Besluit omgevingsvergunning tijdelijke wijziging indirecte lozing bedrijfsafvalwater

  • I.

    Onderwerp

Op 15 november 2022 is een aanvraag om een omgevingsvergunning ontvangen van FrieslandCampina Nederland B.V. (verder FCNL). Het betreft een tijdelijke indirecte lozing van bedrijfsafvalwater. De aanvraag heeft betrekking op de locatie Pieter Stuyvesantweg 1 te Leeuwarden. De aanvraag is geregistreerd onder nummer OLO-nummer 7379793.

De volgende activiteiten zijn aangevraagd:

  • Veranderen van een inrichting (milieu) (artikel 2.1 lid 1 sub e Wabo).

  • II.

    Besluit

Het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân besluiten, gelet op de overwegingen die zijn opgenomen in deze vergunning en gelet op artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo):

  • 1.

    de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen overeenkomstig de aanvraag en de bij de aanvraag behorende bescheiden;

  • 2.

    dat de vergunning wordt verleend voor het veranderen of veranderen van de werking en het in werking hebben van een inrichting (artikel. 2.1 lid 1onder e Wabo);

  • 3.

    dat de volgende stukken deel uitmaken van de vergunning:

    • Aanvraagformulier, d.d. 15 november 2022, kenmerk 7379793;

    • Toelichting bij de aanvraag zijnde document RFCL-verandervergunningafvalwater_2022_v2, d.d. 5 december 2022;

    • De volgende rioleringstekeningen die deel uitmaken van de vergunningaanvraag:

      • R01 Noord buitenriolering;

      • R02 Zuid A buitenriolering;

      • R03 Zuid B buitenriolering;

      • R04 Zuid C buitenriolering en

      • R05 Greuns buitenriolering;

  • 4.

    dat er een voorschrift aan de vergunning wordt verbonden;

  • 5.

    dat voor zover de vergunningaanvraag niet in overeenstemming is met het gestelde voorschrift, het voorschrift bepalend is en de vergunning voor de volgende onderdelen te verlenen voor bepaalde tijd, zijnde tot en met 31 december 2023.

  • III.

    Procedure

Deze beschikking tot verlenen van de omgevingsvergunning is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo.

Namens Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân,

Hoogachtend,

S.G.C. Boender

Afdelingshoofd Vergunningverlening en Specialistisch Advies

Kopie

College van Burgemeester en Wethouders

van de gemeente Leeuwarden

Postbus 21000

8900 JA LEEUWARDEN

Brandweer Fryslân

Postbus 612

8901 BK Leeuwarden

Wetterskip Fryslân

Postbus 36

8900 AA LEEUWARDEN

Rechtsbeschermingsmiddelen

De aanvraag en de beschikking met bijbehorende stukken liggen vanaf 13 maart 2023 ter inzage. Een dag nadat de beschikking ter inzage is gelegd, start de beroepstermijn van zes weken. In die periode kunnen zowel u als belanghebbenden beroep aantekenen tegen deze beschikking. Het beroepschrift moet in tweevoud ingediend worden bij de Voorzitter van de Rechtbank Noord-Nederland, Afdeling bestuursrecht, Postbus 150, 9700 AD Groningen.

Het beroepschrift moet worden ondertekend en moet ten minste de volgende gegevens bevatten:

  • naam en adres van de indiener;

  • de dagtekening;

  • een omschrijving van het besluit waartegen het beroep is gericht;

  • de gronden van het beroep.

Bij het beroepschrift moet zo mogelijk een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft, worden overgelegd.

De dag nadat de beroepstermijn is verstreken, treedt de beschikking in werking.

Het indienen van een beroepschrift stelt de werking van de beschikking niet uit. Als u of belanghebbenden niet willen dat deze beschikking in werking treedt na afloop van de beroepstermijn, kan tijdens die termijn om een voorlopige voorziening worden verzocht. Dit verzoek kan worden gedaan bij de Voorzitter van de Rechtbank Noord-Nederland, Afdeling bestuursrecht, Postbus 150, 9700 AD Groningen. De beschikking treedt in dat geval niet in werking voordat over dit verzoek is beslist.

Voor het indienen van een beroepschrift en een verzoek om voorlopige voorziening is griffierecht verschuldigd.

Het is ook mogelijk om digitaal beroep in te stellen en/of een verzoek om voorlopige voorziening te doen bij de genoemde rechtbank via http://loket.rechtspraak.nl/bestuursrecht. Daarvoor is het noodzakelijk te beschikken over een elektronische handtekening (DigiD). Kijk op bovengenoemde website voor de precieze voorwaarden.

VOORSCHRIFTEN MILIEU

1. lozingen

1.1 Algemeen

1.1.1 In de te lozen effluent meetvoorziening moet de in onderstaande tabel genoemde parameters voldoen aan de bijbehorende waarden:

Parameters lozen effluent meetvoorziening

Parameter

Voortschrijdend gemiddelde

over 7 opeenvolgende etmaalmetingen

Maximaal per etmaal

BZV/N

>3,6

-

v.e.

