Provinciaal blad van Fryslân
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Fryslân | Provinciaal blad 2024, 7101 | andere beschikking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Fryslân | Provinciaal blad 2024, 7101 | andere beschikking |
Omgevingsvergunning en melding Activiteitenbesluit voor de inrichting van FrieslandCampina Nederland B.V. in Gerkesklooster
Op 29 maart 2022 is een aanvraag voor een omgevingsvergunning ontvangen van FrieslandCampina Nederland B.V. Het betreft het veranderen van de chemieopslag, het buiten gebruik stellen van de Niro poedertoren en heater, het vervangen van het indampproces door omgekeerde osmose, de realisatie van een nieuwe (derde) melkstroom en het verplaatsen van de milieustraat. De aanvraag heeft betrekking op het perceel kadastraal bekend gemeente Achtkarspelen, sectie G, nummers 1320, 1690, 1740 en 1770, plaatselijk bekend Verlaatsterweg 26 te Gerkesklooster. De aanvraag is geregistreerd onder het OLO-nummer 6735017.
Wij besluiten, gezien de overwegingen die zijn opgenomen in deze vergunning en gelet op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de daarop betrekking hebbende uitvoeringsbesluiten en -regelingen, aan FrieslandCampina Nederland B.V. een omgevingsvergunning:
op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e. (2° het veranderen van een inrichting) te verlenen voor het veranderen van de chemieopslag, het buiten gebruik stellen van de Niro poedertoren en heater, het vervangen van het indampproces door omgekeerde osmose, de realisatie van een nieuwe (derde) melkstroom en het verplaatsen van de milieustraat. Aan de vergunning zijn voorschriften verbonden. Deze staan in de bijlage van dit besluit.
om de voorschriften 7.2.1 t/m 7.2.9 en 7.3.1 t/m 7.3.8 (opslag natronloog en salpeterzuur in tanks) van de onderliggende revisievergunning van 19 juni 2018, met kenmerk 2016-FUMO-0019342 in te trekken. Omdat het om nieuwe opslagtanks gaat voor de chemicaliën op een andere locatie binnen de inrichting, zijn hiervoor nieuwe voorschriften aan deze veranderingsvergunning verbonden.
Wij besluiten tevens dat de volgende delen van de aanvraag onderdeel uitmaken van deze vergunning:
De aanvraag omvat tevens een melding op grond van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit). De melding voldoet aan de indieningvereisten van het Activiteitenbesluit.
De inrichting waarvoor de melding is ingediend, is een type C inrichting op basis van het Activiteitenbesluit. De bedrijfsvoering moet voldoen aan de van toepassing zijnde voorschriften van het Activiteitenbesluit.
Namens het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân,
Afdelingshoofd Vergunningverlening en Specialistisch Advies
Bekendmaking, inwerkingtreding en rechtsbeschermingsmiddelen (definitieve) beschikking
Deze beschikking wordt bekendgemaakt door toezending aan de aanvrager. Daarnaast wordt kennisgeven door publicatie in de Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad en in het Provinciaal blad van Fryslân via www.officielebekendmakingen.nl. De beschikking treedt in werking zes weken na bekendmaking van het definitief besluit.
De aanvraag en de beschikking met de daarbij behorende stukken worden op grond van de Algemene wet bestuursrecht met ingang vanaf de in de kennisgeving vermelde dag waarop de beschikking ter inzage is gelegd. Inzage is mogelijk bij de gemeente Achtkarspelen, de provincie Fryslân en de FUMO.
Een dag nadat de beschikking ter inzage is gelegd, start de termijn van zes weken voor het indienen van een beroepschrift. In die periode kunnen zowel u als belanghebbenden beroep aantekenen tegen deze beschikking. Ook niet-belanghebbenden kunnen beroep aantekenen indien zij een zienswijze hebben ingediend.
Het beroepschrift moet in tweevoud ingediend worden bij Rechtbank Noord-Nederland, Postbus 781, 9700 AT Groningen.
De definitieve constructieve berekeningen en tekeningen dienen uiterlijk 3 weken voor aanvang van de bouwwerkzaamheden ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te worden voorgelegd. In de praktijk blijkt de periode van drie weken te kort. Als het bevoegd gezag fouten ziet leidt dit al snel tot vertragingen in de bouw. Wij raden daarom aan om een periode van zes weken aan te houden. Met de werkzaamheden mag pas na goedkeuring worden gestart. In elk geval dient u 2 maanden voor de start een funderingsadvies aan te leveren.
U moet nog een veiligheidsplan indienen. Dit moet u uiterlijk drie weken voor de start van de werkzaamheden doen. Het doel van een veiligheidsplan is het vooraf inzichtelijk maken of een beoogd initiatief veilig en verantwoord is om in zijn relatie tot de directe omgeving en openbare ruimte gerealiseerd te worden. In een veiligheidsplan moet u aangeven hoe u de veiligheid van de openbare ruimte, het bouwwerk, de belendende en/of onderliggende percelen tijdens de bouw of sloop zal garanderen en waarborgen.
Definitieve installatietekeningen en berekeningen van de diverse technische installaties dienen nog ter goedkeuring aan de gemeente te worden voorgelegd. Voor wat betreft de installatietekeningen gaat dit in principe alleen om de gebouwgebonden installaties, tenzij deze installaties zich ook buiten de gebouwen bevinden. Detailtekeningen van de installaties zijn niet verplicht.
** Als bedoeld in richtlijn 2012/18/EU van 4 juli 2012 (Seveso-III)
De overvulbeveiliging van de tank voor de opslag van salpeterzuur (53%) moet zijn ingesteld op maximaal 30.000 liter. De bevoorradende tankwagen met salpeterzuur (53%) moet volledig in de salpeterzuurtank kunnen worden gelost. Het voorzieningenniveau in de salpeterzuurtank is uitgevoerd conform typical 3 als bedoeld in PGS 31 en voldoet aan voorschrift 2.2.13 van PGS 31 (versie 1.0, augustus 2021). Berekend moet worden bij welk niveau het hoogniveau-alarm moet afgaan om voldoende tijd te creëren voor het stoppen van het vullen. Bij een controle moet deze berekening kunnen worden overgelegd.
Meet-, regel- of beveiligingsapparatuur die direct verband heeft met het optreden van bijzondere situaties voor wat betreft veiligheid en emissies en die niet of slecht functioneert, moet direct worden gerepareerd of worden vervangen. Als de betreffende apparatuur niet direct kan worden gerepareerd of vervangen, moeten de activiteiten onverwijld worden stilgelegd, tenzij vergunninghouder kan aantonen dat met behulp van bijvoorbeeld visueel toezicht het proces tijdelijk afdoende kan worden beheerst.
De opslag van zoutzuur en natronloog (ADR klasse 8, verpakkingsgroep II en III) in een bovengrondse opslagtank, waarvan de leidingen bovengronds op de tank zijn aangesloten, moet voldoen aan de volgende voorschriften van de PGS 31 (augustus 2021, versie 1.0, interim):
Er wordt uitstel gegeven voor het uitvoeren van een milieurisicoanalyse (MRA) tot duidelijk is (vanuit de overheid) met welk rekenprogramma deze analyse uitgevoerd moet worden, met maximaal één jaar na inwerkingtreding van deze vergunning. Na dit jaar moet binnen drie maanden, dus in totaal binnen vijftien maanden na inwerkingtreding van deze vergunning, een MRA zijn uitgevoerd met Proteus 4.5 of het dan geldende rekenprogramma.
Binnen drie maanden nadat de inrichting (gedeeltelijk) in overeenstemming met de vergunning in werking is gebracht, moet de vergunninghouder, door middel van een akoestisch onderzoek (controlerapportage), aan het bevoegd gezag aantonen dat aan de geluidsvoorschriften 3.2.1 en 3.2.2 van deze vergunning wordt voldaan. De resultaten van dit akoestisch onderzoek moeten binnen deze termijn schriftelijk aan het bevoegd gezag worden gerapporteerd.
Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan:
Het maximale geluidsniveau LAmax veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan:
Op 29 maart 2022 is een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ontvangen. Het betreft een verzoek van FrieslandCampina Nederland B.V. (hierna FrieslandCampina) voor de vestiging in Gerkesklooster.
Het project waarvoor vergunning wordt gevraagd is als volgt te omschrijven:
De inrichting is al volcontinu in bedrijf en blijft dit ook. Wel is er een uitbreiding van het aantal werknemers. Dit waren er ten tijde van de onderliggende revisievergunning uit 2018 circa 130. Het aantal werknemers wordt ongeveer 170.
