Ambtshalve wijziging omgevingsvergunning Weboma, Westkern 7 Kootstertille

Onderwerp

Voor Weboma op het adres Westkern 7 in Kootstertille gelden de omgevingsvergunningen van 13 juli 2009 met kenmerk 00837722 en 7 april 2011 met kenmerk 00948585. Binnen de inrichting is een IPPC-installatie aanwezig, namelijk categorie 5.5; tijdelijke opslag van gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van 50 ton of meer in afwachting van in categorie 5.1, 5.2, 5.4 en 5.6 vermelde behandelingen. De omgevingsvergunning van 7 april 2011 heeft betrekking op een IPPC-installatie die behoort tot categorie 5.1a; verwijdering en/of nuttige toepassing van gevaarlijke afvalstoffen door biologische behandeling. Deze activiteit heeft echter tot op heden nog niet plaatsgevonden.

Wij actualiseren de omgevingsvergunning van 13 juli 2009 en 7 april 2011. De overige omgevingsvergunningen en ambtshalve wijzigen zijn wel meegenomen in de beoordeling maar zijn verder niet relevant in het kader van deze actualisatie.

Sinds 1 januari 2013 geldt een extra actualisatieplicht voor IPPC-installaties (artikel 2.30 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in combinatie met artikel 5.10 lid 1 van het Besluit omgevingsrecht). De plicht houdt in dat binnen vier jaar na publicatie van de beste beschikbare technieken (BBT)-conclusies moet worden getoetst of de vergunning nog voldoet aan de BBT-conclusies. Indien de voorschriften niet voldoen, moet de vergunning binnen de termijn van vier jaar zijn geactualiseerd.

De BBT-conclusies Afvalbehandeling zijn op 17 augustus 2018 gepubliceerd. Wij hebben de vergunning van 13 juli 2009 met kenmerk 00837722 en 7 april 2011 met kenmerk 00948585 in het kader van bovengenoemde BBT-conclusie beoordeeld en wij zijn van mening dat deze vergunningen niet voldoen aan de BBT-conclusies Afvalbehandeling.Wij passen daarom met dit besluit de omgevingsvergunningen van 13 juli 2009 met kenmerk 00837722 en 7 april 2011 met kenmerk 00948585 ambtshalve aan door nieuwe voorschriften aan deze vergunningen te verbinden.

Besluit

Wij besluiten, gelet op artikel 2.31, eerste lid, onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht:

  • de omgevingsvergunningen d.d. 13 juli 2009, met kenmerk 00837722, Westkern 7 in Kootstertille ambtshalve te actualiseren door bijgevoegde voorschriften toe te voegen aan deze vergunning;

  • dat de ingevulde ippc-tool-aanvraag-omgevingsvergunning, per e-mail ontvangen op 23 november 2021 onderdeel uitmaken van de vergunning van 13 juli 2009, met kenmerk 00837722.

    Voor zover de aan de vergunning verbonden IPPC-tool niet in overeenstemming is met de gestelde voorschriften, zijn de voorschriften bepalend.

Ondertekening en verzending

Namens het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân,

Hoogachtend, 

S.G.C. Boender

Afdelingshoofd Vergunningverlening en Specialistisch Advies  

Bijlage: Voorschriften en overwegingen actualisatie omgevingsvergunning

Kopie Wetterskip Fryslân

Postbus 36

8900 AA Leeuwarden

Gemeente Achtkarspelen

Stationsstraat 18

9285 NH Buitenpost

Rechtsbeschermingsmiddelen

Bekendmaking en rechtsbeschermingsmiddelen

Deze beschikking wordt bekendgemaakt door toezending aan de vergunninghouder. Daarnaast wordt een kennisgeving gegeven door publicatie in de Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad en in het Provinciaal blad van Fryslân via www.officielebekendmakingen.nl. De beschikking treedt in werking 6 weken na bekendmaking van het definitief besluit. 

De beschikking met de daarbij behorende stukken worden op grond van de Algemene wet bestuursrecht ter inzage gelegd. Inzage is mogelijk bij de provincie/FUMO.

Een dag nadat de beschikking ter inzage is gelegd, start de termijn van zes weken voor het indienen van een beroepschrift. In die periode kunnen zowel u als belanghebbenden beroep aantekenen tegen deze beschikking. Ook niet-belanghebbenden kunnen beroep aantekenen indien zij een zienswijze hebben ingediend.

Het beroepschrift moet in tweevoud ingediend worden bij Rechtbank Noord-Nederland, Postbus 781, 9700 AT Groningen.

