Provinciaal blad van Fryslân
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Fryslân | Provinciaal blad 2024, 7102 | andere beschikking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Fryslân | Provinciaal blad 2024, 7102 | andere beschikking |
Veranderingsvergunning en wijzigen voorschrift
Op 14 april 2022 is een aanvraag voor een omgevingsvergunning ontvangen van Reststoffen Energie Centrale B.V./Omrin voor:
De verlaging van de grenswaarden van stikstofoxiden en ammoniak is noodzakelijk ter compensatie van het verhogen van het debiet, omdat de drempelwaarde van stikstof naar 0 (nul) is verlaagd en het niet mogelijk is om kleine verhogingen van de stikstofemissie te vergunnen.
De aanvraag heeft betrekking op de Reststoffen Energie Centrale (hierna Omrin) aan de Lange Lijnbaan 14 te Harlingen. De aanvraag is geregistreerd onder nummer 2022-FUMO-0064137 (OLO-nummer 6659161).
Wij besluiten, gezien de overwegingen die zijn opgenomen in deze vergunning en gelet op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de daarop betrekking hebbende uitvoeringsbesluiten en -regelingen:
het verhogen van het rookgasdebiet van 177.000 Nm3/uur (droog bij 11% O2) naar 211.500 Nm3/uur (droog bij 11% O2) (+20%) en het gelijktijdig verlagen van de jaargemiddelde grenswaarden voor stikstofoxiden (NOx) van 60 mg/Nm3 naar 50 mg/Nm3 (droog bij 11% O2) en ammoniak (NH3) van 3 mg/Nm3 naar 2,5 mg/Nm3 (droog bij 11% O2) (-20%) te vergunnen;
het voorschrift 4.2.4 van de vergunning van 5 oktober 2010 (kenmerk: 00907403) in te trekken en dit te vervangen door voorschrift 4.2.4 zoals vermeld in de bijlage bij deze veranderingsvergunning. In dit voorschrift zijn de jaargemiddelde emissiegrenswaarden voor zoutzuur (HCl), stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) opgenomen.
Namens het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân
Hoofd afdeling Vergunningverlening en Specialistisch Advies
Een kopie van dit besluit is naar de volgende instanties gestuurd:
Deze beschikking wordt bekendgemaakt door toezending aan de aanvrager. Daarnaast wordt een kennisgeving gegeven door publicatie in de Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad en in het Provinciaal blad van Fryslân via www.officielebekendmakingen.nl. De beschikking treedt in werking 6 weken na bekendmaking van het definitief besluit.
De aanvraag en de beschikking met de daarbij behorende stukken worden op grond van de Algemene wet bestuursrecht met ingang van 20 februari 2023 ter inzage gelegd. Inzage is mogelijk bij de gemeente/provincie/FUMO.
Een dag nadat de beschikking ter inzage is gelegd, start de termijn van zes weken voor het indienen van een beroepschrift. In die periode kunnen zowel u als belanghebbenden beroep aantekenen tegen deze beschikking. Ook niet-belanghebbenden kunnen beroep aantekenen indien zij een zienswijze hebben ingediend.
Het beroepschrift moet in tweevoud ingediend worden bij Rechtbank Noord-Nederland, Postbus 781, 9700 AT Groningen.
Het indienen van een beroepschrift stelt de werking van de beschikking niet uit. Als u of belanghebbenden niet willen dat deze beschikking in werking treedt na afloop van de beroepstermijn, kan tijdens die termijn om een voorlopige voorziening worden verzocht. Dit verzoek kan worden gedaan bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord Nederland, Postbus 781 9700 AT Groningen. De beschikking treedt in dat geval niet in werking voordat over dit verzoek is beslist.
4.2.4 De verbrandingsinstallatie moet aan onderstaande jaargemiddelde emissiewaarden voldoen:
Op 14 april 2022 is een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ontvangen. Het betreft een verzoek van Reststoffen Energie Centrale B.V./Omrin (hierna: Omrin), voor de inrichting gelegen aan de Lange Lijnbaan 14 te Harlingen.
Omrin vraagt voor de REC de volgende veranderingen aan ten opzichte van de vigerende vergunning van 28 november 2010 (kenmerk 00907403):
aangevraagd wordt het veranderen van voorschrift 4.2.4 van de vergunning, waarbij de jaargemiddelde emissiegrenswaarde voor zoutzuur (HCI) wordt gewijzigd van 5 mg/Nm3 naar 8 mg/Nm3 (droog bij 11% zuurstof); de jaargemiddelde grenswaarde voor stikstofoxiden (NOx) wordt gewijzigd van 60 mg/Nm3 naar 50 mg/Nm3 (droog bij 11% zuurstof) en de jaargemiddelde emissie van ammoniak (NH3) wordt gewijzigd van 3 mg/Nm3 naar 2,5 mg/Nm3 (droog bij 11% zuurstof);
Voor de gevraagde aanpassingen heeft Omrin de volgende redenen gegeven:
De uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 (kenmerk ECLI:NL:RVS:2019:1737) heeft tot gevolg dat de emissiegrenswaarden strenger getoetst zullen worden, doordat met een kleiner betrouwbaarheidsinterval mag worden gecorrigeerd op de meetresultaten van de vrijkomende verbrandingsemissies bij de REC. Voor Omrin levert dat voor de component zoutzuur een probleem op in de vorm van een hoger grondstoffenverbruik (natriumbicarbonaat) en de productie van meer reststoffen die moeten worden gestort.
Een uitgebreide projectomschrijving is opgenomen in de aanvraag om vergunning. Gelet op bovenstaande omschrijving wordt vergunning gevraagd voor de volgende in de Wabo omschreven activiteiten:
Als één of meer van bovengenoemde activiteiten plaatsvinden, moet daarnaast beoordeeld worden of een aantal toestemmingsstelsels kan worden aangehaakt. Of daadwerkelijk moet worden aangehaakt, volgt niet uit de Wabo, maar uit de desbetreffende wet.
In de Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen dat deze wet aanhaakt bij de Wabo wanneer:
In het kader van deze vergunningaanvraag zijn AERIUS-berekeningen uitgevoerd om een verschilberekening te maken van de stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie (thans vergunde situatie) en de situatie na vergunningverlening.
Deze berekening maakt onderdeel uit van de ‘Beoordeling Ecologische effecten (kenmerk bij de aanvraag 6659161_1642768774605) die is opgesteld door Koolstra Advies, projectnummer 2020-058. Verder is de berekening stand gekomen met de AERIUS-calculator versie 2021.0.5. Uit de berekening blijkt dat de stikstofdepositie op de omliggende stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden als gevolg van het project niet meer bedraagt dan 0,00 mol/ha/j.
Op basis van de uitgevoerde depositieberekeningen wordt geconcludeerd dat sprake is van volledig intern salderen. Dat houdt in dat significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden als gevolg van de verandering van de depositie met zekerheid zijn uit te sluiten.
Omdat geen sprake is van een stikstofeffect is het niet noodzakelijk een vergunning aan te vragen in het kader van de Wet natuurbescherming.
Een overzicht van de relevante activiteiten en de bijhorende emissie in kg NOx/jr is gevoegd bij de aanvraag en maakt onderdeel uit van deze vergunning.
Met betrekking tot eventuele beschermde flora en fauna, gaat de aanvraag om reeds vergunde en uitgevoerde activiteiten. Daarnaast worden er geen bouw- en of sloopactiviteiten aangevraagd. Onderzoek naar beschermde flora en fauna wordt derhalve niet noodzakelijk geacht.
Een omgevingsvergunning natuur in het kader van flora- en fauna-activiteiten is daarom niet van toepassing. Dit betekent dat de Wnb niet aanhaakt in deze Wabo-procedure.
Vanwege de wijziging van de AERIUS-projectberekening hebben wij op 2 februari 2023 de stikstof nogmaals doorgerekend en getoetst aan de uitgangspunten (kenmerk: RtC9cDci6XN2 datum 2 februari 2023). Hieruit blijkt dat de conclusie nog steeds hetzelfde is.
1.4. Omschrijving van de aanvraag
De aanvraag bestaat uit de volgende delen:
1.5. Huidige vergunningsituatie
Voor de inrichting zijn eerder de onderstaande vergunningen en/of ontheffingen verleend dan wel meldingen geaccepteerd:
De hierboven genoemde vergunningen waar een * bij staat, zijn volgens de Invoeringswet Wabo gelijkgesteld aan een omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd.
De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I, onderdeel C van het Bor. De volgende categorieën zijn van toepassing:
Het betreft een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort genoemd in Bijlage I, categorie 5.2, onder a, van de Richtlijn Industriële Emissies (RIE). Om die reden is op grond van artikel 2.1, tweede lid van het Bor sprake van een vergunningplichtige inrichting.
Wij zijn bevoegd gezag voor de inrichting. Dit volgt uit artikel 2.4 van de Wabo juncto artikel 3.3, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor). De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I, onderdeel C, categorie 28.4, onder e, van het Bor.
1.8. Coördinatie met de Waterwet
De aangevraagde activiteit heeft betrekking op een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort.
Er vinden geen wijzigingen plaats waarvoor een vergunning voor het lozen van stoffen als bedoeld in artikel 6.27, eerste lid van de Waterwet vereist is.
