bijlage 1 van deze vergunning, ten minste en voor zover van toepassing, de volgende onderdelen:

    Beleid

    • a.

      de milieustrategie;

    • b.

      het milieuplan;

  • Bedrijfsprocessen

    • c.

      procedures in het kader van het acceptatie- en verwerkingsbeleid (A&V-beleid) en het systeem voor administratieve organisatie en interne controle (AO/IC);

    • d.

      procedures voor het doorvoeren van wijzigingen en processen;

    • e.

      procedures voor het evalueren van het managementsysteem;

    • f.

      procedures voor het monitoren van de milieuaspecten afvalwater en luchtemissies;

    • g.

      procedures voor het wijzigen van installaties;

    • h.

      procedures voor onderhoud en keuringen op basis van de verleende omgevingsvergunning(en).

  • Per procedure

    • i.

      taken en verantwoordelijkheden/bevoegdheden;

    • j.

      werkinstructies.

  • 1.1.4

    Het in voorschrift 1.1.2 bedoelde verzoek om goedkeuring moet schriftelijk worden gericht aan de FUMO, Postbus 3347, 8901 DH LEEUWARDEN of info@fumo.nl.

  • 1.1.5

    Binnen 3 maanden na het besluit over de goedkeuring als bedoeld in voorschrift 1.1.2, moet vergunninghouder het goedgekeurde milieubeheersysteem hebben geïmplementeerd.

  • 2.

    Afvalwater

  • 2.1

    Rapportageverplichting emissie

  • 2.1.1

    Na elke periode van vijf jaar moet inzicht worden gegeven in de verdergaande emissiereductie van ZZS binnen de inrichting. De eerste rapportage moet binnen een jaar na het verlenen van de vergunning worden overgelegd aan het bevoegd gezag. De rapportage dient onder andere informatie te verschaffen over:

    • a.

      de mate waarin ZZS vanuit de inrichting worden geloosd;

    • b.

      ondernomen acties en resultaten in de voorgaande periode van 5 jaar;

    • c.

      de mogelijkheden om de emissie van ZZS te voorkomen dan wel te beperken;

    • d.

      de wereldwijde ontwikkeling van nieuwere technieken.

  • 2.1.2

    De rapportage-opzet dient ter beoordeling te worden overgelegd aan het bevoegd gezag.

  • 4.

    Externe veiligheid

  • 4.1

    Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen (PGS 15 opslagen)

    Opslag tot 10.000 kg

  • 4.1.1

    De opslag van verpakte gevaarlijke (afval)stoffen en CMR-stoffen tot 10 ton die vallen binnen de werkingssfeer zoals genoemd in tabel 1.1 van de PGS 15:2016 en waarvan de ondergrens genoemd in tabel 1.2 van de PGS 15:2016 wordt overschreden moet, voor zover niet anders geregeld in de hiernavolgende voorschriften, in een speciaal daarvoor bestemde ruimte plaatsvinden en moet voldoen aan de volgende voorschriften van hoofdstuk 3 van de richtlijn PGS 15: 2016 versie 1.0 (september 2016):

    • a.

      3.1.1 tot en met 3.1.5;

    • b.

      3.2.1 tot en met 3.2.5 en 3.2.7 tot en met 3.2.13;

    • c.

      3.4.1 tot en met 3.4.11;

    • d.

      3.6.1;

    • e.

      3.7.1 tot en met 3.7.8;

    • f.

      3.11.1 tot en 3.11.3;

    • g.

      3.12.1;

    • h.

      3.13.1 tot en met 3.13.3;

    • i.

      3.16.1;

    • j.

      3.17.1 tot en met 3.17.3;

    • k.

      3.18.1;

  • Gasflessen mogen niet worden opgeslagen in een opslagvoorziening voor de opslag van andere verpakte gevaarlijke stoffen.

  • Gasflessen

  • 4.1.2

    De opslag van gasflessen moet plaatsvinden overeenkomstig de voorschriften van de paragrafen 6.1 en 6.2 van hoofdstuk 6 van de PGS 15.

  • 4.1.3

    Gasflessen moeten zijn voorzien van de vereiste gevaarsetiketten conform ADR, IMDG en/of CLP.

  • 4.1.4

    De vergunninghouder moet er op toezien dat de herkeuringstermijn van de in gebruik zijnde gasflessen en de binnen de inrichting aanwezige gasflessen niet is verstreken. Bij het inwisselen/omruilen/vullen moet met de naderende keuringstermijn rekening worden gehouden. Indien aantoonbaar ten gevolg van een langere gebruiksperiode, dan wel lage gebruiksfrequentie een gasfles na de herkeuringstermijn nog in gebruik is, wordt dit voor zover de gasflessen ten minste zichtbaar in goede staat van onderhoud verkeren overeenkomstig NEN-EN 1968 toegestaan tot ten hoogste tweemaal de keuringstermijn. Het vullen van gasflessen na het verstrijken van de herkeuringstermijn is niet toegestaan.

  • 4.1.5

    Zichtbaar beschadigde of lekkende gasflessen moeten apart worden gezet op een locatie waar het uitstromende gas zo weinig mogelijk gevaar oplevert.

  • 4.1.6

    Voorschriften 4.1.3 en 4.1.4 zijn niet van toepassing op eventueel onvrijwillig verkregen gasflessen uit aangeleverd afval.

Procedurele Aspecten

1. Procedurele Aspecten

1.1. Gegevens vergunninghouder

Op 27 november 2008 is een revisievergunning verleend voor de inrichting gelegen aan de Energielaan 17 te Heerenveen. De omgevingsvergunning heeft betrekking op de op- en overslag van de volgende (gevaarlijke) afvalstoffen afkomstig van buiten de inrichting:

  • bouw- en sloopafval;

  • bedrijfsafval;

  • veegvuil;

  • (grof) huishoudelijk afval;

  • wit- en bruingoed;

  • asbest;

  • a-, b- en c-hout;

  • teerhoudend dakafval;

  • riool-, kolk- en gemaalslib (RKG);

  • groente-, fruit- en tuinafval (GFT);

  • onvrijwillig verkregen klein chemisch afval (KCA);

  • vet-/watermengsels.

Verder zijn de volgende bewerkingen vergund:

  • het grof voorsorteren van bouw- en sloopafval, bedrijfsafval en grof huishoudelijk afval;

  • het shredderen van afval, in het bijzonder voorgesorteerd kunststof (Eural 19.12.12) uit huishoudelijk afval, met een mobiele shredder;

  • het persen van balen van kunststoffen, papier en andere persbare verpakkingen; het ontwateren van RKG-slib.

1.2. Projectbeschrijving

Sinds 1 januari 2013 geldt een extra actualisatieplicht voor IPPC-installaties (artikel 2.30 van de Wabo in combinatie met artikel 5.10, lid 1, van het Bor). De plicht houdt in dat binnen een termijn van vier jaar na publicatie van de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit van een IPPC-installatie de omgevingsvergunning moet zijn geactualiseerd, waar nodig, op basis van de nieuwe BBT-conclusie.

Op 17 augustus 2018 heeft de Europese commissie de beste beschikbare technieken (BBT)-conclusies afvalbehandeling gepubliceerd. De BBT-conclusies afvalbehandeling gaan onder andere over de volgende activiteiten uit bijlage 1 van de RIE:

  • 5.5: tijdelijke opslag van gevaarlijke afvalstoffen in afwachting van in categorie 5.1, 5.2, 5.4 en 5.6 vermelde behandelingen.

Voor deze actualisatieplicht hebben wij de eerder verleende omgevingsvergunningen van de inrichting getoetst aan de BBT-conclusies Afvalbehandeling, aan overige relevante BBT-conclusies en aan de bij ministeriële regeling aangewezen informatiedocumenten over beste beschikbare technieken, die sinds het verlenen van de omgevingsvergunning of de laatste toetsing zijn vastgesteld of herzien. De toetsing geeft aanleiding tot het aanpassen van de eerder verleende omgevingsvergunning van 27 november 2008.

