Provinciaal blad van Fryslân
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Fryslân | Provinciaal blad 2024, 7113 | andere beschikking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Fryslân | Provinciaal blad 2024, 7113 | andere beschikking |
Besluit omgevingsvergunning voor Huhtamaki Nederland B.V., Zuidelijke Industrieweg 3-7 te Franeker
Op 9 november 2022 is een aanvraag voor een omgevingsvergunning ontvangen van Huhtamaki Nederland B.V. Het betreft een aanvraag om een nieuwe, de gehele inrichting omvattende, vergunning (revisie). De aanvraag heeft betrekking op de locatie aan de Zuidelijke Industrieweg 3-7 te Franeker. De aanvraag is geregistreerd onder nummer 2021-FUMO-0059565.
Wij besluiten, gezien de overwegingen die zijn opgenomen in deze vergunning, de daarop betrekking hebbende uitvoeringsbesluiten en -regelingen en gelet op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo):
Daarnaast besluiten wij, gelet op artikel 8.42 van de Wet milieubeheer (Wm), in samenhang met artikel 2.1, vierde lid en artikel 3.7, achtste lid van het Activiteitenbesluit, maatwerkvoorschriften vast te stellen voor het lozen van afvalwater en de emissie van stikstofoxide door droogmachines.
Op grond van artikel 3:10 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepalen wij dat op deze maatwerkbesluiten de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is.
Namens het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân,
Afdelingshoofd Vergunningverlening en Specialistisch Advies
Deze beschikking wordt bekendgemaakt door toezending aan de aanvrager. Daarnaast wordt een kennisgeving gepubliceerd in de Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad en in het Provinciaal blad van Fryslân via www.officielebekendmakingen.nl. De beschikking treedt in werking zes weken na bekendmaking van het definitieve besluit.
De aanvraag en de beschikking met de daarbij behorende stukken worden op grond van de Algemene wet bestuursrecht met ingang van de in de kennisgeving vermelde dag gedurende zes weken ter inzage gelegd. Inzage is mogelijk bij de provincie en de FUMO.
Een dag nadat de beschikking ter inzage is gelegd, start de termijn van zes weken voor het indienen van een beroepschrift. In die periode kunnen zowel u als belanghebbenden beroep aantekenen tegen deze beschikking. Ook niet-belanghebbenden kunnen beroep aantekenen indien zij een zienswijze hebben ingediend.
Het beroepschrift moet in tweevoud ingediend worden bij Rechtbank Noord-Nederland, Postbus 781, 9700 AT Groningen.
Het indienen van een beroepschrift stelt de werking van de beschikking niet uit. Als u of belanghebbenden niet willen dat deze beschikking in werking treedt na afloop van de beroepstermijn, kan tijdens die termijn om een voorlopige voorziening worden verzocht. Dit verzoek kan worden gedaan bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord Nederland, Postbus 781 9700 AT Groningen. De beschikking treedt in dat geval niet in werking voordat over dit verzoek is beslist.
1.1 Terrein van de inrichting en toegankelijkheid
Gebouwen, installaties en opslagvoorzieningen moeten altijd goed bereikbaar zijn voor alle voertuigen die in geval van calamiteiten toegang tot de inrichting/installatie moeten hebben. Binnen of nabij de installaties mogen geen andere goederen of stoffen worden opgeslagen dan die welke voor het proces nodig zijn of daardoor zijn verkregen, met uitzondering van brandbestrijdingsmiddelen.
Het aantrekken van insecten, knaagdieren en ander ongedierte moet worden voorkomen. Zo vaak de omstandigheden daartoe aanleiding geven moet een doelmatige bestrijding van insecten, knaagdieren en ander ongedierte plaatsvinden. Hiertoe moet een ongediertebestrijdingsplan binnen de inrichting aanwezig zijn.
De vergunninghouder moet de binnen de inrichting (tijdelijk) werkzame personen instrueren over de voor hen van toepassing zijnde voorschriften van deze vergunning en de van toepassing zijnde veiligheidsmaatregelen. Tijdens het in bedrijf zijn van installaties die in geval van storingen of onregelmatigheden kunnen leiden tot nadelige gevolgen voor het milieu, moet steeds voldoende, kundig personeel aanwezig zijn om in voorkomende gevallen te kunnen ingrijpen.
De vergunninghouder moet schriftelijk naam en telefoonnummer opgeven aan het bevoegd gezag van degene (en van diens plaatsvervanger) met wie in spoedeisende gevallen, ook buiten normale werktijden, contact kan worden opgenomen. Als deze gegevens wijzigen moet dit vooraf onder vermelding van de wijzigingsdatum schriftelijk worden gemeld aan het bevoegd gezag.
Onderhoudswerkzaamheden waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen dat deze buiten de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, dan wel dat hiervan in de omgeving meer nadelige gevolgen voor het milieu worden ondervonden dan uit de normale bedrijfsvoering voortvloeit, moeten ten minste zeven dagen voor de aanvang van de uitvoering aan het bevoegd gezag worden gemeld.
Van het structureel buiten werking stellen van (delen van) installaties en/of beëindigen van (een van de) activiteiten moet het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk op de hoogte worden gesteld. Installaties of delen van installaties die structureel buiten werking zijn gesteld en nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, moeten worden verwijderd tenzij de (delen van de) installaties in een zodanige staat van onderhoud worden gehouden dat de nadelige gevolgen niet kunnen optreden.
Vergunninghouder mag - mits hiervoor vooraf schriftelijk goedkeuring is verleend door het bevoegd gezag en bij wijze van proef - andere dan in deze vergunning opgenomen technische installaties en/of alternatieve grond-, hulp- of brandstoffen toepassen dan wel andere afvalstoffen verwerken. Goedkeuring wordt slechts verleend indien de proefneming noodzakelijk is om informatie te vergaren over de technische haalbaarheid van de andere toepassing en deze informatie niet op een andere wijze kan worden verkregen.
Het bevoegd gezag kan naar aanleiding van een onderzoeksopzet goedkeuring onthouden dan wel nadere eisen stellen aan de proefneming. Deze nadere eisen kunnen een beperking van duur of een beperking van de bij de proefnemingen te verwerken hoeveelheid materiaal betekenen. Tevens kunnen nadere eisen gesteld worden aan de milieuhygiënische randvoorwaarden van de proefnemingen.
De op- en overslag en het transport van afvalstoffen moeten zodanig plaatsvinden dat zich geen afval in of buiten de inrichting kan verspreiden. Mocht onverhoopt toch verontreiniging buiten de inrichting plaatsvinden, dan moeten direct maatregelen worden getroffen om deze verontreiniging te verwijderen.
De termijn van opslag van afvalstoffen mag maximaal één jaar bedragen. In afwijking hiervan mag de termijn van opslag van afvalstoffen maximaal drie jaar bedragen indien de vergunninghouder aan het bevoegd gezag heeft aangetoond dat de opslag van afvalstoffen gevolgd wordt door nuttige toepassing van afvalstoffen.
Vergunninghouder moet binnen zes maanden nadat de vergunning in werking is getreden, een preventieplan overleggen waarin wordt beschreven hoe het verbruik van (drink)water wordt beperkt. In het preventieplan moet zijn aangegeven welke maatregelen voor de volgende vier jaar als zeker, onzeker en voorwaardelijk moeten worden aangemerkt. Het plan moet zijn opgesteld met behulp van de hulpmiddelen en informatiebronnen voor mogelijke besparing van drinkwater uit bijlage D van het Werkboek Wegen naar preventie bij bedrijven.