Het indienen van een beroepschrift stelt de werking van de beschikking niet uit. Als u of belanghebbenden niet willen dat deze beschikking in werking treedt na afloop van de beroepstermijn, kan tijdens die termijn om een voorlopige voorziening worden verzocht. Dit verzoek kan worden gedaan bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord Nederland, Postbus 781 9700 AT Groningen. De beschikking treedt in dat geval niet in werking voordat over dit verzoek is beslist.

Voorschriften ambtshalve wijziging omgevingsvergunning activiteit milieu

  • 1.

    Milieubeheersysteem

  • 1.1

    Milieubeheersysteem

  • 1.1.1

    Binnen vier maanden na de inwerkingtreding van deze vergunning, moet vergunninghouder een milieubeheersysteem ter goedkeuring aan ons hebben overgelegd. Het milieubeheersysteem heeft betrekking op de activiteiten die vallen onder categorie 5.5 van bijlage 1 van de Richtlijn Industriële emissies.

  • 1.1.2

    Wanneer er ook activiteiten worden uitgevoerd die vallen onder categorie 5.1a van bijlage I van de Richtlijn Industriële Emissies, wordt het milieubeheerssysteem daarop aangepast. Het aangepaste milieubeheersysteem wordt 3 maanden voor aanvang van de activiteit ter goedkeuring aan ons overgelegd.

  • 1.1.3

    Het milieubeheersysteem bevat naast de elementen zoals genoemd in bijlage 1 van deze vergunning, tenminste en voor zover van toepassing, de volgende onderdelen:

Beleid

  • a.

    de milieustrategie;

  • b.

    het milieuplan;

Bedrijfsprocessen

  • c.

    procedures voor het doorvoeren van wijzigingen in processen;

  • d.

    procedures voor het evalueren van het managementsysteem;

  • e.

    procedures voor het monitoren milieuaspecten afvalwater en luchtemissies;

  • f.

    procedures voor onderhoud en keuringen op basis van de verleende vergunning;

Per procedure

  • g.

    taken en verantwoordelijkheden/bevoegdheden;

  • h.

    werkinstructies.

  • 1.1.4

    Het in voorschrift 1.1.1 en 1.1.2 bedoelde verzoek om goedkeuring moet schriftelijk worden gericht aan de FUMO, Postbus 3347, 8901 DH LEEUWARDEN of info@fumo.nl.

  • 1.1.5

    Binnen drie maanden na ons besluit naar aanleiding van de goedkeuring als bedoeld in voorschrift 1.1.1, moet vergunninghouder het goedgekeurde milieubeheersysteem hebben geïmplementeerd.

  • 2.

    Lozing afvalwater afkomstig van de opslag van teerhoudend asfalt

  • 2.1.1

    De vergunninghouder dient in een rapport, op basis van een onderzoek met monstername en analyse op ZZS (PAK-10), inzichtelijk te maken wat de omvang van de lozing van PAK-10 is in het hemelwater dat afkomstig is van de vloeistofdichte vloeren voor de opslag van teerhoudend asfalt.

  • 2.1.2

    Het onderzoeksplan voor het onderzoek bedoeld in voorschrift 2.1.1 dient binnen drie maanden na het in werking treden van deze beschikking ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te worden overgelegd. In het onderzoeksplan dienen ten minste de volgende elementen te worden opgenomen:

    • a.

      een omschrijving van de representatieve omstandigheden tijdens bemonstering; (hoeveelheid aanwezig teerhoudend asfalt, opslagduur van asfalt, neerslag, etc.);

    • b.

      de wijze van meten en bemonsteren;

    • c.

      de plaats van bemonsteren;

    • d.

      de norm voor bemonstering en conservering van genomen monsters;

    • e.

      analysemethode;

    • f.

      wijze van rapportage.

  • 2.1.3

    Het rapport, als bedoeld in voorschrift 2.1.1, dient binnen zes maanden na ons besluit van de goedkeuring als bedoeld in voorschrift 2.1.2, aan het bevoegd gezag worden toegezonden.

  • 2.1.4

    Wanneer op basis van het uit voorschrift 2.1.1 voortkomend rapport blijkt dat ZZS (PAK 10) wordt geloosd, dient de vergunninghouder in een uitvoeringsplan inzichtelijk te maken welke acties en/of voorzieningen haalbaar zijn om de lozing van ZZS (PAK 10), afkomstig van het contact van hemelwater met teerhoudend asfalt, te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken. Het uitvoeringsplan dient binnen zes maanden na toezending van het rapport aan het bevoegd gezag worden toegezonden.

  • 2.1.5

    Na elke periode van vijf jaar (ingaande op de dag van ontvangst van het in voorschrift 2.1.1 bedoelde uitvoeringsplan door het bevoegd gezag) moet inzicht worden gegeven in de verdergaande emissiereductie van ZZS (PAK 10) binnen de inrichting. De rapportage dient onder andere informatie te verschaffen over:

    • de mate waarin ZZS (PAK 10) vanuit de inrichting worden geloosd;

    • ondernomen acties en resultaten in de voorgaande periode van 5 jaar;

    • de mogelijkheden om de emissie van ZZS (PAK 10) te voorkomen dan wel te beperken;

    • de wereldwijde ontwikkeling van nieuwere technieken.