Het project is getoetst aan het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Industriehaven 2006” en de “Partiële herziening bestemmingsplan Industriehaven 2006”. De gronden zijn voorzien van bestemming “Bedrijventerrein”. Er vinden geen wijzigingen in de bouw- en gebruiksregels van dit bestemmingsplan. Gelet op vorenstaande is er geen strijdigheid met regels van het geldende bestemmingsplan
1.10. Beoordeling van de aanvraag
Na ontvangst van de aanvraag hebben wij deze getoetst op volledigheid. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanvraag is dan ook in behandeling genomen.
Deze vergunning is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Gelet hierop zijn wij niet verplicht om van de aanvraag kennis te geven via digitale publicatie op internet, tenzij bij de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag een milieueffectrapport (MER) moet worden gemaakt. Nu deze uitzonderingsgrond zich niet voordoet, hebben wij geen kennis gegeven van de aanvraag op internet.
In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor, hebben wij de aanvraag ter advies aan het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Harlingen gezonden.
De gemeente heeft geen aanleiding gezien om advies uit te brengen.
1.13. Zienswijzen op de ontwerpbeschikking
Van het ontwerp van de beschikking hebben wij de kennisgeving digitaal gepubliceerd op internet: via www.officielebekendmakingen.nl vanaf 1 augustus 2022.
Van 1 augustus 2022 tot en met 12 september 2022 heeft het ontwerp ter inzage gelegen en is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is gebruik gemaakt door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en H.A. Sarolea, namens diverse (natuurlijke dan wel rechts-) personen. Beide zienswijzen zijn ontvangen op 12 september 2022.
Op 21 november 2022 hebben wij nog een aanvulling zienswijze ontvangen van H.A. Sarolea.
Het betreft de volgende zienswijze(n):
Wij citeren de zienswijze van ILT (met onze nummering toegevoegd):
‘De zienswijze is gericht op uw voornemen de grenswaarde voor de emissie van zoutzuur te verruimen van 5 naar 8 mg/Nm3 als jaargemiddelde concentratie. Het aangevraagde jaargemiddelde van 8 mg/Nm3 plus meetonzekerheid van 1 mg/Nm3 = 9 mg/Nm3 valt buiten de Bref-range en voldoet daarmee niet aan BBT. Daarnaast is de aangenomen meetonzekerheid van 1 mg/Nm3 in dit jaargemiddelde groter dan de te hanteren werkelijke meetonzekerheid. Tegen de andere aangevraagde wijzigingen maak ik geen bezwaar.’
‘REC Harlingen is op grond van haar verbrandingscapaciteit een zogeheten IPPC- inrichting waarop de Bref Afval Afvalverbranding 2019 van toepassing is. Dat betekent dat op het gebied van BBT (Best Beschikbare Technieken) de installatie moet voldoen aan de BAT-conclusies in deze Bref. Wat betreft de zoutzuuremissies gaat het daarbij om de beschreven technieken en prestatie-eisen voor zoutzuuremissies in BAT-27 en BAT-28. De bestrijdingstechniek voor zoutzuur voldoet aan BAT-27. Tot BBT behoort naast de aangewezen techniek ook de gekozen dimensionering en de goede werking van de techniek. De goede werking staat vast als de milieuprestatie binnen de Bref-range valt van 2 – 8 mg/Nm3 zoutzuur als daggemiddelde waarde. Deze concentratierange is Europa-breed gebaseerd op de gerealiseerde (echte) praktijkwaarden bij referentiebedrijven die onder de Bref Afvalverbranding vallen. De vastgelegde BBT-range is van belang om binnen Europa een gelijk speelveld tussen de afzonderlijke afvalverbrandingsinstallaties te waarborgen. De Bref-range vormt daarmee een belangrijk onderdeel van de beschrijving van de Europese BBT waarmee de prestatie wordt vastgelegd. In deze resultaatbeschrijving gaat het dus niet om metingen in het kader van handhaving waar bij toetsing aan de grenswaarde de meetonzekerheid in het voordeel van het bedrijf zou mogen worden afgetrokken. Als bij REC Harlingen behoudens gemelde storingen op enig moment zoutzuurconcentraties worden gemeten die als daggemiddelde waarde de BREF-bovengrens van 8 mg/Nm3 zoutzuur overschrijden en dus buiten de BBT-range vallen, dan voldoet de installatie niet langer aan BBT. REC Harlingen moet dan ook met het oog op het Europese gelijke speelveld haar rookgasreiniging zodanig sturen dat is geborgd dat dat de milieuprestatie voor zoutzuur binnen de BBT-range van 2 – 8 mg/Nm3 als daggemiddelde valt’.
Toetsing BAT-28 Bref Afvalverbranding
‘Ik heb oog voor het belang om de hoeveelheid bicarbonaat te beperken. De koptekst van BAT-28 richt zich naast de bestrijding van gekanaliseerde piekemissies van zoutzuur en andere zure gassen ook op het beperken van reagentia-gebruik en residu. Dit betekent dat de hoeveelheid bicarbonaat is meegewogen in de BBT-range. De BBT-range is daarmee het gekozen optimum in de belangenafweging tussen lagere zoutzuurconcentraties en lager bicarbonaatgebruik. Optimaliseren van de bicarbonaatdosering is toegestaan, maar de milieuprestatie moet wel vallen binnen de Bref-range’.
‘Ik merk op dat de BBT prestatie-eis zoals vastgelegd in de Bref-range, wat betreft de slechts mogelijke prestatie aan de bovenkant van de BBT-range vanwege het ontbreken van de meetonzekerheid een meer rigide grens vormt dan de daggemiddelde grenswaarde in de vergunning waar bij toetsing wel een kleine meetonzekerheid mag worden afgetrokken. Zolang de daadwerkelijk gemeten daggemiddelde concentraties zoals aangevraagd beneden de grenswaarde blijven is er echter niets aan de hand’.
‘In de vernietigde oprichtingsvergunning van 2008 was voor zoutzuur een daggemiddelde grenswaarde opgenomen van 5 mg/Nm3. Door wisselende samenstelling van het afval ontstaan echter schommelingen in de concentratie zoutzuur in het afgas. Een opwaartse schommeling naar een hoge daggemiddelde concentratie zoutzuur vergt extra dosering van kostbaar natriumbicarbonaat. Om aan de overdosering door schommelingen tegemoet te komen en op jaarbasis zuiniger om te gaan met bicarbonaat is indertijd in de nieuwe oprichtingsvergunning van 2010 de daggemiddelde grenswaarde van 5 mg/Nm3 vervangen door een jaargemiddelde zoutzuuremissie 5 mg/Nm3. De vergunning vermeldt tevens dat hiermee werd voldaan aan de Bref Afvalverbranding (prestatie niet slechter dan 8 mg/Nm3 daggemiddeld) en het toenmalige Besluit verbranden afval (Bva, indertijd 10 mg/Nm3 daggemiddeld). Er is dus al eerder geoptimaliseerd tussen enerzijds terugdringen van de zoutzuuremissie en anderzijds beperken van de inzet van bicarbonaat. Gezien de schommelingen in de zoutzuurconcentratie is de huidige bestaande verhouding tussen een lage jaargemiddelde grenswaarde en een wat hogere daggemiddelde grenswaarde gericht op de pieken inhoudelijk logisch. De logica vanwege de schommelingen is echter zoek nu het aangevraagde verruimde jaargemiddelde grenswaarde getalsmatig hetzelfde is als de maximale dagwaarde respectievelijk halfuurswaarde in het Activiteitenbesluit’.
‘Het tweede deel van de zienswijze richt zich tegen de grootte van de aangevraagde meetonzekerheid van 1 mg/nm3. De berekende meetonzekerheid in een jaargemiddelde concentratie is dankzij de grote aantallen waarnemingen van continue monitoring aanzienlijk kleiner dan 1 mg/Nm3. De Staatssecretaris voor Infrastructuur en Waterstaat heeft in 2017 in beantwoording van Kamervragen van het TK-lid Lacin (SP) geantwoord dat de correctie voor de meetonzekerheid zo klein mogelijk moet zijn. Er moet dus gerekend worden met de werkelijke meetonzekerheid. Die is bij een jaargemiddelde voor zoutzuur kleiner dan 1 mg/Nm3’.
‘Een jaargemiddelde wordt bij een continue meetmethode zoals in geval van zoutzuur berekend uit een orde van grootte 15.000 á 16.000 halfuurs-metingen. Elke individuele halfuurs-waarde kan in werkelijkheid iets hoger of iets lager zijn dan de werkelijke concentratie. In een jaargemiddelde, berekend uit grote aantallen meetwaarden, vallen die twee tegengestelde afwijkingen statistisch gezien tegen elkaar weg. De meetonzekerheid in een berekend jaargemiddelde gaat dan richting verwaarloosbaar. Statistisch gezien mag je de meetonzekerheid van een afzonderlijke meting niet toepassen op een berekend jaargemiddelde’.