Indien vergunninghouder een maatregel wil vervangen door een gelijkwaardige maatregel, moet dit voornemen drie maanden voor de voorgenomen uitvoering aan het bevoegd gezag worden overgelegd. Vergunninghouder moet daarbij aantonen dat de alternatieve maatregel minstens evenveel bijdraagt aan de in het plan gestelde preventiedoelstelling.
De opslag van gasflessen (ADR-klasse 2) moet - indien de gezamenlijke inhoud van de flessen meer is dan 125 liter - in de speciaal daarvoor bestemde ruimte plaatsvinden en moet voldoen aan de voorschriften 6.1.1 tot en met 6.2.19 van de richtlijn PGS 15: 2016, versie 1.0. Indien de opslag van gasflessen plaatsvindt in een brandveiligheidsopslagkast, moet tevens worden voldaan aan de voorschriften 6.3.1 tot en met 6.3.6.
Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan:
De ligging van de beoordelingspunten is aangegeven in bijlage 1. De beoordelingshoogte voor de dag-, avond- en nachtperiode is vijf meter.
Het maximale geluidsniveau LAmax veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan:
De ligging van de beoordelingspunten is aangegeven in de bijlage 1. De beoordelingshoogte voor de dag-, avond- en nachtperiode is vijf meter.
1 Op basis van tien opeenvolgende debietsproportionele etmaalbemonsteringen.
2 Het gemeten debiet mag maximaal tien keer per jaar de genoemde eis van 80 m3/dag overschrijden met als maximum de vermelde waarde.
3 Gemeten in een debietsproportioneel monster als voortschrijdend gemiddelde lozingsvracht over vijf dagen.
4 Gemeten in een steekmonster.
Als de vergunninghouder gebruik wil maken van een andere analyse of methode, moet deze geaccrediteerd zijn door de Raad van Accreditatie, of moet door de vergunninghouder worden aangetoond dat verkregen analyseresultaten vergelijkbaar zijn met de analyse volgens de Nen-norm.
Het te lozen proceswater dient te allen tijde te kunnen worden onderworpen aan een continue debietmeting en een debietproportionele bemonstering. Daartoe dient deze afvalwaterstroom via een doelmatig functionerende meetvoorziening te worden geleid. De meetvoorziening dient zodanig te worden geplaatst dat deze voor inspectie goed bereikbaar en toegankelijk is.
Rapportageverplichting emissie
Algemene Beoordelingsmethodiek (ABM)
Indien de vergunninghouder voornemens is om stoffen en mengsels te gaan gebruiken die niet in de aanvraag zijn vermeld en die mogelijkerwijs in het afvalwater kunnen geraken, dan toetst de vergunninghouder deze stoffen volgens de algemene beoordelingsmethodiek (ABM) zoals bedoeld in de overwegingen.
De in voorschrift 6.1.11 bedoelde stoffen en mengsels mogen zonder toestemming vooraf worden geloosd wanneer dit volgens de ABM is toegestaan (saneringsinspanning C). Van deze stoffen en mengsels moet jaarlijks, voor 1 april, een overzicht alsmede het resultaat van de beoordeling volgens de ABM worden toegezonden aan het bevoegd gezag.
Wanneer een stof of mengsel niet aan de voorwaarden voldoet om zonder toestemming vooraf te mogen worden geloosd (saneringsinspanning Z, A of B), kan worden verzocht om de stof / het mengsel te toetsen. Een verzoek daartoe dient minimaal een maand voorafgaand aan het gebruik van de stof/mengsel te worden gericht aan het bevoegd gezag.
Op 9 november 2022 is een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wabo ontvangen. Het betreft een verzoek van Huhtamaki Nederland B.V. Het betreft een aanvraag om een nieuwe, de gehele inrichting omvattende, vergunning (revisie). De aanvraag heeft betrekking op de locatie aan de Zuidelijke Industrieweg 3-7 te Franeker.
De aanvraag om een revisievergunning betreft de huidige - vergunde - situatie. Er is geen toename van de productiecapaciteit aangevraagd.
Voor de inrichting zijn eerder de onderstaande vergunningen en/of ontheffingen verleend dan wel meldingen geaccepteerd:
Een revisievergunning vervangt met ingang van het tijdstip waarop deze in werking treedt, de eerder voor de inrichting verleende vergunningen. Deze vergunningen vervallen op het tijdstip waarop de nieuwe revisievergunning onherroepelijk wordt.
De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I, onderdeel C van het Besluit Omgevingsrecht (Bor). De volgende categorieën zijn van toepassing:
Op grond van categorie 16.4, onder c is sprake van een vergunningplichtige activiteit.
Het betreft een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort genoemd in Bijlage I, categorie 6.1, onder b van de Richtlijn industriële emissies (Rie): de fabricage, in industriële installaties van karton met een productiecapaciteit van meer dan 20 ton per dag. Om die reden is op grond van artikel 2.1, tweede lid van het Bor sprake van een vergunningplichtige inrichting.
Wij zijn bevoegd gezag om te beslissen op de aanvraag om een omgevingsvergunning. Dit volgt uit artikel 2.4, eerste lid van de Wabo.
De aangevraagde activiteiten hebben geen betrekking op handelingen waarvoor een watervergunning vereist is.
Op 9 november 2022 is een (definitieve) aanvraag om een nieuwe, de gehele inrichting omvattende, vergunning ingediend. De aanvraag is op 24 april 2023 aangevuld. Na ontvangst van de aanvullende gegevens hebben wij de aanvraag opnieuw getoetst op volledigheid. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag met de aanvullende gegevens voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanvraag is dan ook in behandeling genomen. De termijn voor het nemen van het besluit is begonnen op 9 november 2022.
Deze beschikking is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. De ontwerpbeschikking heeft van 19 september t/m 31 oktober 2023 ter inzage gelegen.
Naar aanleiding van het ontwerpbesluit zijn op 31 oktober 2023 zienswijzen ingediend door een drietal personen. De zienswijzen richten zich voornamelijk op de door hen veronderstelde toename van de uitstoot van CO2 en giftige stoffen door Huhtamaki.
Met dit besluit wordt geen uitbreiding van de capaciteit – en daarmee een toename van de CO2- uitstoot – vergund.
Voor de volledigheid merken wij op dat Huhtamaki een ETS-bedrijf is. Zoals in hoofdstuk 6 van dit besluit is aangegeven, verbiedt artikel 5.12 van het Bor het bevoegd gezag om voor ETS-bedrijven voorschriften te verbinden aan de vergunning ter bevordering van een zuinig gebruik van energie. In dit besluit zijn daarom geen voorschriften opgenomen met betrekking tot de uitstoot van CO2.
Toename uitstoot giftige stoffen
Met dit besluit wordt geen uitbreiding van de capaciteit – en daarmee een toename van de uitstoot van giftige stoffen – vergund.
De emissie van NOx is geregeld in hoofdstuk 11 (overwegingen) en hoofdstuk 6 (voorschriften) van dit besluit (maatwerkvoorschriften voor de emissie van droogmachines naar de lucht). De emissie van geur is geregeld in eerdere, aparte maatwerkbesluiten.