1.3. Huidige vergunningsituatie

Voor de inrichting zijn eerder de onderstaande vergunningen en/of ontheffingen verleend dan wel meldingen geaccepteerd:

Soort

Datum

Kenmerk

Onderwerp

Revisievergunning *

27 november 2008

00796760

Revisie gehele inrichting

Veranderingsvergunning*

9 november 2010

00918121

Aanpassen lozingseisen

Veranderingsvergunning*

12 januari 2011

00935089

Aanpassen lozingseisen

Veranderingsvergunning

5 juni 2019

2019-FUMO-0033176

Shredderen van kunststof verpakkingen

Ambtshalve wijziging van de vergunning van 27 november 2008

16 april 2020

2019-FUMO-0032768

Actualisatie i.v.m. LAP3

Ambtshalve wijziging van de vergunning van 27 november 2008

22 april 2021

2020-FUMO-0040919

Actualisatie i.v.m. energievoorschriften

De hierboven genoemde vergunningen waar een * bij staat, zijn volgens de Invoeringswet Wabo gelijkgesteld aan een omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd.

1.4. Vergunningplicht

De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I, onderdeel C van het Bor. De volgende categorieën zijn van toepassing:

Categorie

Omschrijving

1.1 onder b

een of meer verbrandingsmotoren aanwezig zijn met een vermogen of een gezamenlijk vermogen groter dan 1,5 kW, met dien verstande, dat bij de berekening van het gezamenlijk vermogen een verbrandingsmotor met een vermogen van 0,25 kW of minder buiten beschouwing blijft.

11.1 onder g, h en i

Inrichtingen voor het winnen, vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van: steen, gesteente of stenen voorwerpen, niet zijnde puin, zand of grind, grond.

12.1

Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van metalen, metalen voorwerpen of schroot dan wel behandelen van de oppervlakte van metalen of metalen voorwerpen.

15.1

Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, behandelen, opslaan of overslaan van hout of kurk dan wel van houten, kurken of houtachtige voorwerpen.

16.1 onder a

Inrichtingen voorhet vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan, overslaan of reinigen van textiel, woningtextiel, textielgrondstoffen, bont, leer, vlas of producten hiervan.

28.1 onder a sub 1, 2 en 4, en onder b

Inrichtingen voor het opslaan, overslaan of verwerken van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen, die ten aanzien daarvan een capaciteit hebben van 5 m3 of meer hebben, of gevaarlijke afvalstoffen opslaan, overslaan of verwerken.

28.4 onder a sub 1,5 en 6, en onder b sub 1 en 2, en onder c sub 2

het opslaan van buiten de inrichting afkomstige ingezamelde of afgegeven huishoudelijke afvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 35 m3 of meer, van buiten de inrichting afkomstige gevaarlijke afvalstoffen, of andere van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 1.000 m3 of meer. Het overslaan van van buiten de inrichting afkomstige huishoudelijke afvalstoffen of van buiten de inrichting afkomstige bedrijfsafvalstoffen met een opslagcapaciteit ten aanzien daarvan van 1.000 m3 of meer, of gevaarlijke afvalstoffen. Het verwerken of vernietigen – anders dan verbranden – van van buiten de inrichting afkomstige gevaarlijke afvalstoffen.

28.10

Inrichtingen voor nuttige toepassing of verwijdering van afvalstoffen, waarvan de afvalstoffen niet vallen onder de genoemde uitzonderingen.

Op grond van categorie 28.10 is sprake van een vergunningplichtige activiteit.

Het betreft een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort genoemd in Bijlage I, categorie 5.5 van de RIE. Om die reden is op grond van artikel 2.1, tweede lid van het Bor sprake van een vergunningplichtige inrichting.

1.5. Bevoegd gezag

Gedeputeerde Staten zijn bevoegd gezag voor de inrichting. Dit volgt uit artikel 2.4 van de Wabo in samenhang met artikel 3.3, lid 1 van het Bor. De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I, onderdeel C, categorie 28.4, onder a, 1°en 6° en 28.4, onder b, 1°en 2° van het Bor en daarnaast betreft het een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort. De inrichting valt onder Bijlage I, categorie 5.5 van de RIE.

1.6. Procedure uitgebreid

De op 27 november 2008 verleende revisievergunning is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Gelet op artikel 3.15, lid 3 van de Wabo dient de ambtshalve wijziging eveneens te worden voorbereid met deze uitgebreide voorbereidingsprocedure.

1.7. Adviezen

In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor, hebben wij ons voornemen tot ambtshalve wijziging ter advies aan de volgende instanties/bestuursorganen gezonden:

  • De gemeente Heerenveen; en

  • Wetterskip Fryslân.

De gemeente Heerenveen heeft geen aanleiding gezien om advies uit te brengen. Wel hebben wij een advies ontvangen van:

  • Wetterskip Fryslân met kenmerk WF-242518 van 13 december 2022, betreffende de beoordeling van de lozingen en het opnemen van voorschriften voor ZZS.

Wij behandelen het ontvangen advies in het hoofdstuk afvalwater.

1.8. Zienswijze

Het ontwerp van de beschikking heeft van 23 december 2022 tot en met 3 februari 2023 ter inzage gelegen. Eenieder is in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is gebruik gemaakt.

Op 23 januari 2023 hebben wij zienswijzen van PreZero Recycling Services Noord B.V. (PreZero) ontvangen. Wij hebben de definitieve beschikking gewijzigd. De zienswijzen en onze reactie daarop zijn opgenomen in deze paragraaf. Hieronder volgt per zienswijze onze reactie en vermelding van de wijziging ten opzichte van het ontwerp.

Zienswijze 1 verzoek tot schrappen voorschrift 1.1.1 over aangevuld A&V-beleid

“U geeft aan dat acceptatie- en opslaghoeveelheden voor afvalstoffen ontbreken in het A&V-beleid. Ten aanzien hiervan merken wij het volgende op:

  • Deze gegevens worden niet gevraagd in paragraaf D.3.3.2 of D.3.4.2 van LAP3.

  • Deze gegevens zijn naar onze mening milieuhygiënisch niet relevant. In de beschikking is ook niet aangegeven waarom deze milieuhygiënisch relevant zouden zijn.

  • Deze gegevens zijn gedeeltelijk al opgenomen in de aanvraag van de vergunning uit 2008.

Op basis van bovenstaande verzoeken wij u voorschrift 1.1.1 te schrappen.”

Reactie

De zienswijze is gegrond. Voorschrift 1.1.1 is geschrapt. Voorschrift 1.1.1 van het ontwerpbesluit omvatte een verplichting om het acceptatie- en verwerkingsbeleid (A&V-bleid) aan te vullen met acceptatie- en opslaghoeveelheden voor afvalstoffen.

In 2022 hebben wij voor in aanmerking komende afvalverwerkers een BREF-actualisatieproject doorlopen. Daarvoor hebben wij de eerder voor de betreffende inrichting afgegeven omgevingsvergunning getoetst aan de BBT-conclusies Afvalbehandeling en aan overige relevante BBT-conclusies. Bij nader inzien is er binnen dit project geen ruimte voor ons verzoek tot aanpassing van het A&V-beleid met afvalstoffenhoeveelheden. Ter bevordering van rechtsgelijkheid is voorschrift 1.1.1 geschrapt.

De overheid wil inzicht in de afvalstoffenhoeveelheden in Nederland. Deze informatie kan op basis van de Algemene wet bestuursrecht worden opgevraagd. PreZero verwijst in zienswijze 1 naar (afval)gegevens behorende bij een aanvraag van de omgevingsvergunning uit 2008. Op 27 augustus 2008 heeft SITA Nederland Holding BV in het kader van de aanvraag een prognose genaamd ‘prognose voor afval 2009’ met kenmerk 08.265/TW aangeleverd. Deze prognose is gebrekkig en stelt bovendien dat ‘De hoeveelheden kunnen per jaar (sterk) fluctureren’. Deze ongewenste situatie is niet handhaafbaar.

Wij zullen bij een volgende vergunningprocedure, op aanvraag of ambtshalve, rekening houden met ontbrekende informatie over de hoeveelheden afval per afvalstroom.

