Ambtshalve wijziging omgevingsvergunning Spelt Afvalinzameling Heerenveen BV, Denemarkendreef 5 te Heerenveen

Onderwerp

Op 19 januari 2010 (kenmerk 00870080) is aan Anton van Dijk Recycling B.V. een revisievergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verleend voor de inrichting aan de Denemarkendreef 5 te Heerenveen. Daarna zijn nog diverse vergunningen verleend dan wel hebben er ambtshalve wijzigingen plaatsgevonden. In 2019 heeft Anton van Dijk Recycling B.V. gemeld dat de naam van de inrichting is gewijzigd in Spelt Afvalinzameling Heerenveen B.V.

Wij besluiten de omgevingsvergunning van 19 januari 2010 ambtshalve te wijzigen.

Binnen de inrichting is een IPPC-installatie aanwezig, namelijk een installatie als bedoeld in categorie 5.5 van de Richtlijn industriële emissies: tijdelijke opslag van gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van 50 ton of meer in afwachting van in categorie 5.1, 5.2, 5.4 en 5.6 vermelde behandelingen. Sinds 1 januari 2013 geldt een extra actualisatieplicht voor IPPC-installaties (artikel 2.30 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in combinatie met artikel 5.10, lid 1 van het Besluit omgevingsrecht). De plicht houdt in dat binnen vier jaar na publicatie van de beste beschikbare technieken (BBT)-conclusies moet worden getoetst of de vergunning nog voldoet aan de BBT-conclusies. Indien de voorschriften niet voldoen, moet de vergunning binnen de termijn van vier jaar zijn geactualiseerd.

De BBT-conclusies Afvalbehandeling zijn op 17 augustus 2018 gepubliceerd. Wij hebben de vergunning van 19 januari 2010 beoordeeld en zijn van oordeel dat de omgevingsvergunning niet geheel voldoet aan de BBT-conclusies Afvalbehandeling. Wij passen daarom met dit besluit de omgevingsvergunning van 19 januari 2010 ambtshalve aan door er voorschriften aan toe te voegen.

Besluit

Wij besluiten, gelet op artikel 2.31, eerste lid, onder b, van de Wabo:

  • de omgevingsvergunning d.d. 19 januari 2010 van Spelt Afvalinzameling Heerenveen B.V., aan de Denemarkendreef 5 te Heerenveen, kenmerk 00870080, ambtshalve te wijzigen door bijgevoegde voorschriften aan deze omgevingsvergunning te verbinden;

  • dat de ingevulde ippc-tool-aanvraag-omgevingsvergunning_FUMO per e-mail ontvangen op 18 november 2021 met naam 2021-FUMO-0057233 ippc tool, onderdeel uitmaakt van de vergunning van 19 januari 2010 (kenmerk 00870080) . Voor zover de aan de vergunning verbonden IPPC-tool niet in overeenstemming is met de gestelde voorschriften, zijn de voorschriften bepalend.

Ondertekening en verzending

Namens het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân,

S.G.C. Boender

Afdelingshoofd Vergunningverlening en Specialistisch Advies

Afschrift aan:

Gemeente Heerenveen

Postbus 15000

8440 GA Heerenveen

Wetterskip Fryslân

Postbus 36

8900 AA Leeuwarden

Rechtsmiddelen en inwerkingtreding

Bekendmaking en rechtsbeschermingsmiddelen 

Bekendmaking, inwerkingtreding en rechtsbeschermingsmiddelen (definitieve) beschikking

Deze beschikking wordt bekendgemaakt door toezending aan de aanvrager. Daarnaast wordt een kennisgeving gegeven door publicatie in de Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad en in het Provinciaal blad van Fryslân via www.officielebekendmakingen.nl. De beschikking treedt in werking 6 weken na bekendmaking van het definitief besluit.

De aanvraag en de beschikking met de daarbij behorende stukken worden op grond van de Algemene wet bestuursrecht met ingang van 15 mei 2023 ter inzage gelegd. Inzage is mogelijk bij de gemeente, provincie Fryslân en bij de FUMO.

Een dag nadat de beschikking ter inzage is gelegd, start de termijn van zes weken voor het indienen van een beroepschrift. In die periode kunnen zowel u als belanghebbenden beroep aantekenen tegen deze beschikking. Ook niet-belanghebbenden kunnen beroep aantekenen indien zij een zienswijze hebben ingediend.

Het beroepschrift moet in tweevoud ingediend worden bij Rechtbank Noord-Nederland, Postbus 781, 9700 AT Groningen.