De zienswijzen geven geen aanleiding tot aanpassing van het besluit. Wij verklaren de zienswijzen ongegrond.
In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 van de Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor, hebben wij de aanvraag ter advies aan Wetterskip Fryslân gezonden. Het Wetterskip heeft op 8 september 2022 een advies uitgebracht waarin o.a. staat dat:
Voor het lozen van afvalwater is een maatwerkbesluit opgesteld. De door het Wetterskip geadviseerde voorschriften zijn als maatwerkvoorschriften opgenomen in dit besluit (hoofdstuk 6 van de voorschriften).
Provincie Frylân heeft op 6 juli 2023 een positieve weigering afgegeven. Deze positieve weigering is afgegeven omdat uit een AERIUS-berekening blijkt dat de door Huhtamaki veroorzaakte toename van de stikstofdepositie op het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied in de aangevraagde situatie minder is dan 0,00 mol per hectare per jaar ten opzichte van de depositie in de referentiesituatie. De aanvraag om een revisievergunning is hierdoor geen project waarvoor op grond van de Wnb vergunningplicht bestaat.
In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast.
Binnen de inrichting wordt een activiteit uit bijlage 1 van de Rie uitgevoerd: de fabricage, in industriële installaties van karton met een productiecapaciteit van meer dan 20 ton per dag (categorie 6.1, onder b). Er moet daarom worden voldaan aan de BBT-conclusies in de BREF Papier en Pulp.
Op grond van artikel 9.2 van de Regeling omgevingsrecht (Mor) moet voor het bepalen van BBT binnen de inrichting aanvullend een toetsing plaatsvinden aan relevante aangewezen informatiedocumenten over BBT. Bij het bepalen van de BBT hebben wij rekening gehouden met de volgende informatiedocumenten over BBT, zoals aangewezen in de bijlage van de Mor:
De inrichting voldoet - met inachtneming van de aan dit besluit gehechte voorschriften - aan BBT. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf.
Wij zijn van oordeel dat de ingediende gegevens voldoende informatie bevatten voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. Het toetsdocument waarin staat hoe invulling is gegeven aan de BBT, laten wij daarom onderdeel uitmaken van deze omgevingsvergunning.
Binnen de inrichting ontstaan de volgende afvalstoffen:
Uit bijlage 11 van de aanvraag blijkt dat de hoeveelheden jaarlijks afgevoerde afvalstoffen ruim boven de in de Leidraad Afval- en emissiepreventie in de milieuvergunning genoemde grens liggen waarboven preventie relevant is. Vergunninghouder heeft geen onderzoek naar besparings- en/of preventiemogelijkheden uitgevoerd. Aan deze vergunning is een voorschrift verbonden voor het uitvoeren van een afvalpreventieonderzoek.
Het beleid gericht op de bescherming van het water tegen verontreiniging vormt een onderdeel van het totale milieubeleid, zoals geformuleerd in diverse meerjarenprogramma’s milieubeheer en het Nationaal Milieubeleidsplan. Het beleid van de waterbeheerders is geformuleerd in het Nationaal Waterplan. Het nationale beleid is in het Waterbeheerplan 2022-2027 toegespitst op de Friese situatie.
Het algemene beleidskader is van toepassing op alle wateren en bestaat uit twee sporen:
Dit houdt in dat wanneer de restlozing na toepassing van de BBT leidt tot ontoelaatbare effecten voor de lokale waterkwaliteit, het bevoegd gezag beziet of er aanvullende beperkingen of voorschriften aan de vergunning kunnen worden verbonden dan wel of de vergunning moet worden geweigerd.
Het aanvullende beleidskader richt zich specifiek op de waterlichamen in de zin van de Kaderrichtlijn Water en beoogt onder meer het waarborgen van “geen achteruitgang” voor de toestand van de waterlichamen. Dit kan zo nodig inhouden dat lozingen worden verplaatst naar minder kwetsbare waterlichamen en dat schadelijke milieuvreemde stoffen worden vervangen door andere stoffen met een vergelijkbare werking en minder schade aan het watermilieu.
De Rie omvat een integratie van de IPPC-richtlijn, die van toepassing is op installaties die in hoge mate als milieubelastend worden beschouwd (de IPPC-installaties). Met deze richtlijn wordt een vergunningenregime beoogd voor onder andere emissies naar water uit grote industriële installaties, waarbij rekening wordt gehouden met vermindering van afval en energieverbruik (integrale afweging). Een belangrijk element is dat emissiegrenswaarden gebaseerd dienen te zijn op de in de richtlijn gedefinieerde BBT. De BBT zijn beschreven in referentiedocumenten oftewel BREF’s. In de Mor is aangegeven met welke BBT-conclusies en informatiedocumenten over BBT bij de besluitvorming rekening moet worden gehouden.
Sinds augustus 2002 geldt voor de beoordeling van stoffen en mengsels de "Algemene Beoordelings Methodiek" (ABM). In maart 2016 is de ABM geactualiseerd waarbij de aanpak van Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) is geïntegreerd. De methodiek stelt bedrijven en waterkwaliteitsbeheerders in staat om op een eenduidige wijze de waterbezwaarlijkheid van stoffen en mengsels te benoemen.
Daarnaast volgt uit de methodiek welke saneringsinspanning voor de betreffende stof of het mengsel moet worden getroffen. Daartoe zijn vier saneringsinspanningen te onderscheiden, namelijk:
saneringsinspanning B: saneren door toepassing van de beste uitvoerbare technieken. Dit zijn die technieken waarmee, rekening houdend met economische aspecten, dus uit kostenoogpunt aanvaardbaar te achten voor een normaal renderend bedrijf, de grootste reductie in de verontreiniging wordt verkregen;
saneringsinspanning C: saneren door toepassing van de waterkwaliteitsaanpak. Deze aanpak is van toepassing op relatief onschadelijke verontreinigingen; de maatregelen die in het kader van deze aanpak moeten worden getroffen, zijn primair afhankelijk van de waterkwaliteitsdoelstellingen van het ontvangende oppervlaktewater;
De algemene beoordelingssystematiek is toepasbaar voor alle stoffen en mengsels, ongeacht de bedrijfstak waar zij worden ingezet. Voor deze methodiek geldt dat de verantwoordelijkheid voor het aanleveren van de milieu-informatie van stoffen aan het bevoegd gezag bij de aanvrager/vergunninghouder ligt. Indien de vereiste gegevens ontbreken, wordt een worst-casebenadering gehanteerd.
De inrichting van Huhtamaki Nederland B.V. aan de Zuidelijke Industrieweg 3-7 te Franeker is een inrichting type C met een IPPC-installatie. Het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling zijn op het bedrijf van toepassing. Daarnaast valt het bedrijf onder de Rie op basis van Bijlage I, categorie 6.1, onder b, te weten “De fabricage, in industriële installaties van papier of karton met een productiecapaciteit van meer dan 20 ton per dag”.
Het proceswater ontstaat bij het productieproces waarbij oud papier en water worden gemengd in een pulperinstallatie. Het vrijkomende uitgezogen water wordt opnieuw gebruikt als proceswater in de pulperinstallatie. Het proceswatersysteem is door hergebruik in principe een gesloten systeem. Het bedrijf maakt gebruik van een in-line-behandeling van het proceswater. Om de waterkwaliteit op peil te houden voor recirculatie worden biociden toegevoegd.