Zienswijze 2 over voorschriften voor zeer zorgwekkende stoffen uit paragraaf 1.2

“Wij constateren dat vergelijkbare bedrijven met geheel andere regels ten aanzien van ZZS te maken krijgen. De meeste afvalbedrijven zijn tot op heden alleen aangeschreven om invulling te geven aan de inventarisatie van emissies op basis van de 'Handreiking verzoek om informatie over ZZS afvalbedrijven'. Daarbij wordt de lijn en planning van de landelijke coördinatie van IPO, waarbij ook het ministerie van I&W is betrokken, aangehouden. Een dergelijke rapportage in ook door PreZero Heerenveen ingediend.

Bij de andere inrichtingen zien we een (beperkte) invulling in vergunningen. Bij de voorliggende ontwerpbeschikking is sprake van een vergaande invulling met strakke deadlines, vooruitlopend op de uitkomsten van het overleg van het ministerie van I&W, IPO en de branchevereniging, zonder dat wordt aangegeven waarom in dit geval een andere, veel stringentere, werkwijze wordt gehanteerd. Dit leidt naar onze mening tot een ongelijk speelveld tussen vergelijkbare inrichtingen en daarmee rechtsongelijkheid. 

Doelstelling van het ZZS beleid is om mens en natuur zo min mogelijk bloot te stellen aan ZZS. Dit kan enkel worden bereikt door binnen Europa, of in ieder geval binnen Nederland, eenzelfde werkwijze aan te houden. Door de werkwijze, zonder onderbouwing, per bedrijf, aan te passen, zullen de beoogde doelstellingen niet worden behaald.

Daarbij komt dat de kennis ten aanzien van ZZS in afvalstoffen nog erg gering is. Dit komt met name doordat producenten en importeurs van producten vaak weinig kennis hebben van ZZS is hun producten. Mede daardoor hebben ontdoeners van afvalstoffen veelal weinig kennis over ZZS in hun afval. Volgens de wetgeving dienen ontdoeners van afval de samenstelling van het afval aan te geven, dit is geen taak van afvalbedrijven. Vanuit de afvalbranche zijn er desondanks initiatieven om meer inzicht te krijgen in ZZS in afvalstoffen, bijvoorbeeld in de zogenaamde botsproeven, een initiatief van de Vereniging Afvalbedrijven, samen met het IPO. Ook uit dit traject blijkt echter dat er nog weinig bekend is over ZZS in (afval)stromen. Momenteel wordt er gewerkt aan een vervolg van het vorig jaar uitgevoerde onderzoek.

Gezien de fase waarin de inventarisatie van ZZS in afvalstromen zich nu bevindt, is het onmogelijk om aan de genoemde voorschriften op dit moment een zinvolle invulling te geven. Wij verzoeken u daarom primair om paragraaf 1.2 te laten vervallen.

Ook de wetgever heeft inmiddels onderkend dat de kennis over ZZS is afvalstoffen zeer beperkt is. In de concept wijziging van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen wordt daarom informatieplicht beperkt tot bedrijven waar de productie, gebruik of ontstaan van ZZS in het bedrijfsproces genoemd staan in met naam genoemde documenten die zij met hun vergunningverlenend bevoegd gezag hebben vastgesteld. Subsidiair verzoeken wij u daarom van paragraaf 1.2 alleen voorschrift 1.2.1 te behouden, en dit dusdanig aan te passen dat dit alleen van toepassing is op afvalstoffen ontvangen van bedrijven die in het kader van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen verplicht zijn deze informatie te rapporteren.”

Reactie

Zienswijze 2 is gegrond. De voorschriften uit paragraaf 1.2 over zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) zijn geschrapt. In het bijzonder worden voorschriften 1.2.1 tot en met 1.2.4 geschrapt om een gelijk speelveld en rechtsgelijkheid te bevorderen. Verder is hoofdstuk 6 met de bijbehorende overwegingen over zeer zorgwekkende stoffen geschrapt en zijn de opvolgende hoofdstukken vernummerd.

In 2022 hebben wij voor in aanmerking komende afvalverwerkers een BREF-actualisatieproject doorlopen. Daarvoor hebben wij de eerder aan de betreffende inrichting verleende omgevingsvergunning getoetst aan de BBT-conclusies Afvalbehandeling en aan overige relevante BBT-conclusies. Bij nader inzien is er binnen dit project geen ruimte voor een verplichting tot registratie van ZZS. Ook is dit project achteraf gezien niet geschikt voor het opleggen van de uitwerking van een bijbehorend plan van aanpak, om zo goed mogelijk inzicht in de samenstelling van ZZS-bevattende afvalstoffen te verkrijgen. Voor dit project zijn de vergunningen van andere afvalverwerkers in de regio in principe niet geactualiseerd op basis van het nationale beleid ten aanzien van ZZS-houdende afvalstoffen.

ZZS zijn stoffen die gevaarlijk zijn voor mens en milieu. Het nationale beleid ten aanzien van ZZS-houdende afvalstoffen is in hoofdzaak neergelegd in hoofdstuk B.14 van LAP3. Daarnaast zijn voor specifieke menghandelingen met ZZS-houdende afvalstoffen regels opgenomen in hoofdstuk D.4 van LAP3. Het A&V-beleid dient ook rekening te houden met de aanwezigheid van ZZS op basis van hoofdstuk D.3 van LAP3. In het A&V-beleid dient te worden uitgewerkt of en zo ja, welke afvalstoffen geaccepteerd worden die ZZS kunnen bevatten. Het A&V-beleid dient te beschrijven op welke wijze wordt beoordeeld of ZZS kunnen voorkomen in de afvalstoffen die geaccepteerd worden. Indien ZZS kunnen voorkomen, moet beschreven worden hoe de betreffende afvalstoffen worden verwerkt en hoe gewaarborgd is dat onaanvaardbare risico’s voor blootstelling van mens en milieu veroorzaakt door ZZS, worden voorkomen.

Wij zullen bij een volgende vergunningprocedure, op aanvraag of ambtshalve, rekening houden met het huidige nationale ZZS-beleid.

Zienswijze 3 over voorschriften voor milieubeheersysteem uit paragraaf 1.3

“Ons is niet duidelijk wat wordt bedoeld met de verplichting dat het milieubeheersysteem ter goedkeuring moet worden overlegd. Een milieubeheersysteem is geen pakket documenten dat zonder meer kan worden overlegd. Daarnaast wordt niet aangegeven waarom in dit specifieke geval extra eisen aan het milieuzorgsysteem worden gesteld ten opzichte van de BBT. PreZero is ISO 14001 gecertificeerd. Dit wordt jaarlijks beoordeeld door een externe partij en daarop worden certificaten afgegeven.

Wij verzoeken u paragraaf 1.3 zoals deze nu is opgesteld geheel te laten vervallen en een milieuzorgsysteem in het kader van ISO 14001 gelijk te stellen aan een milieubeheersysteem zoals bedoeld in BBT.” 

Reactie

Zienswijze 3 is deels gegrond. Voorschriften uit paragraaf 1.3 worden ter verduidelijking gewijzigd. Hiertoe is nieuw voorschrift 1.1.1 toegevoegd en zijn voorschriften 1.3.1 tot en met 1.3.4 uit paragraaf 1.3 hernummerd naar 1.1.2 tot en met 1.1.5. Verder is voorschrift 1.1.2, voorheen voorschrift 1.3.1, aangevuld met een verwijzing naar categorie 5.5 uit bijlage 1 van de Richtlijn industriële emissies (2010/75/EU). Nieuw voorschrift 1.1.1 verwijst naar BBT-conclusie 1 uit de vernieuwde BREF-Afvalbehandeling met kenmerk 2018/1147 van 10 augustus 2018. BBT-conclusie 1 omvat maatregelen ter verbetering van de algehele milieuprestaties en de controle daarop middels een milieubeheersysteem. Voorschriften 1.1.1 tot en met 1.1.5 dienen ter ondersteuning van het opstellen van een gedegen milieubeheersysteem. Dit faciliteert verdere beperking van de milieu-impact van uw inrichting.

Een ISO certificering verschaft ons geen inzicht in specifieke eisen die ten grondslag liggen aan uw milieubeheersysteem. Wij verlangen inzicht in deze eisen om de juiste implementatie van het milieubeheersysteem te waarborgen en de volledigheid ervan te beoordelen. Dit is in overeenstemming met de BREF Afvalbehandeling. Wij verlangen in dat opzicht geen gecertificeerd systeem. Wel moet u aantonen dat uw milieubeheersysteem in overeenstemming met de eisen uit de BREF Afvalbehandeling is ingericht en zodanig wordt toegepast.

