Provinciaal blad van Fryslân
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Fryslân | Provinciaal blad 2024, 7112 | andere beschikking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Fryslân | Provinciaal blad 2024, 7112 | andere beschikking |
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo): Besluit uitbreiding PreZero, Snelliusweg 4 te Leeuwarden
Op 1 november 2021 is een aanvraag voor een omgevingsvergunning ontvangen van PreZero Recycling Services Noord B.V. Het betreft het uitbreiden van de inrichting met het naast gelegen perceel, het verhogen van de opgeslagen hoeveelheid afvalstoffen, opslag in de buitenlucht en het schredderen van afvalstoffen. De aanvraag heeft betrekking op de Snelliusweg 4 te Leeuwarden. De aanvraag is geregistreerd onder OLO-nummer 6357271.
Wij besluiten, gezien de overwegingen die zijn opgenomen in deze vergunning en gelet op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de daarop betrekking hebbende uitvoeringsbesluiten en -regelingen aan PreZero Recycling Services Noord B.V. een (omgevings)vergunning:
op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e. (sub 2° het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting, en sub 3° het in werking hebben van een inrichting) te verlenen voor het uitbreiden en daarna in werking hebben van de inrichting voor het opslaan en bewerken van afvalstoffen. Aan de verlening van de vergunning zijn voorschriften verbonden. Deze staan in hoofdstuk 1 tot en met 9 van dit besluit.
Deze beschikking wordt bekendgemaakt door toezending aan de aanvrager. Daarnaast wordt een kennisgeving gegeven door publicatie in de Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad en in het Provinciaal blad van Fryslân via www.officielebekendmakingen.nl. De beschikking treedt in werking 6 weken na bekendmaking van het definitief besluit. (Een dag na de bekendmaking ingeval het betreft bouwen en afwijken van het bestemmingsplan).
De aanvraag en de beschikking met de daarbij behorende stukken worden op grond van de Algemene wet bestuursrecht met ingang van 17 april 2023 ter inzage gelegd. Inzage is mogelijk bij de gemeente/provincie/FUMO.
Een dag nadat de beschikking ter inzage is gelegd, start de termijn van zes weken voor het indienen van een beroepschrift. In die periode kunnen zowel u als belanghebbenden beroep aantekenen tegen deze beschikking. Ook niet-belanghebbenden kunnen beroep aantekenen indien zij een zienswijze hebben ingediend.
Het beroepschrift moet in tweevoud ingediend worden bij Rechtbank Noord-Nederland, Postbus 781, 9700 AT Groningen.
Het indienen van een beroepschrift stelt de werking van de beschikking niet uit. Als u of belanghebbenden niet willen dat deze beschikking in werking treedt na afloop van de beroepstermijn, kan tijdens die termijn om een voorlopige voorziening worden verzocht. Dit verzoek kan worden gedaan bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord Nederland, Postbus 781 9700 AT Groningen. De beschikking treedt in dat geval niet in werking voordat over dit verzoek is beslist.
Namens het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân,
Hoofd afdeling Vergunningverlening en Specialistisch Advies
Een kopie van deze beschikking is naar de volgende instanties en personen gestuurd:
College van Burgemeester en Wethouders
Gebouwen, installaties en opslagvoorzieningen moeten altijd goed bereikbaar zijn voor alle voertuigen die in geval van calamiteiten toegang tot de inrichting/installatie moeten hebben. Binnen of nabij de installaties mogen geen andere goederen of stoffen worden opgeslagen dan die welke voor het proces nodig zijn of daardoor zijn verkregen, met uitzondering van brandbestrijdingsmiddelen.
Het aantrekken van insecten, knaagdieren en ander ongedierte moet worden voorkomen. Zo vaak de omstandigheden daartoe aanleiding geven moet een doelmatige bestrijding van insecten, knaagdieren en ander ongedierte plaatsvinden. Hiertoe moet een ongediertebestrijdingsplan binnen de inrichting aanwezig zijn.
De vergunninghouder moet de binnen de inrichting (tijdelijk) werkzame personen instrueren over de voor hen van toepassing zijnde voorschriften van deze vergunning en de van toepassing zijnde veiligheidsmaatregelen. Tijdens het in bedrijf zijn van installaties die in geval van storingen of onregelmatigheden kunnen leiden tot nadelige gevolgen voor het milieu, moet steeds voldoende, kundig personeel aanwezig zijn om in voorkomende gevallen te kunnen ingrijpen.
De vergunninghouder moet direct nadat de vergunning in werking is getreden schriftelijk naam en telefoonnummer opgeven aan het bevoegd gezag van degene (en van diens plaatsvervanger) met wie in spoedeisende gevallen, ook buiten normale werktijden, contact kan worden opgenomen. Als deze gegevens wijzigen moet dit vooraf onder vermelding van de wijzigingsdatum schriftelijk worden gemeld aan het bevoegd gezag.
Onderhoudswerkzaamheden, waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat deze buiten de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, dan wel dat hiervan in de omgeving meer nadelige gevolgen voor het milieu worden ondervonden dan uit de normale bedrijfsvoering voortvloeit moeten ten minste 14 dagen voor de aanvang van de uitvoering aan het bevoegd gezag worden gemeld.
Binnen de inrichting is een exemplaar van deze vergunning (inclusief aanvraag) met bijbehorende voorschriften aanwezig. Verder zijn binnen de inrichting de volgende documenten aanwezig:
de registratie van het jaarlijks elektriciteit-(in kWh), water- en gasverbruik(in m³), biomassa en andere energiedragers binnen de inrichting. Voor het berekenen van de hoeveelheid aardgas- equivalenten dienen de omrekenfactoren voor energiedragers te worden gehanteerd zoals opgenomen in artikel 2.16d van de Activiteitenregeling.
Bij het geheel of gedeeltelijk beëindigen van de activiteiten binnen de inrichting moeten alle aanwezige stoffen en materialen, die uitsluitend aanwezig zijn vanwege de – te beëindigen- activiteiten, door of namens vergunninghouder op milieu hygiënisch verantwoorde wijze in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd.
Van het structureel buiten werking stellen van (delen van) installaties en/of beëindigen van (een van de) activiteiten moet het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk op de hoogte worden gesteld. Installaties of delen van installaties die structureel buiten werking zijn gesteld en nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, moeten in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd tenzij de (delen van de) installaties in een zodanige staat van onderhoud worden gehouden dat de nadelige gevolgen niet kunnen optreden.
Vergunninghouder mag - mits hiervoor vooraf schriftelijk goedkeuring is verleend door het bevoegd gezag en bij wijze van proef - andere dan in deze vergunning opgenomen technische installaties en/of alternatieve grond-, hulp-, of brandstoffen toepassen dan wel andere afvalstoffen verwerken. Goedkeuring wordt slechts verleend indien de proefneming noodzakelijk is om informatie te vergaren over de technische haalbaarheid van de andere toepassing en deze informatie niet op een andere wijze kan worden verkregen.
Het bevoegd gezag kan naar aanleiding van een onderzoeksopzet goedkeuring onthouden dan wel nadere eisen stellen aan de proefneming. Deze nadere eisen kunnen een beperking van duur of een beperking van de bij de proefnemingen te verwerken hoeveelheid materiaal betekenen. Tevens kunnen nadere eisen gesteld worden aan de milieu hygiënische randvoorwaarden van de proefnemingen.
De op- en overslag en het transport van afvalstoffen moeten zodanig plaatsvinden dat zich geen afval in of buiten de inrichting kan verspreiden. Mocht onverhoopt toch verontreiniging buiten de inrichting plaatsvinden, dan moeten direct maatregelen worden getroffen om deze verontreiniging te verwijderen.
In de inrichting mogen de hieronder vermelde afvalstoffen per kalenderjaar worden geaccepteerd en verwerkt. Er mogen op enig moment niet meer afvalstoffen worden opgeslagen dan 12.500 ton. In totaal mag niet meer dan 90.000 ton/per jaar geaccepteerd worden. Voor de diverse deelstromen gelden de maxima zoals deze zijn genoemd in de onderstaande tabel.
Indien vergunninghouder een afvalstof wil gaan accepteren waarvan de Eural-code niet is opgenomen in bovenstaande tabel, maar waarvan de aard en samenstelling en de minimumstandaard voor verwerking overeenkomt met één van de genoemde afvalstoffen moet, voordat de feitelijke acceptatie plaatsvindt, een verzoek ter goedkeuring aan bevoegd gezag gezonden worden. Opslag van aangeboden afvalstoffen in afwachting van een goedkeuring is niet toegestaan. In het verzoek moet het volgende vermeld worden:
Indien de afzet van de opgeslagen afvalstoffen stagneert, geeft de vergunninghouder dit onverwijld schriftelijk te kennen aan het bevoegd gezag. Deze mededeling bevat ten minste gegevens over de oorzaak van de stagnatie en de verwachte tijdsduur, alsmede de maatregelen die worden genomen om de stagnatie op te heffen, respectievelijk in de toekomst te voorkomen.
De maximale opslaghoogte van brandbare afvalstoffen in de vakken op het buitenterrein is 2.2 meter. Wanneer een zijde geen opslag betreft, de opslag een niet-brandbare afvalstof betreft, of wanneer een vak met brandbare afvalstoffen aan beide zijden is ingesloten met vakken waar niet-brandbare afvalstroffen worden opgeslagen is de maximale opslaghoogte 3.2 meter.
Sectorplan 1: Huishoudelijk restafval (fijn en grof) en Sectorplan 2: Restafval van bedrijven
Het scheiden van de grove fractie van huishoudelijk restafval en de grove fractie van restafval van bedrijven moet zo goed mogelijk gelijkwaardig zijn aan wat zou zijn bereikt wanneer de betreffende componenten wel vanaf het moment van aanbieden door de primaire ontdoener gescheiden zouden zijn gehouden. De restfractie moet geschikt blijven voor verbranding.
Sectorplan 3: Procesafhankelijk afval afkomstig van industriële productieprocessen
Partijen procesafhankelijk afval afkomstig van industriële productieprocessen mag alleen gemengd worden indien deze van vergelijkbare samenstelling zijn en het mengen van partijen niet leidt tot een lagere vorm van verwerking dan de van toepassing zijnde minimumstandaard op de partijen voor het mengen.
Sectorplan 28: Gemengd bouw en sloopafval, met bouw en sloopafval vergelijkbaar afval van bedrijven en particulier gemengd verbouwingsafval.
Ad c Indien de aangevoerde afvalstoffen worden verkregen door route-inzameling, kan bij de registratie van naam en adres van de locatie van herkomst worden volstaan met "diverse locaties".
Indien de afvalstoffen worden aangevoerd door een inzamelaar (niet zijnde de vergunninghouder) met toepassing van de inzamelaarsregeling moet de locatie van herkomst worden aangegeven, zoals deze moet worden vermeld op de begeleidingsbrief.
Ad d Indien de aangevoerde afvalstoffen worden verkregen door route-inzameling of via de inzamelaarsregeling wordt met de ontdoener de inzamelaar bedoeld.
Ten behoeve van de registratie als bedoeld in dit hoofdstuk moet een registratiepost aanwezig zijn. De hoeveelheden die op grond van dit hoofdstuk moeten worden geregistreerd moeten worden bepaald door middel van een op de inrichting aanwezige weegvoorziening. De weegvoorziening(en) waarvan gebruik wordt gemaakt moet(en) overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften van het Nederlands Meetinstituut zijn geijkt. Op aanvraag moeten geldige certificaten van weegvoorziening(en) aan het bevoegd gezag ter inzage worden gegeven.
Vergunninghouder draagt zorg voor een actueel register van afvalstoffen, die overeenkomstig deze vergunning mogen worden geaccepteerd, waarbij per te onderscheiden afvalstroom binnen een Eural code minimaal het volgende wordt aangegeven:
of sprake is van ZZS-houdende afvalstromen waarbij sprake is van een mechanische, fysische en/of chemische handeling die gericht is op het maken van een product, halffabricaat of afvalstof die ten behoeve van een toepassing op de markt wordt gebracht en/of een mechanische, fysische en/of chemische handeling waarbij het verwerkte afval ook daadwerkelijk conform de beoogde toepassing wordt afgezet (bijvoorbeeld een product dat op de markt wordt gebracht);
Binnen 6 maanden na inwerkingtreding van deze beschikking moet het register van afvalstoffen zoals genoemd in voorschrift 2.6.1 en een plan van aanpak zijn opgesteld en gelijktijdig ter goedkeuring zijn voorgelegd aan het bevoegd gezag. In het plan van aanpak moet door vergunninghouder zijn uitgewerkt hoe op continue basis wordt gestreefd naar een zo goed mogelijk inzicht in de samenstelling van ZZS-bevattende afvalstoffen. In het plan van aanpak moeten minimaal de volgende onderzoeksvragen per relevante (mogelijk ZZS-houdende) afvalstroom per Euralcode worden beantwoord en gemotiveerd:
Ieder kalenderjaar, voor het verstrijken van het eerste kwartaal, moet vergunninghouder over de uitkomsten van het plan van aanpak als bedoeld in voorschrift 2.6.2 een rapportage opstellen en deze voor het verstrijken van de vierde kalendermaand ter inzage gereed hebben voor het bevoegd gezag. In de rapportage moet blijk worden gegeven van de realisatie van de doelstelling tot continue verbetering van het inzicht in de ZZS-samenstelling van mogelijk ZZS-houdende categorieën afvalstoffen per Eural-code, die binnen de inrichting worden geaccepteerd.
