Omgevingsverordening provincie Drenthe

Gedeputeerde Staten van Drenthe;

gelet op artikel 2.8 van de Omgevingswet en de artikelen 5 en 6 van het Delegatiebesluit Omgevingsverordening Drenthe 2023;

Besluiten;

Artikel I

De Omgevingsverordening Drenthe 2023 te wijzigen zoals is aangegeven in artikel II en

zoals is aangegeven in Bijlage A

Artikel II

De Omgevingsverordening Drenthe 2023 wordt als volgt gewijzigd:

De geometrische begrenzing van het werkingsgebied Natuurnetwerk Nederland als opgenomen in bijlage I van de Omgevingsverordening Drenthe 2023 is gewijzigd.

Artikel III

Dit besluit treedt in werking op de dag na bekendmaking in het provinciaal blad.

Gedeputeerde Staten voornoemd,

mevrouw drs. J. Klijnsma, voorzitter

Assen, 26 maart 2024

Kenmerk 13/4.4/2024000424

Bijlage A

Omgevingsverordening provincie Drenthe

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

ammoniakemissie

emissie van ammoniak, uitgedrukt in kg NH3 per jaar

bedrijventerrein

Cluster van aaneengesloten percelen met een minimumoppervlakte van ten minste 1 hectare bruto dat vanwege zijn bestemming bestemd en geschikt is voor handel, nijverheid, industrie en commerciële en niet-commerciële dienstverlening, met uitzondering van terreinen voor agrarische doeleinden en terreinen voor afvalstort;

beeldkwaliteitsplan

plan dat eisen en aanbevelingen bevat met betrekking tot inpassing van ruimtelijke ontwikkelingen in relatie tot de karakteristieken en kwaliteiten van een gebied en met betrekking tot stedenbouwkundige en architectonische vorm, massa en (wegen)structuur van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen, met het oogmerk de kwaliteit van die ruimtelijke ontwikkelingen te waarborgen alsmede de wijze waarop deze in hun omgeving worden ingepast en dat juridisch deel uitmaakt van het omgevingsplan waarop het betrekking heeft

beplanting

opgaande gewassen bestaande uit bomen of struiken, inclusief het wortelstelsel en worteldruk. Beplanting kan het beheer van de provinciale structuur beïnvloeden, bijvoorbeeld doordat wortels deze raken. Beplanting kan het beheer beïnvloeden doordat zichtlijnen worden beperkt

boorput

met daartoe geschikte werktuigen aangebrachte put, daaronder begrepen een in de grond gecontroleerd en mechanisch aangebrachte sondering

bord

opschrift, aankondiging, afbeelding, kleurvlak en/of een combinatie daarvan, of ander als bord te gebruiken materiaal, inclusief de bijbehorende vaste of verplaatsbare draag-, bevestigings- en/of steunconstructies

boskern

een aaneengesloten houtopstand met in totaal een oppervlakte van ten minste 5 hectare bos. Singels en houtwallen die aansluiten op een bos zijn geen onderbreking van de boskern. Een beplanting is aansluitend wanneer er geen onderbrekingen in zitten die groter zijn dan 8 meter van stam tot stam gemeten aan de binnenkant van beide stammen

centrumgebied

Concentratiegebied met 5 of meer winkels of andere voorzieningen op korte afstand van elkaar, zoals bijvoorbeeld een binnenstad of buurt- en wijkcentrum.

gemeentelijke werklocatievisie

een beleidsdocument van een gemeente waarin - op basis van een analyse tussen alle gemeenten in een bedrijvenregio afstemming plaatsvindt over minimaal de planningsbehoefte en fasering voor de regionale werklocatie(s) in de desbetreffende gemeente en die de basis vormt voor afspraken met de provincie over de betreffende onderwerpen

gewasbeschermingsmiddelen

hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden

grond- of funderingswerken

een werk in de bodem, daaronder begrepen het plaatsen of verwijderen van palen, damwanden of folies

grondgebonden agrarisch bedrijf

agrarisch bedrijf waarvan de exploitatie geheel of grotendeels gebonden is aan aanwezige gronden, met uitzondering van varkens-, pluimvee- en geitenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen

intensieve veehouderij

agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en die gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier-, of geitenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van melkrundveehouderij, rundveemesterij waarbij de feitelijke bedrijfsvoering grondgebonden is, vleeskalverhouderij waarbij de feitelijke bedrijfsvoering grondgebonden is, en het biologisch houden van dieren conform de Landbouwkwaliteitswet;

kwaliteitscriteria

de in landelijke samenwerking tussen bevoegde gezagen ontwikkelde en beschikbaar gestelde vigerende kwaliteitscriteria voor vergunningverlening, toezicht en handhaving inzake de beschikbaarheid en de deskundigheid van organisaties die met de vergunningverlening, toezicht en handhaving van de betrokken wetten zijn belast

landgoed

een landschappelijk ontwikkeld gebied met één wooneenheid, eventueel in combinatie met ondergeschikte functies, die het voornamelijk door architectonische verbintenis met een landgoedontwerp allure en uitstraling verkrijgt

landschappelijk inpassingsplan

juridisch bindend plan dat aangeeft op welke wijze inpassing van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in het desbetreffende gebied plaatsvindt. Tot deze inpassing behoren situering van de opstallen en de inrichting van het perceel, waaronder de erfbeplanting ten opzichte van het landschap. Het gaat om bestaande en gewenste karakteristieken en kwaliteiten van het landschap. Een en ander uit zich in een ontwerpgerichte benadering waarin de karakteristieken en kwaliteiten verder worden versterkt

Lokaal bedrijventerrein

en bedrijventerrein dat:

1. plaats biedt aan bedrijven met een lokale oriëntatie om reden van de sociale binding aan de kern en haar directe omgeving (veelal doordat de eigenaar daar in de buurt woonachtig is) vooral qua arbeidsmarkt en qua toelevering- en afnemersrelaties;

2. bedrijven huisvest die kleinschalig zijn;

3. plaats biedt aan bedrijfsbebouwing die qua kwaliteit, volume en kavelgrootte aansluiten bij de kwaliteit van de directe omgeving;

4. geen ruimte biedt voor significant milieubelastende activiteiten (maximaal categorie 3.1 volgens VNG-uitgave 'Handreiking Bedrijven en Milieuzonering'), waarbij geldt dat op basis van duidelijke gemotiveerd uitzonderingsbeleid de vestiging van categorie-4-bedrijven eventueel ook mogelijk is;

maatschappelijk belang

een belang dat educatief, sociaal-medisch, sociaaleconomisch, sociaal-cultureel, recreatief of levensbeschouwelijk van aard is, de duurzaamheid bevordert, dan wel gerelateerd is aan sport of aan openbare dienstverlening

maximale emissiewaarde

de hoogste ammoniakemissie per dierplaats, die volgens het Besluit activiteiten leefomgeving bij een diercategorie is toegestaan

melkrundvee

- melkvee met bijbehorend vrouwelijk jongvee, dat overwegend wordt gehouden voor de melkproductie, met inbegrip van dieren die in de mestperiode worden gemolken, tijdens de lactatie worden gemest dan wel zijn drooggezet en worden afgemest, en

- vrouwelijk vleesvee ouder dan 2 jaar met bijbehorend vrouwelijk jongvee, dat op een met melkvee vergelijkbare manier wordt gehouden voor de vleesproductie en het voortbrengen en zogen van kalveren.

melkrundveehouderij

veehouderij die uitsluitend of in hoofdzaak gericht is op het bedrijfsmatig houden van melkrundvee

neventak

activiteiten die niet rechtstreeks tot de bedrijfsvoering van de agrarische hoofdactiviteit behoren en die op basis van de standaardopbrengst (SO) norm daaraan ondergeschikt zijn

omgevingsplan

omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet;

ondergeschikte detailhandel

detailhandel die in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend opzicht ondergeschikt is aan de op de ingevolge het omgevingsplan/bestemmingsplan toegestane hoofdfunctie (activiteit) en uitsluitend plaatsvindt als niet zelfstandig onderdeel van een onderneming in de vorm van verkoop c.q. levering van ter plaatse vervaardigde, bewerkte of herstelde goederen, dan wel goederen die in rechtstreeks verband staan met de onderneming.

openbare weg

hetgeen in artikel 1, eerste lid, sub b, van de Wegenverkeerswet 1994 wordt verstaan onder het begrip ‘wegen’, met uitzondering van die wegen die krachtens de Wegenverkeerswet 1994 alleen openstaan voor voetgangers en fietsers

plancapaciteit

de directe vestigingsmogelijkheden voor detailhandel die zijn vastgelegd in een juridisch bindend planologisch kader, zoals vastgestelde Omgevingsplannen/bestemmingsplan, uitwerkingsplannen, gebieden zonder omgevingsplan (witte vlekken) en verleende omgevingsvergunningen.

redengevende omschrijving

De cultuurhistorische waardenstelling en -omschrijving op basis waarvan een provinciaal monument is aangewezen, zoals bekend gemaakt in het Provinciaal blad en opgenomen in de Provinciale monumentenlijst Drenthe, te raadplegen via www.provincialemonumentendrenthe.nl.

Regionaal bedrijventerrein

een bedrijventerrein of locatie voor kantoren die plaats biedt aan bedrijven met een bovenlokale oriëntatie, zowel qua arbeidsmarkt als qua toelevering- en afnemersrelaties, en die is gelegen in een bedrijvenregio dan wel het VAM/MERA-terrein te Wijster betreft

Regionale bedrijventerreinenvisie

een regionaal beleidsdocument waarin - op basis van een gezamenlijke analyse - tussen alle gemeenten in een bedrijvenregio afstemming plaatsvindt over minimaal de planningsbehoefte en fasering voor de regionale bedrijventerreinen en die de basis vormt voor afspraken met de provincie over de betreffende onderwerpen

regionale waterkering

een waterkering, niet zijnde een primaire waterkering als bedoeld in de Waterwet, die beveiliging biedt tegen overstroming en die als zodanig is aangewezen in deze verordening

ruimte-voor-ruimte regeling

regeling ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in landelijk gebied door het verwijderen van landschapsontsierende bebouwing met een bedrijfsmatige of maatschappelijke functie, die geen functie meer heeft en waarvoor ter compensatie van de sloop een of meerdere woning(en) mag (mogen) worden gebouwd

vakantiepark

een terrein of een plaats van enige omvang, al dan niet geheel of gedeeltelijk met gemeenschappelijke voorzieningen ingericht en blijkens die inrichting en juridische bestemming bedoeld om meerdere recreatiewoningen of campings te plaatsen of geplaatst te houden

vrijkomende agrarische bebouwing

bebouwing op een bestaand agrarisch bouwperceel dat door (gedeeltelijke) beëindiging van het agrarische bedrijf vrij komt voor invulling met een niet-agrarische functie, dan wel gebouwen die als agrarisch gebouw zijn opgericht met een voormalige overeenkomstige bestemming en ook agrarisch in gebruik zijn geweest, maar inmiddels een niet-agrarische functie hebben

waterleidingmaatschappij

een bedrijf dat grond- of oppervlaktewater wint met het doel dit te gebruiken voor de bereiding van drinkwater voor de openbare drinkwatervoorziening

weidevogel

alle grondbroedende vogelsoorten op percelen die in agrarisch gebruik zijn

windturbine

door wind aangedreven molen die wordt gebruikt voor de productie van elektriciteit

Hoofdstuk 2 Aanwijzingen

Artikel 2.1 Aanwijzing Natuurnetwerk Nederland

De voor Natuurnetwerk Nederland aangewezen gronden zijn opgenomen in het geometrische informatieobject "Natuurnetwerk Nederland".

Artikel 2.2 Aanwijzing wegen geluidproductieplafonds

De voor geluidsproductieplafonds, als bedoeld in artikel 2.13a Omgevingswet, aangewezen provinciale wegen zijn opgenomen in het geometrische informatieobject "Omgevingswaarde - provinciale weg".

Artikel 2.3 Aanwijzing Stiltegebied

De als stiltegebied aangewezen gronden, in de zin van artikel 7.11 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving, zijn opgenomen in het geometrische informatieobject "Stiltegebied".

Hoofdstuk 3 Ruimtelijk Omgevingsbeleid

Titel 3.1 Kernkwaliteiten

Artikel 3.1 Kernkwaliteit Landschap
Artikel 3.2 Kernkwaliteit Cultuurhistorie
Artikel 3.3 Kernkwaliteit Archeologie
  • 1.

    De Kernkwaliteit Archeologie bestaat uit Waarde-Archeologie 1, Waarde-Archeologie 2 en Waarde-Archeologie 3.



  • 2.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op de Kernkwaliteit Archeologie:

    • a.

      houdt rekening met de aanwezige archeologische waarden en verwachtingen;

    • b.

      bevat de resultaten van het conform de normen van de Kwaliteits Norm Nederlandse Archeologie (KNA) verrichte onderzoek, alsmede de afstemming die hierover heeft plaatsgevonden met de provincie, en;

    • c.

      stelt regels en voorschriften ter bescherming van de aanwezige archeologische waarden en verwachtingen.

  • 3.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op Waarde-Archeologie 1:

    • a.

      verzekert, onverminderd het bepaalde in lid 2, dat de aanwezige archeologische monumenten in situ worden behouden, en;

    • b.

      houdt rekening met een buffer van 50 m als extra bescherming rond de begrenzing van het provinciaal belang.

  • 4.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op Waarde-Archeologie 2 verzekert dat de aanwezige archeologische monumenten in situ in de bodem worden behouden, met dien verstande dat archeologische monumenten ook ex situ kunnen worden behouden indien wordt aangetoond dat behoud in situ niet mogelijk is.

  • 5.

    In afwijking van het bepaalde in lid 2, sub b, van dit artikel kan archeologisch onderzoek achterwege blijven voor zover een omgevingsplan betrekking heeft op:

    • a.

      Waarde-Archeologie 2 en niet voorziet in grondroerende werkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 50 m² en een diepte van meer dan 10 centimeter;

    • b.

      Waarde-Archeologie 3 en niet voorziet in grondroerende werkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 1000 m² en een diepte van 30 cm gemeten vanaf het maaiveld, met dien verstande dat deze dieptemaat wordt gesteld op 0 centimeter voor zover geen bouwvoor aanwezig is en op 30 cm plus 10 cm niet-kerend woelen in agrarische gebieden of;

    • c.

      Waarde-Archeologie 3, voor zover dit plan tevens betrekking heeft op een voordenzone, en niet voorziet in grondroerende werkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 500 m² en een diepte van meer dan 10 cm.

Artikel 3.4 Kernkwaliteit Aardkundige Waarden
Artikel 3.5 Kernkwaliteit Stilte

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in de Kernkwaliteit Stiltegebied:

  • a.

    houdt rekening met de voorkomende stilte; en

  • b.

    maakt geen activiteiten mogelijk als beschreven in hoofdstuk 7, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat hiervoor de omgevingsvergunning kan worden verleend als genoemd in dat hoofdstuk.

Artikel 3.6 Kernkwaliteit Natuur

Op de bescherming van de Kernkwaliteit Natuur zijn de artikelen Artikel 3.30 en Artikel 3.31 van overeenkomstige toepassing

Artikel 3.7 Combinatiemodel

Artikel 3.1 tot en met Artikel 3.5 zijn niet van toepassing voor zover de raad in het desbetreffende omgevingsplan aantoont dat het niet mogelijk is een of meerdere van de bij het plan betrokken kernkwaliteiten in het plan met elkaar te verenigen op een manier die aan behoud en ontwikkeling van ieder van die kernkwaliteiten afzonderlijk ten goede komt, mits:

  • a.

    de raad in het desbetreffende omgevingsplan tussen de strategische opgaven zoals genoemd in de Omgevingsvisie en de kernkwaliteiten een zorgvuldige planologische afweging maakt, en;

  • b.

    voor zover de kernkwaliteiten cultuurhistorie, archeologie en aardkundige waarden door deze afweging aangetast raken, de informatiewaarde van de geschonden kernkwaliteiten waarwenselijk en mogelijk veilig gesteld wordt, op een wijze zoals minimaal passend op grond van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving of de in het betreffende beleidsveld geldende onderzoeksnormen.

Titel 3.2 Bruisend Drenthe

Artikel 3.8 Basisbepaling bruisend Drenthe

In een omgevingsplan wordt bij vaststelling uiteengezet hoe de met het plan beoogde ontwikkelingen passen binnen de strategische opgaven - voor zover van provinciaal belang - zoals weergegeven op de kaart Strategische Opgaven 2030 die in de omgevingsvisie voor het desbetreffende gebied is neergelegd.

Artikel 3.9 Ondergrond
  • 1.

    In een omgevingsplan waarin realisering van woonwijken, bedrijventerreinen en/of glastuinbouw is voorzien, wordt aangegeven hoe dat plan bijdraagt aan de provinciale beleidsdoelen voor bodemenergie.

  • 2.

    Een omgevingsplan laat geen ontwikkelingen toe die in verband staan met de opslag van afvalstoffen in de ondergrond, met uitzondering van de mogelijkheid tot de injectie van formatiewater uit gas- en oliewinning.

  • 3.

    Een omgevingsplan laat geen ontwikkelingen toe die in verband staan met de opslag van gevaarlijk of radioactief afval in de ondergrond.

  • 4.

    Een omgevingsplan laat geen ontwikkelingen toe die in verband staan met de injectie van CO2 in aquifers.

  • 5.

    Een omgevingsplan laat geen injectie van CO2 toe in 'lege' gasvelden met als oogmerk permanente opslag tenzij deze ontwikkelingen in overeenstemming zijn met hetgeen daarover is opgenomen in de door provinciale staten vastgestelde Structuurvisie ondergrond.

Artikel 3.10 Agrarische bedrijvigheid

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op Landbouwgebied voorziet niet in ontwikkelingen die een structureel negatief effect hebben op het functioneren van de agrarische sector in het gebied.

Artikel 3.11 Grondgebonden agrarisch bedrijf
  • 1.

    Een omgevingsplan binnen het werkingsgebied Grondgebonden agrarische bedrijvigheid kent aan een grondgebonden agrarisch bedrijf een bouwvlak van maximaal 1,5 hectare toe, waaronder mede begrepen alle voor de bedrijfsvoering noodzakelijke voorzieningen en de landschappelijke inpassing ervan.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan in een groter bouwvlak voorzien, mits deze ontwikkeling landschappelijk wordt ingepast blijkens een landschappelijk inpassingsplan.

  • 3.

    In afwijking van het eerste en tweede lid van dit artikel kunnen landschappelijke inpassing, erfbeplanting uitgezonderd, en sleuf- en mestsilo's alsmede mestplaten in het belang van de bedrijfsvoering ook buiten het bouwvlak worden gesitueerd wanneer dit een aantoonbaar wezenlijke verbetering van de ruimtelijke inpassing van een agrarisch bedrijf betekent.

Artikel 3.12 Intensieve veehouderij
  • 1.

    Een omgevingsplan voorziet niet in nieuwvestiging van intensieve veehouderijen en evenmin in het omschakelen van een grondgebonden agrarisch bedrijf naar een intensieve veehouderij. Dit geldt niet voor agrarische bedrijven waar door toepassing van de neventakbepaling, planologisch gezien de intensieve veehouderij niet meer als neventak kan worden beschouwd. Peildatum voor deze bepaling ligt op 20 augustus 2014.

  • 2.

    Een omgevingsplan staat aan een intensieve veehouderij een bouwvlak toe met een omvang van maximaal 1,5 hectare, waaronder mede begrepen alle voor de bedrijfsvoering noodzakelijke voorzieningen en de landschappelijke inpassing ervan.

  • 3.

    Een omgevingsplan dat voorziet in bedrijfsbebouwing ten behoeve van een intensieve veehouderij - de bedrijfswoning uitgezonderd - bestaat uit ten hoogste 1 bouwlaag.

  • 4.

    Een omgevingsplan kan, in afwijking van lid 2 van dit artikel, het bouwvlak voor een intensieve veehouderij vergroten tot maximaal 2 hectare, mits dit samengaat met winst voor het milieu en de landschappelijke inpassing berust op een landschappelijk inpassingsplan.

  • 5.

    In afwijking van het tweede en derde lid van dit artikel kunnen landschappelijke inpassing, erfbeplanting uitgezonderd, en mestsilo's ook buiten het bouwvlak worden gesitueerd wanneer dit een aantoonbaar wezenlijke verbetering van de ruimtelijke inpassing van een intensieve veehouderij betekent.

Artikel 3.12a Geitenhouderij en gezondheid
  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 3.12 bevat een omgevingsplan een verbod om:

    • a.

      een geitenhouderij te vestigen;

    • b.

      de functie geheel of gedeeltelijk te wijzigen in een geitenhouderij;.

    • c.

      het aantal geiten dat op een bestaande geitenhouderij wordt gehouden te vergroten;

    • d.

      de oppervlakte van een dierenverblijf voor geiten te vergroten, indien de geitenhouderij hiermee dichter bij kwetsbare functies komt te liggen of niet kan worden voldaan aan 3.13, tweede lid, van deze verordening;

    • e.

      een dierenverblijf voor een geitenhouderij op te richten en een gebouw of gronden voor het houden van geiten in gebruik te nemen;

    • f.

      bouwwerken of gronden tijdelijk te gebruiken voor een geitenhouderij.

  • 2.

    Indien een geitenhouderij is gesitueerd in een woonlint of nabij kwetsbare functies, kan een omgevingsplan voorzien in de verplaatsing van deze geitenhouderij indien aannemelijk is gemaakt dat met de verplaatsing sprake is van een verbetering van de gezondheidssituatie.

  • 3.

    Gedeputeerde Staten kan bij de beoordeling van een omgevingsplan voor een bestaande geitenhouderij afwijken van het verbod in het eerste lid onder d, indien uit onderzoek in voldoende mate is gebleken dat de gezondheid van personen die verblijven in nabij gelegen functies wordt geborgd. Gedeputeerde Staten betrekt bijde beoordeling in ieder geval;

    • a.

      de afstand van de geitenhouderijtot bestaande of geprojecteerde kwetsbare functies en een advies van de GGD of andere onafhankelijke deskundige, zo lang er geen algemene nieuwe inzichten zijn;

    • b.

      de maatregelen die het plan bevat die samengaan met winst voor het milieu, verdere verduurzaming (zoals bijvoorbeeld mest, energie en emissies) van het bedrijf en daarvoor voorzieningen nodig zijn, verbetering van dierenwelzijn en een goede landschappelijke inpassing.

  • 4.

    Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing als voor die activiteit vóór inwerkingtreding van deze verordening een omgevingsvergunning is verleend of een ontvankelijke aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend bij het bevoegd gezag, tenzij de aanvraag betrekking heeft op een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Artikel 3.13 Verplaatsing en sanering
  • 1.

    Een omgevingsplan kan voorzien in verplaatsing van intensieve veehouderijen naar Landbouwgebied in het geval sprake is van sanering, samenvoeging of het oplossen van een knelpunt binnen Drenthe, waarbij geldt dat:

    • a.

      het bouwvlak voor een intensieve veehouderij maximaal 1,5 hectare bedraagt, waaronder mede begrepen alle voor de bedrijfsvoering noodzakelijke voorzieningen en de landschappelijke inpassing ervan;

    • b.

      het bouwvlak, onverminderd de randvoorwaarden uit sub a van dit artikellid, voor een intensieve veehouderij bij maatwerk en landschappelijke inpassing blijkens een landschappelijk inpassingsplan tot maximaal 2 hectare kan worden vergroot, en;.

    • c.

      de bedrijfsbebouwing uit ten hoogste 1 bouwlaag bestaat.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid, onder a en b, kunnen landschappelijke inpassing, erfbeplanting uitgezonderd, en mestsilo's in het belang van de bedrijfsvoering ook buiten het bouwvlak worden gesitueerd wanneer dit een aantoonbaar wezenlijke verbetering van de ruimtelijke inpassing van een intensieve veehouderij betekent.

  • 3.

    In afwijking van Artikel 3.12, lid 2, kan een omgevingsplan in een groter bouwvlak voor intensieve veehouderij voorzien, indien:

    • a.

      de noodzaak daartoe aanwezig is voor een verdere verduurzaming (zoals bijvoorbeeld mest, energie en emissies) van het bedrijf en daarvoor voorzieningen nodig zijn (waaronder bebouwing) die ten gevolge van het ruimtegebrek niet kunnen worden gerealiseerd binnen het bouwvlak van 2 hectare, of;

    • b.

      de noodzaak daartoe aanwezig is voor een significante verbetering van het dierenwelzijn, mits het feitelijke en planologisch legale aantal aanwezige dieren daarmee niet toeneemt Artikel 3.12, vierde lid van overeenkomstige toepassing is, met dien verstande dat:

      • 1.

        het bouwvlak ten hoogste 2,5 hectare bedraagt, of

      • 2.

        het bouwvlak ten hoogste 3 hectare bedraagt, indien in de regels van het ruimtelijk plan wordt verzekerd dat de stikstofdepositie van de intensieve veehouderij met ten minste 10% afneemt ten opzichte van de feitelijke en planologisch legale situatie, of

      • 3.

        het bouwvlak ten hoogste 3,5 hectare bedraagt, indien in de regels van het ruimtelijk plan wordt verzekerd dat de stikstofdepositie van de intensieve veehouderij met ten minste 20% afneemt ten opzichte van de feitelijke en planologisch legale situatie en dit plan gepaard gaat met een landschappelijk inpassingsplan van een geregistreerde landschapsarchitect dat ten minste 10% van het gehele agrarische bouwvlak bedraagt, of

    • c.

      het gaat om samenvoeging in combinatie met sanering van een intensieve veehouderij. Het te saneren bedrijf moet grenzen aan het Natuurnetwerk Nederland of liggen in lintbebouwing of in een cluster van bebouwing. Hierbij geldt dat er sprake moet zijn van een aantoonbaar provinciaal belang, waarbij:

      • 1.

        het uit te breiden bedrijf ligt in Landbouwgebied;

      • 2.

        de te saneren locatie duurzaam wordt beëindigd;

      • 3.

        er sprake is van winst op het gebied van milieu, volksgezondheid en dierenwelzijn op de uit te breiden locatie;

      • 4.

        er sprake is van landschappelijke inpasbaarheid die berust op een landschappelijk inpassingsplan;

      • 5.

        de uitbreiding samengaat met investering in duurzame energievoorziening en;

      • 6.

        de uitbreiding van de oppervlakte van het bouwvlak met stallen niet groter is dan de oppervlakte die de te saneren locatie volgens een omgevingsplan bij recht mogelijk maakt.

Artikel 3.14 Overige agrarische activiteiten
  • 1.

    Een omgevingsplan kan uitsluitend voorzien in de nieuwvestiging van glastuinbouw ter plaatse van het werkingsgebied Glastuinbouw.

  • 2.

    Een omgevingsplan kan voorzien in alternatieve gebruiksmogelijkheden voor vrijkomende agrarische bebouwing als in dat omgevingsplan wordt aangetoond dat:

    • a.

      de nieuwe (bedrijfs)activiteit niet milieubelastend van aard is; en

    • b.

      de woonfunctie van de vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing gehandhaafd blijft.

  • 3.

    Een omgevingsplan kan alleen voorzien in realisering van vergistingsinstallaties bij agrarische bedrijven wanneer dit geen negatieve milieugevolgen met zich meebrengt.

  • 4.

    Of een vergistingsinstallatie negatieve milieugevolgen als bedoeld in lid 3 met zich meebrengt wordt door gedeputeerde staten beoordeeld aan de hand van het Beleidskader Co-vergisting 2006.

Artikel 3.15 Ruimte-voor-ruimte regeling
  • 1.

    Een omgevingsplan voor een gebied gelegen in Landelijk Gebied Gebied, kan voorzien in een ruimte-voor-ruimte regeling als in dat gebied bedrijfsmatige of maatschappelijke bebouwing aanwezig is die de oorspronkelijke functie is verloren, mits:

    • a.

      de sloopnorm voor 1 compensatiewoning ten minste 750 m² en ten minste 2.000 m² voor maximaal 2 compensatiewoningen aan bedrijfsbebouwing bedraagt;

    • b.

      onverminderd het bepaalde in sub a bedraagt de sloopnorm voor 3 compensatiewoningen ten minste 3.000 m² en ten minste 4.000 m² voor 4 compensatiewoningen en ten minste 5.000 m² voor 5 compensatiewoningen.

    • c.

      In afwijking van het bepaalde in sub c bedraagt de sloopnorm 6 compensatiewoningen wanneer meer dan 6.000 m² wordt gesloopt.

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in lid 1 kan een omgevingsplan voorzien in ten hoogste 4 woningen bij een sloopnorm van 2.000 m², voor zover de totale oppervlakte van alle woningen tezamen niet meer bedraagt dan 500 m².

  • 3.

    De ruimte-voor-ruimte regeling wordt vormgegeven met inachtneming van het volgende:

    • a.

      toepassing van de regeling is alleen mogelijk voor bebouwing die op 1 januari 2014 al aanwezig was;

    • b.

      in het omgevingsplan mag de mogelijkheid worden geboden tot het samenvoegen van bebouwing op meerdere percelen (saldering) om te kunnen komen tot de sloopnorm;

    • c.

      Bij het realiseren van drie of meer woningen als bedoeld in leden 1 en 2 toont het omgevingsplan aan dat de aantallen en doelgroep passen binnen de gemeentelijke woonvisie of omgevingsvisie, uitvoeringsprogramma’s en prestatie afspraken;

    • d.

      randvoorwaarden voor inpassing, omvang, inhoud en uiterlijk van de compensatiewoning worden vastgelegd; en

    • e.

      de randvoorwaarde dat bouw van een compensatiewoning niet plaatsvindt in Natuurnetwerk Nederland of Beekdal en bergingsgebied, tenzij de oorspronkelijke bebouwing in die gebieden wordt verwijderd.

Artikel 3.16 Woningbouw
  • 1.

    Een omgevingsplan dat in Landelijk Gebied aansluitend op Bestaand Stedelijk Gebied voorziet in nieuwe woningbouw, toont de behoefte aan op basis van de gemeentelijke woonvisie. De gemeentelijke woonvisie ten aanzien van de woningvoorraad:

    • a.

      draagt bij aan balans tussen vraag en aanbod in de gehele Drentse woningvoorraad op de lange termijn en is hiertoe afgestemd binnen de woningmarktregio's;

    • b.

      benoemt ten minste de kwaliteit, kwantiteit, doelgroepen, duurzaamheid en kernenstructuur;

    • c.

      schetst de opgaven in de bestaande woningvoorraad;

    • d.

      geeft aan op welke wijze balans op lange termijn wordt gerealiseerd, en

    • e.

      geeft een lange termijnbeeld.

  • 2.

    Een omgevingsplan kan in Landelijk Gebied voorzien in incidentele woningbouwmogelijkheden wanneer sprake is van bedrijfswoningen, een tweede bedrijfswoning bij een agrarisch bedrijf, het splitsen van boerderijen in twee of meer woningen en nieuwbouw die past binnen de kaders van de ruimte-voor-ruimte regeling.

  • 3.

    Onverminderd het bepaalde in lid 3, kan een omgevingsplan in Landelijk Gebied voorzien in een incidentele woningbouwmogelijkheid wanneer:

    • a.

      de bebouwing is gelegen in een bebouwingslint of een cluster van bebouwing;

    • b.

      er sprake is van een significante verbetering van de ruimtelijke kwaliteit;

    • c.

      er sprake is van een landschappelijke inpassing passend bij de gebiedskenmerken die zijn vastgelegd in een landschappelijk inpassingsplan, en;

    • d.

      het plan past binnen de gemeentelijke woonvisie.

  • 4.

    In uitzonderlijke gevallen kan een omgevingsplan in Landelijk Gebied voorzien in de realisatie van bijzondere woonmilieus, mits wordt aangetoond dat:

    • a.

      deze kleinschalig zijn;

    • b.

      deze gericht zijn op woonwensen en leefstijlen van kleine specifieke doelgroepen;

    • c.

      het uitgangspunt bij de ontwikkeling van deze woonmilieus een landschappelijk kader is dat aansluit bij de kernkwaliteiten van het gebied, en

    • d.

      het woonmilieu alleen kan worden ontwikkeld samen met het verbeteren van andere waarden, zoals het verhogen van de ruimtelijke kwaliteit, het vergroten van het cultuurhistorische karakter, het verbeteren van voorzieningen, het realiseren van de water- en natuuropgave en het versterken van de recreatie.

  • 5.

    Een omgevingsplan kan voorzien in een woonfunctie voor gronden met bebouwing die zijn functie verloren heeft, mits:

    • a.

      het bebouwing betreft die niet landschapsontsierend is;

    • b.

      het omgevingsplan een verbetering van de landschappelijke kwaliteit verzekert;

    • c.

      het omgevingsplan ten hoogste 6 woningen mogelijk maakt en niet gepaard gaat met externe bouwactiviteiten; en

    • d.

      wordt voldaan aan artikel 3.15, lid 3, sub a, c en d van deze verordening.

Artikel 3.17 Regionale werklocaties
Artikel 3.17a Grote vestigers
  • 1.

    In afwijking van lid 1 van artikel 3.17 vestigt een bedrijf van 5 hectare of meer zich uitsluitend op Regionale bedrijventerreinen.

  • 2.

    Een bedrijf als bedoeld in lid 1 kan zich uitsluitend vestigen op Regionale bedrijventerreinen, indien:

    • a.

      uit het omgevingsplan blijkt dat dit gebeurt op een wijze die passend is binnen in het landschap, mits verzekerd is dat een landschappelijke inpassing wordt gerealiseerd van ten minste 10% van bouwvlak;

    • b.

      het omgevingsplan voorziet in een combinatie met andere functies die een meerwaarde hebben voor andere provinciale doelen en belangen;

    • c.

      er sprake is van clustering langs de rijkswegen A32, A28 en A37 voor zover het gaat om logistieke bedrijvigheid;

    • d.

      er sprake is van regionale economische binding of het omgevingsplan leidt tot een duurzame werkgelegenheidsimpuls.

  • 3.

    Bij het aanwenden van hun bevoegdheden nemen Gedeputeerde Staten de handreiking ‘Grootschalige ruimtevragers Drenthe’ in acht met betrekking tot de toepassing van lid 2 van dit artikel.

Artikel 3.18 Lokale werklocaties
Artikel 3.19 Bedrijfsvestiging buiten een werklocatie
  • 1.

    In afwijking van Artikel 3.18, eerste lid, kan een omgevingsplan alleen voorzien in de vestiging of significante uitbreiding van een bestaand solitair in Landelijk Gebied gelegen bedrijf binnen categorie 1, 2 of 3 van de VNG publicatie Handreiking Bedrijven en Milieuzonering, indien:

    • a.

      het solitaire bedrijf op grond van een evenwichtige toedeling van functies niet op een bedrijventerrein gevestigd kan worden;

    • b.

      er sprake is van een gegroeide ontwikkeling waarbij er geen mogelijkheden zijn om een eind te maken aan de ontstane ruimtelijke situatie;

    • c.

      over de vestiging of uitbreiding van het bedrijf in het verleden bestuurlijke uitspraken zijn gedaan of intenties zijn vastgelegd, of;

    • d.

      de vestiging of uitbreiding aansluit op de grens van het werkingsgebied Bestaand stedelijk gebied en het omgevingsplan gepaard gaat met een landschappelijke inpassing die gericht is op een plus op de landschapskenmerken of ruimtelijke kwaliteit ter plaatse.

  • 2.

    In afwijking van Artikel 3.17, eerste lid kan een omgevingsplan buiten Regionaal bedrijventerreinen voorzien in de vestiging van één solitair bedrijf dat behoort tot milieucategorieën 4, 5, of 6 van VNG publicatie 'Handreiking Bedrijven en Milieuzonering', indien wordt aangetoond dat:

    • a.

      geen plaats is voor dit bedrijf op een Regionaal bedrijventerrein, en;

    • b.

      sprake is van een grote werkgelegenheidsimpuls, een actuele behoefte en een goede landschappelijke inpassing.

  • 3.

    In afwijking van Artikel 3.17, eerste lid kan een omgevingsplan voorzien in de vestiging van nieuwe bedrijven buiten een Regionaal bedrijventerrein die volgens de VNG systematiek 'Handreiking Bedrijven en Milieuzonering' vallen in categorie 4, voor zover dit gebeurt via door de betreffende gemeente vastgesteld uitzonderingsbeleid.

Artikel 3.20 Detailhandel
  • 1.

    Een omgevingsplan kan binnen Bestaand Stedelijk Gebied uitsluitend in nieuwe plancapaciteit voorzien binnen of direct in aansluiting op het centrumgebied.

  • 2.

    Een omgevingsplan voorziet binnen Bestaand Stedelijk Gebied uitsluitend in nieuwe plancapaciteit buiten het centrumgebied, indien één (of meer) van de volgende aspecten van toepassing is:

    • a.

      het een supermarkt betreft in een kleine kern (< 5.000 inwoners), die ruimtelijk niet (goed) inpasbaar is in het kleinschalige centrumgebied, waarbij in dat gebied nauwelijks sprake isvan een concentratie van winkels;

    • b.

      het detailhandel betreft in branches die niet essentieel zijn voor het functioneren van centrumgebieden en die door de grootte van de winkel of de aard en omvang van het assortiment niet of minder goed passen binnen centrumgebieden; detailhandel in de branchegroep dagelijkse goederen en de branchegroep mode & luxe zijn essentieel en daarom uitgesloten;

    • c.

      het kleinschalige ondergeschikte detailhandel aan huis betreft, en;

    • d.

      het detailhandel betreft met een kleiner winkelvloeroppervlak dan 500 m² op trafficlocaties of bij toeristische voorzieningen waarbij de detailhandel aansluit bij de aard van die voorzieningen.



  • 3.

    Een omgevingsplan voorziet niet in nieuwe plancapaciteit binnen Landelijk Gebied, tenzij:

    • a.

      wordt aangetoond dat de plancapaciteit naar aard en omvang niet inpasbaar is in Bestaand Stedelijk Gebied. Detailhandel in de branchegroepen dagelijks en mode & luxe zijn uitgesloten;

    • b.

      het detailhandel betreft met een kleiner winkelvloeroppervlak dan 500 m² op trafficlocaties of bij toeristische voorzieningen waarbij de detailhandel aansluit bij de aard van die voorzieningen, of;

    • c.

      het ondergeschikte detailhandel met een kleiner winkelvloeroppervlak dan 200 m² bij een bedrijf betreft, waarbij de aard van de verkochte goederen in verband staat met de hoofdactiviteit van dat bedrijf.

  • 4.

    Ten behoeve van een omgevingsplan dat voorziet in plancapaciteit met een groter winkelvloeroppervlak dan 1.500 m² (wvo) vindt regionale afstemming plaats met naburige gemeenten, waarvan het omgevingsplan een schriftelijke samenvatting van het proces en de overwegingen van verschillende gemeenten bevat.

Artikel 3.21 Mobiliteit

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op Landelijk Gebied met nieuwe woningbouwlocaties, voorzieningen, kantoren, (dag)recreatieve voorzieningen of bedrijven, die verkeersbewegingen kunnen veroorzaken die van wezenlijke invloed zijn op de verkeersafwikkeling via bestaande infrastructuur, geven inzicht in:

  • a.

    de mogelijkheden van bestaande verkeers- en vervoersvoorzieningen om de extra mobiliteit veilig en adequaat op te vangen;

  • b.

    de wijze waarop binnen het plan wordt voorzien in een adequate en veilige aansluiting op het bestaande wegen- en fietspadennet;

  • c.

    de wijze waarop aansluiting op het Basisnetwerk openbaar vervoer wordt gerealiseerd.

Artikel 3.22 Functiewijziging verblijfsrecreatie naar wonen
  • 1.

    Een omgevingsplan kan alleen voorzien in functiewijziging van verblijfsrecreatie naar wonen indien:

    • a.

      het gehele vakantiepark dan wel ruimtelijk samenhangende recreatiewoningen onderdeel is van één plan;

    • b.

      de functiewijziging betrekking heeft op een gedeelte van, of gehele parken dan wel ruimtelijk samenhangende onderdelen daarvan en niet op losse recreatiewoningen;

    • c.

      in het omgevingsplan inzicht wordt gegeven in de problematiek van het betreffende vakantiepark en dat een functiewijziging naar wonen bijdraagt aan de oplossing van deze problematiek;

    • d.

      de bestaande recreatiewoningen geen stacaravans of vergelijkbare bouwwerken zijn, tenzij in het omgevingsplan wordt geborgd dat de functiewijziging naar wonen in ieder geval gepaard gaat met een verbetering van de uiterlijke verschijningsvorm en de randvoorwaarden voor inpassing, omvang, inhoud en uiterlijk van de woning in het omgevingsplan worden vastgelegd.

    • e.

      de betreffende woningen voldoen aan de minimale wettelijke eisen en in het omgevingsplan gemotiveerd wordt dat de functiewijziging past binnen de gemeentelijke woonvisie ofwel de balans tussen vraag en aanbod in de woningvoorraad, zodat deze aansluit bij de demografische behoefte, en;

    • f.

      in het omgevingsplan wordt onderbouwd dat er een ruimtelijke, maatschappelijke en/of landschappelijke meerwaarde ontstaat, en het omgevingsplan vergezeld gaat van een uitvoeringsplan waarin de maatregelen staan die gericht zijn op de genoemde meerwaarde, dat juridisch verbonden is aan het betreffende omgevingsplan

  • 2.

    Gedeputeerde staten hechten er voor de beoordeling aan dat het omgevingsplan door en met betrokkenen tot stand is gekomen en zullen dit in hun afweging betrekken.

  • 3.

    Bij toepassing van dit artikel zijn de bepalingen van Artikel 3.16 niet van toepassing.

Artikel 3.23 Nieuwe verblijfsrecreatie en uitbreiding verblijfsrecreatie

Een omgevingsplan kan alleen voorzien in een nieuw vakantiepark of uitbreiding van een vakantiepark indien het omgevingsplan een levensvatbare langjarige bedrijfsmatige exploitatie van het vakantiepark waarborgt, zodat permanente bewoning van recreatiewoningen wordt voorkomen.

Artikel 3.24 Windenergie
  • 1.

    Een omgevingsplan kan alleen voorzien in de toepassing van windenergie indien uit het desbetreffende omgevingsplan blijkt dat dit gebeurt op een wijze die passend is binnen het landschap, waarbij:

    • a.

      de windturbine(s) op locaties komen waar het dynamische en technische karakter van de turbines aansluit bij verwante functies, of in landschappen waar turbines minder waarneembaar of dominant zijn;

    • b.

      de windturbine zodanig wordt geplaatst dat sprake is van een afzonderlijk waarneembare opstelling zodat er geen tot nauwelijks interferentie tussen de windturbines ontstaat, en;

    • c.

      geborgd is dat de windturbine(s) na uitgebruik name worden verwijderd.

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in lid 1 kan een omgevingsplan, wanneer het gaat om kleine installaties met een ashoogte van maximaal 15 m, voorzien in de toepassing van windenergie wanneer uit het desbetreffende plan blijkt dat dit gebeurt op een wijze die passend is binnen het landschap.

Artikel 3.25 Zonne-energie
  • 1.

    Een omgevingsplan dat voorziet in de realisatie van zonne-akkers met een grotere oppervlakte dan 140 m² neemt de maximale gemeentelijke oppervlakte in acht in Bijlage 12 bij deze verordening.

  • 2.

    Een omgevingsplan kan, onverminderd het bepaalde in lid 1, uitsluitend voorzien in de realisatie van zonne-akkers met een grotere oppervlakte dan 140 m² indien:

    • a.

      uit het omgevingsplan blijkt dat dit gebeurt op een wijze die passend is binnen het landschap;

    • b.

      er sprake is van een combinatie met andere functies of van een meerwaarde voor andere provinciale doelen en belangen;

    • c.

      het omgevingsplan , voor zover dit voorziet in zonne-akkers op agrarische landbouwgronden, aantoont dat niet in de behoefte kan worden voorzien binnen Bestaand Stedelijk Gebied ;

    • d.

      met het oog op zorgvuldig ruimtegebruik rekening wordt gehouden met de beschikbare netcapaciteit en de afstand van de zonne-akker tot beschikbare aansluitingspunten;

    • e.

      rekening wordt gehouden met de uitgangspunten van de Regionale Energiestrategie Drenthe;

    • f.

      in het omgevingsplan wordt vastgelegd hoeveel oppervlakte is vereist voor zonnepanelen, onderhoudspaden, voertuigpaden anders dan onderhoudspaden, schaduwval, transformatoropstellingen, omvormers, schakelstations, infrastructuur, onderhoudsgebouwen, en hekwerken;

    • g.

      het omgevingsplan vergezeld gaat van een participatieverslag waaruit blijkt dat concrete inspanningen zijn verricht om draagvlak voor het initiatief te genereren, en;

    • h.

      het omgevingsplan een maximale termijn van ten hoogste 25 jaar bevat, waarna de installaties dienen te worden verwijderd en de oorspronkelijke situatie hersteld.

  • 3.

    Bij het aanwenden van hun bevoegdheden nemen gedeputeerde staten de Beleidsregel Zon in acht met betrekking tot de uitleg van lid 2, sub a, b en g van dit artikel.

Artikel 3.26 Ontheffing
  • 1.

    Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van Burgemeester en Wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in Artikel 3.25, eerste lid, voor zover in dat geval de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid wegens bijzondere omstandigheden onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de met die regels te dienen provinciale belangen. Van bijzondere omstandigheden is uitsluitend sprake indien naar het oordeel van Gedeputeerde Staten:

    • a.

      sprake is van meervoudig ruimtegebruik ten behoeve van een concreet omschreven en actuele gebiedsopgave die hiermee in overwegende mate aantoonbaar wordt geoptimaliseerd;

    • b.

      de hoeveelheid zonne-akkers op land in een evenwichtige verhouding is met de hoeveelheid zonnepanelen op daken, dan wel dat wordt verzekerd dat de zonne-akkers gepaard gaan met een significante ontwikkeling voor zon op dak, en;

    • c.

      wordt voldaan aan de regels van artikel Artikel 3.25, tweede lid.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van de regels in Artikel 3.25, eerste lid, ten behoeve van een omgevingsplan dat voorziet in een zonne-akker van ten hoogste 2,5 hectare, voor zover in dat geval de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid wegens bijzondere omstandigheden onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de met die regels te dienen provinciale belangen.

Artikel 3.27 Radioastronomie
  • 1.

    Een omgevingsplan kan in Zonering radioastronomie zone I alleen voorzien in nieuwe bebouwings- en gebruiksmogelijkheden als hierbij geen elektromagnetische straling ontstaat die een storend effect heeft op de waarnemingen van de radiotelescopen in die gebieden en nadat advies hieromtrent is ingewonnen bij het Nederlands Instituut voor Radio Astronomie.

  • 2.

    Met het oog op het voorkomen van elektromagnetische straling die een storend effect heeft op de waarnemingen van radiotelescopen, voorziet een omgevingsplan binnen 'Zonering radioastronomie zone II' alleen in bedrijfsvestiging, -uitbreiding, intensivering van verkeer en andere activiteiten nadat advies is ingewonnen bij het Nederlands Instituut voor Radio Astronomie en voor zover in het omgevingsplan rekening wordt gehouden met het provinciaal belang bij het ontwikkelen van radioastronomie.

Artikel 3.28 Koloniën van Weldadigheid
Artikel 3.29 Nationaal Park Drentsche Aa
  • 1.

    Een omgevingsplan kan, voor zover dit plan betrekking heeft op het geheel dan wel een gedeelte van het Nationaal Park Drentsche Aa, alleen voorzien in ontwikkelingen voor zover deze bijdragen aan het behoud en het versterken van en niet in strijd zijn met de doelstellingen, kwaliteiten en kenmerken van het Nationaal Park Drentsche Aa zoals deze zijn opgenomen in het Beheer-, Inrichtings- en Ontwikkelingsplan Drentsche Aa 2.0 (2021 - 2030).

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid kan een omgevingsplan in ontwikkelingen voorzien wanneer:

    • a.

      de kenmerken van het landschap worden versterkt en er rekening wordt gehouden met het draagvermogen van het landschap gelet op de bouwvolumes, schaalgrootte en verschijningsvormen, en;

    • b.

      het omgevingsplan vergezeld gaat van een beeldkwaliteitsplan en landschappelijk inpassingsplan die juridisch verbonden zijn aan het desbetreffende ruimtelijke plan.

  • 3.

    In aanvulling van het eerste lid kan een omgevingsplan in ontwikkelingen voorzien wanneer:

    • a.

      er sprake is van een groot maatschappelijk belang met het oog op duurzame energieontwikkeling;

    • b.

      er geen reële andere mogelijkheden zijn;

    • c.

      er rekening wordt gehouden met het landschap en de eventuele nadelige gevolgen voor het landschap en tot de verhouding van het rendement;

    • d.

      de nadelige effecten op het behoud of de versterking van de kwaliteiten kenmerken van het Nationaal Park Drentsche Aa als bedoeld in het eerste lid waar mogelijk worden gemitigeerd en voor het overige worden gecompenseerd, waarbij:

      • 1.

        de compensatie niet mag leiden tot een nettoverlies van areaal, samenhang en kwaliteit van de kenmerken en kwaliteiten; en

      • 2.

        de compensatie plaatsvindt:

        • I.

          aansluitend aan of, als dat niet mogelijk is, nabij het aangetaste gebied;

        • II.

          door realisering van kwalitatief gelijkwaardige waarden of fysieke compensatie op afstand van het gebied;

        • III.

          of op financiële wijze.

Artikel 3.30 Bescherming Natuurnetwerk Nederland
  • 1.

    Een omgevingsplan of projectbesluit dat betrekking heeft op Natuurnetwerk Nederland bevat geen functies, activiteiten en regels die omzetting naar de natuurfunctie onomkeerbaar belemmeren en de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland aantasten of die kunnen leiden tot een vermindering van de kwaliteit, de oppervlakte of de samenhang tussen de gebieden van het Natuurnetwerk Nederland.

  • 2.

    Een omgevingsplan of projectbesluit dat betrekking heeft op Natuurnetwerk Nederland onderbouwt in ieder geval:

    • a.

      de wezenlijke kenmerken en waarden van het desbetreffende deel van Natuurnetwerk Nederland;

    • b.

      hoe de wezenlijke kenmerken en waarden worden beschermd; en

    • c.

      hoe negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden worden voorkomen.

Artikel 3.31 Afwijking Natuurnetwerk Nederland
  • 1.

    In afwijking van Artikel 3.30 kan een omgevingsplan of projectbesluit voorzien in nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten voor zover:

    • a.

      er sprake is van een groot openbaar belang;

    • b.

      er geen reële andere mogelijkheden zijn; en

    • c.

      de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende effecten worden gecompenseerd waarbij;

      • 1.

        de activiteiten niet mogen leiden tot een nettoverlies van areaal, samenhang en kwaliteit van de wezenlijke waarden en kenmerken;

      • 2.

        de compensatie plaatsvindt:

        • I.

          aansluitend aan of, als dat niet mogelijk is, nabij Natuurnetwerk Nederland;

        • II.

          in Natuurnetwerk Nederland wanneer deze gronden beleidsmatig niet zijn aangeduid als natuur, inclusief nieuwe natuur;

        • III.

          door realisering van kwalitatief gelijkwaardige waarden of fysieke compensatie op afstand van het gebied; of

        • IV.

          op financiële wijze; en

        • V.

          de compensatie plaatsvindt binnen twee jaar na vaststelling van het omgevingsplan dat voorziet in de aantasting.

    • d.

      in het omgevingsplanof projectbesluit wordt opgenomen:

      • 1.

        op welke wijze schade aan Natuurnetwerk Nederland zoveel mogelijk wordt voorkomen en resterende schade wordt gecompenseerd;

      • 2.

        hoe wordt geborgd dat de maatregelen voor de compensatie als bedoeld onder het eerste lid, onder c, sub 1, daadwerkelijk wordt uitgevoerd en de wijze waarop die compensatie duurzaam is verzekerd.

  • 2.

    Een omgevingsplan of projectbesluit kan in afwijking van Artikel 3.30 een activiteit of een combinatie van activiteiten mogelijk maken indien uit een provinciale of intergemeentelijke omgevingsvisie of programma blijkt dat die activiteit of combinatie van activiteiten ook tot doel heeft de kwaliteit of kwantiteit van Natuurnetwerk Nederland te verbeteren, waarbij in samenhang met een ander omgevingsplan of een of meer andere projectbesluiten die eveneens behoren tot de desbetreffende omgevingsvisie:

    • a.

      de kwaliteit van Natuurnetwerk Nederland verbetert, waarbij de oppervlakte van Natuurnetwerk Nederland niet afneemt;

    • b.

      het areaal van Natuurnetwerk Nederland wordt vergroot, ter compensatie van het gebied dat door de ontwikkeling verloren gaat, indien daarmee een beter functionerend Natuurnetwerk Nederland ontstaat, en;

    • c.

      in dat omgevingsplan of projectbesluit verantwoord wordt waaruit de aard, wijze en het tijdstip van realisatie van de kwaliteits- of kwantiteitswinst bestaat.

Artikel 3.32 Bijzonder provinciaal natuurgebied of landschap
  • 1.

    Het is verboden binnen Landgoed Overcingel zonder omgevingsvergunning van Gedeputeerde Staten activiteiten te verrichten die schadelijk kunnen zijn voor de in het aanwijzingsbesluit genoemde natuurwaarden en aanwezige cultuurhistorische kenmerken.

  • 2.

    Dit verbod is niet van toepassing op activiteiten die verricht worden overeenkomstig een beheerplan als bedoeld in artikel 3.34 dan wel activiteiten ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel als bedoeld in artikel 3.59, aanhef, sub a en b, van het Besluit Kwaliteit leefomgeving.

Artikel 3.33 Beheerplan
  • 1.

    Gedeputeerde Staten kunnen, in overeenstemming met de eigenaar of de gebruiker, voor Landgoed Overcingel, dan wel een gedeelte daarvan, een beheerplan vaststellen. Dit beheerplan heeft tot doel de beschrijving te geven van het beheer dat noodzakelijk is voor het behoud, het herstel of de ontwikkeling van de in het aanwijzingsbesluit genoemde natuurwaarden en aanwezige cultuurhistorische kenmerken. Het beheerplan kan een beschrijving bevatten van activiteiten die zijn vrijgesteld van de vergunningplicht als bedoeld in Artikel 3.32.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten kunnen een bedrag beschikbaar stellen voor de uitvoering van het beheerplan met een maximum van € 2.500,-- per jaar.

  • 3.

    Gedeputeerde Staten brengen het beheerplan ter kennis van burgemeester en wethouders van de gemeenten waarin het bijzondere provinciale natuurgebied dan wel het bijzondere provinciale landschap is gelegen.

  • 4.

    De eigenaar en de gebruiker zijn verplicht zorg te dragen voor de naleving van het beheerplan.

  • 5.

    Gedeputeerde Staten kunnen een vastgesteld beheerplan in overeenstemming met de eigenaar en de gebruiker wijzigen.

  • 6.

    Het beheerplan wordt vastgesteld voor een tijdvak van ten hoogste zes jaren.

Artikel 3.34 Landgoederen

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op de ontwikkeling van nieuwe landgoederen met een huis van allure, voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    het landgoed bevat minimaal vijf hectare nieuw aan te planten bos waarbij artikel 3.35 in acht word genomen;

  • b.

    de oppervlakte van het landgoed bedraagt minimaal tien hectare;

  • c.

    het landgoed is openbaar toegankelijk;

  • d.

    het landgoed vormt een ecologische, economische en esthetische eenheid waarbij sprake is van samenhang tussen bebouwing, beplanting, infrastructuur en landgebruik;

  • e.

    het landgoed past in het aanwezige landschap en houdt rekening met de cultuurhistorie en bodemgesteldheid.

Artikel 3.35 Bosclustering

Een omgevingsplan kan alleen voorzien in de aanleg van nieuw bos, als het nieuwe bos grenst aan één van de volgende gebieden:

  • a.

    een bestaand bos dat groter is dan 50 hectare, of aan een kleinere waardevolle bosgemeenschap;

  • b.

    een natuurgebied dat groter is dan 50 hectare;

  • c.

    een bestaand of toekomstig recreatiegebied, dat groter is dan 10 hectare;

  • d.

    een woonkern waarbij bestaande cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden niet worden aangetast.

Artikel 3.36 Water
  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op gebieden in het Beekdal, voorziet niet in nieuwe kapitaalintensieve functies.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan in nieuwe kapitaalintensieve functies voorzien wanneer is voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      er is sprake van een zwaarwegend maatschappelijk belang;

    • b.

      er zijn geen reële alternatieven;

    • c.

      de functie vormt op die locatie geen feitelijke belemmering om in de toekomst de afvoer- en bergingscapaciteit van het regionale watersysteem te vergroten; en;

    • d.

      het negatieve effect op het watersysteem wordt in het desbetreffende ruimtelijke plan gecompenseerd.

  • 3.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op Bergingsgebied strekt mede tot behoud van het waterbergend vermogen van dat gebied.

  • 4.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op Grondwaterbeschermingsgebied of Waterwingebied, strekt mede tot bescherming van die functie als grondwaterwingebied.

Artikel 3.37 Provinciale wegen

Een omgevingsplan maakt binnen het werkingsgebied provinciale weg geen handelingen, activiteiten of bestemmingen mogelijk die strijdig zijn met het meest doelmatige en efficiënte huidige of toekomstige gebruik van deze wegen.

Titel 3.3 Slotbepalingen

Artikel 3.38 Termijn verwerken instructieregels

De bepalingen van dit hoofdstuk in deze verordening zijn niet van toepassing op het tijdelijk deel van het omgevingsplan als bedoeld in artikel 22.1 van de Omgevingswet.

Hoofdstuk 4 Natuurbescherming

Titel 4.1 Soortenbescherming

Artikel 4.1 Vergunningvrije gevallen ruimtelijke inrichting, bestendig beheer en onderhoud
  • 1.

    Het verbod van artikel 11.54, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt niet voor exemplaren van de in de Bijlage 5 aangewezen soorten, voor zover de activiteit wordt verricht met het oog op de volgende belangen:

    • a.

      de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;

    • b.

      bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;

    • c.

      bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; of

    • d.

      bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied.

  • 2.

    Het vangen van exemplaren van soorten als bedoeld in het eerste lid is slechts toegestaan wanneer het redelijkerwijs niet mogelijk is om deze te verdrijven van de locatie waar de activiteit plaatsvindt.

  • 3.

    Het opzettelijk doden van exemplaren van soorten als bedoeld in het eerste lid is slechts toegestaan wanneer het redelijkerwijs niet mogelijk is deze te verdrijven of te vangen.

  • 4.

    Voor het vangen van exemplaren wordt alleen gebruik gemaakt van de in Bijlage 6 genoemde vangmiddelen.

  • 5.

    Exemplaren van soorten die zijn gevangen met gebruikmaking van de in het eerste lid bedoelde vrijstelling mogen worden uitgezet.

  • 6.

    Uitzetting als bedoeld in het vorige lid vindt plaats zo spoedig mogelijk na de vangst op een voor de betreffende soort geschikte locatie.

Artikel 4.2 Vergunningvrije gevallen veiligstelling tegen verkeer
  • 1.

    De verboden van artikel 11.46, eerste lid, onder a en b, en van artikel 11.54, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving gelden niet voor het vangen en het opzettelijk verstoren van amfibieën.

  • 2.

    Het eerste lid is alleen van toepassing op het vervoer van de dieren over een afstand van ten hoogste 50 meter vanaf de vangplaats en onder de voorwaarde dat de dieren na het vervoeren onmiddellijk weer in vrijheid worden gesteld.

Artikel 4.3 Vergunningvrije gevallen onderzoek en onderwijs
  • 1.

    Het verbod van artikel 11.54, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor het vangen van eieren van de meerkikker (Pelophylax ridibundus), bastaardkikker (Pelophylax esculenta), bruine kikker (Rana temporaria) en gewone pad (Bufo bufo).

  • 2.

    Het verbod van artikel 11.61, eerste lid, Besluit activiteiten leefomgeving geldt niet voor het uitzetten van eieren en van daaruit voortgekomen exemplaren van de in het eerste lid genoemde soorten, mits de metamorfose nog niet is voltooid.

  • 3.

    Het eerste lid en het tweede lid zijn alleen van toepassing voor handelingen in het kader van het gebruik van deze dieren bij onderzoek en onderwijs.

  • 4.

    Het uitzetten van eieren en dieren als bedoeld in het tweede lid dient plaats te vinden op de locatie waar de eieren zijn gevangen.

Artikel 4.4 Vergunningvrije gevallen weidevogelbescherming
  • 1.

    De verboden van artikel 11.37, eerste lid, onderdelen b. tot en met d., van het Besluit activiteiten leefomgeving gelden niet voor activiteiten in het kader van de bescherming van weidevogels, hun eieren en hun niet-vliegvlugge jongen tegen landbouwwerkzaamheden en vee.

  • 2.

    Het eerste lid is alleen van toepassing binnen het territorium van de betreffende weidevogel.

Artikel 4.5 Vergunningvrije gevallen schadesoorten
  • 1.

    Als schadeveroorzakende soorten als bedoeld in de artikel 11.44, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving worden aangewezen de soorten genoemd in Bijlage 7.

  • 2.

    Grondgebruikers mogen de soorten bedoeld in het eerste lid opzettelijk verstoren op de door hen gebruikte gronden, dan wel in of aan door hen gebruikte opstallen, ter voorkoming van in het lopende of het volgende jaar dreigende schade op deze gronden, in of aan deze opstallen of in het omringende gebied.

  • 3.

    Het tweede lid geldt ook voor de persoon of de wildbeheereenheid die daarvoor een door de grondgebruiker verleende schriftelijke en gedagtekende toestemming bij zich draagt en deze op eerste vordering van een daartoe bevoegde ambtenaar toont.

  • 4.

    Het tweede lid is niet van toepassing op het in de periode van 1 oktober tot 1 april opzettelijk verstoren van overwinterende ganzen in de in Bijlage 9 aangewezen rustgebieden.

  • 5.

    Bij het opzettelijk verstoren van de soorten als bedoeld in het tweede lid mag alleen gebruik worden gemaakt van de in Bijlage 8 genoemde middelen.

