Omgevingsvergunning (revisie) en melding Activiteitenbesluit voor de inrichting van FrieslandCampina Nederland B.V. in Workum

  • I.

    Onderwerp

Op 12 juli 2022 is een aanvraag voor een omgevingsvergunning (revisie) ontvangen van FrieslandCampina Nederland B.V. Het betreft, behalve het reviseren van het vergunningenbestand, ook het uitbreiden van de productiecapaciteit, het verplaatsen van de chemieopslag in tanks, het vervangen van een condensor en een wijziging in de ammoniakkoelinstallatie. De aanvraag heeft betrekking op het perceel aan de Spoardyk 21 te Workum. De aanvraag is geregistreerd onder nummer het OLO-nummer 6919339.

  • II.

    Besluit

Wij besluiten, gezien de overwegingen die zijn opgenomen in deze vergunning en gelet op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de daarop betrekking hebbende uitvoeringsbesluiten en -regelingen:

  • aan FrieslandCampina Nederland B.V. een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e (2° het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting) juncto artikel 2.6 van de Wabo (revisie) te verlenen voor de gehele inrichting. Aan de vergunning zijn voorschriften verbonden. Deze staan in de bijlagen bij dit besluit.

Wij besluiten tevens dat de volgende delen van de aanvraag onderdeel uitmaken van deze vergunning:

  • o

    Aanvraagformulier met OLO-nummer 6919339, ingediend op 12 juli 2022;

  • o

    Bijlage 1: ‘Toelichting aanvraag omgevingsvergunning (revisie)’, opgesteld door Tauw bv, projectnummer 1279847, van 15 november 2022;

  • o

    Bijlage 4: BBT-toets;

  • o

    Bijlage 7: QRA ‘Kwantitatieve risicoanalyse (QRA)’, opgesteld door Tauw bv, projectnummer 1279847, van 15 november 2022;

  • o

    Bijlage 11: ‘FrieslandCampina Workum – Luchtkwaliteitsonderzoek’, opgesteld door Tauw bv, projectnummer 1279847, van 24 januari 2023;

  • o

    Bijlage 12: akoestisch rapport ‘FrieslandCampina Workum, Geluidonderzoek (revisie) 2022’, opgesteld door LBP Sight, kenmerk R085400aq.221DCW0.rvw, versie 03_001, van 6 oktober 2022;

  • o

    Bijlage 15: tekening ‘Plattegrond riolering/nortonwater’, van 24 augustus 2020;

  • o

    Bijlage 16: tekening ‘Plattegrond veilgheids lay-out’, versie 9 november 2022;

  • o

    Bijlage Brief aanvullingen van Tauw bv, kenmerk L001-1279847RGE-V01-los-NL, van 15 november 2022.

De aanvraag omvat tevens een melding voor het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit). De melding voldoet aan de indieningvereisten van het Activiteitenbesluit.

De inrichting waarvoor de melding is ingediend, is een type C inrichting op basis van het Activiteitenbesluit. De bedrijfsvoering moet voldoen aan de van toepassing zijnde voorschriften van het Activiteitenbesluit.

Omdat de aanvraag een revisieaanvraag betreft en daarmee alle activiteiten op de locatie betreffen, omvat deze melding ook alle meldingsplichtige activiteiten op de locatie. Deze nieuwe melding vervangt daarom alle onderliggende meldingen.

Namens het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân,

S.G.C. Boender

Afdelingshoofd Vergunningverlening en Specialistisch Advies

Bijlagen: Ontwerpvergunning met voorschriften

Publicatie

Kopie

College van Burgemeester en Wethouders

van de gemeente Súdwest-Fryslân

Postbus 10.000

8600 HA SNEEK

Brandweer Fryslân

Postbus 612

8901 BK LEEUWARDEN

Wetterskip Fryslân

Postbus 36

8900 AA LEEUWARDEN

ODG

Postbus 97

9640 AB VEENDAM

Tauw bv

Postbus 133

7400 AC DEVENTER

Bekendmaking, inwerkingtreding en rechtsbeschermingsmiddelen (definitieve) beschikking

Deze beschikking wordt bekendgemaakt door toezending aan de aanvrager. Daarnaast wordt een kennisgeving gepubliceerd in de Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad en in het Provinciaal blad van Fryslân via www.officielebekendmakingen.nl. De beschikking treedt in werking zes weken na bekendmaking van het definitieve besluit.

De aanvraag en de beschikking met de daarbij behorende stukken worden op grond van de Algemene wet bestuursrecht met ingang van de in de kennisgeving vermelde dag gedurende zes weken ter inzage gelegd. Inzage is mogelijk bij de provincie/FUMO.

Een dag nadat de beschikking ter inzage is gelegd, start de termijn van zes weken voor het indienen van een beroepschrift. In die periode kunnen zowel u als belanghebbenden beroep aantekenen tegen deze beschikking. Ook niet-belanghebbenden kunnen beroep aantekenen indien zij een zienswijze hebben ingediend.

Het beroepschrift moet in tweevoud ingediend worden bij Rechtbank Noord-Nederland, Postbus 781, 9700 AT Groningen.

Het indienen van een beroepschrift stelt de werking van de beschikking niet uit. Als u of belanghebbenden niet willen dat deze beschikking in werking treedt na afloop van de beroepstermijn, kan tijdens die termijn om een voorlopige voorziening worden verzocht. Dit verzoek kan worden gedaan bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord Nederland, Postbus 781 9700 AT Groningen. De beschikking treedt in dat geval niet in werking voordat over dit verzoek is beslist.

VOORSCHRIFTEN

1. Algemene voorschriften

1.1. Terrein van de inrichting en toegankelijkheid

1.1.1 Binnen de inrichting moet een overzichtelijke en actuele plattegrond aanwezig zijn. Op deze plattegrond moeten ten minste de volgende aspecten zijn aangegeven:

  • a.

    alle gebouwen en de installaties met hun functies;

  • b.

    alle opslagen van stoffen welke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken met vermelding van aard en maximale hoeveelheid.

1.1.2 Op het terrein van de inrichting moet een zodanige afscheiding aanwezig zijn dat de toegang tot de inrichting voor onbevoegden redelijkerwijs niet mogelijk is.

1.1.3 De inrichting moet schoon worden gehouden en in goede staat van onderhoud verkeren.

1.1.4 Gebouwen, installaties en opslagvoorzieningen moeten altijd goed bereikbaar zijn voor alle voertuigen die in geval van calamiteiten toegang tot de inrichting/installatie moeten hebben. Binnen of nabij de installaties mogen geen andere goederen of stoffen worden opgeslagen dan die welke voor het proces nodig zijn of daardoor zijn verkregen, met uitzondering van brandbestrijdingsmiddelen.

1.2 Instructies

1.2.1 De vergunninghouder moet de binnen de inrichting (tijdelijk) werkzame personen instrueren over de voor hen van toepassing zijnde voorschriften van deze vergunning en de van toepassing zijnde veiligheidsmaatregelen. Tijdens het in bedrijf zijn van installaties die in geval van storingen of onregelmatigheden kunnen leiden tot nadelige gevolgen voor het milieu, moet steeds voldoende kundig personeel aanwezig zijn om in voorkomende gevallen te kunnen ingrijpen.

1.2.2 De vergunninghouder moet één of meer ter zake kundige personen aanwijzen die in het bijzonder belast zijn met de zorg voor de naleving van de in deze vergunning opgenomen voorschriften.

1.3 Melding contactpersoon en wijziging vergunninghouder

1.3.1 De vergunninghouder moet direct nadat de vergunning in werking is getreden schriftelijk naam en telefoonnummer opgeven aan het bevoegd gezag van degene (en van diens plaatsvervanger) met wie in spoedeisende gevallen, ook buiten normale werktijden, contact kan worden opgenomen. Als deze gegevens wijzigen moet dit vooraf onder vermelding van de wijzigingsdatum schriftelijk worden gemeld aan het bevoegd gezag.

1.4 Onderhoudswerkzaamheden/keuring

1.4.1 Onderhoudswerkzaamheden waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen dat deze buiten de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, dan wel dat hiervan in de omgeving meer nadelige gevolgen voor het milieu worden ondervonden dan uit de normale bedrijfsvoering voortvloeit, moeten ten minste een maand voor de aanvang van de uitvoering aan het bevoegd gezag worden gemeld.

1.4.2 Indien uit de inhoud van keurings- en inspectierapporten blijkt dat gevaar voor verontreiniging dreigt, moet direct het bevoegd gezag daarvan in kennis worden gesteld.

1.5 Ongewoon voorval

1.5.1 Een ongewoon voorval als bedoeld in hoofdstuk 17 van de Wet milieubeheer moet zo spoedig mogelijk telefonisch worden gemeld aan het milieualarmnummer 058 – 212 24 22. In aanvulling op het bepaalde in artikel 17.2 van de Wet milieubeheer dient de vergunninghouder deze mededeling onverwijld te bevestigen via het digitale meldingsfomulier ongewone voorvallen van de FUMO; https://www.fumo.nl/contact/melding-ongewone-voorvallen.html.

1.6 Registratie

1.6.1 Binnen de inrichting is een exemplaar van deze vergunning (inclusief aanvraag) met bijbehorende voorschriften aanwezig. Verder zijn binnen de inrichting de volgende documenten aanwezig:

  • a.

    alle overige voor de inrichting geldende omgevingsvergunningen en meldingen;

  • b.

    de veiligheidsinformatiebladen die behoren bij de in de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen;

  • c.

    de bewijzen, resultaten en/of bevindingen van de in deze vergunning voorgeschreven inspecties, onderzoeken, keuringen, onderhoud en/of metingen;

  • d.

    de registratie van het jaarlijks elektriciteit-, water- en gasverbruik.

De documenten genoemd onder c en d moeten ten minste vijf jaar worden bewaard.

1.6.2 Klachten van derden en de actie die door de vergunninghouder is ondernomen om de bron van de klachten te onderzoeken en eventueel weg te nemen, moeten worden geregistreerd.

1.7 Bedrijfsbeëindiging

1.7.1 Bij het geheel of gedeeltelijk beëindigen van de activiteiten binnen de inrichting moeten alle aanwezige stoffen en materialen, die uitsluitend aanwezig zijn vanwege de – te beëindigen- activiteiten, door of namens vergunninghouder op milieuhygiënisch verantwoorde wijze in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd.

1.7.2 Van het structureel buiten werking stellen van (delen van) installaties en/of beëindigen van (een van de) activiteiten moet het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk op de hoogte worden gesteld. Installaties of delen van installaties die structureel buiten werking zijn gesteld en nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, moeten in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd tenzij de (delen van de) installaties in een zodanige staat van onderhoud worden gehouden dat de nadelige gevolgen niet kunnen optreden.

1.8 Mileuzorgsysteem 

1.8.1 De vergunninghouder moet een milieuzorgsysteem overeenkomstig ISO 14001 of gelijkwaardig hebben opgezet en geïmplementeerd.

1.9 Proefnemingen

1.9.1 Vergunninghouder mag - mits hiervoor vooraf schriftelijk goedkeuring is verleend door het bevoegd gezag en bij wijze van proef - andere dan in deze vergunning opgenomen technische installaties en/of alternatieve grond-, hulp-, of brandstoffen toepassen. Goedkeuring wordt slechts verleend indien de proefneming noodzakelijk is om informatie te vergaren over de technische haalbaarheid van de andere toepassing en deze informatie niet op een andere wijze kan worden verkregen. De duur van de proefneming is maximaal zes maanden. De proefneming moet voldoen aan de in de vergunning opgenomen voorschriften.

1.9.2 Voordat goedkeuring kan worden verleend voor een proef, moeten minimaal zes weken voor aanvang van de proef de volgende gegevens schriftelijk aan het bevoegd gezag worden verstrekt:

  • a.

    het doel en de noodzaak van de proefneming;

  • b.

    een beschrijving van de alternatieve stof of van de alternatieve techniek of het alternatieve proces, met vermelding van de capaciteit inclusief eventuele wijzigingen in installaties en procesvoeringen;

  • c.

    de te verwachten wijziging in emissies en verbruiken, aangegeven met behulp van massabalansen en de verwachte wijziging in gevolgen voor het milieu;

  • d.

    de wijze waarop tijdens de proefneming processen en emissies, gevolgen voor het milieu en de verbruiken zullen worden beheerd en geregistreerd;

  • e.

    de hoeveelheid in te zetten materiaal;

  • f.

    de duur van de proef.

1.9.3 Het bevoegd gezag kan naar aanleiding van een onderzoeksopzet goedkeuring onthouden dan wel nadere eisen stellen aan de proefneming. Deze nadere eisen kunnen een beperking van duur of een beperking van de bij de proefnemingen te verwerken hoeveelheid materiaal betekenen. Tevens kunnen nadere eisen gesteld worden aan de milieuhygiënische randvoorwaarden van de proefnemingen.

1.9.4 De proefneming mag uitsluitend worden uitgevoerd binnen de aan de goedkeuring verbonden voorwaarden. Zodra blijkt dat deze randvoorwaarden niet in acht genomen (kunnen) worden of dat de gevolgen voor het milieu groter zijn dan voorzien, moet de proef onmiddellijk gestopt worden.

2 Afvalstoffen

2.1 Afvalpreventie

2.1.1 Binnen zes maanden na inwerkingtreding van deze vergunning moet door of namens de vergunninghouder een afvalpreventieonderzoek zijn uitgevoerd. Dit onderzoek moet inzicht geven in de volgende aspecten:

  • a.

    de processen binnen het bedrijf;

  • b.

    de stoffenhuishouding per onderdeel en totaal;

  • c.

    de samenstelling van het restafval in gewichtsprocenten;

  • d.

    een kostenberekening;

  • e.

    een bron-/oorzaakanalyse per afvalstroom;

  • f.

    de wijze van meten en registreren;

  • g.

    preventiemaatregelen, reeds genomen en gepland;

  • h.

    mogelijkheden om reststoffen als grondstof in te zetten;

  • i.

    een overzicht met aanvullende maatregelen;

  • j.

    haalbaarheidsanalyses;

  • k.

    doelstellingen en planning.

2.1.2 Binnen twee maanden na uitvoering van het afvalpreventieonderzoek moet de rapportage van het onderzoek ter beoordeling aan het bevoegd gezag worden gezonden. Het bevoegd gezag kan op basis van de rapportage nadere eisen stellen ter uitvoering van de maatregelen zoals opgenomen in het plan.

2.1.3 Vergunninghouder moet jaarlijks, vóór 1 april, aan het bevoegd gezag rapporteren over de uitvoering van de preventiemaatregelen.

2.1.4 Vergunninghouder moet eenmaal per vier jaar het afvalpreventieonderzoek actualiseren en ter beoordeling zenden aan het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag kan op basis van de uitgevoerde actualisatie eisen stellen ter uitvoering van nadere maatregelen.

2.2 Opslag van afvalstoffen

2.2.1 De op- en overslag en het transport van afvalstoffen moeten zodanig plaatsvinden dat zich geen afval in of buiten de inrichting kan verspreiden. Mocht onverhoopt toch verontreiniging buiten de inrichting plaatsvinden, dan moeten direct maatregelen worden getroffen om deze verontreiniging te verwijderen.

2.2.2 De verpakking van gevaarlijk afval dat niet valt onder de PGS 15, moet zodanig zijn dat:

  • a.

    niets van de inhoud uit de verpakking kan ontsnappen;

  • b.

    het materiaal van de verpakking niet door gevaarlijke stoffen kan worden aangetast, dan wel met die gevaarlijke stoffen een reactie kan aangaan dan wel een verbinding kan vormen;

  • c.

    deze tegen normale behandeling bestand is;

  • d.

    deze is voorzien van een etiket waarop de gevaaraspecten van de gevaarlijke stof duidelijk tot uiting komen.

2.2.3 Afvalstoffen moeten zodanig gescheiden van elkaar worden opgeslagen dat de verschillende soorten afvalstoffen ten opzichte van elkaar geen reactiviteit kunnen veroorzaken.

2.2.4 De termijn van opslag van afvalstoffen mag maximaal één jaar bedragen. In afwijking hiervan mag de termijn van opslag van afvalstoffen maximaal drie jaar bedragen indien de vergunninghouder aan het bevoegd gezag heeft aangetoond dat de opslag van afvalstoffen gevolgd wordt door nuttige toepassing van afvalstoffen.

3 Afvalwater en waterbesparing 

3.1 Goedkeuring stoffen (ABM)

3.1.1 Vergunninghouder dient binnen één jaar na inwerkingtreding van deze vergunning onderzoek uit te (laten) voeren om het gebruik van stoffen die als Z geclassificeerd zijn volgens de ABM te beëindigen dan wel tot een zo klein mogelijke lozing te komen.

3.1.2 Vergunninghouder moet een ABM-toets uitvoeren bij een groter jaarverbruik van stoffen, waarbij verwacht wordt dat deze stoffen en hun omzettingsproducten in het afvalwater terecht kunnen komen. Ook moet een ABM-toets uitgevoerd worden voorafgaand aan het toepassen van nieuwe stoffen of mengsels, waarbij verwacht wordt dat deze stoffen en hun omzettingsproducten in het afvalwater terecht kunnen komen. De resultaten van de ABM-toets worden verstrekt aan het bevoegd gezag. Indien uit de ABM-toets blijkt dat de waterbezwaarlijkheid klasse Z, A of B is, mag de betreffende stof alleen na goedkeuring van het bevoegd gezag worden toegepast.

3.2 Registratie

3.2.1 Vergunninghouder moet de jaarrekening van het waterverbruik binnen de inrichting bewaren. De gegevens moeten naar herkomst (drinkwater, grondwater en oppervlaktewater) worden geregistreerd (in m3).

4 Externe veiligheid

4.1 Algemeen 

4.1.1 De binnen de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen mogen de hoeveelheden zoals opgenomen in onderstaande tabellen niet overschrijden. Dit is inclusief het compartiment van de tankwagen met stoffen in de categorie H2 dat bij de verlading is betrokken.

Daarnaast mogen de binnen de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen bij toepassing van de sommatieregels (zoals genoemd in aantekening 4, behorende bij bijlage I van de richtlijn 2012/18/EU van 4 juli 2012) niet resulteren in een uitkomst die groter is dan of gelijk is aan 1. Dit is inclusief de inhoud van het te verladen tankcompartiment (de som van de hoeveelheid in de opslagtank en het te verladen compartiment in de tankwagen).

Categorie**

H-zinnen

Maximale hoeveelheid (ton)

H1, acuut toxisch categorie 1, alle blootstellingsroutes

H300, H310, H330

0,0

H2, acuut toxisch

categorie 2, alle blootstellingsroutes en

categorie 3, inademingblootstellingsroutes

H300, H310, H330

H331, H301 indien aantekening 7 Bijlage 1 Seveso III van toepassing is

38,7

H3 Specifieke doelorgaantoxiciteit, STOT, eenmalige blootstelling, categorie 1

H370

0,0

35, watervrije ammoniak

H221, H331, H400

6,3

* Als bedoeld in richtlijn 2012/18/EU van 4 juli 2012

Stof

Wijze van opslag

Locatie

ADR-klasse

Verpakkings-groep

Maximale hoeveelheid (ton)

Salpeterzuur 60%

30 m3 (begrensd op 26,5 m3

Melkontvangst

8

II

36,3

Mierenzuur (>85<90%)

3 IBC’s

Chemicaliënopslag

8 en 3

II

2,4

Ammoniak

Koelinstallatie

Meerdere locaties

2

-

6,3

Zoutzuur 30%

Tank 15 m3

Cheese -Kaasmakerij 3

8

II

10,0

Koolstofdioxide

Tank 20 m3

Cheese - Pekeltanks

2

-

-

Calciumchloride

Tank 65 m3

Melkontvangst

-

-

87,1

Natronloog 25%

Tank 75 m3

Melkontvangst

8

II

97,5

 

Opslagruimte

Toegestane ADR-klasse

Maximale hoeveelheid

Chemicaliënopslag (uitpandig)

3

2,4 ton

8 en 9

10 ton

Gasflessenopslag (uitpandig)

2

2.500 liter

4.1.2 Procesleidingen, tanks, vast opgestelde procesapparatuur, los- en laadpunten en dergelijke moeten voor zover deze betrekking hebben op stoffen waarop het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen van toepassing is:

  • a.

    zijn voorzien van een codering, waaruit blijkt welke (soort) stof daarin aanwezig is;

  • b.

    staan vermeld op actuele P&ID’s (Piping & Instrumentation Diagram) die binnen de inrichting aanwezig zijn.

