Provinciaal blad van Fryslân
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Fryslân | Provinciaal blad 2024, 7104 | andere beschikking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Fryslân | Provinciaal blad 2024, 7104 | andere beschikking |
Omgevingsvergunning A-Ware Cheese production B.V. en Fonterra Europe Manufacturing B.V, Mars 35-37 Heerenveen
Op 17 december 2021 is een aanvraag voor een omgevingsvergunning ontvangen van A-Ware Cheese production B.V. en Fonterra Europe Manufacturing B.V. Het betreft het vergroten van de productiecapaciteit van A-Ware/Fonterra en de realisatie van nieuwe gebouwen en installaties. De aanvraag heeft betrekking op De Mars 35-37 in Heerenveen. De aanvraag is geregistreerd onder Olo-nummer 6518261 en heeft als zaaknummer 2021-FUMO-0059621.
Wij besluiten, gezien de overwegingen die zijn opgenomen in deze vergunning en gelet op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de daarop betrekking hebbende uitvoeringsbesluiten en -regelingen aan A-ware Cheese Production B.V en Fonterra Europe Manufacturing B.V, voor de locatie Mars 35-37 in Heerenveen een (omgeving)vergunning:
op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c. (het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan te verlenen voor de afwijking van de bouwhoogte van de drogergebouwen (gebouwdelen 56&57) tot maximaal 48 meter. Aan de verlening van de vergunning zijn geen voorschriften verbonden.
op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e. (2° het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting en/of 3° het in werking hebben van een inrichting) te verlenen voor het vergroten van de productiecapaciteit en de realisatie van nieuwe gebouwen en installaties. Aan de verlening van de vergunning zijn voorschriften verbonden. Deze staan in de bijlage van dit besluit.
dat de voorschriften uit hoofdstuk 1 “Afvalwater” van de omgevingsvergunning van 29 juni 2018 met kenmerk 2018-FUMO-0027314 en de voorschriften 1.2.1 en 1.2.2 van de omgevingsvergunning van 1 februari 2022 met kenmerk 2021-FUMO-0051931 worden ingetrokken en vervangen door de voorschriften behorend bij dit besluit;
Namens het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân,
Hoofd afdeling Vergunningverlening en Specialistisch Advies
Bekendmaking, inwerkingtreding en rechtsbeschermingsmiddelen (definitieve) beschikking
Deze beschikking wordt bekendgemaakt door toezending aan de aanvrager. Daarnaast wordt een kennisgeving gegeven door publicatie in de Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad en in het Provinciaal blad van Fryslân via www.officielebekendmakingen.nl. De beschikking treedt in werking 6 weken na bekendmaking van het definitief besluit.
De aanvraag en de beschikking met de daarbij behorende stukken worden op grond van de Algemene wet bestuursrecht met ingang van 6 februari 2023 ter inzage gelegd. Inzage is mogelijk bij de gemeente Heerenveen, provincie Fryslân en bij de FUMO.
Een dag nadat de beschikking ter inzage is gelegd, start de termijn van zes weken voor het indienen van een beroepschrift. In die periode kunnen zowel u als belanghebbenden beroep aantekenen tegen deze beschikking. Ook niet-belanghebbenden kunnen beroep aantekenen indien zij een zienswijze hebben ingediend.
Het beroepschrift moet in tweevoud ingediend worden bij Rechtbank Noord-Nederland, Postbus 781, 9700 AT Groningen.
Het indienen van een beroepschrift stelt de werking van de beschikking niet uit. Als u of belanghebbenden niet willen dat deze beschikking in werking treedt na afloop van de beroepstermijn, kan tijdens die termijn om een voorlopige voorziening worden verzocht. Dit verzoek kan worden gedaan bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord Nederland, Postbus 781 9700 AT Groningen. De beschikking treedt in dat geval niet in werking voordat over dit verzoek is beslist.
De definitieve constructieve berekeningen en Tekeningen dienen uiterlijk 3 weken voor aanvang van de bouwwerkzaamheden ter goedkeuring aan de gemeente te worden voorgelegd. In de praktijk blijkt de periode van drie weken te kort. Als de gemeente fouten ziet leidt dit al snel tot vertragingen in de bouw. Wij raden daarom aan om een periode van zes weken aan te houden. Met de werkzaamheden mag pas na goedkeuring worden gestart.
U moet nog een veiligheidsplan indienen. Dit moet u uiterlijk drie weken voor de start van de werkzaamheden doen. Het doel van een veiligheidsplan is het vooraf inzichtelijk maken of een beoogd initiatief veilig en verantwoord in zijn relatie tot de directe omgeving en openbare ruimte gerealiseerd kan worden. In een veiligheidsplan moet u aangeven hoe u de veiligheid van de openbare ruimte, het bouwwerk, de aangrenzende en/of onderliggende percelen tijdens de bouw of sloop zal garanderen en waarborgen.
Het is verboden om zonder of in afwijking van een gebruiksmelding een bouwwerk in gebruik te nemen of te gebruiken indien daarin meer dan 50 personen tegelijk aanwezig zullen zijn. Op basis van het aantal personen zijn meer dan 50 personen aanwezig. Ten minste vier weken voor de voorgenomen aanvang van het gebruik dient een gebruiksmelding te zijn ingediend bij het bevoegd gezag.
De bouwconstructie van het gedeeltes kantoorfunctie en industriefunctie met een vloer van een gebruiksgebied hoger dan 5 meter bezwijkt bij brand in een brandcompartiment waarin de bouwconstructie niet ligt, niet binnen 90 minuten door het bezwijken van een bouwconstructie binnen of grenzend aan het brandcompartiment. Dit betekent dat in sommige gebouwgedeeltes de bouwconstructie 90 minuten brandwerend op bezwijken moet worden uitgevoerd. Dit aspect dient nader te worden aangetoond.
In BC71-05 level 27.000+ liggen enkele ammoniakruimtes. Deze zijn gelegen in één brandcompartiment voor de industriefunctie die kleiner is dan 2.500 m2. Echter volgens PGS13 dient elk van deze ruimtes in een apart brandcompartiment te liggen. De brandwerendheid rondom deze ruimtes is aangegeven, deze komt dus voort vanuit de PGS13.
Criterium brandwerendheid; Waar sprake is van uitbreiding tegen bestaande gevels aan (delen 23, 24, 32, 34, Rapportage project "HVN3 en MOONII A-Ware Fonterra" 5 42) betreft het veranderen van een buitengevel naar een inwendige brandscheiding. Volgens NEN 6069 dient te worden voldaan aan het criterium EI. Wij wijzen erop dat een buitengevel hier niet standaard aan voldoet, hier dient aandacht te worden besteed in de uitvoering. Er dient te worden aangetoond dat aan criterium EI wordt voldaan.
De toepassing van functiegebied, gebruiksgebied, verblijfsgebied en lichte/ andere industriefunctie wordt door elkaar en oneigenlijk toegepast. Het gebruiksgebied bestaat uit zowel functie- als verblijfsgebied, in beide gevallen zal de loopafstand van een punt in een gebruiksgebied tot de uitgang van het subbrandcompartiment moeten voldoen. Voor de toetsing zijn de opslaggebouwen (warehouse BC70-01, BC70-04, BC70-03, BC71-01, BC71-03, BC71-04 en BC 32-02) aangemerkt als lichte industriefunctie.
Een vluchtroute in een trappenhuis waarin een hoogteverschil van meer dan 8 meter wordt overbrugd, is een extra beschermde vluchtroute (EBV). De trappenhuizen in het plan hoger dan 8 meter worden aangemerkt als EBV. In sommige gevallen is sprake van een voorportaal (BC42-04) en wordt rondom de trap nog een extra brandwerende scheiding gelegd. Voor de ontvluchting is het vereist (op de verdiepingen) dat het voorportaal bij het EBV hoort, de vereiste brandwerendheid van 60 minuten is dan ook rondom dit voorportaal.
De brandslanghaspels zijn niet overal dekkend aanwezig en in sommige brandcompartimenten niet aangegeven (bijvoorbeeld verdiepingen warehouse 70 en BC60-01). Een dekkend haspelplan dient uiterlijk drie weken voor aanvang van de hiermee verband houdende werkzaamheden ter goedkeuring te worden ingediend bij het bevoegd gezag.
Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen.
Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden.
riolering, en van leidingdoorvoeren en mantelbuizen door wanden en vloeren beneden straatpeil moet het bouwtoezicht onmiddellijk na die voltooiing in kennis worden gesteld;
De hiervoor bedoelde kennisgevingen moeten schriftelijk worden gericht aan de FUMO, Postbus 3347, 8901 DH Leeuwarden of info@fumo.nl.
Voorschriften verandering milieu Inrichting
De ingevolge deze vergunning via de gemeentelijke riolering en de rioolwaterzuiveringsinstallatie te Heerenveen te lozen afvalwaterstroom mag uitsluitend bestaan uit het effluent egalisatietank, afkomstig van A-ware Cheese Production B.V. en Fonterra Europe Manufacturing B.V., Mars 35 en 37 te Heerenveen, zoals aangegeven op de bij de aanvraag gevoegde Tekeningen.
Bedrijfsafvalwater dat op het riool wordt geloosd moet aan de volgende eisen voldoen:
het sulfaatgehalte in enig steekmonster mag niet meer dan 300 mg/I bedragen, bepaald volgens NEN 6487 (1997), NEN-ISO 22743:2006 of NEN-ISO 22743:2006/C1:2007.
Als de vergunninghouder gebruik wil maken van een andere analyse of methode, moet deze geaccrediteerd zijn door de Raad van Accreditatie, of moet door de vergunninghouder worden aangetoond dat verkregen analyseresultaten vergelijkbaar zijn met de analyse volgens de NEN-norm.
* als gemiddelde van 7 aaneengesloten debietsproportionele etmaalmonsters.
** gemeten in een willekeurig steekmonster.
De meet- en analyseresultaten met betrekking tot het te controleren afvalwater moet binnen 6 weken na afloop van de controleperiode worden gerapporteerd aan het bevoegd gezag via toezichtenhandhaving@fumo.nl .
Indien de vergunninghouder voornemens is om stoffen en mengsels te gaan gebruiken die niet in de aanvraag zijn vermeld en die mogelijkerwijs in het afvalwater kunnen geraken, dan toetst de vergunninghouder deze stoffen volgens de algemene beoordelingsmethodiek (ABM) zoals bedoeld in de overwegingen.
De in voorschrift 2.4.1 bedoelde stoffen en mengsels die volgens de ABM zijn toegestaan (inspanningsverplichting C), moeten vóór gebruik gemeld worden aan het bevoegd gezag via toezichtenhandhaving@fumo.nl .
Wanneer een stof of mengsel niet aan de voorwaarden voldoet (saneringsinspanning Z, A of B), kan worden verzocht om de stof/preparaat te toetsen. Een verzoek daartoe dient minimaal een maand voorafgaand aan het gebruik van de stof/preparaat te worden gericht aan het bevoegd gezag via toezichtenhandhaving@fumo.nl.
Indien als gevolg van een calamiteit of andere uitzonderlijke omstandigheid niet aan de gestelde voorschriften wordt voldaan of kan worden voldaan, dient de vergunninghouder onmiddellijk maatregelen te treffen. De maatregelen dienen de nadelige invloed van de lozing op de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater en/of doelmatige werking van de rioolwaterzuiveringsinstallatie zoveel mogelijk te voorkomen dan wel te beperken of ongedaan te maken.
De binnen de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen bij toepassing van de sommatieregels (zoals genoemd in aanTekening 4, behorende bij I van de richtlijn 2012/18/EU van 4 juli 2012) mogen inclusief de hoeveelheden van deze aanvraag voor de verandering van de inrichting niet resulteren in een uitkomst die ten opzichte van de lage drempel van de Seveso III richtlijn groter is dan of gelijk is aan 1 en de aanwezige hoeveelheid niet meer mag zijn dan:
** Als bedoeld in richtlijn 2012/18/EU van 4 juli 2012
De ammoniakkoelinstallaties/-warmtepompen als bedoeld in voorschrift 3.5.1 van deze vergunning zijn in een machinekamer geplaatst en voldoen aan uitvoeringsopstelling 1. In een machinekamer is maximaal één ammoniakkoelinstallatie of warmtepomp aanwezig met een hoeveelheid ammoniak die niet meer bedraagt dan:
In de inrichting mag, behoudens in de daarvoor ingerichte installaties of in de daarvoor ingerichte ruimten, geen open vuur aanwezig zijn en mag niet worden gerookt. Deze bepaling voor wat betreft open vuur is niet van toepassing indien werkzaamheden moeten worden verricht waarbij open vuur noodzakelijk is. Vergunninghouder moet zich er van hebben overtuigd dat deze werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd zonder gevaar. Op een centrale plaats voor de uitgave van (werk-)vergunningen en ter plaatse moet een schriftelijk bewijs aanwezig zijn dat bedoelde werkzaamheden zijn toegestaan.
Het rook- en vuurverbod moet op duidelijke wijze kenbaar zijn gemaakt door middel van opschriften in de Nederlandse en Engelse taal of door middel van een symbool overeenkomstig de NEN 3011. Deze opschriften of symbolen moeten nabij de toegang(en) van het terrein van de inrichting zijn aangebracht. Zij moeten goed leesbaar c.q. zichtbaar zijn.
Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan:
De ligging van de beoordelingspunten is aangegeven op Tekening in de bijlage 1 “ligging beoordelingspunten geluid”. De beoordelingshoogte voor de dag- avond- en nachtperiode is 5 m boven maaiveld.
Binnen 3 maanden nadat de inrichting (gedeeltelijk) in overeenstemming met de vergunning in werking is gebracht, moet de vergunninghouder, door middel van een akoestisch onderzoek (controlerapportage), aan het bevoegd gezag aantonen dat aan geluidsvoorschrift 4.2.1 van deze vergunning wordt voldaan. De resultaten van dit akoestisch onderzoek moeten binnen deze termijn schriftelijk aan het bevoegd gezag worden gerapporteerd.
Het bevoegd gezag moet vooraf worden geïnformeerd over de opzet van het onderzoek en over de datum en het tijdstip waarop de geluidmetingen voor het in voorschrift 4.3.1 bedoelde onderzoek gaat plaatsvinden. Uitsluitend na toestemming van het bevoegd gezag kan worden overgegaan tot het uitvoeren van het onderzoek. Aan de opzet van het onderzoek kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen in verband met mogelijke specifieke omstandigheden.