Het indienen van een beroepschrift stelt de werking van de beschikking niet uit. Als u of belanghebbenden niet willen dat deze beschikking in werking treedt na afloop van de beroepstermijn, kan tijdens die termijn om een voorlopige voorziening worden verzocht. Dit verzoek kan worden gedaan bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord Nederland, Postbus 781 9700 AT Groningen. De beschikking treedt in dat geval niet in werking voordat over dit verzoek is beslist.

Voorschriften ambtshalve wijziging omgevingsvergunning activiteit milieu

  • 1.

    Algemene voorschriften

  • 1.5

    Milieubeheersysteem

  • 1.5.1

    Binnen 3 maanden na de inwerkingtreding van deze vergunning, moet vergunninghouder een milieubeheersysteem ter goedkeuring aan ons hebben overgelegd.

  • 1.5.2

    Het milieubeheersysteem bevat naast de elementen zoals genoemd in bijlage 1 van deze vergunning, tenminste en voor zover van toepassing, de volgende onderdelen:

Beleid

  • a.

    de milieustrategie;

  • b.

    het milieuplan;

Bedrijfsprocessen

  • c.

    procedures in het kader van het acceptatie- en verwerkingsbeleid (A&V-beleid) en het systeem voor administratieve organisaties en interne controle (AO/IC);

  • d.

    procedures voor het doorvoeren van wijzigingen in processen;

  • e.

    procedures voor het evalueren van het managementsysteem;

  • f.

    procedures voor het monitoren milieuaspecten afvalwater en luchtemissies;

  • g.

    procedures voor het wijzigen van installaties;

  • h.

    procedures voor onderhoud en keuringen op basis van de verleende omgevingsvergunning(en).

Per procedure

  • i.

    taken en verantwoordelijkheden/bevoegdheden;

  • j.

    werkinstructies.

  • 1.5.3

    Het in voorschrift 1.5.1 bedoelde verzoek om goedkeuring moet schriftelijk worden gericht aan de FUMO, Postbus 3347, 8901 DH LEEUWARDEN of info@fumo.nl.

  • 1.5.4

    Binnen 3 maanden na ons besluit naar aanleiding van de goedkeuring als bedoeld in voorschrift 1.5.1. moet vergunninghouder het goedgekeurde milieubeheersysteem hebben geïmplementeerd.

  • 5.

    AFVALWATER

  • 5.2

    ZZS

  • 5.2.1

    Na elke periode van vijf jaar (ingaande op de dag van het in werking treden van deze vergunning) moet inzicht worden gegeven in de verdergaande emissiereductie van ZZS binnen de inrichting. De rapportage dient onder andere informatie te verschaffen over:

    • a.

      de mate waarin ZZS vanuit de inrichting worden geloosd;

    • b.

      ondernomen acties en resultaten in de voorgaande periode van 5 jaar;

    • c.

      de mogelijkheden om de emissie van ZZS te voorkomen dan wel te beperken;

    • d.

      de wereldwijde ontwikkeling van nieuwere technieken.

  • 5.2.2

    De rapportage-opzet dient ter goedkeuring te worden overgelegd aan het bevoegd gezag.

  • 5.2.3

    Het in voorschrift 5.2.2. bedoelde verzoek om goedkeuring moet schriftelijk worden gericht aan de FUMO, Postbus 3347, 8901 DH LEEUWARDEN of info@fumo.nl.

1. Procedurele OVERWEGINGEN

1.1. Projectbeschrijving

Spelt Afvalinzameling Heerenveen B.V. op de locatie Denemarkendreef 5 te Heerenveen heeft een vergunning van 19 januari 2010 voor het in werking hebben van een inrichting voor:

  • de op- en overslag en sorteren van bouw- en sloopafval, bedrijfsafval, stedelijk afval en afval van andere afvalverwerkingsinrichtingen zoals papier, karton, kunststoffen en glas;

  • het breken en zeven van steenachtige materialen;

  • overige activiteiten, zijnde stalling van materieel en materiaal, tanken van eigen materieel en werkplaats.

De activiteit tijdelijke opslag van gevaarlijke afvalstoffen wordt genoemd in bijlage 1 van de Richtlijn Industriele Emissies (RIE) en wel in categorie 5.5. Voorwaarde hierbij is dat de opslag van gevaarlijke stoffen in afwachting is van een behandeling die valt onder categorie 5.1, 5.2b, 5.4 of 5.6 van de RIE.

Spelt Afvalinzameling Heerenveen B.V. heeft een IPPC-installatie die valt onder categorie 5.5 van de RIE.

