Besluit ambtshalve actualisatie omgevingsvergunning Van der Wiel Holding B.V., De Meerpaal 11 te Drachten

  • I.

    Onderwerp

Op 12 oktober 2009 is een omgevingsvergunning met kenmerk 00842906 verleend aan Van der Wiel Holding B.V. voor de inrichting aan De Meerpaal 11 te Drachten. Het betreft een inrichting voor het breken van puin, het fysisch en biologisch reinigen van grond en slib en het opslaan van verscheidene steenachtige materialen, grond en compost. Daarna zijn nog diverse omgevingsvergunningen verleend dan wel hebben er ambtshalve wijzigingen van de verleende omgevingsvergunningen plaatsgevonden. De overige omgevingsvergunningen en ambtshalve wijzigingen zijn wel meegenomen in de beoordeling, maar zijn verder niet relevant in het kader van deze actualisatie.

Wij zijn voornemens de omgevingsvergunning van 12 oktober 2009 ambtshalve te wijzigen.

Binnen de inrichting zijn IPPC-installaties aanwezig zoals omschreven in de Europese Richtlijn Industriële emissies onder de categorieën 5.3 (nuttige toepassing, of een combinatie van nuttige toepassing en verwijdering, van ongevaarlijke afvalstoffen) en 5.5 (tijdelijke opslag van gevaarlijke afvalstoffen). Sinds 1 januari 2013 geldt een extra actualisatieplicht voor IPPC-installaties (artikel 2.30 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in samenhang met artikel 5.10, lid 1 van het Besluit omgevingsrecht). De plicht houdt in dat binnen een termijn van vier jaar na publicatie van de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit van een IPPC-installatie, moet worden getoetst of de vergunning nog voldoet aan de BBT-conclusies. Als de voorschriften niet voldoen, moet de vergunning binnen de termijn van vier jaar zijn geactualiseerd.

De BBT-conclusies Afvalbehandeling zijn op 17 augustus 2018 gepubliceerd. Wij hebben de omgevingsvergunning van 12 oktober 2009 beoordeeld en zijn van oordeel dat deze omgevingsvergunning niet geheel voldoet aan de BBT-conclusies Afvalbehandeling. Wij passen daarom met dit besluit de omgevingsvergunning ambtshalve aan door er voorschriften aan toe te voegen.

  • II.

    Besluit

Wij besluiten, gelet op artikel 2.31, eerste lid, onder b, van de Wabo:

  • De omgevingsvergunning d.d. 12 oktober 2009 met kenmerk 00842906 van Van der Wiel Holding B.V., De Meerpaal 11 te Drachten ambtshalve te wijzigen door bijgevoegde voorschriften toe te voegen aan de omgevingsvergunning;

  • Dat de aangevulde ippc-tool ‘aanvraag-omgevingsvergunning_FUMO Van der Wiel Holding Drachten juli 2022’onderdeel uitmaakt van de omgevingsvergunning van 12 oktober 2009 met kenmerk 00842906.

  • III.

    Ondertekening en verzending

Namens het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân,

Hoogachtend,

S.G.C. Boender

Hoofd afdeling Vergunningverlening en Specialistisch Advies

Een kopie van deze beschikking is naar de volgende instanties en personen gestuurd:

College van Burgemeester en Wethouders

van de gemeente Smallingerland

Postbus 10.000

9200 HA Drachten

Brandweer Fryslân

Postbus 612

8901 BK Leeuwarden

Wetterskip Fryslân

Postbus 36

8900 AA Leeuwarden

  • I.

    Rechtsmiddelen

Deze beschikking wordt bekendgemaakt door toezending aan de aanvrager. Daarnaast wordt een kennisgeving gegeven door publicatie in de Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad en in het Provinciaal blad van Fryslân via www.officielebekendmakingen.nl. De beschikking treedt in werking 6 weken na bekendmaking van het definitief besluit. (Een dag na de bekendmaking ingeval het betreft bouwen en afwijken van het bestemmingsplan).

De aanvraag en de beschikking met de daarbij behorende stukken worden op grond van de Algemene wet bestuursrecht met ingang van 29 juni 2023 ter inzage gelegd. Inzage is mogelijk bij de gemeente/provincie/FUMO.

Een dag nadat de beschikking ter inzage is gelegd, start de termijn van zes weken voor het indienen van een beroepschrift. In die periode kunnen zowel u als belanghebbenden beroep aantekenen tegen deze beschikking. Ook niet-belanghebbenden kunnen beroep aantekenen indien zij een zienswijze hebben ingediend. Het beroepschrift moet in tweevoud ingediend worden bij Rechtbank Noord-Nederland, Postbus 781, 9700 AT Groningen.