  • 6.

    De in het tweede lid bedoelde schade heeft uitsluitend betrekking op belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij, of wateren, als bedoeld in artikel 11.44, tweede lid, onder c., sub 1° van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Titel 4.2 Faunabeheer

Afdeling 4.2.1 Faunabeheereenheid Drenthe
Artikel 4.6 Faunabeheereenheid Drenthe

In aanvulling op de eisen gesteld in artikel 8.1 van de Omgevingswet voldoet de faunabeheereenheid Drenthe aan de volgende eisen:

  • a.

    bij of krachtens de statuten van de faunabeheereenheid Drenthe worden de rechten en plichten als genoemd in artikel 8.2 Omgevingswet opgenomen die de leden van de wildbeheereenheden in Drenthe hebben met betrekking tot de uitoefening van de aan de faunabeheereenheid Drenthe toekomende bevoegdheden, onderscheidenlijk de aan de faunabeheereenheid Drenthe toegestane handelingen; en

  • b.

    de binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid Drenthe gelegen gronden, waarop de in de faunabeheereenheid Drenthe samenwerkende jachthouders gerechtigd zijn tot de jacht, zijn gelegen in de provincie Drenthe.

Artikel 4.7 Bestuurssamenstelling
  • 1.

    In het bestuur van de faunabeheereenheid Drenthe zijn bestuurszetels beschikbaar voor de volgende organisaties:

    • a.

      drie zetels voor jachthouders of jachthouder vertegenwoordigende organisaties, landbouw en grondbezit;

    • b.

      drie zetels voor terrein beherende, dier, vogel, milieu en/of landschap beschermende organisaties.

  • 2.

    Elke organisatie als bedoeld in het eerste lid kan slechts één vertegenwoordiger voordragen voor een bestuurszetel.

  • 3.

    Een bestuurszetel kan worden ingevuld door een bestuurslid dat meerdere organisaties vertegenwoordigt.

Artikel 4.8 Voorzitter

Het bestuur van de faunabeheereenheid Drenthe wordt voorgezeten door een onafhankelijk voorzitter.

Artikel 4.9 Informatieverstrekking

De Faunabeheereenheid Drenthe informeert de achterban van alle in Artikel 4.7, eerste lid, bedoelde organisaties en jachthouders over de uitvoering van haar werkzaamheden.

Artikel 4.10 Jaarlijks verslag
  • 1.

    Het jaarlijks verslag van de Faunabeheereenheid Drenthe, bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van het Omgevingsbesluit, bevat in ieder geval de volgende gegevens:

    • a.

      cijfermatige rapportages over de uitvoering van omgevingsvergunningen voor een jachtgeweeractiviteit op basis van artikel 8.2 Omgevingswet en de uitvoering van de jacht, waarin opgenomen de aantallen gedode dieren en geraapte of onklaar gemaakte eieren, onderverdeeld naar diersoort, naar wildbeheereenheid;

    • b.

      telcijfers voor iedere in het faunabeheerplan beschreven diersoort;

    • c.

      rapportages van de toepassing van preventieve en alternatieve middelen ten aanzien van het voorkomen van schade.

  • 2.

    Het verslag als bedoeld in het eerste lid, dient uiterlijk op 1 mei van het daaropvolgende kalenderjaar te worden verstrekt.

  • 3.

    Het jaarlijks verslag wordt door de faunabeheereenheid Drenthe gepubliceerd op haar website en is daar voor een ieder raadpleegbaar gedurende de looptijd en tot tenminste twee jaren na het verstrijken van de looptijd van het faunabeheerplan waarop een jaarverslag betrekking heeft.

Afdeling 4.2.2 Faunabeheerplan
Artikel 4.11 Faunabeheerplan algemeen
  • 1.

    Een faunabeheerplan geldt voor het gehele werkgebied van de faunabeheereenheid Drenthe.

  • 2.

    De terreinen van de luchthavens Eelde en Hoogeveen behoren niet tot het werkgebied van de Faunabeheereenheid Drenthe.

  • 3.

    Ten behoeve van een planmatige en doelmatige aanpak (vanwege bijvoorbeeld de verspreiding van de soort, populatie en leefgebied) kan afgeweken worden van het eerste lid.

  • 4.

    Het faunabeheerplan heeft een geldigheidsduur van maximaal 6 jaar

  • 5.

    De faunabeheereenheid Drenthe kan het faunabeheerplan gedeeltelijk wijzigen gedurende het in het vierde lid genoemde tijdvak waarvoor het is vastgesteld.

  • 6.

    Gedeputeerde staten kunnen op verzoek van de faunabeheereenheid Drenthe de in het vierde lid genoemde geldigheidsduur van het faunabeheerplan eenmaal met maximaal 12 maanden verlengen.

Artikel 4.12 Inhoud faunabeheerplan
  • 1.

    Een faunabeheerplan bevat minimaal de volgende gegevens:

    • a.

      een beschrijving van de wijze waarop de planmatigheid en de coördinatie van de uitvoering van de maatregelen ter voorkoming van schade is gewaarborgd;

    • b.

      een omschrijving van de wijze waarop geborgd wordt dat de te treffen maatregelen de gunstige staat van instandhouding van de soorten waarop het plan betrekking heeft niet negatief beïnvloeden;

    • c.

      de omvang van het werkgebied van het faunabeheerplan;

    • d.

      een beschrijving van passende en doeltreffende maatregelen die kunnen worden ingezet om schade aan het belang genoemd in artikel 11.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, te voorkomen;

    • e.

      de voorwaarden waaronder het mogelijk is gebruik te maken van de aan de Faunabeheereenheid verleende omgevingsvergunning.

  • 2.

    Een faunabeheerplan voldoet voorts aan het navolgende:

    • a.

      gebruikte telgegevens van voorgaande jaren zijn gecontroleerd en gevalideerd;

    • b.

      relevante wetenschappelijke literatuur is gebruikt om conclusies te ondersteunen;

    • c.

      bronvermeldingen en referenties zijn conform wetenschappelijke richtlijnen op heldere en gestructureerde wijze vermeld en een literatuurlijst is aanwezig.

  • 3.

    Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen waar een faunabeheerplan aan moet voldoen voor zover het gaat om regels voor reeën.

Artikel 4.13 Inhoud faunabeheerplan, duurzaam beheer van populaties

In aanvulling op Artikel 4.12 bevat een faunabeheerplan met betrekking tot duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, tevens:

  • a.

    een beschrijving van de wijze waarop de planmatigheid en de coördinatie van de uitvoering van het duurzaam beheer van populaties is gewaarborgd;

  • b.

    kwantitatieve gegevens over de Drentse populatie van de diersoorten ten aanzien waarvan een duurzaam beheer noodzakelijk wordt geacht, met inbegrip van verspreidingsgegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied gedurende het jaar en trends van de Drentse populaties over de langere termijn;

  • c.

    een onderbouwing van de noodzaak van een duurzaam beheer van populaties van de in onderdeel b bedoelde diersoorten, waaronder een onderbouwing van de schade aan de belangen als bedoeld in artikel 8.74j, tweede lid, artikel 8.74k, tweede lid en artikel 8.74l, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

  • d.

    een beschrijving van de mate waarin de in onderdeel c bedoelde belangen in de 6 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn geschaad;

  • e.

    de gewenste stand van de in onderdeel b bedoelde diersoorten in relatie tot omvang van schades aan de belangen als bedoeld in artikel 8.74h, tweede lid, artikel 8.74i, tweede lid en artikel 8.74j, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

  • f.

    per diersoort en gewas een beschrijving van de handelingen die in de 6 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn verricht om het schaden van de in artikel 8.74j, tweede lid, artikel 8.74k, tweede lid en artikel 8.74l, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bedoelde belangen te voorkomen, alsmede, voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van die handelingen;

  • g.

    per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de handelingen die zullen worden verricht om de gewenste stand, bedoeld in onderdeel e, te bereiken;

  • h.

    een gemotiveerde beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de in onderdeel g bedoelde handelingen zullen plaatsvinden;

  • i.

    bepalingen over de voorwaarden waaronder het mogelijk is om gebruik te maken van een aan de faunabeheereenheid verleende ontheffing op gronden van jachthouders die geen lid zijn van een wildbeheereenheid in de provincie Drenthe, mits die gronden binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid vallen en voor zover die gronden plaatsen als bedoeld in onderdeel h omvatten waar planmatig beheer noodzakelijk is;

  • j.

    beschrijving van de wijze waarop een gunstige staat van instandhouding per diersoort gewaarborgd wordt.

Artikel 4.14 Inhoud faunabeheerplan, beheer- en schadebestrijding

In aanvulling op Artikel 4.12 en Artikel 4.13 bevat een faunabeheerplan indien sprake is van schadebestrijding tevens:

  • a.

    een beschrijving van de wijze waarop de planmatigheid en de coördinatie van de uitvoering van schadebestrijding is gewaarborgd;

  • b.

    kwantitatieve gegevens over de Drentse populatie van de diersoorten ten aanzien waarvan sprake is van schadebestrijding door grondgebruikers met inbegrip van verspreidingsgegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied gedurende het jaar en trends van de Drentse populaties over de langere termijn;

  • c.

    een onderbouwing van de noodzaak van schadebestrijding van de in onderdeel b bedoelde diersoorten, waaronder een onderbouwing van de schade aan de belangen als bedoeld in artikel 8.74j, tweede lid, artikel 8.74k, tweede lid en artikel 8.74l, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

  • d.

    een beschrijving van de mate waarin de in onderdeel c bedoelde belangen in de 6 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn geschaad;

  • e.

    per diersoort en gewas een beschrijving van de handelingen die in de 6 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan, zijn verricht om het schaden van de in onderdeel b bedoelde belangen te voorkomen, alsmede, voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van die handelingen;

  • f.

    een beschrijving van de gunstige staat van instandhouding en hoe deze gewaarborgd wordt;

  • g.

    per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de handelingen die zullen worden verricht om de schade zoals bedoeld in onderdeel c te voorkomen dan wel te beperken;

  • h.

    voor zover daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van de in onderdeel g bedoelde handelingen;

  • i.

    een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van de voorgenomen handelingen zal worden bepaald;

  • j.

    een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de in onderdeel g bedoelde handelingen zullen plaatsvinden;

  • k.

    bepalingen over de voorwaarden waaronder het mogelijk is om gebruik te maken van een aan de faunabeheereenheid verleende ontheffing op gronden van jachthouders die niet bij de faunabeheereenheid zijn aangesloten, mits die gronden binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid vallen en voor zover die gronden plaatsen als bedoeld in sub j omvatten waar planmatig beheer noodzakelijk is;

  • l.

    per beheermaatregel een aanduiding welk wettelijk belang, zoals uiteengezet in artikel 8.74j, tweede lid, artikel 8.74k, tweede lid en artikel 8.74l, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, deze activiteit dient, waarbij wordt aangegeven of sprake is van het behartigen van een publiek belang dan wel een privaat belang en welke organisaties hierbij belanghebbend zijn;

  • m.

    een gestructureerd plan waarin de inzet van passende en doeltreffende preventieve maatregelen wordt beschreven waarmee schade wordt voorkomen.

Artikel 4.15 Inhoud faunabeheerplan, jacht

Het faunabeheerplan bevat naast hetgeen dat is vereist op grond van Artikel 4.13 met betrekking tot de uitoefening van de jacht, tevens:

  • a.

    kwantitatieve gegevens over de Drentse populatie van de wildsoorten ten aanzien waarvan de uitoefening van de jacht plaatsvindt, waarbij inbegrepen verspreidingsgegevens en trends van de Drentse populaties op langere termijn;

  • b.

    een overzicht van de gerealiseerde afschotgegevens per wildsoort in de looptijd van het voorgaande faunabeheerplan;

  • c.

    de wijze waarop de faunabeheereenheid de jaarlijkse afschotgegevens van wildsoorten rapporteert en openbaar maakt.

Artikel 4.16 Goedkeuring faunabeheerplan
  • 1.

    Een faunabeheerplan kan ter goedkeuring worden aangeboden aan gedeputeerde staten nadat het bestuur van de Faunabeheereenheid Drenthe zich achter het plan heeft geschaard.

  • 2.

    Teneinde voor goedkeuring als bedoeld in artikel 8.1, tweede lid, tweede volzin, Omgevingswet in aanmerking te komen, voldoet een faunabeheerplan aan de artikelen 4.11 tot en met 4.15.

  • 3.

    Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een gehele of gedeeltelijke wijziging van het faunabeheerplan.

Afdeling 4.2.3 Wildbeheereenheden
Artikel 4.17 Werkgebied
  • 1.

    De zorg van een wildbeheereenheid strekt zich uit over een aaneengesloten gebied met een oppervlakte van tenminste 4.000 hectare binnen de provincie Drenthe.

  • 2.

    Het werkgebied van een wildbeheereenheid strekt zich niet uit tot:

    • a.

      het grondgebied van andere provincies; en

    • b.

      een gebied waarover zich de zorg van een andere wildbeheereenheid uitstrekt.

  • 3.

    De begrenzing van een wildbeheereenheid wordt door de desbetreffende wildbeheereenheid zelf vastgesteld en aangegeven op een topografische kaart.

  • 4.

    Een wildbeheereenheid kan, in overeenstemming met andere betrokken wildbeheereenheden, de begrenzingen van haar werkgebied wijzigen.

  • 5.

    De betrokken wildbeheereenheden informeren gedeputeerde staten schriftelijk als sprake is van het wijzigen van een begrenzing.

Artikel 4.18 Begrenzing werkgebied
  • 1.

    Het bestuur van iedere wildbeheereenheid zorgt voor het vastleggen van de begrenzing van het werkgebied van de wildbeheereenheid alsmede de begrenzing van ingelegen jachtvelden in een faunaregistratiesysteem.

  • 2.

    Grenswijzigingen van het werkgebied van een wildbeheereenheid of van de ingelegen jachtvelden worden door het bestuur van de wildbeheereenheid binnen één maand aangepast in het systeem als bedoeld in het eerste lid.

  • 3.

    De begrenzing van het werkgebied en grenswijzigingen van de wildbeheereenheden in Drenthe worden gepubliceerd op de website van de provincie Drenthe.

Artikel 4.19 Verplicht lidmaatschap wildbeheereenheid

Ingevolge artikel 8.2, vijfde lid, onder b van de Omgevingswet, worden geen uitzonderingen gemaakt op de wettelijke verplichting voor jachthouders met een jachtakte om zich te organiseren in een wildbeheereenheid.

Artikel 4.20 Jaarlijkse activiteiten
  • 1.

    De wildbeheereenheid neemt voor het gehele gebied waarover zich haar zorg uitstrekt in het kader van het faunabeheerplan jaarlijks deel aan;

    • a.

      trendtellingen van diersoorten waarvoor op basis van het faunabeheerplan omgevingsvergunningen voor een jachtgeweeractiviteit zijn verstrekt;

    • b.

      trendtellingen van diersoorten welke in verband met de schadehistorie zijn opgenomen in het faunabeheerplan;

    • c.

      afschotregistratie van diersoorten waarvoor op basis van het faunabeheerplan omgevingsvergunningen voor een jachtgeweeractiviteit zijn verstrekt;

    • d.

      afschotregistratie van diersoorten waarvoor aan de WBE een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit zijn verstrekt, en

    • e.

      registratie van dood gevonden dieren.

  • 2.

    Trendtellingen voor diersoorten, niet zijnde ree, worden uitgevoerd conform de meest recente 'Instructie voor WBE's bij de organisatie van faunatellingen' uitgegeven door de Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging.

  • 3.

    De verzamelde gegevens vanuit het eerste en tweede lid worden voor 1 september van het jaar waarin is geteld, door de wildbeheereenheden ingevoerd in een faunaregistratiesysteem.

Afdeling 4.2.4 Tegemoetkoming Faunaschade
Artikel 4.21 Aanvraag om tegemoetkoming
  • 1.

    Een aanvraag om een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 15.53 Omgevingswet wordt door de aanvrager langs elektronische weg bij BIJ12 ingediend op een daartoe vastgesteld formulier met bijlagen.

  • 2.

    De aanvraag wordt ingediend uiterlijk binnen 7 werkdagen nadat de aanvrager de schade heeft geconstateerd.

  • 3.

    Schade welke die niet binnen 7 werkdagen na constatering door de aanvrager op het in het eerste lid vermelde formulier met bijlagen bij BIJ12 is ingediend, komt niet voor een tegemoetkoming in aanmerking.

Artikel 4.22 Taxatie van de schade
  • 1.

    De aanvrager zal het gewas, de teelt of de producten, waarop de aanvraag om tegemoetkoming betrekking heeft, niet eerder oogsten of anderszins van zijn bedrijf afvoeren, dan nadat de schade definitief is getaxeerd door een taxateur die werkzaam is voor een door BIJ12 aangewezen taxatiebureau of een consulent faunazaken van BIJ12.

  • 2.

    Indien de aanvrager opmerkingen over het formulier 'bevestiging taxatie grondgebruiker' kenbaar wil maken, zendt hij zijn reactie binnen acht werkdagen per e-mail of per post naar BIJ12.

Titel 4.3 Houtopstanden

Artikel 4.23 Maatwerkregel vereisten melding voorgenomen velling
  • 1.

    Een melding als bedoeld in artikel 11.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt op digitale wijze gedaan door middel van een door gedeputeerde staten vastgesteld formulier.

  • 2.

    Bij de melding wordt een topografische kaart aangeleverd met een schaal van 1:25000 waarop de locatie van de velling is aangegeven.

Artikel 4.24 Maatwerkregel herbeplanten op bosbouwkundig verantwoorde wijze
  • 1.

    Onder op bosbouwkundig verantwoorde wijze herbeplanten als bedoeld in artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt verstaan:

    • a.

      een herbebossing die gericht wordt uitgevoerd om de doelen van houtproductie, natuur, landschap en/of cultuurhistorie te realiseren; of

    • b.

      een spontane natuurlijke verjonging.

  • 2.

    De herbeplanting als bedoeld in het eerste lid bestaat uit boomsoorten die geschikt zijn om gelet op de bodemkwaliteit en waterhuishouding ter plaatse uit te groeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand en heeft binnen drie jaar een bedekkingsgraad van 80%.

Artikel 4.25 Maatwerkregel voorwaarden aanvraag ontheffing herbeplanting op andere grond
  • 1.

    Een aanvraag voor een toestemming voor herbeplanting op andere grond als bedoeld in artikel 11.130 van het Besluit activiteiten leefomgeving geschiedt uiterlijk twee jaar na de velling.

  • 2.

    Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan op digitale wijze ingediend door middel van een door gedeputeerde staten vastgesteld aanvraagformulier.

  • 3.

    In bijzondere gevallen kunnen gedeputeerde staten afwijken van het eerste lid.

Artikel 4.26 Maatwerkvoorschrift voorwaarden herbeplanting op andere grond
  • 1.

    Gedeputeerde staten kunnen een toestemming voor herbeplanting op andere grond als bedoeld in artikel 11.130 van het Besluit activiteiten leefomgeving geven indien:

    • a.

      het perceel of de percelen waarop de herbeplanting wordt gerealiseerd zijn gelegen in provincies Drenthe, Groningen of Friesland;

    • b.

      de grond waarop de herbeplanting wordt gerealiseerd van minimaal gelijkwaardige kwaliteit is als die waarop zich de gevelde houtopstand bevond;

    • c.

      de grond waarop de herbeplanting wordt gerealiseerd minimaal dezelfde oppervlakte heeft als die waarop zich de gevelde houtopstand bevond; en

    • d.

      met de herbeplanting op andere grond naar het oordeel van gedeputeerde staten de waarden van houtproductie, natuur, landschap en cultuurhistorie niet onevenredig worden geschaad.

  • 2.

    De herbeplanting wordt gerealiseerd op landbouwgrond indien de herplantplicht ontstaat door een omvorming van bos naar landbouwgrond.

  • 3.

    Indien de gevelde opstand deel uitmaakte van een boskern vindt herbeplanting plaats in of aansluitend aan een boskern.

  • 4.

    Op de grond waarop de herbeplanting wordt gerealiseerd rusten geen bos- of natuurcompensatieverplichtingen die zijn ontstaan op grond van de Wet natuurbescherming of haar voorlopers of op grond van andere wet- en regelgeving.

  • 5.

    De herbeplanting vindt plaats op een bosbouwkundig verantwoorde wijze, zoals beschreven in artikel 4.24.

Artikel 4.27 Maatwerkvoorschrift vrijstelling herplantplicht productiebos
  • 1.

    De plicht tot herbeplanten van dezelfde grond als bedoeld in artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt niet indien:

    • a.

      voorafgaand aan de aanleg van de te vellen houtopstand melding was gedaan bij gedeputeerde staten en de mededeling als bedoeld in het derde lid is gedaan; en

    • b.

      op de grond waarop de te vellen houtopstand staat geen bos- of natuurcompensatieverplichtingen rusten die zijn ontstaan op grond van de Wet natuurbescherming of haar voorlopers of op grond van andere wet- en regelgeving.

  • 2.

    Een melding als bedoeld in het eerste lid, sub a, wordt op digitale wijze gedaan door middel van een door gedeputeerde staten vastgesteld formulier. Bij de melding wordt een topografische kaart aangeleverd met een schaal van 1:25000 waarop de locatie van de velling is aangegeven.

  • 3.

    Gedeputeerde staten doen binnen acht weken na ontvangst van de melding als bedoeld in het tweede lid mededeling over de vrijstelling.

  • 4.

    Gedeputeerde staten informeren de gemeente waarin de te bebossen grond is gelegen, over de vrijstelling.

  • 5.

    De vrijstelling vervalt na veertig jaar na de datum van aanleg, zoals deze datum blijkt uit de melding bedoeld in het tweede lid.

  • 6.

    De eigenaar van de grond dient op het moment van velling de mededeling over de vrijstelling als bedoeld in het derde lid te kunnen overleggen.

Titel 4.4 Ammoniak en veehouderij

Afdeling 4.4.1 Beoordelingsregels voor verzuring gevoelige gebieden
Artikel 4.28 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze titel is van toepassing op vergunningen voor het oprichten en uitbreiden van veehouderijen in voor verzuring gevoelig gebied, voor zover het gaat om de ammoniakemissie uit dierenverblijven.

  • 2.

    Veehouderijen bedoeld in lid 1 zijn agrarische bedrijven als bedoeld in paragraaf 3.6.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving die milieubelastende activiteiten verrichten als bedoeld in artikel 3.201 van het Besluit activiteiten leefomgeving (het exploiteren van een IPPC-installatie voor het houden van pluimvee of varkens) of milieubelastende activiteiten bedoeld in artikel 3.202 van het Besluit activiteiten leefomgeving (het exploiteren van een andere milieubelastende installatie), met inbegrip van paarden en/of pony's die gehouden worden voor het berijden er van, voor zover die activiteit wordt verricht in een dierenverblijf.

Artikel 4.29 Weigeringsgronden oprichten en veranderen veehouderij
  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders weigert een omgevingsvergunning voor het oprichten van een veehouderij bedoeld in Artikel 4.28 lid 2 , als een tot deze activiteiten behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een bij deze verordening aangewezen voor verzuring gevoelig gebied.

  • 2.

    Het college van burgemeester en wethouders weigert een omgevingsvergunning voor het veranderen van een veehouderij bedoeld in Artikel 4.28, lid 2, als

    • a.

      de aanvraag betrekking heeft op een uitbreiding van het aantal dieren van een of meer diercategorieën, en

    • b.

      een tot de deze activiteiten behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een bij deze verordening aangewezen voor verzuring gevoelig gebied.

Artikel 4.30 Uitzonderingen weigeringsgronden oprichten veehouderij
  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders kan in afwijking van Artikel 4.29, lid 1, een omgevingsvergunning verlenen als de veehouderij al was opgericht en onmiddellijk voorafgaand aan het ontstaan van de vergunningplicht onder de werking van het Besluit activiteiten leefomgeving viel, en

    • a.

      het aantal dieren per diercategorie niet hoger is dan overeenkomstig de betrokken algemene maatregel van bestuur onmiddellijk voorafgaand aan het ontstaan van de vergunningplicht aanwezig mocht zijn;

    • b.

      het aantal dieren van een of meer diercategorieën hoger is dan het aantal, bedoeld onder a, maar de ammoniakemissie niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie uit de dierenverblijven van de veehouderij die de veehouderij onmiddellijk voorafgaand aan het ontstaan van de vergunningplicht zou mogen veroorzaken en de emissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde die is toegestaan in het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • c.

      de veehouderij onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Interimwet ammoniak en veehouderij:

    • d.

      het aantal schapen of paarden hoger is dan bedoeld onder a;

    • e.

      het aantal dieren dat wordt gehouden volgens biologische productiemethoden als bedoeld in artikel 2 van de Landbouwkwaliteitswet hoger is dan bedoeld onder a, of

    • f.

      het aantal dieren dat wordt gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer, hoger is dan bedoeld onder a.

  • 2.

    Het college van burgemeester en wethouders weigert in afwijking van Artikel 4.29, lid 1, een omgevingsvergunning niet, als de dieren in de veehouderij uitsluitend of in hoofdzaak worden gehouden voor natuurbeheer.

Artikel 4.31 Uitzonderingen weigeringsgronden veranderen veehouderij

Het college van burgemeester en wethouders kan in afwijking van Artikel 4.29, lid 2 een omgevingsvergunning verlenen als:

  • a.

    de ammoniakemissie uit de dierenverblijven na de uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissiedie de veehouderij voorafgaand aan de uitbreiding:

    • 1.

      zou mogen veroorzaken als de emissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde, of

    • 2.

      mocht veroorzaken op grond van eerder verleende nog geldende vergunningen, als deze emissie lager is dan de veehouderij zou mogen veroorzaken als de emissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde;

  • b.

    in de veehouderij onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Interimwet ammoniak en veehouderij:

  • c.

    de uitbreiding schapen of paarden betreft;

  • d.

    de uitbreiding dieren betreft die gehouden worden volgens biologische productiemethoden als bedoeld in artikel 2 van de Landbouwkwaliteitswet, of

  • e.

    de uitbreiding dieren betreft die worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer.

Artikel 4.32 Niet meerekenen dieren waarvoor eerder uitzondering is gemaakt

Dieren waarvoor eerder een omgevingsvergunning is verleend met toepassing van Artikel 4.31, sub b tot en met e, of Artikel 4.30, lid 1, onder c tot en met f, worden bij een later verzoek voor aanpassing van de omgevingsvergunning niet meegerekend bij het bepalen van de emissie van ammoniak uit dierenverblijven die voorafgaand aan de uitbreiding zou mogen worden veroorzaakt.

Hoofdstuk 5 Bodem en gesloten stortplaatsen

Titel 5.1 Bodemsanering overgangsrecht Omgevingswet

Artikel 5.1 Overgangsrecht

Voor de provincie Drenthe met uitzondering van het grondgebied van de gemeente Emmen geldt dat voor bodemverontreinigingen, vallend onder het overgangsrecht als bedoeld in hoofdstuk 3 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet, de Wet bodembescherming van toepassing blijft.

Titel 5.2 Gesloten stortplaatsen

Artikel 5.2 Omgevingsvergunningplichtige activiteit
  • 1.

    Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning activiteiten te verrichten in, op, onder of over een gesloten stortplaats.

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor het treffen van maatregelen als bedoeld in artikel 8.49 van de wet Milieubeheer.

Artikel 5.3 Aanwijzing vergunningsplichtige gevallen

Onder de in Artikel 5.2 bedoelde activiteiten vallen:

  • a.

    een milieubelastende activiteit te verrichten;

  • b.

    werken te maken of te behouden;

  • c.

    stoffen of voorwerpen, niet zijnde afvalstoffen, te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen;

  • d.

    andere activiteiten te verrichten indien die activiteiten de uitvoering van de maatregelen, bedoeld in artikel 8.49, eerste lid, van de wet Milieubeheer, kunnen belemmeren, dan wel de nazorgvoorzieningen kunnen beschadigen.

Artikel 5.4 gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning op een gesloten stortplaats worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de voorgenomen activiteit bij de stortplaats en het gebied waarin nazorgvoorzieningen zijn gelegen;

  • b.

    het adres, de kadastrale aanduiding en een actuele kadastrale kaart waarop de locatie van de voorgenomen activiteit is aangegeven;

  • c.

    naam en adres van een ieder die een zakelijk of persoonlijk recht heeft op het grondgebied;

  • d.

    de maatregelen die worden getroffen om de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen;

  • e.

    de maatregelen die worden getroffen om de aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen;

  • f.

    de maatregelen die worden getroffen om anderszins de uitvoering van de nazorg niet te belemmeren; en

  • g.

    de wijze van evaluatie van en rapportage over de uitvoering van de onder d, e en f bedoelde maatregelen.

Artikel 5.5 Beoordelingsregels omgevingsvergunning gesloten stortplaatsen

Gedeputeerde Staten kunnen voor gesloten stortplaatsen op grond van art. 4.5 lid 1 en lid 2 Omgevingswet vergunningsvoorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning.

Artikel 5.6 Omgevingsplanactiviteit van provinciaal belang

Een omgevingsplanactiviteit die plaatsvindt op een gesloten stortplaats is een omgevingsplanactiviteit van provinciaal belang.

Artikel 5.7 Specifieke zorgplicht
  • 1.

    Degene die een activiteit in, op, onder, boven of bij een plaats waar de in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer bedoelde zorg voor een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben, is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken, en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  • 2.

    Deze plicht houdt in ieder geval in dat:

    • a.

      het veilig en doelmatig beheer van afvalstoffen in de gesloten stortplaats wordt verzekerd, en

    • b.

      alle passende maatregelen worden genomen om ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1 van de wet.

Hoofdstuk 6 Grondwaterbescherming

Titel 6.1 Zorgplicht

Artikel 6.1 Zorgplichtbepaling

Ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten de kwaliteit van het grondwater in een Grondwaterbeschermingsgebied, Waterwingebied, Verbodszone diepe boring Nietap,Verbodszone diepe boring Assen, Verbodszone diepe boring Hoogeveen Holtien en Zuidwolde, Verbodszone diepe boring Annen Breevenen en Kruidhaars en Grondwaterbeschermingsgebied Drentsche Aa kan worden geschaad, is verplicht dergelijk handelen achterwege te laten - behoudens voor zover dat ingevolge de bepalingen van dit hoofdstuk uitdrukkelijk is toegestaan - dan wel, als dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die schade te voorkomen, dan wel als die schade niet kan worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

Titel 6.2 Grondwaterbescherming

Afdeling 6.2.1 Indieningsvereisten
Artikel 6.2 Melding
  • 1.

    Indien in deze titel het doen van een melding is voorgeschreven, wordt in de melding aangegeven:

    • a.

      de naam en het adres van degene die de melding doet;

    • b.

      de dagtekening;

    • c.

      een beschrijving van de activiteit waarop de melding betrekking heeft;

    • d.

      een of meer kaarten op een zodanige schaal dat een duidelijk beeld wordt verkregen van de plaats waar de activiteit zal plaatsvinden;

    • e.

      op welke wijze aan de bodembeschermende voorschriften wordt voldaan.

  • 2.

    De melding wordt gedaan aan gedeputeerde staten uiterlijk 9 weken voordat tot de handeling waarop de melding betrekking heeft, wordt overgegaan.

  • 3.

    Het bevoegd gezag bevestigt de ontvangst van de melding en stuurt onverwijld een afschrift van de melding aan de waterleidingmaatschappij. De waterleidingmaatschappij geeft uiterlijk binnen 6 weken na de ontvangst van de melding schriftelijk zijn oordeel of op basis van die gegevens verwacht mag worden dat wordt voldaan aan de voorschriften, waarop de melding betrekking heeft.

  • 4.

    De aanvang van de daadwerkelijke uitvoering van de werkzaamheden waarop de melding betrekking heeft, wordt minimaal 2 weken van tevoren schriftelijk aan het bevoegd gezag gemeld.



  • 5.

    Indien de voorgenomen toepassing niet binnen 6 maanden na de verzending van de in het tweede lid bedoelde melding is aangevangen, dient opnieuw een melding te worden gedaan.

Afdeling 6.2.2 Waterwingebieden
Artikel 6.3 Milieubelastende activiteiten in waterwingebieden
  • 1.

    Het is verboden om in een Waterwingebied een milieubelastende activiteit uit te voeren waarvoor een omgevingsvergunning is vereist op grond van hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 2.

    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor de eigenmilieubelastende activiteitaar of exploitant van een waterleidingmaatschappij, indien het uitvoeren van een activiteit noodzakelijk is voor de openbare drinkwatervoorziening.



Artikel 6.4 Overige activiteiten in waterwingebieden
  • 1.

    Het is in een Waterwingebied verboden:

    • a.

      schadelijke stoffen te hebben, te gebruiken, te vervoeren of op of in de bodem te brengen;

    • b.

      een constructie of werk van welke aard dan ook op of in de bodem op te richten, tot stand te brengen, aan te leggen, te hebben of te gebruiken, als daarmee verspreiding van schadelijke stoffen in de bodem of aantasting van de beschermende werking van bodemlagen ontstaat of kan ontstaan;

    • c.

      grond of baggerspecie toe te passen waarvan de kwaliteit de achtergrondwaarde overschrijdt;

    • d.

      handelingen te verrichten waardoor direct of indirect warmte aan het grondwater wordt onttrokken of toegevoegd;

    • e.

      een lozing in de bodem uit te voeren.

  • 2.

    Als een (potentieel) schadelijke stof wordt aangemerkt:

    • a.

      een (potentieel) zeer zorgwekkende stof, zoals vastgesteld door het RIVM;

    • b.

      stoffen opgenomen in de Nederlandse Richtlijnen Bodembescherming 2012, deel 3, bijlage 2, stap 5, 'De stoffenlijst';

    • c.

      stoffen met een schadelijke werking op de smaak op geur van het grondwater, alsmede mengsels en verbindingen waaruit dergelijke stoffen in het grondwater kunnen ontstaan die het grondwater ongeschikt voor menselijke consumptie maken; en

    • d.

      Gewasbeschermingsmiddelen, biociden en derivaten daarvan.

  • 3.

    Onder de in het eerste lid, onder b, bedoelde constructies of werken worden in elk geval begrepen boorputten, grond- of funderingswerken, wegen, parkeergelegenheden voor motorvoertuigen, kampeerterreinen, recreatiecentra, leidingen, installaties, opslagreservoirs, begraafplaatsen en terreinen voor de uitstrooiing van as.

  • 4.

    Het in het eerste lid onder a, b en c gestelde veschadelijke stoffen hebben inbrengen of gebruikenrbod geldt niet voor:

    • a.

      het oprichten en hebben van boorputten voor de controle van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening;

    • b.

      het toepassen van strooizout ten behoeve van de gladheidbestrijding;

    • c.

      schadelijke stoffen aanwezig in en benodigd voor het doen functioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen;

    • d.

      het vervoeren van schadelijke stoffen in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een ongeopende verpakking;

    • e.

      het hebben of gebruiken van geringe hoeveelheden schadelijke stoffen, niet zijnde gewasbeschermingsmiddelen of biociden, bij woningen en andere gebouwen, mits bewaard in een afgesloten verpakking en beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden;

    • f.

      het verspreiden van baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud van watergangen, over het aangrenzend perceel met inachtneming van het Besluit bodemkwaliteit;

    • g.

      het onderzoeken en saneren van de bodem met inachtneming van de Wet bodembescherming.

  • 5.

    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor de eigenaar of exploitant van een waterleidingmaatschappij, indien de desbetreffende activiteit of gedraging noodzakelijk is voor de openbare drinkwatervoorziening of als de activiteit of gedraging is opgenomen in een waterbeheerprogramma.

Artikel 6.5 Waterbeheerprogramma

De waterleidingmaatschappij stelt, voor de bij haar in gebruik zijnde waterwingebieden, een waterbeheerprogramma op waarin is aangegeven op welke wijze de waterwingebieden zijn of worden ingericht en beheerd en op welke wijze de bodem en het grondwater worden beschermd met het oog op de waterwinning. In het waterbeheerprogramma kan worden aangegeven welke activiteiten en handelingen als bedoeld in Artikel 6.4 in het voor dat gebied opgestelde beheerprogramma naar de mening van de waterleidingmaatschappij in dat gebied toegestaan zijn.

Afdeling 6.2.3 Grondwaterbeschermingsgebieden
Artikel 6.6 Verboden
  • 1.

    De volgende beperkingsgebiedactiviteiten zijn in een Grondwaterbeschermingsgebied verboden:

    • a.

      een milieubelastende activiteit, als bedoeld in:

      • 1.

        afdeling 3.3 Besluit activiteiten leefomgeving, complexe bedrijven;

      • 2.

        artikel 3.24 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het opslaan van gevaarlijke vloeistoffen;

      • 3.

        artikel 3.27 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het opslaan van gevaarlijke meststoffen; en

      • 4.

        artikel 3.39 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het opslaan, mengen en scheiden van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke vloeistoffen.

    • b.

      Het bedrijfsmatig gebruik of aanwezig hebben van voor het grondwater schadelijke stoffen;

    • c.

      Boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben;

    • d.

      Grond- of funderingswerken te verrichten of sonderingen uit te voeren dieper dan 3 meter onder het maaiveld;

    • e.

      bodemenergiesystemen dieper dan 3 meter onder het maaiveld in de bodem te drukken;

    • f.

      ten aanzien van hemelwater van gebouwen en verhardingen een lozingsactiviteit te verrichten;

    • g.

      een lozingsactiviteit ten aanzien van hemelwater via diepinfiltratie in het grondwater te verrichten;

    • h.

      parkeergelegenheid voor motorvoertuigen, anders dan voor privégebruik, aan te bieden indien het terrein niet is voorzien van een aaneengesloten verharding;

    • i.

      een buisleiding voor het transport van gas (met uitzondering van aardgasleiding bestemd voor het plaatselijke transport van en naar particulieren en bedrijven), olie of chemicaliën, alsmede een leiding voor het transport van elektriciteit die wordt gekoeld met olie of chemicaliën aan te leggen, te vervangen, te veranderen of te verleggen;

    • j.

      een begraafplaats of uitstrooiveld, als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging, of een dierenbegraafplaats aan te leggen of te hebben;

    • k.

      IBC-bouwstof toe te passen;

    • l.

      grond of baggerspecie toe te passen, en;

    • m.

      het tot stand brengen van werken of verrichten van handelingen waardoor direct of indirect warmte of koude aan de bodem wordt onttrokken of toegevoegd.

  • 2.

    Als voor het grondwater schadelijke stof wordt aangemerkt een (potentieel) zeer zorgwekkende stof, zoals vastgesteld door het RIVM.

Artikel 6.7 Uitzonderingen
  • 1.

    Het in Artikel 6.6, lid 1, sub l gestelde verbod is niet van toepassing op grond of baggerspecie op of in de bodem indien de kwaliteit van de grond of baggerspecie:

    • a.

      de achtergrondwaarde niet overschrijdt, dan wel;

    • b.

      de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen niet overschrijdt, de kwaliteit van de ontvangende bodem gelijk is aan of slechter is dan de kwaliteitsklasse wonen en de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is.



  • 2.

    Het in Artikel 6.6, lid 1, sub l gestelde verbod is niet van toepassing op grond of baggerspecie in oppervlaktewater indien de kwaliteit van de grond of baggerspecie:

    • a.

      de achtergrondwaarde niet overschrijdt, of;

    • b.

      de maximale waarden van de kwaliteitsklasse A niet overschrijdt, de kwaliteit van de ontvangende waterbodem gelijk is aan of slechter is dan de kwaliteitsklasse A en de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is.



  • 3.

    Het in Artikel 6.6, lid 1, sub l gestelde verbod is niet van toepassing op grond of baggerspecie voor zover het betreft baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud van watergangen op het aangrenzend perceel, met het oog op het herstellen of verbeteren van die percelen.

Artikel 6.8 Algemene meldplichten

In afwijking van het bepaalde in Artikel 6.6, is het toegestaan voor zover daartoe 9 weken voor aanvang melding wordt gedaan aan gedeputeerde staten:

  • a.

    Boorputten op te richten voor de controle van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening;

  • b.

    de bodem te onderzoeken of saneren in het kader van de Wet bodembescherming;

  • c.

    tijdelijke bronbemaling te verrichten;

  • d.

    veedrinkputten aan te leggen die niet dieper gaan dan 10 meter beneden maaiveld.

Artikel 6.9 Meldplicht graafwerkzaamheden

In afwijking van het bepaalde in Artikel 6.6, lid 1, sub d, is het toegestaan voor zover daartoe 9 weken voor aanvang melding wordt gedaan bij gedeputeerde staten:

  • a.

    graafwerkzaamheden te verrichten die gepaard gaan met het verwijderen van grond die dieper gaan dan 3 meter en waarbij;

  • b.

    het bodemprofiel wordt aangevuld tot ten minste 3 meter onder het maaiveld zoals dat aanwezig was voorafgaand aan de graafwerkzaamheden, en aansluitend op eventueel aangelegde kunstwerken.

Artikel 6.10 Meldplicht funderingswerkzaamheden

In afwijking van het bepaalde in Artikel 6.6, lid 1, sub d, is het, voor zover daartoe 9 weken voor aanvang melding wordt gedaan bij gedeputeerde staten, toegestaan palen dieper dan 3 meter in te brengen waarbij gebruik wordt gemaakt van:

  • a.

    grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet;

  • b.

    in de grond gevormde palen waarbij een hulpbuis wordt gebruikt die niet plaatselijk is verbreed en die niet grondverdringend wordt ingebracht en niet wordt getrokken, of;

  • c.

    schroefpalen.

Artikel 6.11 Meldplicht lozingsactiviteit gebouwen en verhardingen

In afwijking van het bepaalde in Artikel 6.6, lid 1, sub f, is het, voor zover daartoe 9 weken voor aanvang melding wordt gedaan bij gedeputeerde staten, toegestaan lozingsactiviteiten te verrichten in de vorm van oppervlakkige infiltraties:

  • a.

    ten aanzien van gebouwen: indien geen bouwmaterialen worden gebruikt die tot gevolg hebben dat schadelijke stoffen door afspoelen of uitloging in het afstromend water kunnen komen en afstromend water uitsluitend infiltreert via een doelmatig werkend zuiveringssysteem;

  • b.

    ten aanzien van wegen: indien het afstromend water uitsluitend infiltreert via een doelmatig werkend zuiveringssysteem.



Afdeling 6.2.4 Verbodszone diepe boringen
Artikel 6.12 Verboden
Artikel 6.13 Algemene meldplichten

In afwijking van het bepaalde in Artikel 6.12, is het toegestaan voor zover daartoe 9 weken voor aanvang melding wordt gedaan bij gedeputeerde staten:

  • a.

    Boorputten op te richten voor de controle van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening;

  • b.

    de bodem te onderzoeken of te saneren in het kader van de Wet bodembescherming;

  • c.

    tijdelijke bronbemaling te verrichten;

  • d.

    veedrinkputten aan te leggen die niet dieper gaan dan 10 meter beneden maaiveld.

Artikel 6.14 Meldplicht graafwerkzaamheden

Onverminderd het bepaalde in Artikel 6.12, lid 1, sub b, lid 2, sub b, lid 3, sub b, is het toegestaan voor zover daartoe 9 weken voor aanvang melding wordt gedaan bij gedeputeerde staten:

  • a.

    graafwerkzaamheden te verrichten die gepaard gaan met het verwijderen van grond die dieper gaan dan 3 meter en waarbij;

  • b.

    het bodemprofiel wordt aangevuld tot ten minste 3 meter onder het maaiveld zoals dat aanwezig was voorafgaand aan de graafwerkzaamheden, en aansluitend op eventueel aangelegde kunstwerken.

Artikel 6.15 Meldplicht funderingswerkzaamheden

Onverminderd het bepaalde in Artikel 6.12, lid 1, sub b, lid 2, sub b, lid 3, sub b, is het, voor zover daartoe 9 weken voor aanvang melding wordt gedaan bij gedeputeerde staten, toegestaan palen dieper dan 3 meter in te brengen waarbij gebruik wordt gemaakt van:

  • a.

    grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet;

  • b.

    in de grond gevormde palen waarbij een hulpbuis wordt gebruikt die niet plaatselijk is verbreed en die niet grondverdringend wordt ingebracht en niet wordt getrokken, of;

  • c.

    schroefpalen.

Afdeling 6.2.5 Grondwaterbeschermingsgebied Drentsche Aa
Artikel 6.16 Spuitvrije zones en bescherming Drentsche Aa
Afdeling 6.2.6 Aanduiding gebieden
Artikel 6.17 Bebording
  • 1.

    De waterleidingmaatschappij moet het Grondwaterbeschermingsgebied en Waterwingebied aanduiden door middel van een bord, waarvan het model door gedeputeerde staten is vastgesteld.

  • 2.

    Een bord met het opschrift 'grondwaterbeschermingsgebied' respectievelijk 'waterwingebied' wordt geplaatst langs alle openbare wegen, spoorwegen en vaarwegen die de grondwaterbeschermingsgebieden respectievelijk de waterwingebieden doorkruisen c.q. daaraan grenzen en wel bij de buitenste grens van de grondwaterbeschermingsgebieden respectievelijk waterwingebieden.

Afdeling 6.2.7 Overige bepalingen
Artikel 6.18 Omgevingsvergunning
  • 1.

    Indien in een bijzonder geval het algemeen belang de uitvoering van een activiteit waarop een verbod betrekking heeft, noodzakelijk maakt, kan het college van gedeputeerde staten een omgevingsvergunning verlenen om af te wijken van de verboden opgenomen in Artikel 6.4 en Artikel 6.6, sub c, d, f, g, h en k, met dien verstande dat:

    • a.

      een omgevingsvergunning voor het afwijken van sub g uitsluitend wordt verleend indien wordt verzekerd dat sprake is van transport van niet-verontreinigd aardgas;

    • b.

      aan de omgevingsvergunning worden de voorschriften verbonden die de hoogst mogelijke vorm van bescherming voor de kwaliteit van het grondwater bieden.

  • 2.

    De aanvrager vermeldt in de aanvraag het algemeen belang dat met de uitvoering van de activiteit is gediend.

  • 3.

    Het college van gedeputeerde staten stelt de waterleidingmaatschappij in de gelegenheid advies uit te brengen naar aanleiding van de aanvraag om omgevingsvergunning.

Hoofdstuk 7 Stiltegebieden

Afdeling 7.1 Verbodsbepalingen

Artikel 7.1 Grootschalig evenement

Het is verboden in een Stiltegebied een grootschalig evenement te houden of te organiseren waarbij gebruik wordt gemaakt van:

  • a.

    een omroepinstallatie, sirene, hoorn en een ander daarmee vergelijkbaar toestel bestemd om geluid te versterken of voort te brengen;

  • b.

    een muziekinstrument en een ander daarmee vergelijkbaar geluidsapparaat, al dan niet gekoppeld aan geluidversterker

Artikel 7.2 Activiteit

Het is verboden in een Stiltegebied gebruik te maken van een drone, modelvliegtuig, modelboot, modelauto of daarmee vergelijkbaar apparaat.

Artikel 7.3 Motorvoertuig of bromfiets buiten openbare weg

Het is verboden in een Stiltegebied zich met een motorvoertuig of bromfiets te bevinden buiten de openbare weg of buiten andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen of terreinen.

Artikel 7.4 Toertocht motorvoertuigen of bromfietsen

Het is verboden in een Stiltegebied een toertocht voor motorvoertuigen of bromfietsen te houden of daaraan deel te nemen.

Afdeling 7.2 Uitzonderingen en omgevingsvergunningen

Artikel 7.5 Uitzondering stiltegebied

De verboden in Artikel 7.2, Artikel 7.3 en Artikel 7.4 gelden niet voor zover deze betrekking hebben op:

  • a.

    de uitoefening van land-, tuin-, bosbouw of vervening of ten behoeve van het onderhoud van Stiltegebied of van daarin aanwezige bouwwerken en andere constructies of het gebruik op het eigen erf;

  • b.

    motorvoertuigen en bromfietsen voor zover sprake is van elektrische aandrijving.

Artikel 7.6 Omgevingsvergunning stiltegebied

Gedeputeerde staten kunnen een omgevingsvergunning verlenen voor de activiteiten genoemd in Afdeling 7.1 en Artikel 7.2.

Afdeling 7.3 Aanduiding gebieden

Artikel 7.7 Bebording stiltegebied

Gedeputeerde staten duiden een Stiltegebied aan door middel van borden.

Hoofdstuk 8 Ontgrondingen

Artikel 8.1 Toepassingsbereik ontgrondingen

Dit hoofdstuk is van toepassing op ontgrondingsactiviteiten.

Artikel 8.2 Aanwijzing vergunningplichtige ontgrondingsactiviteiten

Artikel 8.3 Aanwijzing vergunningvrije ontgrondingsactiviteiten

  • 1.

    In aanvulling op hetgeen is opgenomen in artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt het verbod bedoeld in artikel 5.1 van de wet om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten tevens niet voor werkzaamheden aan en in gronden, gebezigd voor de uitoefening van een land-, tuin- of bosbouwbedrijf, mits:

    • a.

      er geen afvoer van bodemmateriaal plaatsheeft voor gebruik buiten het bedrijf waartoe de gronden behoren;

    • b.

      de gemiddelde hoogteligging van de gronden na beeindiging van de werkzaamheden niet wordt verminderd;

    • c.

      de grondlagen dieper dan 1 meter beneden het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven;

    • d.

      er geen archeologische verwachtingen en/of archeologische of aardkundige waarden worden aangetast, en;

    • e.

      de werkzaamheden niet strekken tot het geheel of gedeeltelijk afgraven van houtwallen.

  • 2.

    In aanvulling op hetgeen is opgenomen in artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt het verbod bedoeld in artikel 5.1 van de wet om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten tevens niet voor werkzaamheden verricht door of in opdracht van natuurbeherende instanties aan en in gronden die door deze instanties worden beheerd, mits:

    • a.

      er geen archeologische verwachtingen en/of archeologische of aardkundige waarden worden aangetast;

    • b.

      de werkzaamheden zijn gericht op behoud of ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden;

    • c.

      er geen afvoer van ander dan humeus bodemmateriaal plaats heeft, en;

    • d.

      de werkzaamheden niet strekken tot het geheel of gedeeltelijk afgraven van houtwallen.

Artikel 8.4 Meldingen

Degene die voornemens is een ontgronding uit te voeren die dan wel op grond van artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving dan wel op grond van Artikel 8.3 zijn aangewezen als vergunningsvrije ontgrondingsactiviteiten waarbij 1.000 m³ of meer bodemmateriaal wordt afgevoerd of in depot gezet, meldt dit uiterlijk 4 weken voor de aanvang van de werkzaamheden aan gedeputeerde staten.

Artikel 8.5 Advies waterschappen

Bij het verlenen of wijzigen van een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 16.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt het waterschap in wiens werkingsgebied de activiteit plaatsvind of zal gaan plaatsvinden, in de gelegenheid gesteld om voordat de beschikking wordt genomen hierover aan gedeputeerde staten advies uit te brengen.

Hoofdstuk 9 Vaarverbod Drentsche Aa

Artikel 9.1 Vaarverbod

  • 1.

    Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning in Grondwaterbeschermingsgebied Drentsche Aa Vaarweg te varen, een vaartuig te leggen, te laten drijven of te laten liggen.

  • 2.

    Een omgevingsvergunning wordt alleen verleend voor activiteiten die betrekking hebben op het verrichten van onderhoud en onderzoek ten behoeve van de instandhoudingsdoelstelling genoemd in het Natura-2000 beheerplan Drentsche Aa.

Artikel 9.2 Uitzondering op het vaarverbod

Het verbod als bedoeld in Artikel 9.1 geldt niet voor zover het betrekking heeft op een vaartuig waarmee werkzaamheden worden verricht ten behoeve van het onderhoud van de waterloop en het aangrenzende gebied of van de daarin aanwezige bouwwerken en andere constructies.

Artikel 9.3 Bebording

Staatsbosbeheer duidt de waterlopen, waarvoor het in artikel 9.1 bedoelde verbod geldt, aan door middel van borden.

Hoofdstuk 10 Water

Afdeling 10.1 Omgevingswaarden

Artikel 10.1 Toepassingsbereik omgevingswaarden

Met deze afdeling wordt invulling gegeven aan de verplichting in artikel 2.13 Omgevingswet om omgevingswaarden vast te stellen voor:

  • de veiligheid van de regionale waterkering die bij deze verordening zijn aangewezen;

  • de gemiddelde kans op overstroming per jaar van gebieden die bij deze verordening zijn aangewezen met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht.

Artikel 10.2 Omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen
  • 1.

    Voor de veiligheid van Regionale Kering Norm 1:100 geldt als omgevingswaarde een gemiddelde overschrijdingskans van 1 op 100 per jaar van de maatgevende waterstanden waarop de regionale waterkering moet zijn berekend, mede gelet op overige het waterkerende vermogen bepalende factoren.

  • 2.

    Voor de veiligheid van Regionale Kering Norm 1:200 geldt als omgevingswaarde een gemiddelde overschrijdingskans van 1 op 200 per jaar van de maatgevende waterstanden waarop de regionale waterkering moet zijn berekend, mede gelet op overige het waterkerende vermogen bepalende factoren.

Artikel 10.3 Termijn en aard omgevingswaarde veiligheid regionale waterkeringen
  • 1.

    Aan de omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen moet uiterlijk 1 januari 2030 worden voldaan.

  • 2.

    De omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen zijn resultaatsverplichtingen.

Artikel 10.4 Omgevingswaarden Wateroverlast
  • 1.

    Als omgevingswaarden voor het voorkomen of beperken van wateroverlast geldt de gemiddelde kans op overstroming per jaar zoals in Artikel 10.5 is vastgesteld.

  • 2.

    De omgevingswaarden bedoeld in lid 1 zijn bepalend voor de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht gelet op het overwegend landgebruik dat voor een gebied is aangegeven.

  • 3.

    Bij de zorg voor regionale wateren neemt het waterschapsbestuur de omgevingswaarden, bedoeld in Artikel 10.5, in acht.

  • 4.

    De omgevingswaarden, bedoeld in Artikel 10.5, gelden voor wateroverlast afkomstig uit leggerwaterlopen.

Artikel 10.5 Uitgangspunten omgevingswaarden wateroverlast
  • 1.

    Binnen het werkingsgebied 'bebouwd gebied' geldt een gemiddelde kans op overstromingen van 1/100 per jaar.

  • 2.

    Binnen het werkingsgebied 'Glastuinbouwgebieden' geldt een gemiddelde kans op overstroming van 1/50 per jaar, met dien verstande dat 1% van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben.

  • 3.

    Binnen het werkingsgebied 'Akkerbouw' geldt een gemiddelde kans op overstroming van 1/25 per jaar, met dien verstande dat 1% van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben.

  • 4.

    Binnen het werkingsgebied 'Grasland' geldt een gemiddelde kans op overstroming van 1/10 per jaar, met dien verstande dat 5% van het oppervlak een grotere overstromingskans mag hebben.

  • 5.

    Binnen het werkingsgebied 'Natuur en open water' geldt geen norm voor gemiddelde kans op overstroming.

  • 6.

    Voor de teelt van mais en roulerende teelten (bollen en dergelijke) geldt voor de bedoelde overstromingskans dat wordt aangesloten bij de gemiddelde overstromingskans voor het overwegende grondgebruik in de directe omgeving.

Artikel 10.6 Termijn en aard omgevingswaarden wateroverlast
  • 1.

    Aan de omgevingswaarden wateroverlast moet uiterlijk in 2027 worden voldaan.

  • 2.

    De omgevingswaarden voor wateroverlast zijn inspanningsverplichtingen.

  • 3.

    De omgevingswaarden wateroverlast worden in acht genomen in het waterbeheerprogramma.

Afdeling 10.2 Monitoring omgevingswaarden watersystemen

Paragraaf 10.2.1 Monitoring en gegevensverzameling omgevingswaarden waterveiligheid
Artikel 10.7 Monitoring omgevingswaarden regionale waterkeringen
Artikel 10.8 Verslag veiligheid regionale waterkeringen
  • 1.

    Het dagelijks bestuur van het waterschap stelt periodiek een verslag op over de algemene actuele waterstaatkundige toestand van de regionale waterkeringen die onder zijn beheer vallen.

  • 2.

    Het verslag bevat de beoordeling van de veiligheid van regionale waterkeringen op:

    • a.

      de omgevingswaarde die op het dijktraject van toepassing is; en

    • b.

      de maatgevende waterstanden waarmee rekening moet worden gehouden; en

    • c.

      de gegevens in de legger (artikel 10.15).

  • 3.

    Het dagelijks bestuur van het waterschap brengt het verslag uit aan gedeputeerde staten.

Paragraaf 10.2.2 Monitoring en gegevensverzameling omgevingswaarden wateroverlast
Artikel 10.9 Monitoring omgevingswaarden wateroverlast
  • 1.

    Monitoring voor de omgevingswaarde wateroverlast, bedoeld in Artikel 10.5 vindt plaats door te beoordelen of bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht voldoen aan de norm die voor dat gebied is gesteld.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur van het waterschap is belast met de uitvoering van de monitoring van de omgevingswaarde wateroverlast.

Artikel 10.10 Verslag wateroverlast
  • 1.

    Het dagelijks bestuur van het waterschap stelt periodiek een verslag op over de algemene waterstaatkundige toestand van regionale wateren die onder zijn beheer vallen.



  • 2.

    Het verslag bevat een beoordeling van de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren in het kader van de omgevingswaarden wateroverlast en een beoordeling van de mate waarin aan deze omgevingswaarde is voldaan.

  • 3.

    Het verslag bevat ook een omschrijving van voorzieningen die op basis van de beoordeling bedoeld in het tweede lid nodig worden geacht.

  • 4.

    Het dagelijks bestuur van het waterschap brengt het verslag uit aan gedeputeerde staten.

Afdeling 10.3 Rangorde bij waterschaarste

Artikel 10.11 Regionale verdringingsreeks
  • 1.

    In het geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort wordt met het oog op de verdeling van het beschikbare water vanuit het IJsselmeer bij het beheer van de regionale wateren door waterschappen wat betreft de in artikel 3.14, eerste lid, sub c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bedoelde behoeften, voor de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan:

    • a.

      het gebruik van industrieel proceswater;

    • b.

      de tijdelijke beregening van kapitaalintensieve gewassen.

  • 2.

    In het geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort wordt met het oog op de verdeling van het beschikbare water vanuit het IJsselmeer bij het beheer van de regionale wateren door waterschappen wat betreft de in artikel 3.14, eerste lid, onder d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bedoelde behoeften, achtereenvolgens prioriteit toegekend aan:

    • a.

      peilhandhaving;

    • b.

      doorspoelen en onttrekken voor beregening van akkerbouw;

    • c.

      beregening van gras/maïs;

    • d.

      doorspoelen;

    • e.

      overige belangen.

Artikel 10.12 Afwijking watersysteem Twentekanalen/Overijsselse Vecht
  • 1.

    In afwijking van hetgeen is opgenomen in Artikel 10.11 Regionale verdringingsreeks - Lid 1 wordt in geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort bij het beheer binnen het watersysteem Twentekanalen/Overijsselse Vecht als bedoeld in Bijlage 14, bij de in artikel 3.14, eerste lid, onder c Bkl bedoelde behoeften, voor de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan:

    • a.

      onttrekking voor proces- en gietwater;

    • b.

      doorspoeling ter bestrijding van verzilting of verontreiniging van oppervlaktewater waaruit proces- of gietwater onttrokken wordt;

    • c.

      beregening van kapitaalintensieve gewassen.

  • 2.

    In afwijking van hetgeen is opgenomen in Artikel 10.11 Regionale verdringingsreeks - Lid 2 wordt in geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort bij het beheer binnen het watersysteem Twentekanalen/Overijsselse Vecht, bij de in artikel 3.14, vierde lid Bkl bedoelde behoeften voor de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit toegekend aan:

    • a.

      doorspoelen in geval van (de kans op) acuut risico voor de volksgezondheid;

    • b.

      scheepvaart;

    • c.

      peilhandhaving en beregening ten behoeve van akkerbouw;

    • d.

      beregening gras/mais;

    • e.

      peilhandhaving en doorspoeling van niet kwetsbare natuur;

    • f.

      doorspoeling ten behoeve van aquatische ecologie (KRW).

Afdeling 10.4 Waterbeheerprogramma

Artikel 10.13 Inhoud waterbeheerprogramma

Het waterbeheerprogramma bevat, naast het bepaalde in artikel 3.7 van de Omgevingswet en artikel 4.3 Bkl, ten minste:

  • a.

    het beleid inzake het beheer van de watersystemen gericht op de aan de watersystemen toegekende functies en doelstellingen;

  • b.

    de beschrijving van de maatregelen met prioriteitstelling en fasering, zodat de gestelde doelen zijn te realiseren;

  • c.

    een raming van de kosten van de, gedurende de programmaperiode, te nemen maatregelen, inzicht in de dekking van de kosten en een indicatie van het verloop van de op te leggen omslagen dan wel heffingen in de planperiode.

Artikel 10.14 Voortgangsrapportage uitvoering waterbeheerprogramma

Het dagelijks bestuur informeert gedeputeerde staten ten minste eenmaal per jaar over de voortgang van de uitvoering van het waterbeheerprogramma, de mate waarin de gestelde doelen worden bereikt, de redenen van eventuele afwijkingen en de voorgetelde maatregelen.

Afdeling 10.5 Aanleg en beheer van waterstaatswerken

Artikel 10.15 Legger waterstaatswerken
  • 1.

    Op grond van artikel 2.39 van de Omgevingswet, geldt in het geval van meanderen van een oppervlaktewaterlichaam dat daarvoor in de legger wordt opgenomen ten minste de ruimtelijke begrenzing en het minimale dwarsprofiel.

  • 2.

    In afwijking van artikel 2.39 van de Omgevingswet, wordt in het geval van bergingsgebieden in de legger alleen opgenomen de ruimtelijke begrenzing en het bergend vermogen.

  • 3.

