Ambtshalve wijziging omgevingsvergunning van Westra Groenrecycling B.V.

Onderwerp

Op 5 oktober 2004 is een omgevingsvergunning met kenmerk 568415 verleend voor de inrichting Westra Groenrecycling B.V. op de locatie Kelvinstraat 36 te Harlingen. Deze vergunning wordt aangemerkt als omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Daarna zijn nog diverse vergunningen verleend dan wel hebben er ambtshalve wijzigingen plaatsgevonden. Voor een volledig overzicht wordt verwezen naar paragraaf 1.2 van de overwegingen.

Wij besluiten de omgevingsvergunning van 5 oktober 2004 ambtshalve te wijzigen.

Binnen de inrichting is een IPPC-installatie als bedoeld in categorie 5.3b onder i aanwezig. Sinds 1 januari 2013 geldt een extra actualisatieplicht voor IPPC-installaties (artikel 2.30 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in samenhang met artikel 5.10, lid 1 van het Besluit omgevingsrecht). De plicht houdt in dat binnen vier jaar na publicatie van de beste beschikbare technieken (BBT)-conclusies moet worden getoetst of de vergunning nog voldoet aan de BBT-conclusies. Indien de voorschriften niet voldoen, moet de vergunning binnen de termijn van vier jaar zijn geactualiseerd.

De BBT-conclusies Afvalbehandeling zijn op 17 augustus 2018 gepubliceerd. Wij hebben de vergunning van 5 oktober 2004 beoordeeld en zijn van mening dat deze vergunning niet geheel voldoet aan de BBT-conclusies Afvalbehandeling. Wij passen daarom de omgevingsvergunning van 5 oktober 2004 ambtshalve aan door er voorschriften aan toe te voegen.

Besluit

Wij zijn besluiten, gelet op artikel 2.31, eerste lid, onder b, van de Wabo :

  • de omgevingsvergunning d.d. 5 oktober 2004 van Westra Groenrecycling B.V., Kelvinstraat 36 Harlingen, kenmerk 568415, ambtshalve te wijzigen door bijgevoegde voorschriften aan deze vergunning toe te voegen;

Ondertekening en verzending

Namens het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân,

S.G.C. Boender

Afdelingshoofd Vergunningverlening en Specialistisch Advies

Afschrift aan: Wetterskip Fryslân

Postbus 36

8900 AA Leeuwarden

Gemeente Harlingen

Postbus 10.000

8860 HA Harlingen

M-Tech Nederland B.V.

T.a.v. de heer [Naam]

Productieweg 1-G

6045 JC Roermond

Rechtsmiddelen en inwerkingtreding

Bekendmaking en rechtsbeschermingsmiddelen

Bekendmaking, inwerkingtreding en rechtsbeschermingsmiddelen (definitieve) beschikking

Deze beschikking wordt bekendgemaakt door toezending aan de aanvrager. Daarnaast wordt een kennisgeving gegeven door publicatie in de Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad en in het Provinciaal blad van Fryslân via www.officielebekendmakingen.nl. De beschikking treedt in werking 6 weken na bekendmaking van het definitief besluit.

De aanvraag en de beschikking met de daarbij behorende stukken worden op grond van de Algemene wet bestuursrecht met ingang van 6 maart 2023 ter inzage gelegd. Inzage is mogelijk bij de gemeente, provincie Fryslân en bij de FUMO.

Een dag nadat de beschikking ter inzage is gelegd, start de termijn van zes weken voor het indienen van een beroepschrift. In die periode kunnen zowel u als belanghebbenden beroep aantekenen tegen deze beschikking. Ook niet-belanghebbenden kunnen beroep aantekenen indien zij een zienswijze hebben ingediend.

Het beroepschrift moet in tweevoud ingediend worden bij Rechtbank Noord-Nederland, Postbus 781, 9700 AT Groningen.

Het indienen van een beroepschrift stelt de werking van de beschikking niet uit. Als u of belanghebbenden niet willen dat deze beschikking in werking treedt na afloop van de beroepstermijn, kan tijdens die termijn om een voorlopige voorziening worden verzocht. Dit verzoek kan worden gedaan bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord Nederland, Postbus 781 9700 AT Groningen. De beschikking treedt in dat geval niet in werking voordat over dit verzoek is beslist.

Voorschriften

  • 1.

    Algemene voorschriften

  • 1.1

    Milieubeheersysteem

  • 1.1.1

    Binnen 3 maanden na de inwerkingtreding van deze ambtshalve wijziging moet vergunninghouder een milieubeheerssysteem ter goedkeuring aan het bevoegd gezag hebben overgelegd.

  • 1.1.2

    Het milieubeheerssysteem bevat, naast de elementen zoals genoemd in bijlage 1 van deze ambtshalve wijziging, ten minste en voor zover van toepassing de volgende onderdelen:

Beleid

  • a.

    de milieustrategie;

  • b.

    het milieuplan;

Bedrijfsprocessen

  • c.

    procedures in het kader van het A&V-beleid en AO/IC;

  • d.

    procedures voor het doorvoeren van wijzigingen in processen;

  • e.

    procedures voor het evalueren van het managementsysteem;

  • f.

    procedures voor het monitoren milieuaspecten afvalwater en luchtemissies;

  • g.

    procedures voor het wijzigen van installaties

  • h.

    procedures voor onderhoud en keuringen op basis van de op 2 augustus 2007 verleende vergunning;

Per procedure

  • i.

    taken en verantwoordelijkheden/bevoegdheden;

  • j.

    werkinstructies.

