Ambtshalve actualisatie omgevingsvergunning Dam Handelsonderneming B.V., Spikerboor 2, 15 en 17 in Akkrum

Onderwerp

Op 17 november 2016 (kenmerk 2015-FUMO-0004057) is aan Dam Handelsonderneming B.V. een revisiesievergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verleend voor de inrichting aan de Spikerboor 15 en 17 en Feansterdyk 22 in Akkrum (thans Spikerboor 2, 15 en 17 in Akkrum). Daarna zijn nog diverse omgevingsvergunningen verleend dan wel hebben er ambtshalve wijzigingen van de verleende omgevingsvergunningen plaatsgevonden (zie 1.2 Procedurele aspecten).

Wij besluiten de omgevingsvergunning van 17 november 2016 ambtshalve te wijzigen. De overige omgevingsvergunningen en ambtshalve wijzigingen zijn wel meegenomen in de beoordeling, maar zijn verder niet relevant in het kader van deze actualisatie.

Binnen de inrichting is een IPPC-installatie aanwezig, namelijk een categorie 5.5-installatie als bedoeld in de Richtlijn industriële emissies (RIE): tijdelijke opslag van gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van 50 ton of meer in afwachting van in categorie 5.1, 5.2, 5.4 en 5.6 vermelde behandelingen. Sinds 1 januari 2013 geldt een extra actualisatieplicht voor IPPC-installaties (artikel 2.30 van de Wabo in samenhang met artikel 5.10, lid 1 van het Besluit omgevingsrecht (Bor)). De plicht houdt in dat binnen vier jaar na publicatie van de beste beschikbare technieken (BBT)-conclusies moet worden getoetst of de omgevingsvergunning nog voldoet aan de BBT-conclusies. Indien de voorschriften niet voldoen, moet de vergunning binnen de termijn van vier jaar zijn geactualiseerd.

De BBT-conclusies Afvalbehandeling zijn op 17 augustus 2018 gepubliceerd. Wij hebben de omgevingsvergunning van 17 november 2016 beoordeeld en zijn van oordeel dat de omgevingsvergunning niet geheel voldoet aan de BBT-conclusies Afvalbehandeling. Wij passen daarom met dit besluit de omgevingsvergunning van 17 november 2016 ambtshalve aan door er voorschriften aan toe te voegen.

Besluit

Wij besluiten, gelet op artikel 2.31, eerste lid, onder b, van de Wabo:

  • de omgevingsvergunning van 17 november 2016 van Dam Handelsonderneming B.V., aan de Spikerboor 2, 15 en 17 in Akkrum, kenmerk 2015-FUMO-0004057, ambtshalve te wijzigen door bijgevoegde voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden;

  • dat het document BBT-conclusies (Rapport TAP/BBT-toets/2022v02, Pietersma Omgevingsadviseur d.d. 13 juli 2022), ontvangen per e-mail op 14 juli 2022, onderdeel uitmaakt van de omgevingsvergunning van 17 november 2016 (kenmerk 2015-FUMO-0004057).

Ondertekening en verzending

Namens het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân,

S.G.C. Boender

Afdelingshoofd Vergunningverlening en Specialistisch Advies

Afschrift aan:

  • Pietersma Omgevingsadviseur

    Cantecleer 43

    9291AR Kollum

  • Gemeente Heerenveen

    Postbus 15000

    8440 GA Heerenveen

  • Wetterskip Fryslân

    Postbus 36

    8900 AA Leeuwarden

Rechtsmiddelen en inwerkingtreding

Bekendmaking, inwerkingtreding en rechtsbeschermingsmiddelen (definitieve) beschikking

Deze beschikking wordt bekendgemaakt door toezending aan de aanvrager. Daarnaast wordt een kennisgeving gegeven door publicatie in de Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad en in het Provinciaal blad van Fryslân via www.officielebekendmakingen.nl. De beschikking treedt in werking 6 weken na bekendmaking van het definitief besluit.

De aanvraag en de beschikking met de daarbij behorende stukken worden op grond van de Algemene wet bestuursrecht met ingang van 16 januar 2023 ter inzage gelegd. Inzage is mogelijk bij de gemeente/provincie/FUMO.

Een dag nadat de beschikking ter inzage is gelegd, start de termijn van zes weken voor het indienen van een beroepschrift. In die periode kunnen zowel u als belanghebbenden beroep aantekenen tegen deze beschikking. Ook niet-belanghebbenden kunnen beroep aantekenen indien zij een zienswijze hebben ingediend.

Het beroepschrift moet in tweevoud ingediend worden bij Rechtbank Noord-Nederland, Postbus 781, 9700 AT Groningen.

Het indienen van een beroepschrift stelt de werking van de beschikking niet uit. Als u of belanghebbenden niet willen dat deze beschikking in werking treedt na afloop van de beroepstermijn, kan tijdens die termijn om een voorlopige voorziening worden verzocht. Dit verzoek kan worden gedaan bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord Nederland, Postbus 781 9700 AT Groningen. De beschikking treedt in dat geval niet in werking voordat over dit verzoek is beslist.