Voorschriften met betrekking tot uitvoeren van een risicoanalyse
Indien uit het register van afvalstoffen uit voorschrift 2.6.1 blijkt dat voor een bepaalde afvalstroom een risicoanalyse noodzakelijk is, dan dient binnen 3 maanden na goedkeuring van het register zoals genoemd in voorschrift 2.6.2 door vergunninghouder een risicoanalyse overeenkomstig paragraaf B.14.4.3. van het LAP3 en de Handreiking risicoanalyse ZZS, Rijkswaterstaat, versie 1.0 (november 2018) te zijn uitgevoerd en ter goedkeuring zijn voorgelegd aan het bevoegd gezag.
Een verwerking mag niet meer worden uitgevoerd indien uit de ter goedkeuring voor te leggen risicoanalyse blijkt dat de mechanische, fysische en/of chemische handeling als genoemd in voorschrift 2.6.1 een risico op onaanvaardbare blootstelling van mens en milieu aan ZZS met zich meebrengt of als de risicoanalyse door ons wordt afgekeurd.
Voorschriften met betrekking tot mengen, aanvulling op AV-beleid implementatie ZZS
Indien het technisch en economisch mogelijk is (al dan niet door derden) om de in een geaccepteerde partij afvalstoffen aanwezige ZZS hieruit te vernietigen of af te scheiden en de afvalstof dan zonder ZZS of met een heel laag gehalte ervan alsnog voor recycling of nuttige toepassing in te zetten, is het mengen van deze ZZS-houdende partij afvalstoffen zonder deze reinigingsstap (al dan niet door derden) niet toegestaan.
Toelichting: Voor de beoordeling en toepassing van de begrippen “technisch en economisch mogelijk” en “een heel laag gehalte” wordt verwezen naar paragraaf 3.5 van de Handreiking risicoanalyse ZZS, Rijkswaterstaat, versie 1.0 (november 2018).
Het in voorschrift 2.7.2 bedoelde verzoek om goedkeuring moet schriftelijk worden gericht aan de FUMO, J.W. de Visserwei 10, 9001 ZE GROU of info@fumo.nl
In bijlage 10 van de Activiteitenregeling zijn voor activiteiten binnen diverse bedrijfstakken energiebesparende maatregelen aangewezen en uitgewerkt (erkende maatregelenlijsten).Binnen de inrichting kunnen dergelijke activiteiten aan de orde zijn. Indien hiervoor alle in bijlage 10 van de Activiteitenregeling aangewezen maatregelen zijn getroffen, wordt voor die activiteiten voldaan aan voorschrift 4.1.1.
De inrichtinghouder rapporteert uiterlijk 3 maanden na het onderhavige besluit en daarna eenmaal per vier jaar uiterlijk voor 1 februari, aan het bevoegd gezag welke energiebesparende maatregelen binnen de inrichting zijn getroffen. Deze rapportage bevat in ieder geval de gegevens zoals opgenomen in artikel 2.16b van de Activiteitenregeling. Daarnaast dient voor de getroffen maatregelen de volgende informatie in de rapportage te worden opgenomen:
Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan:
De ligging van de referentiepunten is aangegeven op figuur 1. De beoordelingshoogte voor de dag- avond- en nachtperiode is 5 meter boven maaiveld.
Op basis van artikel 7.20a, eerste lid, in samenhang met artikel 7.16, vierde lid, van de Wet milieubeheer, worden geurmaatregelen uit de vormvrije mer-beoordeling vastgelegd in voorschriften.
Het bouwtoezicht dient ten minste twee dagen voor de aanvang van de werkzaamheden in kennis te worden gesteld.
De hiervoor bedoelde kennisgevingen moeten schriftelijk worden gericht aan de FUMO, J.W. de Visserwei 10, 9001 ZE GROU of info@fumo.nl
Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen.
Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden.
Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft, wordt het einde van die werkzaamheden bij het bouwtoezicht gemeld.
De hierboven bedoelde kennisgevingen moeten schriftelijk worden gericht aan de FUMO, J.W. de Visserwei 10, 9001 ZE GROU of info@fumo.nl Verbod tot ingebruikneming.
Bereikbaarheid en bestrijdbaarheid
Rondom het terrein is een hekwerk aanwezig. Voor de toegankelijkheid dient deze ter plaatse van de twee toegangen tot het terrein ontsloten te zijn in overleg met de brandweer. Dit dient verder te worden uitgewerkt.
Er dient een bluswatervoorziening aanwezig te zijn met een capaciteit van 90 m³ per uur. Hiervoor zou het Van Harinxmakanaal geschikt zijn, echter ontbreekt hier een opstelplaats voor de brandweer. Deze opstelplaats dient verder te worden uitgewerkt.
Er is sprake van een shredder en een balenpers, samen met een mobiele kraan. Deze zaken bieden een extra risico voor het ontstaan van brand. Voor de kraan, welke is te verplaatsen, wordt geadviseerd om deze buiten werktijd te parkeren, voldoende vrij van de verschillende vakken en het bestaande gebouw, om zo bij het ontstaan van brand niet te laten “meehelpen” met een voortschrijdende brand. (denk hierbij aan de brandstof en hydraulische olie)
Op 1 november 2021 is een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ontvangen. Het betreft een verzoek van PreZero Recycling Services Noord B.V..
Het project waarvoor vergunning wordt gevraagd is als volgt te omschrijven: Het uitbreiden van de inriching met het nabijgelegen terrein, het verhogen van de opgeslagen hoeveelheid afvalstoffen in de buitenlucht en het schredderen van afvalstoffen. Een uitgebreide projectomschrijving is opgenomen in de aanvraag. Gelet op bovenstaande omschrijving wordt vergunning gevraagd voor de volgende in de Wabo omschreven activiteiten:
Op basis van het onderzoek luchtkwaliteit en stikstofdepositie, d.d. 29 januari 2023, is door de provincie Fryslân vastgesteld dat op basis van de huidige wet- en regelgeving, geen vergunningplicht voor de Wet natuurbescherming geldt. Dit betekent dat de voorgenomen activiteiten, zoals beschreven in het onderzoek van 29 januari 2023, kunnen worden uitgevoerd zonder een vergunning Wet natuurbescherming voor het aspect stikstof.
De aanvraag bestaat uit de volgende delen:
1.2. Huidige vergunningsituatie
Voor de inrichting zijn eerder de onderstaande vergunningen en/of ontheffingen verleend dan wel meldingen geaccepteerd:
De hierboven genoemde vergunningen waar een * bij staat, zijn volgens de Invoeringswet Wabo gelijkgesteld aan een omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd.
De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I, onderdeel C van het Bor. De volgende categorieën zijn van toepassing:
Op grond van categorie 28.10 is sprake van een vergunningplichtige activiteit.
Het betreft een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort genoemd in Bijlage I, categorie 5.5 van de Richtlijn industriële emissies (Rie). Om die reden is op grond van artikel 2.1, tweede lid van het Bor sprake van een vergunningplichtige inrichting.
Wij zijn bevoegd gezag voor de inrichting. Dit volgt uit artikel 2.4, tweede lid van de Wabo juncto artikel 3.3 eerste lid van het Bor, op grond van de activiteiten van de inrichting, genoemd in Bijlage I onderdeel C, categorie 28.4 van het Bor.
Het project ligt op gronden met de bestemming bedrijventerrein. Deze gronden zijn bestemd voor bedrijven tot categorie 5.2.
Het project voldoet aan de bouw- en gebruiksregels van dit bestemmingsplan.
1.6. Beoordeling van de aanvraag
Na ontvangst van de aanvraag hebben wij deze getoetst op volledigheid. In verband met het ontbreken van een aantal gegevens hebben wij de aanvrager op 28 december 2021 in de gelegenheid gesteld om tot 6 weken na de hiervoor genoemde datum de aanvraag aan te vullen. Wij hebben de aanvullende gegevens ontvangen op 8 februari 2022. Na ontvangst van de aanvullende gegevens hebben wij de aanvraag opnieuw getoetst op volledigheid. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag met de aanvullende gegevens voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanvraag is dan ook in behandeling genomen. De termijn voor het nemen van het besluit is 6 weken opgeschort tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld.
Deze beschikking is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Gelet hierop zijn wij niet verplicht om van de aanvraag kennis te geven in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op andere geschikte wijze, tenzij bij de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag een milieueffectrapport (MER) moet worden gemaakt. Nu deze uitzonderingsgrond zich niet voordoet hebben wij geen kennis gegeven van de aanvraag.
1.8. Advies en verklaring van geen bedenkingen
In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor, hebben wij de aanvraag ter advies aan de volgende instanties/bestuursorganen gezonden:
Wij hebben adviezen ontvangen van:
Wij behandelen de ontvangen adviezen in respectievelijk het hoofdstuk externe veiligheid, bouw en afvalwater.
In de Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen dat deze wet aanhaakt bij de Wabo wanneer:
Op basis van het onderzoek luchtkwaliteit en stikstofdepositie, d.d. 29 januari 2023, is door de provincie Fryslân vastgesteld dat op basis van de huidige wet- en regelgeving, geen vergunningplicht voor de Wet natuurbescherming geldt. Dit betekent dat de voorgenomen activiteiten, zoals beschreven in het onderzoek van 29 januari 2023, kunnen worden uitgevoerd zonder een vergunning Wet natuurbescherming voor het aspect stikstof.
De uitbreiding van de inrichting vindt plaats binnen het bestaande bouwvlak. Voor de vaststelling van dit bouwvlak is onderzoek gedaan naar beschermde flora en fauna. Niet is gebleken dat beschermde soorten aanwezig (kunnen) zijn. Voor de verandering hoeft geen ontheffing op grond van de Wnb te worden aangevraagd.
Het ontwerp van de beschikking heeft van 3 october 2022 tot en met 14 november ter inzage gelegen en is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is gebruik gemaakt.
Wij hebben n.a.v. het ontwerpbesluit zienswijzen ontvangen van de aanvrager. Hieronder behandelen we per zienswijze de redernatie en vermelden wij de wijzigingen t.o.v. het ontwerpbesluit.
1.1.3: Het opstellen van een ongediertebestrijdingsplan heeft naar onze mening enkel toegevoegde waarde indien sprake is van overlast. In andere gevallen volstaat het eerste gedeelte van voorschrift 1.1.3, namelijk het voorkomen en op een doelmatige wijze bestrijden van ongedierte. Wij verzoeken u dit voorschrift hierop aan te passen.
De zienswijze geeft onvoldoende aan waarom er geen sprake zou zijn van overlast. Overlast in de zin van het voorschrift moet breder getrokken worden dan op een enkele derde partij of het directe effect op mensen. Het voorkomen en, indien niet anders mogelijk, doelmatig bestrijden van ongedierte moet geborgd worden om de effecten op het milieu te minimaliseren. Het voorschrift wordt gelet op de aanwezige afvalstromen, in de gehele sector voorgeschreven om gelijke behandeling te waarborgen.
Het voorschrift blijft ongewijzigd.
2.5.4: Dit voorschrift beperkt het wegen van afvalstromen tot een weegvoorziening die aanwezig is binnen de eigen inrichting. Indien noodzakelijk zou ook gebruik gemaakt kunnen worden van een weegvoorziening buiten de eigen inrichting. Wij verzoeken u het voorschrift hierop aan te passen;
Het voorschrift heeft als doel een goed inzicht in de afvalstromen te krijgen. De weging middels een binnen de inrichting aanwezige weegvoorziening meting dient ter controle van deze afvalstromen. Het voorschrift verbied het gebruik van een weegvoorziening op een andere locatie niet, maar vereist een meting binnen de inrichting om zekerheid te geven aan de hoeveelheden per afvalstofstroom. In overeenstemming met het Landelijk afvalbeheerplan 3 (LAP3) is meting van de afvalstoffen vereist bij ontvangst binnen de inrichting.
Het voorschrift blijft ongewijzigd.
Paragraaf 2.6: wij constateren dat verschillende bevoegde gezagen zeer verschillend omgaan met het onderwerp ZZS (en ook dat verschillende bedrijven binnen het gebied van één bevoegd gezag met geheel andere regels te maken krijgen). Daar waar de meeste inrichtingen tot op heden alleen zijn aangeschreven zijn om invulling te geven aan de inventarisatie van emissies op basis van de 'Handreiking verzoek om informatie over ZZS afvalbedrijven', en daarbij de lijn en planning van de landelijke coördinatie van IPO, waarbij ook het ministerie van I&W is betrokken, wordt aangehouden, zien we bij andere inrichtingen een (beperkte) invulling in vergunningen, en in dit geval een verdergaande invulling met strakke deadlines, vooruitlopend op de uitkomsten van het overleg van het ministerie van I&W, IPO en de branchevereniging, zonder dat wordt aangegeven waarom in dit geval een andere, veel stringentere, werkwijze wordt gehanteerd. Dit leidt naar onze mening tot een ongelijk speelveld tussen verschillende inrichtingen. Doelstelling van het ZZS beleid is om mens en natuur zo min mogelijk bloot te stellen aan ZZS. Dit kan enkel worden bereikt door binnen Europa, of in ieder geval binnen Nederland, eenzelfde werkwijze aan te houden. Door de werkwijze, zonder onderbouwing, per bedrijf aan te passen, zullen de beoogde doelstellingen niet worden behaald, geeft willekeur en leidt tot rechtsongelijkheid. Gezien de fase waarin de inventarisatie van ZZS in afvalstromen zich nu bevindt, is het onmogelijk om aan de genoemde voorschriften op dit moment een zinvolle invulling te geven. Wij verzoeken u daarom primair om paragraaf 2.6 te laten vervallen. Ook de wetgever heeft inmiddels onderkend dat de kennis over ZZS is afvalstoffen zeer beperkt is. In de concept wijziging van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen wordt daarom informatieplicht beperkt tot bedrijven waar de productie, gebruik of ontstaan van ZZS in het bedrijfsproces genoemd staan in met naam genoemde documenten die zij met hun vergunningverlenend bevoegd gezag hebben vastgesteld. Secundair verzoeken wij u daarom paragraaf 2.6 dusdanig aan te passen dat deze alleen van toepassing is op afvalstoffen ontvangen van deze bedrijven.