Het indienen van een beroepschrift stelt de werking van de beschikking niet uit. Als u of belanghebbenden niet willen dat deze beschikking in werking treedt na afloop van de beroepstermijn, kan tijdens die termijn om een voorlopige voorziening worden verzocht. Dit verzoek kan worden gedaan bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord Nederland, Postbus 781 9700 AT Groningen. De beschikking treedt in dat geval niet in werking voordat over dit verzoek is beslist.

Voorschriften

  • 1.

    Algemene voorschriften

  • 1.1

    Milieubeheersysteem

  • 1.1.1

    Binnen 4 maanden na inwerkingtreding van deze ambtshalve wijziging, moet vergunninghouder een milieubeheersysteem ter goedkeuring aan ons hebben overgelegd. Het milieubeheersysteem heeft betrekking op ten minste de activiteiten die vallen onder categorieën 5.3 en 5.5 van bijlage 1 van de Richtlijn Industriële emissies.

  • 1.1.2

    Het milieubeheersysteem bevat naast de elementen zoals genoemd in bijlage 1 van deze ambtshalve wijziging, ten minste en voor zover van toepassing, de volgende onderdelen:

Beleid

  • a.

    De milieustrategie;

  • b.

    Het milieuplan;

Bedrijfsprocessen

  • c.

    Procedures in het kader van het A&V-beleid en AO/IC;

  • d.

    Procedures voor het doorvoeren van wijzigingen in processen;

  • e.

    Procedures voor het evalueren van het managementsysteem;

  • f.

    Procedures voor het monitoren milieuaspecten afvalwater en luchtemissies;

  • g.

    Procedures voor het wijzigen van installaties;

  • h.

    Procedures voor onderhoud en keuringen op basis van de verleende vergunning.

Per procedure

  • i.

    Taken en verantwoordelijkheden/bevoegdheden;

  • j.

    Werkinstructies.

  • 1.1.3

    Het in voorschrift 1.1.1 bedoelde verzoek om goedkeuring moet schriftelijk worden gericht aan de FUMO, Postbus 3347, 8901 DH LEEUWARDEN of info@fumo.nl.

  • 1.1.4

    Binnen 6 maanden na ons besluit naar aanleiding van de goedkeuring als bedoeld in voorschrift 1.1.1, moet vergunninghouder het goedgekeurde milieubeheersysteem hebben geïmplementeerd.

  • 2.

    Geur

  • 2.1

    Geurbeheerplan

  • 2.1.1

    Een overzicht van (geur)klachten dient in de inrichting bewaard te worden voor een periode van minimaal 3 jaar.

  • 2.1.2

    Indien er gegronde geurklachten zijn binnengekomen bij het bedrijf en/of indien het bevoegd gezag dit nodig acht, stelt het bedrijf een geurbeheerplan op dat ten minste de volgende elementen bevat:

    • Een overzicht van geurbronnen binnen de inrichting en karakterisering van de geurbijdrage van de bronnen;

    • Maatregelen die ingevoerd worden om geurhinder te verminderen dan wel te voorkomen, inclusief de termijn waarin deze worden geïmplementeerd;

    • Maatregelen die ingevoerd worden voor de monitoring van geur, inclusief de termijn waarin deze worden geïmplementeerd;

    • Hoe de inrichting omgaat met geurincidenten, bv. klachten.

  • 2.1.3

    Het geurbeheerplan genoemd in voorschrift 2.1.2 wordt ter beoordeling naar het bevoegd gezag gestuurd. Dit dient binnen twee weken na het opstellen van het plan te gebeuren.

  • 2.1.4

    Indien het bevoegd gezag dit nodig acht, moet het geurbeheerplan worden aangevuld en opnieuw worden aangeboden conform voorschrift 2.1.3.

  • 3.

    Lozingen

  • 3.1

    Lozingseisen

  • 3.1.1

    Ter plaatse van de controleput dient een willekeurig genomen steekmonster van het afvalwater als bedoeld in voorschrift 3, lid 1 onder a. (Hemelwater afkomstig van het noordelijke bedrijfsterrein met opslag verontreinigde grond) en lid 2 onder d. ( Hemelwater afkomstig van het zuidelijke bedrijfsterrein met opslag verontreinigde grond en puinbreker) de volgende eisen niet te overschrijden:

Parameter

Lozingseis 

Hemelwater noordelijk

bedrijfsterrein (3 lid 1 a)

Hemelwater zuidelijk bedrijfsterrein (3 lid 2 d)

Zwevende stof

30 mg/l

30 mg/l

Minerale olie

10 mg/l

10 mg/l

BTEX som-totaal

100 µg/l

20 µg/l

Benzeen

10 µg/l

2 µg/l

VOX

20 µg/l

5 µg/l

Kwik

< 1 µg/l

< 1 µg/l

Cadmium

< 1 µg/l

< 1 µg/l

Arseen

50 µg/l

20 µg/l

Som zware metalen

(Cr, Cu, Ni, Pb, Zn)