Wij hebben de omgevingsvergunning van 19 januari 2010 getoetst aan:

  • de RIE en de daarbij behorende BBT-conclusies;

  • de BBT-conclusies Afvalbehandeling versie 17 augustus 2018.

Deze toetsing geeft aanleiding tot het aanpassen van de vergunning van 19 januari 2010.

1.2. Huidige vergunningsituatie

Voor de inrichting zijn de onderstaande omgevingsvergunningen verleend:

Soort

Datum

Kenmerk

Onderwerp

Wet milieubeheer*

19 januari 2010

00870080

Revisievergunning inrichting

Ambtshalve aanpassing van de vergunning van 19 januari 2010

21 oktober 2013

01077512

Wijzigen enkele voorschriften en definities

Ambtshalve aanpassing van de vergunning van 19 januari 2010

21 november 2019

2019-FUMO-0032765

Actualisatie LAP3

Ambtshalve aanpassing van de vergunning van 19 januari 2010

2 maart 2021

2020-FUMO-0041150

Energie actualisatie

Milieuneutraal veranderen van de inrichting

2 november 2022

2022-FUMO-0065142

Opslag van AdBlue

*Volgens de Invoeringswet Wabo gelijkgesteld aan een omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd.

1.3. Vergunningplicht

De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I, onderdeel C van het Bor. De volgende categorieën zijn van toepassing:

Categorie

Omschrijving

  • 28.4 onder a en b

Opslaan van afvalstoffen

  • 28.10

Opslaan van (gevaarlijke) afvalstoffen

De activiteiten vallen niet onder de uitzonderingen genoemd onder 28.10 van bijlage 1 onderdeel c van het Bor. Om die reden is op grond van artikel 2.1, tweede lid van het Bor eveneens sprake van een vergunningplichtige inrichting.

1.4. Bevoegd gezag

Wij zijn bevoegd gezag voor de inrichting. Dit volgt uit artikel 2.4, tweede lid van de Wabo juncto artikel 3.3, eerste lid van het Bor, op grond van de activiteiten van de inrichting, genoemd in Bijlage I onderdeel C, categorie 28.4, onder a, 5° en 6° van het Bor en omdat het een inrichting betreft waartoe een IPPC-installatie behoort als genoemd in Bijlage I, categorie 5.5 van de Richtlijn industriële emissies (Rie).

1.5. Procedure

De omgevingsvergunning van 19 januari 2010 is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Gelet hierop dient de ambtshalve wijziging eveneens worden voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure.

1.6. Adviezen

In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor, hebben wij ons voornemen tot ambtshalve wijziging ter advies aan de volgende instanties/bestuursorganen gezonden:

  • de gemeente Heerenveen;

  • Wetterskip Fryslân.

De gemeente Heerenveen heeft geen aanleiding gezien om advies uit te brengen. Op 2 februari 2023 hebben wij een advies ontvangen van het Wetterskip Fryslân met kenmerk WF-176862. Het Wetterskip beoordeelt in haar advies de lozingen en of deze voldoen aan de BREF Afvalbehandeling en adviseert voorschriften op te nemen voor Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS). Wij behandelen het ontvangen advies in hoofdstuk 2.5 “Afvalwater”.

1.7 Zienswijzen op de ontwerpbeschikking

Van het ontwerp van de beschikking hebben wij kennis gegeven in de Leeuwarder Courant en het Friesch Dagblad van 25 februari 2023 en in het Provinciaal blad van Fryslan via https://officielebekendmakingen.nl.

Tussen 27 februari 2023 en 10 april 2023 heeft het ontwerp ter inzage gelegen en is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Ten opzichte van de ontwerpvergunning zijn geen wijzigingen aangebracht.

2. Inhoudelijke overwegingen Milieu

2.1. Toetsing ambtshalve wijziging omgevingsvergunning

Sinds 1 januari 2013 geldt een actualisatieplicht voor IPPC-installaties (artikel 5.10, eerste lid van het Bor). De plicht houdt in dat:

  • binnen een termijn van vier jaar na publicatie in het Publicatieblad van de Europese Unie van de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit van een IPPC-installatie de voorschriften van de omgevingsvergunning moeten worden getoetst aan de beste beschikbare technieken (BBT) die staan in deze (nieuwe) BBT-conclusies (en alle overige relevante BBT-documenten);

  • als niet wordt voldaan aan deze BBT's moeten de vergunningvoorschriften worden geactualiseerd en;

  • de betreffende IPPC-installatie binnen de termijn van vier jaar gaat voldoen aan deze geactualiseerde voorschriften.

