Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo): Besluit uitbreiding PreZero, Snelliusweg 4 te Leeuwarden

  • I.

    Onderwerp

Op 1 november 2021 is een aanvraag voor een omgevingsvergunning ontvangen van PreZero Recycling Services Noord B.V. Het betreft het uitbreiden van de inrichting met het naast gelegen perceel, het verhogen van de opgeslagen hoeveelheid afvalstoffen, opslag in de buitenlucht en het schredderen van afvalstoffen. De aanvraag heeft betrekking op de Snelliusweg 4 te Leeuwarden. De aanvraag is geregistreerd onder OLO-nummer 6357271.

  • II.

    Besluit

Wij besluiten, gezien de overwegingen die zijn opgenomen in deze vergunning en gelet op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de daarop betrekking hebbende uitvoeringsbesluiten en -regelingen aan PreZero Recycling Services Noord B.V. een (omgevings)vergunning:

  • op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a. (het bouwen van een bouwwerk) te verlenen voor het bouwen van een bouwwerk geen gebouw zijnde. Aan de verlening van de vergunning zijn voorschriften verbonden. Deze staan in hoofdstuk 10 van dit besluit.

  • op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e. (sub 2° het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting, en sub 3° het in werking hebben van een inrichting) te verlenen voor het uitbreiden en daarna in werking hebben van de inrichting voor het opslaan en bewerken van afvalstoffen. Aan de verlening van de vergunning zijn voorschriften verbonden. Deze staan in hoofdstuk 1 tot en met 9 van dit besluit.

  • De volgende voorschriften op grond van artikel 2.30, eerste lid, en 2.31, eerste lid, onder b, van de Wabo ambtshalve aan te passen en toe te voegen:

    • o

      voorschrift 1 en 2 van besluit met kenmerk WF.03/2214/B, 3 februari 2004 te vervangen door voorschrift 1.3.1;

    • o

      voorschrift 1.3.2 van besluit met kenmerk 545529, 13 januari 2004 te vervangen door voorschrift 1.4.1;

    • o

      voorschrift 6.3.2 van besluit met kenmerk 545529, 13 januari 2004 te vervangen door voorschrift 2.1.1;

    • o

      voorschriften 3.3.2 en 3.3.3 van besluit met kenmerk 00909767, 13 augustus 2010 te vervangen door voorschriften 2.2.3 en 2.2.4;

    • o

      voorschrift 6.4.1 van besluit met kenmerk 545529, 13 januari 2004 en voorschrift 3.1.6 van besluit met kenmerk 2019-FUMO-0032776, 21 november 2019 te vervangen door voorschriften 2.4.3 en 2.4.4;

    • o

      voorschriften 3.1.1 en 3.1.2 van besluit met kenmerk 545529, 13 januari 2004 te vervangen door voorschriften 2.5.1 en 2.5.2;

    • o

      voorschriften 4.1.1, 4.2.1 en 4.3.1 van besluit met kenmerk 545529, 13 januari 2004, als ook voorschriften 3, 4, 5, 6 en 7 van besluit met kenmerk WF.03/2214/B, 3 februari 2004 te vervangen door voorschriften 3.1.1, 3.1.2 en 3.1.3;

    • o

      voorschriften 8.1.1, 8.1.2 en 8.1.3 van besluit met kenmerk 545529, 13 januari 2004 in te trekken;

    • o

      voorschriften 8.2.1 en 8.2.2 van besluit met kenmerk 545529, 13 januari 2004 in te trekken;

    • o

      voorschriften 2.3.1 en 2.3.3 van besluit met kenmerk 545529, 13 januari 2004 te vervangen door voorschrift 6.1.1;

    • o

      voorschriften 2.2.4 en 2.3.2 van besluit met kenmerk 545529, 13 januari 2004 te vervangen door voorschrift 6.2.1;

    • o

      het toevoegen van de voorschriften uit hoofdstuk 4, gelet op de actualisatie op het onderdeel energie.

  • Wij besluiten op grond van artikel 8.42, eerste lid, Wet milieubeheer maatwerkvoorschriften in te trekken:

    • o

      Wij verklaren op grond van artikel 3:10 van de Algemene wet bestuursrecht dat voor dit maatwerkbesluit de uitgebreide procedure van toepassing is;

    • o

      Het betreft voorschriften 5.1.2 tot en met 5.1.8 vastgesteld bij besluit met kenmerk 545529, 13 januari 2004 omgezet naar maatwerkvoorschriften bij besluit met kenmerk 00909767, 13 augustus 2010.

  • III.

    Bekendmaking, inwerkingtreding en rechtsbeschermingsmiddelen (definitieve) beschikking

Deze beschikking wordt bekendgemaakt door toezending aan de aanvrager. Daarnaast wordt een kennisgeving gegeven door publicatie in de Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad en in het Provinciaal blad van Fryslân via www.officielebekendmakingen.nl. De beschikking treedt in werking 6 weken na bekendmaking van het definitief besluit. (Een dag na de bekendmaking ingeval het betreft bouwen en afwijken van het bestemmingsplan).

De aanvraag en de beschikking met de daarbij behorende stukken worden op grond van de Algemene wet bestuursrecht met ingang van 17 april 2023 ter inzage gelegd. Inzage is mogelijk bij de gemeente/provincie/FUMO.

Een dag nadat de beschikking ter inzage is gelegd, start de termijn van zes weken voor het indienen van een beroepschrift. In die periode kunnen zowel u als belanghebbenden beroep aantekenen tegen deze beschikking. Ook niet-belanghebbenden kunnen beroep aantekenen indien zij een zienswijze hebben ingediend.

Het beroepschrift moet in tweevoud ingediend worden bij Rechtbank Noord-Nederland, Postbus 781, 9700 AT Groningen.

Het indienen van een beroepschrift stelt de werking van de beschikking niet uit. Als u of belanghebbenden niet willen dat deze beschikking in werking treedt na afloop van de beroepstermijn, kan tijdens die termijn om een voorlopige voorziening worden verzocht. Dit verzoek kan worden gedaan bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord Nederland, Postbus 781 9700 AT Groningen. De beschikking treedt in dat geval niet in werking voordat over dit verzoek is beslist.

  • IV.

    Ondertekening en verzending

Namens het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân,

Hoogachtend,

S.G.C. Boender

Hoofd afdeling Vergunningverlening en Specialistisch Advies

Een kopie van deze beschikking is naar de volgende instanties en personen gestuurd:

College van Burgemeester en Wethouders

van de gemeente Leeuwarden

Postbus 21000

8900 JA Leeuwarden

Brandweer Fryslân

Postbus 612

8901 BK Leeuwarden

Wetterskip Fryslân

Postbus 36

8900 AA Leeuwarden

Voorschriften

  • 1.

    Algemene voorschriften

  • 1.1

    Terrein van de inrichting en toegankelijkheid

  • 1.1.1

    Binnen de inrichting moet een overzichtelijke en actuele plattegrond aanwezig zijn. Op deze plattegrond moeten ten minste de volgende aspecten zijn aangegeven:

    • a.

      alle gebouwen en de installaties met hun functies;

    • b.

      alle opslagen van stoffen welke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken met vermelding van aard en maximale hoeveelheid.

  • 1.1.2

    Gebouwen, installaties en opslagvoorzieningen moeten altijd goed bereikbaar zijn voor alle voertuigen die in geval van calamiteiten toegang tot de inrichting/installatie moeten hebben. Binnen of nabij de installaties mogen geen andere goederen of stoffen worden opgeslagen dan die welke voor het proces nodig zijn of daardoor zijn verkregen, met uitzondering van brandbestrijdingsmiddelen.

  • 1.1.3

    Het aantrekken van insecten, knaagdieren en ander ongedierte moet worden voorkomen. Zo vaak de omstandigheden daartoe aanleiding geven moet een doelmatige bestrijding van insecten, knaagdieren en ander ongedierte plaatsvinden. Hiertoe moet een ongediertebestrijdingsplan binnen de inrichting aanwezig zijn.

  • 1.2

    Instructies

  • 1.2.1

    De vergunninghouder moet de binnen de inrichting (tijdelijk) werkzame personen instrueren over de voor hen van toepassing zijnde voorschriften van deze vergunning en de van toepassing zijnde veiligheidsmaatregelen. Tijdens het in bedrijf zijn van installaties die in geval van storingen of onregelmatigheden kunnen leiden tot nadelige gevolgen voor het milieu, moet steeds voldoende, kundig personeel aanwezig zijn om in voorkomende gevallen te kunnen ingrijpen.

  • 1.2.2

    De vergunninghouder moet één of meer ter zake kundige personen aanwijzen die in het bijzonder belast zijn met de zorg voor de naleving van de voorschriften.

  • 1.3

    Melding contactpersoon en wijziging vergunninghouder 

  • 1.3.1

    De vergunninghouder moet direct nadat de vergunning in werking is getreden schriftelijk naam en telefoonnummer opgeven aan het bevoegd gezag van degene (en van diens plaatsvervanger) met wie in spoedeisende gevallen, ook buiten normale werktijden, contact kan worden opgenomen. Als deze gegevens wijzigen moet dit vooraf onder vermelding van de wijzigingsdatum schriftelijk worden gemeld aan het bevoegd gezag.

  • 1.3.2

    Onderhoudswerkzaamheden, waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat deze buiten de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, dan wel dat hiervan in de omgeving meer nadelige gevolgen voor het milieu worden ondervonden dan uit de normale bedrijfsvoering voortvloeit moeten ten minste 14 dagen voor de aanvang van de uitvoering aan het bevoegd gezag worden gemeld.

  • 1.3.3

    Indien uit de inhoud van keurings- en inspectierapporten blijkt dat gevaar voor verontreiniging dreigt, moet direct het bevoegd gezag daarvan in kennis worden gesteld.

  • 1.4

    Registratie

  • 1.4.1

    Binnen de inrichting is een exemplaar van deze vergunning (inclusief aanvraag) met bijbehorende voorschriften aanwezig. Verder zijn binnen de inrichting de volgende documenten aanwezig:

    • a.

      alle overige voor de inrichting geldende omgevingsvergunningen en meldingen;

    • b.

      de veiligheidsinformatiebladen die behoren bij de in de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen;

    • c.

      de bewijzen, resultaten en/of bevindingen van de in deze vergunning voorgeschreven inspecties, onderzoeken, keuringen, onderhoud en/of metingen;

    • d.

      de registratie van het jaarlijks elektriciteit-(in kWh), water- en gasverbruik(in m³), biomassa en andere energiedragers binnen de inrichting. Voor het berekenen van de hoeveelheid aardgas- equivalenten dienen de omrekenfactoren voor energiedragers te worden gehanteerd zoals opgenomen in artikel 2.16d van de Activiteitenregeling.

    • e.

      het waterverbruik binnen de inrichting moet naar herkomst (drinkwater, grondwater en oppervlaktewater) worden geregistreerd (in m3).

    • f.

      het logboek waarin van de ongediertebestrijding per bestrijding de gebruikte middelen en de hoeveelheden zijn bijgehouden. Hierbij moet worden aangegeven of men de ongediertebestrijding zelf heeft uitgevoerd, of dat dit is gedaan door een extern bedrijf.

  • De documenten genoemd onder c, d en onder f moeten ten minste vijf jaar worden bewaard.

  • 1.4.2

    Klachten van derden en de actie die door de vergunninghouder is ondernomen om de bron van de klachten te onderzoeken en eventueel weg te nemen, moeten worden geregistreerd en ten minste 5 jaar worden bewaard.

  • 1.5

    Bedrijfsbeëindiging

  • 1.5.1

    Bij het geheel of gedeeltelijk beëindigen van de activiteiten binnen de inrichting moeten alle aanwezige stoffen en materialen, die uitsluitend aanwezig zijn vanwege de – te beëindigen- activiteiten, door of namens vergunninghouder op milieu hygiënisch verantwoorde wijze in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd.

  • 1.5.2

    Van het structureel buiten werking stellen van (delen van) installaties en/of beëindigen van (een van de) activiteiten moet het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk op de hoogte worden gesteld. Installaties of delen van installaties die structureel buiten werking zijn gesteld en nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, moeten in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd tenzij de (delen van de) installaties in een zodanige staat van onderhoud worden gehouden dat de nadelige gevolgen niet kunnen optreden.

  • 1.6

    Proefnemingen

  • 1.6.1

    Vergunninghouder mag - mits hiervoor vooraf schriftelijk goedkeuring is verleend door het bevoegd gezag en bij wijze van proef - andere dan in deze vergunning opgenomen technische installaties en/of alternatieve grond-, hulp-, of brandstoffen toepassen dan wel andere afvalstoffen verwerken. Goedkeuring wordt slechts verleend indien de proefneming noodzakelijk is om informatie te vergaren over de technische haalbaarheid van de andere toepassing en deze informatie niet op een andere wijze kan worden verkregen.

  • 1.6.2

    Voordat goedkeuring kan worden verleend voor een proef, moeten minimaal acht weken voor aanvang van de proef de volgende gegevens schriftelijk aan het bevoegd gezag worden verstrekt:

    • a.

      het doel en de noodzaak van de proefneming;

    • b.

      een beschrijving van de alternatieve stof of van de alternatieve techniek of het alternatieve proces, met vermelding van de capaciteit inclusief eventuele wijzigingen in installaties en procesvoeringen;

    • c.

      de te verwachten wijziging in emissies en verbruiken, aangegeven met behulp van massabalansen en de verwachte wijziging in gevolgen voor het milieu;

    • d.

      de wijze waarop tijdens de proefneming processen en emissies, gevolgen voor het milieu en de verbruiken zullen worden beheerd en geregistreerd;

    • e.

      de hoeveelheid in te zetten materiaal;

    • f.

      de duur van de proef.

  • 1.6.3

    Het bevoegd gezag kan naar aanleiding van een onderzoeksopzet goedkeuring onthouden dan wel nadere eisen stellen aan de proefneming. Deze nadere eisen kunnen een beperking van duur of een beperking van de bij de proefnemingen te verwerken hoeveelheid materiaal betekenen. Tevens kunnen nadere eisen gesteld worden aan de milieu hygiënische randvoorwaarden van de proefnemingen.

  • 1.6.4

    De proefneming mag uitsluitend worden uitgevoerd binnen de aan de goedkeuring verbonden voorwaarden. Zodra blijkt dat deze randvoorwaarden niet in acht genomen (kunnen) worden of dat de gevolgen voor het milieu groter zijn dan voorzien, moet de proef onmiddellijk gestopt worden.

  • 1.6.5

    De resultaten van de proefneming moeten uiterlijk drie maanden na beëindiging van de proefneming aan het bevoegd gezag worden overgelegd.

  • 1.7

    Goedkeuring

  • 1.7.1

    Indien op grond van een vergunningvoorschrift een goedkeuring is vereist, of stukken ter goedkeuring aan bevoegd gezag moet worden overgelegd, neemt het bevoegd gezag binnen 8 weken van het indienen van het stuk/plan een besluit daarover.

  • 1.7.2

    De wijziging waar de goedkeuring betrekking op heeft moet na afloop van genoemde termijn of zoveel eerder als bevoegd gezag goedkeuring heeft gegeven, overeenkomstig de goedgekeurde wijziging in werking zijn.

  • 1.7.3

    Binnen de inrichting moet een actuele versie van de goedgekeurde wijziging aanwezig zijn.

  • 2.

    Afvalstoffen

  • 2.1

    Opslag van afvalstoffen

  • 2.1.1

    De op- en overslag en het transport van afvalstoffen moeten zodanig plaatsvinden dat zich geen afval in of buiten de inrichting kan verspreiden. Mocht onverhoopt toch verontreiniging buiten de inrichting plaatsvinden, dan moeten direct maatregelen worden getroffen om deze verontreiniging te verwijderen.

  • 2.1.2

    Afvalstoffen moeten zodanig gescheiden van elkaar worden opgeslagen dat de verschillende soorten afvalstoffen ten opzichte van elkaar geen reactiviteit kunnen veroorzaken.

  • 2.2

    Acceptatie van afvalstoffen

  • 2.2.1

    In de inrichting mogen de hieronder vermelde afvalstoffen per kalenderjaar worden geaccepteerd en verwerkt. Er mogen op enig moment niet meer afvalstoffen worden opgeslagen dan 12.500 ton. In totaal mag niet meer dan 90.000 ton/per jaar geaccepteerd worden. Voor de diverse deelstromen gelden de maxima zoals deze zijn genoemd in de onderstaande tabel.

Gebruikelijke benaming afvalstof

Eural-codes

Verwerkings-methode

Max. opslag (in ton)

Max. per jaar (in ton)

Huishoudelijk restafval fijn en grof

20.03.01, 20.03.07

A01, A02, C03

100

10.000

Restafval van bedrijven

20.03.01, 19.12.12

A01, A02, C03

100 (los)/10.000 (gebaald)

25.000

Restafval van bedrijven

18.01.04

A01, A02

100

15.000

Procesafhankelijk industrieel afval van productieprocessen

03.03.07

A01, A02, C02, C03

1.000

25.000

Gescheiden ingezameld/afgegeven papier en karton

03.03.08, 19.12.01, 20.01.01

A01, A02, C03

120

12.500

Gescheiden ingezameld/afgegeven textiel (inclusief schoeisel)

04.02.21, 04.02.22, 19.12.08, 20.01.10, 20.01.11

A01, A02

30

500

Gescheiden ingezameld/afgegeven groente, fruit en tuinafval van huishoudens (GFT)

20.01.08

A01, A02

200

30.000

Gescheiden ingezameld/afgegeven organisch bedrijfsafval

02.03.04, 20.01.08

A01, A02

50

50

Gescheiden ingezameld/afgegeven groenafval

02.01.03, 02.01.07, 20.02.01

A01, A02, C02

2.000

15.000

Afval van onderhoud van openbare ruimten, veegvuil

20.03.03

A01, A02

250

1.500

Afval van onderhoud van openbare ruimten, RKG-slib

20.03.06

A01, A02, D02

20

500

Kunststof en rubber

02.01.04, 07.02.13, 16.01.19, 17.02.03, 19.12.04, 20.01.39

A01, A02, C02, C03

1.500

5.500

Metalen

02.01.10, 16.01.17, 16.01.18, 17.04.01 t/m 17.04.07, 19.10.01, 19.10.02, 19.12.02, 19.12.03, 20.01.40

A01, A02, C03

100

2.000

Papier- of kunststofgeïsoleerde kabels en restanten daarvan &

17.04.10*, 17.04.11

A01, A02

50

400

Glasvezelkabels

17.04.11

A01, A02

Gemengd bouw- en sloopafval, met bouw en sloopafval vergelijkbaar afval van bedrijven en particulier gemengd verbouwingsafval

17.06.04, 17.09.04

A01, A02, C03

1.200

20.000

(Overig) Steenachtig materiaal

10.13.14, 17.01.01, 17.01.02, 17.01.03, 17.01.07, 17.05.04, 17.05.08, 19.12.09, 20.02.02

A01, A02

2.000

30.000

Gips

17.08.02

A01, A02

10

500

Dakafval (bitumineus, teerhoudend en composiet)

17.03.01*, 17.03.03*

A01, A02

15

1.000

Asfalt

17.03.01*, 17.03.03*

A01, A02

Dakafval (bitumineus, niet-teerhoudend)

17.03.02

A01, A02

15

1.500

Asfalt

17.03.02

A01, A02

Hout (A-/B-hout)

03.01.05, 03.03.01, 17.02.01, 19.12.07, 20.01.38

A01, A02, C01

1.500

30.000

Hout (C-hout)

03.01.04*, 17.02.04*, 19.12.06*, 20.01.37*

A01, A02

20

500

Asbest en asbesthoudend materiaal

17.06.01*, 17.06.05*

A01, A02

20

500

Gescheiden ingezameld/afgegeven vlakglas

16.01.20, 17.02.02, 19.12.05, 20.01.02

A01, A02

10

100

Grond

17.05.04, 20.02.02

A01, A02

10

500

Verpakkingen PMD

15.01.06, 20.01.39

A01, A02

100 (los)/10.000 (gebaald)

15.000

Verpakkingen glas

15.01.07, 20.01.02

A01, A02

100

5.000

Verpakkingen overig

15.01.01 t/m 15.01.05, 15.01.09

A01, A02

10

100

Banden

16.01.03

A01, A02

20

500

Dierlijk afval

20.01.25

A01, A02

5

50

Afgedankte elektrische en elektronische apparatuur

16.02.11*, 16.02.13*, 16.02.14, 16.02.15*, 16.02.16, 20.01.23*, 20.01.35*, 20.01.36

A01, A02

10

2.500

Overige recyclebare monostromen, matrassen

20.03.07

A01, A02, C03

25

500

Overige recyclebare monostromen, tapijt

20.01.11, 20.03.07

A01, A02, C03

Overige recyclebare monostromen, kunstgras

17.09.04

A01, A02, C03

Geëxpandeerd polystyreenschuim (EPS)

15.01.02, 17.02.03, 20.01.39

A01, A02

5

25

Afval van gezondheidszorg bij mens of dier

18.01.04, 18.02.03

A01, A02

30

1.500

Cellenbeton

17.01.06*, 17.01.07

A01, A02

25

2.000

  • 2.2.2

    Indien vergunninghouder een afvalstof wil gaan accepteren waarvan de Eural-code niet is opgenomen in bovenstaande tabel, maar waarvan de aard en samenstelling en de minimumstandaard voor verwerking overeenkomt met één van de genoemde afvalstoffen moet, voordat de feitelijke acceptatie plaatsvindt, een verzoek ter goedkeuring aan bevoegd gezag gezonden worden. Opslag van aangeboden afvalstoffen in afwachting van een goedkeuring is niet toegestaan. In het verzoek moet het volgende vermeld worden:

    • a.

      omschrijving van de afvalstof;

    • b.

      euralcode;

    • c.

      met welke reeds vergunde euralcode de afvalstof overeenkomt;

    • d.

      wijze van acceptatie, verwerking en opslag;

    • e.

      dat er sprake is van vergelijkbare milieu hygiënische aspecten (gemotiveerd);

    • f.

      dat de totale vergunde opslag- en verwerkingscapaciteit niet wijzigt.

  • Pas na goedkeuring van bevoegd gezag mag de afvalstof geaccepteerd worden.

  • 2.2.3

    Tenzij de voorschriften in deze vergunning anders bepalen moet de vergunninghouder altijd handelen overeenkomstig het bij de aanvraag gevoegde AV-beleid en de AO/IC inclusief (voorzover van toepassing) de goedgekeurde aanvullingen en de toegezonden wijzigingen.