De vrijkomende drooglucht, afkomstig van de Poederdroger A-ware 1, Poederdroger A-ware 2, Poederdroger Lactoferrine en Lactosedroger Fonterra, wordt door door een filtrerende stofafscheider gevoerd, die geschikt is om aan de in voorschrift 5.1.3 genoemde norm te voldoen. De filtrerende stofafscheider is voorzien van een stofcontrolesonde die het functioneren van de filtrerende stofafscheider continue bewaakt. In geval van storingen wordt een signaal afgegeven aan de controlekamer en worden corrigerende maatregelen genomen.
De concentratie van stof moet binnen 3 maanden nadat de installatie in gebruik is genomen, en vervolgens eenmaal per jaar worden gemeten (monitoring). Uiterlijk drie maanden na de meting worden de resultaten van de emissiemetingen van de puntbronnen inclusief toetsing aan de geldende emissiegrenswaarden overgelegd aan het bevoegd gezag. De emissiemetingen moeten worden uitgevoerd met genormaliseerde meetmethoden zoals vermeld in bijlage 2 “Metingen behorend bij voorschriften uit hoofdstuk 5”.
Het uitvoeren van periodieke metingen (monitoring) geschiedt door een rechtspersoon die voor deze verrichtingen geaccrediteerd is door een accreditatie-instantie. Indien de metingen worden verricht door een niet-geaccrediteerde instantie moet vooraf instemming zijn verkregen van het bevoegd gezag. De kwaliteit moet dan op andere wijze aantoonbaar geborgd zijn. Het bevoegd gezag wordt ten minste twee weken van tevoren op de hoogte gesteld van de periode waarin een periodieke meting of een parallelmeting zal worden uitgevoerd.
De silo’s voor de opslag van melkpoeder, lactosepoeder en lactoferrine zijn voorzien van filtrerende afscheiders om stofemissie tijdens het vullen en legen van deze te verminderen. De filters verkeren in goede staat van onderhoud, worden periodiek gecontroleerd en worden zo vaak als voor de goede werking nodig is schoongemaakt en vervangen.
Vergunninghouder mag - mits hiervoor vooraf schriftelijk goedkeuring is verleend door het bevoegd gezag en bij wijze van proef - andere dan in deze vergunning opgenomen technische installaties en/of alternatieve grond-, hulp-, of brandstoffen toepassen dan wel andere afvalstoffen verwerken. Goedkeuring wordt slechts verleend indien de proefneming noodzakelijk is om informatie te vergaren over de technische haalbaarheid van de andere toepassing en deze informatie niet op een andere wijze kan worden verkregen.
Het bevoegd gezag kan naar aanleiding van een onderzoeksopzet goedkeuring onthouden dan wel nadere eisen stellen aan de proefneming. Deze nadere eisen kunnen een beperking van duur of een beperking van de bij de proefnemingen te verwerken hoeveelheid materiaal betekenen. Tevens kunnen nadere eisen gesteld worden aan de milieuhygiënische randvoorwaarden van de proefnemingen.
Op 17 december 2021 is een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ontvangen. Het betreft een verzoek van:
A-ware Cheese Production B.V. gevestigd aan de Mars 35-37 te Heerenveen.
Het project waarvoor vergunning wordt gevraagd is als volgt te omschrijven:
A-ware Production B.V. (verder: A-ware) is voornemens om de productie van kaas te verhogen en de productie verder uit te breiden met boter, lactoferrine en melkpoeder. Fonterra Manufacturing B.V. (verder: Fonterra) is voornemens de lactosefractie van de gehele kaaswei op te werken tot poeder en een hoogwaardiger en zuiverder lactosepoedervariant te vervaardigen. Daarvoor wordt de lactoseverwerkingscapaciteit uitgebreid.
In onderstaande tabel is de voorgenomen productiecapaciteit (ten opzichte van de reeds vergunde capaciteit) weergegeven.
Ten opzichte van de vergunde situatie heeft de beoogde verandering van het gedeelte van A-ware betrekking op de volgende onderdelen:
installatie van een elektrische stoomketel als onderdeel van de hybride stoomvoorziening voor de bestaande productie/kaasmakerij: de warmtepompen en E-boiler voor de Goudse-kaasmakerij zullen worden ondergebracht in een eigen gebouw te midden van de melkontvangst, bestaande chemieopslagtanken Goudse-kaasmakerij en naastgelegen Mozzarella-kaasmakerij;
uitbreiding gebouw Mozzarella-kaasmakerij: het bestaande productiegebouw van de Mozzarella- kaasmakerij zal aan de noordkant worden uitgebreid. In de nieuwe ruimte komen productiefaciliteiten om lactoferrine te produceren. Lactoferrine is een hoogwaardig ingrediënt in kindervoeding. Ook levert het in potentie gezondheidsvoordelen op voor volwassenen vanwege een gunstige uitwerking op het immuunsysteem. Lactoferrine is van nature aanwezig in koemelk en zal worden gewonnen uit de rauwe melk. Het product wordt uit de melk afgescheiden en daarna gedroogd tot poeder;
realisatie nieuw productiegebouw: het nieuwe productiegebouw bestaat uit een zelfstandige melkontvangst, opslagtanks voor vloeibare grondstoffen, opslagtanks voor chemicaliën (waaronder natronloog 35%, zoutzuur 35%, salpeterzuur 25% en calciumchloride) en halffabricaten, voorfabriek, indampers en droogtorens om poeder te produceren, productie-installaties voor boterproductie en een nieuwe Research&Development-ruimte (waaronder ook voor gevaarlijke stoffen). Het nieuwe productiegebouw zal voorts beschikken over eigen utility-voorzieningen (CIP-reinigingsinstallaties, ijswaterinstallaties, proceswaterbehandeling voor hergebruik water, perslucht en luchtbehandelingskasten), kleed- en (bedrijfs)kantoorruimten. Ook de additionele hybride stoomvoorziening zoals hierboven beschreven wordt in dit nieuwe productiegebouw ondergebracht. Dit betreffen de nieuwe stoomketels en de E-boilers en warmtepompen voor de nieuwe productiefaciliteiten;
realisatie nieuw geklimatiseerd warehouse: vooralsnog is een gescheiden opslag voor kaas en een opslag voor poeder voorzien. Er worden hoogbouwstellingen met automatische hoogbouw- kranen geplaatst. De ruimten zullen worden geconditioneerd met behulp van luchtbehandelingskasten. Ook worden een kaasbehandelingslijn, inslag en uitslagruimten en een klein kantoor (logistiek) voorzien;
De beoogde uitbreiding van Fonterra heeft betrekking op onder andere:
Als gevolg van de voorgenomen uitbreiding zullen de rijroutes veranderen, waarbij personenwagens en vrachtwagens zoveel mogelijk van elkaar worden gescheiden.
Een uitgebreide projectomschrijving is opgenomen in de aanvraag om vergunning. Gelet op bovenstaande omschrijving wordt vergunning gevraagd voor de volgende in de Wabo omschreven activiteiten:
Het bouwen van een bouwwerk (artikel 2.1, lid 1, onder a van de Wabo)
Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening (artikel 2,1, lid 1, onder c van de Wabo)
Veranderen of veranderen van de werking van een inrichting (artikel 2.1, lid 1, onder e van de Wabo)
Uitrit aanleggen of veranderen:
1.3. Omschrijving van de aanvraag
De aanvraag bestaat uit de volgende delen:
1.4. Huidige vergunningsituatie
Voor de inrichting zijn eerder de onderstaande vergunningen en/of ontheffingen verleend dan wel meldingen geaccepteerd:
De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I onderdeel C van het Bor en Bijlage I van de Richtlijn industriële emissies (Rie). De volgende categorieën zijn relevant voor deze aanvraag:
Op grond van categorie 4.4, onder c en j van Bijlage I, onderdeel C van het Bor is sprake van een vergunningplichtige activiteit.
Het betreft een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort zoals genoemd in Bijlage I, categorie 6.4, onder c van de Rie. Om die reden is op grond van artikel 2.1, tweede lid van het Bor sprake van een vergunningplichtige inrichting.
Omdat de inrichting valt onder het Bevi is volgens het bepaalde in Bijlage I, onderdeel B, artikel 1, onderdeel a van het Bor, sprake van een vergunningplichtige inrichting.
Wij zijn bevoegd gezag voor de inrichting. Dit volgt uit artikel 2.4, tweede lid van de Wabo in samenhang met artikel 3.3, eerste lid van het Bor, op grond van de activiteiten van de inrichting, genoemd in Bijlage I, onderdeel C, categorie 9.3 van het Bor.
1.8. Coördinatie met de Waterwet
De aangevraagde activiteit heeft betrekking op een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort, waarbij geen sprake is van een handeling waarvoor een watervergunning voor het lozen van stoffen als bedoeld in artikel 6.27, eerste lid van de Waterwet is vereist. De coördinatiebepalingen zijn daarom niet van toepassing.
De uitbreiding van A-ware/Fonterra wordt gerealiseerd aan De Mars 35-37 in Heerenveen. Deze locatie heeft in de vigerende bestemmingsplannen “Bestemmingsplan Internationaal Bedrijvenpark Friesland (IBF)” (vastgesteld op 8 december 2012) en “1e partiële herziening van het bestemmingsplan Internationaal Bedrijvenpark Friesland (IBF)” (vastgesteld op 17 december 2012) de bestemming voor zuivelproductenfabrieken tot en met milieucategorie 5.1. De voorgenomen activiteit past met uitzondering van de bouwhoogte van een onderdeel van het uitbreidingsplan (droger gebouw) binnen deze bestemmingsplannen. Voor deze afwijking van de maximale bouwhoogte is op grond van artikel 2.12, lid 1, onder a, sub 2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een omgevingsvergunning aangevraagd.
1.10. Beoordeling van de aanvraag
Na ontvangst van de aanvraag hebben wij deze getoetst op volledigheid. In verband met het ontbreken van een aantal gegevens hebben wij de aanvrager op 17 februari 2022 in de gelegenheid gesteld om tot zes weken na de hiervoor genoemde datum de aanvraag aan te vullen.
Op verzoek van de aanvrager is deze termijn met 4 weken verlengd.
Wij hebben de aanvullende gegevens ontvangen op 22 april 2022. Naar aanleiding van het advies van Brandweer Fryslân hebben wij op 11 juli 2022 en 29 augustus 2022 gewijzigde gegevens ontvangen.
In verband met de beoordeling van de gevolgen op Natura 2000-gebieden hebben wij op 12 januari 2023 een gewijzigde rapportage stikstofdepositie onderzoek ontvangen.
Na ontvangst van de aanvullende gegevens hebben wij de aanvraag opnieuw getoetst op volledigheid. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag met de aanvullende gegevens voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanvraag is dan ook in behandeling genomen.
Deze beschikking is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Gelet hierop zijn wij niet verplicht om van de aanvraag kennis te geven in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op andere geschikte wijze, tenzij bij de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag een milieueffectrapport (MER) moet worden gemaakt. Nu deze uitzonderingsgrond zich niet voordoet hebben wij geen kennis gegeven van de aanvraag in De Leeuwarder Courant en het Friesch Dagblad.
Van het ontwerp van de vergunning hebben wij kennisgegeven in de Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad en op internet via https://officielelebekendmakingen.nl. Van 12 september 2022 tot en met 24 oktober 2022 heeft een ontwerp van de vergunning ter inzage gelegen en is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
1.12. Besluit milieueffectrapportage
Er is geen sprake van een directe m.e.r.-plicht op grond van artikel 7.2, derde lid Wm, omdat de activiteit oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie van een zuivelfabriek niet genoemd wordt in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.
De voorgenomen activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig op grond van artikel 7.2, eerste lid, onder b Wm. De activiteit is genoemd in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) in onderdeel D, categorie D 36 “De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie van een zuivelfabriek”. De uitbreiding heeft betrekking op een productiecapaciteit van 30.000 ton of meer.
Op 8 december 2021 hebben wij besloten dat bij de voorbereiding van het besluit op de aanvraag omgevingsvergunning voor het uitbreiden van de inrichting aan de Mars 35-37 in Heerenveen, geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld
1.13. Advies en verklaring van geen bedenkingen
In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor, hebben wij de aanvraag ter advies aan de volgende instanties/bestuursorganen gezonden:
Op 7 februari 2022 hebben wij een positief advies van Welstandadvies Team Heerenveen ontvangen.
Op 24 juni 2022 hebben wij advies ontvangen van Brandweer Fryslân over de activiteit bouwen en milieu. Dit advies hebben wij overgenomen voor zover het binnen de reikwijdte van de vergunning voor de activiteit milieu valt. Vervolgens hebben wij op 6 september 2022 advies over de activiteit bouwen ontvangen. Dit advies hebben wij overgenomen.
Op 1 juli 2022 hebben wij advies ontvangen van Wetterskip Fryslân over de op te nemen vergunningvoorschriften en daarbijbehorende overwegingen over afvalwaterlozingen. Dit advies hebben wij in deze vergunning overgenomen.
1.14. Wet natuurbescherming (Wnb)
Artikel 2.2aa van het Bor (Natura 2000-activiteiten en flora- en fauna- activiteiten) bepaalt dat een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo nodig is als sprake is van:
Een omgevingsvergunning natuur is niet van toepassing wanneer al toestemming op basis van de Wnb is verkregen of gevraagd. Verder is een omgevingsvergunning niet van toepassing wanneer voor het voorgenomen project geen vergunning en ontheffing op grond van de Wnb nodig is.
Bij de aanvraag is een rapportage van de toets aan de Wet Natuurbescherming gevoegd: Stikstofdepositie-onderzoek A-Ware Fonterra te Heerenveen, AnteaGroup, Projectnummer 0471826.100, definitief revisie 09, d.d. 11 januari 2023.
Voor het aspect stikstofdepositie is daarin een nadere beoordeling aan de hand van zes stikstofdepositie berekeningen (uitgevoerd in AERIUS Calculator versie 2022) uiteengezet. Uit de beoordeling en berekeningen blijkt dat het verschil in stikstofdepositie op beschermde N2000 gebieden, als gevolg van zowel de gebruiksfase als de aanlegfase, in de aangevraagde situatie ten opzichte van de referentiesituatie niet toeneemt. Er is sprake van intern salderen met de referentiesituatie die wordt gevormd door de Vvgb zoals afgegeven door het bevoegd gezag d.d. 3 mei 2018. De gevraagde veranderingen zijn daarom geen project waarvoor op grond van de Wnb een nieuwe vergunningplicht bestaat.
Het project vindt plaats binnen het bestaande bouwvlak. Voor de vaststelling van dit bouwvlak is onderzoek gedaan naar beschermde flora en fauna. Niet is gebleken dat beschermde soorten aanwezig (kunnen) zijn. Voor de verandering hoeft geen ontheffing op grond van de Wnb te worden aangevraagd. Een omgevingsvergunning natuur voor flora-en fauna-activiteiten is daarom niet van toepassing.