De actualisatieplicht start dus op het moment dat de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit zijn gepubliceerd. Daarom zal bij IPPC-installaties waarin meerdere activiteiten uit bijlage 1 van de RIE worden uitgeoefend, bepaald moet worden welke activiteit voor de betreffende IPPC-installatie zal worden aangemerkt als de hoofdactiviteit.

Binnen deze inrichting vinden meerdere activiteiten uit bijlage 1 van de RIE plaats. Daarom is in overleg met de vergunninghouder van de inrichting nagegaan welke BBT-conclusies relevant zijn voor de hoofdactiviteit en welke BBT-conclusies daarmee het startpunt zullen worden van de (verplichte) actualisatie van de vergunning. Dit betekent dat na publicatie van deze BBT-conclusies in het publicatieblad van de Europese Unie de actualisatieplicht zal beginnen.

Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofactiviteit en aan andere relevante BBT-conclusies.

Sinds 1 januari 2018 geldt een actualisatieplicht voor afvalverwerkende bedrijven (artikel 5.10, tweede lid van het Bor). De plicht houdt in dat binnen één jaar na inwerkingtreding van het afvalbeheerplan de vergunningen getoetst moeten worden aan de minimale hoogwaardigheid van verwerking van afzonderlijke afvalstoffen of categorieën afvalstoffen zoals beschreven in het afvalbeheerplan. Als niet wordt voldaan aan het afvalbeheerplan moeten de vergunningvoorschriften worden geactualiseerd.

Overeenkomstig artikel 2.31, eerste lid van de Wabo, moet en overeenkomstig artikel 2.31, tweede lid van de Wabo, kan het bevoegd gezag voorschriften die aan een omgevingsvergunning zijn verbonden, wijzigen. De omstandigheden waaronder dit moet of kan gebeuren zijn eveneens vermeld in dit artikel. In dit geval is er sprake van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.31, eerste lid, onder b.

Artikel 2.31, eerste lid, geeft de omstandigheden aan waaronder het bevoegd gezag verplicht is de voorschriften van de omgevingsvergunning te wijzigen. Onder b wordt aangegeven dat de voorschriften van de vergunning moeten worden aangescherpt als – kort samengevat – de bescherming van het milieu dit noodzakelijk maakt. Of die noodzaak bestaat, kan worden afgeleid uit het toetsingskader dat geldt voor het toepassen van de actualiseringsplicht van artikel 2.30 van de Wabo, dat is opgenomen in artikel 5.10 derde lid van het Bor. Op grond van artikel 2.31, tweede lid, heeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om een vergunning aan te passen. Deze mogelijkheid bestaat voor zover dit in het belang van de bescherming van het milieu is.

Artikel 2.31a, eerste lid van de Wabo geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om, ter bescherming van het milieu, andere technieken voor te schrijven dan in de aanvraag zijn opgenomen en daarmee de grondslag van de aanvraag te verlaten. Op grond van artikel 2.31a, tweede lid is de vergunninghouder verplicht desgevraagd gegevens aan het bevoegd gezag over te leggen die nodig zijn voor de beoordeling of alle relevante BBT-maatregelen worden toegepast.

2.2. Beste beschikbare technieken

In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast.

Bij het opstellen van de omgevingsvergunning milieu moet rekening worden gehouden met de BBT-conclusies. De Europese Commissie stelt de BBT-conclusies op en maakt deze bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

BBT-conclusies is een document met de conclusies over beste beschikbare technieken, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, lid 5 en 7 van de RIE.

Op 17 augustus 2018 heeft de Europese Commissie de BBT-conclusies Afvalbehandeling gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie.

De BBT-conclusies Afvalbehandeling gaan over activiteiten uit bijlage I van de Richtlijn industriële emissies 2010/75/EU (RIE):

  • 5.1: verwijdering of nuttige toepassing van gevaarlijke afvalstoffen;

  • 5.3 a en b: verwijdering en/of nuttige toepassing van ongevaarlijke afvalstoffen;

  • 5.5: tijdelijke opslag van gevaarlijke afvalstoffen;

  • 6.11: zelfstandige afvalwaterzuiveringsinstallatie.

Deze BBT-conclusies gaan niet over IPPC-categorie 5.2 afvalverbranding of 5.4 stortplaatsen. 

In het kader van de onder hoofdstuk 2.1 “Toetsing ambtshalve wijziging omgevingsvergunning” genoemde actualisatieplicht, hebben wij getoetst of de voorschriften van de vigerende omgevingsvergunning(en) voldoen aan de beste beschikbare technieken (BBT) die staan in deze nieuwe BBT-conclusies.