  • 2.2.4

    Het AV-beleid en de AO/IC en de doorgevoerde wijzigingen moeten gedurende de openingstijden van de inrichting voor het bevoegd gezag ter inzage liggen.

  • 2.3

    Bedrijfsvoering

  • 2.3.1

    Indien de afzet van de opgeslagen afvalstoffen stagneert, geeft de vergunninghouder dit onverwijld schriftelijk te kennen aan het bevoegd gezag. Deze mededeling bevat ten minste gegevens over de oorzaak van de stagnatie en de verwachte tijdsduur, alsmede de maatregelen die worden genomen om de stagnatie op te heffen, respectievelijk in de toekomst te voorkomen.

  • 2.3.2

    De maximale opslaghoogte van brandbare afvalstoffen in de vakken op het buitenterrein is 2.2 meter. Wanneer een zijde geen opslag betreft, de opslag een niet-brandbare afvalstof betreft, of wanneer een vak met brandbare afvalstoffen aan beide zijden is ingesloten met vakken waar niet-brandbare afvalstroffen worden opgeslagen is de maximale opslaghoogte 3.2 meter.

  • 2.4

    Sturing

Sectorplan 1: Huishoudelijk restafval (fijn en grof) en Sectorplan 2: Restafval van bedrijven

  • 2.4.1

    Het scheiden van de grove fractie van huishoudelijk restafval en de grove fractie van restafval van bedrijven moet zo goed mogelijk gelijkwaardig zijn aan wat zou zijn bereikt wanneer de betreffende componenten wel vanaf het moment van aanbieden door de primaire ontdoener gescheiden zouden zijn gehouden. De restfractie moet geschikt blijven voor verbranding.

Sectorplan 3: Procesafhankelijk afval afkomstig van industriële productieprocessen

  • 2.4.2

    Partijen procesafhankelijk afval afkomstig van industriële productieprocessen mag alleen gemengd worden indien deze van vergelijkbare samenstelling zijn en het mengen van partijen niet leidt tot een lagere vorm van verwerking dan de van toepassing zijnde minimumstandaard op de partijen voor het mengen.

Sectorplan 28: Gemengd bouw en sloopafval, met bouw en sloopafval vergelijkbaar afval van bedrijven en particulier gemengd verbouwingsafval.

  • 2.4.3

    Het uitsorteren van gemengd bouw- en sloopafval moet plaatsvinden tot het moment dat verdere verwerking gezien de aard en/of samenstelling niet meer mogelijk is, of waarvoor de kosten voor verdere sortering hoger zijn dan in sectorplan 28 opgenomen.

  • 2.4.4

    Het resulterende sorteerresidu moet nog minimaal verbrand kunnen worden in een Afvalverbrandingsinstallatie.

  • 2.5

    Registratie

  • 2.5.1

    In de inrichting moet een registratiesysteem aanwezig zijn, waarin van alle aangevoerde afvalstoffen het volgende moet worden vermeld:

    • a.

      de datum van aanvoer;

    • b.

      de aangevoerde hoeveelheid (kg);

    • c.

      de naam en adres van de locatie van herkomst;

    • d.

      de naam en adres van de ontdoener;

    • e.

      de gebruikelijke benaming van de afvalstoffen;

    • f.

      de euralcode;

    • g.

      het afvalstroomnummer (indien van toepassing).

  • Ad c Indien de aangevoerde afvalstoffen worden verkregen door route-inzameling, kan bij de registratie van naam en adres van de locatie van herkomst worden volstaan met "diverse locaties".

    Indien de afvalstoffen worden aangevoerd door een inzamelaar (niet zijnde de vergunninghouder) met toepassing van de inzamelaarsregeling moet de locatie van herkomst worden aangegeven, zoals deze moet worden vermeld op de begeleidingsbrief.

    Ad d Indien de aangevoerde afvalstoffen worden verkregen door route-inzameling of via de inzamelaarsregeling wordt met de ontdoener de inzamelaar bedoeld.

  • 2.5.2

    In de inrichting moet eveneens een registratiesysteem aanwezig zijn, waarin van alle afgevoerde afvalstoffen, (grond)stoffen of producten die bij de verwerking zijn ontstaan het volgende worden vermeld:

    • a.

      de datum van afvoer;

    • b.

      de afgevoerde hoeveelheid (kg);

    • c.

      de afvoerbestemming;

    • d.

      de naam en adres van de afnemer;

    • e.

      de gebruikelijke benaming van de (afval)stoffen;

    • f.

      de euralcode of GN-code;

    • g.

      het afvalstroomnummer (indien van toepassing).

  • 2.5.3

    Van de reeds ingewogen afvalstoffen die op grond van een acceptatievoorschrift van deze vergunning niet mogen worden geaccepteerd moet een registratie bijgehouden worden waarin staat vermeld:

    • a.

      de datum van aanvoer;

    • b.

      de aangeboden hoeveelheid (kg);

    • c.

      de naam en adres van plaats herkomst

    • d.

      de reden waarom de afvalstoffen niet mogen worden geaccepteerd;

    • e.

      de euralcode;

    • f.

      het afvalstroomnummer (indien van toepassing);

    • g.

      de datum van afvoer;

    • h.

      de naam en adres van plaats afvoer.

  • 2.5.4

    Ten behoeve van de registratie als bedoeld in dit hoofdstuk moet een registratiepost aanwezig zijn. De hoeveelheden die op grond van dit hoofdstuk moeten worden geregistreerd moeten worden bepaald door middel van een op de inrichting aanwezige weegvoorziening. De weegvoorziening(en) waarvan gebruik wordt gemaakt moet(en) overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften van het Nederlands Meetinstituut zijn geijkt. Op aanvraag moeten geldige certificaten van weegvoorziening(en) aan het bevoegd gezag ter inzage worden gegeven.

  • 2.5.5

    Er moet een sluitend verband bestaan tussen de (afval)stoffenregistratie als bedoeld in dit hoofdstuk en de financiële administratie.

  • 2.5.6

    Uit de registratie moet indien verzocht een overzicht gegeven kunnen worden van de totale hoeveelheid afvalstoffen in opslag. Tevens moet uit de registratie indien verzocht een overzicht gegeven kunnen worden van de totale balans van inkomende en uitgaande afvalstoffen over een kwartaal of jaar.

  • 2.5.7

    De registraties vermeld in voorschrift 2.5.1 tot en met 2.5.3 moeten ten minste vijf jaar worden bewaard.

  • 2.6

    Zeer zorgwekkende stoffen (ZZS)

  • 2.6.1

    Vergunninghouder draagt zorg voor een actueel register van afvalstoffen, die overeenkomstig deze vergunning mogen worden geaccepteerd, waarbij per te onderscheiden afvalstroom binnen een Eural code minimaal het volgende wordt aangegeven:

    • a.

      de bij acceptatie mogelijke aanwezigheid van ZZS;

    • b.

      de concentraties dan wel concentratieranges aan te onderscheiden ZZS, die in de te accepteren afvalstromen aanwezig kunnen zijn, voor zover bekend;

    • c.

      de wijze waarop concentraties dan wel concentratieranges in de te accepteren afvalstoffen zijn vastgesteld (bijvoorbeeld op basis van chemische analyses, literatuuronderzoek, informatie van de leverancier, etc.) alsmede een transparante verwijzing daarnaar;

    • d.

      de wijze waarop deze afvalstromen worden verwerkt en welke verwerkingsroutes als nader omschreven in het AV-AO/IC-document worden gevolgd;

    • e.

      of sprake is van ZZS-houdende afvalstromen waarbij sprake is van een mechanische, fysische en/of chemische handeling die gericht is op het maken van een product, halffabricaat of afvalstof die ten behoeve van een toepassing op de markt wordt gebracht en/of een mechanische, fysische en/of chemische handeling waarbij het verwerkte afval ook daadwerkelijk conform de beoogde toepassing wordt afgezet (bijvoorbeeld een product dat op de markt wordt gebracht);

    • f.

      of het technisch en economisch mogelijk is om de ZZS te verwijderen of te vernietigen met behoud van het resterende materiaal voor nuttige toepassing of recycling.

    • g.

      of het uitvoeren van een risicoanalyse noodzakelijk is op grond van voorgaande.

  • Het register dient jaarlijks op basis van de ‘Lijst van zeer zorgwekkende stoffen van het RIVM’ op actualiteit getoetst te worden en (voor zover nodig) aangepast te worden.

  • 2.6.2

    Binnen 6 maanden na inwerkingtreding van deze beschikking moet het register van afvalstoffen zoals genoemd in voorschrift 2.6.1 en een plan van aanpak zijn opgesteld en gelijktijdig ter goedkeuring zijn voorgelegd aan het bevoegd gezag. In het plan van aanpak moet door vergunninghouder zijn uitgewerkt hoe op continue basis wordt gestreefd naar een zo goed mogelijk inzicht in de samenstelling van ZZS-bevattende afvalstoffen. In het plan van aanpak moeten minimaal de volgende onderzoeksvragen per relevante (mogelijk ZZS-houdende) afvalstroom per Euralcode worden beantwoord en gemotiveerd:

    • a.

      Welke informatie wordt waar en met welke frequentie opgevraagd?

    • b.

      Geeft de lijst van zeer zorgwekkende stoffen van het RIVM aanleiding om een herziening van het register uit voorschrift 2.6.1?

    • c.

      Worden er analyses uitgevoerd en zo ja welke, door wie en overeenkomstig welke normering?

    • d.

      Hoe en hoe vaak wordt gecontroleerd of de informatie nog actueel is?

    • e.

      Welke informatie kan niet in beeld worden gebracht, wat zijn daar de oorzaken van en welke actie onderneemt vergunninghouder daarop?

  • 2.6.4

    Ieder kalenderjaar, voor het verstrijken van het eerste kwartaal, moet vergunninghouder over de uitkomsten van het plan van aanpak als bedoeld in voorschrift 2.6.2 een rapportage opstellen en deze voor het verstrijken van de vierde kalendermaand ter inzage gereed hebben voor het bevoegd gezag. In de rapportage moet blijk worden gegeven van de realisatie van de doelstelling tot continue verbetering van het inzicht in de ZZS-samenstelling van mogelijk ZZS-houdende categorieën afvalstoffen per Eural-code, die binnen de inrichting worden geaccepteerd.

Voorschriften met betrekking tot uitvoeren van een risicoanalyse

  • 2.6.5

    Indien uit het register van afvalstoffen uit voorschrift 2.6.1 blijkt dat voor een bepaalde afvalstroom een risicoanalyse noodzakelijk is, dan dient binnen 3 maanden na goedkeuring van het register zoals genoemd in voorschrift 2.6.2 door vergunninghouder een risicoanalyse overeenkomstig paragraaf B.14.4.3. van het LAP3 en de Handreiking risicoanalyse ZZS, Rijkswaterstaat, versie 1.0 (november 2018) te zijn uitgevoerd en ter goedkeuring zijn voorgelegd aan het bevoegd gezag.

  • 2.6.6

    Een verwerking mag niet meer worden uitgevoerd indien uit de ter goedkeuring voor te leggen risicoanalyse blijkt dat de mechanische, fysische en/of chemische handeling als genoemd in voorschrift 2.6.1 een risico op onaanvaardbare blootstelling van mens en milieu aan ZZS met zich meebrengt of als de risicoanalyse door ons wordt afgekeurd.

Voorschriften met betrekking tot mengen, aanvulling op AV-beleid implementatie ZZS

  • 2.6.7

    Op basis van de inzichten die (zijn) ontstaan door uitvoering te geven aan de voorschriften 2.6.1 t/m 2.6.4 moet vergunninghouder op basis van zijn AV-AO/IC komen tot een jaarlijkse toetsing van haar A&V-beleid en moet zich er daarbij van vergewissen, dat deze niet strijdig is met:

    • a.

      geldende wet- en regelgeving;

    • b.

      de minimumstandaard als verwoord in de toepasselijke sectorplannen van het LAP3.

  • 2.6.8

    Indien het technisch en economisch mogelijk is (al dan niet door derden) om de in een geaccepteerde partij afvalstoffen aanwezige ZZS hieruit te vernietigen of af te scheiden en de afvalstof dan zonder ZZS of met een heel laag gehalte ervan alsnog voor recycling of nuttige toepassing in te zetten, is het mengen van deze ZZS-houdende partij afvalstoffen zonder deze reinigingsstap (al dan niet door derden) niet toegestaan.

Toelichting: Voor de beoordeling en toepassing van de begrippen “technisch en economisch mogelijk” en “een heel laag gehalte” wordt verwezen naar paragraaf 3.5 van de Handreiking risicoanalyse ZZS, Rijkswaterstaat, versie 1.0 (november 2018).

  • 2.6.9

    Indien op enig moment strijdigheid ontstaat met datgene is vermeld in de voorschriften 2.6.7 en 2.6.8, neemt vergunninghouder zodanige maatregelen dat deze strijdigheid wordt opgeheven. Bij de evaluatie van het A&V-beleid moet hiermee rekening worden gehouden.

  • 2.7

    Milieubeheersysteem

  • 2.7.1

    In de inrichting moet een actueel milieubeheersysteem aanwezig zijn, waarin uitwerking gegeven is aan alle, op de tijdelijke opslag van gevaarlijke (afval)stoffen, van toepassing zijnde elementen van BBT 1 vermeld in het uitvoeringsbesluit (EU) met kenmerk: 2018/1147 dd. 10 augustus 2018.

  • 2.7.2

    Binnen 3 maanden na dit besluit, moet vergunninghouder een milieubeheersysteem ter goedkeuring aan ons hebben overgelegd. Het milieubeheersysteem heeft betrekking op de activiteiten die vallen onder categorie 5.5 van bijlage 1 van de Richtlijn Industriële emissies.

  • 2.7.3

    Het milieubeheersysteem bevat naast de elementen zoals genoemd in bijlage 1 van deze vergunning, tenminste en voor zover van toepassing, de volgende onderdelen:

    • a.

      de milieustrategie;

    • b.

      het milieuplan;

  • Bedrijfsprocessen

    • c.

      procedures in het kader van het A&V-beleid en AO/IC;

    • d.

      procedures voor het doorvoeren van wijzigingen in processen;

    • e.

      procedures voor het evalueren van het managementsysteem;

    • f.

      procedures voor het monitoren milieuaspecten afvalwater en luchtemissies;

    • g.

      procedures voor het wijzigen van installaties;

    • h.

      procedures voor onderhoud en keuringen op basis van de verleende vergunning.

  • Per procedure

    • i.

      taken en verantwoordelijkheden/bevoegdheden;

    • j.

      werkinstructies.

  • 2.7.4

    Het in voorschrift 2.7.2 bedoelde verzoek om goedkeuring moet schriftelijk worden gericht aan de FUMO, J.W. de Visserwei 10, 9001 ZE GROU of info@fumo.nl 

  • 2.7.5

    Binnen 3 maanden na ons besluit naar aanleiding van de goedkeuring als bedoeld in voorschrift 2.7.2, moet vergunninghouder het goedgekeurde milieubeheersysteem hebben geïmplementeerd.

  • 3.

    Afvalwater en waterbesparing

  • 3.1

    Algemeen 

  • 3.1.1

    Bedrijfsafvalwater mag uitsluitend in een openbaar vuilwaterriool worden gebracht, als door de samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid ervan:

    • a.

      de doelmatige werking niet wordt belemmerd van een openbaar vuilwaterriool of de bij een zodanig openbaar vuilwaterriool of zuivering technisch werk behorende apparatuur;

    • b.

      de verwerking niet wordt belemmerd van slib, verwijderd uit een openbaar vuilwaterriool of een zuivering technisch werk;

    • c.

      de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van een oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk worden beperkt.

  • 3.1.2

    Bedrijfsafvalwater dat op het riool wordt geloosd moeten aan de volgende eisen voldoen:

    • a.

      de temperatuur in enig steekmonster mag niet hoger zijn dan 30°C, bepaald volgens NEN 6414 (2008);

    • b.

      de zuurgraad, uitgedrukt in pH-eenheden, mag niet lager dan 6,5 en niet hoger zijn dan 10 in een steekmonster, bepaald volgens NEN-ISO 10523 (2012);

    • c.

      het sulfaatgehalte in enig steekmonster mag niet meer dan 300 mg/l bedragen, bepaald volgens NEN 6487 (1997), NEN-ISO 22743:2006 of NEN-ISO 22743:2006/C1:2007.

  • Als de vergunninghouder gebruik wil maken van een andere analyse of methode, moet deze geaccrediteerd zijn door de Raad van Accreditatie, of moet door de vergunninghouder worden aangetoond dat verkregen analyseresultaten vergelijkbaar zijn met de analyse volgens de Nen-norm.

  • 3.1.3

    De volgende stoffen mogen niet worden geloosd:

    • a.

      stoffen die brand- en explosiegevaar kunnen veroorzaken;

    • b.

      stoffen die stankoverlast buiten de inrichting kunnen veroorzaken;

    • c.

      stoffen die verstopping of beschadiging van een openbaar vuilwaterriool of van de daaraan verbonden installaties kunnen veroorzaken;

    • d.

      grove afvalstoffen en snel bezinkende afvalstoffen.

  • 3.2

    Rapportageverplichting emissie

  • 3.2.1

    Na elke periode van vijf jaar (ingaande op de dag van het inwerkingtreden van deze vergunning) moet inzicht worden gegeven in de verdergaande emissiereductie van ZZS binnen de inrichting. De rapportage dient onder andere informatie te verschaffen over:

    • a.

      de mate waarin ZZS vanuit de inrichting worden geloosd;

    • b.

      ondernomen acties en resultaten in de voorgaande periode van 5 jaar;

    • c.

      de mogelijkheden om de emissie van ZZS te voorkomen danwel te beperken;

    • d.

      de wereldwijde ontwikkeling van nieuwere technieken.

  • 3.2.2

    De rapportage-opzet dient ter goedkeuring te worden overgelegd aan het bevoegd gezag.

  • 4.

    Energie

  • 4.1.1

    De inrichtinghouder neemt alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder. Voor het bepalen van de terugverdientijd dient gebruik gemaakt te worden van de methode in bijlage 10a van de Activiteitenregeling.

  • 4.1.2

    In bijlage 10 van de Activiteitenregeling zijn voor activiteiten binnen diverse bedrijfstakken energiebesparende maatregelen aangewezen en uitgewerkt (erkende maatregelenlijsten).Binnen de inrichting kunnen dergelijke activiteiten aan de orde zijn. Indien hiervoor alle in bijlage 10 van de Activiteitenregeling aangewezen maatregelen zijn getroffen, wordt voor die activiteiten voldaan aan voorschrift 4.1.1.

  • 4.1.3

    De inrichtinghouder kan een gemotiveerd verzoek tot het afwijken van de in voorschrift 4.1.1 bedoelde verplichting ter goedkeuring bij het bevoegde gezag indienen.

  • 4.1.4

    De inrichtinghouder rapporteert uiterlijk 3 maanden na het onderhavige besluit en daarna eenmaal per vier jaar uiterlijk voor 1 februari, aan het bevoegd gezag welke energiebesparende maatregelen binnen de inrichting zijn getroffen. Deze rapportage bevat in ieder geval de gegevens zoals opgenomen in artikel 2.16b van de Activiteitenregeling. Daarnaast dient voor de getroffen maatregelen de volgende informatie in de rapportage te worden opgenomen:

    • a.

      per maatregel een omschrijving, en in welk deel van de inrichting deze is toegepast;

    • b.

      wanneer de maatregel is uitgevoerd;

    • c.

      indien gebruik is gemaakt van de erkende maatregelenlijsten in bijlage 10 van de Activiteitenregeling;

      • de bedrijfstak(ken) waarvan de maatregelenlijsten zijn gebruikt en voor welke delen van de inrichting deze zijn gebruikt;

      • een verwijzing naar het nummer van de maatregel/variant;

      • als een maatregel niet is uitgevoerd omdat niet wordt voldaan aan een bijbehorende randvoorwaarde: een vermelding van de randvoorwaarde waaraan niet wordt voldaan.

    • De in dit voorschrift genoemde te rapporteren gegevens moeten betrekking hebben op de voorgaande vier jaren.

  • 4.1.5

    Bij de opgave van het energieverbruik van de inrichting dient voor het berekenen van de jaarlijkse hoeveelheid aardgasequivalenten de omrekenfactoren voor energiedragers te worden gehanteerd zoals opgenomen in artikel 2.16d van de Activiteitenregeling.

  • 5.

    Externe veiligheid 

  • 5.1

    Voorschriften opslag (brand)gevaarlijke afvalstoffen

  • 5.1.1

    De vakindeling van (brand)gevaarlijke afvalstoffen op het buitenterrein moet voldoen aan de voorwaarden gesteld in de notitie brandbeveiliging buitenopslagen met kenmerk 5002-1-01, versie 0.2 dd. 7 februari 2022 en de bijbehorende bijlagen.

  • 5.1.2

    De opslaghoogte van (brand)gevaarlijke afvalstoffen op het buitenterrein moet voldoen aan de voorwaarden gesteld in de notitie brandbeveiliging buitenopslagen met kenmerk 5002-1-01, versie 0.2 dd. 7 februari 2022 en de bijbehorende bijlagen.

  • 6.

    Geluid

  • 6.1

    Algemeen

  • 6.1.1

    Het meten en berekenen van de geluidsniveaus en het beoordelen van de meetresultaten moet plaatsvinden overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, uitgave 1999.

  • 6.2

    Representatieve bedrijfssituatie

  • 6.2.1

    Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan:

Beoordelingspunt en omschrijving

Coördinaten (X,Y)

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT in dB(A)

Dag

Avond

Nacht

07.00 - 19.00 uur

19.00 - 23.00 uur

23.00 - 07.00 uur

Referentiepunt 01

53.191261, 5.761021

59

47

44

Referentiepunt 02

53.189243, 5.763623

48

41

38

Referentiepunt 03

53.187960, 5.758855

61

46

43

Referentiepunt 04

53.189918, 5.757732

62

47

44

De ligging van de referentiepunten is aangegeven op figuur 1. De beoordelingshoogte voor de dag- avond- en nachtperiode is 5 meter boven maaiveld.

  • 7.

    Geur

  • 7.1

    Opslagduur geur-relavante afvalstoffen

Op basis van artikel 7.20a, eerste lid, in samenhang met artikel 7.16, vierde lid, van de Wet milieubeheer, worden geurmaatregelen uit de vormvrije mer-beoordeling vastgelegd in voorschriften.

  • 7.1.1

    Huishoudelijk restafval, restafval van bedrijven en organisch bedrijfsafval moeten in de hal worden op- en overgeslagen.

  • 7.1.2

    Uitgezonderd groenafval (Eural 20.02.01) moeten geurende afvalstromen binnen drie werkdagen na ontvangst worden afgevoerd.