500 µg/l

100 µg/l

CZV

180 mg/l

  • 3.2

    Monsterneming en analyse

  • 3.2.1

    Het hemelwater afkomstig van het noordelijke bedrijfsterrein met opslag van verontreinigde grond én het zuidelijke bedrijfsterrein met opslag van verontreinigde grond en de puinbreker als bedoeld in voorschrift 3, lid 1 en 2 dient door of namens de vergunninghouder door steekbemonstering en analyse te worden gecontroleerd. Deze controle betreft de volgende parameters met de bijbehorende frequentie:

Parameter

Frequentie

Hemelwater noordelijk

bedrijfsterrein (3 lid 1 a)

Hemelwater zuidelijk bedrijfsterrein (3 lid 2 d)

Zwevende stof

1 keer per kwartaal

Minerale olie

1 keer per kwartaal

1 keer per kwartaal

BTEX som-totaal

1 keer per kwartaal

1 keer per kwartaal

Benzeen

1 keer per kwartaal

VOX

1 keer per kwartaal

Kwik

1 keer per kwartaal

1 keer per kwartaal

Cadmium

1 keer per kwartaal

1 keer per kwartaal

Arseen

1 keer per kwartaal

1 keer per kwartaal

Som zware metalen

(Cr, Cu, Ni, Pb, Zn)

1 keer per kwartaal

1 keer per kwartaal

CZV

1 keer per kwartaal

PFOA

1 keer per half jaar

1 keer per half jaar

PFOS

1 keer per half jaar

1 keer per half jaar

  • 3.3

    ZZS

  • 3.3.1

    Na elke periode van vijf jaar moet inzicht worden gegeven in de verdergaande emissiereductie van ZZS binnen de inrichting. De eerste rapportage moet binnen een jaar na het verlenen van de vergunning ingediend worden. De rapportage dient onder andere informatie te verschaffen over :

    • De mate waarin ZZS vanuit de inrichting worden geloosd;

    • Ondernomen acties en resultaten in de voorgaande periode van 5 jaar.

    • De mogelijkheden om de emissie van ZZS te voorkomen dan wel te beperken;

    • De wereldwijde ontwikkeling van nieuwere technieken in relatie tot de inrichting.

  • 3.3.2

    De rapportage-opzet dient ter goedkeuring te worden overlegd aan het bevoegd gezag.

Procedurele Aspecten

1. Procedurele Aspecten

1.1. Projectbeschrijving

Sinds 1 januari 2013 geldt een extra actualisatieplicht voor IPPC-installaties (artikel 2.30 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in samenhang met artikel 5.10, lid 1, van het Besluit omgevingsrecht). De plicht houdt in dat binnen een termijn van vier jaar na publicatie van de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit van een IPPC-installatie, de vergunning waar nodig moet zijn geactualiseerd op basis van de nieuwe BBT-conclusie.

De BBT-conclusies Afvalbehandeling zijn op 17 augustus 2018 gepubliceerd.

Voor deze actualisatie hebben wij de eerder verleende omgevingsvergunning van 12 oktober 2009 van Van der Wiel Holding B.V. getoetst aan de BBT-conclusies Afvalbehandeling. De toetsing geeft aanleiding tot het aanpassen van deze vergunning.

1.2. Huidige vergunningsituatie

Voor de inrichting zijn eerder de onderstaande vergunningen en/of ontheffingen verleend dan wel meldingen geaccepteerd:

Soort

Datum

Kenmerk

Onderwerp

Revisievergunning

12 oktober 2009

00842906

Het in werking hebben van een inrichting voor het opslaan van grond en steenachtig materiaal, het breken van puin en het verwerken van verontreinigde grond.

Milieuneutrale wijziging

22 februari 2011

00940851

Voor het veranderen van de opslaglocaties voor schoon en verontreinigd puin.

De hierboven genoemde vergunningen zijn volgens de Invoeringswet Wabo gelijkgesteld aan een omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd.

1.3. Vergunningplicht

De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I, onderdeel C van het Bor. Op grond van categorie 28.10 is sprake van een vergunningplichtige activiteit.

Het betreft een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort als genoemd in Bijlage I, categorie 5.3 en 5.5 van de Richtlijn industriële emissies (Rie). Om die reden is op grond van artikel 2.1, tweede lid van het Bor sprake van een vergunningplichtige inrichting.

1.4. Bevoegd gezag

Wij zijn bevoegd gezag voor de inrichting. Dit volgt uit artikel 2.4, tweede lid van de Wabo juncto artikel 3.3, eerste lid van het Bor, op grond van de activiteiten van de inrichting, genoemd in Bijlage I, onderdeel C, categorie 28.4 van het Bor.