<50.000

70.000

kg P per jaar/v.e.

<2,0

-

v.e./m3

>3,6

-

Debiet (m³/etmaal)

<5.500

6.000

Chloride (mg/l)

<200

-

Zuurgraad*

6,5<pH<10,5

-

*gemeten in enig steekmonster

Overwegingen

Procedurele aspecten

  • 1.1

    Gegevens aanvrager

FCNL in Leeuwarden is een productielocatie van het zuivelconcern FCNL. Op de locatie vinden activiteiten plaats van de volgende entiteiten:

  • 1.

    FrieslandCampina Nederland B.V. (SPL = Supply Point Leeuwarden);

  • 2.

    FrieslandCampina Nederland B.V. (LQS = Laboratory & Quality Services).

Op deze locatie worden gecondenseerde melk en gedroogde zuivelproducten geproduceerd.

  • 1.2

    Projectbeschrijving

Het project waarvoor vergunning wordt gevraagd is als volgt te omschrijven:

  • Een tijdelijke indirecte lozing van het bedrijfsafvalwater via de afvalwaterbehandeling aan de Greunsweg op het gemeenteriool van de gemeente Leeuwarden ten behoeve van de optimalisatie van de afvalwaterlozing van PAVE2.

Bij besluit van 10 mei 2022 (kenmerk 2021-FUMO-0058970) is de aangevraagde tijdelijke lozing al toegestaan tot en met 31 december 2022. Met de nieuwe aanvraag verzoekt FCNL de tijdelijke lozing toe te staan tot en met 31 december 2023.

Een uitgebreide projectomschrijving is opgenomen in de aanvraag om vergunning.

Voor de volgende in de Wabo omschreven activiteit wordt een vergunning gevraagd:

  • het oprichten, veranderen of veranderen van de werking en het in werking hebben van een (deel)inrichting (artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo).

  • 1.3

    Uitgebreide procedure

Deze beschikking is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Gelet hierop zijn wij niet verplicht om van de aanvraag kennis te geven in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op andere geschikte wijze, tenzij bij de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag een milieueffectrapport (MER) moet worden gemaakt. Nu deze uitzonderingsgrond zich niet voordoet hebben wij geen kennisgegeven van de aanvraag. De ontwerpbeschikking heeft ter inzage gelegen van 9 januari tot en met 20 februari 2023. Naar aanleiding van de ontwerpbeschikking zijn geen zienswijzen ingediend.

  • 1.4

    Vergunde situatie

Voor de inrichting zijn eerder de onderstaande vergunningen en/of ontheffingen verleend dan wel meldingen gedaan:

Vergunningen en meldingen:

Soort

Datum

Kenmerk

Onderwerp

Revisievergunning (Wet milieubeheer)

16 december 2008

790713

Revisie van de vergunning

Melding 8.19 (Wet milieubeheer)

10 februari 2009

00809561

Centraliseren opslag gevaarlijke stoffen en nieuwe opslag

Ambtshalve wijziging (Wet milieubeheer)

8 oktober 2009

854555

Aanpassing voorschriften bodembescherming en opslag van K3-vloeistoffen boven lekbakken

Melding 8.19 (Wet milieubeheer)

15 juli 2010

00905168

Uitbreiding opslagcapaciteit

Melding 8.19 (Wet milieubeheer)

14 september 2010

00913835

Uitbreiding magazijnen

Omgevingsvergunning (Wabo) (veranderen en ambtshalve wijziging)

16 januari 2013

01036453

Uitbreiding capaciteit en ambtshalve wijziging voorschriften

Melding Activiteitenbesluit

20 oktober 2013

WFN1311827

Lozen koelwater

Omgevingsvergunning (Wabo) (milieuneutraal veranderen)

23 juli 2014

2014-FUMO-0001669

Milieustraat

Omgevingsvergunning (Wabo) (milieuneutraal veranderen)

10 september 2014

2014-FUMO-0001773

Sprinkler

Omgevingsvergunning (Wabo) (milieuneutraal veranderen)

1 april 2015

2014-FUMO-0003625

Lactose gebouw en leidingbrug

Omgevingsvergunning (Wabo) (milieuneutraal veranderen)

1 mei 2015

2015-FUMO-0004142

Cip 1 gebouw

Omgevingsvergunning (Wabo) (milieuneutraal veranderen)

9 juni 2015

2015-FUMO-0004924

Cip 2 / ijswaterinstallatie

Melding Activiteitenbesluit

31 januari 2020

a8yze4umni4

Intrekken ketel 11

Omgevingsvergunning (Wabo) (milieuneutraal veranderen)

13 maart 2020

Z2019-00012890

Dichtmaken luifel gebouw 13A

Omgevingsvergunning (Wabo) (veranderen)

9 september 2020

Z2020-00001601

Tijdelijke indirecte lozing

Omgevingsvergunning (Wabo) (milieuneutraal veranderen)

30 oktober 2020

Z2020-00008977

Plaatsen elektrische boiler

Omgevingsvergunning (Wabo) (milieuneutraal veranderen)