Voorschriften ambtshalve wijziging omgevingsvergunning activiteit milieu

  • 1.

    Algemene voorschriften

  • 1.1

    Milieubeheersysteem

  • 1.1.1

    Binnen 3 maanden na in werking treding van dit besluit, moet vergunninghouder een milieubeheersysteem ter goedkeuring aan ons hebben overgelegd.

  • 1.1.2

    Het milieubeheersysteem bevat naast de elementen zoals genoemd in bijlage 1 van dit besluit, ten minste en voor zover van toepassing, de volgende onderdelen:

Beleid

  • a.

    de milieustrategie;

  • b.

    het milieuplan;

Bedrijfsprocessen

  • c.

    procedures in het kader van het acceptatie- en verwerkingsbeleid (A&V-beleid) en het systeem voor administratieve organisatie en interne controle (AO/IC);

  • d.

    procedures voor het doorvoeren van wijzigingen in processen;

  • e.

    procedures voor het evalueren van het managementsysteem;

  • f.

    procedures voor het monitoren milieuaspecten afvalwater en luchtemissies;

  • g.

    proceduers voor het wijzigen van installaties;

  • h.

    procedures voor onderhoud en keuringen op basis van de verleende omgevingsvergunning(en).

Per procedure

  • i.

    taken en verantwoordelijkheden/bevoegdheden;

  • j.

    werkinstructies.

  • 1.1.3

    Het in voorschrift 1.1.1 bedoelde verzoek om goedkeuring moet schriftelijk worden gericht aan de FUMO, Postbus 3347, 8901 DH LEEUWARDEN of info@fumo.nl.

  • 1.1.4

    Binnen 3 maanden na ons besluit naar aanleiding van de goedkeuring als bedoeld in voorschrift 1.1.1. moet vergunninghouder het goedgekeurde milieubeheersysteem hebben geïmplementeerd.

1. PROCEDURELE ASPECTEN

1.1. Projectbeschrijving

Sinds 1 januari 2013 geldt een extra actualisatieplicht voor IPPC-installaties (artikel 2.30 van de Wabo in samenhang met artikel 5.10, lid 1, van het Bor). De plicht houdt in dat binnen een termijn van vier jaar na publicatie van de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit van een IPPC-installatie de vergunning moet zijn geactualiseerd, waar nodig, op basis van de nieuwe BBT-conclusies.

Op 17 augustus 2018 heeft de Europese commissie de BBT-conclusies afvalbehandeling gepubliceerd. De BBT-conclusies afvalbehandeling gaan onder andere over de volgende activiteiten uit bijlage 1 van de RIE:

  • 5.5: tijdelijke opslag van gevaarlijke afvalstoffen in afwachting van in categorie 5.1, 5.2, 5.4 en 5.6 vermelde behandelingen.

Voor deze actualisatie hebben wij de eerder verleende omgevingsvergunningen van Dam Handelsonderneming B.V. getoetst aan de BBT-conclusies Afvalbehandeling en aan het op 14 juli 2022 ingediende document BBT-conclusies (Rapport TAP/BBT-toets/2022v02, Pietersma Omgevingsadviseur, d.d. 13 juli 2022).

De toetsing geeft aanleiding tot het aanpassen van de eerder verleende vergunning van 17 november 2016 (kenmerk 2015-FUMO-0004057).

1.2. Huidige vergunningsituatie

Voor de inrichting zijn de onderstaande omgevingsvergunningen verleend:

Soort

Datum

Kenmerk

Onderwerp

Wabo

(revisie)

17 november 2016

2015-FUMO-0004057

Revisievergunning inrichting

Melding Activiteitenbesluit

12 januari 2017

2016-FUMO-0019323

Plaatsen 4 propaangasflessen

Wabo (veranderingsvergunning)

15 mei 2017

2016-FUMO-0019321

Legalisatie bouw betonproductiehal, tijdelijke portiersloge en opslagvakken

Wabo (veranderingsvergunning)

4 juli 2018

2018-FUMO-0027892

Realiseren van cementleiding

Wabo (veranderingsvergunning)

6 december 2018

2018-FUMO-0029941

Bouw van twee portaalkranen

Wabo (veranderingsvergunning)

31 oktober 2019

2019-FUMO-0035994

Intrekken bewerken EPS

Ambtshalve aanpassing vergunning 17-11- 2016

6 november 2019

2019-FUMO-0032784

Actualisatie LAP3

Melding Activiteitenbesluit

23 juni 2020

2020-FUMO-0042591

Verplaatsing bestaande tankplaats, aanleg vloeistofdichte vloer met OBAS, plaatsen tank voor dieselolie en plaatsen IBC voor Adblue

Wabo (veranderingsvergunning)

26 januari 2021

2019-FUMO-0036212

Legalisering en verhoging bestaande loods

Ambtshalve aanpassing vergunning 17-11-2016

26 februari 2021

2020-FUM0-0041214

Energie

Wabo (veranderingsvergunning)

29 september 2021

2021-FUMO-0049436

Opslaan en verwerken van AEC-granulaat, verhogen productiecapaciteit beton, proefnemingen en maatwerkwerkvoorschrift diffuse stofemissies

1.3. Vergunningplicht

De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I, onderdeel C van het Bor. De volgende categorieën zijn van toepassing:

Categorie

Omschrijving

  • 28.4 onder a en b

Opslaan van afvalstoffen

  • 28.10

Opslaan van (gevaarlijke) afvalstoffen

 

31o Het als grondstof inzetten van afvalstoffen voor het vervaardigen van betonmortel of betonwaren

Op grond van het overschrijden van de capaciteit als genoemd bij bovengenoemde categorieën is er sprake van een vergunningplichtige activiteit. Om die reden is op grond van artikel 2.1, tweede lid van het Bor eveneens sprake van een vergunningplichtige inrichting.

