Provinciaal blad van Fryslân
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Fryslân | Provinciaal blad 2024, 7106 | andere beschikking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Fryslân | Provinciaal blad 2024, 7106 | andere beschikking |
Ambtshalve wijziging omgevingsvergunning van Westra Groenrecycling B.V.
Op 5 oktober 2004 is een omgevingsvergunning met kenmerk 568415 verleend voor de inrichting Westra Groenrecycling B.V. op de locatie Kelvinstraat 36 te Harlingen. Deze vergunning wordt aangemerkt als omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Daarna zijn nog diverse vergunningen verleend dan wel hebben er ambtshalve wijzigingen plaatsgevonden. Voor een volledig overzicht wordt verwezen naar paragraaf 1.2 van de overwegingen.
Wij besluiten de omgevingsvergunning van 5 oktober 2004 ambtshalve te wijzigen.
Binnen de inrichting is een IPPC-installatie als bedoeld in categorie 5.3b onder i aanwezig. Sinds 1 januari 2013 geldt een extra actualisatieplicht voor IPPC-installaties (artikel 2.30 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in samenhang met artikel 5.10, lid 1 van het Besluit omgevingsrecht). De plicht houdt in dat binnen vier jaar na publicatie van de beste beschikbare technieken (BBT)-conclusies moet worden getoetst of de vergunning nog voldoet aan de BBT-conclusies. Indien de voorschriften niet voldoen, moet de vergunning binnen de termijn van vier jaar zijn geactualiseerd.
De BBT-conclusies Afvalbehandeling zijn op 17 augustus 2018 gepubliceerd. Wij hebben de vergunning van 5 oktober 2004 beoordeeld en zijn van mening dat deze vergunning niet geheel voldoet aan de BBT-conclusies Afvalbehandeling. Wij passen daarom de omgevingsvergunning van 5 oktober 2004 ambtshalve aan door er voorschriften aan toe te voegen.
Wij zijn besluiten, gelet op artikel 2.31, eerste lid, onder b, van de Wabo :
Namens het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân,
Afdelingshoofd Vergunningverlening en Specialistisch Advies
Afschrift aan: Wetterskip Fryslân
Rechtsmiddelen en inwerkingtreding
Bekendmaking en rechtsbeschermingsmiddelen
Bekendmaking, inwerkingtreding en rechtsbeschermingsmiddelen (definitieve) beschikking
Deze beschikking wordt bekendgemaakt door toezending aan de aanvrager. Daarnaast wordt een kennisgeving gegeven door publicatie in de Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad en in het Provinciaal blad van Fryslân via www.officielebekendmakingen.nl. De beschikking treedt in werking 6 weken na bekendmaking van het definitief besluit.
De aanvraag en de beschikking met de daarbij behorende stukken worden op grond van de Algemene wet bestuursrecht met ingang van 6 maart 2023 ter inzage gelegd. Inzage is mogelijk bij de gemeente, provincie Fryslân en bij de FUMO.
Een dag nadat de beschikking ter inzage is gelegd, start de termijn van zes weken voor het indienen van een beroepschrift. In die periode kunnen zowel u als belanghebbenden beroep aantekenen tegen deze beschikking. Ook niet-belanghebbenden kunnen beroep aantekenen indien zij een zienswijze hebben ingediend.
Het beroepschrift moet in tweevoud ingediend worden bij Rechtbank Noord-Nederland, Postbus 781, 9700 AT Groningen.
Het indienen van een beroepschrift stelt de werking van de beschikking niet uit. Als u of belanghebbenden niet willen dat deze beschikking in werking treedt na afloop van de beroepstermijn, kan tijdens die termijn om een voorlopige voorziening worden verzocht. Dit verzoek kan worden gedaan bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord Nederland, Postbus 781 9700 AT Groningen. De beschikking treedt in dat geval niet in werking voordat over dit verzoek is beslist.
Het in voorschrift 1.1.1 bedoelde verzoek om goedkeuring moet schriftelijk worden gericht aan de FUMO, Postbus 3347, 8901 DH LEEUWARDEN of info@fumo.nl.