21 april 2021

Z2021-002328

Plaatsen nieuwe pompput

Omgevingsvergunning (Wabo) (milieuneutraal veranderen)

8 juli 2021

Z2021-005660

Plaatsen tijdelijke PGS 15 opslag voor de opslag van lak

Omgevingsvergunning (Wabo) (milieuneutraal veranderen)

23 september 2021

Z2021-006607

Het verlagen van de opslaghoeveelheid salpeterzuur in tank E5A1TO1

Omgevingsvergunning (Wabo) (milieuneutraal veranderen)

11 november 2021

Z2021-007343

Het vervangen van ammoniakkoelinstallaties

Omgevingsvergunning (Wabo) (milieuneutraal veranderen)

4 januari 2022

Z2021-011532

Het wijzigen van de toepassing van salpeterzuur naar zwavelzuur voor afvalwaterneutralisatie

Omgevingsvergunning (Wabo) (milieuneutraal veranderen)

16 maart 2022

2022-FUMO-0061628

Uitbreiden opslag zwavelzuur

Omgevingsvergunning (Wabo)

10 mei 2022

2021-FUMO-0058970

Tijdelijke wijziging indirecte lozing

Omgevingsvergunning (Wabo) (milieuneutraal veranderen)

1 juni 2022

2022-FUMO-0063976

Opslag lakken in PGS 15 voorziening

Omgevingsvergunning (Wabo) (milieuneutraal veranderen)

5 september 2022

2022-FUMO-0067059

Uitbreiden opslag zwavelzuur

  • 1.5

    Bevoegd gezag en vergunningplicht

De activiteiten van de inrichting vallen onder de volgende in Bijlage I onderdeel C van het Bor genoemde categorieën:

  • cat. 1, onderdeel 1.3 onder b (voor het verstoken van brandstoffen met een thermisch vermogen van 50 MW of meer);

  • cat. 9, onderdeel 9.3 onder a (voor het vervaardigen van melkpoeder, weipoeder of andere gedroogde zuivelproducten met een capaciteit ten aanzien daarvan van 1,5 ton per uur of meer);

  • cat. 9, onderdeel 9.3 onder b (het vervaardigen van consumptiemelk, consumptiemelkproducten of geëvaporiseerde melk of melkproducten met een melkverwerkingscapaciteit ten aanzien daarvan van 55.000.000 kg per jaar of meer);

  • cat. 9, onderdeel 9.3 onder c (het concentreren van melk of melkproducten door middel van indamping met een waterverdampingscapaciteit ten aanzien daarvan van 20.000 kg per uur of meer);

  • cat. 12, onderdeel 12.1 (voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van metalen, metalen voorwerpen of schroot dan wel behandelen van de oppervlakte van metalen of metalen voorwerpen).

De activiteiten van de inrichting vallen onder één of meerdere categorieën van bijlage I, onderdeel C van het Besluit omgevingsrecht (Bor) waarvoor geldt dat Gedeputeerde Staten bevoegd gezag kunnen zijn. Aangezien de inrichting een inrichting is waartoe een IPPC-installatie behoort (bijlage I, categorie 6.4.c van de Richtlijn industriële emissies), zijn wij op grond van artikel 2.4 Wabo in samenhang met artikel 3.3 en bijlage I onderdeel C van het Bor bevoegd om te beslissen op de aanvraag. Wij zijn er procedureel en inhoudelijk voor verantwoordelijk dat in ons besluit alle aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving aan de orde komen. Verder dienen wij ervoor zorg te dragen dat de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften op elkaar zijn afgestemd.

Er is sprake van een vergunningplicht op basis van:

  • 1a

    De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage 1, onderdeel C van het Bor, categorie 1.4, sub c. Er is daarmee sprake van een vergunningplichtige activiteit.

  • b.

    Tot de inrichting behoort een IPPC-installatie op grond van Bijlage 1 van de Rie, categorie 6.4, sub c. Om die reden is op grond van artikel 2.1, tweede lid van het Bor sprake van een vergunningplichtige inrichting.

  • c.

    Omdat de inrichting valt onder het Besluit externe veiligheid (Bevi) is, volgens het bepaalde in Bijlage 1, onderdeel B artikel 1, onderdeel a van het Bor, sprake van een vergunningplichtige inrichting.

  • 1.6

    Volledigheid van de aanvraag en opschorting procedure

Na ontvangst van de aanvraag hebben wij deze getoetst op volledigheid. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanvraag is dan ook volledig en in behandeling genomen.

  • 1.7

    Adviezen, aanwijzing Minister

In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.4 Bor, hebben wij in verband met de aanvraag advies gevraagd aan:

  • College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden;

  • Wetterskip Fryslân.