‘Meet-technisch zijn continue zoutzuurmetingen volgens de aangewezen methode uitgebreid en op maat gekalibreerd voor de continue meetapparatuur van REC Harlingen. Dat heeft het voordeel dat de vastgestelde calibratielijn de status krijgt van ‘geborgde waarheid’ en daarmee het uitgangspunt (ijkpunt) vormt voor de gemeten waarden in dit meetsysteem. Daarmee vervalt in de meetonzekerheid het onderdeel systematische afwijkingen (tussen de gemeten concentratie door het meetsysteem en de werkelijke concentratie in de schoorsteen). De resterende meetonzekerheid in het jaargemiddelde omvat dan alleen nog kleine toevallige afwijkingen naar boven of beneden die elkaar bij een jaargemiddelde vrijwel geheel uitmiddelen. De werkelijke berekende meetonzekerheid voor het 95%-betrouwbaarheidsinterval dat in de Ontwerpbeschikking in paragraaf 2.2 onder Nieuwe situatie wordt genoemd is bij toepassing van de vuistregel substantieel kleiner dan 1 mg/Nm3 zoals in de ontwerpbeschikking genoemd’.
‘Volgens ILT moet elk IPPC-bedrijf waaronder REC Harlingen op grond van BAT-1 beschikken over een gecertificeerd milieuzorgsysteem. Een milieuzorgsysteem is gericht op de pro-actieve continue verbetering van de milieuprestatie door REC Harlingen. De aangevraagde verruiming van de huidige jaargemiddelde zoutzuuremissie met 60% die in combinatie met de aangevraagde meetonzekerheid zelfs de bovenkant van de Bref range in BAT-28 overschrijdt wekt bij mij niet de indruk van de beoogde continue verbetering van de milieuprestatie. Met name omdat de bestaande vergunde zoutzuuremissie in beginsel in de Bref-range past en de aangevraagde verruiming niet. Daarnaast wekt ook het jarenlang bewust sturen op overschrijden van de grenswaarde van zoutzuur tot een niveau dat bij toezicht dankzij de grote meetonzekerheid nog net niet tot straf leidt ook geen beeld van pro-actieve milieuzorg. Daarmee komt het vooral aan op een adequate vergunning om het milieu te beschermen’.
‘Elke provincie heeft op bestuurlijk niveau het Schone Lucht Akkoord ondertekend. Daarbij streeft elk bevoegd gezag actief naar het verbeteren van de luchtkwaliteit in het eigen gebied, met name via vergunningverlening en toezicht. Het vergunnen van de aangevraagde forse verruiming van de jaargemiddelde grenswaarde voor zoutzuur strookt naar mijn mening niet met het bestuurlijk streven naar schonere lucht in het Schone Lucht Akkoord. Nog minder nu door de aangevraagde legalisering van het toegenomen afgasdebiet een hogere zoutzuurconcentratie zwaarder aantikt. Overigens maakt ik geen bezwaar tegen het toegenomen afgasdebiet omdat de verwerkingscapaciteit van een installatie buiten de BBT-toetsing valt.
Op grond van bovenstaande argumenten adviseert ILT de aangevraagde verruiming van de grenswaarde voor de jaargemiddelde zoutzuuremissie niet te vergunnen’.
Voordat wij overgaan tot onze reactie op de zienswijze van ILT, merken wij het volgende op:
De door ILT bestreden wijziging van de vergunning betreft met name het aanpassen van de jaargemiddelde emissiegrenswaarde van zoutzuur (HCl). De jaargemiddelde grenswaarde is een door ons opgelegde aanvullende verplichting, bovenop de normering van daggemiddelde concentraties die van toepassing zijn op basis van het Activiteitenbesluit en de BBT-conclusies in de BREF Afvalverbranding 2019. De toevoeging van een jaargemiddelde leidt in de praktijk tot een strengere verplichting dan volgens het Activiteitenbesluit/BREF en daarmee tot een lagere emissie dan die mogelijk is volgens de uiterste range van BBT uit de BREF. Dit is toegelicht in hoofdstuk 4 van de considerans.
In de huidige situatie gelden voor zoutzuur de daggemiddelde grenswaarde van 8 mg/Nm3 en de jaargemiddelde grenswaarde van 5 mg/Nm3. De daggemiddelde grenswaarde geldt zoals gezegd rechtstreeks vanwege het Activiteitenbesluit en sluit aan op de ranges voor de emissiegrenswaarden voor HCl in de BBT-conclusies in de BREF- Afvalverbranding 2019 (die alleen uitgaan van daggemiddelde concentraties).
De aanleiding tot het wijzigen van (alleen) de jaargemiddelde emissiegrenswaarde van zoutzuur is gelegen in de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 (kenmerk: 201706937/1/A1). Deze heeft tot gevolg dat de emissiegrenswaarden strenger getoetst zullen worden, doordat met een veel kleiner betrouwbaarheidsinterval mag worden gecorrigeerd. Dit heeft voor de vergunning en handhaving weinig consequenties, behalve voor zoutzuur. De emissie van zoutzuur is - meer dan bij andere stoffen - erg afhankelijk van de hoeveelheid chemicaliën die ingezet worden voor het afvangen (binden) van het zoutzuur en bevindt zich daarom dicht bij de norm. Verder verlagen betekent dan o.a. meer chemicaliën en meer afvalstoffen, en kan per saldo juist nadelig voor het milieu zijn. Hier komen we nog op terug. De emissie van zoutzuur moet voldoen aan een daggemiddelde norm (op basis van het Activiteitenbesluit en conform de BBT-conclusies van de betreffende BREF Afvalverbranding), en daar verandert met deze wijziging niets aan, maar moet ook voldoen aan een jaargemiddelde norm. De jaargemiddelde norm moet in dit geval verruimd worden om rekening te houden met de kleinere marge die in de genoemde uitspraak is aangegeven. De feitelijke emissie verandert daarmee echter niet, omdat nog steeds op dezelfde wijze wordt voldaan aan de daggemiddelde norm. Om die daggemiddelde norm te halen, moet - zoals gezegd - een bepaalde hoeveelheid chemicaliën (i.c. natriumbicarbonaat) worden gedoseerd in de doekenfilters. Deze dosering is bij de REC reeds aan de hoge kant en kan in de nieuwe situatie hetzelfde blijven. In dat geval zou echter niet meer voldaan kunnen worden aan de bestaande jaargemiddelde norm, omdat - zoals gezegd - de toetsingsmarge is verkleind. Dit is in de aanvraag en beschikking uiteengezet. Om wel te kunnen voldoen, moeten er veel meer chemicaliën worden gedoseerd. Deze extra chemicaliën hebben een relevante negatieve milieu-impact, zijn kostbaar en veroorzaken meer reststoffen die weer moeten worden afgevoerd en gestort.
Met de wijziging van het voorschrift voor (alleen) de jaargemiddelde norm voor zoutzuur wordt dus bereikt dat de huidige emissiesituatie niet wijzigt, en de noodzaak voor de REC voor overmatige dosering (en negatieve gevolgen) van chemicaliën er niet is.
De huidige bijdrage van zoutzuur aan de lucht in de omgeving is extreem laag. 1 De winst die bereikt wordt door vast te houden aan een jaargemiddelde concentratie van zoutzuur van 5 mg/Nm3, door dosering met extra chemicaliën (verdergaand dan BBT), weegt dan ook niet op tegen de genoemde - en in de aanvraag uitgewerkte - nadelen voor het milieu.
Ad. 1 Reactie op zienswijze ‘BREF-Afvalverbranding’
In dit eerste punt concludeert de ILT: ‘Omrin moet dan ook met het oog op het Europese gelijke speelveld haar rookgasreiniging zodanig sturen dat is geborgd dat dat de milieuprestatie voor zoutzuur binnen de BBT-range van 2 – 8 mg/Nm3 als daggemiddelde valt’.
Wij delen de conclusie van ILT, maar deze conclusie heeft geen betekenis voor de onderhavige procedure. De huidige dosering en regeling heeft tot op heden geborgd dat aan de genoemde BBT-range wordt voldaan. Zoals hiervoor en ook in de vergunning is aangegeven wordt de daggemiddelde norm niet gewijzigd - voor zover dat al zou kunnen, gezien de rechtstreekse werking van deze norm in het Activiteitenbesluit.
Voor de goede orde merken wij op dat er geen meetonzekerheid is aangevraagd (noch vergund), maar alleen een emissieconcentratie. De in de aanvraag en beschikking genoemde meetonzekerheden dienen ter toelichting van de reden waarom een wijziging is aangebracht en waarom dat geen gevolgen voor de emissie zal hebben. Het toepassen van een meetonzekerheid is aan de orde bij controle/handhaving van de vergunning, en vindt plaats met de van toepassing zijnde regels daarvoor.
Ad. 2 Reactie op zienswijze ‘Toetsing BAT 28 BREF Afvalverbranding’
Ad 2.1. De ILT stelt dat de aangevraagde jaargemiddelde norm (en meetonzekerheid) buiten de BREF-range valt en daarmee niet voldoet aan BBT. Dit standpunt is echter onjuist. De betreffende BREF-range heeft betrekking op daggemiddelde concentraties. De onderhavige wijziging betreft alleen de jaargemiddelde concentratie. De BREF-range van 2 - 8 mg/Nm³ als daggemiddelde sluit aan op de daggemiddelde norm van maximaal 8 mg/Nm³ in het Activiteitenbesluit (artikel 5.19). Omrin moet onverminderd voldoen aan de geldende daggemiddelde norm van 8 mg/Nm³. Daarmee wordt automatisch ook voldaan aan de BREF-range en dus aan BBT.
Wij verklaren de zienswijze ongegrond.