Wij realiseren ons dat de motivatie voor ZZS, los van het onderdeel lucht, abusievelijk niet in de considerans van de vergunning is opgenomen.
De problematiek met betrekking tot ZZS bij afvalbedrijven is bekend. Dit ontslaat afvalverwerkende bedrijven er echter niet van om te voldoen aan het gestelde in het LAP3. Naast het LAP3 is ook het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen op veel afvalverwerkende inrichtingen van toepassing. Het Besluit Melden bevat regels voor de afgifte, de ontvangst en het vervoer van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen echter in vergunningen dient aansluiting te worden gezocht bij hetgeen is opgenomen in het LAP3.
Het LAP is het afvalbeheerplan zoals genoemd in titel 10.2 (artikelen 10.3 tot en met 10.14) van de Wet milieubeheer (Wm). Als een taak of bevoegdheid betrekking heeft op afvalstoffen moet ieder bestuursorgaan ingevolge artikel 10.14 van de Wm en straks ingevolge artikel 4.1 van de Omgevingswet, rekening houden met het LAP.
ZZS worden nog veel in producten gebruikt en komen dus ook veel voor in afvalstoffen. Als uit dat afval vervolgens weer nieuwe producten worden gemaakt, kan blootstelling aan die ZZS optreden. Dit wordt steeds belangrijker omdat het beleid ook gericht is op het zo hoogwaardig mogelijk opnieuw gebruiken van materialen ter bevordering van de circulaire economie. In dat kader is er specifiek beleid opgesteld dat landelijk toegepast dient te worden. Dit beleid is in hoofdstuk B.14 van het LAP3 beschreven en de voorschriften verbonden aan deze vergunning zijn hier op gebaseerd. De trend tot verdere implementatie van de voorschriften betreffende ZZS is al gestart. Landelijk is er nog enig verschil tussen de voorschriften op basis van de interpretatie, maar behoren in essentie dezelfde onderdelen uit hoofdstuk B.14 van het LAP3 te omvatten. Ook andere afval verwerkende bedrijven krijgen binnenkort, voor zover van toepassing en voor zover niet al gebeurd is, te maken met de ZZS voorschriften door middel van actualisatie van de vergunning. Gedurende het actualisatie traject zullen niet alle vergunningen aangepast en gelijk zijn, dit is een onvoorkoombare tijdelijke rechtsongelijkheid.
De paragraaf met de voorschriften blijven ongewijzigd.
2.7.2: Niet duidelijk is wat wordt bedoeld met de verplichting dat 'het milieubeheersysteem ter goedkeuring moet worden overgelegd'. Een milieuzorgsysteem is geen pakket documenten dat zonder meer kan worden overgelegd. PreZero is ISO 14001 gecertificeerd. Dit wordt jaarlijks beoordeeld door een externe partij en daarop worden certificaten afgegeven. Wij verzoeken u het voorschrift te laten vervallen, dan wel een ISO 14001-gecertificeerd milieuzorgsysteem gelijk te stellen aan het systeem bedoeld in voorschrift 2.7.1;
Een ISO certificering betekent niet dat het systeem ook volledig is en voldoet aan alle eisen uit de BREF Afvalbehandeling. Een ISO certificering legt alleen de systematiek van de stappen vast, en dat deze stappen/methoden in overeenstemming zijn met datgene welke is vereist in het milieubeheersysteem. De ISO certificering geeft geen garantie over de reikwijdte/dekkingsgraad van het toegepaste systeem. Is het systeem ook daadwerkelijk toegepast op alle relevante afvalstoffen/onderdelen van de inrichting? Dit voorschrift beoogt zeker te stellen dat het milieubeheersysteem in zijn volledigheid wordt/is geïmplementeerd. De aantoonbaarheid van de volledigheid van het systeem is een verantwoordelijkheid van de aanvrager. Dit is in overeenstemming met de BREF Afvalbehandeling. Wij vereisen in dat opzicht ook geen gecertificeerd systeem, maar dat aangetoond is dat het milieubeheersysteem conform alle eisen uit de BREF Afvalbehandeling is ingericht en wordt toegepast.
Het voorschrift blijft ongewijzigd.
2.7.3: Niet duidelijk is waarom het in dit specifieke geval noodzakelijk is bepalingen op te nemen die verder gaan dan BBT van de BREF Waste Treatment. Wij verzoeken u dit voorschrift te laten vervallen.
De zienswijze geeft onvoldoende aan op welke punten afgeweken zou worden. De nadruk bij het milieubeheersystemen hoort niet enkel op het systeem zelf te liggen maar ook op de integratie van het systeem in de praktijk en de uitvoerbaarheid in combinatie met de andere taken en informatieplichten. Een integraal systeem voorkomt fouten in de uitvoering en is bruikbaarder bij ondersteuning voor o.a. de verplichtingen zoals aangegeven in voorschriften 1.2.1, tot en met 1.4.2. De genoemde eisen zijn in overeenstemming met de voorschriften in de vergunning waarin de verplichtingen apart zijn opgenomen.
Het voorschrift blijft ongewijzigd.
2.7.4: In overeenstemming met de zienswijze op voorschrift 2.7.2 verzoeken wij u voorschrift 2.7.4 te laten vervallen.
Voorschrift 2.7.2 is niet komen te vervallen, voorschrift 2.7.4 geeft aan hoe de informatie aan ons bekend gemaakt kan worden en blijft in stand.. Wel merken wij op dat foutief is verwezen naar voorschrift 2.7.1, dit had voorschrift 2.7.2 moeten zijn.
De verwijzing in het voorschrift is gecorrigeerd.
2.7.5: In combinatie met andere voorschriften is het onmogelijk invulling te geven aan dit voorschrift.
Het goed implementeren van een managementsysteem kost veel tijd. Ervan uitgaande dat FUMO enige tijd nodig heeft om het systeem te beoordelen, zou voor de Implementatie een zeer korte tijd overblijven. Wij verzoeken u dit voorschrift te schrappen.
De termijn is gebaseerd op redelijkheid, we merken op dat er een fout is opgetreden in de bedoelde berekening van de tijd. Gezamenlijk zorgen de termijnen in de voorschriften ervoor dat het mogelijk is dat de theoretische tijd tussen de goedkeuring en de invoering 0 dagen is. De relevante voorschriften zijn gewijzigd om rekening te houden met de proceduretijd om zo redelijke invulling te kunnen geven aan het milieubeheersysteem. Hierbij wordt tevens de termijn aangepast zodat deze meer overeenkomt met andere gestelde termijnen.
Paragraaf 3.2: Wij verwijzen hier graag naar onze zienswijze die is opgenomen bij 'Paragraaf 2.6' en verzoeken u paragraaf 3.2 te schrappen.
In aanvulling van onze reactie op zienswijze 3 merken wij op dat voorschrift 3.2.2 spreekt over een beoordeling, waar in dit geval gesproken moet worden over een goedkeuring.
Voorschrift 3.2.2 is aangepast, de overige voorschriften van de paragraaf blijven ongewijzigd.
4.1.2 en 4.1.3: De verwijzing naar voorschrift 1.1.1 is niet correct.
Dit is een kennelijke verschrijving.
De verwijzingen in voorschrift 4.1.2 en 4.1.3 zijn aangepast.
De aanvraag heeft betrekking op het veranderen van de werking van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid aanhef en onder e van de Wabo.
2.2. Toetsing oprichten, veranderen en/of revisie
Bij onze beslissing op de aanvraag hebben wij conform artikel 2.14, eerste lid onder a, b en c van de Wabo:
In de onderstaande hoofdstukken lichten wij dit nader toe. Wij beperken ons tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed (kunnen) zijn.
De aangevraagde wijzigingen hebben geen gevolgen voor de aspecten waterbesparing, afvalpreventie, verkeer en vervoer. Deze aspecten zijn voldoende geregeld in de geldende vergunning. In deze veranderingsvergunning worden daarom voor deze aspecten geen voorschriften gesteld, maar wordt verwezen naar de voorschriften bij de revisievergunning 545529 van 13 januari 2004.
In het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) is voor een groot aantal activiteiten, die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden, rechtstreeks werkende, algemene regels opgenomen.
De inrichting waarvoor vergunning is aangevraagd, is aangemerkt als een inrichting waarvoor vergunningplicht (type C-inrichting) geldt.
Binnen het bedrijf vinden activiteiten plaats die vallen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit. Er moet worden voldaan aan de volgende paragrafen uit het Activiteitenbesluit en de daarbij behorende Activiteitenregeling, voor zover deze betrekking hebben op de (deel)activiteiten:
Voor het overige is per hoofdstuk of afdeling aangegeven of deze op een type C-inrichting van toepassing is. Dit betekent dat ook hoofdstuk 1, afdeling 2.1 tot en met 2.4, 2.10 en 2.11 van hoofdstuk 2 en de overgangsbepalingen uit hoofdstuk 6 van het Activiteitenbesluit van toepassing kunnen zijn. Van belang voor deze vergunning is, of de inrichting ook voor de activiteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen voldoet aan de best beschikbare technieken.
2.3.1. Melding Activiteitenbesluit
Gelet op artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit moet de verandering van de inrichting worden gemeld.
De voorschriften voor het onderdeel milieu, die in deze vergunning zijn opgenomen betreffen de aspecten en activiteiten die niet zijn geregeld in het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling.
2.4. M.E.R-Beoordelingsbesluit
De voorgenomen activiteit valt onder categorie D18.1 van de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Op grond van de Wm heeft de aanvrager de voorgenomen activiteit op 1 november 2021 bij ons aangemeld door middel van een aanmeldingsnotitie (Wm, artikel 7.16). Daarop hebben wij op 28 december 2021 het besluit 2021-FUMO-0058366 genomen dat voor deze voorgenomen activiteit geen milieueffectrapport opgesteld hoeft te worden. Dit besluit hebben wij op 28 december 2021 bekend gemaakt. Dit besluit is bij de aanvraag gevoegd.
Op grond van artikel 7.20a van de Wet milieubeheer zijn de volgende kenmerken lucht, geur van belang geweest bij het besluit dat er geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt. De verplichting tot het uitvoeren van de maatregelen die van belang zijn bij het besluit dat er geen milieueffectrapportage hoeft te worden gemaakt alsmede het tijdstip waarop die maatregelen moeten zijn uitgevoerd zijn als voorschrift(en) aan dit besluit verbonden. Wij behandelen dit verder bij hoofdstuk 8 geur.
3. Beste beschikbare technieken
In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast.
Bij het opstellen van de omgevingsvergunning milieu moet rekening worden gehouden met de BBT-conclusies. De Europese Commissie stelt de BBT-conclusies op en maakt deze bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.
BBT-conclusies is een document met de conclusies over beste beschikbare technieken, vastgesteld overeenkomstig artikel 13 lid 5 en 7 van de Richtlijn industriële emissies (Rie).
Het verschil tussen artikel 13 lid 5 en lid 7 van de Rie is:
BBT-conclusies overeenkomstig artikel 13 lid 7 is het hoofdstuk Best available techniques (BAT) uit de BREF's. De Europese commissie heeft deze BREF's vastgesteld vóór 6 januari 2011. Dit hoofdstuk geldt als BBT-conclusies totdat de Europese Commissie voor die activiteit nieuwe BBT-conclusies vaststelt.
Als op een activiteit of op een type productieproces binnen de inrichting waarvoor een vergunning is aangevraagd, geen BBT-conclusies of informatiedocumenten over BBT van toepassing zijn, of als de van toepassing zijnde BBT conclusies of informatiedocumenten niet alle mogelijke milieueffecten van de activiteit of het proces behandelen moet het bevoegd gezag de BBT zelf vast stellen. Hierbij houdt het bevoegd gezag in ieder geval rekening met:
De op één van deze criteria vastgestelde BBT moet een milieubeschermingsniveau garanderen dat tenminste gelijkwaardig is aan het niveau in de BBT-conclusies.
3.2. Concrete bepaling beste beschikbare technieken
Binnen de inrichting worden één of meer van de activiteiten uit bijlage 1 van de Rie uitgevoerd en wel activiteit 5.5: Tijdelijke opslag van niet onder punt 5.4 vallende gevaarlijke afvalstoffen, in afwachting van een van de onder de punten 5.1, 5.2, 5.4 en 5.6 vermelde behandelingen, met een totale capaciteit van meer dan 50 ton, met uitsluiting van tijdelijke opslag, voorafgaande aan inzameling, op de plaats van productie.
Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit en aan andere relevante BBT-conclusies.