  • 7.1.3

    Los gestort groenafval mag maximaal vier weken in opslag zijn. Daarna wordt het materiaal afgevoerd of geshredderd. Geshredderd groenafval mag maximaal een week in opslag liggen.

  • 8.

    BOUWEN VAN EEN BOUWWERK

  • 8.1

    Voorschriften

Kennisgeving aanvang.

  • 8.1.1

    Het bouwtoezicht dient ten minste twee dagen voor de aanvang van de werkzaamheden in kennis te worden gesteld.

    De hiervoor bedoelde kennisgevingen moeten schriftelijk worden gericht aan de FUMO, J.W. de Visserwei 10, 9001 ZE GROU of info@fumo.nl

Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen.

  • 8.1.2

    Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving van de bouwverordening en het Bouwbesluit 2012 nodig acht.

Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden.

  • 8.1.3

    Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft, wordt het einde van die werkzaamheden bij het bouwtoezicht gemeld.

    De hierboven bedoelde kennisgevingen moeten schriftelijk worden gericht aan de FUMO, J.W. de Visserwei 10, 9001 ZE GROU of info@fumo.nl Verbod tot ingebruikneming.

  • 8.1.4

    Na de bouw van een bouwwerk, waarvoor omgevingsvergunning is verleend, is het verboden dit bouwwerk in gebruik te geven of te nemen indien één van de volgende omstandigheden zich voordoet:

    • a)

      het bouwwerk is niet gereed gemeld bij het bouwtoezicht;

    • b)

      er is niet gebouwd overeenkomstig de omgevingsvergunning.

Nota Bene (Aanbevelingen)

Bereikbaarheid en bestrijdbaarheid

Rondom het terrein is een hekwerk aanwezig. Voor de toegankelijkheid dient deze ter plaatse van de twee toegangen tot het terrein ontsloten te zijn in overleg met de brandweer. Dit dient verder te worden uitgewerkt.

Er dient een bluswatervoorziening aanwezig te zijn met een capaciteit van 90 m³ per uur. Hiervoor zou het Van Harinxmakanaal geschikt zijn, echter ontbreekt hier een opstelplaats voor de brandweer. Deze opstelplaats dient verder te worden uitgewerkt.

Overige

Er is sprake van een shredder en een balenpers, samen met een mobiele kraan. Deze zaken bieden een extra risico voor het ontstaan van brand. Voor de kraan, welke is te verplaatsen, wordt geadviseerd om deze buiten werktijd te parkeren, voldoende vrij van de verschillende vakken en het bestaande gebouw, om zo bij het ontstaan van brand niet te laten “meehelpen” met een voortschrijdende brand. (denk hierbij aan de brandstof en hydraulische olie)

Procedurele Aspecten

1. Procedurele Aspecten

1.1. Aanvraag

Op 1 november 2021 is een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ontvangen. Het betreft een verzoek van PreZero Recycling Services Noord B.V..

Het project waarvoor vergunning wordt gevraagd is als volgt te omschrijven: Het uitbreiden van de inriching met het nabijgelegen terrein, het verhogen van de opgeslagen hoeveelheid afvalstoffen in de buitenlucht en het schredderen van afvalstoffen. Een uitgebreide projectomschrijving is opgenomen in de aanvraag. Gelet op bovenstaande omschrijving wordt vergunning gevraagd voor de volgende in de Wabo omschreven activiteiten:

  • het bouwen van een bouwwerk (artikel 2.1, eerste lid, onder a van de Wabo);

  • sub 2° het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting, en sub 3° het in werking hebben van een inrichting (artikel 2.1, eerste lid, onder e, sub 2° en 3° van de Wabo).

Op basis van het onderzoek luchtkwaliteit en stikstofdepositie, d.d. 29 januari 2023, is door de provincie Fryslân vastgesteld dat op basis van de huidige wet- en regelgeving, geen vergunningplicht voor de Wet natuurbescherming geldt. Dit betekent dat de voorgenomen activiteiten, zoals beschreven in het onderzoek van 29 januari 2023, kunnen worden uitgevoerd zonder een vergunning Wet natuurbescherming voor het aspect stikstof.

De aanvraag bestaat uit de volgende delen:

  • Aanvraagformulier met OLO nummer 6357271;

  • Plattegrondtekening uitbreiding terrein v2;

  • Mer-beoordelingsbesluit met kenmerk 2021-FUMO-0058366;

  • Verkennend bodemonderzoek met kenmerk 220061;

  • Bijlage Acceptatieprocedure versie 1.02, dd. 7 februari 2022;

  • · Notitie brandbeveiliging buitenopslagen kenmerk 5002-1-01, versie 0.2 dd. 7 februari 2022 met de bijbehorende bijlagen;

  • Bijlage omschrijving verandering;

  • Bijlage NRB-toets uitbreiding Prezero Leeuwarden;

  • Onderzoek luchtkwaliteit en stikstofdepositie met kenmerk R060675aa.21ESMWB.djs dd. 29 januari 2023;

  • Akoestisch onderzoek met kenmerk 21.158.01 dd. 29 oktober 2021;

  • Toets BREF PreZero Leeuwarden;

  • Funderingsadvies Blokkenwand kenmerk VN-79699-1 dd. 19 oktober 2021;

  • Bijlage Kleur betonblokken;

  • Bijlage Maatvoering betonblokken.

1.2. Huidige vergunningsituatie

Voor de inrichting zijn eerder de onderstaande vergunningen en/of ontheffingen verleend dan wel meldingen geaccepteerd:

Soort

Datum

Kenmerk

Onderwerp

Revisievergunning*

13 januari 2004

545529

Op-en overslag van grof bedrijfsafvalstoffen & BSA. Het tot balen persen van (landbouw)plastic

Revisievergunning Wet verontreiniging oppervlaktewater(verder Wvo)*

3 februari 2004

WF.03/2214/B

Lozing van diverse activiteiten op het gemeentelijk riool

8.19 melding Wet milieubeheer*

22 december 2009

00869053

Vervangen bodembeschermende voorzieningen op diverse locaties

Ambtshalve aanpassing*

13 augustus 2010

00909767

Aanpassing voorschriften voor opslag, afvoer, acceptatie van afvalstoffen en PGS 15 & 30.

Goedkeuringsbesluit

10 mei 2011

00949853

Indienen acceptatieprocedure en adminitratiesysteem (A&V-beleid en AO/IC

Veranderingsvergunning

25 januari 2017

2016-FUMO-0016887

Wijziging en toevoeging van nieuwe afvalstromen

Ambtshalve aanpassing

21 november 2019

2019-FUMO-0032776

Aanpassing voorschriften LAP3

De hierboven genoemde vergunningen waar een * bij staat, zijn volgens de Invoeringswet Wabo gelijkgesteld aan een omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd.

1.3. Vergunningplicht

De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I, onderdeel C van het Bor. De volgende categorieën zijn van toepassing:

Categorie

Omschrijving

1.1 onder b

een of meer verbrandingsmotoren aanwezig zijn met een vermogen of een gezamenlijk vermogen groter dan 1,5 kW, met dien verstande, dat bij de berekening van het gezamenlijk vermogen een verbrandingsmotor met een vermogen van 0,25 kW of minder buiten beschouwing blijft.

5.1

Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare, ontvlambare of brandbare vloeistoffen.

11.1 onder g, h en i

Inrichtingen voor het winnen, vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van: steen, gesteente of stenen voorwerpen, niet zijnde puin, zand of grind, grond.

12.1

Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van metalen, metalen voorwerpen of schroot dan wel behandelen van de oppervlakte van metalen of metalen voorwerpen.

15.1

Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, behandelen, opslaan of overslaan van hout of kurk dan wel van houten, kurken of houtachtige voorwerpen.

16.1 onder a

Inrichtingen voorhet vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan, overslaan of reinigen van textiel, woningtextiel, textielgrondstoffen, bont, leer, vlas of producten hiervan.

28.1 onder a sub 1, 2 en 4, en onder b

Inrichtingen voor het opslaan, overslaan of verwerken van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen, die ten aanzien daarvan een capaciteit hebben van 5 m3 of meer hebben, of gevaarlijke afvalstoffen opslaan, overslaan of verwerken.

28.4 onder a sub 1,5 en 6, en onder b sub 1 en 2, en onder c sub 2

het opslaan van buiten de inrichting afkomstige ingezamelde of afgegeven huishoudelijke afvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 35 m3 of meer, van buiten de inrichting afkomstige gevaarlijke afvalstoffen, of andere van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 1.000 m3 of meer. Het overslaan van van buiten de inrichting afkomstige huishoudelijke afvalstoffen of van buiten de inrichting afkomstige bedrijfsafvalstoffen met een opslagcapaciteit ten aanzien daarvan van 1.000 m3 of meer, of gevaarlijke afvalstoffen. Het verwerken of vernietigen – anders dan verbranden – van van buiten de inrichting afkomstige gevaarlijke afvalstoffen.

28.10

Inrichtingen voor nuttige toepassing of verwijdering van afvalstoffen, waarvan de afvalstoffen niet vallen onder de genoemde uitzonderingen.

Op grond van categorie 28.10 is sprake van een vergunningplichtige activiteit.

Het betreft een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort genoemd in Bijlage I, categorie 5.5 van de Richtlijn industriële emissies (Rie). Om die reden is op grond van artikel 2.1, tweede lid van het Bor sprake van een vergunningplichtige inrichting.

1.4. Bevoegd gezag

Wij zijn bevoegd gezag voor de inrichting. Dit volgt uit artikel 2.4, tweede lid van de Wabo juncto artikel 3.3 eerste lid van het Bor, op grond van de activiteiten van de inrichting, genoemd in Bijlage I onderdeel C, categorie 28.4 van het Bor.

1.5. Bestemmingsplan

Het project ligt op gronden met de bestemming bedrijventerrein. Deze gronden zijn bestemd voor bedrijven tot categorie 5.2.

Het project voldoet aan de bouw- en gebruiksregels van dit bestemmingsplan.

1.6. Beoordeling van de aanvraag

Na ontvangst van de aanvraag hebben wij deze getoetst op volledigheid. In verband met het ontbreken van een aantal gegevens hebben wij de aanvrager op 28 december 2021 in de gelegenheid gesteld om tot 6 weken na de hiervoor genoemde datum de aanvraag aan te vullen. Wij hebben de aanvullende gegevens ontvangen op 8 februari 2022. Na ontvangst van de aanvullende gegevens hebben wij de aanvraag opnieuw getoetst op volledigheid. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag met de aanvullende gegevens voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanvraag is dan ook in behandeling genomen. De termijn voor het nemen van het besluit is 6 weken opgeschort tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld.

1.7. Procedure

Deze beschikking is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Gelet hierop zijn wij niet verplicht om van de aanvraag kennis te geven in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op andere geschikte wijze, tenzij bij de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag een milieueffectrapport (MER) moet worden gemaakt. Nu deze uitzonderingsgrond zich niet voordoet hebben wij geen kennis gegeven van de aanvraag.

1.8. Advies en verklaring van geen bedenkingen

In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor, hebben wij de aanvraag ter advies aan de volgende instanties/bestuursorganen gezonden:

  • Brandweer Fryslân;

  • Burgemeester en Wethouders van de gemeente Leeuwarden;

  • Wetterskip Fryslân.

Wij hebben adviezen ontvangen van:

  • Brandweer Fryslân met kenmerk Z/21/00007370 UIT/18591 dd. 10 november 2021, betreffende de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van de buitenopslag;

  • Burgemeester en Wethouders van de gemeente Leeuwarden met kenmerk W21LWD629-1 dd. 9 november 2021, betreffende de instemming van de adviescommissie;

  • Wetterskip Fryslân met kenmerk WF 40036 dd. 27 januari 2022, betreffende de beoordeling van de lozingen en het opnemen van voorschriften voor ZZS.

Wij behandelen de ontvangen adviezen in respectievelijk het hoofdstuk externe veiligheid, bouw en afvalwater.

1.9. Wet natuurbescherming

In de Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen dat deze wet aanhaakt bij de Wabo wanneer:

  • 1.

    een activiteit plaatsvindt in of om een Natura 2000-gebied en deze activiteit de kwaliteit van de habitats en de habitats van soorten verslechtert (handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden), en/of;

  • 2.

    een activiteit plaatsvindt waarbij in onvoldoende mate sprake is van het beschermen van inheemse plant- en diersoorten en het bewaken van de biodiversiteit tegen invasieve uitheemse plant- en diersoorten (handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten).

Op basis van het onderzoek luchtkwaliteit en stikstofdepositie, d.d. 29 januari 2023, is door de provincie Fryslân vastgesteld dat op basis van de huidige wet- en regelgeving, geen vergunningplicht voor de Wet natuurbescherming geldt. Dit betekent dat de voorgenomen activiteiten, zoals beschreven in het onderzoek van 29 januari 2023, kunnen worden uitgevoerd zonder een vergunning Wet natuurbescherming voor het aspect stikstof.

De uitbreiding van de inrichting vindt plaats binnen het bestaande bouwvlak. Voor de vaststelling van dit bouwvlak is onderzoek gedaan naar beschermde flora en fauna. Niet is gebleken dat beschermde soorten aanwezig (kunnen) zijn. Voor de verandering hoeft geen ontheffing op grond van de Wnb te worden aangevraagd.

1.10. Zienswijzen

Het ontwerp van de beschikking heeft van 3 october 2022 tot en met 14 november ter inzage gelegen en is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is gebruik gemaakt.

Wij hebben n.a.v. het ontwerpbesluit zienswijzen ontvangen van de aanvrager. Hieronder behandelen we per zienswijze de redernatie en vermelden wij de wijzigingen t.o.v. het ontwerpbesluit.

Zienswijze 1

1.1.3: Het opstellen van een ongediertebestrijdingsplan heeft naar onze mening enkel toegevoegde waarde indien sprake is van overlast. In andere gevallen volstaat het eerste gedeelte van voorschrift 1.1.3, namelijk het voorkomen en op een doelmatige wijze bestrijden van ongedierte. Wij verzoeken u dit voorschrift hierop aan te passen.

Reactie

De zienswijze geeft onvoldoende aan waarom er geen sprake zou zijn van overlast. Overlast in de zin van het voorschrift moet breder getrokken worden dan op een enkele derde partij of het directe effect op mensen. Het voorkomen en, indien niet anders mogelijk, doelmatig bestrijden van ongedierte moet geborgd worden om de effecten op het milieu te minimaliseren. Het voorschrift wordt gelet op de aanwezige afvalstromen, in de gehele sector voorgeschreven om gelijke behandeling te waarborgen.

Het voorschrift blijft ongewijzigd.

Zienswijze 2

2.5.4: Dit voorschrift beperkt het wegen van afvalstromen tot een weegvoorziening die aanwezig is binnen de eigen inrichting. Indien noodzakelijk zou ook gebruik gemaakt kunnen worden van een weegvoorziening buiten de eigen inrichting. Wij verzoeken u het voorschrift hierop aan te passen;

Reactie

Het voorschrift heeft als doel een goed inzicht in de afvalstromen te krijgen. De weging middels een binnen de inrichting aanwezige weegvoorziening meting dient ter controle van deze afvalstromen. Het voorschrift verbied het gebruik van een weegvoorziening op een andere locatie niet, maar vereist een meting binnen de inrichting om zekerheid te geven aan de hoeveelheden per afvalstofstroom. In overeenstemming met het Landelijk afvalbeheerplan 3 (LAP3) is meting van de afvalstoffen vereist bij ontvangst binnen de inrichting.

Het voorschrift blijft ongewijzigd.

Zienswijze 3

Paragraaf 2.6: wij constateren dat verschillende bevoegde gezagen zeer verschillend omgaan met het onderwerp ZZS (en ook dat verschillende bedrijven binnen het gebied van één bevoegd gezag met geheel andere regels te maken krijgen). Daar waar de meeste inrichtingen tot op heden alleen zijn aangeschreven zijn om invulling te geven aan de inventarisatie van emissies op basis van de 'Handreiking verzoek om informatie over ZZS afvalbedrijven', en daarbij de lijn en planning van de landelijke coördinatie van IPO, waarbij ook het ministerie van I&W is betrokken, wordt aangehouden, zien we bij andere inrichtingen een (beperkte) invulling in vergunningen, en in dit geval een verdergaande invulling met strakke deadlines, vooruitlopend op de uitkomsten van het overleg van het ministerie van I&W, IPO en de branchevereniging, zonder dat wordt aangegeven waarom in dit geval een andere, veel stringentere, werkwijze wordt gehanteerd. Dit leidt naar onze mening tot een ongelijk speelveld tussen verschillende inrichtingen. Doelstelling van het ZZS beleid is om mens en natuur zo min mogelijk bloot te stellen aan ZZS. Dit kan enkel worden bereikt door binnen Europa, of in ieder geval binnen Nederland, eenzelfde werkwijze aan te houden. Door de werkwijze, zonder onderbouwing, per bedrijf aan te passen, zullen de beoogde doelstellingen niet worden behaald, geeft willekeur en leidt tot rechtsongelijkheid. Gezien de fase waarin de inventarisatie van ZZS in afvalstromen zich nu bevindt, is het onmogelijk om aan de genoemde voorschriften op dit moment een zinvolle invulling te geven. Wij verzoeken u daarom primair om paragraaf 2.6 te laten vervallen. Ook de wetgever heeft inmiddels onderkend dat de kennis over ZZS is afvalstoffen zeer beperkt is. In de concept wijziging van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen wordt daarom informatieplicht beperkt tot bedrijven waar de productie, gebruik of ontstaan van ZZS in het bedrijfsproces genoemd staan in met naam genoemde documenten die zij met hun vergunningverlenend bevoegd gezag hebben vastgesteld. Secundair verzoeken wij u daarom paragraaf 2.6 dusdanig aan te passen dat deze alleen van toepassing is op afvalstoffen ontvangen van deze bedrijven.

Reactie

Wij realiseren ons dat de motivatie voor ZZS, los van het onderdeel lucht, abusievelijk niet in de considerans van de vergunning is opgenomen.

Dit is gecorrigeerd.

De problematiek met betrekking tot ZZS bij afvalbedrijven is bekend. Dit ontslaat afvalverwerkende bedrijven er echter niet van om te voldoen aan het gestelde in het LAP3. Naast het LAP3 is ook het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen op veel afvalverwerkende inrichtingen van toepassing. Het Besluit Melden bevat regels voor de afgifte, de ontvangst en het vervoer van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen echter in vergunningen dient aansluiting te worden gezocht bij hetgeen is opgenomen in het LAP3.

Het LAP is het afvalbeheerplan zoals genoemd in titel 10.2 (artikelen 10.3 tot en met 10.14) van de Wet milieubeheer (Wm). Als een taak of bevoegdheid betrekking heeft op afvalstoffen moet ieder bestuursorgaan ingevolge artikel 10.14 van de Wm en straks ingevolge artikel 4.1 van de Omgevingswet, rekening houden met het LAP.

ZZS worden nog veel in producten gebruikt en komen dus ook veel voor in afvalstoffen. Als uit dat afval vervolgens weer nieuwe producten worden gemaakt, kan blootstelling aan die ZZS optreden. Dit wordt steeds belangrijker omdat het beleid ook gericht is op het zo hoogwaardig mogelijk opnieuw gebruiken van materialen ter bevordering van de circulaire economie. In dat kader is er specifiek beleid opgesteld dat landelijk toegepast dient te worden. Dit beleid is in hoofdstuk B.14 van het LAP3 beschreven en de voorschriften verbonden aan deze vergunning zijn hier op gebaseerd. De trend tot verdere implementatie van de voorschriften betreffende ZZS is al gestart. Landelijk is er nog enig verschil tussen de voorschriften op basis van de interpretatie, maar behoren in essentie dezelfde onderdelen uit hoofdstuk B.14 van het LAP3 te omvatten. Ook andere afval verwerkende bedrijven krijgen binnenkort, voor zover van toepassing en voor zover niet al gebeurd is, te maken met de ZZS voorschriften door middel van actualisatie van de vergunning. Gedurende het actualisatie traject zullen niet alle vergunningen aangepast en gelijk zijn, dit is een onvoorkoombare tijdelijke rechtsongelijkheid.

De paragraaf met de voorschriften blijven ongewijzigd.

Zienswijze 4

2.7.2: Niet duidelijk is wat wordt bedoeld met de verplichting dat 'het milieubeheersysteem ter goedkeuring moet worden overgelegd'. Een milieuzorgsysteem is geen pakket documenten dat zonder meer kan worden overgelegd. PreZero is ISO 14001 gecertificeerd. Dit wordt jaarlijks beoordeeld door een externe partij en daarop worden certificaten afgegeven. Wij verzoeken u het voorschrift te laten vervallen, dan wel een ISO 14001-gecertificeerd milieuzorgsysteem gelijk te stellen aan het systeem bedoeld in voorschrift 2.7.1;

Reactie

Een ISO certificering betekent niet dat het systeem ook volledig is en voldoet aan alle eisen uit de BREF Afvalbehandeling. Een ISO certificering legt alleen de systematiek van de stappen vast, en dat deze stappen/methoden in overeenstemming zijn met datgene welke is vereist in het milieubeheersysteem. De ISO certificering geeft geen garantie over de reikwijdte/dekkingsgraad van het toegepaste systeem. Is het systeem ook daadwerkelijk toegepast op alle relevante afvalstoffen/onderdelen van de inrichting? Dit voorschrift beoogt zeker te stellen dat het milieubeheersysteem in zijn volledigheid wordt/is geïmplementeerd. De aantoonbaarheid van de volledigheid van het systeem is een verantwoordelijkheid van de aanvrager. Dit is in overeenstemming met de BREF Afvalbehandeling. Wij vereisen in dat opzicht ook geen gecertificeerd systeem, maar dat aangetoond is dat het milieubeheersysteem conform alle eisen uit de BREF Afvalbehandeling is ingericht en wordt toegepast.

Het voorschrift blijft ongewijzigd.

Zienswijze 5

2.7.3: Niet duidelijk is waarom het in dit specifieke geval noodzakelijk is bepalingen op te nemen die verder gaan dan BBT van de BREF Waste Treatment. Wij verzoeken u dit voorschrift te laten vervallen.

Reactie

De zienswijze geeft onvoldoende aan op welke punten afgeweken zou worden. De nadruk bij het milieubeheersystemen hoort niet enkel op het systeem zelf te liggen maar ook op de integratie van het systeem in de praktijk en de uitvoerbaarheid in combinatie met de andere taken en informatieplichten. Een integraal systeem voorkomt fouten in de uitvoering en is bruikbaarder bij ondersteuning voor o.a. de verplichtingen zoals aangegeven in voorschriften 1.2.1, tot en met 1.4.2. De genoemde eisen zijn in overeenstemming met de voorschriften in de vergunning waarin de verplichtingen apart zijn opgenomen.