  • 2.1.6

    De rapportage dient ter beoordeling te overgelegd aan het bevoegd gezag (FUMO).

1. Procedurele aspecten

1.1. Gegevens vergunninghouder

Voor de inrichting op het adres Westkern 7 in Kootstertille zijn de omgevingsvergunningen van 13 juli 2009 met kenmerk 00837722 en 7 april 2011 met kenmerk 00948585 verleend. Binnen de inrichting is een IPPC-installatie aanwezig, namelijk categorie 5.5: tijdelijke opslag van gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van 50 ton of meer in afwachting van in categorie 5.1, 5.2, 5.4 en 5.6 vermelde behandelingen.

De vergunning van 7 april 2011 met kenmerk 00948585 heeft daarnaast betrekking op een IPPC-installatie die behoort tot categorie 5.1a: verwijdering en/of nuttige toepassing van gevaarlijke afvalstoffen door biologische behandeling. De activiteit vallend onder categorie 5.1a heeft tot op heden niet plaatsgevonden binnen de inrichting.

1.2. Projectbeschrijving

Vanaf 1 januari 2013 geldt een extra actualisatieplicht voor IPPC-installaties (artikel 2.30 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in combinatie met artikel 5.10, lid 1, van het Besluit omgevingsrecht). De plicht houdt in dat binnen vier jaar na publicatie van de BBT-conclusies, voor de hoofdactiviteit van een IPPC-installatie de vergunning, waar nodig, moet zijn geactualiseerd op basis van de nieuwe BBT-conclusie.

Op 17 augustus 2018 heeft de Europese commissie de beste beschikbare technieken (BBT)-conclusies afvalbehandeling gepubliceerd. De BBT-conclusies afvalbehandeling gaan onder andere over de volgende activiteiten uit bijlage 1 van de Richtlijn industriële emissies (RIE):

  • 5.1a: verwijdering en/of nuttige toepassing van gevaarlijke afvalstoffen door biologische behandeling;

  • 5.5: tijdelijke opslag van gevaarlijke afvalstoffen in afwachting van in categorie 5.1, 5.2, 5.4 en 5.6 vermelde behandelingen.

Wij hebben de verleende omgevingsvergunning(en) van Weboma getoetst aan de BBT-conclusies Afvalbehandeling. De toetsing geeft aanleiding tot het aanpassen van bovengenoemde vergunning(en).

1.3. Huidige vergunningsituatie

Voor de inrichting op het adres Westkern 7 in Kootstertille zijn de onderstaande omgevings- vergunningen van kracht:

Soort

Vergunning datum

Kenmerk

Onderwerp

Wet milieubeheer

13 juli 2009*

00837722

Beschikking Wet milieubeheer (revisie of oprichting?)

Wet milieubeheer veranderingsvergunning?

7 april 2011*

00948585

Actualisatie

(ambtshalve wijziging)

19 februari 2020

2019-FUMO-0032777

Actualisatie LAP3,

Goedkeuringsbesluit

4 mei 2021

2020-FUMO-0047304

Goedkeuring A&V-beleid en AO/IC

De hierboven genoemde vergunningen waar een * bij staat, zijn volgens de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Invoeringswet Wabo) gelijkgesteld aan een omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd.

1.4. Vergunningplicht

De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I onderdeel C onder de categorieën 28.1 van het Besluit omgevingsrecht (hierna Bor). Op grond van categorie 28.10 is sprake van een vergunningplichtige activiteit.

Het betreft een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort genoemd in Bijlage I onder categorie 5.1a en categorie 5.5 van de Richtlijn industriële emissies. Om die reden is op grond van artikel 2.1 tweede lid van het Bor sprake van een vergunningplichtige inrichting.

1.5. Bevoegd gezag

Wij zijn bevoegd gezag voor de inrichting. Dit volgt uit artikel 2.4 van de Wabo juncto artikel 3.3 eerste lid van het Bor. De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I-onderdeel C categorie 28.4 van het Bor. Daarnaast is binnen de inrichting een IPPC-installatie zoals genoemd in Bijlage I onder categorie 5.1a en categorie 5.5 van de Richtlijn industriële emissies aanwezig.

1.6. Procedure

De geldende omgevingsvergunningen zijn voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Gelet hierop dient de wijziging te worden voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure.