Westra Groenrecycling B.V. op de locatie Kelvinstraat 36 in Harlingen heeft een vergunning van 5 oktober 2004 voor de volgende activiteiten:
De activiteit nuttige toepassing, of een combinatie van nuttige toepassing en verwijdering, van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 75 t per dag, door middel van biologische behandeling wordt genoemd in bijlage 1 van de Richtlijn Industriële Emissies (RIE) en wel in categorie 5.3b, onder i.
Westra Groenrecylcing B.V. heeft een IPPC-installatie die valt onder categorie 5.3b, onder i van de RIE.
Wij hebben de omgevingsvergunning van 5 oktober 2004 getoetst aan:
Deze toetsing geeft aanleiding tot het aanpassen van de vergunning van 5 oktober 2004.
1.2. Huidige vergunningsituatie
Voor de inrichting zijn eerder de onderstaande vergunningen en/of ontheffingen verleend dan wel meldingen geaccepteerd:
|
Veranderen composteermethode, niet realiseren hal en intrekken energievoorschriften |
|||
|
Aanpassing i.v.m. verandering Besluit bodembescherming, Gebruiksbesluit en PGS-en |
|||
De hierboven genoemde vergunningen waar een # bij staat, zijn volgens de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Invoeringswet Wabo) gelijkgesteld aan een omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd.
De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I, onderdeel C van het Bor. De volgende categorieën zijn van toepassing:
De activiteiten vallen niet onder de uitzonderingen genoemd onder 28.10 van bijlage 1 onderdeel c van het bor. Om die reden is op grond van artikel 2.1, tweede lid van het Bor eveneens sprake van een vergunningplichtige inrichting.
Gedeputeerde Staten zijn bevoegd gezag voor de inrichting. Dit volgt uit artikel 2.4 van de Wabo, juncto artikel 3.3, lid 1 van het Besluit omgevingsrecht (Bor). De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I, onderdeel C, categorie 28.4 onder a, 6° en categorie 28.4, onder b, 1°en 2° van het Bor. Daarnaast betreft het een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort. De inrichting valt onder Bijlage I, categorie 5.3b, onder i van de Richtlijn industriële emissies.
De omgevingsvergunning van 5 oktober 2004 is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Gelet hierop dient de ambtshalve wijziging eveneens te worden voorbereid met deze uitgebreide voorbereidingsprocedure.
In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 van de Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor, hebben wij het voornemen ter advies aan de volgende instanties/bestuursorganen gezonden:
De gemeente heeft geen aanleiding gezien om advies uit te brengen.
Wetterskip Fryslân heeft ons op 14 oktober 2022 geadviseerd.
Wetterskip Fryslân is van mening dat Westra Groenrecycling B.V. de beste beschikbare technieken toepast en daarmee voor het onderdeel water voldoet aan de BREF Afvalbehandeling.
1.7. Zienswijzen op de ontwerpbeschikking
Van het ontwerp van de beschikking hebben wij kennis gegeven in de Leeuwarder Courant en het Friesch Dagblad van 26 november 2022 en in het Provinciaal blad van Fryslân via https://officielelebekendmakingen.nl.
Tussen 28 november 2022 en 9 januari 2023 heeft het ontwerp ter inzage gelegen en is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is gebruik gemaakt.
Op 9 januari 2023 hebben wij een zienswijze ontvangen van M-Tech-Nederland BV namens Westra Groenrecycling B.V. (Wes.Har.22.Ambt.ZW WB-01). De zienswijze heeft betrekking op het niet aanwezig zijn van een IPPC-installatie zoals bedoeld onder categorie 5.3 onder i van de Richtlijn Industriële Emissies binnen de inrichting aan de Kelvinstraat 36 te Harlingen.
Wij vatten de ingediende zienswijze per onderdeel samen:
In de zienswijze wordt betoogd door middel van diverse berekeningen van praktijkvoorbeelden en motivering - mede aan de hand van de vergunde jaarcapaciteiten voor het composteren -dat de nuttige toepassing, of een combinatie van nuttige toepassing en verwijdering, van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 75 ton per dag, door middel van biologische behandeling, niet gehaald wordt. Om deze reden zou er geen sprake zijn van een IPPC-installatie, waardoor ook niet voldaan hoeft te worden aan de BBT-conclusies, de actualisatieverplichting daarmee niet aan de orde is, en het ambtshalve opleggen van voorschriften niet vereist mag worden.