  • 1.1.3

    Het in voorschrift 1.1.1 bedoelde verzoek om goedkeuring moet schriftelijk worden gericht aan de FUMO, Postbus 3347, 8901 DH LEEUWARDEN of info@fumo.nl.

  • 1.1.4

    Binnen 3 maanden na ons besluit naar aanleiding van het verzoek om goedkeuring als bedoeld in voorschrift 1.1.1, moet vergunninghouder het goedgekeurde milieubeheerssysteem hebben geïmplementeerd.

  • 2.

    Lucht

  • 2.1

    Shredder- en zeefinstallatie

  • 2.1.1

    De shredder- en zeefinstallatie moeten zijn voorzien van een vernevelingsinstallatie die zodanig is aangebracht dat geen visueel waarneembare stofverspreiding over een afstand van meer dan 2 meter van de bron kan ontstaan.

  • 2.1.2

    Na het shredderen en/of zeven moet het neergeslagen shredderstof direct worden verwijderd. Het verzamelde stof moet zodanig worden opgeslagen dat het zich niet meer kan verspreiden.

Overwegingen

1. Procedurele overwegingen

1.1. Projectbeschrijving

Westra Groenrecycling B.V. op de locatie Kelvinstraat 36 in Harlingen heeft een vergunning van 5 oktober 2004 voor de volgende activiteiten:

  • het composteren van groenafval;

  • het op- en overslaan en het bewerken van (verontreinigde) grond en compost;

  • het op- overslaan van bulkgoederen.

De activiteit nuttige toepassing, of een combinatie van nuttige toepassing en verwijdering, van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 75 t per dag, door middel van biologische behandeling wordt genoemd in bijlage 1 van de Richtlijn Industriële Emissies (RIE) en wel in categorie 5.3b, onder i.

Westra Groenrecylcing B.V. heeft een IPPC-installatie die valt onder categorie 5.3b, onder i van de RIE.

Wij hebben de omgevingsvergunning van 5 oktober 2004 getoetst aan:

  • de RIE en de daarbij behorende BBT-conclusies;

  • de BBT-conclusies Afvalbehandeling versie 17 augustus 2018.

Deze toetsing geeft aanleiding tot het aanpassen van de vergunning van 5 oktober 2004.

1.2. Huidige vergunningsituatie

Voor de inrichting zijn eerder de onderstaande vergunningen en/of ontheffingen verleend dan wel meldingen geaccepteerd:

Soort

Datum

Kenmerk

Onderwerp

vergunning Wet milieubeheer #

5 oktober 2004

568415

oprichtingsvergunning

Veranderingsvergunning #

29 november 2007

00725149

Veranderen composteermethode, niet realiseren hal en intrekken energievoorschriften

Melding artikel 8.19 Wet milieubeheer

4 januari 2010

868512

Vervangen zeef

Ambtshalve wijziging

van de vergunning van

5 oktober 2004

11 maart 2013

U13.001042

Aanpassing i.v.m. verandering Besluit bodembescherming, Gebruiksbesluit en PGS-en

Goedkeuringsbesluit en melding Activiteitenbesluit

10 december 2013

U13.010221

Goedkeuren A&V en

AO/IC

Ambsthalve wijziging

van de vergunning van

5 oktober 2004

19 januari 2022

2020-FUMO-0041254

Ambsthalve wijziging i.v.m. energievoorschriften

De hierboven genoemde vergunningen waar een # bij staat, zijn volgens de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Invoeringswet Wabo) gelijkgesteld aan een omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd.

1.3. Vergunningplicht

De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I, onderdeel C van het Bor. De volgende categorieën zijn van toepassing:

Categorie

Omschrijving

  • 28.4

Opslaan van afvalstoffen en biologisch behandelen van afvalstoffen

  • 28.10

Nuttig toepassen en opslaan van afvalstoffen

De activiteiten vallen niet onder de uitzonderingen genoemd onder 28.10 van bijlage 1 onderdeel c van het bor. Om die reden is op grond van artikel 2.1, tweede lid van het Bor eveneens sprake van een vergunningplichtige inrichting.

1.4. Bevoegd gezag

Gedeputeerde Staten zijn bevoegd gezag voor de inrichting. Dit volgt uit artikel 2.4 van de Wabo, juncto artikel 3.3, lid 1 van het Besluit omgevingsrecht (Bor). De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I, onderdeel C, categorie 28.4 onder a, 6° en categorie 28.4, onder b, 1°en 2° van het Bor. Daarnaast betreft het een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort. De inrichting valt onder Bijlage I, categorie 5.3b, onder i van de Richtlijn industriële emissies.

1.5. Procedure

De omgevingsvergunning van 5 oktober 2004 is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Gelet hierop dient de ambtshalve wijziging eveneens te worden voorbereid met deze uitgebreide voorbereidingsprocedure.