1.4. Bevoegd gezag

Wij zijn bevoegd gezag voor de inrichting. Dit volgt uit artikel 2.4, tweede lid van de Wabo juncto artikel 3.3, eerste lid van het Bor, op grond van de activiteiten van de inrichting, genoemd in Bijlage I onderdeel C, categorie 28.4, onder a, 5° en 6° van het Bor en omdat het een inrichting betreft waartoe een IPPC-installatie behoort als genoemd in Bijlage I, categorie 5.5 van de Richtlijn industriële emissies (RIE).

1.5. Procedure

De vigerende omgevingsvergunning is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Gelet hierop dient de wijziging te worden voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure.

1.6. Adviezen

In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor, hebben wij ons voornemen tot ambtshalve wijziging ter advies aan de volgende instanties/bestuursorganen gezonden:

  • De gemeente Heerenveen;

  • Wetterskip Fryslân.

Op 15 juli, 24 augustus en 14 september 2022, dus voorafgaand aan ons voorgenomen besluit tot ambtshalve wijziging van de vergunning, hebben wij het Wetterskip Fryslân reeds om advies gevraagd. Op 6 september en 24 oktober 2022 hebben wij een advies ontvangen van het Wetterskip. Dit advies is verwerkt in hoofdstuk 2.5 “Afvalwater”.

1.7. Zienswijzen op de ontwerpbeschikking

Van het ontwerp van de beschikking hebben wij kennis gegeven in de Leeuwarder Courant en het Friesch Dagblad van 5 november 2022 en in het Provinciaal blad van Fryslân via https://officielelebekendmakingen.nl.

Tussen 7 november 2022 en 19 december 2022 heeft het ontwerp ter inzage gelegen en is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is gebruik gemaakt.

Zienwijze vergunninghouder

Op 13 december 2022 hebben wij een zienswijze ontvangen van Pietersma Omgevingsadviseur namens Dam Handelsonderneming B.V. (kenmerk 2022/GS/tap/dam/001) d.d. 8 december 2022.  De zienswijze heeft betrekking op het opzetten en implementeren van een Milieubeheersysteem (MBS).

Wij vatten de ingediende zienswijze per onderdeel samen met daaraan toegevoegd onze nummering:

  • 1.

    In de zienswijze wordt betoogd dat er op dit moment voor de aanwezige activiteiten sprake is van een actuele, weloverwogen vergunningsituatie met een toereikend pakket voorschriften. Verder wordt aangegeven dat Dam Handelsonderneming niet beschikt over een milieubeheersysteem zoals omschreven in bijlage 1 behorende bij de onderhavige ontwerpbeschikking, maar dat Dam Handelsonderneming voor de essentiële milieuparameters wel de nodige passende maatregelen heeft genomen. Hierbij wordt een aantal documenten genoemd dat hieraan ten grondslag ligt.

Ad. 1

De essentie van wat wordt aangevoerd in de zienswijze is juist dat de acties en maatregelen die voortvloeien uit de voorschriften en documenten, worden gemonitord en geborgd in een milieubeheersysteem. Dit is een vereiste op grond van BBT-maatregel 1 uit de BBT-conclusies Afvalbehandeling 2018.

Dit geldt voor alle activiteiten die vallen onder bijlage I van de Richtlijn industriële emissies 2010/75/EU (RIE):

  • 5.1: verwijdering of nuttige toepassing van gevaarlijke afvalstoffen;

  • 5.3 a en b: verwijdering en/of nuttige toepassing van ongevaarlijke afvalstoffen;

  • 5.5: tijdelijke opslag van gevaarlijke afvalstoffen;

  • 6.11: zelfstandige afvalwaterzuiveringsinstallatie.

Dit geldt dus ook voor de inrichting van Dam Handelsonderneming, omdat er een IPPC-installatie aanwezig is die valt onder categorie 5.5 van de Richtlijn industriële emissies (RIE): tijdelijke opslag van gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van 50 ton of meer in afwachting van in categorie 5.1, 5.2, 5.4 en 5.6 vermelde behandelingen.

De actualisatie van de vergunning vindt plaats omdat er sinds 1 januari 2013 een extra actualisatieplicht geldt voor IPPC-installaties (artikel 2.30 van de Wabo in samenhang met artikel 5.10, lid 1 van het Bor. De plicht houdt in dat binnen vier jaar na publicatie van de beste beschikbare technieken (BBT)-conclusies moet worden getoetst of de omgevingsvergunning nog voldoet aan de BBT-conclusies. Indien de voorschriften niet voldoen, moet de vergunning binnen de termijn van vier jaar zijn geactualiseerd.