1.5. Procedure uitgebreid

De omgevingsvergunning van 12 oktober 2009 is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Gelet op artikel 3.15, derde lid Wabo dient de ambtshalve wijziging eveneens te worden voorbereid met deze uitgebreide voorbereidingsprocedure.

1.6. Adviezen

Ten behoeve van deze actualisatie is advies gevraagd aan het Wetterskip Fryslân, op 24 januari 2023 hebben wij advies ontvangen. Als gevolg van dit advies zijn hoofdstuk 3 van de voorschriften en paragrafen 2.2.3 en 2.2.4 opgenomen in dit besluit.

1.7 Zienswijze

Tussen 27 februari 2023 en 10 april 2023 heeft een ontwerp van dit besluit ter inzage gelegen en is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

1.8 Wijzigingen ten opzichte van het ontwerpbesluit

Het definitieve besluit is ongewijzigd behoudens een verduidelijking van voorschrift 3.3.1. Hiermee worden misverstanden voorkomen.

2. inhoudelijke overwegingen

2.1. Toetsingskader bij ambtshalve wijziging

Sinds 1 januari 2013 geldt een actualisatieplicht voor IPPC-installaties (artikel 5.10, eerste lid van het Bor). De plicht houdt in dat:

  • Binnen een termijn van vier jaar na publicatie in het Publicatieblad van de Europese Unie van de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit van een IPPC-installatie, de voorschriften van de omgevingsvergunning moeten worden getoetst aan de beste beschikbare technieken (BBT) die staan in deze (nieuwe) BBT-conclusies (en alle overige relevante BBT-documenten);

  • Als niet wordt voldaan aan deze BBT's, de vergunningvoorschriften moeten worden geactualiseerd;

  • De betreffende IPPC-installatie binnen de termijn van vier jaar moet voldoen aan deze geactualiseerde voorschriften.

De actualisatieplicht start dus op het moment dat de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit zijn gepubliceerd. Daarom zal bij IPPC-installaties waarin meerdere activiteiten uit bijlage 1 van de RIE worden uitgeoefend, bepaald moet worden welke activiteit voor de betreffende IPPC-installatie zal worden aangemerkt als de hoofdactiviteit.

Binnen deze inrichting vinden meerdere activiteiten uit bijlage 1 van de RIE plaats. Daarom is in overleg met de vergunninghouder van de inrichting nagegaan welke BBT-conclusies relevant zijn voor de hoofdactiviteit en welke BBT-conclusies daarmee het startpunt zullen worden van de (verplichte) actualisatie van de vergunning. Dit betekent dat na publicatie van deze BBT-conclusies in het publicatieblad van de Europese Unie de actualisatieplicht zal beginnen.

Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofactiviteit en aan andere relevante BBT-conclusies.

Overeenkomstig artikel 2.31, eerste lid van de Wabo, moet en overeenkomstig artikel 2.31, tweede lid van de Wabo, kan het bevoegd gezag voorschriften die aan een omgevingsvergunning zijn verbonden, wijzigen. De omstandigheden waaronder dit moet of kan gebeuren zijn eveneens vermeld in dit artikel. In dit geval is er sprake van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.31, eerste lid, onder b.

Artikel 2.31, eerste lid, geeft de omstandigheden aan waaronder het bevoegd gezag verplicht is de voorschriften van de omgevingsvergunning te wijzigen. Onder b wordt aangegeven dat de voorschriften van de vergunning moeten worden aangescherpt als – kort samengevat – de bescherming van het milieu dit noodzakelijk maakt. Of die noodzaak bestaat, kan worden afgeleid uit het toetsingskader dat geldt voor het toepassen van de actualiseringsplicht van artikel 2.30 van de Wabo, dat is opgenomen in artikel 5.10, derde lid van het Bor. Op grond van artikel 2.31, tweede lid, heeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om een vergunning aan te passen. Deze mogelijkheid bestaat voor zover dit in het belang van de bescherming van het milieu is.

Artikel 2.31a, eerste lid van de Wabo geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om, ter bescherming van het milieu, andere technieken voor te schrijven dan in de aanvraag zijn opgenomen en daarmee de grondslag van de aanvraag te verlaten. Op grond van artikel 2.31a, tweede lid is de vergunninghouder verplicht desgevraagd gegevens aan het bevoegd gezag over te leggen die nodig zijn voor de beoordeling of alle relevante BBT-maatregelen worden toegepast.

2.2. Beste Beschikbare Technieken 

In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende BBT worden toegepast.

Bij het opstellen van een omgevingsvergunning milieu moet rekening worden gehouden met de BBT-conclusies. De Europese Commissie stelt de BBT-conclusies op en maakt deze bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

BBT-conclusies is een document met de conclusies over beste beschikbare technieken, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, lid 5 en 7 van de RIE.