Ad 2.2. De ILT merkt op dat het belang van (negatieve impact van) bicarbonaat is meegewogen in de BBT-range en dat de milieuprestatie altijd binnen die range moet vallen. Wij kunnen in het algemeen onderschrijven dat een BBT-range in principe een afspiegeling van een integrale afweging is, of hoort te zijn. In dit geval is echter - zoals in de inleiding en eerdere punten al toegelicht - geen sprake van het eventueel niet voldoen aan die BBT-range, omdat de wijziging geen betrekking heeft op concentraties uit die BBT-range. Deze opmerking raakt dan ook niet aan de onderhavige vergunning.
Voor de goede orde merken wij wel op dat in dit geval wel een integrale afweging relevant is en dat die ook heeft plaatsgevonden. Dit heeft echter geen relatie met BBT of de BREF-range (daar wordt - zoals eerder betoogd - onverminderd aan voldaan), maar met de afweging of het aanscherpen van een jaargemiddelde emissie milieuhygiënisch en economisch gezien zinvol is. Zoals uit die analyse blijkt is er voor een verdere verlaging van de huidige emissie van zoutzuur veel extra bicarbonaat benodigd. De nadelen daarvan voor het milieu, en de kosten, wegen niet op tegen de verder verlaagde emissie van zoutzuur. De emissiegrenswaarde van 8 mg/Nm3 uit het Activiteitenbesluit resulteert in een verwaarloosbare bijdrage in de omgeving, zoals berekend is in de aanvraag (zie ook voetnoot 1).
Wij verklaren de zienswijze ongegrond.
Wij lezen hierin geen zienswijze tegen de vergunning, maar alleen de constatering dat zolang de daadwerkelijk gemeten daggemiddelde concentraties zoals aangevraagd beneden de grenswaarde blijven (..), er echter niets aan de hand is. Wij onderschrijven dit, waarbij geldt dat Omrin verplicht is te voldoen aan alle gestelde normen.
Ad 4. Opmerking optimalisatie bicarbonaat
ILT concludeert bij deze opmerking dat, gezien de schommelingen in de zoutzuurconcentratie, de huidige bestaande verhouding tussen een lage jaargemiddelde grenswaarde en een wat hogere daggemiddelde grenswaarde gericht op de pieken inhoudelijk logisch is. De logica vanwege de schommelingen is echter zoek, nu de aangevraagde verruimde jaargemiddelde grenswaarde getalsmatig hetzelfde is als de maximale dagwaarde respectievelijk halfuurswaarde in het Activiteitenbesluit.
Voor zover deze opmerking als zienswijze wordt bedoeld, merken wij voor de goede orde op dat er wel logica in de aanvullende jaargemiddelde norm aanwezig is, en dat hiermee in de praktijk een verdergaande reductie wordt bereikt dan wanneer we uitsluitend de daggemiddelde normen conform het Activiteitenbesluit en BREF/BBT zouden hebben toegepast, zoals elders in Nederland gangbaar is. Dit wordt veroorzaakt doordat - conform de regels2 - in de daggemiddelde norm een veel grotere meetonzekerheid wordt toegepast (c.q. van 2,6 mg/Nm³) dan in de jaargemiddelde norm (maximaal 1 mg/Nm³ of lager, afhankelijk van de rekenwijze). Om met zekerheid aan de jaargemiddelde norm te voldoen, zal Omrin haar dosering niet te ruim mogen afstellen (bijvoorbeeld op 10 mg/Nm³, wat na correctie weliswaar voldoet aan de daggemiddelde 8 mg/Nm³, maar op jaarbasis tot een overschrijding van de norm zou leiden).
Ad 5. Reactie op zienswijze Meetonzekerheid
Het tweede deel van de zienswijze richt zich tegen de grootte van de aangevraagde meetonzekerheid van 1 mg/Nm³. De berekende meetonzekerheid in een jaargemiddelde concentratie is dankzij de grote aantallen waarnemingen van continue monitoring aanzienlijk kleiner dan 1 mg/Nm3. Hierover het volgende.
Zoals onder punt 1 is opgemerkt, wordt er geen meetfoutcorrectie aangevraagd (noch vergund), maar is er sprake van een strengere toetsingswaarde van de jaargemiddelde emissiegrenswaarde die in het kader van toezicht wordt gebruikt en die volgt uit de uitspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2019:1737). Hierin staat dat de meetonzekerheid (het 95%-betrouwbaarheidsinterval) voor de jaargemiddelde emissieconcentratie van zoutzuur is verlaagd van 4 mg/Nm³ naar 1 mg/Nm³. Een lagere waarde dan 1 mg/Nm³ is niet uitgesloten, maar gelet op de uitspraak moet ook rekening gehouden worden met een maximale correctiewaarde van 1 mg/Nm³. Op basis van die waarde is toegelicht welke aanpassing van de huidige jaargemiddelde emissiegrenswaarde nodig is. De emissie van zoutzuur voldoet immers al aan de BREF/BBT en het Activiteitenbesluit en ook is vastgesteld dat de gevolgen van de emissie voor de omgeving volledig verwaarloosbaar zijn. Het vasthouden aan een jaargemiddelde zoutzuuremissie van 5 mg/Nm3 treft dan geen doel, en leidt alleen maar tot negatieve milieugevolgen (extra chemicaliën, extra emissies van transport, extra energie en extra reststoffen) en kosten.
Tenslotte willen wij nog opmerken dat uit metingen uit het verleden blijkt dat Omrin kan voldoen aan een jaargemiddelde emissie-eis van 8 mg/Nm3 bij 11% zuurstof, zonder meetfoutcorrectie. De discussie is daarmee niet relevant in het kader van deze vergunning.
Wij verklaren de zienswijze ongegrond.
Ad 6. Reactie op zienswijze Milieuzorgsysteem
Volgens ILT moet het milieuzorgsysteem gecertificeerd zijn. In de BAT-1 staat dat er een milieuzorgsysteem (hierna EMS) moet zijn maar niet dat dit gecertificeerd moet zijn.
Op grond van maatregel BBT1 moeten er wel maatregelen worden genomen zoals die zijn beschreven in de BREF/BBT-conclusies. Hierin staat dat ter verbetering van de algehele milieuprestaties en de controle daarop een EMS moet worden ingevoerd. Dit document is bedoeld ter ondersteuning bij het opstellen van een EMS. De concrete invulling en het detailniveau van het EMS zijn afhankelijk van de specifieke situatie (bijvoorbeeld aard, omvang en complexiteit van het bedrijf en alle mogelijke milieueffecten ervan) en dient op bedrijfsniveau bepaald te worden.
Omrin heeft een document ‘Implementatie BREF- Afvalverbranding’ opgesteld en als bijlage toegevoegd bij de aanvraag. Dit document geeft antwoord op de vraag of door Omrin de juiste BBT’s worden toegepast voor rookgasreiniging van HCl. Een gecertificeerd milieuzorgsysteem (bijvoorbeeld NEN-ISO 14001) is geen milieuregelgeving. Omrin heeft zich nog steeds te houden aan de milieuvergunning en/of algemene regels die zijn opgesteld.
Tenslotte merken wij op dat - zoals al op meerdere plaatsen duidelijk gemaakt - de opmerking van de ILT dat de BREF-range zou worden overschreden, op een misverstand berust. De BREF-range heeft betrekking op daggemiddelde concentraties, evenals de daarop afgestemde waarden in het Activiteitenbesluit. Een aanpassing van een jaargemiddelde norm, die aanvullend door ons is opgenomen, heeft per definitie niets te maken met die BREF-range en kan die dus ook niet overschrijden. Omrin moet altijd en in elk geval voldoen aan de daggemiddelde waarden conform de BREF-range en daarmee conform BBT. Dankzij de jaargemiddelde aanvullende norm wordt juist een aanscherping bereikt, zoals eerder uiteen gezet.
Wij verklaren de zienswijze ongegrond.
Ad 7 Reactie op zienswijze Schone Lucht Akkoord
Het doel van het Schone Lucht Akkoord is om de luchtkwaliteit in Nederland permanent te verbeteren. ILT merkt impliciet op dat er sprake is van een verruiming van de emissie en dat dat niet strookt met het beleid en de ondertekening van de provincie van het Akkoord.
Wij merken hierover op dat het Schone Lucht Akkoord met name betrekking heeft op fijn stof, ammoniak en stikstofoxiden. Maar los daarvan is het streven naar een betere luchtkwaliteit in het algemeen iets wat door ons uiteraard onderschreven wordt. In dit specifieke geval is er ten eerste echter geen sprake van een verslechtering van de luchtkwaliteit. En ten tweede, en nog belangrijker, is de onderhavige emissie van zoutzuur zodanig laag dat de bijdrage in de omgeving als verwaarloosbaar kan worden beschouwd (zie ook voetnoot 1). Een verdere verlaging van deze immissie heeft dan ook geen betekenis voor de luchtkwaliteit, terwijl de extra inspanningen (extra stoffen, transport, energie) een toename van emissies als fijn stof en stikstofoxiden zou betekenen. En deze laatste zijn juist de stoffen waar het Schone Lucht Akkoord zich op richt. Het vasthouden aan het verlagen van de jaarlijkse zoutzuur emissie, zoals de ILT voorstaat, heeft voor de luchtkwaliteit een averechts effect.
