Provinciaal blad van Fryslân
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Fryslân | Provinciaal blad 2024, 7110 | andere beschikking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Fryslân | Provinciaal blad 2024, 7110 | andere beschikking |
Ambtshalve actualisatie omgevingsvergunning Dam Handelsonderneming B.V., Spikerboor 2, 15 en 17 in Akkrum
Op 17 november 2016 (kenmerk 2015-FUMO-0004057) is aan Dam Handelsonderneming B.V. een revisiesievergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verleend voor de inrichting aan de Spikerboor 15 en 17 en Feansterdyk 22 in Akkrum (thans Spikerboor 2, 15 en 17 in Akkrum). Daarna zijn nog diverse omgevingsvergunningen verleend dan wel hebben er ambtshalve wijzigingen van de verleende omgevingsvergunningen plaatsgevonden (zie 1.2 Procedurele aspecten).
Wij besluiten de omgevingsvergunning van 17 november 2016 ambtshalve te wijzigen. De overige omgevingsvergunningen en ambtshalve wijzigingen zijn wel meegenomen in de beoordeling, maar zijn verder niet relevant in het kader van deze actualisatie.
Binnen de inrichting is een IPPC-installatie aanwezig, namelijk een categorie 5.5-installatie als bedoeld in de Richtlijn industriële emissies (RIE): tijdelijke opslag van gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van 50 ton of meer in afwachting van in categorie 5.1, 5.2, 5.4 en 5.6 vermelde behandelingen. Sinds 1 januari 2013 geldt een extra actualisatieplicht voor IPPC-installaties (artikel 2.30 van de Wabo in samenhang met artikel 5.10, lid 1 van het Besluit omgevingsrecht (Bor)). De plicht houdt in dat binnen vier jaar na publicatie van de beste beschikbare technieken (BBT)-conclusies moet worden getoetst of de omgevingsvergunning nog voldoet aan de BBT-conclusies. Indien de voorschriften niet voldoen, moet de vergunning binnen de termijn van vier jaar zijn geactualiseerd.
De BBT-conclusies Afvalbehandeling zijn op 17 augustus 2018 gepubliceerd. Wij hebben de omgevingsvergunning van 17 november 2016 beoordeeld en zijn van oordeel dat de omgevingsvergunning niet geheel voldoet aan de BBT-conclusies Afvalbehandeling. Wij passen daarom met dit besluit de omgevingsvergunning van 17 november 2016 ambtshalve aan door er voorschriften aan toe te voegen.
Wij besluiten, gelet op artikel 2.31, eerste lid, onder b, van de Wabo:
Namens het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân,
Afdelingshoofd Vergunningverlening en Specialistisch Advies
Rechtsmiddelen en inwerkingtreding
Bekendmaking, inwerkingtreding en rechtsbeschermingsmiddelen (definitieve) beschikking
Deze beschikking wordt bekendgemaakt door toezending aan de aanvrager. Daarnaast wordt een kennisgeving gegeven door publicatie in de Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad en in het Provinciaal blad van Fryslân via www.officielebekendmakingen.nl. De beschikking treedt in werking 6 weken na bekendmaking van het definitief besluit.
De aanvraag en de beschikking met de daarbij behorende stukken worden op grond van de Algemene wet bestuursrecht met ingang van 16 januar 2023 ter inzage gelegd. Inzage is mogelijk bij de gemeente/provincie/FUMO.
Een dag nadat de beschikking ter inzage is gelegd, start de termijn van zes weken voor het indienen van een beroepschrift. In die periode kunnen zowel u als belanghebbenden beroep aantekenen tegen deze beschikking. Ook niet-belanghebbenden kunnen beroep aantekenen indien zij een zienswijze hebben ingediend.
Het beroepschrift moet in tweevoud ingediend worden bij Rechtbank Noord-Nederland, Postbus 781, 9700 AT Groningen.
Het indienen van een beroepschrift stelt de werking van de beschikking niet uit. Als u of belanghebbenden niet willen dat deze beschikking in werking treedt na afloop van de beroepstermijn, kan tijdens die termijn om een voorlopige voorziening worden verzocht. Dit verzoek kan worden gedaan bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord Nederland, Postbus 781 9700 AT Groningen. De beschikking treedt in dat geval niet in werking voordat over dit verzoek is beslist.