Op 17 augustus 2018 heeft de Europese Commissie de BBT-conclusies Afvalbehandeling gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie.

De BBT-conclusies Afvalbehandeling gaan over activiteiten uit bijlage I van de Richtlijn industriële emissies 2010/75/EU (RIE):

  • 5.1: verwijdering of nuttige toepassing van gevaarlijke afvalstoffen;

  • 5.3 a en b: verwijdering en/of nuttige toepassing van ongevaarlijke afvalstoffen;

  • 5.5: tijdelijke opslag van gevaarlijke afvalstoffen;

  • 6.11: zelfstandige afvalwaterzuiveringsinstallatie, indien het belangrijkste deel van het afvalwater van een installatie waarin een activiteit uit IPPC-categorie 5.1, 5.3 of 5.5 wordt uitgevoerd komt.

Deze BBT-conclusies gaan niet over IPPC-categorie 5.2 afvalverbranding of 5.4 stortplaatsen. 

In het kader van de onder hoofdstuk 2.1 “Toetsing ambtshalve wijziging omgevingsvergunning” genoemde actualisatieplicht, hebben wij getoetst of de voorschriften van de omgevingsvergunning van 12 oktober 2009 voldoet aan de BBT die staan in deze nieuwe BBT-conclusies.

Op 29 november 2021 heeft de vergunninghouder een BBT-tool ingevuld. Op 22 juli 2022 hebben wij verzocht de BBT-tool aan te vullen. Deze aanvullingen zijn ontvangen op 25 juli 2022. Na beoordeling van deze BBT-tool, de aanvullingen en de omgevingsvergunning blijkt dat de omgevingsvergunning van 12 oktober 2009 niet geheel voldoet aan de BBT-conclusies Afvalbehandeling.

Milieubeheersysteem

Bij bedrijven met een IPPC-installatie waarop de BBT-conclusies afvalbehandeling van toepassing is, moet een milieubeheersysteem (MBS) worden ingevoerd. In BBT 1 staat dat het bedrijf een MBS moet invoeren en welke elementen in het MBS moeten zijn opgenomen. In dit geval gaat het om een enigszins complexe inrichting, met een diversiteit aan afvalstoffen die geaccepteerd, opgeslagen en bewerkt worden. Daarom zal een gedetailleerd MBS opgezet moeten worden met de onderdelen die zijn aangegeven in BBT 1.

Om het bovenstaande te borgen, voegen wij voorschriften 1.1.1 tot en met 1.1.4 van dit besluit toe aan de vergunning van 12 oktober 2009 waarin het opstellen, de invoering en de naleving van een milieubeheersysteem met de verschillende onderdelen, genoemd in BBT 1, voorgeschreven wordt.

Geur

De BBT-conclusies stellen eisen aan inrichtingen die geuroverlast kunnen veroorzaken om overlast te voorkomen. BBT 12 schrijft voor dat een geurbeheerplan wordt opgesteld om geuroverlast te voorkomen. BBT 10 schrijft bovendien voor dat de geuremissies moet worden gemeten en bijgehouden. Omdat de inrichting van Van der Wiel Holding B.V. geurgevoelige activiteiten uitvoert, is dit van toepassing. Omdat er geen geurklachten zijn, voegen we een voorschrift aan de vergunning van 12 oktober 2009 toe waarin wordt aangegeven dat als er gegronde geurklachten optreden, er een geurbeheerplan moet worden opgesteld. Dit geurbeheerplan moet naar het bevoegd gezag gestuurd worden voor controle. Dit is opgenomen in voorschriften 2.1.1 tot en met 2.1.4 van dit besluit; deze worden toegevoegd aan de vergunning van 12 oktober 2009.

Lozingen

Binnen de inrichting komt afvalwater vrij. Er wordt geloosd op het vuilwaterriool van de gemeente en het regenwaterriool van de gemeente. Voor het lozen van afvalwaterstromen is op 16 april 2010 een Wvo-vergunning verleend met kenmerk WFN1005220. Deze vergunning is van rechtswege overgegaan in een omgevingsvergunning. In de vergunning zijn meerdere afvalwaterstromen vergund. Het lozen van huishoudelijke afvalwater op het vuilwaterriool en het lozen van hemelwater van de dakvlakken van de gebouwen op het regenwaterriool vallen sinds de komst van de Waterwet onder het Activiteitenbesluit milieubeheer (AB). Voor de volgende afvalwaterstromen geldt dat deze niet geregeld zijn in het AB. De vergunning met kenmerk WFN1005220 van 16 april 2010 is voor deze afvalwaterstromen nog steeds van kracht: Via het vuilwaterriool wordt het volgende geloosd:

  • Hemelwater afkomstig van het noordelijk bedrijfsterrein, waar verontreinigde grond wordt opgeslagen.