2. Inhoudelijke Overwegingen bouwen
De aanvraag omgevingsvergunning voor het (ver)bouwen van een bouwwerk (als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid onderdeel a van de Wabo) kan alleen worden verleend als deze voldoet aan de daarvoor gestelde toetsingscriteria.
Een toetsing aan deze criteria heeft plaatsgevonden.
De gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag omgevingsvergunning zijn getoetst aan de relevante voorschriften van het Bouwbesluit 2012. Op grond van de ingediende stukken ten behoeve van deze aanvraag is voldoende aannemelijk gemaakt dat er wordt voldaan aan het Bouwbesluit 2012.
De gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag omgevingsvergunning zijn getoetst aan de relevante voorschriften van de Bouwverordening van de gemeente Heerenveen. Wij zijn van mening dat de aanvraag voldoet aan de voorschriften van de bouwverordening van de gemeente Heerenveen.
Het perceel plaatselijk bekend Mars 35-37 te Heerenveen is gelegen in een gebied waarvoor de bestemmingsplannen ‘Internationaal Bedrijvenpark Friesland (IBF)’, ‘1e Partiële herziening van het bestemmingsplan Internationaal Bedrijvenpark Friesland (IBF)’, ‘Partiële herziening bestemmingsplannen parkeren’en ‘Partiële herziening bestemmingsplannen kamerverhuur’ zijn vastgesteld.
Op grond van artikel 4, lid 4.1 zijn de voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden bestemd voor bedrijfsgebouwen ten behoeve van bedrijven die zijn genoemd in bijlage 2 onder de categorieën 1 tot en met 4.2, ter plaatse van de aanduiding “bedrijf tot en met categorie 4.2” met de daarbij behorende wegen en paden, parkeervoorzieningen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder verticale reclame- en naamzuilen en vlaggenmasten.
Op grond van lid 4.2.1, sub d geldt voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van de bedrijven bedoeld in lid 4.1. sub a dat de bouwhoogte van een gebouw ten hoogste 25,00 m mag bedragen met dien verstande dat voor ten hoogste 30% van het bouwperceel de bouwhoogte van een gebouw ten hoogste 35,00 m mag bedragen. De bouwhoogte van de Poederfabriek is 48,00 m¹.
Het bouwplan is om deze reden strijdig met de regels van het bestemmingsplan. Zie verder onder ‘Handelen in strijd met een bestemmingsplan’
De gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag omgevingsvergunning zijn getoetst aan de door de gemeenteraad vastgestelde criteria zoals gesteld in de gemeentelijke welstandsnota.
De aanvraag is op 7 februari 2022 beoordeeld door het Welstandsadviesteam Heerenveen (verder: de commissie). De commissie is van mening dat de aanvraag voldoet aan redelijke eisen van welstand FR2021 - 573.
Wij nemen dit advies van de commissie over. De aanvraag voldoet aan redelijke eisen van welstand.
3. Inhoudelijke Overwegingen Handelen in strijd met een bestemmingsplan
De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a van de Wabo), is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan.
Op grond van artikel 2.10, tweede lid van de Wabo, is een aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen die in strijd is met het geldende bestemmingsplan, ook een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het afwijken van het geldende bestemmingsplan (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wabo). De aanvraag omgevingsvergunning kan slechts worden geweigerd indien vergunningverlening voor afwijking van het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.12 van de Wabo niet mogelijk is.
Bestemmingsplan/beheersverordening
Gelet op vorengaande is het bouwplan in strijd met de regels van de geldende bestemmingsplannen.
Voor zover sprake is van een aanvraag omgevingsvergunning voor gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c van de Wabo) kan de vergunning op grond van artikel 2.12 van de Wabo alleen worden verleend:
Ad. a. Toetsing binnenplanse afwijking
Het bestemmingsplan voorziet niet in een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid voor de geconstateerde strijdigheid.
Ad. b. Toetsing buitenplanse afwijking - kruimelgeval
Op grond van artikel 2.12 eerste lid, onder a, sub 2° van de Wabo, samen met artikel 4, onderdeel 1 van bijlage II van het Bor, kan medewerking worden verleend aan een buitenplanse afwijking via de zogenaamde kruimelregeling.
Ad. c. Toetsing buitenplanse afwijking - projectafwijkingsbesluit
Aan een buitenplanse afwijking voor een omgevingsvergunning die is voorzien van een ruimtelijke onderbouwing (projectafwijkingsbesluit) wordt niet toegekomen, omdat een buitenplanse afwijking - kruimelgeval tot de procedurele mogelijkheden behoort.
Afwijking van het bestemmingsplan is alleen wenselijk indien na een afweging van diverse belangen sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
Het is stedenbouwkundig verantwoord om een poedertoren van maximaal 50m¹ hoog toe te staan. Het complex van A-Ware is grootschalig. Deze hoogte overschrijding is voor een beperkt deel van het bouwplan en staat op voldoende afstand van aangrenzende percelen. De toren staat ook niet prominent aan de A7, maar aan de zijde van de Saturnus.
Het totale complex kent een zekere basishoogte waarbij de poedertoren onderdeel is van een grotere uitbreiding, welke aansluit bij het bestaande complex. In vormgeving en uitstraling wordt aangesloten bij de bestaande bebouwing met onder meer het hoogteaccent op de kop aan de A7; het hoogteaccent maakt daarmee in schaal en maat en vormgeving nadrukkelijk deel uit van het totaalontwerp voor het gehele complex. Daarnaast sluit de schaal van het complex aan op het naastgelegen complex met onder meer de droogtorens van Ausnutria.
De hoogte overschrijding van de poedertorens doet daarom geen afbreuk aan het straat- en bebouwingsbeeld, waardoor het stedenbouwkundig verantwoord is.
De hogere bouwwerken, in dit geval de trap en uitlaat/schoorsteen op de poedertoren, zijn van ondergeschikte aard ten opzichte van het totale plan. Het gaat hier om ondergeschikt bouwdelen op de top van de toren, waardoor dit geen invloed op het straat- en bebouwingsbeeld heeft. Om die reden kan met een dergelijke overschrijding worden ingestemd.
Gelet op bovenstaande overwegingen is het college van mening dat er geen beletsel is voor het verlenen van de omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan.
De aanvraag heeft betrekking op het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid aanhef en onder e van de Wabo.
4.2. Toetsing oprichten, veranderen en/of revisie
Bij onze beslissing op de aanvraag hebben wij conform artikel 2.14, eerste lid onder a, b en c van de Wabo:
In de onderstaande hoofdstukken lichten wij dit nader toe. Wij beperken ons tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed (kunnen) zijn.
De aangevraagde wijzigingen hebben geen gevolgen voor de aspecten waterbesparing, afvalpreventie, verkeer en vervoer. Deze aspecten zijn voldoende geregeld in de geldende vergunningen. In deze veranderingsvergunning worden daarom voor deze aspecten geen voorschriften gesteld, maar wordt verwezen naar de voorschriften bij de oprichtingsvergunning van 16 mei 2013.
In het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) zijn voor een groot aantal activiteiten, die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden, rechtstreeks werkende, algemene regels opgenomen.
De inrichting waarvoor vergunning is aangevraagd, is aangemerkt als een inrichting waarvoor vergunningplicht (type C inrichting) geldt.
Binnen het bedrijf vinden de volgende activiteiten plaats die vallen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit:
Er moet worden voldaan aan de volgende paragrafen uit het Activiteitenbesluit en de daarbij behorende Activiteitenregeling, voor zover deze betrekking hebben op de genoemde (deel)activiteiten:
Voor het overige is per hoofdstuk of afdeling aangegeven of deze op een type C inrichting van toepassing is. Dit betekent dat ook hoofdstuk 1, afdeling 2.1 tot en met 2.4, 2.10 en 2.11 van hoofdstuk 2 en de overgangsbepalingen uit hoofdstuk 6 van het Activiteitenbesluit van toepassing kunnen zijn. Van belang voor deze vergunning is, of de inrichting ook voor de activiteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen voldoet aan de best beschikbare technieken. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf.
Gelet op artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit moet de verandering van de inrichting worden gemeld. De aanvraag wordt ten aanzien van de activiteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen aangemerkt als melding. De voorschriften voor het onderdeel milieu, die in deze vergunning zijn opgenomen betreffen aspecten en activiteiten die niet zijn geregeld in het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling.
5. Beste beschikbare technieken
In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast.
Bij het opstellen van de omgevingsvergunning milieu moet rekening worden gehouden met de BBT-conclusies. De Europese Commissie stelt de BBT-conclusies op en maakt deze bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.
BBT-conclusies is een document met de conclusies over beste beschikbare technieken, vastgesteld overeenkomstig artikel 13 lid 5 en 7 van de Richtlijn industriële emissies (Rie).
Het verschil tussen artikel 13 lid 5 en lid 7 van de Rie is:
BBT-conclusies overeenkomstig artikel 13 lid 7 is het hoofdstuk Best available techniques (BAT) uit de BREF's. De Europese commissie heeft deze BREF's vastgesteld vóór 6 januari 2011. Dit hoofdstuk geldt als BBT-conclusies totdat de Europese Commissie voor die activiteit nieuwe BBT-conclusies vaststelt.
5.2. Concrete bepaling beste beschikbare technieken
Binnen de inrichting worden één of meer van de activiteiten uit bijlage 1 van de Rie uitgevoerd en wel de volgende: Bijlage I, categorie 6.4, onder c van de Rie, de bewerking en verwerking van uitsluitend melk, met een hoeveelheid ontvangen melk van meer dan 200t per dag (gemiddelde op jaarbasis).
Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit en aan andere relevante BBT-conclusies. Op grond van artikel 9.2 van de Mor moet voor het bepalen van BBT binnen de inrichting aanvullend een toetsing plaatsvinden aan relevante aangewezen informatiedocumenten over BBT.
Uit jurisprudentie met betrekking tot het bepalen van BBT bij het toetsen aan BBT-conclusies bij vergunningverlening is gebleken dat het bevoegd gezag bij het toetsen aan BBT-conclusies de actualiteit hiervan moet nagaan ten aanzien van de ontwikkelingen van BBT die sinds het vaststellen van de BBT-conclusies hebben plaatsgevonden. Bronnen voor ontwikkelingen ten aanzien van BBT zijn onder andere de concepten van herziene BREF’s.
Bij het bepalen van de BBT hebben we rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde BBT-conclusies:
Bij het bepalen van de BBT hebben wij rekening gehouden met de volgende informatiedocumenten over BBT:
Bovenstaande PGS-documenten zijn zogenaamde PGS Nieuwe Stijl Richtlijnen (PGS-NS Richtlijnen). Deze PGS-NS richtlijnen zijn in de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor) nog niet aangewezen als BBT-document. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zullen de PGS-NS-richtlijnen voor het omgevingsveiligheidsdomein hierin een juridische verankering krijgen.
In de PGS-NS richtlijnen is de actuele stand van de techniek voor (externe) veiligheid opgenomen. De PGS-NS richtlijnen bieden ten aanzien van (externe) veiligheid daarmee minimaal een gelijkwaardig beschermingsniveau dan de in de Mor aangewezen PGS-richtlijnen.
Punt van aandacht daarbij is de borging van de “bodem-maatregelen”. In de PGS-NS richtlijnen zijn geen voorschriften meer opgenomen over bodembescherming. Omdat binnen de inrichting een IPPC-installatie aanwezig is, zijn voor bodembescherming de regels uit het Activiteitenbesluit van toepassing (straks Besluit activiteiten leefomgeving). De bescherming van de bodem is daarmee geborgd.
5.3. BBT-conclusies Voedingsmiddelen en zuivel
Op 4 december 2019 zijn de BBT-conclusies Voedingsmiddelen en Zuivel gepubliceerd. Bij het bepalen van BBT, specifiek voor de verwerking van melk, hebben wij rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde BBT-conclusies.
Bij de aanvraag is het rapport Actualisatie BBT-Toets A-Ware en Fonterra Heerenveen gevoegd dat is opgesteld door IMD, met kenmerk PR000369 IMD21003, status definitief en gedateerd 10 december 2021. In deze rapportage staat aangeven op welke wijze aan de relevante BBT-conclusies wordt voldaan. Onderstaand worden enkele BBT-conclusies nader toegelicht.
A-ware en Fonterra beschikken beide over een geïmplementeerd milieuzorgsysteem gebaseerd op ISO 14001. Fonterra heeft haar milieuzorgsysteem tevens gecertificeerd conform deze ISO norm. Het milieuzorgsysteem voorziet in periodieke controles en inspecties van alle in de aanvraag genoemde administratieve, organisatorische en technische voorzieningen conform voorgeschreven normen. Ook energiezorg maakt onderdeel uit van het milieuzorgsysteem.
Een essentieel onderdeel van het zorgsysteem is dat er gewerkt wordt vanuit een goed omschreven visie (intentieverklaring), doelstellingen en de zgn. verbetercirkel. De jaarlijks bevindingen en eventuele nieuwe doelstellingen worden vastgelegd in het milieujaarverslag.
BBT 3 en 4 Monitoring afvalwater
In de huidige situatie wordt het geloosde bedrijfsafvalwater op verschillende meetpunten en met verschillende frequenties gemeten, bemonsterd en geanalyseerd. Naast diverse online meetsystemen en interne analysering met cuvetten worden ook 24-uurs monsters en weekmonsters extern geanalyseerd volgens NEN analysemethoden. De volgende meetgegevens van de NEN-analyses worden gehanteerd om de bestaande en nieuwe afvalwaterlozing te kwalificeren:
BBT 5 monitoring luchtemissies
Voor de extra nieuwe droogtorens voor het drogen van melk, lactoferrine en lactose tot poeders is de uitstoot van (fijn)stof relevant. Om de uitstoot van stof zoveel mogelijk te beperken worden ook de nieuwe drogers voorzien van nageschakelde (filter)technieken.
Bij het droogproces in de droogtorens ontstaat (fijn-) stof, veroorzaakt door poederrestdeeltjes in de drooglucht uit de droogtorens. De drooginstallaties zijn voorzien van een geïntegreerde lucht-/poederscheidingsinstallatie met daarin droge filterzakken van het type "naaldfilter". Hierdoor blijft de emissie van poederstof beperkt tot de emissie-eis van maximaal 5 mg stof/m³ drooglucht. Het functioneren van het filter wordt continu bewaakt door een zogenaamde stofcontrolesonde. In geval van storingen wordt een signaal doorgegeven aan de controlekamer welke 24/7 bezet is.