1.6. Adviezen

In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 van de Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor, hebben wij het voornemen ter advies aan de volgende instanties/bestuursorganen gezonden:

  • gemeente Harlingen

  • Wetterskip Fryslân.

Gemeente Harlingen

De gemeente heeft geen aanleiding gezien om advies uit te brengen.

Wetterskip Fryslân

Wetterskip Fryslân heeft ons op 14 oktober 2022 geadviseerd.

Wetterskip Fryslân is van mening dat Westra Groenrecycling B.V. de beste beschikbare technieken toepast en daarmee voor het onderdeel water voldoet aan de BREF Afvalbehandeling.

1.7. Zienswijzen op de ontwerpbeschikking

Van het ontwerp van de beschikking hebben wij kennis gegeven in de Leeuwarder Courant en het Friesch Dagblad van 26 november 2022 en in het Provinciaal blad van Fryslân via https://officielelebekendmakingen.nl.

Tussen 28 november 2022 en 9 januari 2023 heeft het ontwerp ter inzage gelegen en is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is gebruik gemaakt.

Zienwijze vergunninghouder

Op 9 januari 2023 hebben wij een zienswijze ontvangen van M-Tech-Nederland BV namens Westra Groenrecycling B.V. (Wes.Har.22.Ambt.ZW WB-01). De zienswijze heeft betrekking op het niet aanwezig zijn van een IPPC-installatie zoals bedoeld onder categorie 5.3 onder i van de Richtlijn Industriële Emissies binnen de inrichting aan de Kelvinstraat 36 te Harlingen.

Wij vatten de ingediende zienswijze per onderdeel samen:

  • 1.

    In de zienswijze wordt betoogd door middel van diverse berekeningen van praktijkvoorbeelden en motivering - mede aan de hand van de vergunde jaarcapaciteiten voor het composteren -dat de nuttige toepassing, of een combinatie van nuttige toepassing en verwijdering, van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 75 ton per dag, door middel van biologische behandeling, niet gehaald wordt. Om deze reden zou er geen sprake zijn van een IPPC-installatie, waardoor ook niet voldaan hoeft te worden aan de BBT-conclusies, de actualisatieverplichting daarmee niet aan de orde is, en het ambtshalve opleggen van voorschriften niet vereist mag worden.

Er wordt onder andere aangegeven dat er twee keer per jaar gecomposteerd wordt met een batch van 7000 ton. Het composteren vindt twee keer per jaar plaats. Eén composteringsronde duurt 112 dagen, waardoor, als 7000 ton over 112 dagen wordt verspreid, de gemiddelde dagcapaciteit op 62,50 ton zou uitkomen.

Ad. 1

Valt het bedrijf onder de IPPC-richtlijn en hoe bereken je dat?

Als de activiteiten binnen de inrichting worden genoemd in bijlage I van de Richtlijn industriële emissies en wel in categorie 5.3 b onder i: installaties voor biologische behandeling (handeling R3), met een dagcapaciteit van meer dan 75 ton per dag, is het een zgn. IPPC-installatie.

Onder 5.3.b. staat het volgende aangegeven:

Nuttige toepassing, of een combinatie van nuttige toepassing en verwijdering, van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 75 t per dag, door middel van een of meer van de volgende activiteiten, met uitzondering van activiteiten die onder Richtlijn 91/271/EEG inzake de behandeling van stedelijk afvalwater vallen:

  • (i) installaties voor biologische behandeling (handeling R3)

  • (ii) voorbehandeling van afval voor verbranding of meeverbranding

  • (…) etc.

Composteren

Navolgend wordt beoordeeld wanneer sprake is van een dergelijke categorie 5.3.b.(i).

Bij het bepalen van de capaciteit gaat het bevoegd gezag uit van de technische of juridische capaciteit. Dit is namelijk de enige betrouwbare eenheid. In principe is dit de 24-uurscapaciteit, behalve als deze technisch of juridisch beperkt is.

Uitleg: Compostering is een proces dat pas stopt bij gereed product en als meststof (of bodemverbeteraar) afgezet wordt. Dus de activiteit vindt niet plaats tussen 07.00 en 19.00 uur, maar is een (biologisch) proces dat 24 uur per dag doorgaat over een periode van in dit geval 4 maanden. De 24-uurscapaciteit kan technisch beperkt zijn door een composteerplaat waarop geen 75 ton gecomposteerd kan worden of doordat de inzet van materieel niet aanwezig is voor omzetting om te komen tot de drempelwaarde. Dit is in dit geval niet aan de orde.

In de zienswijze wordt aangedragen dat de hoeveelheid die op enig moment gecomposteerd kan worden, maximaal 7500 ton basismateriaal. Deze 7500 ton wordt gedurende 4 maanden elke dag gecomposteerd tot er een gereed product is. De maximale dagcapaciteit is in dit geval dan ook 7500 ton per dag biologische behandeling. Hiermee wordt de grens van 75 ton per dag onder categorie 5.3b onder i ruim overschreden. Daarmee is er sprake van een IPPC-installatie.

Conclusie

Wij verklaren de zienswijzen ongegrond.