    Gedeputeerde staten kunnen voor waterstaatswerken vrijstelling verlenen van de leggerplicht bedoeld in artikel 2.39 van de Omgevingswet met betrekking tot ligging, vorm, afmeting en constructie indien deze waterstaatswerken zich naar hun aard of functie niet lenen voor omschrijving van die elementen.

Artikel 10.16 Opstellen peilbesluiten

Het algemeen bestuur van een waterschap stelt een of meer peilbesluiten vast voor de oppervlaktewateren in de gebieden die deel uitmaken van provincie overschrijdende peilvakken waarvoor een door de provincie Groningen, Overijssel of Friesland opgestelde verplichting geldt als bedoeld in artikel 2.41 van de Omgevingswet.

Afdeling 10.6 Handelingen in bodem/watersystemen

Artikel 10.17 Grondwaterregister
  • 1.

    Gedeputeerde staten houden een register bij waarin activiteiten voor het onttrekken van water uit een grondwaterlichaam en infiltraties in een grondwaterlichaam worden ingeschreven met vermelding van de gegevens die op grond van het tweede lid en Artikel 10.19, eerste lid, worden verstrekt. Voorts worden daarin vermeld de vergunningen, krachtens welke het onttrekken van water of infiltreren van water plaatsvindt.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur van de waterschappen verstrekt aan gedeputeerde staten van de provincie of de provincies waarin de onttrekking van grondwater of infiltratie plaatsvindt de gegevens die door toepassing van Artikel 10.18, derde lid, worden verkregen. Voorts wordt een overzicht verstrekt van de vergunningen en meldingen, krachtens welke het onttrekken van grondwater of infiltreren van water plaatsvindt.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur maakt voor de uitvoering van het gestelde in het vorige lid gebruik van het Landelijk Grondwaterregister (LGR).

  • 4.

    De in het tweede lid bedoelde gegevens, meldingen en vergunningen worden door het dagelijks bestuur binnen 3 maanden nadat deze door hen zijn ontvangen dan wel zijn verleend, verstrekt aan gedeputeerde staten.

Artikel 10.18 Registratieplicht
  • 1.

    Degene die water onttrekt of infiltreert als bedoeld in artikel 16.1 van het Bal is verplicht:

    • a.

      de onttrekking op te geven aan gedeputeerde staten van de provincie of de provincies, waarin de onttrekking geschiedt;

    • b.

      de hoeveelheden water die worden onttrokken, te meten en daarvan aantekening te houden;

    • c.

      telkenmale in de maand januari of, bij beëindiging van de onttrekking, binnen 1 maand na die beëindiging, aan gedeputeerde staten van de provincie of provincies, waarin de onttrekking geschiedt, opgave te verstrekken van de in het voorafgaande onderscheidenlijk het lopende kalenderjaar per kwartaal onttrokken hoeveelheden water;

    • d.

      bij de onder c bedoelde opgave kennis te geven van wijzigingen die zich in het voorafgaande onderscheidenlijk het lopende kalenderjaar hebben voorgedaan met betrekking tot de bij de opgave, als bedoeld onder a, verstrekte gegevens.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen, nadere regels stellen omtrent de wijze van meting en registratie.

  • 3.

    Het algemeen bestuur van de waterschappen regelt bij waterschapsverordening dat ten minste degene die meer dan 10 m3 water per uur of meer dan 5.000 m3 water per kwartaal onttrekt uit een grondwaterlichaam en degene die water infiltreert in een grondwaterlichaam voor andere doeleinden of in kleinere hoeveelheden dan genoemd in het eerste lid, de gegevens bedoeld in het eerste lid verstrekt aan het dagelijks bestuur.

Artikel 10.19 Ambtshalve inschrijving in het grondwaterregister
  • 1.

    Gedeputeerde staten kunnen een inrichting en/of infiltratie die niet ingevolge Artikel 10.18 is opgegeven, ambtshalve in het register, genoemd in Artikel 10.17 inschrijven.

  • 2.

    Indien de ambtshalve inschrijving, genoemd in het eerste lid, plaatsvindt in de loop van een kalenderjaar, wordt als datum van de inschrijving aangehouden de datum waarop de onttrekking is aangevangen.

Artikel 10.20 Onttrekking van grondwater en infiltratie van water
  • 1.

    Bij het beslissen op een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de Omgevingswet houden gedeputeerde staten in ieder geval rekening met:

    • a.

      de thermische en hydrologische effecten op de omgeving;

    • b.

      de (micro)biologische of chemische veranderingen van de grondwaterkwaliteit.

  • 2.

    Een vergunning als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de Omgevingswet wordt door gedeputeerde staten niet verleend indien:

    • a.

      er geen sprake is van een hoogwaardige toepassing van het opgepompte water;

    • b.

      er door het verlenen van de vergunning strijd ontstaat met de belangen van andere reeds verleende vergunningen en toekomstige belangen;

    • c.

      bij infiltratie deze niet plaatsvindt in dezelfde diepte als waar het grondwater wordt onttrokken;

    • d.

      voor een industriële onttrekking of de aanleg van een bodemenergiesysteem de locatie van de boring gelegen is binnen een grondwaterbeschermingsgebied.

Artikel 10.21 Open bodemenergiesystemen
  • 1.

    Bij het beslissen op een aanvraag om vergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 van het Bal houden gedeputeerde staten in ieder geval rekening met:

    • a.

      de thermische, hydrologische, chemische en biologische effecten die het uitvoeren van de activiteit heeft of kan hebben op de omgeving;

    • b.

      de (micro)biologische of chemische veranderingen die het uitvoeren van de activiteit heeft of kan hebben op de grondwaterkwaliteit.

  • 2.

    Een vergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 van het BAL wordt niet verleend indien een Temperatuur Opslag-systeem voor middelhoge of hoge temperatuur op een zodanige wijze wordt geïnstalleerd dat de warmte aan de bodem wordt toegevoegd op een diepte die is gelegen boven de zone 'Formatie van Breda' zoals deze is aangegeven in Bijlage 15 bij deze verordening.

Artikel 10.22 Gesloten bodemenergiesystemen

In aanvulling op het gestelde in paragraaf 4.111 van het Bal, wordt bij het gebruik van een gesloten bodemenergiesysteem ter plaatse van het werkingsgebied 'oranje gebied' een koelmedium toegepast van minimaal drinkwaterkwaliteit.

Artikel 10.23 Temperatuur opslagsysteem voor lage temperatuur

De regels opgenomen in de artikelen 4.1152 en 4.1154 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn niet van toepassing op het gebruiken van een temperatuur opslagsysteem voor lage temperatuur indien deze niet dieper wordt aangelegd dan 25 meter beneden maaiveld.

Artikel 10.24 Intrekking vergunning

Gedeputeerde staten kunnen de vergunning als bedoeld in Artikel 10.21 tot en met Artikel 10.23 geheel of gedeeltelijk intrekken indien zich omstandigheden en feiten voordoen waardoor de activiteit waarvoor de vergunning is verleend niet langer toelaatbaar worden geacht met het belang van de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de drinkwaterwinning.

Afdeling 10.7 Financiële bepalingen grondwater

Artikel 10.25 Instelling commissie van deskundigen

Gedeputeerde staten stellen een commissie van deskundigen in die is belast met het adviseren inzake verzoeken als bedoeld in artikel 15.1, eerste lid, van de Omgevingswet.

Artikel 10.26 Procedure advies
  • 1.

    Gedeputeerde staten kunnen een verzoek als bedoeld in artikel 15.1, eerste lid, van de Omgevingswet in handen van de commissie van deskundigen stellen. Indien zij de commissie een verzoek voorleggen, zenden zij daarvan een afschrift aan de vergunninghouder of vergunninghouders die zij daarbij betrokken achten. Zij doen daarvan mededeling aan de verzoeker en, in geval het verzoek verband houdt met een door het bestuur van een waterschap verleende vergunning, aan het desbetreffende bestuur.

  • 2.

    De commissie van deskundigen brengt zo spoedig mogelijk advies uit over de ondervanging of vergoeding van schade dan wel over de overneming van de onroerende zaak.

  • 3.

    De commissie van deskundigen zendt het ontwerp van haar advies toe aan degene op wiens verzoek zij een onderzoek heeft ingesteld en aan de betrokken vergunninghouder of vergunninghouders.

Artikel 10.27 Indienen Zienswijzen
  • 1.

    Gedurende 6 weken na de verzending van het ontwerpadvies kunnen de betrokkenen, bedoeld in Artikel 10.26, derde lid, schriftelijk hun zienswijze over het ontwerp naar voren brengen bij de commissie van deskundigen. De commissie stelt degenen die een zienswijze hebben ingediend in de gelegenheid hun zienswijze in persoon of bij gemachtigde op een daartoe door haar te beleggen zitting voor een of meer van haar leden mondeling toe te lichten, daarbij desgewenst bijgestaan door deskundigen.

  • 2.

    Van hetgeen op de zitting, bedoeld in het eerste lid, naar voren wordt gebracht wordt een verslag gemaakt.

  • 3.

    Indien zienswijzen naar voren zijn gebracht stelt de commissie haar advies al dan niet gewijzigd vast en zendt dat gelijktijdig met het verslag van de hoorzitting en haar beschouwingen omtrent de zienswijzen toe aan de betrokkenen, bedoeld in Artikel 10.26, derde lid.

  • 4.

    Indien geen zienswijzen naar voren zijn gebracht stelt de commissie haar advies binnen 4 weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen in verstreken, vast en zendt dat toe aan de betrokkenen, bedoeld in Artikel 10.26, derde lid.

  • 5.

    De in het derde en vierde lid genoemde stukken worden tevens toegezonden aan gedeputeerde staten en, in geval het verzoek, bedoeld in artikel 15.1, eerste lid, van de Omgevingswet, verband houdt met een door het bestuur van een waterschap verleende vergunning, aan het desbetreffende bestuur.

Hoofdstuk 11 Provinciale Infrastructuur

Afdeling 11.1 Algemeen

Artikel 11.1 Toepassingsbereik / Activiteiten
  • 1.

    Dit hoofdstuk gaat over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot provinciale infrastructuur in beheer bij de provincie Drenthe.

  • 2.

    De artikelen van dit hoofdstuk gelden niet voor activiteiten, door of namens de beheerder van provinciale infrastructuur, in het kader van de aanleg, de wijziging of het beheer van die infrastructuur of de regeling van het verkeer over die infrastructuur.

Artikel 11.2 Oogmerken
  • 1.

    De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op:

    • a.

      het behoeden van de staat van provinciale infrastructuur en bijbehorende werken, voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die provinciale infrastructuur, waartoe ook het belang van verruiming of wijziging van die provinciale infrastructuur behoort.

    • b.

      het behouden en bevorderen van een veilige en doelmatige werking van provinciale infrastructuur en bijbehorende werken, waartoe ook het belang van verruiming of wijziging van die provinciale infrastructuur behoort.

  • 2.

    Taken en bevoegdheden op grond van dit hoofdstuk kunnen ook worden uitgeoefend met het oog op de volgende belangen in het gebied waar de provinciale infrastructuur is gelegen:

    • a.

      het beschermen van landschappelijke waarden;

    • b.

      het beschermen van ecologische waarden en natuur;

    • c.

      het beschermen van cultuurhistorische en archeologische waarden;

    • d.

      het beschermen van recreatieve en toeristische belangen.

Artikel 11.3 Zorgplichtbepaling
  • 1.

    Diegene die een activiteit verricht die betrekking heeft op provinciale infrastructuur en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen bedoeld in Artikel 11.2 Oogmerken, is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om de nadelige gevolgen te voorkomen,

    • b.

      voor zover de nadelige gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze gevolgen zoveel mogelijk te beperken en/of ongedaan te maken, en

    • c.

      als de nadelige gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  • 2.

    Deze plicht houdt in ieder geval in dat:

    • a.

      het veilig en doelmatig gebruik en de instandhouding van provinciale infrastructuur wordt verzekerd;

    • b.

      werkzaamheden op een zodanige wijze worden uitgevoerd dat dat deze geen hinder voor het verkeer kunnen veroorzaken en/of schade aan de provinciale infrastructuur kunnen veroorzaken;

    • c.

      houtgewas, bomen of takken van bomen zodanig worden geplaatst en/of onderhouden dat deze geen hinder voor het verkeer kunnen veroorzaken en/of schade aan de provinciale infrastructuur kunnen veroorzaken, en

    • d.

      alle passende maatregelen worden genomen om ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen als bedoeld in lid 2 sub a, b en c te voorkomen.

Artikel 11.4 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning activiteiten

Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit als bedoeld in dit hoofdstuk, wordt ondertekend en bevat ten minste de volgende gegevens en bescheiden:

  • a.

    de aanduiding van de activiteit;

  • b.

    de naam en het adres van diegene die de activiteit verricht;

  • c.

    het wegnummer dan wel de aanduiding van de vaarweg en de kilometrering van de locatie waar de activiteit plaatsvindt;

  • d.

    de datum waarop de activiteit wordt gestart;

  • e.

    de (geschatte) duur van de activiteit;

  • f.

    de dagtekening.

Artikel 11.5 Intrekken omgevingsvergunning
  • 1.

    Gedeputeerde Staten kunnen maatwerkvoorschriften verbinden aan een omgevingsvergunning.

  • 2.

    Een omgevingsvergunning kan door Gedeputeerde Staten geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken indien:

    • a.

      de omstandigheden zodanig zijn veranderd dat het gebruik maken van de omgevingsvergunning ontoelaatbaar nadelige gevolgen heeft voor het te beschermen belang, en door het wijzigen van voorschriften of beperkingen verbonden aan de omgevingsvergunning geen gelijkwaardige bescherming kan worden geboden;

    • b.

      gedurende twee jaar geen handelingen zijn verricht of als de vergunninghouder kennelijk geen belang meer heeft bij de vergunning;

    • c.

      de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften en/of beperkingen niet of niet behoorlijk worden nageleefd;

    • d.

      gebleken is dat de omgevingsvergunning is verleend op basis van door de aanvrager verstrekte onjuiste gegevens;

    • e.

      in de omgevingsvergunning is bepaald dat zij niet geldt voor de rechtsopvolgers van degene aan wie zij is verleend en de vergunninghouder niet meer degene is die de activiteit waarvoor omgevingsvergunning is verleend uitvoert;

    • f.

      een voor Nederland verbindend verdrag of besluit van een volkenrechtelijke organisatie, dan wel een wettelijk voorschrift ter uitvoering daarvan, dat tot gevolg heeft.

Afdeling 11.2 Wegen

Artikel 11.6 Toepassingsbereik

De geometrische begrenzing van het beperkingengebied met betrekking tot een provinciale weg in beheer bij de provincie Drenthe is opgenomen in het geometrische informatieobject "provinciale weg".

Artikel 11.7 Verboden
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit te verrichten, indien daardoor het veilig en doelmatig gebruik in het geding is, en het vrije zicht in het beperkingengebied van de provinciale weg zodanig wordt belemmerd, dat daardoor de verkeersveiligheid in het gedrang komt of kan komen.

  • 2.

    Als beperkingengebiedactiviteit bedoeld in het eerste lid, voor zover daardoor het veilige en doelmatige gebruik in het geding is en het vrije zicht in het beperkingengebied van de provinciale weg zodanig wordt belemmerd, wordt in ieder geval aangemerkt:

    • a.

      het maken, aanbrengen, hebben, wijzigen of verwijderen van zowel met de grond verankerde als niet met de grond verankerde werken zoals: kabels en leidingen, duikers, wallen, verhardingen, beplanting;

    • b.

      het maken, hebben, wijzigen, verplaatsen, veranderen of het gebruik veranderen van met de grond verankerde werken zoals een uitweg;

    • c.

      het aanbrengen, hebben, wijzigen of verwijderen van zowel met de grond verankerde als niet met de grond verankerde objecten zoals: borden, spandoeken en licht- of geluidgevende voorzieningen;

    • d.

      het deponeren, hebben of laten liggen van voorwerpen of stoffen van welke aard ook, zoals beplanting, tuin-, blad-, bouw- en sloopafval, grondopslag, bouwmaterialen;

    • e.

      het innemen van een standplaats ten behoeve van het aanbieden van diensten en/of goederen, zoals ijs- en snackverkoop en de verkoop van bloemen en/of land- of tuinbouwproducten;

    • f.

      een verkooppunt voor het leveren van energie aan voertuigen of andere goederen in te richten en te hebben, of;

    • g.

      het plaatsen en hebben van gedenktekens.



Afdeling 11.3 Vaarwegen

Artikel 11.8 Toepassingsbereik

De geometrische begrenzing van het beperkingengebied met betrekking tot een provinciale vaarweg in beheer bij de provincie Drenthe is opgenomen in het geometrische informatieobject "provinciale vaarweg".

Artikel 11.9 Toedeling beheer vaarwegen
  • 1.

    In lijst A, zoals is opgenomen in Bijlage 11, is aangegeven voor welke vaarwegen de provincie is belast met het vaarwegbeheer.

  • 2.

    In lijst B, zoals is opgenomen in Bijlage 11, is aangegeven welk bestuursorgaan, niet zijnde een bestuursorgaan van het Rijk dan wel de provincie, is belast met het vaarwegbeheer.

  • 3.

    De vaarwegbeheerder draagt zorg voor het onderhoud van de vaarweg met inachtneming van de minimaal benodigde vaarwegdiepten.

Artikel 11.10 Verboden
  • 1.

    Het is verboden vaste en/of vloeibare stoffen en/of voorwerpen in een vaarweg te brengen, dan wel vaste en/of vloeibare stoffen en/of voorwerpen op een zodanige wijze op oevers te plaatsen of te hebben, dat deze geheel of gedeeltelijk in een vaarweg kunnen geraken.

  • 2.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende beperkingengebiedactiviteiten te verrichten met betrekking tot een provinciale vaarweg:

    • a.

      enig werk aan te brengen, te houden, te veranderen of te verwijderen boven, op, in, onder of binnen een afstand van 10 meter landinwaarts van de vaarweg horizontaal gemeten vanuit de oeverlijn, zoals in ieder geval: kabels en leidingen, beplanting, duikers, oeverconstructies, aanleg- en afmeervoorzieningen;

    • b.

      veranderingen aan te brengen aan de vaarweg, zoals in ieder geval: verbredingen, verdiepingen;

    • c.

      het plaatsen dan wel aanbrengen van objecten zoals: borden, spandoeken, vlaggen of licht- en geluidgevende voorzieningen;

    • d.

      het plaatsen en hebben van gedenktekens.

Hoofdstuk 12 Zwembaden en Zwemlocaties

Artikel 12.1 Gelegenheid bieden tot zwemmen of baden in een waterbassin

  • 1.

    Degene die gelegenheid biedt tot zwemmen of baden in een badwaterbassin doet, in afwijking van de artikelen 15.13, 15.31, 15.47 en 15.50 van het Besluit activiteiten leefomgeving, van het voornemen tot het starten van de activiteit tenminste 3 maanden voor aanvang van de activiteit melding aan gedeputeerde staten.

  • 2.

    Degene die gelegenheid biedt tot zwemmen of baden in een waterbassin met een oppervlakte van ten hoogste 2 m2 en een waterdiepte van ten hoogste 0,50 m, hoeft niet te voldoen aan de Afdelingen 15.2 en 15.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 3.

    Indien in het in het tweede lid genoemde geval sprake is van aerosolvorming, zoals bij een whirlpool of een jacuzzi, dan moet degene die gelegenheid biedt tot zwemmen of baden:

    • a.

      evenredige maatregelen nemen om besmetting met legionella te voorkomen;

    • b.

      ten minste éénmaal per 6 maanden het water van dat bassin laten onderzoeken door een laboratorium met een accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025, op de parameter legionella volgens methode NEN-EN-ISO 11731; en

    • c.

      de aerosolvorming direct uitschakelen en gedeputeerde staten onverwijld in kennis stellen, wanneer uit het in onderdeel b bedoelde onderzoek blijkt dat de concentratie leggionellabacteriën hoger is dan 100 kolonievormende eenheden per liter.

Artikel 12.2 Zwemlocaties in oppervlaktewater

  • 1.

    De locatiehouder treft maatregelen, op grond van de resultaten van het jaarlijks onderzoek naar de veiligheid van de zwemlocatie, om de veiligheid te waarborgen of te verbeteren.

  • 2.

    De locatiehouder neemt maatregelen om de waterkwaliteitsklasse van de locatie, zoals bedoeld in bijlage II van de Europese zwemwaterrichtlijn 2006/7/EG, ten minste "aanvaardbaar" te houden, en neemt evenredige maatregelen om de waterkwaliteitsklasse naar "goed" of "uitstekend" te krijgen.

  • 3.

    De locatiehouder draagt er zorg voor dat maatregelen worden getroffen op basis van het zwemwaterprofiel die redelijkerwijs tot diens verantwoordelijkheid kunnen worden gerekend.

  • 4.

    De locatiehouder voert beheer en onderhoud uit gericht op de veiligheid en hygiëne van de bezoekers.

  • 5.

    De locatiehouder draagt er zorg voor dat maatregelen worden genomen, als er naar aanleiding van de monitoring uitgevoerd door de beheerder van het oppervlaktewater, zwemwaterverontreinigingen worden vastgesteld.

  • 6.

    De locatiehouder voert (dagelijks) onderzoek uit naar de omstandigheden in en om de zwemwaterlocatie die een negatief effect kunnen hebben op de veiligheid en hygiëne van de bezoekers.

  • 7.

    De locatiehouder draagt er door middel van afbakening van de zwemzone en het markeren van gevaren zorg voor dat bezoekers niet in aanraking komen met andere vormen van waterrecreatie of gevaarlijke situaties die de veiligheid van de bezoekers in gevaar kunnen brengen.

  • 8.

    De locatiehouder accepteert, op aangeven van gedeputeerde staten, en met het oog op gevaren voor de veiligheid en hygiëne van de bezoekers, tekens (bebording) bij de zwemlocatie om bezoekers te informeren over de lokale situatie, een waarschuwing, negatief zwemadvies of zwemverbod.

Hoofdstuk 13 Provinciale Monumenten

Artikel 13.1 Instructieregel zorgplicht provinciaal monument

Een omgevingsplan verbiedt om ter plaatse van het werkingsgebied ‘voorbeschermd provinciaal monument’:

a. het daar aanwezige provinciale monument, zoals omschreven in de redengevende omschrijving, te slopen, vernielen, beschadigen, verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; of

b. aan het daar aanwezige provinciale monument, zoals omschreven in de redengevende omschrijving, onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.

Artikel 13.2 Instructieregel vergunningplicht provinciale monumenten

  • 1.

    Een omgevingsplan verbiedt het om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning:

    a. een provinciaal monument te slopen, beschadigen, verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;

    b. een provinciaal monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken, op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht;

    c. werkzaamheden aan de fundering of riolering van een provinciaal monument te verrichten zonder voorafgaand archeologisch onderzoek.

  • 2.

    Geen omgevingsvergunning is nodig voor normaal onderhoud, voor zover materiaalsoort en kleur niet wijzigen en, indien tuin- of parkaanleg deel uitmaakt van de redengevende omschrijving, voor zover de aanleg niet wijzigt.

Artikel 13.3 Instructieregel aanwijzing vergunningvrije gevallen

  • 1.

    Een omgevingsplan kan bepalen dat het verbod, bedoeld in Artikel 13.2 Instructieregel vergunningplicht provinciale monumenten, niet geldt voor een activiteit met betrekking tot een monument, voor zover het gaat om:

    a. noodzakelijke reguliere werkzaamheden die zijn gericht op het behoud van de monumentale waarden, als detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur niet worden gewijzigd; of

    b. alleen inpandige wijzigingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft; of

    c. indien tuin- of parkaanleg deel uitmaakt van de redengevende omschrijving, voor zover de aanleg niet wijzigt.

Artikel 13.4 Instructieregel aanvraagvereisten

De artikelen 22.287, 22.290 tot en met 22.294 van de bruidsschat omgevingsplan (aanvraagvereisten) zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 13.2.

Artikel 13.5 Instructieregel beoordeling

  • 1.

    Het omgevingsplan bepaalt dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als de activiteit in overeenstemming is met het belang van de monumentenzorg. En rekening houdt met de redengevende omschrijving zoals opgenomen in de bijlage van de omgevingsverordening Drenthe 2023.

  • 2.

    Het omgevingsplan bepaalt dat bij de beslissing op de aanvraag rekening wordt gehouden met de volgende beginselen:

    a. het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten;

    b. het voorkomen van verplaatsing van monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend vereist is voor het behoud van die monumenten;

    c. het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden; en

    d. het conserveren en in stand houden van monumenten waarvan met name de archeologische waarden redengevend zijn, bij voorkeur in situ.

Artikel 13.6 Instructieregel voorschriften

In het omgevingsplan worden aan een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 13.2 de voorschriften verbonden die nodig zijn voor de regel, bedoeld in artikel 13.5. Daarbij bevat het omgevingsplan in ieder geval de bepaling dat:

  • a.

    als het gaat om een omgevingsvergunning die een gedeeltelijke of volledige verplaatsing inhoudt van een monument dat een bouwwerk is, in ieder geval voorschriften aan de omgevingsvergunning worden verbonden over het treffen van voorzorgsmaatregelen voor het demonteren, het overbrengen en de herbouw van dat bouwwerk op de nieuwe locatie;

  • b.

    als het gaat om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een monument waarvan met name de archeologische waarden redengevend zijn, in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval voorschriften aan de omgevingsvergunning kunnen worden verbonden die inhouden:

    • 1.

      een plicht tot:het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in situ kunnen worden behouden;

    • 2.

      het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;

    • 3.

      het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; en

    • 4.

      het verrichten van een opgraving of een archeologische begeleiding op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet;

  • c.

    als het gaat om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op de fundering of riolering van een monument, wordt in ieder geval het voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden dat voorafgaand aan de werkzaamheden archeologisch onderzoek wordt verricht.

Artikel 13.7 Instructieregel aanwijzing adviseurs

  • 1.

    Het omgevingsplan bepaalt dat Gedeputeerde staten adviseur zijn voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 13.2.

  • 2.

    Het omgevingsplan bepaalt dat de commissie, bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet, adviseur is voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 13.2 en het college van burgemeester en wethouders voor die aanvraag bevoegd gezag is.

  • 3.

    Het omgevingsplan bepaalt dat als het college van burgemeester en wethouders geen bevoegd gezag is voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid, maar adviseur, is de commissie ook adviseur en richt het advies van de commissie zich tot het college van burgemeester en wethouders in plaats van tot het bevoegd gezag.

Hoofdstuk 14 Handhaving en Toezicht

Afdeling 14.1 Toezicht

Artikel 14.1 Toezicht
  • 1.

    Met het toezicht op de naleving van het bepaalde in Hoofdstuk 9, Hoofdstuk 10, Hoofdstuk 11 en Hoofdstuk 12 zijn belast de daartoe door gedeputeerde staten aangewezen personen.

  • 2.

    Met de opsporing van overtredingen van het bepaalde in hoofdstukken 11 zijn belast de krachtens de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen ambtenaren en de door gedeputeerde staten aangewezen personen.

Afdeling 14.2 Kwaliteitseisen

Artikel 14.2 Reikwijdte

Deze verordening is van toepassing op de uitvoering en handhaving zoals bedoeld in artikel 18.18 van de Omgevingswet door of in opdracht van Gedeputeerde Staten.



Artikel 14.3 Betrokkenheid van de provinciale staten

Provinciale Staten zien toe op de hoofdlijnen van het beleid voor de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten in het licht van de voor de provincie vastgestelde beleidskaders voor de fysieke leefomgeving.

Artikel 14.4 Kwaliteitsdoelen
  • 1.

    Gedeputeerde Staten beoordelen de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten in het licht van daarvoor door hen krachtens artikel 15.5, eerste lid, van het Omgevingsbesluit gestelde doelen.

  • 2.

    De doelen, waar deze gestalte krijgen in de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten, bedoeld in artikel 2, hebben in ieder geval betrekking op:

    • a.

      de dienstverlening;

    • b.

      de uitvoeringskwaliteit van diensten en producten;

    • c.

      de financiën.

Artikel 14.5 Kwaliteitsborging
  • 1.

    Het kwaliteitsniveau voor uitvoering en handhaving is minimaal gelijk aan de explainmodules

  • 2.

    Op de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten door of in opdracht van Gedeputeerde Staten zijn de in het eerste lid bedoelde kwaliteitscriteria van toepassing.

  • 3.

    Over de naleving van de kwaliteitscriteria doen Gedeputeerde Staten jaarlijks mededeling aan provinciale staten.

  • 4.

    Voor zover de kwaliteitscriteria niet zijn of niet konden worden nageleefd, doen Gedeputeerde Staten daarvan gemotiveerd opgave.

Hoofdstuk 15 Slotbepalingen

Artikel 15.1 Intrekking provinciale omgevingsverordening Drenthe

  • 1.

    De Provinciale Omgevingsverordening Drenthe, vastgesteld bij besluit van provinciale staten van 3 oktober 2018, wordt ingetrokken.

  • 2.

    De Provinciale Monumentenverordening Drenthe 2016, vastgesteld bij besluit van provinciale staten van 28 september 2016, wordt ingetrokken.

Artikel 15.2 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt.

Artikel 15.3 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Omgevingsverordening Drenthe 2023.

Bijlage I Overzicht Informatieobjecten

aardkundige waarden beschermingsniveau hoog

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio297/nld@2024‑04‑02;72

aardkundige waarden beschermingsniveau middel

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio295/nld@2024‑04‑02;72

akkerbouw

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio309/nld@2024‑04‑02;72

assen

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio299/nld@2024‑04‑02;72

bebouwd gebied

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio313/nld@2024‑04‑02;72

beekdal

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio208/nld@2024‑04‑02;72

bergingsgebied

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio211/nld@2024‑04‑02;72

bestaand stedelijk gebied

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio206/nld@2024‑04‑02;72

coevorden beekdal en ontginningen

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio199/nld@2024‑04‑02;72

coevorden beekdalen en ontginningen

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio205/nld@2024‑04‑02;72

de monden

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio198/nld@2024‑04‑02;72

de reest

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio301/nld@2024‑04‑02;72

drentsche aa

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio201/nld@2024‑04‑02;72

drentse hoofdvaart

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio209/nld@2024‑04‑02;72

emmen, venen en randveenontginningen

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio202/nld@2024‑04‑02;72

esdorpenlandschap

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio283/nld@2024‑04‑02;72

esdorpenlandschap rond mars en westerstroom

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio213/nld@2024‑04‑02;72

esdorpenlandschap vledder en wapserveense aa

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio212/nld@2024‑04‑02;72

esgehuchtenlandschap

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio197/nld@2024‑04‑02;72

glastuinbouw

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio217/nld@2024‑04‑02;72

glastuinbouwgebieden

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio311/nld@2024‑04‑02;72

grasland

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio224/nld@2024‑04‑02;72

grondgebonden agrarische bedrijvigheid

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio279/nld@2024‑04‑02;72

grondwaterbeschermingsgebied

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio228/nld@2024‑04‑02;72

grondwaterbeschermingsgebied drentsche aa - spuitvrije zone

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio223/nld@2024‑04‑02;72

grondwaterbeschermingsgebied drentsche aa vaarweg

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio216/nld@2024‑04‑02;72

harde grens stad en land

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio222/nld@2024‑04‑02;72

havelterberg

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio215/nld@2024‑04‑02;72

het amsterdamscheveld

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio271/nld@2024‑04‑02;72

het esdorpenlandschap rond norg

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio220/nld@2024‑04‑02;72

historische infrastructuur

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio218/nld@2024‑04‑02;72

hollandscheveld en hoogeveen

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio281/nld@2024‑04‑02;72

hondsrug

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio270/nld@2024‑04‑02;72

hunzedal en randveen

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio214/nld@2024‑04‑02;72

kop van drenthe

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio263/nld@2024‑04‑02;72

landbouwgebied

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio285/nld@2024‑04‑02;72

landelijk gebied

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio261/nld@2024‑04‑02;72

landgoed overcingel

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio255/nld@2024‑04‑02;72

landschap van de kolonien van weldadigheid

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio254/nld@2024‑04‑02;72

landschap van de veenkoloniën

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio289/nld@2024‑04‑02;72

maatschappij van weldadigheid

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio303/nld@2024‑04‑02;72

macrogradiënt

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio264/nld@2024‑04‑02;72

meppel en het laagveen rondom

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio257/nld@2024‑04‑02;72

nationaal park drentsche aa

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio267/nld@2024‑04‑02;72

natuur en open water

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio315/nld@2024‑04‑02;72

natuurnetwerk nederland

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio287/nld@2024‑04‑02;72

omgevingswaarde - provinciale weg

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio245/nld@2024‑04‑02;72

oranje gebied

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio319/nld@2024‑04‑02;72

provinciale vaarweg

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio243/nld@2024‑04‑02;72

provinciale weg

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio247/nld@2024‑04‑02;72

regionale kering norm 1:200

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio269/nld@2024‑04‑02;72

regionale kering norm 1:100

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio268/nld@2024‑04‑02;72

stiltegebied

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio250/nld@2024‑04‑02;72

unesco werelderfgoed koloniën van weldadigheid

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio262/nld@2024‑04‑02;72

velden en beekdalen van centraal drenthe

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio305/nld@2024‑04‑02;72

verbodszone diepe boring annen breevenen en kruidhaars

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio248/nld@2024‑04‑02;72

verbodszone diepe boring assen

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio252/nld@2024‑04‑02;72

verbodszone diepe boring hoogeveen holtien en zuidwolde

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio251/nld@2024‑04‑02;72

verbodszone diepe boring nietap

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio242/nld@2024‑04‑02;72

voor verzuring gevoelig gebied

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio241/nld@2024‑04‑02;72

waarde-archeologie 1

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio233/nld@2024‑04‑02;72

waarde-archeologie 2

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio238/nld@2024‑04‑02;72

waarde-archeologie 3

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio321/nld@2024‑04‑02;72

waterwingebied

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio236/nld@2024‑04‑02;72

weerdingervenen en roswinkel

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio234/nld@2024‑04‑02;72

wegdorpenlandschap van de laagveenontginning

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio291/nld@2024‑04‑02;72

wegdorpenlandschap van de veenrandontginning

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio235/nld@2024‑04‑02;72

wegpanorama

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio293/nld@2024‑04‑02;72

zonering radioastronomie zone i

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio240/nld@2024‑04‑02;72

zonering radioastronomie zone ii

/join/id/regdata/pv22/2024/31gio231/nld@2024‑04‑02;72

Bijlage 1 Kernkwaliteiten Landschap

Kernkwaliteiten Landschap

Esdorpenlandschap

Kenmerken van het landschapstype

Het Drents plateau bestaat voornamelijk uit esdorpenlandschap. Dit landschapstype bevat enkele telkens terugkerende onderdelen, namelijk het dorp, de es, het beekdal en de velden/bossen/heide.

Het esdorpenlandschap is een agrarisch cultuurlandschap ten voeten uit. Elk onderdeel van het landschap komt voort uit het agrarisch gebruik en is gerelateerd aan het functioneren van de lokale agrarische dorpsgemeenschap, met de boermarken als het oorspronkelijke gezag. De esdorpen vormen vanouds de ontginningsbasis van het landschap. Ze liggen veelal op landschappelijke overgangen van nat (beekdal) naar droog (es/heide/bos).

Rond de dorpen liggen de landschapsonderdelen die vanouds in het landbouwsysteem elk hun eigen functie hadden. Direct aan de rand van het dorp lagen de 'goorns': kleinschalige, verkavelde gebieden met hagen en singels, waar onder andere groenten voor menselijke consumptie werden verbouwd. Op de hoger gelegen gronden ontwikkelden zich door de eeuwen heen de essen, omzoomd door bosjes, strubben of soms een ringwal. In het lager gelegen beekdal lagen de graslanden, tot aan het begin van de vorige eeuw onverdeeld, de zogenaamde madelanden. Later zijn de beekdalen sterk verkaveld en hebben ze door de aanleg van houtwallen een kleinschalig, besloten karakter gekregen. Buiten de gecultiveerde wereld lag de grote 'woestenij': het veld, de heide. Dit is een vaak enorm grote ruimte die gebruikt werd om de schapen te weiden. Door ontginning en bebossing (tot ver in onze eeuw) zijn de meeste van deze heidevelden verdwenen.Kenmerken van de nederzettingHet landelijke gebied dringt tot diep in de dorpstructuur door. De brink vormt nu vaak het centrum van het dorp. De brinken waren (zijn) beplant met opgaande bomen, veelal eiken. Rond de brink werden de boerderijen gegroepeerd. Brinken lagen van oorsprong aan de rand van het dorp. De open ruimten worden gevormd door één of meer brinken, erven, kleine akkers en weilanden tussen de bebouwing. Van oudsher is er een functionele samenhang tussen deze ruimten en de bebouwing. Het wegenpatroon is een vervlechting van bochtige wegen, bestaande uit één of enkele doorgaande wegen en enkele minder belangrijke wegen die daarop aansluiten. De nu nog zichtbare klinkerbestrating is hiervoor kenmerkend. Waar het nog gaaf is, maakt het dorpssilhouet de indruk van een hoogstaand bos met daartussen en aan de randen lage dorpsbebouwing. De bebouwing is landelijk van karakter en bestaat vooral uit typische boerderijen die schijnbaar willekeurig geplaatst zijn. Soms steekt een kerktoren of molen boven het silhouet uit.

Kernkwaliteit

Als kernkwaliteit worden in ieder geval aangemerkt:

  • de essen: deze voor het esdorpenlandschap kenmerkende open ruimtes zijn veelal omgeven met esrandbeplanting.

  • de beekdalen: onbebouwd gebied met kleinschalige beplantingstructuren en beekdal(rand)beplanting.

Het provinciaal beleid is gericht op:

  • behoud van de open ruimte en het versterken van esrandbeplanting;

  • behoud van het onbebouwde karakter en het versterken van karakteristieke beekdal(rand)beplanting.

Esgehuchtenlandschap

Kenmerken van het landschapstype

Het Reestdal en omgeving is alom erkend als een bijzonder gaaf deel van het esgehuchten- of hoevenlandschap op de grens van Drenthe en Overijssel. Het kleinschalige gebied langs de Reest wordt gekenmerkt door een aantal kleine nederzettingen (gehuchten), ontstaan op de flanken van het beekdal. Op zandruggen en koppen liggen hier de boerderijen bij kleine (eenmans)essen. Op een aantal plaatsen gaat het beekdal via hei en bos prachtig over in het veld; zeer fraaie en waardevolle plekken. Vooral het westelijk deel van het gebied heeft door de aanwezige havezaten en voorname boerderijen met de daarbij behorende bossen en lanen een uitstraling van allure.

Kenmerken van de nederzetting

Het esgehuchtenlandschap heeft veel overeenkomsten met het esdorpenlandschap. Het esgehuchtenlandschap is echter kleinschaliger en meer uitgesproken qua hoogteverschillen en steilranden. Het 'dorp' bestaat uit één of enkele verspreid liggen de boerderijen.

Kernkwaliteit

Als kernkwaliteit worden in ieder geval aangemerkt:

  • de eenmansessen: kleine, kenmerkende open ruimten, omgeven met esrandbeplanting;

  • de beekdalen: onbebouwd gebied met haaks liggende, kleinschalige beplantingstructuren en/of beekdal(rand)beplanting.

Het provinciaal beleid is gericht op:

  • behoud van de open ruimte en het versterken van esrandbeplanting;

  • behoud van het onbebouwde karakter en het versterken van karakteristieke beekdal(rand)beplanting.

Wegdorpen van de laagveenontginning

Kenmerken van het landschapstype

Het wegdorpenlandschap van de laagveenontgining, ook wel het 'slagenlandschap', ligt op de laagst gelegen plekken in de provincie Drenthe, waar in de benedenlopen van de beekdalen veen is ontstaan. Kenmerkend zijn de ontginningsassen, de langgerekte lintdorpen (waarvan het karakter en de sfeer grotendeels bepaald worden door bebouwing enwegbeplanting) en de grote, open weidegebieden (met de smalle, langgerekte verkaveling en het slotenpatroon haaks op de ontginningsas). Sommige delen hebben door de kavelgrensbeplanting een min of meer besloten karakter.

Kenmerken van de nederzetting

Het omringende landelijke gebied dringt door in het wegdorp, dat ook wel streekdorp wordt genoemd. Vanaf de hoofdweg is tussen de bebouwing door het landelijk gebied steeds waarneembaar. Het silhouet van het dorp is een langgerekte strook, waarvan de massa wordt gevormd door een aaneenschakeling van forse boerderijen met erfbeplantingen en de dominerende beplanting langs de weg. De beplanting bestaat uit opgaande bomen in een overigens vrij open landschap.

Kernkwaliteit

Als kernkwaliteit worden in ieder geval aangemerkt het open weidegebied en de smalle verkaveling met het fijnmazige slotenpatroon. Het provinciaal beleid is gericht op het behouden en versterken van het open karakter en de smalle verkavelingsstructuur.

Wegdorpen van de randveenontginning

Kenmerken van het landschapstype

De randveenontginningen vormen binnen Drenthe een bijzonder landschapstype. Ze liggen langs de randen van de Veenkoloniën en zijn ontstaan door het ontginnen van de randen van het toenmalige immense hoogveenpakket. Het kleinschalige, meer onregelmatige beeld van dit landschapstype wordt bepaald door de dorpen: langgerekte bebouwingslinten met dwars daarop een smalle, onregelmatig opstrekkende verkaveling.

Kenmerken van de nederzetting

Het omringende landelijke gebied dringt door in het wegdorp. Vanaf de hoofdweg is tussen de bebouwing door het landelijke gebied waarneembaar. Het dorpssilhouet is een langgerekte, smalle, slingerende strook, waarvan de massa wordt gevormd door een onregelmatige aaneenschakeling van forse boerderijen, kleinere boerderijen en woningen met erfbeplantingen. Dominerend is de beplanting van opgaande bomen langs de weg, in een overigens open landschap. Typisch is de ligging op de lichtglooiende rand van een hoogveenontginning en veelal een stroomdal.

Kernkwaliteit

Als kernkwaliteit worden in ieder geval aangemerkt de typische langgerekte en slingerende ontsluitingsstructuur. Veelal is deze aan weerszijden beplant. Het is de hierop dwarsliggende, onregelmatige verkavelingsstructuur die de maat en schaal van de omliggende openheid bepaalt.

Het provinciaal beleid is gericht op het behouden en versterken van de kavelstructuur met de omringende kenmerkende open ruimtes en de ontsluitingsstructuur. Dit gebeurt mede door het behouden van de wegbeplanting langs de hoofdontsluiting.

Landschap van de Veenkoloniën

Kenmerken van het landschap

Het meest voorkomende landschapstype in de provincie is het hoogveenontginningslandschap. Dit landschapstype beslaat in totaal ongeveer een kwart van het gehele grondgebied van de provincie. Tot dit landschapstype behoren behalve de Drents-Groningse Veenkoloniën ook het Odoornerveen, Hoogeveen-Hollandscheveld, Smilde en enkele kleinere gebieden bij Dalen en Roden. De meeste veenontginningen in Drenthe zijn onderling verbonden doorkanalenstelsels. Kenmerkend voor deze hoogveengebieden is de strakke orthogonale verkaveling, de bebouwingslinten langs kanalen en monden en de grote, weidse ruimtes met wijken. Elke ontginning heeft bovendien zijn eigen specifieke kenmerken, waaraan de tijd en de manier van ontginning is af te lezen. Zo heeft het gebied rond Hollandscheveld een kleinschalig, besloten karakter met veel verspreid voorkomende bebouwing en bosstroken. In Smilde vormt de Drentse Hoofdvaart de ruggengraat van de ontginning en zijn de Oude Veenkoloniën kleinschaliger dan de Veenkoloniën in de omgeving van Emmen.

Kenmerken van de nederzetting

Afhankelijk van het type dorp (enkellint of dubbellint) en de dichtheid van de bebouwing dringt het landelijk gebied diep of minder diep door in het dorp. Vanaf de hoofdontsluiting is het landelijk gebied in veel gevallen waarneembaar. Kenmerkend is de regelmaat. Het dorpssilhouet is een langgerekte strook waarvan de massa wordt gevormd door een aaneenschakeling van grote boerderijen en woningen met erfbeplantingen. Dominerend is de langgerekte beplanting van opgaande bomen langs de wegen, in een open vlak landschap.

Kernkwaliteit

Als kernkwaliteit worden in ieder geval aangemerkt de orthogonale samenhang tussen het systematische ontginningspatroon van grootschalige openheid met kenmerkende wijkenstructuur en de bebouwingslinten met daaruit opgaande percelen. Het provinciaal beleid is gericht op het behouden en versterken van de samenhang en de openheid met de wijken en de rechtlijnige landschapsstructuur.

Landschap van de koloniën van weldadigheid

Kenmerken van het landschap

De Koloniën van Weldadigheid zijn uniek voor Nederland en verdienen bijzondere aandacht. Hoewel elk van de gebieden zijn eigen karakter en sfeer heeft, hebben de koloniën ook een aantal gemeenschappelijke kenmerken. De hoofdstructuur wordt bepaald door orthogonale ('haakse') lijnen. De (hoofd)ontsluitingswegen worden begeleid door beplanting (lanen) en soms door kanalen of waterlossingen. Langs deze wegen bevindt zich karakteristieke bebouwing, in een ijle of dichtere concentratie. De orthogonale structuur resulteert in karakteristieke boscomplexen en open ruimten met bijbehorend een grootschalige of kleinschalige (veelal blokachtige) verkaveling.

Kenmerken van de nederzetting

Het landelijke gebied dringt door in de nederzetting. Vanaf de hoofdontsluitingen is het landelijk gebied waarneembaar. Het karakter is blokvormig en regelmatig. Vanwege het parkachtige karakter is er geen sprake van een uitgesproken dorpssilhouet. De dorpsstructuur kenmerkt zich door het wegen- en kanalenpatroon. De oorspronkelijke bebouwing is uniek en typisch. Ze staat in één rooilijn en is afgestemd op de functie. Dominerend is de langgerekte met laanbeplanting.

Kernkwaliteit

Als kernkwaliteit worden in ieder geval aangemerkt:

  • de rechtlijnige, structuurbepalende (hoofd)ontsluitingswegen, met daarlangs laanbeplanting;

  • het orthogonale ingenieurslandschap met een blokachtige verkavelingsstructuur waarin bos en open ruimten elkaar afwisselen;

  • de structuur van lintbebouwing en de hiërarchie in de architectuur van de aanliggende bebouwing (veelal haaks op de ontginningsas), met een regelmatige onderlinge afstand.

Het provinciaal beleid is gericht op het behouden en versterken van:

  • de laanbeplanting langs de hoofdontsluiting;

  • de ontginningsstructuur en de afwisseling tussen massa en ruimte;

  • de kenmerkende bebouwingslinten en de onderlinge afstanden.

Macrogradiënt

De geologische ontwikkeling van Drenthe en het menselijk ingrijpen heeft geleid tot reliëfrijke overgangen in het landschap. Deze overgangen versterken de contrasten tussen landschapstypen, we noemen deze overgangen de Macrogradiënt. De macrogradiënt wordt aangemerkt als kernkwaliteit landschap. Ook voor de cultuurhistorie is deze macrogradiënt belangrijk. Prehistorische jagers en historische boeren kozen voor de aanleg van hun jachtkamp of boerennederzetting bij voorkeur een plek uit waar binnen korte afstand meerdere landschappen voorkwamen. Het behouden en versterken van de karakteristieke macrogradiënten (steile overgang van het Drents Plateau en de keileemruggen en stuwwallen naar de lager gelegen gebied, de zogenaamde macrogradiënt) van het Drents Plateau in relatie tot de aangrenzende en lager liggende veengebieden.

Wegpanorama

Wij hechten waarde aan een zorgvuldige presentatie van Drenthe aan de hoofdinfrastructuur en willen we de karakteristieken van de landschapstypen en het contrast tussen stad en land, gezien vanaf de infrastructuur, zichtbaar houden. Het gaat ons daarbij nadrukkelijk niet om gefixeerde fotomomenten die luttele seconden een blik op het landschap werpen. De essentie van de kernkwaliteit zit in het beleefbaar houden van de afwisseling tussen bebouwd en onbebouwd gebied. Voor de eenduidigheid maken wij geen onderscheid tussen snelweg- en wegpanorama's en hanteren wij enkel het begrip wegpanorama. Deze komen voor langs de doorgaande Rijks- en provinciale wegen. Hieronder vallen de A28, de N33, de N34, de N48, de N381 en de N391.

Stads- en dorpsranden

Steden en dorpen ontwikkelen zich en groeien. Zo zijn in de loop der tijd nieuwe dorps- en stadsranden ontstaan. Tot voor kort stond 'ontwikkelen' gelijk aan groeien. Omdat het anno nu niet meer vanzelfsprekend is dat dorpen en steden alleen maar groeien, ontstaat een nieuwe context. Stads- en dorpsranden zijn het visitekaartje van de stad, het dorp en het landschap. Het zijn gradiënten (geleidelijke overgangen) in het landschap, die toeristische aantrekkelijke verbindingen tussen onze steden/dorpen en ons landschap vormen. Illustratief zijn de Drentsche Aa (Assen), het Oude Diep (Hoogeveen) en de Reest (Meppel). Deze stadsranden worden begrensd door de landschappelijke waarde die ze vertegenwoordigen en worden om die reden gekoesterd. Maar er zijn ook stads- en dorpsranden waar de relatie met het omringende landschap is vervaagd of verdwenen. Hier bestaat het risico dat er zich ontwikkelingen voordoen die afbreuk doen aan de ruimtelijke kwaliteit, waardoor het gebied als 'verrommeld' wordt beleefd. De huidige situatie vraagt om het denken in ruimtelijk-economische oplossingen. Leegstand, verpaupering, versnippering en onaantrekkelijke entrees willen we voorkomen door gezamenlijk met gemeenten deze opgaven integraal te benaderen. Atelier mooi Drenthe heeft het concept 'duurzaam DNA Drenthe' ontwikkeld, dat uitgaat van de cultuurhistorische en landschappelijke karakteristiek van de plek. Dit gedachtegoed inspireert ons om met gemeenten gezamenlijk invulling te geven aan stads- en dorpseigen overgangen tussen stad en platteland. We willen daarbij zowel van binnen naar buiten kijken (van stad naar land), als van buiten naar binnen (van land naar stad).Hierbij kunnen de volgende onderwerpen aan de orde komen:

  • het versterken van de ruimtelijke kwaliteit (hoe takt de stad of het dorp aan op het buitengebied);

  • het stimuleren van de mogelijkheden van recreatieve uitloop en medegebruik, in aansluiting op de routestructuren in de omgeving;

  • het realiseren van een natuurlijke verbinding tussen stad en omgeving.

Harde grens stad en land

De Drentsche Aa (Assen), het Oude Diep (Hoogeveen) en de Reest (Meppel) zijn iconisch voor de ruimtelijke kwaliteit van Drenthe. Deze waarden willen we behouden en versterken. Uitbreiding van de aangrenzende steden achten wij hier onwenselijk.

Bijlage 2 Kernkwaliteiten Cultuurhistorie

Kernkwaliteiten Cultuurhistorie

In deze bijlage zijn de cultuurhistorische kenmerken en structuren beschreven die vanuit beleid (Omgevingsvisie en Cultuurhistorisch Kompas Drenthe) en de Provinciale Omgevingsverordening (POV) van provinciaal belang zijn. De 10 deelgebieden zoals die in de Omgevingsvisie en Cultuurhistorisch Kompas Drenthe zijn beschreven, vormen de basis. Verder zijn er daarbinnen twee beschermingscategorieën mogelijk (zie artikel 3.2). Vandaar dat binnen de 10 gebieden vaak nog een onderverdeling is gemaakt. Daarnaast is voor de historische infrastructuur een gebied opgenomen: deze infrastructuur loopt immers ook buiten de grenzen van de deelgebieden door. Bij elk gebied wordt de beschermingscategorie met een trefwoord aangegeven: hetzij "betrekken bij", hetzij "rekening houden met" (zie artikel 3.2) Alle beschrijvingen zijn overgenomen uit de Omgevingsvisie/Cultuurhistorisch Kompas Drenthe.

Legenda (zie GIS-kaart):

Gebied

Deelgebieden

Sturingsniveau

0. Historische Infrastructuur

 

Betrekken bij

Kop van Drenthe - rijk landschap, rijke dorpen

1A Kop van Drenthe

Rekening houden met

 

1B Het esdorpenlandschap rond Norg

Betrekken bij

2. Drentsche Aa -bakens in het beekdal

2A Drentsche Aa

Rekening houden met

 

2B Assen

Betrekken bij

3. Hondsrug en Hunzedal - doorgaande wegen door de tijd

3A Hondsrug

Rekening houden met

 

3B Hunzedal en randveen

Betrekken bij

4. De Drentse Monden - de economie van de rechte lijn

4A De Monden

Rekening houden met

 

4B Weerdingervenen en Roswinkel

Betrekken bij

5. Drentsche Hoofdvaart - vormend land (de mens vormt het land, het land vormt de mens)

5A Maatschappij van Weldadigheid

Rekening houden met

 

5B Drentsche Hoofdvaart

Betrekken bij

 

5C Havelterberg

Betrekken bij

 

5D Esdorpenlandschap Vledder- en Wapserveense Aa

Betrekken bij

6. De velden in centraal Drenthe - van nut maken van de stille heide

6A Velden en beekdalen van Centraal Drenthe

Betrekken bij

7. Mars en Westerstroom - het keurslijf van de beken

7A Esdorpenlandschap rond Mars- en Westerstroom

Betrekken bij

 

7B Coevorden, beekdal en ontginningen

Betrekken bij

8. De Reest en Meppel - alle(s) voer(t) naar Meppel

8A De Reest

Betrekken bij

 

8B Meppel en het laagveen rondom

Betrekken bij

9. Het hollandscheveld en Hoogeveen - kruising van richtingen

9AHollandscheveld en Hoogeveen

Betrekken bij

10. Emmen en haar venen

10A Het Amsterdamscheveld

Betrekken bij

 

10B Emmen, venen en randveeontginningen

Betrekken bij

Gebied 0. Historische Infrastructuur - Betrekken bij

Dit zijn alle historische beken, waterwegen, kanalen, wijken en wegen die onderdeel uitmaken van het provinciaal belang Cultuurhistorie, maar buiten de deelgebieden vallen. Voor deze gebieden geldt de bescherming 'Betrekken bij'.

Gebied 1. Kop van Drenthe - rijk landschap, rijke dorpen

Dit gebied wordt gekenmerkt door een centraal deel met een van oorsprong middeleeuws esdorpensysteem en randveenontginningen, gekoppeld aan een hoefijzervormig beekdalstelsel dat via het Peizerdiep afwatert naar het noorden. De oostelijke rand met een reeks van landgoederen die zich in het bijzonder vanaf de 18de eeuw hebben ontwikkeld, is sterk georiënteerd op de stad Groningen. Het beekdal van het Groote en Oostervoortsche Diep is open, breed en scherp begrensd; door zijn hoefijzervorm waarlangs de esdorpen liggen, vormt dit deel een sterke eenheid. De noordelijke benedenloop (het Peizerdiep) wordt geflankeerd door de ontginningslinten van het laaggelegen randveen, die als het ware overlopen in een reeks van veenterpen, en die dezelfde ontstaansperiode hebben. Oostelijk ligt een gordel van landgoederen rond Eelde en Paterswolde, met een karakteristieke afwisseling in open landbouwgronden en besloten park- en bosaanleg.

Deelgebied 1.A: Kop van Drenthe. Rekening houden met.

Karakteristieken/Omgevingsbeeld:

  • Licht slingerende linten van de randveenontginningen in een coulissenlandschap met fijnmazige percelering en houtwallen; Roderwolde is daarbij samen met Sandebuur een voorbeeld van een verschoven lint;

  • Aan weerszijden van het Peizerdiep een reeks van veenterpen, deels zichtbaar als lichte verhogingen in het laaggelegen open landschap;

  • Landgoederen bij Eelde en Paterswolde:

    • Vrijwel aaneengesloten gebied met afwisseling in open landbouwgronden en besloten delen met bos- en parkaanleg;

    • Centrale ligging van de hoofdhuizen binnen de parkaanleg en sterke relatie tussen huis en omgeving.

Ambitie:

Richtinggevend voor dit deelgebied is het herkenbaar houden van een oud cultuurlandschap. Dit deelgebied kent onder invloed van de stad Groningen bovendien eigen ontwikkelingen. Daarom willen wij sturen op:

  • Het veiligstellen van de karakteristiek van de randveenontginningen, door het behouden van licht slingerende wegdorpen en verder versterken van de houtwalpatronen en de opstrekkende verkaveling in het buitengebied;

  • Het beleefbaar houden van het verschoven lint van Sandebuur - Roderwolde en het lint van Peizerwold en de daaraan gekoppelde reeks van veenterpen als bewoningsflanken van het beekdal van het Peizerdiep;

  • Het blijvend zichtbaar onderscheiden van de reeks van landgoederen rond Eelde en Paterswolde. Deze reeks wordt gekenmerkt door een karakteristieke tuin- en parkaanleg, ingebed in landschappelijke structuren, met een variatie in maat en schaal en een doorlopende afwisseling van open en besloten ruimtes.

Deelgebied 1.B: het esdorpenlandschap rond Norg. Betrekken bij

Karakteristieken/omgevingsbeeld

  • Breed hoefijzervormig beekdal, met een open karakter, dat benadrukt en scherp begrensd wordt door een rand van opgaande beplanting;

  • Esdorpen met daarbinnen de karakteristieke afwisseling van open en gesloten ruimtes, verspreide bebouwing en doorzichten naar essen en beekdal;

  • Diverse boscomplexen, onder andere stuifzandbossen bij Norg, een sterrenbos bij Huize Mensinge en het Norgerholt als oorspronkelijk middeleeuws gebruiksbos.

Ambitie:

Richtinggevend voor dit deelgebied is het herkenbaar houden van een oud cultuurlandschap. Daarom willen wij sturen op:

  • Het in stand houden van de karakteristiek van het esdorpenlandschap. Deze karakteristiek uit zich in een zichtbare ruimtelijke samenhang tussen esdorp, es, beekdal en veld, met bijbehorend microreliëf en beplantingselementen als houtwallen, esrandbosjes en middeleeuwse gebruiksbossen. Bovendien kent het esdorpenlandschap een grote tijdsdiepte, wat blijkt uit zichtbare en onzichtbare (pre)historische bewoningssporen als nederzettingen, grafmonumenten en celtic fields. Dit wordt in het bijzonder op het Noordscheveld weerspiegeld;

  • Het vasthouden en zorgvuldig doorzetten van de ruimtelijke opzet van de esdorpen. Deze opzet wordt getypeerd door een vrije ordening van bebouwing en boerderijen, afwisseling tussen bebouwde plekken en open ruimtes (in het bijzonder de brinken) en doorzichten naar het omliggende buitengebied;

  • Het behouden van de openheid van de brede beekdalen als contrast met hun scherpe begrenzingen in de vorm van houtwallen en bossen;

Gebied 2. Drentsche Aa - bakens in het beekdal

De gave beekdalen van de Drentsche Aa zijn de drager van het kleinschalige esdorpenlandschap met de karakteristieke essen, dorpen en beplantingen. Het is een informeel gegroeid, samenhangend landschap dat zijn huidige karakter al min of meer in de middeleeuwen heeft gekregen, maar met een ontwikkelingsgeschiedenis die teruggaat tot in de prehistorie. Dit uit zich in een grote verzameling van hunebedden, grafheuvels, celtic fields, karrensporen, kerktorens, boerderijen en houtwallen. Assen heeft zich ontwikkeld van esgehucht met een klooster tot bestuursstad. De Vaart, de Hoofdlaan (en het Asserbos) vormen daarbij structurerende assen, gericht op het historische centrum, dat met zijn bebouwing de ontwikkeling van geestelijk centrum naar bestuurscentrum weerspiegelt.

Deelgebied 2.A: Drentsche Aa. Rekening houden met

Karakteristieken/Omgevingsbeeld

  • De beekdalen van de Drentsche Aa met flankerend esdorpen en essen, gezamenlijk in een sterke ruimtelijke samenhang aanwezig;

  • Een grote dichtheid aan prehistorische bewoningssporen en hiermee samenhangende routes zoals celtic fields, grafmonumenten (hunebedden, grafheuvels, urnenvelden) en karrensporen;

  • Authentieke esdorpen met een karakteristieke opbouw van open ruimten en brinken, verspreid staande bebouwing en doorzichten naar de essen en het beekdal;

  • Duidelijk door beplanting begrensde beekdalen met een herkenbare historische percelering en veel houtwallen;

  • Variatie in traditionele boerderijen die de historische ontwikkeling toont van de Drentse boerderijtypen;

  • Kerktorens die van verre zichtbaar zijn als oriëntatiepunt in het landschap en bij Rolde bovendien oriëntatiepunt zijn van een bijzondere historische raaipercelering

Ambitie:

Bepalend voor dit deelgebied is een gaaf en kleinschalig cultuurlandschap met een duidelijke samenhang in tijd en ruimte. Om deze gaafheid te bewaken sturen wij op:

  • Het in stand houden van de karakteristiek van het esdorpenlandschap. Deze karakteristiek uit zich in een zichtbare ruimtelijke samenhang tussen esdorp, es, beekdal en veld met bijbehorend microreliëf en beplantingselementen als houtwallen en esrandbosjes. Bovendien kent het esdorpenlandschap een grote tijdsdiepte, wat blijkt uit vele zichtbare en onzichtbare (pre)historische bewoningssporen als nederzettingen, grafmonumenten en celtic fields;

  • Het vasthouden en zorgvuldig doorzetten van de ruimtelijke opzet van de esdorpen. Deze opzet wordt getypeerd door een vrije ordening van bebouwing en boerderijen, afwisseling tussen bebouwde plekken en open ruimtes (in het bijzonder de brinken) en doorzichten naar het omliggende buitengebied;

  • Het behouden en herstellen van de oorspronkelijke beekloop in de beekdalen met hieraan gekoppeld de historische percelering, de houtwallen en houtsingels en de reliëfranden;

  • Het zichtbaar houden en beter beleefbaar maken van de historische en prehistorische route, waar karresporen, voorden, grafheuvels en andere prehistorische relicten een unieke verzameling archeologische sporen vormen. Dit in het bijzonder op het Balloërveld;

  • Het accentueren van de reeks van kerktorens in het gebied van de Drentsche Aa die, evenals in de Middeleeuwen, als bakens in het weidse landschap een inspiratiebron kunnen zijn voor nieuwe verbindingen en routes.