Het voorschrift blijft ongewijzigd.

Zienswijze 6

2.7.4: In overeenstemming met de zienswijze op voorschrift 2.7.2 verzoeken wij u voorschrift 2.7.4 te laten vervallen.

Reactie

Voorschrift 2.7.2 is niet komen te vervallen, voorschrift 2.7.4 geeft aan hoe de informatie aan ons bekend gemaakt kan worden en blijft in stand.. Wel merken wij op dat foutief is verwezen naar voorschrift 2.7.1, dit had voorschrift 2.7.2 moeten zijn.

De verwijzing in het voorschrift is gecorrigeerd.

Zienswijze 7

2.7.5: In combinatie met andere voorschriften is het onmogelijk invulling te geven aan dit voorschrift.

Het goed implementeren van een managementsysteem kost veel tijd. Ervan uitgaande dat FUMO enige tijd nodig heeft om het systeem te beoordelen, zou voor de Implementatie een zeer korte tijd overblijven. Wij verzoeken u dit voorschrift te schrappen.

Reactie

De termijn is gebaseerd op redelijkheid, we merken op dat er een fout is opgetreden in de bedoelde berekening van de tijd. Gezamenlijk zorgen de termijnen in de voorschriften ervoor dat het mogelijk is dat de theoretische tijd tussen de goedkeuring en de invoering 0 dagen is. De relevante voorschriften zijn gewijzigd om rekening te houden met de proceduretijd om zo redelijke invulling te kunnen geven aan het milieubeheersysteem. Hierbij wordt tevens de termijn aangepast zodat deze meer overeenkomt met andere gestelde termijnen.

Zienswijze 8

Paragraaf 3.2: Wij verwijzen hier graag naar onze zienswijze die is opgenomen bij 'Paragraaf 2.6' en verzoeken u paragraaf 3.2 te schrappen.

Reactie

In aanvulling van onze reactie op zienswijze 3 merken wij op dat voorschrift 3.2.2 spreekt over een beoordeling, waar in dit geval gesproken moet worden over een goedkeuring.

Voorschrift 3.2.2 is aangepast, de overige voorschriften van de paragraaf blijven ongewijzigd.

Zienswijze 9

4.1.2 en 4.1.3: De verwijzing naar voorschrift 1.1.1 is niet correct.

Reactie

Dit is een kennelijke verschrijving.

De verwijzingen in voorschrift 4.1.2 en 4.1.3 zijn aangepast.

2. Toetsingskader Milieu

2.1. Inleiding

De aanvraag heeft betrekking op het veranderen van de werking van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid aanhef en onder e van de Wabo.

2.2. Toetsing oprichten, veranderen en/of revisie

Bij onze beslissing op de aanvraag hebben wij conform artikel 2.14, eerste lid onder a, b en c van de Wabo:

  • de bestaande toestand van het milieu betrokken;

  • met het milieubeleidsplan rekening gehouden;

  • de best beschikbare technieken in acht genomen.

In de onderstaande hoofdstukken lichten wij dit nader toe. Wij beperken ons tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed (kunnen) zijn.

De aangevraagde wijzigingen hebben geen gevolgen voor de aspecten waterbesparing, afvalpreventie, verkeer en vervoer. Deze aspecten zijn voldoende geregeld in de geldende vergunning. In deze veranderingsvergunning worden daarom voor deze aspecten geen voorschriften gesteld, maar wordt verwezen naar de voorschriften bij de revisievergunning 545529 van 13 januari 2004.

2.3. Activiteitenbesluit 

In het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) is voor een groot aantal activiteiten, die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden, rechtstreeks werkende, algemene regels opgenomen.

De inrichting waarvoor vergunning is aangevraagd, is aangemerkt als een inrichting waarvoor vergunningplicht (type C-inrichting) geldt.

Binnen het bedrijf vinden activiteiten plaats die vallen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit. Er moet worden voldaan aan de volgende paragrafen uit het Activiteitenbesluit en de daarbij behorende Activiteitenregeling, voor zover deze betrekking hebben op de (deel)activiteiten:

  • Paragraaf 3.1.3 Lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening;

  • Paragraaf 3.1.4. Lozen van huishoudelijk afvalwater;

  • Paragraaf 3.1.6 Lozen ten gevolge van werkzaamheden aan vaste objecten;

  • Paragraaf 3.2.1 Het in werking hebben van een middelgrote stookinstallatie, gestookt op standaard brandstof;

  • Paragraaf 3.2.6 In werking hebben van een koelinstallatie;

  • Paragraaf 3.3.1 Afleveren van vloeibare brandstof of gecomprimeerd aardgas aan motorvoertuigen voor het wegverkeer of afleveren van vloeibare brandstof aan spoorvoertuigen;

  • Paragraaf 3.3.2 Het uitwendig wassen en stallen van motorvoertuigen, werktuigen of spoorvoertuigen;

  • Paragraaf 3.4.1 Opslaan van propaan;

  • Paragraaf 3.4.2 Opslaan in ondergrondse opslagtanks van vloeibare brandstof, afgewerkte olie, bepaalde organische oplosmiddelen of vloeibare bodembedreigende stoffen die geen gevaarlijke stoffen of CMR stoffen zijn;

  • Paragraaf 3.4.3 Opslaan en overslaan van goederen;

  • Paragraaf 3.4.9 Opslaan van gasolie, smeerolie of afgewerkte olie in een bovengrondse opslagtank;

  • Paragraaf 3.4.11 Op- en overslaan van verwijderd asbest.

Voor het overige is per hoofdstuk of afdeling aangegeven of deze op een type C-inrichting van toepassing is. Dit betekent dat ook hoofdstuk 1, afdeling 2.1 tot en met 2.4, 2.10 en 2.11 van hoofdstuk 2 en de overgangsbepalingen uit hoofdstuk 6 van het Activiteitenbesluit van toepassing kunnen zijn. Van belang voor deze vergunning is, of de inrichting ook voor de activiteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen voldoet aan de best beschikbare technieken.

2.3.1. Melding Activiteitenbesluit

Gelet op artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit moet de verandering van de inrichting worden gemeld.

De voorschriften voor het onderdeel milieu, die in deze vergunning zijn opgenomen betreffen de aspecten en activiteiten die niet zijn geregeld in het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling.

2.4. M.E.R-Beoordelingsbesluit 

De voorgenomen activiteit valt onder categorie D18.1 van de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Op grond van de Wm heeft de aanvrager de voorgenomen activiteit op 1 november 2021 bij ons aangemeld door middel van een aanmeldingsnotitie (Wm, artikel 7.16). Daarop hebben wij op 28 december 2021 het besluit 2021-FUMO-0058366 genomen dat voor deze voorgenomen activiteit geen milieueffectrapport opgesteld hoeft te worden. Dit besluit hebben wij op 28 december 2021 bekend gemaakt. Dit besluit is bij de aanvraag gevoegd.

Op grond van artikel 7.20a van de Wet milieubeheer zijn de volgende kenmerken lucht, geur van belang geweest bij het besluit dat er geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt. De verplichting tot het uitvoeren van de maatregelen die van belang zijn bij het besluit dat er geen milieueffectrapportage hoeft te worden gemaakt alsmede het tijdstip waarop die maatregelen moeten zijn uitgevoerd zijn als voorschrift(en) aan dit besluit verbonden. Wij behandelen dit verder bij hoofdstuk 8 geur.

3. Beste beschikbare technieken

3.1. Toetsingskader

In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast.

Bij het opstellen van de omgevingsvergunning milieu moet rekening worden gehouden met de BBT-conclusies. De Europese Commissie stelt de BBT-conclusies op en maakt deze bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

BBT-conclusies is een document met de conclusies over beste beschikbare technieken, vastgesteld overeenkomstig artikel 13 lid 5 en 7 van de Richtlijn industriële emissies (Rie).

Het verschil tussen artikel 13 lid 5 en lid 7 van de Rie is:

  • BBT-conclusies overeenkomstig artikel 13 lid 5 heeft de Europese Commissie vastgesteld ná 6 januari 2011. Dit op basis van artikel 75 lid 2 van de Rie.

  • BBT-conclusies overeenkomstig artikel 13 lid 7 is het hoofdstuk Best available techniques (BAT) uit de BREF's. De Europese commissie heeft deze BREF's vastgesteld vóór 6 januari 2011. Dit hoofdstuk geldt als BBT-conclusies totdat de Europese Commissie voor die activiteit nieuwe BBT-conclusies vaststelt.

Als op een activiteit of op een type productieproces binnen de inrichting waarvoor een vergunning is aangevraagd, geen BBT-conclusies of informatiedocumenten over BBT van toepassing zijn, of als de van toepassing zijnde BBT conclusies of informatiedocumenten niet alle mogelijke milieueffecten van de activiteit of het proces behandelen moet het bevoegd gezag de BBT zelf vast stellen. Hierbij houdt het bevoegd gezag in ieder geval rekening met:

  • de toepassing van technieken die weinig afvalstoffen veroorzaken;

  • de toepassing van stoffen die minder gevaarlijk zijn dan stoffen of mengsels als omschreven in artikel 3 van de EG-verordening(nr. 1272/2008) indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels;

  • de ontwikkeling, waar mogelijk, van technieken voor de terugwinning en opnieuw gebruiken van de bij de processen in de inrichting uitgestoten en gebruikte stoffen en van afvalstoffen;

  • vergelijkbare processen, apparaten of wijzen van bedrijfsvoering die met succes in de praktijk zijn beproefd;

  • de vooruitgang van de techniek en de ontwikkeling van de wetenschappelijke kennis;

  • de aard, de effecten en de omvang van de betrokken emissies;

  • de data waarop de installaties in de inrichting in gebruik zijn of worden genomen;

  • de tijd die nodig is om een betere techniek toe te gaan passen;

  • het verbruik en de aard van de grondstoffen, met inbegrip van water, en de energie-efficiëntie;

  • de noodzaak om het algemene effect van de emissies op en de risico’s voor het milieu te voorkomen of tot een minimum te beperken;

  • de noodzaak ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor het milieu te beperken.

De op één van deze criteria vastgestelde BBT moet een milieubeschermingsniveau garanderen dat tenminste gelijkwaardig is aan het niveau in de BBT-conclusies.

3.2. Concrete bepaling beste beschikbare technieken

Binnen de inrichting worden één of meer van de activiteiten uit bijlage 1 van de Rie uitgevoerd en wel activiteit 5.5: Tijdelijke opslag van niet onder punt 5.4 vallende gevaarlijke afvalstoffen, in afwachting van een van de onder de punten 5.1, 5.2, 5.4 en 5.6 vermelde behandelingen, met een totale capaciteit van meer dan 50 ton, met uitsluiting van tijdelijke opslag, voorafgaande aan inzameling, op de plaats van productie.

Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit en aan andere relevante BBT-conclusies.

Op grond van artikel 9.2 van de Mor moet voor het bepalen van BBT binnen de inrichting aanvullend een toetsing plaatsvinden aan relevante aangewezen informatiedocumenten over BBT

Bij het bepalen van de BBT hebben we rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde BBT-conclusies:

BBT-conclusies afvalbehandeling

Bij het bepalen van de BBT hebben wij rekening gehouden met de volgende informatiedocumenten over BBT, zoals aangewezen in de bijlage van de Mor:

NRB 2012; Nederlandse richtlijn bodembescherming mrt-12

Integrale aanpak van risico's van onvoorziene lozingen feb-00

Met betrekking tot de bepaling van BBT, zijn de aspecten betrokken als genoemd in artikel 5.4 derde lid van het Bor. Hierover is op te merken dat er een noodzaak is om het effect van ongevallen op het milieu te minimaliseren en het mogelijke ongeluk te beperken.

3.3. Conclusies BBT

De inrichting voldoet - met inachtneming van de aan dit besluit gehechte voorschriften - aan BBT. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf.

In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunningvoorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast.

Vanaf januari 2013 moet bij het bepalen van BBT-rekening worden gehouden met BBT-conclusies en bij ministeriële regeling aangewezen informatiedocumenten over BBT.

BBT-conclusies is een document met de conclusies over BBT, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, vijfde en zevende lid van de Richtlijn industriële emissies (RIE). Het vijfde lid verwijst naar BBT-conclusies vastgesteld na 6 januari 2011 onder het regime van de RIE. Het zevende lid verwijst naar de BBT-referentiedocumenten (BREF’s: Best available techniques Reference documents). Het hoofdstuk uit deze BREF’s waarin de BBT-maatregelen staan (hoofdstuk Best available techniques (BAT)), geldt als BBT-conclusies, totdat nieuwe BBT-conclusies zijn vastgesteld.

BBT-conclusies worden door de Europese commissie vastgesteld en bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (een uitvoeringsbesluit van de Europese commissie, dat gericht is tot de lidstaten). Zij worden daarom niet meer apart aangewezen in de Regeling omgevingsrecht.

3.3.1. BBT conclusies afvalbehandeling

Op 10 augustus 2018 is het document met BBT conclusies voor afvalbehandeling vastgesteld. Veel BBT conclusies voor afvalbehandeling hebben betrekking op emissies naar water en lucht (stof en geur) alsmede op en trillingen.

Voor zover een BBT conclusie betrekking heeft op emissies naar de lucht, de bodem, het water, geluidemissies en/of trillingen wordt voor de overwegingen verwezen naar de desbetreffende paragraaf,

Bij het bepalen van de BBT, specifiek voor de acceptatie en/of verwerking van afvalstoffen hebben we rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde BBT-conclusies voor afvalbehandeling:

Tabel 1 Installatie categorie 5.5, het tijdelijk opslaan van gevaarlijke afvalstoffen

Van toepassing zijnde BBT conclusies

BBT 1. De BBT om de algehele milieuprestaties te verbeteren, is de invoering en naleving van een milieubeheersysteem (MBS) waarin alle volgende elementen zijn opgenomen:

  • I

    betrokkenheid van het management, met inbegrip van het hoger management;

  • II

    uitwerking door het management van een milieubeleid dat de continue verbetering van de milieuprestaties van de installatie omvat;

  • III

    planning en vaststelling van de noodzakelijke procedures, doelstellingen en streefcijfers, samen met de financiële planning en investeringen;

  • IV

    uitvoering van procedures met bijzondere aandacht voor:

    • a)

      bedrijfsorganisatie en verantwoordelijkheid,

    • b)

      aanwerving, opleiding, bewustmaking en bekwaamheid,

    • c)

      communicatie,

    • d)

      betrokkenheid van de werknemers,

    • e)

      documentatie,

    • f)

      efficiënte procescontrole,

    • g)

      onderhoudsprogramma's,

    • h)

      noodplan en rampenbestrijding,

    • i)

      waarborgen van de naleving van de milieuwetgeving;

  • V

    controle van de prestaties en nemen van corrigerende maatregelen, met bijzondere aandacht voor:

    • a)

      monitoring en meting (zie ook het referentieverslag van het JRC inzake de monitoring van emissies naar water en lucht afkomstig van IED-installaties — ROM),

    • b)

      corrigerende en preventieve maatregelen,

    • c)

      bijhouden van gegevens,

    • d)

      onafhankelijke (waar mogelijk) interne of externe audits om vast te stellen of het MBS voldoet aan de voorgenomen regelingen en of het op de juiste wijze wordt uitgevoerd en gehandhaafd;

  • VI

    beoordeling door het senior management van het EMS en de blijvende geschiktheid, adequaatheid en doeltreffendheid ervan;

  • VII

    volgen van de ontwikkelingen op het vlak van schonere technologieën;

  • VIII

    bij de ontwerpfase van een nieuwe installatie rekening houden met de milieueffecten tijdens de volledige levensduur en de latere ontmanteling ervan;

  • IX

    op regelmatige basis een sectorale benchmarking uitvoeren;

  • X

    afvalstroombeheer (zie BBT 2);

  • XI

    een inventarisatie van afvalwater- en afgasstromen (zie BBT 3);

  • XII

    residuenbeheerplan (zie de beschrijving in punt 6.5);

  • XIII

    ongevallenbeheerplan (zie de beschrijving in punt 6.5);

  • XIV

    geurbeheerplan (zie BBT 12);

  • XV

    beheerplan voor geluid en trillingen (zie BBT 17).

BBT 2. De BBT om de algehele milieuprestaties van de installatie te verbeteren, is de toepassing van alle hieronder vermelde technieken.

  • a.

    Opstelling en invoering van procedures voor de karakterisering en preacceptatie van afval

  • b.

    Opstelling en invoering van procedures voor de acceptatie van afval

  • c.

    Opstelling en invoering van een traceersysteem en inventarisatie voor afval

  • d.

    Opstelling en invoering van een kwaliteitsbeheersysteem voor de output

  • e.

    Waarborgen van afvalscheiding

  • f.

    Waarborgen van de compatibiliteit van afval vóór het mengen of vermengen van afval

  • g.

    Sortering van inkomend vast afval

BBT 3. (deels) Informatie over de kenmerken van de afvalwaterstromen, zoals:

  • a)

    gemiddelde waarden en variabiliteit van debiet, pH, temperatuur en geleidbaarheid;

  • b)

    gemiddelde concentratie en belastingwaarden van de relevante stoffen en hun variabiliteit (bv. CZV/TOC, stikstofverbindingen, fosfor, metalen, prioritaire stoffen/microverontreinigingen);

  • c)

    gegevens over biologische verwijderbaarheid (bv. BZV, BZV/CZV-ratio, Zahn-Wellenstest, potentieel tot biologische inhibitie (bv. inhibitie van actief slib)) (zie BBT 52);"

BBT 4. De BBT om de met de opslag van afval verbonden milieurisico's te verminderen, is de toepassing van alle hieronder vermelde technieken.

  • a.

    Geoptimaliseerde opslagplaats

  • b.

    Adequate opslagcapaciteit

  • c.

    Veilige opslag

  • e.

    Afzonderlijke ruimte voor opslag en hantering van verpakt gevaarlijk afval

BBT 5. De BBT om de met de behandeling en overbrenging van afval verbonden milieurisico's te verminderen, is het opstellen en uitvoeren van hanterings- en overbrengingsprocedures.

BBT 6. Voor relevante emissies naar water, zoals vastgesteld in de inventarisatie van afvalwaterstromen (zie BBT 3), is de BBT om de belangrijkste procesparameters (bv. afvalwaterdebiet, pH, temperatuur, geleidbaarheid, BZV) te monitoren op cruciale locaties (bv. aan de inlaat/uitlaat van de voorbehandeling, aan de inlaat van de eindbehandeling, aan het punt waar de emissie de installatie verlaat).

BBT 7. De BBT is om emissies naar water te monitoren met ten minste de onderstaande frequentie en in overeenstemming met de EN-normen. Indien er geen EN-normen beschikbaar zijn, is de BBT om ISO-, nationale of andere internationale normen te gebruiken die garanderen dat er gegevens van gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit worden aangeleverd.

BBT 11. De BBT is om het jaarlijkse water-, energie- en grondstoffenverbruik en de jaarlijkse productie van residuen en afvalwater te monitoren met een frequentie van ten minste eenmaal per jaar.

BBT 14. De BBT om diffuse emissies naar lucht, in het bijzonder stof, organische verbindingen en geur, te voorkomen of, indien dat niet haalbaar is, te verminderen, is de toepassing van een geschikte combinatie van de onderstaande technieken. Afhankelijk van het met het afval verbonden risico op het gebied van diffuse emissies naar lucht, is BBT 14d in het bijzonder relevant.

  • a.

    Beperking van het aantal potentiële diffuse emissiebronnen tot een minimum

  • b.

    Selectie en gebruik van zeer betrouwbare apparatuur

  • c.

    Voorkoming van corrosie

  • d.

    Insluiting, verzameling en behandeling van diffuse emissies

  • e.

    Bevochtiging

  • f.

    Onderhoud

  • g.

    Reiniging van afvalverwerkings- en opslagruimten

  • h.

    Programma inzake lekdetectie en -reparatie (LDAR)

BBT 20. De BBT om emissies naar water te verminderen, is om afvalwater te behandelen door middel van een geschikte combinatie van de onderstaande technieken.

Egalisatie, Neutralisatie, Fysieke scheiding , Adsorptie, Destillatie/rectificatie, Precipitatie, Chemische oxidatie, Chemische reductie, Verdamping, Ionenwisseling, Strippen, Actiefslibproces, Membraambioreactor, Nitrificatie/denitrificatie, Coagulatie en flocculatie, Sedimentatie, Filtratie, Flotatie

BBT 21. De BBT om de gevolgen van ongevallen en incidenten voor het milieu te voorkomen of te beperken, is om alle onderstaande technieken te gebruiken als onderdeel van het ongevallenbeheerplan (zie BBT 1).

  • Beschermingsmaatregelen

  • Beheer van emissies als gevolg van incidenten/ongevallen

  • systeem voor registratie en beoordeling van incidenten/ongevallen.

BBT 25. De BBT om de emissies van stof en van deeltjesgebonden metalen, PCDD/PCDF's en dioxineachtige PCB's naar lucht te verminderen, is om BBT 14d en één of een combinatie van de onderstaande technieken te gebruiken.

  • a.

    Cycloon

  • b.

    Doekenfilter

  • c.

    Natte gaswassing

  • d.

    Waterinjectie in de shredder"

Hierbij specificeren wij wel dat het shredderen geen onderdeel is van de IPPC-activiteit het opslaan van gevaarlijke afvalstoffen en dat daarop de algemene regels van het Activiteitenbesluit van toepassing zijn. De aangevraagde acceptatie en/of verwerking van afvalstoffen voldoet wel aan de hierboven genoemde BBT-conclusies. De directe invulling van BBT 1 is niet op alle punten volledig controlleerbaar. Daarom wordt voor het milieubeheersysteem een voorschrift opgenomen om de BBT conclusie volledig toe te passen en inzichtelijk te hebben op de locatie.

3.3.2 BREF Op- en overslag bulkgoederen (BREF ESB)

De BREF ESB is van toepassing op de opslag, het transport en de verlading van vloeistoffen, vloeibare gassen en vaste stoffen bij IPPC-installaties onafhankelijk van de sector of industrie. Deze horizontale BREF gaat in op de emissies naar de lucht, bodem, water, waarbij de meeste aandacht uitgaat naar de emissies naar de lucht. De informatie met betrekking tot emissies van de opslag, handling en transport van vaste stoffen is gericht op stof.