Ook de op 17 augustus 2018 gepubliceerde BBT-conclusies Afvalbehandeling waren derhalve aanleiding voor het actualiseren van de vergunning. Wij hebben de vergunning en de voorschriften opnieuw beoordeeld en zijn tot de conclusie gekomen dat de vergunning voldoet aan de nieuwe BBT-conclusies, met uitzondering van BBT1: het milieubeheersysteem. Derhalve worden de voorschriften die betrekking op het milieubeheersysteem aan de vergunning verbonden middels dit besluit. Dit doen wij overigens bij alle afvalverwerkende bedrijven die vallen onder de eerder genoemde RIE-categorie.

  • 2.

    In de zienswijze wordt aangegeven dat een verdere uitwerking van het aanwezige beheersysteem overeenkomstig bijlage 1 voornoemd geen toegevoegde waarde heeft en niet opweegt tegen de daaruit voortvloeiende kosten.

Ad. 2

Deze ambtshalve aanpassing is vanwege de wettelijke plicht tot het onderzoeken van de vergunning en het zo nodig aanpassen van de vergunning op grond van de BBT-conclusies BREF Afvalbehandeling 2018. Het vervolgens ‘wel of niet aanpassen (voldoet vergunning nog in relatie tot de nieuwe BBT-conclusie)’ is ter beoordeling aan het bevoegd gezag. In dit geval hebben wij geoordeeld dat de huidige vergunning niet voldoet aan BBT 1 uit de BBT-conclusies Afvalbehandeling 2018, het aanwezig hebben van een MBS, en dat dit nodig maakt dat de vergunning hierop wordt aangepast. De invoering en naleving van een MBS, waarin alle van toepassing zijnde elementen moeten worden opgenomen als bedoeld in BBT1, heeft toegevoegde waarde omdat dit MBS tot doel heeft de algehele milieuprestaties te verbeteren en te volgen. De omvang en mate van gedetailleerdheid is afhankelijk van de aard, omvang en complexiteit van de installatie en alle mogelijke milieueffecten ervan, mede bepaald door de soort en hoeveelheid verwerkt afval en kan dus per bedrijf verschillen. Kosteneffectiviteit is niet van toepassing bij IPPC-installaties. Het uitgangspunt is dat de BBT-conclusies kosteneffectief zijn als de beschrijving van de BREF en de hieraan gekoppelde BBT-conclusies nog actueel zijn. Het bevoegd gezag toetst in die gevallen de maatregelen niet opnieuw aan criteria voor de kosteneffectiviteit. Slechts in uitzonderlijke situaties, zoals ingrijpende bouwkundige aanpassingen binnen het bedrijf, zou hiervan afgeweken kunnen worden.

  • 3.

    In de zienswijze wordt voorgesteld om de documenten genoemd in de zienswijze, inclusief het document BBT-conclusies (Rapport TAP/BBT-toets/2022v02, d.d. 13 juli 2022), aan te merken als het “Milieubeheersysteem” van Dam Handelsonderneming.

Ad 3.

Om redenen die hiervoor reeds vermeld zijn, kunnen wij hier niet mee instemmen. Het staat Dam Handelsonderneming echter wel vrij om het format, de wijze, vorm en grootte van het milieubeheersysteem te bepalen, mits de aspecten die van toepassing zijn op basis van de BBT-conclusies Afvalbehandeling 2018 aan de orde komen. Als leidraad hiervoor kan Bijlage 1 bij deze ambtshalve wijziging gehanteerd worden, waarbij alleen de aspecten die van toepassing zijn op de inrichting opgenomen hoeven te worden. Bijlage 1 is overigens slechts als voorbeeld bijgevoegd. Het betreffende document milieubeheersysteem zal eerst ter goedkeuring aan ons moeten voorgelegd, waarbij getoetst zal worden of in het milieubeheersysteem de aspecten aan de orde komen die op grond van de BBT-conclusies Afvalbehandeling van Dam Handelsonderneming worden verlangd.

Conclusie

Wij verklaren de zienswijzen als genoemd onder de punten 1 tot en met 3 ongegrond.

1.8. Wijzigingen ten opzichte van de ontwerpvergunning

Ten opzichte van de ontwerpvergunning zijn geen wijzigingen aangebracht, anders dan het behandelen van de ingebrachte zienswijze.

2. Inhoudelijke overwegingen Milieu

2.1. Toetsing ambtshalve wijziging omgevingsvergunning

Sinds 1 januari 2013 geldt een actualisatieplicht voor IPPC-installaties (artikel 5.10, eerste lid van het Bor). De plicht houdt in dat:

  • binnen een termijn van vier jaar na publicatie in het Publicatieblad van de Europese Unie van de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit van een IPPC-installatie de voorschriften van de omgevingsvergunning moeten worden getoetst aan de beste beschikbare technieken (BBT) die staan in deze (nieuwe) BBT-conclusies (en alle overige relevante BBT-documenten);

  • als niet wordt voldaan aan deze BBT's, de vergunningvoorschriften geactualiseerd moeten worden en;

  • de betreffende IPPC-installatie binnen de termijn van vier jaar gaat voldoen aan deze geactualiseerde voorschriften.