2.3. Concrete bepaling best beschikbare technieken

Binnen de inrichting worden één of meer van de activiteiten uit bijlage 1 van de Rie uitgevoerd en wel de volgende: categorie 5.5.

Om te bepalen of en in hoeverre aan de BBT-conclusies van de BREF Afvalbehandeling wordt voldaan, hebben we op 2 november 2021 schriftelijk verzocht gegevens aan te leveren waarin aangegeven wordt hoe u voldoet aan de nieuwe BREF Afvalbehandeling. Op 7 juli 2022 hebben wij een document BBT-conclusies ontvangen (Rapport TAP/BBT-toets/2022v02, Pietersma omgevingsadviseur d.d. 13 juli 2022).

Wij hebben de informatie getoetst aan uw vergunning van 19 januari 2010 en aan de BBT-conclusies Bref Afvalbehandeling. Wij zijn tot de conclusie gekomen dat de door u overgelegde gegevens aanleiding geven om uw omgevingsvergunning ambtshalve te wijzigen, omdat uw vergunning niet geheel actueel is met betrekking tot de aanwezigheid van een Milieubeheersysteem overeenkomstig het gestelde in BBT1 van de BREF Afvalbehandeling 2018.

2.4. Milieubeheersysteem, klachtenmanagementsysteem en communicatieplan

Bij bedrijven met een IPPC-installatie waarop de BBT-conclusies afvalbehandeling van toepassing is, moet een milieubeheersysteem worden ingevoerd. In maatregel BBT1 uit de BREF Afvalbehandeling staat dat het bedrijf een milieubeheersysteem moet invoeren en welke elementen in het milieubeheersysteem moeten zijn opgenomen. In uw IPPC-document ontvangen per e-mail op 18 november 2021, geeft u aan dat Spelt Afvalinzameling Heerenveen B.V. ISO 9001 gecertificeerd is, waarmee wordt aangetoond dat er een werkend en deugdelijk kwaliteitsbeheerssyteem en milieumanagementsysteem aanwezig is. Het is echter onduidelijk of alle relevante elementen als genoemd in maatregel BBT1 uit de BREF Afvalbehandeling aan de orde komen en hoe deze verwerkt zijn.

Om het bovenstaande te borgen, verbinden wij een voorschrift aan uw vergunning van 19 januari 2010 waarin het opstellen, de invoering en de naleving van een milieubeheersysteem met de verschillende onderdelen, genoemd in BBT 1, voorgeschreven wordt.

2.5. Afvalwater

Op 9 september 2022 hebben wij advies gevraagd aan het Wetterskip Fryslân met betrekking tot lozingsaspect bij Spelt Afvalinzameling Heerenveen B.V. Binnen de inrichting komt afvalwater vrij in de vorm van afstromend hemelwater van het bedrijfsterrein waar materialen opgeslagen liggen, waar bewerking plaatsvindt en waar een dieselopslag en tankplaats aanwezig zijn. Al het afvalwater wordt geloosd op het gemeentelijk vuilwaterriool. Op het terrein vindt opslag plaats van inerte en niet-inerte goederen. De opslagen vinden plaats op een vloeistofdichte vloer. Het afstromende hemelwater vanuit de opslag wordt via het bedrijfsriool en een OBAS geloosd op het gemeentelijk vuilwaterriool.

De lozingen van afvalwater afkomstig van de tankplaats en het bedrijfsterrein vallen sinds de komst van de Waterwet onder het Activiteitenbesluit milieubeheer (AB).

Voor het lozen van het hemelwater afkomstig van het bedrijfsterrein zijn eisen opgenomen in het AB.

In de aangeleverde informatie heeft het bedrijf niet aangegeven welke maatregelen worden toegepast om de lozing afkomstig van het bedrijfsterrein te laten voldoen aan de BBT zoals die zijn genoemd in de BREF Afvalbehandeling. De BBT-conclusies 3, 6, 7, 19 en 20 gaan nadrukkelijk in op afvalwaterstromen.

Aan BBT 3 wordt voldoende invulling gegeven wanneer het bedrijf uitvoering geeft aan BBT 1, het opstellen van een milieubeheersysteem. De afvalwaterstromen zijn geen relevante emissies naar water zoals genoemd in BBT 6. De afvalverwerkingsprocessen met de bijbehorende stoffen/parameters zoals genoemd in BBT 7 zijn niet van toepassing.