Op grond van artikel 9.2 van de Mor moet voor het bepalen van BBT binnen de inrichting aanvullend een toetsing plaatsvinden aan relevante aangewezen informatiedocumenten over BBT
Bij het bepalen van de BBT hebben we rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde BBT-conclusies:
BBT-conclusies afvalbehandeling
Bij het bepalen van de BBT hebben wij rekening gehouden met de volgende informatiedocumenten over BBT, zoals aangewezen in de bijlage van de Mor:
NRB 2012; Nederlandse richtlijn bodembescherming mrt-12
Integrale aanpak van risico's van onvoorziene lozingen feb-00
Met betrekking tot de bepaling van BBT, zijn de aspecten betrokken als genoemd in artikel 5.4 derde lid van het Bor. Hierover is op te merken dat er een noodzaak is om het effect van ongevallen op het milieu te minimaliseren en het mogelijke ongeluk te beperken.
De inrichting voldoet - met inachtneming van de aan dit besluit gehechte voorschriften - aan BBT. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf.
In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunningvoorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast.
Vanaf januari 2013 moet bij het bepalen van BBT-rekening worden gehouden met BBT-conclusies en bij ministeriële regeling aangewezen informatiedocumenten over BBT.
BBT-conclusies is een document met de conclusies over BBT, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, vijfde en zevende lid van de Richtlijn industriële emissies (RIE). Het vijfde lid verwijst naar BBT-conclusies vastgesteld na 6 januari 2011 onder het regime van de RIE. Het zevende lid verwijst naar de BBT-referentiedocumenten (BREF’s: Best available techniques Reference documents). Het hoofdstuk uit deze BREF’s waarin de BBT-maatregelen staan (hoofdstuk Best available techniques (BAT)), geldt als BBT-conclusies, totdat nieuwe BBT-conclusies zijn vastgesteld.
BBT-conclusies worden door de Europese commissie vastgesteld en bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (een uitvoeringsbesluit van de Europese commissie, dat gericht is tot de lidstaten). Zij worden daarom niet meer apart aangewezen in de Regeling omgevingsrecht.
3.3.1. BBT conclusies afvalbehandeling
Op 10 augustus 2018 is het document met BBT conclusies voor afvalbehandeling vastgesteld. Veel BBT conclusies voor afvalbehandeling hebben betrekking op emissies naar water en lucht (stof en geur) alsmede op en trillingen.
Voor zover een BBT conclusie betrekking heeft op emissies naar de lucht, de bodem, het water, geluidemissies en/of trillingen wordt voor de overwegingen verwezen naar de desbetreffende paragraaf,
Bij het bepalen van de BBT, specifiek voor de acceptatie en/of verwerking van afvalstoffen hebben we rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde BBT-conclusies voor afvalbehandeling:
Tabel 1 Installatie categorie 5.5, het tijdelijk opslaan van gevaarlijke afvalstoffen
Hierbij specificeren wij wel dat het shredderen geen onderdeel is van de IPPC-activiteit het opslaan van gevaarlijke afvalstoffen en dat daarop de algemene regels van het Activiteitenbesluit van toepassing zijn. De aangevraagde acceptatie en/of verwerking van afvalstoffen voldoet wel aan de hierboven genoemde BBT-conclusies. De directe invulling van BBT 1 is niet op alle punten volledig controlleerbaar. Daarom wordt voor het milieubeheersysteem een voorschrift opgenomen om de BBT conclusie volledig toe te passen en inzichtelijk te hebben op de locatie.
3.3.2 BREF Op- en overslag bulkgoederen (BREF ESB)
De BREF ESB is van toepassing op de opslag, het transport en de verlading van vloeistoffen, vloeibare gassen en vaste stoffen bij IPPC-installaties onafhankelijk van de sector of industrie. Deze horizontale BREF gaat in op de emissies naar de lucht, bodem, water, waarbij de meeste aandacht uitgaat naar de emissies naar de lucht. De informatie met betrekking tot emissies van de opslag, handling en transport van vaste stoffen is gericht op stof.
In de categorie specifieke BREF’s (primaire BREF’s) zijn ook technieken opgenomen voor op- en overslag. Die technieken zijn dan specifiek voor die branche. De specifieke maatregelen de primaire BREF’s verdienen de voorkeur boven de generieke maatregelen uit de horizontale BREF’s. Zo zijn in de BBT-conclusies voor de intensieve pluimvee- of varkenshouderij specifieke maatregelen opgenomen voor de opslag van dierlijke mest.
Voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen en de opslag van vloeistoffen en gassen in opslagtanks zijn voorwaarden gesteld in de PGS-richtlijnen. Deze zijn van toepassing op basis van de algemeen werkende regels in het Activiteitenbesluit of op basis van de voorschriften die in deze vergunning zijn gesteld. De technische en organisatorische maatregelen uit de BREF ESB zijn verwerkt in deze Nederlandse BBT-documenten.
Voor de aangevraagde activiteiten en daarbij behorende voorzieningen zijn, rekening houdend met de in dit besluit opgenomen voorschriften, in overeenstemming met de in de BREF ESB genoemde BBT. De maatregelen staan in een redelijke verhouding tot de schaal van de installatie.
3.3.3 BREF Energie-efficiëntie
De BREF Energie-efficiency is van toepassing op alle IPPC-installaties, behalve degenen die vallen onder het systeem van Emissiehandel. Deze BREF bevat derhalve richtsnoeren en conclusies inzake technieken voor energie-efficiëntie die voor alle onder de RIE vallende installaties in het algemeen als BAT-compatibel worden beschouwd. Deze BREF:
Proces specifieke BAT voor energie-efficiëntie en daarmee samenhangende energieverbruiksniveaus worden in de desbetreffende verticale sectorspecifieke BREF-documenten gegeven. Voor het energieverbruik en de besparende maatregelen wordt verder verwezen naar hoofdstuk 5 waar aangesloten wordt bij het Activiteitenbesluit milieubeheer als BBT-document. Hieruit volgt dat de aangevraagde en vergunde activiteiten met de in dit besluit opgenomen voorschriften in overeenstemming zijn met de BREF Energie-efficiëntie.
4. Maatwerkvoorschriften Activiteitenbesluit
De aanvraag heeft invloed op bestaande maatwerkvoorschriften en kan niet verleend worden zonder dat deze ingetrokken worden. De Wet milieubeheer omschrijft in artikel 8.42 dat een verzoek om een maatwerkvoorschrift of wijziging daarvan wordt getoetst aan het belang van de bescherming van het milieu. De betreffende maatwerkvoorschriften worden verder behandeld bij het hoofdstuk externe veiligheid. De aanvraag leidt tevens tot het stellen van maatwerkvoorschriften voor het onderdeel lucht vanwege de stof-gerelateerde activiteiten. De grondslag en motiviatie worden behandeld in het hoofdstuk lucht.
5.1. Acceptatie en/of verwerking van afvalstoffen
5.1.1. Doelmatig beheer van afvalstoffen
Het beleid met betrekking tot afvalverwerking is gericht op het doelmatig beheer van afvalstoffen, zoals gedefinieerd in artikel 1.1 van de Wm. In dat kader houden wij rekening met het geldende afvalbeheersplan (het Landelijk Afvalbeheerplan 2017-2029, hierna aangeduid als het LAP) waaronder begrepen deel E (minimumstandaard per specifieke afvalstroom). De doelstellingen van het LAP geven invulling aan de prioriteitsvolgorde in de afvalhiërarchie zoals die in artikel 10.4 van de Wm is opgenomen:
De minimumstandaard geeft de minimale hoogwaardigheid aan van de verwerking van een bepaalde afvalstof of categorie van afvalstoffen. Deze minimumstandaard is bedoeld te voorkomen dat afvalstoffen laagwaardiger worden verwerkt dan wenselijk is. Als de minimumstandaard bestaat uit verschillende verwerkingshandelingen bij diverse inrichtingen kan voor de afzonderlijke verwerkingsstappen een vergunning worden verleend mits de totale verwerking voldoet aan de minimumstandaard. In een aantal sectorplannen is vermeld dat het opnemen van sturingsvoorschriften dan noodzakelijk is.
5.2. Toetsing van de aangevraagde afvalactiviteiten
5.2.1. Uitsluitend opslaan van afvalstoffen
In het LAP is aangegeven dat voor het uitsluitend opslaan van afvalstoffen in beginsel een vergunning kan worden verleend. Drie afvalstromen worden hiervan uitgezonderd, te weten:
Voor het opslaan van deze afvalstoffen beschikt de aanvrager over de benodigde voorzieningen.
Voor de opslagtermijn van deze afvalstoffen is deels geen maximum in de aanvraag opgenomen.
Voor het opslaan van de hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend omdat deze afvalstromen niet behoren tot de in het LAP genoemde uitzonderingen. In de vergunning is vastgelegd dat de termijn van opslag maximaal 1 jaar is. Voor enkele afvalstofstromen zijn aanvullende voorschriften opgenomen, dit wordt bij het hoofdstuk geur behandeld.
Uit het LAP blijkt dat het overslaan van afvalstoffen in principe altijd doelmatig is. Er kan vergunning verleend worden als:
De op- en overslag van afvalstoffen is in het besluit met kenmerk 545529, 13 januari 2004 geregeld in voorschrift 6.3.2. Het voorschrift is door de actualiteit niet meer voldoende voor het beoogde doel. Daarom wordt het voorschrift vervangen door voorschrift 2.2.1.
5.2.3.Verwerking: afvalstromen waarvoor in deel E van het LAP een sectorplan is opgenomen
Uit een scan van de bestaande vergunning is gebleken dat enkele sturingsvoorschriften ontbreken, deze zijn toegevoegd voor sectorplan 1 en 3. Tevens is het sturingsvoorschrift voor sectorplan 28 veranderd. Voorschrift 6.4.1 van besluit met kenmerk 545529, 13 januari 2004 en voorschrift 3.1.6 van besluit met kenmerk 2019-FUMO-0032776, 21 november 2019 worden vervangen door 2.5.3 en .
Het bevoegd gezag kan in deze situatie nadere voorwaarden stellen aan de capaciteit, duur en voorzieningen van/voor de overslag. Het acceptatie- en verwerkingsbeleid (A&V-beleid) en de administratieve organisatie en interne controle (AO/IC) spelen een rol bij het veilig stellen van een effectief en efficiënt beheer van afvalstoffen, respectievelijk het mogelijk maken van effectief toezicht op het afvalbeheer.
Om de risico’s van het verwerkingsproces te beheersen, moet een bedrijf dat zich met afvalbeheer bezighoudt beschrijven welke afvalstoffen worden geaccepteerd en waar nodig, welke afvalstoffen juist niet worden geaccepteerd (acceptatiebeleid) en welke afvalstoffen op welke manier binnen het bedrijf worden verwerkt (verwerkingsbeleid). Daarnaast moeten door technische, administratieve en organisatorische maatregelen de relevante processen binnen een bedrijf beheerst worden. Op deze wijze worden de milieuhygiënische en informatietechnische risico’s binnen de bedrijfsvoering geminimaliseerd. De omvang en de inhoud van de AO/IC is afhankelijk van de aard van de risico’s van het betreffende bedrijfsproces. De onderdelen die minimaal in het A&V-beleid en AO/IC moeten zijn beschreven, zijn vastgelegd in het LAP.
De minimale elementen voor het A&V-beleid en AO/IC vormen een kader en bevatten criteria op hoofdlijnen, waaraan de aanvraag inhoudelijk wordt getoetst.
Bedrijven moeten in het A&V-beleid ook uitwerken of en zo ja, welke afvalstoffen geaccepteerd worden die zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) kunnen bevatten. In het A&V-beleid moet worden uitgewerkt op welke wijze wordt beoordeeld of ZZS kunnen voorkomen in de afvalstoffen die geaccepteerd worden. Indien ZZS kunnen voorkomen, moet beschreven worden hoe de betreffende afvalstoffen worden verwerkt en hoe gewaarborgd is dat onaanvaardbare risico’s voor blootstelling van mens en milieu veroorzaakt door ZZS, worden voorkomen.
5.3.1. Wijzigingen in het A&V-beleid en/of de AO/IC
Wijzigingen in het A&V-beleid en/of de AO/IC moeten schriftelijk aan ons worden voorgelegd. Als bevoegd gezag zullen wij vervolgens bezien welke procedure in relatie tot de aard van de wijziging is vereist.
De voorschriften 3.3.2 en 3.3.3 van besluit met kenmerk 00909767, 13 augustus 2010 voor het afvalverwerkingsbeleid zijn niet meer toereikend en onbedoeld ristrictief door het weglaten van toekomstige goedkeuringen. De voorschriften worden daarom vervangen door voorschriften 2.3.3 en 2.3.4.
5.4. Zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) in afvalstoffen
In het kader van ZZS dient er onderscheid gemaakt te worden tussen het stoffenbeleid enerzijds en het afvalstoffenbeleid anderzijds.
Het stoffenbeleid is Europees geregeld en is neergelegd in verordeningen als de REACH-verordening (hierna te noemen: REACH) en de POP-verordening (hierna te noemen: POP). Deze regelgeving is gericht op het voorkomen dan wel verwijderen van de ZZS uit de economie. De regels uit REACH en POP gelden rechtstreeks en inrichtingen (Toezichthouders ECHA en ILT) dienen derhalve zelf zorg te dragen voor de naleving ervan. Nationaal bezien geldt voor emissies van ZZS een minimalisatieverplichting. Voor emissies van ZZS naar de lucht gelden de regels uit afdeling 2.3 van het activiteitenbesluit of de vastgestelde BBT-conclusies en voor emissies van ZZS naar het water gelden de restricties van de Waterwet.