Zienswijze 4 over voorschriften voor ZZS in afvalwater uit paragraaf 2.1

“Voor onze zienswijze op deze paragraaf verwijzen wij allereerst naar de zienswijze op paragraaf 1.2.

Daarnaast willen wij opmerken dat in vrijwel alle waterstromen ZZS voorkomen. Ook in kraanwater zitten ZZS. Zoals de voorschriften nu zijn opgesteld zou dit betekenen dat PreZero Heerenveen, ook als het water loost dat de kwaliteit van kraanwater heeft, een onderzoek zou moeten uitvoeren naar minimalisering van de lozing. Wij kunnen ons niet voorstellen dat dit de intentie van het bevoegd gezag is. Uit de voorschriften wordt echter niet duidelijk wanneer dan wel onderzoek verplicht zou zijn. Dit plaatst PreZero Heerenveen in een onacceptabele rechtsonzekere situatie.

Op basis van hetgeen aangegeven in de zienswijze bij paragraaf 1.2 en bovenstaande verzoeken wij deze paragraaf te schrappen en dergelijke voorschriften pas op te leggen zodra het mogelijk is daar op een zinvolle wijze invulling aan te geven. Subsidiair verzoeken wij u de voorschriften dusdanig op te stellen dat eenduidig is wat de eisen zijn, deze ook realistisch zijn gezien de huidige kennis over ZZS en een aantoonbare bijdrage leveren aan het behalen van de doelstellingen uit het ZZS beleid.”

Reactie

Zienswijze 4 is deels gegrond. Ter verduidelijking zijn de overwegingen hoofdstuk 5 Afvalwater aangevuld met uitleg over onze verwachting van de rapportage. Voorts is voorschrift 2.1.1 aangepast om het overleggen van een eerste rapportage binnen een jaar na verlening te waarborgen. Voorschrift 2.1.2 blijft ongewijzigd in stand.

In uw inrichting worden materialen op- en overgeslagen en bewerkt die mogelijk ZZS bevatten. Op advies van Wetterskip Fryslân zijn voorschriften voor een rapportageverplichting over de lozing van ZZS opgenomen. PreZero dient te voorkomen dat mogelijke ZZS-bronnen in contact komen met hemelwater. Op deze manier wordt tegengegaan dat uitgeloogde ZZS via de bedrijfsriolering met het afvalwater op de gemeentelijke riolering worden geloosd.

In de rapportage moet vergunninghouder zelf informatie verschaffen over:

  • de afvalstoffen die worden opgeslagen die mogelijk ZZS bevatten;

  • welke ZZS kunnen uitlogen bij neerslag, in het bijzonder betreft dit slechts ZZS-houdende afvalstoffen die buiten op het terrein worden opgeslagen (zonder afdekking); en

  • alleen voor de ZZS die kunnen uitlogen moet worden onderzocht hoeveel er wordt geloosd (emissiemeting).

Bij afvalstoffen die binnen of in een dichte container worden opgeslagen is er geen gevaar voor uitloging en lozing op het riool. In dat geval kan de inrichtinghouder bijvoorbeeld in de rapportage aangeven dat alle ZZS-houdende afvalstoffen overdekt worden opgeslagen of niet in de buitenlucht worden opgeslagen. Andere oplossingen kunnen ook worden aangedragen.

In de inhoudelijke overwegingen bij het betreffende voorschrift staat dat bij PreZero in Heerenveen afvalstoffen zijn vergund die mogelijk Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) bevatten. Het gaat met name om teerhoudend dakafval, c-hout en bouw- en sloopafval. Bij neerslag kunnen de ZZS uitlogen en via de bedrijfsriolering met het afvalwater geloosd worden op de gemeentelijke riolering. De voorschriften blijven (aangepast) in stand, ook met het oog op mogelijke toekomstige veranderingen binnen de inrichting.

Voor verdere invulling van de rapportage-opzet kunt u contact opnemen met de FUMO, Postbus 3347, 8901 DH Leeuwarden of info@fumo.nl.

Zienswijze 5 over aanpassing voorschriften 4.1.3 en 4.1.4 voor gasflessen

“PreZero Heerenveen accepteert geen gasflessen. Desondanks kan het voorkomen dat er onvrijwillig verkregen gasflessen in het aangeleverde afval zitten. Aan deze voorschriften kan geen invulling worden gegeven voor eventueel onvrijwillig verkregen gasflessen. Wij verzoeken u genoemde voorschriften niet van toepassing te laten zijn op eventueel onvrijwillig verkregen gasflessen.”

Reactie

De zienswijze is gegrond. Uw verzoek om voorschriften 4.1.3 en 4.1.4 niet van toepassing te laten zijn op eventueel onvrijwillig verkregen gasflessen, is ingewilligd. Om hier invulling aan te geven, is voorschrift 4.1.6 opgenomen. Voorschrift 4.1.6 specificeert dat voorschriften 4.1.3 en 4.1.4 niet van toepassing zijn op onvrijwillig verkregen gasflessen.

2. Inhoudelijke overwegingen

2.1. Toetsingskader bij ambtshalve wijziging

Sinds 1 januari 2013 geldt een actualisatieplicht voor IPPC-installaties (artikel 5.10, eerste lid van het Bor). De plicht houdt in dat:

  • binnen een termijn van vier jaar na publicatie in het Publicatieblad van de Europese Unie van de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit van een IPPC-installatie de voorschriften van de omgevingsvergunning moeten worden getoetst aan de beste beschikbare technieken (BBT) die staan in deze (nieuwe) BBT-conclusies (en alle overige relevante BBT-documenten);

  • als niet wordt voldaan aan deze BBT's moeten de vergunningvoorschriften worden geactualiseerd en;

  • de betreffende IPPC-installatie binnen de termijn van vier jaar gaat voldoen aan deze geactualiseerde voorschriften.

De actualisatieplicht start dus op het moment dat de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit zijn gepubliceerd. Daarom zal bij IPPC-installaties waarin meerdere activiteiten uit bijlage 1 van de RIE worden uitgeoefend, bepaald moeten worden welke activiteit voor de betreffende IPPC-installatie zal worden aangemerkt als de hoofdactiviteit.

Binnen deze inrichting vinden meerdere activiteiten uit bijlage 1 van de RIE plaats. Daarom is in overleg met de vergunninghouder van de inrichting nagegaan welke BBT-conclusies relevant zijn voor de hoofdactiviteit en welke BBT-conclusies daarmee het startpunt zullen worden van de (verplichte) omgevingsvergunning actualisatie. Dit betekent dat na publicatie van deze BBT-conclusies in het publicatieblad van de Europese Unie de actualisatieplicht zal beginnen.

Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofactiviteit en aan andere relevante BBT-conclusies.

2.2. Activiteitenbesluit 

In het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) is voor een groot aantal activiteiten, die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden, rechtstreeks werkende, algemene regels opgenomen.

De inrichting waarvoor omgevingsvergunning is aangevraagd, is aangemerkt als een inrichting waarvoor vergunningplicht (type C-inrichting) geldt.

Binnen het bedrijf vinden activiteiten plaats die vallen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit. Er moet worden voldaan aan de volgende paragrafen uit het Activiteitenbesluit en de daarbij behorende Activiteitenregeling, voor zover deze betrekking hebben op de (deel)activiteiten:

  • Paragraaf 3.1.3 Lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening;

  • Paragraaf 3.1.4 Lozen van huishoudelijk afvalwater;

  • Paragraaf 3.2.1 Het in werking hebben van een middelgrote stookinstallatie, gestookt op standaard brandstof;

  • Paragraaf 3.3.2 Het uitwendig wassen en stallen van motorvoertuigen, werktuigen of spoorvoertuigen;

  • Paragraaf 3.4.3 Opslaan en overslaan van goederen;

  • Paragraaf 3.4.9 Opslaan van gasolie, smeerolie of afgewerkte olie in een bovengrondse opslagtank;

  • Paragraaf 3.4.11 Op- en overslaan van verwijderd asbest.