Wijzigingen ten opzichte van de ontwerpvergunning

Ten opzichte van de ontwerpvergunning zijn geen wijzigingen aangebracht, anders dan het behandelen van de ingebrachte zienswijze.

2. Inhoudelijke overwegingen

2.1. Toetsingskader

Sinds 1 januari 2013 geldt een actualisatieplicht voor IPPC-installaties (artikel 5.10, eerste lid van het Bor). De plicht houdt in dat:

  • binnen een termijn van vier jaar na publicatie in het Publicatieblad van de Europese Unie van de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit van een IPPC-installatie de voorschriften van de omgevingsvergunning moeten worden getoetst aan de beste beschikbare technieken (BBT) die staan in deze(nieuwe) BBT-conclusies (en alle overige relevante BBT-documenten);

  • als niet wordt voldaan aan deze BBT's moeten de vergunningvoorschriften worden geactualiseerd en;

  • de betreffende IPPC-installatie binnen de termijn van vier jaar zal voldoen aan deze geactualiseerde voorschriften.

De actualisatieplicht start dus op het moment dat de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit zijn gepubliceerd. Daarom zal bij IPPC-installaties waarin meerdere activiteiten uit bijlage 1 van de RIE worden uitgeoefend, bepaald moet worden welke activiteit voor de betreffende IPPC-installatie zal worden aangemerkt als de hoofdactiviteit.

Binnen deze inrichting vinden meerdere activiteiten uit bijlage 1 van de RIE plaats. Daarom is in overleg met de vergunninghouder van de inrichting nagegaan welke BBT-conclusies relevant zijn voor de hoofdactiviteit en welke BBT-conclusies daarmee het startpunt zullen worden van de (verplichte) actualisatie van de vergunning. Dit betekent dat na publicatie van deze BBT-conclusies in het publicatieblad van de Europese Unie de actualisatieplicht zal beginnen.

Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit en aan andere relevante BBT-conclusies.

Overeenkomstig artikel 2.31, eerste lid van de Wabo, moet en overeenkomstig artikel 2.31, tweede lid van de Wabo, kan het bevoegd gezag voorschriften die aan een omgevingsvergunning zijn verbonden, wijzigen. De omstandigheden waaronder dit moet of kan gebeuren zijn eveneens vermeld in dit artikel. In dit geval is er sprake van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.31, eerste lid, onder b.

Artikel 2.31, eerste lid, geeft de omstandigheden aan waaronder het bevoegd gezag verplicht is de voorschriften van de omgevingsvergunning te wijzigen. Onder b wordt aangegeven dat de voorschriften van de vergunning moeten worden aangescherpt als – kort samengevat – de bescherming van het milieu dit noodzakelijk maakt. Of die noodzaak bestaat, kan worden afgeleid uit het toetsingskader dat geldt voor het toepassen van de actualiseringsplicht van artikel 2.30 van de Wabo, dat is opgenomen in artikel 5.10, derde lid van het Bor. Op grond van artikel 2.31, tweede lid, heeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om een vergunning aan te passen. Deze mogelijkheid bestaat voor zover dit in het belang van de bescherming van het milieu is.

Artikel 2.31a, eerste lid van de Wabo geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om, ter bescherming van het milieu, andere technieken voor te schrijven dan in de aanvraag zijn opgenomen en daarmee de grondslag van de aanvraag te verlaten. Op grond van artikel 2.31a, tweede lid is de vergunninghouder verplicht desgevraagd gegevens aan het bevoegd gezag over te leggen die nodig zijn voor de beoordeling of alle relevante BBT-maatregelen worden toegepast.

2.2. Beste beschikbare technieken

In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast.

Bij het opstellen van de omgevingsvergunning milieu moet rekening worden gehouden met de BBT-conclusies. De Europese Commissie stelt de BBT-conclusies op en maakt deze bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

BBT-conclusies is een document met de conclusies over beste beschikbare technieken, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, lid 5 en 7 van de Richtlijn industriële emissies (Rie).

Het verschil tussen artikel 13, lid 5 en lid 7 van de Rie is:

  • BBT-conclusies overeenkomstig artikel 13, lid 5 heeft de Europese Commissie vastgesteld na 6 januari 2011. Dit op basis van artikel 75 lid 2 van de Rie.

  • BBT-conclusies overeenkomstig artikel 13, lid 7 is het hoofdstuk Best available techniques (BAT) uit de BREF's. De Europese commissie heeft deze BREF's vastgesteld vóór 6 januari 2011. Dit hoofdstuk geldt als BBT-conclusies totdat de Europese Commissie voor die activiteit nieuwe BBT-conclusies vaststelt.