In verband met de wens van FCNL om de tijdelijke verhoging van de lozingseisen te verlengen tot en met 31 december 2023 hebben wij contact gehad met de gemeente Leeuwarden en het Wetterskip Fryslân. De gemeente en het waterschap hebben beide aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de verlenging van de aangepaste lozingseisen. De gemeentelijke riolering en de RWZI kunnen de tijdelijke verhoging van de vuilvracht aan. De gemeente Leeuwarden heeft wel aandacht gevraagd voor de nooduitlaten van de pompputten die zijn aangesloten op de gemeentelijke riolering. Bij een storing van de pompinstallaties zou onbehandeld afvalwater in het riool kunnen komen met mogelijk schade aan de riolering en veiligheidsrisico’s voor medewerkers als gevolg. Deze zorgen van de gemeente zijn door de FUMO besproken met FCNL. Naar aanleiding hiervan is in paragraaf 3.1.7 van de vergunningaanvraag beschreven hoe de negatieve effecten worden beheerst door FCNL:

“Incidenteel, bijv. in geval van een pompstoring of bij werkzaamheden aan de riolering of pompput, wordt het ongezuiverde bedrijfsafvalwater via de overloop op het gemeentriool geloosd. Deze situaties worden gemeld bij bevoegd gezag.

Bij de rioolbeheerder bestaat er zorg over aantasting van de riolering en de veiligheid van rioleringsmedewerkers:

  • 1.

    mogelijke vorming van ammoniak vanuit de reguliere lozing van FCL en

  • 2.

    incidentele lozing van ongezuiverd zuur afvalwater en afvalwater met hoge temperatuur van FCL via de noodoverlaten.

Ad 1: Ammoniak kan ontstaan bij de combinatie van hoge ammoniumgehaltes in het afvalwater, hoge pH en turbulentie van afvalwater. Uit onderzoek is gebleken dat door de lage ammoniumgehaltes en beperkte turbulentie het niet aannemelijk is dat ammoniak-emissie in gevaarlijke concentraties ontstaat. Bij metingen bij opening van rioolputten tussen FCL en de RWZI Leeuwarden werden ook geen onaanvaardbare gehaltes toxische gassen waargenomen.

Ad 2: De lozingen via de noodoverlaten zijn inmiddels aanzienlijk verminderd door het aanbrengen van een storingssignalering op bepaalde pompen. Het inwerkingtreden van de noodoverlaten is daardoor geminimaliseerd. Deze aanpak en de uitvoeringsvorm ervan is goedgekeurd door de vergunningverlenende instantie in de huidige tijdelijke vergunning van FCL. De pompen in pompputten van FCL zijn niet geschikt voor hoge temperaturen. Daardoor wordt geen water geloosd op de pompputten met een hoge temperatuur en zal ook een overloop op het gemeenteriool niet het riool aantasten vanwege een te hoge watertemperatuur.”

Wij vinden dat daarmee voldoende aannemelijk is gemaakt dat de mogelijke negatieve effecten als gevolg van storingen aan de pompinstallaties beheersbaar zijn

  • 1.8

    Besluit milieueffectrapportage

De activiteit van de inrichting (zuivelfabriek) zelf wordt als zodanig genoemd in bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.):

  • D 36. De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie van een zuivelfabriek waarbij de activiteit betrekking heeft op een productiecapaciteit van 30.000 ton per jaar of meer.

De huidige aanvraag heeft echter uitsluitend betrekking op het tijdelijk wijzigingen van de lozingssituatie. De verandering betreft niet de oprichting, de uitbreiding of wijziging van de productie of een nieuwe installatie ten behoeve van een zuivelfabriek in de zin van D 36 van het Besluit m.e.r. Dat betekent dat er is geen sprake van een verplichting tot het maken van een milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer of van een m.e.r.-beoordeling.

  • 1.9

    Wet natuurbescherming

In de Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen dat deze wet aanhaakt bij de Wabo wanneer:

  • 1.

    een activiteit plaatsvindt in of om een Natura 2000-gebied en deze activiteit de kwaliteit van de habitats en de habitats van soorten verslechtert (handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden), en/of;

  • 2.

    een activiteit plaatsvindt waarbij in onvoldoende mate sprake is van het beschermen van inheemse plant- en diersoorten en het bewaken van de biodiversiteit tegen invasieve uitheemse plant- en diersoorten (handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten).

De vergunningaanvraag heeft betrekking op het tijdelijk wijzigingen van de lozingen van afvalwater. Dit heeft geen gevolgen voor de emissies van stikstofverbindingen naar de lucht. Het is in verband met de beoogde wijziging niet nodig een vergunning aan te vragen in het kader van de Wet natuurbescherming.

  • 2.

    Milieu

  • 2.1

    Inleiding

De aanvraag heeft betrekking op het veranderen van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid aanhef en onder e, 2°, van de Wabo.