Deelgebied 2.b: Assen. Betrekken bij

Karakteristieken/Omgevingsbeeld:

  • Ruimtelijke structuur van 2 hoofdassen: de Vaart en de Hoofdlaan, die georiënteerd zijn op het oude bestuurscomplex aan De Brink;

  • De historische bebouwingstructuren langs de hoofdassen en het Asserbos met zijn stervormige padenstructuur;

  • De villabebouwing (Hertenkamp, Oud Zuid) als uiting van het bestuurs- en voorzieningencentrum.Ambitie:

  • Het herkenbaar houden van het historische centrum van Assen met de daarop gerichte assen van de Vaart en de Hoofdlaan met hun karakteristieke bebouwing en het Asserbos.

Gebied 3.: Hondsrug en Hunzedal - doorgaande wegen door de tijd

Bepalend voor dit deelgebied zijn drie zones, die parallel aan elkaar liggen en die samenvallen met de ondergrond: de hoge Hondsrug, het lage Hunzedal (beiden ontstaan in de voorlaatste ijstijd) en een reeks randveenontginningen. De hoofdstructuur van de Hondsrug wordt hoofdzakelijk bepaald door een keten van esdorpen en essen van noord naar zuid over de rug, afgewisseld met grote, zich scherp aftekenende bossen. De continue bewoningsgeschiedenis vanaf de prehistorie blijkt uit de grote dichtheid aan hunebedden, grafheuvels en celtic fields, die, net als de esdorpen, zijn verbonden aan doorgaande routes die sinds de prehistorie over de Hondsrug lopen. Het Hunzedal contrasteert als laaggelegen, open en nagenoeg onbebouwd gebied met de Hondsrug. De wegdorpen van de randveenontginningen vormen een langgerekt bewoningslint, dat de grens markeert tussen het Hunzedal en de grootschalige veenkoloniale ontginningen. Richtinggevend voor dit deelgebied is het herkenbaar houden van de overgangen en de grenzen tussen de drie parallelle structuren van de Hondsrug, het Hunzedal en het lint van de randveenontginningen.

Deelgebied 3.A: Hondsrug. Rekening houden met

Karakteristieken/Omgevingsbeeld

  • De oorspronkelijke middeleeuwse routes die de dorpen verbinden en die vrijwel intact en functioneel zijn;

  • De noord - zuid keten van esdorpen, waarvan de typerende structuren en elementen nog merendeels herkenbaar zijn;

  • Een grote dichtheid aan prehistorische (en historische) bewoningssporen, zoals hunebedden, grafheuvels en celtic fields, waarvan een deel als keten een prehistorische route over de Hondsrug markeert;

  • Een reeks van grote boseenheden, vooral staatsboswachterijen, door de rechthoekige vormen en hun massa scherp begrensd en zichtbaar in het landschap.

Ambitie:

Voor de Hondsrug willen we specifiek sturen op:

  • Het behouden van de karakteristiek van het esdorpenlandschap. Deze karakteristiek uit zich in een zichtbare ruimtelijke samenhang tussen esdorp en es, waarbij de esdorpen en essen als een keten op de Hondsrug liggen afgewisseld met scherp begrensde boswachterijen. Bovendien kent het esdorpenlandschap een grote tijdsdiepte, wat blijkt uit vele zichtbare en onzichtbare (pre)historische bewoningssporen als nederzettingen, grafmonumenten en celtic fields;

  • Het benadrukken van het lineair patroon van hunebedden, grafheuvels en andere zichtbare en onzichtbare prehistorische relicten die samenhangen met de prehistorische route over de Hondsrug;

  • Het vasthouden en zorgvuldig doorzetten van de ruimtelijke opzet van de esdorpen. Deze opzet wordt getypeerd door een vrije ordening van bebouwing en boerderijen, afwisseling tussen bebouwde plekken en open ruimtes (in het bijzonder de brinken) en doorzichten naar het omliggende buitengebied;

Deelgebied 3.B: Hunzedal en randveen. Betrekken bij.

Karakteristieken/Omgevingsbeeld

Hunzedal

  • De openheid en grote schaal van het dal wordt benadrukt door de begrenzingen aan de oostzijde en de westzijde: de bebouwingslinten van de randveenontginningen en de vrij steile rand van de Hondsrug met haar besloten boseenheden;

  • Enkele dwarsverbindingen die de esdorpen verbinden met hun randveenontginningen;

Randveenontginningen;

  • Licht slingerend verloop van de doorlopende ontginningsas;

  • Lintbebouwing variërend in dichtheid, met doorzichten naar het achterland.

Ambitie

We willen hier sturen op:

  • Het onbebouwd en onbeplant houden van het Hunzedal, waarin de nu aanwezige gehuchten uitzonderingen en verbijzonderingen zijn;

  • Het herkenbaar houden van de lintstructuur van de randveenontginningen met een variatie aan woningen langs de slingerende noord-zuid georiënteerde weg en doorzichten naar het achterland.

Gebied 4. De Drentse Monden - de economie van de rechte lijn.

Bepalend voor deze Drents-Groninger veenkoloniën is het orthogonale en hiërarchische stelsel van kanalen, monden en wijken, aangelegd voor de veenontginning. Langs de hoofdlijnen ontwikkelden zich na het afgraven de lintdorpen, geplaatst in een rechtlijnig stelsel van verkavelingen met bebouwing, waterwerken en beplanting. Dé richtinggevende lijn is de Semslinie, die begin 17de eeuw als grens met de provincie Groningen is getrokken, tussen de Martinitoren in de stad Groningen en Huis ter Haar bij Musselkanaal. Zowel het Annerveenschekanaal als het Groninger Stadskanaal en het Musselkanaal (vanaf begin 19de eeuw de basis voor de Drentse "monden") zijn parallel hieraan aangelegd. In een relatief korte periode is een productielandschap ontwikkeld vanuit een open en leeg veengebied, doorsneden door een enkele veenloop.

Deelgebied 4.A: de Monden. Rekening houden met.

Karakteristieken/Omgevingsbeeld

  • De Semslinie (met het onderliggende Stadskanaal) als ontginningsbasis, met de eindpunten in de stad Groningen en Huis ter Haar; • Een sterk hiërarchisch ruimtelijk stelsel van lijnen en tussenliggende verkavelingen, met hoofdkanalen als ontginningsassen en dwars daarop kleinere waterwegen (dwarsdiepen of wijken);

  • Langs kanalen en diepen de lintvormige nederzettingen met achterliggend cultuurland, en met een vaste ritmiek in de verkaveling, achtergrenzen en de plaatsing van bebouwing;

  • Binnen de linten is een vaste ordening voor bebouwing en infrastructuur, waarbij veelal de boerderijen aan één kanaalzijde staan en de voorzieningen en de woningen aan de andere zijde;

  • Binnen de linten een duidelijke ritmiek door een vaste maatvoering van kavels en een stelsel van bruggen en sluizen, beplanting en bebouwing die vaak in samenhang aanwezig is;

  • Het Oldambster boerderijtype is dominant en beeldbepalend.

  • Annerveenschekanaal en Eexterveenschekanaal als één hoofdkanaal met lintbebouwing als ontginningsas;

  • De monden als meerdere parallelle ontginningsassen, aangesloten op het Stadskanaal, met onderlinge variaties in enkel- en dubbelkanaalsystemen, waarvan een deel inmiddels gedempt is.

Ambitie

Uitgangspunt voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is het accentueren van de hiërarchie in de orthogonale opbouw van de veenkoloniën. Deze hiërarchie bestaat uit het Annerveenschekanaal en de monden als de belangrijkste ontginningsassen met de daar haaks op staande kanalen- en wijkenstructuur. Binnen de veenkoloniën komt deze hiërarchie op verschillende manieren naar voren. Daarbinnen willen wij specifiek sturen op:

  • Het zichtbaar houden van de ordening en samenhang tussen de ontginningsassen, die tot uitdrukking komt in enkele en dubbele lintdorpen en bebouwde en onbebouwde ontginningsassen;

  • Het herkenbaar houden van de ordening en samenhang binnen een lintdorp, zoals boerderijen en woningen die elk aan een zijde van het kanaal staan;

Deelgebied 4.B: Weerdingervenen en Roswinkel. Betrekken bij

Karakteristieken/Omgevingsbeeld

  • Het beekdal van de veenloop ten noorden van Nieuw-Weerdinge als open en onregelmatig gebied tussen de veenkoloniën, begrensd door de Valtherdijk en het Vledderdiep;•Het Weerdingerkanaal (deels gedempt) als hoofdkanaal voor Nieuw-Weerdinge, met een systeem van kruisdiepen en achterdiep;

  • Roswinkel als oudere wegontginning met een verschoven bewoningsas op een zandopduiking.Ambitie•Het herkenbaar houden van de ordening en samenhang binnen een lintdorp, zoals boerderijen en woningen die elk aan een zijde van het kanaal staan;

  • Het beleefbaar houden van het verschoven lint van Roswinkel, mede door de open ruimte tussen de oude en de nieuwe weg te handhaven;

  • Het benadrukken van de oude veenloop tussen Valthermond en Nieuw-Weerdinge door de afwijkende onregelmatige verkaveling en de duidelijke begrenzingen.

Gebied 5 Drentse Hoofdvaart - vormend land (de mens vormt het land, het land vormt de mens)

Kenmerkend voor dit gebied is een onderscheid in drie delen met elk eigen kenmerken, en de Drentse Hoofdvaart die de verschillen tussen noord en zuid weerspiegelt.De twee gebieden van de Maatschappij van Weldadigheid, Frederiksoord/Wilhelminaoord en Veenhuizen, vertonen een grote verwantschap door de orthogonale, hiërarchische opbouw, waarbinnen lijnen, bebouwing en beplanting een sterke onderlinge relatie hebben. De Drentse Hoofdvaart vormt een zelfstandige beelddrager met de inrichting van kanaal en verwante bebouwing, en is als lijn in het noorden de drager van de veenkoloniale lintdorpstruc-tuur, en in het zuiden ondergeschikt aan het omringende esdorpenlandschap.De Havelterberg en zijn omgeving vormt een eigen eenheid, met esdorpen, randveenontginningen en sporen van verschillende tijdlagen, van prehistorie tot Tweede Wereldoorlog.

Deelgebied 5.A: Maatschappij van Weldadigheid. Rekening houden met.

Karakteristieken/Omgevingsbeeld

  • Algemeen: een hiërarchische opbouw van orthogonale lijnen, beplanting en bebouwing in grote samenhang;

  • Frederiksoord/Wilhelminaoord als landbouwkolonie met koloniehoeves en voorzieningen aan de hoofdassen, en het onderliggend oudere landgoed Westerbeek;

  • Veenhuizen met een ordening rond grote gestichten, werkplaatsen en beambtenwoningen, als justitieel landschap;

  • Boschoord, waar binnen de bosaanleg de hoofdassen nog herkenbaar zijn.

Ambitie:

In de Maatschappijen van Weldadigheid van Frederiksoord en Veenhuizen willen wij sturen op:

  • Het handhaven en verder versterken van de hiërarchische en orthogonale opbouw van de gebieden, zoals die te zien is in vaarten, wegen, beplanting en bebouwing variërend van dienstwoningen tot directeurswoning;

  • Het behouden van de afwisseling tussen open gebieden en boscomplexen.

Deelgebied 5.B: Drentse Hoofdvaart. Betrekken bij.

Karakteristieken/Omgevingsbeeld

  • De reeks lintdorpen langs de Drentse Hoofdvaart, met doorzichten naar het achterliggende gebied;

  • De Drentse Hoofdvaart als beelddrager met een reeks sluizencomplexen, bruggen en bijbehorende historisch verwante bebouwing.AmbitieTen aanzien van de Drentse Hoofdvaart willen wij sturen op:

  • Het versterken van het karakter als beelddrager van een ensemble van kanaal, sluis- en brugcomplexen en gerelateerde bebouwing;

  • Het beleefbaar houden van de typerende lintbebouwing langs de Drentse Hoofdvaart met doorzichten naar het achterliggende gebied.

Deelgebied 5.C: Havelterberg. Betrekken bij.

Karakteristieken/Omgevingsbeeld

  • Open beekdalen, met zicht naar de wegdorpen van de randveenontginningen;

  • Esdorpen met intern en extern een ruime opzet en herkenbaarheid van historische uitbreidingen die het landschap insteken;

  • Vele prehistorische sporen als representanten van een continue bewoningsgeschiedenis

  • De Havelterberg als kerngebied met een concentratie van bewoningssporen, van prehistorie tot en met de Tweede Wereldoorlog.

Ambitie

Rond de Havelterberg sturen wij op:

  • Het beter beleefbaar maken van de lange geschiedenis van de Havelterberg door de vele historische sporen vanaf de prehistorie tot aan de Tweede Wereldoorlog te benadrukken.

Deelgebied 5.D: Esdorpenlandschap Vledder- en Wapserveense Aa. Betrekken bij

Karakteristieken/Omgevingsbeeld

  • Open beekdalen, met zicht naar de wegdorpen van de randveenontginningen;

  • Het licht slingerende lint met opstrekkende verkaveling van Wapserveen, met karakteristieke eenzijdige bebouwing;

  • Grote, scherp begrensde boseenheden als representanten van de jonge ontginningen

  • Esdorpen met intern en extern een ruime opzet en herkenbaarheid van historische uitbreidingen die het landschap insteken;

Ambitie:

  • Het in stand houden van de karakteristiek van het esdorpenlandschap. Deze karakteristiek uit zich in een zichtbare ruimtelijke samenhang tussen esdorp, es, beekdal en veld, met bijbehorend microreliëf en beplantingselementen als houtwallen en esrandbosjes. Bovendien kent het esdorpenlandschap een grote tijdsdiepte, wat blijkt uit vele zicht-bare en onzichtbare (pre)historische bewoningssporen als nederzettingen, grafmonumenten en celtic fields;

  • Het vasthouden en zorgvuldig doorzetten van de ruimtelijke opzet van de esdorpen. Deze opzet wordt getypeerd door een vrije ordening van bebouwing en boerderijen, afwisseling tussen bebouwde plekken en open ruimtes (in het bijzonder de brinken) en doorzichten naar het omliggende buitengebied;

  • Het openhouden van de beekdalen met het zicht op de wegdorpen van de randveenontginningen;

  • Het met zorg en aandacht verder versterken van het licht slingerende wegdorp Wapserveen met haar vrijwel eenzijdige bebouwing.

Gebied 6: de velden in centraal Drenthe - van nut maken van de stille heide

De structuur van dit gebied wordt gedomineerd door de twee grote bos- en heidegebieden van het Dwingelderveld en bij Hooghalen, en door de beekdalen van de Elperstroom en de Westerborkerstroom met de daarbij gelegen esdorpen die al in de middeleeuwen zijn ontstaan. De twee bos- en heidegebieden zijn aangelegd met de karakteristieke padenstructuur van boswachterijen en stuifzandbossen. Maar ze bevatten ook vele sporen van de tijd ervoor en erna, zoals (pre-)historische routes en grenzen en jongere ingrepen uit en na de Tweede Wereldoorlog, zoals de radiotelescoop van Dwingeloo en de sporen van Kamp Westerbork. Bijzonder is de ligging van het (Nationaal Park) Dwingelderveld als oude gemeenschapsgrond te midden van een krans van esdorpen. De smalle en soms duidelijk begrensde beekdalen van de Elper- en Westerborkerstroom hebben een sterke ruimtelijke relatie met de ernaast gelegen dorpen.

Deelgebied 6.A: velden en beekdalen van Centraal Drenthe. Betrekken bij.

Karakteristieken/Omgevingsbeeld

  • Aaneengesloten complexen van stuifzandbossen, boswachterijen en heidegebieden met daarbinnen sporen van oude paden, markegrenzen, postwegen en jongere relicten als radiotelescopen en sporen van de Tweede Wereldoorlog;

  • Beekdalen van de Elper- en Westerborkerstroom, soms duidelijk begrensd door houtwallen; visuele relatie tussen dorp, es en beekdal door open doorzichten, en dorpsstructuur van open en gesloten ruimtes en verspreide bebouwing;

  • Binnen de scherp begrensde boseenheden de blokindeling van de boswachterijen of de grilliger padenloop van de stuifzandbossen;

  • Een krans van esdorpen rondom het Dwingelderveld en langs de beekdalen met hun structuur van open en gesloten ruimtes, verspreide bebouwing en doorzichten naar het buitengebied;

  • In het gebied rond Hooghalen een dichtheid aan prehistorische bewoningssporen en grafmonumenten die deels corresponderen met een oude route die het zuidwesten met het midden van Drenthe verbond;

  • Het herinneringscentrum Westerbork met de sporen van Kamp Westerbork en Schattenberg;

  • De radiotelescopen van Dwingeloo en Hooghalen.

Ambitie

Richtinggevend voor dit deelgebied is het herkenbaar houden van de samenhang van twee bos- en heidegebieden met de nabijgelegen esdorpen. De bos- en heidegebieden van het Dwingelderveld en van Hooghalen zijn een resultante van de ontginning van de woeste gronden rond de esdorpen.

  • Ook het behouden van de samenhang van de esdorpen Elp, Orvelte, Westerbork en Zwiggelte met de naastgelegen beekdalen is bepalend voor de toekomst. Specifiek willen wij sturen op:

  • Het beleefbaar houden van de karakteristiek van het esdorpenlandschap rond het Dwingelderveld. Deze karakteristiek komt tot uitdrukking in een zichtbare ruimtelijke samenhang tussen de krans van esdorpen rond het Dwingelderveld en in een grote tijdsdiepte van het gebied, zoals dat blijkt uit grafmonumenten, celtic fields en een radiotelescoop;

  • Het herkenbaar houden van de grote tijdsdiepte van de bossen rond Hooghalen. Deze tijdsdiepte is te ervaren in zichtbare en niet zichtbare elementen uit de prehistorie, blokvormige ontginningsstructuren en ingrepen uit de moderne tijd zoals de radiotelescopen en de structuren van de werkverschaffing en Kamp Westerbork;

  • Het instandhouden van de karakteristiek van het esdorpenlandschap bij Elp, Orvelte, Westerbork en Zwiggelte. Deze karakteristiek uit zich in een zichtbare ruimtelijke samenhang tussen esdorp, es en beekdal, met bijbehorend microreliëf en beplantingselementen als houtwallen en esrandbosjes.

Gebied 7: Mars- en Westerstroom - het keurslijf van de beken

De sterk vertakte beekdalen centraal in dit gebied zijn ordenend voor de organisatie van het esdorpenlandschap dat hier in de Middeleeuwen zijn structuur kreeg: essen, bebouwing en groenlanden liggen dicht op elkaar, waardoor een sterke ruimtelijke relatie bestaat. Dit centrale deel omvat compacte esdorpstructuren binnen de grillige beekdalen. Het gebied eromheen is een jong grootschalig heide- en veenontginningslandschap dat zich kenmerkt door rechte lijnen, waarbinnen Witteveen een specifiek voorbeeld vormt. Naast open ruimtes bevat het jongere landschap ook scherp begrensde boseenheden. Coevorden heeft zich als marktplaats en vestingstad ontwikkeld op de plek waar een aantal waterlopen samenkomen. Vanaf Coevorden loopt het tracé van de historische postweg naar Groningen. Elementen van de vesting zijn in de binnenstad nog steeds afleesbaar en structurerend.

Deelgebied 7.A: esdorpenlandschap rond Mars- en Westerstroom. Betrekken bij.

Karakteristieken/Omgevingsbeeld

  • Essen, beekdal en dorpskernen liggen dicht bijeen gegroepeerd binnen de ruimte van beekdal;

  • Visuele relatie dorp, es en beekdal door open doorzichten;

  • Beekdalen met percelering en houtwallen;

  • Binnen de dorpen afwisseling open en gesloten ruimtes, verspreide bebouwing;

  • Variatie in traditionele boerderijen die de historische ontwikkeling toont.

Ambitie:

Bepalend voor dit deelgebied is het zichtbaar houden en verder versterken van de karakteristieke compacte structuren van dit esdorpenlandschap, zoals die tot uitdrukking komt in een centrale positie van de dorpen ingeklemd tussen het beekdal en de essen. Daarom willen wij specifiek sturen op:

  • Het in stand houden van de karakteristiek van het esdorpenlandschap. Deze karakteristiek uit zich in een zichtbare ruimtelijke samenhang tussen esdorp, es, beekdal en veld, met bijbehorend microreliëf en beplantingselementen als houtwallen en esrandbosjes;

  • Het vasthouden en doorzetten van de ruimtelijke, meer langgerekte opzet van de esdorpen door zorgvuldig om te gaan met de vrije ordening van bebouwing en boerderijen, de afwisseling tussen bebouwde plekken en open ruimtes (in het bijzonder de brinken) en doorzichten naar het omliggende buitengebied;

  • Het blijvend zichtbaar onderscheiden van de beekdalen door het grillige verloop en de kleinschaligheid te benadrukken;

Deelgebied 7.B: Coevorden, beekdal en ontginningen. Betrekken bij

Karakteristieken/Omgevingsbeeld

  • Visuele relatie dorp, es en beekdal door open doorzichten; • Binnen de esdorpen afwisseling open en gesloten ruimtes, verspreide bebouwing; •Ontginningen zijn open en doorsneden door rechte lijnen -in de vorm van wegen en beplanting; • Oranjekanaal als rechte ontginningsas; • Witteveen als gepland ontginningsdorp, met huizen en boerderijen in vaste ritmiek en plaatsing aan het lint. • Grote boseenheden, door rechte lijnen begrensd en doorsneden, met daarbinnen (restanten van) heidegebieden•Coevordeno Centrum met radiaal stratenpatroon en kasteel met motte;o Herkenbaarheid van de loop van de vestingwerken, in water en stedenbouwkundige structuren;o Tracé van de historische postweg.

Ambitie

Wij willen sturen op:

  • Het in stand houden van de karakteristiek van het esdorpenlandschap. Deze karakteristiek uit zich in een zichtbare ruimtelijke samenhang tussen esdorp, es, beekdal en veld, met bijbehorend microreliëf en beplantingselementen als houtwallen en esrandbosjes;

  • Het in stand houden van het karakter van Coevorden als vestingstad, zowel ondergronds als bovengronds, met alle onderdelen die daaraan refereren, zoals de motte, het kasteel, bastions, kazernes, wapenopslagplaats en radiale wegenstructuren;

  • Het herkenbaar houden van de scherpe belijningen van de heideontginningen, waarbij binnen die belijningen variatie kan plaatsvinden;

  • Het verder versterken van de oorspronkelijke ritmiek van bebouwing in de linten van Witteveen.

Gebied 8. De Reest en Meppel - alle(s) voer(t) naar Meppel

Bepalend voor de hoofdstructuur van dit gebied is de waaier van waterlopen waartussen de randveenontginningen liggen met hun bebouwingslinten. Waar de waterlopen samenkomen heeft Meppel zich vanaf de middeleeuwen ontwikkeld als handelsstad en doorvoerhaven. De randveenontginningen kenmerken zich door bewonings- en ontginningsassen op smalle zandruggen, met van daaruit smalle, zeer lange verkavelingsstroken, en veelal een jongere 2de bewoningsas, zoals bij Ruinerwold. Bij Kolderveen en Nijeveen zijn enkele middeleeuwse griften (turfkanalen) nog aanwezig. De grillige loop van de Reest is authentiek gebleven als grensrivier met Overijssel, met aan weerszijden zandkoppen waarop losse erven en esgehuchten zich aftekenen als eilanden in een open uitgestrekt beekdal.

Deelgebied 8.A De Reest. Betrekken bij.

Karakteristieken/omgevingsbeeld

  • De Reest met grillig verloop, daarlangs groenlanden en zandkopjes, structurerend voor het hoevenlandschap;

  • Wijds en open beekdal met daarin erven en esgehuchten met opgaande beplantingsranden als eilanden in die openheid;

  • Kleinschaligheid van ontginningseenheden doordat bij elk erf eigen es en groenland hoort;

  • Van oost naar west een verschuiving van sober naar rijk, door enkele landgoederen, en door een overgang van sobere besloten erven en nutstuinen naar boerenerven met aangebouwde voorhuizen en siertuinen in Engelse landschapsstijl.

Ambitie

Wij sturen op:

Het veilig stellen van het esgehuchtenlandschap van het Reestdal door het benadrukken van de samenhang tussen de erven, essen en groenlanden en de karakteristieke erf- en esbeplanting die de erven en essen markeert in het verder open beekdal van de Reest

Deelgebied 8.B: Meppel en het laagveen rondom. Betrekken bij.

Karakteristieken/Omgevingsbeeld

  • Licht slingerend verloop van linten, met een variatie in bebouwingsdichtheid en doorzichten;

  • Verschoven linten, zeer lange, smalle opstrekkende verkaveling en tussen de linten openheid;

  • In Ruinerwold eenzijdige en traditionele bebouwing langs de oude noordelijke as, en tweezijdige en eclectische, rijkversierde bebouwing langs het tweede bewoningslint op de oude dijk;

  • In Kolderveen en Nijeveen drie middeleeuwse griften (Kolderveensche Ooster- en Westergrift en de Nijeveense Grift) in noord-zuid richting nog goed herkenbaar.

  • Meppel

    • Vormende middeleeuwse water- en wegenlopen in het centrum grotendeels aanwezig of herkenbaar;

    • De Drentse Hoofdvaart buiten Meppel als sterke zelfstandige beelddrager met haar sluizencomplexen en aanverwante bebouwing;

    • De bebouwingsstructuren in het centrum veelal functioneel gekoppeld aan de markt- en havenfunctie, waarbij hoge verwachtingen van interne en ondergrondse sporen van de middeleeuwse stad;

    • Villawijken en -park, tuinwijken en havenbebouwing uit de periode 1860-1940 als representanten van de economische bloei en van stedenbouwkundige concepten uit die tijd.

Ambitie:

Leidend in dit deelgebied is een samenloop van verschillende waterlopen waartussen en waarlangs verschillende ontwikkelingen hebben plaatsgevonden. Wij willen sturen op:•Het zichtbaar houden van de middeleeuwse griften bij Kolderveen en Nijeveen;• Het in stand houden van het oude en het nieuwere lint van Ruinerwold en de ligging ervan in de omgeving. Dit doen wij door het herkenbaar houden van de verschillen in positionering, weginrichting en architectuur, door het vasthouden aan de verkavelingsstructuren en door het open houden van de ruimte tussen de twee bebouwingslinten

Gebied 9. Het Hollandscheveld en Hoogeveen - kruising van richtingen

De structuur van dit gebied heeft geen duidelijke drager. Dit komt door de relatief complexe en kleinschalige aanpak van de oudere veenontginningen, vanaf de 17de eeuw. De (verlengde) Hoogeveensche Vaart vormt de basis en verbindende schakel in de veenontginningen. De structuur hiervan is nog steeds herkenbaar aan de "opgaanden", die als ontginningsas dienden, en aan de verschillende kavelrichtingen van de -vele- ontginningsblokken, die aan de achtergrenzen bij elkaar komen. Hoogeveen heeft zich ontwikkeld als stedelijke kern vanuit het kruispunt van twee belangrijke vaarten: de (verlengde) Hoogeveense Vaart en de inmiddels gedempte Zuidwoldiger Opgaande.

Deelgebied 9.A :Hollandscheveld en Hoogeveen. Betrekken bij.

Karakteristieken/Omgevingsbeeld

  • Ontginningsassen als lijnen georiënteerd op en verbonden met de (Verlengde) Hoogeveensche Vaart;

  • Centraal groot 'blok' met daaromheen uitwaaierend (latere) blokken, onderling herkenbaar door de assen en de verschillende kavelrichtingen die 'botsen' bij de achtergrenzen;

  • Bossen bij Hollandscheveld die de smalle kavelstructuur en -richting volgen, met rafelige begrenzingen

  • Hoogeveen

    • "Het Kruis" als ontstaanspunt herkenbaar in het kruispunt van twee -gedempte- vaarten;

    • Noordelijk daarvan herkenbare historische percelering en bebouwingsstructuur.

Ambitie

Richtinggevend voor dit deelgebied is het behouden van het onderscheid tussen de verschillende ontginningsblokken in het veengebied. Dit is vooral zichtbaar te maken op de grenzen van de blokken. Wij willen dan ook sturen op:

  • Het gebruik maken van de randen en contrasten tussen de verschillende ontginningsblokken bij nieuwe ontwikkelingen, en in het bijzonder de achtergrenzen van de ontginningsblokken, waar verschillende kavelrichtingen bij elkaar komen;

  • Het zichtbaar houden van de plaatsing van de bospercelen van het bos bij Hollandscheveld binnen de oude perceelstructuren, en het in stand houden van de rafelige, verspringende randen van dit bos.

Gebied 10. Emmen en haar venen - planmatige ontwikkeling

Bepalend in dit gebied is de positie van Emmen als naoorlogse stad, in een veengebied dat vrij laat is ontgonnen en nog de concrete sporen toont van de machinale veenontginningen. Emmen, oorspronkelijk een esdorp op een uitloper van de Hondsrug, bezit rondom de oude kern een krans van woonwijken en industriegebieden, die representatief zijn voor de opeenvolgende fasen in het naoorlogse planningsdenken. Daarbuiten zijn in het gebied van het Amsterdamscheveld de verschillende facetten en fasen van de machinale veenontginning in één gebied zichtbaar. De zuidelijke strook langs de grens met Duitsland heeft een eigen karakter, gevormd door de randveenontginningen en hun wegdorpen en de esgehuchten. Samengevat is karakteristiek voor het geheel: de veelzijdigheid van ruimtelijke inrichting in fasen en in tijd, met structuren van esdorpen, veenontginningen, wegdorpen en naoorlogse planning; de verschillende zones die zich door hun autonome ontwikkeling sterk van elkaar onderscheiden.

Deelgebied 10.A: Het Amsterdamscheveld. Betrekken bij.

Karakteristieken/Omgevingsbeeld

  • Rond het Amsterdamscheveld en het Bargerveen zijn verschillende fasen van veen ontginning zichtbaar door strakke interne ontginningslijnen, aan de randen rafelige grenzen tussen wel en niet afgegraven en in cultuur gebracht hoogveen, machinale sporen in het veen en de turfstrooiselfabriek en gerelateerde dorpsbebouwing bij het gebied van Van Griendtsveen.Ambitie

  • Het zichtbaar houden van de machinale veenwinning en veenverwerking op het Amsterdamscheveld en het Bargerveen, zowel in het landschap als in de bebouwing;

Deelgebied 10.b: Emmen, venen en randveenontginningen. Betrekken bij.

Karakteristieken

  • Meervoudig systeem van kanalen en wijken;

  • Licht slingerend verloop van de weg als ontginningsas parallel aan het Schoonebekerdiep;

  • Een onderscheid tussen oost en west in lintdorpen en esgehuchten;

  • Een opstrekkende verkaveling vanuit het lint.

  • Emmen:

    • Hoofdstructuur van naoorlogse uitleg met de functiescheiding wonen, werken, recreatie en verkeer daarbinnen;

    • De naoorlogse woonwijken Emmermeer, Angelslo en Emmerhout als gave representanten van stedenbouwkundige concepten;

    • De aanwezigheid van (restanten van) esdorpstructuren van (het centrum van) Emmen, Barge en Westenesch en prehistorische sporen die de route van Coevorden naar Groningen over de Hondsrug weerspiegelen.

Ambitie:

Bepalend voor dit deelgebied is de stad Emmen als naoorlogse groeikern op de rand van de Hondsrug met een omringend veengebied. In dit deelgebied willen we specifiek sturen op:

  • Het behouden van de kenmerkende stedenbouwkundige concepten van de naoorlogse wijken van Emmen als representanten van opeenvolgende fasen in het denken over wonen en de stad;

  • Bij nieuwe ontwikkelingen van Emmen consequent vasthouden aan het wijkontwerp als totaalbeeld en als uitdrukking van een vernieuwend denkbeeld over de wijze van wonen;

  • Het benadrukken van het lineair patroon van hunebedden, grafheuvels en andere zichtbare en onzichtbare prehistorische relicten die samenhangen met de prehistorische route over de Hondsrug;

  • Het herkenbaar houden van de lintstructuur van de randveenontginningen met een variatie aan bebouwing langs de slingerende oost-west georiënteerde wegen.

Bijlage 3 Kernkwaliteiten Aardkundige Waarden

Kernkwaliteiten Aardkundige Waarden

Hoog beschermingsniveau

Instandhouding van de macrogradient, bodemopbouw, reliëf en gradiëntsituaties. De aardkundige kenmerken zijn normerend voor wat mogelijk is. Van gemeenten verwachten wij dat deze gebieden in omgevingsplannen via een dubbelfunctie beschermd worden. Waterbeheer, terrein- en landschapsbeheer moeten zodanig zijn dat de kenmerken in stand worden gehouden. Ontgronding ten behoeve van zandwinning is niet toegestaan. Aanleg van nieuwe infrastructuur moet worden vermeden. Normaal landbouwkundig gebruik is mogelijk, echter, verandering van inrichting en beheer, zoals diepploegen en egalisatie zijn verboden. Aanleg van drainage is alleen mogelijk wanneer dit niet leidt tot aantasting van de aardkundige kenmerken van gebieden en eenheden.

Middelhoog beschermingsniveau

De kenmerken, het reliëf en de bodemopbouw zijn richtinggevend voor wat mogelijk is. Ook voor deze gebieden verwachten wij van de gemeenten een bescherming via een dubbelbestemming in de bestemmingsplannen. Bij ontwikkelingen ten behoeve van infrastructuur, natuur- en wateropgaven dient een goede afweging te worden gemaakt. Het zorgvuldig en verantwoord omgaan met de aardkundige waarden moet vertrekpunt zijn bij de planvorming. Daarnaast dient het in stand houden van de kenmerken richting te geven aan de inrichtingsmaatregelen. Aantasting van bodemopbouw en reliëf moeten zoveel mogelijk worden voorkomen. Waar dit niet mogelijk is verwachten wij dat de informatiewaarde van de bodem wordt vastgelegd middels boorbeschrijvingen en foto's. Normaal landbouwkundig gebruik is mogelijk. Daarentegen is diepploegen en egalisatie verboden. En is aanleg van drainage alleen mogelijk wanneer dit niet leidt tot aantasting van aardkundige kenmerken van het hoofdlandschap. Ontgronding ten behoeve van kleinschalige zandwinning is niet toegestaan.

Generiek beschermingsniveau

het behoud van de lokale identiteit en beleving van het landschap geven sturing aan de afweging, waarbij de kenmerken van deze gebieden en elementen inspiratie, inhoud en betekenis kunnen geven aan ontwikkelingen. Van gemeenten verwachten wij dat zij hieraan inhoud geven. Bijvoorbeeld door een inventarisatie van de aardkundige waarden met een lokale betekenis en het opstellen van een beeldkwaliteitsplan. Bij ontwikkelingen met ingrepen in de bodem verwachten wij een goede analyse van de aardkundige waarden. Doel is om in de planvoorbereiding de bodemopbouw en het reliëf zoveel mogelijk te behouden, waar dit niet mogelijk is verwachten wij dat de informatiewaarde van bodem wordt vastgelegd. Dit geldt o.a. voor de aanleg van infrastructuur of de omzetting van landbouw in natuur. Normaal landbouwkundig gebruik is mogelijk. Voor ontgronding ten behoeve van kleinschalige zandwinning of landbouwkundige verbetering dient een afweging van belangen te worden gemaakt.

Bijlage 4 Kernkwaliteiten Koloniën van Weldadigheid

Kernkwaliteiten Koloniën van Weldadigheid

Nadere uitwerking van bovenstaande kernkwaliteiten

De nadere uitwerking van de kernkwaliteiten is opgenomen in Hoofdstuk 3 van het nominatiedossier “Koloniën van Weldadigheid” op grond waarvan UNESCO op 26 juli 2021 de Koloniën van Weldadigheid heeft aangewezen als Werelderfgoed. Hieruit zijn voor de POV Drenthe de volgende uitwerkingen gedistilleerd:



Ad a. de typologie van vrije en onvrije koloniën, als resultante van een allesomvattend systeem gericht op de opvang, disciplinering en vorming van kolonisten;

De uitzonderlijke en universele waarde (OUV) zit hem in de samenhangende ruimtelijke verschijningsvorm van het verschijnsel van de binnenlandse kolonie voor armoedebestrijding met landbouw:

a. In het uitzonderlijke en vroege sociale experiment vanuit de Verlichting met binnenlandse landbouwkoloniën voor armoedebestrijding die veel internationale belangstelling trokken en de internationale navolging in de instellingszorg. En

b. in het landschap van de binnenlandse landbouwkolonie met een sociaal doel, dat haar bewoners aanzette tot rationeel en productief gedrag vanwege de ruimtelijke en functionele organisatie van landschap en bebouwing.

Het UNESCO Werelderfgoed Koloniën van Weldadigheid bestaat uit drie aaneengesloten gebieden: Frederiksoord-Wilhelminaoord (Drenthe/Friesland), Wortel (België) en Veenhuizen (Drenthe). Dit zijn de Koloniën waar het oorspronkelijke cultuurlandschap bewaard is gebleven en het beste kan worden begrepen. Alle onderdelen bestaan uit een combinatie van landschapslagen die samen de bloeiperiode van het Koloniemodel laten zien.

Voor verschillende doelgroepen (enerzijds families/individuen, of anderzijds groepen) werden binnenlandse landbouwkoloniën voor armoedebestrijding aangelegd met een verschillend type ruimtelijke typologie: vrije en onvrije Koloniën. De ontwikkeling daarvan kent twee tijdslagen. De typologie van vrije en onvrije Koloniën kan als volgt schematisch worden weergegeven:

afbeelding binnen de regeling

In dit schema zijn de verschillende landschapstypen van een vrije kolonie (type α: bovenste twee plaatjes) en een onvrije kolonie (type ß, onderste twee plaatjes) schematisch verbeeld. De linkerzijde toont de situatie uit de eerste fase (1818-1859), de rechterzijde de twee fase (1860 tot 1918).Type α, vrij, (Frederiksoord-Wilhelminaoord) wordt gekarakteriseerd door evenwijdige lintbebouwing met ritmisch geordende koloniewoningen aan rechte wegen met achterliggende landbouwpercelen. Centraal en nabij kruisingen van wegen bevinden zich gezamenlijke voorzieningen zoals directiegebouwen, scholen, werkplaatsen en kerken. Pijl A toont de overgang naar de tweede fase (na 1859) binnen dit patroon met meer verdichting door toevoeging van nieuwe grotere boerderijen en voorzieningen als rusthuizen.Type ß, onvrij, (Veenhuizen) wordt gekarakteriseerd door een ruimer opgezette ordening met een hoofdontginningslijn langs de hoofdvaart, en daarnaast vierkante gestichten met daar omheen geordende grotere boerderijen. Door middel van pijl C is aangegeven hoe in de tweede fase (na 1859 en binnen de bestaande ordening) dienstwoningen aan het bestaande wegen- en kanalenpatroon zijn toegevoegd. Ook ontstaan er nieuwe gestichten en boerderijen nabij of in plaats van oude gestichten. Het geometrische, rechthoekige patroon wordt hierbij doorgezet.

Ad b. de structuur van het landschap, die representatief is voor het experiment van armoedebestrijding en de doorontwikkeling daarvan;

De landschappen van de Koloniën van Weldadigheid zijn aangelegd als systeem om armoede te bestrijden met binnenlandse landbouwkoloniën voor diverse doelgroepen. De ontwikkeling ervan heeft plaatsgevonden in twee hoofdfasen:

1. de fase van aanleg (1818-1859).

2. de fase van verdere evolutie, staatsinstellingen en privatisering (1860-1918). De uitzonderlijke en universele waarde van het landschap komt tot uiting in de 'attributen' die de materialisatie van de uitzonderlijke en universele waarde vormen.



De 'attributen' zijn:

a. De basistypologie van het landschap: de karakteristieke landschapstypologie van de Koloniën van Weldadigheid in de periode 1818-1918, met representatieve landschapslagen, die de functionele en ruimtelijke samenhang illustreren.

b. De structuur van het kolonielandschap: alle individuele elementen van het orthogonale grid: wegen, beplante lanen, waterwegen, het toegepaste maatsysteem en de plek van de gebouwen in het grid. Representatieve bebouwing en beplanting individuele gebouwen, ensembles en beplanting die representatief is voor dit panoptische model van een landbouwkolonie.

Uitwerking attributen per kolonie op hoofdlijn per component in Drenthe:



Component A Frederiksoord-Wilhelminaoord

1. Basistypologie vrije Kolonie van Weldadigheid: Landschapstype α1 en α2

2. Structuur: Wegen en bomenlanen, Hoofdwegen/lanen, Secundaire wegen/lanen, Waterstructuren, Vaarten, Sloten, Toegepast maatsysteem, Percelen van 2,4 ha, later 2,8 ha, deels 50 ha

3. Representatieve bebouwing en bijbehorende beplanting: Koloniehuisjes, Dienstwoningen/ambtenarenwoningen, Werkplaatsen, Collectieve boerderijen en vrijboerhoeves, Gebouwen van de Maatschappij van Weldadigheid, Religieuze gebouwen, Ouderenhuisvesting, Scholen, Begraafplaatsen



Component C Veenhuizen

1. Basistypologie onvrije Kolonie van Weldadigheid: Landschapstype ß 1 en ß 2

2. Structuur: Wegen en bomenlanen, Hoofdwegen/lanen, Secundaire wegen/lanen, Waterstructuren, Vaarten, Wijken, Toegepast maatsysteem 750, 375 en 25 meter

3. Representatieve bebouwing en bijbehorende beplanting: Gestichten, Dienstwoningen, Werkplaatsen, Boerderijen, Religieuze gebouwen, Centrale voorzieningen, Sluizen, Begraafplaatsen



Uitwerking op kaart:

Op de kaarten in Hoofdstuk 3 van het nominatiedossier is de wijze waarop de uitzonderlijke universele waarde zijn weerslag heeft in bovengenoemde fysieke elementen en in samenhang, concreet aangeduid. Op kaarten M 3.1 en M 3.3 zoals hieronder opgenomen. Het complete nominatiedossier met daarin deze kaarten, is te vinden via [https://www.kolonienvanweldadigheid.eu/nominatiedossier].



kaart M 3.1 Attributes: representatieve buildings and planting, Component Part A: FREDERIKSOORD-WILHELMINAOORD

afbeelding binnen de regeling

kaart M 3.3 Attributes: representatieve buildings and planting, Component part C: VEENHUIZEN

afbeelding binnen de regeling

Volledige uitwerking attributen in lijsten: 'List of all attributes of the component parts'.

Ad c. de structuur en het karakter van de beschermde dorpsgezichten Frederiksoord, Wilhelminaoord en Veenhuizen.

Zie de aanwijzingsbesluiten uit 2008 en 2009; https://www.gemeentewesterveld.nl/Inwoners/Bouwen_en_verbouwen/Bestemmingsplannen/Vastgesteld/Beschermd_dorpsgezicht_Frederiksoord_Wilhelminaoordhttps

https://www.gemeentenoordenveld.nl/ruimtelijkeplannen/NL.IMRO.1699.2010BP022-vg02/rb_NL.IMRO.1699.2010BP022-vg02_3.pdf

Bijlage 5 Provinciale Vrijstellingenlijst

Provinciale Vrijstellingenlijst

In artikel 4.1, eerste lid, van de Omgevingsverordening worden de soorten in Bijlage 5 bij de POV vrijgesteld van de vergunningplicht voor de in dat artikel genoemde belangen. De vrijstelling als bedoeld betreft de volgende soorten:

Aardmuis

Microtus agrestis

Bastaardkikker (oude naam: middelste groene kikker)

Pelophylax klepton esculenta (oude naam: Rana esculenta)

Bosmuis

Apodemus sylvaticus

Bruine kikker

Rana temporaria

Dwergmuis

Micromys minutus

Dwergspitsmuis

Sorex minutus

Egel

Erinaceus europeus

Gewone bosspitsmuis

Sorex Araneus

Gewone pad

Bufo bufo

Haas

Lepus europeus

Huisspitsmuis

Crocidura russula

Kleine watersalamander

Lissotriton vulgaris (oude naam: Triturus vulgaris)

Konijn

Oryctolagus cuniculus

Meerkikker

Pelophylax ridibundus (oude naam: Rana ridibunda)

Ondergrondse woelmuis

Pitymys subterraneus

Ree

Capreolus capreolus

Rosse Woelmuis

Clethrionomy glareolus

Tweekleurige bosspitsmuis

Sorex coronatus

Veldmuis

Microtus arvalis

Vos

Vulpes vulpes

Woelrat

Arvicola terrestris

Hieronder staan de individueel behandelde soorten.

Amfibieën

Alpenwatersalamander (Ichthyosaura [Mesotriton] alpestris)

De alpenwatersalamander was in de Flora- en faunawet opgenomen als 'tabel-II soort'. De soort werd dus op populatieniveau beschermd. In de Wet natuurbescherming is de soort opgenomen op de bijlage behorend bij artikel 3.10 Wet natuurbescherming.De alpenwatersalamander komt in Nederland in het zuiden en oosten voor, vaak in de buurt van bos en/of houtwallen. Hij heeft een voorkeur voor zandige leemgronden, waar hij voorkomt in beboste gebieden (loofbos) of kleinschalige landschappen met heggen en struwelen. De alpenwatersalamander is niet kieskeurig i.v.m. zijn voortplantingsbiotoop. In het voorjaar is hij in allerlei typen water te vinden, zolang het niet snel stromend of rijk aan vis is. Alpenwatersalamanders overwinteren op het land. In februari trekken ze naar het water. Anders dan zijn naam doet vermoeden komt de alpenwatersalamander ook in Drenthe voor. Met name in en om Assen is de alpenwatersalamander behoorlijk algemeen. Vanuit Assen breidt de soort zich langzaam uit over de rest van Drenthe. In Rheebruggen bevindt zich een uitgezette populatie die zich daar goed lijkt te handhaven. De soort is niet bedreigd en de staat van instandhouding dan ook gunstig.Kanttekening hierbij is de recente intrede van ranavirussen (o.a. CMTV - Common Midwife Toad Virus) die in korte tijd tot massale sterfte van amfibieën kunnen leiden. In Nederland zijn nog geen met ranavirussen besmette alpenwatersalamanders gevonden, maar in andere landen (Spanje) is dit wel het geval. Een nieuwe bedreiging voor salamanders wordt gevormd door een recent ontdekte schimmel -Bsal- (zie 2.2. bij kleine watersalamander). Verspreiding alpenwatersalamander in Drenthe. Bron: NDFFConclusie AlpenwatersalamanderDe alpenwatersalamander wordt niet op de provinciale vrijstellingslijst geplaatst om de volgende redenen: De alpenwatersalamander komt in Drenthe sterk lokaal voor (met name Assen en omgeving). De soort doet het goed en lijkt zich zelfs enigszins uit te breiden. Incidenteel is sprake van problemen met de alpenwatersalamander in relatie tot ruimtelijke ontwikkelingen. De huidige beschermde status zal dan ook gehandhaafd blijven (beleidsarm).Kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris)De kleine watersalamander was onder de Flora- en faunawet op de landelijke vrijstellingslijst opgenomen.De kleine watersalamander is de meest algemene salamander in Nederland. Hij komt veel voor in sloten en poelen. De kleine watersalamander stelt weinig eisen aan zijn biotoop. Hij komt zowel voor in stadstuinen als in kleinschalige cultuurlandschappen en bos- en heidegebieden. Het voortplantingsbiotoop bestaat uit allerlei soorten ondiep stilstaand en zwak stromend water.De ecologische atlas van de Nederlandse amfibieën en reptielen (Creemers en van Delft, 2009) geeft aan dat kleine watersalamander in Nederland zeer algemeen voorkomt en niet bedreigd is. De Nederlandse populatie vertoont een matige toename. Daar waar nog geen met ranavirussen besmette alpenwatersalamanders zijn gevonden is dat wel het geval bij kleine watersalamanders. Ranavisussen hebben ook in Drenthe al her en der geleid tot grote sterfte onder kleine watersalamanders. Een bekend voorbeeld is de uitbraak van het virus in 2010 in het Dwingelderveld[1] . Een nieuwe bedreiging van de salamanders doemt op in de vorm van een schimmel (Batrachochytrium salamandrivorans - Bsal) die in korte tijd hele populaties kan uitroeien. De voor Nederland unieke populatie vuursalamanders in Limburg is als gevolg van deze schimmel zo goed als verdwenen. Vooralsnog is deze schimmel alleen nog maar in Duitsland, België, Limburg en Gelderland aangetroffen[2] maar de kans dat ook de rest van Nederland hier mee te maken zal krijgen is aannemelijk.[1] Kik et al., 2011[2] Spitzen-van der Sluis et al. 2016 Verspreiding kleine watersalamander in Drenthe. Bron: NDFF

Conclusie Kleine watersalamander

De kleine watersalamander wordt wel op de provinciale vrijstellingslijst geplaatst om de volgende redenen: De kleine watersalamander komt in Drenthe algemeen voor en heeft een groot verspreidingsgebied. De staat van instandhouding is gunstig en er is sprake van een matige toename. Om die reden stond de kleine watersalamander dan ook op de landelijke vrijstellingslijst van de Flora- en faunawet. Vooralsnog is er geen aanleiding om hiervan af te wijken. Net als voor alpenwatersalamander geldt ook voor de kleine watersalamander dat virus- en schimmelepidemieën op de loer liggen die zeer ingrijpende consequenties kunnen hebben voor de staat van instandhouding van deze soort. Goede monitoring is daarom voor kleine watersalamander noodzakelijk.

Zoogdieren

Egel (Erinaceus europaeus)

Onder de voormalige Flora- en faunawet was de egel opgenomen op de landelijke vrijstellingslijst.De egel heeft een brede verspreiding over Nederland. In alle provincies komt de egel voor. Egels prefereren kleinschalig, afwisselend landschap met veel structuur. In open landschappen is de egel veel minder algemeen. Egels voelen zich vooral thuis in het buitengebied maar zijn ook binnen de bebouwde kom aan te treffen. Tuinen met voldoende structuur zijn geliefde plaatsen om te overwinteren.De trend van de egelpopulatie is over de periode 1980-2015 onzeker. Uit het veld is aangegeven dat sprake is van een afname van de egel. De gegevens uit de NDFF lijken echter een ander beeld te geven.De voornaamste oorzaak van mortaliteit is het verkeer. Dit beeld wordt bevestigd door de kaart uit de voorlopige zoogdierenatlas van Drenthe waar het zwaartepunt van de waarnemingen ligt bij op of langs wegen gevonden (dode) egels. Andere bedreigingen zijn het verlies aan leefgebied en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Voor een soort die insecten, slakken, wormen etc. eet, zorgen gewasbeschermingsmiddelen voor een afname van het voedselaanbod en de aanwezigheid van toxische stoffen in de prooien. Verspreiding egel in Drenthe. Bron: NDFF

Conclusie Egel

De egel wordt op de provinciale vrijstellingslijst geplaatst met de kanttekening dat ambtelijk geadviseerd zal worden nader onderzoek te doen naar de staat van instandhouding. Hieronder wordt de motivatie hiervoor uiteengezet.Het verkeer is ook in Drenthe de hoofdoorzaak van sterfte onder egels. Doordat de egel vrijwel overal in Drenthe te vinden is en ook nog frequent wordt waargenomen bestaat de indruk dat het wel goed gaat met de egel. Vanuit het veld zijn echter signalen te horen die minder positief zijn over de egelstand. Als tuindier zorgt de toenemende 'verharding' van tuinen voor minder leefgebied en het gebruik van gewas beschermende middelen zorgt voor minder aanbod van insecten, het hoofdvoedsel van egels. De oorzaken van fluctuaties in de egelstand die in het verleden zijn onbekend[1].Nog steeds is de egel een algemeen voorkomende soort, met een groot verspreidingsgebied maar fluctuaties in de egelstand zijn echter legio. De goede staat van instandhouding is dan ook onzeker. Meer onderzoek naar de specifieke oorzaken van deze fluctuaties is nodig om beter begrip te krijgen van gedrag en ontwikkeling van de egel. Egels komen overal voor, zowel in het buitengebied als binnen de bebouwde kom. Het niet plaatsen van de egel op de provinciale vrijstellingslijst zou betekenen dat voor nagenoeg alle ruimtelijke ingrepen onderzoek nodig is naar het voorkomen en de staat van instandhouding van de egel.Het is verantwoord om de egel, in navolging van de voormalige Flora- en faunawet, op de lijst van vrij te stellen soorten te zetten. Wel is het hierbij zaak om beter inzicht in het voorkomen en de ontwikkeling van de egel te krijgen zodat betere uitspraken gedaan kunnen worden over de populatietrend van egels in Drenthe. Op basis van de aldus verkregen inzichten kan in een later stadium bekeken worden of het nodig is om de egel van de provinciale vrijstellingslijst te halen. Daarnaast is het belangrijk om actief in te zetten op verbetering van de omstandigheden voor egels in het verkeer. Net als voor de das zorgt het plaatsen van rasters op strategische plaatsen voor minder verkeersslachtoffers. Ook actief propageren van "groene" tuinen en vermindering van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen dragen bij aan een beter leefgebied voor de egel.

(Rode) Eekhoorn (Sciurus europaeus)

De eekhoorn was in de Flora- en faunawet opgenomen als 'tabel-II soort'. De soort werd dus op populatieniveau beschermd. In de Wet natuurbescherming is de soort opgenomen op de bijlage behorend bij artikel 3.10 Wet natuurbescherming.De populatie van de eekhoorn is in Nederland over de periode 1996-2014 matig afgenomen. De verwachting dat in 2014 de eekhoornpopulatie zich vanwege een redelijke hoeveelheid mast van eik en beuk in de herfst van 2013 en de zachte winter van 2013/2014 zou herstellen, is maar deels uitgekomen. Met name landelijk is het herstel gering. Mogelijk is dit te verklaren door een ziekte (toxoplasmose) die in 2014 optrad. Toen werden in de zomer en herfst enkele honderden dode dieren gemeld en werden zelfs eekhoorns gemeld die dood uit de boom vielen.Voor de provincie Drenthe zijn onvoldoende gegevens voorhanden om op provinciaal niveau betrouwbare trends te bepalen. Uit gegevens van de NDFF lijkt een positieve trend in Drenthe waarneembaar. Wanneer gekeken wordt naar de landelijke trends over de laatste tien jaar, dan blijkt er een matige tot plaatselijk sterke afname te zijn. De afname wordt ook in het veld gesignaleerd.[1] Hoekstra in Broekhuizen et al., 2009 Verspreiding (rode) eenkhoorn in Drenthe. Bron: NDFF

Conclusie (Rode) Eekhoorn

De eekhoorn wordt niet op de provinciale vrijstellingslijst geplaatst. Hieronder wordt de motivatie hiervoor uiteengezet.Voor de eekhoorn geldt dat veel zaken onbekend zijn. Zo lijkt er sprake te zijn van een stabiele trend tot 2006 waarna een daling intrad. Het is belangrijk om hierbij de forse fluctuaties in populatiegrootte goed te interpreteren. Eekhoorns reageren sterk op het voedselaanbod. Eekhoorns hebben ook te lijden van uitbraken van ziektes, het uitzetten van uitheemse eekhoornsoorten en ook vallen eekhoorns regelmatig ten prooi aan het verkeer. De goede staat van instandhouding is dan ook onzeker met een waarschijnlijk licht dalende trend.

In Drenthe heeft de eekhoorn een ruime verspreiding. Signalen uit het veld en de gegevens uit de werkversie zoogdieratlas Drenthe 2010 geven aan dat er mogelijk sprake is van een afname. Door een netto toename van bos lijkt meer leefgebied beschikbaar te komen. Ingebruikname hiervan door de eekhoorn lijkt te worden bevestigd door de gegevens uit de NDFF: er lijkt sprake van een grotere verspreiding van de soort. De oorzaak van de mogelijke achteruitgang is dan ook onduidelijk. Actief beheer van bossen door te zorgen dat een gevarieerd aanbod van jonge, oude en dode bomen beschikbaar is werkt gunstig voor eekhoorns.Het aantal aanvragen van de voormalige Flora- en faunawet waarin eekhoorns betrokken zijn is gering. Het gaat dan meestal om te kappen bomen waar eekhoorns in nestelen. Dergelijke situaties zijn vaak goed op te lossen maar het gaat dan altijd om het leveren van maatwerk. Een vrijstelling is dan ook niet nodig. Het plaatsen van de Eekhoorn op de provinciale vrijstellingslijst levert ook nauwelijks vermindering van regeldruk op.

Das (Meles meles)

De das was in de Flora- en faunawet opgenomen als 'tabel-III soort' en kende dus een zware bescherming. In de Wet natuurbescherming is de soort opgenomen op de bijlage behorend bij artikel 3.10 Wet natuurbescherming.De populatie dassen is na een dieptepunt rond 1960 in Nederland herstellende. Ondanks dat de das in verschillende gebieden, ook in Drenthe, geen zeldzaamheid meer is omvat de huidige dassenpopulatie in Nederland nog maar de helft van het aantal dassen dat rond 1900 in Nederland verbleef. Ze zitten dus nog steeds niet op het oude niveau. De voornaamste bedreiging tot circa 1960 was rechtstreekse vervolging (afschot, vergiftiging, klemmen, enz.). Het herstel van de das is te danken aan de strikte bescherming en aan maatregelen om slachtoffers door het verkeer te beperken (rasters, dassentunnels, ecoducten). Deze investeringen zijn voor de das een uitkomst geweest. Het verkeer vormt nog steeds een belangrijke doodsoorzaak, maar de populatie in Drenthe is inmiddels zo groot dat dit het herstel wel kan vertragen maar niet meer stopt.De strikte bescherming van de das in de Flora- en faunawet is onder de Wet natuurbescherming iets soepeler geworden. Het verstoren van dassen of van hun leefomgeving is niet langer verboden (artikel 3.10 soort, bijlage A van de Wet natuurbescherming). Dat maakt het gemakkelijker om preventieve maatregelen te treffen om bijvoorbeeld landbouwschade te beperken, beheer en onderhoud uit te voeren of om bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen uit te voeren. Verspreiding das in Drenthe. Bron: NDFF

Conclusie Das

De das wordt niet op de provinciale vrijstellingslijst geplaatst. Hieronder wordt de motivatie hiervoor uiteengezet.Op landelijke schaal is de das momenteel geen bedreigde soort meer. Aan een gunstige staat van instandhouding (soort komt in het natuurlijke verspreidingsgebied duurzaam voor in alle geschikte biotopen[1]) wordt echter nog niet voldaan. De dassenpopulatie is immers nog steeds herstellende en nog lang niet alle potentiele leefgebieden (ook in Drenthe) zijn bezet.Op grond van het voorgaande voldoet de das niet aan de wettelijke criteria om deze soort te kunnen vrijstellen conform artikel 3.10. Bovendien is het niet langer onder bepaalde omstandigheden verboden om dassen verstoren. In voorkomende situaties kan van geval tot geval een ontheffing worden aangevraagd.

Steenmarter (Martes foina)

Steenmarter en boommarter zijn sterk op elkaar lijkende martersoorten. Boommarter leeft in bossen op zowel zand-, klei-, en veengrond. Steenmarter leeft vooral in kleinschalige landschappen en in toenemende mate ook in bewoonde gebieden, waar boommarters niet of nooit voorkomen. In de loop van de eeuwen zijn beide soorten, net als vrijwel alle andere roofdieren, altijd streng vervolgd.Voor 1980 was de steenmarter een zeldzame verschijning. Met name vanaf de jaren 80 van de 20e eeuw namen de aantallen en de verspreiding echter sterk toe. Het leefgebied van de steenmarter in Nederland breidt zich gestaag van oost naar west uit. Het zal een kwestie van tijd zijn voordat de soort in heel Nederland (met uitzondering van de Waddeneilanden) voorkomt. De bestaande leefgebieden raken voller wat leidt tot onderlinge concurrentie tussen territoriale steenmarters. Ook de overlast en schade als gevolg van steenmarters neemt toe. Waarschijnlijk is Drenthe nu 'vol', zodat de aantallen steenmarters stabiel zullen blijven.

Steenmarters zorgen in toenemende mate voor overlast. De provinciale vrijstelling is echter niet gericht op het voorkomen van overlastsituaties. De vrijstelling uit artikel 3.2 is alleen (kort gezegd) gericht op het vrijstellen van soorten voor de belangen van ruimtelijke ingrepen en bestendig beheer en onderhoud. Overlastsituaties vallen hier niet onder. Het plaatsen van de steenmarter op de provinciale vrijstellingslijst biedt zodoende voor overlast situaties geen uitkomst.[1] "conservation status of a species means the sum of the influences acting on the species concerned that may affect the long-term distribution and abundance of its populations within the territory referred to in Article 2. The conservation status will be taken as 'favourable' when:- population dynamics data on the species concerned indicate that it is maintaining itself on a long-term basis as a viable component of its natural habitats, and- the natural range of the species is neither being reduced nor is likely to be reduced for the foreseeable future, and- there is, and will probably continue to be, a sufficiently large habitat to maintain its populations on a long-term basis."Bron: http://ec.europa.eu/environment/nature/conservation/species/guidance/pdf/guidance_en.pdf Verspreiding steenmarter in Drenthe. Bron: NDFF

Conclusie Steenmarter

De provinciale vrijstelling geldt niet voor overlastsituaties maar voor (kort gezegd) ruimtelijke ingrepen en bestendig beheer en onderhoud. Voor overlastsituaties is een generieke ontheffing aan gemeenten mogelijk (en dit is in de praktijk ook al diverse keren verleend). Voor het plaatsen van de steenmarter op de provinciale vrijstellingslijst is om deze reden op dit moment geen aanleiding.