Voor het overige is per hoofdstuk of afdeling aangegeven of deze op een type C-inrichting van toepassing is. Dit betekent dat ook hoofdstuk 1, afdeling 2.1 tot en met 2.4, 2.10 en 2.11 van hoofdstuk 2 en de overgangsbepalingen uit hoofdstuk 6 van het Activiteitenbesluit van toepassing kunnen zijn. Van belang voor deze omgevingsvergunning is, of de inrichting ook voor de activiteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen voldoet aan de best beschikbare technieken. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf.

3. Beste beschikbare technieken

3.1. Toetsingskader

In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast.

Bij het opstellen van de omgevingsvergunning milieu moet rekening worden gehouden met de BBT-conclusies. De Europese Commissie stelt de BBT-conclusies op en maakt deze bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

BBT-conclusies is een document met de conclusies over beste beschikbare technieken, vastgesteld overeenkomstig artikel 13 lid 5 en 7 van de Richtlijn industriële emissies (Rie).

Het verschil tussen artikel 13 lid 5 en lid 7 van de Rie is:

  • BBT-conclusies overeenkomstig artikel 13 lid 5 heeft de Europese Commissie vastgesteld ná 6 januari 2011. Dit op basis van artikel 75 lid 2 van de Rie.

  • BBT-conclusies overeenkomstig artikel 13 lid 7 is het hoofdstuk Best available techniques (BAT) uit de BREF's. De Europese commissie heeft deze BREF's vastgesteld vóór 6 januari 2011. Dit hoofdstuk geldt als BBT-conclusies totdat de Europese Commissie voor die activiteit nieuwe BBT-conclusies vaststelt.

Op 17 augustus 2018 heeft de Europese Commissie de BBT-conclusies Afvalbehandeling gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie.

De BBT-conclusies Afvalbehandeling gaan over activiteiten uit bijlage I van de Richtlijn industriële emissies 2010/75/EU (RIE):

  • 5.1: verwijdering of nuttige toepassing van gevaarlijke afvalstoffen;

  • 5.3 a en b: verwijdering en/of nuttige toepassing van ongevaarlijke afvalstoffen;

  • 5.5: tijdelijke opslag van gevaarlijke afvalstoffen;

  • 6.11: zelfstandige afvalwaterzuiveringsinstallatie.

Deze BBT-conclusies gaan niet over IPPC-categorie 5.2 afvalverbranding of 5.4 stortplaatsen.

In het kader van de onder hoofdstuk 2.1 “Toetsing ambtshalve wijziging omgevingsvergunning” genoemde actualisatieplicht, hebben wij getoetst of de voorschriften van de vigerende omgevingsvergunning(en) voldoen aan de beste beschikbare technieken (BBT) die staan in deze nieuwe BBT-conclusies.

3.2. Concrete bepaling beste beschikbare technieken

Binnen de inrichting worden één of meer van de activiteiten uit bijlage 1 van de Rie uitgevoerd en wel de volgende: categorie 5.5 tijdelijke opslag van gevaarlijke afvalstoffen.

Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit en aan andere relevante BBT-conclusies.

Op grond van artikel 9.2 van de Mor moet voor het bepalen van BBT binnen de inrichting aanvullend een toetsing plaatsvinden aan relevante aangewezen informatiedocumenten over BBT.

Uit jurisprudentie is gebleken dat het bevoegd gezag bij het toetsen aan BBT-conclusies de ontwikkelingen van BBT moet nagaan die sinds het vaststellen van de BBT-conclusies hebben plaatsgevonden. Bronnen voor ontwikkelingen over BBT zijn onder andere de concepten van herziene BREF’s.

Om te bepalen of en in hoeverre aan de BBT-conclusies van de BREF Afvalbehandeling wordt voldaan, hebben we u op 4 november 2021 schriftelijk verzocht gegevens aan te leveren waarin aangegeven wordt hoe u voldoet aan de nieuwe BREF Afvalbehandeling. Op 6 december 2021 hebben wij een document BBT-conclusies ontvangen (PreZero-Heerenveen_ippc-tool_FUMO_20211206, Titus Wijnands). Na beoordeling van deze BBT-tool, en de omgevingsvergunning is gebleken dat de omgevingsvergunning niet geheel voldoet aan de BBT-conclusies Afvalbehandeling 2018 en aan huidige bij ministeriële regeling aangewezen informatiedocumenten over beste beschikbare technieken.

Wij hebben de informatie getoetst aan uw bestaande vergunningen en milieutoestemmingen, aan de BBT conclusies BREF Afvalbehandeling en aan huidige bij ministeriële regeling aangewezen informatiedocumenten over beste beschikbare technieken. Wij zijn tot de conclusie gekomen dat de door u overlegde gegevens aanleiding geven om uw omgevingsvergunning ambtshalve te wijzigen.

Bij het bepalen van de BBT hebben we rekening gehouden met de van toepassing zijnde BBT-conclusies van de BREF Afvalbehandeling versie 17 augustus 2018. Hierbij is gebleken dat uw omgevingsvergunning nog niet actueel is met betrekking tot de aanwezigheid van een Milieubeheersysteem.

Milieubeheersysteem,klachtenmanagementsysteem en communicatieplan

Bij bedrijven met een IPPC-installatie waarop de BBT-conclusies afvalbehandeling van toepassing is, moet een milieubeheersysteem (MBS) worden ingevoerd. In BBT 1 staat dat het bedrijf een MBS moet invoeren en welke elementen in het MBS moeten zijn opgenomen. In dit geval gaat het om een complexe inrichting met verschillende bedrijven die onder één omgevingsvergunning werken, met een grote diversiteit aan afvalstoffen die geaccepteerd, opgeslagen en bewerkt worden. Daarom zal een gedetailleerd MBS opgezet moeten worden met de onderdelen die zijn aangegeven in BBT 1.

Om het bovenstaande te borgen, hebben wij voorschriften verbonden aan uw omgevingsvergunning van 27 november 2008 waarin het opstellen, de invoering en de naleving van een milieubeheersysteem met de verschillende onderdelen, genoemd in BBT, voorgeschreven wordt.

3.3. Conclusies BBT

De inrichting voldoet - met inachtneming van de aan dit besluit gehechte voorschriften - aan BBT. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf.

Wij zijn van oordeel dat de ingediende gegevens voldoende informatie bevatten voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. Het toetsdocument waarin staat hoe invulling is gegeven aan de BBT, laten wij daarom onderdeel uitmaken van de omgevingsvergunning van 27 november 2008 (kenmerk 00796760).

3.3.1. BBT conclusies afvalbehandeling

Op 10 augustus 2018 is het document met BBT conclusies voor afvalbehandeling vastgesteld. Veel BBT conclusies voor afvalbehandeling hebben betrekking op emissies naar water en lucht (stof en geur) alsmede op en trillingen.

Voor zover een BBT conclusie betrekking heeft op emissies naar de lucht, de bodem, het water, geluidemissies en/of trillingen wordt voor de overwegingen verwezen naar de desbetreffende paragraaf.

Wij merken op dat het shredderen geen onderdeel is van de IPPC-activiteit ‘het opslaan van gevaarlijke afvalstoffen’ en dat daarop de algemene regels van het Activiteitenbesluit van toepassing zijn. De vergunde acceptatie en/of verwerking van afvalstoffen voldoet aan de BBT-conclusies Afvalbehandeling. De directe invulling van BBT 1 is niet op alle punten volledig controleerbaar. Daarom wordt voor het milieubeheersysteem een voorschrift opgenomen om de BBT conclusie volledig toe te passen en inzichtelijk te hebben op de locatie.

3.3.2. BREF Op- en overslag bulkgoederen (BREF ESB)

De BREF ESB is van toepassing op de opslag, het transport en de verlading van vloeistoffen, vloeibare gassen en vaste stoffen bij IPPC-installaties onafhankelijk van de sector of industrie. Deze horizontale BREF gaat in op de emissies naar de lucht, bodem, water, waarbij de meeste aandacht uitgaat naar de emissies naar de lucht. De informatie met betrekking tot emissies van de opslag, handling en transport van vaste stoffen is gericht op stof.