4.1.3 De installaties moeten worden beschermd tegen verlies van stoffen door corrosie en beschadigingen.

4.1.4 Installaties met gevaarlijke stoffen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat zij in elke situatie op een veilige manier uit bedrijf kunnen worden genomen.

4.1.5 Alle brandblusmiddelen, brandbestrijdings- en brandbeveiligingssystemen moeten steeds:

  • a.

    voor onmiddellijk gebruik gereed zijn;

  • b.

    goed bereikbaar zijn;

  • c.

    als zodanig herkenbaar zijn.

4.1.6 Meet-, regel- of beveiligingsapparatuur die direct verband heeft met het optreden van bijzondere situaties voor wat betreft veiligheid en emissies en die niet of onvoldoende functioneert moet direct worden gerepareerd of worden vervangen. Als de betreffende apparatuur niet direct kan worden gerepareerd of vervangen moeten de activiteiten onverwijld worden stilgelegd tenzij vergunninghouder kan aantonen dat met behulp van bijvoorbeeld visueel toezicht het proces tijdelijk afdoende kan worden beheerst.

4.1.7 Binnen de inrichting moet een actueel journaal aanwezig zijn van alle aanwezige gevaarlijke stoffen.

4.2 Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen (PGS 15 opslagen)

OPSLAG TOT 10.000 KG

4.2.1 De opslag van verpakte gevaarlijke stoffen die vallen onder de ADR-klassen, zoals genoemd in de richtlijn PGS 15 (Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15:2021, versie 1.0 (augustus 2021), moet in de speciaal daarvoor bestemde opslagruimten plaatsvinden en moet voldoen aan de volgende voorschriften van de PGS 15:

  • a.

    3.1.1 tot en met 3.1.5;

  • b.

    3.2.1, 3.2.2, 3.2.3, 3.2.5, 3.2.7 tot en met 3.2.10, 3.2.13;

  • c.

    3.3.1 tot en met 3.3.4;

  • d.

    3.4.1 tot en met 3.4.11;

  • e.

    3.5.1;

  • f.

    3.6.1;

  • g.

    3.7.1 tot en met 3.7.7;

  • h.

    3.11.1 tot en 3.11.3;

  • i.

    3.12.1;

  • j.

    3.13.1 tot en met 3.13.3;

  • k.

    3.14.1 en 3.14.2;

  • l.

    3.15.1 en 3.15.2;

  • m.

    3.16.1;

  • n.

    3.17.1 tot en met 3.17.3;

  • o.

    3.18.1.

OPSLAG VAN GASFLESSEN (ADR-KLASSE 2)

4.2.2 De opslag van gasflessen (ADR-klasse 2) moet in de speciaal daarvoor bestemde ruimte plaatsvinden en moet voldoen aan de volgende voorschriften van de richtlijn PGS 15:2021:

  • a.

    6.1.1 tot en met 6.1.3;

  • b.

    6.2.1, 6.2.2, 6.2.5 tot en met 6.2.18.

4.3 Ammoniak: Koudemiddel in koelinstallaties (PGS 13:2021)

4.3.1 De ammoniakkoelinstallatie met een inhoud van meer dan 1.500 kg maar minder dan 3.000 kg ammoniak, moet voldoen aan de volgende maatregelen van de richtlijn PGS 13:2021, versie 1.0 (september 2021):

  • a.

    maatregelen M2, M3;

  • b.

    maatregel MW4;

  • c.

    maatregelen M8, M9, M10;

  • d.

    maatregel M17;

  • e.

    maatregelen M18, M19;

  • f.

    maatregelen M26, M27;

  • g.

    maatregelen M28, M29, M30, M32, M33, M34;

  • h.

    maatregelen M36, M37;

  • i.

    maatregelen M40, M42;

  • j.

    maatregelen M48, M49, M50, M51, M52, M57;

  • k.

    maatregelen M65, M66, M67;

  • l.

    maatregelen M69, M70, M71, M73, M74, M75;

  • m.

    maatregelen M80, M81, M82, M83;

  • n.

    maatregelen M87,M88, M89, M90, M91, M92, M93, M94;

  • o.

    maatregelen M95, M96, M97, M98, M99, M100;

  • p.

    maatregelen M115, M116, M117, M118, M119, M120;

  • q.

    maatregel M123;

  • r.

    maatregelen M124, M125, M126, M127, M128, M129.

De in bijlage F van de PGS 13 vermelde implementatietermijnen gaan in op 1 januari 2024.

4.3.2 De ammoniakkoelinstallaties cel 2, 4 en 5 en cel 1, 3, 6 en 7 zijn uitgevoerd in opstellingsuitvoering 2, de koelinstallaties OASIS, Ingredients 030, 040 en 050 hebben opstellingsuitvoering 1.

4.4 Opslag van cryogene gassen (0,125-100 m3) (PGS 9:2021)

4.4.1 De opslag van het reservoir buiten een gebouw moet voldoen aan de volgende voorschriften van de richtlijn PGS 9:2021, versie 1.0 (augustus 2021):

  • a.

    maatregelen M1, M3, M5, M6, M7, M8, M9, M10;

  • b.

    maatregelen M13, M16, M17, M18;

  • c.

    maatregelen M22, M23, M26, M27;

  • d.

    maatregel M47;

  • e.

    maatregelen M48, M49, M50, M51, M52;

  • f.

    maatregel M56;

  • g.

    maatregel M59;

  • h.

    maatregel M63.

De in bijlage H van de PGS 9 vermelde implementatietermijnen gaan in op 1 januari 2024.

4.5 Opslag van overige gevaarlijke vloeistoffen in bovengrondse tankinstallaties (PGS 31:2021) (salpeterzuur, natronloog en zoutzuur)

Salpeterzuur, natronloog en zoutzuur

4.5.1 De tankinstallaties voor salpeterzuur, natronloog en zoutzuur moeten met inbegrip van alle direct daaraan gerelateerde activiteiten voldoen aan de onderstaande voorschriften uit de PGS 31:2021, versie 1.0, augustus 2021:

  • a.

    2.2.1, 2.2.4, 2.2.6 t/m 2.2.8, 2.2.10, 2.2.11, 2.2.15, 2.2.19 tot en met 2.2.23, 2.2.26 t/m 2.2.29 (2.2.10 geldt alleen voor salpeterzuur);

  • b.

    3.1.1 tot en met 3.1.2;

  • c.

    3.2.1 tot en met 3.2.8, 3.12 tot en met 3.2.27, 3.2.32;

  • d.

    5.2.1 tot en met 5.2.3;

  • e.

    5.3.1, 5.3.3 tot en met 5.3.5, 5.3.6 en 5.3.7;

  • f.

    5.4.2 tot en met 5.4.4;

  • g.

    5.6.1 tot en met 5.6.2;

  • h.

    5.6.3

  • i.

    5.7.1;

  • j.

    5.8.1;

  • k.

    6.2.1, 6.2.3

  • l.

    6.4.1 tot en met 6.4.3, 6.4.6.

zoutzuur

4.5.2 De bestaande zoutzuurtank hoeft tot het moment van vervangen niet te voldoen aan de eisen uit voorschrift 4.5.1. Uiterlijk op 31 december 2024 dient de bestaande tank te zijn vervangen door een nieuwe opslagtank, met dezelfde uitvoering (inhoud, materiaal, etc.) als nu aangevraagd. Vanaf het moment dat de nieuwe tank in gebruik wordt genomen, moet deze voldoen aan het voorschrift 4.5.1.

salpeterzuur

4.5.3 De maximale inhoud van een lossende tankauto met salpeterzuur mag 20 m3 niet overschrijden.

4.5.4 De tankinstallatie voor salpeterzuur is voorzien van een doelmatige technische overvulbeveiliging. Deze overvulbeveiliging moet zijn afgestemd op een maximale vulgraad van de tank van 26,5 m3. Het voorzieningenniveau is uitgevoerd conform typical 3 als bedoeld in PGS 31 en voldoet aan voorschrift 2.2.13 van PGS 31. Berekend moet worden bij welk niveau het hoogniveau-alarm moet afgaan om voldoende tijd te creëren voor het stoppen van het vullen. Bij een controle moet deze berekening kunnen worden overgelegd.

4.5.5 Vergunninghouder legt jaarlijks een opgave over van datum, lostijd en losvolume/losgewicht van de tankauto met salpeterzuur.

4.6 Milieurisicoanalyse

4.6.1 Er wordt uitstel gegeven voor het uitvoeren van een milieurisicoanalyse (MRA) tot duidelijk is (vanuit de overheid) met welk rekenprogramma deze analyse uitgevoerd moet worden, met maximaal één jaar na inwerkingtreding van deze vergunning. Na dit jaar moet binnen drie maanden, dus in totaal binnen vijftien maanden na inwerkingtreding van deze vergunning, een MRA zijn uitgevoerd met Proteus 4.5 of het dan geldende rekenprogramma.

4.6.2 Binnen twee maanden na uitvoering van de MRA moet de rapportage van de analyse ter beoordeling aan het bevoegd gezag worden gezonden. Het bevoegd gezag kan op basis van de rapportage nadere eisen stellen ter uitvoering van de maatregelen zoals opgenomen in de analyse.

5 Geluid

5.1 Algemeen

5.1.1 Het meten en berekenen van de geluidsniveaus en het beoordelen van de meetresultaten moet plaatsvinden overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, uitgave 1999.

5.1.2 Binnen zes maanden na het in werking treden van deze vergunning moeten de in het akoestisch onderzoek ‘FrieslandCampina Workum, Geluidonderzoek (revisie) 2022’, opgesteld door LBP Sight , kenmerk R085400aq.221DCW0.rvw, versie 03_001, van 6 oktober 2022, genoemde geluidbeperkende maatregelen uitgevoerd zijn. Dit betreffen de maatregelen voor de technische ruimte NH3 en de maatregelen voor de ijswaterinstallatie nummer 5, uit paragraaf 4.1 van het rapport.

5.1.3 Binnen een maand na het uitvoeren van de maatregelen zoals beschreven in voorschrift 5.1.2, moet met een geluidmeting moet worden aangetoond dat de geluidbronnen van de technische ruimte en de ijswaterinstallatie, na het treffen van de maatregelen voldoen aan de gehanteerde bronvermogens uit het in voorschrift 5.1.2 genoemde akoestisch onderzoek.

5.1.4 Binnen 3 maanden nadat de inrichting (gedeeltelijk) in overeenstemming met de vergunning in werking is gebracht, moet de vergunninghouder, door middel van een akoestisch onderzoek (controlerapportage), aan het bevoegd gezag aantonen dat aan de geluidsvoorschriften in de voorschriften 5.2.1 en 5.2.2 van deze vergunning wordt voldaan. De resultaten van dit akoestisch onderzoek moeten binnen deze termijn schriftelijk aan het bevoegd gezag worden gerapporteerd.

5.2 Representatieve bedrijfssituatie

5.2.1 Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan:

Beoordelingspunt en omschrijving

Rijksdriehoekcoördinaten (x ; y)

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT in dB(A)

Dag

Avond

Nacht

07.00 -19.00 uur

19.00 -23.00 uur

23.00 -07.00 uur

VP1a

159627 ; 553897

47

47

47

VP2a

159846 ; 554174

45

45

44

VP4

159435 ; 554089

49

49

49

VP6

159410 ; 554186

43

43

43

VP7

159531 ; 554323

46

46

45

VPR-001 Nabij ZIP 1

159256 ; 554259

39

39

39

VPR-031 Nabij ZIP 31

160064 ; 554194

38

38

37

De ligging van de beoordelingspunten is aangegeven op de tekening ‘Plot rekenpunten’ in bijlage III van het in voorschrift 5.1.2 genoemde akoestisch onderzoek (bijlage 12 van de aanvraag). De beoordelingshoogte voor de dag-, avond- en nachtperiode is 5 meter.

5.2.2 Het maximale geluidsniveau LAmax veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan:

Beoordelingspunt en omschrijving

Rijksdriehoekcoördinaten (x ; y)

Maximale geluidsniveau LAmax

in dB(A)

Dag

Avond

Nacht

07.00 -19.00 uur

19.00 -23.00 uur

23.00 -07.00 uur

VPR-001 Nabij ZIP 1

159256 ; 554259

50

47

47

VPR-031 Nabij ZIP 31

160064 ; 554194

50

45

43

De ligging van de beoordelingspunten is aangegeven op de tekening ‘Plot rekenpunten’ in bijlage III van het in voorschrift 5.1.2 genoemde akoestisch onderzoek (bijlage 12 van de aanvraag). De beoordelingshoogte voor de dag-, avond- en nachtperiode is 5 meter.

6 Lucht

6.1 Emissies van stoffen uit puntbronnen

6.1.1 De droogtoren en poedersilo dienen te zijn voorzien van filtrerende stofafscheiders om de emissie van stof naar de buitenlucht te reduceren.

6.1.2 De emissie van stof uit de filtrerende stofafscheiders van de droogtoren en poedersilo mag niet meer bedragen dan 5 mg/Nm3 totaal stof.

6.1.3 De uitworp van totaal stof afkomstig van de stofafscheiders van de droogtoren moet worden vastgesteld door elk jaar emissiemetingen te verrichten.

6.1.4 Uiterlijk twee maanden na de meting worden de resultaten van de emissiemetingen inclusief toetsing aan de geldende emissiegrenswaarden overgelegd aan het bevoegd gezag.

6.1.5 De emissiemetingen moeten worden uitgevoerd door een voor de metingen geaccrediteerde meetinstantie met gebruikmaking van genormaliseerde meetmethoden zoals vermeld in bijlage 2 “Metingen” bij deze vergunning.

Overwegingen

1. Procedurele aspecten

1.1. Gegevens aanvrager

Op 12 juli 2022 is een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ontvangen. Het betreft een verzoek van FrieslandCampina Nederland B.V. (hierna FrieslandCampina).

1.2. Projectbeschrijving

Het project waarvoor vergunning wordt gevraagd is een revisievergunning. Op de locatie vindt de productie van kaas en weiproducten, onder andere weipoeder, plaats. Naast een revisie van de huidige vergunningssituatie, worden ook de volgende activiteiten gevraagd:

  • Uitbreiding van de productiecapaciteit van 120 kiloton naar 140 kiloton kaas;

  • Het verplaatsen van chemieopslag in tanks naar de nieuwe melkontvangst;

  • Het wijzigingen van de ammoniakkoelinstallaties;

  • Het vervangen van een verouderde condensor van ammoniakkoelinstallatie Ingredients 050.

De aangevraagde productiecapaciteit bedraagt 140.000 ton kaas op jaarbasis. Daarnaast wordt 50.000 ton wei, 20.000 ton weipoeder en 35.000 ton room geproduceerd. Voor deze productie wordt op jaarbasis circa 1.400.000 ton melk gebruikt.

De productie vindt volcontinu plaats.

De locatie beslaat de kadastrale percelen gemeente Workum, sectie G, nummers 37, 40, 71, 1025 en 1026.

Een uitgebreide projectomschrijving is opgenomen in de aanvraag om vergunning. Gelet op bovenstaande omschrijving wordt vergunning gevraagd voor de in de Wabo omschreven activiteit: het veranderen en het in werking hebben van de inrichting na die verandering (artikel 2.1, eerste lid, onder e, juncto artikel 2.6 van de Wabo).

1.3. Huidige vergunningsituatie

Voor de inrichting zijn eerder de onderstaande vergunningen en/of ontheffingen verleend dan wel meldingen geaccepteerd:

Onderwerp

Vergunning- datum

Kenmerk

Soort

Revisievergunning

16-08-2011

967340

Nieuwe de gehele inrichting omvattende omgevingsvergunning

Slopen/verwijderen asbesthoudende platen bij de melkontvangst

16-12-2011

985331

Milieuneutrale omgevingsvergunning

Het op een andere plaats realiseren van een omgekeerde osmose-installatie

15-03-2012

996807

Milieuneutrale omgevingsvergunning

Vervangen stoomketel

24-04-2012

00998836

Milieuneutrale omgevingsvergunning

Ammoniakkoelinstallatie

03-07-2012

01012154

Milieuneutrale omgevingsvergunning

Vervangen CIP-installatie

13-12-2012

01036598

Milieuneutrale omgevingsvergunning

Wijzigen reinigingsinstallatie procesapparatuur CIP6

26-03-2015

2015-FUMO-0004124

Milieuneutrale omgevingsvergunning

Uitbreiden voorfabriek met stofwrongelverwerking

26-03-2015

2015-FUMO-0004130

Milieuneutrale omgevingsvergunning

Besluit maatwerk Activiteitenbesluit

02-12-2015

2015-FUMO-0012627

Milieuneutrale omgevingsvergunning

Dakopbouw poederloods

09-06-2015

2015-FUMO-0010680

Milieuneutrale omgevingsvergunning

Plaatsen unit serverruimte

06-09-2016

2016-FUMO-0017147

Milieuneutrale omgevingsvergunning

Plaatsen tijdelijke stookketel

01-11-2016

2016-FUMO-0018333

Milieuneutrale omgevingsvergunning

Plaatsen van een noodstroomaggregaat

04-01-2017

2016-FUMO-0019260

Melding Activiteitenbesluit

Plaatsen van een extra melkontvangsttank

09-11-2017

2017-FUMO-0024104

Milieuneutrale omgevingsvergunning

Het vervangen van een zuurseltank

15-02-2018

2017-FUM0-0025074

Milieuneutrale omgevingsvergunning

Het plaatsen van een tank, gebouw met leidingwerk OPL

18-04-2018

2017-FUMO-0025657

Milieuneutrale omgevingsvergunning

Meerdere wijzigingen t.b.v. het project UTW

18-07-2018

2018-FUMO-0027508

Milieuneutrale omgevingsvergunning

Vervangen van de poedertoren

15-11-2018

2018-FUMO-0028580

Milieuneutrale omgevingsvergunning

Het plaatsen van keten ten behoeve van kantoren

26-02-2019

2018-FUMO-0029113

Milieuneutrale omgevingsvergunning

Deels intrekken omgevingsvergunning 2018-FUMO-0027508 (geluidsscherm)

05-03-2019

2018-FUMO-0030662

Verzoek tot intrekking

Verplaatsen trafogebouw en pompgebouw van het rioolgemaal

08-06-2020

2020-FUMO-0039044

Milieuneutrale omgevingsvergunning

Uitbreiding inrichting en het verplaatsen van de melkontvangst naar de overzijde van de Horsa

26-10-2021

2021-FUMO-0051680

Veranderingsvergunning

Verandering van de kaasrijping en project OASIS

10-01-2022

2021-FUMO-0058259

Milieuneutrale omgevingsvergunning

Een revisievergunning vervangt met ingang van het tijdstip waarop deze in werking treedt, de eerder voor de inrichting verleende vergunningen. Deze vergunningen vervallen op het tijdstip waarop de nieuwe revisievergunning onherroepelijk wordt.

De wijzigingen die op basis van de eerdere meldingen zijn doorgevoerd, zijn in het kader van de aanvraag om revisievergunning meegenomen.

1.4. Vergunningplicht

De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I, onderdeel C van het Bor. De volgende categorieën zijn van toepassing:

Categorie

Omschrijving

1.1, onder a en c

Inrichtingen waar:

  • a.

    een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een vermogen of een gezamenlijk vermogen groter dan 1,5 kW, met dien verstande, dat bij de berekening van het gezamenlijk vermogen een elektromotor met een vermogen van 0,25 kW of minder buiten beschouwing blijft;

  • b.

    een of meer voorzieningen of installaties aanwezig zijn voor het verstoken van brandstoffen met een thermisch vermogen of een gezamenlijk vermogen groter dan 130 kW.

2.1, onder a

Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van gassen of gasmengsels, al of niet in samengeperste tot vloeistof verdichte of onder druk in vloeistof opgeloste toestand.

4.1, onder a

Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van de volgende stoffen, preparaten of producten:

  • a.

    stoffen en preparaten die zijn ingedeeld krachtens het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten in een categorie als bedoeld in artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer.

4.4, onder c

Als categorieën vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van dit besluit, worden inrichtingen aangewezen voor de opslag van polyesterhars en stoffen van ADR-klasse 5.1 of klasse 8, verpakkingsgroepen II en III, zonder bijkomend gevaar, in bovengrondse opslagtanks met een inhoud van meer dan 10 m3.

5.1

Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare, ontvlambare of brandbare vloeistoffen.