De monitoring van de hoeveelheid stofemissie wordt jaarlijks conform EN13284-1 uitgevoerd.
Fonterra zal de waterhuishouding verduurzamen door het opwerken van de afgescheiden waterfractie uit de wei tot proceswater met behulp van een proceswaterbehandelingsinstallatie. Hiervoor is momenteel een testinstallatie in gebruik. Het doel is maximaal hergebruik echter binnen de mogelijkheden van kwaliteitseisen (kijkrichting is 70-90%). Het hergebruik van water in productieprocessen en voor reiniging is wel gebonden aan strenge wettelijke kwaliteitseisen vanwege toepassing van geproduceerde ingrediënten voor babyvoeding. Deze eisen werken belemmerend op de hergebruiksmogelijkheden. Het behandelde water zal met name gebruikt kunnen worden voor ketelvoedingswater, koelwater en ijswater.
Het specifiek waterverbruik in liter per kg verwerkte melk voldoet aan de BBT-norm.
BBT 8 en 9 gebruik schadelijke stoffen
Bij A-Ware Fonterra worden de volgende technieken toegepast:
De CIP-systemen worden duurzaam ontworpen en kritisch ingesteld qua watergebruik en bewaakt met behulp van meetsensoren en PLC. Uitgangspunt is dat CIP-middelen duurzaam en effectief zijn en tijdens reiniging zoveel mogelijk worden hergebruikt. Naspoelwater wordt waar mogelijk hergebruikt als voorspoelwater. De werking van systeem en gebruik van CIP-middelen wordt continue gemeten en periodiek geëvalueerd. Waar mogelijk wordt bij de poederproductie zoveel mogelijk droog (via zogenaamde stofzuigers) gereinigd. De reinigingsmiddelen die worden toegepast, behoren niet tot waterbezwaarlijkheidsklasse Z (ZZS) of A (conform de ABM toets).
Koelmachines zijn gebaseerd op koelmiddelen die de ozonlaag niet kunnen aantasten en die een laag aardopwarmingspotentieel (GWP) hebben (natuurlijke koudemiddelen zoals ammoniak).
BBT 11 en 12 emissies naar water
In geval van (niet voorziene) calamiteiten waarbij de samenstelling afwijkt van de normale procesvoering, is een escapetank aanwezig. Een tweede escapetank is voorzien vanwege de uitbreidingen. Afhankelijk van de samenstelling kan het afgevangen afvalwater alsnog aan de egalisatietank worden toegevoegd of separaat worden afgevoerd per tankauto.
Het afvalwater wordt verzameld in een egalisatiebuffertank om pieken in debiet, pH, samenstelling en temperatuur af te vlakken. Onder optimale condities qua verblijftijd, samenstelling en temperatuur kan in de tank enige CZV-reductie plaatsvinden door denitrificatie. Het afvalwater wordt via de gemeentelijke riolering afgevoerd naar de RWZI,
BBT 14 voorkomen geluidemissie
Inpandig geluid wordt binnen gehouden door deuren in gebouwen veel mogelijk gesloten te houden. Deuren sluiten zoveel mogelijk automatisch. Gebouwen worden van materialen voorzien, waardoor geluidproductie naar buiten toe minimaal is. Bij de nieuwbouw alsmede de aanschaf van installaties, machines en transportmiddelen wordt rekening gehouden met de geluidemissie en geluidreductiemaatregelen.
De positionering van geluidbronnen op en aan gebouwen vindt vanuit geluidemissie strategisch plaats eventueel voorzien van geluidafscherming. Door bronmaatregelen worden geluid producerende installaties zoals compressoren, ventilatoren en pompen geluidsarm uitgevoerd.
BBT 13 en 15 Geluidbeheersplan en geurbeheersplan
Het opstellen van een geluidbeheersplan en geurbeheersplan is alleen van toepassing indien bij gevoelige receptoren geluidhinder of geurhinder valt te verwachten. Gelet op de resultaten van het akoestisch onderzoek dat deel uitmaakt van de aanvraag en de emissie van geur zeer beperkt is door het zoveel mogelijk toepassen van gesloten systemen, valt er geen geluidhinder of geurhinder te verwachten. De BBT-conclusies 13 en 15 zijn daarom niet van toepassing.
De volgende wijzigingen en maatregelen worden voorzien:
inzet van nieuwe minder energie verbruikende indamptechnieken en hoog efficiënte droog technieken. In het nieuwe ontwerp voor poederdroging wordt gebruik gemaakt van stoom-lucht verhitters in plaats van gasgestookte luchtverhitters. De huidige stoomketel heeft hier echter een onvoldoende hoge werkdruk voor. Daarom worden extra hogedruk stoomketels voorzien uitgevoerd als hybride systeem. Dat wil zeggen dat deze stookinstallaties zowel elektrisch als met aardgas kunnen worden gevoed. Het systeem bestaat uit twee identieke hogedruk stoomketels en een elektrisch verwarmde stoomketel (zogenaamde E-boiler). Insteek is de stoomvoorziening maximaal elektrisch te bedrijven op groene stroom. Aardgas kan dan als back up voorziening worden ingezet. De stoomketels zijn elkaars reserve, waarbij telkens uitsluitend één van de twee hogedruk stoomketels in bedrijf is. Ook wordt de inzet van een E-boiler systeem voor de ontlasting van de bestaande gas gestookte stoomketel voorzien.
Alle milieuprestatieniveaus voor energie en afvalwater liggen binnen de BBT bandbreedtes.
Centrifuges voor ontromen worden volgens BBT-specificaties ingekocht, geïnstalleerd en bedreven. Afgescheiden stromen worden verzameld en zoveel mogelijk hergebruikt. Slib/residu afkomstig van de centrifuges en separatoren wordt apart opgevangen, gesteriliseerd en opnieuw gebruikt als grondstof. De roompasteur wordt voorgespoeld met melk of water, waarbij de Alle vrijkomende wei van A-ware wordt door Fonterra verwerkt tot hoogwaardige zuivelproducten. Deels wordt de wei ook ingedikt en afgevoerd per truck.
Verpakkingsafval wordt gereduceerd door zoveel mogelijk aanvoer en afvoer van grondstoffen, hulpstoffen en producten in bulk of in retouremballage. Eventueel verpakkingsmateriaal wordt apart verzameld en opgehaald voor afvalverwerking en -recycling.
De nieuwe drooginstallaties zijn voorzien van een geïntegreerde lucht-/poederscheidings-installatie met daarin droge stoffilters. Door de leverancier wordt een maximale stofuitstoot van 5 mg stof/Nm3 drooglucht gegarandeerd. Wij hebben voorschriften aan de vergunning verbonden waarin een filterinstallatie is voorgeschreven en een emissienorm van 5 mg/Nm3 is opgenomen. Daarmee is geborgd dat aan BBT-conclusie 23 wordt voldaan.
Door het het rapport Actualisatie BBT-Toets A-Ware en Fonterra Heerenveen, IMD BV, met kenmerk PR000369 IMD21003, status definitief en gedateerd 10 december 2021 aan de vergunning te verbinden, hebben wij geborgd dat aan de van toepassing zijn de BBT-conclusies wordt voldaan.
5.4. BREF op- en overslag bulkgoederen (BREF ESB)
De BREF op- en overslag bulkgoederen (BREF ESB) is van toepassing op de opslag, het transport en de verlading van vloeistoffen, vloeibare gassen en vaste stoffen bij IPPC-installaties, onafhankelijk van de sector of industrie. De BREF gaat in op de emissies naar de lucht, bodem en water, waarbij de meeste aandacht uitgaat naar de emissies naar de lucht. De informatie met betrekking tot emissies van de opslag, handling en transport van vaste stoffen is gericht op stof.
Voor zover de opslag van (vloei-) stoffen aanleiding geeft tot risico's voor de bodem, zijn daarop de bepalingen van afdeling 2.4 van het Activiteitenbesluit van toepassing.
De opslag en overslag van inerte goederen valt onder de werkingssfeer van paragraaf 3.4.3 van het Activiteitenbesluit. Daarom kunnen hierover geen voorschriften in deze vergunning worden opgenomen.
Voor de opslag van gevaarlijke stoffen in verpakking en in bovengrondse tanks is aansluiting gezocht bij de Nederlandse PGS-richtlijnen 15 en 31 (zie hoofdstuk Externe veiligheid). Het transport en lossen van (gevaarlijke) stoffen vindt plaats volgens regelgeving zoals Activiteitenbesluit en PGS 15 en 31. Hiertoe zijn speciale transport en losvoorzieningen aanwezig. Dit is vastgelegd en geïmplementeerd m.b.v. procedures binnen milieuzorgsysteem en vanuit veiligheid en Arbo. Binnen het bedrijf worden opleidingen en trainingen verzorgd voor veilig omgaan, handelen en werken met gevaarlijke
De BREF Energie-efficiency is van toepassing op alle RIE-inrichtingen, behalve degene die vallen onder het systeem van Emissiehandel. De inrichting neemt deel aan het systeem van emissiehandel in broeikasgasemissierechten. Op 4 november 2014 is door de Nederlandse Emissieautoriteit een emissievergunning op grond van artikel 16.5 van de Wet milieubeheer verleend. Dit betekent dat de BREF Energie-efficiency niet op de inrichting van toepassing is.
Deze horizontale BREF heeft betrekking op industriële koelsystemen met lucht of water als koelmiddel. Koelinstallaties met ammoniak, (H)CFK's en andere koelmiddelen zijn uitgesloten van de werkingssfeer (scope) van deze BREF. De primaire koelsystemen bij A-Ware Fonterra bestaan uit ammoniak houdende koelinstallaties, waarop deze BREF niet van toepassing is.
De primaire koelsystemen zijn voorzien van een condensor voor de warmteafdracht. Daarover is het volgende in de aanvraag opgenomen.
Per situatie is voor de warmte-afdracht van de condensor voorzien in maatwerk. Daarbij vindt het hergebruik van de warmte met warmtepompen steeds meer toepassing (opwarming cv-water). Daarnaast worden ook nog natte (verdampingscondensor) of droge luchtgekoelde condensors toegepast. De keuze hiervoor komt voort uit een totaalplan van warmte en koude management van de bestaande en nieuwe gebouwdelen opgemaakt door experts. De keuzes zijn gebaseerd op bestaande ervaringen binnen zuivelbedrijven en de nieuwste inzichten qua energie, efficiency, duurzaamheid en milieu. Het koelsysteem wordt door een gespecialiseerd bedrijf ge-engineerd. Restwarmte (persgassen) wordt indien mogelijk gebruikt voor verwarmingsdoeleinden of omgezet in hoogwaardige warmte met warmtepompen. Verder is sprake van adequate isolatie van koudeleidingen, energiezuinige luchtkoelingsmotoren, toerenregeling en weersafhankelijke regeling. De luchtgekoelde condensors worden geluidsarm uitgevoerd, hebben een lange levensduur en een minimum aan onderhoud. Voordat koeling plaatsvindt met koelmedia wordt zoveel mogelijk eerst regeneratieve koeling toegepast met productstromen in platenwarmtewisselaars.
De nieuwe wijzigingen resulteren ondermeer in energiezuinig ontwerpen van koelsystemen. Optimalisatie van energiestromen is aandachtsgebied energie-onderzoek EED en milieuzorgsysteem.
De BREF Monitoring geeft richtlijnen (geen BBT) om invulling te geven aan de vereisten m.b.t. monitoring die gesteld zijn in de IPPC Richtlijn (artikelen 9.3 en 9.5).
Binnen het kader van E-PRTR en hoofdstuk 12 Wm, titel 12.3 (verslag-, registratie- en meetverplichtingen) wordt door het bedrijf jaarlijks gerapporteerd (MJV) aan de overheid over de milieuemissies en energieprestaties. Monitoring en rapportage vinden plaats overeenkomstig de afspraken die met de overheid worden gemaakt.
Daarnaast beschikt A-ware en Fonterra over een registratiesysteem waarin de input en output van de productieprocessen worden vastgesteld: Deze hoeveelheden worden met name vastgesteld op basis van metingen op weegbrug, inhoud van tankauto s of verpakkingen/ emballage. De volgende gegevens worden geregistreerd.
Het Activiteitenbesluit is gebaseerd op de Wet milieubeheer, waarin BBT als uitgangspunt geldt. De Nederlandse informatiedocumenten over BBT zijn opgenomen in de bijlage van de Regeling omgevingsrecht. Wanneer er een wijziging plaatsvindt van deze bijlage, past de wetgever het Activiteitenbesluit en Activiteitenregeling daarop aan als dat nodig is.
De voorschriften uit het Activiteitenbesluit en Activiteitenregeling voldoen daarmee aan BBT.
De inrichting voldoet - met inachtneming van de aan dit besluit gehechte voorschriften - aan BBT. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf.
Wij zijn van oordeel dat de ingediende gegevens voldoende informatie bevatten voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. Het toetsdocument waarin staat hoe invulling is gegeven aan de BBT laten wij daarom onderdeel uit maken van deze omgevingsvergunning.
In artikel 2.12 van het Activiteitenbesluit zijn regels opgenomen over het scheiden van afvalstoffen. Daarin is onder andere bepaald dat het mengen van afvalstoffen die binnen de inrichting zijn ontstaan en geen gevaarlijke afvalstoffen zijn, gescheiden moeten worden opgeslagen en afgegeven indien dit op grond van LAP3 kan worden gevergd.
In deel B3 van LAP3 is het beleid uitgewerkt voor afvalscheiding, waarbij paragraaf B.3.4 specifiek ingaat op afvalscheiding door bedrijven. Voor bedrijfsafval is het niet goed mogelijk een limitatieve opsomming te maken van afvalstoffen die door alle bedrijven gescheiden moet worden gehouden. Bedrijven verschillen van aard en omvang veel van elkaar en er bestaat een groot aantal bedrijfsspecifieke afvalstoffen. Uitgangspunt is dat bedrijven verplicht zijn alle afvalstoffen gescheiden te houden en gescheiden af te geven, tenzij dat redelijkerwijs niet van hen kan worden gevergd.
In paragraaf B.3.4.2 van LAP3 is aangegeven welke afvalstoffen altijd gescheiden van elkaar moeten worden opgeslagen en afgevoerd (tabel 7) en in welke situaties het redelijk is om afvalscheiding te verlangen (tabel 8). Bij tabel 8 kunnen uitzonderingen gelden voor kleine hoeveelheden of kleine ruimten.