In de categorie specifieke BREF’s (primaire BREF’s) zijn ook technieken opgenomen voor op- en overslag. Die technieken zijn dan specifiek voor die branche. De specifieke maatregelen de primaire BREF’s verdienen de voorkeur boven de generieke maatregelen uit de horizontale BREF’s. Zo zijn in de BBT-conclusies voor de intensieve pluimvee- of varkenshouderij specifieke maatregelen opgenomen voor de opslag van dierlijke mest.

Voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen en de opslag van vloeistoffen en gassen in opslagtanks zijn voorwaarden gesteld in de PGS-richtlijnen. Deze zijn van toepassing op basis van de algemeen werkende regels in het Activiteitenbesluit. De technische en organisatorische maatregelen uit de BREF ESB zijn verwerkt in deze Nederlandse BBT-documenten.

De vergunde activiteiten en daarbij behorende voorzieningen zijn in overeenstemming met de in de BREF ESB genoemde BBT. De maatregelen staan in een redelijke verhouding tot de schaal van de installatie.

3.3.3. BREF Energie-efficiëntie

De BREF Energie-efficiency is van toepassing op alle IPPC-installaties, behalve degenen die vallen onder het systeem van Emissiehandel (https://www.emissieautoriteit.nl). Deze BREF bevat derhalve richtsnoeren en conclusies inzake technieken voor energie-efficiëntie die voor alle onder de RIE vallende installaties in het algemeen als BAT-compatibel worden beschouwd. Deze BREF:

  • bevat geen specifieke informatie over processen en activiteiten in sectoren die onder andere BREF-documenten vallen;

  • stelt geen sectorspecifieke BBT vast.

Proces specifieke BAT voor energie-efficiëntie en daarmee samenhangende energieverbruiksniveaus worden in de desbetreffende verticale sectorspecifieke BREF-documenten gegeven. Voor het energieverbruik en de besparende maatregelen wordt verder verwezen naar voorschriften 9.1.1 tot en met 9.1.6 van de verandervergunning van 22 april 2021 met kenmerk 2020-FUMO-0040919 waar wordt aangesloten bij het Activiteitenbesluit milieubeheer als BBT-document. Hieruit volgt dat de vergunde activiteiten in overeenstemming zijn met de BREF Energie-efficiëntie.

4. Externe veiligheid

4.1. Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen

In de inrichting worden de volgende afvalstoffen en gevaarlijke stoffen opgeslagen:

  • Gasflessen;

  • Oliehoudend afval;

  • (Lege) verfblikken;

  • (Lege) spuitbussen;

  • Kitkokers.

Voor de opslag van een beperkte hoeveelheid afvalstoffen en gevaarlijke stoffen zijn in de bestaande revisievergunning voorschriften 4.2.1 tot en met 4.3.5 opgenomen. Deze voorschriften sluiten aan bij de inzichten welke destijds zijn vastgelegd in de PGS 15: 2011. Op grond van artikel 2.30, eerste lid, Wabo beziet het bevoegd gezag regelmatig of de voorschriften die aan een omgevingsvergunning zijn verbonden nog toereikend zijn gezien de ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu. Op basis van de Bijlage van de Regeling omgevingsrecht is het huidige BBT-document voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen de PGS 15:2016 versie 1.0 (september 2016).

De wijzigingen tussen de PGS 15:2011 en PGS 15: 2016 omvatten o.a.:

  • Het vervallen van een verplichting tot branddetectie conform NEN 2535 met doormelding naar een 24-uurs bezette post voor opslag van verpakte gevaarlijke stoffen tot 10.000 kg in inpandige opslagvoorzieningen, voorheen vs. 3.2.9 van de PGS 15:2011. De verplichting tot een dergelijke branddetectie met doormelding is in de PGS 15:2016 slechts onder bepaalde omstandigheden voorgeschreven voor opslag van verpakte gevaarlijke stoffen boven de 10.000 kg;

  • Vernieuwde richtlijnen voor behalen van een verwaarloosbaar bodemrisico. In de PGS 15:2011 wordt namelijk een verouderde richtlijn (CUR/PBV 44) gehanteerd. Deze is vervangen door de huidige AS SIKB 6700. Het betreft een richtlijn voor het inspecteren van vloeistofdichte vloeren en voorzieningen.

De naar PGS 15:2011 verwijzende voorschriften uit de van kracht zijnde revisievergunning worden op grond van artikel 2.31, eerste lid, onder b juncto artikel 2.30, eerste lid Wabo gewijzigd, gezien de ontwikkeling van technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu.

Om te voldoen aan het gestelde in de PGS 15:2016 worden voorschriften 4.2.1 tot en met 4.3.5 van de revisievergunning van 27 november 2008 met kenmerk 00796760 vervangen door voorschriften 4.2.1 tot en met 4.3.5 van dit besluit.

5. Afvalwater 

5.1. Toetsingskader

Bij PreZero in Heerenveen zijn afvalstoffen vergund die mogelijk Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) bevatten. Het gaat met name om teerhoudend dakafval, c-hout en bouw- en sloopafval. ZZS zijn stoffen die zijn geclassificeerd als de meest gevaarlijke stoffen voor mens en milieu. ZZS dienen met voorrang te worden aangepakt. Bij neerslag kunnen de ZZS uitlogen en via de bedrijfsriolering met het afvalwater geloosd worden op de gemeentelijke riolering. Het streven is om ZZS uit de leefomgeving te weren. Het landelijk waterkwaliteitsbeleid is er op gericht om ZZS met een combinatie van bronaanpak, minimalisatie van de restlozing en continu verbetering aan te pakken. Conform het landelijk beleid voor de aanpak ZZS moet een lozer verplicht iedere vijf jaar rapporteren over de getroffen maatregelen om de emissies van ZZS te verminderen en de technieken die op de markt beschikbaar zijn gekomen om verdere invulling aan de minimalisatie te geven.

Er is meer grip en regie nodig om te voorkomen dat (mogelijk) zeer zorgwekkende stoffen in het milieu komen. Het Nederlandse beleid richt zich op het minimaliseren van ZZS in de leefomgeving. Waterschappen nemen dit mee bij vergunningaanvragen en hebben afgelopen jaren kritisch gekeken naar bestaande vergunningen met ZZS. Het standpunt is dat ZZS niet in het water terecht mogen komen.

Het Wetterskip Fryslân adviseert om in verband met mogelijke lozingen van ZZS voorschriften op te nemen. In overeenstemming met dit advies worden voorschriften 2.1.1 en 2.1.2 in dit besluit opgenomen. Deze voorschriften zien op een rapportageverplichting. De rapportage kan bijvoorbeeld vaststellen dat alle ZZS-houdende afvalstoffen overdekt worden opgeslagen of niet in de buitenlucht worden opgeslagen. Met het oog op mogelijke toekomstige veranderingen van de inrichting, blijft de voorgeschreven rapportageverplichting in het kader van het landelijke beleid van belang.

6. Bodem

6.1. Rechtstreeks werkende algemene regels uit het Activiteitenbesluit

Voor het aspect bodembescherming valt de inrichting volledig onder het Activiteitenbesluit, zie ook paragraaf 2.2 Activiteitenbesluit. Met de invoering van een deel van het Activiteitenbesluit zijn voorschriften 3.1.1 tot en met 3.5.1 uit de revisievergunning van 27 november 2008, kenmerk 00796760, van rechtswege komen te vervallen. In het kader van deze actualisatie hoeft geen nadere beoordeling plaats te vinden. Op grond van het Activiteitenbesluit moeten alle bedrijfsactiviteiten worden verricht met voorzieningen en maatregelen die leiden tot een verwaarloosbaar bodemrisico.

6.2. Nulsituatieonderzoek

Het preventieve bodembeschermingsbeleid sluit niet volledig uit dat een verontreiniging of aantasting van de bodem optreedt. Om die reden is een nulsituatieonderzoek naar de kwaliteit van de bodem noodzakelijk. Het nulsituatieonderzoek richt zich op afzonderlijke activiteiten en de aldaar gebruikte stoffen.