Een uitgebreide projectomschrijving is opgenomen in de aanvraag om vergunning. Gelet op bovenstaande omschrijving wordt vergunning gevraagd voor de volgende in de Wabo omschreven activiteiten:
1.3. Huidige vergunningsituatie
Voor de inrichting zijn eerder de onderstaande vergunningen en/of ontheffingen verleend dan wel meldingen geaccepteerd:
De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I, onderdeel C van het Besluit omgevingsrecht (Bor). De volgende categorieën zijn van toepassing:
|
c. een of meer voorzieningen of installaties aanwezig zijn voor het verstoken van brandstoffen met een thermisch vermogen of een gezamenlijk vermogen groter dan 130 kW. |
|
|
Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van gassen of gasmengsels, al of niet in samengeperste tot vloeistof verdichte of onder druk in vloeistof opgeloste toestand. |
|
|
Als categorieën vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van dit besluit, worden inrichtingen aangewezen:waar warmtepompen, koelinstallaties of vriesinstallaties aanwezig zijn, met een inhoud per installatie van meer dan 1.500 kilogram ammoniak of 100 kg propaan, butaan of een mengsel van propaan en butaan; |
|
|
Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van de volgende stoffen, preparaten of producten: a. stoffen en preparaten die zijn ingedeeld krachtens het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten in een categorie als bedoeld in artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer. |
|
|
Als categorieën vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van dit besluit, worden inrichtingen aangewezen voor de opslag van polyesterhars en stoffen van ADR-klasse 5.1 of klasse 8, verpakkingsgroepen II en III, zonder bijkomend gevaar, in bovengrondse opslagtanks met een inhoud van meer dan 10 m3. |
|
|
Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare, ontvlambare of brandbare vloeistoffen. |
|
|
Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van harsen, dierlijke of plantaardige oliën of vetten. |
|
|
Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken of verwerken van voedingsmiddelen, genotmiddelen of grondstoffen daarvoor. |
|
|
Gedeputeerde Staten zijn bevoegd te beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning ten aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het betreft inrichtingen voor: a. het vervaardigen van melkpoeder, weipoeder of andere gedroogde zuivelproducten met een capaciteit ten aanzien daarvan van 1.500 kg per uur of meer; c. het concentreren van melk of melkproducten door middel van indamping met een waterverdampingscapaciteit ten aanzien daarvan van 20.000 kg per uur of meer. |
* IMet de inwerkingtreding van onderhavige vergunning vervalt het gebruik van de poedertoren (want deze wordt ingetrokken) en daarmee is ook categorie 9.3, onder a niet meer van toepassing.
Op basis van categorie 2.7, onder p, en categorie 4.4, onder c, van bijlage C van het Bor is sprake van een vergunningplichtig bedrijf.
Het bedrijf valt onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) vanwege de ammoniakkoelinstallaties (artikel 2, lid 1, onder g van het Bevi). Daarnaast is artikel 2, lid 1, onder d van het Bevi van toepassing. Op basis van het Bor, bijlage I, onderdeel B, onder 1, onder a, is sprake van een vergunningplichtig bedrijf.
Het betreft een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort als genoemd in Bijlage I, categorie 6.4.c van de Richtlijn industriële emissies. Deze categorie betreft de bewerking en verwerking van uitsluitend melk, met een hoeveelheid ontvangen melk van meer dan 200 ton per dag (gemiddelde waarde op jaarbasis). Om die reden is op grond van artikel 2.1, tweede lid van het Bor tevens sprake van een vergunningplichtige inrichting.
Wij zijn bevoegd gezag voor de inrichting. Dit volgt uit artikel 2.4, tweede lid van de Wabo juncto artikel 3.3, eerste lid, van het Bor, op grond van de activiteiten van de inrichting, genoemd in Bijlage I, onderdeel C, categorie 9.3, onder a en c, van het Bor.
In de aanvraag wordt verzocht om intrekking van de poedertoren. Deze valt onder categorie 9.3 onder a, van bijlage I, onderdeel C, van het Bor. Na inwerkingtreding van deze vergunning is categorie 9.3, onder a, van het Bor niet langer van toepassing.
1.6. Beoordeling van de aanvraag
Na ontvangst van de aanvraag hebben wij deze getoetst op volledigheid. In verband met het ontbreken van een aantal gegevens hebben wij de aanvrager op 17 mei 2022 in de gelegenheid gesteld om de aanvraag aan te vullen. FrieslandCampina heeft verzocht om uitstel voor het aanleveren van de gevraagde gegevens tot 29 augustus. Wij hebben de aanvullende gegevens ontvangen op 6 september 2022. Na ontvangst van de aanvullende gegevens hebben wij de aanvraag opnieuw getoetst op volledigheid.
In verband met het ontbreken van een aantal gegevens hebben wij de aanvrager op 30 september 2022 in de gelegenheid gesteld om de aanvraag aan te vullen. FrieslandCampina heeft verzocht om uitstel voor het aanleveren van de gevraagde gegevens. Wij hebben de aanvullende gegevens ontvangen op 25 november 2022. Na ontvangst van de aanvullende gegevens hebben wij de aanvraag opnieuw getoetst op volledigheid. Omdat een aantal gegevens ontbraken, hebben wij de aanvrager op 19 december 2022 in de gelegenheid gesteld om de aanvraag aan te vullen. Wij hebben de aanvullende gegevens ontvangen op 10 februari 2023. Na ontvangst van de aanvullende gegevens hebben wij de aanvraag opnieuw getoetst op volledigheid. Wij hebben op 21 februari 2023 nogmaals verzocht om aanvullende gegevens. De laatste gegevens hebben wij op 31 maart 2023 ontvangen. FrieslandCampina heeft op 17 maart en 25 mei 2023 aangepaste bijlagen aan de aanvraag toegevoegd, vanwege het advies van de Welstandscommissie.
Wij zijn van oordeel dat de aanvraag met de aanvullende gegevens voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanvraag is dan ook in behandeling genomen. De termijn voor het nemen van het besluit is met 28 weken opgeschort tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld.
Om ons meer tijd te geven voor de behandeling van de aanvraag, heeft FrieslandCampina op
21 maart 2023 verzocht de behandeltermijn op te schorten tot 15 mei 2023.
Deze beschikking is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Gelet hierop zijn wij niet verplicht om van de aanvraag kennis te geven in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op andere geschikte wijze, tenzij bij de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag een milieueffectrapport (MER) moet worden gemaakt. Nu deze uitzonderingsgrond zich niet voordoet hebben wij geen kennisgegeven van de aanvraag.
In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor, hebben wij de aanvraag ter advies aan Brandweer Fryslân (bouwen en milieu) Wetterskip Fryslân (milieu) en de gemeente Achtkarspelen (bouwen) gestuurd.
Wetterskip Fryslân heeft per brief van 9 september 2022 laten weten dat de wijzigingen niet leiden tot een andere samenstelling van het afvalwater of het lozen van meer afvalwater dan vergund is.
Per brief van 28 april 2022 heeft Brandweer Fryslân ons geadviseerd over de aanvraag.
Gemeente Achtkarspelen heeft per mail van 4 april 2023 aangegeven geen bezwaren te hebben tegen het afwijken van het bestemmingsplan. Daarnaast heeft zij laten weten dat de welstandscommissie van oordeel is dat het plan, getoetst aan de door de gemeenteraad vastgestelde criteria, voldoet aan redelijke eisen van welstand.
Wij behandelen deze adviezen in hoofdstuk 2 en 3.
In de Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen dat het verboden is zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied (artikel 2.7, tweede lid van de Wnb) en/of zonder ontheffing beschermde dieren en/of planten opzettelijk te doden, vangen, verstoren, vernielen, beschadigen etc. (zie de artikelen 3.1, 3.5 of 3.10, eerste lid van de Wnb)).
In het Bor artikel 2.2aa is opgenomen dat een omgevingsvergunning voor het aspect natuur verkregen moet worden wanneer men:
Een omgevingsvergunning natuur is niet van toepassing wanneer al toestemming op basis van de Wnb is verkregen of gevraagd. Verder is een omgevingsvergunning niet van toepassing wanneer voor het voorgenomen project geen vergunning en ontheffing op grond van de Wnb nodig is.
Separaat aan de aanvraag voor de omgevingsvergunning is een aanvraag voor de Wnb ingediend. Daarop is een positieve weigering afgegeven.
Bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning is een berekening van AERIUS gevoegd voor zowel de realisatie- als de gebruiksfase. Uit de AERIUS-berekeningen blijkt dat er op basis van de referentie situatie (1994) er geen toename is op stikstofgevoelige habitattypen. Separaat is een aanvraag voor de Wnb ingediend. Daarop is een positieve weigering afgegeven.