  • 2.2

    Toetsingskader

Gelet op artikel 2.14, lid 1 onder a, b en c van de Wabo hebben wij onder meer de volgende aspecten betrokken bij de beslissing op de aanvraag voor de omgevingsvergunning:

  • 1.

    de bestaande toestand van het milieu, voor zover de inrichting daarvoor gevolgen kan veroorzaken;

  • 2.

    de gevolgen voor het milieu, mede in hun onderlinge samenhang bezien, die de inrichting kan veroorzaken, mede gezien de technische kenmerken en de geografische ligging daarvan;

  • 3.

    de met betrekking tot de inrichting en het gebied waar de inrichting zal zijn of is gelegen, redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen die van belang zijn met het oog op de bescherming van het milieu;

  • 4.

    de mogelijkheden tot bescherming van het milieu, door de nadelige gevolgen voor het milieu, die de inrichting kan veroorzaken, te voorkomen, of zoveel mogelijk te beperken, voor zover zij niet kunnen worden voorkomen;

  • 5.

    het systeem van met elkaar samenhangende technische, administratieve en organisatorische maatregelen om de gevolgen die de inrichting voor het milieu veroorzaakt, te monitoren, te beheersen en, voor zover het nadelige gevolgen betreft, te verminderen, dat degene die de inrichting drijft, met betrekking tot de inrichting toepast, alsmede het milieubeleid dat hij met betrekking tot de inrichting voert;

  • 6.

    het geldende milieubeleidsplan;

  • 7.

    de in aanmerking komende beste beschikbare technieken.

Wij beperken ons in het onderstaande tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed (kunnen) zijn.

Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op het veranderen van onderhavige inrichting zijn wij voornemens de omgevingsvergunning te verlenen. In dit ontwerpbesluit is voor de te vergunnen activiteiten een voor de inrichting relevant voorschrift opgenomen.

De in de vergunning aangevraagde wijzigingen hebben geen gevolgen voor de aspecten verkeer en vervoer, geluid, bodem, externe veiligheid, geur, lucht en trillingen. Deze aspecten zijn voldoende geregeld door de geldende vergunning. In deze veranderingsvergunning worden daarom voor deze aspecten geen voorschriften gesteld, maar wordt verwezen naar de voorschriften bij de revisievergunning van 16 december 2008 en de daarop genomen aanpassingsbesluiten/veranderingsbesluiten (zie overzicht vergunningen en meldingen).

  • 2.3

    Samenhang met overige wet- en regelgeving 

IPPC-installaties

Vanaf 1 januari 2013 is de Europese richtlijn industriële emissies (RIE) in de Nederlandse milieuwetgeving geïmplementeerd (richtlijn 2010/75/EU. PbEU L334). De RIE geeft milieueisen voor de installaties die genoemd staan in de bij de richtlijn behorende bijlage I. Wanneer een installatie daar genoemd is, spreken we van een IPPC-installatie. Binnen de inrichting bevinden zich IPPC-installaties vallende onder de volgende categorieën uit bijlage I van de RIE.

  • categorie, categorie 6.4, sub c, de bewerking en verwerking van uitsluitend melk, met een hoeveelheid ontvangen melk van meer dan 200 t per dag (gemiddelde waarde op jaarbasis).

Activiteitenbesluit milieubeheer

In het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) zijn voor een groot aantal activiteiten die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden, rechtstreeks werkende, algemene regels opgenomen.

De inrichting waarvoor vergunning is aangevraagd, is aangemerkt als een inrichting waarvoor vergunningplicht (type C inrichting) geldt.

Binnen de inrichting vinden activiteiten plaats die vallen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit. Voor deze activiteiten moet worden voldaan aan de paragrafen uit het Activiteitenbesluit en de daarbij behorende Activiteitenregeling. Bij deze aanvraag is er geen sprake van hoofdstuk 3 activiteiten (hierin staan bepalingen met betrekking tot activiteiten, tevens geldend voor inrichtingen type C).

Voor het overige is per hoofdstuk of afdeling aangegeven of deze op een type C inrichting van toepassing is. Dit betekent dat ook hoofdstuk 1, afdeling 2.1 tot en met 2.4, 2.10 en 2.11 van hoofdstuk 2 en de overgangsbepalingen uit hoofdstuk 6 van het Activiteitenbesluit van toepassing kunnen zijn. Van belang voor deze vergunning is, of de inrichting ook voor de activiteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen voldoet aan BBT. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf.

Het voorschrift voor het onderdeel milieu, die in deze vergunning is opgenomen betreffen aspecten en activiteiten die niet zijn geregeld in het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling.

  • 2.4

    Beste Beschikbare Technieken

In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast.

Vanaf januari 2013 moet bij het bepalen van BBT rekening worden gehouden met BBT-conclusies en bij ministeriele regeling aangewezen informatiedocumenten over BBT. De Europese Commissie stelt de BBT-conclusies op en maakt deze bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

BBT-conclusies is een document met de conclusies over BBT, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, vijfde en zevende lid van de Richtlijn industriële emissies (RIE). Het vijfde lid verwijst naar BBT-conclusies vastgesteld na 6 januari 2011 onder het regime van de Rie. Het zevende lid verwijst naar de bestaande BREF’s. Het hoofdstuk uit deze BREF’s waarin de BBT-maatregelen staan (BAT hoofdstuk) zijn opgenomen, geldt als BBT-conclusies, totdat nieuwe BBT-conclusies zijn vastgesteld.