Er wordt onder andere aangegeven dat er twee keer per jaar gecomposteerd wordt met een batch van 7000 ton. Het composteren vindt twee keer per jaar plaats. Eén composteringsronde duurt 112 dagen, waardoor, als 7000 ton over 112 dagen wordt verspreid, de gemiddelde dagcapaciteit op 62,50 ton zou uitkomen.
Valt het bedrijf onder de IPPC-richtlijn en hoe bereken je dat?
Als de activiteiten binnen de inrichting worden genoemd in bijlage I van de Richtlijn industriële emissies en wel in categorie 5.3 b onder i: installaties voor biologische behandeling (handeling R3), met een dagcapaciteit van meer dan 75 ton per dag, is het een zgn. IPPC-installatie.
Onder 5.3.b. staat het volgende aangegeven:
Nuttige toepassing, of een combinatie van nuttige toepassing en verwijdering, van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 75 t per dag, door middel van een of meer van de volgende activiteiten, met uitzondering van activiteiten die onder Richtlijn 91/271/EEG inzake de behandeling van stedelijk afvalwater vallen:
Navolgend wordt beoordeeld wanneer sprake is van een dergelijke categorie 5.3.b.(i).
Bij het bepalen van de capaciteit gaat het bevoegd gezag uit van de technische of juridische capaciteit. Dit is namelijk de enige betrouwbare eenheid. In principe is dit de 24-uurscapaciteit, behalve als deze technisch of juridisch beperkt is.
Uitleg: Compostering is een proces dat pas stopt bij gereed product en als meststof (of bodemverbeteraar) afgezet wordt. Dus de activiteit vindt niet plaats tussen 07.00 en 19.00 uur, maar is een (biologisch) proces dat 24 uur per dag doorgaat over een periode van in dit geval 4 maanden. De 24-uurscapaciteit kan technisch beperkt zijn door een composteerplaat waarop geen 75 ton gecomposteerd kan worden of doordat de inzet van materieel niet aanwezig is voor omzetting om te komen tot de drempelwaarde. Dit is in dit geval niet aan de orde.
In de zienswijze wordt aangedragen dat de hoeveelheid die op enig moment gecomposteerd kan worden, maximaal 7500 ton basismateriaal. Deze 7500 ton wordt gedurende 4 maanden elke dag gecomposteerd tot er een gereed product is. De maximale dagcapaciteit is in dit geval dan ook 7500 ton per dag biologische behandeling. Hiermee wordt de grens van 75 ton per dag onder categorie 5.3b onder i ruim overschreden. Daarmee is er sprake van een IPPC-installatie.
Wij verklaren de zienswijzen ongegrond.
Wijzigingen ten opzichte van de ontwerpvergunning
Ten opzichte van de ontwerpvergunning zijn geen wijzigingen aangebracht, anders dan het behandelen van de ingebrachte zienswijze.
Sinds 1 januari 2013 geldt een actualisatieplicht voor IPPC-installaties (artikel 5.10, eerste lid van het Bor). De plicht houdt in dat:
binnen een termijn van vier jaar na publicatie in het Publicatieblad van de Europese Unie van de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit van een IPPC-installatie de voorschriften van de omgevingsvergunning moeten worden getoetst aan de beste beschikbare technieken (BBT) die staan in deze(nieuwe) BBT-conclusies (en alle overige relevante BBT-documenten);
De actualisatieplicht start dus op het moment dat de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit zijn gepubliceerd. Daarom zal bij IPPC-installaties waarin meerdere activiteiten uit bijlage 1 van de RIE worden uitgeoefend, bepaald moet worden welke activiteit voor de betreffende IPPC-installatie zal worden aangemerkt als de hoofdactiviteit.