Van het ontwerp van de vergunning hebben wij kennisgegeven in de Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad en in het Provinciaal blad van Fryslân via https://officielelebekendmakingen.nl. Van 4 juli tot en met 14 augustus 2023 heeft een ontwerp van de vergunning ter inzage gelegen en is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

1.7. Adviezen

In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor, hebben wij het ontwerpbesluit tot ambtshalve wijziging ter advies aan het volgende bestuursorganen gezonden:

  • Burgemeester en wethouders van de gemeente Achtkarspelen;

  • Wetterskip Fryslân.

Op 4 oktober 2022, dus voorafgaand aan ons voorgenomen besluit tot ambtshalve wijziging van de vergunning, hebben wij Wetterskip Fryslân om advies gevraagd. Op 6 december 2022 hebben wij een advies ontvangen waarin zij aangeven dat Weboma de best beschikbare technieken toepast en daarmee voor het onderdeel water voldoet aan de BREF Afvalbehandeling.

Daarnaast vraagt Wetterskip Fryslân wel om voorschriften in de actualisatie van de vergunning op te nemen met betrekking tot een plan van aanpak om de emissie van ZZS te verminderen. Deze voorschriften hebben wij in deze ambtshalve wijziging opgenomen.

Van het college van burgemeester en wethouders van Achtkarspelen hebben wij geen advies ontvangen.

2. Inhoudelijke overwegingen

2.1. Toetsing ambtshalve wijziging omgevingsvergunning

Vanaf 1 januari 2013 geldt een actualisatieplicht voor IPPC-installaties (artikel 5.10 eerste lid van het Bor). De plicht houdt in dat:

  • binnen een termijn van vier jaar na publicatie in het Publicatieblad van de Europese Unie van de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit van een IPPC-installatie de voorschriften van de omgevingsvergunning moeten worden getoetst aan de beste beschikbare technieken (BBT) die staan in deze (nieuwe) BBT-conclusies (en alle overige relevante BBT-documenten);

  • als niet wordt voldaan aan deze BBT's moeten de vergunningvoorschriften worden geactualiseerd en;

  • de betreffende IPPC-installatie binnen de termijn van vier jaar gaat voldoen aan deze geactualiseerde voorschriften.

De actualisatieplicht start dus op het moment dat de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit zijn gepubliceerd. Daarom zal bij IPPC-installaties waarin meerdere activiteiten uit bijlage 1 van de RIE worden uitgeoefend, door het bevoegd gezag bepaald moeten worden welke activiteit voor de betreffende IPPC-installatie zal worden aangemerkt als de hoofdactiviteit.

Binnen deze inrichting vindt een activiteit uit bijlage 1 van de RIE plaats. Daarom is in overleg met de vergunninghouder van de inrichting nagegaan welke BBT-conclusies relevant zijn voor de hoofdactiviteit en welke BBT-conclusies daarmee het startpunt zullen worden van de (verplichte) vergunning actualisatie.

Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofactiviteit en aan andere relevante BBT-conclusies.

Overeenkomstig artikel 2.31, eerste lid van de Wabo, moet en overeenkomstig artikel 2.31. tweede lid van de Wabo, kan het bevoegd gezag voorschriften die aan een omgevingsvergunning zijn verbonden wijzigen. De omstandigheden waaronder dit moet of kan gebeuren zijn eveneens vermeld in dit artikel. In dit geval is er sprake van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.31, eerste lid, onder b.

Artikel 2.31, eerste lid, geeft de omstandigheden aan waaronder het bevoegd gezag verplicht is de voorschriften van de omgevingsvergunning te wijzigen. Onder b wordt aangegeven dat de voorschriften van de vergunning moeten worden aangescherpt als – kort samengevat – de bescherming van het milieu dit noodzakelijk maakt. Of die noodzaak bestaat kan worden afgeleid uit het toetsingskader dat geldt voor het toepassen van de actualiseringsplicht van art. 2.30 van de Wabo, dat is opgenomen in art. 5.10 derde lid van het Bor. Op grond van artikel 2.31, tweede lid, heeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om een vergunning aan te passen. Deze mogelijkheid bestaat voor zover dit in het belang van de bescherming van het milieu is.

Artikel 2.31a, eerste lid van de Wabo geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om, ter bescherming van het milieu, andere technieken voor te schrijven dan in de aanvraag zijn opgenomen en daarmee de grondslag van de aanvraag te verlaten. Op grond van artikel 2.31a, tweede lid is de vergunninghouder verplicht desgevraagd gegevens aan het bevoegd gezag te overleggen die nodig zijn voor de beoordeling of alle relevante BBT-maatregelen worden toegepast.

2.2. Beste beschikbare technieken

In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende BBT worden toegepast.