Daarnaast kan het niet zo zijn dat de onderkant van een BREF range voor een willekeurige stof een doel op zich is. Er moet altijd gekeken worden naar integraliteit, cross media effecten en ook de effecten op en belang voor de omgeving. ILT lijkt daar volledig aan voorbij te gaan.
Wij verklaren de zienswijze ongegrond.
Zienswijze H.A.Sarolea namens diverse (natuurlijke dan wel rechts-) personen
‘Verzocht verlof voor verhoging uit te stoten hoeveelheid toxische rookgassen’
‘Allereerst wordt aandacht gevraagd voor het feit dat de ontwerp-beschikking een fors hoger rookgasdebiet vergunt dan er eerder is vergund. Het gaat om 20% meer uit te stoten schadelijke stoffen. Afvalverbrander REC wenst concreet verlof voor het per uur uit mogen stoten van 211.500 Nm3 schadelijk rookgas in plaats van 177.000 Nm3 per uur, en dit bij een rookgastemperatuur van 150 °C in plaats van voorheen 130 °C. Voorgeschreven onderzoek in de verbrandingskamer is nooit verricht’.
Een door de REC op 8 augustus 2011 aan de provincie aangeboden verslag van bevindingen met bijlagen, destijds aangeduid als 'rapport Lentjes', blijkt zeer ernstige gebreken te bevatten (er wordt over slechts één uitgevoerd gridonderzoek gerapporteerd, in dat rapport ontbreken zuurstofpercentages geheel) en in de verslaglegging van later onder politieke druk van Provinciale Staten door het onderzoeksbureau TUV alsnog gedeeltelijk uitgevoerde zuurstofmetingen is - eenvoudig vaststelbaar - sprake van een ernstig foute weergave van de meetresultaten, waarover in alle redelijkheid niet anders geconcludeerd kan worden dan dat hier sprake is van welbewuste manipulatie en valsheid in geschrifte’.
Op 18 maart 2022 is naar aanleiding van gerezen twijfels het Duits-Koreaanse bedrijf DOOSAN Lentjes aangeschreven, omdat er ernstige twijfels zijn gerezen over de vraag of het voormelde aan Lentjes toegeschreven verslag van bevindingen d.d. 8 augustus 2011 wel door Lentjes medewerker Dewoske is opgesteld : niet alleen is het verslag zeer onvolledig en bevat het elementaire fouten en tegenstrijdigheden, óók is het afgedrukt op briefpapier van Omrin en niet getekend door Dewoske en werd het opvallend genoeg destijds door het hoofd vergunningverlening van de provincie Friesland geweigerd !’
‘Op 8 april 2022 volgde een zeer intimiderende reactie van de topman G. Lohe van Doosan Lentjes aan gemachtigde Sarolea en diens kantoormedewerker J. Boekeloo: 'Dear Sirs, In reply to your latest letter, please take note and accept that Doosan Lentjes will not provide you with any answer in terms of the captioned matter. Please consider this an ultimate reply by Doosan Lentjes to this matter and thus refrain from any further attempt (either on written or oral form) to obtain the desired information from our end, including any of our emplyees (e.g. Mr. Dewoske or Mrs. Baganz). In case you should ignore this clear request in future we are prepared to initiate legal proeedings against you. Best regards, Gerhard Lohe' (vet hs)’.
‘Het gaat hier om precies dezelfde materie als de, als ware het een staatsgeheim, door de REC naarstig geheim gehouden temperaturen nadat de hoofdredacteur van de Harlinger Courant ontdekt had dat bij herhaling sprake was geweest van te lage temperaturen. Deze shockerende feiten (het gemanipuleerde rapport van TUV, de intimidatie van de topman van Doosan Lentjes) zijn nooit beoordeeld door de bestuursrechter’.
‘Het over deze materie aangeschreven Directoraat-Generaal van de Europese Commissie liet op 25 april 2022 weten dat als er sprake was van schending van het Unierecht 'die van individuele aard is' en het in behandeling nemen daarvan niet valt onder de prioriteiten zoals uiteengezet in het beleidsstuk 2017/C 18/02, waarna de brief werd afgesloten met de aanbeveling: 'Voor zover uw brief echter informatie bevat waarover de Afdeling bij het geven van de in onze brief genoemde uitspraken niet beschikte, bevelen wij u aan dit aan de nationale rechter voor te leggen.'
Dit laatste gebeurt nu in die zin dat de indieners van de onderhavige zienswijze van oordeel zijn dat zo lang niet door de voorgeschreven gridonderzoeken is vastgesteld dat de verbrandingskamer van de REC voldoet aan alle daaraan door de regels gestelde eisen een uitbreiding van de capaciteit uiteraard geheel niet aan de orde is en integendeel de REC per direct dient te worden stilgelegd in afwachting van de uitkomsten van het nog nooit naar behoren verrichte onderzoek. Dit als eerste onderdeel van de zienswijze’.
‘Dat uit de meetresultaten blijkt dat het gasdebiet 211.500 Nm3/uur bedraagt is onwaar. De werkelijkheid is dat er al jaren sprake is van een gasdebiet dat ligt in de orde van grootte van 230.000 Nm3/uur. De meetresultaten waarover Arcadis en de REC het hebben bestaan niet, en ook de meest actuele (steekproef) meetresultaten laten zien dat er sprake is van meetresultaten in de orde van grootte van 230.000 - 240.000 Nm3/uur bij 11% O2’.
‘Al sinds een groot aantal jaren stoot de REC illegaal een veel te hoog rookgasdebiet uit. Al in 2015 ontdekte Uw College dat de REC een aanzienlijk hoger debiet aan schadelijke gassen uitstootte dan was vergund en in 2016 werd handhaving aangekondigd als geen vergunning werd verkregen voor een hoger debiet. Het dossier verdween echter in een diepe lade en ten onrechte is hierover in het ontwerp besluit met geen woord gerept’.
‘Een verklaring voor deze jaren illegale situatie lijkt de ammoniak te vormen. 12. In de jaren 2020 en 2021 blijkt de uitstoot van ammoniak met instemming van uw College een reuzesprong omhoog te zijn gegaan met ongeveer een factor 10 ! 0,4 ton uitstoot van ammoniak in 2017 .... 4 ton in 2020. 0,5 ton in 2018 ... 4.2 ton in 2021. Onthutsend. Met kennelijk geen ander oogmerk dan om nu naar het publiek het beeld proberen te wekken dat met de thans voorliggende uitbreiding van het gasdebiet er echt geen sprake is van een toename van de uitstoot van ammoniak’.
‘De verruiming van de jaargemiddelde norm voor zoutzuur deugt evenmin. Ten onrechte wordt in het ontwerp-besluit het voorgesteld dat de jaargemiddelde norm van 8 mg/ Nm3 voor zoutzuur in overeenstemming is met BBT. Er wordt miskend dat de rechter de wet heeft uitgelegd en niet zelf heeft bepaald hoeveel aan meetcorrectie er van een gemeten emissie mag worden afgetrokken. Er wordt ook miskend dat zonder onderzoek de meetonzekerheid voor de jaargemiddelde norm voor zoutzuur niet op 1 kan worden gesteld, maar dat deze berekend had dienen te worden en dan uitgekomen zou zijn ergens in de buurt van 0.26. En natuurlijk wordt de emissie van zoutzuur verhoogd als op het papier van de vergunning jaargemiddeld 8 mg/Nm3 mag worden uitgestoten in plaats van 5 mg/Nm3. Dit nog afgezien van het feit dat in e ontwerp-beschikking is uitgegaan van onjuist rookgasdebiet’.
‘Met een debiet van 177.000 Nm3 per uur en een temperatuur van 130 0C is bij de bouw en oprichting gerekend in het kader van de beoordeling van een aantal zeer fundamentele vraagstukken zoals de vraag naar de passendheid van de schoorsteen, en met name de bijbehorende effectieve pluimhoogte in relatie tot het bijzondere gegeven dat ter plaatse van de onderhavige locatie in principe sprake is van het bijzondere verschijnsel van zogenaamde kustlijnfumgatie. De effectieve pluimhoogte ligt nu substantieel hoger. Dit is volledig miskend in de nu gehanteerde berekeningen van de verspreiding. De voorgestelde vergunning kenmerkt zich door gebrek aan herinnering en kennis omtrent hetgeen destijds de eigen deskundigen allemaal naar voren hebben gebracht. Een hogere effectieve pluimhoogte noodzaakt tot apart onderzoek in verband met kustlijnfumigatie’.
Reactie op zienswijze H.A. Sarolea
Ad 1. Verhoging uit te stoten hoeveelheid toxische rookgassen
Met het ten opzichte van de vigerende vergunning hogere debiet en temperatuur, zijn nieuwe berekeningen gemaakt voor de verspreiding van luchtverontreiniging (Luchtkwaliteitsonderzoek reststoffen energiecentrale Harlingen, Arcadis, 23 december 2020). De berekeningen zijn uitgevoerd voor de vergunde stoffen in de vergunde en nieuw aangevraagde situatie. De immissiesituatie rond de REC is berekend met behulp van het Nieuw Nationaal Model.
Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de aangevraagde wijzigingen leiden tot minimale effecten in de omgeving. Uit de toetsing blijkt verder dat in zowel de vergunde situatie als in de nieuwe situatie alle onderzochte stoffen ruim aan alle toetsingswaarden voldoen.