Voorschriften ambtshalve wijziging omgevingsvergunning activiteit milieu
Het in voorschrift 1.1.1 bedoelde verzoek om goedkeuring moet schriftelijk worden gericht aan de FUMO, Postbus 3347, 8901 DH LEEUWARDEN of info@fumo.nl.
Sinds 1 januari 2013 geldt een extra actualisatieplicht voor IPPC-installaties (artikel 2.30 van de Wabo in samenhang met artikel 5.10, lid 1, van het Bor). De plicht houdt in dat binnen een termijn van vier jaar na publicatie van de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit van een IPPC-installatie de vergunning moet zijn geactualiseerd, waar nodig, op basis van de nieuwe BBT-conclusies.
Op 17 augustus 2018 heeft de Europese commissie de BBT-conclusies afvalbehandeling gepubliceerd. De BBT-conclusies afvalbehandeling gaan onder andere over de volgende activiteiten uit bijlage 1 van de RIE:
Voor deze actualisatie hebben wij de eerder verleende omgevingsvergunningen van Dam Handelsonderneming B.V. getoetst aan de BBT-conclusies Afvalbehandeling en aan het op 14 juli 2022 ingediende document BBT-conclusies (Rapport TAP/BBT-toets/2022v02, Pietersma Omgevingsadviseur, d.d. 13 juli 2022).
De toetsing geeft aanleiding tot het aanpassen van de eerder verleende vergunning van 17 november 2016 (kenmerk 2015-FUMO-0004057).
1.2. Huidige vergunningsituatie
Voor de inrichting zijn de onderstaande omgevingsvergunningen verleend:
De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I, onderdeel C van het Bor. De volgende categorieën zijn van toepassing:
|
|
|
Opslaan van (gevaarlijke) afvalstoffen 31o Het als grondstof inzetten van afvalstoffen voor het vervaardigen van betonmortel of betonwaren |
Op grond van het overschrijden van de capaciteit als genoemd bij bovengenoemde categorieën is er sprake van een vergunningplichtige activiteit. Om die reden is op grond van artikel 2.1, tweede lid van het Bor eveneens sprake van een vergunningplichtige inrichting.
Wij zijn bevoegd gezag voor de inrichting. Dit volgt uit artikel 2.4, tweede lid van de Wabo juncto artikel 3.3, eerste lid van het Bor, op grond van de activiteiten van de inrichting, genoemd in Bijlage I onderdeel C, categorie 28.4, onder a, 5° en 6° van het Bor en omdat het een inrichting betreft waartoe een IPPC-installatie behoort als genoemd in Bijlage I, categorie 5.5 van de Richtlijn industriële emissies (RIE).
De vigerende omgevingsvergunning is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Gelet hierop dient de wijziging te worden voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure.
In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor, hebben wij ons voornemen tot ambtshalve wijziging ter advies aan de volgende instanties/bestuursorganen gezonden:
Op 15 juli, 24 augustus en 14 september 2022, dus voorafgaand aan ons voorgenomen besluit tot ambtshalve wijziging van de vergunning, hebben wij het Wetterskip Fryslân reeds om advies gevraagd. Op 6 september en 24 oktober 2022 hebben wij een advies ontvangen van het Wetterskip. Dit advies is verwerkt in hoofdstuk 2.5 “Afvalwater”.
1.7. Zienswijzen op de ontwerpbeschikking
Van het ontwerp van de beschikking hebben wij kennis gegeven in de Leeuwarder Courant en het Friesch Dagblad van 5 november 2022 en in het Provinciaal blad van Fryslân via https://officielelebekendmakingen.nl.
Tussen 7 november 2022 en 19 december 2022 heeft het ontwerp ter inzage gelegen en is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is gebruik gemaakt.
Op 13 december 2022 hebben wij een zienswijze ontvangen van Pietersma Omgevingsadviseur namens Dam Handelsonderneming B.V. (kenmerk 2022/GS/tap/dam/001) d.d. 8 december 2022. De zienswijze heeft betrekking op het opzetten en implementeren van een Milieubeheersysteem (MBS).