BBT-conclusies worden door de Europese commissie vastgesteld en bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (een uitvoeringsbesluit van de Europese commissie, dat gericht is tot de lidstaten). Zij worden daarom niet meer apart aangewezen in de Regeling omgevingsrecht.

Bij het bepalen van de BBT hebben wij rekening gehouden met de informatiedocumenten over BBT, zoals aangewezen in bijlage 1 van de Regeling omgevingsrecht (Mor).

Concrete bepaling beste beschikbare technieken

Bij het bepalen van de BBT hebben wij rekening gehouden met de volgende informatiedocumenten over BBT, zoals aangewezen in bijlage 1 van de Regeling omgevingsrecht (Mor):

  • BBT-documenten water, CIW 4 2000-02, "Integrale aanpak van risico's van onvoorziene lozingen", d.d. februari 2000.

Calamiteitenvoorziening

FCNL heeft de mogelijkheid om het afvalwater gedurende 10 uren te bufferen door gebruikmaking van de calamiteitentank en de behandelings-tanken. Daarnaast is er ook voldoende buffercapaciteit in de riolering om calamiteiten op te vangen voor de rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi). Uiteraard moet er dan wel op de riolering worden geloosd. In de huidige situatie is er geen aanleiding om te veronderstellen dat er onvoldoende buffercapaciteit aanwezig zou zijn waardoor de rwzi in problemen zou geraken.

Zodra er een besluit is genomen over de optimale lozingsvariant in het kader van het project 'Optimalisatie van de afvalwaterketen Leeuwarden' waarin de gemeente Leeuwarden, Wetterskip Fryslân en FCNL participeren, dan zal het punt van buffercapaciteit opnieuw moeten worden onderzocht.

Conclusies BBT

De inrichting voldoet - met inachtneming van de aan dit besluit gehechte voorschrift - aan BBT. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf.

  • 2.5

    Nationale milieubeleidsplan

Het algemene Rijksbeleid met betrekking tot het milieu is vastgelegd in het Nationale Milieubeleidsplan (NMP). Doel van het milieubeleid is een bijdrage te leveren aan een gezond en veilig leven, in een aantrekkelijke leefomgeving, te midden van een vitale natuur, zonder de mondiale biodiversiteit aan te tasten of natuurlijke hulpbronnen uit te putten.

In het NMP zijn geen direct werkende bepalingen of beperkingen opgenomen voor het verlenen van omgevingsvergunningen. Wel zijn onder andere landelijke doelstellingen geformuleerd voor de emissies van NOx, SO2 en VOS. Wij zijn van mening dat de werkwijze van FCNL niet in strijd is met het NMP.

  • 2.6

    Afvalwater

Algemeen

FCNL is een inrichting voor de productie van gecondenseerde melk en gedroogde zuivelproducten. Bij dit productieproces komt afvalwater vrij dat via de meetvoorziening en de gemeentelijke riolering op de rwzi van Leeuwarden wordt geloosd. Voor de lozing van dit “effluent meetvoorziening” is op 16 januari 2013 een omgevingsvergunning verleend. Omdat de vraag naar gecondenseerde melk wereldwijd sterk is toegenomen is FCNL in 2017 gestart met het opstarten van het nieuwe en efficiënte en tevens vergunde uitbreidingsproject PAVE2. Als gevolg van het opstarten en optimaliseren van de afvalwaterlozingen kan een aantal vergunningvoorschriften tijdelijk niet worden nageleefd.

Gedoogbesluit en tijdelijke veranderingsvergunning

Op 30 januari 2018 is een gedoogbeschikking verleend, kenmerk 2017-FUMO-0025669, welke van kracht was tot en met 31 december 2018. Vanwege vertraging in het project is de gedoogbeschikking op 18 december 2018 verlengd tot en met 31 december 2019, beschikking met kenmerk 2018-FUMO-0030374. Deze verlenging bleek niet voldoende, vanwege complexe automatisering. De gedoogbeschikking is nogmaals verlengd tot 1 oktober 2020, beschikking met kenmerk 2019-FUMO-36603/01722402. FCNL heeft aangegeven dat de vergunningvoorschriften voor een aantal parameters uit de vigerende omgevingsvergunning tot eind 2021 niet kunnen worden nageleefd. Omdat een gedoogbeschikking niet langer wordt verleend dan noodzakelijk, is in de voorschriften van de gedoogbeschikking van 18 december 2019, met kenmerk 2019-FUMO-36603/01722402, opgenomen dat er een ontvankelijke aanvraag voor een tijdelijke veranderingsvergunning moet worden ingediend. Hiervoor is op 9 september 2020 is een tijdelijke veranderingsvergunning voor de indirecte lozing verleend geldig tot en met 31 december 2021. Hierin is opgenomen dat in 2021 nog finetuning nodig zal zijn. De optimalisatie van procesinstellingen, zoals reinigen, energie- watergebruik en afvalwaterlozing zijn in 2021 uitgevoerd. De verwachting was dat de afvalwaterlozing dan weer zou voldoen aan de vigerende vergunningseisen die zijn gesteld in de omgevingsvergunning van 16 januari 2013. Het is gebleken dat het niet eenvoudig is om de installaties goed afgesteld te krijgen. De afvalwaterlozing van PAVE2 zal ook in 2022 niet volledig zijn geoptimaliseerd en kan het afvalwaterdebiet en de samenstelling grillig zijn. Daarnaast wordt sinds begin 2021 een studie uitgevoerd in het kader van "Optimalisatie van de afvalwaterketen Leeuwarden". Deze studie wordt uitgevoerd in samenwerking met Wetterskip Fryslân en gemeente Leeuwarden. FCNL heeft daarom op 22 november 2021 nogmaals een aanvraag ingediend en verzocht om een tijdelijke veranderingsvergunning voor de indirecte lozing van het afvalwater. Bij besluit van 10 mei 2022 (kenmerk 2021-FUMO-0058970) is deze aangevraagde tijdelijke lozing toegestaan tot en met 31 december 2022. Omdat het door allerlei omstandigheden FCNL niet lukt om per 1 januari 2023 aan de lozingseisen te voldoen is op 15 november 2022 uitstel gevraagd zodat per 1 januari 2024 aan de lozingseisen zal worden voldaan.