Bijlage 6 Middelen soortenvrijstelling voor ruimtelijke ingrepen en bestendig beheer

Middelen soortenvrijstelling voor ruimtelijke ingrepen en bestendig beheer

De volgende middelen als bedoeld in Artikel 4.1 Vergunningvrije gevallen ruimtelijke inrichting, bestendig beheer en onderhoud - Lid 1 van de Omgevingsverordening wijzen wij aan:

  • Amfibieënfuik

  • Buidels

  • Fretten

  • Kastvallen

  • Kunstbouw zonder vangmechanisme

  • Livetraps

  • Schepnet

  • Vangkooien

Bijlage 7 Aangewezen schadesoorten grondgebruiker

Aangewezen schadesoorten grondgebruiker

Als schadesoorten bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, van de Omgevingsverordening wijzen wij aan:

Brandgans

Branta leucopsis

Grauwe gans

Anser anser

Knobbelzwaan

Cygnus olor

Kolgans (Europese)

Anser albifrons

Rietgans (Toendra- / Taigarietgans

Anser serrirostris / Anser fabalis

Roek

Corvus frugilegus

Smient

Anas penelope

Spreeuw

Sturnus vulgaris

Voor de onderbouwing van de totstandkoming van deze lijst verwijzen wij naar de toelichting bij artikel 4.5 van de Omgevingsverordening.

Bijlage 8 Middelen voor het verstoren van aangewezen diersoorten

Middelen voor het verstoren van aangewezen diersoorten

Als middelen bedoeld in artikel 4.5, vijfde lid, van de Omgevingsverordening wijzen wij aan:

  • Afdeknetten

  • Agri-Laser

  • Angstkreten

  • Ballonnen

  • Elektronische geluidsgolven

  • Fladderprojectiel

  • Flitsmolens

  • Geweer (als akoestisch middel)

  • Kleppermolentjes

  • Knalapparaat

  • Nabootsing roofvogel

  • Ophangen dode vogels

  • Rammelblikjes

  • Ratels en kleppers

  • Ritselfolie

  • Schriklint

  • Smeer- en spuitmiddelen

  • Spandraden

  • Uitstrooien veren

  • Verjaging door honden en roofvogels

  • Vlaggen en linten

  • Vogelafweerpistool

  • Vogelverschrikkers

  • Zaaizaadbehandeling

  • Zitpalen of andere nestgelegenheid roofvogels creëren (aantrekken natuurlijke vijanden)

Bijlage 9 Aangewezen rustgebied

Aangewezen rustgebied

Op dit moment is in het Flora- en faunabeleidsplan één rustgebied weergegeven, te weten: nabij het Leekstermeer. Gelet op een beleidsarme implementatie blijft dit gebied aangewezen.

afbeelding binnen de regeling

Bijlage 10 Aanwijzing van categorieën van activiteiten die niet in grondwaterbeschermingsgebied mogen worden opgericht of in werking worden gehouden

Categorieën van activiteiten

Aanwijzing van activiteiten die niet in grondwaterbeschermingsgebied mogen worden opgericht of in werking worden gehouden

  • a.

    Het winnen van aardolie, aardgas, aardwarmte, mergel, zand, grind, kalkzandsteen, kalk, zout, steenkolen, turf of andere delfstoffen.

  • b.

    Het opslaan, overslaan of bewerken van steenkool, ertsen of derivaten van ertsen.

  • c.

    Inrichtingen als het vervaardigen van ruw ijzer, ruw staal, of primaire non-ferro metalen.

  • d.

    Het voorbereiden van recycling bestaande uit metaal- en autoshredders, puinbrekerijen en -malerijen en afvalscheidinginstallaties.

  • e.

    Het storten, het op- en overslaan, het composteren, het verbranden, het anderszins op of in de bodem brengen of op een andere wijze verwijderen of verwerken van afvalstoffen.

  • f.

    Het opslaan of storten van baggerspecie op land of op of in oppervlaktewateren.

  • g.

    Het vergisten van dierlijke meststoffen en organische afvalstoffen.

  • h.

    Zuiveringstechnische werken en bedrijfsafvalwater¬zuiveringen.

  • i.

    Het vervaardigen, onderhouden, repareren, verfspuiten of het anderszins behandelen van (de oppervlakte) van auto's, motorfietsen of schepen.

  • j.

    Het afleveren van vloeibare brandstoffen voor motorvoertuigen voor het wegverkeer of aan vaartuigen.

  • k.

    Gelegenheid bieden voor het afmeren van pleziervaartuigen en waar afgewerkte olie, bilgewater, huishoudelijk afvalwater of andere afvalstoffen worden opgeslagen.

  • l.

    De opslag van vloeibare brandstoffen, afgewerkte olie, gevaarlijke stoffen, CMR-stoffen of andere bodembelastende stoffen in ondergrondse opslagtanks.

  • m.

    Het inwendig reinigen van mobiele tanks, tankwagens, tankcontainers, bulkcontainers of tankschepen.

  • n.

    Groothandel in vloeibare chemische producten en vloeibare brandstoffen.

  • o.

    Oppervlaktebehandeling van metalen of kunststoffen door middel van een elektrolytisch of chemisch procedé, of het aanbrengen van gesmolten metaal waarbij de gebruikte behandelingsbaden direct in of op de bodem zijn geplaatst.

  • p.

    Het vervaardigen van chemische producten.

  • q.

    Schieten in de open lucht zonder gebruikmaking van kogelvangers, met vuurwapens of wapens werkend met luchtdruk of gasdruk.

  • r.

    De bewerking van splijt- en kweekstoffen.

  • s.

    Het parkeren van vervoerseenheden met gevaarlijke stoffen.

  • t.

    Recreatievissen of het kweken van siervis of consumptievis in een bassin dat in contact staat met bodem, grondwater of oppervlaktewater.

  • u.

    Het gebruiken van bromfietsen, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde voertuigen of vaartuigen in wedstrijdverband of voor recreatieve doeleinden in de open lucht.

Bijlage 11 Lijsten A en B

Lijsten A en B

Lijsten A en B als bedoeld in artikel 11.9, lid 1 en 2.

Lijst A: Vaarwegen in beheer bij de Provincie Drenthe

Vaarweg

Beheerder

CEMT/Specificatie diepgang

BRTN

Doorvaarthoogte obv Kanaalpeil

Kilometer/opmerking

Noord-Willemskanaal voor zover in Drenthe

Provincie Drenthe

II 1,90 m - kp

2,50 m - kp

BM

5,30 m + kp

5,40 m + kp

0,0 - 6,7

6,7-19,6

Drentsche Hoofdvaart

Provincie Drenthe

- 1,55m - kp

IV 2,50 m - NAP

BM

5,30 m + kp

Geen beperking

2,4 - 43,7

43,7 - 44,2 klasse IV*

Meppelerdiep voor zover in Drenthe

Provincie Drenthe

Va 3,25m - NAP

2,75m - NAP

BM

Geen beperking

Geen beperking

9,2 - 10,5*

10,5-11,2

*deels gemandateerd aan Meppel: zie prov. blad 27/2010

Hoogeveensche Vaart

Provincie Drenthe

II 2,50m - NAP

2,20m - kp

BM

5,80 m + kp

5,20 m + kp

0,0-9,5

9,5-28,4

Verlengde Hoogeveensche Vaart tot aan Klazienaveen

Provincie Drenthe

I 1,50m - kp

1,90m - kp

1,90m - kp

1,10m - kp

BM

5,10 m + kp

5,30 m + kp

5,30 m + kp

4,20 m + kp

28,4 - 51,8

51,8 - 56,5

56,5 - 60,9

60,9 - 62,0,

Stieltjeskanaal

Provincie Drenthe

II 1,90 m - kp

BM

5,40 m + kp

0,0 - 12,9

Coevorden-Vechtkanaal vanaf de Coevorder Binnengracht tot de Vecht in Ovl

Provincie Drenthe

II 2,50m - kp

1,90m - kp

BM

6,00 m + kp

6,00 m + kp

31,7 - 36,3

36,3 - 36,8

Coevorder Binnengracht (tussen Afwateringskanaal en Stieltjeskanaal)

Provincie Drenthe

II 1,90m - kp

BM

6,00 m + kp

 

Verbindingskanaal (tussen Coevorder Binnengracht en Kan. Coevorden-Zwinderen)

Provincie Drenthe

II 1,90m - kp

 

6,00 m + kp

 

Bladderswijk tot en met aftakking Hondsrugkanaal

Provincie Drenthe

I 1,90m - kp

BM

4,30 m + kp

0,0 - 1,6

Koning Willem-Alexanderkanaal tussen Bladderswijk en Scholtenskanaal (onderdeel van De Veenvaart)

Provincie Drenthe

-

BM

 
 

Witte Wijk

Provincie Drenthe

- 1,50m - kp

DM

5,30 m + kp

52,9 - 55,0

Afwateringskanaal in Coevorden tot einde woonbotenhaven

Provincie Drenthe

I 1,90m - kp

 

6,00 m + kp

0,0 - 1,4

Veenparkkanaal (onderdeel van De Veenvaart)

Provincie Drenthe

 

BM

 
 

Lijst B: Vaarwegen in beheer bij andere overheidsorganan, het Rijk uitgezonderd

Vaarweg

Beheerder

CEMT/specificatie diepgang

BRTN

Doorvaarthoogte obv kanaalpeil

Kilometer/opmerking

Havenkanaal vanaf Noord-Willemskanaaltot aan de Zwaaikom

Gemeente Assen

II 2,50m - kp

BM

5,40 m + kp

 

De Vaart (van de Drentsche Hoofdvaart tot De Kolk)

Gemeente Assen

1,50m - kp

BM

3,50 m + kp

 

Het Kanaal (van de Vaart tot het Havenkanaal)

Gemeente Assen

1,50m - kp

BM

3,50 m + kp

 

Industriehaven Hoogeveen(= verlenging van de Hoogeveenschevaart)

Gemeente Hoogeveen

II 2,20m - kp

BM

5,20 m + kp

Vaarweg eindigt bij oostzijde Bekinkbrug

Bargermeerkanaal van Bargersluis tot eindpunt in Emmen

Gemeente Emmen

I 1.90m - kp

BM

4,20 m + kp

 

Bladderswijk vanaf aftakking Hondsrugkanaal

Gemeente Emmen

I 1,90m - kp

BM

4,20 m + kp

1,6 - 4,4

Oranjekanaal van Bladderswijk tot de Bargersluis

Gemeente Emmen

-

BM

 
 

Zijtak van het Stieltjeskanaal in Nieuw-Amsterdam

Gemeente Emmen

- 1,50m - kp

 

2,50m + kp

41,0 - 43,0

Binnenhaven Coevorden(centrum)

Gemeente Coevorden

-

BM

 
 

Haven ROC (bij Nijhof-Wassink, Europark)

Gemeente Coevorden

II

BM

 
 

Haven Veenoord

Gemeente Emmen

I/II 1,90m - kp

BM

5,30 m + kp

 

Havens Meppel: Sethehaven en 2 havens bij De Kaap

Gemeente Meppel

Va 3,25m - kp

 

Geen beperkingen

 

Wachthaven Meppel in Staphorst / niet in Drenthe

Gemeente Meppel

Va 3,25m - kp

 

Geen beperkingen

 

Stads-Compascuumkanaal vanaf prov.grens Groningen tot Emmercompascuum (onderdeel van De Veenvaart)

Waterschap Hunze en Aa's

- 1,50m - kp

BM

3,50 m + kp

 

Oosterdiep van Emmer-Compascuum tot Barger-Compascuum (onderdeel van De Veenvaart)

Waterschap Hunze en Aa's

- 1,50m - kp

BM

3,50 m + kp

 

Scholtenskanaal vanaf Veenpark tot nieuw prov. kanaal (onderdeel van De Veenvaart)

Waterschap Hunze en Aa's

- 1,50m - kp

BM

3,50 m + kp

 

Vaargeulen Zuidlaardermeer vanaf provinciegrens tot Havenkanaal

Waterschap Hunze en Aa's

- 1,50m - kp

BM

 
 

Havenkanaal Zuidlaren-Zuidlaardermeer

Gemeente Tynaarlo

- 1,50m - kp

BM

3,20m + kp

 

Grevelingskanaalin Anner- en Eexterveensche kanaal

Waterschap Hunze en Aa's

- 1,20m - kp

CM

3,20m + kp

 

Vaargeul Leekstermeer: Leeksterhoofddiep-Munnikesloot

Waterschap Noorderzijlvest

- 1,20m - kp(kp = 0.93)

BM

2,40m + kp (kp = - 0.93)

 

Bijlage 12 Maximum oppervlaktes zonne-akkers per gemeente

Tabel gemeentelijke opppervlakte in hectare zon op land

Gemeente

zon op land (ha)

Aa en Hunze

64

Assen

100

Borger-Odoorn

252

Coevorden

187

Emmen

253

Hoogeveen

238

Meppel

5

Midden-Drenthe

143

Noordenveld

74

Tynaarlo

101

Westerveld

28

De Wolden

38

Bijlage 13 Uitwerking maatgevende hoogwaterstanden regionale keringen

Maatgevende hoogwaterstanden regionale keringen

 

Omschrijving

Pand

Beschrijving

Normaal waterstand NW (m NAP)

-

MHW (m NAP) benedenstooms

MHW (m NAP) bovenstrooms

-

lengte

verhang m/km

aantal tussenpunten

A

Peizerdiep / Omgelegde Eelderdiep

 

Omgelegde Eelderdiep vanaf provinciegrens tot aan nieuwe dam; Peizerdiep tot aan nieuwe stuw bij fietsbrug

-0,93

grens

-0,10

-0,09

nieuwe stuw

1500

0,007

0

B

Noordwillemskanaal

4

Provinciegrens tot aan sluis De Punt (beide zijden)

0,53

grens

1,50

1,50

sluis De Punt

3000

0,007

0

C

Drentsche Hoofdvaart / Noordwillemskanaal / Norgervaart

1

Van sluis Peelo tot aan Norgerbrug en Norgervaart oostzijde. Zuidzijde van sluis Peelo tot aan afslag bij Norgerbrug en de Vaart

11,40

Veenesluis

11,75

11,90

sluis Peelo

22000

0,007

4

D

Hoogeveensche Vaart

4

Van Nieuwebrugsluis tot aan A28 aan beide zijden

11,10

Nieuwebrugsluis

11,40

11,45

Noordscheschutsluis

7500

0,007

1

E

Coevorden Vecht kanaal (CV) / Stieltjeskanaal (SK) / Kanaal Coevorden Zwinderen (CZ) / Kanaal Coevorden Alte Picardie (CAP)

1

Beide zijden vanaf Drentse stuw en provinciegrens tot Vossebeltsluis (CZ), tot aan grens Duitsland (CAP) en Instroom Nieuwe Drostendiep (SK)

9,10

Drentse stuw

9,78

10,40

Stieltjeskanaalsluis

13500

0,046

4

F

Afwateringskanaal

1

Beneden Drentse stuw tot aan provinciegrens

7,10

grens

9,85

9,88

Drentse stuw

600

0,050

0

 

Tussenpunten

Nr

MHW in m NAP

Afstand

Verhang

C

Norgerbrug

1

11,85

15000

0,007

 

Vaart instroom

2

11,87

17500

0,007

 

Vaart bovenstroom

3

11,88

19500

0,007

 

Norgervaart bovenstroom

4

11,87

18000

0,007

D

Snelweg A28

1

11,41

1500

0,007

E

Jan Kuipersbrug

1

10,26

5000

0,096

 

Nieuw Drostendiep

2

10,38

9000

0,031

 

Vossebeltsluis

3

10,29

6000

0,030

 

Duitse grens

4

10,32

7000

0,030

Bijlage 14 Watersysteem Twenthekanalen/Overijsselse Vecht

Twenthekanalen/Overijsselse Vecht als bedoeld in artikel 10.12

afbeelding binnen de regeling

Bijlage 15 Formatie van Breda

Kaart behorende bij artikel 10.21

afbeelding binnen de regeling

Toelichting

Algemene toelichting

Inleiding
Algemeen

De Omgevingswet treedt naar verwachting 1 januari 2024 in werking. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervallen alle omgevingsverordeningen van alle provincies, dus ook die van Drenthe. Van ons wordt verlangd 1 januari 2024 een nieuwe provinciale omgevingsverordening tot onze beschikking te hebben. Deze nieuwe omgevingsverordening moet voldoen aan het nieuwe wettelijke kader dat de Omgevingswet schetst. De voorliggende omgevingsverordening voorziet hierin.

In deze algemene toelichting wordt kort stilgestaan bij het nieuwe wettelijke kader en de inhoud van deze omgevingsverordening. Hierbij wordt stilgestaan bij de uitgangspunten van de Omgevingswet en wat dit concreet heeft betekent voor de omgevingsverordening die ten behoeve daarvan is opgesteld. Vrijwel elk artikel wordt daarnaast afzonderlijk toegelicht, zodat de achtergrond en bedoeling van het bewuste artikel helder is.

Omgevingswet
Uitgangspunten

Op 1 januari 2023 treedt de Omgevingswet in werking. Deze wet beoogt het omgevingsrecht op een aantal vlakken te verbeteren. Grofweg gaat het om vier verbeterdoelen:

  • het vergroten van het gebruiksgemak van het omgevingsrecht;

  • het zorgen voor een intgrale benadering van de fysieke leefomgeving;

  • meer ruimte geven voor een bestuurlijke afweging;

  • versnellen en verbeteren van besluitvorming over projecten in de fysieke leefomgeving.

Om deze doelen te bereiken worden een aantal dingen aangepast. De belangrijkste daarvan zijn het samenvoegen van circa 26 wetten en tientallen onderliggende algemene maatregelen van bestuur en uitvoeringsregelgeving. Daarnaast is een systeem opgetuigd rond zes kerninstrumenten:

  • omgevingsvisie

  • programma

  • decentrale regels, zoals deze omgevingsverordening

  • omgevingsvergunning

  • algemene rijksregels voor activiteiten

  • projectbesluit

Deze omgevingsverordening is de uitwerking van het kerninstrument 'decentrale regels'. Hierin worden de regels op provinciaal niveau gesteld die nodig zijn om de provinciale belangen in het omgevingsrecht te borgen.

Inhoud van deze Omgevingsverordening
Uitgangspunten

Voor het vormgeven van de nieuwe Omgevingsverordening is de huidige Provinciale Omgevingsverordening Drenthe 2018 (POV 2018) als uitgangspunt genomen. Dit houdt in dat de omzetting van de Omgevingsverordening hoofdzakelijk beleidsneutraal heeft plaatsgevonden waarbij wel ruimte is voor correcties en bijsturingen. De kaders die de Omgevingsvisie stelt, worden gerespecteerd.

Een verdergaande wijziging is aangebracht met betrekking tot de regelgeving omtrent zonne-akkers. Gelet op de stormachtige ontwikkeling die plaatsvindt binnen deze sector, is hier een verdergaande wijziging noodzakelijk geacht gelet op het behoud van het provinciale landschap. Deze wijziging is echter al doorgevoerd in de POV 2018. De onderhavige omgevingsverordening voert hierin alleen wijzigingen van technische aard door. Een andere noemenswaardige wijziging is de mogelijkheid het bouwvlak van intensieve veehouderijen te vergroten wanneer dat noodzakelijk is om het dierenwelzijn te verbeteren. Ook deze wijziging is echter al eerder vastgesteld onder het voorgaande recht. De onderhavige Omgevingsverordening brengt daarmee niet zelf inhoudelijke wijzigingen met zich mee.

Juridische opbouw

Instrumenten

De Omgevingswet bevat een aantal instrumenten waarvan in deze omgevingsverordening gebruik wordt gemaakt. Onderstaand worden deze instrumenten kort besproken. Hierbij wordt met name ingegaan op de vraag wat het karakter is van het instrument en wat het betekent voor de praktijk.

Instructieregels

Een belangrijk provinciaal instrument binnen de Omgevingswet is de instructieregel. Dit is een regel over de uitoefening van taken of bevoegdheden door bestuursorganen om te voldoen aan bij Omgevingsverordening vastgestelde omgevingswaarden of voor het bereiken van andere doelstellingen voor de fysieke leefomgeving (zie artikel 2.22, lid 1, van de Omgevingswet). In deze omgevingsverordening staan onder andere instructieregels opgenomen die zijn gericht aan de gemeenteraad bij het vaststellen van het Omgevingsplan, het college van B en W wanneer het gaat om het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit en het dagelijks bestuur voor zover het gaat om het vaststellen van de legger en de waterverordening. De instructieregel is niet geheel nieuw. Ook onder het recht dat vooraf ging aan de Omgevingswet bestonden soortgelijke bevoegdheden in verschillende wetten. De instructieregels in deze omgevingsverordening kennen daarom allemaal hun herkomst in de voorgaande POV 2018. De instructieregels zijn met name terug te vinden in hoofdstuk 3 en 10 van deze omgevingsverordening.

Algemene regels/maatwerkregels

Het grootste gedeelte van deze Omgevingsverordening bestaat uit algemene regels. Dit zijn in de kern algemeen verbindende voorschriften die zijn gericht aan eenieder. De algemene regels kunnen zijn gekoppeld aan een meld- of vergunningsplicht, maar kunnen ook zelfstandig kaders stellen. De algemene regels uit deze verordening zijn in de meeste gevallen maatwerkregels. Maatwerkregels zijn regels die een op de regionale situatie toegesneden regel treffen voor een situatie die ook in het Besluit activiteiten Leefomgeving wordt gereguleerd. Afhankelijk van de situatie kan het gaan om een minder strenge of strengere regel. Een maatwerkregel is slechts mogelijk voor zover het wettelijk voorschrift dat de oorpsronkelijke regel stelt, hiertoe ruimte geeft. Deze ruimte is gerespecteerd bij het opstellen van deze verordening.

Maatwerkvoorschriften

Een maatwerkvoorschrift is een beschikkig waarmee gedeputeerde staten een plicht opleggen om te voldoen aan voorschrfiten ter invulling van, aanvulling op of in afwijking van geldende algemene regels (zie artikel 4.5 Omgevingswet). Een maatwerkvoorschrift lijkt in zekere zin op een maatwerkregel. Het grootste verschil zit in het feit dat een maatwerkregel een algemene regel betreft, terwijl een maatwerkvoorschrift is gericht op een concreet individu. Net als bij een maatwerkregel wordt beoogd recht te doen aan de concrete situatie.

Omgevingsvergunning

Een omgevingsvergunning is niet een geheel nieuw instrument, omdat we deze al kenden uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In de kern is een omgevingsvergunning een toestemmingsintrument om ondanks een gegeven verbod een activiteit te mogen verrichten wanneer aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Waar onder de wetgeving voor de Omgevingswet nog sprake kon zijn van een ontheffing, vrijstelling of andersoortig instrument, is er onder de Omgevingswet voor gekozen al deze soortgelijke instrumenten te bundelen onder de omgevingsvergunning. Concreet voor deze verordening kan het dus zo zijn dat waar voorheen werd gesproken van een ontheffing, nu wordt gesproken van een omgevingsvergunning. Inhoudelijk impliceert dit niet een versoepeling of beperking.

Omgevingswaarden

Een nieuw instrument is de zogeheten 'omgevingswaarde'. Een omgevingswaarde bepaalt voor de fysieke leefomgeving of een onderdeel daarvan de gewenste staat of kwaliteit; de toelaatbare belasting door activiteiten, of de toelaatbare concentratie of depositie van stoffen (artikel 2.9, lid 2, Omgevingswet). Een omgevingswaarde wordt uitgedrukt in meetbare of berekenbare eenheden of anderszins in objectieve termen (artikel 2.9, lid 3, Omgevingswet). Wat de omgevingswaarde onderscheidt van de andere regels in deze verordening, is het feit dat een omgevingswaarde op zichzelf geen externe werking kent. De gewenste staat of kwaliteit is in de eerste plaats een doel dat provinciale staten zichzelf stellen. Wanneer een omgevingswaarde dreigt te worden overschreden, is het rechtsgevolg dat een programma moet worden vastgesteld waarmee de overschreiding wordt hersteld of voorkomen. Vanzelfsprekend is het wel mogelijk dat in de omgevingsverordening de regel wordt opgenomen dat deze in acht wordt genomen. Hiermee verkrijgt de omgevingswaarde indirect alsnog externe werking. Deze omgevingsverordening bevat twee omgevingswaarden. De omgevingswaarde voor de veiligheid van bij de verordening aangewezen regionale keringen (zie Artikel 10.2) en de omgevingswaarde voor de gemiddelde kans op overstroming per jaar (zie Artikel 10.4).

Opzet van deze omgevingsverordening

De onderhavige omgevingsverordening volgt grotendeels dezelfde opbouw als de voorgaande POV 2018. Dit betekent dat de verordening thematisch is opgebouwd. Waar sprake is van een nieuw onderwerp, heeft dit vaak een afzonderlijk hoofdstuk gekregen. De gedachte hierbij is dat alle onderwerpen die bij elkaar horen zoveel mogelijk bij elkaar moeten staan, ongeacht het precieze instrument waarvan sprake is. Daarnaast kan opvallen dat deze omgevingsverordening groter is dan voorgaande verordeningen. Dat komt grotendeels doordat gepoogd is alle informatie die van belang is voor de toepassing van de regels zoveel mogelijk samen te brengen op één plek. Bij de vorige verordening werd regelmatig verwezen naar achterliggend beleid. Dit vergrootte de begrijpelijkheid en handhaafbaarheid van de regels niet altijd, omdat niet zonder meer duidelijk was welke delen van het beleid van belang waren. Met name wat betreft de kernkwaliteiten is gepoogd deze informatie bij elkaar te brengen. Op deze manier kan het doel dat de Omgevingswet stelt, om zoveel mogelijk met een druk op de knop te achterhalen welke regel waar geldt, beter worden nagestreefd. Ook is dit van belang voor een goede werking van het Digitaal Stelsel Omgevingswet. De Omgevingsverordening dient daarbij te functioneren als hét regulerende provinciale omgevingsdocument. Daarmee verdraagt zich slecht een situatie waarbij allerlei achterliggend beleid niet in dit document is terug te vinden. Gepoogd is om met deze Omgevingsverordening te komen tot een integraal document waarmee in zijn geheel kan worden bepaald of een activiteit zich wel of niet verdraagt met het provinciaal belang.

Bijlage bij de toelichting
Bijlage 1 Notitie Archeologie

Archeologische onderbouwing

Samenvatting

In de notitie Kernkwaliteit Archeologie brengen wij alle informatie en onderbouwing samen die van belang is geweest bij het benoemen van de Kernkwaliteit Archeologie van de provincie Drenthe. Het is in de eerste plaats een toelichtingsdocument. Het gaat daarbij zowel over inhoudelijke keuzes; welke thema's of archeologische terreinen zijn van belang voor het regionale verhaal van Drenthe (Hoofdstuk 2). Maar ook over technische keuzes aangaande de begrenzingen van de terreinen en de gebieden (Hoofdstuk 4). Behalve naar het inhoudelijke verhaal zijn ook andere overwegingen in de selectie meegenomen, zoals de kansen met betrekking tot duurzaam behoud van deze archeologische monumenten en gebieden.De meeste informatie in de notitie is niet nieuw maar wordt nu voor de eerste maal goed beschreven en overzichtelijk bij elkaar gepresenteerd. Daarmee wordt het veelal onzichtbare archeologische erfgoed zichtbaar gemaakt en krijgt het beleid een gezicht.Wel nieuw is de wijze van presentatie van het beleid, welke in belangrijke mate wordt bepaald door de technische vereisten van het nieuwe Digitale Stelsel Omgevingswet – de directe aanleiding voor deze notitie. Hierdoor heeft de Kernkwaliteit Archeologie een eigen artikel in de regels gekregen Ook dit artikel is inhoudelijk niet nieuw en geënt op de eerste versie van de gemeentelijke archeologische beleidskaarten die in de periode 2009-2012/13 zijn vervaardigd vanwege het in werking treden van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (2007). Daarnaast is van de gelegenheid gebruik gemaakt om de inhoudelijke selectie aan te passen aan de huidige stand van kennis in de archeologie. De eerste selectie van de Kernkwaliteit Archeologie stamt immers al weer van meer dan 10 jaar geleden. De archeologie heeft in de tussentijd niet stilgestaan; nieuwe inzichten en nieuwe kennis vragen om een beperkte actualisatie van de eerder gemaakte inhoudelijke keuzes. Nieuw is bijvoorbeeld het thema Tweede Wereldoorlog erfgoed. Inmiddels is dit bezig een volwaardige plek te krijgen in de archeologische monumentenzorg. De provincie Drenthe kent belangrijk erfgoed dat tot deze categorie behoort. Zeer specifiek voor Drenthe zijn de goed bewaarde bundels karrensporen die door heel de provincie getuigen van landroutes die terug kunnen gaan tot de middeleeuwen of zelfs nog vroeger.

De nieuwe GIS-data van de provinciale Kernkwaliteit Archeologie zijn via het Provinciale GeoPortaal toegankelijk voor gebruik door derden en toepassing in het omgevingsbeleid.



Hoofdstuk 1. Context Kernkwaliteit Archeologie

Archeologie houdt zich bezig met de reconstructie van oude culturen door middel van het bestuderen van materiële overblijfselen hiervan. Daarbij gaat het om alles wat de mens ooit heeft achtergelaten, bijvoorbeeld restanten van huizen, begraafplaatsen, wapens, sieraden, huisraad, afval en voedselresten. Deze overblijfselen kunnen duizenden jaren oud zijn of slechts een paar honderd jaar. Tegenwoordig wordt ook archeologisch onderzoek gedaan naar in de bodem aanwezige overblijfselen van de Tweede Wereldoorlog.

1.1 Wie we zijn en waar we vandaan komen

De mens heeft door de eeuwen haar stempel gedrukt op het Drentse landschap. De zichtbare en niet-zichtbare overblijfselen van de bewoningsgeschiedenis van Drenthe worden cultuurhistorische waarden genoemd. Archeologische overblijfselen zijn daar een belangrijk en integraal onderdeel van. Het archeologisch erfgoed is onze enige bron van informatie voor de bewoningsgeschiedenis van de steentijd tot de middeleeuwen. Echter ook voor onze kennis van de nieuwe tijd kan archeologisch onderzoek een belangrijke aanvulling zijn, ondanks het feit dat we dan over diverse andere bronnen kunnen beschikken. Denk bijvoorbeeld aan het ondergrondse erfgoed van de Tweede Wereldoorlog. Hiernaar wordt niet alleen steeds meer archeologisch onderzoek verricht, het wordt in toenemende mate ook beter in situ (ter plekke) beschermd. Daardoor is het mogelijk om de verhalen over deze ingrijpende periode te blijven vertellen aan de hand van authentieke sporen en overblijfselen uit die tijd. Dat raakt ook direct de essentie van het waarom we zorgvuldig met ons archeologisch erfgoed willen omgaan. Archeologie is een onuitputtelijk bron voor (het vertellen van) verhalen. Hoe onze voorouders leefden, woonden en in hun voedsel voorzagen. Hoe ze hun doden ter aarde bestelden en hoe zij met het bovennatuurlijke omgingen. Deze verhalen voeden onze identiteit en onze kennis over waar we vandaan komen.

1.2 Hoe zorgen we dat de verhalen bewaard blijven

Van onze samenleving als geheel wordt verwacht dat we op een duurzame wijze zorg dragen voor het behoud en toegankelijk maken van ons archeologisch erfgoed. Dat is nodig, want het leeuwendeel van het Drentse archeologisch erfgoed ligt onzichtbaar verscholen in de bodem. Dit en het feit dat het ook nog eens praktisch aan het oppervlak ligt, maakt het zeer kwetsbaar voor ruimtelijke ontwikkelingen die met bodemingrepen gepaard gaan. Kenmerkend voor het archeologisch erfgoed is dat het niet alleen gaat om bekende, zeker aanwezige archeologische waarden, maar ook om verwachte, mogelijk aanwezige archeologische waarden. In dit laatste geval gaat het om grote gebieden die in het verleden geschikt waren voor bewoning en gebruik en waar in principe nog talrijke sporen van in de bodem aanwezig kunnen zijn die wachten op ontdekking. Voor Drenthe geldt dat het archeologisch erfgoed verspreid ligt over de hele provincie en in alle landschapstypen.Omdat in de bescherming van het archeologisch erfgoed een maatschappelijk belang ligt verankerd, hebben de verschillende overheden hierin een wettelijke taak gekregen. Deze verantwoordelijkheid is verankerd in de Erfgoedwet (2016). Sinds de Wet op de archeologische monumentenzorg (1 september 2007) maakt het archeologisch erfgoed ook direct deel uit van de ruimtelijke wetgeving, nu nog het Overgangsrecht Monumentenwet 1988 naar de Omgevingswet en straks de Omgevingswet (in voorbereiding).

1.3 Kernkwaliteit Archeologie

Wijzigingen in het ruimtelijk stelsel hebben in de regel dan ook gevolgen voor het provinciaal en gemeentelijk archeologiebeleid. Zo heeft de provincie naar aanleiding van het in 2008 in werking treden van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening, voor het eerst haar 'provinciaal belang archeologie' geformuleerd. In de opeenvolgende provinciale Omgevingsvisies en -verordeningen samengevat als 'Kernkwaliteit Archeologie'. De beschrijving hiervan en het bijbehorende beleid zijn te vinden in de vigerende Omgevingsvisie Drenthe, de bijbehorende Provinciale Omgevingsverordening (hier verder POV genoemd), het Cultuurhistorisch Kompas (2010) en de vigerende provinciale Cultuurnota. Omdat bij het maken van het Cultuurhistorisch Kompas toentertijd het uitgangspunt was om alleen het zichtbare, samenhangende, ruimtelijk erfgoed op te nemen en archeologie immers voor het grootste deel onzichtbaar is, is ervoor gekozen om in de Provinciale Omgevingsvisie een eigen archeologische hoofdstructuur op te nemen. Deze doet recht aan de archeologische monumenten (locaties/terreinen) en archeologische verwachtingsgebieden die van regionaal belang zijn. De Provinciale Omgevingsvisie leent zich echter niet voor een toelichtende, inhoudelijke beschrijving van het opgenomen archeologische erfgoed. In deze notitie bij de technische actualisatie van de Provinciale Omgevingsverordening naar aanleiding van het Digitaal Stelsel Omgevingswet, is hier in Hoofdstuk 2 wel invulling aan gegeven.

1.4 Kernkwaliteit Archeologie en het Digitaal Stelsel Omgevingswet

De aanstaande, nieuwe Omgevingswet vereist dat ruimtelijke plannen, instrumenten en inhoudelijke informatie in het Digitaal Stelsel Omgevingswet worden opgenomen. Dit vraagt om een technische aanpassing van de Provinciale Omgevingsverordening (POV versie 2018), waarbij uitgegaan wordt van zogenaamde werkingsgebieden. Voor de Kernkwaliteit Archeologie betekent dit dat alle onderdelen van de provinciale archeologische hoofdstructuur die nog niet als vlak zijn weergegeven op de kaarten Kernkwaliteit Archeologie, zoals bijvoorbeeld grafheuvels die veelal als puntlocaties worden geduid, duidelijke en goed onderbouwde begrenzingen moeten krijgen. In deze notitie wordt toegelicht en verantwoord hoe deze technische aanpassing heeft plaatsgevonden voor de twaalf inhoudelijke thema's van de Kernkwaliteit Archeologie (Hoofdstuk 4, bijdrage RAAP 2020). Deze thema's zijn bij deze gelegenheid inhoudelijk geactualiseerd, zonder dat er sprake is van beleidswijzigingen t.o.v. de eerdere Omgevingsvisie of Omgevingsverordening Drenthe. De inhoudelijke actualisatie houdt in dat op grond van nieuwe archeologische inzichten, kennis en inventarisaties er twee thema's zijn bijgekomen: karrensporenbundels en erfgoed uit de Tweede Wereldoorlog. Nieuwe, inhoudelijke informatie is verder alleen meegenomen als het een uitwerking betrof binnen het bestaande beleid. Bijvoorbeeld voordenlocaties binnen de beekdalen die al van provinciaal belang waren of de nieuwe AHN2 en satelliet-analyses van de Celtic fields (2018), die ook al tot het provinciaal belang behoorden. Het thema veenwegen heeft vanwege haar complexiteit tot dusver geen goede doorwerking gekregen in de kaart Kernkwaliteit Archeologie (en de gemeentelijke archeologiekaarten). Bij deze technische actualisatie is dit opgelost en wordt een handreiking geboden aan de betreffende gemeenten door hen te laten beschikken over de GIS-gegevens van dit thema. Archeologie is een wetenschap en dat betekent dat er voortdurend nieuwe inzichten, kennis en informatie worden gegenereerd. Dit heeft onvermijdelijk zijn weerslag op de inhoudelijk invulling van de Kernkwaliteit Archeologie. Denk bijvoorbeeld aan de nieuwe inzichten over Neanderthalervindplaatsen in Drenthe en de wens om meer aandacht aan het middeleeuwse archeologische erfgoed van Drenthe te schenken, de kloosters en kerken. Het ligt in de rede om bij een toekomstige actualisatie van de Kernkwaliteit Archeologie ook deze thema's eens onder de provinciale loep te leggen. Periodieke actualisatie is sowieso nodig om ook te voorkomen dat terreinen onnodig worden beschermd. In dat kader hebben we bij deze technische actualisatie de 'burcht van Zuidlaren' in de gemeente Tynaarlo van het provinciaal belang archeologie afgevoerd aangezien uit booronderzoek uitgevoerd door de RUG in 2014 naar voren is gekomen dat het hier niet om een burchtterrein gaat maar om een natuurlijk fenomeen. Ook is door de introductie van het nieuwe thema karrenspoorbundels, de zogenaamde Prehistorische route over de Hondsrug als ruimtelijk lijnelement komen te vervallen.

1.5 De gemeenten aan zet bij de bescherming van het archeologisch erfgoed

De provinciale Kernkwaliteit Archeologie heeft destijds gedetailleerde uitwerking gekregen in de eerste versie van de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaarten die in het kader van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (2007) zijn gemaakt. De kaarten zijn ondersteund vanuit de eerste Culturele Alliantie tussen de provincie en alle Drentse gemeenten (2009-2012/13).Deze eerste versie van de gemeentelijke archeologiekaarten is, inclusief het daarbij opgenomen en door de gemeenten vastgestelde beleid, vervolgens uitgangspunt geweest voor de Kernkwaliteit Archeologie in de opeenvolgende Provinciale Omgevingsvisies en -Verordeningen. De huidige technische actualisatie van de Kernkwaliteit Archeologie, gaat daarom primair uit van de weergave van de Kernkwaliteit Archeologie op deze gemeentelijke archeologiekaarten. Waar nodig zijn vergissingen of omissies in de gemeentelijke kaarten onderbouwd, hersteld of aangevuld. In Hoofdstuk 4 van deze notitie is de bijbehorende onderbouwing te vinden. Deze notitie is daarmee een handreiking voor alle gemeenten en kan gebruikt worden om de Kernkwaliteit Archeologie in hun gemeentelijk beleid te actualiseren. De nieuwe GIS-data van de provinciale Kernkwaliteit Archeologie, zijn via het Provinciale GeoPortaal toegankelijk voor gebruik door derden.

Hoofdstuk 2. Inhoudelijke onderbouwing geselecteerde archeologische monumenten (locaties/terreinen, waarden) en gebieden (verwachtingen): 12 thema's

Drenthe staat bekend om zijn vele hunebedden en grafheuvels. Het zijn authentieke en aansprekende relicten van duizenden jaren oud die zichtbaar bijdragen aan de identiteit en onderscheidenheid van de provincie. Het grootste deel van het (pre)historische erfgoed is echter niet zichtbaar of beleefbaar. Het ligt verscholen in het bodemarchief van onze diverse landschappen. Zichtbare én onzichtbare archeologische overblijfselen schrijven samen de culturele biografie van het (pre)historische landschap. Door het benoemen van samenhangende, soms ook ontbrekende of ongekende bouwstenen van dit bewoningsverhaal als provinciale Kernkwaliteit van het fysiek-ruimtelijk domein, wordt het onzichtbare 'zichtbaar' gemaakt. De lange én diepe lijnen van het verhaal van de (pre)historische mens in al haar samenhangende facetten van wonen, werken en spiritualiteit wordt daarmee op regionale schaal behouden, verteld en versterkt, voor nu en voor toekomstige generaties.

2.1 Selectie

Net als bij de Kernkwaliteit Cultuurhistorie, is bij de selectie van de Kernkwaliteit Archeologie gefocust op de regionale betekenis voor de geschiedenis van Drenthe. Dit betekent dat de provincie zich slechts richt op een bescheiden selectie van het totale Drentse archeologische bodemarchief. Dit doet niets af aan de grote individuele waarden en verwachtingen van het resterende archeologische erfgoed, dat onder het lokale of het landelijke belang valt. De Kernkwaliteit Archeologie is voor ons een flexibel instrument dat door nieuwe wetenschappelijke inzichten en onderzoeksmethoden inhoudelijk aan verandering onderhevig kan zijn. Voor de huidige selectie betekent dit dat er twee nieuwe thema's zijn toegevoegd maar er ook terreinen en een thema zijn afgevoerd (zie Hoofdstuk 1.4).

De uiteindelijk geselecteerde twaalf inhoudelijke thema's kunnen nader worden gerubriceerd in:

1. Beeldbepalers van de Drentse identiteit of zogenaamde Johan Picardt-iconen (17e--eeuwse Drentse geschiedschrijver) het gaat hierbij om archeologische objecten die hoog scoren als het gaat om belevingswaarde, verhaal, zichtbaarheid en imago. Dit zijn de archeologische iconen van Drenthe die gekoesterd worden vanuit oogpunt van omgevingskwaliteit en sinds jaar en dag benut worden voor erfgoedtoerisme. Hieronder vallen uiteraard de hunebedden, iconen van de Nederlandse prehistorie in de Geschiedenis Canon van Nederland. Daarnaast kunnen ook de vele tot de verbeelding sprekende prehistorische grafheuvelgroepen, nederzettingsterreinen en grafvelden, de offerveentjes, de veenwegen, de karrensporen en de zogenaamde Celtic fields, een akkerbouw systeem uit de ijzertijd, tot deze groep geschaard worden. 2. Representatief voor het verhaal over de verhouding tussen stad en platteland zijn de middeleeuwse kernen van Meppel en Coevorden die het plattelandsbeeld van de provincie completeren. Ook de schansen dragen aan dit beeld bij.3. Waardevol cultuurlandschap met samenhangende, grote complexen/ensembles met een hoge informatie- en contextwaarde. Onder deze groep vallen het Drentsche Aa-gebied, Het Holtingerveld (voorheen de Havelterberg) en het Middeleeuwse veenterpen-/huisplaatsenlandschap van de polder Matsloot-Roderwolde in de kop van Drenthe. In deze waardevolle cultuurlandschappen zijn de archeologische vindplaatsen nog in samenhang met elkaar aanwezig, bijvoorbeeld een nederzetting en het bijbehorende grafveld.4. Archeologische verwachtingsgebieden met kans op bijzondere vondsten en/of een hoge, fysieke kwaliteit zoals de essen en beekdalen. Van deze gebieden wordt verwacht dat als hier archeologische waarden worden aangetroffen, deze door hun ruimtelijke spreiding, samenhang, zeldzaamheid, tijdsdiepte en/of goede fysieke kwaliteit van provinciaal belang zullen zijn.5. Jong conflict erfgoed dat aan de hand van authentieke sporen en objecten de grote, kleine en vergeten verhalen van de Tweede Wereldoorlog en de nasleep daarvan in herinnering houdt.

Sommige thema's kunnen onder meerdere rubrieken vallen, als een rode draad loopt ook het aspect kennislacune door de hele selectie heen. Voor de essen en de Celtic fields is hun geografische verspreiding van groot belang omdat daardoor juist het regionale bewoningsverhaal verteld kan worden. In beekdalen is niet alleen sprake van een goede conservering van de mogelijke vindplaatsen, deze zijn ook vaak uitzonderlijk van aard. De archeologie van beekdalen is lang een kennislacune geweest in de Drentse archeologie. Door ze tot provinciale kernkwaliteit te benoemen, is er de afgelopen jaren veel onderzoek naar uitgevoerd. Een belangrijk resultaat hiervan is dat er inmiddels drie nieuwe veenwegen afkomstig uit beekdalen bekend zijn (het beekdal van de Slokkert nabij Norg in de gemeente Noordenveld, het beekdal van het Winder Diepje in de gemeente Tynaarlo en het beekdal van de Wold Aa bij Meppel). Voorheen waren veenwegen alleen bekend uit (voormalige) veengebieden zoals het Bourtangerveen en de Smildervenen. Van vindplaatsen onder esdekken mag niet alleen een goede conservering verwacht worden maar essen kenmerken zich ook door een enorme tijdsdiepte van duizenden jaren en een zeer hoge ensemblewaarde. Dit is recent nog onderstreept door opgravingen in het kader van de verdubbeling van de N34 bij Coevorden (2019) waarbij onder een aantal essen bij Dalen een dicht patroon van bewoningssporen uit verschillende, opeenvolgende bewoningsperioden is aangetroffen.

afbeelding binnen de regeling

Figuur 1. Overzicht inhoudelijke kaart Kernkwaliteit archeologie

2.2 Beschrijving twaalf thema's

De Kernkwaliteit Archeologie is opgebouwd uit bekende, zichtbare én onzichtbare, archeologische monumenten (lokaties/ terreinen, archeologische waarden) en gebieden waar een beredeneerde verwachting is op het aantreffen van archeologische waarden (archeologische verwachtingen).

Thema 1 Hunebedden

afbeelding binnen de regeling

Figuur 2. Hunebed D15 bij Loon (bron: Van Giffen 1925-1927 'De Hunebedden in Nederland', Copyright Rijksuniversiteit Groningen, Groninger Instituut voor Archeologie)

Denk je aan Drenthe, dan denk je aan hunebedden. Hunebedden zijn de oudste zichtbare archeologische monumenten van Nederland. Het zijn grafmonumenten van de eerste echte boeren in Drenthe en zijn zo'n 6000 jaar oud. Hunebedden zijn gebouwd met grote zware zwerfkeien. Deze zijn in de voorlaatste ijstijd meegekomen met het landijs en waren makkelijk te vinden in, onder andere, de steilkanten van de Hondsrug. In het Drentse landschap liggen nog 52 zichtbare hunebedden. Van 20 andere plekken in Drenthe weten we dat er ooit een hunebed heeft gelegen, dit zijn de zogenaamde 'verdwenen hunebedden'. Ongeveer de helft van de Drentse hunebedden is eigendom van de provincie. Deze worden beheerd en jaarlijks geïnspecteerd door het Drentse Landschap (HDL). De andere helft is eigendom van het rijk en worden beheerd door Staatsbosbeheer (SBB). Eén hunebed is particulier eigendom (D44). Op vier hunebedden na, te weten D32 bij Odoorn en D34, D36 en D37 bij Valthe, zijn alle hunebedden aangewezen als archeologisch rijksmonument.

Hunebed

Gemeente

Plaats

Eigenaar

D1

Noordenveld

Steenbergen

 

D2

Noordenveld

Westervelde

 

D3

Tynaarlo

Midlaren

 

D4

Tynaarlo

Midlaren

 

D5

Tynaarlo

Zeijen

 

D6

Tynaarlo

Tynaarlo

 

D7

Aa en Hunze

Schipborg

 

D8

Aa en Hunze

Anloo

 

D9

Aa en Hunze

Annen

 

D10

Aa en Hunze

Gasteren

 

D11

Aa en Hunze

Anloo

 

D12

Aa en Hunze

Eext

 

D13

Aa en Hunze

Eext

 

D14

Aa en Hunze

Eext

 

D15

Assen

Loon

 

D16

Aa en Hunze

Balloo

 

D17

Aa en Hunze

Rolde

 

D18

Aa en Hunze

Rolde

 

D19

Borger-Odoorn

Drouwen

 

D20

Borger-Odoorn

Drouwen

 

D21

Borger-Odoorn

Bronneger

 

D22

Borger-Odoorn

Bronneger

 

D23

Borger-Odoorn

Bronneger

 

D24

Borger-Odoorn

Bronneger

 

D25

Borger-Odoorn

Bronneger

 

D26

Borger-Odoorn

Drouwenerveld

 

D27

Borger-Odoorn

Borger

 

D28

Borger-Odoorn

Buinen

 

D29

Borger-Odoorn

Buinen

 

D30

Borger-Odoorn

Exloo

 

D31

Borger-Odoorn

Exloo

 

D32

Borger-Odoorn

Odoorn

 

D34

Borger-Odoorn

Valthe

 

D35

Borger-Odoorn

Valthe

 

D36

Borger-Odoorn

Valthe

 

D37

Borger-Odoorn

Valthe

 

D38

Borger-Odoorn

Emmerveld

 

D39

Emmen

Emmerveld

 

D40

Emmen

Emmerveld

 

D41

Emmen

Emmen

 

D42

Emmen

Westeres

 

D43

Emmen

Schimmeres

 

D44

Emmen

Westenes

 

D45

Emmen

Emmerdennen

 

D46

Emmen

Angelslo

 

D47

Emmen

Angelslo

 

D49

Emmen

Schoonoord

 

D50

Coevorden

Noordsleen

 

D51

Coevorden

Noordsleen

 

D52

Coevorden

Diever

 

D53

Westerveld

Havelte

 

D54

Westerveld

Havelte

 
 
 
 
 
 
 
 
 

De Drentse staten kennen een lange inspanningstraditie ten aanzien van de hunebedden. Met de `Resolutie ter bescherming van de hunebedden' uit 1734, uitgevaardigd door de Drost en Gedeputeerden van `de Landschap Drenthe', gaf de provincie vorm aan wat nu te boek staat als de eerste Monumentenwet van Nederland.Zijn in het verleden de individuele hunebedden onderwerp van studie geweest, tegenwoordig is de aandacht gericht op de sociale en ideologische betekenis in regionale en Noordwest- Europese context. Voor het beheer van de hunebedden is de Hunebedden Beheergroep (HBG) opgericht waarin naast de beheerders ook de provincie, de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en het Hunebedcentrum in Borger zijn vertegenwoordigd. De HBG zet onder andere in op kennisvermeerdering rond de hunebedden en de Trechterbekercultuur en op uitvoering van de aanbevelingen in het rapport 'Hunebedden een wereld te winnen: Handboek voor archeologie, inrichting en beheer van hunebedden' (2007).

Thema 2 Grafheuvelgroepen en grafvelden

Grafheuvels/grafvelden en hun omgeving blijken complexe rituele plaatsen te zijn geweest die van groot belang waren voor prehistorische gemeenschappen en veel meer dan alleen maar begraafplaatsen. Deze locaties kunnen honderden jaren in gebruik geweest zijn en vormen zo het kenmerkende Drentse 'grafheuvel- en urnenveldlandschap'.

Het onderzoek naar sociale en ideologische betekenis van deze landschappen heeft een regionale dimensie. Nieuwe kennis over de plek van de grafheuvel in het toenmalige prehistorische landschap levert een belangrijke bijdrage aan het beheer van deze monumenten. Zo weten we nu dat de omgeving van de grafheuvel, door de daar aanwezige aan de grafheuvel gerelateerde sporen, minstens zo belangrijk is als de feitelijke grafheuvel zelf.De volgende grafheuvelgroepen en grafvelden behoren tot de archeologische provinciale hoofdstructuur/Kernkwaliteit Archeologie:

1. Het Noordse Veld (Zeijen);

2. De clustering van grafheuvels aan weerskanten van het Zeegserloopje;

3. De clustering van grafheuvels in het Tonckensbos (Norg);

4. Kampsheide en het Tumulibos (Balloo);

5. Het Balloërveld (m.n. Mandenberg, Balloo);

6. Het Evertsbos (t.w. de grafheuvelgroep bij hunebed D11 en de exemplaren langs de vermoede prehistorische route, Eext/Anloo);

7. De Strubben/Kniphorstbos (in samenhang met de vermoedelijke prehistorische route);

8. De clustering van grafheuvels aan weerskanten van het Oudemolense Diep (Anloo)

9. De clustering van grafheuvels in het Zwanemeerbos (Gieten);

10. De grafheuvels op het Landgoed Hooghalen (Laaghalen);

11. Het Sleenerzand (Schoonoord);

12. De Zeven Bergen (Ees);

13. De clustering van grafheuvels in het Valtherbos, in samenhang met de vermoedelijke prehistorische route en Weerdinge-Kamperes (Emmen);

14. De Emmerdennen (Emmen);

15. Het Noormansveld (Dwingeloo);

16. De clustering van grafheuvels op het Holtingerveld (voorheen de Havelterberg, Havelte)

17. Het grafveld van De Bloemert (Midlaren)

18. De grafheuvels van Wester Esch-oost (Tynaarloo)

Een groot aantal van de complexen overlapt met de, hieronder bij thema 7 beschreven, waardevolle cultuurlandschappen met samenhangende, grote, complexen/ensembles.

Thema 3 Offerveentjes

Kleine veentjes speelden een belangrijke rol in het leven van de pre- en protohistorische Drenten. In het verre verleden waren dit de plaatsen waar men contact zocht met de bovennatuurlijke wereld, de plaatsen waar men offers achterliet. Men offerde stenen of bronzen bijlen, houten bakken, potten met voedsel, runderhorens, eergetouwscharen, mantelspelden en mensen.

De voorwerpen van organisch materiaal zijn goed bewaard gebleven dankzij de conserverende werking van het veen op dit type materiaal. De offervondsten en de wijze waarop deze in het veen gedeponeerd zijn, zijn belangrijke bouwstenen voor de reconstructie van het rituele gedrag van de mens in het verre verleden.

afbeelding binnen de regeling

Figuur 3. Het Bolleveen bij Zijen (foto: Bertil Zoer)

De veentjes zijn ook nog om een tweede reden van belang. Het stuifmeel dat in de verschillende veenlagen is opgeslagen, verschaft informatie over de vegetatie- en landschapsontwik¬keling en het ingrijpen van de mens daarin. Een goed voorbeeld van dat laatste aspect levert het Gietsenveentje bij Gieten. Dankzij onderzoek van stuifmeel uit dit veentje kon worden vastgesteld dat de mens al voor het begin van de Trechterbekercultuur (3400 - 2850 v.Chr.), zijn invloed in het landschap deed gelden. Dit soort informatie is van groot belang voor de reconstructie van de regionale bewoningsgeschiedenis van de provincie Drenthe. Niet elk veentje zal een offerveentje geweest zijn. Daarom is het van belang om, bij voorgenomen bodemingrepen, een inventariserend/waarderend booronderzoek uit te laten voeren. Zodat de potentiële archeologische waarde van een veentje kan worden vastgesteld. De volgende offerveentjes behoren tot de archeologische provinciale hoofdstructuur/Kernkwaliteit Archeologie:

1. Het Siepelveentien (Zeegse);

2. Het Bolleveen (Taarloo);

3. Het Bolleveen (Zeijen);

4. De Legelpoele (Eext);

5. Het Boekweitenveen (Eext);

6. Het Kreushaarveentje (Anderen);

7. Het Gietsenveentje (Gieten);

8. Het Rommeltje (Gieten);

9. Het veentje van Kooiker (Klijndijk).

Thema 4 Celtic fields

afbeelding binnen de regeling

Figuur 4. Afbeelding J. Picardt (1660): 'oude Heydensche Leger-plaetsen' (bron: Drents Archief)

Celtic fields zijn raatvormige akkersystemen uit de late bronstijd en ijzertijd (ca. 1000 v.Chr - 200 n.Chr). De akkertjes van gemiddeld 30 bij 30 m zijn omgeven door brede wallen, die op sommige plaatsen nog in het landschap zichtbaar zijn. Waar ze in het landschap vaak niet (meer) met het oog waarneembaar zijn, is de kenmerkende raatstructuur van deze akkers over het algemeen nog duidelijk herkenbaar op hoogtekaarten en satellietbeelden. Binnen, of aan de rand van het Celtic field lagen de bijbehorende, zich regelmatig verplaatsende nederzettingen of boerenerven (bestaande uit boerderijen, opslagschuurtjes, afvalkuilen, begravingen). Celtic fields zijn tientallen ha groot en liggen verspreid door heel Drenthe. Door hun samenhang met andere archeologische en cultuurhistorische fenomenen zijn de Celtic fields een belangrijke bouwsteen van het verhaal van Drenthe.Binnen de archeologische provinciale hoofdstructuur maken we onderscheid tussen mogelijke Celtic fields (archeologische verwachtingswaarde) en zekere Celtic fields (archeologische waarde).

Thema 5 Middeleeuwse kernen Coevorden en Meppel

Coevorden en Meppel hebben in de bewoninggeschiedenis van de provincie ieder een eigen prominente rol gespeeld. Beide steden hebben een belangrijke positie gehad in het verzet tegen de overheersing van Drenthe door de bisschop van Utrecht. Maar ook andere onrustige tijden voor Nederland, zoals de Tachtigjarige Oorlog (1568 – 1648) en de Bataafs-Franse tijd (1795 – 1813), laten zich voor Drenthe aan de hand van deze steden volgen.Daarnaast waren Meppel en Coevorden tot in de 19de eeuw, naast Groningen-stad, de belangrijkste handelssteden van Noord- Nederland.Coevorden

afbeelding binnen de regeling

Figuur 5. Plattegrond vesting Coevorden na 1702 (Stichting Menno van Coehoorn – Atlas van Historische verdedigingswerken in Nederland).

Coevorden is ontstaan op een strategische plek waar vier lokale waterwegen bij elkaar komen. De nederzetting ontwikkelde zich al snel tot een belangrijk en welvarend verkeers- en marktcentrum. Coevorden wordt voor het eerst in 1148 in een schriftelijke bron genoemd. De middeleeuwse kern wordt gevormd door een kasteelmotte (een kunstmatige heuvel uit de 11de-13de eeuw waarop een verdedigbare toren stond, omringd door een grachten- en wallensysteem). De motte en middeleeuwse stad Coevorden zijn voor de geschiedenis van Drenthe van bijzondere betekenis. In 1227, tijdens de Slag bij Ane, voerde burggraaf Rudolf II van Coevorden de Drenten naar de overwinning op de bisschop van Utrecht, Otto II van Lippe.In 1407 kreeg Coevorden stadsrechten. Vanaf het begin van de 16de eeuw had Coevorden het recht om drie jaarmarkten te houden. Door de strategische ligging als poort naar het Noorden ontwikkelde Coevorden zich, vanaf de 17de eeuw, tot een vestingstad met een kenmerkende stadsplattegrond.

Meppel

afbeelding binnen de regeling

Figuur 6. Gracht in Meppel met kerk, 1916 (Door: Karel Klinkenberg, bron: Schilders van Drenthe, Roel Sanders).

Ook Meppel was in de middeleeuwen (en is nog steeds) een plaats die over waterwegen bereikbaar was voor grotere en kleinere binnenschepen. De stad kende daardoor een overslagfunctie voor de handel (o.a. in rogge, turf, hout, hop, wol, wollen en linnen stoffen) tussen Drenthe en de rest van Nederland (Zwolle, Utrecht). In 1460 vonden in de stad twee jaarmarkten van elk een week plaats; vanaf 1487 kwam daar ook nog een weekmarkt bij op de woensdag. Aan het eind van de 15de eeuw kende Meppel een bevolkingssamenstelling die bestond uit boeren, middenstanders, schippers, scheepsbouwers, wevers, goudsmeden, meubel- en schoenmakers en kooplieden e.a. Vanaf het begin van de 16de eeuw bestonden er ook gilden. In de 17de eeuw was Meppel de belangrijkste marktplaats van Drenthe en voorzag als centrum van handel en nijverheid in de behoeften van de streek. Echte stadsrechten werden pas in 1815 verleend.De resultaten van het archeologisch onderzoek in deze middeleeuwse kernen zijn bouwstenen voor een beter begrip van de middeleeuwse geschiedenis van Drenthe, de stadsontwikkeling en de relatie tussen platteland en stad in die tijd.

Thema 6 Nederzettingsterreinen, Spaans Kerkhof en schansen

Onder dit thema is een aantal waardevolle archeologische terreinen verzameld die ieder voor zich van betekenis zijn voor de regionale geschiedenis van Drenthe, zonder dat ze direct inhoudelijk of in tijd samenhang met elkaar hebben.

Nederzettingsterreinen

Nederzetting 1, Bronneger

Bij Bronneger (Spoorstraat/Stobbenweg) bevindt zich, op de Oosteresch, een opvallende hoogte in het landschap. Hier ligt op de flank van de Hondsrug een nederzetting daterend uit de Romeinse tijd – vroege middeleeuwen. In de loop der jaren is hier veel materiaal verzameld. Van Romeinse munten, sieraden en aardewerk tot resten van een smederij. Daarnaast zijn ook nog sporen van huisplattegronden bekend. Het tot nu toe aangetroffen materiaal wekt de hoge verwachting dat hier sprake is van een vindplaats met een bijzondere betekenis. De site is onderdeel van AMK-terrein 8924, een terrein van zeer hoge archeologische waarde.

Nederzetting 2, Holtesch

Op de gave Holtesch bij Hooghalen liggen de resten van een middeleeuws dorp. Het terrein kent meerdere archeologische waardes: terrein van zeer hoge archeologische waarde (AMK-terreinen 9548, 9547), hoge archeologische waarde (AMK-terrein 9551) en een deel is een terrein van archeologische waarde (AMK-terrein 9554). Tijdens verschillende, eerdere onderzoeken zijn nederzettingssporen aangetroffen zoals: aardewerk, huttenleem, huisplattegronden, hutkommen en afvalkuilen.

Nederzetting 3, Nieuw-Annerveen

Bij Nieuw-Annerveen ligt een laat-paleolithische vindplaats (AMK-terrein 14350). Het aangetroffen materiaal maakt duidelijk dat het gaat om de Federmessercultuur (circa 11.900 – 10.900 v.Chr.). In deze warmere periode was er in het Hunzedal genoeg voedsel te vinden voor de jagers/verzamelaars van de Federmessercultuur: groot en klein wild, gevogelte, vis, kruiden, knollen, zaden, bessen en noem maar op. Men verbleef op de dekzandruggen of dekzandkopjes. Booronderzoek heeft aangetoond dat hier sprake is van een zeldzaam gave site. Door de aanwezigheid van een afdekkend veenlaagje is het authentieke loopvlak bewaard gebleven.