Wij verklaren de zienswijze ongegrond.
Voorgeschreven onderzoek in de verbrandingskamer is nooit verricht / Rapport Lentjes / correspondentie Duits-Koreaanse bedrijf Doosan
In tegenstelling tot wat in de zienswijze wordt gesteld, zijn de voorgeschreven verificatiemetingen (in zienswijzen aangemerkt als “gridonderzoek”) wel verricht. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft dit reeds bevestigd. Zie hiervoor de uitspraken van 28 oktober 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2498 en ECLI:NL:RVS:2020:2554).
Wij verklaren de zienswijzen ongegrond.
Ad 10. Meetresultaten gasdebiet 211.500 Nm3/uur is onwaar
De gegevens uit de aanvraag over het genormaliseerde debiet zijn afkomstig van het automatisch monitoringssysteem van de REC. De werking daarvan wordt jaarlijks gecontroleerd door een daarvoor geaccrediteerde luchtmeetdienst.
Wij wijzen ook op het langdurig immissieonderzoek dat door de GGD in 2016 / 2017 is uitgevoerd (Luchtkwaliteit Harlingen meetresultaten nov. ’16 – jan. ’17) en waarin bevestigd is dat de immissies van de REC uiterst laag zijn, en overeenkomen met alle berekeningen die aan de vergunning ten grondslag hebben gelegen. Er is ook daarom geen enkele reden om te twijfelen over de juistheid van de uitgangspunten en de effecten in de omgeving.
Aanvullend merken wij nog op dat er altijd sprake is van enige variatie in het rookgasdebiet voor een optimale verbranding van de afvalstoffen. Dit blijkt ook uit de verschillende (controle)metingen door verschillende luchtmeetdiensten die er in het verleden zijn geweest.
Wij verklaren de zienswijze ongegrond.
Ad 11. H andhaving verhoogde debiet
Volgens het Activiteitenbesluit milieubeheer is directe handhaving op het rookgasdebiet niet mogelijk. Wel is Omrin in 2016 aangeschreven op de geconstateerde afwijking van het rookgasdebiet ten opzichte van de aanvraag van de geldende omgevingsvergunning. Het rookgasdebiet waarmee gerekend is in het luchtkwaliteitsonderzoek van de geldende omgevingsvergunning is lager dan in de praktijk meermalen is gemeten. Daarom hebben wij aangedrongen op een nieuwe vergunningaanvraag, waarbij inzichtelijk is gemaakt wat de effecten zijn van het hogere rookgasdebiet. Omrin heeft destijds een nieuwe milieuaanvraag ingediend. In de nieuwe aanvraag is het effect van het hogere rookgasdebiet op de luchtkwaliteit inzichtelijk gemaakt. Uit de toetsing aan de geldende luchtkwaliteitsnormen bleek dat zowel in de vergunde situatie als in de nieuwe situatie ruimschoots daaraan werd voldaan. De aanvraag voldeed aan de indieningsvereisten. Daarmee was de aanvraag met de nieuwe uitgangspunten voor de afvalverbrandingsinstallatie vergunbaar. Er is daarom gekozen voor het legalisatietraject.
Wij verklaren de zienswijze ongegrond.
Ad 12 I llegale situatie ammoniak / indruk van geen toename
Omrin vraagt een aanscherping van de jaargemiddelde emissiegrenswaarde voor ammoniak (NH3) aan van 3 mg/Nm3 naar 2,5 mg/Nm3 (droog bij 11%zuurstof).
Ondanks het hogere debiet, is er inderdaad geen sprake van een toename van de jaaremissie van ammoniak vanwege de aangevraagde strengere jaargemiddelde concentratie-eis voor ammoniak.
Wij verklaren de zienswijze ongegrond.
Ad 13 G een bedrijfsvoering overeenkomstig BBT
De opmerking dat de bedrijfsvoering niet in overeenstemming is met BBT is onjuist. Omrin moet onverminderd voldoen aan de geldende daggemiddelde normen die conform BBT zijn. De wijzigingen van normen betreffen alleen jaargemiddelde concentraties. Er vindt geen afwijking van BBT plaats.
Wij verklaren de zienswijze ongegrond.
Ad 14 Jaargemiddelde norm zoutzuur geen BBT, meetfoutcorrectie, onjuist rookgasdebiet
Zie onze reactie bij Ad 10 hierboven en Ad 1 en Ad 2 van de ILT.
Wij verklaren de zienswijze ongegrond.
Ad 15 Effecten kustlijnfumigatie
Deze zienswijze is eerder ingebracht in de procedure voor de reeds onherroepelijke vergunning van 5 oktober 2010 en heeft geen betrekking op deze procedure. De Raad van State heeft uitgesproken (ECLI:NL:RVS:2012:BV8798) dat nog daargelaten de vraag of met deze fumigatie rekening moet worden gehouden, in dit geval fumigatie geen significante invloed heeft op de uitkomst van de verspreidingsberekeningen.
Wij verklaren de zienswijze ongegrond.
Op 21 november 2022 hebben wij een aanvulling op de zienswijze ontvangen van H.A. Sarolea. Deze hebben wij als volgt samengevat:
De aanvullende zienswijze heeft geen betrekking op de inhoud van de ontwerpvergunning.
Wij verklaren de zienswijze ongegrond.
1.14. Wijzigingen ten opzichte van de ontwerpvergunning
Ten opzichte van de ontwerpvergunning is de tekst in hoofdstuk 2.2 van de considerans aangevuld. Het betreft een tekstuele aanpassing ter verduidelijking van de huidige situatie en de nieuwe situatie.
De zienswijzen zijn meegenomen in de definitieve besluitvorming maar leiden niet tot een aanpassing van de vergunning.
De aanvraag heeft betrekking op het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e van de Wabo.
Bij onze beslissing op de aanvraag hebben wij conform artikel 2.14, eerste lid, onder a, b en c van de Wabo:
In de onderstaande hoofdstukken lichten wij dit nader toe. Wij beperken ons tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed (kunnen) zijn.
In de huidige situatie gelden voor zoutzuur (HCl) de daggemiddelde grenswaarde van 8 mg/Nm3 en de jaargemiddelde grenswaarde van 5 mg/Nm3. De daggemiddelde grenswaarde geldt rechtstreeks vanwege het Activiteitenbesluit en deze waarde sluit aan op de ranges voor de emissiegrenswaarden voor HCl in de BBT-conclusies in de BREF- Afvalverbranding 2019 (die alleen uitgaan van daggemiddelde concentraties). De jaargemiddelde grenswaarde is een aanvullende verplichting die door ons is opgelegd.
Door Omrin wordt de dosering van bicarbonaat zodanig geregeld (setpoint instelling) dat steeds aan de geldende daggemiddelde grenswaarde van 8 mg/Nm³ wordt voldaan. Overmatig chemicaliëngebruik wordt zo voorkomen. Met de voormalige rekenregels voor de meetfoutcorrectie werd bij het aldus voldoen aan de daggemiddelde emissiegrenswaarde van 8 mg/Nm3 ook steeds voldaan aan het jaargemiddelde van 5 mg/Nm3, omdat de meetfoutcorrectie 4 mg/Nm3 bedroeg en de toetsingswaarde bij metingen daarmee (5 + 4 = ) 9 mg/Nm3 bedroeg, waar dus (ruim) onder werd gebleven.
In de jaren 2012 tot 2018 is de jaargemiddelde emissie van zoutzuur praktisch altijd lager dan 8 mg/Nm3 geweest.
Vanwege de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2019:1737) is het 95%-betrouwbaarheidsinterval voor de jaargemiddelde emissieconcentratie van zoutzuur formeel verlaagd van 4 mg/Nm3 naar maximaal 1 mg/Nm3. Dit zou voor Omrin betekenen dat de toetsingswaarde voor de jaargemiddelde emissieconcentratie van zoutzuur, na correctie voor de meetfout, maximaal 6 mg/Nm3 zou mogen zijn (norm van 5 + 1 voor het 95%- betrouwbaarheidsinterval), in plaats van de 9 mg/Nm³ die gangbaar was voor de uitspraak. De daggemiddelde concentratie zou dan lager dan de toegestane 8 mg/Nm³ moeten worden, waarvoor het setpoint zou moeten worden verlaagd en extra dosering van bicarbonaat zou moeten plaatsvinden. Bij een aangepaste jaargemiddelde norm van 8 mg/Nm3, zoals nu voorgesteld, blijft de toetsingswaarde gelijk aan de ‘oude’ situatie, namelijk 9 mg/Nm³ (norm van 8 +1). Er verandert hiermee feitelijk niets aan de huidige emissiesituatie en er hoeft dan ook geen aanpassing van het setpoint plaats te vinden en extra bicarbonaat verbruikt te worden. Er wordt daarbij ook onverminderd voldaan aan de daggemiddelde grenswaarde conform het Activiteitenbesluit en de BBT-conclusies uit de BREF- Afvalverbranding. Het veranderen van de vergunning uit 2010 c.q. het verhogen van de jaargemiddelde emissiegrenswaarde, betekent dus niet dat een hogere zoutzuuremissie wordt toegestaan dan oorspronkelijk mogelijk was volgens de regels die werden gehanteerd voor de uitspraak. De doelstelling van de aanpassing van de norm is om de oorspronkelijke zoutzuuremissie, en daarmee het verbruik van chemicaliën (bicarbonaat), gelijk te laten.