Tijdens het proces is het nodig om het water te verversen, waardoor dagelijks proceswater wordt geloosd op de riolering. De mate van verontreiniging in het proceswater is deels afhankelijk van de kwaliteit van het ingenomen oud papier. Het proceswater is verontreinigd met onopgeloste stoffen, organische stoffen en stikstof.
Het laboratoriumafvalwater dat binnen de inrichting ontstaat is voornamelijk afkomstig van het schoonmaken van benodigdheden. Dit afvalwater is qua aard en samenstelling te vergelijken met huishoudelijk afvalwater. Het afvalwater wordt via de het gemeentelijk vuilwaterriool geloosd.
Het afvalwater Technische Dienst is afkomstig uit de werkplaats van de technische dienst. Het vrijkomende afvalwater kan verontreinigd zijn met minerale olie. Alvorens dit afvalwater wordt geloosd, wordt het via een olie-afscheider geleid. Het afvalwater wordt vervolgens via de gemeentelijke riolering geloosd.
In de clichémakerij worden de clichés voor het drukproces voorbereid en gereinigd voor hergebruik. Het vrijkomende afvalwater kan resten van inkt bevatten, maar ook organische stoffen en stikstof. Het betreft een zeer geringe lozing die via de gemeentelijke riolering wordt geloosd.
De gebruikte inkt bevat sporen van zware metalen. Bepaalde van deze zware metalen behoren tot de Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS). Dit zijn stoffen die zijn geclassificeerd als de gevaarlijkste stoffen voor mens en milieu die met voorrang aangepakt moeten worden. Het streven is om ZZS uit de leefomgeving te weren.
Het landelijk waterkwaliteitsbeleid is erop gericht om ZZS met een combinatie van bronaanpak, minimalisatie van de restlozing en continue verbetering aan te pakken. Conform het landelijk beleid voor de aanpak van ZZS moet een lozer verplicht iedere vijf jaar rapporteren over de getroffen maatregelen om de emissies van ZZS te verminderen en de technieken die op de markt beschikbaar zijn gekomen, om verdere invulling aan de minimalisatie te geven.
In de voorschriften is een onderzoeksverplichting opgenomen voor de vijfjaarlijkse rapportage.
Het huishoudelijk afvalwater van de sanitaire voorzieningen wordt zonder voorziening geloosd op het vuilwaterriool van het gemeentelijk stelsel. Aan deze lozing worden in het Activiteitenbesluit geen concrete voorschriften gesteld; de lozingen mogen in beginsel zonder beperkingen plaatsvinden. Wel moet op grond van de zorgplichtbepaling, artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit, worden voorkomen dat de doelmatige werking van de rioolwaterzuiveringsinstallatie wordt belemmerd of onnodige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater zou veroorzaken.
Huhtamaki Nederland B.V. wil de productiecapaciteit binnen het bedrijf optimaal benutten en daarbij zo weinig mogelijk water lozen. Door deze optimalisatie en het toepassen van andere grondstoffen (kwaliteitsverandering) is de samenstelling van het proceswater gewijzigd. Het bedrijf kan daardoor niet altijd meer voldoen aan de gestelde concentratie-eisen voor Chemisch Zuurstof Verbruik (hierna: CZV), Stikstof-Kjeldahl (hierna N-Kjeldahl) en de onopgeloste stoffen. In de onderhavige aanvraag doet Huhtamaki Nederland B.V. dan ook het verzoek om de bestaande lozingseisen in concentraties om te zetten naar vrachteisen.
In de afgelopen jaren kon Huhtamaki Nederland B.V. niet altijd voldoen aan de vigerende lozingseisen. In de vergunning van 21 juni 2004 zijn de volgende lozingseisen opgenomen.
1 Op basis van 10 opeenvolgende debietsproportionele etmaalbemonsteringen.
2 Het gemeten debiet mag maximaal 10 keer per jaar de genoemde eis van 80 m3/dag overschrijden met als maximum de vermelde waarde.
3 Gemeten in een debietsproportioneel etmaalmonster.
4 Gemeten in een steekmonster.
In de onderhavige revisie-aanvraag vraagt Huhtamaki Nederland B.V. een omzetting aan van de huidige concentratie-eisen voor de parameters CVZ, N-Kjeldahl en onopgeloste stoffen naar een toekomstbestendige lozingsvracht, die zich onder normale bedrijfscondities voordoet.
Op basis van het voorgaande doet het bedrijf het verzoek om de volgende lozingsvrachten op te nemen. Het betreft een voortschrijdend gemiddelde lozingsvracht over vijf dagen.
De impact van de bestaande lozing van Huhtamaki Nederland B.V. op de rioolwaterzuiveringsinstallatie te Franeker is hydraulisch en biologisch beperkt. Overschrijdingen die hebben plaatsgevonden konden worden opgevangen door de rioolwaterzuiveringsinstallatie.
Naar onze mening zijn deze voorgestelde vrachteisen vergunbaar en naleefbaar voor het bedrijf. Op deze wijze wordt niet onnodig veel beslag gelegd op de capaciteit van de rioolwaterzuiveringsinstallatie te Franeker en veroorzaken de vrachteisen naar verwachting geen ontoelaatbare gevolgen voor de doelmatige werking van de rioolwaterzuiveringsinstallatie en het aquatisch milieu.
Wij kunnen naar aanleiding van bovenstaande overwegingen instemmen met het wijzigen van de lozingseisen in concentraties in vrachteisen.
BBT-conclusies BREF Papier en Pulp
Huhtamaki Nederland B.V. behoort tot de in bijlage 1 van de Rie bedoelde categorieën van industriële activiteiten, te weten categorie 6.1, onder b. Bij het bepalen van de BBT hebben wij voor het onderdeel Water rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde BBT-conclusies:
In de onderhavige aanvraag omgevingsvergunning heeft het bedrijf in bijlage 8 “BBT-toets” d.d. 15 december 2021 aangegeven welke maatregelen aanwezig zijn om de lozing van afvalwater te laten voldoen aan de BBT zoals die zijn genoemd in de BBT-conclusies en de BREF’s.
Wij hebben de aanvraag met bijlagen beoordeeld en zijn van mening dat Huhtamaki Nederland B.V. binnen de inrichting aan de Zuidelijke Industrieweg 3-7 te Franeker de beste beschikbare technieken toepast.
Beoordeling Algemene Beoordelingsmethodiek (ABM)
De ABM deelt voor alle bedrijfstakken op een transparante en eenduidige wijze de te lozen stoffen en mengsels in op grond van de eigenschappen. Daarbij geeft de methodiek aan in welke mate emissiebeperkende maatregelen bij een bepaalde stof, gezien de eigenschappen, wenselijk zijn. Uit de ABM volgt een aanduiding van de waterbezwaarlijkheid en een aanbeveling voor de saneringsinspanning.
Binnen de inrichting van Huhtamaki Nederland B.V. worden verschillende hulpstoffen toegepast. De binnen de inrichting toegepaste stoffen zijn in 2019 en in 2021 elk reeds afzonderlijk getoetst aan de “Algemene Beoordelings Methodiek (ABM)”. De toegepaste hulpstoffen vallen onder de saneringsinspanning A of C. In de bijlage 7B “ABM-toets 2021” heeft het bedrijf de reeds toegepaste saneringsinspanningen om de emissies te minimaliseren weergegeven. Hergebruik van het proceswater, het verder beperken van de afvalwaterlozing en alternatieve hulpstoffen gebruiken, zijn toegepaste inspanningen.