1.10. M.e.r.-beoordelingsbesluit
De activiteit van de inrichting (zuivelfabriek) zelf wordt als zodanig genoemd in bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.): D 36. De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie van een zuivelfabriek waarbij de activiteit betrekking heeft op een productiecapaciteit van 30.000 ton per jaar of meer.
De huidige aanvraag heeft echter geen betrekking op de oprichting, de uitbreiding of wijziging van de productie of een nieuwe installatie ten behoeve van een zuivelfabriek in de zin van D 36 van het Besluit m.e.r. Dat betekent dat er geen sprake is van een verplichting tot het maken van een milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer of van een m.e.r.-beoordeling.
1.11. Zienswijzen op de ontwerpbeschikking
Van het ontwerp van de beschikking hebben wij kennisgegeven in de Leeuwarder Courant en het Friesch Dagblad van 15 juli 2023. Daarnaast is de kennisgeving met de ontwerpbeschikking en de aanvraagdocumenten digitaal gepubliceerd op internet op: www.officielebekendmakingen.nl.
Vanaf 17 juli tot en met 28 augustus heeft het ontwerp ter inzage gelegen en is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Ten opzichte van de ontwerpvergunning zijn geen wijzigingen aangebracht.
De aanvraag omgevingsvergunning voor het (ver)bouwen van een bouwwerk (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a van de Wabo) kan alleen worden verleend als deze voldoet aan de in artikel 2.10, eerste lid van de Wabo gestelde toetsingscriteria.
Een toetsing aan deze criteria heeft plaatsgevonden.
De gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag omgevingsvergunning zijn getoetst aan de door de gemeenteraad vastgestelde criteria zoals gesteld in de gemeentelijke welstandsnota.
De aanvraag is op 03-04-2023 beoordeeld door de onafhankelijke welstandscommissie Hûs en Hiem Welstandsadvisering en Monumentenzorg (verder: de commissie). De commissie is van mening dat de aanvraag voldoet aan redelijke eisen van welstand W23ACH013-3.
Wij nemen het advies van de commissie over. De aanvraag voldoet aan redelijke eisen van welstand.
Over de ingediende stukken is op hoofdlijn voldoende aannemelijk gemaakt dat voldaan gaat worden aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012. De uitgewerkte constructieve tekeningen en detail berekeningen ontbreken nog. Definitieve constructieve berekeningen en tekeningen (dienen uiterlijk 3 weken voor aanvang van de bouwwerkzaamheden ter goedkeuring aan de FUMO te worden voorgelegd. Met de werkzaamheden mag pas na goedkeuring worden gestart.
Op grond van de overige ingediende stukken bij deze aanvraag is voldoende aannemelijk gemaakt dat wordt voldaan aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012.
De gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag omgevingsvergunning zijn getoetst aan de voorschriften van de gemeentelijke Bouwverordening. De aanvraag voldoet aan de voorschriften van de gemeentelijke bouwverordening.
Bestemmingsplan/beheersverordening
Het kadastrale perceel Gemeente Drogeham, sectie A, nummer 1740 plaatselijk bekend Verlaatsterweg 26 te Gerkesklooster is gelegen in een gebied waarvoor het bestemmingsplan ‘Gerkesklooster - Stroobos ‘ is vastgesteld. In dit bestemmingsplan hebben de gronden de bestemming ‘Enkelbestemming ‘Bedrijventerrein’ met functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijventerrein – zuivelfabriek’ en de bouwaanduidingen ‘specifieke bouwaanduiding - hogere bouwhoogte 1’ en ‘specifieke bouwaanduiding - hogere bouwhoogte 2’ en de gebiedsaanduiding ‘geluidzone – industrie’ ‘ (artikel 4 en 21 van de regels).
Op basis van artikel 4, lid 4.1, sub a, onder 4 zijn de voor ‘Bedrijventerrein‘ aangewezen grond bestemd vooreen zuivelfabriek, uitsluitend op de gronden ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van bedrijventerrein – zuivelfabriek”.
Op grond van lid 4.2, sub a, onder 1 dient een gebouw uitsluitend binnen een bouwvlak te worden gebouwd. Het melkontvangstgebouw inclusief silo’s komen buiten het bouwvlak. Daarnaast mag op grond van lid 4.2, sub a, onder 3 de afstand tot de zijdelingse en achterste perceelsgrens niet minder dan 3 m bedragen, dan wel de bestaande afstand indien deze minder is. De afstand is minder dan 3 meter ter plaatse van het melkontvangstgebouw
Tot slot geldt op grond van lid 4.2, sub d, onder 3 dat de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, buiten het bouwvlak niet meer dan 5,5 m en binnen het bouwvlak niet meer dan 11 m mag bedragen.
Diverse nieuwe silo’s zijn hoger dan 11 m¹: ter plaatse van het melkontvangstgebouw 19,655 m¹ en ter plaatse van de tankplaats kaasmelktanks zelfs 25,700 m¹.
Het bouwplan is om deze redenen strijdig met de regels van het bestemmingsplan. Zie ook onderdeel: “handelen in strijd met het bestemmingsplan
2.2 Handelen in strijd met het bestemmingsplan
De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a van de Wabo), is, zoals hierboven reeds vermeld, in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Op grond van artikel 2.10, tweede lid Wabo wordt de aanvraag dat in strijd is met het geldende bestemmingsplan tevens aangemerkt als een aanvraag voor het afwijken van het bestemmingsplan.
Voor zover sprake is van een aanvraag omgevingsvergunning voor gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c van de Wabo) kan de vergunning op grond van artikel 2.12 van de Wabo alleen worden verleend:
Ad a. Toetsing binnenplanse afwijking
Op basis van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 1° van de Wabo, in samenhang met artikel 4, lid 4.4, sub d van het bestemmingsplan is een binnenplanse afwijking mogelijk voor de hoogte van de silo’s.
Het bestemmingsplan voorziet niet in een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid voor de geconstateerde strijdigheid inzake het buiten het bouwvlak bouwen of voor minder dan 3 meter van de achterste erfgrens bouwen.
Ad.b. Toetsing buitenplanse afwijking - kruimelgeval
Op grond van artikel 2.12 eerste lid, onder a, sub 2° van de Wabo, samen met artikel 4, onderdeel 1 van bijlage II van het Bor, kan medewerking worden verleend aan een buitenplanse afwijking.
Ad.c. Toetsing buitenplanse afwijking - projectafwijkingsbesluit
Aan een buitenplanse afwijking voor een omgevingsvergunning die is voorzien van een ruimtelijke onderbouwing (projectafwijkingsbesluit) wordt niet toegekomen, omdat een buitenplanse afwijking - kruimelgeval tot de procedurele mogelijkheden behoort.
Afwijking van het bestemmingsplan is alleen wenselijk indien na een afweging van diverse belangen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Om de navolgende redenen is ons inziens sprake van een goede ruimtelijke ordening.
Het bouwplan is positief beoordeeld door de welstandscommissie. Hierbij is ook gekeken naar de inpasbaarheid van het bouwplan in relatie tot het straat- en bebouwingsbeeld. In de welstandsnota zijn gebiedsgerichte criteria opgenomen. De criteria zijn niet alleen gebaseerd op de bestaande ruimtelijke kwaliteiten van de gebieden; ze zijn ook ontstaan vanuit de doelstelling om in elk gebied een gewenst bebouwingsbeeld te realiseren. Het bouwplan is getoetst aan deze gebiedsgerichte criteria. De welstandscommissie is dan ook van mening dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld.
Gelet op bovenstaande overwegingen is het college van mening dat er geen beletsel is voor het verlenen van de omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan.
De aanvraag heeft betrekking op het veranderen van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, 2°, van de Wabo.
3.2. Toetsing oprichten, veranderen en/of revisie
Bij onze beslissing op de aanvraag hebben wij conform artikel 2.14, eerste lid, onder a, b en c van de Wabo:
In de onderstaande hoofdstukken lichten wij dit nader toe. Wij beperken ons tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed (kunnen) zijn.
De aangevraagde wijzigingen hebben geen gevolgen voor de aspecten afvalpreventie, verkeer en vervoer, bedrijfsafvalwater en geur. Deze aspecten zijn voldoende geregeld in de geldende vergunning. In deze veranderingsvergunning worden daarom voor deze aspecten geen voorschriften gesteld, maar wordt verwezen naar de voorschriften bij de revisievergunning van 19 juni 2018.
In het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) zijn voor een groot aantal activiteiten die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden, rechtstreeks werkende, algemene regels opgenomen.
De inrichting waarvoor vergunning is aangevraagd, is aangemerkt als een inrichting waarvoor vergunningplicht (type C inrichting) geldt.