Via het regenwaterriool wordt het volgende geloosd:

  • Afvalwater afkomstig van de tankplaats;

  • Afvalwater afkomstig van de wasplaats;

  • Hemelwater afkomstig van het terrein met opslag van wegenbouwmateriaal en stalling materieel;

  • Hemelwater afkomstig van het zuidelijke terrein met opslag van verontreinigde grond en puinbreker.

Voor het lozen van het hemelwater afkomstig de tank- en wasplaats zijn lozingseisen opgenomen in de huidige vergunning. Deze activiteiten vallen niet onder de installaties waar vanuit de BREF Afvalbehandeling aanvullende eisen aan worden gesteld. Voor het lozen van het hemelwater afkomstig van zowel het noordelijk als het zuidelijk bedrijfsterrein zijn lozingseisen gesteld in de huidige vergunning. Daarnaast is voor het hemelwater afkomstig van het zuidelijk bedrijfsterrein een monitoringsverplichting voorgeschreven.

De lozingseisen gesteld aan het hemelwater afkomstig van het noordelijk bedrijfsterrein voldoen in de huidige vergunning niet aan BBT 6 en 7. Ook is er geen monitoringsverplichting opgenomen.

De lozingseisen gesteld aan het hemelwater afkomstig van het zuidelijk bedrijfsterrein voldoen in de huidige vergunning niet aan BBT 6 en 7. Voor deze afvalwaterstroom is een monitoringsverplichting opgenomen, deze voldoet echter niet aan BBT 7.

Voor beide stromen zijn in de tabel met lozingseisen de stoffen PFOA en PFOS opgenomen. Er zijn op dit moment echter nog geen eisen/ EN-normen beschikbaar voor deze stoffen. In BBT 7 is echter wel een monitoringsverplichting voor deze stoffen voorgeschreven.

Voor de overige stoffen wordt een monitoring van eenmaal per maand in de BBT aangegeven. Uit analyseresultaten uit het verleden blijkt dat er aan de gestelde eisen voldaan wordt. Daarom is er een monitoring van 1 keer per kwartaal opgenomen. Voorschrift 6 lid 1 en voorschrift 7 lid 1 in vergunning WFN1005220 komen te vervallen en worden vervangen door voorschriften 3.1.1 en 3.2.1 van dit besluit.

Zeer Zorgwekkende Stoffen

Bij Van der Wiel Holding B.V. zijn afvalstoffen vergund die mogelijk zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) kunnen bevatten. Het gaat dan met name om asfalt, teerhoudend puin en verontreinigde grond, bijvoorbeeld zware metalen en PAK. ZZS zijn stoffen die zijn geclassificeerd als de meest gevaarlijke stoffen voor mens en milieu die met voorrang aangepakt moeten worden. Bij neerslag kunnen de ZZS uitlogen en via de bedrijfsriolering met het afvalwater geloosd worden op de gemeentelijke rioleringen.

Het streven is om ZZS uit de leefomgeving te weren. Het landelijk waterkwaliteitsbeleid is erop gericht om ZZS met een combinatie van bronaanpak, minimalisatie van de restlozing en continu verbetering aan te pakken. Conform het landelijk beleid voor de aanpak ZZS moet een lozer verplicht iedere vijf jaar rapporteren over de getroffen maatregelen om de emissies van ZZS te verminderen en de technieken die op de markt beschikbaar zijn gekomen om verdere invulling aan de minimalisatie te geven. Hiervoor zullen voorschriften 3.3.1 en 3.3.2 aan het besluit verbonden worden.

2.3. Conclusie

Gezien het vorenstaande voegen wij een aantal aanvullende voorschriften toe aan de omgevingsvergunning 12 oktober 2009, waarmee deze omgevingsvergunning op dit moment voldoet aan de BBT-conclusies Afvalbehandeling.

Bijlage 1: Milieubeheersysteem (MBS) Afvalbedrijven

  • I.

    Inleiding

    Op grond van maatregel BBT1 maatregel zoals opgenomen in de BREF/BBT-conclusies Afvalbehandeling dient ter verbetering van de algehele milieuprestaties en de controle daarop een milieubeheersysteem (MBS) te worden ingevoerd. Dit document is bedoeld ter ondersteuning voor het opstellen van een MBS. De concrete invulling en het detailniveau van het MBS is afhankelijk van de specifieke situatie (bv. Aard, omvang en complexiteit van het bedrijf en alle mogelijke milieueffecten ervan) en dient op bedrijfsniveau bepaald te worden. Zo zal een milieuzorgsysteem van een klein bedrijf minder uitgebreid zijn dan dat van een groot bedrijf. Het opstellen en toepassen van een milieuzorgsysteem vergt inspanningen en tijd maar door het toepassen van een milieuzorgsysteem kan de milieu-impact algemeen beperkt worden.

  • II.

    Beschrijving bedrijf.