Zeer zorgwekkende stoffen (ZZS)

Bij Spelt Afvalinzameling B.V. zijn afvalstoffen vergund die mogelijk ZZS kunnen bevatten. Het gaat dan met name om asfalt, dakafval, zeefzand en verontreinigde grond. Onder andere PAK en zware metalen kunnen aanwezig zijn. ZZS zijn stoffen die zijn geclassificeerd als de gevaarlijkste stoffen voor mens en milieu die met voorrang aangepakt moeten worden. Bij neerslag kunnen de ZZS uitlogen en via de bedrijfsriolering met het afvalwater geloosd worden op de gemeentelijke riolering. Het streven is om ZZS uit de leefomgeving te weren.

Het landelijk waterkwaliteitsbeleid is erop gericht om ZZS met een combinatie van bronaanpak, minimalisatie van de restlozing en continue verbetering aan te pakken. Conform het landelijk beleid voor de aanpak ZZS moet een lozer verplicht iedere vijf jaar rapporteren over de getroffen maatregelen om de emissies van ZZS te verminderen en over de technieken die op de markt beschikbaar zijn gekomen om verdere invulling aan de minimalisatie te geven.

Het Wetterskip Fryslân adviseert om in verband met mogelijke lozingen van ZZS voorschriften op te nemen. In overeenstemming met dit advies worden voorschriften 5.2.1, 5.2.2 en 5.2.3 aan de vergunning van 19 januari 2010 toegevoegd.

2.6. Conclusie

Gezien het vorenstaande voegen wij een aantal aanvullende voorschriften toe aan de omgevingsvergunning van 19 januari 2010, waarmee deze omgevingsvergunning op dit moment voldoet aan de BBT-conclusies Afvalbehandeling.

BIJLAGE 1: MILIEUBEHEERSSYSTEEM(MBS) AFVALBEDRIJVEN 

  • I.

    Inleiding

    Op grond van maatregel BBT1 maatregel zoals opgenomen in de BREF/BBT-conclusies Afvalbehandeling dient ter verbetering van de algehele milieuprestaties en de controle daarop een milieubeheersysteem (MBS) te worden ingevoerd. Dit document is bedoeld ter ondersteuning voor het opstellen van een MBS. De concrete invulling en het detailniveau van het MBS is afhankelijk van de specifieke situatie (bv. Aard, omvang en complexiteit van het bedrijf en alle mogelijke milieueffecten ervan) en dient op bedrijfsniveau bepaald te worden. Zo zal een milieuzorgsysteem van een klein bedrijf minder uitgebreid zijn dan dat van een groot bedrijf. Het opstellen en toepassen van een milieuzorgsysteem vergt inspanningen en tijd maar door het toepassen van een milieuzorgsysteem kan de milieu-impact algemeen beperkt worden.

  • II.

    Beschrijving bedrijf.

Invullen:

  • 1.

    Beschrijving van het bedrijf

    • a)

      Naw gegevens.

    • b)

      De IPPC categorie(ën).

  • III.

    Het milieubeleid en naleven van toepassing zijnde milieuregelgeving (BBT1) :

Invullen met aandacht voor:

  • a)

    Op welke wijze is het management betrokken bij het milieubeleid.

  • b)

    Definiëren wat het milieubeleid is van het bedrijf.

  • c)

    Hoe is het milieubeleid uitgewerkt door het management en waaruit blijkt dat er sprake is van continue verbetering van de milieuprestaties.

  • IV.

    Een kwaliteitssysteem toepassen. Noodzakelijke procedures opstellen en implementeren (BBT1):

Invullen met aandacht voor:

  • 1.

    Structuren van taken en verantwoordelijkheden:

    • a)

      Implementeren en uitvoeren van de procedures met bijzondere aandacht voor;

      • bedrijfsorganisatie en verantwoordelijkheid;

      • aanwerving, opleiding, bewustmaking en bekwaamheid;

      • communicatie;

      • betrokkenheid van de werknemers;

      • documentatie (bijhouden van gegevens, registraties);

      • efficiënte procescontrole;

      • onderhoudsprogramma's;

      • monitoring;

      • waarborgen van de naleving van de milieuwetgeving;

      • Interne audits (planning en wijze van uitvoeren).

    • b)

      Taken en verantwoordelijkheden: Wie is waar verantwoordelijk voor. Denk hierbij aan voorschriften uit de vergunning, onderhoudstermijnen maar ook het bijhouden van nieuwe wet- en regelgeving en het informeren van personeel hierover en het volgen van de ontwikkelingen op het vlak van schonere technologieën.

    • c)

      Wie controleert of taken door verantwoordelijke zijn uitgevoerd en eventueel opstellen corrigerende maatregelen.

    • d)

      Opstellen onderhouds- en inspectieprogramma’s.