De winning van drinkwater kost geld, grondstoffen en energie. Het zuinig gebruik van drinkwater vormt dan ook onderdeel van de verruimde reikwijdte in de Wabo. Het gebruik van drinkwater als proceswater moet zoveel mogelijk worden beperkt tot die processen waarvoor water van een bepaalde kwaliteit noodzakelijk is. Een voorbeeld is het gebruik van drinkwater als koelwater; dit moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Het totale drinkwaterverbruik binnen de inrichting bedraagt 45.427 m3 per jaar. Binnen de inrichting zijn de besparingsmogelijkheden om het onnodig verbruik van drinkwater terug te dringen niet onderzocht. Wij hebben daarom voorschriften voor de beperking van het drinkwaterverbruik in de vergunning opgenomen.
Uit de voorgaande toets van de afvalwaterstromen is gebleken dat de maatregelen om de lozing van afvalwater te beperken, voldoen aan de stand der techniek.
Voor het lozen van afvalwater zijn maatwerkvoorschriften gesteld (hoofdstuk 6 van de voorschriften. De overwegingen staan in hoofdstuk 11.
Voor het aspect bodembescherming valt het bedrijf volledig onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit. In deze vergunning hoeft daarom geen nadere beoordeling plaats te vinden. Op grond van het Activiteitenbesluit moeten alle bedrijfsactiviteiten worden verricht met voorzieningen en maatregelen die leiden tot een verwaarloosbaar bodemrisico.
De Europese Unie heeft een systeem van CO2-emissiehandel (ETS) ingevoerd dat bepaalde energie-intensieve inrichtingen met een aanzienlijke CO2-uitstoot verplicht CO2-rechten te kopen en de mogelijkheid geeft het teveel aan rechten eventueel te verkopen. De vergunninghouder is verplicht om aan CO2-emissiehandel deel te nemen. Daarnaast zijn de voorschriften in afdeling 2.6 van het Activiteitenbesluit (verduurzaming van het energiegebruik) per 1 juli 2023 van toepassing geworden op Huhtamaki.
Artikel 5.12 van het Bor verbiedt het bevoegd gezag om voor deze installaties voorschriften te verbinden aan de vergunning ter bevordering van een zuinig gebruik van energie. Daarom zijn voor deze installaties in deze vergunning geen voorschriften opgenomen.
Voor de op- en overslag van gevaarlijke stoffen zijn richtlijnen opgesteld in de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu wordt gerealiseerd. Deze PGS-richtlijnen zijn vermeld als Nederlandse informatiedocumenten over BBT in de bijlage van de Mor. Voor de beoordeling van de aanvraag van de inrichting is de PGS 15: 2016, versie 1.0, relevant.
De aangevraagde bedrijfsactiviteiten hebben tot gevolg dat geluid wordt geproduceerd. Deze geluidsemissie wordt vooral veroorzaakt door installaties op het dak, uitstralende geveldelen en mobiele bronnen. De veroorzaakte geluidsbelasting in de omgeving en de perioden waarin deze optreedt, is in kaart gebracht in een akoestisch rapport “Akoestisch onderzoek revisievergunning Huhtamaki te Franeker, ten behoeve van een revisievergunning”, van 12 april 2023 , kenmerk R001-1249622MJO-V09-aqb-NL, door Tauw.
Het geluid wordt beoordeeld op basis van de representatieve bedrijfssituatie (de geluidsemissie die de inrichting onder normale omstandigheden veroorzaakt). Beoordeeld worden de geluidsniveaus, te weten het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, de maximale geluidsniveaus en de indirecte hinder als gevolg van het in werking zijn van de inrichting.
De inrichting ligt op het gezoneerde industrieterrein 'Franeker Zuid' in de gemeente Waadhoeke.
Voor het industrieterrein 'Franeker Zuid' te Franeker is een geluidszone vastgesteld. De geluidszone is vastgelegd in de bestemmingsplannen Franeker Zuid (vastgesteld 17 mei 2018), Buitengebied 2013 (vastgesteld 25 juni 2015), Franeker Binnenstad (vastgesteld op 27 oktober 2016), Franeker Noord en Oost (vastgesteld op 25 april 2019), Franeker-Rietbuurt fase 2 (vastgesteld op 14 juli 2022), Franeker-Lanenbuurt en Rietbuurt (vastgesteld op 12 juni 2018) en de beheersverordening Franeker-Bedrijventerrein Zuid en bestemmingsplan Alvestêdewyk (vastgesteld op 20 april 2017).
Bij de vergunningverlening op de aanvraag nemen wij in ieder geval in acht de geldende grenswaarden voor gezoneerde industrieterreinen zoals bedoeld in de Wet geluidhinder. Voor gezoneerde industrieterreinen geldt als uitgangspunt dat de etmaalwaarde van het equivalent geluidsniveau vanwege het gehele industrieterrein buiten de zone niet meer mag bedragen dan 50 dB(A).
In de zone is een aantal geluidsgevoelige bestemmingen gelegen waarvoor op grond van het voornoemde saneringsprogramma door de Minister van VROM een Maximaal Toelaatbare Geluidsbelasting (MTG-waarde) is vastgesteld.
Overeenkomstig de toetsing aan de zone moet bij toetsing aan de vastgestelde MTG-waarden op de gevels van woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen rekening worden gehouden met de cumulatie van geluid door alle op het gezoneerde terrein gelegen inrichtingen.
Op de zonegrens mag de geluidsbelasting vanwege de onderhavige inrichting, samen met de overige op het industrieterrein gelegen inrichtingen, niet hoger zijn dan 50 dB(A) en op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen in de zone mag de geluidsbelasting op grond van het voornoemde saneringsprogramma niet hoger zijn dan de in het saneringsprogramma aangegeven MTG-waarden.
Voor de woonbestemmingen in de Lanenbuurt/Rietbuurt zijn, voor zover binnen de geluidszone gelegen, hogere grenswaarden vastgesteld van 55 dB(A).
In het akoestisch rapport is de geluidimmissie, zowel voor de dag-, avond- als nachtperiode, aangegeven ter plaatse van de door de zonebeheerder vastgestelde zonebewakingspunten (op de vastgestelde 50 dB(A)-contour) en bij relevante woningen binnen de zone.
Van de zonebeheerder ontvingen wij 14 juli 2023 een schriftelijke rapportage waarbij de situatie voor en na de aanvraag in beeld is gebracht en waaruit blijkt dat na het vergunnen van de aanvraag voldaan wordt aan de artikelen 45 en 53 uit de Wet geluidhinder (zie artikel 2.14, eerste lid, onder c, sub 2o van de Wabo).
De zonebeheerder heeft verklaard dat de berekende geluidimmissie van de inrichting, gecumuleerd met de geluidimmissie van de overige op het industrieterrein gevestigde inrichtingen, past binnen de beschikbare geluidruimte voor het betreffende industrieterrein.