De actualisatieplicht start dus op het moment dat de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit zijn gepubliceerd. Daarom zal bij IPPC-installaties waarin meerdere activiteiten uit bijlage 1 van de RIE worden uitgeoefend, bepaald moet worden welke activiteit voor de betreffende IPPC-installatie zal worden aangemerkt als de hoofdactiviteit.

Binnen deze inrichting vinden meerdere activiteiten uit bijlage 1 van de RIE plaats. Daarom is in overleg met de vergunninghouder van de inrichting nagegaan welke BBT-conclusies relevant zijn voor de hoofdactiviteit en welke BBT-conclusies daarmee het startpunt zullen worden van de (verplichte) vergunning actualisatie. Dit betekent dat na publicatie van deze BBT-conclusies in het publicatieblad van de Europese Unie de actualisatieplicht zal beginnen.

Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofactiviteit en aan andere relevante BBT-conclusies.

Overeenkomstig artikel 2.31, eerste lid van de Wabo, moet en overeenkomstig artikel 2.31, tweede lid van de Wabo, kan het bevoegd gezag voorschriften die aan een omgevingsvergunning zijn verbonden, wijzigen. De omstandigheden waaronder dit moet of kan gebeuren zijn eveneens vermeld in dit artikel. In dit geval is er sprake van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.31, eerste lid, onder b.

Artikel 2.31, eerste lid, geeft de omstandigheden aan waaronder het bevoegd gezag verplicht is de voorschriften van de omgevingsvergunning te wijzigen. Onder b wordt aangegeven dat de voorschriften van de vergunning moeten worden aangescherpt als – kort samengevat – de bescherming van het milieu dit noodzakelijk maakt. Of die noodzaak bestaat, kan worden afgeleid uit het toetsingskader dat geldt voor het toepassen van de actualiseringsplicht van artikel 2.30 van de Wabo, dat is opgenomen in artikel 5.10 derde lid van het Bor. Op grond van artikel 2.31, tweede lid, heeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om een vergunning aan te passen. Deze mogelijkheid bestaat voor zover dit in het belang van de bescherming van het milieu is.

Artikel 2.31a, eerste lid van de Wabo geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om, ter bescherming van het milieu, andere technieken voor te schrijven dan in de aanvraag zijn opgenomen en daarmee de grondslag van de aanvraag te verlaten. Op grond van artikel 2.31a, tweede lid is de vergunninghouder verplicht desgevraagd gegevens aan het bevoegd gezag over te leggen die nodig zijn voor de beoordeling of alle relevante BBT-maatregelen worden toegepast.

2.2. Beste beschikbare technieken

In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast.

Bij het opstellen van de omgevingsvergunning milieu moet rekening worden gehouden met de BBT-conclusies. De Europese Commissie stelt de BBT-conclusies op en maakt deze bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

BBT-conclusies is een document met de conclusies over beste beschikbare technieken, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, lid 5 en 7 van de RIE.

Op 17 augustus 2018 heeft de Europese Commissie de BBT-conclusies Afvalbehandeling gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie.

De BBT-conclusies Afvalbehandeling gaan over activiteiten uit bijlage I van de Richtlijn industriële emissies 2010/75/EU (RIE):

  • 5.1: verwijdering of nuttige toepassing van gevaarlijke afvalstoffen;

  • 5.3 a en b: verwijdering en/of nuttige toepassing van ongevaarlijke afvalstoffen;

  • 5.5: tijdelijke opslag van gevaarlijke afvalstoffen;

  • 6.11: zelfstandige afvalwaterzuiveringsinstallatie.

Deze BBT-conclusies gaan niet over IPPC-categorie 5.2 afvalverbranding of 5.4 stortplaatsen.

In het kader van de onder hoofdstuk 2.1 “Toetsing ambtshalve wijziging omgevingsvergunning” gemoemde actualisatieplicht, hebbben wij getoets of de voorschriften van de vigerende omgevingsvergunning(en) voldoen aan de beste beschikbare technieken (BBT) die staan in deze nieuwe BBT-conclusies.

2.3. Concrete bepaling best beschikbare technieken

Binnen de inrichting worden één of meer van de activiteiten uit bijlage 1 van de RIE uitgevoerd en wel de volgende: categorie 5.5.

Om te bepalen of en in hoeverre aan de BBT-conclusies van de BREF Afvalbehandeling wordt voldaan,hebben we u op 2 november 2021 schriftelijk verzocht gegevens aan te leveren waarin aangegeven wordt hoe u voldoet aan de nieuwe BREF Afvalbehandeling. Op 7 juli 2022 hebben wij een document BBT-conclusies ontvangen (Rapport TAP/BBT-toets/2022v02, Pietersma omgevingsadviseur d.d. 13 juli 2022).