    • e)

      Op welke wijze wordt bijgehouden/geregistreerd dat de dagelijkse, wekelijkse, maandelijkse, jaarlijkse taken en verplichtingen (uit de vergunning) zijn uitgevoerd waaronder ook de jaarlijkse elektronische verslaglegging E-PRTR.

    • f)

      Vastleggen dat het kwaliteitssysteem regelmatig wordt beoordeeld door de directie.

  • V.

    Borging en monitoring milieuaspecten

Invullen met aandacht voor:

  • 1.

    Afval* (BBT 2)

    • a)

      Opstelling en invoering van procedures voor de karakterisering en preacceptatie van afval.

    • b)

      Informatie over de eigenschappen van het te behandelen afval en de afvalverwerkingsprocessen.

    • c)

      Opstelling en invoering van procedures voor de acceptatie van afval.

    • d)

      Opstelling en invoering van een traceersysteem en inventarisatie voor afval.

    • e)

      Opstelling en invoering van een kwaliteitsbeheersysteem voor de output.

    • f)

      Waarborgen van afvalscheiding.

    • g)

      Waarborgen van de compatibiliteit van afval vóór het mengen of vermengen van afval.

    • h)

      Waarborgen van de compatibiliteit van afval vóór het mengen of vermengen van afval.

    • i)

      Materiaalefficiëntie (BBT 22).

    • j)

      Inventaris in en uitgaande stromen/Afvalinput monitoren (BBT 11 en 52)

*Er kan ook verwezen worden naar het van toepassing zijnde Acceptatie- en verwerkingsbeleid en administratieve organisatie en interne controle oftewel het A&V-beleid en AOIC. De onderdelen die niet beschreven worden in het A&V-beleid en AOIC dienen in het milieubeheerssysteem te worden beschreven.

  • 2.

    Afvalwater (BBT 3, 6, 7, 11, 19 en 20)

    Om vermindering van emissies naar water te bevorderen, is het opstellen en actueel houden van een inventaris van afvalwater, als onderdeel van het milieubeheersysteem, noodzakelijk en dienen de volgende elementen te zijn opgenomen:

    • k)

      Opstelling en invoering van procedures aangaande het afvalwater;

    • l)

      Informatie over de kenmerken van de afvalwaterstromen, zoals:

      • gemiddelde waarden en variabiliteit van debiet, pH, temperatuur en geleidbaarheid.

      • gemiddelde concentratie en belastingwaarden van de relevante stoffen en hun variabiliteit (bv. CZV/TOC, stikstofverbindingen, fosfor, metalen, prioritaire stoffen/microverontreinigingen waaronder ook ZZS);

      • gegevens over biologische verwijderbaarheid (bv. BZV, BZV/CZV-ratio, Zahn-Wellenstest, potentieel tot biologische inhibitie (bv. inhibitie van actief slib)).

    • d)

      Onderhoudsschema inspectie/controle data metingen (wettelijk dan wel op basis van verleende vergunningen).

  • 3.

    Opslag (BBT 4)

    • a)

      Geoptimaliseerde opslag.

    • b)

      Adequate opslag capaciteit.

    • c)

      Veilige opslag.

  • 4.

    Bodem inclusief bodem beschermende voorzieningen (BBT 19).

    • a)

      Onderhoudsschema inspectie/controle data metingen bodem en bodem beschermende voorzieningen (wettelijk dan wel op basis van verleende vergunningen).

    • b)

      Registratie van uitgevoerde metingen/controles/inspecties.

  • 5.

    Energie (BBT 11 en 23)

    • a)

      opstellen van een energiebeleidsverklaring door het management:

      • onderschrijving van het engagement van het management van de vestiging dat de onderneming werkt aan een optimale(re) energie-efficiëntie;

      • creëert het noodzakelijk draagvlak voor de implementatie van de energiebeheermaatregelen.

    • a)

      aanstellen van een energiecoördinator:

      • wordt aangesteld door het management;

      • coördineert het te volgen energiebeleid binnen de onderneming en ziet toe op een verantwoord (duurzaamheids) beleid bij nieuwbouw, aanpassing bestaande gebouwen, vervanging en aanpassing van installaties en vervoermiddelen;

      • is verantwoordelijk voor de communicatie (in beide richtingen) rond het energiebeleid en de daaruit voortvloeiende activiteiten.

    • b)

      Energieverbruik monitoren en registreren.

  • 6.

    Reiniging van uitgegraven verontreinigde grond met water (BBT 50).

  • VI.

    Borging en monitoring overige en algemene aspecten:

Invullen met aandacht voor:

  • 1.