Nederzetting 4 en 5 Taarloose veentje

Het Taarloose veentje is een pingoruïne. Dergelijke locaties zijn, wanneer er nog een substantieel veenpakket aanwezig is, archeologisch en archeo-botanisch zeer interessant. De aanwezigheid van veen zorgt voor optimale conserveringsomstandigheden voor artefacten en andere archeologische sporen. Booronderzoek in het natuurgebied Taarloose Veentje heeft een aantal vindplaatsen aangetoond. Twee daarvan zijn mogelijk afkomstig uit het laat paleolithicum (oude steentijd) of vroeg mesolithicum (midden steentijd). Twee andere locaties vormen mogelijk de periferie van een nabijgelegen nederzetting uit het neolithicum (nieuwe steentijd). De conclusie van het destijds uitgevoerde onderzoek is:

  • Met nadruk dient erop te worden gewezen dat de informatiewaarde van (in en door veen) goed geconserveerde artefacten en archeologische sporen in een pingoruïne in het algemeen bijzonder hoog is.

  • De archeologische rijkdom van het Taarloose Veentje en de directe omgeving (o.a. een hunebed) maakt de aanwezigheid van archeologische resten in het meertje zeer aannemelijk. Archeologisch materiaal kan tijdens de bewoning in het verleden in het water of in het veen terechtgekomen zijn. Gedacht wordt aan losse objecten, waaronder depotvondsten en ook ecologisch materiaal dat informatie bevat over bijvoorbeeld de toenmalige omgeving en de invloed van de mens daarop.

Op grond van de uitkomsten van het onderzoek is het Taarloose Veentje aangewezen als een terrein van zeer hoge archeologische waarde (AMK-nummer 14062 en 14063).

Nederzetting 6, Drouwenerveen

Daar waar het Voorste en Achterste Diep samen komen ligt een nederzettingsterrein dat in gebruik is geweest vanaf het laat paleolithicum tot in de ijzertijd. Tijdens eerder uitgevoerd onderzoek is veel archeologisch materiaal gevonden. Onder andere vuursteen, aardewerk (Ruinen-Wommels), een basisgeweibijl, een dissel van edelhertgewei, een bronzen speld, een hamerbijl, een geslepen vuurstenen bijl, veel botfragmenten en een rolsteenhamer. Het is bekend dat locaties waar beken samen komen voor de prehistorische mens van speciale betekenis waren. Van dergelijke plekken zijn veel rituele depotvondsten bekend. Het gebied is aangewezen als terrein van hoge archeologische waarde (AMK-nummer 8929, 8930, 14143).

Nederzetting 7 Dalen, Molenakkers/de Spil

Onder de es aan de westkant van Dalen is een bijzondere site met een grote tijdsdiepte aanwezig. Het betreft onder andere een nederzetting uit de ijzertijd/bronstijd waarvan het bijbehorende urnenveld onder de eerder gerealiseerde woonwijk is gelegen. Op zich is de aanwezigheid van een nederzetting met bijbehorend grafveld bijzonder. Het is dan ook een terrein van zeer hoge archeologische waarde (AMK-nummer 15952). Archeologisch onderzoek in het kader van latere bebouwing heeft aangetoond dat hier een palimpsest aanwezig is. Dat wil zeggen dat er resten uit een brede archeologische periode zijn aangetroffen, onder andere: een grafheuvel en paalzetting uit het neolithicum/vroege bronstijd, boerderijplattegronden en spiekers uit de ijzertijd/vroeg Romeinse tijd en sporen van agrarisch gebruik en metaalwinning uit de vroege middeleeuwen. Kortom de locatie Molenakkers/de Spil is een archeologische schatkamer voor de voorgeschiedenis van het huidige Dalen.

Nederzetting 8, Spieker van Lhee, Lhee

Bij toeval is in 1953 de, uit veldkeien bestaande, fundering gevonden van een klein gebouw. Onderzoek uitgevoerd in 1953-1954 door het Biologisch Archeologisch Instituut (tegenwoordig het Groninger Instituut voor Archeologie) van de Rijksuniversiteit Groningen, heeft aangetoond dat het gaat om een gebouwtje uit de middeleeuwen, daterend rond 1200. Er zijn twee theorieën over wat het geweest kan zijn: het kan gaan om de kelder van een boerderij, of (en dat verklaart de naam) het gaat om een zogenaamde spieker. Een opslagplaats waar de in natura geleverde belasting aan de bisschop van Utrecht, de toenmalige heerser in Drenthe, werd bewaard. Het zou dan gaan om een houten, één of hooguit twee etages hoog vakwerkhuis op een stenen fundering. De spieker ligt in een terrein van hoge archeologische waarde (AMK-nummer 14410, Zuidlheederesch). De provincie Drenthe is eigenaar van dit archeologisch monument en de spieker kan bezocht worden. In 2015 is, ter gelegenheid van de expositie 'Archeologische parels van Westerveld' een informatiebord bij de spieker geplaatst.

afbeelding binnen de regeling

Figuur 7. Oplevering van de gerestaureerde spieker na afloop van het onderzoek 1954 (bron: geheugen van Drenthe).

Nederzetting 9, Hesselte/Oud Darp

Volgens bronnen is het middeleeuwse dorp Hesselte, in opdracht van de bisschop van Utrecht, in 1228 verwoest. De overlevenden hebben het dorp verlaten en zijn richting Havelte en Eursinge getrokken. Hesselte werd een zogenaamde 'Wüstung' of een 'deserted village'. De nederzetting ligt tussen de Darperesch en de Eursinger Binnenesch. Vanaf ongeveer de 16de eeuw wordt Hesselte in bronnen omschreven als Darp (Drents voor dorp). Het is niet duidelijk waar deze naamsverandering vandaan komt.

Schansen

Schans Portugal, EenTijdens de Tachtigjarige oorlog (1568-1648) met Spanje is de zogenaamde Veenlinie, een reeks schansen die de doorgang door het veen afsloot, aangelegd om de Spaanse dreiging uit het oosten het hoofd te kunnen bieden. Er is gewerkt in een viertal fases. De eerste fase is rond 1621, de tweede fase (rond 1672) in de periode dat Bommen Berend (bisschop Van Galen van Münster) hoopte een groot deel van Nederland aan zijn bezit toe te kunnen voegen. De derde fase bestond uit het aanleggen van een systeem van leidijken om te voorkomen dat het veen uitdroogde en inklonk (1687-1688) en de laatste fase ten tijde van de Bataafse Republiek (1795-1806).

afbeelding binnen de regeling

Figuur 8. Schans Portugal (bron: www.topotijdreis.nl).

Onderdeel van de veenlinie was de Schans Portugal. In 1584 aangelegd ten oosten van Een, mogelijk in eerste instantie door de Spanjaarden en later opgenomen in de Veenlinie. Schans Portugal is in de loop der jaren ontmanteld. Op kaarten tot ongeveer 1923 zijn er nog zichtbare resten van de schans terug te vinden. Rond 1900 is de noordkant afgegraven, de vrijgekomen grond is gebruikt om de Eenerdijk (tegenwoordig de Norgerweg) op te hogen. Daarna is hij helemaal geslecht: de wallen zijn in de grachten geschoven en het terrein is geëgaliseerd. Tegenwoordig zijn alleen in de bodem nog overblijfselen van de schans terug te vinden en herinnert slechts een straatnaam aan deze roemruchte periode in onze geschiedenis.

Valtherschans, Valthe

Onderdeel van de Veenlinie was ook de Valtherschans, aangelegd in 1621 als een eenvoudige redoute en in 1628 uitgebouwd tot een volwaardige schans. De Valtherschans beschermde de Valtherdijk, de verbinding tussen Drenthe en Westerwolde in Groningen. De schans is geslecht, de wal is in de gracht geschoven en alleen in de bodem zijn nog resten bewaard. Archeologisch en archiefonderzoek hebben aangetoond dat de schans rechthoekig van vorm was, met twee bastions aan de moeraskant en een redan aan de kant van de Hondsrug. Rond de schans lag een hoofdwal en mogelijk een voorwal en een gracht.

afbeelding binnen de regeling

Figuur 9. Ontwerptekening Valtherschans 1628 (bron: www.raap.nl ).

Het Spaanse kerkhof

Achter het archeologisch monument het Spaanse Kerkhof gaat de imposante kerkheuvel (doorsnede 40 m, hoogte 1 m +maaiveld) van de 14-15de-eeuwse kerk en het kerkhof van het voormalige veenontginningsdorp Veenhuizen schuil. De kerkheuvel is nooit door middel van archeologische proefsleuven onderzocht, wel zijn incidenteel in de heuvel menselijke botten en puinresten aangetroffen. Middeleeuws Veenhuizen, dat ten noordwesten van de kerkheuvel moet hebben gelegen, kende op haar hoogtepunt meer dan 70 boerderijen maar was volgens historische bronnen in de zeventiende eeuw praktisch verlaten. In die tijd moet ook de kerk zijn gesloopt. In archeologisch vakjargon geldt oud Veenhuizen als een 'deserted village' of 'Wüstung'. De kerkheuvel is eigendom van de provincie en wordt sinds jaar en dag beheerd door Staatsbosbeheer. Waar de naam 'Spaanse kerkhof' vandaan komt is onbekend, met de Spanjaarden heeft dit monument niets van doen.

afbeelding binnen de regeling

Figuur 10. Hoogtelijnenkaart Spaanse kerkhof (bron: RAAP-rapport 417 (1999)).

Thema 7 Drentsche Aa-gebied, Holtingerveld (vh Havelterberg) en veenterpenlandschap van de polder Matsloot en Roderwolde

Het Drentsche Aa-gebied, het Holtingerveld en het veenterpenlandschap van de polder Matsloot en Roderwolde zijn cultuurlandschappen waar sprake is van continuïteit en samenhang van bewoning over een langere of juist een kortere, specifieke periode. De gebieden bestaan uit clusters van waardevolle, archeologische terreinen (AMK-terreinen) liggend in zones met een groot potentieel aan verwachte archeologische waarden. De eerdergenoemde criteria (zie H. 2.1) Drentse identiteit en regionaal geschiedenisverhaal zijn voor een belangrijk deel ook van toepassing op deze grotere gebieden. Door de schaal van de gebieden laten zowel de onderlinge relaties tussen individuele vindplaatsen als de relatie tussen de vindplaatsen en het landschap zich bestuderen. Dit beantwoordt niet alleen aan de huidige onderzoeksteneur in de archeologie welke zich richt op interdisciplinaire gebiedsgerichte landschapsarcheologie (versus vindplaatsarcheologie) maar laat zich ook goed vertalen in gebiedsgericht omgevingsbeleid.Daarnaast komen in deze gebieden een groot deel en soms zelfs alle, Drentse kernkwaliteiten (natuur, landschap, cultuurhistorie, stilte, duisternis, aardkundige waarden en archeologie) samen.

Drentsche Aa-gebied

Door het kleinschalige karakter van het agrarische landschap, de omvangrijke, hoogwaardige natuurgebieden en de geringe ruimtelijke dynamiek behoort het Drentsche-Aa gebied tot de meest gave cultuurlandschappen van de provincie. Het is tevens een van de meest gave beekdal- dekzandlandschappen van Noordwest-Europa. Binnen het gebied is een variatie aan landschapstypen aanwezig die elders in Drenthe niet wordt aangetroffen. Archeologische, cultuurhistorische, aardkundige, ecologische en hydrologische waarden komen hier nog in onderlinge samenhang voor en zijn onder de noemer (historisch cultuur)landschap een grote trekpleister voor toerisme en recreatie.De prehistorische gelaagdheid van het gebied gaat terug tot de eerste bewoners van Drenthe. Nergens in het Drentse landschap is deze historische gelaagdheid nog zo goed zichtbaar als in dit gebied. In het Drentsche Aa-gebied zijn talrijke archeologische monumenten aanwezig, zoals grafheuvelclusters, offerveentjes, hunebedden, karrensporen en Celtic fields (zie ook de thema's 1 t/m 4 en 10). Ook de bijzondere prehistorische landroute is aan de hand van deze relicten goed traceerbaar. Achter de 'hoge archeologische verwachting' van de essen in het gebied gaan de voor de archeologie zo onschatbare 'afgedekte landschappen' schuil, waarvan verwacht wordt dat ze een grote mate van fysieke gaafheid kennen (zie hieronder). De andere delen van het gebied, waaronder de beekdalen, kennen een hoge archeologische verwachting. Het ca. 300 ha grote gebied De Strubben-Kniphorstbos betreft een archeologisch rijksmonument, dat te boek staat als het eerste 'archeologische reservaat' van Nederland. Het gebied kent een grote tijdsdiepte: van hunebedden, grafheuvels, karrensporen, galgenbergen tot bomkraters.Het Drentse Aa-gebied is daarmee een uniek gebied waar alle kernkwaliteiten van Drenthe samenkomen. Het is dan ook benoemd tot Nationaal Park.

afbeelding binnen de regeling

Figuur 11. Strubben/Kniphorstbos (bron: RCE).

Holtingerveld (vh Havelterberg)

De Havelterberg is een prominente stuwwal met een gem. hoogte van 25 m NAP (max. hoogte 19 m) die is ontstaan in de Saale ijstijd toen het landijs uit het noordoosten Nederland binnenkwam. De bewoningsgeschiedenis van het Holtingerveld gaat terug tot het paleolithicum. Naast grote aardkundige waarde bezit het ca. 1200 ha grote natuurgebied en militair oefenterrein hoge archeologische waarden en verwachtingen, met een grote tijdsdiepte en onderlinge samenhang. Net als het Drentsche Aa-gebied laat de historische gelaagdheid zich nog goed aan het landschap aflezen door de vele zichtbare archeologische relicten, waaronder de hunebedden D53 en D54, een Celtic field met herkenbaar grafheuvelcluster en de restanten van Fliegerhorst Havelte, een door de Duitsers aangelegd WOII-vliegveld (zie ook thema 12 hieronder). Bijzonder is ook de vondst van laat-paleolithische Hamburgcultuurwerktuigen, waaronder Haveltespitsen. Daarnaast zijn er ook aanwijzingen voor mesolithische kampementen.

afbeelding binnen de regeling

Figuur 12. Haveltespits (bron: RMO)

Veenterpenlandschap polder Matsloot-Roderwolde

Veenterpen zijn kleine, terpachtige verhogingen in het veenweidegebied waar vroeger huisplaatsen aanwezig waren. Ze zijn te vinden in de veengebieden ten zuidwesten van Groningen-stad en liggen ingeklemd tussen het Peizer- en Eelderdiep in hun oorspronkelijke middeleeuwse ontginningslandschap.

Het zijn voor Nederland (en in Noordwest-Europees verband) unieke vertegenwoordigers van een middeleeuws ontginningslandschap. De veenterpen (of liever gezegd huisplaatsen, want de meesten hebben geen opgeworpen terplichaam) zijn ontstaan in de late 10de eeuw. De basis van de huisplaatsen bestond uit een ettelijke decimeters dikke lemen of kleivloer. Doordat deze minder inklonk dan het omringende veen kwamen de huisplaatsen als een soort verhoogde wierde of terp in het landschap te liggen. Rondom waren sloten ter ontwatering gegraven. De huisplaatsen dienden als basis voor het boerenbedrijf (veehouderij) en veenontginning. De eerste bewoningsperiode loopt tot in de 14de eeuw. Vanaf die tijd zal het gebied waarschijnlijk te nat zijn geweest om geschikt te zijn voor bewoning of gebruik. Pas in de 16de eeuw zijn er een aantal dappere boeren die het aandurfden om het gebied de Onlanden weer te gaan gebruiken. Er worden nieuwe huisplaatsen ingericht en nieuwe sloten gegraven. De typerende middeleeuwse kavelstructuur door middel van sloten is ook nu nog goed herkenbaar in het landschap. Het gebied blijft tot in de 19e eeuw in gebruik, waarna het definitief wordt opgegeven en alleen nog als veenweide- en maaigebied in gebruik blijft.Het gebied met de grootste dichtheid aan huisplaatsen (Peizerweering en het noordelijke deel van de Weeringsbroeken) is aangewezen als archeologisch rijksmonument.

Tijdens archeologisch onderzoek (door het Groninger Instituut voor Archeologie van de Rijksuniversiteit Groningen) in het kader van de inrichting van het gebied voor waterberging zijn verschillende huisplaatsen onderzocht. Het grootste aangetroffen gebouw mat 17 x 5,5 m. De huisplaatsen zijn een uniek restant van een middeleeuwse verkavelings- en ontginningsstructuur en worden daarom zoveel als mogelijk in situ behouden. Omdat de veranderende landschappelijke situatie van de Onlanden niet zonder risico is voor de huisplaatsen, is een selectie gemaakt van 8 representatieve huisplaatsen die door afdekking met een dik folie worden beschermd tegen ongewenste rietgroei. Daarnaast worden enkele van de bijzondere huisplaatsen, waaronder ook vier afgedekte, gemonitord om inzicht te verkrijgen in de conservering en kwaliteit van de aanwezige archeologische resten, en in de effecten van de omgevingsveranderingen (zoals bijvoorbeeld de vernatting en veranderende vegetatie). Het onderzoek wordt uitgevoerd door Wageningen University & Research en een archeologisch bedrijf in opdracht van de provincie en het Waterschap Noorderzijlvest en eindigt medio 2021.

Thema 8 Essen en beekdalen

Bij beekdalen en essen gaat het om afgedekte landschappen met een hoge, potentiële kwaliteit en informatiewaarde. Ze kennen vaak een enorme tijdsdiepte en de vondsten zijn goed geconserveerd hetzij door het aanwezige plaggendek, hetzij door de veen- en beeksedimenten. Beide typen landschappen bieden de mogelijkheid tot interdisciplinaire landschapsarcheologie.

Essen

De geografische spreiding van essen beslaat een groot deel van de provincie. Hierdoor zijn ze bij uitstek representatief voor de beschrijving van de regionale geschiedenis van Drenthe. Aan de hand van de onder de essen verscholen (potentiële) archeologie is een samenhangend beeld van de ontwikkelingsgeschiedenis van Drenthe te krijgen. Alle, tot dusver uitgevoerde grootschalige opgravingen op Drentse essen zijn van grote betekenis geweest voor zowel de regionale als de landelijke geschiedschrijving. Het onlangs (2019) uitgevoerde onderzoek op een aantal essen bij Dalen in het kader van de gedeeltelijke verdubbeling van de provinciale weg N34, lijkt daarop geen uitzondering te zijn.

Beekdalen

In beekdalen is er kans op het aantreffen van rituele deposities, afvaldumps, voorden, bruggen, steigers, watermolens en gegraven waterwerken, zgn. off-site archeologie. Ook is er kans dat op zandkoppen in het beekdal nog resten van kampementen van jagers en verzamelaars uit de steentijd (paleolithicum en mesolithicum) aanwezig zijn.Omdat de archeologische waarden die in beekdalen kunnen worden aangetroffen qua betekenis en conservering vrijwel altijd van regionale of landelijke betekenis zijn, zijn alle Drentse beekdalen benoemd als kernkwaliteit archeologie. Daaraan is een onderzoeksverplichting verbonden die de afgelopen jaren belangrijke resultaten heeft opgeleverd. Zo zijn er verschillende veenwegen, voorde-locaties, rituele deposities en andere aan water gerelateerde fenomenen aangetroffen.

Thema 9 Veenwegen

Een veenweg is een door mensen aangelegde (meestal houten) weg door een moeras-/veengebied. De wegen zijn gemaakt van stammetjes, al dan niet gekloofd, planken of soms van een combinatie van beiden. In Drenthe is een aantal van dergelijke wegen bekend. De oudst bekende weg stamt uit het midden-neolithicum (Smeulbrandenweg Valthe), de jongste, stenen, veenweg dateert uit de middeleeuwen (Buinen en Bronneger).

afbeelding binnen de regeling

Figuur 13: Veenweg met archeoloog G.J. Landweer, Valtherbrug 1892 (bron: www. Canonvannederland.nl; collectie Drents Museum).

Uit onderzoek is gebleken dat veenwegen, naast de mogelijkheid om met droge voeten van a naar b, door het drassige gebied, te komen, ook een rituele betekenis hebben gehad. Een voorbeeld daarvan is de laat-neolithische weg bij Nieuw-Dordrecht, een archeologisch rijksmonument. De weg is aangelegd door mensen van de Enkelgrafcultuur (2800 – 2400 v Chr.). Langs deze weg zijn houten voorwerpen gevonden. Deze voorwerpen lijken bewust naast de weg gedeponeerd en dat zou kunnen wijzen op een speciale betekenis van de weg. Een andere indicatie voor primair ritueel gebruik is het feit dat de constructie van de weg niet stevig genoeg lijkt om geschikt te zijn geweest voor zwaar transport.

Veenwegen zijn van provinciaal (en zelfs van nationaal) belang omdat ze zeldzaam en kwetsbaar zijn. Ze hadden verschillende functies en zijn karakteristiek voor het Drents veenlandschap.

Geselecteerde veenwegen:

  • a.

    Valtherbrug I

  • b.

    Buinen stenen voetpad XI

  • c.

    Buinerbrug XII

  • d.

    Emmerschans hordenweg XIV

  • e.

    Bargeroosterveld-Emmererfscheidenveen noordelijk planken voetpad XV

  • f.

    Bargeroosterveld zuidelijk planken voetpad XVII

  • g.

    Nieuw Dordrecht XXI

  • h.

    Keienweg van Bronneger XXVII

  • i.

    Exloo-Holle Landen XXVIII

  • j.

    Suermondswijk Pelincks weg I

  • k.

    De Slokkert

  • l.

    Winder Diepje

  • m.

    Wold Aa

Thema 10 Karrensporen

Karrensporen zijn de zichtbare overblijfselen van oude routes. Ze stammen uit de middeleeuwen, maar gaan waarschijnlijk nog veel verder terug. Er ontstonden brede systemen of bundels, onder andere door het intensieve gebruik van de routes door karren met verschillende spoorbreedtes. Ook door het telkens zoeken naar de meest ideale wegomstandigheden werd het systeem steeds breder.

Door recent onderzoek in opdracht van de provincie is via onder andere een AHN-analyse gebleken dat er veel meer karrenspoorsystemen in Drenthe bewaard zijn gebleven dan tot nu toe werd gedacht. De bundels van de verschillende routes zijn goed te volgen. Zij zijn representanten van, onder andere, de lange, interregionale noord-zuidroute over de Hondsrug maar ook van lokale verbindingen tussen de Drentse esdorpen. Het uitgevoerde onderzoek voegt de versnipperde kennis samen en geeft een goed overzicht van alles wat er tot nu toe bekend was over de karrensporen. Het levert ook nieuwe sporen op. Voor bijvoorbeeld het Drentse Aa-gebied betekent dit dat er een nieuwe laag bij komt en dat geeft een nog grotere tijdsdiepte.De sporen worden als Kernkwaliteit Archeologie opgenomen met een bufferzone van 3 m ten weerszijde. Dit om eventuele met de karrensporen samenhangende fenomenen mee te beschermen.

Niet alle karrensporen en karrenspoorbundels zijn geselecteerd als Kernkwaliteit Archeologie. Bij de selectie is met name gekeken naar de criteria representativiteit: de interregionale routes, gekenmerkt door een sterke concentratie karrensporen, en daarnaast de diffusere karrensporen, overblijfselen van de pre-industriele lokale infrastructuur. Het behoud van de karrensporen in natuurgebieden wordt als kansrijk gezien. In de selectie zitten daarom met name karrensporen die over grotere afstanden te volgen zijn, in aaneengesloten natuurgebieden.

Het betreft de karrensporen en karrenspoorbundels in de volgende natuurgebieden (globale aanduidingen):

  • Noordsche veld ten noorden van Zeijen;

  • De Vijftig Bunder ten noordwesten van Zuidlaren;

  • ten oosten van Zeegse en ten noorden van Oudemolen;

  • de Strubben/Kniphorstbosch;

  • tussen de Schapendrift en het Schipborgsche Diep en ten noorden van Gasteren;

  • Balloërveld;

  • landgoed Terborgh;

  • Drouwenerzand;

  • Gietenerveld/Gasselterveld/Drouwenerveld tot in het Grolloërveld westelijk van Meindersveen;

  • Schoonloërveld/Boswachterij Schoonlo;

  • Buinerveld/Boswachterij Exloo;

  • Boswachterij ten noorden en westen van Schoonoord;

  • Boswachterij Sleenerzand;

  • Valtherbosch;

  • Noordbargerbosch;

  • Mepperdennen;

  • Lheederzand/Dwingeloosche Heide/Benderse Heide/Kraloër heide;

  • Het Schier/HavelterbergHoltingerveld/Uffelterzand/Westerzand/ Oosterzand;

  • Wapserzand/Dieverzand/Berkenheuvel/Boschoord(oost)/Boswachterij Appelscha.

Meer kennis over de karrensporen biedt toeristisch/recreatieve mogelijkheden, bijvoorbeeld: wandel in de voetsporen van de middeleeuwen.

Omdat de karrensporenbundels die over de Hondsrug lopen in feite de prehistorische route volgen, laten we de prehistorische route zoals we die eerder hebben aangegeven als een lange lijn met een breedte van 100 m, vervallen als thema binnen de Kernkwaliteit Archeologie.

Thema 11 Voordenlocaties

De voorden (oversteekplaatsen) vormen bijzonder kansrijke locaties binnen beekdalen. Zij liggen doorgaans binnen de gekarteerde beekdalen, en sporadisch in natte laagten die op de gemeentelijke archeologische kaarten niet als beekdal zijn geïnterpreteerd.

Voorden kenmerken zich door kleine houtconstructies, keienconcentraties en een enkele, verloren, vondst. Alle contouren van de voordenzones zijn overgenomen uit Van der Veen & Ten Anscher 2019 (kaartbijlagen 1 en 2). Dit beeld wijkt op verschillende plekken af van het beeld zoals opgenomen op gemeentelijke kaarten. Voor de POV zijn de beekdalcontouren overgenomen van de gemeentelijke kaarten. Dit houdt in dat de voordenzones waar nodig kleiner zijn geworden, niet groter.

Thema 12 Archeologisch erfgoed van de Tweede Wereldoorlog

Tweede Wereldoorlog erfgoed is jong erfgoed met een directe link naar onze recente geschiedenis. De locaties die zijn benoemd als Kernkwaliteit Archeologie zijn betekenisvolle plekken waaraan verhalen zijn verbonden. Aandacht voor dit jonge erfgoed is nodig omdat er veel belangstelling is voor authentieke overblijfselen uit die tijd, hetgeen zich uit in ondeskundige schatgraverij. Juist het zichtbaar en beleefbaar maken draagt bij aan bewustwording en draagvlakvergroting voor het beschermen van dit bijzondere erfgoed. Uitgangspunten voor onderstaande selectie zijn, in verschillende combinaties: betrouwbare kartering, het inhoudelijk belang, zeldzaamheid (in provinciaal, en ook national perspectief), representativiteit, relatieve gaafheid, informatiewaarde, emotionele waarde, zichtbaarheid, archeologische component en extensief (terrein)gebruik. Het gaat daarbij om zowel civiel als militair erfgoed.

Het gaat om de volgende locaties:

  • a.

    Durchgangslager Kamp Westerbork, inclusief de buiten het eigenlijke kamp gelegen, bijbehorende structuren en elementen, waaronder kamp Hooghalen-Heidelager.

  • b.

    Een selectie van werkkampen, te weten:Kamp Havelte, Kamp Gasselte-Dobbendal, Kamp Schoonloo (Elp), Kamp Orvelte, Kamp Odoorn, Kamp Vledder, Kamp ten Arlo, Kamp Echten en Kamp Diever B

De waarde van deze (kamp)terreinen ligt in het feit dat ze verschillende gebruiksfasen kennen en diep verweven zijn met de donkere en beladen kant van onze recente geschiedenis. De kampen zijn in eerste instantie aangelegd vanuit de werkverschaffing in de jaren '30 van de vorige eeuw, vervolgens in gebruik genomen als Joods werkkamp, NAD kamp (Nederlandse Arbeids Dienst), na de oorlog werden ze gebruikt voor de internering van krijgsgevangenen en NSB-ers, in de jaren '50/'60 van de vorige eeuw als opvangkamp en huisvesting voor gerepatrieerden en vluchtelingen uit voormalig Nederlands-Indië (Molukse kampen) en in sommige gevallen in de laatste gebruiksfase voor de huisvesting van Turkse gastarbeiders.

  • c.

    Fliegerhorst Havelte (Flugplatz Steenwijk), waarmee het Tweede Wereldoorlog erfgoed binnen de kernkwaliteit Holtingerveld wordt beschermd en een expliciet aandachtspunt wordt. De Fliegerhorst wordt ook genoemd als zijnde van groot belang in de publicatie Op verkenning 2.0. Twee eeuwen militair erfgoed in het vizier, van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed uit 2019.

  • d.

    Radiopeil en radarstation Marder: de betonnen pijler van de radarschotel

  • e.

    Betonnen kazematten van de Nederlandse verdedigingslinies

  • f.

    Frieslandriegel: alle op het AHN te onderscheiden lijnelementen zoals loopgraven en anti-tankgrachten (voor zover gelegen in natuurgebieden) en alle resterende betonnen restanten van bunkers en geschutopstellingen die een integraal onderdeel vormen van de Frieslandriegel

  • g.

    Onderduikersholen Anloo (K18) en Schonewille.

afbeelding binnen de regeling

Figuur 14. Onderduikershol zoals dat er in de Tweede Wereldoorlog uit zag. Duidelijk te zien is het klapraam dat boven de deur gemaakt was (still uit video, bron: www.dvhn.nl).

afbeelding binnen de regeling

Figuur 15. Betonnen peiler van de radarschotel radiopeil en radarstation Marder , Ter Arlo (bron: https://www.bunkerinfo.nl/2013/01/fumg-marder.html)

Hoofdstuk 3. Kernkwaliteit Archeologie: beleid, werkingsgebieden en regels in de Provinciale Omgevings Verordening 2021

De essentie die ten grondslag ligt aan ons beleid is dat het oorspronkelijk aanwezige bodemarchief slechts zeer incompleet bewaard is gebleven. Organische materialen zijn vergaan, grondsporen zijn vervaagd en vindplaatsen zijn geërodeerd of door menselijk ingrijpen verdwenen. Dat wat er nu nog van over is, is maar een fractie van wat er ooit in de bodem aanwezig was. Om erachter te komen wie we zijn, en waar we vandaan komen, moeten we daar zorgvuldig mee omgaan.

3.1 Provinciaal beleid archeologie (samenvatting vigerende Provinciale Omgevingsvisie Drenthe en Cultuurnota provincie Drenthe)

Het Provinciaal omgevingsbeleid voor de Kernkwaliteit Archeologie richt zich zowel op instandhouding en bescherming van het bodemarchief als op het ontsluiten, beleven en benutten ervan door een zo groot mogelijk publiek. Vanuit ons Cultuurbeleid, zoals dat is neergelegd in eerdere Cultuurnota's en de vigerende provinciale Cultuurnota (2021-2024), voeren wij onze wettelijke taak als (mede) depothouder van het Noordelijk Archeologisch Depot uit en vullen we ons ruimtelijk archeologiebeleid aan door actief in te zetten op meer participatie van alle partners, gemeenten, burgers en organisaties in de archeologische monumentenzorg. Daarbij speelt samenwerking langs drie lijnen: beleid, kennis en publieksontsluiting, een belangrijke rol.

Samenvattend zijn onze ruimtelijke (en culturele) uitgangspunten:

  • Het in de bodem bewaren (behoud in situ) van waardevol archeologisch erfgoed of, als dat niet mogelijk is, het opgraven en duurzaam veiligstellen (behoud ex situ) van de vondsten en opgravingsdocumentatie in het Noordelijk Archeologisch Depot te Nuis;

  • Het begeleiden van en zorg dragen voor een goede en verantwoorde wijze van uitvoering van archeologisch onderzoek in Drenthe;

  • Het stimuleren van de ontwikkeling en de ontsluiting van het 'archeologische verhaal' van Drenthe.

  • Het bijdragen aan de versterking van de omgevingskwaliteit en identiteit van Drenthe. Dit doen we door het vroegtijdig inbrengen en (laten) meewegen van de Kernkwaliteit archeologie voor betekenisgeving aan ruimtelijke opgaven en plan- en ontwerpprocessen van bovenlokaal niveau.

3.2 Werkingsgebieden Kernkwaliteit archeologie POV 2021

De (kaart) Kernkwaliteit archeologie (zie figuur 16) kent drie werkingsgebieden:

  • a.

    Waarde Archeologie-1: Het gaat hierbij om bekende archeologische monumenten/waarden: alle Drentse hunebedden en zekere Celtic fields; een selectie van grafheuvelgroepen en grafvelden, de aangetoonde middeleeuwse veenterpen/huisplaatsen in de Onlanden, voldoende zekere tracés van veenwegen, offerveentjes, nederzettingsterreinen, de karrenspoorbundels; het Spaans kerkhof bij Norg; de Valtherschans en de schans Portugal bij Een; de middeleeuwse spieker van Lhee en een selectie van erfgoed van de Tweede Wereldoorlog.

  • b.

    Waarde Archeologie -2 Het gaat hierbij om de middeleeuwse kernen van Meppel en Coevorden.

  • c.

    Waarde Archeologie-3 Het gaat hierbij om archeologische verwachtingsgebieden/verwachte archeologisch monumenten: alle Drentse essen, beekdalen, inclusief voordenzones en mogelijke Celtic fields; het Drentsche Aa- gebied; het Holtingerveld (vh Havelterberg); verwachte tracétrajecten van veenwegen en de veenterpen/huisplaatsen verwachtingsgebieden (omringende gebieden) van de Onlanden.

afbeelding binnen de regeling

Figuur 16. RAAP beleidskaart/werkingsgebieden archeologie.

3.3 Toelichting werkingsgebieden Kernkwaliteit Archeologie

Het beschermingsbeleid dat wij aan de Kernkwaliteit Archeologie koppelen en dat in de regels bij de werkingsgebieden Waarde Archeologie1 t/m 3 staat beschreven, is binnen een eerdere Culturele Alliantie van 2009-2012/13 in samenwerking met de gemeenten en LTO Noord uitgewerkt ten behoeve van de eerste reeks gemeentelijke archeologiekaarten (zie bijlage 7, Convenant LTO Noord, gemeenten en provincie). Voor de omgang met de Kernkwaliteit Archeologie is deze eerste versie van de gemeentelijke archeologiekaarten in alle opeenvolgende Provinciale Omgevingsvisies en Verordeningen leidend geweest. Niet voor alle bodemingrepen is archeologisch onderzoek vereist. Dit hangt af van de omvang en aard van de ingreep, de waarde en verwachting van de locatie en de daar geldende onderzoeksvrijstellingsgrens. Wij hanteren voor de verschillende typen archeologische waarden en verwachtingen de volgende uitgangspunten:

Werkingsgebied Waarde Archeologie-1: Voor de bekende archeologische waarden die behoren tot de Kernkwaliteit Archeologie hanteren wij het uitgangspunt dat ze in situ (in het landschap/de bodem) behouden moeten blijven voor toekomstige generaties. Alleen in geval van zwaarwegende, maatschappelijke belangen en het ontbreken van alternatieven voor behoud in situ kan hiervan worden afgeweken.

Werkingsgebied Waarde Archeologie-2: Hoewel het om bekende archeologische waarden gaat, wordt voor de historische kernen van Coevorden en Meppel een uitzondering gemaakt op het principe behoud in situ. De hier aanwezige archeologische waarden zijn weliswaar van grote regionale waarde maar vanwege de ruimtelijke dynamiek is behoud in situ hier meestal niet haalbaar. Wij sturen in dit geval samen met de gemeenten op de uitvoering van goed onderzoek.

Werkingsgebied Waarde Archeologie-3: In archeologische verwachtingsgebieden die deel uitmaken van dit Werkingsgebied sturen wij bij ruimtelijke ontwikkelingen die gepaard gaan met bodemingrepen op het uitvoeren van goed archeologisch onderzoek. Daarbij hanteren wij een horizontale onderzoeksvrijstellingsgrens van maximaal 1000 m2, tenzij binnen 50 m van de bodemingrepen een bekende archeologische vindplaats ligt, en een verticale onderzoeksvrijstelling van 30 cm plus 10 cm niet-kerend woelen. Dit is in lijn met de maximale onderzoeksvrijstellingen die door de Drentse gemeenten in hun archeologiebeleid worden gehanteerd en gebaseerd op de afspraken in het Convenant tussen LTO Noord, de gemeenten en de provincie over de omgang met archeologische waarden in agrarisch gebruik. Er is een uitzondering als het gaat om de verticale vrijstelling van 30 cm, die staat voor de gemiddelde bouwvoor in Drenthe. Natuurgebieden zoals heidevelden hebben vaak geen of beperkt agrarisch gebruik gekend dat gepaard ging met omzetting van de bodem. In deze gebieden is dan ook in de regel geen bouwvoor van 30 cm aanwezig, maar liggen de archeologische waarden direct onder het maaiveld. Voor deze gebieden, zonder bouwvoor, geldt voor de Kernkwaliteit Archeologie géén verticale onderzoeksvrijstellingsgrens.

Een tweede uitzondering geldt voor de voordenlocaties in de beekdalen. Als hier een horizontale vrijstelling van 1000 m2 zou worden gehanteerd is de kans klein dat er nog overblijfselen van deze oversteekplaatsen zullen worden aangetroffen. Zij kenmerken zich immers door kleine houtconstructies, keienconcentraties en een enkele, verloren, vondst. Wij volgen hierin het onderzoeksadvies van archeologisch Bureau RAAP (Van der Veen & Ten Anscher 2019). Indien het gemeentelijke beleid op deze locaties wel een vrijstelling van 1000 m2 toestaat, vragen wij om overleg. Voor behoudenswaardige bekende en/of nieuw ontdekte vindplaatsen in Drenthe wordt het generieke uitgangspunt gehanteerd dat deze archeologische waarden niet ongezien kunnen verdwijnen. Bij ruimtelijke planprocessen en ontwerpopgaven wordt actief en creatief gestimuleerd om de archeologische waarden te gebruiken als bouwsteen voor omgevingskwaliteit. Dit generieke uitgangspunt heeft geen doorwerking in de POV.

De directe uitwerking van onze sturing is dat wij vroegtijdig in het planvormingsproces met de bevoegde overheid inzake de archeologie (meestal de gemeenten) aan tafel willen zitten om het eventueel noodzakelijke archeologische onderzoek met elkaar af te stemmen. De afgelopen jaren is gebleken dat dit een werkbaar proces is met als uitgangspunt dat afstemming leidt tot een gezamenlijke koers. Bij het bepalen van de meeste geschikte onderzoeksvorm, zijn altijd de in de archeologische beroepsgroep geldende kwaliteitsnormen en procesafspraken, zoals vastgelegd in de vigerende versies van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en de Beoordelingsrichtlijn Archeologie (BRL Archeologie) het (minimum) uitgangspunt.

Hoofdstuk 4. Verantwoording technische aanpassing van de geselecteerde locaties/terreinen (waarden) en gebieden (verwachtingen) Kernkwaliteit Archeologie provincie Drenthe

Bijdrage van RAAP Archeologisch Adviesbureau: dr. T.J. ten Anscher (tekst en coördinatie), E.A. de Graaf BA., R. Nillisen MA & S. van der Veen MA (GIS-werkzaamheden); zie ook bijlagen 1-6: Excel verantwoordingstabellen)

4.1 Inleiding

Deze verantwoording betreft een technische aanpassing van de provinciale kaarten Kernkwaliteit Archeologie. Op de kaarten met de Kernkwaliteit Archeologie die horen bij de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe 2018 zijn sommige archeologische terreinen en gebieden als vlakken weergegeven. Echter, veel andere zijn als indicatieve stippen aangegeven (met centrumcoördinaten van uiteenlopende nauwkeurigheid) of, in een enkel geval zoals bij de route van de vermoedelijke prehistorische weg, als lijn. De stippen en de lijn zijn in het kader van de onderhavige DSO-actualisatie omgezet naar vlakken. Van alle vlakken wordt in deze verantwoording aangegeven waar deze op berusten of hoe zij tot stand gekomen zijn. Ook voor de al bestaande vlakken is dit gedaan.Als de vlakken afwijken van die in de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe 2018, gaat het om vlakken die ontleend zijn aan eerdere, thematische actualisaties die in opdracht van de provincie de afgelopen jaren uitgevoerd zijn. Die actualisaties waren nodig als gevolg van voortschrijdend inzicht, nieuwe ontdekkingen en nieuwe ontwikkelingen zoals het beschikbaar komen van een verbeterde versie van het Actuele Hoogtebestand Nederland (AHN) en satellietbeelden. Met de onderhavige actualisatie is de Kernkwaliteit Archeologie ruimtelijk up to date gemaakt.

Kernkwaliteit Archeologie: thema's

Door de provinciaal archeologen van Drenthe zijn in 2008 per thema lijsten opgesteld van de specifieke objecten/terreinen en gebieden die tot de Kernkwaliteit Archeologie (de provinciale archeologische hoofdstructuur) behoren. Die objecten/terreinen en gebieden zijn vervolgens verwerkt in de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaarten die zijn gemaakt tijdens de eerste Culturele Alliantie tussen alle 12 gemeenten en de provincie Drenthe van 2009-2012/13. Op die kaarten is de Kernkwaliteit Archeologie visueel (door middel van een rode contour) en in tekst aangeduid als provinciaal archeologisch belang. De ruimtelijke verantwoording van de locaties, terreinen en gebieden die tot de Kernkwaliteit Archeologie behoren, wordt per onderscheiden thema weergegeven. De thema's zijn:

  • Hunebedden (Excel tabel 1)

  • Grafheuvelgroepen en grafvelden (Excel tabel 2)

  • Offerveentjes(Excel tabel 3)

  • Zekere en mogelijke Celtic fields

  • Middeleeuwse kernen Coevorden, Meppel (Excel tabel 4)

  • Nederzettingen, Spaans kerkhof, schansen (Excel tabel 5)

  • Drentsche Aa-gebied, Holtingerveld (Havelterberg) en het veenterpenlandschap van de polder Matsloot-Roderwolde

  • Essen en beekdalen inclusief voorden

  • Veenwegen (Excel tabel 6)

  • Karrensporen

  • Voordenlocaties

  • Archeologisch erfgoed van de Tweede Wereldoorlog

De lijsten en beschrijving van de provinciaal-archeologen A. Mars en W.A.B. van de Sanden (2008) zijn gebruikt als basis en als controle op compleetheid.Voor de objecten/terreinen die horen bij de thema's 1 t/m 3, 5, 6 en 8 (essen) zijn slechts enkele correcties noodzakelijk gebleken. Dat geldt ook voor de thema's 7 (Drentsche Aa-gebied en het Holtingerveld). Deze bestaan uit het aanvullen van kleine omissies (bij thema 2), het afvoeren van een enkel terrein na in de afgelopen jaren uitgevoerd archeologisch veldonderzoek en het beter begrenzen van een aantal terreinen (alle thema 6).

De afgelopen jaren zijn de thema's 4, 7 (veenterpenlandschap polder Matsloot-Roderwolde), en 11 (voordenlocaties) al geactualiseerd op basis van nieuwe onderzoeksmethoden en resultaten van nieuw archeologisch veldonderzoek. In opdracht van de Provincie kon het Drentse bestand aan Celtic fields (thema 4) via nieuwe hulpmiddelen – zeer nauwkeurige hoogtemetingen van het maaiveld (Actueel Hoogtebestand Nederland 2) en satellietbeelden – onlangs geactualiseerd worden (Van der Veen & Ten Anscher 2018). In het kader van diezelfde opdracht zijn met behulp van de genoemde hulpmiddelen tevens de nog resterende Drentse karrensporen geïnventariseerd (Van der Veen & Ten Anscher 2018; thema 10). Naar de zeer kwetsbare karrensporen was eerder nog nauwelijks onderzoek gedaan, met als gevolg dat tot nog toe slechts twee bekende terreinen met karrenspoorbundels als provinciaal belang archeologie waren aangemerkt.Het oude beeld van het zogenaamde veenterpenlandschap in het noordwesten van de provincie, de Onlanden (thema 7 ) kon geactualiseerd worden dankzij archeologisch veldonderzoek in het kader van de inrichting van het gebied voor waterberging en natte natuur. Dit onderzoek stond onder leiding van de Rijksuniversiteit Groningen en is mede in opdracht van de Provincie uitgevoerd (Nicolay (red.) 2018).

In opdracht van de Provincie is bovendien een inventarisatie gemaakt van de Drentse voordenlocaties (thema 11); archeologisch extra kansrijke zones in beekdalen (Van der Veen & Ten Anscher 2019). Veenwegen (thema 9) worden in de tekst van de provinciale Omgevingsvisie genoemd als Kernkwaliteit Archeologie (zie 4.2.4.1.1.2 Beschermingsniveau 2: bekende archeologische waarden: behoud in situ), maar hebben vanwege hun complexiteit nog geen systematische, gedetailleerde ruimtelijke uitwerking gekregen. Dit is nu wel gedaan voor de veenwegen waarvan (waarschijnlijk) nog restanten over zijn en die goed te karteren zijn. Een actueel onderwerp is het archeologische erfgoed van de Tweede Wereldoorlog (thema 12). In opdracht van de provincie zijn in 2019-2020 de elementen geïnventariseerd die tot de belangrijkste WO2-thema's behoren en een ruimtelijk-archeologische component bezitten Zij zijn verwerkt in een interactieve, digitale kaart (Ten Anscher, Van Popta & Scholte Lubberink 2020).

Verantwoording per thema Hieronder wordt per thema aangegeven waar de contouren/vlakken van de objecten, terreinen en gebieden die tot de Kernkwaliteit Archeologie behoren, op berusten. Hierbij zijn zoveel mogelijk de basisbronnen als uitgangspunt gebruikt.

1. Hunebedden (werkingsgebied Waarde Archeologie-1)Alle vlakken van de hunebedterreinen (met nog bestaande hunebedden) zijn afkomstig uit Archis3, de landelijke digitale archeologische databank die beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed te Amersfoort (RCE; http//:www.archis.cultureelerfgoed.nl). Op vier na (2020) zijn alle hunebedden/hunebedterreinen Rijksmonumenten. Voor deze Rijksbeschermde hunebedden zijn de vlakken overgenomen die via het Archis3- tabblad `Archeologische Rijkmonumenten` getoond worden. Deze vlakken/terreincontouren komen overeen met die in de formele aanwijzingen tot Rijksmonument (mondelinge mededeling drs. A. Sloos, RCE). Voor de gemeentelijke archeologische beleidskaarten daarentegen zijn steeds de contouren gebruikt van de zogenaamde AMK-terreinen (AMK=Archeologische Monumenten Kaart Drenthe). Hoewel de basis voor de gemeentelijke archeologiekaarten, wordt de AMK sinds 2014 helaas niet meer actueel gehouden door de RCE. Veel AMK-terreinen hebben dezelfde contouren als de Rijksmonumenten, maar dit is niet altijd het geval: de Rijksbeschermde terreinen van de hunebedden D3, D6, D9, D10, D12, D13, D15 t/m D18, D23, D26 t/m D31, D35, D38, D43, D45-D47 en D50-52 zijn afwijkend. Op de gemeentelijke archeologische beleidskaarten zijn deze terreinen dus (enigszins) anders begrensd. De hunebedden D32, D34, D36 en D37 zijn (nog) geen Rijksmonumenten. Voor hun terreinen zijn de contouren van de AMK-terreinen overgenomen. Die zijn nog steeds in Archis3 te vinden. Weliswaar kan niet meer direct op niet-Rijksbeschermde AMK-nummers gezocht worden, maar als men toch op de oude manier (de Archis2-manier) de AMK zou willen raadplegen, dan kan men de AMK-bronbestanden en de handleiding downloaden, zie hiervoor: https://www.cultureelerfgoed.nl/onderwerpen/bronnen-en-kaarten/documenten/publicaties/2018/01/01/bronbestanden-archeologische-kaart

Voor de hunebedden D32, D34, D36 en D37 zijn de contouren van de AMK-terreinen overgenomen.In Archis3 kan niet meer direct op niet-Rijksbeschermde AMK-nummers gezocht worden, maar de AMK-bronbestanden en de handleiding zijn via de volgende link nog te downloaden: https://www.cultureelerfgoed.nl/onderwerpen/bronnen-en-kaarten/documenten/publicaties/2018/01/01/bronbestanden-archeologische-kaart . Bij hunebed D14 bij Eexterhalte in de gemeente Aa en Hunze, is het hunebedterrein (een Rijksmonument) vergroot met een omringend AMK-terrein (geen Rijksmonument). Dat laatste terrein behoort dus ook tot het hunebedterrein van D14. Zie ook Excel bijlage 1.

2. Grafheuvelgroepen en grafvelden (werkingsgebied Waarde Archeologie-1) Op een uitzondering na zijn de vlakken van de grafheuvelgroepen/grafvelden uit Archis3 overgenomen. Het zijn de vlakken van de oude AMK-terreinen of, in een tiental gevallen, van Rijksmonumenten. In bijlage 2 zijn bij nr. 7 en bij nr. 16 niet de tientallen zaakidentificatienummers opgenomen die op individuele grafheuvels betrekking hebben, aangezien het in beide gevallen om rijksmonumenten gaat. De bijbehorende Rijksmonumentnummers verschaffen al een directe ingang in Archis3. Alleen de Rijksmonument-vlakken van de grafheuvelgroepen nr. 3. Tonckensbos en nr. 6. Evertsbos wijken enigszins af van de desbetreffende AMK-vlakken, die voor de gemeentelijke archeologische beleidskaart gevolgd zijn.Eén grafveld, De Bloemert te Midlaren (Excel bijlage 2, nummer 17), is geen AMK-terrein. Het rechthoekige terrein dat van provinciaal archeologisch belang is, berust op Nicolay (red.) 2008, figuren 26.1 en 26.10. Het laatste figuur is een ingezoomd detail van het eerste figuur. De afgebeelde kruissleuf is bij de onderhavige actualisatie ingekaderd in een rechthoek, en vervolgens aan de oostkant aangepast aan de sloot aldaar. Er zijn bij de onderhavige actualisatie enkele AMK-terreinen toegevoegd aan bepaalde grafheuvelgroepen, omdat evident is dat zij daartoe behoren: aan nr. 6 de AMK-terreinen 106, 16055 en 16095; aan nr. 8 de AMK-terrein 16031; en aan nr. 13 AMK-terreinen 501 en 16070 (beide subgroep Valtherbos/Weerdinge) en 9624 (subgroep Valtherbos, Kamperesch/ Weerdinge). Om overlappingen te voorkomen, is bij nr. 11 (Sleenerzand Schoonoord) het AMK-terrein weggelaten dat bij hunebed D49 hoort, en bij nr. 13 (Valtherbos) het AMK-terrein van de hunebedden D38, D39 en D40.Zie ook Excel bijlage 2.

3. Offerveentjes (werkingsgebied Waarde Archeologie-1)Voor de offerveentjes zijn de contouren zoals afgebeeld op de desbetreffende gemeentelijke beleidsadvieskaarten gevolgd, met één aanpassing (bij nr.9, zie hieronder). Die contouren berusten deels op de geomorfologische kaart schaal 1:50.000 (1977), en zijn deels afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (https://ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer/).Voor nr. 9 (het veentje van Kooiker, Klijndijk) is alleen de contour volgens de geomorfologische kaart gevolgd, en niet, zoals voor de desbetreffende gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart is gedaan, een combinatie van zowel de geomorfologische begrenzing als de contour van het AMK-terrein (9610) dat deels buiten het veentje ligt. Door deze aanpassing zijn de vlakken van alle offerveentjes die behoren tot de kernkwaliteit archeologie volgens dezelfde uitgangspunten gekarteerd. Zie ook Excel bijlage 3.

4. Zekere Celtic fields (werkingsgebied Waarde Archeologie-1) en mogelijke Celtic fields (werkingsgebied Waarde Archeologie-3)Zekere Celtic fields (werkingsgebied Waarde Archeologie-1)Voor de Kernkwaliteit Archeologie zijn alle Celtic field-contouren overgenomen uit Van der Veen & Ten Anscher 2018 kaartbijlage 1, echter zonder de in kaartbijlage 1 voor de zekere Celtic fields gehanteerde 50m-buffer.Uit Van der Veen & Ten Anscher 2018 kaartbijlage 2 blijkt welke terreinen die voorheen als zeker of mogelijk Celtic field aangemerkt waren, afgevallen zijn en dus niet meer in de provinciale archeologische hoofdstructuur voorkomen. Dit wil overigens niet zeggen dat er geen andere archeologische waarden in deze gebieden of terreinen aanwezig zijn. Mogelijke Celtic fields (werkingsgebied Waarde Archeologie-3)Alle mogelijke Celtic field-contouren berusten eveneens op Van der Veen & Ten Anscher 2018, kaartbijlage 1. Er komt een enkele aanvulling bij. Op basis van een satellietbeeld (bron: triple sat 27 sept 2018) is een voorheen onbekend mogelijk Celtic field gesignaleerd onder de es van Balinge. Op het AHN2 zijn de desbetreffende structuren ook vaag te zien. Het gebied is omgeven met een rode gestippelde contour (zie figuur 17).

afbeelding binnen de regeling

Figuur 17. Mogelijk Celtic field onder de es van Balinge, links AHN2-beeld, rechts satellietbeeld.

5. Middeleeuwse kernen Coevorden en Meppel (werkingsgebied Waarde Archeologie-2)Voor de Middeleeuwse kernen van de twee Drentse plaatsen met stadsrechten, Coevorden en Meppel, zijn uit Archis3 de desbetreffende AMK-vlakken overgenomen.Zie ook Excel bijlage 4.

6. Nederzettingen, Spaans kerkhof, schansen (werkingsgebied Waarde Archeologie-1)Voor het Spaans kerkhof, de schans Portugal en de nederzettingsterreinen (met uitzondering van de spieker van Lhee en het oude Darp) zijn de desbetreffende AMK-vlakken uit Archis3 overgenomen, zie Excel bijlage 5.

-De spieker van Lhee, het oude dorpsgebied van Darp en de Valtherschans, geen van alle AMK-terreinen, waren eerder nog niet goed begrensd. Dat is nu in het kader van deze actualisatie gedaan.De keienfundering van de spieker van Lhee is blootgelegd bij een opgraving in de jaren `50 van de vorige eeuw. De fundering ligt nog steeds in situ binnen een rechthoekige depressie in het maaiveld. De depressie is op het AHN2 duidelijk zichtbaar. De contouren van de depressie zijn overgenomen als de begrenzingen van het terrein dat tot de kernkwaliteit archeologie behoort.

-De contouren van het verdwenen Darp (waarvan de restanten in 1943 gesloopt zijn bij de aanleg van het Duitse vliegveld bij Havelte) volgen de oude perceelsgrenzen van Darp, zoals aangegeven op de oudste kadastrale minuutplans van ca. 1832. Leidend hierbij was een kopie hiervan waarop door prof. dr. H.T. Waterbolk (emeritus hoogleraar prehistorie aan de Rijksuniversiteit Groningen) de contouren van het oude dorpsgebied van Darp was geschetst (zie figuur 18).

afbeelding binnen de regeling

Figuur 18. Kaart met ingetekende contouren oude dorpsgebied Darp (bron: T. Waterbolk).

- Het oostelijke deel van de omgrachting van de Valtherschans is bij grondradar- en archeologisch booronderzoek ontdekt en gekarteerd (Jans 2016). Op de figuur met het gereconstrueerde grachtenverloop (idem, fig. 16), is ter aanvulling de tekening/inmeting van A. Coucheron uit 1628 geprojecteerd (idem, fig.2) en voorzien van een buffer van 5 m, om kaartonnauwkeurigheden op te vangen. De contour van deze buffer is overgenomen. Als westelijke begrenzing is de Exloërweg genomen. De westelijke punt van de Valtherschans ligt hier nog ten westen van, in de ondergrond van perceel ODN G 3283 (Hoofdstraat 77), maar is vooralsnog niet tot de Kernkwaliteit archeologie gerekend.- Een verwachte 13e -eeuwse burchtlocatie nabij het Zuidlaardermeer, nog aanwezig in de Provinciale Omgevingsverordening 2018, is afgevoerd omdat hiervoor geen aanwijzingen gevonden zijn bij diverse archeologisch onderzoeken (Van Popta & Spiekhout 2016; Hielkema 2019; Van Popta 2019). Zie ook Excel bijlage 5.

7. Drentsche Aa-gebied (werkingsgebied Waarde Archeologie-3), Holtingerveld (werkingsgebied Waarde Archeologie-3) en het veenterpenlandschap polder Matsloot-Roderwolde (aangetoonde terpen: werkingsgebied Waarde Archeologie-1; omringend gebieden: werkingsgebied Waarde Archeologie-3)De contouren van het Drentsche Aa gebied zijn overgenomen uit de Provinciale Omgevingsverordening 2018.De contouren van het Holtingerveld (voorheen de Havelterberg) zijn overgenomen uit de Provinciale Omgevingsverordening 2018.

Het veenterpenlandschap polder Matsloot-Roderwolde (aangetoonde terpen: werkingsgebied Waarde Archeologie-1; omringend gebieden: werkingsgebied Waarde Archeologie-3)De AMK-terreinen met huisplaats-clusters zijn overgenomen uit Archis3. Dit beeld is aangevuld met het geactualiseerde overzicht van de inmiddels bekende verhoogde en niet-verhoogde woonplaatsen zoals gepubliceerd in Nicolay (red.) 2018. Via dr. J.A.W. Nicolay (RUG, Groninger Instituut voor Archeologie) is een digitaal puntenbestand aangeleverd. Elke punt staat voor een woonplaats. Van elk punt is vervolgens een vlak gemaakt door het te voorzien van een straal van 25 m. Ook over de allerkleinste AMK-terreintjes is een cirkel met een diameter van 50 m geprojecteerd.De omringende gebieden waarbinnen nog onontdekte veenterpen verwacht worden, zijn gebaseerd op het verspreidingsbeeld van bekende huisplaatsen/vindplaatsen en AMK-terreinen. Zij volgen zoveel mogelijk de vlakken van de Provinciale Omgevingsverordening 2018, met de volgende aanpassing: de begrenzing van het gebied ligt in principe op ca. 100 m afstand van de dichtstbijzijnde huisplaatsen/AMK-terreinen, en is om praktische redenen gecorrigeerd /aangepast aan de topografie (het wegenpatroon).

8. Essen (werkingsgebied Waarde Archeologie-3) en beekdalen inclusief voorden (werkingsgebied Waarde Archeologie-3)De contouren van de essen van provinciaal belang zijn overgenomen uit de Provinciale Omgevingsverordening 2018. Alle contouren berusten op de inventarisatie van Spek & Ufkes 1995.

De beekdalen inclusief voorden (Thema 11)De contouren van de beekdalen zijn overgenomen van de gemeentelijke beleidsadvieskaarten of, als ze daarop niet staan aangegeven, afgeleid van de achterliggende landschappelijke kaarten. Zij zijn gebaseerd op de inventarisatie van Aalbersberg & Van Beek 2009, die in opdracht van de Provincie/Drents Plateau gemaakt is, maar de daarin opgenomen beekdalenkaart is in geen enkele gemeentelijke archeologische beleidskaart ongewijzigd overgenomen. Wel is het gehanteerde principe overgenomen; de beekdalkarteringen op de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaarten berusten eveneens hoofdzakelijk op de geomorfologische kaart schaal 1:50.000 (1977) met aanvullingen/wijzigingen op basis van bodemkaarten en topografische kaarten.

De voorden (oversteekplaatsen) vormen bijzonder kansrijke locaties binnen beekdalen. Zij liggen doorgaans binnen de gekarteerde beekdalen, maar ook wel in natte laagten die op de gemeentelijke archeologische kaarten niet als beekdal zijn geïnterpreteerd. Alle contouren van de voordenzones zijn overgenomen uit Van der Veen & Ten Anscher 2019 (kaartbijlagen 1 en 2). In genoemde publicatie is gebruik gemaakt van een beekdalenoverzicht dat geheel gebaseerd is op de geomorfologische kaart 1977. Dit beekdalenbeeld wijkt dan ook her en der af van het beekdalenbeeld van de gemeentelijke kaarten. De voordenzones zijn voor de Provinciale Omgevingsverordening aangepast aan de beekdalcontouren die overgenomen zijn van de gemeentelijke beleidskaarten. Daarbij geldt dat daar waar het beekdal volgens een gemeentelijke kaart smaller is dan volgens het geval is volgens kaartbijlage 1 van Van der Veen & Ten Anscher 2019, het niet-overlappende deel van de desbetreffende voordezone weggehaald is. Waar een beekdal volgens de gemeentelijke kaart breder is, is de voordenzone echter niet aangepast (ze zijn dus eventueel kleiner geworden, maar niet groter).

9. Veenwegen (zekere tracés: werkingsgebied Waarde Archeologie-1; verwachte tracés: werkingsgebied Waarde Archeologie 3. Het veenwegenoverzicht van Casparie (1987), aangevuld met recentere literatuur, is in eerste instantie gebruikt om te bepalen welke Drentse veenwegen in aanmerking kunnen komen als Kernkwaliteit archeologie

afbeelding binnen de regeling

Overzichtstabel geselecteerde veenwegen

De voor de selectie gevolgde criteria zijn de volgende:- de ligging van de veenwegen (en hun verwachte verdere verloop) moet voldoende nauwkeurig bekend zijn;- er moet nog een reële kans zijn op veenwegrestanten. Voor enkele recente ontdekkingen, de veenwegen van De Slokkert (Ten Anscher e.a. 2015), het Winder Diepje (Van Hoof 2015) en de Wold Aa (Verhagen & Kerkhoven 2017) geldt dat de restanten nog goed bewaard waren/zijn. Van de overige genoemde veenwegen zijn vermoedelijk of zeker her en der nog resten bewaard, hetgeen ook kan gelden voor de geassocieerde vondsten die in de directe nabijheid van de veenwegen worden verwacht. Uit Arentzen & Van der Sanden 2019 blijkt duidelijk dat van de beroemdste Drentse veenweg, de Valtherbrug I (Bou), praktisch niets meer over is, met als enige waarschijnlijke uitzondering een klein restant dat onder de Valtherdijk ligt (mondelinge mededeling dr. W.A.B. van der Sanden). Slechts de zone onder de Valtherdijk is dan ook tot de Kernkwaliteit Archeologie gerekend.