Binnen het bedrijf vinden onder de gevraagde wijzigingen de volgende activiteiten plaats die vallen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit:
Er moet voor de gevraagde wijzigingen worden voldaan aan de volgende paragrafen uit het Activiteitenbesluit en de daarbij behorende Activiteitenregeling, voor zover deze betrekking hebben op de genoemde (deel)activiteiten:
Voor het overige is per hoofdstuk of afdeling aangegeven of deze op een type C inrichting van toepassing is. Dit betekent dat ook hoofdstuk 1, afdeling 2.1 tot en met 2.5, 2.10 en 2.11 van hoofdstuk 2 en de overgangsbepalingen uit hoofdstuk 6 van het Activiteitenbesluit van toepassing kunnen zijn. Van belang voor deze vergunning is, of de inrichting ook voor de activiteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen voldoet aan de beste beschikbare technieken. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf.
3.3.1 Melding Activiteitenbesluit
Gelet op artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit moet de verandering van de inrichting worden gemeld. Wij beschouwen de aanvraag daarom als melding in het kader van het Activiteitenbesluit.
De voorschriften voor het onderdeel milieu die in deze vergunning zijn opgenomen, betreffen aspecten en activiteiten die niet zijn geregeld in het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling.
4. Beste beschikbare technieken
In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen, of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast.
Bij het opstellen van de omgevingsvergunning milieu moet rekening worden gehouden met de BBT-conclusies. De Europese Commissie stelt de BBT-conclusies op en maakt deze bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.
BBT-conclusies is een document met de conclusies over beste beschikbare technieken, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, lid 5 en 7 van de Richtlijn industriële emissies (Rie).
Het verschil tussen artikel 13, lid 5 en lid 7 van de Rie is:
BBT-conclusies overeenkomstig artikel 13, lid 7 is het hoofdstuk Best available techniques (BAT) uit de BREF's. De Europese commissie heeft deze BREF's vastgesteld vóór 6 januari 2011. Dit hoofdstuk geldt als BBT-conclusies totdat de Europese Commissie voor die activiteit nieuwe BBT-conclusies vaststelt.
4.2. Concrete bepaling beste beschikbare technieken
Binnen de inrichting worden één of meer van de activiteiten uit bijlage 1 van de Rie uitgevoerd en wel de volgende: categorie 6.4, onder c, de bewerking en verwerking van uitsluitend melk, met een hoeveelheid ontvangen melk van meer dan 200 ton per dag (gemiddelde waarde op jaarbasis).
Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofactiviteit en aan andere relevante BBT-conclusies.
Op grond van artikel 9.2 van de Mor moet voor het bepalen van BBT binnen de inrichting aanvullend een toetsing plaatsvinden aan relevante aangewezen informatiedocumenten over BBT.
Uit jurisprudentie over vergunningverlening is gebleken dat het bevoegd gezag bij het toetsen aan BBT-conclusies moet nagaan of er ontwikkelingen van BBT hebben plaatsgevonden sinds het vaststellen van de BBT-conclusies. Bronnen voor ontwikkelingen over BBT zijn onder andere de concepten van herziene BREF’s.
Bij het bepalen van de BBT hebben we rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde BBT-conclusies:
BREF voedingsmiddelen-, dranken- en zuivelindustrie
Deze verticale BREF behandelt processen en activiteiten die bedoeld zijn voor de productie van voedingsmiddelen afkomstig van dierlijke materialen, plantaardige materialen en melk.
Deze BREF geeft aan dat deze sectoren te maken hebben met voedselveiligheid en dat dit invloed heeft op milieuaspecten. In de BREF zijn BBT opgesteld die niet in tegenspraak zijn met voedselveiligheid en hygiëne.
De belangrijkste milieuaspecten voor deze sectoren zijn waterverbruik en –verontreiniging, energieverbruik en afval.
In de BREF zijn BBT opgenomen voor de gehele voedingsmiddelen-, dranken- en zuivelindustrie en daarnaast zijn nog aanvullende BBT opgenomen voor enkele individuele sectoren.
Bij de aanvraag is een tabel gevoegd met daarin opgenomen de verschillende van toepassing zijnde BBT.
FrieslandCampina heeft een milieumanagementsysteem conform NEN-EN-ISO 14001, maar dit is niet gecertificeerd. Certificering is conform de BREF niet verplicht. Met dit milieumanagementsysteem en door het uitvoeren van de monitoring van emissies, de getroffen technische maatregelen, etc., zijn de BBT toegepast in overeenstemming met de BREF Voedingsmiddelen-, dranken- en zuivelindustrie.
Deze horizontale BREF heeft betrekking op industriële koelsystemen met lucht/water als koelmiddel. De BREF geeft een geïntegreerde benadering voor de bepaling van BBT voor industriële koelsystemen, maar erkent dat de uiteindelijke techniek locatieafhankelijk is. Ook moet te allen tijde de vereiste minimale procestemperatuur en de vereiste koelcapaciteit worden gegarandeerd.
Voor bestaande koelsystemen zijn de mogelijkheden voor preventie via technische maatregelen op de korte termijn gering en ligt de nadruk op terugdringen van de emissie via optimalisering van de werking en systeemcontrole.
Deze BREF is van toepassing op de inrichting, maar de gevraagde veranderingen hebben geen betrekking op de koelsystemen.
BREF Op- en overslag bulkgoederen
Deze horizontale BREF gaat in op alle soorten opslag. Deze BREF is van toepassing op een aantal activiteiten binnen de inrichting: de opslag van gevaarlijke vloeistoffen in emballage en in tanks, de opslag van gasflessen, de opslag van grondstoffen.
De gevraagde wijzigingen hebben alleen betrekking op de opslag van gevaarlijke stoffen in opslagtanks. Deze opslag moet voldoen aan de PGS 31-richtlijn ‘Overige gevaarlijke stoffen: opslag in ondergrondse en bovengrondse tankinstallaties’. Wij hebben hiervoor voorschriften opgenomen.
Gelet op het bovenstaande wordt voldaan aan de BBT uit de BREF Op- en overslag van bulkgoederen.
Deze horizontale BREF heeft betrekking op energie-efficiëntie. De installaties binnen de inrichting moeten op zodanige wijze gebuikt worden dat de energie op efficiënte wijze wordt benut. Door de toegepaste technieken zijn de BBT toegepast in overeenstemming met de BREF Energie-efficiëntie.
Er geldt een EED-auditplicht. Daarnaast wordt per 1 juli 2023 het Activiteitenbesluit aangepast en is dit vanaf deze datum voor energie ook van toepassing op type C-inrichtingen. Daarom hebben wij geen voorschriften voor energie verbonden aan deze vergunning.
REF Economic and cross-media effects
Deze horizontale REF is een ondersteunend document bij de beoordeling van BBT. Bij de bepaling van BBT moet, behalve met de kosten en baten, ook rekening gehouden worden met het voordeel voor het milieu en de verschillende effecten op de verschillende milieucompartimenten. Deze REF geeft informatie over cross-media-effecten (effecten op de verschillende milieucompartimenten), methodes om de effecten te bepalen aan de hand van voorbeelden en een methode voor de kosteneffectiviteitsberekening.
De inhoud van deze REF is bij de vaststelling van BBT betrokken. Binnen de andere betrokken BREF’s is al voldoende rekening gehouden met de inhoud van deze REF.
Wij hebben voor geluid voorschriften met emissiegrenswaarden en de bepaling daarvan in deze vergunning opgenomen, zoals bedoeld in artikel 2.22, lid 2 en 5 van de Wabo.
Deze horizontale REF beschrijft hoe de vergunningverleners en bedrijven met een IPPC-installatie moeten omgaan met monitoringsactiviteiten. Monitoring is om twee redenen opgenomen in de vereisten voor IPPC-installaties. Ten eerste om te kunnen controleren of aan de gestelde eisen wordt voldaan. Ten tweede om te kunnen rapporteren over de milieueffecten van de emissies. Het bedrijf stelt jaarlijks een integraal PRTR-verslag op.
Het bedrijf voldoet vanwege de EED-plicht en de aanstaande aanpassing van het Activiteitenbesluit aan de REF Monitoring.
Bij het bepalen van de BBT hebben wij tevens rekening gehouden met de volgende informatiedocumenten over BBT, zoals aangewezen in bijlage 1 van de Regeling omgevingsrecht (Mor):
Met betrekking tot de bepaling van BBT zijn de aspecten betrokken als genoemd in artikel 5.4, derde lid van het Bor.
De inrichting voldoet - met inachtneming van de aan dit besluit gehechte voorschriften - aan BBT. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf.
Wij zijn van oordeel dat de ingediende gegevens voldoende informatie bevatten voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving.