Een verlaging van de emissie (wat de praktische consequentie zou zijn van een ongewijzigde norm als gevolg van de rekenkundige verlaging van het 95%-betrouwbaarheidsinterval) betekent dat de dosering van bicarbonaat sterk verhoogd moet worden, wat per saldo de situatie voor het milieu verslechtert door:
Gebleken is dat het voordeel van een verdere verlaging van de bestaande zoutzuuremissie bij lange na niet opweegt tegen de andere nadelen voor het milieu. Daarbij is van belang dat de huidige maatregelen reeds tot een vergaande emissiereductie (> 99 %) leiden en de nu resterende emissie een verwaarloosbare bijdrage in de omgeving geeft. Deze integrale milieubeoordeling is wat de overheid ook in de nieuwe Omgevingswet voor ogen heeft. In de toelichting (kenmerk: 6659161_1649938510892) op de aanvraag is in detail de onderbouwing voor het hogere verbruik aan natriumbicarbonaat bij de aanvraag gevoegd.
Naast de verlaging van het setpoint met als nadeel het hogere natriumbicarbonaatverbruik, is ook gekeken naar alternatieve oplossingen voor het verlagen van de zoutzuuremissie. Denkbare alternatieven zijn:
In de aanvraag zijn deze alternatieven nader uitgewerkt en opgenomen in de toelichting op de aanvraag. De conclusie is dat de alternatieve oplossingen niet haalbaar worden geacht vanwege de hoge investering, het hogere energieverbruik en het extra verbruik van natriumbicarbonaat. Een uitgebreidere toelichting is opgenomen in de aanvraag.
In het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) zijn voor een groot aantal activiteiten die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden, rechtstreeks werkende, algemene regels opgenomen.
De inrichting waarvoor vergunning is aangevraagd, is aangemerkt als een inrichting waarvoor vergunningplicht (type C-inrichting) geldt.
Het algemeen luchtbeleid is gericht op het voorkomen dan wel zo veel mogelijk beperken van emissies naar de lucht door het toepassen van de beste beschikbare technieken (BBT) en het voldoen aan de luchtkwaliteitseisen van bijlage 2 van de Wet milieubeheer.
Luchtemissies voor inrichtingen worden in beginsel gereguleerd door de algemene regels van het Activiteitenbesluit. Deze eisen zijn rechtstreeks geldend en daarom niet in deze vergunning opgenomen. Indien en voor zover voor luchtemissies van IPPC-installaties BBT-conclusies zijn vastgesteld, gelden de algemene regels van Afdeling 2.3 echter niet (met uitzondering van de minimalisatieverplichting voor zeer zorgwekkende stoffen). Voor deze luchtemissies worden voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden die aansluiten bij de BBT-conclusies.
Naast de toetsing aan de beste beschikbare technieken en Activiteitenbesluit wordt beoordeeld of de emissienormering van het Activiteitenbesluit toereikend zijn. Tevens wordt er getoetst aan de kwaliteitseisen uit Bijlage 2 van de Wm.
2.3.1 Emissies van afvalverbrandings- of meeverbrandingsinstallaties
Op de emissies naar de lucht als gevolge van het in werking zijn van de afvalverbrandingsinstallatie is paragraaf 5.1.2 (artikel 5.15 t/m 5.30) van het Activiteitenbesluit van toepassing.
Van belang voor deze vergunning is, of de inrichting ook voor de activiteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen, voldoet aan de beste beschikbare technieken. Voor het milieuthema lucht wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf.
2.3.2 Melding Activiteitenbesluit
Gelet op artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit moet de verandering van de inrichting worden gemeld. De aanvraag wordt ten aanzien van de activiteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen aangemerkt als melding. De voorschriften voor het onderdeel milieu die in deze vergunning zijn opgenomen, betreffen aspecten en activiteiten die niet zijn geregeld in het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling.
3.1. Mondiale en Europese wetgeving
De Richtlijn industriële emissies (Rie) omvat een integratie van de IPPC-richtlijn met de Richtlijn grote stookinstallaties, de Afvalverbrandingsrichtlijn, de Oplosmiddelenrichtlijn en drie richtlijnen voor de titaandioxide-industrie.
De Richtlijn industriële emissies bestaat uit de volgende hoofdstukken:
Bij implementatie van de Rie in Nederland:
Sinds januari 2013 moet bij het bepalen van beste beschikbare technieken (BBT) rekening worden gehouden met BBT-conclusies en bij ministeriële regeling aangewezen informatiedocumenten over BBT.
BBT-conclusies is een document met de conclusies over beste beschikbare technieken, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, vijfde en zevende lid van de Rie (definitie in artikel 1.1 eerste lid van het Bor):
BBT-conclusies worden door de Europese commissie vastgesteld en bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (een uitvoeringsbesluit van de Europese commissie dat gericht is tot de lidstaten). Zij worden daarom niet meer apart aangewezen in de Regeling omgevingsrecht.
Een actueel overzicht van de BBT-conclusies vindt u op de website van Kenniscentrum InfoMil www.infomil.nl/bbt-conclusies.
3.3. Relatie BBT-afweging tot algemene regels
Het bevoegd gezag bepaalt bij vergunningverlening de BBT voor de inrichting door te toetsen aan de BBT-conclusies en de in bijlage van de Mor opgenomen BBT-documenten.
Op grond van artikel 2.22, vijfde lid van de Wabo dient het bevoegd gezag, zo nodig in afwijking van het Activiteitenbesluit, bij IPPC-installaties strengere voorschriften aan de vergunning te verbinden. Dit kan nodig zijn om de toepassing van beste beschikbare technieken in specifieke gevallen te waarborgen, bijvoorbeeld uit het oogpunt van beter presterende nieuwe installaties. De beste beschikbare technieken die in de praktijk worden toegepast en de emissiereducties die daarmee worden gehaald, zijn immers bepalend voor de hoogte van de emissiegrenswaarde.
Er is geen specifiek lokale wetgeving of lokaal beleid over BBT.
Er is voldoende jurisprudentie waaruit blijkt dat toetsing aan BBT noodzakelijk is.
Gelet op de huidige lijn van de jurisprudentie moet bij een betreffende IPPC-installatie ook rekening worden gehouden met van toepassing zijnde eindconcept-BREF’s (Final Draft).
4.1. Kaderstellende documenten
Het algemene beleid is gericht op het terugdringen van emissies naar de lucht en op het halen van de luchtkwaliteitseisen uit Bijlage 2 van de Wm.
Op grond van artikel 2.1, lid 1, sub e van de Wabo is het verboden om zonder vergunning een bij algemene regels aangewezen inrichting op te richten, te wijzigen of in werking te hebben. Paragraaf 5.2.1 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) stelt vervolgens regels met betrekking tot de aan deze vergunning te verbinden voorschriften.
Als zich binnen een type C-bedrijf een IPPC-installatie bevindt, dan moet de IPPC-installatie voldoen aan de BBT-conclusies. De voorschriften van afdeling 2.3 Lucht, met uitzondering van artikel 2.4, lid 2 (minimalisatieverplichting), zullen niet gelden voor een IPPC-installatie als hiervoor een BBT-conclusie voor lucht geldt.
Nationaal aangewezen BBT-documenten
In bijlage 1 van de Regeling omgevingsrecht (Mor) staan de nationaal aangewezen BBT-documenten.
De vergunning moet getoetst worden aan het beschermingsniveau van de IPPC-richtlijn. Concreet betekent dit wij de aanvraag moeten toetsen aan de BBT voor afvalverbranding. Deze staan beschreven in het referentiedocument over
de BBT voor afvalverbranding (hierna BREF- Afvalverbranding 2019). Dit BBT-referentiedocument (BREF) voor afvalverbranding beschrijft voorts de emissieniveaus die als BBT kunnen worden aangemerkt.
In titel 5.2 van de Wet milieubeheer zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen en regels gesteld voor de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit.
Bijlage 2 van de Wm bevat grenswaarden voor de luchtkwaliteit die door het bevoegd gezag als toetsingscriteria in de vergunningverlening moeten worden gehanteerd en niet mogen worden overschreden. De Regeling beoordeling luchtkwaliteit (RBL2007) moet gebruikt worden bij immissieberekeningen en concentratiemetingen in de buitenlucht.
4.2. Toetsing aangevraagde emissies
Omrin vraagt een verruiming van de jaargemiddelde emissiegrenswaarde voor zoutzuur (HCl) aan van 5 mg/Nm3 naar 8 mg/Nm3 (droog bij 11% zuurstof).
Op 5 oktober 2010 is een vergunning op grond van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van de inrichting. De REC is uitgerust met een droge rookgasreiniging (met o.a. injectie van natriumbicarbonaat) en is opgebouwd uit een elektrostatisch filter, een doekenfilter en een SCR-katalysator.
In vergunningvoorschrift 4.2.4 van deze vergunning is bepaald dat de verbrandingsinstallatie van de inrichting moet voldoen aan de jaargemiddelde emissiewaarde van HCl (zoutzuur) van ≤ 5 mg/Nm3.