6.1

Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van harsen, dierlijke of plantaardige oliën of vetten.

9.1, onder d

Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken of verwerken van voedingsmiddelen, genotmiddelen of grondstoffen daarvoor.

9.3, onder a, b en c

Gedeputeerde Staten zijn bevoegd te beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning ten aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het betreft inrichtingen voor:

  • a.

    het vervaardigen van melkpoeder, weipoeder of andere gedroogde zuivelproducten met een capaciteit ten aanzien daarvan van 1.500 kg per uur of meer;

  • b.

    het vervaardigen van consumptiemelk, consumptiemelkproducten of geëvaporiseerde melk of melkproducten met een melkverwerkingscapaciteit ten aanzien daarvan van 55.000.000 kg per jaar of meer;

  • c.

    het concentreren van melk of melkproducten door middel van indamping met een waterverdampingscapaciteit ten aanzien daarvan van 20.000 kg per uur of meer.

Op grond van categorie 4.4, onder c is sprake van een vergunningplichtige activiteit.

Daarnaast valt het bedrijf onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) vanwege de ammoniakkoelinstallaties (artikel 2, lid 1, onder g van het Bevi). Op basis van het Bor, bijlage I, onderdeel B, onder 1, onder a, is sprake van een vergunningplichtig bedrijf.

Het betreft een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort genoemd in Bijlage I, categorie 6.4.c van de Richtlijn industriële emissies (Rie). Deze categorie betreft de bewerking en verwerking van uitsluitend melk, met een hoeveelheid ontvangen melk van meer dan 2.000 ton per dag (gemiddelde waarde op jaarbasis). Om die reden is op grond van artikel 2.1, tweede lid van het Bor tevens sprake van een vergunningplichtige inrichting.

1.5. Bevoegd gezag

Wij zijn bevoegd gezag voor de inrichting. Dit volgt uit artikel 2.4, tweede lid van de Wabo juncto artikel 3.3, eerste lid van het Bor, op grond van de activiteiten van de inrichting, genoemd in Bijlage I, onderdeel C, categorie 9.3, onder a, van het Bor.

1.6. Procedure 

Deze vergunning is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Gelet hierop zijn wij niet verplicht om van de aanvraag kennis te geven, tenzij bij de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag een milieueffectrapport (MER) moet worden gemaakt. Nu deze uitzonderingsgrond zich niet voordoet hebben wij geen kennis gegeven van de aanvraag.

1.7. Adviezen

In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 van de Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor, hebben wij de aanvraag ter advies aan de volgende instanties/bestuursorganen gezonden:

  • Wetterskip Fryslân;

  • Brandweer Fryslân.

Het advies van Wetterskip Fryslân (brief van 10 januari 2023) en Brandweer Fryslân (brief van 1 augustus 2022) behandelen wij in de overwegingen.

1.8. Beoordeling van de aanvraag

Na ontvangst van de aanvraag hebben wij deze getoetst op volledigheid. In verband met het ontbreken van een aantal gegevens hebben wij de aanvrager op 21 september 2022 in de gelegenheid gesteld om tot acht weken na de hiervoor genoemde datum de aanvraag aan te vullen. Wij hebben de aanvullende gegevens ontvangen op 15 november 2022. Na ontvangst van de aanvullende gegevens hebben wij de aanvraag opnieuw getoetst op volledigheid. In verband met het ontbreken van een aantal gegevens hebben wij de aanvrager op 13 december 2022 in de gelegenheid gesteld om tot acht weken na de hiervoor genoemde termijn de aanvraag aan te vullen. Wij hebben de aanvullende gegevens ontvangen op 25 januari 2023. Na ontvangst van de aanvullende gegevens hebben wij de aanvraag opnieuw getoetst op volledigheid. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag met de aanvullende gegevens voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanvraag is dan ook in behandeling genomen. De termijn voor het nemen van het besluit is met 14 weken opgeschort tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld.

1.9. Wet natuurbescherming

In de Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen dat deze wet aanhaakt bij de Wabo wanneer:

  • 1.

    een activiteit plaatsvindt in of om een Natura 2000-gebied en deze activiteit de kwaliteit van de habitats en de habitats van soorten verslechtert (handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden), en/of;

  • 2.

    een activiteit plaatsvindt waarbij in onvoldoende mate sprake is van het beschermen van inheemse plant- en diersoorten en het bewaken van de biodiversiteit tegen invasieve uitheemse plant- en diersoorten (handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten).

Een omgevingsvergunning natuur is niet van toepassing wanneer al toestemming op basis van de Wnb is verkregen of gevraagd. Voor het voorgenomen project is op 20 april 2022 een aanvraag voor de Wnb ingediend. Dit betekent dat de Wnb niet aanhaakt in deze Wabo-procedure.

1.10. Zienswijzen op de ontwerpvergunning

Van het (gerectificeerde) ontwerp van de beschikking hebben wij kennisgegeven in de Leeuwarder Courant en het Friesch Dagblad van 11 maart 2023.

Tussen 14 maart en 24 april 2023 heeft het (gerectificeerde) ontwerp ter inzage gelegen en is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is gebruik gemaakt door de aanvrager.

Het betreft (samengevat) de volgende zienswijzen:

  • 1.

    Afvalwater

“FrieslandCampina Workum loost geen (bedrijfs)afvalwater op een openbaar riool, hiervoor zijn daarom geen voorschriften noodzakelijk in de vergunning. Dit is ook zo beschreven in paragraaf 6.1 van de overwegingen: ‘Alle overige afvalwaterstromen worden afgevoerd via het rioolstelsel naar de Voorzuivering zuivelfabriek Workum (VZW). Dit is een samenwerking tussen FrieslandCampina en Wetterskip Fryslân.’ (…)

Ondanks de tekst in de overwegingen zijn in paragraaf 3.1 van de vergunning voorschriften opgenomen voor het lozen van bedrijfsafvalwater op een openbaar riool. Ons inziens zijn voorschrift 3.1.1, 3.1.2 en 3.1.3 overbodig en niet van toepassing op FrieslandCampina Workum. Deze voorschriften moeten daarom uit de vergunning worden verwijderd.”

  • 2.

    ABM

“In paragraaf 6.2 van de overwegingen is opgenomen dat NALCO 2510 de enige ZZS-stof betreft die bij FrieslandCampina wordt toegepast. Dit is in lijn met de aanvraag. Echter staat verderop in de alinea dat NALCO 2510 een A-stof betreft op basis van de ABM-toetsing. Dit spreekt elkaar tegen. Het gaat op basis van de ABM-toets om een Z-stof, niet om een A-stof. Dit is momenteel foutief opgenomen in de overwegingen en dient te worden aangepast.

In de aanvraag heeft FrieslandCampina Workum verzocht een onderzoeksverplichting op te nemen voor een middel ter vervanging van NALCO 2510 (een Z-stof). In voorschrift 3.2.1 is wel een onderzoeksvoorschrift opgenomen, maar voor alle A-stoffen en niet voor de Z-stof waar dit specifiek voor aangevraagd is. Wij verzoeken voorschrift 3.2.1. aan te passen zodat deze weerslag heeft op de aanwezige Z-stof en niet op alle A-stoffen. In de ABM-toetsing behorende bij de aanvraag (bijlage 10) is tenslotte al opgenomen welke sanerings- en minimalisatie-inspanningen FrieslandCampina toepast, ook voor de aanwezige A-stoffen. We verzoeken u het voorschrift als volgt aan te passen:

Vergunninghouder dient binnen één jaar na inwerkingtreding van deze vergunning onderzoek uit te (laten) voeren om het gebruik van stoffen die als Z geclassificeerd zijn volgens de ABM te beëindigen dan wel tot een zo klein mogelijke lozing te komen.

  • 3.

    PGS

“In paragraaf 9.4 van de overwegingen is opgenomen welke PGS-richtlijnen van belang zijn voor FrieslandCampina. Ook is hier aangeven welke versies van de PGS-richtlijnen van toepassing worden verklaard op de inrichting (zie hieronder). Deze versies van de PGS-richtlijnen komen terug in de voorschriften (voorschriften onder 4.2, 4.3, 4.4 en 4.5).

Overwegingen paragraaf 9.4: Voor de op- en overslag van gevaarlijke stoffen zijn richtlijnen opgesteld in de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu Wordt gerealiseerd. Deze PGS-richtlijnen zijn vermeld als Nederlandse Informatiedocumenten over BBT in de bijlage van de Mor. Voor de beoordeling van de aanvraag van de inrichting zijn de volgende PGS-richtlijnen relevant:

  • PGS 9 (PGS 9:2021, versie 1.0 (augustus 2021));

  • PGS 13 (PGS 13:2021, versie 1.0 (september 2021));

  • PGS 15 (PGS 15:2021, versie 1.0 (augustus 2021));

  • PGS 31 (PGS 31:2018 versie 1.1 (10-2018)) (…).

In de bijlage bij de Mor is opgenomen welke versies van deze PGS-richtlijnen de vigerende versies betreffen. De versies die zijn opgenomen in de ontwerpbeschikking wijken voor wat betreft de PGS 9, 13 en 15 af van hetgeen opgenomen in de bijlage bij de Mor en zijn daarmee niet de vigerende versies. De huidige installaties, zijn gebouwd en worden onderhouden conform de PGS-richtlijnen zoals opgenomen in de Mor. We verzoeken u daarom de vigerende versies van de PGS-richtlijnen op te nemen in de vergunning zoals opgenomen in de onderstaande opsomming.

  • PGS 9 (PGS 9:2021, versie 1.0 (april 2014));

  • PGS 13 (PGS 13:2021, versie 1.0 (februari 2009));

  • PGS 15 (PGS 15:2021, versie 1.0 (september 2016));

  • PGS 31 (PGS 31:2018 versie 1.1 (oktober 2018)).

Op basis van het bovenstaande dient de PGS-versie zoals benoemd in de voorschriften onder 4.2,

4.3 en 4.4 van de ontwerpvergunning aangepast te worden.

  • 4.

    Koelinstallaties

In voorschrift 4.3.2 wordt verwezen naar de aanwezige koelinstallaties. Voorschrift 4.3.2 luidt als volgt:

Ammoniakkoelinstallatie cel 2, 4 en 5 en cel 1, 3, 6 en 7 Is uitgevoerd in opstellingsuitvoering

2, de koelinstallaties OASIS (DE010, DE020), Ingredients 030, 040 en 050 hebben opstellingsuitvoering 1.

In dit voorschrift wordt gesproken over de koelinstallaties DE010 en DE020. De vervanging van deze installaties door OASIS is reeds beschikt (kenmerk 2021-FUMO-0058259, d.d. 12 januari 2022). De verwijzing naar deze installaties in de vergunning is daarom onjuist, de installaties maken tenslotte geen onderdeel uit van de inrichting. We verzoeken u de verwijzing naar DE010 en DE020 in voorschrift 4.3.2. te laten vervallen.”

Over deze zienswijzen merken wij het volgende op:

Ad 1. Afvalwater

Wij waren in de veronderstelling dat het afvalwater via het gemeentelijke riool op de voorzuiveringsinstallatie geloosd wordt. Wetterskip Fryslân bevestigt dat deze riolering niet van de gemeente, maar van Wetterskip Fryslân is. Hierdoor is bescherming van het gemeentelijke riool niet van toepassing. De voorschriften 3.1.1 tot en met 3.1.3 worden verwijderd.

Wij verklaren deze zienswijze gegrond.

Ad 2. ABM

Wij hebben Wetterskip Fryslân om advies gevraagd over deze zienswijze. Zij heeft ons per brief van 23 mei 2023 het volgende geadviseerd:

“In de overwegingen van de ontwerpbeschikking van FrieslandCampina staat dat NALCO 2510 een zeer zorgwekkende stof (Z-stof) is. Echter in dezelfde overwegingen en in voorschrift 3.2.1 wordt gesteld dat het een A-stof betreft. Dit zorgt voor verwarring en onduidelijkheid.

Uit nader onderzoek is gebleken dat de hulpstof NALCO 2510 volgens de toetsing aan de ABM een Z-stof is. In de overwegingen en de voorschriften is het opnemen van een A-stof dus foutief en dient dit te worden gecorrigeerd.

Op grond van het voorgaande constateren wij dat de zienswijze gegrond is en kunnen wij instemmen met de ingebrachte zienswijze.”

Wetterskip Fryslân adviseert ons om in te stemmen met de ingebrachte zienswijze en het onderstaande deel van de overwegingen en voorschrift 3.2.1 op de volgende wijze aan te passen:

“Overwegingen

Uit onze toetsing blijkt dat NALCO 2510 wordt ingedeeld in de aanduiding waterbezwaarlijkheid (1) en de daarbij behorende saneringsinspanning (Z). Dit houdt in dat het een niet afbreekbare stof betreft met gevaarlijke eigenschappen voor mens en milieu.

Er geldt voor NALCO 2510 een saneringsinspanning Z. Bij een lozing met deze stof dient in beginsel dat de verontreiniging door deze stof moet worden beëindigd. Er moet geprobeerd worden zo dicht mogelijk bij een nullozing te komen. Hierbij kan gedacht worden aan vervanging van deze stoffen door een minder milieubezwaarlijk alternatief of aan procesoptimalisatie.

Voorschrift 3.2.1.

Vergunninghouder dient binnen één jaar na inwerkingtreding van deze vergunning onderzoek uit te (laten) voeren om het gebruik van stoffen die als Z geclassificeerd zijn volgens de ABM te beëindigen dan wel zo klein mogelijke lozing te komen.

Wij hebben de overwegingen en voorschrift 3.2.1 gewijzigd overeenkomstig het advies van Wetterskip Fryslân. Vanwege het wegvallen van de voorschriften 3.1.1 tot en met 3.1.3 (zie ad 1 Afvalwater), zijn de voorschriften uit hoofdstuk 3 van de voorschriften vernummerd. Voorschrift 3.2.1 uit de ontwerpvergunning is nu voorschrift 3.1.1.

Wij verklaren de zienswijze gegrond.

Ad 3. PGS

De Omgevingswet treedt op 1 januari 2024 in werking. Wij hebben ons in de voorschriften daarom gebaseerd op de “Handreiking voor toepassing PGS Nieuwe Stijl in de periode tot inwerkingtreding Omgevingswet” en op de mogelijkheid tot het toepassen van de interimversie van een richtlijn zoals die is gepubliceerd op de website van de Publicatiereeks gevaarlijke stoffen.

Hierbij is namelijk aangegeven dat het bevoegd gezag de mogelijkheid heeft om af te wijken van de nu nog geldende, in de Mor aangewezen informatiedocumenten over BBT. Het bevoegd gezag heeft hierbij de verplichting om te motiveren waarom wordt afgeweken van het aangewezen BBT-document.

Gelet op het feit dat er voldoende zekerheid is dat de Omgevingswet per 1 januari 2024 in werking treedt en het hier om een revisievergunning gaat, hebben wij de actuele versies van deze PGS-richtlijnen m.u.v. PGS 31: versie 1.0 augustus 2021 (interim) aan de (ontwerp)vergunning verbonden. Wij geven FrieslandCampina extra tijd voor het implementeren en laten de termijnen uit de PGS-en pas ingaan op 1 januari 2024.

Wij zijn nagegaan wat de inhoudelijke verschillen zijn tussen de PGS-richtlijnen die nu nog gelden op basis van de Mor en de interimversies die zijn uitgebracht vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Vervolgens zijn wij nagegaan wat de consequenties zijn voor de aanvrager als uitgegaan wordt van de interimversies van de PGS.

Hieronder gaan wij per PGS op de inhoud in en waarom wij deze PGS voorschrijven:

PGS 9 Cryogene gassen – Opslag van 0.150 m3 – 100 m3

In de aanvraag wordt aangegeven dat de tankinstallatie voldoet aan PGS 9-versie 2014. In voorschrift 4.4.1 is de interimversie van 2021 opgenomen. Deze interimversie leidt, in vergelijking tot PGS-versie 2014, tot de volgende wijzigingen dan wel nieuwe maatregelen (e.e.a. volgt uit bijlage H van de PGS). De PGS 13 schrijft in bijlage H implementatietermijnen voor, voor de maatregelen die afwijken van de vorige versie van de PGS. Deze implementatietermijnen treden in werking zodra de vergunning in werking treedt. Wij hebben echter besloten om deze termijn op 1 januari 2024 in te laten gaan. Binnen de in bijlage H genoemde implementatietermijnen moet voldaan worden aan de betreffende maatregelen. De afwijkingen in de voorschreven maatregelen zijn:

  • Voorschrift 4.4.1 bevat maatregel M3. Dit betreft een nieuwe maatregel. De aangevraagde CO2-tank (weergegeven als locatie G in bijlage 16 van de aanvraag) bevindt zich buiten tegen de gevel van gebouw 37. Hiermee is sprake van een voldoende open opstelling zoals geëist in M1. De vergunninghouder hoeft hiervoor dan ook geen extra of andere maatregelen te treffen;

  • Voorschrift 4.4.1 bevat maatregel M7. Deze maatregel bepaalt dat de vulslang een maximale lengte van 10 meter mag hebben. Wij hebben geconstateerd dat de aanvraag geen toetsdocument bevat waaruit blijkt of vergunninghouder eigen vulslangen gebruikt. Om deze reden hebben wij maatregel M7 opgenomen. Indien vergunninghouder inderdaad eigen vulslangen gebruikt, geldt een implementatietermijn van 2 jaar om vulslangen te gebruiken die een maximale lengte hebben van 10 meter;

  • Voorschrift 4.4.1 bevat maatregel M8. De hierin vereiste afstand tot de gevel van het gebouw is gelijk aan de afstand die in de PGS-versie 2014 vereist wordt, namelijk 3 meter. Aan deze afstand wordt blijkens de aanvraag voldaan. De vergunninghouder hoeft hiervoor dan ook geen extra of andere maatregelen te treffen;

  • Voorschrift 4.4.1 bevat maatregel M10. De verandering ten opzichte van de PGS 9 uit 2014 is dat de afstanden tot gasdrukregelstations voor aardgas en trafohuizen zijn toegevoegd. De overige afstanden zijn ongewijzigd. Aangezien de aanvraag geen informatie bevat waaruit kan worden afgeleid of aan de afstanden van tabel 17 in bijlage C van de PGS (waar M10 naar verwijst) voldaan wordt, hebben wij maatregel M10 opgenomen;

  • Voorschrift 4.4.1 bevat maatregel M47. Ten opzichte van PGS-versie 2014 bepaalt deze maatregel uit de interimversie 2021 dat de vulslang moet zijn voorzien van een veiligheidskabel. Aangezien de aanvraag geen informatie bevat waaruit blijkt of vergunninghouder eigen vulslangen gebruikt, hebben wij M47 opgenomen. Indien vergunninghouder inderdaad eigen vulslangen gebruikt, geldt een implementatietermijn van 1 jaar om er voor te zorgen dat de gebruikte vulslang voldoet aan M47.

In paragraaf 9.4.3 hebben wij niet uitgebreid gemotiveerd waarom wij zijn afgeweken van het aangewezen BBT-document en de interimversie van toepassing hebben verklaard. Daarnaast hadden wij implementatietermijnen moeten koppelen aan de voorschriften. Wij hebben dit alsnog gedaan. De PGS 9 schrijft in bijlage H implementatietermijnen voor, voor de maatregelen die afwijken van de vorige versie van de PGS. Zoals hierboven vermeld, wordt alleen aan de maatregelen M7, M10 en M47 op dit moment (mogelijk) niet voldaan aan de PGS 9 interimversie 2021. Voor deze maatregelen gelden de in bijlage H van die PGS genoemde implementatietermijnen. Na afloop van deze termijnen moet voldaan worden aan M7, M10 en M47. Deze implementatietermijnen laten wij echter pas op

1 januari 2024 in werking treden. In voorschrift 4.4.1 hebben wij toegevoegd dat de in bijlage H vermelde implementatietermijnen ingaan op 1 januari 2024.

Gelet op het vorenstaande en de aanvullende motivering over onder andere de implementatietermijnen, zijn wij van mening dat wij redelijkerwijs de interimversie van de PGS 9-richtlijn kunnen voorschrijven.

Wij verklaren dit deel van de zienswijze ongegrond.