Wij vatten de ingediende zienswijze per onderdeel samen met daaraan toegevoegd onze nummering:
In de zienswijze wordt betoogd dat er op dit moment voor de aanwezige activiteiten sprake is van een actuele, weloverwogen vergunningsituatie met een toereikend pakket voorschriften. Verder wordt aangegeven dat Dam Handelsonderneming niet beschikt over een milieubeheersysteem zoals omschreven in bijlage 1 behorende bij de onderhavige ontwerpbeschikking, maar dat Dam Handelsonderneming voor de essentiële milieuparameters wel de nodige passende maatregelen heeft genomen. Hierbij wordt een aantal documenten genoemd dat hieraan ten grondslag ligt.
De essentie van wat wordt aangevoerd in de zienswijze is juist dat de acties en maatregelen die voortvloeien uit de voorschriften en documenten, worden gemonitord en geborgd in een milieubeheersysteem. Dit is een vereiste op grond van BBT-maatregel 1 uit de BBT-conclusies Afvalbehandeling 2018.
Dit geldt voor alle activiteiten die vallen onder bijlage I van de Richtlijn industriële emissies 2010/75/EU (RIE):
Dit geldt dus ook voor de inrichting van Dam Handelsonderneming, omdat er een IPPC-installatie aanwezig is die valt onder categorie 5.5 van de Richtlijn industriële emissies (RIE): tijdelijke opslag van gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van 50 ton of meer in afwachting van in categorie 5.1, 5.2, 5.4 en 5.6 vermelde behandelingen.
De actualisatie van de vergunning vindt plaats omdat er sinds 1 januari 2013 een extra actualisatieplicht geldt voor IPPC-installaties (artikel 2.30 van de Wabo in samenhang met artikel 5.10, lid 1 van het Bor. De plicht houdt in dat binnen vier jaar na publicatie van de beste beschikbare technieken (BBT)-conclusies moet worden getoetst of de omgevingsvergunning nog voldoet aan de BBT-conclusies. Indien de voorschriften niet voldoen, moet de vergunning binnen de termijn van vier jaar zijn geactualiseerd.
Ook de op 17 augustus 2018 gepubliceerde BBT-conclusies Afvalbehandeling waren derhalve aanleiding voor het actualiseren van de vergunning. Wij hebben de vergunning en de voorschriften opnieuw beoordeeld en zijn tot de conclusie gekomen dat de vergunning voldoet aan de nieuwe BBT-conclusies, met uitzondering van BBT1: het milieubeheersysteem. Derhalve worden de voorschriften die betrekking op het milieubeheersysteem aan de vergunning verbonden middels dit besluit. Dit doen wij overigens bij alle afvalverwerkende bedrijven die vallen onder de eerder genoemde RIE-categorie.
Deze ambtshalve aanpassing is vanwege de wettelijke plicht tot het onderzoeken van de vergunning en het zo nodig aanpassen van de vergunning op grond van de BBT-conclusies BREF Afvalbehandeling 2018. Het vervolgens ‘wel of niet aanpassen (voldoet vergunning nog in relatie tot de nieuwe BBT-conclusie)’ is ter beoordeling aan het bevoegd gezag. In dit geval hebben wij geoordeeld dat de huidige vergunning niet voldoet aan BBT 1 uit de BBT-conclusies Afvalbehandeling 2018, het aanwezig hebben van een MBS, en dat dit nodig maakt dat de vergunning hierop wordt aangepast. De invoering en naleving van een MBS, waarin alle van toepassing zijnde elementen moeten worden opgenomen als bedoeld in BBT1, heeft toegevoegde waarde omdat dit MBS tot doel heeft de algehele milieuprestaties te verbeteren en te volgen. De omvang en mate van gedetailleerdheid is afhankelijk van de aard, omvang en complexiteit van de installatie en alle mogelijke milieueffecten ervan, mede bepaald door de soort en hoeveelheid verwerkt afval en kan dus per bedrijf verschillen. Kosteneffectiviteit is niet van toepassing bij IPPC-installaties. Het uitgangspunt is dat de BBT-conclusies kosteneffectief zijn als de beschrijving van de BREF en de hieraan gekoppelde BBT-conclusies nog actueel zijn. Het bevoegd gezag toetst in die gevallen de maatregelen niet opnieuw aan criteria voor de kosteneffectiviteit. Slechts in uitzonderlijke situaties, zoals ingrijpende bouwkundige aanpassingen binnen het bedrijf, zou hiervan afgeweken kunnen worden.