Daarnaast is er het nationale afvalstoffenbeleid, dat gericht is op een circulaire economie, waarin het uitgangspunt is dat materiaal zo lang mogelijk in de economie kan blijven, doch rekening houdend met de bescherming van de gezondheid van mens en milieu. Dit betekent dat de aanwezigheid van ZZS in een afvalstof van invloed is op mogelijkheid van nuttige toepassing.
Het nationale beleid ten aanzien van ZZS-houdende afvalstoffen is neergelegd in met name hoofdstuk B.14 van het LAP3. Daarnaast zijn voor specifieke menghandelingen met ZZS-houdende afvalstoffen regels opgenomen in hoofdstuk D.4 van LAP3.
De juridische basis voor een beoordeling van verwerking van afval met ZZS is artikel 2.14 lid 1b van de Wabo. Hierin staat dat bij het verlenen van omgevingsvergunningen, onderdeel milieu, rekening te houden met artikel 10.14 van de Wm en dus met het LAP. Deze verplichting betreft niet alleen de omgevingsvergunningen voor afvalbeheerinrichtingen, maar ook de vergunningen voor bedrijven waar afval vrijkomt.
Ter verduidelijking zal worden ingegaan op de relevante aspecten en toetsingskaders in het kader van ZZS-houdende afvalstoffen. Het beleid van LAP3 zoals neergelegd in B.14 en D.4 is uitvoerig van aard en derhalve bevat onderstaande tekst slechts een weergave op hoofdlijnen van het wettelijke kader en het beleid van LAP3 aangaande ZZS.
De REACH-Verordening heeft onder andere tot doel een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mens en milieu te waarborgen en tegelijkertijd het concurrentievermogen en de innovatie te vergroten. REACH verbiedt kort gezegd dat bepaalde ZZS in de handel worden gebracht (tenzij dat onder de voorwaarden van REACH gebeurt) of dat bepaalde ZZS als zodanig of in mengsels of voorwerpen worden gebruikt. REACH maakt daarbij onderscheid tussen stoffen die op de autorisatielijst staan (zij mogen alleen worden gebruikt als daarvoor autorisatie is verkregen) en stoffen die op de restrictielijst staan (zij mogen alleen worden verwerkt onder bepaalde restricties).
De POP-verordening ziet op het voorkomen van vrijkomen van persistente organische verontreinigde stoffen (POPs). De verordening wil dit bereiken door het stellen van grenswaarden van POPs in producten. Daarnaast regelt POP een veilige verwerking van POP-houdende afvalstoffen. Het betreft dan afvalstoffen die POPs bevatten boven een in de POP-verordening genoemde grenswaarde. De bepalingen in de POP-verordening zijn rechtstreeks werkend.
Op grond van artikel 7 van de POP-verordening, dienen producenten en houders van afval, alle redelijke inspanningen te verrichten om, waar mogelijk, verontreiniging van dit afval met de in bijlage IX van de verordening opgenomen stoffen te voorkomen.
Het beleidskader van LAP3 en de sectorplannen van LAP3 vormen onder andere een uitwerking van deze regelgeving.
Verwerking van afvalstoffen met ZZS
Het algemene nationale beleid ten aanzien van verwerking van afvalstoffen met ZZS ten behoeve van nuttige toepassing, is neergelegd in hoofdstuk B.14 van LAP3.
Voor de verwerking van afvalstoffen met ZZS geldt in de eerste plaats dat de verwerking in relatie tot de beoogde toepassing niet in strijd mag zijn met de bepalingen van de REACH- en POP-verordening. Er dient in geval van een aangevraagde of vergunde verwerking of nuttige toepassing daarom eerst gekeken te worden of de ZZS in de afvalstoffen onder REACH en POP zijn geregeld. Als dat het geval is dan is de verwerking tot de beoogde toepassing alleen toegestaan indien dat niet in strijd is met REACH of POP. Voor het toepassen van nationaal beleid (LAP3) is dan geen ruimte.
Toepassing van het nationale LAP3-beleid bij het verwerken van afval tot de beoogde toepassing is pas aan de orde in een aantal gevallen, te weten:
Indien een inrichting een verwerking gericht op nuttige toepassing verricht, die valt onder één van de vier bovengenoemde gevallen, dan is de verwerking niet zonder meer toegestaan. In dat geval zal mogelijk een risicoanalyse moeten uitwijzen of de beoogde verwerking is toegestaan.
Hoofdstuk B.14 van het derde Landelijk Afvalbeheerplan (LAP3) besteedt aandacht aan zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) in afvalstoffen en de (on)mogelijkheden die dat biedt voor het nuttige toepassen van afvalstoffen, voor typering van reststoffen als bijproduct of voor het typeren van teruggewonnen materialen of voorwerpen als einde-afvalstof. Als een bedrijf een ZZS-houdende afvalstof wil verwerken t.b.v. nuttige toepassing, of als een houder van een ZZS-houdend materiaal van mening is dat het geen afvalstof betreft, zal dit bedrijf of deze houder aan moeten tonen dat er geen onaanvaardbare risico’s verbonden zijn aan de beoogde inzet van dat materiaal. Hiertoe moet een risicoanalyse worden opgesteld (paragraaf B.14.4.3. van het LAP).
In de beleidskern van paragraaf B.14.6 van LAP3 is opgenomen in welke gevallen een risicobeoordeling moet worden gemaakt. Ook staat er aan welke eisen deze moet voldoen en dat de vergunning niet verleend kan worden als het bevoegd gezag niet overtuigd is dat sprake is van aanvaardbare risico’s.
Op dit moment wordt bezien welke wettelijke aanpassingen nodig zijn om het beleid ten aanzien van een risicobeoordeling van afvalstoffen op ZZS verdergaand juridisch te verankeren, ook bij bedrijven die meldingsplichtig zijn.
De Handreiking Risicoanalyse ZZS in afvalstoffen als achtergrond document bij het LAP3 hoofdstuk B.14, strekt tot nadere uitwerking van de aspecten die in een dergelijke risicoanalyse moeten worden betrokken. De handreiking is zowel bedoeld voor bedrijven die afvalstoffen met ZZS (willen) verwerken, als voor het bevoegd gezag om de beoogde verwerking te beoordelen. Deze risicoanalyse is nodig als ZZS in afvalstoffen voorkomen boven een in het LAP genoemde concentratiegrenswaarde (CGW) en noch de betreffende minimumstandaard uit het LAP, noch de Europese stoffenwetgeving op de beoogde toepassing of verwerking van (afval met) de ZZS toeziet.
De Ra is niet voor elk moment in de afvalverwerkingsketen benodigd. Pas als sprake is van een mechanische, fysische en/of chemische handeling die gericht is op het maken van een product, halffabricaat of afvalstof die t.b.v. een toepassing op de markt wordt gebracht, is een Ra aan de orde als aan bepaalde randvoorwaarden is voldaan. Dit geldt ook voor een mechanische, fysische en/of chemische handeling waarbij het verwerkte afval ook daadwerkelijk conform de beoogde toepassing wordt afgezet (bijvoorbeeld in de vorm van een product dat op de markt wordt gebracht of een toepassing als vulstof). In het geval van op- en overslag, een mechanische of fysische behandeling zoals verkleinen, wassen of breken, is een Ra derhalve niet aan de orde.
Indien een inrichting een verwerking verricht die plaatsvindt op een moment waarop eventueel een Ra aan de orde is, dient te worden beoordeeld welke ZZS in de afvalstroom of afvalstromen aanwezig zijn en in welke concentratie. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit een meting of de meest recente versie van het Rapport Inventarisatie ZZS in afvalstoffen, SGS Intron (thans december 2019). Verder dient eventueel op basis van informatie verkregen van de inrichting te worden beoordeeld welke ZZS nog meer aanwezig zijn in de afvalstromen die de inrichting verwerkt. Hierbij kan het bevoegd gezag mogelijk verlangen dat de aanwezigheid van andere ZZS wordt onderzocht indien daar aanleiding toe bestaat.
Vervolgens dient te worden beoordeeld of de REACH- of de POP-verordening of een minimumstandaard van een sectorplan van LAP3 reeds toeziet op de verwerking van de afvalstof met deze ZZS, of bepalingen kent ten aanzien van het in de handel brengen of het gebruik van de ZZS.
Slechts als aan de volgende criteria is voldaan, is een Ra aan de orde:
De minimumstandaard voor de afvalstof ziet niet toe op de ZZS
REACH en POP zien niet al toe op het op de markt brengen van de ZZS of ZZS-houdende producten of materialen, noch op de verwerking van de afvalstof met ZZS
Dit laatste houdt in dat een Ra alleen aan de orde kan zijn in het geval van verwerking met als doel nuttige toepassing of in geval van een beoordeling bijproduct of einde-afvalstof voor:
Afvalstoffen met ZZS van de kandidaatslijst van REACH
Afvalstoffen met ZZS die voorkomen op de restrictielijst van REACH, maar die worden toegepast op een wijze waarop de restricties niet toezien
Afvalstoffen met stoffen van de autorisatielijst van REACH, maar waarvan wordt beoogd een voorwerp te maken
Afvalstoffen die overige ZZS bevatten. Dit zijn stoffen die niet voorkomen in de POP-verordening of de autorisatielijst-, restrictielijst-, of kandidaatslijst van REACH.
Ten aanzien van de criteria voor een Ra geldt verder dat een Ra alleen aan de orde is als de ZZS in een afvalstof of materiaal aanwezig is boven een bepaalde concentratiegrenswaarde (CGW). Deze CGW is in principe 0,1% g/g (1.000 mg/kg), tenzij een afwijkende waarde is vastgesteld in tabel 17 van bijlage 11 van LAP3. Hierbij is overigens opgemerkt dat specifiek beleid, zoals het beleid voor het mengen van afval tot bouwstoffen, van toepassing kan zijn en beperkingen kan stellen aan de beoogde verwerking.
Tot slot dient, voor de beantwoording van de vraag of de verwerkingshandeling kan worden toegestaan, te worden beoordeeld of het technisch of economisch niet mogelijk is om de ZZS uit het materiaal te vernietigen of af te scheiden en het materiaal dan zonder ZZS of met heel lage gehalten ervan alsnog voor recycling of nuttige toepassing in te zetten. Indien dat het geval is, wordt de inzet van ZZS-houdend materiaal niet toegestaan zonder deze reinigingsstap.
Als het technisch of economisch niet mogelijk is de ZZS te verwijderen, dan dient u middels een Ra aan te tonen dat er geen onaanvaardbare risico’s verbonden zijn aan de boogde inzet van het materiaal.
Voor de beoordeling en toepassing van de begrippen “technisch en economisch mogelijk” en “gehalte” wordt verwezen naar paragraaf 3.5 van de Handreiking risicoanalyse ZZS, Rijkswaterstaat, versie 1.0 (november 2018).
Mengen van afvalstoffen met ZZS
De basis van het algemene mengbeleid is artikel 18 van de Kaderrichtlijn Afvalstoffen (Kra). Hierin is vastgelegd dat lidstaten maatregelen moeten nemen om ervoor te zorgen dat gevaarlijke afvalstoffen niet worden gemengd met andere categorieën van gevaarlijk afvalstoffen, noch met andere afvalstoffen, stoffen of materialen, en ook niet worden verdund.
Nationaal is dit wettelijk uitgewerkt in onder andere artikel 10:54a van de Wet Milieubeheer (Wm) en art. 2.12 Abm, welk laatste artikel op type A, B en C inrichtingen van toepassing is. Artikel 2.12 Abm is verder uitgewerkt in artikel 2.9 van de Activiteitenregeling (Arm). In bijlage 11 van de Arm zijn de categorieën afvalstoffen te vinden zoals bedoeld in art. 10.54a Wm.
Het wettelijke kader voor mengen is verder uitgewerkt in hoofdstuk D.4 van LAP3. Nu het zonder daartoe strekkende vergunning op grond van art. 10.54 Wm verboden is om menghandelingen uit te voeren van gevaarlijke afvalstoffen, vormt dit beleid het toetsingskader voor het vergunnen van menghandelingen met gevaarlijke afvalstoffen en de op te nemen voorschriften (ook in geval van een Omgevingsvergunning Beperkte Milieutoets).
Een menghandeling kan alleen worden toegestaan indien aan de volgende cumulatieve voorwaarden wordt voldaan:
Wat betreft het eerste punt geldt tevens dat het mengen van ZZS-houdende afvalstoffen niet strijdig met REACH of POP mag zijn, en dat het mengen ook niet is toegestaan als het afvalstoffen betreft die op basis van bijlage F.5 van LAP3 gescheiden gehouden dienen te worden.
Voor sommige specifieke situaties heeft het mengbeleid specifieke toetsingskaders beschreven voor de beoordeling van de vraag of de menghandeling kan worden toegestaan. Twee belangrijke situaties zijn mengen ten behoeve van bouwstoffen en mengen ten behoeve van immobilisaten (vormgegeven bouwstof).
De aanvrager verkrijgt met deze vergunning de mogelijkheid om meer afvalstoffen van buiten de inrichting te ontvangen. Op grond van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen moet de inrichting de ontvangst van afvalstoffen melden. Voor een effectieve handhaving van het afvalbeheer is het van belang om registratieverplichtingen op te nemen (art. 5.8 Bor). In de vergunning met kenmerk 545529, 13 januari 2004 zijn deze voorschriften opgenomen. Enkele van deze voorschriften (voorschriften 3.1.1 en 3.1.2) zijn verouderd, daarom worden de voorschriften vervangen door voorschriften 2.6.1 en 2.6.2, tevens worden aanvullende voorschriften gesteld.