Verzoek om tijdelijke verandervergunning voor de indirecte lozing

In 2017 is PAVE 2 opgestart. Door de opstart van PAVE 2 is de kans op "dun"- en "dik" water toegenomen. Momenteel kan op alle drie de lijnen worden geproduceerd. Echter, door de complexe automatisering duurt het een geruime tijd voordat de installaties goed zijn afgesteld. In 2021 is begonnen met signaleren van afwijkingen, correcties hierop toe te passen en verder optimaliseren. Dit proces zal worden voortgezet in 2023. Het proces richt zich op de optimalisatie van de procesinstellingen, zoals reinigingen, energie- en waterverbruik en afvalwaterlozing.

In 2021 is tevens gestart met het project 'Optimalisatie van de afvalwaterketen Leeuwarden'. Dit is een studie die wordt uitgevoerd met Wetterskip Fryslân en de gemeente Leeuwarden. Het doel van het project is om te komen tot een gezamenlijke optimalisatie van kosten en baten en een zo hoog mogelijke maatschappelijke duurzaamheid. De afvalwaterlozing van FCNL is een belangrijke factor in deze afvalwaterketen. Er zijn inmiddels diverse lozingsvarianten uitgewerkt en in de praktijk getest. Er is voor alsnog geen definitieve keuze gemaakt. De verwachting is dat deze keuze in 2023 zal worden gemaakt, waarna FCNL een vergunningaanvraag voor indirecte lozing zal gaan doen.

Het procesafvalwater is de belangrijkste afwaterdeelstroom die van invloed is op de samenstelling van de indirecte afvalwaterlozing. Het procesafvalwater wordt via de bedrijfsriolering naar de interne afvalwaterbehandeling geleid. Het onbehandelde procesafvalwater heeft een basisch karakter. Om te kunnen voldoen aan de gestelde lozingseisen voor de zuurgraad (6,5< pH<10) voegt het bedrijf zwavelzuur toe voordat het afvalwater wordt geloosd op het gemeentelijk riool.

Om voor de keten de meest optimale situatie te bereiken wil FCNL een experiment uitvoeren waarbij minder zwavelzuur wordt gedoseerd en de pH van het geloosde afvalwater iets meer basisch is.

Ook wil FCNL een experiment uit voeren met minimale inspanning van de behandeling van het afvalwater gelijktijdig met de dosering van zwavelzuur. Dit heeft als effect dat er meer VE's per etmaal worden geloosd dan in de huidig situatie (voortschrijdend gemiddelde over 7 opeenvolgende etmaalmeting < 35.000 v.e., maximaal per etmaal < 50.000 v.e.).

Als gevolg van de voorgenoemde testen en experimenten verzoekt FCNL om de in de onderstaande tabel aangegeven waarden, behorende bij de genoemde parameters, als lozingseis tot 31 december 2023 op te nemen:

 

Voorgestelde parameters en waarden lozen effluent meetvoorziening

Parameter

Voortschrijdend gemiddelde

over 7 opeenvolgende etmaalmetingen

Maximaal per etmaal

BZV/N

>3,6

-

v.e.

<50.000

70.000

kg P per jaar/v.e.

<2,0

-

v.e./m3

>3,6

-

Debiet (m³/etmaal)

<5.500

6.000

Chloride (mg/l)

<200

-

Zuurgraad*

6,5<pH<10,5

-

*gemeten in enig steekmonster

Voor de vetgedrukte parameters geldt dat de bijbehorende waarden afwijken van de lozingseisen zoals bedoeld in voorschrift 1.1.1. van de tijdelijke vergunning Z2020-00001601 d.d. 9-09-2021.