Om redenen die hiervoor reeds vermeld zijn, kunnen wij hier niet mee instemmen. Het staat Dam Handelsonderneming echter wel vrij om het format, de wijze, vorm en grootte van het milieubeheersysteem te bepalen, mits de aspecten die van toepassing zijn op basis van de BBT-conclusies Afvalbehandeling 2018 aan de orde komen. Als leidraad hiervoor kan Bijlage 1 bij deze ambtshalve wijziging gehanteerd worden, waarbij alleen de aspecten die van toepassing zijn op de inrichting opgenomen hoeven te worden. Bijlage 1 is overigens slechts als voorbeeld bijgevoegd. Het betreffende document milieubeheersysteem zal eerst ter goedkeuring aan ons moeten voorgelegd, waarbij getoetst zal worden of in het milieubeheersysteem de aspecten aan de orde komen die op grond van de BBT-conclusies Afvalbehandeling van Dam Handelsonderneming worden verlangd.
Wij verklaren de zienswijzen als genoemd onder de punten 1 tot en met 3 ongegrond.
1.8. Wijzigingen ten opzichte van de ontwerpvergunning
Ten opzichte van de ontwerpvergunning zijn geen wijzigingen aangebracht, anders dan het behandelen van de ingebrachte zienswijze.
2. Inhoudelijke overwegingen Milieu
2.1. Toetsing ambtshalve wijziging omgevingsvergunning
Sinds 1 januari 2013 geldt een actualisatieplicht voor IPPC-installaties (artikel 5.10, eerste lid van het Bor). De plicht houdt in dat:
binnen een termijn van vier jaar na publicatie in het Publicatieblad van de Europese Unie van de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit van een IPPC-installatie de voorschriften van de omgevingsvergunning moeten worden getoetst aan de beste beschikbare technieken (BBT) die staan in deze (nieuwe) BBT-conclusies (en alle overige relevante BBT-documenten);
De actualisatieplicht start dus op het moment dat de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit zijn gepubliceerd. Daarom zal bij IPPC-installaties waarin meerdere activiteiten uit bijlage 1 van de RIE worden uitgeoefend, bepaald moet worden welke activiteit voor de betreffende IPPC-installatie zal worden aangemerkt als de hoofdactiviteit.
Binnen deze inrichting vinden meerdere activiteiten uit bijlage 1 van de RIE plaats. Daarom is in overleg met de vergunninghouder van de inrichting nagegaan welke BBT-conclusies relevant zijn voor de hoofdactiviteit en welke BBT-conclusies daarmee het startpunt zullen worden van de (verplichte) vergunning actualisatie. Dit betekent dat na publicatie van deze BBT-conclusies in het publicatieblad van de Europese Unie de actualisatieplicht zal beginnen.
Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofactiviteit en aan andere relevante BBT-conclusies.
Overeenkomstig artikel 2.31, eerste lid van de Wabo, moet en overeenkomstig artikel 2.31, tweede lid van de Wabo, kan het bevoegd gezag voorschriften die aan een omgevingsvergunning zijn verbonden, wijzigen. De omstandigheden waaronder dit moet of kan gebeuren zijn eveneens vermeld in dit artikel. In dit geval is er sprake van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.31, eerste lid, onder b.
Artikel 2.31, eerste lid, geeft de omstandigheden aan waaronder het bevoegd gezag verplicht is de voorschriften van de omgevingsvergunning te wijzigen. Onder b wordt aangegeven dat de voorschriften van de vergunning moeten worden aangescherpt als – kort samengevat – de bescherming van het milieu dit noodzakelijk maakt. Of die noodzaak bestaat, kan worden afgeleid uit het toetsingskader dat geldt voor het toepassen van de actualiseringsplicht van artikel 2.30 van de Wabo, dat is opgenomen in artikel 5.10 derde lid van het Bor. Op grond van artikel 2.31, tweede lid, heeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om een vergunning aan te passen. Deze mogelijkheid bestaat voor zover dit in het belang van de bescherming van het milieu is.