Als op een activiteit of op een type productieproces binnen de inrichting waarvoor een vergunning is aangevraagd, geen BBT-conclusies of informatiedocumenten over BBT van toepassing zijn, of als de van toepassing zijnde BBT conclusies of informatiedocumenten niet alle mogelijke milieueffecten van de activiteit of het proces behandelen moet het bevoegd gezag de BBT zelf vast stellen. Hierbij houdt het bevoegd gezag in ieder geval rekening met:

  • de toepassing van technieken die weinig afvalstoffen veroorzaken;

  • de toepassing van stoffen die minder gevaarlijk zijn dan stoffen of mengsels als omschreven in artikel 3 van de EG-verordening(nr. 1272/2008) indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels;

  • de ontwikkeling, waar mogelijk, van technieken voor de terugwinning en opnieuw gebruiken van de bij de processen in de inrichting uitgestoten en gebruikte stoffen en van afvalstoffen;

  • vergelijkbare processen, apparaten of wijzen van bedrijfsvoering die met succes in de praktijk zijn beproefd;

  • de vooruitgang van de techniek en de ontwikkeling van de wetenschappelijke kennis;

  • de aard, de effecten en de omvang van de betrokken emissies;

  • de data waarop de installaties in de inrichting in gebruik zijn of worden genomen;

  • de tijd die nodig is om een betere techniek toe te gaan passen;

  • het verbruik en de aard van de grondstoffen, met inbegrip van water, en de energie-efficiëntie;

  • de noodzaak om het algemene effect van de emissies op en de risico’s voor het milieu te voorkomen of tot een minimum te beperken;

  • de noodzaak ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor het milieu te beperken.

De op één van deze criteria vastgestelde BBT moet een milieubeschermingsniveau garanderen dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau in de BBT-conclusies.

Concrete bepaling beste beschikbare technieken

Binnen de inrichting worden één of meer van de activiteiten uit bijlage 1 van de Rie uitgevoerd en wel de volgende: categorie 5.3b onder i.

Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofactiviteit en aan andere relevante BBT-conclusies.

Op grond van artikel 9.2 van de Mor moet voor het bepalen van BBT binnen de inrichting aanvullend een toetsing plaatsvinden aan relevante aangewezen informatiedocumenten over BBT.

Uit jurisprudentie is gebleken dat het bevoegd gezag bij het toetsen aan BBT-conclusies de ontwikkelingen van BBT moet nagaan die sinds het vaststellen van de BBT-conclusies hebben plaatsgevonden. Bronnen voor ontwikkelingen over BBT zijn onder andere de concepten van herziene BREF’s.

Bij het bepalen van de BBT hebben we rekening gehouden met de van toepassing zijnde BBT-conclusies van de BREF Afvalbehandeling versie 17 augustus 2018. Hieronder volgen de overwegingen.

Shredder- en zeefinstallatie

In de verleende vergunningen is aangegeven dat er sprake is van het shredderen en zeven van snoeihout en stobben (houtachtig afval) en dat het geshredderd materiaal met ander niet-houtachtig materiaal (waaronder ca. 10% agrarisch materiaal) wordt gecomposteerd.

Op 18 december 2019 is het eindrapport over ZZS in afvalstoffen verschenen van SGS Intron B.V.

(Rapportnr. A108010/R20190414a). Uit dit rapport blijkt dat voor partijen (grof) groenafval niet wordt verwacht dat dit afval zeer zorgwekkende stoffen boven de concentratielimiet uit het LAP3 bevat.

Ons inziens zijn er bij deze vorm van behandeling van afval geen risico’s te verwachten op het gebied van diffuse emissies naar de lucht. Toepassing van BBT 14d van de BREF kan achterwege blijven als eventuele diffuse stofemissie op een andere in BBT 14 beschreven wijze wordt beperkt. Dat betekent dat de activiteit ook buiten plaats mag vinden.

Wel dienen dan maatregelen te worden getroffen opdat bij het niet inpandig shredderen en zeven van snoeihout en stobben zoveel mogelijk wordt voorkomen dat stofverspreiding optreedt die op een afstand van meer dan 2 meter van de bron visueel (met het blote oog) waarneembaar is. Omdat de inrichting valt onder de BREF afvalbehandeling (zie ook BBT 14e), zijn hier voorschriften voor opgenomen.

2.3. Conclusie

Gezien het vorenstaande voegen wij een aantal aanvullende voorschriften toe aan de omgevingsvergunning van 5 oktober 2004 in verband met de BBT-conclusies Afvalbehandeling.

BEGRIPPENLIJST

Voor de begrippen die niet in deze lijst zijn opgenomen refereren wij naar de definities zoals die zijn opgenomen in de geldende wet- en regelgeving (zoals het Activiteitenbesluit, de Activiteitenregeling, het Besluit omgevingsrecht, het Besluit externe veiligheid inrichtingen, de Wet geurhinder en veehouderij etc.)

Begrip

Definitie

Considerans

BBT

Beste Beschikbare techniek genoemd in een BBT-document.

BREF

BAT Reference document. Een in Europees verband vastgesteld document waarin de BBT worden beschreven die specifiek zijn voor een bepaalde branche of activiteit.

ILT

Inspectie Leefomgeving en Transport

InfoMil

Het informatiecentrum in Nederland over milieuwet- en regelgeving.

IPPC

Integrated Pollution Prevention and Control

Bijlage 1

Milieubeheersysteem (MBS) Afvalbedrijven

  • I.