Binnen deze inrichting vinden meerdere activiteiten uit bijlage 1 van de RIE plaats. Daarom is in overleg met de vergunninghouder van de inrichting nagegaan welke BBT-conclusies relevant zijn voor de hoofdactiviteit en welke BBT-conclusies daarmee het startpunt zullen worden van de (verplichte) actualisatie van de vergunning. Dit betekent dat na publicatie van deze BBT-conclusies in het publicatieblad van de Europese Unie de actualisatieplicht zal beginnen.
Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit en aan andere relevante BBT-conclusies.
Overeenkomstig artikel 2.31, eerste lid van de Wabo, moet en overeenkomstig artikel 2.31, tweede lid van de Wabo, kan het bevoegd gezag voorschriften die aan een omgevingsvergunning zijn verbonden, wijzigen. De omstandigheden waaronder dit moet of kan gebeuren zijn eveneens vermeld in dit artikel. In dit geval is er sprake van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.31, eerste lid, onder b.
Artikel 2.31, eerste lid, geeft de omstandigheden aan waaronder het bevoegd gezag verplicht is de voorschriften van de omgevingsvergunning te wijzigen. Onder b wordt aangegeven dat de voorschriften van de vergunning moeten worden aangescherpt als – kort samengevat – de bescherming van het milieu dit noodzakelijk maakt. Of die noodzaak bestaat, kan worden afgeleid uit het toetsingskader dat geldt voor het toepassen van de actualiseringsplicht van artikel 2.30 van de Wabo, dat is opgenomen in artikel 5.10, derde lid van het Bor. Op grond van artikel 2.31, tweede lid, heeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om een vergunning aan te passen. Deze mogelijkheid bestaat voor zover dit in het belang van de bescherming van het milieu is.
Artikel 2.31a, eerste lid van de Wabo geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om, ter bescherming van het milieu, andere technieken voor te schrijven dan in de aanvraag zijn opgenomen en daarmee de grondslag van de aanvraag te verlaten. Op grond van artikel 2.31a, tweede lid is de vergunninghouder verplicht desgevraagd gegevens aan het bevoegd gezag over te leggen die nodig zijn voor de beoordeling of alle relevante BBT-maatregelen worden toegepast.
2.2. Beste beschikbare technieken
In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast.
Bij het opstellen van de omgevingsvergunning milieu moet rekening worden gehouden met de BBT-conclusies. De Europese Commissie stelt de BBT-conclusies op en maakt deze bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.
BBT-conclusies is een document met de conclusies over beste beschikbare technieken, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, lid 5 en 7 van de Richtlijn industriële emissies (Rie).
Het verschil tussen artikel 13, lid 5 en lid 7 van de Rie is:
BBT-conclusies overeenkomstig artikel 13, lid 7 is het hoofdstuk Best available techniques (BAT) uit de BREF's. De Europese commissie heeft deze BREF's vastgesteld vóór 6 januari 2011. Dit hoofdstuk geldt als BBT-conclusies totdat de Europese Commissie voor die activiteit nieuwe BBT-conclusies vaststelt.
Als op een activiteit of op een type productieproces binnen de inrichting waarvoor een vergunning is aangevraagd, geen BBT-conclusies of informatiedocumenten over BBT van toepassing zijn, of als de van toepassing zijnde BBT conclusies of informatiedocumenten niet alle mogelijke milieueffecten van de activiteit of het proces behandelen moet het bevoegd gezag de BBT zelf vast stellen. Hierbij houdt het bevoegd gezag in ieder geval rekening met:
De op één van deze criteria vastgestelde BBT moet een milieubeschermingsniveau garanderen dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau in de BBT-conclusies.
Concrete bepaling beste beschikbare technieken
Binnen de inrichting worden één of meer van de activiteiten uit bijlage 1 van de Rie uitgevoerd en wel de volgende: categorie 5.3b onder i.
Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofactiviteit en aan andere relevante BBT-conclusies.
Op grond van artikel 9.2 van de Mor moet voor het bepalen van BBT binnen de inrichting aanvullend een toetsing plaatsvinden aan relevante aangewezen informatiedocumenten over BBT.