Verdergaand met de ontwikkelingen op het gebied van ZZS worden na de eerste informatieopvraag nu ook aanvullende voorschriften verbonden aan de vergunning m.b.t. een plan van aanpak voor de omgang hiermee.
Gelet op het bovenstaande zijn wij van mening dat de aangevraagde activiteiten in overeenstemming zijn met het geldende afvalbeheersplan en daarmee bijdragen aan een doelmatig beheer van afvalstoffen.
De aangevraagde lozingen vallen onder de “Instructieregeling lozingsvoorschriften milieubeheer”.
In het kader van deze regeling moeten voorschriften opgenomen worden die gericht zijn op de bescherming van het openbaar riool, een zuivering technisch werk of de bij een zodanig openbaar riool of zuivering technisch werk behorende apparatuur. Verder moeten voorschriften opgenomen worden, die bepalen dat het afvalwater van dien aard moet zijn dat de kwaliteit van het rioolslib er niet door wordt aangetast zodat de verwerking van dit slib niet wordt belemmerd. Daarnaast dienen voorschriften te worden opgenomen die bepalen dat het afvalwater van dien aard moet zijn dat de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk worden beperkt. De genoemde voorschriften zijn in deze vergunning opgenomen.
Binnen de inrichting is er sprake van lozingen waarvoor afdeling 2.1 over de zorgplichtbepaling en afdeling 2.2 over lozingen van het Activiteitenbesluit rechtsreeks gelden. Het betreft de volgende activiteiten:
Het lozen van afvalwater van de tankplaats;
Opslag van goederen op het buitenterrein;
Het lozen van afvalwater van huishoudelijke aard.
Dergelijke lozingen moeten voldoen aan de eisen van het Activiteitenbesluit en hierover mogen geen voorschriften worden opgenomen in de omgevingsvergunning.
Het afvalwater afkomstig van gevaarlijke afvalstoffen op het buitenterrein is niet geregeld in het Activiteitenbesluit. Bij besluit 545529, 13 januari 2004 en besluit WF.03/2214/B, 3 februari 2004 zijn deze stromen gedeeltelijk vergund. Met de uitbreiding van het terrein is het van belang dat de normstellingen voor de voorzieningen in de voorschriften vernieuwd worden.
In de inrichting worden materialen op- en overgeslagen en bewerkt die mogelijk zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) kunnen bevatten. Het Wetterskip Fryslân adviseerd om voor ZZS voorschriften op te nemen. Het hemelwater dat vanaf het nieuwe terreingedeelte geloosd wordt kan daardoor verontreinigd zijn met ZZS. Dit zijn stoffen die zijn geclassificeerd als de meest gevaarlijke stoffen voor mens en milieu die met voorrang aangepakt moeten worden. Het streven is om ZZS uit de leefomgeving te weren.
Het landelijk waterkwaliteitsbeleid is er op gericht om ZZS met een combinatie van bronaanpak, minimalisatie van de restlozing en continue verbetering aan te pakken. PreZero dient te voorkomen dat de bronnen in contact komen met het hemelwater dat op het buitenterrein valt. Het nieuwe terreingedeelte is voorzien van een vloeistofdichte vloer. Het hemelwater afkomstig van dit terreingedeelte wordt via een voorziening op het gemeentelijk vuilwaterriool geloosd.
De op het terrein opgeslagen stoffen bestaan uit inerte en niet-inerte goederen.
Door nieuwe wetgeving en het veranderen van normstellingen moeten de voorschriften 4.1.1, 4.2.1 en 4.3.1 van Besluit 545529, 13 januari 2004, als ook voorschriften 3, 4, 5, 6 en 7 van besluit WF.03/2214/B, 3 februari 2004 vervangen worden. In dit besluit aangeduid als voorschriften 3.1.1, 3.1.2 en 3.1.3.
Conform het landelijk beleid voor de aanpak ZZS moet een lozer verplicht iedere vijf jaar rapporteren over de getroffen maatregelen om de emissies van ZZS te verminderen en de technieken die op de markt beschikbaar zijn gekomen om verdere invulling aan de minimalisatie te geven. In overeenstemming met het advies van het Wetterskip Fryslan worden voorschriften 3.2.1 en 3.2.2 aan het besluit verbonden.
De in de aanvraag vermelde maatregelen ter voorkoming en beperking van lozing van afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen, zullen naar verwachting leiden tot een acceptabel lozingsniveau, dat in overeenstemming is met genoemde doelstellingen. Wij achten deze situatie vergunbaar.
7.1. Het kader voor de bescherming van de bodem
Het (nationale) preventieve bodembeschermingsbeleid is vastgelegd in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB). Het uitgangspunt van de NRB is dat door een combinatie van voorzieningen en maatregelen (cvm) een verwaarloosbaar bodemrisico wordt gerealiseerd. Alleen in bepaalde bestaande situaties kan conform de NRB onder voorwaarden volstaan worden met een aanvaardbaar bodemrisico.
Op basis van de NRB worden de (voorgenomen) activiteiten beoordeeld en wordt bepaald welke combinatie van voorzieningen en maatregelen noodzakelijk is om tot een verwaarloosbaar bodemrisico te komen. Daarbij richt de NRB zich op de normale bedrijfsvoering en voorzienbare incidenten. Bodembescherming in situaties van calamiteiten wordt in het kader van de NRB niet behandeld. Een eventuele calamiteitenopvang die onlosmakelijk deel uitmaakt van de installatie, bijvoorbeeld in de vorm van een tank of opvangbassin, is wel een activiteit waar de NRB in voorziet. Tankputten en calamiteitenvijvers voor de opslag van verontreinigd bluswater worden in de NRB niet behandeld.
7.2. De bodembedreigende activiteiten
Met de uitbreiding van de inrichting worden de volgende mogelijk bodembedreigende activiteiten toegevoegd op het buitenterrein:
De inrichting treft hiervoor de volgende voorzieningen om tot een verwaarloosbaar bodemrisico te komen:
Wij hebben het bij de aanvraag gevoegde bodemrisicodocument beoordeeld en stemmen in met de opzet, de uitgangspunten en de resultaten. Uit het document blijkt dat voor alle bodembedreigende activiteiten het verwaarloosbaar bodemrisico wordt behaald. Het onderhoud en inspectie wordt vormgegeven in afdeling 2 van het Activiteitenbesluit milieubeheer.
Tevens merken wij op dat de normstellingen opgenomen in voorschriften 8.1.1, 8.1.2 en 8.1.3 van besluit met kenmerk 545529, 13 januari 2004 verwijzen naar verouderde normstellingen. Door het activiteitenbesluit zijn deze voorschriften komen te vervallen, om verwarring tegen te gaan worden de voorschriften ingetrokken.
Het preventieve bodembeschermingsbeleid gaat ervan uit dat (zelfs) een verwaarloosbaar bodemrisico nooit volledig uitsluit dat een verontreiniging of aantasting van de bodem optreedt. Om die reden is altijd een nulsituatieonderzoek naar de kwaliteit van de bodem noodzakelijk. Het nulsituatieonderzoek richt zich op de afzonderlijke activiteiten en de daar gebruikte stoffen.
Nulsituatieonderzoek bestaat uit het vastleggen van de nulsituatie bodemkwaliteit voorafgaand aan de start van de betreffende activiteit(en). Na het beëindigen van de betreffende activiteit(en) dient een vergelijkbaar eindonderzoek te worden uitgevoerd.
Het nulsituatieonderzoek moet ten minste duidelijkheid verstrekken over:
De in het nulsituatieonderzoek vastgelegde bodemkwaliteit geldt als uitgangspunt bij de beoordeling of ten gevolge van de betreffende activiteiten verontreiniging of aantasting van de bodem heeft plaatsgevonden en of bodemherstel nodig is.
Voor het bodemonderzoek noodzakelijke werkzaamheden als vermeld in de Regeling bodemkwaliteit moeten zijn uitgevoerd door een erkende instantie als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit.
Voor de inrichting zijn de volgende documenten als aanvullende nulsituatie toegevoegd:
Met deze documenten wordt de nulsituatie voldoende vastgelegd.
7.5. Eindsituatieonderzoek en herstelplicht bij geconstateerde verontreiniging
Na beëindiging van de activiteiten of een deel daarvan moet een eindsituatieonderzoek naar de kwaliteit van de bodem worden verricht. Indien blijkt dat sprake is van een bodembelasting als gevolg van de activiteiten, zal de bodemkwaliteit hersteld moeten worden. De voorschriften 8.2.1 en 8.2.2 van besluit met kenmerk 545529, 13 januari 2004 laten onduidelijkheden bestaan over de methode en normstelling waarmee de onderzoeken uitgevoerd moeten worden. Deze voorschriften zijn vervallen omdat het Activiteitenbesluit milieubeheer van kracht is op dit onderdeel. Om verwarring te voorkomen worden de voorschriften actief ingetrokken.
In het landelijke beleid zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer worden inrichtingen aan de hand van het jaarlijkse energieverbruik als volgt ingedeeld:
Voor andere energiebronnen dan elektriciteit en aardgas wordt het verbruik uitgedrukt in aardgasequivalenten door de omrekenfactoren te hanteren zoals opgenomen in artikel 2.16d van de Activiteitenregeling.
Midden- en grootverbruikers worden als energierelevant bestempeld en moeten de beste beschikbare technieken (BBT) toepassen om tot een zuinig energieverbruik te komen. Een energiebesparende maatregel moet genomen worden als de terugverdientijd vijf jaar of korter is. Verder moeten midden- en grootverbruikers 4-jaarlijks rapporteren over het energieverbruik van de inrichting en welke energiebesparende maatregelen zijn getroffen (informatieplicht energiebesparing).
Op basis van de draaiuren voor de apparaten uit het luchtonderzoek, is een afschatting gemaakt voor het verwache dieselverbruik. In het onderzoek zijn voor shovels 1675 draaiuren, kranen 1675 draaiuren en terreinwagens 520 draaiuren aangegeven. Shovels en Kranen verbruiken gevarieerd tussen de 3,5 en 22 liter per uur afhankelijk van het type en de inzet. Het verwachte gebruik valt daarmee tussen de 1675*2*3,5=11725 liter en 1675*2*22=73700 liter. Dit is vergelijkbaar met een aardgasequivalent verbruik tussen de 13.249 m3 en 83.281 m3, bij normaal gebruik zal dit overeenkomen met een middelgrote verbruiker (25.000 m3 < gasgebruik ≤ 75.000 m3).
Bovengenoemd verbruik aan dieselolie heeft alleen betrekking op installaties, werktuigen en/of transportmiddelen binnen de inrichting, zoals aangegeven in het rapport en heeft de terreinwagen en andere installaties niet meegenomen.
Hieruit blijkt dat sprake is van een middenverbruiker en dus een energierelevante inrichting.
8.2. Voorschriften voor vergunningplichtige bedrijven
Voor vergunningplichtige bedrijven geldt dat de energievoorschriften uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling niet rechtstreeks werkend zijn. Regels voor energiebesparing worden dan ook via voorschriften in de vergunning geregeld op basis van artikel 5.7 van het Bor. Dat artikel verplicht het bevoegd gezag voorschriften aan de vergunning te verbinden met betrekking tot een doelmatig gebruik van energie en grondstoffen.
Wij hebben de voorschriften over energiebesparing in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling vertaald naar vergunningvoorschriften over energiebesparing en dit als actualisering opgenomen in de vergunning. Daarmee zijn de energiebesparingsverplichtingen voor uw inrichting op hetzelfde niveau als de verplichtingen die gelden voor niet-vergunningplichtige middenverbruikers waarvoor de energie-voorschriften uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling gelden.
Voor het selecteren van energiebesparende maatregelen kan gebruik worden gemaakt van de erkende maatregelenlijsten (EML’s) die zijn opgenomen in bijlage 10 van de Activiteitenregeling. Indien alle vermelde maatregelen bij een geselecteerde activiteit zijn getroffen, wordt voor die activiteit voldaan aan de verplichting tot het uitvoeren van maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of korter.
Binnen de inrichting zijn de volgende gevaarlijke stoffen aanwezig:
De processen, de aard en hoeveelheid van de gebruikte gevaarlijke stoffen zoals vermeld in de aanvraag, kunnen effecten veroorzaken naar de omgeving.
Deze risico's worden voldoende afgedekt door het voldoen aan de van toepassing zijnde richtlijnen voor de opslag van gevaarlijke stoffen, voor de diesel is dit de PGS 30
Het Bouwbesluit 2012 regelt onder andere het brandveilig gebruik van bouwwerken, het brandveilig opslaan van brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen, het brandveilig opslaan van kleine hoeveelheden brand- en milieugevaarlijke stoffen en de aanwezigheid, controle en onderhoud van brandbestrijdingssystemen voor de hiervoor bedoelde situaties.
9.3. Opslag gevaarlijke en brandbare afvalstoffen
Het externe veiligheidsbeleid in Nederland is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van activiteiten voor de omgeving (mens en milieu). Het gaat hierbij onder meer om de risico's die verbonden zijn aan de opslag en het gebruik van gevaarlijke stoffen.
Zoals in het NMP4 (Vierde Nationaal Milieubeleidsplan) is aangegeven, is de basis van het huidige risicobeleid dat het gevaar van een activiteit acceptabel is wanneer:
Het plaatsgebonden risico (PR) is een maatstaf om te bepalen welke afstand nodig is tussen de risicodragende activiteit en de bebouwde omgeving.