    Inleiding

    Op grond van maatregel BBT1 maatregel zoals opgenomen in de BREF/BBT-conclusies Afvalbehandeling dient ter verbetering van de algehele milieuprestaties en de controle daarop een milieubeheersysteem (MBS) te worden ingevoerd. Dit document is bedoeld ter ondersteuning voor het opstellen van een MBS. De concrete invulling en het detailniveau van het MBS is afhankelijk van de specifieke situatie (bv. Aard, omvang en complexiteit van het bedrijf en alle mogelijke milieueffecten ervan) en dient op bedrijfsniveau bepaald te worden. Zo zal een milieuzorgsysteem van een klein bedrijf minder uitgebreid zijn dan dat van een groot bedrijf. Het opstellen en toepassen van een milieuzorgsysteem vergt inspanningen en tijd maar door het toepassen van een milieuzorgsysteem kan de milieu-impact algemeen beperkt worden.

  • II.

    Beschrijving bedrijf.

Invullen:

  • 1.

    Beschrijving van het bedrijf

    • a)

      Naw gegevens.

    • b)

      De IPPC categorie.

  • III.

    Het milieubeleid en naleven van toepassing zijnde milieuregelgeving (BBT1) :

Invullen met aandacht voor:

  • a)

    Op welke wijze is het management betrokken bij het milieubeleid.

  • b)

    Definiëren wat het milieubeleid is van het bedrijf.

  • c)

    Hoe is het milieubeleid uitgewerkt door het management en waaruit blijkt dat er sprake is van continue verbetering van de milieuprestaties.

  • IV.

    Een kwaliteitssysteem toepassen. Noodzakelijke procedures opstellen en implementeren (BBT1):

Invullen met aandacht voor:

  • 1.

    Structuren van taken en verantwoordelijkheden:

    • a)

      Implementeren en uitvoeren van de procedures met bijzondere aandacht voor;

      • bedrijfsorganisatie en verantwoordelijkheid;

      • aanwerving, opleiding, bewustmaking en bekwaamheid;

      • communicatie;

      • betrokkenheid van de werknemers;

      • documentatie (bijhouden van gegevens, registraties);

      • efficiënte procescontrole;

      • onderhoudsprogramma's;

      • monitoring;

      • noodplan en rampenbestrijding;

      • waarborgen van de naleving van de milieuwetgeving;

      • Interne audits (planning en wijze van uitvoeren).

    • b)

      Taken en verantwoordelijkheden: Wie is waar verantwoordelijk voor. Denk hierbij aan voorschriften uit de vergunning, onderhoudstermijnen maar ook het bijhouden van nieuwe wet- en regelgeving en het informeren van personeel hierover en het volgen van de ontwikkelingen op het vlak van schonere technologieën.

    • c)

      Wie controleert of taken door verantwoordelijke zijn uitgevoerd en eventueel opstellen corrigerende maatregelen.

    • d)

      Opstellen onderhouds- en inspectieprogramma’s.

    • e)

      Op welke wijze wordt bijgehouden/geregistreerd dat de dagelijkse, wekelijkse, maandelijkse, jaarlijkse taken en verplichtingen (uit de vergunning) zijn uitgevoerd waaronder ook de jaarlijkse elektronische verslaglegging E-PRTR.

    • f)

      Vastleggen dat het kwaliteitssysteem regelmatig wordt beoordeeld door de directie.

  • V.

    Borging en monitoring milieuaspecten

Invullen met aandacht voor:

  • 1.

    Afval* (BBT 2)

    • a)

      Opstelling en invoering van procedures voor de karakterisering en preacceptatie van afval.

    • b)

      Informatie over de eigenschappen van het te behandelen afval en de afvalverwerkingsprocessen.

    • c)

      Opstelling en invoering van procedures voor de acceptatie van afval.

    • d)

      Opstelling en invoering van een traceersysteem en inventarisatie voor afval.

    • e)

      Opstelling en invoering van een kwaliteitsbeheersysteem voor de output.

    • f)

      Waarborgen van afvalscheiding.

    • g)

      Waarborgen van de compatibiliteit van afval vóór het mengen of vermengen van afval.

    • h)

      Sortering van inkomend vast afval.

    • i)

      Het opstellen en uitvoeren van hanterings- en overbrengingsprocedures (BBT5).

    • j)

      Materiaalefficiëntie (BBT 22).

    • k)

      Hergebruik van verpakkingen (BBT 24).

    • l)

      Inventaris in en uitgaande stromen/Afvalinput monitoren (BBT 11 en 52)

* Er kan ook verwezen worden naar het van toepassing zijnde Acceptatie- en verwerkingsbeleid en administratieve organisatie en interne controle oftewel het A&V-beleid en AOIC. De onderdelen die niet beschreven worden in het A&V-beleid en AOIC dienen in het milieubeheerssysteem te worden beschreven.

  • 2.

    Afvalwater (BBT 3, 6, 7, 11, 19 en 20)

    Om vermindering van emissies naar water te bevorderen, is het opstellen en actueel houden van een inventaris van afvalwater, als onderdeel van het milieubeheersysteem, noodzakelijk en dienen de volgende elementen te zijn opgenomen:

    • m)

      Opstelling en invoering van procedures aangaande het afvalwater;

    • n)

      Beschrijvingen van proces geïntegreerde technieken en afvalwaterbehandeling bij de bron, inclusief de prestaties ervan.