Voor woningen die zijn gelegen buiten het gezoneerde industrieterrein wordt, indien relevant, de standaardsystematiek zoals gehanteerd bij de vergunningverlening toegepast. Voor de maximale geluidsniveaus wordt aangesloten bij de beleidslijn dat de geluidsgrenswaarde voor de maximale geluidsniveaus in de regel niet meer dan 10 dB(A) boven het aanwezige langtijdgemiddeld beoordelingsniveau komt te liggen. In de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (Handreiking) wordt aangegeven dat als ondergrens een waarde van 50, 45 en 40 dB(A) kan worden aangehouden voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. In sommige gevallen kan van deze beleidslijn gemotiveerd worden afgeweken. Wanneer niet aan de grenswaarden voldaan kan worden, kunnen op basis van de afwijkingsbevoegdheid wegens bijzondere omstandigheden hogere maximale geluidsniveaus worden vergund. Hierbij wordt aanbevolen om de maximale geluidsniveaus niet hoger te laten zijn dan 70, 65 en 60 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. In het geval er sprake is van een voor de bedrijfsvoering onvermijdbare situatie, waarin technische noch organisatorische maatregelen soelaas bieden om het geluidsniveau te beperken, zou, los van de grenswaarde van 70 dB(A) voor de dagperiode, deze met ten hoogste 5 dB(A) mogen worden overschreden voor bepaalde nader omschreven bedrijfssituaties.
De grenswaarden voor de maximale geluidsniveaus bedragen 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Ter plaatse van de dichtstbijzijnde woningen wordt de streefwaarde overschreden. Aan de grenswaarden wordt echter ruimschoots voldaan.
Wij hebben in de voorschriften bij drie woningen grenswaarden vastgelegd voor de maximale geluidsniveaus, waarbij de streefwaarde van de maximale geluidsniveaus van 60, 55 en 50 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode als ondergrens is gehanteerd. Lagere waarden voor het piekgeluidsniveau achten wij vanwege de ligging bij een geluidgezoneerd industrieterrein niet zinvol.
Uit jurisprudentie (Raad van State van 17 september 2008, nummer 200800664/1) blijkt dat geen toetsing nodig is voor het verkeer van en naar een inrichting die is gelegen op een gezoneerd industrieterrein. Dit geldt voor de geldende grenswaarden voor de inrichting zelf, de zonegrens en de voorgestelde grenswaarden die volgen uit de “Circulaire inzake geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de Wet milieubeheer”, van 29 februari 1996.
Voor regelmatig afwijkende en incidentele bedrijfssituaties, dat wil zeggen situaties die slechts een beperkt aantal dagen per jaar optreden, kunnen op grond van de Handreiking ruimere grenswaarden worden gesteld.
Er zijn geen regelmatige afwijkingen of incidentele bedrijfssituaties.
Voor de optredende geluidsniveaus is de aangevraagde situatie aanvaardbaar.
Wij hebben aan de vergunning voorschriften verbonden waarin grenswaarden zijn gesteld ter plaatse van beoordelingspunten en enkele woningen van derden. Omdat er ook activiteiten plaatsvinden aan de westzijde op het industrieterrein, is een extra beoordelingspunt opgenomen ter plaatse van zonebewakingspunt 23 (Z23).
Vanwege de minder goede bereikbaarheid van sommige beoordelingspunten bij geluidsgevoelige bestemmingen en vanwege stoorgeluid vanwege andere geluidsbronnen, kan de geluidsbelasting die de inrichting veroorzaakt niet altijd bij de geluidsgevoelige worden gemeten. Daarom zijn, behalve de genoemde grenswaarden, ook grenswaarden vastgelegd op beoordelingspunten VP01, VP02, VP03 en VP04. Op deze punten kan, in het kader van het door het bevoegd gezag uit te oefenen toezicht op de naleving van de geluidsnormen, worden gemeten.
Het Nederlandse geurbeleid is opgenomen in artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit en in de Handleiding geur: bepalen van het aanvaardbaar hinderniveau van industrie en bedrijven (niet veehouderijen). Als algemene doelstelling geldt het zoveel mogelijk beperken van bestaande hinder en het voorkomen van nieuwe hinder. Daarbij staat het afwegingsproces voor het vaststellen van het aanvaardbaar hinderniveau centraal. Het aanvaardbaar hinderniveau wordt per situatie vastgesteld en zo nodig op grond van het Activiteitenbesluit als maatwerkvoorschrift aan de vergunning verbonden. Alleen als de emissies van de inrichting in het Activiteitenbesluit uitgezonderd zijn, worden de geuremissies in de vergunning beoordeeld.
De geuremissie van Huhtamaki valt onder afdeling 2.3 (artikel 2.7a) van het Activiteitenbesluit. Op grond van artikel 2.7a, vierde lid, onder a en b van het Activiteitenbesluit, kan het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften stellen voor geur.
Wij hebben eerder al besloten om in afzonderlijke maatwerkbesluiten regels te stellen voor geur. Het gaat om de maatwerkbesluiten van 20 mei 2021 (kenmerk 2021-FUMO-0050410 en 2021-FUMO-0050630) en van 15 maart 2023 (2022-FUMO-0061589). In deze vergunning staan daarom geen geurvoorschriften.
Luchtemissies voor inrichtingen worden in beginsel gereguleerd door de algemene regels van het Activiteitenbesluit. Deze eisen zijn rechtstreeks geldend en daarom niet in deze vergunning opgenomen.
In Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) en de bijbehorende bijlage 2 bij de Wm zijn grens- en richtwaarden gesteld aan de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht op leefniveau, die wij als toetsingscriteria moeten hanteren. De inrichting emitteert een aantal stoffen waarvoor deze grenswaarden gelden, te weten stikstofdioxide en zwevende deeltjes (PM2,5 en PM10).
De inrichting heeft voor deze stoffen een immissietoets uitgevoerd. Dit is opgenomen in bijlage 3 van de aanvraag (Luchtkwaliteitsonderzoek). Uit de beoordeling van deze verspreidingsberekeningen concluderen wij dat voldaan wordt aan de grenswaarden in Bijlage 2 van de Wm.
De Europese handel in CO2-emissierechten vindt plaats met als doel het reduceren van CO2-emissies, teneinde de gestelde klimaatdoelen te halen. De vergunninghouder neemt hieraan deel.
Op basis van het Bor (artikel 5.12) is het niet toegestaan om voor een inrichting die onder artikel 16.5, eerste lid, van de Wm valt, voorschriften in de omgevingsvergunning op te nemen met betrekking tot een emissiegrenswaarde voor de directe emissie van broeikasgassen of ter bevordering van een zuinig gebruik van energie in de inrichting.
Aangezien er binnen de inrichting activiteiten worden uitgevoerd als bedoeld in Bijlage I van de EG-Verordening PRTR, geldt dat conform titel 12.3 van de Wm een elektronisch PRTR-verslag moet worden ingediend.
Op grond van artikel 12.20, eerste lid van de Wm geldt dat de vergunninghouder de emissies (jaarvrachten) moet rapporteren.
Binnen de inrichting wordt gebruik gemaakt van elf droogmachines. Deze zijn voorzien van branders op aardgas. De afgassen van deze branders worden gebruikt voor het direct drogen van papierpulp in mallen. Voor de emissie van de droogmachines zijn maatwerkvoorschriften gesteld (hoofdstuk 6 van de voorschriften). De overwegingen staan in hoofdstuk 11.
Wij zijn van oordeel dat uit de aanvraag blijkt dat er voldoende maatregelen worden toegepast c.q. zullen worden toegepast om luchtemissies te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.