Voor de opslag van gevaarlijke en brandbare afvalstoffen is bij deze inrichting niet sprake van een bedrijf welke valt onder het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen of een BRZO-inrichting. Desondanks zal een eventuele brand leiden tot veel geuroverlast en de onbedoelde verspreiding van stof naar de omgeving. Bij de aanvraag is verzocht om de brandveiligheid van de vakken op het buitenterrein te onderzoeken om de kans op het volledig afbranden van het buitenterrein te verminderen.
Bij besluit 00909767, 13 augustus 2010 zijn de bestaande voorschriften voor folie met eisen aan de compartimentering van besluit 545529, 13 januari 2004 omgezet naar maatwerk. Deze voorschriften staan de nieuwe opzet niet toe. Daartoe worden maatwerkvoorschriften 5.1.2 tot en met 5.1.8 van besluit 00909767, 13 augustus 2010 ingetrokken.
Om de brandveiligheid te garanderen adviseert brandweer Fryslân om hiervoor voorschriften op te nemen. Op het buitenterrein wordt de inrichtinghouder op basis van artikel 2.1, tweede lid, onder l, juncto vierde lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer verplicht om de indeling van het buitenterrein te laten voldoen aan de limitaties uit de notitie met kenmerk 5002-1-01 dd. 2 februari 2022. Dit is opgenomen in maatwerkvoorschriften 6.1.1 en 6.1.2. Het doel van de maatwerkvoorschriften is de impact op de omgeving bij een eventuele brand te limiteren.
De bedrijfsactiviteiten hebben tot gevolg dat geluid wordt geproduceerd. Deze geluidsemissie wordt vooral veroorzaakt door met name mobiele bronnen. De veroorzaakte geluidsbelasting in de omgeving en de perioden waarin deze optreedt, is in kaart gebracht in het rapport van het akoestisch onderzoek ‘PreZero Recycling Services Noord B.V. Snelliusweg 4, Leeuwarden’ welke is opgesteld door akoestisch buro Tideman met kenmerk 21.158.01 versie 01 van 29 oktober 2021.
Het geluid wordt beoordeeld op basis van de representatieve bedrijfssituatie (de geluidsemissie die de inrichting onder normale omstandigheden veroorzaakt). Beoordeeld worden de geluidsbelasting, de maximale geluidsniveaus en de indirecte hinder als gevolg van het in werking zijn van de inrichting. De inrichting ligt op het bedrijventerrein "Newtonweg" te Leeuwarden.
10.2. Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau
In het kader van de beoordeling of de inrichting niet op ontoelaatbare wijze geluidshinder teweegbrengt is gebruikgemaakt van de "Handreiking industrielawaai en vergunningverlening, oktober 1998".
De gemeente Leeuwarden heeft geen beleid ten aanzien van industrielawaai vastgesteld.
Wij toetsen daarom het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vanwege de inrichting aan de normstelling uit hoofdstuk 4 van de Handreiking.
De woonomgeving buiten het bedrijventerrein kan worden gekarakteriseerd als een woonwijk in de stad. Hiervoor geldt een richtwaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde.
In de aanvraag zijn activiteiten aangevraagd voor zowel de dag-, avond- als nachtperiode.
De meest nabij gelegen woningen buiten het bedrijventerrein liggen op een afstand van meer dan 600 meter van de inrichting. Uit de resultaten van het akoestisch onderzoekt blijkt dat het immissieniveau ter plaatse van de woningen buiten het bedrijventerrein ten hoogste 39 dB(A) etmaalwaarde bedraagt. Hiermee wordt de richtwaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde niet overschreden.
Het is niet zinvol om geluidniveaus te gaan vergunnen ter plaatse van de woningen buiten het bedrijventerrein vanwege de grote afstand. Op het bedrijventerrein zijn geen bedrijfswoningen gelegen. Daarom zijn een viertal referentiepunten op een afstand van 100 meter van de inrichting gelegd. De berekende waarden op deze referentiepunten zijn in de voorschriften vastgelegd.
10.3. Maximaal geluidsniveau (LAmax)
De grenswaarden voor de maximale geluidsniveaus bedragen 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Bij woningen buiten het bedrijventerrein bedragen de optredende maximale geluidniveaus ten hoogste 53, 54 en 54 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Hiermee wordt ruim voldaan aan de grenswaarden.
Het geluid van het verkeer van en naar de inrichting over de openbare weg is beoordeeld volgens de circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer" d.d. 29 februari 1996.
In de directe omgeving zijn geen woningen van derden gelegen. De vrachtwagens die komen en gaan zijn reeds opgenomen in het heersend verkeersbeeld. In de milieuvergunning wordt geen voorschrift opgenomen met betrekking tot indirecte hinder.
Het Nederlandse geurbeleid is opgenomen in artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit en in de Handleiding geur: bepalen van het aanvaardbaar hinderniveau van industrie en bedrijven (niet veehouderijen). Als algemene doelstelling geldt het zoveel mogelijk beperken van bestaande hinder en het voorkomen van nieuwe hinder. Daarbij staat het afwegingsproces voor het vaststellen van het aanvaardbaar hinderniveau centraal. Het aanvaardbaar hinderniveau wordt per situatie vastgesteld en zo nodig op grond van het Activiteitenbesluit als maatwerkvoorschrift aan de vergunning verbonden. Alleen als de emissies van de inrichting in het Activiteitenbesluit uitgezonderd zijn, worden de geuremissies in de vergunning beoordeeld.
Het bevoegd gezag bepaalt welke mate van hinder als aanvaardbaar wordt beschouwd. Als leidraad voor het afwegingsproces dat daarbij doorlopen wordt, geldt de hindersystematiek Geur. Deze hindersystematiek, die is vastgelegd in hoofdstuk 3 van de Handleiding geur, benoemt de verschillende aspecten die in het afwegingsproces moeten worden meegenomen om te komen tot een zorgvuldige bepaling van het aanvaardbaar hinderniveau. De aspecten die bij het vaststellen van het aanvaardbaar hinderniveau worden meegewogen zijn eveneens opgenomen in het derde lid van artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit.
Maatregelen ter bestrijding van geurhinder moeten worden bepaald in overeenstemming met het BBT-principe (de Best Beschikbare Technieken moeten worden toegepast). Voor een aantal activiteiten zijn in het Activiteitenbesluit voorschriften opgenomen.
Op 12 november 2019 zijn de beleidsregels geur voor Friese bedrijven vastgesteld. Deze “Beleidsregels geur Bedrijven Fryslân 2019” zijn op 20 november 2019 gepubliceerd. Geuremissie toetsen wij aan dit vastgestelde beleid.
11.3. Beoordeling geurhindersituatie
11.3.1. Omschrijving aangevraagde situatie
Binnen de inrichting ontstaat geuremissie als gevolg van de opgeslagen afvalstoffen en bewerking van de afvalstoffen.
De volgende geurbronnen zijn binnen de inrichting aanwezig:
In de mer aanmeldnotitie worden voor bederfelijke afvalstofstromen maximale verblijfstijden aangegeven. Het mer beoordelingsbesluit geeft aan dat deze opslagtijden mitigerende maatregelen zijn.
11.3.2. Ligging van de inrichting en geurgevoelige objecten in de omgeving
De inrichting is gelegen op een industrieterrein die bestemd is voor bedrijven in de categorie 4 of hoger volgens de VNG brochure Bedrijven en Milieuzonering. De afstand tot de meest nabijgelegen woning is circa 700 meter, ten zuiden van de locatie. Ten oosten van de locatie op circa 800 meter is een woonwijk gelegen.
Uit het bij de aanvraag gevoegde informatie blijkt dat er geuremissie ontstaat door de aangevraagde activiteiten. Het bedrijf heeft maatregelen genomen om de geuremissie te beperken. De hoeveelheid opgeslagen geurende afvalstoffen en de opslagduur zijn gemaximeerd. Hiermee wordt geurhinder naar de omgeving voorkomen. Mede gezien de afstand (>700 meter) tot de dichtstsbij zijnde woningen wordt er bij deze geurgevoelige objecten geen geurhinder verwacht.
De maatregelen, tevens aangegeven in het mer beoordelingsbesluit, worden op basis van artikel 7.20a, eerste lid, juncto artikel 7.16, vierde lid, van de Wet milieubeheer als voorschriften 8.1.1 tot en met 8.1.3 verbonden aan de vergunning.
Het algemeen luchtbeleid is gericht op het voorkomen dan wel zo veel mogelijk beperken van emissies naar de lucht door het toepassen van de beste beschikbare technieken (BBT) en het voldoen aan de luchtkwaliteitseisen van bijlage 2 van de Wet milieubeheer.
Luchtemissies voor inrichtingen worden in beginsel gereguleerd door de algemene regels van het Activiteitenbesluit. Zo bevat Afdeling 2.3 van het Activiteitenbesluit regels voor stoffen met een minimalisatieverplichting, emissiegrenswaarden, geur en monitoring.
Voorts bevat het Activiteitenbesluit in Afdeling 2.11 en de hoofdstukken 3 en 5 (lucht)regels voor specifieke activiteiten, zoals bijvoorbeeld stookinstallaties. Deze eisen zijn rechtstreeks geldend en daarom niet in deze vergunning opgenomen.
Het Activiteitenbesluit biedt de mogelijkheid om in bepaalde gevallen en onder bepaalde voorwaarden bij maatwerkvoorschrift af te wijken van de algemene regels.
Indien en voor zover voor luchtemissies van IPPC-installaties BBT-conclusies zijn vastgesteld, gelden de algemene regels van Afdeling 2.3 echter niet (met uitzondering van de minimalisatieverplichting voor zeer zorgwekkende stoffen). Voor deze luchtemissies worden voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden die aansluiten bij de BBT-conclusies.
In deze vergunning wordt specifiek ingegaan op de luchtemissies van de inrichting. Naast de toetsing aan de beste beschikbare technieken en Activiteitenbesluit wordt beoordeeld of de emissienormering van het Activiteitenbesluit toereikend is of dat er maatwerkvoorschriften moeten worden gesteld. Tevens wordt er getoetst aan de kwaliteitseisen uit Bijlage 2 van de Wm.
Bij PreZero Leeuwarden vinden de volgende activiteiten plaats die relevante emissies naar de lucht tot gevolg hebben:
Het effect van de bedrijfsactiviteiten van de inrichting op de luchtkwaliteit is onderzocht en vastgelegd in het luchtkwaliteitsonderzoek ‘Milieuonderzoeken herontwikkeling PreZero - Leeuwarden in Leeuwarden, Onderzoek luchtkwaliteit en stikstofdepositie, kenmerk R060675aa.21ESMWB.djs d.d. 29 januari 2023’. Het luchtkwaliteitsonderzoek is opgenomen als bijlage bij de aanvraag.
Binnen de inrichting is sprake van diffuse emissies afkomstig van de volgende activiteiten: Stikstofemissies van voertuigen, mobiele werktuigen en bewerkingsinstallatie (houtbreker, shredder en balenpers); stofemissies van opslag en be-/verwerking (sorteren, verkleinen, balen) van vaste bulkgoederen (afvalstoffen).
Uit bij de aanvraag behorende ‘Milieuonderzoeken herontwikkeling PreZero - Leeuwarden in Leeuwarden, Onderzoek luchtkwaliteit en stikstofdepositie, kenmerk R060675aa.21ESMWB.djs d.d. 29 januari 2023’ blijkt welke activiteiten stuifgevoelig zijn en welke emissiebeperkende maatregelen toegepast worden per activiteit.
Handelingen met inerte vaste bulkgoederen vallend onder het Activiteitenbesluit
Voor de overslag, opslag, laden, lossen, transport, van de inerte goederen (waaronder A-hout(snippers))is paragraaf 3.4.3 (artikel 3.32, 3.37-t/m 3.39) van het Activiteitenbesluit van toepassing. Uit de aanvraag blijkt dat aan deze bepalingen wordt voldaan.
Overige handelingen met inerte vaste bulkgoederen en handelingen met niet-inerte vaste bulkgoederen
Voor de diffuse stofemissies van de be-/verwerking van vaste inerte bulkgoederen anders dan overslag, opslag, laden, lossen, transport en voor diffuse stofemissies van op- overslag, laden -en lossen, transporteren en verwerking van vaste niet-inerte bulkgoederen gelden de regels van het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling niet.
De verandering beoogt het shredderen van diverse afvalstoffen. Zo wordt o.a. per jaar maximaal 30.000 ton A-/B-hout gebroken met een (mobiele) houtbreker en maximaal 20.000 ton afval geshredderd worden met behulp van een (mobiele) shredder.Bij het houtbreken en shredderen komt stof vrij. De stofemissie wordt op de volgende wijze beperkt:
Het bevoegd gezag kan op basis van artikel 2.7 tweede lid van het Activiteitenbesluit in een maatwerkbesluit maatregelen vastleggen om diffuse stofemissies te beperken. Van deze mogelijkheid maken wij gebruik.
De maatwerkvoorschriften worden op grond van artikel 8.42 van de Wet milieubeheer vastgelegd.
Wij stellen middels dit besluit maatwerkvoorschiften op voor het beperken van diffuse stofhinder door het houtbreken en het shredderen van inerte en niet inerte stoffen en op-/overslag van niet inerte stoffen. In de maatwerkvoorschriften zal BBT worden voorgeschreven om diffuse emissie van stof te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.
12.3. Zeer zorgwekkende stoffen (ZSS)
Er wordt binnen de inrichting A-en B-hout en diverse afvalstoffen verkleind met een (mobiele) houtbreker en een (mobiele) shredder.