Volgens artikel 5.19 mag de emissie van zoutzuur in de lucht de halfuur- en daggemiddelde waarde van 8 mg/Nm3 niet overschrijden. In het Activiteitenbesluit is geen grenswaarde voor de jaargemiddelde emissie van zoutzuur in de lucht opgenomen.
Voor de REC geldt echter nog voorschrift 4.2.4 uit de vergunning van 5 oktober 2010 (gelet op artikel 5.30, tweede lid, van het Activiteitenbesluit). In dit voorschrift is een grenswaarde voor de jaargemiddelde emissie van zoutzuur opgenomen van ≤ 5 mg/Nm3.
Uitspraak Raad van State 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1737)
Toetsing van meetresultaten aan emissie-eisen vindt plaats na aftrek van de meetonzekerheid. Het Activiteitenbesluit stelt eisen aan de maximale meetonzekerheid bij metingen. In artikel 5.19, derde lid, van de Activiteitenregeling zijn de voor afvalverbrandings- en afvalmeeverbrandingsinstallaties toegestane onnauwkeurigheidsmarges van een automatisch meetsysteem (AMS) neergelegd, uitgedrukt in een maximale waarde van het 95%-betrouwbaarheidsinterval. Voor waterstofchloride (zoutzuur) geldt ingevolge de RIE een percentage van 40% van de grenswaarde voor de dagelijkse emissie van 10 mg/Nm3, dus omgerekend een maximale waarde van 4 mg/Nm3. Voor zoutzuur geldt dus een marge van 4 mg/Nm3 (hierna: de onzekerheidseis).
Om te kunnen vaststellen of het AMS van een afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie aan de onzekerheidseis voldoet, moeten ingevolge artikel 5.18 van de Activiteitenregeling de procedures van NEN-EN 14181 worden toegepast.
In artikel 5.19, vierde lid, van de Activiteitenregeling is geregeld dat gemeten waarden moeten worden gecorrigeerd voor de meetonzekerheid. Daarvoor is nodig dat de meetonzekerheid wordt bepaald op basis van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele waarnemingen.
Uit de genoemde uitspraak van de Raad van State blijkt nu dat, in tegenstelling tot eerdere uitspraken, bij de toetsing van de jaargemiddelde meetwaarden niet gecorrigeerd mag worden met de maximale waarde (4 mg/Nm3) van het 95%-betrouwbaarheidsinterval, maar gecorrigeerd moet worden met de berekende meetonzekerheid.
Bij die berekeningen moet gebruik worden gemaakt van het door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat op 26 juli 2018 uitgebrachte memo "Meetonzekerheid bij continue metingen - Bepaling meetonzekerheid en correctie van gemiddelden" van het Platform Kwaliteit Luchtmetingen.
In de uitspraak is bepaald dat de bovengenoemde memo gehanteerd dient te worden bij het bepalen van de meetfoutcorrectie.
In het geval van de REC betekent dit dat bij de toetsing van de meetwaarden aan de jaargemiddelde zoutzuuremissies, strenger moet worden gecorrigeerd voor de berekende meetonzekerheid dan voor het gemeten daggemiddelde uit het Activiteitenbesluit. De thans berekende onzekerheidseis voor het jaargemiddelde bedraagt maximaal 1,0 mg/Nm3.
Dat is ook de reden voor de aangevraagde jaargemiddelde emissie van zoutzuur van 8 mg/Nm3. Bij de toetsing geldt dan een maximum van 9 (8 + 1) mg/Nm3, wat gelijk is aan de oude toetsingswaarde van voor de uitspraak, die uitging van een norm van 5 mg/Nm3 en bij toetsing een verhoging met de onzekerheid van 4 mg/Nm3 (5 + 4 = 9).
Ook voor een jaargemiddelde emissiegrenswaarde van 8 mg/Nm3 geldt dat dit een strengere verplichting is dan wat op basis van het Activiteitenbesluit geldt. Volgens het Activiteitenbesluit geldt (alleen) een daggemiddelde norm van 8 mg/Nm3. Volgens de genoemde methodiek geldt hiervoor een meetonzekerheid van 2,6 mg/Nm3. Gemeten waarden voor zoutzuur van 10,6 mg/Nm3 voldoen daarmee aan de gemiddelde norm van 8 mg/Nm3 uit het Activiteitenbesluit maar zijn hoger dan de toetswaarde (8+1=9 mg/Nm3) van de jaargemiddelde norm (8 mg/Nm3). De voorschriften uit het Activiteitenbesluit voldoen aan BBT.
4.2.4 BREF- Afvalverbranding 2019
Uit de aanvraag blijkt dat het rendement voor de afvang van zoutzuur meer dan 99% bedraagt. In BBT 28 van de BREF-Afvalverbranding 2019 wordt in tabel 5.5 aangegeven dat de met BBT geassocieerde daggemiddelde emissieniveaus voor zoutzuur voor gekanaliseerde emissies naar de lucht, < 2-6 mg/Nm3 bedraagt voor een nieuwe installatie en < 2-8 mg/Nm3 voor een bestaande installatie. In de tabel is aangegeven dat de ondergrens van de BBT-range behaald kan worden bij gebruik van een natte wasser; de bovengrens van de range kan gerelateerd zijn aan het gebruik van injectie van een droog adsorbent, zoals toegepast bij de REC. Geconcludeerd wordt dat een jaargemiddelde emissiegrenswaarde van 8 mg/Nm3 zoutzuur voldoet aan BBT volgens de genoemde BREF.
In tabel 4.28 van de BREF- Afvalverbranding is aangegeven dat de BBT range bereikt kan worden bij een optimale dosering van natriumbicarbonaat in de range van 5-20% boven de stoechiometrische verhouding.
Uit de aanvraag blijkt dat bij een emissiegrenswaarde van zoutzuur van jaargemiddeld 8 mg/Nm3, de REC al boven deze range van doseringen zit. Dit betekent dat de droge rookgasreinigingstechniek van de REC al bij genoemde emissiegrenswaarde tegen zijn technologische begrenzing aanloopt. Indien de grenswaarde lager dan 8 mg/Nm3 als jaargemiddelde wordt, zal de overdosering nog verder moeten stijgen, zoals blijkt uit de aangeleverde informatie.
Uit de aanvraag blijkt verder dat de cross media-effecten bij een verlaging tot 5 mg/Nm3, naast extra grondstoffen(chemicaliën)verbruik, ook leiden tot meer koolstofdioxide-, stikstofoxiden- en fijnstof- uitstoot en meer afvalstoffen die gestort moeten worden met de daarbij behorende transportkosten.
In de aanvraag is tenslotte ook gekeken naar alternatieve oplossingen voor het verlagen van de zoutzuuremissie, zoals het plaatsen van een tweede doekenfilter en het recirculeren van het rookgasreinigingsresidu. Uit de aanvraag is voldoende aannemelijk gemaakt dat deze alternatieven vanwege hoge energie- en investeringskosten niet kosteneffectief zijn.
Omrin vraagt een aanscherping van de jaargemiddelde emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden (NOx) aan van 60 mg/Nm3 naar 50 mg/Nm3 (droog bij 11% zuurstof).
De aangevraagde waarde is strenger dan vergund en valt ruimschoots binnen de aangegeven BBT- range van de BREF- Afvalverbranding 2019.
Omrin vraagt een aanscherping van de jaargemiddelde emissiegrenswaarde voor ammoniak (NH3) aan van 3 mg/Nm3 naar 2,5 mg/Nm3 (droog bij 11% zuurstof).
De aangevraagde waarde is strenger dan vergund en valt ruimschoots binnen de BBT-range van de BREF- Afvalverbranding 2019.
Met de aangevraagde gewijzigde jaargemiddelde emissieconcentratie voor stikstofoxiden, ammoniak en zoutzuur en met het ten opzichte van de vigerende vergunning hogere debiet en temperatuur, zijn nieuwe berekeningen gemaakt voor de verspreiding van luchtverontreiniging (Luchtkwaliteitsonderzoek reststoffen energiecentrale Harlingen, Arcadis, 23 december 2020). De berekeningen zijn uitgevoerd voor de vergunde stoffen in de vergunde en nieuw aan te vragen situatie. De immissiesituatie rond de REC is berekend met behulp van het Nieuw Nationaal Model.
Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de aan te vragen wijzigingen leiden tot minimale effecten in de omgeving. Uit de toetsing blijkt verder dat in zowel de vergunde situatie als in de nieuwe situatie alle onderzochte stoffen ruim aan alle toetsingswaarden voldoen.
4.4. Eindconclusie aspect lucht
Wij zijn van oordeel dat de aangevraagde veranderingen vergunningverlening voor het aspect luchtkwaliteit niet in de weg staan. Wij zullen voorschrift 4.2.4 van de van de vigerende vergunning van 28 november 2010 (kenmerk: 00907403) in deze beschikking wijzigen en toevoegen onder het tabblad voorschriften.
Op basis van bovenstaande navolgende overwegingen, namelijk dat:
zijn wij van oordeel dat de aangevraagde veranderingsvergunning kan worden verleend.
Voor de begrippen die niet in deze lijst zijn opgenomen refereren wij naar de definities zoals die zijn opgenomen in de geldende wet- en regelgeving (zoals het Activiteitenbesluit, de Activiteitenregeling, en het Besluit omgevingsrecht).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2024-7102.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.