PGS 13 Ammoniak als koudemiddel in koelinstallaties en warmtepompen

In de aanvraag wordt aangegeven dat de tankinstallatie voldoet aan PGS-versie 2009. In voorschrift 4.3.1 is de interimversie van 2021 opgenomen. Deze interimversie leidt, in vergelijking tot PGS-versie 2009, tot de volgende wijzigingen dan wel nieuwe maatregelen (e.e.a. volgt uit bijlage E.2 van de PGS). De PGS 13 schrijft in bijlage F implementatietermijnen voor, voor de maatregelen die afwijken van de vorige versie van de PGS. Deze implementatietermijnen treden normaal gesproken in werking zodra deze vergunning in werking treedt. Wij hebben echter besloten om deze termijn op 1 januari 2024 in te laten gaan. Binnen de in bijlage F genoemde implementatietermijnen moet voldaan worden aan de betreffende maatregelen. De afwijkingen in de voorgeschreven maatregelen zijn:

  • Voorschrift 4.3.1 bevat de maatregelen M18 en M19. Dit zijn ten opzichte van de vorige versie van de PGS nieuwe maatregelen. Uit de resultaten van de risicobenadering (basis van de PGS) blijkt dat deze mechanismen tot belangrijke ongelukken kunnen leiden. Om dit te voorkomen, hebben wij besloten deze twee maatregelen aan de voorschriften van de vergunning te verbinden. Deze twee maatregelen betreffen maatregelen om vloeistofslag te voorkomen en maatregelen om vervuiling van secundaire circuits te voorkomen en detectie van ammoniak. Dit betreffen organisatorische aanpassingen, aanvullende apparatuur en aanpassing van apparatuur, waarvoor de PGS 13 een implementatietermijn van 2 jaar stelt;

  • Voorschrift 4.3.1 bevat de maatregel M27. Deze maatregel gaat over het tijdelijk overbruggen van het lekdetectiesysteem bij (onderhouds)werkzaamheden. Bij het betreden van ruimtes waarin het lekdetectiesysteem tijdelijk is overbrugd, moet een mobiele detectie-unit worden meegenomen. Dit betreft een organisatorische maatregel waarvoor de PGS een implementatietermijn van een half jaar stelt;

  • Voorschrift 4.3.1 bevat de maatregel M28. De responstijd van 60 seconden is nu gewijzigd naar 30 seconden. Deze verkorting van de responstijd kan erin resulteren dat een aanpassing van de apparatuur nodig is om hieraan te voldoen. Voor deze aanpassing stelt de PGS een implementatietermijn van 5 jaar;

  • Voorschrift 4.3.1 bevat de maatregel M34. Deze maatregel gaat over de frequentie voor het uitvoeren van de periodieke controle van het detectiesysteem. In de PGS-versie 2009 was deze frequentie jaarlijks, in PGS-versie 2021 is deze gewijzigd naar halfjaarlijks. Aan deze organisatorische maatregel kan vergunninghouder volgens de PGS binnen de gestelde termijn van 1 jaar voldoen;

  • Voorschrift 4.3.1 bevat de maatregel M36. Er moet een risicoanalyse uitgevoerd worden waaruit het aantal detectoren (en de locatie) moet blijken. De aanpassing is daarmee een organisatorische aanpassing (risicoanalyse) en een aanpassing van apparatuur. De PGS geeft aan dat de vergunninghouder binnen een termijn van 1 jaar aan deze maatregel kan voldoen;

  • Voorschrift 4.3.1 bevat de maatregel M67. Aan de buitenkant van de gevel van de machinekamer zijn geen materialen aanwezig die een brandlast op de gevel kunnen veroorzaken groter dan 10 kW/m2, tenzij de gevel een WBDBO heeft van ten minste 60 min. Dit betreft een organisatorische maatregel waarvoor de PGS een implementatietermijn van 1 jaar stelt;

  • Voorschrift 4.3.1 bevat de maatregel M83. Deze maatregel gaat over de blustoestellen. Het onderhoud van de blustoestellen omvat in elk geval een controle op de goede werking. Het blustoestel wordt ten minste eenmaal per twee jaar op zijn goede werking onderzocht. Dit was voorheen eenmaal per jaar. Dit betreft een organisatorische maatregel met een implementatietermijn van 1 jaar;

  • Voorschrift 4.3.1 bevat de maatregel M116. Deze maatregel geeft aan wat er in het noodplan opgenomen moet worden. De wijzigingen zijn de specificaties van wat er op de plattegrond moet staan. Dit betreft een organisatorische maatregel waarvoor de PGS een implementatietermijn van 1 jaar stelt;

  • Voorschrift 4.3.1 bevat de maatregel M124. Deze maatregel heeft betrekking op de competenties van de koeltechnisch ontwerper. De competenties zijn verder uitgewerkt. Dit is een maatregel in het opleiden van personeel. Dit geldt alleen voor nieuw te bouwen installaties waarvoor de PGS een implementatietermijn van 2 jaar stelt;

  • Voorschrift 4.3.1 bevat de maatregelen M126/M127/M128/M129: Dit betreffen eisen aan de koeltechnische installateur en het personeel van vergunninghouder. Ten opzichte van de vorige versie van de PGS zijn competenties toegevoegd of verder uitgewerkt. Het betreffen maatregelen in het opleiden van personeel. De PGS geeft hier een implementatietermijn van 2 jaar voor.

De maatregelen M18, M19, M27, M28, M34, M36, M67, M83 en M116 behoeven mogelijk aanpassingen die organisatorisch van aard zijn, dan wel aanpassing of aanvulling in apparatuur. De maatregelen M124, M126, M127, M128 en M129 betreffen aanpassingen in het opleiden van personeel. Wij zijn van mening dat deze maatregelen van belang zijn voor een goede bescherming van het milieu en dat aan deze maatregelen voldaan moet worden. Wij hebben aan voorschrift 4.3.1 toegevoegd dat de in bijlage F vermelde implementatietermijnen voor deze maatregelen gelden met ingang van 1 januari 2024.

Gelet op het vorenstaande en de aanvullende motivering over onder andere de implementatietermijnen, zijn wij van mening dat wij redelijkerwijs de interimversies van de PGS 13-richtlijn kunnen voorschrijven.

Wij verklaren dit deel van de zienswijze ongegrond.

Abusievelijk is in voorschrift 4.3.1 maatregel M68 voorgeschreven. Een dergelijke maatregel is van toepassing op installaties met een inhoud van meer dan 3.000 kg. Daarvan is hier geen sprake. Maatregel M68 is dan ook niet van toepassing. Wij hebben voorschrift 4.3.1 hierop aangepast.

PGS 15 Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen

In de voorschriften 4.2.1 en 4.2.2 hebben wij de voorschriften van de interim-versie PGS 15:2021 opgenomen. Deze interim-versie bevat geen gewijzigde voorschriften ten opzichte van versie PGS:2016. Aan de versie uit 2016 wordt voldaan en daarmee ook aan de interrimversie uit 2021.

Gelet op het vorenstaande zijn wij van mening dat wij redelijkerwijs de interimversies van de PGS 15-richtlijn kunnen voorschrijven.

Wij verklaren dit deel van de zienswijze ongegrond. Hiermee hebben wij de drie PGS-richtlijnen uit de zienswijze behandeld en verklaren wij de gehele zienswijze ongegrond.

PGS 31 Overige gevaarlijke vloeistoffen – Opslag in ondergrondse en bovengrondse tankinstallaties

In voorschrift 4.5.1 hebben wij de voorschriften van PGS 31:2018 versie 1.1 opgenomen.

Van deze PGS is echter ook een interim-versie 2021, versie 1.0 augustus 2021 verschenen.

Nu wij van de overige PGS-richtlijnen de interimversie hebben voorgeschreven, zijn wij van mening dat dit ook voor de PGS 31 moet gelden.

De interimversie van de PGS 31 bevat geen gewijzigde voorschriften ten opzichte van versie 1.1 van 2018, behoudens het PGS 31 voorschrift 2.2.26, dat in versie 2021 is komen te vervallen (in verband met de Omgevingswet en hoe bodembescherming dan wordt geregeld). Omdat het voorschrijven van de interimversie van de PGS 31 geen lastenverzwaring is voor FrieslandCampina, hebben wij besloten om de interimversie van de PGS 31, in lijn met de andere PGS-richtlijnen die wij aan de vergunning verbinden, ook op te nemen.

Het ontbreken van de bodemvoorschriften in voorschrift 2.2.26 in de interimversie maakt niet dat de bodem minder beschermd is. De bescherming van de bodem wordt voor FrieslandCampina tot aan de invoering van de Omgevingswet geregeld in het Activiteitenbesluit en is daarmee tot de invoering van de Omgevingswet voldoende geborgd.

Naar aanleiding van de ingediende zienswijzen zien wij ook aanleiding om voorschrift 4.5.1 (tekstueel) aan te passen en de PGS 31, versie 2021 aan de vergunning te verbinden.

Ad 4. Koelinstallaties

Verzocht wordt om de verwijzing in voorschrift 4.3.2 aangaande DE010 en DE029 te verwijderen, aangezien deze installaties zijn vervangen door de installatie OASIS.

Wij kunnen hiermee instemmen en hebben het voorschrift hierop tekstueel aangepast.

Wij verklaren deze zienswijze gegrond.

1.11. Wijzigingen ten opzichte van de ontwerpvergunning

Ten opzichte van de ontwerpvergunning zijn de volgende wijzigingen aangebracht:

  • Vanwege de zienswijzen zijn de voorschriften 3.1.1 tot en met 3.1.3 (bescherming gemeentelijke riolering) verwijderd. Dit heeft een vernummering van de overige voorschriften uit hoofdstuk 3 van de voorschriften tot gevolg;

  • Voorschrift 3.2.1 (vernummerd naar 3.1.1) en paragraaf 6.2 Beoordeling hulpstof in de overwegingen zijn aangepast aan de zienswijze over de ABM-toets;

  • De overwegingen voor het aspect afvalwater (ABM-toets, paragraaf 6.2 Beoordeling hulpstof) en het voorschrift 3.2.1 zijn aangepast aan de zienswijze. Vanwege het verwijderen van de voorschriften 3.1.1 t/m 3.1.3 is voorschrift 3.2.1 vernummerd naar 3.1.1;

  • In voorschrift 4.3.1 hebben wij toegevoegd dat de in bijlage F van de PGS 13 vermelde implementatietermijnen ingaan op 1 januari 2024. Dit houdt in dat de in de PGS vermelde implementatietermijnen later ingaan dan de PGS voorschrijft. In plaats van in te gaan op de dag van inwerkingtreden van deze vergunning, gaan deze termijnen pas in op 1 januari 2024;

  • In voorschrift 4.4.1 hebben wij toegevoegd dat de in bijlage H van de PGS 9 vermelde implementatietermijnen ook pas ingaan op 1 januari 2024;

  • De overwegingen met betrekking tot de PGS-en zijn aangepast naar aanleiding van de zienswijzen (paragraaf 9.4 Op- en overslag van gevaarlijke stoffen (PGS-richtlijnen);

  • In voorschrift 4.3.2 zijn de benamingen ‘DE010’ en ‘DE020’ verwijderd.

2. M.e.r.-beoordelingsbesluit

De voorgenomen activiteit valt onder categorie 36, 'de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie van een zuivelfabriek, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een productiecapaciteit van 30.000 ton per jaar of meer' van de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Op grond van de Wet milieubeheer (Wm) heeft de aanvrager de voorgenomen activiteit op 12 juli 2022 bij ons aangemeld door middel van een aanmeldnotitie (Wm, artikel 7.16). Daarop hebben wij op 1 september 2022 het besluit met kenmerk 2022-FUMO-0067164 genomen dat voor deze voorgenomen activiteit geen milieueffectrapport opgesteld hoeft te worden.

3. Toetsingskader Milieu

3.1. Inleiding

De aanvraag heeft betrekking op het veranderen en het in werking hebben van een inrichting na deze verandering (revisie) als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, juncto artikel 2.6 van de Wabo.

3.2. Toetsing revisie

Bij onze beslissing op de aanvraag hebben wij conform artikel 2.14, eerste lid onder a, b en c van de Wabo:

  • de bestaande toestand van het milieu betrokken;

  • met het milieubeleidsplan rekening gehouden;

  • de beste beschikbare technieken in acht genomen.

In de onderstaande hoofdstukken lichten wij dit nader toe. Wij beperken ons tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed (kunnen) zijn.

3.3. Activiteitenbesluit 

In het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) zijn voor een groot aantal activiteiten die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden, rechtstreeks werkende, algemene regels opgenomen.

De inrichting waarvoor vergunning is aangevraagd, is aangemerkt als een inrichting waarvoor vergunningplicht (type C inrichting) geldt.

Binnen het bedrijf vinden de volgende activiteiten plaats die vallen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit: 

  • Het lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening;

  • Het lozen van koelwater;

  • Het in werking hebben van een middelgrote stookinstallatie, gestookt op standaard brandstof;

  • Het in werking hebben van een natte koeltoren;

  • Het in werking hebben van een koelinstallatie;

  • Het opslaan en overslaan van goederen;

  • Het opslaan van gasolie, smeerolie of afgewerkte olie in een bovengrondse opslagtank.

Er moet worden voldaan aan de volgende paragrafen uit het Activiteitenbesluit en de daarbij behorende Activiteitenregeling, voor zover deze betrekking hebben op de genoemde (deel)activiteiten:

  • Paragraaf 3.1.3 Lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening;

  • Paragraaf 3.1.5 Lozen van koelwater;

  • Paragraaf 3.2.1 Het in werking hebben van een middelgrote stookinstallatie, gestookt op standaard brandstof;

  • Paragraaf 3.2.5 In werking hebben van een natte koeltoren;

  • Paragraaf 3.2.6 In werking hebben van een koelinstallatie;

  • Paragraaf 3.4.3 Opslaan en overslaan van goederen;

  • Paragraaf 3.4.9 Opslaan van gasolie, smeerolie of afgewerkte olie in een bovengrondse opslagtank.

Voor het milieuthema bodem valt de inrichting in zijn geheel onder het Activiteitenbesluit.

Voor het overige is per hoofdstuk of afdeling aangegeven of deze op een type C-inrichting van toepassing is. Dit betekent dat ook hoofdstuk 1, afdeling 2.1 tot en met 2.5, 2.10 en 2.11 van hoofdstuk 2 en de overgangsbepalingen uit hoofdstuk 6 van het Activiteitenbesluit van toepassing kunnen zijn. Van belang voor deze vergunning is, of de inrichting ook voor de activiteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen voldoet aan de beste beschikbare technieken. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf.

3.3.1 Melding Activiteitenbesluit

Gelet op artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit moet de verandering van de inrichting worden gemeld. Omdat de aanvraag een revisieaanvraag betreft en daarmee alle activiteiten op de locatie betreffen, omvat deze melding ook alle meldingsplichtige activiteiten op de locatie. Deze nieuwe melding vervangt daarom alle onderliggende meldingen.

De voorschriften voor het onderdeel milieu die in deze vergunning zijn opgenomen, betreffen aspecten en activiteiten die niet zijn geregeld in het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling.

4. Beste beschikbare technieken

4.1. Toetsingskader

In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunningvoorschriften worden verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast.

Bij het opstellen van de omgevingsvergunning milieu moet rekening worden gehouden met de BBT-conclusies. De Europese Commissie stelt de BBT-conclusies op en maakt deze bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

BBT-conclusies is een document met de conclusies over beste beschikbare technieken, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, lid 5 en 7 van de Richtlijn industriële emissies (Rie).

Het verschil tussen artikel 13, lid 5 en lid 7 van de Rie is:

  • BBT-conclusies overeenkomstig artikel 13, lid 5 heeft de Europese Commissie vastgesteld na 6 januari 2011. Dit op basis van artikel 75, lid 2 van de Rie.

  • BBT-conclusies overeenkomstig artikel 13, lid 7 is het hoofdstuk Best available techniques (BAT) uit de BREF's. De Europese commissie heeft deze BREF's vastgesteld vóór 6 januari 2011. Dit hoofdstuk geldt als BBT-conclusies totdat de Europese Commissie voor die activiteit nieuwe BBT-conclusies vaststelt.

4.2. Concrete bepaling beste beschikbare technieken

Binnen de inrichting worden één of meer van de activiteiten uit bijlage 1 van de Rie uitgevoerd en wel de volgende: categorie 6.4, onder c, de bewerking en verwerking van uitsluitend melk, met een hoeveelheid ontvangen melk van meer dan 200 ton per dag (gemiddelde waarde op jaarbasis).

Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofactiviteit en aan andere relevante BBT-conclusies.

Op grond van artikel 9.2 van de Mor moet voor het bepalen van BBT binnen de inrichting aanvullend een toetsing plaatsvinden aan relevante aangewezen informatiedocumenten over BBT.

Uit jurisprudentie over het bepalen van BBT blijkt dat het bevoegd gezag, bij het toetsen aan BBT-conclusies, de actualiteit van de BBT-ontwikkelingen moet toetsen. Bronnen voor ontwikkelingen over BBT zijn onder andere de concepten van herziene BREF’s.

Bij het bepalen van de BBT hebben we rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde BBT-conclusies:

  • BREF Voedingsmiddelen-, dranken- en zuivelindustrie (2019);

  • BREF Koelsystemen (2001);

  • BREF Op- en overslag bulkgoederen (2006);

  • BREF Energie-efficiëntie (2009);

  • REF Economic and cross media effects (2006);

  • REF Monitoring (2018).

BREF voedingsmiddelen-, dranken- en zuivelindustrie

Deze verticale BREF behandelt processen en activiteiten die bedoeld zijn voor de productie van voedingsmiddelen afkomstig van dierlijke materialen, plantaardige materialen en melk.

Deze BREF geeft aan dat deze sectoren te maken hebben met voedselveiligheid en dat dit invloed heeft op milieuaspecten. In de BREF zijn BBT opgesteld die niet in tegenspraak zijn met voedselveiligheid en hygiëne.

De belangrijkste milieuaspecten voor deze sectoren zijn waterverbruik en –verontreiniging, energieverbruik en afval.

In de BREF zijn BBT opgenomen voor de gehele voedingsmiddelen-, dranken- en zuivelindustrie en daarnaast zijn nog aanvullende BBT opgenomen voor enkele individuele sectoren.

Bij de aanvraag is een tabel gevoegd met daarin opgenomen de verschillende van toepassing zijnde BBT.

FrieslandCampina heeft een milieumanagementsysteem conform NEN-EN-ISO 14001, maar niet gecertificeerd. Certificering is conform de BREF niet verplicht. Met dit milieumanagementsysteem en door het opstellen (en uitvoeren) van een energiebesparingsplan, monitoring van emissies, de getroffen technische maatregelen, etc., zijn de BBT toegepast in overeenstemming met de BREF Voedingsmiddelen-, dranken- en zuivelindustrie.

BREF Koelsystemen

Deze horizontale BREF heeft betrekking op industriële koelsystemen met lucht/water als koelmiddel. De BREF geeft een geïntegreerde benadering voor de bepaling van BBT voor industriële koelsystemen, maar erkent dat de uiteindelijke techniek locatieafhankelijk is. Ook moet te allen tijde de vereiste minimale procestemperatuur en de vereiste koelcapaciteit worden gegarandeerd.

Voor bestaande koelsystemen zijn de mogelijkheden voor preventie via technische maatregelen op de korte termijn gering en ligt de nadruk op terugdringen van de emissie via optimalisering van de werking en systeemcontrole.

Binnen de inrichting zijn vijf koelsystemen met ammoniak en een aantal overige koelsystemen aanwezig. Voor de koelsystemen met ammoniak die niet onder het Activiteitenbesluit vallen, is in de voorschriften aangesloten bij de PGS 13 ‘Ammoniak als koudemiddel in koelinstallaties en warmtepompen’. Voor de synthetische koudemiddelen met HFK’s en HFK’s bevattende mengsels gelden direct werkende Europese verordeningen met voorschriften die zijn gericht op het beschermen van het milieu. Daarom regelt het Activiteitenbesluit hier niets voor en worden hiervoor geen voorschriften opgenomen in deze vergunning.

Wij concluderen dat volgens de aanvraag de BBT zijn toegepast overeenkomstig de BREF Koelsystemen.

BREF Op- en overslag bulkgoederen

Deze horizontale BREF gaat in op alle soorten opslag. Deze BREF is van toepassing op een aantal activiteiten binnen de inrichting: de opslag van gevaarlijke vloeistoffen in emballage en in tanks, de opslag van gasflessen, de opslag van grondstoffen.