In de categorie specifieke BREF’s (primaire BREF’s) zijn ook technieken opgenomen voor op- en overslag. Die technieken zijn dan specifiek voor die branche. De specifieke maatregelen de primaire BREF’s verdienen de voorkeur boven de generieke maatregelen uit de horizontale BREF’s. Zo zijn in de BBT-conclusies voor de intensieve pluimvee- of varkenshouderij specifieke maatregelen opgenomen voor de opslag van dierlijke mest.

Voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen en de opslag van vloeistoffen en gassen in opslagtanks zijn voorwaarden gesteld in de PGS-richtlijnen. Deze zijn van toepassing op basis van de algemeen werkende regels in het Activiteitenbesluit of op basis van de voorschriften die in deze vergunning zijn gesteld. De technische en organisatorische maatregelen uit de BREF ESB zijn verwerkt in deze Nederlandse BBT-documenten.

Voor de aangevraagde activiteiten en daarbij behorende voorzieningen zijn, rekening houdend met de in dit besluit opgenomen voorschriften, in overeenstemming met de in de BREF ESB genoemde BBT. De maatregelen staan in een redelijke verhouding tot de schaal van de installatie.

3.3.3 BREF Energie-efficiëntie

De BREF Energie-efficiency is van toepassing op alle IPPC-installaties, behalve degenen die vallen onder het systeem van Emissiehandel. Deze BREF bevat derhalve richtsnoeren en conclusies inzake technieken voor energie-efficiëntie die voor alle onder de RIE vallende installaties in het algemeen als BAT-compatibel worden beschouwd. Deze BREF:

  • bevat geen specifieke informatie over processen en activiteiten in sectoren die onder andere BREF-documenten vallen;

  • stelt geen sectorspecifieke BBT vast.

Proces specifieke BAT voor energie-efficiëntie en daarmee samenhangende energieverbruiksniveaus worden in de desbetreffende verticale sectorspecifieke BREF-documenten gegeven. Voor het energieverbruik en de besparende maatregelen wordt verder verwezen naar hoofdstuk 5 waar aangesloten wordt bij het Activiteitenbesluit milieubeheer als BBT-document. Hieruit volgt dat de aangevraagde en vergunde activiteiten met de in dit besluit opgenomen voorschriften in overeenstemming zijn met de BREF Energie-efficiëntie.

4. Maatwerkvoorschriften Activiteitenbesluit

De aanvraag heeft invloed op bestaande maatwerkvoorschriften en kan niet verleend worden zonder dat deze ingetrokken worden. De Wet milieubeheer omschrijft in artikel 8.42 dat een verzoek om een maatwerkvoorschrift of wijziging daarvan wordt getoetst aan het belang van de bescherming van het milieu. De betreffende maatwerkvoorschriften worden verder behandeld bij het hoofdstuk externe veiligheid. De aanvraag leidt tevens tot het stellen van maatwerkvoorschriften voor het onderdeel lucht vanwege de stof-gerelateerde activiteiten. De grondslag en motiviatie worden behandeld in het hoofdstuk lucht.

5. Afvalstoffen

5.1. Acceptatie en/of verwerking van afvalstoffen 

5.1.1. Doelmatig beheer van afvalstoffen

Het beleid met betrekking tot afvalverwerking is gericht op het doelmatig beheer van afvalstoffen, zoals gedefinieerd in artikel 1.1 van de Wm. In dat kader houden wij rekening met het geldende afvalbeheersplan (het Landelijk Afvalbeheerplan 2017-2029, hierna aangeduid als het LAP) waaronder begrepen deel E (minimumstandaard per specifieke afvalstroom). De doelstellingen van het LAP geven invulling aan de prioriteitsvolgorde in de afvalhiërarchie zoals die in artikel 10.4 van de Wm is opgenomen:

  • a.

    preventie;

  • b.

    voorbereiding voor hergebruik;

  • c.

    recycling;

  • d.

    andere nuttige toepassing, waaronder energieterugwinning;

  • e.

    veilige verwijdering.

De minimumstandaard geeft de minimale hoogwaardigheid aan van de verwerking van een bepaalde afvalstof of categorie van afvalstoffen. Deze minimumstandaard is bedoeld te voorkomen dat afvalstoffen laagwaardiger worden verwerkt dan wenselijk is. Als de minimumstandaard bestaat uit verschillende verwerkingshandelingen bij diverse inrichtingen kan voor de afzonderlijke verwerkingsstappen een vergunning worden verleend mits de totale verwerking voldoet aan de minimumstandaard. In een aantal sectorplannen is vermeld dat het opnemen van sturingsvoorschriften dan noodzakelijk is.

5.2. Toetsing van de aangevraagde afvalactiviteiten

5.2.1. Uitsluitend opslaan van afvalstoffen

In het LAP is aangegeven dat voor het uitsluitend opslaan van afvalstoffen in beginsel een vergunning kan worden verleend. Drie afvalstromen worden hiervan uitgezonderd, te weten:

  • Afvalmunitie, vuurwerkafval en overig explosief afval;

  • Dierlijke bijproducten;

  • Brandbaar afval in afwachting van verwerking in een AVI.

Voor het opslaan van deze afvalstoffen beschikt de aanvrager over de benodigde voorzieningen.

Voor de opslagtermijn van deze afvalstoffen is deels geen maximum in de aanvraag opgenomen.

Voor het opslaan van de hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend omdat deze afvalstromen niet behoren tot de in het LAP genoemde uitzonderingen. In de vergunning is vastgelegd dat de termijn van opslag maximaal 1 jaar is. Voor enkele afvalstofstromen zijn aanvullende voorschriften opgenomen, dit wordt bij het hoofdstuk geur behandeld.

5.2.2. Uitsluitend overslaan

Uit het LAP blijkt dat het overslaan van afvalstoffen in principe altijd doelmatig is. Er kan vergunning verleend worden als:

  • binnen de inrichting benodigde milieu hygiënische voorzieningen aanwezig zijn;

  • er geen enkele verwerking van het afval geschiedt (uitgezonderd eventueel overladen zonder dat daarbij feitelijk wordt gemengd) én

  • de procedures voor de acceptatie, controle en administratie van de afvalstoffen toereikend zijn.

De op- en overslag van afvalstoffen is in het besluit met kenmerk 545529, 13 januari 2004 geregeld in voorschrift 6.3.2. Het voorschrift is door de actualiteit niet meer voldoende voor het beoogde doel. Daarom wordt het voorschrift vervangen door voorschrift 2.2.1.

5.2.3.Verwerking: afvalstromen waarvoor in deel E van het LAP een sectorplan is opgenomen

Uit een scan van de bestaande vergunning is gebleken dat enkele sturingsvoorschriften ontbreken, deze zijn toegevoegd voor sectorplan 1 en 3. Tevens is het sturingsvoorschrift voor sectorplan 28 veranderd. Voorschrift 6.4.1 van besluit met kenmerk 545529, 13 januari 2004 en voorschrift 3.1.6 van besluit met kenmerk 2019-FUMO-0032776, 21 november 2019 worden vervangen door 2.5.3 en .

5.3. A&V-beleid en AO/IC

Het bevoegd gezag kan in deze situatie nadere voorwaarden stellen aan de capaciteit, duur en voorzieningen van/voor de overslag. Het acceptatie- en verwerkingsbeleid (A&V-beleid) en de administratieve organisatie en interne controle (AO/IC) spelen een rol bij het veilig stellen van een effectief en efficiënt beheer van afvalstoffen, respectievelijk het mogelijk maken van effectief toezicht op het afvalbeheer.

Om de risico’s van het verwerkingsproces te beheersen, moet een bedrijf dat zich met afvalbeheer bezighoudt beschrijven welke afvalstoffen worden geaccepteerd en waar nodig, welke afvalstoffen juist niet worden geaccepteerd (acceptatiebeleid) en welke afvalstoffen op welke manier binnen het bedrijf worden verwerkt (verwerkingsbeleid). Daarnaast moeten door technische, administratieve en organisatorische maatregelen de relevante processen binnen een bedrijf beheerst worden. Op deze wijze worden de milieuhygiënische en informatietechnische risico’s binnen de bedrijfsvoering geminimaliseerd. De omvang en de inhoud van de AO/IC is afhankelijk van de aard van de risico’s van het betreffende bedrijfsproces. De onderdelen die minimaal in het A&V-beleid en AO/IC moeten zijn beschreven, zijn vastgelegd in het LAP.

De minimale elementen voor het A&V-beleid en AO/IC vormen een kader en bevatten criteria op hoofdlijnen, waaraan de aanvraag inhoudelijk wordt getoetst.

Bedrijven moeten in het A&V-beleid ook uitwerken of en zo ja, welke afvalstoffen geaccepteerd worden die zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) kunnen bevatten. In het A&V-beleid moet worden uitgewerkt op welke wijze wordt beoordeeld of ZZS kunnen voorkomen in de afvalstoffen die geaccepteerd worden. Indien ZZS kunnen voorkomen, moet beschreven worden hoe de betreffende afvalstoffen worden verwerkt en hoe gewaarborgd is dat onaanvaardbare risico’s voor blootstelling van mens en milieu veroorzaakt door ZZS, worden voorkomen.

5.3.1. Wijzigingen in het A&V-beleid en/of de AO/IC

Wijzigingen in het A&V-beleid en/of de AO/IC moeten schriftelijk aan ons worden voorgelegd. Als bevoegd gezag zullen wij vervolgens bezien welke procedure in relatie tot de aard van de wijziging is vereist.

De voorschriften 3.3.2 en 3.3.3 van besluit met kenmerk 00909767, 13 augustus 2010 voor het afvalverwerkingsbeleid zijn niet meer toereikend en onbedoeld ristrictief door het weglaten van toekomstige goedkeuringen. De voorschriften worden daarom vervangen door voorschriften 2.3.3 en 2.3.4.

5.4. Zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) in afvalstoffen

In het kader van ZZS dient er onderscheid gemaakt te worden tussen het stoffenbeleid enerzijds en het afvalstoffenbeleid anderzijds.

Het stoffenbeleid is Europees geregeld en is neergelegd in verordeningen als de REACH-verordening (hierna te noemen: REACH) en de POP-verordening (hierna te noemen: POP). Deze regelgeving is gericht op het voorkomen dan wel verwijderen van de ZZS uit de economie. De regels uit REACH en POP gelden rechtstreeks en inrichtingen (Toezichthouders ECHA en ILT) dienen derhalve zelf zorg te dragen voor de naleving ervan. Nationaal bezien geldt voor emissies van ZZS een minimalisatieverplichting. Voor emissies van ZZS naar de lucht gelden de regels uit afdeling 2.3 van het activiteitenbesluit of de vastgestelde BBT-conclusies en voor emissies van ZZS naar het water gelden de restricties van de Waterwet.

Daarnaast is er het nationale afvalstoffenbeleid, dat gericht is op een circulaire economie, waarin het uitgangspunt is dat materiaal zo lang mogelijk in de economie kan blijven, doch rekening houdend met de bescherming van de gezondheid van mens en milieu. Dit betekent dat de aanwezigheid van ZZS in een afvalstof van invloed is op mogelijkheid van nuttige toepassing.

Het nationale beleid ten aanzien van ZZS-houdende afvalstoffen is neergelegd in met name hoofdstuk B.14 van het LAP3. Daarnaast zijn voor specifieke menghandelingen met ZZS-houdende afvalstoffen regels opgenomen in hoofdstuk D.4 van LAP3.

De juridische basis voor een beoordeling van verwerking van afval met ZZS is artikel 2.14 lid 1b van de Wabo. Hierin staat dat bij het verlenen van omgevingsvergunningen, onderdeel milieu, rekening te houden met artikel 10.14 van de Wm en dus met het LAP. Deze verplichting betreft niet alleen de omgevingsvergunningen voor afvalbeheerinrichtingen, maar ook de vergunningen voor bedrijven waar afval vrijkomt.

Ter verduidelijking zal worden ingegaan op de relevante aspecten en toetsingskaders in het kader van ZZS-houdende afvalstoffen. Het beleid van LAP3 zoals neergelegd in B.14 en D.4 is uitvoerig van aard en derhalve bevat onderstaande tekst slechts een weergave op hoofdlijnen van het wettelijke kader en het beleid van LAP3 aangaande ZZS.

REACH-Verordening (REACH)

De REACH-Verordening heeft onder andere tot doel een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mens en milieu te waarborgen en tegelijkertijd het concurrentievermogen en de innovatie te vergroten. REACH verbiedt kort gezegd dat bepaalde ZZS in de handel worden gebracht (tenzij dat onder de voorwaarden van REACH gebeurt) of dat bepaalde ZZS als zodanig of in mengsels of voorwerpen worden gebruikt. REACH maakt daarbij onderscheid tussen stoffen die op de autorisatielijst staan (zij mogen alleen worden gebruikt als daarvoor autorisatie is verkregen) en stoffen die op de restrictielijst staan (zij mogen alleen worden verwerkt onder bepaalde restricties).

POP-verordening (POP)

De POP-verordening ziet op het voorkomen van vrijkomen van persistente organische verontreinigde stoffen (POPs). De verordening wil dit bereiken door het stellen van grenswaarden van POPs in producten. Daarnaast regelt POP een veilige verwerking van POP-houdende afvalstoffen. Het betreft dan afvalstoffen die POPs bevatten boven een in de POP-verordening genoemde grenswaarde. De bepalingen in de POP-verordening zijn rechtstreeks werkend.

Op grond van artikel 7 van de POP-verordening, dienen producenten en houders van afval, alle redelijke inspanningen te verrichten om, waar mogelijk, verontreiniging van dit afval met de in bijlage IX van de verordening opgenomen stoffen te voorkomen.

Het beleidskader van LAP3 en de sectorplannen van LAP3 vormen onder andere een uitwerking van deze regelgeving.

Verwerking van afvalstoffen met ZZS

Het algemene nationale beleid ten aanzien van verwerking van afvalstoffen met ZZS ten behoeve van nuttige toepassing, is neergelegd in hoofdstuk B.14 van LAP3.

Voor de verwerking van afvalstoffen met ZZS geldt in de eerste plaats dat de verwerking in relatie tot de beoogde toepassing niet in strijd mag zijn met de bepalingen van de REACH- en POP-verordening. Er dient in geval van een aangevraagde of vergunde verwerking of nuttige toepassing daarom eerst gekeken te worden of de ZZS in de afvalstoffen onder REACH en POP zijn geregeld. Als dat het geval is dan is de verwerking tot de beoogde toepassing alleen toegestaan indien dat niet in strijd is met REACH of POP. Voor het toepassen van nationaal beleid (LAP3) is dan geen ruimte.

Toepassing van het nationale LAP3-beleid bij het verwerken van afval tot de beoogde toepassing is pas aan de orde in een aantal gevallen, te weten:

  • 1.

    De ZZS is niet geregeld onder REACH of POP

  • 2.

    De ZZS staat op de kandidaatslijst van REACH

  • 3.

    De ZZS-houdende afvalstof wordt toegepast op een manier waarop de restricties van REACH niet toezien

  • 4.

    De ZZS staat wel op de autorisatielijst, maar de verwerking is gericht op het maken van voorwerpen

Indien een inrichting een verwerking gericht op nuttige toepassing verricht, die valt onder één van de vier bovengenoemde gevallen, dan is de verwerking niet zonder meer toegestaan. In dat geval zal mogelijk een risicoanalyse moeten uitwijzen of de beoogde verwerking is toegestaan.

Risicoanalyse (Ra)

Hoofdstuk B.14 van het derde Landelijk Afvalbeheerplan (LAP3) besteedt aandacht aan zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) in afvalstoffen en de (on)mogelijkheden die dat biedt voor het nuttige toepassen van afvalstoffen, voor typering van reststoffen als bijproduct of voor het typeren van teruggewonnen materialen of voorwerpen als einde-afvalstof. Als een bedrijf een ZZS-houdende afvalstof wil verwerken t.b.v. nuttige toepassing, of als een houder van een ZZS-houdend materiaal van mening is dat het geen afvalstof betreft, zal dit bedrijf of deze houder aan moeten tonen dat er geen onaanvaardbare risico’s verbonden zijn aan de beoogde inzet van dat materiaal. Hiertoe moet een risicoanalyse worden opgesteld (paragraaf B.14.4.3. van het LAP).

In de beleidskern van paragraaf B.14.6 van LAP3 is opgenomen in welke gevallen een risicobeoordeling moet worden gemaakt. Ook staat er aan welke eisen deze moet voldoen en dat de vergunning niet verleend kan worden als het bevoegd gezag niet overtuigd is dat sprake is van aanvaardbare risico’s.

Op dit moment wordt bezien welke wettelijke aanpassingen nodig zijn om het beleid ten aanzien van een risicobeoordeling van afvalstoffen op ZZS verdergaand juridisch te verankeren, ook bij bedrijven die meldingsplichtig zijn.

De Handreiking Risicoanalyse ZZS in afvalstoffen als achtergrond document bij het LAP3 hoofdstuk B.14, strekt tot nadere uitwerking van de aspecten die in een dergelijke risicoanalyse moeten worden betrokken. De handreiking is zowel bedoeld voor bedrijven die afvalstoffen met ZZS (willen) verwerken, als voor het bevoegd gezag om de beoogde verwerking te beoordelen. Deze risicoanalyse is nodig als ZZS in afvalstoffen voorkomen boven een in het LAP genoemde concentratiegrenswaarde (CGW) en noch de betreffende minimumstandaard uit het LAP, noch de Europese stoffenwetgeving op de beoogde toepassing of verwerking van (afval met) de ZZS toeziet.

De Ra is niet voor elk moment in de afvalverwerkingsketen benodigd. Pas als sprake is van een mechanische, fysische en/of chemische handeling die gericht is op het maken van een product, halffabricaat of afvalstof die t.b.v. een toepassing op de markt wordt gebracht, is een Ra aan de orde als aan bepaalde randvoorwaarden is voldaan. Dit geldt ook voor een mechanische, fysische en/of chemische handeling waarbij het verwerkte afval ook daadwerkelijk conform de beoogde toepassing wordt afgezet (bijvoorbeeld in de vorm van een product dat op de markt wordt gebracht of een toepassing als vulstof). In het geval van op- en overslag, een mechanische of fysische behandeling zoals verkleinen, wassen of breken, is een Ra derhalve niet aan de orde.

Indien een inrichting een verwerking verricht die plaatsvindt op een moment waarop eventueel een Ra aan de orde is, dient te worden beoordeeld welke ZZS in de afvalstroom of afvalstromen aanwezig zijn en in welke concentratie. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit een meting of de meest recente versie van het Rapport Inventarisatie ZZS in afvalstoffen, SGS Intron (thans december 2019). Verder dient eventueel op basis van informatie verkregen van de inrichting te worden beoordeeld welke ZZS nog meer aanwezig zijn in de afvalstromen die de inrichting verwerkt. Hierbij kan het bevoegd gezag mogelijk verlangen dat de aanwezigheid van andere ZZS wordt onderzocht indien daar aanleiding toe bestaat.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of de REACH- of de POP-verordening of een minimumstandaard van een sectorplan van LAP3 reeds toeziet op de verwerking van de afvalstof met deze ZZS, of bepalingen kent ten aanzien van het in de handel brengen of het gebruik van de ZZS.

Slechts als aan de volgende criteria is voldaan, is een Ra aan de orde:

De minimumstandaard voor de afvalstof ziet niet toe op de ZZS

REACH en POP zien niet al toe op het op de markt brengen van de ZZS of ZZS-houdende producten of materialen, noch op de verwerking van de afvalstof met ZZS

Dit laatste houdt in dat een Ra alleen aan de orde kan zijn in het geval van verwerking met als doel nuttige toepassing of in geval van een beoordeling bijproduct of einde-afvalstof voor:

Afvalstoffen met ZZS van de kandidaatslijst van REACH

Afvalstoffen met ZZS die voorkomen op de restrictielijst van REACH, maar die worden toegepast op een wijze waarop de restricties niet toezien

Afvalstoffen met stoffen van de autorisatielijst van REACH, maar waarvan wordt beoogd een voorwerp te maken

Afvalstoffen die overige ZZS bevatten. Dit zijn stoffen die niet voorkomen in de POP-verordening of de autorisatielijst-, restrictielijst-, of kandidaatslijst van REACH.

Ten aanzien van de criteria voor een Ra geldt verder dat een Ra alleen aan de orde is als de ZZS in een afvalstof of materiaal aanwezig is boven een bepaalde concentratiegrenswaarde (CGW). Deze CGW is in principe 0,1% g/g (1.000 mg/kg), tenzij een afwijkende waarde is vastgesteld in tabel 17 van bijlage 11 van LAP3. Hierbij is overigens opgemerkt dat specifiek beleid, zoals het beleid voor het mengen van afval tot bouwstoffen, van toepassing kan zijn en beperkingen kan stellen aan de beoogde verwerking.

Tot slot dient, voor de beantwoording van de vraag of de verwerkingshandeling kan worden toegestaan, te worden beoordeeld of het technisch of economisch niet mogelijk is om de ZZS uit het materiaal te vernietigen of af te scheiden en het materiaal dan zonder ZZS of met heel lage gehalten ervan alsnog voor recycling of nuttige toepassing in te zetten. Indien dat het geval is, wordt de inzet van ZZS-houdend materiaal niet toegestaan zonder deze reinigingsstap.

Als het technisch of economisch niet mogelijk is de ZZS te verwijderen, dan dient u middels een Ra aan te tonen dat er geen onaanvaardbare risico’s verbonden zijn aan de boogde inzet van het materiaal.

Voor de beoordeling en toepassing van de begrippen “technisch en economisch mogelijk” en “gehalte” wordt verwezen naar paragraaf 3.5 van de Handreiking risicoanalyse ZZS, Rijkswaterstaat, versie 1.0 (november 2018).

Mengen van afvalstoffen met ZZS

De basis van het algemene mengbeleid is artikel 18 van de Kaderrichtlijn Afvalstoffen (Kra). Hierin is vastgelegd dat lidstaten maatregelen moeten nemen om ervoor te zorgen dat gevaarlijke afvalstoffen niet worden gemengd met andere categorieën van gevaarlijk afvalstoffen, noch met andere afvalstoffen, stoffen of materialen, en ook niet worden verdund.

Nationaal is dit wettelijk uitgewerkt in onder andere artikel 10:54a van de Wet Milieubeheer (Wm) en art. 2.12 Abm, welk laatste artikel op type A, B en C inrichtingen van toepassing is. Artikel 2.12 Abm is verder uitgewerkt in artikel 2.9 van de Activiteitenregeling (Arm). In bijlage 11 van de Arm zijn de categorieën afvalstoffen te vinden zoals bedoeld in art. 10.54a Wm.