Voor de cursief gedrukte parameters geldt dat deze afwijken van de vigerende omgevingsvergunning

Het verzoek om een tijdelijke verandervergunning voor de indirecte lozing heeft geen betrekking op de overige voorschriften uit de vigerende omgevingsvergunning.

Effluent afvalwaterbehandeling

Uit bovenstaande tabel blijkt dat de waarde van een aantal parameters is gewijzigd ten opzichte van de waarden zoals bedoeld in de tijdelijke veranderingsvergunning Z2020-00001601, d.d. 9-09-2020. De gewijzigde waarden hebben betrekking op de parameters BZV/N, v.e., debiet en zuurgraad. Met betrekking tot deze wijzigingen merken wij het volgende op:

  • Voor BZV/N is een verhouding van 3,6 aangevraagd en daarmee is er sprake van een toename t.o.v. van de vergunde situatie volgens de vergunning van 9 september (3,0). Deze toename heeft een gunstig effect op de stikstofverwijdering in de rwzi en daarom verwachten wij voor deze parameter geen problemen met de naleving van de lozingsvergunning van de rwzi. Wij merken hierbij nog wel op dat daarmee nog niet aan het uitgangspunt voor BZV/N > 4,0 voldaan is zoals vastgelegd in de beleidsnotitie “Doelmatige werking van zuiveringstechnische werken en grote lozers”;

  • Het aantal te lozen v.e. is toegenomen met gemiddeld 15.000 v.e. naar een waarde van maximaal 50.000 v.e., berekend over 7 opeenvolgende etmalen. De maximale hoeveelheid te lozen v.e. per etmaal bedraagt 70.000, een toename van 20.000 v.e. per etmaal. Omdat de rwzi over voldoende zuiveringscapaciteit beschikt verwachten wij geen problemen met de verwerking van deze extra vuillast;

  • Het gemiddelde debiet neemt toe van 5.000 naar 5.500 m3 per dag. De maximale hoeveelheid blijft ongewijzigd op 6.000 m3 per dag. De rwzi heeft voldoende hydraulische capaciteit om deze debietstoename zonder problemen te verwerken;

  • De pH range is uitgebreid tot maximaal pH = 10,5 (was 10,0). Omdat het te lozen effluent afvalwaterbehandeling doorgaans een basisch karakter heeft betekent dit dat er minder zwavelzuur nodig is voor de neutralisatie. Dit levert een besparing op in hulpstoffen en kosten. De geringe wijziging in pH heeft geen nadelige effecten op de doelmatige werking van de rwzi.

Gelet op het voorgaande hebben wij geen bezwaar om de gewijzigde waarden van de vier genoemde parameters tijdelijk over te nemen in het voorschrift van de veranderingsvergunning.

Tijdelijkheid

FCNL heeft in de aanvraag een tweetal redenen genoemd om een vergunning voor tijdelijke duur aan te vragen, namelijk het afvalwaterketenproject en het uitbreidingsproject PAVE 2.

Voor wat betreft het afvalwaterketenproject schatten wij in dat de na te streven doelen, te weten optimalisatie van kosten/baten en een zo hoog mogelijke maatschappelijke duurzaamheid, een positief effect zullen hebben op diverse milieucompartimenten. Mede hierdoor is het van belang dat dit project zo snel mogelijk wordt voltooid. Omdat veel onderzoek nodig is dat niet altijd het gewenste effect heeft opgeleverd en daarom tot ingrijpende wijzigingen in de planning heeft geleid, heeft het project vertraging opgelopen. Echter gelet op de fase waarin het project thans verkeert zijn wij van mening dat het aannemelijk is dat er spoedig een besluit kan worden genomen over de lozingsvariant.

Met betrekking tot PAVE 2 merken wij op dat dit project al vanaf 2017 loopt en dat er intussen al diverse gedoogsituaties zijn geweest waarbij het bedrijf in de veronderstelling was de automatisering en optimalisering van het proces binnen de gedoogtermijn te kunnen realiseren. Dit is echter keer op keer niet gelukt. In verband met het nog lopende afvalwaterketenproject is het naar ons inzicht te vroeg om nu concrete maatregelen voor te schrijven. Zodra er een besluit is genomen over de voorkeursvariant zal er meer duidelijkheid ontstaan over de lozingssituatie en de daarbij passende maatregelen. Zowel de lozingseisen als de maatregelen kunnen dan in een nieuw te verlenen vergunning worden opgenomen. Derhalve kunnen wij instemmen met het verzoek om een veranderingsvergunning te verlenen voor tijdelijke duur.

  • 2.7

    Conclusie

Gelet op het voorgaande zijn wij van mening dat de tijdelijke lozing en de daardoor mogelijk te veroorzaken verontreiniging van het oppervlaktewater en schade aan de doelmatige werking van de rwzi in voldoende mate kan worden tegengegaan en voorkomen door het stellen van het hiernavolgende tijdelijke voorschrift. Uit het oogpunt van waterkwaliteitsbeheer en het tijdelijk karakter hebben wij geen bezwaar tegen het verlenen van een tijdelijke veranderingsvergunning.

Naar boven