Artikel 2.31a, eerste lid van de Wabo geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om, ter bescherming van het milieu, andere technieken voor te schrijven dan in de aanvraag zijn opgenomen en daarmee de grondslag van de aanvraag te verlaten. Op grond van artikel 2.31a, tweede lid is de vergunninghouder verplicht desgevraagd gegevens aan het bevoegd gezag over te leggen die nodig zijn voor de beoordeling of alle relevante BBT-maatregelen worden toegepast.
2.2. Beste beschikbare technieken
In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast.
Bij het opstellen van de omgevingsvergunning milieu moet rekening worden gehouden met de BBT-conclusies. De Europese Commissie stelt de BBT-conclusies op en maakt deze bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.
BBT-conclusies is een document met de conclusies over beste beschikbare technieken, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, lid 5 en 7 van de RIE.
Op 17 augustus 2018 heeft de Europese Commissie de BBT-conclusies Afvalbehandeling gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie.
De BBT-conclusies Afvalbehandeling gaan over activiteiten uit bijlage I van de Richtlijn industriële emissies 2010/75/EU (RIE):
Deze BBT-conclusies gaan niet over IPPC-categorie 5.2 afvalverbranding of 5.4 stortplaatsen.
In het kader van de onder hoofdstuk 2.1 “Toetsing ambtshalve wijziging omgevingsvergunning” gemoemde actualisatieplicht, hebbben wij getoets of de voorschriften van de vigerende omgevingsvergunning(en) voldoen aan de beste beschikbare technieken (BBT) die staan in deze nieuwe BBT-conclusies.
2.3. Concrete bepaling best beschikbare technieken
Binnen de inrichting worden één of meer van de activiteiten uit bijlage 1 van de RIE uitgevoerd en wel de volgende: categorie 5.5.
Om te bepalen of en in hoeverre aan de BBT-conclusies van de BREF Afvalbehandeling wordt voldaan,hebben we u op 2 november 2021 schriftelijk verzocht gegevens aan te leveren waarin aangegeven wordt hoe u voldoet aan de nieuwe BREF Afvalbehandeling. Op 7 juli 2022 hebben wij een document BBT-conclusies ontvangen (Rapport TAP/BBT-toets/2022v02, Pietersma omgevingsadviseur d.d. 13 juli 2022).
Wij hebben de informatie getoetst aan uw vergunning van 17 november 2016 en aan de BBT conclusies Bref Afvalbehandeling versie 17 augustus 2018. Wij zijn tot de conclusie gekomen dat de door u overgelegde gegevens aanleiding geven om uw omgevingsvergunning ambtshalve te wijzigen, omdat uw vergunning nog niet geheel actueel is met betrekking tot de aanwezigheid van een Milieubeheersysteem overeenkomstig het gestelde in BBT1 van de Bref Afvalbehandeling 2018.
2.4. Milieubeheersysteem en klachtenmanagementsysteem en communicatieplan
Bij bedrijven met een IPPC-installatie waarop de BBT-conclusies afvalbehandeling van toepassing is, moet een milieubeheersysteem worden ingevoerd. In maatregel BBT 1 uit de BREF Afbehandeling staat dat het bedrijf een milieubeheersysteem moet invoeren en welke elementen in het milieubeheersysteem moeten zijn opgenomen. In dit geval gaat het om een enigszins complexe inrichting, met een diversiteit aan afvalstoffen die geaccepteerd, opgeslagen en bewerkt worden. Daarom zal een gedetailleerd milieubeheersysteem opgezet moeten worden met de onderdelen die zijn aangegeven in BBT 1.
Om het bovenstaande te borgen, verbinden wij een voorschrift aan uw vergunning van 17 november 2016 waarin het opstellen, de invoering en de naleving van een milieubeheersysteem met de verschillende onderdelen, genoemd in BBT 1, voorgeschreven wordt.