Het wettelijke kader voor mengen is verder uitgewerkt in hoofdstuk D.4 van LAP3. Nu het zonder daartoe strekkende vergunning op grond van art. 10.54 Wm verboden is om menghandelingen uit te voeren van gevaarlijke afvalstoffen, vormt dit beleid het toetsingskader voor het vergunnen van menghandelingen met gevaarlijke afvalstoffen en de op te nemen voorschriften (ook in geval van een Omgevingsvergunning Beperkte Milieutoets).

Een menghandeling kan alleen worden toegestaan indien aan de volgende cumulatieve voorwaarden wordt voldaan:

  • 1.

    Het mengen leidt niet op enig moment tot blootstelling van mens of milieu aan ZZS;

  • 2.

    Het mengen staat verwerking conform de minimumstandaard van de te mengen afvalstoffen niet in de weg;

  • 3.

    Het mengen leidt op het niveau van de inrichting niet tot onaanvaardbare consequenties voor milieu, veiligheid en/of gezondheid.

Wat betreft het eerste punt geldt tevens dat het mengen van ZZS-houdende afvalstoffen niet strijdig met REACH of POP mag zijn, en dat het mengen ook niet is toegestaan als het afvalstoffen betreft die op basis van bijlage F.5 van LAP3 gescheiden gehouden dienen te worden.

Voor sommige specifieke situaties heeft het mengbeleid specifieke toetsingskaders beschreven voor de beoordeling van de vraag of de menghandeling kan worden toegestaan. Twee belangrijke situaties zijn mengen ten behoeve van bouwstoffen en mengen ten behoeve van immobilisaten (vormgegeven bouwstof).

5.5. Registratie

De aanvrager verkrijgt met deze vergunning de mogelijkheid om meer afvalstoffen van buiten de inrichting te ontvangen. Op grond van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen moet de inrichting de ontvangst van afvalstoffen melden. Voor een effectieve handhaving van het afvalbeheer is het van belang om registratieverplichtingen op te nemen (art. 5.8 Bor). In de vergunning met kenmerk 545529, 13 januari 2004 zijn deze voorschriften opgenomen. Enkele van deze voorschriften (voorschriften 3.1.1 en 3.1.2) zijn verouderd, daarom worden de voorschriften vervangen door voorschriften 2.6.1 en 2.6.2, tevens worden aanvullende voorschriften gesteld.

Verdergaand met de ontwikkelingen op het gebied van ZZS worden na de eerste informatieopvraag nu ook aanvullende voorschriften verbonden aan de vergunning m.b.t. een plan van aanpak voor de omgang hiermee.

5.6. Conclusie

Gelet op het bovenstaande zijn wij van mening dat de aangevraagde activiteiten in overeenstemming zijn met het geldende afvalbeheersplan en daarmee bijdragen aan een doelmatig beheer van afvalstoffen.

6. Afvalwater 

6.1. Toetsingskader

De aangevraagde lozingen vallen onder de “Instructieregeling lozingsvoorschriften milieubeheer”.

In het kader van deze regeling moeten voorschriften opgenomen worden die gericht zijn op de bescherming van het openbaar riool, een zuivering technisch werk of de bij een zodanig openbaar riool of zuivering technisch werk behorende apparatuur. Verder moeten voorschriften opgenomen worden, die bepalen dat het afvalwater van dien aard moet zijn dat de kwaliteit van het rioolslib er niet door wordt aangetast zodat de verwerking van dit slib niet wordt belemmerd. Daarnaast dienen voorschriften te worden opgenomen die bepalen dat het afvalwater van dien aard moet zijn dat de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk worden beperkt. De genoemde voorschriften zijn in deze vergunning opgenomen.

Binnen de inrichting is er sprake van lozingen waarvoor afdeling 2.1 over de zorgplichtbepaling en afdeling 2.2 over lozingen van het Activiteitenbesluit rechtsreeks gelden. Het betreft de volgende activiteiten:

Het lozen van afvalwater van de tankplaats;

Opslag van goederen op het buitenterrein;

Het lozen van afvalwater van huishoudelijke aard.

Dergelijke lozingen moeten voldoen aan de eisen van het Activiteitenbesluit en hierover mogen geen voorschriften worden opgenomen in de omgevingsvergunning.

Het afvalwater afkomstig van gevaarlijke afvalstoffen op het buitenterrein is niet geregeld in het Activiteitenbesluit. Bij besluit 545529, 13 januari 2004 en besluit WF.03/2214/B, 3 februari 2004 zijn deze stromen gedeeltelijk vergund. Met de uitbreiding van het terrein is het van belang dat de normstellingen voor de voorzieningen in de voorschriften vernieuwd worden.

In de inrichting worden materialen op- en overgeslagen en bewerkt die mogelijk zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) kunnen bevatten. Het Wetterskip Fryslân adviseerd om voor ZZS voorschriften op te nemen. Het hemelwater dat vanaf het nieuwe terreingedeelte geloosd wordt kan daardoor verontreinigd zijn met ZZS. Dit zijn stoffen die zijn geclassificeerd als de meest gevaarlijke stoffen voor mens en milieu die met voorrang aangepakt moeten worden. Het streven is om ZZS uit de leefomgeving te weren.

Het landelijk waterkwaliteitsbeleid is er op gericht om ZZS met een combinatie van bronaanpak, minimalisatie van de restlozing en continue verbetering aan te pakken. PreZero dient te voorkomen dat de bronnen in contact komen met het hemelwater dat op het buitenterrein valt. Het nieuwe terreingedeelte is voorzien van een vloeistofdichte vloer. Het hemelwater afkomstig van dit terreingedeelte wordt via een voorziening op het gemeentelijk vuilwaterriool geloosd.

De op het terrein opgeslagen stoffen bestaan uit inerte en niet-inerte goederen.

6.2. Beoordeling en conclusie

Door nieuwe wetgeving en het veranderen van normstellingen moeten de voorschriften 4.1.1, 4.2.1 en 4.3.1 van Besluit 545529, 13 januari 2004, als ook voorschriften 3, 4, 5, 6 en 7 van besluit WF.03/2214/B, 3 februari 2004 vervangen worden. In dit besluit aangeduid als voorschriften 3.1.1, 3.1.2 en 3.1.3.

Conform het landelijk beleid voor de aanpak ZZS moet een lozer verplicht iedere vijf jaar rapporteren over de getroffen maatregelen om de emissies van ZZS te verminderen en de technieken die op de markt beschikbaar zijn gekomen om verdere invulling aan de minimalisatie te geven. In overeenstemming met het advies van het Wetterskip Fryslan worden voorschriften 3.2.1 en 3.2.2 aan het besluit verbonden.

De in de aanvraag vermelde maatregelen ter voorkoming en beperking van lozing van afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen, zullen naar verwachting leiden tot een acceptabel lozingsniveau, dat in overeenstemming is met genoemde doelstellingen. Wij achten deze situatie vergunbaar.

7. Bodem

7.1. Het kader voor de bescherming van de bodem

Het (nationale) preventieve bodembeschermingsbeleid is vastgelegd in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB). Het uitgangspunt van de NRB is dat door een combinatie van voorzieningen en maatregelen (cvm) een verwaarloosbaar bodemrisico wordt gerealiseerd. Alleen in bepaalde bestaande situaties kan conform de NRB onder voorwaarden volstaan worden met een aanvaardbaar bodemrisico.

Op basis van de NRB worden de (voorgenomen) activiteiten beoordeeld en wordt bepaald welke combinatie van voorzieningen en maatregelen noodzakelijk is om tot een verwaarloosbaar bodemrisico te komen. Daarbij richt de NRB zich op de normale bedrijfsvoering en voorzienbare incidenten. Bodembescherming in situaties van calamiteiten wordt in het kader van de NRB niet behandeld. Een eventuele calamiteitenopvang die onlosmakelijk deel uitmaakt van de installatie, bijvoorbeeld in de vorm van een tank of opvangbassin, is wel een activiteit waar de NRB in voorziet. Tankputten en calamiteitenvijvers voor de opslag van verontreinigd bluswater worden in de NRB niet behandeld.

7.2. De bodembedreigende activiteiten

Met de uitbreiding van de inrichting worden de volgende mogelijk bodembedreigende activiteiten toegevoegd op het buitenterrein:

  • Op- en overslag en grof sorteren afvalstoffen;

  • Bewerken (verkleinen) afvalstoffen;

  • Opstelplaats volle containers;

  • Op- en overslag en ontwateren RKG-slib;

  • Bedrijfsriolering nieuw.

De inrichting treft hiervoor de volgende voorzieningen om tot een verwaarloosbaar bodemrisico te komen:

  • Vloeistofdichte voorziening;

  • Aandacht voor gecontroleerde afvoer van regenwater/percolaat;

  • Aandacht voor putten, slibvanger/olieafscheider verbindingen, ontvangpunten.

7.3. Beoordeling en conclusie

Wij hebben het bij de aanvraag gevoegde bodemrisicodocument beoordeeld en stemmen in met de opzet, de uitgangspunten en de resultaten. Uit het document blijkt dat voor alle bodembedreigende activiteiten het verwaarloosbaar bodemrisico wordt behaald. Het onderhoud en inspectie wordt vormgegeven in afdeling 2 van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Tevens merken wij op dat de normstellingen opgenomen in voorschriften 8.1.1, 8.1.2 en 8.1.3 van besluit met kenmerk 545529, 13 januari 2004 verwijzen naar verouderde normstellingen. Door het activiteitenbesluit zijn deze voorschriften komen te vervallen, om verwarring tegen te gaan worden de voorschriften ingetrokken.

7.4. Nulsituatieonderzoek

Het preventieve bodembeschermingsbeleid gaat ervan uit dat (zelfs) een verwaarloosbaar bodemrisico nooit volledig uitsluit dat een verontreiniging of aantasting van de bodem optreedt. Om die reden is altijd een nulsituatieonderzoek naar de kwaliteit van de bodem noodzakelijk. Het nulsituatieonderzoek richt zich op de afzonderlijke activiteiten en de daar gebruikte stoffen.

Nulsituatieonderzoek bestaat uit het vastleggen van de nulsituatie bodemkwaliteit voorafgaand aan de start van de betreffende activiteit(en). Na het beëindigen van de betreffende activiteit(en) dient een vergelijkbaar eindonderzoek te worden uitgevoerd.

Het nulsituatieonderzoek moet ten minste duidelijkheid verstrekken over:

  • de bodemkwaliteit ter plaatse van de bodembedreigende activiteiten die binnen de inrichting worden uitgevoerd. Hierbij is ook van belang dat op de stoffen wordt geanalyseerd die worden gebruikt;

  • de locatie van bemonsteringspunten rekening houdend met de mobiliteit van de gebruikte stoffen en de lokale grondwaterstroming;

  • de wijze waarop de betreffende stoffen moeten worden gedetecteerd, bemonsterd en geanalyseerd;

  • de bodemkwaliteit ter plaatse van bemonsteringslocaties.

De in het nulsituatieonderzoek vastgelegde bodemkwaliteit geldt als uitgangspunt bij de beoordeling of ten gevolge van de betreffende activiteiten verontreiniging of aantasting van de bodem heeft plaatsgevonden en of bodemherstel nodig is.

Voor het bodemonderzoek noodzakelijke werkzaamheden als vermeld in de Regeling bodemkwaliteit moeten zijn uitgevoerd door een erkende instantie als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit.

Voor de inrichting zijn de volgende documenten als aanvullende nulsituatie toegevoegd:

  • “Verkennend bodemonderzoek Snelliusweg te Leeuwarden” dd. 16 februari 2017 met kenmerk 161863;

  • “Verkennend asbestonderzoek Snelliusweg te Leeuwarden” dd. 24 april 2017 met kenmerk 170407;

  • “Verkennend bodemonderzoek ter plaatse van: Snelliusweg 4 te Leeuwarden” dd. 4 februari 2022 met kenmerk: 220061.

Met deze documenten wordt de nulsituatie voldoende vastgelegd.

7.5. Eindsituatieonderzoek en herstelplicht bij geconstateerde verontreiniging 

Na beëindiging van de activiteiten of een deel daarvan moet een eindsituatieonderzoek naar de kwaliteit van de bodem worden verricht. Indien blijkt dat sprake is van een bodembelasting als gevolg van de activiteiten, zal de bodemkwaliteit hersteld moeten worden. De voorschriften 8.2.1 en 8.2.2 van besluit met kenmerk 545529, 13 januari 2004 laten onduidelijkheden bestaan over de methode en normstelling waarmee de onderzoeken uitgevoerd moeten worden. Deze voorschriften zijn vervallen omdat het Activiteitenbesluit milieubeheer van kracht is op dit onderdeel. Om verwarring te voorkomen worden de voorschriften actief ingetrokken.

8. Energie

8.1. Landelijk Beleid

In het landelijke beleid zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer worden inrichtingen aan de hand van het jaarlijkse energieverbruik als volgt ingedeeld:

  • Kleinverbruikers: minder dan 25.000 m³ aan aardgasequivalenten én minder dan 50.000 kWh elektriciteitsverbruik;

  • Middelgrote verbruikers: tussen 25.000 en 75.000 m³ aan aardgasequivalenten en/of tussen 50.000 en 200.000 kWh elektriciteitsverbruik;

  • Grootverbruikers: meer dan 75.000 m³ aan aardgasequivalenten en/of meer dan 200.000 kWh elektriciteitsverbruik.

Voor andere energiebronnen dan elektriciteit en aardgas wordt het verbruik uitgedrukt in aardgasequivalenten door de omrekenfactoren te hanteren zoals opgenomen in artikel 2.16d van de Activiteitenregeling.

Midden- en grootverbruikers worden als energierelevant bestempeld en moeten de beste beschikbare technieken (BBT) toepassen om tot een zuinig energieverbruik te komen. Een energiebesparende maatregel moet genomen worden als de terugverdientijd vijf jaar of korter is. Verder moeten midden- en grootverbruikers 4-jaarlijks rapporteren over het energieverbruik van de inrichting en welke energiebesparende maatregelen zijn getroffen (informatieplicht energiebesparing).

Op basis van de draaiuren voor de apparaten uit het luchtonderzoek, is een afschatting gemaakt voor het verwache dieselverbruik. In het onderzoek zijn voor shovels 1675 draaiuren, kranen 1675 draaiuren en terreinwagens 520 draaiuren aangegeven. Shovels en Kranen verbruiken gevarieerd tussen de 3,5 en 22 liter per uur afhankelijk van het type en de inzet. Het verwachte gebruik valt daarmee tussen de 1675*2*3,5=11725 liter en 1675*2*22=73700 liter. Dit is vergelijkbaar met een aardgasequivalent verbruik tussen de 13.249 m3 en 83.281 m3, bij normaal gebruik zal dit overeenkomen met een middelgrote verbruiker (25.000 m3 < gasgebruik ≤ 75.000 m3).

Bovengenoemd verbruik aan dieselolie heeft alleen betrekking op installaties, werktuigen en/of transportmiddelen binnen de inrichting, zoals aangegeven in het rapport en heeft de terreinwagen en andere installaties niet meegenomen.

Hieruit blijkt dat sprake is van een middenverbruiker en dus een energierelevante inrichting.

8.2. Voorschriften voor vergunningplichtige bedrijven

Voor vergunningplichtige bedrijven geldt dat de energievoorschriften uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling niet rechtstreeks werkend zijn. Regels voor energiebesparing worden dan ook via voorschriften in de vergunning geregeld op basis van artikel 5.7 van het Bor. Dat artikel verplicht het bevoegd gezag voorschriften aan de vergunning te verbinden met betrekking tot een doelmatig gebruik van energie en grondstoffen.

Wij hebben de voorschriften over energiebesparing in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling vertaald naar vergunningvoorschriften over energiebesparing en dit als actualisering opgenomen in de vergunning. Daarmee zijn de energiebesparingsverplichtingen voor uw inrichting op hetzelfde niveau als de verplichtingen die gelden voor niet-vergunningplichtige middenverbruikers waarvoor de energie-voorschriften uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling gelden.

Voor het selecteren van energiebesparende maatregelen kan gebruik worden gemaakt van de erkende maatregelenlijsten (EML’s) die zijn opgenomen in bijlage 10 van de Activiteitenregeling. Indien alle vermelde maatregelen bij een geselecteerde activiteit zijn getroffen, wordt voor die activiteit voldaan aan de verplichting tot het uitvoeren van maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of korter.

9. Externe veiligheid

9.1. Algemeen

Binnen de inrichting zijn de volgende gevaarlijke stoffen aanwezig:

  • Diesel in een bovengrondse tank.

De processen, de aard en hoeveelheid van de gebruikte gevaarlijke stoffen zoals vermeld in de aanvraag, kunnen effecten veroorzaken naar de omgeving.

Deze risico's worden voldoende afgedekt door het voldoen aan de van toepassing zijnde richtlijnen voor de opslag van gevaarlijke stoffen, voor de diesel is dit de PGS 30

9.2. Bouwbesluit 2012

Het Bouwbesluit 2012 regelt onder andere het brandveilig gebruik van bouwwerken, het brandveilig opslaan van brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen, het brandveilig opslaan van kleine hoeveelheden brand- en milieugevaarlijke stoffen en de aanwezigheid, controle en onderhoud van brandbestrijdingssystemen voor de hiervoor bedoelde situaties.

9.3. Opslag gevaarlijke en brandbare afvalstoffen

Het externe veiligheidsbeleid in Nederland is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van activiteiten voor de omgeving (mens en milieu). Het gaat hierbij onder meer om de risico's die verbonden zijn aan de opslag en het gebruik van gevaarlijke stoffen.

Zoals in het NMP4 (Vierde Nationaal Milieubeleidsplan) is aangegeven, is de basis van het huidige risicobeleid dat het gevaar van een activiteit acceptabel is wanneer:

  • het plaatsgebonden risico niet hoger is dan is genormeerd;

  • de kans op een groot ongeluk met veel slachtoffers kan worden verantwoord (het groepsrisico).

Het plaatsgebonden risico (PR) is een maatstaf om te bepalen welke afstand nodig is tussen de risicodragende activiteit en de bebouwde omgeving.

Voor de opslag van gevaarlijke en brandbare afvalstoffen is bij deze inrichting niet sprake van een bedrijf welke valt onder het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen of een BRZO-inrichting. Desondanks zal een eventuele brand leiden tot veel geuroverlast en de onbedoelde verspreiding van stof naar de omgeving. Bij de aanvraag is verzocht om de brandveiligheid van de vakken op het buitenterrein te onderzoeken om de kans op het volledig afbranden van het buitenterrein te verminderen.

Bij besluit 00909767, 13 augustus 2010 zijn de bestaande voorschriften voor folie met eisen aan de compartimentering van besluit 545529, 13 januari 2004 omgezet naar maatwerk. Deze voorschriften staan de nieuwe opzet niet toe. Daartoe worden maatwerkvoorschriften 5.1.2 tot en met 5.1.8 van besluit 00909767, 13 augustus 2010 ingetrokken.

Om de brandveiligheid te garanderen adviseert brandweer Fryslân om hiervoor voorschriften op te nemen. Op het buitenterrein wordt de inrichtinghouder op basis van artikel 2.1, tweede lid, onder l, juncto vierde lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer verplicht om de indeling van het buitenterrein te laten voldoen aan de limitaties uit de notitie met kenmerk 5002-1-01 dd. 2 februari 2022. Dit is opgenomen in maatwerkvoorschriften 6.1.1 en 6.1.2. Het doel van de maatwerkvoorschriften is de impact op de omgeving bij een eventuele brand te limiteren.

10. Geluid

10.1. Algemeen

De bedrijfsactiviteiten hebben tot gevolg dat geluid wordt geproduceerd. Deze geluidsemissie wordt vooral veroorzaakt door met name mobiele bronnen. De veroorzaakte geluidsbelasting in de omgeving en de perioden waarin deze optreedt, is in kaart gebracht in het rapport van het akoestisch onderzoek ‘PreZero Recycling Services Noord B.V. Snelliusweg 4, Leeuwarden’ welke is opgesteld door akoestisch buro Tideman met kenmerk 21.158.01 versie 01 van 29 oktober 2021.

Het geluid wordt beoordeeld op basis van de representatieve bedrijfssituatie (de geluidsemissie die de inrichting onder normale omstandigheden veroorzaakt). Beoordeeld worden de geluidsbelasting, de maximale geluidsniveaus en de indirecte hinder als gevolg van het in werking zijn van de inrichting. De inrichting ligt op het bedrijventerrein "Newtonweg" te Leeuwarden.

10.2. Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau

In het kader van de beoordeling of de inrichting niet op ontoelaatbare wijze geluidshinder teweegbrengt is gebruikgemaakt van de "Handreiking industrielawaai en vergunningverlening, oktober 1998".

De gemeente Leeuwarden heeft geen beleid ten aanzien van industrielawaai vastgesteld.

Wij toetsen daarom het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vanwege de inrichting aan de normstelling uit hoofdstuk 4 van de Handreiking.

De woonomgeving buiten het bedrijventerrein kan worden gekarakteriseerd als een woonwijk in de stad. Hiervoor geldt een richtwaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde.

In de aanvraag zijn activiteiten aangevraagd voor zowel de dag-, avond- als nachtperiode.

De meest nabij gelegen woningen buiten het bedrijventerrein liggen op een afstand van meer dan 600 meter van de inrichting. Uit de resultaten van het akoestisch onderzoekt blijkt dat het immissieniveau ter plaatse van de woningen buiten het bedrijventerrein ten hoogste 39 dB(A) etmaalwaarde bedraagt. Hiermee wordt de richtwaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde niet overschreden.

Het is niet zinvol om geluidniveaus te gaan vergunnen ter plaatse van de woningen buiten het bedrijventerrein vanwege de grote afstand. Op het bedrijventerrein zijn geen bedrijfswoningen gelegen. Daarom zijn een viertal referentiepunten op een afstand van 100 meter van de inrichting gelegd. De berekende waarden op deze referentiepunten zijn in de voorschriften vastgelegd.

10.3. Maximaal geluidsniveau (LAmax)

De grenswaarden voor de maximale geluidsniveaus bedragen 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Bij woningen buiten het bedrijventerrein bedragen de optredende maximale geluidniveaus ten hoogste 53, 54 en 54 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Hiermee wordt ruim voldaan aan de grenswaarden.

10.4. Indirecte Hinder

Het geluid van het verkeer van en naar de inrichting over de openbare weg is beoordeeld volgens de circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer" d.d. 29 februari 1996.

In de directe omgeving zijn geen woningen van derden gelegen. De vrachtwagens die komen en gaan zijn reeds opgenomen in het heersend verkeersbeeld. In de milieuvergunning wordt geen voorschrift opgenomen met betrekking tot indirecte hinder.