    • o)

      Informatie over de kenmerken van de afvalwaterstromen, zoals:

      • gemiddelde waarden en variabiliteit van debiet, pH, temperatuur en geleidbaarheid.

      • gemiddelde concentratie en belastingwaarden van de relevante stoffen en hun variabiliteit (bv. CZV/TOC, stikstofverbindingen, fosfor, metalen, prioritaire stoffen/microverontreinigingen waaronder ook ZZS);

      • gegevens over biologische verwijderbaarheid (bv. BZV, BZV/CZV-ratio, Zahn-Wellenstest, potentieel tot biologische inhibitie (bv. inhibitie van actief slib)).

    • d)

      Onderhoudsschema inspectie/controle data metingen (wettelijk dan wel op basis van verleende vergunningen).

    • e)

      Monitoring afvalwater. Registratie van uitgevoerde metingen/controles/inspecties/afvalwaterhoeveelheden en emissies.

  • 3.

    Lucht (BBT 3, 8, 9, 14 en 53)

    Om vermindering van emissies naar de lucht te bevorderen, is het opstellen en actueel houden van een inventaris van afgasstromen, als onderdeel van het milieubeheersysteem, noodzakelijk en dienen de volgende elementen te zijn opgenomen:

    • a)

      Opstelling en invoering van procedures aangaande (het voorkomen van) luchtemissies.

    • b)

      beschrijvingen van proces geïntegreerde technieken en afgasbehandeling bij de bron, inclusief de prestaties ervan.

    • c)

      informatie over de eigenschappen van de afgasstromen, zoals:

      • gemiddelde waarden en variabiliteit van debiet en temperatuur;

      • gemiddelde concentratie en belastingwaarden van de relevante stoffen en hun variabiliteit (bv. organische verbindingen, POP's zoals PCB’s en ZZS);

      • ontvlambaarheid, laagste en hoogste explosiegrenswaarden, reactiviteit;

      • de aanwezigheid van andere stoffen die van invloed kunnen zijn op het afgasbehandelingssysteem of de veiligheid van de installatie (bv. zuurstof, stikstof, waterdamp, stof).

    • d)

      Onderhoudsschema inspectie/controle data metingen (wettelijk dan wel op basis van verleende vergunningen).

    • e)

      Monitoring luchtemissies. Registratie van uitgevoerde metingen/ controles/inspecties.

  • 4.

    Opslag (BBT 4)

    • a)

      Geoptimaliseerde opslag.

    • b)

      Adequate opslag capaciteit.

    • c)

      Veilige opslag.

    • d)

      Afzonderlijke ruimte voor opslag en hantering van verpakt gevaarlijk afval.

  • 5.

    Geur (BBT 10, 12, 13 en 14)

    • a)

      Opstelling en invoering van procedures aangaande (het voorkomen) van geuremissies.

    • b)

      Om geuremissies naar de omgeving te beperken en te voorkomen een geurbeheerplan opstellen.

    • c)

      Geuremissies monitoren.

  • 6.

    Geluid- en trillinghinder (BBT 17 en 18)

    • a)

      Opstellen van een beheerplan voor geluid en trillingen om geluidemissies en trillinghinder naar de omgeving te beperken en te voorkomen:

      • Borging dat er op toegezien wordt dat er een verantwoord akoestisch beleid gevoerd wordt bij nieuwbouw, aanpassing bestaande gebouwen, terreininrichting, vervanging en aanpassing van installaties en vervoermiddelen en vervoersbewegingen.

    • b)

      Monitoring geluid. Uitvoeren geluidmetingen ene registreren.

  • 7.

    Bodem inclusief bodem beschermende voorzieningen (BBT 19).

    • a)

      Onderhoudsschema inspectie/controle data metingen bodem en bodem beschermende voorzieningen (wettelijk dan wel op basis van verleende vergunningen).

    • b

      Registratie van uitgevoerde metingen/controles/inspecties.

  • 8.

    Energie (BBT 11 en 23)

    • a)

      opstellen van een energiebeleidsverklaring door het management:

      • onderschrijving van het engagement van het management van de vestiging dat de onderneming werkt aan een optimale(re) energie-efficiëntie;

      • creëert het noodzakelijk draagvlak voor de implementatie van de energiebeheermaatregelen.

    • c)

      aanstellen van een energiecoördinator:

      • wordt aangesteld door het management;

      • coördineert het te volgen energiebeleid binnen de onderneming en ziet toe op een verantwoord (duurzaamheids) beleid bij nieuwbouw, aanpassing bestaande gebouwen, vervanging en aanpassing van installaties en vervoermiddelen;

      • is verantwoordelijk voor de communicatie (in beide richtingen) rond het energiebeleid en de daaruit voortvloeiende activiteiten.

    • d)

      Energieverbruik monitoren en registreren.

  • 9.

    Affakkeling (BBT 15 en 16)

    • a)

      Correct ontwerp van de installatie.

    • b)

      Installatiebeheer.

    • c)

      Monitoring en registratie als onderdeel van het fakkelbeheer.

  • 10.

    (Metaal)shredderinstallaties (BBT 8, 14, 25, 26, 27 en 28)

    • a)

      Monitoring.

    • b)

      Deflagraties te voorkomen.

    • c)

      Shreddervoeding stabiel te houden ikv energie.