Bij het opstellen van de omgevingsvergunning milieu moet rekening worden gehouden met de BBT-conclusies. De Europese Commissie stelt de BBT-conclusies op en maakt deze bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

BBT-conclusies is een document met de conclusies over beste beschikbare technieken, vastgesteld overeenkomstig artikel 13 lid 5 en 7 van de Richtlijn industriële emissies (Rie).

De Europese Commissie heeft de Beste beschikbare technieken (BBT)-conclusies Afvalbehandeling gepubliceerd op 17 augustus 2018 in het Publicatieblad van de Europese Unie.

De BBT-conclusies Afvalbehandeling gaan over activiteiten uit bijlage I van de Richtlijn industriële emissies 2010/75/EU (RIE):

  • 5.1: verwijdering of nuttige toepassing van gevaarlijke afvalstoffen;

  • 5.3 a en b: verwijdering en/of nuttige toepassing van ongevaarlijke afvalstoffen;

  • 5.5: tijdelijke opslag van gevaarlijke afvalstoffen;

  • 6.11: zelfstandige afvalwaterzuiveringsinstallatie. Wel moet het belangrijkste deel van het afvalwater van een installatie waarin een activiteit uit IPPC-categorie 5.1, 5.3 of 5.5 wordt uitgevoerd.

Deze BBT conclusies gaan niet over IPPC-categorie 5.2 afvalverbranding of 5.4 stortplaatsen.

In het kader van de onder hoofdstuk 2.1 “Toetsing ambtshalve wijziging omgevingsvergunning” genoemde actualisatieplicht hebben wij getoetst of de voorschriften van de vigerende omgevingsvergunning(en) voldoen aan de beste beschikbare technieken (BBT) die staan in deze nieuwe BBT-conclusies.

2.3. Concrete bepaling best beschikbare technieken

Binnen de inrichting worden één of meer van de activiteiten uit bijlage 1 van de Rie uitgevoerd en wel de volgende: categorie 5.5. Daarnaast heeft de vergunning van 7 april 2011 betrekking op een IPPC-installatie behorend tot categorie 5.1a. Deze activiteit vindt echter tot op heden niet plaats.

Om te bepalen of en in hoeverre aan de BBT-conclusies Afvalbehandeling wordt voldaan, hebben we inrichtinghouder op 2 november 2021 schriftelijk verzocht gegevens aan te leveren waarin aangegeven wordt hoe de inrichting voldoet aan de nieuwe BBT-conclusies Afvalbehandeling. Op 23 november 2021 hebben wij een document BBT-conclusies ontvangen (Rapport IPPC-toets BREF Afvalbehandeling Weboma Kootstertille, Westkern 7, 9288 CA Kootstertille d.d. 23 november 2021). Na beoordeling van deze BBT-tool en de omgevingsvergunningen is gebleken dat de omgevingsvergunningen niet geheel voldoen aan de BBT-conclusies Afvalbehandeling 2018.

Wij hebben de informatie getoetst aan uw omgevingsvergunningen van 13 juli 2009 met kenmerk 00837722 en 7 april 2011 met kenmerk 00948585 en aan de BBT conclusies Afvalbehandeling en zijn tot de conclusie gekomen dat de door u overlegde gegevens aanleiding geven om uw omgevingsvergunning ambtshalve te actualiseren.

Bij het bepalen van de BBT hebben we rekening gehouden met de van toepassing zijnde BBT-conclusies versie 17 augustus 2018. Hierbij is gebleken dat uw vergunning nog niet actueel is met betrekking tot de aanwezigheid van een Milieubeheersysteem.

2.4. Milieubeheersysteem

Bij bedrijven met een IPPC-installatie waarop de BBT-conclusies afvalbehandeling van toepassing is, moet een milieubeheersysteem (MBS) worden ingevoerd. In BBT 1 staat dat het bedrijf een MBS moet invoeren en welke elementen in het MBS moeten zijn opgenomen. In dit geval gaat het om een complexe inrichting met een grote diversiteit aan afvalstoffen die geaccepteerd, opgeslagen en bewerkt worden. Daarom zal een gedetailleerd MBS opgezet moeten worden met de onderdelen die zijn aangegeven in BBT 1.

De concrete invulling en het detailniveau van het MBS is afhankelijk van de specifieke situatie (bv. aard, omvang en complexiteit van het bedrijf en alle mogelijke milieueffecten ervan dat mede wordt bepaald door de soort en hoeveelheid verwerkt afval) en dient op bedrijfsniveau bepaald te worden. Het opstellen en toepassen van een milieuzorgsysteem vergt inspanningen en tijd maar door het toepassen van een MBS kan de milieu-impact algemeen beperkt worden.

Om het bovenstaande te borgen, hebben wij voorschriften verbonden aan uw vergunning van 13 juli 2009 met kenmerk 00837722 en 7 april 2011 met kenmerk 00948585 waarin het opstellen, de invoering en de naleving van een milieubeheersysteem met de verschillende onderdelen, genoemd in BBT 1, voorgeschreven wordt.