11. Geur

11.1. Landelijk beleid

Het Nederlandse geurbeleid is opgenomen in artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit en in de Handleiding geur: bepalen van het aanvaardbaar hinderniveau van industrie en bedrijven (niet veehouderijen). Als algemene doelstelling geldt het zoveel mogelijk beperken van bestaande hinder en het voorkomen van nieuwe hinder. Daarbij staat het afwegingsproces voor het vaststellen van het aanvaardbaar hinderniveau centraal. Het aanvaardbaar hinderniveau wordt per situatie vastgesteld en zo nodig op grond van het Activiteitenbesluit als maatwerkvoorschrift aan de vergunning verbonden. Alleen als de emissies van de inrichting in het Activiteitenbesluit uitgezonderd zijn, worden de geuremissies in de vergunning beoordeeld.

Het bevoegd gezag bepaalt welke mate van hinder als aanvaardbaar wordt beschouwd. Als leidraad voor het afwegingsproces dat daarbij doorlopen wordt, geldt de hindersystematiek Geur. Deze hindersystematiek, die is vastgelegd in hoofdstuk 3 van de Handleiding geur, benoemt de verschillende aspecten die in het afwegingsproces moeten worden meegenomen om te komen tot een zorgvuldige bepaling van het aanvaardbaar hinderniveau. De aspecten die bij het vaststellen van het aanvaardbaar hinderniveau worden meegewogen zijn eveneens opgenomen in het derde lid van artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit.

Maatregelen ter bestrijding van geurhinder moeten worden bepaald in overeenstemming met het BBT-principe (de Best Beschikbare Technieken moeten worden toegepast). Voor een aantal activiteiten zijn in het Activiteitenbesluit voorschriften opgenomen.

11.2. Provinciaal beleid

Op 12 november 2019 zijn de beleidsregels geur voor Friese bedrijven vastgesteld. Deze “Beleidsregels geur Bedrijven Fryslân 2019” zijn op 20 november 2019 gepubliceerd. Geuremissie toetsen wij aan dit vastgestelde beleid.

11.3. Beoordeling geurhindersituatie

11.3.1. Omschrijving aangevraagde situatie

Geurrelevante processen

Binnen de inrichting ontstaat geuremissie als gevolg van de opgeslagen afvalstoffen en bewerking van de afvalstoffen.

Geurbronnen

De volgende geurbronnen zijn binnen de inrichting aanwezig:

  • de opslag en overslag losgestorte afvalstromen;

  • het shedderen (verkleinen) van per jaar maximaal 20.000 ton afvalstoffen, waarvan per jaar maximaal 5.000 ton groenafval (snoeihout).

Geurreducerende maatregelen

In de mer aanmeldnotitie worden voor bederfelijke afvalstofstromen maximale verblijfstijden aangegeven. Het mer beoordelingsbesluit geeft aan dat deze opslagtijden mitigerende maatregelen zijn.

  • Huishoudelijk restafval, restafval van bedrijven en organisch bedrijfsafval worden in de hal op- en overgeslagen;

  • Uitgezonderd groenafval (Eural 20.02.01), worden geurende afvalstromen binen drie werkdagen na ontvangst afgevoerd;

  • Los gestort groenafval is maximaal vier weken in opslag. Daarna wordt het materiaal afgevoerd of geschredderd. Geschredderd groenafval ligt maximaal een week in opslag.

11.3.2. Ligging van de inrichting en geurgevoelige objecten in de omgeving

De inrichting is gelegen op een industrieterrein die bestemd is voor bedrijven in de categorie 4 of hoger volgens de VNG brochure Bedrijven en Milieuzonering. De afstand tot de meest nabijgelegen woning is circa 700 meter, ten zuiden van de locatie. Ten oosten van de locatie op circa 800 meter is een woonwijk gelegen.

11.3.3. Toetsing

Uit het bij de aanvraag gevoegde informatie blijkt dat er geuremissie ontstaat door de aangevraagde activiteiten. Het bedrijf heeft maatregelen genomen om de geuremissie te beperken. De hoeveelheid opgeslagen geurende afvalstoffen en de opslagduur zijn gemaximeerd. Hiermee wordt geurhinder naar de omgeving voorkomen. Mede gezien de afstand (>700 meter) tot de dichtstsbij zijnde woningen wordt er bij deze geurgevoelige objecten geen geurhinder verwacht.

11.4. Conclusie

De maatregelen, tevens aangegeven in het mer beoordelingsbesluit, worden op basis van artikel 7.20a, eerste lid, juncto artikel 7.16, vierde lid, van de Wet milieubeheer als voorschriften 8.1.1 tot en met 8.1.3 verbonden aan de vergunning.

12. Lucht

12.1. Toetsingskader

Het algemeen luchtbeleid is gericht op het voorkomen dan wel zo veel mogelijk beperken van emissies naar de lucht door het toepassen van de beste beschikbare technieken (BBT) en het voldoen aan de luchtkwaliteitseisen van bijlage 2 van de Wet milieubeheer.

Luchtemissies voor inrichtingen worden in beginsel gereguleerd door de algemene regels van het Activiteitenbesluit. Zo bevat Afdeling 2.3 van het Activiteitenbesluit regels voor stoffen met een minimalisatieverplichting, emissiegrenswaarden, geur en monitoring.

Voorts bevat het Activiteitenbesluit in Afdeling 2.11 en de hoofdstukken 3 en 5 (lucht)regels voor specifieke activiteiten, zoals bijvoorbeeld stookinstallaties. Deze eisen zijn rechtstreeks geldend en daarom niet in deze vergunning opgenomen.

Het Activiteitenbesluit biedt de mogelijkheid om in bepaalde gevallen en onder bepaalde voorwaarden bij maatwerkvoorschrift af te wijken van de algemene regels.

Indien en voor zover voor luchtemissies van IPPC-installaties BBT-conclusies zijn vastgesteld, gelden de algemene regels van Afdeling 2.3 echter niet (met uitzondering van de minimalisatieverplichting voor zeer zorgwekkende stoffen). Voor deze luchtemissies worden voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden die aansluiten bij de BBT-conclusies.

In deze vergunning wordt specifiek ingegaan op de luchtemissies van de inrichting. Naast de toetsing aan de beste beschikbare technieken en Activiteitenbesluit wordt beoordeeld of de emissienormering van het Activiteitenbesluit toereikend is of dat er maatwerkvoorschriften moeten worden gesteld. Tevens wordt er getoetst aan de kwaliteitseisen uit Bijlage 2 van de Wm.

Bij PreZero Leeuwarden vinden de volgende activiteiten plaats die relevante emissies naar de lucht tot gevolg hebben:

  • Transportbewegingen (aan- en afvoer afvalstoffen, personenwagens van personeel);

  • Inzet van mobiele werktuigen;

  • Emissie van bewerkingen en bewerkingsinstallaties.

Het effect van de bedrijfsactiviteiten van de inrichting op de luchtkwaliteit is onderzocht en vastgelegd in het luchtkwaliteitsonderzoek ‘Milieuonderzoeken herontwikkeling PreZero - Leeuwarden in Leeuwarden, Onderzoek luchtkwaliteit en stikstofdepositie, kenmerk R060675aa.21ESMWB.djs d.d. 29 januari 2023’. Het luchtkwaliteitsonderzoek is opgenomen als bijlage bij de aanvraag.

12.2. Diffuse emissies

Binnen de inrichting is sprake van diffuse emissies afkomstig van de volgende activiteiten: Stikstofemissies van voertuigen, mobiele werktuigen en bewerkingsinstallatie (houtbreker, shredder en balenpers); stofemissies van opslag en be-/verwerking (sorteren, verkleinen, balen) van vaste bulkgoederen (afvalstoffen).

12.2.1. Vaste bulkgoederen

Uit bij de aanvraag behorende ‘Milieuonderzoeken herontwikkeling PreZero - Leeuwarden in Leeuwarden, Onderzoek luchtkwaliteit en stikstofdepositie, kenmerk R060675aa.21ESMWB.djs d.d. 29 januari 2023’ blijkt welke activiteiten stuifgevoelig zijn en welke emissiebeperkende maatregelen toegepast worden per activiteit.

Handelingen met inerte vaste bulkgoederen vallend onder het Activiteitenbesluit

Voor de overslag, opslag, laden, lossen, transport, van de inerte goederen (waaronder A-hout(snippers))is paragraaf 3.4.3 (artikel 3.32, 3.37-t/m 3.39) van het Activiteitenbesluit van toepassing. Uit de aanvraag blijkt dat aan deze bepalingen wordt voldaan.

Overige handelingen met inerte vaste bulkgoederen en handelingen met niet-inerte vaste bulkgoederen

Voor de diffuse stofemissies van de be-/verwerking van vaste inerte bulkgoederen anders dan overslag, opslag, laden, lossen, transport en voor diffuse stofemissies van op- overslag, laden -en lossen, transporteren en verwerking van vaste niet-inerte bulkgoederen gelden de regels van het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling niet.

De verandering beoogt het shredderen van diverse afvalstoffen. Zo wordt o.a. per jaar maximaal 30.000 ton A-/B-hout gebroken met een (mobiele) houtbreker en maximaal 20.000 ton afval geshredderd worden met behulp van een (mobiele) shredder.Bij het houtbreken en shredderen komt stof vrij. De stofemissie wordt op de volgende wijze beperkt:

  • Er wordt water gebracht op het shredderproces. De installatie is daartoe voorzien van aansluitpunten voor het toedienen van water;

  • Zo nodig (bij droge weersomstandigheden) kan het terrein worden bevochtigd.

Het bevoegd gezag kan op basis van artikel 2.7 tweede lid van het Activiteitenbesluit in een maatwerkbesluit maatregelen vastleggen om diffuse stofemissies te beperken. Van deze mogelijkheid maken wij gebruik.

De maatwerkvoorschriften worden op grond van artikel 8.42 van de Wet milieubeheer vastgelegd.

Wij stellen middels dit besluit maatwerkvoorschiften op voor het beperken van diffuse stofhinder door het houtbreken en het shredderen van inerte en niet inerte stoffen en op-/overslag van niet inerte stoffen. In de maatwerkvoorschriften zal BBT worden voorgeschreven om diffuse emissie van stof te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.

12.3. Zeer zorgwekkende stoffen (ZSS)

Er wordt binnen de inrichting A-en B-hout en diverse afvalstoffen verkleind met een (mobiele) houtbreker en een (mobiele) shredder.

Bij A-hout gaat het om ongeverfd en onbehandeld hout. Bij B-hout gaat het om geverfd, gelakt en/of verlijmd hout, ook spaanplaat. In B-hout kunnen minimalisatieverplichte zeer zorgwekkende stoffen voorkomen, zoals o.a. kobaltzouten en arseenverbindingen uit verf. In spaanplaat / OSB kan formaldehyde voorkomen.

Ook in de afvalstoffen kunnen zeer zorgwekkende stoffen aanwezig zijn. In bijvoorbeeld kunststoffen kunnen stabilisatoren en de meest voorkomende weekmakers en vlamvertragers voorkomen.

Voorschriften van artikel 2.4 van het Activiteitenbesluit en behorende Activiteitenregeling gelden, waaronder de minimalisatieverplichting.

De minimalisatieverplichting houdt in dat iedere vijf jaar aan het bevoegd gezag gerapporteerd moet worden over de mate waarin emissies van zeer zorgwekkende stoffen naar de lucht plaatsvinden en de mogelijkheden om die emissies te voorkomen c.q. te beperken.

12.4. Luchtkwaliteit

In Titel 5.2 Wet milieubeheer en de bijbehorende bijlage 2 bij de Wet milieubeheer zijn grens- en richtwaarden gesteld aan de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht op leefniveau, die wij als toetsingscriteria moeten hanteren.

De inrichting emitteert een aantal stoffen waarvoor deze grenswaarden gelden, te zwaveldioxide, stikstofdioxide, zwevende deeltjes (fijnstof: PM2,5 en PM10). De concentraties van fijnstof (PM2,5 en PM10) en stikstofdioxide (NO2) zijn in de Nederlandse situatie het meest kritisch ten opzichte van de grenswaarden.

De inrichting heeft voor deze stoffen een immissietoets uitgevoerd. Dit is opgenomen in de aanvraag: ‘Milieuonderzoeken herontwikkeling PreZero - Leeuwarden in Leeuwarden, Onderzoek luchtkwaliteit en stikstofdepositie, kenmerk R060675aa.21ESMWB.djs d.d. 29 januari 2023’ .

Op grond van artikel 5.16 lid 1 van de Wet milieubeheer kan de vergunning alleen worden verleend, als aannemelijk gemaakt kan worden dat voldaan wordt aan (minimaal) één van de volgende criteria:

  • a.

    er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde

  • b.

    er is - al dan niet per saldo - geen verslechtering van de luchtkwaliteit

  • c.

    de bijdrage aan de concentratie van een stof is ‘niet in betekenende mate' (NIBM)

  • d.

    het project is genoemd of past binnen het NSL of binnen een regionaal programma van maatregelen.

Op basis van verspreidingsberekeningen concluderen wij dat voldaan wordt aan de grenswaarden in Bijlage 2 van de Wet milieubeheer.

12.5. PRTR-verslag

Aangezien er binnen de inrichting activiteiten worden uitgevoerd als bedoeld in Bijlage I van de EG-Verordening PRTR, geldt dat conform titel 12.3 van de Wm een elektronisch PRTR-verslag moet worden ingediend.

Op grond van artikel 12.20 lid 1 Wm geldt dat de vergunninghouder de emissies (jaarvrachten) moet rapporteren.

12.6. Eindconclusie aspect lucht

Wij zijn van oordeel dat uit de aanvraag blijkt dat er voldoende maatregelen worden toegepast c.q. zullen worden toegepast om luchtemissies te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. De aangevraagde situatie is daarmee vergunbaar. Wij hebben in de vergunning voorschriften opgenomen om diffuse emissie van stof te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.

13. Overige aspecten

13.1. Overige voorschriften

13.1.1. Contactpersoon en wijziging vergunninghouder

Voor het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van door de inrichting veroorzaakte grootschalige of grensoverschrijdende verontreinigingen moet bekend zijn wie daarop kan worden aangesproken. Deze persoon tezamen met zijn plaatsvervanger moeten ten alle tijden bereikbaar zijn. Dit voorschrift is een vervanging van voorschriften 1 en 2 van besluit WF.03/2214/B, 3 februari 2004. In dit besluit aangeduid als voorschrift 1.3.1.

13.1.2. Registratie

Voorschrift 1.3.2 van besluit 545529, 13 januari 2004 is niet meer relevant, de onderzoeken zijn inmiddels uitgevoerd en nieuwe onderzoeken moeten aan andere eisen voldoen. Wel is van belang dat de vergunningen, informatiebladen en te registreren gegevens worden bewaard. Daarom wordt voorschrift 1.3.2 van besluit 545529, 13 januari 2004 vervangen. In dit besluit aangeduid als voorschrift 1.4.1.

13.1.3. Bedrijfsbeëindiging

Voor het treffen van maatregelen om bij definitieve bedrijfsbeëindiging de nadelige gevolgen die de inrichting heeft veroorzaakt voor het terrein waarop zij was gevestigd, ongedaan te maken of te beperken voor zover dat nodig is om dat terrein weer geschikt te maken voor een volgende functie zijn voorschriften opgenomen. De voorschriften hebben betrekking op: het verwijderen van installaties en de eindsituatie bodemonderzoek. Deze voorschriften blijven gedurende 3 jaar nadat de omgevingsvergunning haar geldigheid heeft verloren, in werking.

13.2. Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob)

Wij hebben, in het kader van de Wet Bibob, de aangeleverde stukken met betrekking tot de bedrijfsvoering en de financiering getoetst. Naar aanleiding van deze toets zien wij geen aanleiding tot verdere stappen.

13.3. Ongewone Voorvallen

In artikel 17.2, eerste lid van de Wet milieubeheer is vastgelegd dat ongewone voorvallen waardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of dreigen te ontstaan door het bedrijf zo spoedig mogelijk aan ons moeten worden gemeld.

13.4. Proefnemingen

13.4.1. Proefnemingen met afvalstoffen

Een van de kernpunten van het afvalstoffenbeleid is dat de be- en/of verwerking van afvalstoffen op een zo hoogwaardig mogelijke wijze moet plaatsvinden. Het beoordelingskader daarvoor is het LAP. Om informatie te vergaren over bijvoorbeeld de technische haalbaarheid van nieuwe hoogwaardige technieken of andere be- of verwerkingsmethoden van afvalstoffen en om inzicht te krijgen in de daaraan verbonden milieu-hygiënische consequenties, kan het uitvoeren van proefnemingen van essentieel belang zijn.

Proefnemingen worden gekenmerkt door een beperkte duur (wij gaan uit van maximaal zes maanden) en een beperkte hoeveelheid afvalstoffen. Doorlooptijd en/of hoeveelheid afvalstoffen moeten echter wel voldoende zijn om de noodzakelijke informatie te kunnen vergaren.

In de aanvraag heeft aanvrager aangegeven de mogelijkheid te willen hebben om desgewenst proefnemingen uit te kunnen voeren. Wij achten dit acceptabel. Wel zijn wij van oordeel dat daaraan randvoorwaarden moeten worden gesteld en dat proefnemingen ruim voor aanvang (ten minste zes weken) bij ons voor toestemming moeten worden voorgelegd. Daartoe hebben wij voorschriften opgenomen. Tevens moet over de resultaten van de proef aan ons worden gerapporteerd.

De proefnemingen moeten plaatsvinden binnen de milieu-hygiënische randvoorwaarden van deze vergunning en mogen pas aanvangen na toestemming van ons.

Ten overvloede merken wij nog op dat indien een proef succesvol is verlopen en vergunninghouder de resultaten daarvan wil implementeren, daartoe eerst steeds zal moeten worden bezien in hoeverre een procedure op grond van de Wabo zal moeten worden doorlopen.

14. Bouwen van een bouwwerk

14.1. Inleiding

De aanvraag omgevingsvergunning voor het (ver)bouwen van een bouwwerk (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a van de Wabo) kan alleen worden verleend als deze voldoet aan de in artikel 2.10, eerste lid van de Wabo gestelde toetsingscriteria.

Een toetsing aan deze criteria heeft plaatsgevonden.

14.2. Welstand

De gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag omgevingsvergunning zijn getoetst aan de door de gemeenteraad vastgestelde criteria zoals gesteld in de gemeentelijke welstandsnota.

De aanvraag is op 9 november 2021 beoordeeld door de onafhankelijke welstandscommissie Hûs en Hiem Welstandsadvisering en Monumentenzorg (verder: de commissie). De commissie is van mening dat de aanvraag voldoet aan redelijke eisen van welstand (W21LWD629-1).

Wij nemen dit advies van de commissie over. De aanvraag voldoet aan redelijke eisen van welstand.

14.3. Bouwbesluit 2012

De gegevens en bescheiden die horen bij de aanvraag omgevingsvergunning, zijn getoetst aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012. Op grond van de ingediende stukken bij deze aanvraag is voldoende aannemelijk gemaakt dat wordt voldaan aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012.

14.4. Bouwverordening

De gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag omgevingsvergunning zijn getoetst aan de voorschriften van de Bouwverordening gemeente Leeuwarden. De aanvraag voldoet aan de voorschriften van de gemeentelijke bouwverordening.

14.5. Bestemmingsplan

De gegevens en bescheiden die horen bij de aanvraag omgevingsvergunning zijn getoetst aan het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Leeuwarden – Newtonpark 1-2-3- e.o.”. De gronden zijn voorzien van bestemming “Bedrijventerrein“ (artikel 7 van de regels) met de functieaanduiding “bedrijf tot en met categorie 5.2”.

Wij zijn van mening dat het realiseren van een opslagterrein voldoet aan de regels van de geldende bestemmingsplannen.

14.6. Overige toetsing(en) en adviezen

14.6.1. brandweer

De aanvraag en het bouwplan is beoordeeld door Brandweer Fryslân om een zgn. ‘repressief advies’ te geven. Brandweer Fryslân heeft deze mogelijkheid in het kader van bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. In een dergelijk advies komen aspecten aan bod die van belang zijn voor de basisbrandweerzorg. Hierbij valt te denken aan onder meer bereikbaarheid, beschikbaarheid van bluswater, opkomsttijden en de bestrijdbaarheid.

Zuidwestelijk van het reeds bestaande pand van Prezero is men voornemens een buitenopslag te creëren voor diverse afvalstoffen. De afvalstoffen worden hier verder verwerkt door het in het balen te persen, en/ of het te shredderen. De brandweer heeft in zijn advies gekeken naar de buiten opslag, en niet naar de reeds bestaande bouw.

Ondanks dat kan worden voldaan aan de minimale voorschriften van het Bouwbesluit, bestaan er risico’s die de regelgeving niet afdekt. De aanbevelingen die voortkomen uit het repressief advies, beperken het risico. Deze aanbevelingen zijn als ‘Nota Bene’ toegevoegd aan deze beschikking.

14.6.2. Constructeur

Uw bouwplan is door onze constructeur beoordeeld en akkoord bevonden.

De constructeur heeft nog wel een opmerking.

De berekening spitst zich met name toe op de fundering van de keermuren. Ten aanzien van het gebruik van de terreinverharding adviseert de constructeur van de aanvrager (Raadgevend Ingenieursbureau Wiertsema & Partners B.V.) om een dikker zandpakket toe te passen en een verhardingsadvies door een deskundig bedrijf te laten uitvoeren, om zettingen te beperken en de vloer vloeistofdicht te houden.

De constructeur van de aanvrager merkt op dat het terrein in het verleden bestond uit grasland, bestaand uit smalle akkersmet diepe greppels en dat er een vrij brede watergang door het terrein heeft gelopen. Watergang en greppels zijn gedempt, maar zettingsgedrag ter plaatse is onvoorspelbaar. De constructeur van de aanvrager stelt verder dat, zonder het beperken van zettingen, er scheefstand in de blokkenwanden kan ontstaan waardoor de stabiliteit van deze wanden

in het geding komen. Dit is voor de aanvrager wel een aandachtspunt.

15. CONCLUSIE 

Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op de uitbreiding van de activiteiten van een inrichting kan worden geconcludeerd, dat de omgevingsvergunning wordt verleend.

In deze beschikking zijn de voor deze activiteit relevante voorschriften opgenomen.

Bijlage 1: Milieubeheersysteem (MBS) Afvalbedrijven

  • I.