Wij hebben de informatie getoetst aan uw vergunning van 17 november 2016 en aan de BBT conclusies Bref Afvalbehandeling versie 17 augustus 2018. Wij zijn tot de conclusie gekomen dat de door u overgelegde gegevens aanleiding geven om uw omgevingsvergunning ambtshalve te wijzigen, omdat uw vergunning nog niet geheel actueel is met betrekking tot de aanwezigheid van een Milieubeheersysteem overeenkomstig het gestelde in BBT1 van de Bref Afvalbehandeling 2018.

2.4. Milieubeheersysteem en klachtenmanagementsysteem en communicatieplan

Bij bedrijven met een IPPC-installatie waarop de BBT-conclusies afvalbehandeling van toepassing is, moet een milieubeheersysteem worden ingevoerd. In maatregel BBT 1 uit de BREF Afbehandeling staat dat het bedrijf een milieubeheersysteem moet invoeren en welke elementen in het milieubeheersysteem moeten zijn opgenomen. In dit geval gaat het om een enigszins complexe inrichting, met een diversiteit aan afvalstoffen die geaccepteerd, opgeslagen en bewerkt worden. Daarom zal een gedetailleerd milieubeheersysteem opgezet moeten worden met de onderdelen die zijn aangegeven in BBT 1.

Om het bovenstaande te borgen, verbinden wij een voorschrift aan uw vergunning van 17 november 2016 waarin het opstellen, de invoering en de naleving van een milieubeheersysteem met de verschillende onderdelen, genoemd in BBT 1, voorgeschreven wordt.

2.5. Afvalwater 

Op 15 juli, 24 augustus en 14 september 2022 hebben wij advies gevraagd aan het Wetterskip Fryslan met betrekking tot lozingsaspect bij Dam Handelsonderneming B.V. Vraag hierbij was of de op 29 juli 2010 aan Dam Handelsondernemning B.V. verleende vergunning op grond van de Wet verortreiniging oppervlaktewater (WVO) (thans Waterwet) nog van toepassing is en of er naast directe lozingen ook nog sprake is van indirecte lozingen.

Op 6 september en 24 oktober 2022 hebben wij adviezen ontvangen van het Wetterskip Fryslan waarin zij aangeeft dat de op 29 juli 2010 aan Dam Handelsondernemning B.V. verleende verleende WVO vergunning (thans Waterwet) nog steeds van toepassing is. Deze vergunning heeft betrekking op:

het lozen van de volgende afvalwaterstromen op het oppervlakte water:

  • a.

    Afvalwater afkomstig van het spoelen van schelpen;

  • b.

    Verontreinigd hemelwater afkomstig van de opslag van schroot;

  • c.

    Hemelwater afkomstig van de overige bedrijfsterreinen.

Stroom a. en b. worden beide via een eigen voorziening geloosd en voor stroom a. en b. zijn lozingseisen opgenomen.in de Waterwet vergunning waarbij voor stroom a. een monitoringsvoosrchrift is opgenomen maar voor stroom b. niet.

Stroom c. stroomt onder afschot af naar het oppervlaktewater. In de Waterwet vergunning wordt niet gesproken over het lozen via een voorziening.Voor deze stroom zijn geen lozingseisen en/of monitoringsvoorschriften opgenomen.

Handelsonderneming Dam B.V. valt voor wat betreft de afvalwaterlozingen daar waar het inerte stoffen betreft geheel onder het Activiteitenbesluit milieubeheer (AB).

Het lozen van het hemelwater afkomstig van de niet-bodembeschermende voorzieningen valt onder paragraaf 3.1.3.

Het lozen van afvalwater afkomstig van het bedrijfsterrein val onder paragraaf 3.4.3. Het afvalwater dat in contact is geweest met inerte goederen valt onder artikel 3.33, zowel lozen op oppervlaktewater als riolering.

Het afvalwater dat in contact is geweest met niet inerte goederen valt onder artikel 3.34, waarbij het lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam is geregeld in lid 3.

De lozingseisen ten aanzien van deze lozingen staan in artikel 3.34 lid 3 van het AB.

2.6. Conclusie

Gezien het vorenstaande voegen wij een aantal aanvullende voorschriften toe aan de omgevingsvergunning van 17 november 2016, waarmee deze omgevingsvergunning op dit moment voldoet aan de BBT-conclusies Afvalbehandeling.

BIJLAGE 1: Milieubeheersysteem (MBS) Afvalbedrijven 

  • I.

    Inleiding

    Op grond van maatregel BBT1 maatregel zoals opgenomen in de BREF/BBT-conclusies Afvalbehandeling dient ter verbetering van de algehele milieuprestaties en de controle daarop een milieubeheersysteem (MBS) te worden ingevoerd. Dit document is bedoeld ter ondersteuning voor het opstellen van een MBS. De concrete invulling en het detailniveau van het MBS is afhankelijk van de specifieke situatie (bv. Aard, omvang en complexiteit van het bedrijf en alle mogelijke milieueffecten ervan) en dient op bedrijfsniveau bepaald te worden. Zo zal een milieuzorgsysteem van een klein bedrijf minder uitgebreid zijn dan dat van een groot bedrijf. Het opstellen en toepassen van een milieuzorgsysteem vergt inspanningen en tijd maar door het toepassen van een milieuzorgsysteem kan de milieu-impact algemeen beperkt worden.