Voor de kartering van de veenwegen is steeds uitgegaan van de meest precieze figuren uit de bronliteratuur. Overgenomen zijn de figuren die op de grootste schaal zijn afgebeeld, en bovendien goede topografische aanknopingspunten bieden.De verwachte verdere tracés van de later ontdekte veenwegen (in beekdalen) liggen in het verlengde van de hartlijn van hun opgegraven gedeelten (die niet meer bestaan en dus geen Kernkwaliteit archeologie zijn). De verwachte lengte is bij de veenweg door de Slokkert gebaseerd op de geomorfologische kaart (1977), de bodemkaart en het AHN2. Die van het Winder Diepje is gebaseerd op de bodemkaart. De lengte van het verdere verloop van de veenweg door de Wold Aa is gebaseerd op de bodemkaart en op de oudste 19e-eeuwse topografische kaarten. Om karteringsonnauwkeurigheden te ondervangen en omdat de veenwegen geassocieerd zijn met allerlei (offer)vondsten, is bij de zekere trajecten de hartlijn aan weerszijden voorzien van een zone van 30 m. Voor de verwachte tracédelen, in het verlengde van zekere tracédelen, is vanwege de grotere onzekerheid een zone van 50 m aangehouden. Uit Archis3 zijn vervolgens de vlakken overgenomen van AMK-terreinen en Rijksmonumenten, die geassocieerd zijn met enkele van de geselecteerde veenwegen, zie Excel bijlage 6. Voor de Kernkwaliteit archeologie geldt het gehele AMK- of Rijksmonument-terrein plus de weggedeelten die daar nog buiten liggen. Soms is de gekarteerde veenweg niet of bijna niet als een lijnvormig vlak te herkennen, omdat deze geheel of bijna geheel binnen het AMK- of Rijksmonumentvlak ligt. Het Buinen stenen voetpad XI (Bou) is weliswaar geassocieerd met een AMK-terrein, maar dat ligt te zuidelijk en is daarom genegeerd. Voor het stenen voetpad is dus alleen de in Excel tabel 6 genoemde figuur van de bronpublicatie (Van Giffen 1913, fig. 39) gevolgd.Zie verder Excel bijlage 6.

10. Karrensporen (werkingsgebied Waarde Archeologie-1)De nu nog zichtbare karrensporen dateren uit de vroege nieuwe tijd: vooral uit de 17de, 18de en vroege 19de eeuw. De desbetreffende routes gaan echter terug op de middeleeuwen, en bestonden vermoedelijk ook deels al in de prehistorie. Karrensporen en karrenspoorbundels zijn geselecteerd als Kernkwaliteit Archeologie op basis van de criteria representativiteit (enerzijds de interregionale route via Coevorden naar Groningen, met een aftakking vanaf Zwolle-Meppel naar Groningen, gekenmerkt door een relatief sterke concentratie karrensporen, en anderzijds de diffusere karrensporen die getuigenissen zijn van de pre-industriële lokale infrastructuur), gaafheid/zichtbaarheid, en de ligging in natuurgebieden en militair oefengebied. In de selectie zitten met name karrensporen en -bundels die over grotere afstanden te volgen zijn, in aaneengesloten natuurgebieden.De contouren van de geselecteerde karrensporenconcentraties zijn overgenomen van de in opdracht van de Provincie vervaardigde inventarisatie van de Drentse karrensporen (Van der Veen & Ten Anscher 2018). Vervolgens zijn de contouren voorzien van een buffer van 3 m, om karteringsonnauwkeurigheden op te vangen en als extra beschermingszone voor deze kwetsbare categorie die met name bedreigd wordt door plagwerkzaamheden en activiteiten die met houtproductie samenhangen, zoals bijvoorbeeld het uitslepen van boomstammen.

Het betreft de karrensporen en karrenspoorbundels in de volgende natuurgebieden (globale aanduidingen):

  • Noordsche veld ten noorden van Zeijen;

  • De Vijftig Bunder ten noordwesten van Zuidlaren;

  • ten oosten van Zeegse en ten noorden van Oudemolen;

  • de Strubben/Kniphorstbosch;

  • tussen de Schapendrift en het Schipborgsche Diep en ten noorden van Gasteren;

  • Balloërveld;

  • landgoed Terborgh;

  • Drouwenerzand;

  • Gietenerveld/Gasselterveld/Drouwenerveld tot in het Grolloërveld westelijk van Meindersveen;

  • Schoonloërveld/Boswachterij Schoonlo;

  • Buinerveld/Boswachterij Exloo;

  • Boswachterij ten noorden en westen van Schoonoord;

  • Boswachterij Sleenerzand;

  • Valtherbosch;

  • Noordbargerbosch;

  • Mepperdennen;

  • Lheederzand/Dwingeloosche Heide/Benderse Heide/Kraloër heide;

  • Het Schier/HavelterbergHoltingerveld/Uffelterzand/Westerzand/ Oosterzand;

  • Wapserzand/Dieverzand/Berkenheuvel/Boschoord(oost)/Boswachterij Appelscha.

Veel van de geselecteerde noordelijke karrensporenconcentraties bevinden zich in het Drentsche Aa-gebied dat vanwege de clustering van andere archeologische waarden al tot de Kernkwaliteit Archeologie behoort (zie thema 7). De hierbinnen gelegen karrensporen in het Balloërveld en bij Gasteren waren voorheen al expliciet als Kernkwaliteit Archeologie benoemd.

11. Voordenlocaties (zie thema 8 Beekdalen)

12. Archeologisch erfgoed van de Tweede Wereldoorlog (werkingsgebied Waarde Archeologie-1)De voor de selectie gevolgde criteria zijn het inhoudelijke belang, de zeldzaamheid (in provinciaal, en ook in nationaal perspectief), representativiteit, (relatieve) gaafheid en zichtbaarheid, extensief (terrein)gebruik (vooral natuurgebieden en militair oefenterrein) en betrouwbare kartering. Particulieren zijn zoveel mogelijk ontzien. De voor de Kernkwaliteit Archeologie geselecteerde elementen worden hieronder per subcategorie besproken. De contouren van alle geselecteerde elementen zijn overgenomen van de in opdracht van de Provincie vervaardigde, interactieve Provinciale Kaart WOII-erfgoed (Ten Anscher, Van Popta & Scholte Lubberink 2020). De overgenomen contouren van de geselecteerde kampen en de bijbehorende, buiten de eigenlijke kampen gelegen onderdelen ervan, de geselecteerde antitankgrachten en loopgraven van de Frieslandriegel en de onderduikersholen zijn vervolgens voorzien van een buffer van 5 m, om eventuele kartografische onnauwkeurigheden op te vangen en omdat archeologische waarden ook rond deze geselecteerde objecten te verwachten zijn. De schuttersputjes van de Frieslandriegel zijn voorzien van een buffer van 3 m.Kamp Westerbork en bijbehorende structuren. Kamp Westerbork neemt als het nationale centrale Durchgangslager van waaruit de Nederlandse Joden, Roma en Sinti afgevoerd werden naar de concentratie- en vernietigingskampen in het oosten, een unieke en beruchte plaats in onder de kampen in Nederland. Het kampterrein is nu onderdeel van het Herinneringscentrum Kamp Westerbork. Er zijn nog zichtbare resten bewaard gebleven, maar de meeste resten bevinden zich vlak onder het maaiveld.Het kamp heeft een gebruiksgeschiedenis die al voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog begint, als onderkomen voor Joodse vluchtelingen uit Duitsland, en zich tot ver erna uitstrekt. Onder meer als Moluks woonoord (zie o.a. Schute & Van der Laan 2015).Tot de bijbehorende, over het algemeen verdwenen structuren met wel nog een behouden archeologische component behoort onder meer het nabijgelegen kamp Hooghalen-Heidelager dat onder andere gediend heeft als verblijfplaats van de kampbewaking. Structuren die in archeologisch opzicht waarschijnlijk niets meer te bieden hebben (een verdwenen loskade aan het Oranjekanaal en het spoorlijntje er naar toe, en de spoorlijn van Hooghalen naar het kamp) vallen buiten de Kernkwaliteit archeologie. Alle overige elementen, die er wel onder vallen, bevinden zich binnen de Boswachterij Hooghalen. Overigens liggen alle geselecteerde onderdelen van kamp Westerbork, inclusief het Heidelager en de vuilnisstort van het kamp, in het Drentsche Aa-gebied dat al tot de Kernkwaliteit archeologie behoort om andere redenen dan WOII (zie thema 7).

WerkkampenAls dunbevolkte provincie met nog veel onontgonnen gebied bezat Drenthe in de jaren 1930-1940 relatief veel werkkampen. Zij waren door de Rijksdienst voor de Werkverruiming gebouwd in het kader van de werkverschaffing. Aanvankelijk waren hierin werklozen gehuisvest, die tegen een schamele vergoeding ingezet werden bij vooral heide-ontginningen. Tijdens WOII werden hierin ook andere groepen al dan niet gedwongen ondergebracht, zoals Joodse mannen. Zo dienden 16 Drentse kampen als voorportaal voor kamp Westerbork – een derde van alle Joodse werkkampen bevond zich op Drents grondgebied. Ook werden extra kampen bijgebouwd, met name door de Nederlandsche Arbeidsdienst (in het kader van de door de Duitse bezetter verordineerde dienstplicht voor Nederlandse jonge mannen tussen 18 en 23 jaar): 13 Drentse kampen hebben (ook) als NAD-kamp gediend. Veel kampen zijn tot ver na WOII in gebruik geweest (zie tabel 4).

De meeste van de 31 Drentse kampen (met kamp Westerbork en het Heidelager komt het totaal aantal op 33 kampen) zijn geheel of grotendeels onder na-oorlogse bebouwing verdwenen. De voor de Kernkwaliteit Archeologie geselecteerde kampterreinen daarentegen zijn alle relatief goed bewaard gebleven en na de sloop van de barakken en andere opstanden niet of nauwelijks verstoord, waardoor hun archeologische component intact zal zijn. De meeste bezitten zelfs nog (deels) het micro-reliëf dat de locaties van de voormalige barakken verraadt. Ze liggen in natuurgebieden, met uitzondering van kamp Vledder en kamp Ten Arlo. Samen vertegenwoordigen zij een representatieve doorsnede van de (hele) gebruiksgeschiedenis van de Drentse werkkampen.

De geselecteerde werkkampen zijn:

  • kamp Havelte (het 'Jodenkamp');

  • kamp Gasselte-Dobbendal;

  • kamp Schoonloo (ook wel aangeduid als kamp Elp);

  • kamp Orvelte;

  • kamp Odoorn;

  • kamp Vledder;

  • kamp Ten Arlo;

  • kamp Echten;

  • kamp Diever B.

Kamp Havelte valt al binnen de Kernkwaliteit Archeologie vanwege de clustering van andere archeologische waarden, omdat het zich in het Holtingerveld (zie thema 8) bevindt, en voor de kampen Gasselte-Dobbendal en Schoonlo geldt hetzelfde: zij liggen in het Drentsche Aa-gebied (zie Thema 7).

afbeelding binnen de regeling

Tabel 3. Bronnen voor de kampen (ruimtelijke aspect).

afbeelding binnen de regeling

Tabel 4. Het gebruik van de kampen inclusief kamp Westerbork en Hooghalen-Heidelager. LW: Luftewaffe; WH: Wehrmacht; SS: Schutzstaffeln; GSP: Grenzschutzpolizei. Zie voor nadere uitleg de Provinciale Kaart WOII.

Nederlandse kazematten uit de mobilisatie-periodeVan de Noord-Nederlandse verdedigings- en vertragingslinies ('weerstandslijnen') waren alleen de meest oostelijke, de O- en de Q-lijn, structureel voorzien van betonnen kazematten (totaal 63 stuks). De F-lijn had slechts één betonnen kazemat. De genoemde weerstandslijnen liggen vooral op Drents en Gronings grondgebied. De kazematten zijn gebouwd in 1939, in de mobilisatietijd. Het zijn zonder uitzondering kleine, betonnen bouwsels van het type 'S' (Stekelvarken). Van de 27 die nog over zijn, liggen er maar zeven in Drenthe:

  • Coevorden S28 (O-lijn, in tuin particulier);

  • Oosterhesselerbrug S35 (Q-lijn, in tuin particulier);

  • Oosterhesselerbrug S36 (Q-lijn, in uitgespaard terreintje omgeven door weiland/akker);

  • Sleen S40 (Q-lijn; in tuin particulier);

  • Sleen S41 (Q-lijn; in uitgespaard terreintje omgeven door weiland/akker);

  • Sleen S42 (Q-lijn, in uitgespaard terreintje omgeven door weiland/akker);

  • Geesbrug/Zwinderen S61 (F-lijn, in berm).

Bij enkele kazematten is in de meidagen van 1940 gevochten. Kogel- en granaatinslagen in het beton getuigen hier nog van. De overgebleven Drentse kazematten behoren tot de Kernkwaliteit archeologie.

Vliegveld Havelte

Veel structuren van de door de Duitsers gebouwde Fliegerhorst Havelte (1942-1945), dat na zeer zware bombardementen opgegeven werd, zijn of nog bewaard gebleven, of op het AHN2 als micro-reliëf herkenbaar, of bezitten (waarschijnlijk) nog een archeologische component. De restanten van het voormalige vliegveld Havelte zijn gevarieerder en completer dan die van de andere Drentse vliegvelden uit WOII (Eelde en Peest; van de schijnvliegvelden De Oude Willem, Donderen en Noordscheveld bij Zeijen is overigens niets meer over). Ook in nationaal opzicht is de Fliegerhorst Havelte uitzonderlijk goed bewaard gebleven. Het zijn redenen om juist vliegveld Havelte te selecteren als Kernkwaliteit Archeologie. Alle elementen die zich in de natuurgebieden en het militaire oefenterrein bevinden, vallen hieronder. De meeste liggen in het Holtingerveld. Het Holtingerveld is op zich al aangemerkt als Kernkwaliteit Archeologie, zij het om andere archeologisch-inhoudelijke redenen dan WOII (zie Thema 7).

-Ook tot de Kernkwaliteit Archeologie gerekend zijn de Befehlsbunker en de radiobunker. Beide bestaan nog, en liggen in de bebouwde kom van Havelte. De overige geselecteerde structuur in het dorp (een vliegtuigopstelplaats, vaag herkenbaar op AHN2) is aan te treffen in een beboste terrein “Wandelbos” dat centraal in het dorp ligt. De resterende elementen in en buiten de bebouwde kom, die in particuliere eigendom zijn, vallen buiten de selectie.

Radiopeil- en radarstation Marder

Het radiopeil- en radarstation Marder (1942-1945) was het enige Duitse radarstation In Drenthe. Hieraan herinnert slechts een zware betonnen sokkel van een radarschotel (een zogenaamde Würzburg Riese; zie figuur 15), goed zichtbaar gelegen in een weiland. Deze is als zeldzaam overblijfsel als Kernkwaliteit archeologie geselecteerd – vermoedelijk zijn er in heel Nederland niet meer dan tien van dergelijke sokkels over.

Frieslandriegel

De Frieslandriegel uit 1944-1945, ook wel aangeduid als de Assener Stellungen, is de weinig bekende, oostelijke tegenhanger van de roemruchte Atlantikwall. De Frieslandriegel was een aaneengesloten verdedigingslinie van enkele kilometers breed, die langs de IJssel en via Zwolle, Assen en Groningen tot aan de Waddenkust was aangelegd. Bestaande waterwegen die als antitankgracht konden dienen, waren er in geïntegreerd. De verdedigingselementen bestonden verder uit in haast aangelegde antitankgrachten, tankmuren en dergelijke, loopgraven, schuttersputjes, geschutstellingen en eenvoudige betonnen bunkertjes en betonnen eenmansgaten. Het grondverzet is grotendeels door Nederlandse burgers uitgevoerd in het kader van de verplichte tewerkstelling (Arbeitseinsatz). Van deze Duitse verdedigingslinie is relatief weinig over. Het overgrote deel is verdwenen onder latere bebouwing of dichtgeschoven en overploegd. De laatste onderdelen van loopgraven en antitank-grachten en flankerende schuttersputjes die nog op het AHN2 en vaak ook met het blote oog in het veld zichtbaar zijn, zijn nog bewaard gebleven omdat zij zich, op slechts enkele uitzonderingen na, in natuurgebieden en militair oefenterrein bevinden. De uitzonderingen liggen in relatief kleine beboste gebiedjes, omgeven door open veld, die echter een agrarische bestemming hebben of waarvan de bestemming niet achterhaald kon worden. Het betreft:

  • een terreintje zuidelijk van Wittelte waarin drie bunkertjes liggen, die verbonden zijn met een loopgraaf (agrarische bestemming);

  • een terreintje oostelijk van Wittelte met een bunkertje, een loopgraaf en minimaal een schuttersput (agrarische bestemming);

  • een terreintje aan de Taarlose weg ten westen van Taarlo en het Noord-Willemskanaal, met loopgraven en enkele schuttersputjes.

De genoemde WOII-elementen in deze drie terreintjes en de op het oog of op het AHN2 zichtbare onderdelen van de Frieslandriegel in de natuurgebieden en militair oefenterrein zijn geselecteerd als Kernkwaliteit Archeologie. Speciale vermelding verdient een natuurgebiedje direct ten zuiden van de Linthorst Homanweg bij Oudemolen, strategisch gelegen tussen het Noord-Willemskanaal en de spoorlijn Assen-Groningen dat in zijn geheel een complete, goed bewaarde stelling vormt, met loopgraven, schuttersputjes en overige militaire voorzieningen.

Een andere opmerkelijke en goed geconserveerde concentratie van militaire aardwerken, bevindt zich in militair oefenterrein De Haar, tussen Witten en Kloosterveen.

Onderduikersholen

De enige zeker gelokaliseerde, op het AHN2 nog zichtbare, (deels) ongeschonden onderduikersholen Anloo (K18) en het onderduikershol van Roelof Schonewille nabij Elim, beide in natuurgebied, zijn geselecteerd als Kernkwaliteit Archeologie. Er zijn meer (mogelijke) Drentse onderduikersholen bekend, die waarschijnlijk nog grotendeels intact zijn, maar hun locaties zijn nog niet voldoende geverifieerd om deze in de selectie op te nemen. Onderduikersholen die gerestaureerd, onderzocht of gereconstrueerd zijn op een wijze dat er waarschijnlijk geen of nauwelijks meer sprake meer is van authentieke archeologische sporen, vallen ook buiten de selectie.

Literatuurlijst

Aalbersberg, G., 2006. Inventariserend veldonderzoek Steentijdvindplaatsen Drentsche Aa-gebied, Provincie Drenthe. RAAP-rapport 1278, Amsterdam.

Aalbersberg, G. & J.L. van Beek, 2009. Beekdalen in de provincie Drenthe: historische en toekomstige ingrepen, bestemmingsplannen en archeologische implicaties. RAAP-rapport 1771, Weesp.

Anema, K., 1995. Archeologisch erfgoed goed beheerd: Behoud, inrichting en beheer in het landelijk gebied, Den Haag.

Anscher, T.J. ten, 2015. Een bronzen lanspunt en verlopen beken: Oude beddingen van de Vledder Aa en Wapserveensche Aa, in NDV: 132, p. 171-178.

Anscher, T.J. ten, B.I. van Hoof, M.E. van Kruining, J. van der Laan & A. Maurer, 2015. Een corridor door het broekbos: Een veenweg uit het Laat-Neolithicum door het beekdal van de Slokkert, in: NDV 132, p. 125-152.

Anscher, T.J. ten & M.E. van Kruining & J. van der Laan, 2015: Het broekbos doorbroken. De laat-neolithische veenweg in het beekdal van de Slokkert, gemeente Noordenveld. Een archeologische opgraving. RAAP-rapport 2950, Weesp.

Anscher, T.J. ten & S. van der Veen, 2016. Plangebied De Vijftig Bunder nabij Midlaren, gemeente Tynaarlo; een bureauonderzoek. RAAP-rapport 3091, Weesp.

Anscher, T.J. ten, Y.T. van Popta & M. Scholte Lubberink, 2020. Erfgoed uit de Tweede Wereldoorlog in Drenthe. RAAP-rapport 4613, Weesp.

Arcadis, 2013. Het Nationaal beek- en esdorpenlandschap Drentsche Aa BIO-plan 2.0 (2012-2020).

Arentzen, W. & W.A.B. van der Sanden, 2018. Tweehonderd jaar Valtherbrug – Historiografie van een uitzonderlijk archeologisch monument – I: 1818-1647, in: NDV 135, p. 171-208.

Arentzen, W. & W.A.B. van der Sanden, 2019. Tweehonderd jaar Valtherbrug – Historiografie van een uitzonderlijk archeologisch monument – II: 1818-1647, in: NDV 136, p. 153-200.

Arnoldussen, S., 2012. Het Celtic field te Zeijen – Noordse Veld: kleinschalige opgravingenvan wallen en velden van een laat-prehistorische akkersysteem, Grondsporen 16, Groningen.

Arnoldussen, S. & K.M. de Vries, 2013/14. Of farms and fields: the Bronze Age and Iron Age settlement and Celtic field at Hijken-Hijkerveld, Palaeohistoria 55/56, Groningen.

Asmussen, P.S.G., 1999. Pingoruïne Taarlose Veentje, gemeente Assen; een Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAI1 en AAI2). RAAP-rapport 420, Amsterdam.

Bade, T. & G. Smid, 2007/8. Eigen haard is goud waard: Over de economische baten van cultuurhistorisch erfgoed, Arnhem.

Bakker, J.A., 2010. Megalithic research in the Netherlands, 1547-1011, Leiden.

Bakker, R., 1994. Het Gietsenveentje, gemeente Gieten (Dr.): Unicum of probleemgeval, in: Paleo-Aktueel 5, p. 35-38, Groningen.

Bakker, R., 2003. The emergence of agriculture on the Drenthe Plateau – a palaeobotanical study supported by high resolution 14C-dating. Archäologische Berichte 16, Bonn.

Boon, H., 2016. Archeologisch onderzoek barak 56 zuidzijde te kamp Westerbork, archeologische begeleiding. Sweco Archeologische Rapporten 2014, Groningen.

Casparie, W.A., 1982. The Neolithic wooden trackway XXI(Bou) in the raised bog at Nieuw-Dordrecht, in: Palaeohistoria 24, p. 115-165.

Casparie, W.A., G.A. Coert, G.de Leeuw, F. Smits & H.D. Veen, 1983: De middeleeuwse keienweg van Bronneger, gem. Borger, in: NDV 100, p. 147-201.

Casparie, W.A., 1986: The three Bronze Age footpaths XVI(Bou), XVII(Bou) and XVIII(Bou) in the raised bog of Southeast Drenthe (the Netherlands), in: Palaeohistoria 26, p. 41-94.

Casparie, W.A., 1987: Bog Trackways in the Netherlands, in: Palaeohistoria 29, 35-65.

Casparie, W.A. 1993: De Valtherbrug (Dr. en Gr.); meer dan één weg? In: Paleo-Aktueel 4, p. 95-99.

Casparie, W.A., B. van Geel, A.E.M. Hanraets, E. Jansma & I.L.M. Stuijts, 2004. De veenweg van Nieuw-Dordrecht – onvoltooid en niet gebruikt, in: NDV 121, p. 114-141.

Deeben, J., E. Drenth, M.F. van Oorsouw & L. Verhart, 2005. De steentijd van Nederland. Archeologie 11/12, Meppel.

Doesburg, J. van (red), 2007. Essen in zicht: essen en plaggendekken in Nederland, onderzoek en beleid. Nederlandse Archeologische Rapporten 34, Amersfoort.

Doesburg, J. van, 2008. Plaggen bedekken schatten. Nieuwsbrief 3 RACM, 3 mei 2008 p. 8.10, Amersfoort.

Eickhoff, M., 2005. Van het land naar de markt: 20 jaar RAAP en de vermaatschappelijking van de Nederlandse archeologie (1985 – 2005), Amsterdam.

Exaltus, R.P., 1999. Het Spaansche Kerkhof bij Veenhuizen. Provincie Drenthe, gem. Noordenveld – een archeologisch onderzoek. RAAP-rapport 417, Amsterdam.

Gewijzigde Monumentenwet 1988 (versie 1 september 2007).

Giffen, A.E. van, 1913: De Buiner Brug en het Steenen Voetpad aldaar. Oudheidkundige Mededelingen van het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden 7, p. 51-90.

Giffen van, A.E., 1925-1927. De Hunebedden in Nederland, Utrecht

Ginkel, E. van, S. Jager, W. van der Sanden, 1999. Hunebedden, monumenten van een Steentijdcultuur, Abcoude/Amersfoort.

Ginkel, E. van, 2005. Archeologische routes in Nederland 45: Havelte (Drenthe), Amersfoort.

Hielkema, J.B., 2018. Natuurontwikkeling Tusschenwater, gemeente Tynaarlo, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek (variant archeologische begeleiding). RAAP-rapport 3624, Weesp.

Hobma, F.A.M., 2006. Bouwen na Malta: De wet op de archeologische monumentenzorg, in: Bouwrecht nr. 10 oktober 2006 p. 875-885.

Hoof, B.I. van, 2015. Plangebied De Koppeling, gemeente Tynaarlo. Archeologisch onderzoek: een archeologische begeleiding. RAAP-rapport 2922, Weesp.

Houben, B., 2004. Archeologie, bos- en natuurontwikkeling, Kans of knelpunt, afd. Groen, Cultuur en Sociale Ontwikkeling provincie Limburg, Maastricht.

In kort bestek: de Wet op de archeologische monumentenzorg, Erfgoed NL, RACM, VOiA 2007, Amersfoort.

Jager, S.W., 2008. Celtic fields in Zuid-Drenthe: archeologisch vooronderzoek: een inventariserend bureauonderzoek. RAAP-rapport 1731, Weesp.

Jans, J.E.A., 2016. Op zoek naar de Valtherschans, Gemeente Borger-Odoorn; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek, geofysisch onderzoek en booronderzoek. RAAP-rapport 3147, Weesp.

Kennisbehoefte Archeologisch erfgoed: Een onderzoek naar de behoeften van de organisaties in de kennisinfrastructuur archeologie aan toegang tot actuele kennis AMZ, op basis van ervaringen met het kennissysteem ARCHIS, ROB, 1999, Amersfoort.

Kooi, P.H., 2001.De (her)ontdekking van de keienweg van Exloo, in: NDV 118, p. 138-147.

Kooi, P.H., 2004. Terug naar de weg, in: NDV 121, p. 161-165.

Louwe Kooijmans, L.P. (red), 2005. Nederland in de Prehistorie, Amsterdam.

Mars, A., 2000. De archeologische waarden van pingoruïnes, dobben en veentjes, in: vakblad Natuurbeheer nr. 7, p 107-110, Wageningen.

Mars, A., 2004. Van geest naar letter: Advies inzake de gevolgen van de wijziging van de Monumentenwet 1988 (Malta) voor de Provincie Drenthe, Interne notitie Provincie Drenthe, Assen.

Mars, A., 2006. Provinciaal archeologiebeleid Drenthe onder de loep, met aanvulling op Van geest naar letter (2004), Interne notitie Provincie Drenthe, Assen.

Mars, A., 2008. Richtlijnen voor het maken van een gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart (inhoud en proces), Assen.

Mars, A. (samenst.), Relevante parlementaire stukken met betrekking totstandkoming Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz), bedoeling wetsbepalingen, Assen.

Mars, A. & W.A.B. van der Sanden 2008. Notitie provinciaal archeologiebeleid Drenthe 2008: De ruggengraat van het Drents archeologisch erfgoed (Ambtelijk advies toekomstig beleid voor archeologie en ruimte), Assen.

Molema, J,. M. Dosker, J.H.N. Elerie, T. Spek, H.W. Veenstra & H.T. Waterbolk, 2004. Cultuurhistorische inventarisatie ten behoeve van Landschapsvisie Drentshe Aa: onderzoek in het kader van het Nationaal Beek- en Esdorpenlandschap Drentsche Aa. RAAP-rapport 969, Amsterdam.

Nationale onderzoeksagenda Archeologie (NoaA), versie 2020

Neefjes, J., H. Bleumink, G. van Duinhoven & S. Greeuw, 2006. Cultuurhistorie in natuurontwikkeling, Twaalf projecten onder de loep, Boxtel/Wageningen.

Nicolay, J.A.W. (red), 2008. opgravingen bij Midlaren: 5000 jaar wonen tussen Hondsrug en Hunzedal. Groningen Archaeological Studies 7/1 en 7/2, Groningen.

Nicolay, J.A.W. (red), 2018. Huisplaatsen in De Onlanden. De geschiedenis van een Drents veenweidegebied. Groningen.

Niekus, M.J.L.Th., F. de Vries & W. van der Wijk, 2013. In het spoor van Georgr Hendrik Voerman: Archeologie en landschap van het Holtingerveld, Diever.

Niekus, M.J.L.Th. & E. van Ginkel, 2019. Neanderthalers in Noord-Nederland: Leven aan de rand van de oerwereld, Assen.

Matien, R.H., 2013. De prehistorische veenbruggen van Smilde, in: Levend Verleden 2013 (1), p. 18-29.

Picardt, J., 1660. Annales Drenthiae. Amsterdam

Picardt, J., 1660. Korte Beschryvinge van eenige Vergetene en Verborgene Antiquiteten Der Provintien en Landen gelegen tusschen de Noord-Zee, de Yssel, Emse en Lippe. Amsterdam

Piët, S., 2004. De emotiemarkt: de toekomst van de beleveniseconomie, Rotterdam.

Popta, Y.T. van, & A.G.M. Spiekhout, 2016. Op zoek naar kastelen in het Hunzedal. Archeologisch booronderzoek nabij Zuidlaren. Grondsporen 22, Groningen.

Popta, Y.T., van, 2019. Grondsporen in het gebied Burgvoort bij de Groeve, gemeente Tynaarlo. Een archeologisch onderzoek: veldinspectie. RAAP-rapport 4145, Weesp.

Provincie Drenthe, 2005. Cultuurnota 2005 – 2008: De kunst van het combineren, Assen.

Provincie Drenthe, 2006. Richtlijnen voor archeologisch bureau- en veldonderzoek in de Provincie Drenthe, versie 1.0, 21 maart 2006, Assen.

Provincie Drenthe, 2006. Richtlijnen voor beekdalonderzoek in de Provincie Drenthe, versie 1.0, 21 maart 2006, Assen.

Provincie Drenthe, 2007. Collegeprogramma 2007 – 2011: Kiezen voor de kracht van Drenthe, Assen.

Provincie Drenthe, 2007. Beleidsbrief provinciaal archeologiebeleid Drenthe, Assen.

Provincie Drenthe, 2008. Cultuurnota 2009 – 2012, Assen

Provincie Drenthe, 2008. Notitie Invoering nieuwe Wro, Assen.

Provincie Drenthe, 2008. Uitvoeringsprogramma Nationaal Landschap Drentsche Aa: pMJP-Gebiedsopgave 2007-2013, Assen.

Provincie Drenthe, 2012. Cultuurnota 2013 – 2016: Oude wereld, Nieuwe mindset, Assen.

Provincie Drenthe, 2016. Cultuurnota 2017 – 2020: De verbeelding van Drenthe, Assen.

Provincie Drenthe, 2018. Omgevingsvisie Provincie Drenthe. Vastgesteld 03‑10‑2018, Assen.

Provincie Drenthe, 2019. Coalitieakkoord: Drenthe, mooi voor elkaar! 2019-2023, Assen.

Provincie Drenthe, 2020. Cultuurnota 2021 – 2024: Cultuur om te delen, Assen.

Provincie Noord-Brabant, 2000. Kookboek Cultuurhistorie: kwaliteit als grondslag, Cultuurhistorische waardenkaart Noord-Brabant, 's-Hertogenbosch.

Provincie Noord-Holland, 2004. Behoud en beheer van archeologische vindplaatsen in het Oer-IJ-gebied, Haarlem.

Rensink, E., 2008. Richtlijnen archeologisch onderzoek en verwachtingskaarten voor beekdalen in Pleistoceen Nederland, Amersfoort.

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2019. Erfgoed van betekenis: Verkenning Herinneringserfgoed; een verkennend onderzoek naar de relatie tussen onroerend erfgoed en de herinnerings- en herdenkingscultuur in Nederland, Amersfoort.

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2019. Op verkenning 2.0; Twee eeuwen militair erfgoed in het vizier, Rapportage Verkenning Militair Erfgoed, Amersfoort.

Roozenbeek, J., A. Voerman & T.J. ten Anscher, 2007. Hunebedden, een wereld te winnen: Handboek voor archeologie, inrichting en beheer.

Roymans, J., 2005. Een cultuurhistorisch verwachtingsmodel voor Brabantse beekdallandschappen: een mogelijke toekomst voor het verleden van beekdalen, Masterscriptie VU Amsterdam, Vakgroep Erfgoedstudies.

Sanden, W.A.B. van der, 1997. Aardewerk uit natte context in Drenthe: het vroeg- en laat-neolithicum en de vroege bronstijd, in: NDV 114, p. 127-141.

Sanden, W.A.B. van der, 1997. Wagens, wielen en wieldelen uit de Drentse venen: de late ijzertijd en de Romeinse tijd, in: NDV 114, p. 180-201.

Sanden, W.A.B. van der, 2002. Veenwegen in Drenthe: enkele nieuwe dateringen, in: NDV 119, p 101-112.

Sanden, W.A.B. van der, 2002. Runderhoorns, wagens en andere veenvondsten uit Drenthe, in: NDV 119, p. 128-168

Sanden, W.A.B. van der, 2002. Structuren in het Drentse veen, in: NDV 119, p. 186-216.

Sanden, W.A.B. van der, 2004: Veenwegen in Drenthe: stof voor discussie, in: NDV 121, p 142-160.

Sanden, W.A.B. van der, 2007. Projectvoorstel waardering offerveentjes Drenthe, Assen.

Sanden, W.A.B., 2018. Geschiedenis van Drenthe, dl 1: een archeologisch perspectief, Assen.

Sanden, W.A.B. van der, 2019. Where to and why? Thoughts on the meaning of the Valtherbrug bog trackway. In: S. Arnoldussen, A.A.G. Ball, J. van Dijk, E. Nord & N. de Vries (red.), in: Metaaltijden 6. Bijdragen in de studie van de metaaltijden, p. 259-281, Leiden.

Schutte, I.A., 2008. Het provinciaal archeologisch belang: naar een kader voor het opstellen van een structuurvisie, de toetsing van gemeentelijke plannen en verlenen van ontgrondingsvergunningen in de provincie Utrecht. RAAP-rapport 1642, Weesp.

Schutte, I.A. & B. van der Laan, 2015. Kamp Westerbork – van vluchtelingenkamp tot herinneringscentrum, gemeente Midden-Drenthe; een archeologische bronnen- en beleidskaart. RAAP-rapport 2909, Weesp.

SIKB, 2018. Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1.

Smith, A.F., W.J. Tonnis & W.A. Casparie, 2003. Niet elke steenhoop is 'geheid' een Drentse keienweg. Een archeologische puzzel in het Exloose veen opnieuw bekeken, in: NDV 120, p. 158-171.

Spek, T., 1995. Archeologie en cultuurhistorie: Drentsche essen, Wageningen/Groningen.

Spek, T., & A. Ufkes, 1995. Archeologie en cultuurhistorie van essen in de provincie Drenthe: inventarisatie, waardering en aanbevelingen ten behoeve van het stimuleringsbeleid bodembeschermingsgebieden. Assen/Wageningen.

Spek, T., 2004. Het Drentse esdorpen landschap: een historisch geografische studie, 2 delen en kaartbijlage (diss.), Utrecht.

Spek, T., J. Buitenveld, P. Copini, R.P. Exaltus, B.J. Groenewoudt, W. Groenman-van Waateringe, A.G. Jong, F. van Kregten, N.C.M. Maes, A. Mars, J. den Ouden, C.J.A. Rövekamp, U.G.W. Sass & B.P. Speleers, 2005. Ouderdom en ontstaanswijze van cirkelvormige eikenstrubben in het natuurterrein “De wilde Kamp” bij Garderen (Noordwest-Veluwe), RAM 131, Amersfoort.

Staatsbosbeheer & Waterschap Hunze & Aa's, 2017. Inrichtingsvisie beekdalen Drentsche Aa.

Strootman Landschapsarchitecten & Novia Consult, 2004. Landschapsvisie Drentsche Aa, Amsterdam.

Strootman Landschapsarchitecten & Novia Consult, 2017. Landschapsvisie 2.0 Drentsche Aa, Amsterdam.

Steunpunt Erfgoed Drenthe (red.), 2019. Joodse begraafplaatsen in Drenthe: Een handreiking voor integraal beheer aan de hand van de Nieuwe Joodse Begraafplaats, Zuiderweg 56 te Hoogeveen, Assen.

Tijdschrift – Malta magazine, deel 1 t/m 11, 2002-2007.

Toebosch, T., 2004. Niks duurzamer dan een mooi gat: archeologie heen en weer geslingerd tussen cultuur en wetenschap, in: Boekman 58/59. p. 122-126.

Veen, S. van der & T.J. ten Anscher, 2018. Een actualisatie van de Drentse Celtic fields en een inventarisatie van Drentse karrensporen. RAAP-rapport 3554, Weesp.

Veen, S. van der & T.J. ten Anscher, 2019. Een inventarisatie van voordenlocaties in de provincie Drenthe. RAAP-rapport 3616, Weesp.

Verdiepingsslag IKAW Provincie Drenthe: Een bureauonderzoek naar beschikbare bronnen en kosten. RAAP-adviesdocument 296, 2008.

Verhagen, F. & A.A. Kerkhoven, 2017. Meppel, Engelgaarde. Gemeente Meppel (Dr). Een Archeologische Begeleiding (AB), conform protocol Opgraven (DO). Een IJzertijd brug in het beekdal van de Wold Aa. Transect-rapport 1522, Nieuwegein.

Verkenning van de knelpunten en oplossingsrichtingen van de archeologische monumentenzorg onder Malta, SIKB, 2007.

Vree, F. van & R. van der Laarse, 2009. De dynamiek van de herinnering: Nederland en de Tweede Wereldoorlog in een internationale context, Amsterdam.

Wit, M.J.M. de, 2003. Een aanvullend Archeologisch onderzoek op De Spil te Dalen, gemeente Coevorden (Dr.), ARC-publicaties 72, Groningen.

Wit, M.J.M. de, 2016. Archeologisch proefsleuvenonderzoek op plangebied Molenakker II, fase 1, te Dalen, gemeente Coevorden (Dr.), MUG-publicatie 2016-11, Leek.

Wit, M.J.M. de, 2016. Archeologisch proefsleuvenonderzoek op plangebied Molenakker II, fasen 2 & 3, te Dalen, gemeente Coevorden (Dr.), MUG-publicatie 2016-12, Leek.

BIJLAGEN

Bijlage 1

afbeelding binnen de regeling

Bijlage 2

afbeelding binnen de regeling

Bijlage 3

afbeelding binnen de regeling

Bijlage 4

afbeelding binnen de regeling

Bijlage 5

afbeelding binnen de regeling

Bijlage 6

afbeelding binnen de regeling
Bijlage 2 Onderbouwing Detailhandelsbeleid

Onderbouwing

1 Dienstenrichtlijn

1.1 Dienstenrichtlijn van toepassing op detailhandel

https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=celex:32006L0123

Met de uitspraak inzake het bestemmingsplan ‘Stad Appingedam’ is duidelijk geworden dat detailhandel en ruimtelijke voorschriften – nadere eisen voor het vestigen van detailhandel - onder de Dienstenrichtlijn vallen. Het betreft immers eisen die de toegang tot of het uitoefenen van een dienstenactiviteit reguleren, zoals een brancheringsregeling en/of een regeling over oppervlaktecriteria ten aanzien van detailhandel.

1.2 Toetsing aan de Dienstenrichtlijn

Voor het stellen van eisen voor het vestigen van detailhandel kent de Dienstenrichtlijn twee verschillende regimes.

Het eerste regime is neergelegd in artikel 14, aanhef en onder 5 Dienstenrichtlijn. Elke eis die een beperking inhoudt en waarmee uitsluitend economische doelen worden nagestreefd, is simpelweg verboden. Uit jurisprudentie blijkt dat het verbod van artikel 14 Dienstenrichtlijn niet geldt, indien in de onderbouwing en de motivering van de brancheringsregeling wordt gewezen op ruimtelijke belangen die daaraan ten grondslag hebben gelegen of indien wordt toegelicht dat aan de regeling geen economische doelen ten grondslag liggen. Gelet op artikel 1.1.2 Bro https://maxius.nl/besluit-ruimtelijke-ordening/artikel1.1.2 geldt in het Nederlandse ruimtelijke ordeningsrecht echter al de voorwaarde dat met ruimtelijke voorschriften geen economische doelen kunnen worden nagestreefd. Er moeten derhalve ruimtelijke motieven aanwezig zijn. Hiermee is dit binnen het Nederlandse recht al geregeld.Relevanter is het tweede in de Dienstenrichtlijn opgenomen regime, dat is neergelegd in artikel 15 lid 3. Die bepaling luidt als volgt: ‘De lidstaten controleren of de in lid 2 bedoelde eisen aan de volgende voorwaarden voldoen:Discriminatieverbod: de eisen maken geen direct of indirect onderscheid naar nationaliteit of, voor vennootschappen, de plaats van hun statutaire zetel.Noodzakelijkheid: de eisen zijn gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang.Evenredigheid: de eisen moeten geschikt zijn om het nagestreefde doel te bereiken; zij gaan niet verder dan nodig is om dat doel te bereiken en dat doel kan niet met andere, minder beperkende maatregelen worden bereikt.

De in deze bijlage opgenomen onderbouwing heeft betrekking op het onderbouwen van de nadere eisen die in de omgevingsverordening worden gesteld aan de vestigingsmogelijkheden voor detailhandel conform de toetsingseisen uit artikel 15 lid 3 van de Dienstenrichtlijn. Hierbij ligt het accent op de noodzakelijkheid en de evenredigheid.

2 Discriminatieverbod

De eisen/maatregelen in de Omgevingsverordening maken geen direct of indirect onderscheid naar nationaliteit of, voor vennootschappen, de plaats van hun statutaire zetel van de te vestigen winkels. Het betreft uitsluitend eisen die betrekking hebben op de omvang van de winkels, de aard van de producten of het verzorgingsgebied c.q. de impact op het regionale voorzieningenniveau en het betreft eisen van regionale afstemming.

Hiermee wordt in de Omgevingsvisie en –verordening Drenthe derhalve voldaan aan het discriminatieverbod.

3 Noodzakelijkheid

3.1 Dwingende reden van algemeen belang

Het noodzakelijkheidsvereiste betreft de vraag of de in een ruimtelijk voorschrift vastgelegde beperking binnen de mogelijkheden voor detailhandel (de eis c.q. de maatregel), is gerechtvaardigd vanwege een dwingende reden van algemeen belang. Oftewel zijn de doelen die met de maatregelen worden nagestreefd, dwingende maatregelen van algemeen belang.

Waarom zijn beperkingen voor detailhandel opgelegd? Prognoses voor de ontwikkeling van de detailhandel geven aan dat het totale fysieke winkelareaal naar verwachting gaat krimpen. De krimp wordt niet alleen veroorzaakt door de groei van internetaankopen, maar ook door een veranderend ruimtelijk koopgedrag en door de vergrijzing, die tot afnemende bestedingen per hoofd van de bevolking leidt. Tegen deze achtergrond is een zorgvuldig vormgegeven en effectief provinciaal (en gemeentelijk) beleid van grote waarde. Het is vanuit deze achtergrond noodzakelijk om beleid te voeren gericht op het beschermen en stimuleren van aantrekkelijke en leefbare centra met een zo compleet mogelijk brancheaanbod en het voorkomen van leegstand. Dit kan op basis van specifieke lokale data een onderbouwde vertaling krijgen in het gemeentelijk beleid.

De contouren van wat wordt bedoeld met “een dwingende reden van algemeen belang” zijn met name geschetst in de conclusie van de Advocaat-Generaal van het Europese Hof en in de uitspraak van de Raad van State over het bestemmingsplan Appingedam-centrum.

In de conclusie van de Advocaat-Generaal in de zaak Visser Vastgoed – Appingedam wordt hierover onder punt 147 het volgende aangegeven:

“De bescherming van het stedelijk milieu, die wordt aangevoerd als dwingende reden van algemeen belang, is erkend in artikel 4, punt 8, van richtlijn 2006/123(132), dat op dit punt eerdere rechtspraak over artikel 56 VWEU codificeert (133). Een gemeente kan er belang bij hebben om via een bestemmingsplan te bevorderen dat de binnenstad haar dynamiek en oorspronkelijke karakter behoudt. Regulering van de vestigingsmogelijkheden voor winkels kan in algemene zin onderdeel zijn van een dergelijk beleid. Bovendien is het mogelijk dat een gemeente ook de hoeveelheid en doorstroming van het verkeer binnen en buiten de stad wil beïnvloeden. Daaraan moet worden toegevoegd dat de betrokken maatregel niet economisch is in de zin dat het doel en het gevolg ervan is dat bepaalde detailhandelaars gunstiger worden behandeld dan andere. Veeleer gaat het om een manier van leven in een stad en daarmee bijna om cultuurbeleid, dat ook als een dwingende reden van algemeen belang is erkend in artikel 4, punt 8, van richtlijn 2006/123. (134)”

In de uitspraak van de Raad van State over het bestemmingsplan centrum Appingedam ECLI:NL:RVS:2019:2569 https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RVS:2019:2569 wordt hierover gesteld:

“Door middel van branchering in het perifere winkelgebied beoogt de raad een mix van winkels in het centrum te behouden of te bevorderen die is afgestemd op de behoefte en het koopgedrag van de consument. Daarmee wordt beoogd een aantrekkelijk centrum te bevorderen, om de leefbaarheid van het stadscentrum te behouden en leegstand in binnenstedelijk gebied te voorkomen. De raad heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat het nastreven van deze doelen nodig is vanuit een oogpunt van bescherming van het stedelijk milieu, temeer wanneer − zoals in Appingedam− sprake is van een verhoudingsgewijs hoog leegstandspercentage aan winkelruimte in het stadscentrum. Gelet hierop heeft de raad zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat het behoud van de leefbaarheid van het stadscentrum en het voorkomen van leegstand in binnenstedelijk gebied, noodzakelijk zijn voor de bescherming van het stedelijk milieu en een dwingende reden van algemeen belang vormen die branchering in het perifere winkelgebied rechtvaardigt.”

In de uitspraken die hierop volgen wordt steeds op deze twee stukken teruggegrepen. Op basis hiervan en van de jurisprudentie die hierop is gevolgd geldt dat maatregelen worden opgelegd ten behoeve van het beschermen van het stedelijk milieu. Het beschermen van het stedelijk milieu kan worden geoperationaliseerd naar de volgende doelen:

behoud van dynamiek en oorspronkelijke karakter;het bevorderen van een aantrekkelijk centrum;het behouden van de leefbaarheid van het stadscentrum;behoud van een goede functiemix in stadscentra (en reguliere andere winkelcentra);behoud van voldoende aantrekkingskracht van bezoekers aan stadscentra en reguliere centra;het voorkomen van leegstand in binnenstedelijk gebied;het beïnvloeden van de hoeveelheid en doorstroming van het verkeer binnen en buiten de stad om onaanvaardbare ruimtelijke effecten van verkeer en parkeren op het stedelijk milieu en de leefbaarheid en veiligheid te voorkomen.

3.2 Provinciale doelen

Zoals is weergegeven in de toelichting van Artikel 3.20 komen de beleidsdoelen van de provincie Drenthe goed overeen met de inmiddels geaccepteerde ‘dwingende redenen van algemeen belang’ in het kader van de Noodzakelijkheidseis van de Dienstenrichtlijn. Samenvattend zijn deze doelen als volgt.

Het creëren van aantrekkelijke en vitale centrumgebieden van steden en dorpen, omdat deze belangrijk zijn voor de leefbaarheid van kernen en omdat deze een sociaal maatschappelijke functie hebben als belangrijk zijn als ontmoetingsplaats.Het voorkomen van een verdere toename van de leegstand in bestaande centrumgebieden.Het zorgen voor een concentratie van winkelvoorzieningen, waardoor combinatiebezoek wordt gestimuleerd en gefaciliteerd, dat het economisch functioneren van bedrijven ondersteund en resulteert in gemak, efficiëntie en minder mobiliteit (o.a. autobewegingen) voor de consument.Het streven naar een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en zorgvuldig ruimtegebruik.Het zorgen voor een vitaal platteland, waar recreatie een belangrijk element is en waar meerdere verdienmodellen mogelijk moeten zijn voor agrariërs.

In verband met deze doelen worden beperkingen opgelegd voor de vestigingsmogelijkheden van branches en soorten winkels die belangrijk zijn voor het functioneren van centrumgebieden c.q. belangrijk zijn voor een vitaal platteland. In feite wordt een goede regionale detailhandelsstructuur nagestreefd, waarbij wordt ingezet op de juiste functie op de juiste plek. Dit zijn allemaal doelen die passen binnen beschreven uitwerkingen van de dwingende reden van algemeen belang ten aanzien van het beschermen van het stedelijk milieu van de kernen c.q. het functioneren van centrumgebieden en het voorkomen van leegstand.

Hiermee wordt in de Omgevingsvisie en -verordening Drenthe derhalve voldaan aan noodzakelijkheidseis.

4 Evenredigheid

4.1 Inleiding

Het derde aspect van de toetsing aan de Dienstenrichtlijn betreft de evenredigheid. De eisen moeten geschikt zijn om het nagestreefde doel te bereiken; zij gaan niet verder dan nodig is om dat doel te bereiken en dat doel kan niet met andere, minder beperkende maatregelen worden bereikt.

Op basis van de actuele jurisprudentie kan dit vertaald worden naar de volgende vragen:

Handelt de provincie coherent en systematisch om het nagestreefde doel te bereiken? De zogenoemde hypocrisietest.Draagt het brede pakket aan maatregelen zinvol bij om de nagestreefde algemene doelen te bereiken?Gaan de maatregelen niet verder dan nodig om het nagestreefde doel te bereiken en zijn er (aantoonbaar) geen andere, minder beperkende maatregelen mogelijk?

Navolgend worden deze deelaspecten binnen de evenredigheidseis separaat doorgelopen. Waar nodig wordt verwezen naar de bijlage voor aanvullende specifieke analyses op basis van specifieke gegevens.

4.2 Coherent en systematisch

De vraag of het pakket maatregelen die in de omgevingsverordening zijn opgenomen coherent en systematisch wordt toegepast valt uit een in twee delen.

Is het beleid en de uitwerking in de verordening in overeenstemming met het algemene beleid in Nederland en zijn de aanpassingen die zijn gemaakt coherent en systematisch?Is het pakket maatregelen uit de Omgevingsverordening coherent en systematisch, dat wil zeggen worden er geen onlogische uitzonderingen gemaakt in de maatregelen of de toepassing?

De maatregelen in relatie tot het (voormalig) Rijksbeleid

Detailhandel buiten de reguliere tot de hoofdstructuur behorende winkelgebieden (binnenstad, stadsdeelcentrum en buurt- en wijkcentra) is in Nederland altijd een onderwerp geweest waar beleidsmakers zeer zorgvuldig mee om gaan, om negatieve effecten op de reguliere centra te voorkomen.

De eerste mogelijkheden ontstonden in de jaren ’70 en ’80 na de invoering van het voormalige PDV-beleid (Perifere Detailhandels Vestiging) van het Rijk. Dit beleid zorgde ervoor dat winkels die vanwege aard en omvang van de gevoerde artikelen (volumineus) zich mochten vestigen buiten de bestaande winkelcentra (bouwmarkten, tuincentra, woninginrichting en winkels in auto’s, boten en caravans).

In de jaren ’90 is daaraan het GDV-beleid (Grootschalige Detailshandels Vestigingen) toegevoegd, wat het mogelijk maakte grootschalige winkels zonder brancheringsbeperking groter dan 1.500 m² te realiseren op enkele stedelijke knooppunten in Nederland.

Later is het PDV/GDV-beleid opgeheven en is het ruimtelijke ordeningsbeleid gedecentraliseerd. Dit betekent dat provincies en gemeenten meer vrijheid kregen om zelf keuzes te maken, waarbij bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen nog wel de ladder voor duurzame verstedelijking verplicht is (aantonen van behoefte en ruimtelijk-functionele effecten).

De maatregelen in het provinciaal beleid bouwen voort op het voormalige Rijksbeleid

Al sinds het bestaan van het voormalige Rijksbeleid (PDV- en GDV-beleid) stuurt de provincie op concentratie van detailhandel binnen centra en worden beperkingen opgelegd voor detailhandel buiten de centra (binnen bestaand stedelijk gebied en het landelijk gebied).

De beleidslijn die Drenthe heeft vastgelegd in de Omgevingsvisie en in de uitwerking daarvan in de Omgevingsverordening is duidelijk en komt in Nederland relatief veel voor.

In principe moet detailhandel geconcentreerd zijn in bestaande centrumgebieden.Solitaire en verspreide vestigingen zijn beleidsmatig niet geheel uitgesloten en onder voorwaarden mogelijk.Het provinciaal beleid biedt ruimte voor specifieke vormen van detailhandel buiten centra, voor wat betreft branches en soorten winkels die niet essentieel zijn voor het functioneren van centrumgebieden (bestaande centrumgebieden) en/of voor winkels met een beperkte omvang die een vitaal platteland of het functioneren van trafficlocaties of toeristische voorzieningen ondersteunen.

De maatregelen zijn daarom coherent en systematisch ten aanzien van het algemene beleid in Nederland en bouwen coherent en systematisch voort op de beleidslijn uit het verleden. Dit wordt sinds het loslaten van het Rijksbeleid coherent en systematisch door de provincie uitgevoerd.

De opbouw van het pakket maatregelen

De maatregelen zijn gericht op het concentreren van detailhandel in bestaande centrumgebieden én op het sturen van de vestigingsmogelijkheden zodat de juiste functie op de juiste plek landt.

Ten aanzien van de vestiging binnen bestaand stedelijk gebied, maar buiten bestaande centrumgebieden worden de volgende uitzonderingen toegestaan:

Detailhandel gericht op dagelijkse behoeften in de vorm van supermarkten in kleine kernen, waar doorgaans slechts 1 supermarkt gevestigd is, waar niet echt sprake is van een concentratie van winkels in een centrumgebied én waar de supermarkt ruimtelijk niet goed inpasbaar is in dit centrumgebied. Dit teneinde de verzorging in dagelijkse behoeften (boodschappen) zo dicht mogelijk bij de consument mogelijk te maken. Dit sluit eveneens aan op het voormalige Rijksbeleid, met als uitgangspunt een fijnmazige en hiërarchische detailhandelsstructuur ten gunste van de eerste levensbehoefte en de leefbaarheid. Hiermee wordt ook de kans op duurzame ontwrichting voorkomen.Detailhandel gericht op niet-dagelijkse behoeften én in branches die niet essentieel zijn voor het functioneren van centrumgebieden, wanneer deze vanwege aard en omvang niet passen binnen de bestaande centrumgebieden (ínpassingscriterium). Deze beperkte mogelijkheden sluiten aan bij het voormalige Rijksbeleid wat sinds die tijd door de provincie coherent wordt uitgevoerd.Detailhandel in de dagelijkse en modische sector worden uitgesloten, omdat deze essentieel zijn voor het functioneren van de centrumgebieden (zie analyses hierna). Dit sluit ook aan op het gedachtegoed van het voormalige PDV- en GDV-beleid van het Rijk en de eerdere beleidslijn van de provincie Drenthe.Detailhandel met een beperkte omvang die gericht is op het ondersteunen van toeristische voorzieningen of specifieke trafficlocaties en kleinschalige detailhandel aan huis. Dit zijn vormen van detailhandel die geen invloed hebben op het functioneren van centrumgebieden.

Ten aanzien van de vestiging buiten stedelijk gebied (in het landelijk gebied) worden de volgende uitzonderingen toegestaan:

Detailhandel die niet essentieel is voor het functioneren van de bestaande winkelgebieden (dus niet zijnde in de branchegroepen dagelijks en mode & luxe), waarvan aantoonbaar is dat deze naar aard en omvang van de winkel niet inpasbaar is in stedelijk gebied. Deze beperkte mogelijkheden sluiten aan bij het voormalige Rijksbeleid wat sinds die tijd door de provincie coherent wordt uitgevoerd.Detailhandel in de dagelijkse en modische sector worden uitgesloten, omdat deze essentieel zijn voor het functioneren van de centrumgebieden (zie analyses hierna). Dit sluit ook aan op het gedachtegoed van het voormalige PDV- en GDV-beleid van het Rijk en de eerdere beleidslijn van de provincie Drenthe.Detailhandel met een beperkte omvang die gericht is op het ondersteunen van toeristische voorzieningen of specifieke trafficlocaties en kleinschalige detailhandel waarbij de aard van de verkochte goederen in verband staat met de hoofdactiviteit van dat (veelal agrarisch) bedrijf. Dit zijn vormen van detailhandel die geen invloed hebben op het functioneren van centrumgebieden en die de leefbaarheid en vitaliteit van het landelijke gebied ondersteunen.

Gelet op de nagestreefde doelen is dit pakket aan maatregelen voor het beperken van de vestigingsmogelijkheden buiten de bestaande centrumgebieden coherent en systematisch.

Conclusie

Sinds het bestaan van het provinciale detailhandelsbeleid zijn de hoofdlijnen van het beleid niet gewijzigd. Detailhandel dient geconcentreerd te worden in bestaande centrumgebieden, waarbij voor detailhandel die niet essentieel voor het functioneren van bestaande centrumgebieden en die qua aard en omvang niet inpasbaar is in bestaande centrumgebieden onder voorwaarden maatwerk mogelijk is. Het beleid van de provincie Drenthe en meer specifiek de beperkingen hierin, worden coherent en systematisch uitgevoerd.

De maatregelen uit de Omgevingsverordening Drenthe zijn derhalve coherent en systematisch en doorstaan de hypocrisietest.

4.3 Geschiktheid

Bij het beantwoorden van de vraag of het brede pakket aan maatregelen een zinvolle bijdrage levert om de nagestreefde algemene doelen te bereiken zijn op basis van de recente jurisprudentie de volgende aspecten van belang:

Het is vaste rechtspraak van het Europese Hof dat een maatregel al voor de evenredigheidstoets slaagt indien hij kan bijdragen aan de verwezenlijking van de nagestreefde doelstelling. De maatregel hoeft niet noodzakelijkerwijs zelfstandig deze doelstelling te verwezenlijken. (De Afdeling verwijst naar het arrest van het Hof van 13 juni 2018, Deutscher Naturschutzring, ECLI:EU:C:2018:433, punt 49). https://www.navigator.nl/document/id69612afcfcb645f5af618cfd67557c35?anchor=id-314abb86-31ad-494a-85c8-58aad5491065In de uitspraak Decathlon Schiedam/Den Haag (ECLI:NL: RVS:2019:965) https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RVS:2019:965 wordt dit door de Raad van State nader uitgewerkt. Men stelt dat niet voor elke specifieke beperking die uit de regeling volgt aannemelijk te maken is dat deze er op zichzelf toe leidt dat de nagestreefde doelen worden bereikt en dat het achterwege laten daarvan er op zichzelf toe leidt dat de nagestreefde doelen niet worden bereikt. Aannemelijk moet worden dat de specifieke beperking een zinvolle bijdrage levert aan het bereiken van de met de regeling nagestreefde doelen.

Bij het aannemelijk maken van deze bijdrage kan in twee stappen worden gewerkt (zie uitspraak Appingedam ECLI:NL:RVS:2019:2569): https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RVS:2019:2569

Stap 1: kan in het algemeen, op basis van de resultaten van onderzoek naar de effectiviteit van ruimtelijk detailhandelsbeleid op landelijk, provinciaal of lokaal niveau, of gegevens ontleend aan koopstromenonderzoek aannemelijk worden gemaakt dat de maatregelen in het algemeen effectief zijn c.q. een zinvolle bijdrage levert aan het behalen van de doelen.Stap 2: Kan aannemelijk worden gemaakt dat dat de situatie in Drenthe niet zo bijzonder of afwijkend is dat die toepasbaarheid in het algemeen zich niet voordoet c.q. dat de algemene werking van maatregelen niet ook hier van toepassing zou zijn.

Stap 1: Leveren de maatregelen in het algemeen een zinvolle bijdrage aan het bereiken van de doelen

Algemeen Nederland en buitenland

De maatregelen betreffen het beperken van de vestigingsmogelijkheden buiten de bestaande centrumgebieden voor detailhandel in vooral de branches die essentieel zijn voor het functioneren van de centrumgebieden (dagelijkse en mode & luxe artikelen).In algemene zin kan gesteld worden dat de vestigingsbeperkingen die het Nederlandse detailhandelsbeleid kenmerken (met name voor dagelijkse goederen en mode & luxe artikelen), hebben bijgedragen aan een fijnmazige en relatief goed functionerende detail-handelsstructuur met vitale, aantrekkelijke en leefbare centra. Complete centra zijn aantrekkelijker voor de consument, kennen meer bezoekers, een hogere koopkrachtbinding een grotere koopkrachttoevloeiing, een lagere leegstand en een beperkter leegstandsrisico dan centra met een suboptimaal branche-aanbod. Andersom gesteld: centrumgebieden die concurrentie ondervinden van locaties buiten de centrumgebieden, kampen vaker met lagere bezoekersaantallen, een lagere binding, een kleinere toevloeiing en hogere leegstand(srisico’s).Een vergelijking van de Nederlandse detailhandelsstructuur met die van België – waar de beleidsvoering meer ruimte liet en pas recent een kentering gaande is – kan dat illustreren (zie ook de nadere onderbouwing in hoofdstuk 6). Zo is het aandeel centrumbranches dat buiten de centrumgebieden is gevestigd, in Nederland substantieel lager dan in België.

afbeelding binnen de regeling

Uit onderzoek van Locatus naar winkelleegstand in Nederland en België blijkt dat de leegstand in België hoger is en zich, sterker dan in Nederland, manifesteert in de centrumgebieden.

afbeelding binnen de regeling

Deze redenering wordt min of meer gedeeld door de Advocaat-Generaal van het Europese hof in zijn conclusie in de zaak Appingedam (148).