Voor de opslag van gevaarlijke stoffen en gasflessen zijn eisen opgenomen in de PGS 15-richtlijn ‘Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen’. Uit de aanvraag blijkt dat de opslag plaatsvindt conform de eisen uit deze richtlijn. De opslag van koolstofdioxide in tanks moet voldoen aan de PGS 9-richtlijn ‘Cryogene gassen: opslag van 0,125 m3 - 100 m3’. Voor de opslag van ammoniak (koelinstallaties) is aangesloten bij de PGS 13-richtlijn ‘Ammoniak als koudemiddel in koelinstallaties en warmtepompen’. De opslag van gevaarlijke stoffen in de opslagtanks (salpeterzuur, natronloog en zoutzuur) moet voldoen aan de PGS 31-richtlijn ‘Overige gevaarlijke stoffen: opslag in ondergrondse en bovengrondse tankinstallaties’.

Gelet op het bovenstaande, wordt voldaan aan de BBT uit de BREF Op- en overslag van bulkgoederen.

BREF Energie-efficiëntie

Deze horizontale BREF heeft betrekking op energie-efficiëntie. De installaties binnen de inrichting moeten op zodanige wijze gebuikt worden dat de energie op efficiënte wijze wordt benut. Door de toegepaste technieken zijn de BBT toegepast in overeenstemming met de BREF Energie-efficiëntie.

Er geldt een EED-audit-plicht. Daarnaast valt het bedrijf onder ETS, waardoor wij voor energie geen voorschriften op mogen nemen in de vergunning.

REF Economic and cross-media effects

Deze horizontale REF is een ondersteunend document bij de beoordeling van BBT. Bij de bepaling van BBT moet, behalve met de kosten en baten, ook rekening gehouden worden met het voordeel voor het milieu en de verschillende effecten op de verschillende milieucompartimenten. Deze REF geeft informatie over cross-media-effecten (effecten op de verschillende milieucompartimenten), methodes om de effecten te bepalen aan de hand van voorbeelden en een methode voor de kosteneffectiviteitsberekening.

De inhoud van deze REF is bij de vaststelling van BBT betrokken. Binnen de andere betrokken BREF’s is al voldoende rekening gehouden met de inhoud van deze REF.

Wij hebben voor geluid en stofemissies voorschriften met emissiegrenswaarden en de bepaling daarvan in deze vergunning opgenomen, zoals bedoeld in artikel 2.22, lid 2 en 5 van de Wabo. Voor de overige luchtemissies zijn deze grenswaarden vastgelegd in het Activiteitenbesluit.

REF Monitoring

Deze horizontale REF beschrijft hoe de vergunningverleners en bedrijven met een IPPC-installatie moeten omgaan met monitoringsactiviteiten. Monitoring is om twee redenen opgenomen in de vereisten voor IPPC-installaties. Ten eerste om te kunnen controleren of aan de gestelde eisen wordt voldaan. Ten tweede om te kunnen rapporteren over de milieueffecten van de emissies. Het bedrijf stelt jaarlijks een integraal PRTR-verslag op.

In de aanvraag is aangegeven dat de inrichting streeft naar verlaging van het energieverbruik. Omdat het bedrijf valt onder ETS, mogen wij geen voorschriften opnemen in de vergunning.

Het bedrijf voldoet vanwege de EED-plicht en de deelname aan ETS aan de REF Monitoring.

Bij het bepalen van de BBT hebben wij tevens rekening gehouden met de volgende informatiedocumenten over BBT, zoals aangewezen in bijlage 1 van de Regeling omgevingsrecht (Mor):

  • PGS 9 (Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 9:2021, versie 1.0 (augustus 2021)), Cryogene gassen: opslag van 0.150m³ - 100m³;

  • PGS 13 (Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 13:2021, versie 1.0 (september 2021)), Ammoniak als koudemiddel in koelinstallaties en warmtepompen);

  • PGS 15 (Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15:2021, versie 1.0 (augustus 2021)), Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen);

  • PGS 31 (Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 31:2021 versie 1.0 (augustus 2021)), Overige gevaarlijke stoffen: opslag in ondergrondse en bovengrondse tankinstallaties;

  • Integrale aanpak van risico's van onvoorziene lozingen (CIW 2000);

  • Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB 2012).

Met betrekking tot de bepaling van BBT zijn de aspecten betrokken als genoemd in artikel 5.4, derde lid van het Bor.

4.3. Conclusies BBT

De inrichting voldoet - met inachtneming van de aan dit besluit gehechte voorschriften - aan BBT. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf.

Wij zijn van oordeel dat de ingediende gegevens voldoende informatie bevatten voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving.

5. Afvalstoffen

5.1. Afvalstoffen algemeen

5.1.1 Preventie

Preventie van afval is een van de hoofddoelstellingen van het afvalstoffenbeleid. In deel B2 van het Landelijk Afvalbeheerplan 2017-2029, hierna aangeduid als het LAP, is het beleid uitgewerkt voor afvalpreventie. In Nederland is een separaat afvalpreventieprogramma vastgesteld. De uitwerking van preventie-activiteiten vindt voornamelijk plaats via het programma Van Afval Naar Grondstof (VANG) en is inmiddels voortgezet in de vorm van het Rijksbrede programma Circulaire Economie.

Op grond van artikel 5.4 (vaststelling van de beste beschikbare technieken) en artikel 5.7 van het Bor kan het bevoegd gezag voorschriften in omgevingsvergunningen opnemen om invulling te geven aan dit aspect.

In alle bedrijfsprocessen kunnen mogelijkheden bestaan om het ontstaan van afvalstoffen en het

- directe of indirecte - gebruik van grondstoffen terug te dringen of de bestaande grondstoffen te vervangen door duurzame alternatieven. Zowel het beperken van de hoeveelheid afvalstoffen als het terugdringen van de hoeveelheid grondstoffen levert direct een financiële besparing op.

Uitgangspunt voor alle bedrijven is dat het ontstaan van afval moet worden voorkomen of beperkt.

Binnen de inrichting ontstaan de volgende afvalstoffen:

  • Procesafvalstoffen (biologisch) vetvangputafval en vergistingsafval;

  • Hout;

  • Metalen;

  • Glas;

  • Papier en karton;

  • Verpakkingsafval (plastic);

  • Afwerkte olie, oliehoudend afval, KGA;

  • Restafval.

De hoofdgrondstof binnen de locatie is melk. Deze wordt met tankwagens aangeleverd. Hierbij ontstaan geen vaste afvalstoffen. Ter preventie heeft FrieslandCampina afspraken gemaakt met leveranciers om de hulpstoffen zoveel mogelijk in bulk of retouremballage te leveren.

Gezien de omvang van de afvalstoffen en vanwege het feit dat er geen onderzoek is uitgevoerd naar preventie, concluderen wij dat preventie relevant is. Vergunninghouder heeft geen onderzoek naar besparings- en/of preventiemogelijkheden uitgevoerd. Aan deze vergunning wordt een voorschrift verbonden tot het uitvoeren van een afvalpreventieonderzoek.

5.1.2 Afvalscheiding

Voor bedrijfsafval is het niet goed mogelijk een limitatieve opsomming te maken van afvalstoffen die door alle bedrijven gescheiden moet worden gehouden. Bedrijven verschillen van aard en omvang veel van elkaar en er bestaat een groot aantal bedrijfsspecifieke afvalstoffen. Uitgangspunt is dat bedrijven verplicht zijn alle afvalstoffen gescheiden te houden en gescheiden af te geven, tenzij dat redelijkerwijs niet van hen kan worden gevergd.

Het toetsingskader voor het scheiden van afvalstoffen ligt voor FrieslandCampina besloten in artikel 2.12 van het Activiteitenbesluit. Op grond van artikel 2.12, tweede lid, van het Activiteitenbesluit is het verboden afvalstoffen, niet zijnde gevaarlijke afvalstoffen, die binnen de inrichting zijn ontstaan, te mengen met andere categorieën van afvalstoffen, indien het gescheiden houden en gescheiden afgeven, gelet op de hoeveelheden en de manier van vrijkomen van deze afvalstoffen en de kosten van het gescheiden houden en gescheiden afgeven, op grond van het Landelijk afvalbeheerplan (LAP3) kan worden gevergd.

De categorieën van afvalstoffen bedoeld in artikel 2.12 van het Activiteitenbesluit, zijn de verschillende categorieën van gevaarlijke en niet-gevaarlijke afvalstoffen zoals vastgelegd in bijlage 11 van de Activiteitenregeling die niet met elkaar, met andere afvalstoffen of met niet- afvalstoffen mogen worden gemengd.

In deel B3 van het LAP3 is het beleid voor afvalscheiding - en mengen van afvalstoffen die binnen de inrichting zijn ontstaan - uitgewerkt, waarbij paragrafen B.3.4 en B.3.5 specifiek ingaan op afvalscheiding door bedrijven. Uit tabel 8 (paragraaf B3.4.2.3 van het LAP3) volgt welke afvalstoffen in specifieke gevallen niet gescheiden hoeven te worden gehouden. Bij tabel 8 gelden twee algemene uitzonderingen, namelijk voor kleine hoeveelheden afval en voor bedrijven met weinig ruimte.

In de aanvraag is vermeld dat de eerdergenoemde afvalstoffen gescheiden worden afgevoerd. Afvalstoffen die binnen de inrichting zijn vrijgekomen, moeten overeenkomstig bijlage 11 van de Activiteitenregeling gescheiden worden gehouden, indien het gescheiden houden van de in tabel 8 genoemde afvalstofstoffencategorieën volgens deze tabel kan worden gevergd.

De voorschriften van het Activiteitenbesluit gelden rechtstreeks, zodat in de vergunning geen voorschriften over afvalscheiding worden opgenomen.

5.2. Opslaan van afvalstoffen op de plaats van productie

Als gevolg van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen wordt de opslag van afvalstoffen voorafgaand aan verwijdering gezien als storten indien de tijdsduur van één jaar wordt overschreden. Indien de opslag voorafgaat aan nuttige toepassing van de afvalstoffen is deze termijn drie jaar. In de vergunning is vastgelegd dat de termijn van opslag voorafgaand aan verwijdering maximaal één jaar is en de termijn van opslag voorafgaand aan nuttige toepassing maximaal drie jaar is.

5.3. Conclusie

Gelet op het bovenstaande zijn wij van mening dat de aangevraagde activiteiten in overeenstemming zijn met het geldende afvalbeheersplan en daarmee bijdragen aan een doelmatig beheer van afvalstoffen.

6. Afvalwater en waterbesparing

6.1. Beoordeling lozing afvalwater

Binnen de inrichting is er sprake van lozingen waarop de Instructie-regeling lozingsvoorschriften milieubeheer van toepassing is. In het kader van deze regeling moeten voorschriften opgenomen worden die gericht zijn op de bescherming van het openbaar riool, een zuiveringtechnisch werk of de bij een zodanig openbaar riool of zuiveringtechnisch werk behorende apparatuur. Verder moeten voorschriften opgenomen worden die bepalen dat het afvalwater van dien aard moet zijn dat de kwaliteit van het rioolslib er niet door wordt aangetast, zodat de verwerking van dit slib niet wordt belemmerd. Daarnaast dienen voorschriften te worden opgenomen die bepalen dat het afvalwater van dien aard moet zijn dat de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk worden beperkt. De genoemde voorschriften zijn in deze vergunning opgenomen.

Binnen de inrichting is er sprake van lozingen waarvoor afdeling 2.1 over de zorgplichtbepaling en afdeling 2.2 over lozingen van het Activiteitenbesluit rechtsreeks gelden. Het betreft het lozen van niet-verontreinigd hemelwater. Dergelijke lozingen moeten voldoen aan de eisen van het Activiteitenbesluit en hierover mogen geen voorschriften worden opgenomen in de omgevingsvergunning. Voor deze directe lozing is het Wetterskip Fryslân het bevoegd gezag.

Op de locatie van FrieslandCampina komen verschillende afvalwaterstromen vrij. Het koelwater, condensaat, omgekeerde osmosewater en niet-verontreinigd hemelwater wordt geloosd op het oppervlaktewater de Horsa. Voor deze directe lozingen is Wetterskip Fryslân het bevoegd gezag. Wetterskip Fryslân heeft aangegeven dat de situatie die in onderhavige revisievergunningaanvraag wordt aangevraagd binnen de voorwaarden blijft zoals vastgelegd in de bestaande waterwetvergunning.

Alle overige afvalwaterstromen worden afgevoerd via het rioolstelsel naar de Voorzuivering zuivelfabriek Workum (VZW). Dit is een samenwerking tussen FrieslandCampina en Wetterskip Fryslân. De VZW is een aparte vergunningplichtige inrichting die vervolgens loost op de rioolwaterzuiveringsinstallatie te Workum. De wijzigingen die worden doorgevoerd middels deze revisievergunningaanvraag hebben geen invloed op de afvalwaterstromen die naar de VZW worden afgevoerd.

Omdat FrieslandCampina niet rechtstreeks (via de riolering) loost op de rioolwaterzuiveringsinstallatie, zijn aan deze vergunning geen voorschriften verbonden voor de lozing van afvalwater. Wel is op deze lozing de “Instructieregeling lozingsvoorschriften milieubeheer” van toepassing.

6.2. Beoordeling hulpstof 

FrieslandCampina gebruikt het biocide NALCO 2510. Dit is de enige ZZS-stof die op de locatie wordt gebruikt. Het biocide wordt gebruikt om de aangroei van biologische organismen in het koelsysteem af te remmen en/of te voorkomen.

Aan de hand van het toegestuurde veiligheidsinformatieblad hebben wij het middel getoetst aan de ‘Algemene BeoordelingsMethodiek (ABM) 2016’ en beoordeeld volgens het rapport ‘ABM 2016, Methode ter bepaling van de benodigde saneringsinspanning bij lozingen op basis van stofeigenschappen’ van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu.

Uit onze toetsing blijkt dat NALCO 2510 wordt ingedeeld in de aanduiding waterbezwaarlijkheid (1) en de daarbij behorende saneringsinspanning (Z). Dit houdt in dat het een niet afbreekbare stof betreft met gevaarlijke eigenschappen voor mens en milieu.

Er geldt voor NALCO 2510 een saneringsinspanning Z. Bij een lozing met deze stof geldt in beginsel dat de verontreiniging door deze stof moet worden beëindigd. Er moet geprobeerd worden zo dicht mogelijk bij een nullozing te komen. Hierbij kan gedacht worden aan vervanging van deze stoffen door een minder milieubezwaarlijk alternatief of aan procesoptimalisatie.

In de aanvraag geeft FrieslandCampina aan een onderzoek uit te voeren naar alternatieven om zodoende het middel NALCO 2510 te kunnen saneren. Wij hebben in de voorschriften hiervoor een onderzoeksverplichting opgenomen.

6.3. Beoordeling en conclusie afvalwater

De in de aanvraag vermelde maatregelen ter voorkoming en beperking van lozing van afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen, zullen leiden tot een acceptabel lozingsniveau dat in overeenstemming is met genoemde doelstellingen. Wij achten deze situatie vergunbaar. In deze vergunning zijn uitsluitend de voorschriften voortvloeiend uit de “Instructieregeling lozingsvoorschriften milieubeheer” opgenomen en een onderzoeksverplichting naar alternatieven voor de nu gebruikte biocide in het koelsysteem.

6.4. Waterbesparing

6.4.1 Algemeen

De winning van drinkwater kost geld, grondstoffen en energie. Het zuinig gebruik van drinkwater vormt dan ook onderdeel van de verruimde reikwijdte in de Wabo. Het gebruik van drinkwater als proceswater moet zoveel mogelijk worden beperkt tot die processen waarvoor water van een bepaalde kwaliteit noodzakelijk is. Het gebruik van drinkwater als koelwater bijvoorbeeld moet zoveel mogelijk worden voorkomen.

6.4.2 Grondwater

Voor het onttrekken van grondwater is een vergunning benodigd. De Waterwet ziet hierop toe. Wij mogen dientengevolge in deze vergunning geen eisen stellen aan de winning van grondwater.

De Wabo verplicht ons echter wel te toetsen of grondstoffen doelmatig worden gebruikt. We moeten voorkomen dat afvalwater ontstaat en als dat niet mogelijk is, moeten we het doelmatig beheer van afvalwater bevorderen.

Binnen de inrichting wordt circa 801.000 m3/jaar grondwater verbruikt. FrieslandCampina heeft een vergunning voor deze onttrekking tot maximaal 1.100.000 m3/jaar. Het grondwater wordt gebruikt voor de koeling. Er zijn geen alternatieven beschikbaar.

6.4.3 Drinkwaterverbruik

Het totale drinkwaterverbruik binnen de inrichting bedraagt circa 1.000.000 m3 per jaar.

Voor het bereiden van voedingsmiddelen is het nodig om water van ten minste drinkwaterkwaliteit te gebruiken. De BREF Voedingsmiddelen-, dranken- en zuivelindustrie geeft handvatten voor het beperken van het gebruik van drinkwater en het hergebruik. Het inventariseren van het watergebruik en de acties om het waterverbruik en de hoeveelheid afvalwater te beperken, moeten conform deze BREF onderdeel uitmaken van het milieumanagementsysteem. FrieslandCampina heeft een milieumanagementsysteem conform ISO 14001, maar dat is niet gecertificeerd. Certificering is conform de BREF niet verplicht.

6.4.4. Registratie

In de voorschriften is vastgelegd dat de jaarrekeningen van het waterverbruik bewaard moeten worden.

7. Bodem

Voor wat betreft het aspect bodembescherming valt het bedrijf volledig onder het Activiteitenbesluit. In het kader van deze vergunning hoeft daarom geen nadere beoordeling plaats te vinden. Op grond van het Activiteitenbesluit moeten alle bedrijfsactiviteiten worden verricht met voorzieningen en maatregelen die leiden tot een verwaarloosbaar bodemrisico.

Wij hebben het bij de aanvraag gevoegde bodemrisicodocument beoordeeld en stemmen in met de opzet, de uitgangspunten en de resultaten. Uit het document blijkt dat voor alle bodembedreigende activiteiten het verwaarloosbaar bodemrisico wordt behaald.

8. Energie 

8.1. Overwegingen Energie-efficiëntie

8.1.1 Landelijk beleid

In het landelijke beleid zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer worden inrichtingen aan de hand van het jaarlijkse energieverbruik als volgt ingedeeld:

  • Kleinverbruikers: minder dan 25.000 m³ aan aardgasequivalenten én minder dan 50.000 kWh elektriciteitsverbruik;

  • Middelgrote verbruikers: tussen 25.000 en 75.000 m³ aan aardgasequivalenten en/of tussen 50.000 en 200.000 kWh elektriciteitsverbruik;

  • Grootverbruikers: meer dan 75.000 m³ aan aardgasequivalenten en/of meer dan 200.000 kWh elektriciteitsverbruik.

Uit bijlage 2 van de aanvraag, ‘Toelichting aanvraag omgevingsvergunning (revisie), opgesteld door Tauw bv, projectnummer 1279847, van 15 november 2022, blijkt het volgende energieverbruik de verwachting van de inrichting:

  • 13.000.000 m³ aardgas;

  • 52.081.828 kWh elektriciteit.

Hieruit blijkt dat sprake is van een energierelevante inrichting en van een energiegrootverbruiker.

8.1.2 Voorschriften voor vergunningplichtige ETS-bedrijven

Voor vergunningplichtige bedrijven geldt dat de energievoorschriften uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling niet rechtstreeks werkend zijn. Regels voor energiebesparing worden dan ook via voorschriften in de vergunning geregeld op basis van artikel 5.7 van het Bor, tenzij de inrichting deelneemt aan het Europese Emissiehandelssysteem (ETS). Aan de omgevingsvergunning van ETS-deelnemers kunnen op grond van artikel 5.12 van het Bor geen voorschriften worden verbonden ter bevordering van een zuinig gebruik van energie in de inrichting. FrieslandCampina neemt deel aan het ETS, daarom zijn geen energiebesparende voorschriften opgenomen.

8.1.3 Richtlijn energie-efficiëntie (EED)

De Europese richtlijn Energy Efficiency Directive (ook wel EED genoemd) is in Nederland omgezet in artikel 18 en artikel 18a van de Wet uitvoering EU-handelingen energie-efficiëntie. De belangrijkste verplichting uit de Europese richtlijn energie-efficiëntie is het uitvoeren van een energie-audit. In het Besluit energie-audit zijn de eisen die worden gesteld aan energie-audits en de verslaglegging hiervan nader gegeven. De auditplicht geldt voor ondernemingen met meer dan 250 medewerkers (fte) of een jaaromzet groter dan € 50 miljoen en een jaarlijks balanstotaal groter dan € 43 miljoen.