  • II.

    Beschrijving bedrijf.

Invullen:

  • 1.

    Beschrijving van het bedrijf

    • a)

      Naw gegevens.

    • b)

      De IPPC categorie(ën).

  • III.

    Het milieubeleid en naleven van toepassing zijnde milieuregelgeving (BBT1) :

Invullen met aandacht voor:

  • a)

    Op welke wijze is het management betrokken bij het milieubeleid.

  • b)

    Definiëren wat het milieubeleid is van het bedrijf.

  • c)

    Hoe is het milieubeleid uitgewerkt door het management en waaruit blijkt dat er sprake is van continue verbetering van de milieuprestaties.

  • IV.

    Een kwaliteitssysteem toepassen. Noodzakelijke procedures opstellen en implementeren (BBT1):

Invullen met aandacht voor:

  • 1.

    Structuren van taken en verantwoordelijkheden:

    • a)

      Implementeren en uitvoeren van de procedures met bijzondere aandacht voor;

      • bedrijfsorganisatie en verantwoordelijkheid;

      • aanwerving, opleiding, bewustmaking en bekwaamheid;

      • communicatie;

      • betrokkenheid van de werknemers;

      • documentatie (bijhouden van gegevens, registraties);

      • efficiënte procescontrole;

      • onderhoudsprogramma's;

      • monitoring;

      • waarborgen van de naleving van de milieuwetgeving;

      • Interne audits (planning en wijze van uitvoeren).

    • b)

      Taken en verantwoordelijkheden: Wie is waar verantwoordelijk voor. Denk hierbij aan voorschriften uit de vergunning, onderhoudstermijnen maar ook het bijhouden van nieuwe wet- en regelgeving en het informeren van personeel hierover en het volgen van de ontwikkelingen op het vlak van schonere technologieën.

    • c)

      Wie controleert of taken door verantwoordelijke zijn uitgevoerd en eventueel opstellen corrigerende maatregelen.

    • d)

      Opstellen onderhouds- en inspectieprogramma’s.

    • e)

      Op welke wijze wordt bijgehouden/geregistreerd dat de dagelijkse, wekelijkse, maandelijkse, jaarlijkse taken en verplichtingen (uit de vergunning) zijn uitgevoerd waaronder ook de jaarlijkse elektronische verslaglegging E-PRTR.

    • f)

      Vastleggen dat het kwaliteitssysteem regelmatig wordt beoordeeld door de directie.

  • V.

    Borging en monitoring milieuaspecten

Invullen met aandacht voor:

  • 1.

    Afval* (BBT 2)

    • a)

      Opstelling en invoering van procedures voor de karakterisering en preacceptatie van afval.

    • b)

      Informatie over de eigenschappen van het te behandelen afval en de afvalverwerkingsprocessen.

    • c)

      Opstelling en invoering van procedures voor de acceptatie van afval.

    • d)

      Opstelling en invoering van een traceersysteem en inventarisatie voor afval.

    • e)

      Opstelling en invoering van een kwaliteitsbeheersysteem voor de output.

    • f)

      Waarborgen van afvalscheiding.

    • g)

      Het opstellen en uitvoeren van hanterings- en overbrengingsprocedures (BBT5).

    • h)

      Inventaris in en uitgaande stromen/Afvalinput monitoren (BBT 11 en 52)

* Er kan ook verwezen worden naar het van toepassing zijnde Acceptatie- en verwerkingsbeleid en administratieve organisatie en interne controle oftewel het A&V-beleid en AOIC. De onderdelen die niet beschreven worden in het A&V-beleid en AOIC dienen in het milieubeheersysteem te worden beschreven.

  • 2.

    Afvalwater (BBT 3, 6, 7, 11, 19 en 20)

    Om vermindering van emissies naar water te bevorderen, is het opstellen en actueel houden van een inventaris van afvalwater, als onderdeel van het milieubeheersysteem, noodzakelijk en dienen de volgende elementen te zijn opgenomen:

    • a)

      Opstelling en invoering van procedures aangaande het afvalwater;

    • b)

      Informatie over de kenmerken van de afvalwaterstromen, zoals:

      • gemiddelde waarden en variabiliteit van debiet, pH, temperatuur en geleidbaarheid.

      • gemiddelde concentratie en belastingwaarden van de relevante stoffen en hun variabiliteit (bv. CZV/TOC, stikstofverbindingen, fosfor, metalen, prioritaire stoffen/microverontreinigingen waaronder ook ZZS);

      • -gegevens over biologische verwijderbaarheid (bv. BZV, BZV/CZV-ratio, Zahn-Wellenstest, potentieel tot biologische inhibitie (bv. inhibitie van actief slib);

    • c)

      Monitoring;

    • d)

      Onderhoudsschema inspectie/controle data metingen (wettelijk dan wel op basis van verleende vergunningen).

  • 3.

    Bodem inclusief bodem beschermende voorzieningen (BBT 19).

    • a)

      Onderhoudsschema inspectie/controle data metingen bodem en bodem beschermende voorzieningen (wettelijk dan wel op basis van verleende vergunningen).