De in het nulsituatieonderzoek vastgelegde bodemkwaliteit geldt als uitgangspunt bij de beoordeling of ten gevolge van de betreffende activiteiten verontreiniging of aantasting van de bodem heeft plaatsgevonden en of bodemherstel nodig is. De onderzoeken uitgevoerd door Oranjewoud B.V. District Noord, rapportnummer 16546-57994, d.d. 6 juni 2000 en Mol, rapportnummer 05421-06, d.d. 17 oktober 2006 beschouwen wij als nulsituatieonderzoek.

7. CONCLUSIE 

Gezien het vorenstaande hebben wij besloten om ambtshalve nieuwe voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunning van 27 november 2008 met kenmerk 00796760 en bestaande voorschriften aan te passen. Aanleiding van de ambtshalve wijziging is publicatie van een vernieuwd ‘Best Available Techniques Reference document’, BREF in het kort, voor Afvalbehandeling op 17 augustus 2018.

Bijlage 1: Milieubeheersysteem (MBS) Afvalbedrijven

  • I.

    Inleiding

    Op grond van maatregel BBT1 zoals opgenomen in de BREF/BBT-conclusies Afvalbehandeling dient ter verbetering van de algehele milieuprestaties en de controle daarop een milieubeheersysteem (MBS) te worden ingevoerd. Dit document is bedoeld ter ondersteuning voor het opstellen van een MBS. De concrete invulling en het detailniveau van het MBS is afhankelijk van de specifieke situatie (bv. Aard, omvang en complexiteit van het bedrijf en alle mogelijke milieueffecten ervan) en dient op bedrijfsniveau bepaald te worden. Zo zal een milieuzorgsysteem van een klein bedrijf minder uitgebreid zijn dan dat van een groot bedrijf. Het opstellen en toepassen van een milieuzorgsysteem vergt inspanningen en tijd maar door het toepassen van een milieuzorgsysteem kan de milieu-impact algemeen beperkt worden.

  • II.

    Beschrijving bedrijf.

    • 1.

      Beschrijving van het bedrijf:

      • a)

        N.a.w.-gegevens.

      • b)

        De IPPC categorie(ën).

  • III.

    Het milieubeleid en naleven van toepassing zijnde milieuregelgeving (BBT1) :

    • a)

      Op welke wijze is het management betrokken bij het milieubeleid.

    • b)

      Definiëren wat het milieubeleid is van het bedrijf.

    • c)

      Hoe is het milieubeleid uitgewerkt door het management en waaruit blijkt dat er sprake is van continue verbetering van de milieuprestaties.

  • IV.

    Een kwaliteitssysteem toepassen. Noodzakelijke procedures opstellen en implementeren (BBT1):

    • 1.

      Structuren van taken en verantwoordelijkheden:

      • a)

        Implementeren en uitvoeren van de procedures met bijzondere aandacht voor;

        • bedrijfsorganisatie en verantwoordelijkheid;

        • aanwerving, opleiding, bewustmaking en bekwaamheid;

        • communicatie;

        • betrokkenheid van de werknemers;

        • documentatie (bijhouden van gegevens, registraties);

        • efficiënte procescontrole;

        • onderhoudsprogramma's;

        • monitoring;

        • waarborgen van de naleving van de milieuwetgeving;

        • Interne audits (planning en wijze van uitvoeren).

      • b)

        Taken en verantwoordelijkheden: Wie is waar verantwoordelijk voor. Denk hierbij aan voorschriften uit de vergunning, onderhoudstermijnen maar ook het bijhouden van nieuwe wet- en regelgeving en het informeren van personeel hierover en het volgen van de ontwikkelingen op het vlak van schonere technologieën.

      • c)

        Wie controleert of taken door verantwoordelijke zijn uitgevoerd en eventueel opstellen corrigerende maatregelen.

      • d)

        Opstellen onderhouds- en inspectieprogramma’s.

      • e)

        Op welke wijze wordt bijgehouden/geregistreerd dat de dagelijkse, wekelijkse, maandelijkse, jaarlijkse taken en verplichtingen (uit de vergunning) zijn uitgevoerd waaronder ook de jaarlijkse elektronische verslaglegging E-PRTR.

      • f)

        Vastleggen dat het kwaliteitssysteem regelmatig wordt beoordeeld door de directie.

  • V.

    Borging en monitoring milieuaspecten

    • 1.

      Afval* (BBT 2)

      • a)

        Opstelling en invoering van procedures voor de karakterisering en preacceptatie van afval.

      • b)

        Informatie over de eigenschappen van het te behandelen afval en de afvalverwerkingsprocessen.

      • c)

        Opstelling en invoering van procedures voor de acceptatie van afval.

      • d)

        Opstelling en invoering van een traceersysteem en inventarisatie voor afval.

      • e)

        Opstelling en invoering van een kwaliteitsbeheersysteem voor de output.

      • f)

        Waarborgen van afvalscheiding.

      • g)

        Het opstellen en uitvoeren van hanterings- en overbrengingsprocedures (BBT5).

      • h)

        Inventaris in en uitgaande stromen/Afvalinput monitoren (BBT 11 en 52)

      • * Er kan ook verwezen worden naar het van toepassing zijnde Acceptatie- en verwerkingsbeleid en administratieve organisatie en interne controle oftewel het A&V-beleid en AOIC. De onderdelen die niet beschreven worden in het A&V-beleid en AOIC dienen in het milieubeheerssysteem te worden beschreven.

    • 2.

      Afvalwater (BBT 3, 6, 7, 11, 19 en 20)

      Om vermindering van emissies naar water te bevorderen, is het opstellen en actueel houden van een inventaris van afvalwater, als onderdeel van het milieubeheersysteem, noodzakelijk en dienen de volgende elementen te zijn opgenomen:

      • a)

        Opstelling en invoering van procedures aangaande het afvalwater;

      • b)

        Informatie over de kenmerken van de afvalwaterstromen, zoals:

        • gemiddelde waarden en variabiliteit van debiet, pH, temperatuur en geleidbaarheid.

        • gemiddelde concentratie en belastingwaarden van de relevante stoffen en hun variabiliteit (bv. CZV/TOC, stikstofverbindingen, fosfor, metalen, prioritaire stoffen/microverontreinigingen waaronder ook ZZS);

        • gegevens over biologische verwijderbaarheid (bv. BZV, BZV/CZV-ratio, Zahn-Wellenstest, potentieel tot biologische inhibitie (bv. inhibitie van actief slib);

      • c)

        Monitoring;

      • d)

        Onderhoudsschema inspectie/controle data metingen (wettelijk dan wel op basis van verleende vergunningen).

    • 3.

      Bodem inclusief bodembeschermende voorzieningen (BBT 19).

      • a)

        Onderhoudsschema inspectie/controle data metingen bodem en bodem beschermende voorzieningen (wettelijk dan wel op basis van verleende vergunningen).

      • b)

        Registratie van uitgevoerde metingen/controles/inspecties.

    • 4.

      Energie (BBT 11 en 23)

      • a)

        opstellen van een energiebeleidsverklaring door het management:

        • onderschrijving van het engagement van het management van de vestiging dat de onderneming werkt aan een optimale(re) energie-efficiëntie;

        • creëert het noodzakelijk draagvlak voor de implementatie van de energiebeheermaatregelen.

      • b)

        aanstellen van een energiecoördinator:

        • wordt aangesteld door het management;

        • coördineert het te volgen energiebeleid binnen de onderneming en ziet toe op een verantwoord (duurzaamheids) beleid bij nieuwbouw, aanpassing bestaande gebouwen, vervanging en aanpassing van installaties en vervoermiddelen;

        • is verantwoordelijk voor de communicatie (in beide richtingen) rond het energiebeleid en de daaruit voortvloeiende activiteiten.

      • c)

        Energieverbruik monitoren en registreren.

    • 5.

      Geluid (BBT 17)

      • a)

        Beheerplan geluid- en trillingen.

    • 6.

      Geur (BBT 8, 10 en 12)

      • a)

        Monitoring;

      • b)

        Geurbeheerplan.

    • 7.

      Lucht (BBT 8 en 27 )

      • a)

        Informatie over de kenmerken van de afgassen waaronder ook ZZS;

      • b)

        Registratie van uitgevoerde metingen/controles/inspecties;

      • c)

        Monitoring;

      • d)

        Beheerplan voor deflagratie (bij shredders).