2.5. Afvalwater

Bij Weboma zijn afvalstoffen vergund die mogelijk ZZS kunnen bevatten. Het gaat dan met name om teerhoudend asfalt, slakken en verontreinigde grond. ZZS zijn stoffen die zijn geclassificeerd als de meest gevaarlijke stoffen voor mens en milieu die met voorrang aangepakt moeten worden.

Bij opslag van ZZS-houdend afval kan bij neerslag ZZS uitlogen en via de bedrijfsriolering met het afvalwater geloosd worden op de gemeentelijke riolering.

Het streven is om ZZS uit de leefomgeving te weren. Het landelijk waterkwaliteitsbeleid is er op gericht om ZZS met een combinatie van bronaanpak, minimalisatie van de restlozing en continu verbetering aan te pakken. Overeenkomstig het landelijk beleid voor de aanpak ZZS moet een lozer verplicht iedere vijf jaar rapporteren over de getroffen maatregelen om de emissies van ZZS te verminderen en de technieken die op de markt beschikbaar zijn gekomen om verdere invulling aan de minimalisatieplicht te geven.

In de op de IPPC installatie van toepassing zijnde BBT-conclusies afvalbehandeling, augustus 2018, is de volgende BBT opgenomen:

BBT 3. De BBT om de vermindering van emissies naar water en lucht te bevorderen, is het opstellen en actueel houden van een inventaris van afvalwaterstromen, als onderdeel van het milieubeheersysteem waarin alle volgende elementen zijn opgenomen:

  • a.

    informatie over de eigenschappen van het te behandelen afval en de afvalverwerkingsprocessen, met inbegrip van:

    • i.

      vereenvoudigde processtroomdiagrammen waaruit de herkomst van de emissies blijkt;

    • ii.

      beschrijvingen van procesgeïntegreerde technieken en afvalwaterbehandeling bij de bron, inclusief de prestaties ervan;

  • b.

    informatie over de kenmerken van de afvalwaterstromen, zoals:

    • i.

      gemiddelde waarden en variabiliteit van debiet, pH, temperatuur en geleidbaarheid;

    • ii.

      gemiddelde concentratie en belastingwaarden van de relevante stoffen en hun variabiliteit.

BBT 19e: Afhankelijk van de met het afval verbonden risico's op bodem- en/of waterverontreiniging, wordt het opgeslagen en behandeld in overdekte ruimten om contact met regenwater te voorkomen en zo de hoeveelheid verontreinigd afstromend water tot een minimum te beperken.

Het is onduidelijk of in voldoende mate wordt voldaan aan doelstelling om de lozing van afvalwater afkomstig van de opslag van teerhoudend asfalt, en daarmee de emissie van ZZS, te voorkomen dan wel (sterk) te beperken. Daarom is, in aansluiting op BBT 3 en 19e van de BBT-conclusies afvalverwerking, in de voorschriften een verplichting opgenomen tot het uitvoeren van een onderzoek naar de omvang van de lozing van ZZS met een hieruit voortvloeiend uitvoeringsplan om redelijkerwijs de emissie van ZZS te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken.

2.6. Conclusie

De inrichting voldoet door de ambtshalve aanpassing van deze omgevingsvergunning voor wat betreft de omgevingsvergunning - met inachtneming van de aan dit besluit gehechte voorschriften - aan BBT.

Wij zijn van oordeel dat de ingediende gegevens voldoende informatie bevatten voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. Het toetsdocument waarin staat hoe invulling is gegeven aan de BBT, laten wij daarom onderdeel uit maken van de vergunningen van 13 juli 2009 met kenmerk 00837722 en 7 april 2011 met kenmerk 00948585.

Bijlage 1: Milieubeheersysteem (MBS) Afvalbedrijven 

  • I.

    Inleiding

    Op grond van maatregel BBT1 maatregel zoals opgenomen in de BREF/BBT-conclusies Afvalbehandeling dient ter verbetering van de algehele milieuprestaties en de controle daarop een milieubeheersysteem (MBS) te worden ingevoerd. Dit document is bedoeld ter ondersteuning voor het opstellen van een MBS. De concrete invulling en het detailniveau van het MBS is afhankelijk van de specifieke situatie (bv. Aard, omvang en complexiteit van het bedrijf en alle mogelijke milieueffecten ervan) en dient op bedrijfsniveau bepaald te worden. Zo zal een milieuzorgsysteem van een klein bedrijf minder uitgebreid zijn dan dat van een groot bedrijf. Het opstellen en toepassen van een milieuzorgsysteem vergt inspanningen en tijd maar door het toepassen van een milieuzorgsysteem kan de milieu-impact algemeen beperkt worden.