Binnen de inrichting dienen minimaal de volgende typen afvalstoffen gescheiden te worden opgeslagen en afgevoerd:
Omdat artikel 2.12 van het Activiteitenbesluit ook van toepassing is op inrichtingen type C hebben wij geen voorschriften over afvalscheiding aan de vergunning verbonden.
Binnen de inrichting is er sprake van lozingen waarvoor afdeling 2.1 over de zorgplichtbepaling en afdeling 2.2 over lozingen van het Activiteitenbesluit rechtsreeks gelden. Het betreft de volgende activiteiten:
Dergelijke lozingen moeten voldoen aan de eisen van het Activiteitenbesluit en hierover mogen geen voorschriften worden opgenomen in de omgevingsvergunning.
Jaarlijks wordt circa 9.000 m3 huishoudelijk afvalwater geloosd dat afkomstig is van de sanitaire voorzieningen. Dit afvalwater wordt geproduceerd door een personele bezetting van ongeveer 500 personen en wordt rechtstreeks geloosd op de gemeentelijke riolering en de rioolwaterzuiveringsinstallatie.
Aan de lozing van het huishoudelijk afvalwater op de riolering wordt in het Activiteitenbesluit geen concrete voorschriften gesteld; de lozingen mogen in beginsel zonder beperkingen plaatsvinden. Wel moet op grond van de zorgplichtbepaling, artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit, worden voorkomen dat de doelmatige werking van de rioolwaterzuiveringsinstallatie wordt belemmerd of onnodige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater zou veroorzaken.
Voor de lozingen waarop het Activiteitenbesluit niet van toepassing is geldt het volgende.
Op 16 mei 2013 is aan A-ware en Fonterra een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een productielocatie voor kaas en wei aan de Mars 35 en 37 in Heerenveen. In 2018 heeft een uitbreiding met mozzarella-kaas en UHT-room plaatsgevonden.
A-ware en Fonterra hebben het voornemen om de productiecapaciteit te verhogen en het assortiment (zuivel)producten uit te breiden. A-ware is thans voornemens de productiecapaciteit van kaasmelkverwerking en kaasassortiment te verhogen. Het product-portfolio zal worden uitgebreid met boter, lactoferrine en melkpoeder.
Fonterra zal de bestaande vergunde productiecapaciteit volledig gaan benutten en het bedrijf wil de lactosefractie van de gehele kaaswei opwerken tot poeder. Daarnaast is Fonterra voornemens een extra productielijn te realiseren voor de lactose productie.
Als gevolg van de nieuwe voorgenomen productieprocessen (melkpoeder en boter) zal de samenstelling van het procesafvalwater wijzigen. De uitbreiding van de gebouwen, installaties en processen zal gefaseerd over een periode van meerdere jaren plaatsvinden.
Bij het productieproces van A-ware en Fonterra ontstaan diverse afvalwaterstromen die onder andere via de gemeentelijke riolering op de rioolwaterzuiveringsinstallatie van Heerenveen worden geloosd. De productie-uitbreiding betekent dat de lozing van het afvalwater zodanig wordt gewijzigd dat niet meer aan de voorschriften uit de vigerende omgevingsvergunning kan worden voldaan.
7.2. Afvalwaterstromen en zuiveringstechnische voorzieningen
Bij de vorengenoemde activiteiten ontstaan diverse afvalwaterstromen die via een gescheiden bedrijfsriool naar oppervlaktewater of naar de gemeentelijke riolering worden afgevoerd. De volgende afvalwaterstromen worden via de gemeentelijke riolering afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie en vervolgens geloosd op het Nieuwe Heerenveense Kanaal:
Tal van deelstromen die binnen de inrichting ontstaan worden via de egalisatietank van A-ware en Fonterra geloosd. Deze egalisatietank heeft als doel om het afvalwater zoveel mogelijk te egaliseren in samenstelling en debiet voordat het op de gemeentelijke riolering wordt geloosd.
De bestaande egalisatietank (5.000 m3) zal worden uitgebreid met nieuwe tanks die naast de bestaande tanks worden gerealiseerd. In de verschillende tanks treedt een biologische afbraak op als gevolg van de heersende condities in de tank en de aanwezigheid van nitraat-stikstof. Deze afbraak betekent een reductie van organische stof (CZV) en dus uiteindelijk van de vuillast. Vanuit de egalisatietank wordt het afvalwater verpompt naar de gemeentelijke riolering en behandeld op de rioolwaterzuiveringsinstallatie.
Naar verwachting zal er na uitvoering van alle uitbreidingen jaarlijks circa 5.500.000 m3 afvalwater via de egalisatietanks worden geloosd bij benutting van de volledige capaciteit.
De volgende deelstromen worden via de egalisatietank geloosd:
Het procesafvalwater is afkomstig van de verschillende productie- en reinigingsactiviteiten binnen de inrichting. Bij de start en beëindiging van de productie activiteiten en bij de reiniging van de procesapparatuur raakt het procesafvalwater verontreinigd met melkeiwitten, melkvet, melksuikers, fosfaat en stikstof. In totaal zal circa 5.400.000 m3 procesafvalwater per jaar worden geloosd.
Om productverliezen te voorkomen wordt gewerkt met vastgelegde spoelprocedures waarbij restanten zoveel mogelijk uit de tanks en leidingen worden verdrongen in de productstroom voordat de eigenlijke reiniging wordt uitgevoerd. Het reinigen van de apparatuur, tanks en leidingen wordt uitgevoerd met geheel geautomatiseerde reinigingsinstallaties (CIP systeem) en bestaat uit drie fasen, te weten voorspoelen, reinigen en naspoelen. Het voorspoelwater wordt geloosd en bevat zuurstofbindende stoffen van verdunde productresten (melkvet, melkeiwitten en melksuikers). De reinigingsvloeistoffen (natronloog en salpeterzuur) worden teruggevoerd naar de reinigingstank en worden zoveel mogelijk hergebruikt. Ook het naspoelwater wordt hergebruikt als voorspoelwater voor de volgende reiniging.
Bij de reiniging van de membraaninstallaties wordt een gecombineerd reinigingsmiddel gebruikt. Bij het reinigen van de indampers en de droger is hergebruik van het reinigingsmiddel, door de grotere vuilbelasting, niet mogelijk.
De reinigingsmiddelen zijn over het algemeen biologisch afbreekbaar en zijn getoetst aan de hand van de "Algemene beoordelingsmethodiek voor stoffen en mengsels".
Onderdeel van het kaasbereidingsproces is het pekelen van de kaas. Het zout in de kaaspekel dient ter conservering van de kaas, maar is ook belangrijk voor de smaak en de consistentie van de kaas. De lozing van het overtollige kaaspekel loopt na alle uitbreidingen op van 6.000 m3 naar 9.000 m3 per jaar. Het surplus kaaspekel vormt de belangrijkste bron van de chloridegehaltes in het afvalwater en zal plaatsvinden vanuit een kaaspekelbuffer (500 m3). Door een geleidelijke lozing van de overtollige kaaspekel wordt gestreefd naar zo min mogelijk fluctuaties in de chloridegehaltes van het afvalwater.
Voor verschillende bedrijfsprocessen wordt gebruik gemaakt van onthard water dat geproduceerd wordt in ionenwisselaars. Voor de regeneratie van deze ionenwisselaars wordt gebruik gemaakt van Broxozout.
Voor de productie van stoom beschikt het bedrijf over 3 stoomketels. Het ketelwater wordt geconditioneerd met verschillende conditioneringsmiddelen om kalkbinding te voorkomen, de pH te beheersen en leidingen te beschermen tegen corrosie. Deze stoffen worden uiteindelijk met het ketelspuiwater op het vuilwaterriool geloosd. De ketels worden indien nodig gereinigd, hierbij worden geen reinigingsmiddelen gebruikt.
Binnen de inrichting van A-ware Fonterra wordt gebruik gemaakt van een gesloten systeemkoeling gevoed met leidingwater. Er vindt geen periodieke reiniging plaats van het koelsysteem en de leidingen. Aan het koelwater worden conditioneringsmiddelen toegevoegd om algengroei, biofilmgroei, scaling en corrosie te vermijden en daarnaast om onopgeloste stoffen in dispersie te houden. Reiniging vindt alleen plaats als daartoe aanleiding voor is.
De gezamenlijke hoeveelheid te lozen afvalwater van de vorengenoemde deelstromen 3, 4 en 5 bedraagt na alle uitbreidingen naar schatting 25.000 m3 per jaar.
De dakoppervlakken van de poedertorens en de verharde oppervlakken van de laad- en losplaatsen zijn niet aangesloten op het schoonwaterriool. Het hemelwater afkomstig van deze oppervlakken kan verontreinigd zijn met zuurstofbindende stoffen en minerale olie (losplaats) en wordt daarom geloosd op de egalisatietanks. Jaarlijks zal dit circa 35.000 m3 bedragen.
A-ware en Fonterra beschikken elk reeds over een laboratorium voor controle op kwaliteitsaspecten van de producten. In het kantoordeel van het nieuwe productiegebouw wordt een aparte afdeling kwaliteitscontrole (QC) gerealiseerd. Hier zullen ook beperkte fysisch-chemische handelingen worden uitgevoerd gericht op kwaliteitscontrole en inspectie van producten. In alle laboratoria worden interne maatregelen gevolgd die gericht zijn op "bestrijding van verontreiniging aan de bron”. Dit betekent dat met chemicaliën verontreinigde afval(water)stromen apart worden opgevangen en gescheiden worden afgevoerd naar een daartoe geëigend verwerkingsbedrijf. De meeste analyses worden echter extern uitgevoerd.
De totale hoeveelheid laboratoriumafvalwater bedraagt naar schatting circa 2.000 m3 per jaar.
Het effluent egalisatie heeft volgens de aanvraag de volgende samenstelling:
Het beleid gericht op de bescherming van het water tegen verontreiniging vormt een onderdeel van het totale milieubeleid, zoals geformuleerd in diverse meerjarenprogramma’s milieubeheer en het Nationaal Milieubeleidsplan. Het beleid van de waterbeheerders is geformuleerd in het Nationaal Waterplan. Het nationale beleid is in het Waterbeheerplan 2022-2027 toegespitst op de Friese situatie.
Het algemene beleidskader is van toepassing voor alle wateren en bestaat uit twee sporen:
waar nodig en mogelijk verdergaande maatregelen, met het oog op het bereiken van de gewenste waterkwaliteit (emissie-immissietoets). Dit houdt in dat wanneer de restlozing na toepassing van de BBT leidt tot ontoelaatbare effecten voor de lokale waterkwaliteit, het bevoegd gezag beziet of er aanvullende beperkingen of voorschriften aan de vergunning kunnen worden verbonden dan wel de vergunning moet worden geweigerd.
Het aanvullende beleidskader richt zich specifiek op de waterlichamen in de zin van de Kaderrichtlijn Water en beoogt onder meer het waarborgen van “geen achteruitgang” voor de toestand van de waterlichamen. Dit kan zo nodig inhouden dat lozingen worden verplaatst naar minder kwetsbare waterlichamen en dat schadelijke milieuvreemde stoffen worden vervangen door andere stoffen met een vergelijkbare werking en minder schade aan het watermilieu.
Richtlijn Industriële Emissies
De Richtlijn Industriële Emissies is per 1 januari 2013 geïmplementeerd in de Nederlandse wet- en regelgeving. Deze richtlijn omvat een integratie van de IPPC-richtlijn, die van toepassing is op installaties die in hoge mate als milieubelastend worden beschouwd (de gpbv-installaties). Met deze richtlijn wordt een vergunningenregime beoogd voor onder andere emissies naar water uit grote industriële installaties, waarbij rekening wordt gehouden met vermindering van afval en energieverbruik (integrale afweging). Een belangrijk element is dat emissiegrenswaarden gebaseerd dienen te zijn op de in de richtlijn gedefinieerde BBT. De BBT is beschreven in referentiedocumenten oftewel BREF’s. In de ministeriële regeling (de Mor) is aangegeven met welke BBT-conclusies en informatiedocumenten over BBT bij de besluitvorming rekening moet worden gehouden.
Doelmatige werking rioolwaterzuiveringsinstallaties
Ter bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen (waterkwaliteit) is het van groot belang dat een rioolwaterzuiveringsinstallatie doelmatig werkt. Om deze doelmatige werking te beschermen heeft Wetterskip Fryslân de beleidsnotitie “Doelmatige werking van de zuiveringstechnische werken in relatie tot grote lozingen van bedrijfsafvalwater 2019” opgesteld. Deze notitie geeft inzicht in de uitgangspunten die WF hanteert bij het beoordelen van afvalwaterlozingen en opstellen van vergunningen. Deze uitgangspunten hebben vooral betrekking op de verhoudingen BZV/N, P/ve en ve/m3.
In het Activiteitenbesluit zijn voor verschillende activiteiten die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden algemene voorschriften opgenomen. Met het Activiteitenbesluit wordt de vergunningplicht op grond van de Wet milieubeheer voor deze activiteiten opgeheven. Alleen de activiteiten van de aangewezen gpbv-installaties zoals genoemd in het Besluit omgevingsrecht (BOR) blijven vergunningplichtig. De voorschriften die in dit advies zijn opgenomen zijn die voorschriften die niet zijn geregeld in het Activiteitenbesluit en de Ministeriële regeling.
Algemene Beoordelingsmethodiek (ABM)
Sinds augustus 2002 geldt voor de beoordeling van stoffen en mengsels de "Algemene Beoordelings Methodiek" (ABM). In maart 2016 is de ABM geactualiseerd waarbij de aanpak van Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) is geïntegreerd. De methodiek stelt bedrijven en waterkwaliteitsbeheerders in staat om op een eenduidige wijze de waterbezwaarlijkheid van stoffen en mengsels te benoemen.
Daarnaast volgt uit de methodiek welke saneringsinspanning voorde betreffende stof of het mengsel moet worden getroffen. Daartoe zijn vier saneringsinspanningen te onderscheiden, namelijk:
saneringsinspanning B: saneren door toepassing van de best uitvoerbare technieken. Dit zijn die technieken waarmee, rekening houdend met economische aspecten, d.w.z. uit kostenoogpunt aanvaardbaar te achten voor een normaal renderend bedrijf, de grootste reductie in de verontreiniging wordt verkregen;
saneringsinspanning C: saneren door toepassing van de waterkwaliteitsaanpak. Deze aanpak is van toepassing op relatief onschadelijke verontreinigingen; de maatregelen die in het kader van deze aanpak moeten worden getroffen, zijn primair afhankelijk van de waterkwaliteitsdoelstellingen van het ontvangende oppervlaktewater;
De algemene beoordelingssystematiek is toepasbaar voor alle stoffen en mengsels, ongeacht de bedrijfstak waar zij worden ingezet. Voor deze methodiek geldt dat de verantwoordelijkheid voor het aanleveren van de milieu-informatie van stoffen aan het bevoegd gezag bij de aanvrager/vergunninghouder ligt. Indien de vereiste gegevens ontbreken wordt een worst-case benadering gehanteerd.