    • 8.

      Opslag (BBT 4)

      • a)

        Geoptimaliseerde opslag.

      • b)

        Adequate opslag capaciteit.

      • c)

        Veilige opslag.

  • VI.

    Informatieverstrekking en training/coaching met het oog op bewustzijn en betrokkenheid van de werknemers BBT 1):

    • 1.

      Communicatie en training zijn belangrijk om medewerkers te sensibiliseren:

      • a)

        Interne communicatie.

        • i.

          management/energiecoördinator: informatie verspreiden (aanpak, doelstellingen, enz.) en maar ook terugkoppeling van resultaten (bv. aantal Euro’s bespaard);

        • ii.

          werknemers: verzamelen van ideeën, voorstellen en eventuele vragen op het gebied van opleidingen.

      • b)

        Externe communicatie:

        • iii.

          ketenefficiëntie verbeteren; samen met leveranciers en klanten zoeken naar energetische verbeteringen (ook op vlak van transport en logistiek);

        • iv.

          regelmatige en gepaste communicatie naar de omgeving van de onderneming over behaalde resultaten op gebied van bv. energiereducties en maatregelen ter verbetering van de leefomgeving.

      • c)

        De aandacht die gegeven wordt aan opleiding en training.

      • d)

        Onderwerpen die tijdens de trainingen aan bod kunnen komen zoals:

        • mogelijke problemen die zich voordoen tijdens de normale bedrijfsprocessen;

        • mogelijke problemen die zich voordoen in niet-routine situaties;

        • risicoanalyse van bedrijfsprocessen.

BEGRIPPENLIJST

Voor de begrippen die niet in deze lijst zijn opgenomen refereren wij naar de definities zoals die zijn opgenomen in de geldende wet- en regelgeving (zoals het Activiteitenbesluit, de Activiteitenregeling, het Besluit omgevingsrecht, het Besluit externe veiligheid inrichtingen, de Wet geurhinder en veehouderij etc.)

Begrip

Definitie

Considerans

BBT

Best Beschikbare techniek genoemd in een BBT document.

BREF

BAT Reference document. Een in Europees verband vastgesteld document waarin de BBT worden beschreven die specifiek zijn voor een bepaalde branche of activiteit.

IPPC

Integrated Pollution Prevention and Control

Onderneming

Een bedrijfseconomische definitie van een of meerdere vestigingen behorende tot een en dezelfde onderneming. Hoeft niet plaatsgebonden te zijn bij bijvoorbeeld een concern met een hoofdvestiging en een of meerdere nevenvestigingen.

REACH-verordening

REACH staat voor: Registratie, Evaluatie, Autorisatie en beperking van Chemische stoffen. REACH stelt beperkingen aan het gebruik van stoffen wanneer negatieve effecten ervan op mens en/of milieu bekend zijn, 18 december 2006.

uitvoeringsbesluit (EU) met kenmerk 2018/1147 van 10 augustus 2018

Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1147 van de Commissie van 10 augustus 2018 tot vaststelling van BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad, voor afvalbehandeling (Kennisgeving geschied onder nummer C(2018) 5070) (Voor de EER relevante tekst.) Het uitvoeringsbesluit is te vinden op: https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/ALL/?uri=CELEX:32018D1147

Afval

Mengen

Het samenvoegen van afvalstoffen die qua aard, samenstelling of concentraties aanwezige componenten niet met elkaar vergelijkbaar zijn. Onder ‘mengen’ wordt in ieder geval gevat:

  • het samenvoegen van afvalstoffen die vallen binnen verschillende afvalcategorieën van ‘bijlage 5; Lijst met gescheiden te houden afvalstoffen;

  • het samenvoegen van afvalstoffen met niet-afvalstoffen;

  • verdunnen van afvalstoffen;

  • het samenvoegen van afvalstoffen binnen één afvalcategorie.

Minimumstandaard

De minimale hoogwaardigheid van verwerking van afzonderlijke afvalstoffen of categorieën van afvalstoffen. De minimumstandaard vormt een referentie voor de maximale milieudruk die verwerking van (een categorie van) afvalstoffen mag opleveren.  De standaard is een invulling van de afvalhiërarchie voor afzonderlijke afvalstoffen en vormt op die manier een referentieniveau bij de vergunningverlening voor afvalbeheer. Ook betreft het een uitwerking van de artikelen 3 en 4 van de kaderrichtlijn afvalstoffen.

Ontdoener

Persoon of bedrijf waar afval ontstaat en die zich van het afval wil ontdoen door het af te geven aan een inzamelaar, vervoerder handelaar, bewerker of verwerker.

Opbulken

Het samenvoegen van afvalstoffen die qua aard, samenstelling en concentraties vergelijkbaar zijn.

Overslaan

Verrichten van alle handelingen op één locatie, waarbij afvalstoffen vanuit of vanaf een opbergmiddel of transportmiddel in of op een ander opbergmiddel of transportmiddel worden overgebracht. Hieronder vallen bijvoorbeeld beladen, lossen, hevelen, enz. met bijvoorbeeld kranen, transportbanden en leidingen, maar het uitvoeren van iedere verwerkingshandeling (sorteren, scheiden, spoelen, mengen, etc. etc.) valt hier niet onder.

Sorteren

Scheiden van een mengsel van materiaalstromen of van samengestelde materialen gescheiden in de oorspronkelijke materiaalstromen.

Uitsorteren

Het handmatig scheiden van incidenteel voorkomende verontreinigingen uit een vrijwel schone materiaalstroom of uit een mengsel van vrijwel schone materiaalstromen

Afvalwater en waterbesparing

Afvalwater

Alle water waarvan de houder zich, met het oog op de verwijdering daarvan, ontdoet, voornemens is zich te ontdoen, of moet ontdoen.

Bedrijfsafvalwater

Afvalwater (inclusief verontreinigd hemelwater), niet zijnde huishoudelijk afvalwater.

Bedrijfsriolering

Een stelsel van buizen, verbindingstukken en elementen zoals straat- en trottoirkolken, gootelementen, verzamelputten en installaties, zoals slibvangputten, olie-waterscheider en controleputten voor de opvang en afvoer van bedrijfsafvalwater.

Hemelwater

Alle neerslag, zoals regen, sneeuw of hagel.

Huishoudelijk afvalwater

Afvalwater dat vergelijkbaar is met afvalwater afkomstig van particuliere huishoudens.

Openbaar riool

Voorziening voor de inzameling en transport van afvalwater, als bedoeld in artikel 10.30 van de Wet milieubeheer.

Riolering

Bedrijfsriolering of openbare riolering.

Lucht

Goederen

Producten als genoemd in bijlage 7 van de NeR. Bijlage 7 van de NeR geeft de klassenindeling van de meest voorkomende stortgoederen. Deze lijst moet overigens niet als limitatief worden gezien, doch kan aanvullingen of wijzigingen ondergaan.

m30

Gashoeveelheid [m3] bij 273,15 K, bij 101,3 kPa, betrokken op droog gas.

NIBM

Niet in betekenende mate

NNM

Nieuw Nationaal Mode

NSL

Nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit

NTA 9065

Nederlandse Technische Afspraak 9065: Geurmeting- en berekening. Uitgegeven door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut, oktober 2012

Oppervlaktebron (lucht)

Een niet gekanaliseerde bron, zonder vast emissiepunt, waaruit over een bepaald oppervlak verontreinigende stoffen in de buitenlucht worden geëmitteerd.

ppm

Concentratie-eenheid parts per million

Puntbron

Een gefixeerd punt van gekanaliseerde - en daarmee in principe kwantificeerbare emissies.

RIE

Richtlijn Industriële Emissies

Stortgoed

Onverpakt korrelvormig materiaal.

Stuifklasse

Klasse uit de stuifklasse-indeling van Bijlage 3 van het Activiteitenbesluit: S1 sterk stuifgevoelig, niet bevochtigbaar, S2 sterk stuifgevoelig, wel bevochtigbaar, S3 licht stuifgevoelig, niet bevochtigbaar, S4 licht stuifgevoelig, wel bevochtigbaar, S% nauwelijks of niet stuifgevoelig.

Naar boven