  • II.

    Beschrijving bedrijf

Invullen:

  • 1.

    Beschrijving van het bedrijf

    • a)

      Naw gegevens.

    • b)

      De IPPC categorie(ën).

  • III.

    Het milieubeleid en naleven van toepassing zijnde milieuregelgeving (BBT1) :

Invullen met aandacht voor:

  • a)

    Op welke wijze is het management betrokken bij het milieubeleid.

  • b)

    Definiëren wat het milieubeleid is van het bedrijf.

  • c)

    Hoe is het milieubeleid uitgewerkt door het management en waaruit blijkt dat er sprake is van continue verbetering van de milieuprestaties.

  • IV.

    Een kwaliteitssysteem toepassen. Noodzakelijke procedures opstellen en implementeren (BBT1):

Invullen met aandacht voor:

  • 1.

    Structuren van taken en verantwoordelijkheden:

    • a)

      Implementeren en uitvoeren van de procedures met bijzondere aandacht voor;

      • bedrijfsorganisatie en verantwoordelijkheid;

      • aanwerving, opleiding, bewustmaking en bekwaamheid;

      • communicatie;

      • betrokkenheid van de werknemers;

      • documentatie (bijhouden van gegevens, registraties);

      • efficiënte procescontrole;

      • onderhoudsprogramma's;

      • monitoring;

      • waarborgen van de naleving van de milieuwetgeving;

      • Interne audits (planning en wijze van uitvoeren).

    • b)

      Taken en verantwoordelijkheden: Wie is waar verantwoordelijk voor. Denk hierbij aan voorschriften uit de vergunning, onderhoudstermijnen maar ook het bijhouden van nieuwe wet- en regelgeving en het informeren van personeel hierover en het volgen van de ontwikkelingen op het vlak van schonere technologieën.

    • c)

      Wie controleert of taken door verantwoordelijke zijn uitgevoerd en eventueel opstellen corrigerende maatregelen.

    • d)

      Opstellen onderhouds- en inspectieprogramma’s.

    • e)

      Op welke wijze wordt bijgehouden/geregistreerd dat de dagelijkse, wekelijkse, maandelijkse, jaarlijkse taken en verplichtingen (uit de vergunning) zijn uitgevoerd waaronder ook de jaarlijkse elektronische verslaglegging E-PRTR.

    • f)

      Vastleggen dat het kwaliteitssysteem regelmatig wordt beoordeeld door de directie.

  • V.

    Borging en monitoring milieuaspecten

Invullen met aandacht voor:

  • 1.

    Afval* (BBT 2)

    • a)

      Opstelling en invoering van procedures voor de karakterisering en preacceptatie van afval.

    • b)

      Informatie over de eigenschappen van het te behandelen afval en de afvalverwerkingsprocessen.

    • c)

      Opstelling en invoering van procedures voor de acceptatie van afval.

    • d)

      Opstelling en invoering van een traceersysteem en inventarisatie voor afval.

    • e)

      Opstelling en invoering van een kwaliteitsbeheersysteem voor de output.

    • f)

      Waarborgen van afvalscheiding.

    • g)

      Het opstellen en uitvoeren van hanterings- en overbrengingsprocedures (BBT5).

    • h)

      Inventaris in- en uitgaande stromen/Afvalinput monitoren (BBT 11 en 52)

* Er kan ook verwezen worden naar het van toepassing zijnde Acceptatie- en verwerkingsbeleid en administratieve organisatie en interne controle oftewel het A&V-beleid en AOIC. De onderdelen die niet beschreven worden in het A&V-beleid en AOIC dienen in het milieubeheerssysteem te worden beschreven.

  • 2.

    Afvalwater (BBT 3, 6, 7, 11, 19 en 20)

    Om vermindering van emissies naar water te bevorderen, is het opstellen en actueel houden van een inventaris van afvalwater, als onderdeel van het milieubeheersysteem, noodzakelijk en dienen de volgende elementen te zijn opgenomen:

    • a)

      Opstelling en invoering van procedures aangaande het afvalwater;

    • b)

      Informatie over de kenmerken van de afvalwaterstromen, zoals:

      • gemiddelde waarden en variabiliteit van debiet, pH, temperatuur en geleidbaarheid.

      • gemiddelde concentratie en belastingwaarden van de relevante stoffen en hun variabiliteit (bv. CZV/TOC, stikstofverbindingen, fosfor, metalen, prioritaire stoffen/microverontreinigingen waaronder ook ZZS);

      • gegevens over biologische verwijderbaarheid (bv. BZV, BZV/CZV-ratio, Zahn-Wellenstest, potentieel tot biologische inhibitie (bv. inhibitie van actief slib);

    • c)

      Monitoring;

    • d)

      Onderhoudsschema inspectie/controle data metingen (wettelijk dan wel op basis van verleende vergunningen).