5. Afvalwater en waterbesparing
De nieuwe melkontvangst zal worden ingericht en gebruikt als wasplaats voor de uitwendige reiniging van vrachtwagens. De wasplaats zelf valt onder het Activiteitenbesluit. De vloer zal vloeistofdicht worden uitgevoerd en de afvalwaterstroom wordt geloosd via een olie-/benzineafscheider op de afvalwaterzuiveringsinstallatie op de locatie.
Binnen de inrichting is op dit moment al een wasplaats aanwezig (bij de melkontvangst achter het kantoor aan de voorzijde van het terrein); deze wasplaats is met de onderliggende revisievergunning al vergund en blijft in gebruik. Een deel van de reinigingen op de wasplaats aan de voorzijde verschuift naar de nieuwe wasplaats. Het aantal reinigingen neemt niet toe, waardoor er geen nieuwe afvalwaterstroom ontstaat en de hoeveelheid afvalwater hetzelfde blijft als vergund.
De gevraagde wijzigingen hebben geen invloed op de vergunde afvalwaterstromen. Wel kan door de ingebruikname van de nieuwe CIP-installatie (cleaning in place) van de kaasmakerij een grotere hoeveelheid permeaat gebruikt worden voor de CIP-processen. Door het toepassen van een nieuwe omgekeerde osmose-installatie zal de inname van leidingwater met 100.000 m3/jaar gereduceerd kunnen worden in 2025.
Vanaf 2025 is de verwachting dat ook permeaat ingezet kan worden voor de productieprocessen. Daarmee is de verwachting dat in 2030 de inname van leidingwater nogmaals gereduceerd zal worden met 50.000 m3/jaar.
Voor het aspect bodembescherming valt het bedrijf volledig onder het Activiteitenbesluit. In het kader van deze vergunningprocedure hoeft daarom geen nadere beoordeling plaats te vinden. Op grond van het Activiteitenbesluit moeten alle bedrijfsactiviteiten worden verricht met voorzieningen en maatregelen die leiden tot een verwaarloosbaar bodemrisico.
Bij de aanvraag/melding Activiteitenbesluit is een bodemrisicodocument gevoegd (‘Bodemrisicoanalyse FC – Gerkesklooster Cheese Gerkesklooster Verlaatsterweg 26 9873 PA Gerkesklooster’, opgesteld door FrieslandCampina, versie 6, van 8 februari 2023). Wij hebben het bodemrisicodocument beoordeeld en stemmen in met de opzet, de uitgangspunten en de resultaten. Uit het document blijkt dat niet voor alle bodembedreigende activiteiten het verwaarloosbaar bodemrisico wordt behaald. In het bodemrisicodocument is een plan van aanpak opgenomen om te komen tot een verwaarloosbaar bodemrisico voor de bodembedreigende activiteiten.
Bij de aanvraag is een bodemonderzoek gevoegd: ‘Verkennend bodem- en asbestonderzoek Tanklosplaats FrieslandCampina Gerkesklooster’, TAUW bv, projectnummer 1225829, van 15 september 2021.
Het uitgevoerde bodemonderzoek is als voldoende beoordeeld. De nulsituatie is hiermee in voldoende mate vastgesteld.
In het landelijke beleid zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer worden inrichtingen aan de hand van het jaarlijkse energieverbruik als volgt ingedeeld:
Uit de aanvraag blijkt dat sprake is van een energierelevante inrichting en van een energiegrootverbruiker.
7.2. Voorschriften voor vergunningplichtige bedrijven
Voor vergunningplichtige bedrijven geldt dat de energievoorschriften uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling (nog) niet rechtstreeks werkend zijn. Regels voor energiebesparing worden dan ook via voorschriften in de vergunning geregeld op basis van artikel 5.7 van het Bor. Dat artikel verplicht het bevoegd gezag voorschriften aan de vergunning te verbinden met betrekking tot een doelmatig gebruik van energie en grondstoffen. Dit betekent dat moet worden getoetst of de inrichting de beste beschikbare technieken (BBT) toepast om tot een zuinig energieverbruik te komen.
Per 1 juli 2023 treedt de onderzoeksplicht naar verduurzaming van het energieverbruik in het Activiteitenbesluit in werking. Deze onderzoeksplicht naar verduurzaming van het energieverbruik gaat ook gelden voor type C-inrichtingen, met uitzondering van de kleingebruikers. FrieslandCampina is een grootverbruiker, waardoor het Activiteitenbesluit rechtstreeks voor energie gaat gelden per 1 juli 2023. Omdat de vergunning op de onderhavige aanvraag pas na 1 juli 2023 in werking treedt, zijn geen voorschriften opgenomen voor energiebesparing in deze vergunning.
Binnen de inrichting zijn gevaarlijke stoffen aanwezig. De processen, de aard en hoeveelheid van de gebruikte gevaarlijke stoffen zoals vermeld in de aanvraag kunnen een risico vormen voor de omgeving.
Het externe veiligheidsbeleid in Nederland is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van activiteiten voor de omgeving (mens en milieu). Het gaat hierbij onder meer om de risico's die verbonden zijn aan de opslag en het gebruik van gevaarlijke stoffen.
Het huidige nationaal risicobeleid geeft aan dat het gevaar van een activiteit acceptabel is wanneer:
Het plaatsgebonden risico (PR) is een maatstaf om te bepalen welke afstand nodig is tussen de risicodragende activiteit en de bebouwde omgeving. Het plaatsgebonden risico is de kans dat zich op een bepaalde plaats over een periode van één jaar een dodelijk ongeval voordoet als direct gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen, indien zich op die plaats 24 uur per dag en onbeschermd een persoon zou bevinden. De gehanteerde norm voor het plaatsgebonden risico in Nederland is in beginsel 10-6 per jaar (d.w.z. een kans van 1 op de miljoen per jaar). Deze norm is opgenomen in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).
Het groepsrisico (GR) voegt daar als maatstaf aan toe de verwachte omvang van een ongeval uitgedrukt in het aantal dodelijke slachtoffers, gegeven de kans op dat ongeval. Het groepsrisico geeft de kans aan dat in een keer een groep personen die zich in de omgeving van de risicosituatie bevindt, overlijdt vanwege een ongeval met gevaarlijke stoffen. Met de grootheid groepsrisico is getracht een maat voor maatschappelijke ontwrichting te creëren. In het Bevi is een niet-normatieve benadering van het groepsrisico neergelegd. Het groepsrisico moet altijd verantwoord worden. Bij de beoordeling van het groepsrisico is de vraag aan de orde welke omvang van een ramp, gegeven de kans daarop, maatschappelijk aanvaardbaar is.
De aanvraag voor de omgevingsvergunning voor de verandering van de inrichting is voor externe veiligheid relevant in verband met de wijziging van de salpeterzuuropslag in een bovengrondse tank. Salpeterzuur (53%) valt onder ADR-klasse 8 en is tevens een acuut toxische stof categorie 3 (H331). Salpeterzuur (53%) is giftig bij inademing.
De producten natronloog en zoutzuur, die eveneens in tanks worden opgeslagen, vallen onder ADR-klasse 8 zonder bijkomend gevaar. Voor externe veiligheid zijn deze producten niet relevant.
De opslagtanks calciumchloride en citroenzuur zijn niet ADR-gereglementeerd en zijn voor externe veiligheid eveneens niet relevant.
Met het in werking treden van het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo) is de Europese Seveso III-richtlijn uit 2012 geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving. Het Brzo richt zich op het beheersen van zware ongevallen en heeft tot doel om het risico van (grote) ongevallen bij bedrijven zo klein mogelijk te maken. Dat gebeurt enerzijds door de kans op dergelijke ongevallen te verkleinen (proactief, preventie en preparatie) en anderzijds door de gevolgen van een eventueel ongeval voor mens en milieu te beperken (repressie).
De Seveso III-richtlijn bevat een lijst met bepaalde hoeveelheden van specifieke stoffen en stofgroepen (Bijlage I Seveso III-richtlijn). Worden die hoeveelheden (drempelwaarden) overschreden, dan is het Brzo van toepassing op de inrichting en gelden er extra regels naast de omgevingsvergunning. Het Brzo kan ook van toepassing zijn als de drempelwaarden per stofcategorie niet worden overschreden, maar bij het gewogen optellen van de stoffen de uitkomst daarvan gelijk of hoger is dan 1 (sommatieregeling).