Bij het beoordelen van de afvalwaterlozingen hebben wij rekening gehouden met de aanbevelingen uit relevante beleidsnotities, waaronder de notitie “Doelmatige werking van de zuiveringstechnische werken in relatie tot grote lozingen van bedrijfsafvalwater 2019”, diverse CIW-rapporten (Commissie Integraal Waterbeheer) en de afspraken die in het convenant voor de zuivel zijn vastgelegd.
Uit de aanvraag blijkt dat de te lozen hoeveelheid effluent egalisatietank sterk zal toenemen van de reeds vergunde 46.000 ve naar 80.000 ve. Gelet op het feit dat het hier om een aanvraag gaat voor meer dan een verdubbeling van de productie, dient de uitbreiding gefaseerd te worden uitgevoerd. Voor een goede verwerking van het effluent egalisatietank dient de bestaande egalisatietank in de beginfase te worden uitgebreid met nieuwe tanks die naast de bestaande tanks worden gerealiseerd. Op deze wijze kan in een vroeg stadium reductie van organische stof (CZV) en vuillast plaatsvinden.
Het effluent egalisatietank wordt vervolgens via de gemeentelijk riolering geloosd op de rioolwaterzuiveringsinstallatie te Heerenveen. De aangevraagde uitbreiding zal een hydraulische toename op de rioolwaterzuiveringsinstallatie betreffen van circa 20 %. Deze hydraulische toename zal niet leiden tot capaciteitsproblemen op de zuivering van Heerenveen.
Met betrekking tot de te lozen vuilvracht stellen wij vast dat de aangevraagde vracht (80.000 ve) ongeveer twee maal hoger ligt dan de toegestane vracht uit de vigerende vergunning. Dit betekent voor de biologische belasting van de rioolwaterzuiveringsinstallatie te Heerenveen een forse toename. In de overleggen tussen Wetterskip Fryslân en het bedrijf is afgesproken dat de uitbreidingen gefaseerd zullen plaatsvinden. Door deze fasering zal ook de vuilvracht in het effluent egalisatietank verhogen. Tijdens de opstart van een nieuwe fase/uitbreiding kunnen er pieksituaties (verhoogde waarden in de samenstelling van het afvalwater) ontstaan. De rioolwaterzuiverings- installatie van Heerenveen kan incidentele pieken (tot maximaal 100.000 v.e.) verwerken. Echter, het is noodzakelijk dat de rioolwaterzuivering na een pieklozing de tijd krijgt om te herstellen. In de voorschriften zullen hiervoor gemiddelde en maximale eisen worden opgenomen. Wanneer wordt voldaan aan alle gestelde voorschriften zal de nieuwe lozing naar ons inzicht niet leiden tot verwerkingsproblemen op de rioolwaterzuiveringsinstallatie te Heerenveen.
In de vigerende omgevingsvergunning zijn in de voorschriften verhoudingen opgenomen van verschillende geloosde parameters. In de onderhavige aanvraag zijn de te verwachten waarden wederom getoetst aan deze voorschriften die voortkomen uit notitie ““Doelmatige werking van de zuiveringstechnische werken in relatie tot grote lozingen van bedrijfsafvalwater 2019” van Wetterskip Fryslân. Het betreft:
De primaire functie van de egalisatietank is het egaliseren van het vrijkomende bedrijfsafvalwater van A-ware Fonterra. Neveneffect bij dit principe is dat gelijktijdig ook een biologische afbraak optreedt als gevolg van de heersende condities in deze egalisatietank en de aanwezigheid van nitraat-stikstof. Deze afbraak betekent een afbraak van organische stof en dus van de uiteindelijke vuillast. Gevolg is dat de verhouding ve/m3 kleiner wordt. Uit de prognoses van de omvang en samenstelling van het afvalwater blijkt dat deze verhouding van de bestaande 4,3 v.e. / m3 zal oplopen naar circa 6,0 v.e./ m3.
Door alle positieve effecten van de afbraak in de egalisatietank, te weten betere fosfaatverwijdering en verlaging van de stikstofemissie, en omdat er sprake is van passieve afbraak, is in de vigerende vergunning geen eis opgenomen voor een minimale vervuilingsgraad. Omdat in de nieuwe situatie met gefaseerde uitbreidingen verwacht wordt dat verhouding v.e. / m3 alleen nog maar zal toenemen, wordt ook voor de nieuwe situatie geen minimale vervuilingsgraad opgenomen.
A-ware heeft in de aanvraag aangegeven dat het lozen van surplus kaaspekel op de effluent egalisatietank zal verhogen van circa 6.000 m3 per jaar naar 9.000 m3 per jaar. Het chloride in het afvalwater wordt in de egalisatietank noch in de rioolwaterzuiveringsinstallatie te Heerenveen niet uit het afvalwater verwijderd. Lozing van het chloride vindt dan ook plaats op het Nieuwe Heerenveense Kanaal. Dit kanaal maakt onderdeel uit van de Friese boezem en is aan te merken als een ruim ontvangend oppervlaktewater waarvoor geen ecologische doelstellingen zijn vastgesteld. De pekellozing door A-ware en Fonterra zal lokaal zorgen voor een verhoging van de chlorideconcentratie.
Uit eerder uitgevoerde immissietoetsen is reeds gebleken dat de gemiddelde vracht aan chloride kleiner moet zijn dan 1.350 kg/etmaal. Om een verslechtering van de waterkwaliteit ter plaatse te voorkomen moet de toename van circa 3.000 m3 aan surplus kaaspekel per tankwagen worden afgevoerd naar een externe rioolwaterzuiveringsinstallatie van Wetterskip Fryslân of andere partij. De bestaande lozingseis voor chloride blijft gehandhaafd op 1.350 kg/etmaal.
7.5. Richtlijn Industriële Emissies
Een belangrijk onderdeel van de IPPC-richtlijn is het voldoen aan de Best Beschikbare Technieken (BBT). De BBT voor verschillende activiteiten zijn Europees vastgelegd in BREF documenten. In het kader van dit advies zijn de aangewezen BBT-documenten “water” van belang zoals aangewezen in de ministeriële Regeling aanwijzing BBT-documenten.
Bij het bepalen van BBT hebben wij rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde BBT-conclusies:
In de aanvraag voor een omgevingsvergunning heeft A-ware Fonterra in de bijlage 4 “Actualisatie BBT Toets A-ware en Fonterra Heerenveen” aangegeven welke maatregelen reeds toegepast en zullen worden toegepast om de lozing van afvalwater te laten voldoen aan de BBT zoals die zijn genoemd in de BREF’s.
Wij hebben dit overzicht beoordeeld en zijn van mening dat de getroffen maatregelen voldoen aan de IPPC-richtlijnen.
7.6. Algemene Beoordelingsmethodiek (ABM)
De ABM deelt voor alle bedrijfstakken op een transparante en eenduidige wijze de te lozen stoffen en mengsels in op grond van de eigenschappen. Daarbij geeft de methodiek aan in welke mate emissie-beperkende maatregelen bij een bepaalde stof, gezien de eigenschappen, wenselijk zijn. Uit de ABM volgt een aanduiding van de waterbezwaarlijkheid en een aanbeveling voor de saneringsinspanning.
Binnen de inrichting van A-ware Fonterra worden verschillende hulpstoffen toegepast. Het gebruik van deze middelen is reeds akkoord bevonden.
In de voorschriften is de verplichting opgenomen om nieuwe stoffen en mengsels te toetsen aan de algemene beoordelingsmethodiek.
Op grond van het voorgaande zijn wij van mening dat de getroffen maatregelen om de lozing te beperken voldoen aan de stand der techniek. De door de lozingen mogelijk te veroorzaken schade aan de doelmatige werking van de rioolwaterzuiveringsinstallatie en verontreiniging van het oppervlaktewater kunnen in voldoende mate worden tegengegaan en voorkomen door het stellen van de hiernavolgende voorschriften. Vanuit het oogpunt van watersysteembeheer is er geen bezwaar tegen het verlenen van de gevraagde vergunning.
De winning van drinkwater kost geld, grondstoffen en energie. Het zuinig gebruik van drinkwater vormt dan ook onderdeel van de verruimde reikwijdte in de WABO. Het gebruik van drinkwater als proceswater moet zoveel mogelijk worden beperkt tot die processen waarvoor water van een bepaalde kwaliteit noodzakelijk is. Het gebruik van drinkwater als koelwater bijvoorbeeld moet zoveel mogelijk worden voorkomen.
Het totale drinkwaterverbruik van aanvraagster bedraagt in de aangevraagde situatie circa 2 miljoen m3 per jaar.
Bij het concentreren en indampen van de (tussen)producten wordt de waterfractie afgescheiden. Deze fractie zal na opwaardering (proceswaterbehandeling) weer zoveel mogelijk worden ingezet als proceswater in de nieuwe productiefaciliteiten. Bij A-ware is de uitwerking van het benodigde systeem voor hergebruik RO-permeaat en brüdencondensaat en de kwaliteitscondities nog niet volledig uitgekristalliseerd. De verwachting is dat een belangrijk deel, na opwaarderen van de kwaliteit, ter beschikking zal worden gesteld voor de bestaande Goudse Kaas en M&C fabriek.Hierdoor kan de Vitens inname van deze fabrieken worden verminderd. Fonterra werkt evenzo aan hergebruik van de waterfractie uit de wei en heeft daarvoor een (watertreatment) testinstallatie in gebruik. Op basis van de testresultaten en de kwaliteitseisen voor het te gebruiken water wordt een keuze gemaakt voor een definitieve installatie en systeem van hergebruik. Als gevolg hiervan zal ook de inname van Fonterra van Vitens water gereduceerd kunnen worden. Daarmee blijft de totale waterinname en het watergebruik van de inrichting passen binnen de hoeveeleid zoals in de veranderingsvergunning van 15 oktober 2018 (kenmerk 2018-FUMO-0028678).
Verder zal bij de inrichting van de nieuwe productiefaciliteiten zoveel mogelijk worden gekeken naar het minimaliseren van proceswaterverbruik (bronaanpak). Binnen Aware en Fonterra zijn werkgroepen actief die zich bezig houden met (afval)waterbesparing en reductie afvalwateremissies.
Wij zijn daarom van mening dat het in deze situatie niet nodig is om voorschriften met betrekking tot beperking van het drinkwaterverbruik in de vergunning op te nemen.
Voor het onttrekken van grondwater is een vergunning benodigd. De Waterwet ziet hierop toe. Wij mogen dientengevolge in deze vergunning geen eisen stellen aan de winning van grondwater.
Voor wat betreft het aspect bodembescherming valt het bedrijf volledig onder het Activiteitenbesluit.
Afdeling 2.4 van het Activiteitenbesluit heeft betrekking op het aspect bodem en is van toepassing op inrichtingen C, waartoe een IPPC-installatie behoort.
In Afdeling 2.4 van het Activiteitenbesluit en Afdeling 2.1 van de Activiteitenregeling zijn voorschriften opgenomen die betrekking hebben op:
Op grond van het Activiteitenbesluit moeten alle bedrijfsactiviteiten worden verricht met voorzieningen en maatregelen die leiden tot een verwaarloosbaar bodemrisico.
Bij de aanvraag is een rapport gevoegd (Notitie Bodemrisico beoordeling uitbreiding HVN3 A-ware en Fonterra Herenveen, IMD, kenmerk PR00369 IMD21004, 10 december 2021) waarin de mogelijke bodemrisico’s zijn beoordeeld volgens de Nederlandse richtlijn bodembescherming (NRB). Door het toepassen van de vastgestelde voorzieningen en maatregelen (inclusief algemene zorg en de maatregel faciliteiten en personeel) wordt een verwaarloosbaar bodemrisico gerealiseerd. Met betrekking tot het aspect bodemscherming wordt voldaan aan BBT.
Het stellen van maatwerkvoorschriften is daarom niet nodig.
Het preventieve bodembeschermingbeleid gaat er van uit dat (zelfs) een verwaarloosbaar bodemrisico nooit volledig uitsluit dat een verontreiniging of aantasting van de bodem optreedt. Om die reden is altijd een nulsituatieonderzoek naar de kwaliteit van de bodem noodzakelijk. Het nulsituatieonderzoek richt zich op de afzonderlijke activiteiten en de daar gebruikte stoffen. Nulsituatieonderzoek bestaat uit het vastleggen van de nulsituatie bodemkwaliteit voorafgaand aan de start van de betreffende activiteit(en). Na het beeindigen van de betreffende activiteit(en) dient een vergelijkbaar eindonderzoek te worden uitgevoerd. Het nulsituatieonderzoek moet ten minste duidelijkheid verstrekken over:
De in het nulsituatieonderzoek vastgelegde bodemkwaliteit geldt als uitgangspunt bij de beoordeling of ten gevolge van de betreffende activiteiten verontreiniging of aantasting van de bodem heeft plaatsgevonden en of bodemherstel nodig is.
Bij de aanvraag is een rapport van een verkennend bodemonderzoek goevoegd dat is opgesteld door Bodemvisie Milieu & Veiligheid BV, met projectnummer 210530, status definitief en datum 24-11-2021.
Het onderzoek heeft betrekking op de volgende uitbreidingen en onderdelen:
Genoemd bodemonderzoek heeft echter geen betrekking op de nieuwe PGS opslagvoorziening van gevaarlijke afvalstoffen (gebouw 84 op de terreinTekening), het nieuwe kaaspekelbad (gebouw 24 op de terreinTekening) en chemicaliënopslag (naast gebouw 18 op de terreinTekening). Daarom is ter plaatse van deze lociaties een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in het rapport Verkennend bodemonderzoek (nulsituatie) Saturnus 21, Heerenveen ter plaatse van een te realiseren kaas pekelbad, PGS opslagvoorziening en chemicaliënopslag, Bodemvisie, projectnummer 22064, datum 8 april 2022.
Met deze onderzoeken is de nulsituatie bodemkwaliteit in voldoende mate vastgelegd.
Het risico dat door de aangevraagde activiteiten in combinatie met de bodembeschermende maatregelen en voorzieningen een bodemverontreinging ontstaat, is verwaarloosbaar conform het gestelde in de NRB. Het is dan ook niet noodzakelijk dat de bodemkwaliteit tussentijds wordt gecontroleerd. Na beëindiging van de activiteiten of een deel daarvan moet een eindonderzoek worden verricht. Indien blijkt dat sprake is van een bodembelasting als gevolg van de activiteiten, zal de bodemkwaliteit hersteld moeten worden. Voor die delen van de inrichting waarbij de nulsituatie niet middels een onderzoek is vastgesteld, geldt op grond van artikel 2.11, lid 5 van het Activiteitenbesluit de achtergrondwaarde als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit als terugsaneerwaarde.