Bij A-hout gaat het om ongeverfd en onbehandeld hout. Bij B-hout gaat het om geverfd, gelakt en/of verlijmd hout, ook spaanplaat. In B-hout kunnen minimalisatieverplichte zeer zorgwekkende stoffen voorkomen, zoals o.a. kobaltzouten en arseenverbindingen uit verf. In spaanplaat / OSB kan formaldehyde voorkomen.
Ook in de afvalstoffen kunnen zeer zorgwekkende stoffen aanwezig zijn. In bijvoorbeeld kunststoffen kunnen stabilisatoren en de meest voorkomende weekmakers en vlamvertragers voorkomen.
Voorschriften van artikel 2.4 van het Activiteitenbesluit en behorende Activiteitenregeling gelden, waaronder de minimalisatieverplichting.
De minimalisatieverplichting houdt in dat iedere vijf jaar aan het bevoegd gezag gerapporteerd moet worden over de mate waarin emissies van zeer zorgwekkende stoffen naar de lucht plaatsvinden en de mogelijkheden om die emissies te voorkomen c.q. te beperken.
In Titel 5.2 Wet milieubeheer en de bijbehorende bijlage 2 bij de Wet milieubeheer zijn grens- en richtwaarden gesteld aan de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht op leefniveau, die wij als toetsingscriteria moeten hanteren.
De inrichting emitteert een aantal stoffen waarvoor deze grenswaarden gelden, te zwaveldioxide, stikstofdioxide, zwevende deeltjes (fijnstof: PM2,5 en PM10). De concentraties van fijnstof (PM2,5 en PM10) en stikstofdioxide (NO2) zijn in de Nederlandse situatie het meest kritisch ten opzichte van de grenswaarden.
De inrichting heeft voor deze stoffen een immissietoets uitgevoerd. Dit is opgenomen in de aanvraag: ‘Milieuonderzoeken herontwikkeling PreZero - Leeuwarden in Leeuwarden, Onderzoek luchtkwaliteit en stikstofdepositie, kenmerk R060675aa.21ESMWB.djs d.d. 29 januari 2023’ .
Op grond van artikel 5.16 lid 1 van de Wet milieubeheer kan de vergunning alleen worden verleend, als aannemelijk gemaakt kan worden dat voldaan wordt aan (minimaal) één van de volgende criteria:
Op basis van verspreidingsberekeningen concluderen wij dat voldaan wordt aan de grenswaarden in Bijlage 2 van de Wet milieubeheer.
Aangezien er binnen de inrichting activiteiten worden uitgevoerd als bedoeld in Bijlage I van de EG-Verordening PRTR, geldt dat conform titel 12.3 van de Wm een elektronisch PRTR-verslag moet worden ingediend.
Op grond van artikel 12.20 lid 1 Wm geldt dat de vergunninghouder de emissies (jaarvrachten) moet rapporteren.
12.6. Eindconclusie aspect lucht
Wij zijn van oordeel dat uit de aanvraag blijkt dat er voldoende maatregelen worden toegepast c.q. zullen worden toegepast om luchtemissies te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. De aangevraagde situatie is daarmee vergunbaar. Wij hebben in de vergunning voorschriften opgenomen om diffuse emissie van stof te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.
13.1.1. Contactpersoon en wijziging vergunninghouder
Voor het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van door de inrichting veroorzaakte grootschalige of grensoverschrijdende verontreinigingen moet bekend zijn wie daarop kan worden aangesproken. Deze persoon tezamen met zijn plaatsvervanger moeten ten alle tijden bereikbaar zijn. Dit voorschrift is een vervanging van voorschriften 1 en 2 van besluit WF.03/2214/B, 3 februari 2004. In dit besluit aangeduid als voorschrift 1.3.1.
Voorschrift 1.3.2 van besluit 545529, 13 januari 2004 is niet meer relevant, de onderzoeken zijn inmiddels uitgevoerd en nieuwe onderzoeken moeten aan andere eisen voldoen. Wel is van belang dat de vergunningen, informatiebladen en te registreren gegevens worden bewaard. Daarom wordt voorschrift 1.3.2 van besluit 545529, 13 januari 2004 vervangen. In dit besluit aangeduid als voorschrift 1.4.1.
Voor het treffen van maatregelen om bij definitieve bedrijfsbeëindiging de nadelige gevolgen die de inrichting heeft veroorzaakt voor het terrein waarop zij was gevestigd, ongedaan te maken of te beperken voor zover dat nodig is om dat terrein weer geschikt te maken voor een volgende functie zijn voorschriften opgenomen. De voorschriften hebben betrekking op: het verwijderen van installaties en de eindsituatie bodemonderzoek. Deze voorschriften blijven gedurende 3 jaar nadat de omgevingsvergunning haar geldigheid heeft verloren, in werking.
13.2. Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob)
Wij hebben, in het kader van de Wet Bibob, de aangeleverde stukken met betrekking tot de bedrijfsvoering en de financiering getoetst. Naar aanleiding van deze toets zien wij geen aanleiding tot verdere stappen.
In artikel 17.2, eerste lid van de Wet milieubeheer is vastgelegd dat ongewone voorvallen waardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of dreigen te ontstaan door het bedrijf zo spoedig mogelijk aan ons moeten worden gemeld.
13.4.1. Proefnemingen met afvalstoffen
Een van de kernpunten van het afvalstoffenbeleid is dat de be- en/of verwerking van afvalstoffen op een zo hoogwaardig mogelijke wijze moet plaatsvinden. Het beoordelingskader daarvoor is het LAP. Om informatie te vergaren over bijvoorbeeld de technische haalbaarheid van nieuwe hoogwaardige technieken of andere be- of verwerkingsmethoden van afvalstoffen en om inzicht te krijgen in de daaraan verbonden milieu-hygiënische consequenties, kan het uitvoeren van proefnemingen van essentieel belang zijn.
Proefnemingen worden gekenmerkt door een beperkte duur (wij gaan uit van maximaal zes maanden) en een beperkte hoeveelheid afvalstoffen. Doorlooptijd en/of hoeveelheid afvalstoffen moeten echter wel voldoende zijn om de noodzakelijke informatie te kunnen vergaren.
In de aanvraag heeft aanvrager aangegeven de mogelijkheid te willen hebben om desgewenst proefnemingen uit te kunnen voeren. Wij achten dit acceptabel. Wel zijn wij van oordeel dat daaraan randvoorwaarden moeten worden gesteld en dat proefnemingen ruim voor aanvang (ten minste zes weken) bij ons voor toestemming moeten worden voorgelegd. Daartoe hebben wij voorschriften opgenomen. Tevens moet over de resultaten van de proef aan ons worden gerapporteerd.
De proefnemingen moeten plaatsvinden binnen de milieu-hygiënische randvoorwaarden van deze vergunning en mogen pas aanvangen na toestemming van ons.
Ten overvloede merken wij nog op dat indien een proef succesvol is verlopen en vergunninghouder de resultaten daarvan wil implementeren, daartoe eerst steeds zal moeten worden bezien in hoeverre een procedure op grond van de Wabo zal moeten worden doorlopen.
De aanvraag omgevingsvergunning voor het (ver)bouwen van een bouwwerk (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a van de Wabo) kan alleen worden verleend als deze voldoet aan de in artikel 2.10, eerste lid van de Wabo gestelde toetsingscriteria.
Een toetsing aan deze criteria heeft plaatsgevonden.
De gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag omgevingsvergunning zijn getoetst aan de door de gemeenteraad vastgestelde criteria zoals gesteld in de gemeentelijke welstandsnota.
De aanvraag is op 9 november 2021 beoordeeld door de onafhankelijke welstandscommissie Hûs en Hiem Welstandsadvisering en Monumentenzorg (verder: de commissie). De commissie is van mening dat de aanvraag voldoet aan redelijke eisen van welstand (W21LWD629-1).
Wij nemen dit advies van de commissie over. De aanvraag voldoet aan redelijke eisen van welstand.
De gegevens en bescheiden die horen bij de aanvraag omgevingsvergunning, zijn getoetst aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012. Op grond van de ingediende stukken bij deze aanvraag is voldoende aannemelijk gemaakt dat wordt voldaan aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012.
De gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag omgevingsvergunning zijn getoetst aan de voorschriften van de Bouwverordening gemeente Leeuwarden. De aanvraag voldoet aan de voorschriften van de gemeentelijke bouwverordening.
De gegevens en bescheiden die horen bij de aanvraag omgevingsvergunning zijn getoetst aan het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Leeuwarden – Newtonpark 1-2-3- e.o.”. De gronden zijn voorzien van bestemming “Bedrijventerrein“ (artikel 7 van de regels) met de functieaanduiding “bedrijf tot en met categorie 5.2”.
Wij zijn van mening dat het realiseren van een opslagterrein voldoet aan de regels van de geldende bestemmingsplannen.
14.6. Overige toetsing(en) en adviezen
De aanvraag en het bouwplan is beoordeeld door Brandweer Fryslân om een zgn. ‘repressief advies’ te geven. Brandweer Fryslân heeft deze mogelijkheid in het kader van bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. In een dergelijk advies komen aspecten aan bod die van belang zijn voor de basisbrandweerzorg. Hierbij valt te denken aan onder meer bereikbaarheid, beschikbaarheid van bluswater, opkomsttijden en de bestrijdbaarheid.
Zuidwestelijk van het reeds bestaande pand van Prezero is men voornemens een buitenopslag te creëren voor diverse afvalstoffen. De afvalstoffen worden hier verder verwerkt door het in het balen te persen, en/ of het te shredderen. De brandweer heeft in zijn advies gekeken naar de buiten opslag, en niet naar de reeds bestaande bouw.
Ondanks dat kan worden voldaan aan de minimale voorschriften van het Bouwbesluit, bestaan er risico’s die de regelgeving niet afdekt. De aanbevelingen die voortkomen uit het repressief advies, beperken het risico. Deze aanbevelingen zijn als ‘Nota Bene’ toegevoegd aan deze beschikking.
Uw bouwplan is door onze constructeur beoordeeld en akkoord bevonden.
De constructeur heeft nog wel een opmerking.
De berekening spitst zich met name toe op de fundering van de keermuren. Ten aanzien van het gebruik van de terreinverharding adviseert de constructeur van de aanvrager (Raadgevend Ingenieursbureau Wiertsema & Partners B.V.) om een dikker zandpakket toe te passen en een verhardingsadvies door een deskundig bedrijf te laten uitvoeren, om zettingen te beperken en de vloer vloeistofdicht te houden.
De constructeur van de aanvrager merkt op dat het terrein in het verleden bestond uit grasland, bestaand uit smalle akkersmet diepe greppels en dat er een vrij brede watergang door het terrein heeft gelopen. Watergang en greppels zijn gedempt, maar zettingsgedrag ter plaatse is onvoorspelbaar. De constructeur van de aanvrager stelt verder dat, zonder het beperken van zettingen, er scheefstand in de blokkenwanden kan ontstaan waardoor de stabiliteit van deze wanden
in het geding komen. Dit is voor de aanvrager wel een aandachtspunt.
Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op de uitbreiding van de activiteiten van een inrichting kan worden geconcludeerd, dat de omgevingsvergunning wordt verleend.
In deze beschikking zijn de voor deze activiteit relevante voorschriften opgenomen.
Bijlage 1: Milieubeheersysteem (MBS) Afvalbedrijven
Op grond van maatregel BBT1 maatregel zoals opgenomen in de BREF/BBT-conclusies Afvalbehandeling dient ter verbetering van de algehele milieuprestaties en de controle daarop een milieubeheersysteem (MBS) te worden ingevoerd. Dit document is bedoeld ter ondersteuning voor het opstellen van een MBS. De concrete invulling en het detailniveau van het MBS is afhankelijk van de specifieke situatie (bv. Aard, omvang en complexiteit van het bedrijf en alle mogelijke milieueffecten ervan) en dient op bedrijfsniveau bepaald te worden. Zo zal een milieuzorgsysteem van een klein bedrijf minder uitgebreid zijn dan dat van een groot bedrijf. Het opstellen en toepassen van een milieuzorgsysteem vergt inspanningen en tijd maar door het toepassen van een milieuzorgsysteem kan de milieu-impact algemeen beperkt worden.
Een kwaliteitssysteem toepassen. Noodzakelijke procedures opstellen en implementeren (BBT1):
Structuren van taken en verantwoordelijkheden:
Taken en verantwoordelijkheden: Wie is waar verantwoordelijk voor. Denk hierbij aan voorschriften uit de vergunning, onderhoudstermijnen maar ook het bijhouden van nieuwe wet- en regelgeving en het informeren van personeel hierover en het volgen van de ontwikkelingen op het vlak van schonere technologieën.
Borging en monitoring milieuaspecten
Inventaris in en uitgaande stromen/Afvalinput monitoren (BBT 11 en 52)
* Er kan ook verwezen worden naar het van toepassing zijnde Acceptatie- en verwerkingsbeleid en administratieve organisatie en interne controle oftewel het A&V-beleid en AOIC. De onderdelen die niet beschreven worden in het A&V-beleid en AOIC dienen in het milieubeheerssysteem te worden beschreven.
Voor de begrippen die niet in deze lijst zijn opgenomen refereren wij naar de definities zoals die zijn opgenomen in de geldende wet- en regelgeving (zoals het Activiteitenbesluit, de Activiteitenregeling, het Besluit omgevingsrecht, het Besluit externe veiligheid inrichtingen, de Wet geurhinder en veehouderij etc.)
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2024-7112.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.