Bij de aanvraag is een overzicht van gevaarlijke stoffen en een Brzo-toets gevoegd (bijlage 4.E). Daaruit blijkt dat een aantal stoffen worden opgeslagen en gebruikt die ook op voornoemde lijst staan. In de Brzo-toets zijn deze stoffen getoetst aan de drempelwaarden uit de Seveso III-richtlijn en is de sommatieregeling gehanteerd die daarbij hoort. Dit resulteert in de volgende sommatiewaarden:
Uit de sommatie blijkt dat bij alle Seveso-categorieën de drempelwaarde van 1 niet wordt bereikt. Hiermee valt de inrichting niet onder het toepassingsgebied van Brzo2015.
Omdat de hoeveelheden in de groep gezondheidsgevaren dicht tegen de Brzo-grens aan zitten, zijn extra voorschriften opgenomen, te weten:
Binnen de inrichting zijn de producten Acidplus VA35 en Divos A1 in respectievelijk een dagtank en IBC’s aanwezig. Dit betreffen al bestaande activiteiten die geen onderdeel uitmaken van de aangevraagde veranderingen.. Op basis van de veiligheidsinformatiebladen bestaan deze twee producten uit een hoeveelheid salpeterzuur boven 26%. In een beschrijving van de leverancier wordt aangetoond dat deze stoffen niet als toxisch (H331) geclassificeerd hoeven te worden. Deze producten zijn zodanig bewerkt dat zij niet kunnen uitdampen, waardoor de acute toxiciteit via inademing (H331) niet aanwezig kan zijn. Voor de Brzo-toetsing zijn deze producten dan ook niet relevant.
Vanwege de vastlegging van de hoeveelheden gevaarlijke stoffen in het kader van de Brzo, hebben wij in deze vergunning tabellen in de voorschriften opgenomen.
De inrichting valt onder de werkingssfeer van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Binnen de inrichting zijn installaties met gevaarlijke stoffen aanwezig die de drempelwaarden van de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) overschrijden. Het Bevi is op de inrichting van toepassing aangezien er ammoniakkoelinstallaties aanwezig zijn met een hoeveelheid van 2.280 kg ammoniak (ijswaterinstallatie). De overige drie ammoniakkoelinstallaties bevatten minder dan 1.500 kg ammoniak en vallen niet onder het Bevi.
Verder is een opslagtank aanwezig met een capaciteit van 45.000 liter met een maximale vullingsgraad van 67%. Deze wordt maximaal met 30.000 liter salpeterzuur (53%) gevuld, zijnde een toxische vloeistof. Een insluitsysteem waarin meer dan 1.000 liter toxische vloeistof aanwezig is, valt onder het Bevi.
Op grond van het Bevi dient de aanvraag voor deze vergunning voor de verandering van de inrichting te worden getoetst aan het plaatsgebonden risico 10-6 per jaar en dienen de gevolgen van deze aanvraag voor het groepsrisico te worden beoordeeld.
Voor de opslag en overslag van salpeterzuur is een QRA opgesteld, waarin is aangetoond dat buiten de inrichtingsgrens geen letale effecten te verwachten zijn. Voor de aardgasleiding op het terrein van de inrichting is geen PR10-6 berekend. Wel ligt het effectgebied van deze leiding buiten de grens van de inrichting. Doordat het effectgebied binnen de bestemming verkeersdoeleinden ligt, zijn er geen objecten van derden binnen het effectgebied aanwezig.
8.5. Beoordeling plaatsgebonden risico en groepsrisico
De ammoniakkoelinstallatie met 2.280 kg ammoniak is op grond van het Bevi aan te merken als een zogenaamde categoriale inrichting. Voor deze installatie zijn in de Revi vaste afstanden voor het PR en het invloedgebied vastgelegd. De ammoniakkoelinstallatie is volgens opstellingsuitvoering 1 in werking en het PR10-6 bedraagt bij een hoeveelheid van 2.280 kg 0 meter.
Voor deze koelinstallatie is op grond van de Revi geen invloedsgebied aanwezig. Het groepsrisico hoeft voor de ammoniakkoelinstallatie verder niet te worden beoordeeld.
Voor de opslag en overslag van salpeterzuur en de aardgasleiding op het terrein van de inrichting is geen PR10-6 berekend. Door het ontbreken van objecten binnen de 1%-letaliteitszone (invloedsgebied) is er geen sprake van een groepsrisico.
De aanvraag voldoet aan de eisen van het Bevi. De grens- en richtwaarde van het PR10-6 per jaar worden niet overschreden. De aanvraag levert geen nadelige gevolgen voor het groepsrisico op. Er zijn geen verblijfsobjecten van derden binnen het invloedsgebied aanwezig.
Risicovolle activiteiten die onder het Bevi en onder de Regeling provinciale risicokaart vallen en straks onder de Omgevingswet onder bijlage VII van het Besluit kwaliteitseisen leefomgeving vallen, moeten in het Register externe veiligheid (REV) zijn geregistreerd. De FUMO heeft deze registratie reeds uitgevoerd.
8.7. Op- en overslag van gevaarlijke stoffen (PGS-richtlijnen)
Voor de op- en overslag van gevaarlijke stoffen zijn richtlijnen opgesteld in de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu wordt gerealiseerd. Deze PGS-richtlijnen zijn vermeld als Nederlandse informatiedocumenten over BBT in de bijlage van de Mor.
Wij hebben ons in de voorschriften gebaseerd op de “Handreiking voor toepassing PGS Nieuwe Stijl in de periode tot inwerkingtreding Omgevingswet” en de mogelijkheid tot het toepassen van de interim-versie van een richtlijn zoals die zijn gepubliceerd op de website van de Publicatiereeks gevaarlijke stoffen.
In de handreiking is aangegeven dat het bevoegd gezag de mogelijkheid heeft om af te wijken van de nu nog geldende in de Mor aangewezen informatiedocumenten over BBT. Het bevoegd gezag heeft hierbij de verplichting om te motiveren waarom wordt afgeweken van het aangewezen BBT-document.
Op dit moment is er voldoende zekerheid dat de Omgevingswet per 1 januari 2024 in werking treedt. Daarbij gaat het hier om een nieuw te plaatsen opslagtanks. Door het voorschrijven van de actuele versie van de PGS is de vergunning klaar voor de Omgevingswet en hoeft deze niet na invoering daarvan alsnog (ambtshalve) te worden aangepast. Daarom hebben wij de interim-versie van de PGS 31-richtlijn opgenomen in de voorschriften.
Voor de beoordeling van de aanvraag van de inrichting is de volgende PGS-richtlijn relevant:
Deze interim-versie van de PGS 31 is zoals gezegd, al aangepast aan de Omgevingswet. In de projecttoelichting bij de aanvraag is aangegeven dat de nieuwe opslagtanks zullen worden gebouwd en geplaatst conform deze versie van de PGS 31.
De interim-versie is inhoudelijk gelijk aan de PGS 31 versie 1.1 van 2018, met uitzondering van voorschrift 2.2.26 dat in versie 2021 is komen te vervallen. Dit voorschrift heeft betrekking op het voorkomen van bodemverontreiniging. Dit betekent dat tot het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet de bodembescherming niet geregeld is via de PGS 31. In de aanvraag is in bijlage 11.D Bodemrisicoanalyse aangegeven dat de losplaats van de chemicaliëntanks wordt voorzien van een vloeistofdichte voorziening. Dit valt tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet onder het Activiteitenbesluit.
8.7.1. Opslagtanks salpeterzuur, natrolonloog en zoutzuur (PGS 31)
Op producten die onder een ADR-klasse vallen of een CMR-stof zijn, is de PGS 31 van toepassing. De aanvraag heeft betrekking op het plaatsen van nieuwe opslagtanks voor natronloog, salpeterzuur en zoutzuur, waarvoor de voorschriften van PGS 31 versie 2021 aan de vergunning worden verbonden.
Het product salpeterzuur (53%) valt onder ADR-klasse 8 en is voor externe veiligheid relevant in verband met de acute toxiciteit (H331). De producten natronloog en zoutzuur vallen ook onder ADR-klasse 8 zonder bijkomend gevaar, maar deze zijn voor externe veiligheid niet relevant. Deze producten leiden namelijk niet tot een risicovolle situatie buiten de inrichting.
Ondanks dat natronloog en zoutzuur niet relevant zijn voor externe veiligheid, worden de voorschriften van PGS 31 voor deze tanks voorgeschreven, met uitzondering van de in de PGS 31 genoemde certificeringseisen.
De opslagtanks calciumchloride en citroenzuur zijn niet ADR-gereglementeerd en vallen niet onder PGS 31. Voor deze tanks geldt de NRB (via het Activiteitenbesluit).
Alle nieuwe tanks worden enkelwandig uitgevoerd, met uitzondering van de zoutzuurtank. De zoutzuurtank wordt dubbelwandig uitgevoerd. De tanks zijn bij calamiteiten vanaf de openbare weg goed bereikbaar voor hulpdiensten.