FrieslandCampina Nederland B.V. behoort tot deze categorie van bedrijven.

Het vierjaarlijks EED-auditverslag moet worden ingediend bij de Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO), die bevoegd gezag is voor de beoordeling daarvan. In de energie-audit wordt onder meer kenbaar gemaakt welke maatregelen gedurende vier jaar na het uitvoeren van de energie-audit kunnen worden uitgevoerd.

9. Externe veiligheid

9.1. Algemeen

Bij de inrichting zijn de volgende gevaarlijke stoffen aanwezig:

  • Salpeterzuur (60%), natronloog (25%) en zoutzuur (30%) in opslagtanks;

  • Ammoniak (in diverse koelinstallaties);

  • Koelinstallaties met R507;

  • Koolstofdioxide in opslagtank;

  • Gasflessen (zuurstof, acetyleen, argon, propaan en formeergas);

  • Opslag smeermiddelen en afgewerkte olie in het oliehok (maximaal 10.000 kilogram)

  • Overige gevaarlijke verpakte stoffen in de uitpandige chemicaliënopslag van maximaal 10.000 kilogram.

De processen, de aard en hoeveelheid van de gebruikte gevaarlijke stoffen zoals vermeld in de aanvraag kunnen een risico vormen voor de omgeving.

Het externe veiligheidsbeleid in Nederland is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van activiteiten voor de omgeving (mens en milieu). Het gaat hierbij onder meer om de risico's die verbonden zijn aan de opslag en het gebruik van gevaarlijke stoffen.

Zoals in het NMP4 (Vierde Nationaal Milieubeleidsplan) is aangegeven, is de basis van het huidige risicobeleid dat het gevaar van een activiteit acceptabel is wanneer:

  • het plaatsgebonden risico niet hoger is dan is genormeerd;

  • de kans op een groot ongeluk met veel slachtoffers kan worden verantwoord (het groepsrisico).

Het plaatsgebonden risico (PR) is een maatstaf om te bepalen welke afstand nodig is tussen de risicodragende activiteit en de bebouwde omgeving. Het plaatsgebonden risico is de kans dat zich op een bepaalde plaats over een periode van één jaar een dodelijk ongeval voordoet als direct gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen, indien zich op die plaats 24 uur per dag en onbeschermd een persoon zou bevinden. De gehanteerde norm voor het plaatsgebonden risico in Nederland is in beginsel 10-6 per jaar (d.w.z. een kans van 1 op de miljoen per jaar). Deze norm is opgenomen in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In het Bevi is aangegeven in welke gevallen hiervan (tijdelijk) kan worden afgeweken.

Het groepsrisico (GR) voegt daar als maatstaf aan toe de verwachte omvang van een ongeval uitgedrukt in het aantal dodelijke slachtoffers, gegeven de kans op dat ongeval. Het groepsrisico geeft de kans aan dat in een keer een groep personen die zich in de omgeving van de risicosituatie bevindt, overlijdt vanwege een ongeval met gevaarlijke stoffen. Met de grootheid groepsrisico is getracht een maat voor maatschappelijke ontwrichting te creëren. In het Bevi is een niet-normatieve benadering van het groepsrisico neergelegd. Het groepsrisico moet altijd verantwoord worden. Bij de beoordeling van het groepsrisico is de vraag aan de orde welke omvang van een ramp, gegeven de kans daarop, maatschappelijk aanvaardbaar is.

9.2. Beoordeling plaatsgebonden risico en groepsrisico

Op grond van artikel 2, eerste lid, sub d en sub g, valt de inrichting onder de reikwijdte van het Bevi.

De inrichting valt op grond van de opslag van salpeterzuur (> 1000 liter) zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, sub d onder de reikwijdte van het Bevi.

Voor artikel 2, eerste lid, sub g betreft dit de ammoniakkoelinstallaties die meer dan 1.500 kg ammoniak bevatten. Dit zijn de volgende ammoniakkoelinstallaties:

  • IJswaterinstallatie OASIS : 2.500 kg ammoniak;

  • Koelinstallatie cel 2, 4 en 5 en cel 1, 2, 6 en 7 : 1.900 kg ammoniak.

In totaal zijn er vijf koelinstallaties op de locatie. De overige drie koelinstallaties bevatten minder dan 1.500 kg ammoniak of bevatten het koelmiddel R507.

Ammoniakkoelinstallatie cel 2, 4 en 5 en cel 1,3, 6 en 7 is uitgevoerd in opstellingsuitvoering 2, de overige vier koelinstallaties hebben opstellingsuitvoering 1.

Op grond van artikel 4 betreft het een zogenaamde niet-categoriale inrichting. Dit betekent dat voor de activiteiten een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) moet worden uitgevoerd waarmee het PR 10-6 en GR berekend kunnen worden. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) is aangegeven dat de daarin voorgeschreven Rekenmethodiek Bevi moet worden gebruikt voor het berekenen van deze risico’s met toepassing van het softwareprogramma Safeti-NL (versie 8.3) en de Handleiding Risicoberekeningen Bevi (versie 4.3). In de Handleiding Risicoberekeningen Bevi is vastgelegd op welke wijze het PR 10-6 (middels een kaart met contouren) en GR (een FN-curve) dienen te worden gepresenteerd. De toetsing van de QRA aan het Bevi wordt hierna beschreven.

9.2.1 Toetsing plaatsgebonden risico

Bij de aanvraag is een QRA gevoegd (‘Kwantitatieve risicoanalyse (QRA)’, opgesteld door Tauw bv, projectnummer 1279847, van 15 november 2022). Hieruit blijkt dat de plaatsgebonden risicocontour 10-6 niet buiten de inrichting komt. Hierdoor behoeft dan ook niet te worden getoetst aan de grens- en richtwaarde van het Bevi.

9.2.2 Toetsing groepsrisico

De maximale effectafstand ligt binnen de grens van de inrichting. Hierdoor is er geen sprake van een groepsrisico dat moet worden verantwoord.

9.3. Advies brandweer

Per brief van 1 augustus 2022 adviseert Brandweer Fryslân over de aanvraag om:

  • 1.

    de in de QRA beschreven/gebruikte uitgangpunten voor de beschreven stoffen als uitgangspunten in de vergunning te borgen. Bijvoorbeeld door voor het salpeterzuur de maximale vulgraad van 26,5 m3 van de opslagtank vast te leggen, door het maximale volume van de tankwagen 15 m3 vast te leggen, door te bepalen dat de leveringen alleen overdag (tussen 9:00 en 17:00) plaatsvinden en door voor het aardgas de leidingdiameter en de werkdruk vast te leggen;

  • 2.

    de van toepassing zijnde voorschriften uit de PGS 13:2009, PGS 31:2018, PGS 9:2014 en PGS 15:2021 in de vergunning op te nemen;

  • 3.

    de aanwezigheid van de brandmeld- en ontruimingsalarminstallaties en de bijbehorende programma’s van eisen te borgen door hiervoor voorschriften in de vergunning op te nemen;

  • 4.

    aan de hand van een PGS31-toets te bepalen of een tankput voor de chemicaliën tanks nodig is en zo ja, om te toetsen of de tankput reeds is vergund in de vergunning 2021-FUMO-0051680;

  • 5.

    de motivering en punten onder ‘advies risico’s en brandweerzorg’ mee te laten wegen bij de vergunningverlening, en

    • 1.

      in de vergunning de aanwezigheid van het bluswaterriool te borgen en te bepalen dat dit riool dient te voldoen aan de uitgangspunten zoals beschreven in de handreiking “Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid 2019” van Brandweer Nederland en afgestemd met Brandweer Fryslân.

Ad 1. Omdat bepaald is dat de QRA onderdeel uitmaakt van de vergunning, moeten de uitgangspunten die daarin opgenomen zijn nageleefd worden. FrieslandCampina moet, behalve aan de voorschriften, ook voldoen aan alle van de vergunning deel uitmakende documenten. Wij hebben in de vergunning de maximale vulgraad van de salpeterzuurtank vastgelegd en de maximale inhoud die een lossende tankauto met salpeterzuur mag hebben. Wij zien gelet op het feit dat de effecten niet buiten de inrichtingsgrens komen geen aanleiding om het aantal verladingen in de voorschriften te moeten vastleggen.

Ad 2. De genoemde PGS-richtlijnen (of nieuwe versies daarvan) zijn opgenomen in de voorschriften. We hebben aangesloten bij de laatst versie die is vastgesteld door het Bestuurlijk Omgevingsberaad.

Ad 3 en 5. De aanwezigheid van de brandmeld- en ontruimingsinstallaties en de bijbehorende programma’s van eisen, kunnen wij niet opnemen in de voorschriften. De Wet milieubeheer geeft ons alleen de mogelijkheid om aspecten met betrekking tot milieu vast te leggen. De genoemde installaties maken onderdeel uit van de bouwvergunningen. Deze revisievergunning vervangt alle onderliggende omgevingsvergunningen voor het onderdeel milieu zodra de revisievergunning in werking treedt. De onderliggende vergunningen voor het onderdeel milieu vervallen zodra de revisievergunning onherroepelijk wordt. De bouwvergunningen blijven in werking volgens de daarbij horende vergunningen en voorschriften.

Hetzelfde geldt voor de borging van het bluswaterriool. Ook dat kunnen wij niet vastleggen in het milieudeel van de omgevingsvergunning. De (afstand van de) bluswaterwinplaatsen/opstelplaatsen voor de brandweer zijn vastgelegd in het bouwdeel van de vergunning 2021-FUMO-0051680.

Ad 4. De chemicaliëntanks zijn dubbelwandige tanks, hiervoor schrijft de PGS 31 geen tankput voor.

9.4. Op- en overslag van gevaarlijke stoffen (PGS-richtlijnen)

Voor de op- en overslag van gevaarlijke stoffen zijn richtlijnen opgesteld in de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu wordt gerealiseerd. Deze PGS-richtlijnen zijn vermeld als Nederlandse informatiedocumenten over BBT in de bijlage van de Mor. Voor de beoordeling van de aanvraag van de inrichting zijn de volgende PGS-richtlijnen relevant:

  • PGS 9 (Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 9:2021, versie 1.0 (augustus 2021)), Cryogene gassen: opslag van 0.150m³ - 100m³;

  • PGS 13 (Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 13:2021, versie 1.0 (september 2021)), Ammoniak als koudemiddel in koelinstallaties en warmtepompen);

  • PGS 15 (Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15:2021, versie 1.0 (augustus 2021)), Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen);

  • PGS 31 (Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 31:2021, versie 1.0 (augustus 2021), Overige gevaarlijke stoffen: opslag in ondergrondse en bovengrondse tankinstallaties.

Wij hebben ons in de voorschriften in de ontwerpvergunning gebaseerd op de ‘Handreiking voor toepassing PGS Nieuwe Stijl in de periode tot inwerkingtreding Omgevingswet’ en de mogelijkheid tot het toepassen van de interim-versie van een richtlijn zoals die zijn gepubliceerd op de website van de Publicatiereeks gevaarlijke stoffen. Abusievelijk is dit niet verwoord in de overwegingen van de ontwerpvergunning. Daarom volgt de afweging om de PGS Nieuwe Stijl te gebruiken alsnog.

In de handreiking is aangegeven dat het bevoegd gezag de mogelijkheid heeft om af te wijken van de nu nog geldende in de Mor aangewezen informatiedocumenten over BBT. Het bevoegd gezag heeft hierbij de verplichting om te motiveren waarom wordt afgeweken van het aangewezen BBT-document.

Op dit moment is er voldoende zekerheid dat de Omgevingswet per 1 januari 2024 in werking treedt. Daarbij gaat het hier om een revisievergunning, dus een vergunning die de gehele inrichting omvat. Met het voorschrijven van de actuele versies van de PGS is de vergunning klaar voor de Omgevingswet en hoeft deze niet na invoering alsnog (ambtshalve) te worden aangepast. Daarom hebben wij de actuele versies van de van toepassing zijnde PGS-en voorgeschreven en niet de versie genoemd in de Mor. In tegenstelling tot de ontwerpvergunning, geldt ook voor de PGS 31 de versie uit 2021. Voor een nadere toelichting verwijzen wij naar de paragrafen hieronder en de behandeling van de zienswijzen in paragraaf 1.10.

De oude en nieuwe versie van de PGS 15 en 31 bevatten dezelfde voorschriften/maatregelen als de vorige versie daarvan. De nieuwste versies van de PGS 9 en 13 bevatten wel gewijzigde maatregelen. Hiervoor geldt de in de PGS genoemde implementatietermijnen. Deze implementatietermijn laten wij niet ingaan met het inwerkingtreden van deze vergunning, maar op 1 januari 2024, zodat FrieslandCampina dezelfde termijn krijgt als alle bedrijven waarvoor de Omgevingswet rechtstreeks gaat werken.

9.4.1. Opslag gevaarlijke stoffen (PGS 15)

Binnen de inrichting zijn een uitpandige opslagruimte voor verpakte gevaarlijke (afval)stoffen aanwezig (chemicaliënopslag) en een inpandige opslagruimte voor de opslag van smeermiddelen en afgewerkte olie (oliehok). Daarnaast zijn binnen de inrichting in onder andere het laboratorium, een aantal veiligheidskasten aanwezig.

In de chemicaliënopslag worden stoffen opgeslagen in de ADR-klasse 8 en 9. Daarnaast worden stoffen opgeslagen die niet onder een ADR-klasse vallen. De maximale opslag in deze ruimte is 10.000 kg in totaal van alle opgeslagen stoffen.

In het oliehok worden stoffen opgeslagen die vallen onder ADR-klasse 3 en stoffen dien niet vallen onder een ADR-klasse.

In de aanvraag is aangegeven dat de opslagen voldoen aan de PGS 15 en daarmee voldoen aan BBT.

Zoals in de aanvraag aangegeven vallen de in het oliehok opgeslagen stoffen niet onder de definitie van brandbare vloeistoffen en hiermee als zodanig niet onder het toepassingsgebied van de PGS 15. Wij hebben dan ook geen voorschriften aan deze vergunning verbonden. Hiervoor gelden de voorschriften uit het Activiteitenbesluit gericht op de bescherming van de bodem.

Wij hebben de PGS 15:2021 opgenomen in de voorschriften voor de chemicaliënruimte en veiligheidskasten.

Behalve verpakte gevaarlijke stoffen worden er op het buitenterrein van de inrichting gasflessen opgeslagen. Dit betreft de volgende stoffen: zuurstof, acetyleen, argon, propaan en formeergas. De opslag van de gasflessen moet voldoen aan de PGS 15:2021. Dit is opgenomen in de voorschriften.

9.4.2. Ammoniakkoelinstallaties (PGS13)

De ammoniakkoelinstallaties Ingredients 030 (870 kg ammoniak), Ingredients 040 (480 kg ammoniak) en Ingredients 050 (514 kg ammoniak) vallen onder het Activiteitenbesluit. Voor deze koelinstallaties gelden daarom de voorschriften niet die voor ammoniakkoelinstallaties aan deze vergunning zijn verbonden. Voor de ammoniakkoelinstallaties IJswaterinstallatie OASIS en Koelinstallatie cel 2, 4 en 5 en cel 1, 3, 6 en 7 geldt dat deze moeten voldoen aan de PGS 13:2021. Deze PGS is inmiddels vastgesteld door het Bestuurlijk Omgevingsberaad en mag als zodanig in de omgevingsvergunning worden opgenomen. Dit is in de voorschriften opgenomen. In voorschrift 4.3.1 hebben wij opgenomen dat de in bijlage H van de PGS vermelde implementatietermijnen ingaan op 1 januari 2024.

Abusievelijk is in voorschrift 4.3.1 van de ontwerpvergunning M68 uit de PGS 13 voorgeschreven. Deze maatregel is niet van toepassing en hebben wij daarom uit dit voorschrift verwijderd.

9.4.3. Opslag koolstofdioxide (PGS 9)

Binnen de inrichting is een opslagtank voor vloeibaar koolstofdioxide aanwezig. In de aanvraag is gesteld dat deze voldoet aan de PGS 9:2014. Inmiddels is een vernieuwde PGS 9:2021 beschikbaar. Wij zijn daarom van deze nieuwe versie uitgegaan in de voorschriften. In voorschrift 4.4.1 hebben wij opgenomen dat de in bijlage H van de PGS vermelde implementatietermijnen ingaan op 1 januari 2024.

9.4.4. Opslagtanks salpeterzuur, natrolonloog en zoutzuur (PGS 31) en calciumchloride

Binnen de inrichting vindt in verschillende opslagtanks opslag van stoffen ten behoeve van schoonmaakactiviteiten en de productie. Dit betreft de opslag van salpeterzuur (60%, 26,5 m3), natronloog (25%, 75 m3) en zoutzuur (30%, 15 m3).

In de aanvraag is aangegeven deze opslagtanks (gaan) voldoen aan de PGS 31:2018. Volgens paragraaf 5.2 van de toelichting op de aanvraag (bijlage 2, versie 15 november 2022) gaat het voor de plaatsing van de natronloogtank (dubbelwandig) en salpeterzuurtank (dubbelwandig) bij de melkontvangst om nieuwe tankinstallaties.

De bestaande zoutzuurtank wordt voor het einde van 2024 vervangen door een nieuwe installatie. De uitvoering blijft hetzelfde (inhoud, materiaal, etc.). FrieslandCampina verzoekt om een voorschrift op te nemen waarin wordt gesteld dat de tank voor het einde van 2024 is vervangen en dan dient te voldoen aan de relevante voorschriften uit de PGS31. Wij kunnen hiermee instemmen.

De aangevraagde calciumchloridetank valt niet onder het toepassingsgebied van PGS 31.

Wij hebben de interimversie PGS 31:2021 opgenomen in de voorschriften. Deze interimversie heeft geen andere of nieuwe maatregelen dat de versie uit 2018.

9.5. Overige koelinstallaties

In de inrichting zijn twee koelinstallaties met het koudemiddel R507 aanwezig (450 kg en 2.550 kg). Deze twee koelinstallaties worden op den duur vervangen en zijn als toekomstige ontwikkeling opgenomen in de aanvraag. Voor dit synthetische koudemiddel gelden direct werkende Europese verordeningen met voorschriften die zijn gericht op het beschermen van het milieu. Daarom regelt het Activiteitenbesluit hier niets voor en worden hiervoor geen voorschriften opgenomen in deze vergunning.

9.6. Milieurisicoanalyse

Bij de aanvraag is een beoordeling van een milieurisicoanalyse (hierna MRA) gevoegd (‘MRA-beoordeling’, opgesteld door Tauw bv, projectnummer 1279847, van 28 oktober 2022).

Formeel dient FrieslandCampina in het kader van de aanvraag invulling te geven aan het CIW-rapport ‘Integrale aanpak van onvoorziene lozingen’. In 2021 is echter de conceptversie van het nieuwe handboek ‘Integrale aanpak van onvoorziene lozingen’ gepubliceerd en hieruit volgt dat het beleidskader significant gaat veranderen. Daar waar het rekenprogramma Proteus nu standaard in een MRA wordt toegepast, mogen MRA’s in de toekomst enkel onder voorwaarden met de rekensoftware worden uitgevoerd. Uit de door Rijkswaterstaat georganiseerde webinars is gebleken dat de activiteiten van zuivelbedrijven niet in Proteus gemodelleerd mogen worden.

Daarom wil FrieslandCampina uitstel vragen voor het uitvoeren van een volledige MRA tot het nieuwe beleidskader van kracht is. Bij de aanvraag is daarom een MRA-beoordeling gevoegd. Uit de MRA-beoordeling volgt dat voldaan wordt aan de stand der veiligheidstechniek.

Meerdere activiteiten overschrijden de drempelwaarden voor het oppervlaktewater en/of de RWZI. Daarom moet een volledige MRA uitgevoerd worden waarin de afstroomrisico’s van deze activiteiten onderzocht worden.

Wij kunnen instemmen met dit verzoek om uitstel. Omdat op dit moment onduidelijk is wanneer er meer duidelijkheid is over het gebruik van Proteus 4.5 als rekenprogramma, hebben wij wel een einddatum aan dit uitstel opgenomen in de voorschriften.