    • b

      Registratie van uitgevoerde metingen/controles/inspecties.

  • 4.

    Energie (BBT 11 en 23)

    • a)

      opstellen van een energiebeleidsverklaring door het management:

      • onderschrijving van het engagement van het management van de vestiging dat de onderneming werkt aan een optimale(re) energie-efficiëntie;

      • creëert het noodzakelijk draagvlak voor de implementatie van de energiebeheermaatregelen.

    • b)

      aanstellen van een energiecoördinator:

      • wordt aangesteld door het management;

      • coördineert het te volgen energiebeleid binnen de onderneming en ziet toe op een verantwoord (duurzaamheids) beleid bij nieuwbouw, aanpassing bestaande gebouwen, vervanging en aanpassing van installaties en vervoermiddelen;

      • is verantwoordelijk voor de communicatie (in beide richtingen) rond het energiebeleid en de daaruit voortvloeiende activiteiten.

    • c)

      Energieverbruik monitoren en registreren.

  • 5.

    Geluid (BBT 17)

    • a)

      Beheerplan geluid- en trillingen.

  • 6.

    Geur (BBT 8, 10 en 12)

    • a)

      Monitoring;

    • b)

      Geurbeheerplan.

  • 7.

    Lucht (BBT 8 en 27 )

    • a)

      Informatie over de kenmerken van de afgassen waaronder ook ZZS;

    • b)

      Registratie van uitgevoerde metingen/controles/inspecties;

    • c)

      Monitoring;

    • d)

      Beheerplan voor deflagratie (bij shredders).

  • 8.

    Opslag (BBT 4)

    • a)

      Geoptimaliseerde opslag.

    • b)

      Adequate opslag capaciteit.

    • c)

      Veilige opslag.

  • VI.

    Informatieverstrekking en training/coaching met het oog op bewustzijn en betrokkenheid van de werknemers BBT 1):

Invullen met aandacht voor:

  • 1.

    Communicatie en training zijn belangrijk om medewerkers te sensibiliseren:

    • a)

      Interne communicatie.

      • i.

        management/energiecoördinator: informatie verspreiden (aanpak, doelstellingen, enz.) en maar ook terugkoppeling van resultaten (bv. aantal Euro’s bespaard);

      • ii.

        werknemers: verzamelen van ideeën, voorstellen en eventuele vragen op het gebied van opleidingen.

    • b)

      externe communicatie:

      • iii.

        ketenefficiëntie verbeteren; samen met leveranciers en klanten zoeken naar energetische verbeteringen (ook op vlak van transport en logistiek);

      • iv.

        regelmatige en gepaste communicatie naar de omgeving van de onderneming over behaalde resultaten op gebied van bv. energiereducties en maatregelen ter verbetering van de leefomgeving.

    • c)

      De aandacht die gegeven wordt aan opleiding en training.

    • d)

      Onderwerpen die tijdens de trainingen aan bod kunnen komen zoals:

      • mogelijke problemen die zich voordoen tijdens de normale bedrijfsprocessen;

      • mogelijke problemen die zich voordoen in niet-routine situaties;

      • risicoanalyse van bedrijfsprocessen.

BIJLAGE 2: BEGRIPPENLIJST

Voor de begrippen die niet in deze lijst zijn opgenomen refereren wij naar de definities zoals die zijn opgenomen in de geldende wet- en regelgeving.

Begrip

Definitie

Considerans

BBT

Best Beschikbare techniek genoemd in een BBT document.

Bor

Besluit omgevingsrecht

BREF

BAT Reference document. Een in Europees verband vastgesteld document waarin de BBT worden beschreven die specifiek zijn voor een bepaalde branche of activiteit.

E-PRTR

European Pollutant Release and Transfer Register

IPPC

Integrated Pollution Prevention and Control

Onderneming

Een bedrijfseconomische definitie van een of meerdere vestigingen behorende tot een en dezelfde onderneming. Hoeft niet plaatsgebonden te zijn bij bijvoorbeeld een concern met een hoofdvestiging en een of meerdere nevenvestigingen.

Afvalwater

Afvalwater

Alle water waarvan de houder zich, met het oog op de verwijdering daarvan, ontdoet, voornemens is zich te ontdoen, of moet ontdoen

Bedrijfsafvalwater

Afvalwater (inclusief verontreinigd hemelwater), niet zijnde huishoudelijk afvalwater

Bedrijfsriolering

Een stelsel van buizen, verbindingstukken en elementen zoals straat- en trottoirkolken, gootelementen, verzamelputten en installaties, zoals slibvangputten, olie-waterscheider en controleputten voor de opvang en afvoer van bedrijfsafvalwater

Hemelwater

Alle neerslag, zoals regen, sneeuw of hagel.

Huishoudelijk afvalwater

Afvalwater dat vergelijkbaar is met afvalwater afkomstig van particuliere huishoudens.

Openbaar riool

Voorziening voor de inzameling en transport van afvalwater, als bedoeld in artikel 10.30 van de Wet milieubeheer.

Riolering

Bedrijfsriolering of openbare riolering.

Naar boven