    Inleiding

    Op grond van maatregel BBT1 maatregel zoals opgenomen in de BREF/BBT-conclusies Afvalbehandeling dient ter verbetering van de algehele milieuprestaties en de controle daarop een milieubeheersysteem (MBS) te worden ingevoerd. Dit document is bedoeld ter ondersteuning voor het opstellen van een MBS. De concrete invulling en het detailniveau van het MBS is afhankelijk van de specifieke situatie (bv. Aard, omvang en complexiteit van het bedrijf en alle mogelijke milieueffecten ervan) en dient op bedrijfsniveau bepaald te worden. Zo zal een milieuzorgsysteem van een klein bedrijf minder uitgebreid zijn dan dat van een groot bedrijf. Het opstellen en toepassen van een milieuzorgsysteem vergt inspanningen en tijd maar door het toepassen van een milieuzorgsysteem kan de milieu-impact algemeen beperkt worden.

  • II.

    Beschrijving bedrijf.

    • 1.

      Beschrijving van het bedrijf:

      • a)

        N.a.w.-gegevens.

      • b)

        De IPPC categorie(ën).

  • III.

    Het milieubeleid en naleven van toepassing zijnde milieuregelgeving (BBT1) :

    • a)

      Op welke wijze is het management betrokken bij het milieubeleid.

    • b)

      Definiëren wat het milieubeleid is van het bedrijf.

    • c)

      Hoe is het milieubeleid uitgewerkt door het management en waaruit blijkt dat er sprake is van continue verbetering van de milieuprestaties.

  • IV.

    Een kwaliteitssysteem toepassen. Noodzakelijke procedures opstellen en implementeren (BBT1):

    • 1.

      Structuren van taken en verantwoordelijkheden:

      • a)

        Implementeren en uitvoeren van de procedures met bijzondere aandacht voor;

        • bedrijfsorganisatie en verantwoordelijkheid;

        • aanwerving, opleiding, bewustmaking en bekwaamheid;

        • communicatie;

        • betrokkenheid van de werknemers;

        • documentatie (bijhouden van gegevens, registraties);

        • efficiënte procescontrole;

        • onderhoudsprogramma's;

        • monitoring;

        • waarborgen van de naleving van de milieuwetgeving;

        • Interne audits (planning en wijze van uitvoeren).

      • b)

        Taken en verantwoordelijkheden: Wie is waar verantwoordelijk voor. Denk hierbij aan voorschriften uit de vergunning, onderhoudstermijnen maar ook het bijhouden van nieuwe wet- en regelgeving en het informeren van personeel hierover en het volgen van de ontwikkelingen op het vlak van schonere technologieën.

      • c)

        Wie controleert of taken door verantwoordelijke zijn uitgevoerd en eventueel opstellen corrigerende maatregelen.

      • d)

        Opstellen onderhouds- en inspectieprogramma’s.

      • e)

        Op welke wijze wordt bijgehouden/geregistreerd dat de dagelijkse, wekelijkse, maandelijkse, jaarlijkse taken en verplichtingen (uit de vergunning) zijn uitgevoerd waaronder ook de jaarlijkse elektronische verslaglegging E-PRTR.

      • f)

        Vastleggen dat het kwaliteitssysteem regelmatig wordt beoordeeld door de directie.

  • V.

    Borging en monitoring milieuaspecten

    • 1.

      Afval* (BBT 2)

      • a)

        Opstelling en invoering van procedures voor de karakterisering en preacceptatie van afval.

      • b)

        Informatie over de eigenschappen van het te behandelen afval en de afvalverwerkingsprocessen.

      • c)

        Opstelling en invoering van procedures voor de acceptatie van afval.

      • d)

        Opstelling en invoering van een traceersysteem en inventarisatie voor afval.

      • e)

        Opstelling en invoering van een kwaliteitsbeheersysteem voor de output.

      • f)

        Waarborgen van afvalscheiding.

      • g)

        Het opstellen en uitvoeren van hanterings- en overbrengingsprocedures (BBT5).

      • h)

        Inventaris in en uitgaande stromen/Afvalinput monitoren (BBT 11 en 52)

        * Er kan ook verwezen worden naar het van toepassing zijnde Acceptatie- en verwerkingsbeleid en administratieve organisatie en interne controle oftewel het A&V-beleid en AOIC. De onderdelen die niet beschreven worden in het A&V-beleid en AOIC dienen in het milieubeheerssysteem te worden beschreven.

    • 2.

      Afvalwater (BBT 3, 6, 7, 11, 19 en 20)

      Om vermindering van emissies naar water te bevorderen, is het opstellen en actueel houden van een inventaris van afvalwater, als onderdeel van het milieubeheersysteem, noodzakelijk en dienen de volgende elementen te zijn opgenomen:

      • a)

        Opstelling en invoering van procedures aangaande het afvalwater;

      • b)

        Informatie over de kenmerken van de afvalwaterstromen, zoals:

        • gemiddelde waarden en variabiliteit van debiet, pH, temperatuur en geleidbaarheid.

        • gemiddelde concentratie en belastingwaarden van de relevante stoffen en hun variabiliteit (bv. CZV/TOC, stikstofverbindingen, fosfor, metalen, prioritaire stoffen/microverontreinigingen waaronder ook ZZS);

        • gegevens over biologische verwijderbaarheid (bv. BZV, BZV/CZV-ratio, Zahn-Wellenstest, potentieel tot biologische inhibitie (bv. inhibitie van actief slib);

      • c)

        Monitoring;

      • d)

        Onderhoudsschema inspectie/controle data metingen (wettelijk dan wel op basis van verleende vergunningen).

    • 3.

      Bodem inclusief bodembeschermende voorzieningen (BBT 19).

      • a)

        Onderhoudsschema inspectie/controle data metingen bodem en bodem beschermende voorzieningen (wettelijk dan wel op basis van verleende vergunningen).

      • b)

        Registratie van uitgevoerde metingen/controles/inspecties.

    • 4.

      Energie (BBT 11 en 23)

      • a)

        opstellen van een energiebeleidsverklaring door het management:

        • onderschrijving van het engagement van het management van de vestiging dat de onderneming werkt aan een optimale(re) energie-efficiëntie;

        • creëert het noodzakelijk draagvlak voor de implementatie van de energiebeheermaatregelen.

      • b)

        aanstellen van een energiecoördinator:

        • wordt aangesteld door het management;

        • coördineert het te volgen energiebeleid binnen de onderneming en ziet toe op een verantwoord (duurzaamheids) beleid bij nieuwbouw, aanpassing bestaande gebouwen, vervanging en aanpassing van installaties en vervoermiddelen;

        • is verantwoordelijk voor de communicatie (in beide richtingen) rond het energiebeleid en de daaruit voortvloeiende activiteiten.

      • c)

        Energieverbruik monitoren en registreren.

    • 5.

      Geluid (BBT 17)

      • a)

        Beheerplan geluid- en trillingen.

    • 6.

      Geur (BBT 8, 10 en 12)

      • a)

        Monitoring;

      • b)

        Geurbeheerplan.

    • 7.

      Lucht (BBT 8 en 27 )

      • a)

        Informatie over de kenmerken van de afgassen waaronder ook ZZS;

      • b)

        Registratie van uitgevoerde metingen/controles/inspecties;

      • c)

        Monitoring;

      • d)

        Beheerplan voor deflagratie (bij shredders).

    • 8.

      Opslag (BBT 4)

      • a)

        Geoptimaliseerde opslag.

      • b)

        Adequate opslag capaciteit.

      • c)

        Veilige opslag.

  • VI.

    Informatieverstrekking en training/coaching met het oog op bewustzijn en betrokkenheid van de werknemers BBT 1):

    • 1.

      Communicatie en training zijn belangrijk om medewerkers te sensibiliseren:

      • a)

        Interne communicatie.

        • i.

          management/energiecoördinator: informatie verspreiden (aanpak, doelstellingen, enz.) en maar ook terugkoppeling van resultaten (bv. aantal Euro’s bespaard);

        • ii.

          werknemers: verzamelen van ideeën, voorstellen en eventuele vragen op het gebied van opleidingen.

      • b)

        Externe communicatie:

        • iii.

          ketenefficiëntie verbeteren; samen met leveranciers en klanten zoeken naar energetische verbeteringen (ook op vlak van transport en logistiek);

        • iv.

          regelmatige en gepaste communicatie naar de omgeving van de onderneming over behaalde resultaten op gebied van bv. energiereducties en maatregelen ter verbetering van de leefomgeving.

      • c)

        De aandacht die gegeven wordt aan opleiding en training.

      • d)

        Onderwerpen die tijdens de trainingen aan bod kunnen komen zoals:

        • mogelijke problemen die zich voordoen tijdens de normale bedrijfsprocessen;

        • mogelijke problemen die zich voordoen in niet-routine situaties;

        • risicoanalyse van bedrijfsprocessen.

Bijlage 2: BEGRIPPENLIJST

Voor de begrippen die niet in deze lijst zijn opgenomen refereren wij naar de definities zoals die zijn opgenomen in de geldende wet- en regelgeving (zoals het Activiteitenbesluit, de Activiteitenregeling, het Besluit omgevingsrecht, het Besluit externe veiligheid inrichtingen, de Wet geurhinder en veehouderij etc.)

Begrip

Definitie

Considerans

BBT

Best Beschikbare techniek genoemd in een BBT document.

BREF

BAT Reference document. Een in Europees verband vastgesteld document waarin de BBT worden beschreven die specifiek zijn voor een bepaalde branche of activiteit.

ILT

Inspectie Leefomgeving en Transport

IPPC

Integrated Pollution Prevention and Control

MER

Milieueffectrapport

Onderneming

Een bedrijfseconomische definitie van een of meerdere vestigingen behorende tot een en dezelfde onderneming. Hoeft niet plaatsgebonden te zijn bij bijvoorbeeld een concern met een hoofdvestiging en een of meerdere nevenvestigingen.

REACH-verordening

REACH staat voor: Registratie, Evaluatie, Autorisatie en beperking van Chemische stoffen. REACH stelt beperkingen aan het gebruik van stoffen wanneer negatieve effecten ervan op mens en/of milieu bekend zijn, 18 december 2006.

Afval

Mengen

Het samenvoegen van afvalstoffen die qua aard, samenstelling of concentraties aanwezige componenten niet met elkaar vergelijkbaar zijn. Onder ‘mengen’ wordt in ieder geval gevat:

  • het samenvoegen van afvalstoffen die vallen binnen verschillende afvalcategorieën van ‘bijlage 5; Lijst met gescheiden te houden afvalstoffen;

  • het samenvoegen van afvalstoffen met niet-afvalstoffen;

  • verdunnen van afvalstoffen;

  • het samenvoegen van afvalstoffen binnen één afvalcategorie.

Minimumstandaard

De minimale hoogwaardigheid van verwerking van afzonderlijke afvalstoffen of categorieën van afvalstoffen. De minimumstandaard vormt een referentie voor de maximale milieudruk die verwerking van (een categorie van) afvalstoffen mag opleveren. De standaard is een invulling van de afvalhiërarchie voor afzonderlijke afvalstoffen en vormt op die manier een referentieniveau bij de vergunningverlening voor afvalbeheer. Ook betreft het een uitwerking van de artikelen 3 en 4 van de kaderrichtlijn afvalstoffen.

Ontdoener

Persoon of bedrijf waar afval ontstaat en die zich van het afval wil ontdoen door het af te geven aan een inzamelaar, vervoerder handelaar, bewerker of verwerker.

Opbulken

Het samenvoegen van afvalstoffen die qua aard, samenstelling en concentraties vergelijkbaar zijn.

Overslaan

Verrichten van alle handelingen op één locatie, waarbij afvalstoffen vanuit of vanaf een opbergmiddel of transportmiddel in of op een ander opbergmiddel of transportmiddel worden overgebracht. Hieronder vallen bijvoorbeeld beladen, lossen, hevelen, enz. met bijvoorbeeld kranen, transportbanden en leidingen, maar het uitvoeren van iedere verwerkingshandeling (sorteren, scheiden, spoelen, mengen, etc. etc.) valt hier niet onder.

Sorteren

Scheiden van een mengsel van materiaalstromen of van samengestelde materialen gescheiden in de oorspronkelijke materiaalstromen.

Uitsorteren

Het handmatig scheiden van incidenteel voorkomende verontreinigingen uit een vrijwel schone materiaalstroom of uit een mengsel van vrijwel schone materiaalstromen

Afvalwater en waterbesparing

Afvalwater

Alle water waarvan de houder zich, met het oog op de verwijdering daarvan, ontdoet, voornemens is zich te ontdoen, of moet ontdoen.

Bedrijfsafvalwater

Afvalwater (inclusief verontreinigd hemelwater), niet zijnde huishoudelijk afvalwater.

Bedrijfsriolering

Een stelsel van buizen, verbindingstukken en elementen zoals straat- en trottoirkolken, gootelementen, verzamelputten en installaties, zoals slibvangputten, olie-waterscheider en controleputten voor de opvang en afvoer van bedrijfsafvalwater.

Hemelwater

Alle neerslag, zoals regen, sneeuw of hagel.

Huishoudelijk afvalwater

Afvalwater dat vergelijkbaar is met afvalwater afkomstig van particuliere huishoudens.

Openbaar riool

Voorziening voor de inzameling en transport van afvalwater, als bedoeld in artikel 10.30 van de Wet milieubeheer.

Riolering

Bedrijfsriolering of openbare riolering.

Bodem

AS SIKB 6700

Accreditatieschema Inspectie bodembeschermende voorzieningen, onderliggende protocollen en examenreglement, versie 3.0, februari 2018

Bedrijfsriolering

Een stelsel van buizen, verbindingstukken en elementen zoals straat- en trottoirkolken, gootelementen, verzamelputten en installaties, zoals slibvangputten, olie-waterscheider en controleputten voor de opvang en afvoer van bedrijfsafvalwater.

Bodemincident

Een incident waarvan op voorhand een redelijk vermoeden bestaat dat vrijgekomen stoffen de bodem zullen verontreinigen, dan wel een incident waarna door middel van lekdetectie of anderszins is vastgesteld dat bodemverontreiniging is opgetreden.

Bodemrisicodocument

Document dat inzicht geeft in het risico van bodemverontreiniging. Hiertoe wordt per bodembedreigende activiteit overeenkomstig de bodemrisicochecklist uit de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bepaald of met de aanwezige of voorgenomen combinatie van voorzieningen en maatregelen sprake is of zal zijn van een verwaarloosbaar bodemrisico.

BRL SIKB 7700

Beoordelingsrichtlijn Aanleg of herstel van een vloeistofdichte voorziening. Versie 1.3 oktober 2014.

NEN 5725

NEN 5725 : Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek, uitgever NEN ICS 13.080.01; 13.080.05, oktober 2017.

NEN-EN 13508-2:2003+A1:2011+ CNL1:2021/NEN-EN 13508-1:2012

Onderzoek en beoordeling van de buitenriolering - Deel 2: Coderingssysteem voor visuele inspectie, maart 2021

Verklaring vloeistofdichte voorziening

Een bewijs van inspectie waarmee aangetoond wordt dat een voorziening als vloeistofdicht wordt aangemerkt.

Vloeistofdichte vloer of voorziening

Vloer of voorziening direct op de bodem die waarborgt dat geen vloeistof aan de niet met vloeistof belaste zijde van de vloer of voorziening kan komen.

Energie en vervoersmanagement

Handreiking Vervoermanagement

Uitgave van Rijkswaterstaat WVL, versienummer 2 november 2017,

Rendabele maatregelen

Maatregelen die een terugverdientijd hebben van vijf jaar of minder.

Terugverdientijd

De verhouding tussen het investeringsbedrag voor de maatregel na aftrek van eventuele subsidies en de jaarlijkse opbrengsten van de maatregel ten gevolge van de met de maatregel samenhangende energiebesparing en andere kostenbesparingen. In geval van een investering in een installatie voorzien van afzonderlijke energiebesparende componenten moet in plaats van het totaalinvesteringsbedrag worden gerekend met de meer investering ten opzichte van een installatie zonder de energiebesparende componenten. Voor de berekening van de financiële opbrengsten vanwege het nemen van de maatregel moet worden gerekend met de op het moment van het energiebesparingsonderzoek geldende kosten (tarieven) voor de betrokken inrichting. Er wordt geen rekening gehouden met de eventuele kosten van het (vervroegd) uit bedrijf nemen van een installatie en niet met rentekosten

Stand der techniek

Het hoogste niveau van technische ontwikkeling dat op een bepaald tijdstip is bereikt binnen een branche.

Externe Veiligheid

Brandbare (vloei)stof

Een vloeistof die zelf brandbaar is of waaruit onder voorzienbare bedrijfsomstandigheden een brandbaar gas, brandbare damp of brandbare nevel kan ontstaan (EN-IEC 60079-10). Een vaste stof vallend onder klasse 4.1.van het ADR. Een vloeistof die , in verpakte vorm, conform het ADR het etiket model nr. 3 draagt.

Brandgevaarlijke stof

Vaste, vloeibare of gasvormige stof die brandbaar of brandbevorderend is, of bij brand gevaar oplevert, in de zin van de ADR-klassen 2 t/m 5.

Ongewoon voorval

Elke gebeurtenis in een inrichting, ongeacht de oorzaak van die gebeurtenis, die afwijkt van de normale bedrijfsactiviteiten - met inbegrip van storingen in het productieproces en storingen in de voorzieningen (mits daaruit nadelige gevolgen voor het milieu voortkomen) van de inrichtingen alsook ongelukken en calamiteiten – en waardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of dreigen te ontstaan.

Overvulbeveiliging

Een systeem dat de toevoer automatisch doet stoppen zonder tussenkomst van een operator. Onder fysiek onafhankelijk wordt verstaan: los van niveaumeting en met een apart stuursignaal.

Persistent

Niet of nauwelijks afbreekbaar

Risicobeoordeling

Beoordeling van risico’s voor de gezondheid van de mens of het milieu welke ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen met zich mee kan brengen.

Veiligheidsstudie

Een systematische risicoanalyse om de relevante risico’s van ongewenste situaties te kunnen identificeren en te beheersen

Verontreinigende stoffen

Stoffen die hinder of nadeel voor de gezondheid van de mens kunnen opleveren. Ook vallen hieronder stoffen die schade kunnen toebrengen aan dieren, planten of goederen. Dit kan gaan om op zichzelf staande stoffen, gezamenlijke stoffen of stoffen die in verbinding met elkaar staan.

Geluid

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT)

Het A-gewogen gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse, in de loop van een bepaalde periode optredende geluid en zo nodig gecorrigeerd voor de aanwezigheid van impulsachtig geluid, tonaal geluid of muziekgeluid, vastgesteld en beoordeeld

overeenkomstig de 'Handleiding meten en rekenen industrielawaai', uitgave 1999.

Maximaal geluidsniveau (LAmax)

Het hoogste A-gewogen geluidsniveau, afgelezen in de meterstand 'fast', verminderd met de meteocorrectieterm Cm. De meterstand 'fast' komt overeen met een tijdconstante van 125 ms.

Verkeersbeweging

Het aan- of afrijden met een persoon-, bestel- of vrachtwagen.

Geur

Aanvaardbaar hinderniveau

Uitkomst van het afwegingsproces van onder andere de volgende aspecten:

  • toetsingskader;

  • geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten;

  • aard en waardering van de geur (hedonische waarde);

  • klachtenpatroon; huidige en verwachte hinder;

  • technische en financiële consequenties van maatregelen en gevolgen daarvan voor andere emissies;

  • de mate waarin getroffen maatregelen ter beperking van luchtemissies overeenstemmen met BBT uit BREF’s en nationale BBT-documenten;

  • lokale situatie (onder meer planologische ruimte, sociaal-economische aspecten en andere lokale afwegingen);

  • historie van het bedrijf in zijn omgeving.

OPMERKING Het aanvaardbaar hinderniveau voor veehouderijen verschilt met het bovenstaande en is geregeld via de Wet geurhinder en veehouderijen / het Activiteitenbesluit.

Europese geureenheid (ouE)

Eén Europese geureenheid is de hoeveelheid geurstoffen die, bij verdamping in één kubieke meter neutraal gas onder standaard condities, een fysiologische respons oproept bij een panel (detectiegrens) gelijk aan de respons die optreedt bij verdamping van 123 μg n-butanol (CAS-Nr. 71-36-3) in één kubieke meter lucht onder standaard condities (concentratie is 0,040 μmol/mol).

Geurbelasting

Geurconcentratie in de omgeving (per tijdseenheid). De geurbelasting wordt uitgedrukt in Europese geureenheden per kubieke meter lucht bij een bepaalde percentielwaarde (ouE/m3 als x-percentiel van de uurgemiddelde concentratie). De x-percentielwaarde vertegenwoordigt de tijdsfractie van een jaar waarvoor geldt dat gedurende deze tijdsfractie de geurconcentratie beneden deze aangegeven concentratie blijft of gelijk is aan deze waarde.

Geuremissie

Hoeveelheid geur die per tijdseenheid wordt geëmitteerd uitgedrukt in Europese geureenheden. De geuremissie is gelijk aan de geurconcentratie in de geëmitteerde luchtstroom vermenigvuldigd met het debiet van de luchtstroom.

Geurimmissie

Geurconcentratie in de omgeving (per tijdseenheid).

Lucht

Goederen

Producten als genoemd in bijlage 7 van de NeR. Bijlage 7 van de NeR geeft de klassenindeling van de meest voorkomende stortgoederen. Deze lijst moet overigens niet als limitatief worden gezien, doch kan aanvullingen of wijzigingen ondergaan.

m30

Gashoeveelheid [m3] bij 273,15 K, bij 101,3 kPa, betrokken op droog gas.

NIBM

Niet in betekenende mate

NNM

Nieuw Nationaal Mode

NSL

Nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit

NTA 9065

Nederlandse Technische Afspraak 9065: Geurmeting- en berekening. Uitgegeven door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut, oktober 2012

Oppervlaktebron (lucht)

Een niet gekanaliseerde bron, zonder vast emissiepunt, waaruit over een bepaald oppervlak verontreinigende stoffen in de buitenlucht worden geëmitteerd.

ppm

Concentratie-eenheid parts per million

Puntbron

Een gefixeerd punt van gekanaliseerde - en daarmee in principe kwantificeerbare emissies.

RIE

Richtlijn Industriële Emissies

Stortgoed

Onverpakt korrelvormig materiaal.

Stuifklasse

Klasse uit de stuifklasse-indeling van Bijlage 3 van het Activiteitenbesluit: S1 sterk stuifgevoelig, niet bevochtigbaar, S2 sterk stuifgevoelig, wel bevochtigbaar, S3 licht stuifgevoelig, niet bevochtigbaar, S4 licht stuifgevoelig, wel bevochtigbaar, S% nauwelijks of niet stuifgevoelig.

Naar boven