    • d)

      Prestatie verbetering.

    • e)

      Voorkomen emissies bij incidenten.

  • 11.

    Behandeling AEEA VFK's en/of VKW’s bevatten (BBT 14, 29 en 30).

  • 12.

    Mechanische behandeling van afval met calorische waarde (BBT 31).

  • 13.

    Mechanische behandeling van kwikhoudende AEEA (BBT 32).

  • 14.

    Biologische behandeling van afval (BBT 33, 34, 35).

  • 15.

    Aerobe behandeling van afval (BBT 36 en 37).

  • 16.

    Anaerobe behandeling van afval (BBT 38).

  • 17.

    Mechanische biologische behandeling (MBB) van afval (BBT 39).

  • 18.

    Fysisch-chemische behandeling van vast afval en/of steekvast slib (BBT 40 en 41).

  • 19.

    Herraffinage van afgewerkte olie (BBT 42, 43 en 44).

  • 20.

    Fysisch-chemische behandeling van afval met calorische waarde (BBT 45).

  • 21.

    Regeneratie van afgewerkte oplosmiddelen (BBT 46, 47 en BBT-GEN onder 4.5).

  • 22.

    Thermische behandeling van afgewerkte actieve kool, gebruikte katalysatoren en uitgegraven verontreinigde grond (BBT 48 en 49).

  • 23.

    Reiniging van uitgegraven verontreinigde grond met water (BBT 50).

  • 24.

    Decontaminatie van PCB-houdende apparatuur (BBT 51).

  • VI.

    Borging en monitoring overige en algemene aspecten:

Invullen met aandacht voor:

  • 1.

    Een correcte inventaris van in- en uitgaande stromen bijhouden (monitoren en meten). Voorbeelden van parameters die via monitoring opgevolgd kunnen worden, zijn:

    • a)

      Waterverbruik (11 en 19).

    • b)

      Chemicaliënverbruik (BBT 11).

  • 2.

    Preventieve maatregelen toepassen om onvoorziene lozingen die schadelijk zijn voor het milieu te voorkomen, bv. door lekkage, verspilling, slecht werkende installaties of slecht werkende controlesystemen (BBT 5, 14, 19, 21, 32 en hfdst. 6.2):

    • a)

      inventariseren mogelijke bronnen van onvoorziene lozingen die schadelijk zijn voor het milieu;

    • b)

      Controlemaatregelen identificeren en toepassen ter voorkoming van onvoorziene lozingen en ter beperking van het schadelijk effect voor het milieu (bv. alarm, noodbuffer, verzegelde noodaansluiting).

  • 3.

    Noodplan opstellen, implementeren en regelmatig uittesten, bv. (BBT 1 en 23)

    • a)

      Branddetectie, brandblusapparatuur, brandweg, pictogrammen, jaarlijkse evacuatieoefening.

    • b)

      Onderhouds/Inspectie signalering en registratie brandpreventie middelen zoals branddetectie- en brandblusapparatuur.

    • c)

      Ongevallenbeheerplan.

    • d)

      Zoneringsplan opstellen (ivm stofexplosies).

    • e)

      Incidenten en onvoorziene gebeurtenissen onderzoeken en rapporteren.

    • f)

      Procedure opstellen melden ongewoon voorval aan bevoegd gezag.

  • VII.

    Informatieverstrekking en training/coaching met het oog op bewustzijn en betrokkenheid van de werknemers BBT 1):

Invullen met aandacht voor:

  • 1.

    Communicatie en training zijn belangrijk om medewerkers te sensibiliseren:

    • a)

      Interne communicatie.

      • i.

        management/energiecoördinator: informatie verspreiden (aanpak, doelstellingen, enz.) en maar ook terugkoppeling van resultaten (bv. aantal Euro’s bespaard);

      • ii.

        werknemers: verzamelen van ideeën, voorstellen en eventuele vragen op het gebied van opleidingen.

    • b)

      externe communicatie:

      • iii.

        ketenefficiëntie verbeteren; samen met leveranciers en klanten zoeken naar energetische verbeteringen (ook op vlak van transport en logistiek);

      • iv.

        regelmatige en gepaste communicatie naar de omgeving van de onderneming over behaalde resultaten op gebied van bv. energiereducties en maatregelen ter verbetering van de leefomgeving.

    • c)

      De aandacht die gegeven wordt aan opleiding en training.

    • d)

      Onderwerpen die tijdens de trainingen aan bod kunnen komen zoals:

      • mogelijke problemen die zich voordoen tijdens de normale bedrijfsprocessen;

      • mogelijke problemen die zich voordoen in niet-routine situaties;

      • risicoanalyse van bedrijfsprocessen.

  • VIII.

    Potentieel en impact van nieuwe schone technologieën onderzoeken/bijhouden (BBT 1):

Invullen met aandacht voor:

  • 1.

    Aandacht voor innovatie.

  • 2.

    Borgen dat bij de ontwerpfase van een nieuwe installatie rekening wordt gehouden met de milieueffecten tijdens de volledige levensduur en de latere ontmanteling ervan.

  • 3.

    Op regelmatige basis een sectorale benchmarking uitvoeren.

Naar boven