    Een correcte inventaris van in- en uitgaande stromen bijhouden (monitoren en meten). Voorbeelden van parameters die via monitoring opgevolgd kunnen worden, zijn:

    • a)

      Waterverbruik (11 en 19).

  • 2.

    Preventieve maatregelen toepassen om onvoorziene lozingen die schadelijk zijn voor het milieu te voorkomen, bv. door lekkage, verspilling, slecht werkende installaties of slecht werkende controlesystemen (BBT 5, 14, 19, 21, 32 en hfdst. 6.2):

    • a)

      inventariseren mogelijke bronnen van onvoorziene lozingen die schadelijk zijn voor het milieu;

    • b)

      Controlemaatregelen identificeren en toepassen ter voorkoming van onvoorziene lozingen en ter beperking van het schadelijk effect voor het milieu (bv. alarm, noodbuffer, verzegelde noodaansluiting).

  • 3.

    Noodplan opstellen, implementeren en regelmatig uittesten, bv. (BBT 1 en 23)

    • a)

      Incidenten en onvoorziene gebeurtenissen onderzoeken en rapporteren.

    • b)

      Procedure opstellen melden ongewoon voorval aan bevoegd gezag.

  • VII.

    Informatieverstrekking en training/coaching met het oog op bewustzijn en betrokkenheid van de werknemers BBT 1):

Invullen met aandacht voor:

  • 1.

    Communicatie en training zijn belangrijk om medewerkers te sensibiliseren:

    • a)

      Interne communicatie.

      • i.

        management/energiecoördinator: informatie verspreiden (aanpak, doelstellingen, enz.) en maar ook terugkoppeling van resultaten (bv. aantal Euro’s bespaard);

      • ii.

        werknemers: verzamelen van ideeën, voorstellen en eventuele vragen op het gebied van opleidingen.

    • b)

      externe communicatie:

      • iii.

        ketenefficiëntie verbeteren; samen met leveranciers en klanten zoeken naar energetische verbeteringen (ook op vlak van transport en logistiek);

      • iv.

        regelmatige en gepaste communicatie naar de omgeving van de onderneming over behaalde resultaten op gebied van bv. energiereducties en maatregelen ter verbetering van de leefomgeving.

    • c)

      De aandacht die gegeven wordt aan opleiding en training.

    • d)

      Onderwerpen die tijdens de trainingen aan bod kunnen komen zoals:

      • mogelijke problemen die zich voordoen tijdens de normale bedrijfsprocessen;

      • mogelijke problemen die zich voordoen in niet-routine situaties;

      • risicoanalyse van bedrijfsprocessen.

BIJLAGE 2: BEGRIPPENLIJST

Voor de begrippen die niet in deze lijst zijn opgenomen refereren wij naar de definities zoals die zijn opgenomen in de geldende wet- en regelgeving.

Begrip

Definitie

Considerans

BBT

Best Beschikbare techniek genoemd in een BBT document.

Bor

Besluit omgevingsrecht

BREF

BAT Reference document. Een in Europees verband vastgesteld document waarin de BBT worden beschreven die specifiek zijn voor een bepaalde branche of activiteit.

E-PRTR

European Pollutant Release and Transfer Register

IPPC

Integrated Pollution Prevention and Control

Onderneming

Een bedrijfseconomische definitie van een of meerdere vestigingen behorende tot een en dezelfde onderneming. Hoeft niet plaatsgebonden te zijn bij bijvoorbeeld een concern met een hoofdvestiging en een of meerdere nevenvestigingen.

Afvalwater

Afvalwater

Alle water waarvan de houder zich, met het oog op de verwijdering daarvan, ontdoet, voornemens is zich te ontdoen, of moet ontdoen

Bedrijfsafvalwater

Afvalwater (inclusief verontreinigd hemelwater), niet zijnde huishoudelijk afvalwater

Bedrijfsriolering

Een stelsel van buizen, verbindingstukken en elementen zoals straat- en trottoirkolken, gootelementen, verzamelputten en installaties, zoals slibvangputten, olie-waterscheider en controleputten voor de opvang en afvoer van bedrijfsafvalwater

Hemelwater

Alle neerslag, zoals regen, sneeuw of hagel.

Huishoudelijk afvalwater

Afvalwater dat vergelijkbaar is met afvalwater afkomstig van particuliere huishoudens.

Openbaar riool

Voorziening voor de inzameling en transport van afvalwater, als bedoeld in artikel 10.30 van de Wet milieubeheer.

Riolering

Bedrijfsriolering of openbare riolering.

ZZS

Zeer zorgwekkende stoffen

Naar boven