9.7. Warenwetbesluit drukapparatuur 2016

Bij de inrichting is apparatuur in gebruik met een maximaal toelaatbare druk van meer dan 0,5 bar. Voor deze installatie gelden de eisen zoals die verwoord zijn in het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016. Dit besluit is van toepassing op het ontwerp, de fabricage, de overeenstemmingsbeoordeling, de ingebruikneming en periodieke keuring van drukapparatuur, samenstellen en druksystemen waarvan de maximaal toelaatbare druk (PS) meer dan 0,5 bar bedraagt. Het besluit is rechtstreeks werkend, zodat in deze vergunning geen nadere eisen gesteld (mogen) worden. De Inspectie SZW is toezichthouder voor het in werking hebben van deze drukapparatuur.

9.8. Relatie met ATEX

9.8.1 Stofexplosie

Een stofexplosie kan zich voordoen wanneer een ontstekingsbron een explosief mengsel van stof en zuurstof (lucht) tot ontsteking brengt. Bij de inrichting bestaat in de poedertoren/poedermakerij, poedersilo of in de nabijheid daarvan, door de aanwezigheid van vrijgekomen en ronddwarrelend stof de kans dat dit stof tot ontbranding of ontsteking wordt gebracht.

De verplichtingen voor bedrijven ten aanzien van stofexplosiegevaar zijn verankerd in de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit (ATEX). Concreet gaat het voor inrichtingen (bedrijven) dan vooral om het explosieveiligheidsdocument, de RI&E voor de onderdelen stofexplosie, en de gevarenzone-indeling. De Inspectie SZW is de toezichthoudende instantie. Om deze reden worden voor stofexplosiegevaar geen voorschriften aan deze vergunning verbonden.

9.9. (Intern) Noodplan

In de arbeidsomstandighedenwetgeving is het hebben van een noodplan geregeld. Op basis van artikel 2.5c van het Arbobesluit is een bedrijf verplicht een noodplan te hebben. Op basis van dit artikel is het bedrijf ook verplicht o.a. hulpverleningsinstanties in te lichten over het noodplan indien gewenst door deze instanties. In artikel 2.0, lid c van de Arbeidsomstandighedenregeling is geregeld wat er ten minste in het noodplan moet zijn opgenomen (verwezen wordt naar bijlage II van de regeling). Gezien het voorgaande worden voor een (intern) bedrijfsnoodplan geen voorschriften aan deze vergunning verbonden.

10. Geluid

10.1. Algemeen

De bedrijfsactiviteiten hebben tot gevolg dat geluid wordt geproduceerd. Deze geluidsemissie wordt naast de vervoersbewegingen door meerdere geluidsbronnen veroorzaakt. De wijzigingen ten opzichte van de vergunde situatie betreffen een toename van het aantal vervoersbewegingen vanwege een vergroting van de capaciteit en daarmee een toename van het aantal vervoersbewegingen van de aanvoer van grondstoffen en de afvoer van product. De veroorzaakte geluidsbelasting in de omgeving en de perioden waarin deze optreedt, is in kaart gebracht in een akoestisch rapport van ‘FrieslandCampina Workum, Geluidonderzoek (revisie) 2022’, opgesteld door LBP Sight, kenmerk R085400aq.221DCW0.rvw, versie 03_001, van 6 oktober 2022.

Het geluid wordt beoordeeld op basis van de representatieve bedrijfssituatie (de geluidsemissie die de inrichting onder normale omstandigheden veroorzaakt). Beoordeeld worden de geluidsniveaus, te weten het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, de maximale geluidsniveaus en de indirecte hinder als gevolg van het in werking zijn van de inrichting.

10.2. Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau 

De inrichting ligt op het gezoneerde industrieterrein Horsa in de gemeente Súdwest-Fryslân.

De geluidzone is op 13 juli 2021 in het ‘Wijzigingsplan Workum – Uitbreiding FrieslandCampina’ vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders.

Bij de vergunningverlening op de aanvraag nemen wij in ieder geval in acht de geldende grenswaarden voor gezoneerde industrieterreinen zoals bedoeld in de Wet geluidhinder. Voor gezoneerde industrieterreinen geldt als uitgangspunt dat de etmaalwaarde van het equivalent geluidsniveau vanwege het gehele industrieterrein buiten de zone niet meer mag bedragen dan 50 dB(A).

In het akoestisch onderzoek is een aantal geluidreducerende maatregelen genoemd. Deze maatregelen moeten worden uitgevoerd. Dit is opgenomen in de voorschriften.

Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat op een aantal vergunningspunten het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT met 1 dB toeneemt ten opzichte van de vergunde situatie. Ter plaatse van deze punten liggen geen woningen van derden of andere geluidgevoelige bestemmingen.

Het gaat om de punten VP4en VPR-031 in de dagperiode, de punten VP4 en VPR-031 in de avondperiode en de punten VP4 en VP7 in de nachtperiode.

Rectificatie: In de ontwerpbeschikking met verzenddatum 2 maart 2023 is abusievelijk een fout gemaakt bij het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van punt VP7. Vanwege een fout in het zonemodel is een te laag langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voor dit punt berekend in de dagperiode. Het zonemodel is gerectificeerd. Dit betekent dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de dagperiode bij VP7 46 dB(A) is in plaats van 45 dB(A). Dit is aangepast in voorschrift 5.2.1. Dit komt overeen met de berekende waarden uit het akoestisch onderzoek.

De zonebeheerder heeft verklaard (memo met kenmerk Fumo-Friesland Campina-Workum-23a, datum 1 februari 2023 door gemeente Súdwest-Fryslân) dat de berekende geluidimmissie van de inrichting, gecumuleerd met de geluidimmissie van de overige op het industrieterrein gevestigde inrichtingen, past binnen de beschikbare geluidruimte voor het betreffende industrieterrein.

Na toepassing van de geluidreducerende maatregelen moet met een geluidmeting worden aangetoond dat de bronvermogens van de betreffende geluidbronnen niet hoger zijn dan opgenomen in het akoestisch onderzoek. Na de realisatie van de nieuwe geluidbronnen (onder andere Oasis) moet middels een akoestisch onderzoek worden aangetoond dat de wijziging voldoet aan de geluidsvoorschriften. Dit is opgenomen in de voorschriften.

10.3. Maximaal geluidsniveau (LAmax)

Voor woningen die zijn gelegen buiten het gezoneerde industrieterrein wordt, indien relevant, de standaard systematiek zoals gehanteerd bij de vergunningverlening toegepast. Voor de maximale geluidsniveaus wordt aangesloten bij de beleidslijn dat de geluidsgrenswaarde voor de maximale geluidsniveaus in de regel niet meer dan 10 dB(A) boven het aanwezige langtijdgemiddeld beoordelingsniveau komt te liggen. In de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening wordt aangegeven dat als ondergrens een waarde van 50, 45 en 40 dB(A) kan worden aangehouden voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. In sommige gevallen kan van deze beleidslijn gemotiveerd worden afgeweken. Wanneer niet aan de grenswaarden voldaan kan worden, kunnen op basis van de afwijkingsbevoegdheid wegens bijzondere omstandigheden hogere maximale geluidsniveaus worden vergund. Hierbij wordt aanbevolen om de maximale geluidsniveaus niet hoger te laten zijn dan 70, 65 en 60 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. In het geval er sprake is van een voor de bedrijfsvoering onvermijdbare situatie, waarin technische noch organisatorische maatregelen soelaas bieden om het geluidsniveau te beperken, zou los van de grenswaarde van 70 dB(A) voor de dagperiode, deze met ten hoogste 5 dB(A) mogen worden overschreden voor bepaalde nader omschreven bedrijfssituaties.

Bij een bedrijf dat is gelegen op grote afstand van woningen buiten het gezoneerde industrieterrein wordt een voorschrift voor de maximale geluidsniveaus niet nodig of gewenst geacht.

De vergunningpunten VPR-001 en VPR-031 zijn opgenomen ten behoeve van de omliggende woningen. Er wordt ter plaatse van deze vergunningpunten ruimschoots voldaan aan de richtwaarde van 10 dB(A) boven het aanwezige langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. In de dagperiode zijn op beide vergunningpunten piekgeluidniveaus bepaald die lager liggen dan de ondergrens van de Handreiking. In de avondperiode is het piekgeluidniveau op vergunningpunt VPR-031 ook lager dan de ondergrens van de Handreiking. Wij achten de waarden voor het maximale geluidsniveau vergunbaar. In de voorschriften zijn de berekende waarden voor het piekgeluidsniveau vergund, waarbij geen lagere normen zijn opgenomen dan de ondergrens voor het piekgeluidsniveau (LAmax) van 50/45/40 dB(A), zoals in de Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening is opgenomen.

De maximale geluidsniveaus hebben wij in een voorschrift vastgelegd.

10.4. Indirecte hinder

Ingevolge de jurisprudentie (Raad van State van 17 september 2008, nummer 200800664/1) blijkt dat geen toetsing nodig is voor het verkeer van en naar een inrichting, die is gelegen op een gezoneerd industrieterrein. Dit geldt voor de geldende grenswaarden voor de inrichting zelf, de zonegrens en de voorgestelde grenswaarden die volgen uit de “Circulaire inzake geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de Wet milieubeheer”, van 29 februari 1996.

10.5. Conclusies

Ten aanzien van de optredende geluidsniveaus is de aangevraagde situatie milieuhygiënisch aanvaardbaar.

Wij hebben aan de vergunningvoorschriften verbonden, waarin grenswaarden zijn gesteld op beoordelingspunten. De geluidniveaus op deze punten zijn overeenkomstig de bij de aangevraagde activiteiten gewenste geluidsruimte.

Binnen de inrichting worden maatregelen en voorzieningen getroffen ter beperking van de geluidsproductie. Bij het opstellen van de voorschriften hebben wij rekening gehouden met die maatregelen en voorzieningen.

Vanwege de grote afstand van de geluidsgevoelige bestemmingen tot de inrichting en vanwege de invloed van andere geluidsbronnen, kan de geluidsbelasting die de inrichting veroorzaakt niet bij de geluidsgevoelige bestemmingen of op de zonegrens worden gemeten (deze kan wel worden berekend). Daarom zijn grenswaarden vastgelegd op controlepunten gelegen in de nabijheid van de inrichting. Op deze punten kan in het kader van het door het bevoegd gezag uit te oefenen toezicht op de naleving worden gemeten.

11. Lucht

11.1. Toetsingskader

Het algemeen luchtbeleid is gericht op het voorkomen dan wel zo veel mogelijk beperken van emissies naar de lucht door het toepassen van de beste beschikbare technieken (BBT) en het voldoen aan de luchtkwaliteitseisen van bijlage 2 van de Wet milieubeheer.

Luchtemissies voor inrichtingen worden in beginsel gereguleerd door de algemene regels van het Activiteitenbesluit. Deze eisen zijn rechtstreeks geldend en daarom niet in deze vergunning opgenomen.

Indien en voor zover voor luchtemissies van IPPC-installaties BBT-conclusies zijn vastgesteld, gelden de algemene regels van Afdeling 2.3 echter niet (met uitzondering van de minimalisatieverplichting voor zeer zorgwekkende stoffen). Voor deze luchtemissies worden voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden die aansluiten bij de BBT-conclusies.

Binnen FrieslandCampina zijn de volgende activiteiten die emissies naar de lucht tot gevolg hebben:

  • Stookinstallaties reguliere bedrijfsvoering (verbrandingsemissies):

    • o

      Gasgestookte heater voor het verwarmen van de lucht in de poedertoren;

    • o

      Twee stoomketels voor het verwarmen van water tot stoom dat wordt gebruikt in het productieproces;

    • o

      Twee gasgestookte boilers voor de opwarming van de afdeling rijpening;

  • Poedertoren en poedersilo (stof)

  • Twee noodstroomaggregaten (verbrandingsemissies);

  • Transportbewegingen (verbrandingsemissies en stof).

Hierbij is onderscheid gemaakt tussen puntbronemissies afkomstig van procesinstallaties en verbrandingsinstallaties, alsmede van diffuse emissies en storingsemissies.

In de BREF Voedingsmiddelen-, dranken- en zuivelindustrie is alleen voor stofemissies voor droogprocessen een BBT geassocieerd emissieniveau (BBT-GEN) opgenomen. Dit betekent dat voor de overige emissies naar de lucht afdeling 2.3 en paragraaf 3.2.1 uit het Activiteitenbesluit van toepassing zijn.

11.2. Emissies van stookinstallaties, niet zijnde een grote stookinstallatie

Het hoofdproces is als volgt te beschrijven: het bewerken en verwerken op industriële schaal van zuivel tot kaas, wei en weipoeder.

Ten gevolge van deze activiteit wordt NOx in relevante hoeveelheden geëmitteerd naar de lucht. De gasgestookte heater, de twee stoomketels en de twee gasgestookte boilers (tezamen een thermisch ingangsvermogen van 34 MW) vallen onder het Activiteitenbesluit. Op de emissie van NOx vanuit deze ketels is daarmee paragraaf 3.2.1 ‘Het in werking hebben van een middelgrote stookinstallatie, gestookt op een standaard brandstof’ van toepassing.

Voor deze installaties zijn in deze vergunning geen voorschriften opgenomen.

11.3. Incidentele stookinstallaties

Friesland Campina heeft naast de in de vorige paragraaf besproken stookinstallaties, twee noodstroomaggregaten in gebruik. Beide hebben een thermisch vermogen kleiner dan 1 MWth. Deze noodstroomaggregaten worden alleen gebruikt in het geval van nood. Ze worden wel jaarlijks getest, per jaar draaien beide maximaal 12 uur per jaar.

De noodstroomaggregaten kunnen worden beschouwd als een stookinstallatie zoals genoemd in paragraaf 3.2.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Artikel 3.7, lid 2.b van het Activiteitenbesluit stelt echter dat de in het Activiteitenbesluit aangegeven emissie-eisen (artikel 3.10) niet van toepassing zijn op installaties die minder dan 500 uur per jaar in gebruik zijn. Dit is het geval voor deze noodstroomaggregaten, waardoor deze vrijgesteld zijn van deze vereisten.

11.4. Puntbronemissies van procesinstallaties 

11.4.1 Toetsing

Ten gevolge van het drogen van poedermelk wordt fijn stof in relevante hoeveelheden geëmitteerd naar de lucht. Dit komt vrij bij het productieproces in de droogtoren en kan ook vrijkomen in de poedersilo. Omdat dit proces geen aardgas nodig heeft, vindt er geen vorming van NOx plaats.

Conform de BREF Voedingsmiddelen- dranken- en zuivelindustrie dient de uitstoot van stof te worden beperkt tot 2 - 10 mg/Nm3, afhankelijk van de lokale omstandigheden. Om stofemissies naar lucht, afkomstig van het drogen te verminderen, is er sprake van BBT wanneer één techniek of een combinatie van de onderstaande technieken wordt gebruikt:

  • a.

    doekenfilter;

  • b.

    cycloon;

  • c.

    natte gaswasser.

De drooginstallatie en de poedersilo zijn voorzien van doekenstoffilters. De exacte stofreductiecapaciteit van deze doekenfilters is niet bekend. Uit emissiemetingen uit 2017 blijkt dat de stofemissies zeer laag zijn. De resultaten uit 2017 zijn echter verouderd. Daar komt bij dat het een momentopname betreft; de emissieconcentraties kunnen fluctueren. Dat ten tijde van deze metingen aan de ondergrens van de range uit de BREF werd voldaan, geeft geen garanties voor de huidige emissiesituatie. FrieslandCampina geeft aan dat een maximale stofemissie van 5 mg/Nm3 altijd haalbaar is. Naar verwachting valt dit in de praktijk veel lager uit.

Met de aanwezige/gekozen techniek wordt een emissiegrenswaarde gehaald die binnen deze range valt. Hiermee wordt voldaan aan BBT. Wij hebben deze emissiegrenswaarde dan ook in de voorschriften opgenomen.

11.4.2 Monitoring van procesemissies

Monitoring van luchtemissies dient om aan te tonen dat een installatie voldoet aan de geldende emissiegrenswaarden en/of een reinigingstechniek goed werkt en/of voor procesmonitoring of

-optimalisatie. Monitoring van procesemissies wordt in beginsel volledig bestreken door artikel 2.8 van het Activiteitenbesluit.

Indien er op grond van artikel 2.5 en 2.6 van het Activiteitenbesluit emissiegrenswaarden gelden, dan geeft tabel 2.8 van het Activiteitenbesluit het geldende controleregime aan. Het controleregime is gebaseerd op de grootte van de storingsfactor. Uit het controleregime kan volgen dat het bedrijf metingen moet uitvoeren. Mogelijke frequenties van metingen zijn eenmalig, periodiek of continu.

Voor de procesemissies kan controle plaatsvinden aan de hand van emissierelevante parameters (ERP’s cat. A of ERP’s cat. B). Afdeling 2.7 van de Activiteitenregeling geeft verdere invulling aan de monitoringseisen.

Slechts indien en voor zover er voor de betreffende emissies BBT-conclusies zijn vastgesteld en deze emissies daardoor in de omgevingsvergunning milieu geregeld worden, hetgeen hier het geval is, wordt het onderwerp monitoring ook in deze vergunning geregeld. Voor het aspect stofemissies hebben wij daarom monitoringsvoorschriften verbonden aan de vergunning.

11.4.3 Conclusie procesemissies

Op grond van het voorgaande komen wij tot de conclusie dat voor de aangevraagde activiteiten voor procesemissies met de in de aanvraag beschreven maatregelen BBT wordt toegepast.

Wij hebben voor de procesemissies en monitoring voor het aspect stof voorschriften in deze vergunning opgenomen. 

11.5. Zeer zorgwekkende stoffen (ZSS) en Vluchtige organische stoffen (VOS)

In de projecttoelichting, die onderdeel uitmaakt van de vergunning, heeft FrieslandCampina aangegeven dat er binnen de inrichting één stof gebruikt wordt die onder ZZS valt. Dit betreft een stof die geen emissie naar de lucht heeft. Binnen de inrichting worden geen stoffen gebruikt die emissies van VOS geven. Omdat er geen emissies van VOS of ZZS plaatsvinden, zijn hiervoor geen voorschriften opgenomen.

11.6. Technische dienst

Binnen de inrichting worden reparaties en onderhoud uitgevoerd door de technische dienst. Bij deze activiteiten kan stof ontstaan. Gezien de beperkte omvang van de activiteiten hebben wij hier geen voorschriften voor opgenomen.

11.7. Koelinstallaties

In de inrichting zijn naast ammoniak als koudemiddel ook synthetische koudemiddelen aanwezig. Deze synthetische koudemiddelen zijn HFK’s en HFK’s bevattende mengsels. Hiervoor gelden direct werkende Europese verordeningen met voorschriften die zijn gericht op het beschermen van het milieu. Daarom regelt het Activiteitenbesluit hier niets voor en worden hiervoor geen voorschriften opgenomen in deze vergunning.

11.8. Luchtkwaliteit

In Titel 5.2 Wet milieubeheer en de bijbehorende bijlage 2 bij de Wet milieubeheer zijn grens- en richtwaarden gesteld aan de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht op leefniveau, die wij als toetsingscriteria moeten hanteren.

De inrichting emitteert een aantal stoffen waarvoor deze grenswaarden gelden, te weten stikstofdioxide en zwevende deeltjes (PM2,5 en PM10). Voor het totale gehalte in de PM10­­­-fractie zijn richtwaarden opgenomen.

De inrichting heeft voor deze stoffen een immissietoets uitgevoerd. Dit is opgenomen in de aanvraag in bijlage B11 ‘FrieslandCampina Workum – Luchtkwaliteitsonderzoek’, opgesteld door Tauw bv, projectnummer 1279847, van 24 januari 2023.

Op grond van artikel 5.16, lid 1 van de Wet milieubeheer kan de vergunning alleen worden verleend, als aannemelijk gemaakt kan worden dat voldaan wordt aan (minimaal) één van de volgende criteria:

  • a.

    er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde

  • b.

    er is - al dan niet per saldo - geen verslechtering van de luchtkwaliteit

  • c.

    de bijdrage aan de concentratie van een stof is ‘niet in betekenende mate' (NIBM)

  • d.

    het project is genoemd of past binnen het NSL of binnen een regionaal programma van maatregelen.

Op basis van verspreidingsberekeningen concluderen wij dat voldaan wordt aan de grenswaarden in Bijlage 2 van de Wet milieubeheer en dat daarmee de activiteiten vergunbaar zijn.

11.9. PRTR-verslag

Aangezien er binnen de inrichting activiteiten worden uitgevoerd als bedoeld in Bijlage I van de EG-Verordening PRTR, geldt dat conform titel 12.3 van de Wm een elektronisch PRTR-verslag moet worden ingediend.