Op 15 juli, 24 augustus en 14 september 2022 hebben wij advies gevraagd aan het Wetterskip Fryslan met betrekking tot lozingsaspect bij Dam Handelsonderneming B.V. Vraag hierbij was of de op 29 juli 2010 aan Dam Handelsondernemning B.V. verleende vergunning op grond van de Wet verortreiniging oppervlaktewater (WVO) (thans Waterwet) nog van toepassing is en of er naast directe lozingen ook nog sprake is van indirecte lozingen.
Op 6 september en 24 oktober 2022 hebben wij adviezen ontvangen van het Wetterskip Fryslan waarin zij aangeeft dat de op 29 juli 2010 aan Dam Handelsondernemning B.V. verleende verleende WVO vergunning (thans Waterwet) nog steeds van toepassing is. Deze vergunning heeft betrekking op:
het lozen van de volgende afvalwaterstromen op het oppervlakte water:
Stroom a. en b. worden beide via een eigen voorziening geloosd en voor stroom a. en b. zijn lozingseisen opgenomen.in de Waterwet vergunning waarbij voor stroom a. een monitoringsvoosrchrift is opgenomen maar voor stroom b. niet.
Stroom c. stroomt onder afschot af naar het oppervlaktewater. In de Waterwet vergunning wordt niet gesproken over het lozen via een voorziening.Voor deze stroom zijn geen lozingseisen en/of monitoringsvoorschriften opgenomen.
Handelsonderneming Dam B.V. valt voor wat betreft de afvalwaterlozingen daar waar het inerte stoffen betreft geheel onder het Activiteitenbesluit milieubeheer (AB).
Het lozen van het hemelwater afkomstig van de niet-bodembeschermende voorzieningen valt onder paragraaf 3.1.3.
Het lozen van afvalwater afkomstig van het bedrijfsterrein val onder paragraaf 3.4.3. Het afvalwater dat in contact is geweest met inerte goederen valt onder artikel 3.33, zowel lozen op oppervlaktewater als riolering.
Het afvalwater dat in contact is geweest met niet inerte goederen valt onder artikel 3.34, waarbij het lozen op een aangewezen oppervlaktewaterlichaam is geregeld in lid 3.
De lozingseisen ten aanzien van deze lozingen staan in artikel 3.34 lid 3 van het AB.
Gezien het vorenstaande voegen wij een aantal aanvullende voorschriften toe aan de omgevingsvergunning van 17 november 2016, waarmee deze omgevingsvergunning op dit moment voldoet aan de BBT-conclusies Afvalbehandeling.
BIJLAGE 1: Milieubeheersysteem (MBS) Afvalbedrijven
Op grond van maatregel BBT1 maatregel zoals opgenomen in de BREF/BBT-conclusies Afvalbehandeling dient ter verbetering van de algehele milieuprestaties en de controle daarop een milieubeheersysteem (MBS) te worden ingevoerd. Dit document is bedoeld ter ondersteuning voor het opstellen van een MBS. De concrete invulling en het detailniveau van het MBS is afhankelijk van de specifieke situatie (bv. Aard, omvang en complexiteit van het bedrijf en alle mogelijke milieueffecten ervan) en dient op bedrijfsniveau bepaald te worden. Zo zal een milieuzorgsysteem van een klein bedrijf minder uitgebreid zijn dan dat van een groot bedrijf. Het opstellen en toepassen van een milieuzorgsysteem vergt inspanningen en tijd maar door het toepassen van een milieuzorgsysteem kan de milieu-impact algemeen beperkt worden.
Structuren van taken en verantwoordelijkheden:
Taken en verantwoordelijkheden: Wie is waar verantwoordelijk voor. Denk hierbij aan voorschriften uit de vergunning, onderhoudstermijnen maar ook het bijhouden van nieuwe wet- en regelgeving en het informeren van personeel hierover en het volgen van de ontwikkelingen op het vlak van schonere technologieën.
* Er kan ook verwezen worden naar het van toepassing zijnde Acceptatie- en verwerkingsbeleid en administratieve organisatie en interne controle oftewel het A&V-beleid en AOIC. De onderdelen die niet beschreven worden in het A&V-beleid en AOIC dienen in het milieubeheersysteem te worden beschreven.
Voor de begrippen die niet in deze lijst zijn opgenomen refereren wij naar de definities zoals die zijn opgenomen in de geldende wet- en regelgeving.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2024-7110.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.