Binnen de inrichting is er sprake van lozingen waarvoor de Instructie-regeling lozingsvoorschriften milieubeheer van toepassing is. In het kader van deze regeling moeten voorschriften opgenomen worden die gericht zijn op de bescherming van het openbaar riool, een zuivering technisch werk of de bij een zodanig openbaar riool of zuivering technisch werk behorende apparatuur. Verder moeten voorschriften opgenomen worden die bepalen dat het afvalwater van dien aard moet zijn dat de kwaliteit van het rioolslib er niet door wordt aangetast zodat de verwerking van dit slib niet wordt belemmerd. Daarnaast dienen voorschriften te worden opgenomen die bepalen dat het afvalwater van dien aard moet zijn dat de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk worden beperkt. De genoemde voorschriften zijn in deze vergunning opgenomen.
Op grond van artikel 2.1, tweede lid, onder n kunnen maatwerkvoorschriften worden opgenomen ter bescherming van de doelmatige werking van de voorzieningen en voor het beheer van afvalwater. Op grond van artikel 2.1, tweede lid, onder o kunnen maatwerkvoorschriften worden opgenomen om nadelige gevolgen voor het doelmatig beheer van afvalwater te beperken. Deze maatwerkvoorschriften zijn opgenomen in hoofdstuk 6 van de voorschriften bij deze vergunning.
In hoofdstuk 4 van de considerans is gemotiveerd dat de door de lozingen mogelijk te veroorzaken verontreiniging van het oppervlaktewater en schade aan de doelmatige werking van de rioolwaterzuiveringsinstallatie in voldoende mate wordt tegengegaan en voorkomen door de in deze vergunning opgenomen maatwerkvoorschriften.
Zowel hoofdstuk 6 van de voorschriften als hoofdstuk 4 van de considerans is grotendeels overgenomen uit het advies van Wetterskip Fryslân met kenmerk WF-69008 van 8 september 2022.
Het algemeen luchtbeleid is gericht op het voorkomen dan wel zo veel mogelijk beperken van emissies naar de lucht door het toepassen van de beste beschikbare technieken (BBT) en het voldoen aan de luchtkwaliteitseisen van bijlage 2 van de Wm.
Luchtemissies voor inrichtingen, waaronder diverse CV ketels en branders ten behoeve van het droogproces (zie Luchtkwaliteitsonderzoek Huhtamaki, 15 december 2021), worden in beginsel gereguleerd door de algemene regels van het Activiteitenbesluit. Deze eisen zijn rechtstreeks geldend en daarom niet in deze vergunning opgenomen.
Binnen de inrichting wordt, zoals gezegd, gebruik gemaakt van elf droogmachines. Deze zijn voorzien van branders op aardgas. De afgassen van deze branders worden gebruikt voor het direct drogen van papierpulp in mallen.
Op grond van artikel 3.7, tweede lid, onder d zijn de emissie-eisen in paragraaf 3.2.1 van het Activiteitenbesluit niet van toepassing op stookinstallaties indien de gasvormige producten van het stookproces worden gebruikt voor het direct drogen van voorwerpen of materialen.
Op grond van artikel 2.3a, tweede lid zijn de emissie-eisen in afdeling 2.3 van het activiteitenbesluit niet van toepassing op de emsissie van de droogmachines.
De door de droogmachines veroorzaakte emissies naar de lucht zijn door het gestelde in artikel 3.7, tweede lid, onder d en artikel 2.3a, tweede lid niet gereguleerd in het Activiteitenbesluit. Dit achten wij niet in het belang van de bescherming van het milieu.
Op grond van artikel 3.7, achtste lid van het Activiteitenbesluit kan het bevoegd gezag in het belang van de bescherming van het milieu bij maatwerkvoorschrift eisen stellen aan de emissies van een stookinstallatie. Wij hebben gebruik gemaakt van deze mogelijkheid door bij maatwerkvoorschrift eisen te stellen aan de concentratie van stikstofoxiden (NOx) in de rookgassen van de droogmachines. Daarnaast zijn bij maatwerkvoorschrift eisen gesteld aan de controlemetingen bij de stookinstallaties met een vermogen groter dan 1.000 kW (hoofdstuk 6 van het onderdeel Voorschriften).
Hierbij is aangesloten bij de NOx-concentratie in bijlage 3 van de aanvraag (luchtkwaliteitsonderzoek), de emissie-eisen in het Activiteitenbesluit en het controleregime in de Activiteitenregeling voor een procesfornuis met een vermogen groter dan 1.000 kW.
Door het direct drogen van de papierpulp met de afgassen van de stookinstallaties zullen de rookgassen van de droogmachines ook vluchtige organische stoffen (VOS) bevatten. Deze VOS bestaan uit relatief ongevaarlijke maar sterk geurende vluchtige organische zuren. De emissie van deze vluchtige organische zuren is inherent aan de productie van karton en zou bij indirecte droging via de ruimteluchtafzuiging vrijkomen. In deze vergunning zijn daarom geen maatwerkvoorschriften gesteld met betrekking tot de emissie van VOS.
In artikel 17.2, eerste lid van de Wm is vastgelegd dat ongewone voorvallen waardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of dreigen te ontstaan, door het bedrijf zo spoedig mogelijk aan het bevoegd gezag moeten worden gemeld.
Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op een revisievergunning, kan worden geconcludeerd dat de omgevingsvergunning kan worden verleend.
In deze vergunning zijn de relevante voorschriften opgenomen.
Bijlage 1: beoordelingspunten geluid
Voor de begrippen die niet in deze lijst zijn opgenomen refereren wij naar de definities zoals die zijn opgenomen in de geldende wet- en regelgeving (zoals het Activiteitenbesluit, de Activiteitenregeling, het Besluit omgevingsrecht, het Besluit externe veiligheid inrichtingen, de Wet geurhinder en veehouderij etc.)