Uit de aanvraag blijkt dat voor alle bodembedreigende activiteiten het verwaarloosbaar bodemrisico wordt behaald. Met betrekking tot het aspect bodembescherming wordt voldaan aan BBT
De Europese Unie heeft een systeem van CO2-emissiehandel (ETS) ingevoerd dat bepaalde energie-intensieve inrichtingen met een aanzienlijke CO2-uitstoot verplicht CO2 rechten te kopen en de mogelijkheid geeft het teveel aan rechten eventueel te verkopen. De vergunninghouder is verplicht om aan CO2-emissiehandel deel te nemen. Kaas- en weipoederfabriek A-ware en Fonterra Heerenveen nemen deel aan de CO2 emissiehandel (vergunningnummer NL-201400662).
Artikel 5.12 van het Besluit omgevingsrecht verbiedt het bevoegd gezag om voor deze installaties voorschriften te verbinden aan de vergunning ter bevordering van een zuinig gebruik van energie. Daarom zijn voor deze installaties in deze vergunning geen voorschriften opgenomen.
Op 17 april 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan over het onderwerp Vervoermanagement in de verleende omgevingsvergunning van Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam. De Afdeling bestuursrechtspraak zegt in haar uitspraak: het op deze manier willen reguleren van vervoermanagement past niet binnen de wettelijke kaders van de omgevingsvergunning en óók niet binnen de wettelijke zorgplicht uit de Wet milieubeheer.
Binnen de inrichting zijn gevaarlijke stoffen aanwezig. De processen, de aard en hoeveelheid van de gebruikte gevaarlijke stoffen zoals vermeld in de aanvraag kunnen een risico vormen voor de omgeving.
Het externe veiligheidsbeleid in Nederland is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van activiteiten voor de omgeving (mens en milieu). Het gaat hierbij onder meer om de risico's die verbonden zijn aan de opslag en het gebruik van gevaarlijke stoffen.
Zoals in het NMP4 (Vierde Nationaal Milieubeleidsplan) is aangegeven, is de basis van het huidige risicobeleid dat het gevaar van een activiteit acceptabel is wanneer:
Het plaatsgebonden risico (PR) is een maatstaf om te bepalen welke afstand nodig is tussen de risicodragende activiteit en de bebouwde omgeving. Het plaatsgebonden risico is de kans dat zich op een bepaalde plaats over een periode van één jaar een dodelijk ongeval voordoet als direct gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen, indien zich op die plaats 24 uur per dag en onbeschermd een persoon zou bevinden. De gehanteerde norm voor het plaatsgebonden risico in Nederland is in beginsel 10-6 per jaar (d.w.z. een kans van 1 op de miljoen per jaar). Deze norm is opgenomen in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).
Het groepsrisico (GR) voegt daar als maatstaf aan toe de verwachte omvang van een ongeval uitgedrukt in het aantal dodelijke slachtoffers, gegeven de kans op dat ongeval. Het groepsrisico geeft de kans aan dat in een keer een groep personen die zich in de omgeving van de risicosituatie bevindt, overlijdt vanwege een ongeval met gevaarlijke stoffen. Met de grootheid groepsrisico is getracht een maat voor maatschappelijke ontwrichting te creëren. In het Bevi is een niet-normatieve benadering van het groepsrisico neergelegd. Het groepsrisico moet altijd verantwoord worden. Bij de beoordeling van het groepsrisico is de vraag aan de orde welke omvang van een ramp, gegeven de kans daarop, maatschappelijk aanvaardbaar is.
Met het in werking treden van het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo) is de Europese Seveso III-richtlijn uit 2012 geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving. Het Brzo richt zich op het beheersen van zware ongevallen en heeft tot doel om het risico van (grote) ongevallen bij bedrijven zo klein mogelijk te maken. Dat gebeurt enerzijds door de kans op dergelijke ongevallen te verkleinen (proactief, preventie en preparatie) en anderzijds door de gevolgen van een eventueel ongeval voor mens en milieu te beperken (repressie).
De Seveso III richtlijn bevat een lijst met bepaalde hoeveelheden van specifieke stoffen en stofgroepen (Bijlage I Seveso III-richtlijn). Worden die hoeveelheden (drempelwaarden) overschreden dan is het Brzo van toepassing op de inrichting en gelden er extra regels naast de omgevingsvergunning. Het Brzo kan ook van toepassing zijn als de drempelwaarden per stofcategorie niet worden overschreden, maar bij het gewogen optellen van de stoffen de uitkomst daarvan gelijk of hoger is dan 1 (sommatieregeling).
Bij de aanvraag is een overzicht van gevaarlijke stoffen en een Brzo-toets gevoegd (bijlage 5). Daaruit blijkt dat er een aantal stoffen worden opgeslagen en gebruikt die ook op voornoemde lijst staan. In de Brzotoets zijn deze stoffen getoetst aan de drempelwaarden uit de Seveso III-richtlijn en is de sommatieregeling gehanteerd die daarbij hoort. Dit resulteert in de volgende sommatiewaarden:
Hieruit blijkt dat bij alle Seveso-categorieën de drempelwaarde van 1 niet wordt bereikt. Hiermee valt de inrichting niet onder het toepassingsgebied van Brzo2015.
Omdat de hoeveelheden in de groep gezondheidsgevaren dicht tegen de Brzo-grens aanzitten, zijn zijn extra voorschriften (paragraaf 3.1) opgenomen, te weten:
De inrichting Aware/Fronterra valt onder de werkingsfeer van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Binnen de inrichting zijn installaties met gevaarlijke stoffen aanwezig die de drempelwaarden van de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) overschrijden. Het Bevi is op de inrichting van toepassing aangezien er ammoniakkoelinstallaties en -warmtepompen aanwezig zijn met een hoeveelheid ammoniak die groter is dan 1.500 kg per installatie.
Verder is een opslagtank aanwezig met een capaciteit van 15.000 liter, waarin een toxische vloeistof wordt opgeslagen. Een insluitsysteem, waarin meer dan 1.000 liter toxische vloeistof aanwezig is valt onder het Bevi.
Op grond van het Bevi dient de aanvraag voor deze vergunning voor de verandering van de inrichting te worden getoetst aan het plaatsgebonden risico 10-6 per jaar en dienen de gevolgen van deze aanvraag voor het groepsrisico te worden beoordeeld.
De aanvraag heeft betrekking op een verandering of een nieuw toegevoegde koelinstallatie, zoals vermeld in onderstaande tabel. De wijziging of nieuw toegevoegde koelinstallaties met maximaal 1500 kg ammoniak vallen onder werking van het Activiteitenbesluit en worden buiten deze vergunning gelaten.
Bovenstaande ammoniakkoelinstallaties zijn getoetst aan de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Alle koelinstallaties voldoen aan de opstellingsuitvoering 1 en de binnendiameter van vloeistofleidingen bedraagt maximaal 80 mm.
De ammoniakkoelinstallaties met een hoeveelheid ammoniak ter grootte van 4.500 kg, 5.600 kg en 3.500 kg met een werktemperatuur -250 tot -50 C hebben een PR10-6 contour ter grootte van 50 meter vanaf de machinekamer. De ammoniakkoelinstallaties met een hoeveelheid ammoniak ter grootte van 2.500 en 3.000 kg is geen PR-contour aanwezig.
Binnen de PR10-6 van de ammoniakkoelinstallatie zijn geen objecten van derden aanwezig of geprojecteerd.
10.3.2. Conclusie plaatsgebonden risico
Vanwege de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen wordt de grens- en richtwaarde van het plaatsgebonden risico 10-6 per jaar niet overschreden. De conclusie is dat het plaatsgebonden risico geen belemmering vormt voor het verlenen van de vergunning.
Het groepsrisico dient binnen het invloedsgebied te worden beoordeeld als de aanvraag een nadelig gevolg heeft voor het PR10-6. In deze aanvraag is dat het geval als gevolg van de nieuw toegevoegde of de verandering van 3 ammoniakkoelinstallaties die een PR10-6 van 50 meter veroorzaken. Op grond van de Revi is voor de ammoniakkoelinstallaties met deze hoeveelheden ammoniak, bij deze opstellingsuitvoering en de toegepaste werktemperatuur, geen invloedsgbied aanwezig.
Ook de opslag en verlading van de toxische vloeistof veroorzaakt geen invloedsgebied die buiten de grens van de inrichting ligt.
10.3.4. Conclusie groepsrisico
De conclusie is dat door het ontbreken van een invloedsgebied buiten de grens van de inrichting het groepsrisico geen belemmering vormt voor het verlenen van de vergunning.
10.4. Registratiebesluit/Regeling provinciale risicokaart
Het Registratiebesluit externe veiligheid geeft aan welke inrichtingen en welke informatie opgenomen moet worden in het Risicoregister. Daarnaast moeten ook inrichtingen die vallen onder de reikwijdte van de Regeling provinciale risicokaart worden opgenomen in het register. De criteria van het besluit en de regeling zijn samengevoegd in de drempelwaardentabel die is opgenomen in de Leidraad Risico Inventarisatie. De inrichting valt onder de criteria van het Registratiebesluit en/of de Regeling; na afronding van de vergunningprocedure worden de gegevens in het risicoregister geactualiseerd. Het id-nummer van de inrichting is 23853.
10.5. Op- en overslag van gevaarlijke stoffen (PGS-richtlijnen)
Ten behoeve van de op- en overslag van gevaarlijke stoffen zijn richtlijnen opgesteld in de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen Nieuwe Stijl (PGS-NS) waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu wordt gerealiseerd. Deze PGS-NS richtlijnen beschouwen wij als Nederlandse informatiedocumenten over BBT. Voor de beoordeling van de aanvraag van de inrichting zijn de volgende PGS-NS richtlijnen relevant:
Uit de aanvraag blijkt dat de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen voldoet aan de PGS 15 en daarmee voldoet aan BBT. Het gaat met name om de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen die corrosief zijn (ADR-klasse 8) en om de opslag van milieugevaarlijke stoffen (ADR-klasse 9) en om een opslag van een aantal gasflessen ADR klasse 2. Voor de opslag van ADR klasse-8 en 9 stoffen zonder bijkomend gevaar gelden geen specifieke brandveiligheidseisen, maar vallen wel onder PGS 15. De relevante onderdelen van deze richtlijn zijn bij voorschrift aan dit besluit verbonden.
De ammoniakkoelinstallaties met een inhoud van maximaal 1.500 kg ammoniak vallen onder de rechtstreekse werking van paragraaf 3.2.6. van het Activiteitenbesluit. In de vergunning mogen hiervoor geen voorschriften worden opgenomen en gelden de voorschriften van PGS 13 voor installaties, zoals in de Activiteitenregeling is vastgelegd.
De aanvraag verandering van de inrichting heeft onder andere betrekking op wijziging of een uitbreiding van de ammoniakkoelinstallaties c.q. warmte pompen met meer dan 1.500 kg ammoniakvulling. Voor deze installaties zijn in de vergunning de voorschriften van PGS 13 verbonden.
De opslag van chemicaliën in bovengrondse tanks moet voldoen aan PGS 31. De aanvraag heeft alleen betrekking op vloeistoffen die vallen onder ADR-klasse 8. De vloeistoffen zijn niet toxisch of brandbaar. De aan de tanks verbonden leidingen zijn allen bovengronds gesitueerd. Voor externe veiligheid zijn deze vloeistoffen niet relevant en geldt in het kader van externe veiligheid geen certificeringsverplichting voor deze tanks. De lekdetectie van de dubbelwandige tanks dient wel te zijn goedgekeurd. De relevante onderdelen van deze richtlijn zijn bij voorschrift aan dit besluit verbonden.
10.6. Warenwetbesluit drukapparatuur 2016
Bij de inrichting is apparatuur in gebruik met een maximaal toelaatbare druk van meer dan 0,5 bar. Voor deze installatie gelden de eisen zoals die verwoord zijn in het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016. Dit besluit is van toepassing op het ontwerp, de fabricage, de overeenstemmingsbeoordeling, de ingebruikneming en periodieke keuring van drukapparatuur, samenstellen en druksystemen waarvan de maximaal toelaatbare druk (PS) meer dan 0,5 bar bedraagt. Het besluit is rechtstreeks werkend, zodat in deze vergunning geen nadere eisen gesteld (mogen) worden. De Inspectie SZW is toezichthouder voor het in werking hebben van deze drukapparatuur.
Een stofexplosie kan zich voordoen wanneer een ontstekingsbron een explosief mengsel van stof en zuurstof (lucht) tot ontsteking brengt. Bij de inrichting bestaat in de poederproductieruimten, poederopslagruimten/silo’s en poeder verpakkingsruimte of in de nabijheid daarvan door de aanwezigheid van vrijgekomen en ronddwarrelend stof de kans dat dit stof tot ontbranding of ontsteking wordt gebracht.
De verplichtingen voor bedrijven ten aanzien van stofexplosiegevaar zijn verankerd in de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit (ATEX). Concreet gaat het voor inrichtingen (bedrijven) dan vooral om het explosieveiligheidsdocument, de RI&E voor de onderdelen stofexplosie, en de gevarenzone-indeling. De Inspectie SZW is de toezichthoudende instantie. Om deze reden worden ten aanzien van stofexplosiegevaar geen voorschriften aan deze vergunning verbonden.
De bedrijfsactiviteiten hebben tot gevolg dat geluid wordt geproduceerd. Deze geluidsemissie wordt vooral veroorzaakt door grote installaties voor de zuivelproductie. De veroorzaakte geluidsbelasting in de omgeving en de perioden waarin deze optreedt, is in kaart gebracht in een akoestisch rapport van Adviesburo Van der Boom, nummer 21-188 van 25 november 2021.
Het geluid wordt beoordeeld op basis van de representatieve bedrijfssituatie (de geluidsemissie die de inrichting onder normale omstandigheden veroorzaakt). Beoordeeld worden de geluidsbelasting door de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en de maximale geluidsniveaus als gevolg van het in werking zijn van de inrichting.
11.2. Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau
De inrichting ligt op het gezoneerde industrieterrein IBF in Heerenveen.