    • 1.

      Beschrijving van het bedrijf:

      • a)

        N.a.w.-gegevens.

      • b)

        De IPPC-categorie(ën).

  • III.

    Het milieubeleid en naleven van toepassing zijnde milieuregelgeving (BBT1):

    • a)

      Op welke wijze is het management betrokken bij het milieubeleid.

    • b)

      Definiëren wat het milieubeleid is van het bedrijf.

    • c)

      Hoe is het milieubeleid uitgewerkt door het management en waaruit blijkt dat er sprake is van continue verbetering van de milieuprestaties.

  • IV.

    Een kwaliteitssysteem toepassen. Noodzakelijke procedures opstellen en implementeren (BBT1):

    • 1.

      Structuren van taken en verantwoordelijkheden:

      • a)

        Implementeren en uitvoeren van de procedures met bijzondere aandacht voor:

        • bedrijfsorganisatie en verantwoordelijkheid;

        • aanwerving, opleiding, bewustmaking en bekwaamheid;

        • communicatie;

        • betrokkenheid van de werknemers;

        • documentatie (bijhouden van gegevens, registraties);

        • efficiënte procescontrole;

        • onderhoudsprogramma's;

        • monitoring;

        • waarborgen van de naleving van de milieuwetgeving;

        • Interne audits (planning en wijze van uitvoeren).

      • b)

        Taken en verantwoordelijkheden: Wie is waar verantwoordelijk voor. Denk hierbij aan voorschriften uit de vergunning, onderhoudstermijnen maar ook het bijhouden van nieuwe wet- en regelgeving en het informeren van personeel hierover en het volgen van de ontwikkelingen op het vlak van schonere technologieën.

      • c)

        Wie controleert of taken door verantwoordelijke zijn uitgevoerd en eventueel opstellen corrigerende maatregelen.

      • d)

        Opstellen onderhouds- en inspectieprogramma’s.

      • e)

        Op welke wijze wordt bijgehouden/geregistreerd dat de dagelijkse, wekelijkse, maandelijkse, jaarlijkse taken en verplichtingen (uit de vergunning) zijn uitgevoerd waaronder ook de jaarlijkse elektronische verslaglegging E-PRTR.

      • f)

        Vastleggen dat het kwaliteitssysteem regelmatig wordt beoordeeld door de directie.

  • V.

    Borging en monitoring milieuaspecten

    • 1.

      Afval* (BBT 2)

      • a)

        Opstelling en invoering van procedures voor de karakterisering en preacceptatie van afval.

      • b)

        Informatie over de eigenschappen van het te behandelen afval en de afvalverwerkingsprocessen.

      • c)

        Opstelling en invoering van procedures voor de acceptatie van afval.

      • d)

        Opstelling en invoering van een traceersysteem en inventarisatie voor afval.

      • e)

        Opstelling en invoering van een kwaliteitsbeheersysteem voor de output.

      • f)

        Waarborgen van afvalscheiding.

      • g)

        Het opstellen en uitvoeren van hanterings- en overbrengingsprocedures (BBT5).

      • h)

        Inventaris in- en uitgaande stromen/Afvalinput monitoren (BBT 11 en 52)

* Er kan ook verwezen worden naar het van toepassing zijnde Acceptatie- en verwerkingsbeleid en administratieve organisatie en interne controle oftewel het A&V-beleid en AOIC. De onderdelen die niet beschreven worden in het A&V-beleid en AOIC dienen in het milieubeheerssysteem te worden beschreven.

  • 2.

    Afvalwater (BBT 3, 6, 7, 11, 19 en 20)

    Om vermindering van emissies naar water te bevorderen, is het opstellen en actueel houden van een inventaris van afvalwater, als onderdeel van het milieubeheersysteem, noodzakelijk en dienen de volgende elementen te zijn opgenomen:

    • a)

      Opstelling en invoering van procedures aangaande het afvalwater;

    • b)

      Informatie over de kenmerken van de afvalwaterstromen, zoals:

      • gemiddelde waarden en variabiliteit van debiet, pH, temperatuur en geleidbaarheid.

      • gemiddelde concentratie en belastingwaarden van de relevante stoffen en hun variabiliteit (bv. CZV/TOC, stikstofverbindingen, fosfor, metalen, prioritaire stoffen/microverontreinigingen waaronder ook ZZS);

      • gegevens over biologische verwijderbaarheid (bv. BZV, BZV/CZV-ratio, Zahn-Wellenstest, potentieel tot biologische inhibitie (bv. inhibitie van actief slib);

    • c)

      Monitoring;

    • d)

      Onderhoudsschema inspectie/controle data metingen (wettelijk dan wel op basis van verleende vergunningen).

  • 3.

    Bodem inclusief bodembeschermende voorzieningen (BBT 19).