  • 3.

    Bodem inclusief bodem beschermende voorzieningen (BBT 19).

    • a)

      Onderhoudsschema inspectie/controle data metingen bodem en bodem beschermende voorzieningen (wettelijk dan wel op basis van verleende vergunningen).

    • b

      Registratie van uitgevoerde metingen/controles/inspecties.

  • 4.

    Energie (BBT 11 en 23)

    • a)

      opstellen van een energiebeleidsverklaring door het management:

      • onderschrijving van het engagement van het management van de vestiging dat de onderneming werkt aan een optimale(re) energie-efficiëntie;

      • creëert het noodzakelijk draagvlak voor de implementatie van de energiebeheermaatregelen.

    • b)

      aanstellen van een energiecoördinator:

      • wordt aangesteld door het management;

      • coördineert het te volgen energiebeleid binnen de onderneming en ziet toe op een verantwoord (duurzaamheid) beleid bij nieuwbouw, aanpassing bestaande gebouwen, vervanging en aanpassing van installaties en vervoermiddelen;

      • is verantwoordelijk voor de communicatie (in beide richtingen) rond het energiebeleid en de daaruit voortvloeiende activiteiten.

    • c)

      Energieverbruik monitoren en registreren.

  • 5.

    Geluid (BBT 17)

    • a)

      Beheerplan geluid- en trillingen.

  • 6.

    Geur (BBT 8, 10 en 12)

    • a)

      Monitoring;

    • b)

      Geurbeheerplan.

  • 7.

    Lucht (BBT 8 en 27 )

    • a)

      Informatie over de kenmerken van de afgassen waaronder ook ZZS;

    • b)

      Registratie van uitgevoerde metingen/controles/inspecties;

    • c)

      Monitoring;

    • d)

      Beheerplan voor deflagratie (bij shredders).

  • 8.

    Opslag (BBT 4)

    • a)

      Geoptimaliseerde opslag.

    • b)

      Adequate opslag capaciteit.

    • c)

      Veilige opslag.

  • VI.

    Informatieverstrekking en training/coaching met het oog op bewustzijn en betrokkenheid van de werknemers BBT 1):

Invullen met aandacht voor:

  • 1.

    Communicatie en training zijn belangrijk om medewerkers te sensibiliseren:

    • a)

      Interne communicatie.

      • i.

        management/energiecoördinator: informatie verspreiden (aanpak, doelstellingen, enz.) en maar ook terugkoppeling van resultaten (bv. aantal Euro’s bespaard);

      • ii.

        werknemers: verzamelen van ideeën, voorstellen en eventuele vragen op het gebied van opleidingen.

    • b)

      externe communicatie:

      • iii.

        ketenefficiëntie verbeteren; samen met leveranciers en klanten zoeken naar energetische verbeteringen (ook op vlak van transport en logistiek);

      • iv.

        regelmatige en gepaste communicatie naar de omgeving van de onderneming over behaalde resultaten op gebied van bv. energiereducties en maatregelen ter verbetering van de leefomgeving.

    • c)

      De aandacht die gegeven wordt aan opleiding en training.

    • d)

      Onderwerpen die tijdens de trainingen aan bod kunnen komen zoals:

      • mogelijke problemen die zich voordoen tijdens de normale bedrijfsprocessen;

      • mogelijke problemen die zich voordoen in niet-routine situaties;

      • risicoanalyse van bedrijfsprocessen.

BIJLAGE 2 - BEGRIPPEN 

Beste beschikbare technieken (BBT):

Voor het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu meest doeltreffende

technieken om de emissies en andere nadelige gevolgen voor het milieu, die een inrichting kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken, die - kosten en baten in aanmerking genomen - economisch en technisch haalbaar in de bedrijfstak waartoe de inrichting behoort, kunnen worden toegepast, en die voor degene die de inrichting drijft, redelijkerwijs in Nederland of daarbuiten te verkrijgen zijn; daarbij wordt onder technieken mede begrepen het ontwerp van de inrichting, de wijze waarop zij wordt gebouwd en onderhouden, alsmede de wijze van bedrijfsvoering en de wijze waarop de inrichting buiten gebruik wordt gesteld.

Bor:

Besluit omgevingsrecht

PAK 10:

naftaleen (91-20-3), antraceen (120-12-7), fenantreen (85-01-8), fluorantheen (206-44-0), benzo(a)antraceen (56-55-3), chryseen (218-01-9), benzo(a)pyreen (50-32-8), benzo(k)fluorantheen (207-08-9), benzo(ghi)peryleen (191-24-2), indeno(1,2,3-cd)pyreen (193-39-5).

Naar boven