De voorschriften 7.2.1 t/m 7.2.9 en 7.3.1 t/m 7.3.8 van de vergunning van de onderliggende revisievergunning van 19 juni 2018 trekken wij in. Voor de nieuwe opslagtanks verbinden wij nieuwe voorschriften aan deze vergunning.
Per brief van 28 april 2022 adviseert Brandweer Fryslân over de aanvraag om bij
het opstellen van de beschikking:
Dit betreft voorschrift 7.3.2 van de onderliggende revisievergunning. Zoals in de vorige paragraaf aangegeven trekken wij deze voorschriften in; deze behoren bij de oude tanks die verwijderd zullen gaan worden. De inhoud van voorschrift 7.3.2 hebben wij daarom opgenomen in voorschrift 2.2.3 behorend bij deze vergunning.
Bij de aanvraag is een beoordeling van een milieurisicoanalyse (hierna MRA) gevoegd (‘MRA-beoordeling FrieslandCampina Gerkesklooster’, opgesteld door TAUW bv, projectnummer 1225829, van 31 januari 2023).
Formeel dient FrieslandCampina in het kader van de aanvraag invulling te geven aan het CIW-rapport ‘Integrale aanpak van onvoorziene lozingen’. In 2021 is echter de conceptversie van het nieuwe handboek ‘Integrale aanpak van onvoorziene lozingen’ gepubliceerd en hieruit volgt dat het beleidskader significant gaat veranderen. Daar waar het rekenprogramma Proteus nu standaard in een MRA wordt toegepast, mogen MRA’s in de toekomst enkel onder voorwaarden met de rekensoftware worden uitgevoerd. Uit de door Rijkswaterstaat georganiseerde webinars is gebleken dat de activiteiten van zuivelbedrijven niet in Proteus gemodelleerd mogen worden.
Daarom wil FrieslandCampina uitstel vragen voor het uitvoeren van een volledige MRA tot het nieuwe beleidskader van kracht is. Bij de aanvraag is daarom een MRA-beoordeling gevoegd. Uit de MRA-beoordeling volgt dat voldaan wordt aan de stand der veiligheidstechniek.
Meerdere activiteiten overschrijden de drempelwaarden voor het oppervlaktewater en/of de RWZI. Daarom moet een volledige MRA uitgevoerd worden waarin de afstroomrisico’s van deze activiteiten onderzocht worden.
Wij kunnen instemmen met dit verzoek om uitstel. Omdat op dit moment onduidelijk is wanneer er meer duidelijkheid is over het gebruik van Proteus (huidige versie 4.5) als rekenprogramma, hebben wij wel een einddatum aan dit uitstel opgenomen in de voorschriften. Indien er binnen de in het voorschrift genoemde termijn geen duidelijkheid is over het gebruik van Proteus, dan dient alsnog een volledige MRA uitgevoerd te worden met gebruik van Proteus (of het dan vanuit wet- en regelgeving geldende rekenprogramma).
De bedrijfsactiviteiten hebben tot gevolg dat geluid wordt geproduceerd. Deze geluidsemissie wordt vooral veroorzaakt door installaties voor de productie van zuivelproducten en de daarbij voorkomende geluidsemissie door aanvoer van grondstoffen en de afvoer van gereed product. De veroorzaakte geluidsbelasting in de omgeving en de perioden waarin deze optreedt, is in kaart gebracht in een akoestisch rapport van TAUW bv, R027-1225829MJO-V04-aqb-NL, van 29 maart 2023.
Het geluid wordt beoordeeld op basis van de representatieve bedrijfssituatie (de geluidsemissie die de inrichting onder normale omstandigheden veroorzaakt). Beoordeeld worden de geluidsniveaus, te weten het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, de maximale geluidsniveaus en de indirecte hinder als gevolg van het in werking zijn van de inrichting.
Omdat wij de huidige geluidsvoorschriften niet meer passend achten, trekken wij op verzoek van de aanvrager de onderliggende geluidsvoorschriften in en vervangen wij deze door nieuwe geluidsvoorschriften. De voorschriften 5.1.1 en 5.2.1 t/m 5.2.3 van de onderliggende revisievergunning van 19 juni 2018 trekken wij in. Deze worden vervangen door de voorschriften 3.1.1, 3.1.2, 3.2.1 en 3.2.2 behorend bij deze vergunning.
9.2. Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau
De inrichting ligt op het gezoneerde industrieterrein “Verlaatsterweg” in Gerkesklooster.
In een eerdere versie van het akoestisch onderzoek waren enkele geluidsbronnen onjuist gemodelleerd. Dat is in de nieuwe versie aangepast. Naar aanleiding van het advies van de Welstandscommissie id een aantal onderdelen van locatie gewisseld. Omdat dit effect kan hebben op de geluidsemissie van een inrichting, is het akoestisch onderzoek ook aangepast en opnieuw doorgerekend in de versie van 29 maart 2023.
Het akoestisch onderzoek is volledig en de resultaten zijn correct berekend.
De FUMO heeft aanvullende berekeningen verricht, omdat er aan de Panwerkswal 3 een nieuwe woning bij is gekomen. Deze woning werkt deels afschermend naar de woning Panwerkswal 1. Hierdoor zijn de resultaten bij de berekeningen door de FUMO iets lager uitgevallen.
Tekstueel is in het akoestisch onderzoek een fout blijven staan:
“In de vigerende omgevingsvergunning met kenmerk 2016-FUMO-0019342 (afgegeven door de FUMO op 19 juni 2018) zijn geluidvoorschriften verbonden aan de optredende geluidniveaus vanwege het bedrijf in de omgeving van het bedrijf.”
De vergunning is niet door de FUMO, maar door Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân verleend.
De geluidsvoorschriften moeten zijn afgestemd op de geluidsemissie die de inrichting onder de representatieve bedrijfssituatie veroorzaakt. Daarnaast kunnen bedrijfsomstandigheden voorkomen die meer geluid veroorzaken dan de geluidsgrenzen voor de representatieve bedrijfssituatie toestaan, de zogenoemde niet-representatieve bedrijfssituatie(s).
Bij de vergunningverlening op de aanvraag nemen wij in ieder geval in acht de geldende grenswaarden voor gezoneerde industrieterreinen zoals bedoeld in de Wet geluidhinder. Voor gezoneerde industrieterreinen geldt als uitgangspunt dat de etmaalwaarde van het equivalente geluidsniveau vanwege het gehele industrieterrein buiten de zone niet meer mag bedragen dan 50 dB(A).
Van de zonebeheerder (FUMO) ontvingen wij een schriftelijke rapportage, kenmerk 2023-FUMO-0071571\0143 van 5 april 2023, waarbij de situatie voor en na de aanvraag in beeld is gebracht.
Daaruit blijkt dat na het vergunnen van de aanvraag voldaan wordt aan de artikelen 45 en 53 uit de Wet geluidhinder (zie artikel 2.14, eerste lid, onder c, sub 2o van de Wabo).
De zonebeheerder heeft verklaard dat de berekende geluidimmissie van de inrichting, gecumuleerd met de geluidimmissie van de overige op het industrieterrein gevestigde inrichtingen, past binnen de beschikbare geluidruimte voor het betreffende industrieterrein.
Er komen op dit industrieterrein twee bedrijfswoningen aan de Verlaatsterweg 12 en 12A voor. Voor deze bedrijfswoningen geldt een streefwaarde van maximaal 65 dB(A) volgens de Handleiding industrielawaai en vergunningverlening (verder Handreiking). Voor deze woningen gelden de wettelijke grenswaarden niet. Aan de in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening genoemde streefwaarde voor de cumulatieve geluidsbelasting van 65 dB(A) wordt voldaan.
9.3. Maximaal geluidsniveau (LAmax)
Volgens de Handreiking moet gestreefd worden naar het voorkomen van maximale geluidsniveaus die meer dan 10 dB boven het door de inrichting veroorzaakte equivalente niveau uitkomen.
De grenswaarden voor de maximale geluidsniveaus bedragen 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.
Bij meerdere beoordelingspunten worden de streefwaarden overschreden. Dat komt vooral in de avond- en nachtperiode voor. Aan de grenswaarden wordt echter voldaan.
De vergunninghouder heeft aangetoond dat verdere maatregelen ter verlaging van de geluidsniveaus op de beoordelingspunten redelijkerwijs niet mogelijk zijn.
Wij achten de overschrijding van de richtwaarden aanvaardbaar omdat aan de grenswaarden kan worden voldaan bij bijna alle woningen.