    • a)

      Onderhoudsschema inspectie/controle data metingen bodem en bodem beschermende voorzieningen (wettelijk dan wel op basis van verleende vergunningen).

    • b)

      Registratie van uitgevoerde metingen/controles/inspecties.

  • 4.

    Energie (BBT 11 en 23)

    • a)

      Opstellen van een energiebeleidsverklaring door het management:

      • Onderschrijving van het engagement van het management van de vestiging dat de onderneming werkt aan een optimale(re) energie-efficiëntie;

      • Creëert het noodzakelijk draagvlak voor de implementatie van de energiebeheermaatregelen.

    • b)

      Aanstellen van een energiecoördinator:

      • Wordt aangesteld door het management;

      • Coördineert het te volgen energiebeleid binnen de onderneming en ziet toe op een verantwoord (duurzaamheids) beleid bij nieuwbouw, aanpassing bestaande gebouwen, vervanging en aanpassing van installaties en vervoermiddelen;

      • Is verantwoordelijk voor de communicatie (in beide richtingen) rond het energiebeleid en de daaruit voortvloeiende activiteiten.

    • c)

      Energieverbruik monitoren en registreren.

  • 5.

    Geluid (BBT 17)

    • a)

      Beheerplan geluid en trillingen.

  • 6.

    Geur (BBT 8, 10 en 12)

    • a)

      Monitoring;

    • b)

      Geurbeheerplan.

  • 7.

    Lucht (BBT 8 en 27)

    • a)

      Informatie over de kenmerken van de afgassen waaronder ook ZZS;

    • b)

      Registratie van uitgevoerde metingen/controles/inspecties;

    • c)

      Monitoring;

    • d)

      Beheerplan voor deflagratie (bij shredders).

  • 8.

    Opslag (BBT 4)

    • a)

      Geoptimaliseerde opslag.

    • b)

      Adequate opslagcapaciteit.

    • c)

      Veilige opslag.

  • VI.

    Informatieverstrekking en training/coaching met het oog op bewustzijn en betrokkenheid van de werknemers BBT 1):

    • 1.

      Communicatie en training zijn belangrijk om medewerkers te sensibiliseren:

      • a)

        Interne communicatie.

        • i.

          Management/energiecoördinator: informatie verspreiden (aanpak, doelstellingen, enz.) en maar ook terugkoppeling van resultaten (bv. aantal Euro’s bespaard);

        • ii.

          Werknemers: verzamelen van ideeën, voorstellen en eventuele vragen op het gebied van opleidingen.

      • b)

        Externe communicatie:

        • iii.

          Ketenefficiëntie verbeteren; samen met leveranciers en klanten zoeken naar energetische verbeteringen (ook op vlak van transport en logistiek);

        • iv.

          Regelmatige en gepaste communicatie naar de omgeving van de onderneming over behaalde resultaten op gebied van bv. energiereducties en maatregelen ter verbetering van de leefomgeving.

      • c)

        De aandacht die gegeven wordt aan opleiding en training.

      • d)

        Onderwerpen die tijdens de trainingen aan bod kunnen komen zoals:

        • Mogelijke problemen die zich voordoen tijdens de normale bedrijfsprocessen;

        • Mogelijke problemen die zich voordoen in niet-routine situaties;

        • Risicoanalyse van bedrijfsprocessen.

Bijlage 2: BEGRIPPENLIJST

Voor de begrippen die niet in deze lijst zijn opgenomen refereren wij naar de definities zoals die zijn opgenomen in de geldende wet- en regelgeving (zoals het Activiteitenbesluit, de Activiteitenregeling, het Besluit omgevingsrecht, het Besluit externe veiligheid inrichtingen, de Wet geurhinder en veehouderij etc.)

Begrip

Definitie

Considerans

BBT

Beste Beschikbare techniek genoemd in een BBT-document.

BREF

BAT Reference document. Een in Europees verband vastgesteld document waarin de BBT worden beschreven die specifiek zijn voor een bepaalde branche of activiteit.

IPPC

Integrated Pollution Prevention and Control

Onderneming

Een bedrijfseconomische definitie van een of meerdere vestigingen behorende tot een en dezelfde onderneming. Hoeft niet plaatsgebonden te zijn bij bijvoorbeeld een concern met een hoofdvestiging en een of meerdere nevenvestigingen.

REACH-verordening

REACH staat voor: Registratie, Evaluatie, Autorisatie en beperking van Chemische stoffen. REACH stelt beperkingen aan het gebruik van stoffen wanneer negatieve effecten ervan op mens en/of milieu bekend zijn, 18 december 2006.

Gegronde geurklacht

Een geurklacht over een bedrijf die namens het bevoegd gezag is geverifieerd door een toezichthouder en als zodanig kan worden toegeschreven aan de activiteiten van het betreffende bedrijf.

Naar boven