|
Uitkomst van het afwegingsproces van onder andere de volgende aspecten:
|
|
|
Alle water waarvan de houder zich, met het oog op de verwijdering daarvan, ontdoet, voornemens is zich te ontdoen, of moet ontdoen. |
|
|
Afvalwater (inclusief verontreinigd hemelwater), niet zijnde huishoudelijk afvalwater. |
|
|
Een stelsel van buizen, verbindingstukken en elementen zoals straat- en trottoirkolken, gootelementen, verzamelputten en installaties, zoals slibvangputten, olie-waterscheider en controleputten voor de opvang en afvoer van bedrijfsafvalwater. |
|
|
Document dat inzicht geeft in het risico van bodemverontreiniging. Hiertoe wordt per bodembedreigende activiteit overeenkomstig de bodemrisicochecklist uit de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bepaald of met de aanwezige of voorgenomen combinatie van voorzieningen en maatregelen sprake is of zal zijn van een verwaarloosbaar bodemrisico. |
|
|
Een vloeistof die zelf brandbaar is of waaruit onder voorzienbare bedrijfsomstandigheden een brandbaar gas, brandbare damp of brandbare nevel kan ontstaan (EN-IEC 60079-10). Een vaste stof vallend onder klasse 4.1. van het ADR. Een vloeistof die in verpakte vorm, conform het ADR het etiket model nr. 3 draagt. |
|
|
De repressieve middelen ter bestrijding van brand, zoals brandkranen (blusbootaansluitingen), handblusmiddelen (haspels en poederblussers), sprinklers, deluge, blusgasinstallaties etc. |
|
|
Alle brandveiligheidsvoorzieningen, zoals de brandbestrijdingssystemen en de branddetectie en doormelding. |
|
|
Vaste, vloeibare of gasvormige stof die brandbaar of brandbevorderend is, of bij brand gevaar oplevert, in de zin van de ADR-klassen 2 t/m 5. |
|
|
BAT Reference document. Een in Europees verband vastgesteld document waarin de BBT worden beschreven die specifiek zijn voor een bepaalde branche of activiteit. |
|
|
Een drukhouder is een verzamelterm die flessen, grote cilinders, drukvaten, gesloten cryohouders en flessenbatterijen omvat. |
|
|
Het energie-efficiëntieplan (EEP) dat een deelnemer aan een MJA3/MEE opstelt. Dit plan moet elke vier jaar worden geactualiseerd. Het EEP geeft inzicht in de energetische situatie en de te treffen energie efficiëntie maatregelen van de inrichting. |
|
|
Het plan van aanpak waarin de drijver van de inrichting de termijn aangeeft waarbinnen zij de rendabele maatregelen toe zal passen binnen de inrichting. |
|
|
Eén Europese geureenheid is de hoeveelheid geurstoffen die, bij verdamping in één kubieke meter neutraal gas onder standaard condities, een fysiologische respons oproept bij een panel (detectiegrens) gelijk aan de respons die optreedt bij verdamping van 123 μg n-butanol (CAS-Nr. 71-36-3) in één kubieke meter lucht onder standaard condities (concentratie is 0,040 μmol/mol). |
|
|
Een verzameling flessen die aan elkaar zijn bevestigd en onderling door een verzamelleiding zijn verbonden en die als ondeelbare eenheid wordt vervoerd. |
|
|
Gebouwen of objecten, aangewezen in het Besluit geluidhinder krachtens de artikelen 49 en 68 van de Wet geluidhinder (Stb. 1982, 465). |
|
|
Geurconcentratie in de omgeving (per tijdseenheid). De geurbelasting wordt uitgedrukt in Europese geureenheden per kubieke meter lucht bij een bepaalde percentielwaarde (ouE/m3 als x-percentiel van de uurgemiddelde concentratie). De x-percentielwaarde vertegenwoordigt de tijdsfractie van een jaar waarvoor geldt dat gedurende deze tijdsfractie de geurconcentratie beneden deze aangegeven concentratie blijft of gelijk is aan deze waarde. |
|
|
Hoeveelheid Europese geureenheden per kubieke meter lucht (ouE/m3) onder standaardcondities. |
|
|
Geurconcentratie van één stof of van een mix van stoffen van één Europese geureenheid per kubieke meter. |
|
|
Hoeveelheid geur die per tijdseenheid wordt geëmitteerd uitgedrukt in Europese geureenheden; De geuremissie is gelijk aan de geurconcentratie in de geëmitteerde luchtstroom vermenigvuldigd met het debiet van de luchtstroom . |
|
|
Afvalwater dat vergelijkbaar is met afvalwater afkomstig van particuliere huishoudens. |
|
|
Intermediate Bulk Container. Een stijve of flexibele verpakking die in paragraaf 6.5 van het ADR is genoemd. |
|
|
Het geluidsvermogen niveau van een rondom afstralende puntbron die op een plaats van de echte geluidsbron dan wel het broncentrum van een stelsel geluidsbron staat en op het immissiepunt hetzelfde geluidsniveau geeft als deze geluidsbron(nen). |
|
|
Het informatiecentrum in Nederland over milieuwet- en regelgeving. |
|
|
Die onderdelen van de inrichting, die als een zelfstandige eenheid kunnen worden beschouwd. Installaties kunnen met elkaar verbonden zijn, bijvoorbeeld via pijpleidingen. |
|
|
Milieumanagementsystemen - Eisen met richtlijnen voor gebruik, 2015 |
|
|
Dienstverlenend centrum voor kwaliteitsbeheersing en onderzoek in de sectoren Drinkwater, Bouw en Milieu, www.kiwa.nl |
|
|
Het A-gewogen gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse, in de loop van een bepaalde periode optredende geluid en zo nodig gecorrigeerd voor de aanwezigheid van impulsachtig geluid, tonaal geluid of muziekgeluid, vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de 'Handleiding meten en rekenen industrielawaai', uitgave 1999. |
|
|
Gashoeveelheid [m3] bij 273,15 K, bij 101,3 kPa, betrokken op droog gas. |
|
|
Het hoogste A-gewogen geluidsniveau, afgelezen in de meterstand 'fast', verminderd met de meteocorrectieterm Cm. De meterstand 'fast' komt overeen met een tijdconstante van 125 ms. |
|
|
Elke gebeurtenis in een inrichting, ongeacht de oorzaak van die gebeurtenis, die afwijkt van de normale bedrijfsactiviteiten - met inbegrip van storingen in het productieproces en storingen in de voorzieningen (mits daaruit nadelige gevolgen voor het milieu voortkomen) van de inrichtingen alsook ongelukken en calamiteiten - en waardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of dreigen te ontstaan. |
|
|
Voorziening voor de inzameling en transport van afvalwater, als bedoeld in artikel 10.30 van de Wet milieubeheer. |
|
|
Een stookinstallatie die in hoofdzaak gebruikt wordt voor andere doeleinden dan het verhitten van water of stoom, het opwekken van kracht, dan wel van een combinatie daarvan. |
|
|
Een gefixeerd punt van gekanaliseerde - en daarmee in principe kwantificeerbare emissies. |
|
|
Quantitative Risk Assessment oftewel kwantitatieve risico-analyse. |
|
|
REACH staat voor: Registratie, Evaluatie, Autorisatie en beperking van Chemische stoffen. REACH stelt beperkingen aan het gebruik van stoffen wanneer negatieve effecten ervan op mens en/of milieu bekend zijn, 18 december 2006. |
|
|
De hoogste waarde van de onder 1. en 2. genoemde niveaus, bepaald overeenkomstig het Besluit bepaling referentieniveau-periode (Stcrt. 1982, 162): - het geluidsniveau, uitgedrukt in dB(A), dat gemeten over een bepaalde periode gedurende 95% van de tijd wordt overschreden, exclusief de bijdrage van de inrichting zelf; - het optredende equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door wegverkeerbronnen minus 10 dB(A), met dien verstande dat voor de nachtperiode van 23.00 tot 07.00 uur alleen wegverkeerbronnen in rekening mogen worden gebracht met een intensiteit van meer dan 500 motorvoertuigen gedurende die periode. |
|
|
Maatregelen die een terugverdientijd hebben van vijf jaar of minder. |
|
|
Het hoogste niveau van technische ontwikkeling dat op een bepaald tijdstip is bereikt binnen een branche. |
|
|
Een document waarin voor een specifiek bouwwerk beschreven is welk integrale bouwkundige, installatietechnische en organisatorische maatregelen genomen worden ter afdekking van de brandrisico's. |
|
|
Stoffen die hinder of nadeel voor de gezondheid van de mens kunnen opleveren. Ook vallen hieronder stoffen die schade kunnen toebrengen aan dieren, planten of goederen. Dit kan gaan om op zichzelf staande stoffen, gezamenlijke stoffen of stoffen die in verbinding met elkaar staan. |
|
|
De laagste temperatuur waarbij de stof nog genoeg damp afgeeft om tot ontbranding te kunnen komen wanneer deze in contact komt met een ontstekingsbron |
|
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2024-7113.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.