Ter hoogte van de woning Het Singel 20 wordt niet voldaan aan de grenswaarden. In de nachtperiode is een waarde van 61 dB(A) berekend, veroorzaakt door de vrachtwagenbewegingen. Hoewel deze vrachtwagens voldoen aan de BBT-criteria voor moderne transportmiddelen, wordt de grenswaarde van 60 dB(A) overschreden. Door technische en organisatorische maatregelen bij FrieslandCampina zijn de nadelige gevolgen voor het milieu zoveel mogelijk beperkt. Alle redelijkerwijs mogelijke technische en organisatorische maatregelen zijn getroffen, waardoor aan de BBT-voorwaarde is voldaan overeenkomstig de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening.
In de procedure voor het verlenen van de revisievergunning van 19 juni 2018 is een akoestisch onderzoek uitgevoerd om te bepalen of aan het vereiste binnenniveau van het Bouwbesluit 2012 kan worden voldaan (notitie van 13 januari 2017, kenmerk N005-1225829HUI-mwl-V01-NL). Het geluidsniveau was toen 62 dB(A) en is nu 61 dB(A). Omdat destijds al kon worden voldaan aan het vereiste binnenniveau van 35 dB(A), kunnen wij de conclusie trekken dat dat bij een geluidsniveau van 61 dB(A) ook het geval is. Het aanbieden van maatregelen voor de verbetering van de geluidwering voor de woning is hierdoor niet nodig. Het gaat bij de mogelijke overschrijding van de grenswaarde van 60 dB(A) om vier vrachtwagens in de nachtperiode.
In de voorschriften voor de aangevraagde activiteiten hebben wij rekening gehouden met geluidsniveaus inclusief het laden en lossen. Daarbij hebben wij overeenkomstig de Handreiking een ondergrens van 50, 45 en 40 dB(A) toegepast.
Wij hebben voorschriften voor het maximale geluidsniveau LAmax bij zeven woningen vastgelegd.
Het geluid van het verkeer van en naar een inrichting gelegen op een gezoneerd industrieterrein mag bij vergunningverlening niet worden getoetst aan de in de circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer" d.d. 29 februari 1996 genoemde grenswaarden. Dit omdat hierdoor het speciale regime en vergunningstelsel voor inrichtingen op een gezoneerd industrieterrein worden doorkruist.
Ten aanzien van de optredende geluidsniveaus is de aangevraagde situatie milieuhygiënisch aanvaardbaar.
Wij hebben aan de vergunning voorschriften verbonden, waarin grenswaarden zijn gesteld op beoordelingspunten bij woningen van derden. De geluidniveaus op deze punten is overeenkomstig de bij de aangevraagde activiteiten gewenste geluidsruimte.
Binnen de inrichting zijn en worden maatregelen en voorzieningen getroffen ter beperking van de geluidsproductie. Bij het opstellen van de voorschriften hebben wij rekening gehouden met die maatregelen en voorzieningen.
Gezien de aard van de activiteiten en de afstand tot de dichtstbijzijnde trillingsgevoelige bestemmingen is trillinghinder niet te verwachten. Een onderzoek naar trillingen achten wij daarom niet nodig. Ook achten wij het daarom niet nodig hierover voorschriften op te nemen.
Het algemeen luchtbeleid is gericht op het voorkomen dan wel zo veel mogelijk beperken van emissies naar de lucht door het toepassen van de beste beschikbare technieken (BBT) en het voldoen aan de luchtkwaliteitseisen van bijlage 2 van de Wet milieubeheer.
Luchtemissies voor inrichtingen worden in beginsel gereguleerd door de algemene regels van het Activiteitenbesluit. Deze eisen zijn rechtstreeks geldend en daarom niet in deze vergunning opgenomen.
Het Activiteitenbesluit biedt de mogelijkheid om in bepaalde gevallen en onder bepaalde voorwaarden bij maatwerkvoorschrift af te wijken van de algemene regels.
Indien en voor zover voor luchtemissies van IPPC-installaties BBT-conclusies zijn vastgesteld, gelden de algemene regels van Afdeling 2.3 echter niet (met uitzondering van de minimalisatieverplichting voor zeer zorgwekkende stoffen). Voor deze luchtemissies worden voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden die aansluiten bij de BBT-conclusies.
In deze vergunning wordt specifiek ingegaan op de luchtemissies van de inrichting. Naast de toetsing aan de beste beschikbare technieken en het Activiteitenbesluit wordt beoordeeld of de emissienormering van het Activiteitenbesluit toereikend is of dat er maatwerkvoorschriften moeten worden gesteld. Tevens wordt er getoetst aan de kwaliteitseisen uit Bijlage 2 van de Wm.
In de aanvraag is een aantal nieuwe of gewijzigde activiteiten opgenomen die emissies naar de lucht tot gevolg hebben. Daarvoor heeft FrieslandCampina een luchtkwaliteitsonderzoek opgesteld waarin de gehele inrichting is onderzocht:
Hierbij is onderscheid gemaakt tussen puntbronemissies afkomstig van procesinstallaties en verbrandingsinstallaties, alsmede van diffuse emissies en storingsemissies. De gevraagde veranderingen die een wijziging in de luchtemissies geven, zijn veranderingen in verkeer van/naar en op het terrein van de inrichting, veranderingen in de (mobiele) werktuigen en het buiten gebruik stellen van de Niro-brander. Alleen de Niro-brander is een puntbronemissie van een procesinstallatie. Deze bron wordt met deze vergunning ingetrokken, waardoor er alleen diffuse emissies veranderen binnen de inrichting. Binnen de inrichting wordt geen poeder meer geproduceerd. Stofemissie vanuit de droogtoren of de poedersilo’s is daarmee niet meer aan de orde. De poedertoren en poedersilo’s worden niet meer gebruikt voor het produceren en opslaan van poeder.
Op diffuse emissies is de Wet milieubeheer van toepassing.
In Titel 5.2 Wet milieubeheer en de bijbehorende bijlage 2 bij de Wet milieubeheer zijn grens- en richtwaarden gesteld aan de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht op leefniveau, die wij als toetsingscriteria moeten hanteren.
De inrichting emitteert een aantal stoffen waarvoor deze grenswaarden gelden, te weten stikstofdioxide en zwevende deeltjes (PM2,5 en PM10). Voor het totale gehalte in de PM10-fractie zijn richtwaarden opgenomen.
De inrichting heeft voor deze stoffen een immissietoets uitgevoerd. Dit is opgenomen in de aanvraag in bijlage 13 ‘FrieslandCampina Gerkesklooster, luchtkwaliteit’, opgesteld door TAUW bv, projectnummer 1225829, van 17 februari 2022.
Op grond van artikel 5.16, lid 1 van de Wet milieubeheer kan de vergunning alleen worden verleend, als aannemelijk gemaakt kan worden dat voldaan wordt aan (minimaal) één van de volgende criteria:
Op basis van verspreidingsberekeningen concluderen wij dat voldaan wordt aan de grenswaarden in Bijlage 2 van de Wet milieubeheer en dat daarmee de activiteiten vergunbaar zijn.
10.3. Eindconclusie aspect lucht
Wij zijn van oordeel dat uit de aanvraag blijkt dat er voldoende maatregelen worden toegepast c.q. zullen worden toegepast om luchtemissies te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.
REACH (Registratie Evaluatie en Autorisatie van Chemische stoffen) Verordening (EC) 1907/2006 is een Europese verordening over stoffen. REACH werkt rechtstreeks. Voor een deel van de op grond van REACH geregistreerde stoffen bestaat er een autorisatieplicht. Deze stoffen mogen niet zonder meer worden gebruikt.
Uit de aanvraag blijkt dat er binnen de inrichting stoffen worden geproduceerd, gebruikt en/of geëmitteerd waarop REACH van toepassing is.
In het kader van deze vergunning zijn wij nagegaan of er sprake is van een autorisatieplicht of restricties en of aan bepaalde specifieke stoffen die de inrichting produceert, gebruikt of emitteert, op grond van REACH in de toekomst een autorisatie of restrictie verbonden kan zijn. Bij het opstellen van de voorschriften hebben wij rekening gehouden met REACH. De inrichting moet voldoen aan de verplichtingen uit REACH.
Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op het veranderen van activiteiten van een inrichting kan worden geconcludeerd, dat de omgevingsvergunning kan worden verleend.
In deze vergunning zijn de voor deze activiteit relevante voorschriften opgenomen.
Voor de begrippen die niet in deze lijst zijn opgenomen refereren wij naar de definities zoals die zijn opgenomen in de geldende wet- en regelgeving (zoals het Activiteitenbesluit, de Activiteitenregeling, het Besluit omgevingsrecht, het Besluit externe veiligheid inrichtingen, etc.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2024-7101.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.