De geluidszone is vastgelegd in de bestemmingsplannen “Bestemmingsplan Internationaal Bedrijvenpark Friesland” (vastgesteld 28-12-2011), “Correctieve herziening van het bestemmingsplan Buitengebied 2007” (vastgesteld 01-03-2010), “Bestemmingsplan Het Meer” (vastgesteld 03-05-2010), “Bedrijventrerrein De Kavels” (vastgesteld 30-11-2015) en “Heerenveen - Mercurius 6“ (vastgesteld 16-10-2017).
Bij de vergunningverlening op de aanvraag nemen wij in ieder geval in acht de geldende grenswaarden voor gezoneerde industrieterreinen zoals bedoeld in de Wet geluidhinder. Voor gezoneerde industrieterreinen geldt als uitgangspunt dat de etmaalwaarde van het equivalent geluidsniveau vanwege het gehele industrieterrein buiten de zone niet meer mag bedragen dan 50 dB(A).
Voor het Friesland College aan de Saturnus 7 is op 29 september 2015 een besluit “hogere waarde” genomen en toetswaarde van 55 dB(A) vastgesteld door de gemeenteraad van Heerenveen.
De geluidsbelasting ter plaatse van deze geluidsgevoelige bestemming mag niet meer bedragen dan de vastgestelde hogere waarde (artikel 45 van de Wgh).
In het akoestisch rapport dat deel uitmaakt van de vergunningaanvraag is de geluidimmissie, zowel voor de dag-, avond- als nachtperiode, aangegeven ter plaatse van de door de zonebeheerder vastgestelde zonebewakingspunten (op de vastgestelde 50 dB(A)-contour) en bij de geluidsgevoelige bestemming in de zone.
Van de zonebeheerder ontvingen wij een schriftelijke rapportage, datum 9 maart 2022, kenmerk 2022-FUMO-0060289\2110 waarbij de situatie vóór en ná de aanvraag in beeld is gebracht en waaruit blijkt dat na het vergunnen van de aanvraag voldaan wordt aan de artikelen 45 en 53 uit de Wet geluidhinder (zie artikel 2.14 van de Wabo).
De zonebeheerder heeft verklaard dat de berekende geluidimmissie van de inrichting, gecumuleerd met de geluidimmissie van de overige op het industrieterrein gevestigde inrichtingen, past binnen de beschikbare geluidruimte voor het betreffende industrieterrein.
11.3. Maximaal geluidsniveau (LAmax)
Volgens de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening moet gestreefd worden naar het voorkomen van maximale geluidsniveaus die meer dan 10 dB boven het door de inrichting veroorzaakte equivalente niveau uitkomen.
Gezien de afstand tot de dichtstbijzijnde geluidgevoelige bestemming van meer dan 750 meter is het vastleggen van voorschriften voor het LAmax niet zinvol.
De grenswaarden voor de maximale geluidsniveaus bedragen 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode bij geluidsgevoelige bestemmingen. Aan de grenswaarden wordt ruim voldaan.
Het geluid van het verkeer van en naar de inrichting over de openbare weg wordt in principe beoordeeld volgens de circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer" d.d. 29 februari 1996.
Het geluid van het verkeer van en naar een inrichting gelegen op een gezoneerd industrieterrein mag bij vergunningverlening niet worden getoetst aan de in de circulaire genoemde grenswaarden, omdat hierdoor het speciale regime en vergunningstelsel voor inrichtingen op een gezoneerd industrieterrein worden doorkruist.
Ten aanzien van de optredende geluidsniveaus is de aangevraagde situatie milieuhygiënisch aanvaardbaar.
Wij hebben aan de vergunning voorschriften verbonden, waarin grenswaarden zijn gesteld op vier beoordelingspunten. De geluidsbelasting op deze punten is overeenkomstig de aangevraagde activiteiten en bijbehorende geluidsruimte.
Binnen de inrichting zijn en worden maatregelen en voorzieningen getroffen ter beperking van de geluidsproductie. Bij het opstellen van de voorschriften hebben wij rekening gehouden met die maatregelen en voorzieningen.
Gezien de aard van de activiteiten en de afstand tot de dichtstbijzijnde trillinggevoelige bestemmingen is trillinghinder niet te verwachten. Een onderzoek naar trillingen achten wij daarom niet nodig. Ook achten wij het daarom niet nodig hierover voorschriften op te nemen.
Het algemeen luchtbeleid is gericht op het voorkomen dan wel zo veel mogelijk beperken van emissies naar de lucht door het toepassen van de beste beschikbare technieken (BBT) en het voldoen aan de luchtkwaliteitseisen van bijlage 2 van de Wet milieubeheer.
Luchtemissies voor inrichtingen worden in beginsel gereguleerd door de algemene regels van het Activiteitenbesluit. In deze verandering van de inrichting betreft dat de emissie naar de lucht afkomstig van stookinstallaties op een standaard brandstof (paragraaf 3.2.1 Activiteitenbesluit). Deze eisen zijn rechtstreeks geldend en daarom niet in deze vergunning als voorschriften? opgenomen.
Indien en voor zover voor luchtemissies van IPPC-installaties BBT-conclusies zijn vastgesteld, gelden de algemene regels van Afdeling 2.3 echter niet (met uitzondering van de minimalisatieverplichting voor zeer zorgwekkende stoffen). Voor deze luchtemissies worden voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden die aansluiten bij de BBT-conclusies.
In deze vergunning wordt specifiek ingegaan op de luchtemissies van de inrichting afkomstig van de poederdrogers. Tevens wordt er getoetst aan de kwaliteitseisen uit Bijlage 2 van de Wm.
12.2. Puntbronemissies van procesinstallaties
Bij de onderstaande processen vindt emissie van stof naar de lucht plaats:
Bovengenoemde installaties zijn IPPC-installaties waarop de BBT-conclusies Voedingsmiddelen en zuivel betrekking heeft. De BBT techniek is het toepassen van een doekenfilter, cycloon of natte gaswasser (BBT conclusie 23 Voedingsmiddelen en zuivel). Daarnaast geldt een met BBT geassocieerd emissieniveau (BBT-GEN) voor geleide stofemissie naar lucht, afkomstig van het drogen van:
1De bovengrens van het bereik is 20 mg/Nm3 voor het drogen van gedemineraliseerd weipoeder, caseïne en lactose.
Met de aangevraagde techniek (doekenfilter) wordt een emissiegrenswaarde van 5 mg/Nm3 gehaald. Wij hebben deze waarde dan ook in een voorschrift aan de vergunning verbonden.
De bijbehorende monitoring is aangegeven in BBT-conclusie 5. Daarin is aangegeven dat de minimale monitoringsfrequentie voor stof afkomstig van droogprocessen bij zuivelbedrijven eenmaal per jaar bedraagt. Wij hebben deze monitoringsfrequentie dan ook in een voorschrift aan de vergunning verbonden.
In Titel 5.2 Wet milieubeheer en de bijbehorende bijlage 2 bij de Wet milieubeheer zijn grens- en richtwaarden gesteld aan de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht op leefniveau, die wij als toetsingscriteria moeten hanteren.
De inrichting emitteert een aantal stoffen waarvoor deze grenswaarden gelden, te weten stikstofdioxide en zwevende deeltjes (PM2,5 en PM10). De concentraties van fijn stof (PM2,5 en PM10) en stikstofdioxide (NO2) zijn in de Nederlandse situatie het meest kritisch ten opzichte van de grenswaarden.
De inrichting heeft voor deze stoffen een immissietoets uitgevoerd. De resultaten zijn opgenomen in het rapport Luchtkwaliteitsonderzoek A-Ware Fonterra te Heerenveen, AnteaGroup, projectnummer 0471826.100, definitief, revisie 02, 21 april 2022 dat bij de aanvraag is gevoegd.
Op grond van artikel 5.16 lid 1 van de Wet milieubeheer kan de vergunning alleen worden verleend, als aannemelijk gemaakt kan worden dat voldaan wordt aan (minimaal) één van de volgende criteria:
Op basis van verspreidingsberekeningen concluderen wij dat voldaan wordt aan de grenswaarden in Bijlage 2 van de Wet milieubeheer.
De Europese handel in CO2-emissierechten vindt plaats met als doel het reduceren van CO2-emissies teneinde de gestelde klimaatdoelen te halen. De vergunninghouder neemt hier aan deel.
Op basis van het Bor (artikel 5.12) is het niet toegestaan om voor een inrichting die onder artikel 16.5, eerste lid, van de Wm valt, voorschriften in de omgevingsvergunning op te nemen met betrekking tot een emissiegrenswaarde voor de directe emissie van broeikasgassen of ter bevordering van een zuinig gebruik van energie in de inrichting.
12.5. Eindconclusie aspect lucht
Wij zijn van oordeel dat uit de aanvraag blijkt dat er voldoende maatregelen worden toegepast c.q. zullen worden toegepast om luchtemissies te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.
In artikel 17.2, eerste lid van de Wet milieubeheer is vastgelegd dat ongewone voorvallen waardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of dreigen te ontstaan door het bedrijf zo spoedig mogelijk aan ons moeten worden gemeld.
De veiligheidsrisico’s door ongewone voorvallen zoals brand, ammoniaklekkage, stofexplosie poedertoren en tanklekkage zijn vergelijkbaar met de bestaande inrichting. Door toepassing van BBT zoals meet-, signalering- en regelsystemen en (werk)procedures worden de procesomstandigheden maximaal beheerst en geborgd. Hierdoor wordt de kans op ongewone voorvallen, waardoor significante nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden, in voldoende mate beperkt.
Voor veel inrichtingen is het zoeken naar verbetering(en) van producten en procesvoering een veelvuldig terugkerend aandachtspunt. Vaak wordt ook aan productonderzoek en/of -ontwikkeling gedaan. Dergelijke ontwikkelingen dragen veelal ook bij aan een vermindering van de belasting van het milieu.
Vanuit de geschetste achtergrond kan de behoefte bestaan en is het vaak van essentieel belang om op bepaalde momenten gedurende enige tijd proefnemingen uit te voeren. Op die manier kan informatie worden vergaard over de beoogde verbeteringen en/of aanpassingen in product of proces en om inzicht te krijgen in de daaraan verbonden milieu-hygiënische consequenties.
Proefnemingen worden gekenmerkt door een beperkte duur (wij gaan uit van maximaal zes maanden). Doorlooptijd en/of hoeveelheid moeten echter wel voldoende zijn om de noodzakelijke informatie te kunnen vergaren.
In de aanvraag heeft aanvrager aangegeven de mogelijkheid te willen hebben om desgewenst proefnemingen uit te kunnen voeren. Wij achten dit acceptabel. Wel zijn wij van oordeel dat daaraan randvoorwaarden moeten worden gesteld en moeten proefnemingen ruim voor aanvang (minimaal zes weken) bij ons voor toestemming worden voorgelegd. Daartoe hebben wij voorschriften opgenomen. Tevens moet over de resultaten van de proef aan ons worden gerapporteerd.
De proefnemingen moeten plaatsvinden binnen de milieu-hygiënische randvoorwaarden van deze vergunning en mogen pas aanvangen na toestemming van ons.
Ten overvloede merken wij nog op dat indien een proef succesvol is verlopen en men wil de resultaten daarvan implementeren, daartoe eerst steeds zal moeten worden bezien in hoeverre daartoe een procedure op grond van de Wabo zal moeten worden doorlopen.
14.2. Verspreiding verontreinigingen
Voor het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van door de inrichting veroorzaakte grootschalige of grensoverschrijdende verontreinigingen zijn de volgende voorschriften in deze vergunning opgenomen:
Voor het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van de gevolgen van ongevallen, zijn de volgende voorschriften in deze vergunning opgenomen: Hoofdstuk 3 Externe Veiligheid.
Voor het treffen van maatregelen om bij definitieve bedrijfsbeëindiging de nadelige gevolgen die de inrichting heeft veroorzaakt voor het terrein waarop zij was gevestigd, ongedaan te maken of te beperken voor zover dat nodig is om dat terrein weer geschikt te maken voor een volgende functie zijn reeds in de oprichtingsvergunning van 16 mei 2013 (kenmerk 01056682) voorschriften opgenomen. Deze voorschriften zijn ook van toepassing op de verandering van de inrichting.
14.3. Toekomstige ontwikkelingen
Aan de noordzijde van de A7, tegenover het bedrijventerrein IBF, wordt een gebiedsontwikkeling (Klaverblad Noordoost) voorbereid door de gemeente Heerenveen. Het betreft de ontwikkeling van een bedrijventerrein, een zonnepark en natuurinclusieve landbouw. Deze ontwikkeling is nog niet dermate concreet dat daarmee rekening kan worden gehouden.
Er worden geen ontwikkelingen binnen de inrichting verwacht die voor de beslissing op de aanvraag van belang kunnen zijn.
Aangezien er binnen de inrichting activiteiten worden uitgevoerd als bedoeld in Bijlage I van de EG-Verordening PRTR, geldt dat conform titel 12.3 van de Wm een elektronisch PRTR-verslag moet worden ingediend. Op grond van artikel 12.20 lid 1 Wm geldt dat de vergunninghouder de emissies (jaarvrachten) moet rapporteren.
De E-PRTR betreft rechtstreeks werkende regelgeving waardoor het niet is toegestaan hierover voorschriften op te nemen in de vergunning.
Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op de veranderingen van de activiteiten van een inrichting kan worden geconcludeerd, dat de omgevingsvergunning kan worden verleend.
In deze beschikking zijn de voor deze activiteit relevante voorschriften opgenomen.
Bijlage 1: Ligging beoordelingspunten geluid
Bijlage 2: Metingen behorend bij voorschriften uit hoofdstuk 5
Een afzonderlijke meting als bedoeld in het eerste lid bestaat uit drie deelmetingen van een half uur, tenzij een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de representatieve wijze van bemonsteren. Het resultaat van de afzonderlijke emissiemeting is het gemiddelde van de deelmetingen, verminderd met de gerapporteerde meetonzekerheid of met een standaardwaarde voor de meetonzekerheid.
Het bevoegd gezag bepaalt de meetonzekerheid op basis van de 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele waarnemingen. Bij het bepalen van de meetonzekerheid wordt het gemiddelde van de deelmetingen gecorrigeerd voor het aantal deelmetingen. De meetonzekerheid wordt berekend als percentage van de grenswaarde.
Bijlage 3: documenten behorend bij omgevingsvergunning met kenmerk 2021-FUMO-0059621
Voor de begrippen die niet in deze lijst zijn opgenomen refereren wij naar de definities zoals die zijn opgenomen in de geldende wet- en regelgeving (zoals het Activiteitenbesluit, de Activiteitenregeling, het Besluit omgevingsrecht, het Besluit externe veiligheid inrichtingen, etc.)
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2024-7104.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.