Op grond van artikel 12.20, lid 1 van de Wm geldt dat de vergunninghouder de emissies (jaarvrachten) moet rapporteren.

11.10. Eindconclusie aspect lucht

Wij zijn van oordeel dat uit de aanvraag blijkt dat er voldoende maatregelen worden toegepast c.q. zullen worden toegepast om luchtemissies te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.

12. ONGEWONE VOORVALLEN 

In artikel 17.2, eerste lid van de Wet milieubeheer is vastgelegd dat ongewone voorvallen waardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of dreigen te ontstaan, door het bedrijf zo spoedig mogelijk aan ons moeten worden gemeld. In artikel 17.2, vierde lid is vermeld dat het bevoegd gezag in een omgevingsvergunning voor een inrichting of bij een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 8.42 voor een ongewoon voorval, waarvoor de nadelige gevolgen niet significant zijn, kan bepalen dat in afwijking van artikel 17.2, eerste lid het voorval wordt geregistreerd en kan voorschrijven binnen welke termijn en op welke wijze het voorval moet worden gemeld. Deze termijn kan afwijken van de verplichting, genoemd in artikel 17.2, eerste lid, om het voorval zo spoedig mogelijk te melden.

De inrichting is te kenmerken als een inrichting waarbij regelmatig ongewone voorvallen zonder significante gevolgen voor het milieu plaats kunnen vinden. De ervaring leert dat regelmatig meldingen worden ingediend, terwijl er geen sprake is van enige significante gevolgen voor het milieu. Daarmee vormt het altijd zo spoedig mogelijk moeten melden van ongewone voorvallen zonder significante gevolgen een onnodige administratieve belasting voor het bedrijf.

FrieslandCampina heeft in de aanvraag verzocht om een melding van een ongewoon voorval in het weekend of tijdens de nacht op de eerstvolgende doordeweekse werkdag te doen. Hierin is niet uitgewerkt wat voor soort ongewoon voorval het betreft.

Kleine incidenten die niet buiten de inrichting waarneembaar zijn of lozingen die geen invloed op de RWZI hebben, zouden via een register kunnen worden bijgehouden en voor inzage beschikbaar zijn. Andere ongewone voorvallen, zoals buiten de inrichting waarneembare voorvallen en lozingen op oppervlaktewater en/of bodem, moeten direct gemeld worden, ook in het weekeinde of in de nachtperiode. Om in te kunnen stemmen met het niet direct hoeven te melden van kleinere ongewone voorvallen, is een document of werkinstructie nodig waarin dit nader is uitgewerkt. Dit hebben wij gevraagd in ons verzoek om aanvullende gegevens.

FrieslandCampina heeft in de ‘Brief aanvullingen’ van 15 november 2022 aangegeven dat zij heeft kennisgenomen van ons standpunt. Zij blijft van mening dat het melden van een ongewoon voorval dat plaatsvindt in het weekend of tijdens de nachtperiode op de eerstvolgende doordeweekse dag gemeld kan worden. Zij heeft het verzoek om maatwerk gehandhaafd in de aanvraag. Verder geeft zij aan dat het eventueel instemmen met het niet direct te hoeven melden van kleinere ongewone voorvallen door het bijhouden van een register in plaats van direct melden geen meerwaarde heeft voor FrieslandCampina. Daarom is geen document of werkinstructie bij de aanvraag gevoegd waarin het registreren van kleine ongewone voorvallen is uitgewerkt. Het verzoek is om hier ook geen aparte voorschriften voor op te nemen in de vergunning.

Omdat FrieslandCampina verzoekt om geen voorschriften op te nemen om te mogen afwijken voor incidenten die niet buiten de inrichting waarneembaar zijn of lozingen die geen invloed op de RWZI hebben, hebben wij geen voorschriften daarvoor opgenomen. Dit betekent dat het bedrijf alle ongewone voorvallen waardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of dreigen te ontstaan, conform artikel 17.2, eerste lid van de Wet milieubeheer zo spoedig mogelijk aan ons moeten worden gemeld.

13. Overige aspecten

13.1. Reach

REACH (Registratie Evaluatie en Autorisatie van Chemische stoffen) Verordening (EC) 1907/2006 is een Europese verordening over stoffen. REACH werkt rechtstreeks. Voor een deel van de op grond van REACH geregistreerde stoffen bestaat er een autorisatieplicht. Deze stoffen mogen niet zonder meer worden gebruikt.

Uit de aanvraag blijkt dat er binnen de inrichting stoffen worden gebruikt en/of geëmitteerd waarop REACH van toepassing is.

In het kader van deze vergunning zijn wij nagegaan of er sprake is van een autorisatieplicht of restricties en of aan bepaalde specifieke stoffen die de inrichting produceert, gebruikt of emitteert, op grond van REACH in de toekomst een autorisatie of restrictie verbonden kan zijn. Bij het opstellen van de voorschriften hebben wij rekening gehouden met REACH. De inrichting moet voldoen aan de verplichtingen uit REACH.

13.2. Proefnemingen

Voor veel inrichtingen is het zoeken naar verbetering(en) van producten en procesvoering een veelvuldig terugkerend aandachtspunt. Vaak wordt ook aan productonderzoek en/of -ontwikkeling gedaan. Dergelijke ontwikkelingen dragen veelal ook bij aan een vermindering van de belasting van het milieu.

Vanuit de geschetste achtergrond kan de behoefte bestaan en is het vaak van essentieel belang om op bepaalde momenten gedurende enige tijd proefnemingen uit te voeren. Op die manier kan informatie worden vergaard over de beoogde verbeteringen en/of aanpassingen in product of proces en om inzicht te krijgen in de daaraan verbonden milieuhygiënische consequenties.

Proefnemingen worden gekenmerkt door een beperkte duur (wij gaan uit van maximaal zes maanden). Doorlooptijd en/of hoeveelheid moeten echter wel voldoende zijn om de noodzakelijke informatie te kunnen vergaren.

In de aanvraag heeft FrieslandCampina aangegeven de mogelijkheid te willen hebben om desgewenst proefnemingen uit te kunnen voeren. Wij achten dit acceptabel. Wel zijn wij van oordeel dat daaraan randvoorwaarden moeten worden gesteld en dat proefnemingen ruim voor aanvang (minimaal zes weken) bij ons voor toestemming moeten worden voorgelegd. Daartoe hebben wij voorschriften opgenomen. Tevens moet over de resultaten van de proef aan ons worden gerapporteerd.

De proefnemingen moeten plaatsvinden binnen de milieuhygiënische randvoorwaarden van deze vergunning en mogen pas aanvangen na toestemming van ons.

Ten overvloede merken wij nog op dat indien een proef succesvol is verlopen en men de resultaten daarvan wil implementeren, eerst steeds zal moeten worden bezien in hoeverre daartoe een procedure op grond van de Wabo zal moeten worden doorlopen.

13.3. Onderhoudswerkzaamheden/tijdelijke faciliteiten 

In de aanvraag wordt gevraagd of tijdelijke faciliteiten in het kader van onderhoudswerkzaamheden of reparaties kunnen worden vergund. Het is onbekend hoe vaak en hoe lang deze tijdelijke situaties zich voordoen.

FrieslandCampina heeft in de ‘Brief Aanvullingen’ van 15 november 2022 aangegeven dat geen andere milieueffecten te verwachten zijn dan door de bestaande faciliteiten. Omdat de tijdelijke faciliteiten tijdelijk ter vervanging dienen van bestaande faciliteiten, is hierbij geen sprake van andere of grotere milieueffecten dan in de vergunde situatie. De bestaande faciliteiten zijn op dat moment immers buiten gebruik en veroorzaken geen milieueffecten. Voor de tijdelijke faciliteiten wordt gekozen voor een faciliteit met gelijke capaciteiten en dus gelijke milieueffecten als met de bestaande faciliteiten.

Wij hebben voor de onderhoudswerkzaamheden voorschrift 1.4.1 opgenomen.

13.4. Toekomstige ontwikkelingen

FrieslandCampina is voornemens de koelinstallaties bij rijpening met het koelmiddel R507 te vervangen door een ammoniakkoelinstallatie. Het koelmiddel R507 mag per 1 januari 2030 niet meer gebruikt worden. Daarom worden de koelinstallaties met dit koudemiddel in de komende jaren vervangen door ammoniakkoelinstallaties. Een deel van deze verandering is al vergund (kenmerk 2021-FUMO-0058259, d.d. 10 januari 2022), een deel van deze verandering wordt met deze beschikking vergund en een deel van deze verandering betreft een toekomstige ontwikkeling.

Tot de R507-koelinstallaties bij rijpening volledig zijn vervangen, blijft de R507 van zowel cellen 2, 4, en 5 en cellen 1, 3, 6, en 7, in totaal 3.000 kg R507, nog aanwezig in de buffer van de R507-koelinstallaties.

14. CONCLUSIE 

Gelet op het toetsingskader dat betrekking heeft een revisievergunning, kan worden geconcludeerd dat de omgevingsvergunning kan worden verleend.

In deze vergunning zijn de relevante voorschriften opgenomen.

Bijlage 1 begrippenlijst

Begrip

Definitie

Considerans

BBT

Beste Beschikbare techniek genoemd in een BBT-document.

BREF

BAT Reference document. Een in Europees verband vastgesteld document waarin de BBT worden beschreven die specifiek zijn voor een bepaalde branche of activiteit.

E-PRTR

European Pollutant Release and Transfer Register

IPPC

Integrated Pollution Prevention and Control

ISO 14001

Milieumanagementsystemen - Eisen met richtlijnen voor gebruik, 2015

MER

Milieueffectrapport

MJV

Milieujaarverslag

Onderneming

Een bedrijfseconomische definitie van een of meerdere vestigingen behorende tot een en dezelfde onderneming. Hoeft niet plaatsgebonden te zijn bij bijvoorbeeld een concern met een hoofdvestiging en een of meerdere nevenvestigingen.

PRTR

Zie E-PRTR.

REACH-verordening

REACH staat voor: Registratie, Evaluatie, Autorisatie en beperking van Chemische stoffen. REACH stelt beperkingen aan het gebruik van stoffen wanneer negatieve effecten ervan op mens en/of milieu bekend zijn, 18 december 2006.

RVO

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland is een uitvoerende dienst van het Nederlandse ministerie van Economische Zaken.

Afval

Mengen

Het samenvoegen van afvalstoffen die qua aard, samenstelling of concentraties aanwezige componenten niet met elkaar vergelijkbaar zijn. Onder ‘mengen’ wordt in ieder geval gevat:

  • 1.

    het samenvoegen van afvalstoffen die vallen binnen verschillende afvalcategorieën van ‘bijlage 5; Lijst met gescheiden te houden afvalstoffen;

  • 2.

    het samenvoegen van afvalstoffen met niet-afvalstoffen;

  • 3.

    verdunnen van afvalstoffen;

  • 4.

    het samenvoegen van afvalstoffen binnen één afvalcategorie.

Afvalwater en waterbesparing

Afvalwater

Alle water waarvan de houder zich, met het oog op de verwijdering daarvan, ontdoet, voornemens is zich te ontdoen, of moet ontdoen.

Bedrijfsafvalwater

Afvalwater (inclusief verontreinigd hemelwater), niet zijnde huishoudelijk afvalwater.

Bedrijfsriolering

Een stelsel van buizen, verbindingstukken en elementen zoals straat- en trottoirkolken, gootelementen, verzamelputten en installaties, zoals slibvangputten, olie-waterscheider en controleputten voor de opvang en afvoer van bedrijfsafvalwater.

Hemelwater

Alle neerslag, zoals regen, sneeuw of hagel.

Huishoudelijk afvalwater

Afvalwater dat vergelijkbaar is met afvalwater afkomstig van particuliere huishoudens.

Openbaar riool

Voorziening voor de inzameling en transport van afvalwater, als bedoeld in artikel 10.30 van de Wet milieubeheer.

Riolering

Bedrijfsriolering of openbare riolering.

Bodem

Bedrijfsriolering

Een stelsel van buizen, verbindingstukken en elementen zoals straat- en trottoirkolken, gootelementen, verzamelputten en installaties, zoals slibvangputten, olie-waterscheider en controleputten voor de opvang en afvoer van bedrijfsafvalwater.

Bodemincident

Een incident waarvan op voorhand een redelijk vermoeden bestaat dat vrijgekomen stoffen de bodem zullen verontreinigen, dan wel een incident waarna door middel van lekdetectie of anderszins is vastgesteld dat bodemverontreiniging is opgetreden.

Bodemrisicodocument

Document dat inzicht geeft in het risico van bodemverontreiniging. Hiertoe wordt per bodembedreigende activiteit overeenkomstig de bodemrisicochecklist uit de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bepaald of met de aanwezige of voorgenomen combinatie van voorzieningen en maatregelen sprake is of zal zijn van een verwaarloosbaar bodemrisico.

Energie en vervoersmanagement

Energie-audit

(bij EED)

Een energieonderzoek zoals bedoeld in de Tijdelijke regeling implementatie artikelen 8 en 14 Richtlijn energie-efficiëntie of de AMvB/Wet die de Tijdelijke regeling opvolgt.

Een systematische procedure met als doel toereikende informatie te verzamelen omtrent het huidige energieverbruiksprofiel van een gebouw of groep gebouwen, van een industriële of commerciële activiteit of installatie of van private of publieke diensten, mogelijkheden voor kosteneffectieve energiebesparing te signaleren en kwantificeren en verslag uit te brengen van de resultaten.

Externe Veiligheid

Brandbare (vloei)stof

Een vloeistof die zelf brandbaar is of waaruit onder voorzienbare bedrijfsomstandigheden een brandbaar gas, brandbare damp of brandbare nevel kan ontstaan (EN-IEC 60079-10). Een vaste stof vallend onder klasse 4.1.van het ADR. Een vloeistof die , in verpakte vorm, conform het ADR het etiket model nr. 3 draagt.

Cryogene gassen

Tot vloeistof gecondenseerde gassen met zeer lage temperaturen

Emballage

Verpakkingsmateriaal, zoals glazen en kunststof flessen, blikken en kunststof cans, metalen en kunststof vaten of fiberdrums, papieren en kunststof zakken, houten kisten, big-bags en Intermediate Bulk Containers (IBC's).

Gas

Een stof die bij 50°C een dampdruk bezit hoger dan 300 kPa (3 bar) of bij 20°C en de standaarddruk van 101,3 kPa volledig gasvormig is.

IBC

Intermediate Bulk Container. Een stijve of flexibele verpakking die in paragraaf 6.5 van het ADR is genoemd.

Installaties

Die onderdelen van de inrichting, die als een zelfstandige eenheid kunnen worden beschouwd. Installaties kunnen met elkaar verbonden zijn, bijvoorbeeld via pijpleidingen.

Overvulbeveiliging

Een systeem dat de toevoer automatisch doet stoppen zonder tussenkomst van een operator. Onder fysiek onafhankelijk wordt verstaan: los van niveaumeting en met een apart stuursignaal.

PGS 9

Cryogene gassen: opslag van 0.150m³ - 100m³, versie 1.0, augustus 2021

PGS 13

Ammoniak als koudemiddel in koelinstallaties en warmtepompen, versie 1.0 september 2021

PGS 15

Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen, versie 1.0, augustus 2021

PGS 31

Overige gevaarlijke vloeistoffen: opslag in ondergrondse en bovengrondse tankinstallaties, versie 1.1, oktober 2018

Procesinstallaties

Installaties waarin processen en andere handelingen worden uitgevoerd, inbegrepen de direct hiertoe behorende installaties voor de terugwinning, zuivering en/of vernietiging van producten, afvalstoffen, afvalwater en afvalgassen en voor tussenopslag van deze stoffen of voor de beveiliging

QRA

Quantitative Risk Assessment oftewel kwantitatieve risico-analyse.

Geluid

Geluidsgevoelige bestemmingen

Gebouwen of objecten, aangewezen in het Besluit geluidhinder krachtens de artikelen 49 en 68 van de Wet geluidhinder (Stb. 1982, 465).

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT)

Het A-gewogen gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse, in de loop van een bepaalde periode optredende geluid en zo nodig gecorrigeerd voor de aanwezigheid van impulsachtig geluid, tonaal geluid of muziekgeluid, vastgesteld en beoordeeld

overeenkomstig de 'Handleiding meten en rekenen industrielawaai', uitgave 1999.

Maximaal geluidsniveau (LAmax)

Het hoogste A-gewogen geluidsniveau, afgelezen in de meterstand 'fast', verminderd met de meteocorrectieterm Cm. De meterstand 'fast' komt overeen met een tijdconstante van 125 ms.

Lucht

ETS

CO2 emissiehandelssysteem

Puntbron

Een gefixeerd punt van gekanaliseerde - en daarmee in principe kwantificeerbare emissies.

RIE

Richtlijn Industriële Emissies

VOS

Vluchtige organische stoffen

Bijlage 2: Metingen

  • 1.

    De concentraties van componenten in de afgassen worden bepaald door continue meting of afzonderlijke metingen onder procescondities die representatief zijn voor de normale bedrijfsvoering.

  • 2.

    De metingen bemonsteringen en analyses van de parameters die nodig zijn voor het bepalen of wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden alsmede de andere metingen en berekeningen die zijn voorgeschreven, worden uitgevoerd volgens onderstaande normbladen:

    • a.

      emissiemeting en analyse:

      • 1°.

        stikstofoxiden (NOx): NEN-EN 14792:2017;

      • 2°.

        stikstofoxiden (NOx) continumeting: NEN-ISO 10849:1998;

      • 3°.

        zwaveldioxide (SO2): NEN-EN 14791:2017;

      • 4°.

        onverbrande koolwaterstoffen (CxHy): NEN-EN 12619:2013;

      • 5°.

        totaal stof: NEN-EN 13284-1 of NEN-EN 13284-2:2017;

      • 6°.

        zuurstof (O2): NEN-EN 14789:2017;

      • 7°.

        chroom VI -verbindingen: ISO 16740:2005;

      • 8°.

        zware metalen: NEN-EN 14385:2004;

      • 9°.

        zoutzuur: NEN-EN 1911-1, 1911-2 en 1911-3:2010;

      • 10°.

        waterstoffluoride: NEN-ISO 15713:2011;

      • 11°.

        ammoniak: NEN 2826:1999;

      • 12°.

        individuele gasvormige organische componenten: NEN-EN 13649:2001;

      • 13°.

        dioxines en furanen: NEN-EN 1948:2006 deel 1, 2 en 3;

      • 14°.

        kwik: NEN-EN 13211:2001+C1:2007;

      • 15°.

        vocht: NEN-EN 14790:2017;

      • 16°.

        debiet: NEN-EN-ISO 16911:2013 deel 1 en 2;

    • b.

      meetlocatie, monstername en rapportage van de stoffen, genoemd onder a: NEN-EN 15259:2007.

    • c.

       kwaliteitsborging van continue metingen: NEN-EN 14181:2014.

  • 3.

    Een afzonderlijke meting als bedoeld in het eerste lid bestaat uit drie deelmetingen van een half uur, tenzij een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de representatieve wijze van bemonsteren. Het resultaat van de afzonderlijke emissiemeting is het gemiddelde van de deelmetingen, verminderd met de gerapporteerde meetonzekerheid of met een standaardwaarde voor de meetonzekerheid.

  • 4.

    Een continue meting vindt plaats door:

    • een rechtstreekse continue meting van de concentratie in het afgas, of

    • een continue meting van de parameters van de voor de installatie vastgestelde uitworpkarakteristiek.

  • 5.

    Het resultaat van een continue meting is de verzameling van half-uursgemiddelde of etmaalgemiddelden, verminderd met de gerapporteerde meetonzekerheid of met een standaardwaarde voor de meetonzekerheid.

Meetonzekerheid

  • 1.

    Het bevoegd gezag bepaalt de meetonzekerheid op basis van de 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele waarnemingen. Bij het bepalen van de meetonzekerheid wordt het gemiddelde van de deelmetingen gecorrigeerd voor het aantal deelmetingen. De meetonzekerheid wordt berekend als percentage van de grenswaarde.

  • 2.

    Voor de onderstaande elementen bedraagt de maximale meetonzekerheid als percentage van de emissiegrenswaarde niet meer dan de in tabel 1 opgenomen percentages.

Tabel 1

Elementen 

Meetonzekerheid (%)

SO2

20

NOx

20

Stof

30

totaal stof (stofklasse S)

30

Overige componenten

40

Debiet

20

Naar boven