Uit jurisprudentie is gebleken dat het bevoegd gezag bij het toetsen aan BBT-conclusies de ontwikkelingen van BBT moet nagaan die sinds het vaststellen van de BBT-conclusies hebben plaatsgevonden. Bronnen voor ontwikkelingen over BBT zijn onder andere de concepten van herziene BREF’s.
Bij het bepalen van de BBT hebben we rekening gehouden met de van toepassing zijnde BBT-conclusies van de BREF Afvalbehandeling versie 17 augustus 2018. Hieronder volgen de overwegingen.
In de verleende vergunningen is aangegeven dat er sprake is van het shredderen en zeven van snoeihout en stobben (houtachtig afval) en dat het geshredderd materiaal met ander niet-houtachtig materiaal (waaronder ca. 10% agrarisch materiaal) wordt gecomposteerd.
Op 18 december 2019 is het eindrapport over ZZS in afvalstoffen verschenen van SGS Intron B.V.
(Rapportnr. A108010/R20190414a). Uit dit rapport blijkt dat voor partijen (grof) groenafval niet wordt verwacht dat dit afval zeer zorgwekkende stoffen boven de concentratielimiet uit het LAP3 bevat.
Ons inziens zijn er bij deze vorm van behandeling van afval geen risico’s te verwachten op het gebied van diffuse emissies naar de lucht. Toepassing van BBT 14d van de BREF kan achterwege blijven als eventuele diffuse stofemissie op een andere in BBT 14 beschreven wijze wordt beperkt. Dat betekent dat de activiteit ook buiten plaats mag vinden.
Wel dienen dan maatregelen te worden getroffen opdat bij het niet inpandig shredderen en zeven van snoeihout en stobben zoveel mogelijk wordt voorkomen dat stofverspreiding optreedt die op een afstand van meer dan 2 meter van de bron visueel (met het blote oog) waarneembaar is. Omdat de inrichting valt onder de BREF afvalbehandeling (zie ook BBT 14e), zijn hier voorschriften voor opgenomen.
Gezien het vorenstaande voegen wij een aantal aanvullende voorschriften toe aan de omgevingsvergunning van 5 oktober 2004 in verband met de BBT-conclusies Afvalbehandeling.
Voor de begrippen die niet in deze lijst zijn opgenomen refereren wij naar de definities zoals die zijn opgenomen in de geldende wet- en regelgeving (zoals het Activiteitenbesluit, de Activiteitenregeling, het Besluit omgevingsrecht, het Besluit externe veiligheid inrichtingen, de Wet geurhinder en veehouderij etc.)
Milieubeheersysteem (MBS) Afvalbedrijven
Op grond van maatregel BBT1 maatregel zoals opgenomen in de BREF/BBT-conclusies Afvalbehandeling dient ter verbetering van de algehele milieuprestaties en de controle daarop een milieubeheersysteem (MBS) te worden ingevoerd. Dit document is bedoeld ter ondersteuning voor het opstellen van een MBS. De concrete invulling en het detailniveau van het MBS is afhankelijk van de specifieke situatie (bv. Aard, omvang en complexiteit van het bedrijf en alle mogelijke milieueffecten ervan) en dient op bedrijfsniveau bepaald te worden. Zo zal een milieuzorgsysteem van een klein bedrijf minder uitgebreid zijn dan dat van een groot bedrijf. Het opstellen en toepassen van een milieuzorgsysteem vergt inspanningen en tijd maar door het toepassen van een milieuzorgsysteem kan de milieu-impact algemeen beperkt worden.
Structuren van taken en verantwoordelijkheden:
Taken en verantwoordelijkheden: Wie is waar verantwoordelijk voor. Denk hierbij aan voorschriften uit de vergunning, onderhoudstermijnen maar ook het bijhouden van nieuwe wet- en regelgeving en het informeren van personeel hierover en het volgen van de ontwikkelingen op het vlak van schonere technologieën.
* Er kan ook verwezen worden naar het van toepassing zijnde Acceptatie- en verwerkingsbeleid en administratieve organisatie en interne controle oftewel het A&V-beleid en AOIC. De onderdelen die niet beschreven worden in het A&V-beleid en AOIC dienen in het milieubeheerssysteem te worden beschreven.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2024-7106.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.