“Winkelcentra buiten de binnenstad hebben een zichzelf versterkend effect. Wanneer bepaalde winkels zich eenmaal buiten de stadskern bevinden en de inwoners daar met de auto heen gaan, wordt die locatie ook aantrekkelijker voor andere winkels die tot dusverre in de binnenstad waren gevestigd. De enige manier om de negatieve gevolgen van een verkeerstoename en een lege binnenstad te vermijden is dus om de mogelijkheden voor dienstverrichters om zich buiten de binnenstad te vestigen, te beperken.”

In de onderbouwing voor de vestigingsbeperking op het meubelplein in Appingedam (ECLI:NL:RVS:2019:2569) https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RVS:2019:2569 wordt met data onderbouwd dat de kwaliteit van een centrumgebied samenhangt met de omvang en het aandeel centrumbranches. Wanneer dit af neemt – door de mogelijkheden om zich ook buiten het centrum te vestigen- neemt het aantal passanten af, is de gemiddelde huurprijs lager, zijn de omzetten gemiddeld lager en neemt de kans op leegstand toe.

Ook in de uitspraak Decathlon Schiedam/Den Haag ECLI:NL:RVS:2019:965) https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RVS:2019:965 wordt door de Raad van State aangegeven dat, op basis van het aangeleverde onderzoek in deze zaak, brancheringmaatregelen uit de verordening Ruimte van de provincie Zuid-Holland, die een vergelijkbare werking hebben voor de mogelijkheden voor vestiging buiten de bestaande centrumgebieden als de brancheringmaatregelen in de Omgevingsverordening Drenthe, effectief zijn.

Algemeen provincie Drenthe

De voorgaande (inmiddels) algemeen geaccepteerde conclusies gelden ook voor de provincie Drenthe. Op basis van het recent uitgevoerde koopstromenonderzoek Oost-Nederland 2019 is voor de gemeenten in Drenthe onderzocht hoe gemeenten en centra zich de afgelopen jaren hebben ontwikkeld. Als we inzoomen op de HEMA-steden (Hoogeveen, Emmen, Meppel, Assen) en RoBeCo-steden (Roden, Beilen, Coevorden) kan worden geconcludeerd dat ook in Drenthe het belang van maatregelen voor detailhandelsvestigingen buiten centra belangrijk is.

Binnen het gehele onderzoeksgebied van het koopstromenonderzoek Oost-Nederland 2019 (waarbinnen ook Drenthe valt) is het marktaandeel van de hoofdcentra van kernen sinds 2015 toegenomen van gemiddeld 0,51% naar gemiddeld 0,68% per centrum in de niet-dagelijkse sector.Tegelijkertijd is in diezelfde periode het marktaandeel van grootschalige concentraties, zoals perifere woonboulevards en retailparken afgenomen van 0,75% gemiddeld per locatie in 2015 naar 0,61% gemiddeld per locatie in 2019 in de niet-dagelijkse sector.Het marktaandeel van een winkelgebied staat gelijk aan het totaal aantal bestedingen dat dit winkelgebied (of winkelgebiedstype) aantrekt ten opzichte van de totale bestedingen in Oost-Nederland. Het bovenstaande toont aan dat de hoofdcentra (waar beleidsmatig op wordt ingezet) aan marktaandeel hebben gewonnen, terwijl de perifere winkelconcentratie in marktaandeel hebben ingeleverd. Dit is een indicatie van de effectiviteit van het provinciaal beleid en de provinciale verordening, wat is doorgevoerd in gemeentelijk beleid en bestemmingsplannen. In bijlage 1 is dit voor enkele centra nader uitgewerkt.Opgemerkt moet worden dat in de hoofdcentra in Drenthe in tegenstelling tot andere centra in Oost-Nederland (Overijssel en delen van Gelderland) ook sprake is van een sterke afname van het marktaandeel in centra, namelijk van gemiddeld 0,89% in 2015 naar 0,85% in 2019 voor dagelijkse artikelen en 1,90% in 2015 en 1,58% in 2019 voor niet-dagelijkse artikelen. Tegelijkertijd neemt ook het marktaandeel in de perifere concentraties af van 0,35% in 2015 naar 0,31% in 2019 voor niet-dagelijkse artikelen.Het feit dat de marktaandelen van alle type centrumgebieden in Drenthe afnemen betekent niet dat het provinciaal beleid niet effectief is. Zoals in tabel 1 is aangetoond heeft Drenthe te maken met een aantal trends die zich sterker negatief manifesteren dan elders in Nederland, denk aan de sterkere bevolkingskrimp. De cijfers onderstrepen het belang van het opleggen van beperkingen voor plancapaciteit voor detailhandel buiten centra ten gunste van de algemene doelen.Verder blijkt dat er een verband bestaat tussen het leegstandspercentage (Locatus) in centra en de beoordeling van deze centra. Indien het leegstandspercentage laag is, scoren centra in de beoordeling beter met een hoger rapportcijfers (KSO Oost-Nederland).

Stap 2: Is de situatie in Drenthe niet bijzonder of afwijkend t.o.v. landelijk gemiddelde dat de algemene werking van maatregelen niet ook hier van toepassing is?

Op basis van de uitspraken Schijndel en Maastricht wordt duidelijk welke indicatoren bruikbaar zijn om de situatie in Drenthe te vergelijken met die in Nederland om te bepalen of de situatie in Drenthe niet zodanig bijzonder of afwijkend t.o.v. landelijk gemiddelde dat de dat de algemene werking van maatregelen niet ook hier van toepassing zou zijn. Het betreft onder andere:

demografische structuur/bevolkingsprognose;kenmerken van het winkelaanbod;leegstand;kenmerken van de verzorgingsstructuur.

In tabel 1 worden de provincie Drenthe en Nederland vergeleken op deze indicatoren.

In Drenthe is sprake van een beperkte bevolkingskrimp, terwijl er in Nederland sprake is van bevolkingsgroei. De krimp betekent extra druk op het bestedingspotentieel en daarmee het economisch draagvlak voor detailhandelsvoorzieningen. Dit onderstreept daarmee het belang van het opleggen van maatregelen ten gunste van de leefbaarheid en vitaliteit van de reguliere centra.Het dagelijks en niet-dagelijks winkelaanbod in m² wvo per 1.000 inwoners ligt in Drenthe boven het landelijk gemiddelde, wat mede wordt verklaard door de aanwezigheid van toerisme. Anderzijds is het een mogelijke indicatie van overaanbod van detailhandel. Ook dit onderstreept het belang van het opleggen van maatregelen.In Drenthe is ten opzichte van Nederland minder dagelijks winkelaanbod in de periferie aanwezig. Hieruit blijkt het effect van de maatregelen om dagelijkse artikelen primair in de centra te faciliteren. Het niet-dagelijkse aanbod in de periferie ligt in Drenthe iets boven-gemiddeld, maar dat is waarschijnlijk een groot aandeel volumineuze artikelen waarvoor uitzonderingen gelden. Er zijn in Drenthe ook iets meer grootschalige concentratiegebieden. Daarnaast is Drenthe minder stedelijk dan andere delen van Nederland, waardoor detailhandel vanwege het inpassingscriterium van oudsher een plek heeft buiten de centra.Het leegstandspercentage (leegstand afgezet tegen het publieksgerichte aanbod) ligt in Drenthe rond het landelijk gemiddelde. Het leegstandspercentage van het aantal wvo is echter iets lager in Drenthe, wat mogelijk een indicatie is van de effectiviteit van de maatregelen. Ook op basis van andere parameters, zoals het afnemende marktaandeel en bevolkingskrimp zou je in Drenthe een hogere leegstand verwachten. Naast de maatregelen (juridisch) zet de provincie ook sterk in op transformatie naar niet-winkelfuncties via subsidies.De detailhandelsstructuur en –hiërarchie in Drenthe is vergelijkbaar met het landelijk gemiddelde. Er is in met name de grotere steden sprake van fijnmazigheid van type winkelgebieden, met hoofdcentra, buurt- en wijkcentra en grootschalige concentraties. Wel heeft Drenthe gemiddeld meer hoofdcentra dan landelijk. Dit zijn de hoofdcentra of binnensteden in de steden en dorpen. Een verklaring hiervoor is het feit dat in Drenthe relatief veel dorpen en kleine steden aanwezig zijn, met ieder (van oudsher) een centrumgebied.Per saldo kan gesteld worden dat de situatie Drenthe niet zodanig substantieel af wijkt van de Nederlandse situatie dat trends en ontwikkelingen die op Nederland van toepassing zijn niet ook in Drenthe gelden. En dus dat de algemene werking van maatregelen niet ook hier van toepassing zou zijn.

afbeelding binnen de regeling

4.4 Maatregelen gaan niet verder dan nodig

Algemeen

Om de doelen van het provinciaal detailhandelsbeleid te bereiken wordt ingezet op het vitaal houden van de bestaande centrumgebieden en detailhandelsstructuur, op het ondersteunen van de vitaliteit van het landelijk gebied en op het voorkomen van onaanvaardbare effecten. Dit gebeurt door het enerzijds versterken van deze structuur via ‘zachte’ maatregelen en anderzijds door juridische borging om te voorkomen dat onaanvaardbare vestiging of uitbreiding van detailhandel op ongewenste locaties kan plaatsvinden. Het opleggen van vestigingsbeperkingen voor specifieke branches buiten de bestaande centrumgebieden is hiervoor de gebruikelijke aanpak.

Het bestemmingsplan is op gemeenteniveau het enige instrument dat effectief stuurt op gebruik van gronden. Voor de provincie is gekoppeld hieraan de Omgevingsverordening het meest passend om de geformuleerde algemene doelen (uit de Omgevingsvisie) te bereiken. De verordening is voor de provincie het enige instrument waarmee bindend kan worden afgedwongen dat gemeenten de beleidslijn van de provincie volgen, waarbij Drenthe kiest voor voldoende flexibiliteit om nadere keuzes te maken op gemeenteniveau.

Wat betreft de ‘zachte’ maatregelen stimuleert Drenthe vanuit verschillende provinciale fondsen de gemeenten om het beleid tot uitvoering te brengen. Denk hierbij aan subsidies om de leegstand in centra terug te dringen en transformatie en herstructurering te stimuleren.

De combinatie van harde en zachte maatregelen zorgen tezamen voor de gewenste hoofdstructuur. Indien uitsluitend wordt ingezet op ‘zachte’ niet-bindende maatregelen, kan niet worden voorkomen dat er alsnog onaanvaardbare ontwikkelingen in de periferie plaatsvinden. Het risico bestaat dat veel energie, geld en tijd wordt gestoken in acties en maatregelen om de structuur te versterken, terwijl winkels vanwege prijsvoordelen, betere bereikbaarheidssituaties en fysiek-ruimtelijke mogelijkheden zich op ongewenste c.q. structuur verstorende locaties vestigen (bedrijventerrein). Hierdoor kan het evenwicht in de hoofdwinkelstructuur uit balans worden gebracht, met onaanvaardbare effecten als gevolg.

Ook uit jurisprudentie (o.a. Schijndel 201600624 /2/R3) https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RVS:2020:972 komt naar voren dat men zich in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat alternatieven zoals verruiming van planologische mogelijkheden in het centrum, city-management, transformatie naar woningen, investeringen in het openbaar gebied en de infrastructuur, het vaststellen van een leegstandsverordening of het invoeren van leegstandsbelasting of leegstandsboetes, niet toereikend zijn voor het bereiken van de met brancheringsmaatregelen beoogde doelen.

De Raad van State geeft aan dat men daarom redelijkerwijs kan concluderen dat regelingen met betrekking tot het beperken van vestigingsmogelijkheden voor detailhandel buiten de aangewezen bestaande centrumgebieden niet verder gaat dan nodig is om het beoogde doel te bereiken en dat doel niet met andere, minder beperkende maatregelen kan worden bereikt.

afbeelding binnen de regeling

Conclusie

Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de maatregelen uit de verordening niet verder gaan dan nodig, omdat uitsluitend op hoofdlijnen wordt gestuurd. Bovendien biedt de Omgevingsverordening voldoende ruimte voor lokaal maatwerk.Er zijn geen andere minder beperkende maatregelen denkbaar die hetzelfde doel bereiken.

5 Conclusie

Met de hoofddoelen uit de provinciale Omgevingsvisie en de uitwerking hiervan doelen en maatregelen in de Omgevingsverordening handelt de provincie Drenthe coherent en systematisch en in relatie tot het landelijke beleid. De provincie Drenthe voert de hoofdlijnen van het huidige beleid al uit sinds het bestaan van provinciaal (decentraal) detailhandelsbeleid. Het pakket maatregelen is coherent en wordt coherent en systematisch uitgevoerd.

De maatregelen in de provinciale Omgevingsverordening zijn aantoonbaar geschikt om de algemene doelen te bereiken. De maatregelen zijn op hoofdlijnen vergelijkbaar met de maatregelen die elders in Nederland effectief zijn gebleken en onderbouwd. De situatie in Drenthe is daarnaast aantoonbaar is niet zo bijzonder of afwijkend dat de algemene werking van maatregelen niet ook hier van toepassing zou zijn.

Bovendien blijkt uit specifieke koopstromen, aanbod en leegstandcijfers dat het provinciaalbeleid effectief is om de algemene doelen te bereiken.

Maatregelen gaan niet verder dan nodig en er zijn bovendien geen andere minder beperkende maatregelen geschikt die hetzelfde doel bereiken.

Op basis van het voorgaande moet geconcludeerd worden dat de provinciale Omgevingsvisie en –verordening voldoet aan de evenredigheidseis van de Dienstenrichtlijn.

6 Algemene analyses effectiviteit brancherings- en maatvoeringsbeperkingen

6.1 Buitenlandse effecten van detailhandelsbeleid

België voert in tegenstelling tot Nederland veel minder streng detailhandelsbeleid ten aanzien van vestiging buiten de centra en branchebeperkingen. Goede voorbeelden zijn de ‘baanwinkels’ en shoppingcenters net buiten de binnensteden (vaak aan ringwegen). Het soepele detailhandelsbeleid van Belgische overheden heeft ertoe geleid dat de leegstand in de binnensteden/centra (veel) hoger is dan in Nederland en bovendien al jaren sterk toeneemt. Op basis van Locatus (2017), blijkt deze leegstand ook vooral hardnekkig te zijn in de hoofdwinkelgebieden en de kernverzorgende centra met 17% en 16%. Dit betekent dat ongeveer 1 op de 6 winkelpanden in deze centra leegstaat. De leegstand in Belgische hoofdcentra ligt daardoor veel hoger dan het landelijk Nederlandse gemiddelde (7% à 8% in Nederland). In de grootschalige concentraties en solitaire winkelpanden in België is de leegstand ‘slechts’ rond de 6% à 7%.

Inmiddels is in België de urgentie van branchebeperking doorgedrongen, aangezien de effecten van de leegstand onaanvaardbaar zijn voor de leefbaarheid en aantrekkelijkheid van de centra. Navolgend zijn enkele passages ter onderbouwing van het bovenstaande uiteengezet:

“Uit de ruimtelijke spreiding van de winkels blijkt dat het Vlaams Gewest gekenmerkt wordt door een sterke verspreide bewinkeling. Slechts 28 % van de totale winkeloppervlakte is gesitueerd in het centrale winkelgebied. 44 % is verspreide bewinkeling. [...] Zo nam het aanbod in de periferie toe met 1,5 miljoen vierkante meter, in tegenstelling tot een afname van maar liefst 114.000 vierkante meter in de kernen. Daarbij komt nog dat het effectieve gebruik van de panden daalde met 6,8 procent en dat de winkelleegstand steeg van 4,9 tot 7,2 procent.” (Unizo 2014)."De toenemende leegstand in onze centra is vooral het gevolg van steeds meer shoppingcenters en baanwinkels buiten de kern en te weinig investeringen in de aantrekkelijkheid van de kern zelf. Als dit zo blijft voortduren, dan tekenen we voor de ondergang van onze gezellige winkelkernen in het hart van een stad of gemeente. Voorbeelden van dergelijke steden zijn er jammer genoeg meer en meer.” (Unizo 2015).“In theorie is het een prioriteit voor alle overheden in ons land. In de praktijk blijven de 'baanwinkels' en shoppingcentra buiten de steden terrein winnen.” (Knack 2017).

Net als in België wordt een vergelijkbare urgentie uitgesproken over de situatie in Frankrijk:

“Afgelopen januari luidde de Franse detailhandelsfederatie Procos, die 260 bekende Franse winkelmerken verenigt, de noodklok: opnieuw was de leegstand verder opgelopen. Stond in 2001 nog 6,3 procent van de winkels in de Franse binnensteden leeg, in 2014 was dat 8,5 procent. Dat komt niet zozeer door failliete ketens, zoals in Nederland, maar door kleine middenstanders die uit de markt geprijsd worden door internethandel en de steeds grotere centre commerciaux aan de rand van de stad.” (NRC 2016).“Zo zit Frankrijk met de hypermarchés in zijn maag, die vanuit het stadscentrum naar de rand van de stad zijn verhuisd en die de binnensteden hebben leeggetrokken.” (Retailtrends 2018)".

Het bovenstaande toont aan op basis van ‘specifieke gegevens’ dat het loslaten van brancheringsbeperkingen wel degelijk zal leiden tot onaanvaardbare leegstandseffecten in binnensteden/centra. Uit leegstandcijfers in onder andere België en Frankrijk blijkt dit.

6.2 Effectiviteit beleid: marktaandelen winkelgebieden

In de navolgende tabellen is de ontwikkeling van de marktaandelen van de belangrijkste winkelgebieden in Drenthe naar type op basis van Koopstromenonderzoek Oost-Nederland 2019 (I&O Research) weergegeven. Hierin is een vergelijking gemaakt tussen 2015 en 2019.

Het winkelaanbod in hoofdcentra van steden in Drenthe staan onder druk als gevolg van afnemende bestedingen. Dit blijkt uit het afgenomen marktaandeel sinds 2015 van de grootste binnensteden in Drenthe. Dit wordt voor een deel verklaard door de toename van internetaankopen. In sommige steden wordt dit ook deels verklaard door de toenemende bestedingen op grootschalige locaties, zoals in Assen.Indien de provincie het concentratiebeleid voor winkels in de hoofdcentra zou loslaten, zou het effect op het marktaandeel aanzienlijk groter zijn, wat negatief is voor het functioneren van het aanbod in de hoofdcentra.De buurt- en wijkcentra in Drenthe hebben het marktaandeel sinds 2015 over het algemeen weten te behouden. Dit betekent dat de bestedingen in verhouding tot andere winkelgebieden stabiel is gebleven, ondanks het feit dat de bestedingen via online zijn toegenomen. Het beleidsmatig inzetten op concentratie in buurt- en wijkcentra heeft er de afgelopen jaren toe geleid dat het marktaandeel niet verder is afgenomen. Dit is een indicatie dat het beleid op dit onderdeel effectief is.De ontwikkeling van het marktaandeel van grootschalige concentraties in Drenthe wisselt sterk per winkelgebied. Met name in gemeenten waar relatief veel aanbod in de periferie aanwezig is en een brede branchering bestaat in de vorm van een retailpark, blijft het marktaandeel op peil of neemt deze toe. Indien het toeneemt, gaat dit veelal wel ten koste van het marktaandeel van het centrum. Ook hieruit blijkt de effectiviteit van beleid.

afbeelding binnen de regeling

Tabel 2: Marktaandeel dagelijkse en niet-dagelijkse sector hoofdcentra Drenthe

afbeelding binnen de regeling

Tabel 3: Marktaandeel dagelijkse en niet-dagelijkse sector buurt- en wijkcentra Drenthe

afbeelding binnen de regeling

Tabel 4: Marktaandeel dagelijkse en niet-dagelijkse sector grootschalige concentraties Drenthe

Effectiviteit beleid: ontwikkeling aanbod en leegstand

Op basis van de leegstandsanalyse in de verschillende winkelgebiedstypen in Drenthe moet het volgende worden geconcludeerd:

De leegstand is sinds 2010 in de centrale winkelgebieden en ondersteunende winkelgebieden toegenomen van 292 panden met 47.555 m² wvo in 2010 tot 441 panden met 78.792 m² wvo in 2021. De provinciale doelen richten zich primair op het versterken van deze type winkelgebieden. De toename van de leegstand in deze winkelgebieden zegt niet zozeer iets over de effectiviteit van het beleid, maar meer over het belang van duidelijke maatregelen.Opgemerkt moet worden dat landelijk ook sprake is van een toename van de leegstand in de reguliere centra sinds 2010. In Nederland is landelijk sprake van een toename van de leegstandsomvang in m² wvo van bijna 40% sinds 2010. In Drenthe ligt deze toename op circa 65%. Dit betekent dat de leegstandsproblematiek in Drenthe bovengemiddeld groot is, wat maatrelen onderstreept. Wel is in Drenthe sinds 2016 een afname van de leegstand zichtbaar.Het dagelijks winkelaanbod is in de centra van Drenthe relatief op peil gebleven of neemt zelfs toe, terwijl met name het niet-dagelijkse aanbod fors afnam (met name in de hoofdwinkelgebieden). Hoewel dit voor een deel wordt bepaald door autonome trends, heeft ook het beleid van de provincie Drenthe (en gemeenten) hier invloed op. Door te blijven inzetten op concentratie van dagelijkse voorzieningen in de reguliere centra, kan de leefbaarheid worden bewaard en kunnen ondernemers van elkaars aantrekkingskracht profiteren. Ook voor de consument is dit positief, omdat hierdoor gemak en efficiëntie ontstaat.

Conclusie

Op basis van de uitgevoerde analyses moet geconcludeerd worden dat de effectiviteit van maatregelen die Drenthe stelt in haar Omgevingsverordening in vergelijkbare mate geschikt zijn als landelijk is aangetoond.

Drenthe is op basis diverse relevante indicatoren niet bijzonder of afwijkend van het landelijk gemiddelde. Wel wijkt Drenthe op diverse parameters af die juist het belang van duidelijke maatregelen, ofwel beperkingen, onderstrepen. In Drenthe zijn landelijke trends zoals een afname van het (niet-dagelijkse) aanbod, bevolkingskrimp en een toename van de leegstand relatief sterk aanwezig en bovengemiddeld.Op basis van het Koopstromenonderzoek Oost-Nederland 2019 en aanbod- en vraagcijfers, blijkt dat brancherings- en maatvoeringsbeperkingen in Drenthe effectief zijn om de algemene doelen te bereiken.De omgevingsverordening is de basis voor het ‘brede pakket’ aan maatregelen dat in Drenthe gevoerd wordt. Gemeenten voeren dit uit via bestemmingsplannen, die beschouwd kunnen worden als de specifieke onderdelen uit het brede pakket. Met deze analyse is aangetoond dat het brede pakket effectief is en daarmee een zinvolle bijdrage levert aan de algemene doelen (noodzakelijkheid).

Op basis van het voorgaande moet worden geconcludeerd dat de gestelde regels in de Omgevingsverordening ten aanzien van detailhandel in het kader van de Dienstenrichtlijn geschikt zijn.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

Dit artikel omschrijft enkele begrippen die zonder deze uitleg mogelijk onduidelijk zijn. Voorts zij erop gewezen dat de begrippen uit de bijlage bij de Omgevingswet van rechtswege van toepassing zijn op deze omgevingsverordening. Dit volgt uit artikel 1.1, lid 2, van de Omgevingswet. Onderstaand wordt een aantal begrippen aanvullend toegelicht.

Explainmodule

De explainmodules bevatten een handreiking op welke manier het kwaliteitsniveau wordt bereikt als niet rechtstreeks aan de kwaliteitscriteria wordt voldaan. Dit kwaliteitsniveau voor uitvoering en handhaving is tot stand gekomen in samenwerking met gemeenten, provincie en de omgevingsdienst. Deze zijn vastgelegd in de Handreiking bij Drentse Verordening Kwaliteit Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving Omgevingsrecht.Een belangrijk begrip in deze verordening is kwaliteitscriteria. De kwaliteitscriteria waar het hier om gaat zijn - thans - de Kwaliteitscriteria 2.2 voor VTH, die in brede samenwerking door de bevoegde gezagen zijn ontwikkeld en beschikbaar gesteld voor de kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving, op het gebied van de beschikbaarheid en de deskundigheid van de daarmee belaste organisaties. Deze liggen aan de basis van het VTH-stelsel. Deze kwaliteitscriteria zullen in de loop van de jaren worden verbeterd en geactualiseerd. Momenteel is versie 2.2 van toepassing. Vanwege de verdere ontwikkeling van de kwaliteitscriteria is in de begripsbepaling een dynamische verwijzing opgenomen, zodat bij de ontwikkeling en beschikbaarstelling van een volgende versie van de kwaliteitscriteria niet tot aanpassing van de verordening hoeft te worden overgegaan. Met deze begripsbepaling en de verankering in paragraaf 13.2 van de verordening liggen de kwaliteitscriteria aan de basis van deze verordening.

Grondgebonden agrarisch bedrijf

Dit is een agrarisch bedrijf waarvan de exploitatie geheel of grotendeels gebonden is aan aanwezige gronden, met uitzondering van varkens-, pluimvee- en geitenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen. Wanneer een bedrijf (varkens, pluimvee- en geitenhouderij) vanaf de start handelt naar de eisen voor biologische landbouw volgens de landbouwkwaliteitswet in aanloop naar daadwerkelijke certificering zou het biologische landbouwbedrijf als nieuwvestiging van een grondgebonden bedrijf beschouwd kunnen worden. Aandachtspunt daarbij is dat, uiteraard, door de gemeente moet worden toegezien of het uiteindelijk daadwerkelijk een biologisch/grondgebonden bedrijf betreft.

Intensieve veehouderij

Op de onderdelen rundveemesterij en vleeskalverhouderij is een nuancering aangebracht. Niet altijd hoeft bij rundveemesterijen sprake te zijn van intensieve veehouderij. Dit is bijvoorbeeld het geval bij het extensief weiden van rundvee. In een bedrijfsplan zal dat moeten worden aangetoond. Dit is ook incidenteel het geval als het gaat om vleeskalverhouderijen en dan specifiek als het gaat om rosé-kalveren. Voor de goede orde, dit geldt uitdrukkelijk niet voor geitenhouderijen, deze zijn altijd intensieve veehouderij, tenzij het biologische veehouderij conform de Landbouwkwaliteitswet als ook vermeld onder het begrip Grondgebonden agrarisch bedrijf.

Openbare weg

Voor het begrip openbare weg is aansluiting gezocht bij de Wegenverkeerswet 1994. Krachtens de Wegenverkeerswet 1994 wordt onder het begrip wegen verstaan alle wegen en paden die voor het openbaar verkeer open staan. Derhalve ook op die wegen welke alleen open staan voor voetgangers en fietsers. Wegen die alleen open staan voor voetgangers en fietsers worden uitgezonderd van het begrip openbare weg. Op deze wegen en paden dienen motorvoertuigen worden geweerd in verband met een stiltegebied. Bij overtreding kan handhavend worden opgetreden.

Hoofdstuk 3 Ruimtelijk Omgevingsbeleid

Met dit hoofdstuk wordt het ruimtelijk beleid van de provincie Drenthe vastgelegd in de omgevingsverordening. Het hoofdstuk betekent een voortzetting van het beleid zoals dat onder de Wro werd gevoerd. Het instrument hiervoor blijft de instructieregel, net als onder de Wro. De instructieregels zijn, onder meer, van toepassing op:

  • a.

    De inhoud van omgevingsplannen van de gemeenteraad, vastgesteld op grond van artikel 4.1 Omgevingswet;

  • b.

    projectbesluiten van gedeputeerde staten en het dagelijks bestuur van het waterschap op grond van artikel 5.44 Omgevingswet, en;

  • c.

    omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten, inhoudende een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan.

De Omgevingswet introduceert het Digitale Stelsel Omgevingswet (DSO). Dit nieuwe stelsel brengt vele veranderingen met zich mee. Eén van de meest in het oog springende veranderingen voor de omgevingsverordening is dat niet meer wordt gewerkt wordt met verwijzingen naar kaarten. In plaats daarvan wordt gewerkt met zogeheten 'werkingsgebieden'. Hoe dit precies moet, is vastgelegd in de Standaarden voor Overheidspublicaties (hierna: STOP) en Toepassingsprofielen voor Omgevingsdocumenten (hierna: TPOD). De 'kaart' bevat dus niet meer, zoals voorheen, zelf bepaalde inhoudelijke normen. Alle normen zijn te vinden in de regels van deze omgevingsverordening. Deze veranderende insteek brengt met zich mee dat regels op een andere wijze zijn geformuleerd. Dit is in het bijzonder merkbaar bij de regeling voor de Kernkwaliteiten. Waar onder de Wro kon worden volstaan met een enkele bepaling (artikel 2.6 van de POV (oud)), is het onder de nieuwe methode noodzakelijk voor elke kernkwaliteit een afzonderlijk artikel in te richten met vaak meerdere leden. Hiermee is echter niet beoogd te komen tot een beleidswijziging. Wel is gestreefd te komen tot een verduidelijking. In lijn met de gedachte van de Omgevingswet dat 'met een druk op de knop' helder moet zijn welke regel waar geldt, is gepoogd zoveel mogelijk bij elkaar te brengen.

Formulering instructieregels

Voor de uitleg van de instructieregels van deze verordening is het goed stil te staan bij enkele standaardformuleringen die hierin zijn terug te vinden. Voor zover de hierna genoemde formuleringen terugkomen in een instructieregel, kennen deze een specifieke juridische betekenis. In het bijzonder wordt hiermee gedoeld op de basistypen instructieregel: 'in acht nemen', 'rekening houden met' en 'betrekken bij'. Hieronder worden deze normen kort toegelicht.

Instructieregel basistype 1: 'in acht nemen': dit betekent dat de normadressaat geen ruimte heeft een eigen afweging te maken. Dit is het zwaarste sturingsniveau en betekent dat de omgevingsverordening exact voorschrijft wat er moet gebeuren. Er is geen afwijking mogelijk.

Ter illustratie kan gedacht worden aan een situatie waarbij de geluidsbelasting wordt geregeld. Wanneer dit wordt gedaan met basistype 1, kan de norm luiden: "een omgevingsplan neemt binnen woongebieden een geluidsbelasting van ten hoogste 50 db op de gevel in acht".In dit voorbeeld zou elk omgevingsplan dat deze norm overschrijdt in strijd zijn met de omgevingsverordening. Er zijn geen argumenten denkbaar waarmee de overschrijding kan worden verdedigd.

Instructieregel basistype 2: 'rekening houden met': dit betekent dat de normadressaat zelfstandig een beslissing kan nemen over een onderwerp, maar dat de instructieregel de bandbreedte geeft voor die beslissing. Deze norm gaat minder ver dan basistype 1, omdat onder omstandigheden een beperkte afwijking mogelijk is. Hiervoor moet dan wel onderzoek worden gedaan waaruit blijkt dat de concrete ontwikkeling aanvaardbaar is gelet op de te verwachten effecten en dat er mogelijkheden zijn nadelige effecten te mitigeren. Het is uiteindelijk aan gedeputeerde staten om te beoordelen of een concrete situatie desondanks noopt tot de inzet van een reactieve interventie of het onthouden van instemming. Goede afstemming hierover is dan ook essentieel.

Voortbordurend op het eerder aangehaalde voorbeeld, zou een uitwerking van basistype 2 als volgt kunnen luiden: "een omgevingsplan houdt binnen woongebieden rekening met een geluidsbelasting van ten hoogste 50 db op de gevel". In dit geval heeft de norm van 50 db nog steeds het primaat. Indien een omgevingsplan hierbinnen blijft, is deze in overeenstemming met de omgevingsverordening. Wel is er ruimte voor maatwerk wanneer dit desondanks niet lukt. Zo zou een hogere geluidsbelasting op de gevel desondanks aanvaardbaar kunnen zijn wanneer met onderzoek wordt aangetoond dat de geluidsbelasting in de woning zelf niet wordt aangetast. Hierdoor zou alsnogsprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Instructieregel basistype 3: 'Betrekken bij': betekent in het kader van de instructieregel dat een overheid aandacht schenkt aan feiten of verwachtingen van feiten. De bestuurlijke afwegingsruimte is groot. Deze instructieregel behelst een aanvulling op artikel 3:2 en 3:4 van de Awb. Het gaat erom dat het genoemde belang wordt meegenomen in de afweging. Het resultaat van de belangenafweging is echter aan het bevoegde gezag.

Wanneer, tot slot, deze norm wordt vormgegeven met toepassing van basistype 3, luidt de norm als volgt:"een omgevingsplan betrekt binnen woongebieden de geluidsbelasting van ten hoogste 50 db op de gevel". In dit geval impliceert de instructieregel dat het omgevingsplan er blijk van geeft dat de geluidsnorm wordt betrokken in de belangenafweging die wordt gemaakt. Wel is hier een lichtere motiveringsplicht dan bij basistype 2 om tot een afwijking te komen. Zo zou met een redenering kunnen worden volstaan. Voorts zou een reactie van GS pas in de rede liggen wanneer in het geheel geen belangenafweging is gemaakt of wanneer deze kennelijk onjuist is.

Met name bij de kernkwaliteiten wordt gebruik gemaakt van de bovenstaande systematiek. De wetgever maakt zelf ook gebruik van deze systematiek bij het vormgeven van instructieregels in de Omgevingswet. Zie hiervoor ook de memorie van toelichting van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving, waarin de instructieregels van het Rijk richting provincies, gemeenten en waterschappen staan opgenomen (Stb 2018, 292, p. 218).

Verleggen onderzoekslast omgevingsplan:

De Omgevingswet geeft voor de vaststelling van omgevingsplannen de mogelijkheid de onderzoekslast tot op zekere hoogte uit te stellen (Stb 2018, 290, p. 101 e.v.). In plaats van dat bij vaststelling helder moet zijn dat de activiteiten waarin een plan voorziet uitvoerbaar zijn, mag hiermee worden gewacht tot het moment dat hiervoor daadwerkelijk een omgevingsvergunning wordt aangevraagd. Deze werkwijze moet het eenvoudiger maken flexibele omgevingsplannen vast te stellen. Voor de provinciale belangen die staan vastgelegd in deze omgevingsverordening geldt dat een provinciaal advies noodzakelijk wordt geacht. Daarom is vereist dat een omgevingsplan reeds bij vaststelling onderbouwt in welke mate kan worden voldaan aan de opgenomen instructieregels. Dit geldt ook voor activiteiten waarvan de realisatie op dat moment nog niet helder is. Zonder deze onderbouwing is de aanvaardbaarheid van het omgevingsplan namelijk onduidelijk.

Titel 3.1 Kernkwaliteiten

Bij de totstandkoming van de Omgevingsvisie 2018 haalde de provincie onder een zo breed mogelijk publiek die aspecten op die volgens hen de ruimtelijke identiteit en aantrekkelijkheid van Drenthe vormen. Deze 'Kernkwaliteiten' zijn in paragraaf 2.3.1 van de Omgevingsvisie opgenomen en in deze verordening nader uitgewerkt. Ze vormen voor de provincie Drenthe de belangrijkste basis voor het begrip ruimtelijke kwaliteit. In hoofdstuk 4 van de Omgevingsvisie worden de kernkwaliteiten ontrafeld. Het gaat om stilte en duisternis, openheid van het landschap, natuur binnen het Natuurnetwerk Nederland, diversiteit en gaafheid van landschappen, cultuurhistorie, archeologie en aardkundige waarden. In hoofdstuk 3 van de Omgevingsvisie 2018 wordt toegelicht hoe het provinciebestuur behoud en ontwikkeling van kernkwaliteiten in de praktijk zal nastreven.

Provinciale Staten zetten onder de Omgevingswet de inhoudelijke normstelling voort met betrekking tot de Kernkwaliteiten zoals die vanaf 3 oktober 2018 is ingezet. Wel zijn er wijzigingen in de manier waarop dit wordt gedaan. Zie hiervoor ook de algemene bespreking in deze toelichting onder 'algemeen'. Deze wijzigingen vloeien met name voort uit de eisen die worden gesteld in de STOP-TPOD en de Omgevingswet zelf.Zoals vermeld moet onder de Omgevingswet gewerkt worden met werkingsgebieden in plaats van kaarten. Een verschil met de werkwijze onder de vorige wetgeving is dat in mindere mate gewerkt kan worden vanuit de visuele verbeelding. Het is vereist om een regel op te nemen in de regels van de omgevingsverordening die correspondeert met een concreet werkingsgebied waarbinnen deze regel geldt. Voor de kernkwaliteiten betekent dit allereerst dat bepaalde onderdelen die eerst op de kaart stonden aangegeven, nu in de regel moeten worden opgenomen. Daarnaast betekent dit dat per werkingsgebied helderder moet worden aangegeven welke regel geldt. Een gebruiker moet immers met de werking van het DSO op een eenvoudige wijze kunnen achterhalen waar die zich aan moet houden.

Artikel 3.1 Kernkwaliteit Landschap

Lid 1 van de kernkwaliteit landschap geeft aan in welke werkingsgebieden de Kernkwaliteit Landschap kan worden onderverdeeld. Lid 2 verwijst hierbij naar de bijlage waarin de kernkwaliteiten nader staan uitgewerkt. Hierin staan de relevante passages opgenomen van de Omgevingsvisie waarmee rekening moet worden gehouden bij het vaststellen van een omgevingsplan.

Lid 3 geeft aan dat een omgevingsplan 'rekening houdt' met de aanwezige kernkwaliteiten. Hiermee wordt in juridische zin bedoeld dat het college van B en W of de gemeenteraad zelfstandig een beslissing kan nemen over een onderwerp, maar dat de instructieregel de bandbreedte geeft voor die beslissing. Enige afwijking is mogelijk, mits deze afwijking goed wordt gemotiveerd. Hierbij kan gedacht worden aan een landschappelijk inpassingsplan waarmee de ontwikkeling zodanig wordt ingepast dat het landschap niet wordt aangetast.

Lid 4 bespreekt de bescherming van de stads- en dorpsranden. Omdat de stads- en dorpsrand doorgaans aan verandering onderhevig is, bevat deze verordening niet een werkingsgebied hiervoor. Wanneer een omgevingsplan betrekking heeft op een stads- of dorpsrand dan houdt dit plan rekening met de aanwezige kwaliteiten. In het bijzonder wordt met het plan bewerkstelligd dat de overgang tussen stad en land behouden blijft. Ook hier is een koppeling gemaakt met de in de bijlage opgenomen uiteenzetting van de waarde van de stads- en dorpsrand.

Artikel 3.3 Kernkwaliteit Archeologie

Dit artikel ziet toe op de bescherming van de Kernkwaliteit Archeologie binnen de provincie Drenthe. Met de bescherming van de kernkwaliteit wordt de lijn als ingezet in de omgevingsverordening van 2018 voortgezet. Wel zijn er verduidelijkingen aangebracht om helderder te kunnen maken wat waar precies van de initiatiefnemer wordt verwacht. Dit is gedaan naar aanleiding van de gedachte in de Omgevingswet waarbij de burger met één druk op de knop moet kunnen achterhalen welke regel waar precies geldt. Een stelsel van verwijzingen naar diverse beleidsstukken verhoudt zich slecht met dit uitgangspunt. Hierdoor is het artikel weliswaar groter in omvang dan voorheen, maar wordt hiermee niet een beleidswijziging beoogd.

Het artikel is opgebouwd aan de hand van de verschillende archeologische waarden en verwachtingen en de drie verschillende beschermingszones die hiertoe in deze verordening zijn aangewezen. Dit volgt uit lid 1. In lid 2 worden vervolgens enkele normen gegeven die in alle beschermingszones gelden. Allereerst wordt hiertoe een generieke norm gegeven waaruit volgt dat een omgevingsplan te allen tijde rekening houdt met de aanwezige archeologische waarden. Deze norm kent doorwerking in alle aangewezen gebieden, maar wordt zo nodig aangevuld door specifiekere normen in de navolgende leden. Voorts geldt in alle aangewezen archeologische zones dat hier archeologisch onderzoek volgens de beroepsstandaarden moet worden verricht en dat regels ter bescherming van de aanwezige archeologische waarden worden opgenomen.

Lid 3 stelt enkele specifieke regels voor de archeologische waarden die zijn terug te vinden binnen het werkingsgebied Waarde Archeologie -1. In aanvulling op hetgeen wordt geregeld in lid 2, geldt op grond van sub a dat archeologische waarden in situ worden behouden. In situ houdt in dat de archeologische waarden in de grond zelf bewaard moeten blijven. Om te verzekeren dat archeologische waarden behouden blijven, bepaalt sub b daarnaast dat rekening moet worden gehouden met een buffer van 50 meter.

Lid 4

In lid 4 worden de archeologische waarden beschermd die vallen binnen het werkingsgebied Waarde-Archeologie-2. Aanwezige archeologische waarden moeten ook binnen Waarde Archeologie -2 in situ worden behouden. Wel is er een mogelijkheid de archeologische waarden op te graven (ex situ), indien er geen reële mogelijkheid is de waarden in de grond te behouden. Deze onmogelijkheid dient dan echter wel te worden aangetoond door middel van een daartoe strekkende onderbouwing. Ook wordt verwacht dat hierover vroegtijdig wordt afgestemd.

Lid 5

In lid 5 worden enkele vrijstellingen gegeven met betrekking tot de in lid 2 omschreven onderzoeksplicht. Voor Waarde Archeologie-2 wordt in sub a geregeld dat dit onderzoek achterwege kan blijven voor zover een omgevingsplan niet voorziet in grondroerende werkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 50 m² en een diepte van meer dan 10 centimeter. Voor Waarde Archeologie-3 is de generieke vrijstelling vastgelegd op een oppervlakte van maximaal 1000 m² en een diepte van 30 centimeter, zijnde de gemiddelde dikte van de bouwvoor in Drenthe.. Op dit uitgangspunt zijn drie uitzonderingen. De eerste uitzondering doet zich voor wanneer ter plaatse geen bouwvoor aanwezig is. Dit is het geval in natuurgebieden die niet eerder in agrarisch gebruik zijn geweest. Of een bouwvoor aanwezig is kan - zo nodig - worden bepaald aan de hand van een verkennend booronderzoek maar is in de regel goed bekend bij de betreffende terrein beherende organisatie. Wanneer geen bouwvoor aanwezig is, kan geen aanspraak worden gemaakt op de onderzoeksvrijstelling van 30 cm.

De tweede uitzondering betreft de archeologie in agrarische gebieden. De provincie Drenthe, de Drentse gemeenten en LTO Noord afdeling Drenthe hebben in 2011 een Convenant gesloten dat betrekking heeft op het effectief beschermen van het archeologisch bodemarchief. Partijen zijn overeengekomen dat een aantal grondbewerkingen, ondanks dat ze dieper gaan dan 30 cm, niet of nauwelijks van invloed zijn op de instandhouding van het eventueel aanwezige archeologische bodemarchief. Het gaat hierbij met name om niet-bodemkerende werkzaamheden ten behoeve van het oplossen van een verdichte bodemstructuur tot maximaal 10 cm onder bouwvoor van 30 cm (30 +10 cm). De provincie en de gemeenten hebben de inhoud van het Convenant uitgewerkt in de Provinciale Omgevingsvisie en -verordening, de gemeentelijke archeologiekaarten en bestemmingsplannen.

De derde uitzondering zijn de voordenzones. Een voordenzone is een gebied waarbinnen doorwaadbare plekken in een waterloop verwacht worden. Vaak zijn deze voorden versterkt met constructies van hout en/of veldkeien en hebben ze een aanzienlijke ouderdom. Voor zover een omgevingsplan betrekking heeft op een voordenzone geldt een oppervlaktevrijstelling van 500 m² en een diepte van 10 centimeter.

Artikel 3.4 Kernkwaliteit Aardkundige Waarden

Lid 1 van de kernkwaliteit aardkundige waarden geeft aan in welke werkingsgebieden de Kernkwaliteit aardkundige waarden kan worden onderverdeeld. Lid 2 verwijst hierbij naar de bijlage waarin de kernkwaliteiten nader staan uitgewerkt. Hierin staan de relevante passages opgenomen van de Omgevingsvisie waarmee rekening moet worden gehouden bij het vaststellen van een omgevingsplan.

Lid 2 verwijst hierbij naar de bijlage waarin de kernkwaliteiten nader staan uitgewerkt. Hierin staan de relevante passages opgenomen van de Omgevingsvisie waarmee rekening moet worden gehouden bij het vaststellen van een omgevingsplan.

Lid 3 geeft aan dat een omgevingsplan 'rekening houdt' met de aanwezige kernkwaliteiten. Hiermee wordt in juridische zin bedoeld dat het college van B en W of de gemeenteraad zelfstandig een beslissing kan nemen over een onderwerp, maar dat de instructieregel de bandbreedte geeft voor die beslissing. Enige afwijking is mogelijk, mits deze afwijking goed wordt gemotiveerd. De motivering kan bestaan uit een onderzoek waaruit blijkt op welke wijze rekening kan worden gehouden met de aanwezige kernkwaliteiten.

Lid 4 regelt dat de aanwezige kernkwaliteiten 'betrokken worden bij' de toedeling van functies en activiteiten aan locaties. Dit betekent dat het college van B en W of de gemeenteraad aandacht schenkt aan feiten of verwachtingen van feiten bij het nemen van het besluit. De bestuurlijke afwegingsruimte is hierbij groot.

Artikel 3.5 Kernkwaliteit Stilte

Op grond van artikel 7.11 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving bevat de omgevingsverordening in ieder geval regels over het voorkomen of beperken van geluidsbelasting in bij de omgevingsverordening aangewezen gebieden. Deze aanwijzingen hebben al plaatsgevonden op basis van de voorafgaande verordeningen. Met dit artikel wordt dit beleid voortgezet. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een aangewezen stiltegebied houdt rekening met de kernkwaliteit stilte en maakt daarbij in ieder geval geen activiteiten bij recht mogelijk die verboden of vergunningplichtig zijn op grond van hoofdstuk 7 van deze verordening.

Artikel 3.6 Kernkwaliteit Natuur

De kernkwaliteit Natuur komt overeen met het Natuuurnetwerk Nederland. Op grond van artikel 7.6 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving wordt het Natuurnetwerk Nederland bij omgevingsverordening aangewezen. Op grond van artikel 7.8 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving wordt hierbij een beschermingsregime ingesteld.

Natuur is een kernkwaliteit van Drenthe. Dit is de reden waarom hier een apart artikel voor is toebedeeld. Tegelijkertijd is het niet de bedoeling dat er twee normen worden gesteld voor hetzelfde gebied. In tegenstelling tot de vorige omgevingsverordening is er daarom voor gekozen het beschermingsregime voor de NNN van toepassing te verklaren op de Kernkwaliteit Natuur.

Artikel 3.7 Combinatiemodel

Met dit artikel kan gemotiveerd worden afgeweken van het bepaalde in Artikel 3.1 tot en met Artikel 3.5. In tegenstelling tot de vorige omgevingsverordening kan hiermee niet worden afgeweken van de kernkwaliteit Natuur. De afwijkingsmogelijkheden voor de kernkwaliteit Natuur vloeien voort uit de wet en zijn uitgewerkt in artikel Artikel 3.31 van deze verordening.

Het Combinatiemodel betreft het samen met relevante stakeholders ontwerpen van een integrale gebiedseigen oplossing voor onze strategische opgaven of majeure ontwikkelingen waarbij een of meerdere provinciale belangen in het geding zijn. Daarbij zoeken wij gezamenlijk naar een oplossing die (nieuwe) waarden creëert en zoveel mogelijk belangen dient. De Drentse kernkwaliteiten zijn kaderstellend en vormen onze inspiratie om te komen tot een ontwikkeling die passend is bij Drenthe.

Artikel 3.8 Basisbepaling bruisend Drenthe

Dit artikel daagt gemeenten uit om na te denken over de wijze waarop een ruimtelijk plan bijdraagt aan de in de Omgevingsvisie Drenthe gestelde beleidsdoelen. Hieronder wordt mede verstaan de bijdrage aan vitaliteit en kwaliteit van de groene ruimte, in elk geval waar het de mogelijkheden voor herbestemming van bestaande bebouwing betreft en hoe met het plan beoogde ontwikkelingen passen binnen de opgavenkaart moet worden meegenomen.



Artikel 3.9 Ondergrond

In de Structuurvisie Ondergrond 2.0 is uitgebreid uiteen gezet hoe de provincie Drenthe aan ambities voor de ondergrond invulling gaat geven. Alhoewel deze structuurvisie zijn formele positie als structuurvisie in de zin van de Wro verliest met de inwerkingtreding van de Omgevingswet, volgt uit de Invoeringswet Omgevingswet dat dit niet afdoet aan het feit dat dergelijke visies onverminderd ten grondslag mogen worden gelegd aan besluiten (zie hiervoor: Kamerstukken II 2017/2018, 34 986, nr. 3). Drenthe is ambitieus waar het WKO en geothermische energie betreft. Wij willen gemeenten uitdagen om op dit gebied ambities te vormen en achten het in dat kader gepast om voor deze thema's een verantwoordingsplicht in dit hoofdstuk neer te leggen. Onze Structuurvisie Ondergrond is terughoudend waar het opslag van allerhande afvalstoffen in de ondergrond betreft. In zijn algemeenheid wijst de provincie dit af en in het bijzonder geldt dit voor gevaarlijk en radioactief afval. Dat is in dit hoofdstuk opgenomen. Bij 'gevaarlijke afvalstoffen' gaat het om de stoffen die onder de in de Wet milieubeheer opgenomen definitie worden begrepen. Naar deze begripsomschrijving wordt ook verwezen in de begripsomschrijving bij de Omgevingswet (onder 'afvalstoffen'). De provincie spant zich met gemeenten in om de emissie van CO2 te reduceren, duurzame energie te ontwikkelen en te besparen op het gebruik van fossiele brandstoffen. Met het oog op mogelijk toekomstig rijksbeleid inzake CO2-opslag in de diepe ondergrond op land heeft de provincie eveneens een duidelijk beleid. Dit is verwoord in motie M2010-40, bijlage VIII, van de Structuurvisie Ondergrond. Voorkeurskaart 3 uit de Structuurvisie Ondergrond dient in samenhang met deze motie te worden gezien voor wat betreft het onderdeel CO2-opslag. In lid 5 gaat het om ontwikkelingen die de conventionele winning van olie en gas in de weg kunnen staan.

Artikel 3.10 Agrarische bedrijvigheid

Landbouw krijgt maximale speelruimte binnen het werkingsgebied 'Landbouwgebied'. Wel moet het artikel in redelijkheid worden gelezen. Bij elke ontwikkeling die een andere is dan landbouw kan een vorm van beperkend effect worden verondersteld. Het gaat hier om effecten die het huidige functioneren en de toekomstbestendigheid van landbouwbedrijven ter plaatse aantoonbaar aantasten.

Artikel 3.11 Grondgebonden agrarisch bedrijf

Lid 1: In het werkingsgebied 'Bouwvlak grondgebonden agrarisch bedrijf' is een bouwvlak van maximaal 1,5 hectare toegestaan voor grondgebonden agrarische bedrijven. Dit betekent dat het tegenovergestelde ook waar is: de bouwvlakken van grondgebonden agrarische bedrijven buiten het werkingsgebied Bouwvlak grondgebonden agrarisch bedrijf worden niet begrensd. Met het artikel wordt daarnaast tot uitdrukking gebracht dat de term bouwvlak ruim wordt uitgelegd. Het gaat om het samenstel van bebouwing en alle voor de bedrijfsvoering noodzakelijke voorzieningen en de landschappelijke inpassing daarvan. Met de term bouwvlak wordt derhalve niet uitsluitend gedoeld op de visuele weergave van een bouwvlak in een omgevingsplan (of voormalig: bestemmingsplan). Blijkens deze definitie kan ook een omgevingsvergunning voorzien in de voornoemde aspecten.

Met lid 2 wordt voorzien in de mogelijkheid een groter bouwvlak dan toegestaan op grond van lid 1 op te nemen onder de voorwaarde dat sprake is van een goede landschappelijke inpassing. Dit kan worden aangetoond door middel van een landschappelijk inpassingsplan.

Lid 3 geeft e mogelijkheid om delen van de landschappelijke inpassing, sleuf- en mestsilo's en mestplaten buiten het bouwvlak te realiseren. Ruimtelijke kwaliteit vergt ruimte. Daarmee bedoelen we niet méér oppervlakte voor bebouwing, maar een benadering waarbij de gebouwen en de sleuf- en mestsilo's en mestplaten in het belang van de bedrijfsvoering goed ten opzichte van elkaar worden gesitueerd en waarbij de erfbeplanting voor landschappelijke inpassing optimaal wordt aangelegd. Erfbeplanting hoort daarbij altijd op het bouwvlak zelf thuis, wat niet uitsluit dat buiten het bouwvlak eveneens groen kan worden aangelegd.Een benadering die hieraan in ieder geval voldoet, staat beschreven in de brochures 'Boerderijen om trots op te zijn' (december 2011) en 'Boerderijen om trots op te zijn: deel 2' (februari 2014), die tot stand zijn gekomen tussen Natuur en Milieufederatie Drenthe en de LTO Noord. Centrale elementen van deze benadering vormen een gemeentelijke regierol (waarbij de gemeente wordt betrokken vanaf het eerste moment tot de planvorming), keukentafelgesprekken en het uitgaan van een agrarische bouwkavel in plaats van een bebouwingsvlak.



Artikel 3.12 Intensieve veehouderij

Lid 1 sluit nieuwvestiging van en omschakeling naar intensieve veehouderij uit. Voor de vraag wanneer sprake is van omschakeling van neventak naar hoofdtak wordt de SO benadering gehanteerd. Agrarische bedrijven die voor 20 augustus 2014, het moment van het hanteren van de SO norm, al op basis van de SO norm een hoofdtak intensief hadden, kunnen in een ruimtelijk plan positief bestemd worden.Het opstarten van een nieuwe intensieve neventak is niet mogelijk. Uitbreiding van een bestaande intensieve neventak is binnen de voorwaarden wel mogelijk. Bij de uitbreiding van een neventak blijft, op basis van de SO norm, de hoofdfunctie altijd bestaan uit grondgebonden agrarische bedrijvigheid. De definitie van een landschappelijk inpassingsplan vindt u in de begripsbepalingen.

In het tweede lid wordt geregeld dat het maximale bouwvlak voor een intensieve veehouderij in beginsel 1,5 hectare bedraagt. Met het lid wordt daarnaast tot uitdrukking gebracht dat de term bouwvlak ruim wordt uitgelegd. Het gaat niet alleen om de bebouwing zelf, maar ook alle voor de bedrijfsvoering noodzakelijke voorzieningen en de landschappelijke inpassing daarvan. Met de term bouwvlak wordt derhalve niet uitsluitend gedoeld op de visuele weergave van een bouwvlak in een omgevingsplan (of voormalig: bestemmingsplan). Blijkens deze definitie kan ook een omgevingsvergunning voorzien in de voornoemde aspecten.

Lid 3: Met lid 3 wordt aangegeven dat bedrijfsbebouwing bestaat uit één bouwlaag. In de vorige omgevingsverordening was deze norm verwerkt in het voorgaande lid. Omdat in de hiernavolgende leden wel beoogd was om onder bepaalde omstandigheden een afwijking mogelijk te maken op de maximale oppervlakte van het bouwvlak, maar niet op de norm dat bedrijfsbebouwing uit één bouwlaag bestaat is omwille van eenvoud en leesbaarheid hier een afzonderlijk lid van gemaakt.

Lid 4: Dit lid maakt een bouwvlak van maximaal 2 hectare mogelijk, indien deze uitbreiding gepaard gaat met een winst voor het milieu en een landschappelijk inpassingsplan. Winst voor het milieu mag breed worden uitgelegd: het kan hierbij gaan om een verbetering van het dierenwelzijn, maar ook om stallen die leiden tot verbeteringen op het vlak van emissies, uitstoot en geur.

Lid 5: Ruimtelijke kwaliteit vergt ruimte. Daarmee bedoelen we niet méér oppervlakte voor bebouwing, maar een benadering waarbij de gebouwen en mestsilo's in het belang van de bedrijfsvoering goed ten opzichte van elkaar worden gesitueerd en waarbij de erfbeplanting voor landschappelijke inpassing optimaal wordt aangelegd. Erfbeplanting hoort daarbij altijd op het bouwvlak zelf thuis, wat niet uitsluit dat buiten het bouwvlak eveneens groen kan worden aangelegd.Een benadering die hieraan in ieder geval voldoet, staat beschreven in de brochures 'Boerderijen om trots op te zijn' (december 2011) en 'Boerderijen om trots op te zijn: deel 2' (februari 2014), die tot stand zijn gekomen tussen Natuur en Milieufederatie Drenthe en de LTO Noord. Centrale elementen van deze benadering vormen een gemeentelijke regierol (waarbij de gemeente wordt betrokken vanaf het eerste moment tot de planvorming), keukentafelgesprekken en het uitgaan van een agrarische bouwkavel in plaats van een bebouwingsvlak.

Artikel 3.12a Geitenhouderij en gezondheid

In 2017 is het onderzoeksrapport ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies)’ van het RIVM verschenen. Uit dit onderzoeksrapport blijkt dat in een straal van twee kilometer rond geitenhouderijen een verhoogd risico op longontsteking aanwezig is. De bevindingen uit dat onderzoek zijn bevestigd in een later rapport van de Gezondheidsraad van 14 februari 2019 en het rapport “Veehouderij en Gezondheid Omwonenden II – Longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen” van het RIVM van 23 oktober 2018. Volgens het RIVM is komen vast te staan dat omwonenden nabij een geitenhouderij doorgaans een iets hogere kans zullen hebben op longontsteking dan omwonenden bij andere type veehouderijen. Volgens het RIVM is niet duidelijk waarom geitenhouderijen deze gezondheidseffecten met zich meebrengen. Hiernaar wordt nog onderzoek gedaan. De resultaten van dit onderzoek worden verwacht in 2024.

Gelet op de het feit dat gezondheidseffecten van geitenhouderij momenteel niet zijn uit te sluiten, wordt met deze verordening uit voorzorg een moratorium ingesteld. Dit betekent dat de huidige situatie in feite wordt ‘bevroren’. De bestaande geitenhouderijen mogen hun bedrijfsvoering in de huidige omvang voortzetten. De nieuwvestiging van een functiewijziging is echter niet toegestaan. Dit geldt ook voor de functiewijziging van een bestaand bedrijf naar een geitenhouderij. Ook indien dit wel is toegestaan op grond van het geldende bestemmingsplan, is dit niet mogelijk. Wel blijft het onder bepaalde voorwaarden mogelijk voor een geitenhouderij om zich te verplaatsen. Dit is uitsluitend mogelijk indien een geitenhouderij is gevestigd op een, met het oog op de bescherming van de gezondheid, ongewenste locatie. Het moet mogelijk blijven een dergelijke geitenhouderij te verplaatsen indien de gezondheidssituatie hiermee verbetert. De regeling mag er namelijk niet toe leiden dat situaties waarbij geitenhouderijen op zeer problematische locaties zijn gevestigd worden belemmerd te verplaatsen naar een beter passende plek. Dan zou de regeling zijn doel voorbij schieten. Gelet hierop biedt het tweede lid een geclausuleerde verplaatsingsmogelijkheid. Overigens wordt ook hier vermeld dat verplaatsing niet uitbreiding impliceert. De bedrijfsomvang zal ook op de oude locatie even groot moeten zijn als op de nieuwe locatie. Het omgevingsplan dient regels te bevatten die dit verzekeren. De voorwaarde tot verplaatsing is uitgewerkt in het tweede lid van het artikel. Tevens blijft het mogelijk de dierenverblijven te vergroten wanneer het aantal dieren gelijk blijft. De voorwaarden van artikel 2.14, zevende lid, van de verordening zijn van overeenkomstige toepassing. De uitbreiding van een dierenverblijf mag daarnaast niet als gevolg hebben dat het bedrijf dichter bij kwetsbare functies wordt gesitueerd.

Door de urgentie van de problematiek kan niet worden gewacht tot gemeenten hun omgevingsplan hebben aangepast. Zeker nu gemeenten op grond van het geldende overgangsrecht onder de Omgevingswet hiermee tot 2029 kunnen wachten. Het belang bij de behartiging van de gezondheid in de gehele provincie kan daarmee het meest effectief worden behartigd op provinciaal niveau, omdat hiermee alle omgevingsplannen in één keer kunnen worden gewijzigd. Gelet hierop is het vereist regels te stellen die rechtstreeks tot de burger doorwerken. Onder de Wet ruimtelijke ordening was het mogelijk om middels artikel 4.1, derde lid, regels in de Omgevingsverordening te stellen die (1) vóór het geldende bestemmingsplan golden en (2) waarvoor de uitvoering en handhaving bij het college van B en W bleef. Op die manier konden provinciale staten een regel stellen die rechtstreeks tot de burger doorwerkte, zonder daarbij in de bevoegdheid van het college van B en W te treden.

Onder de Omgevingswet kan dit ook, maar moet dit met een ander instrument: het voorbereidingsbesluit. Artikel 4.16 van de Omgevingswet bepaalt dat Provinciale Staten regels kunnen stellen die een omgevingsplan rechtstreeks wijzigen. De uitvoering van de regels blijft vervolgens op gemeentelijk niveau plaatsvinden. Op deze manier kan de regelgeving per direct worden doorgevoerd zonder daarbij inbreuk te maken op de bestaande bevoegdheidsverdeling. In beginsel gelden de voorbereidingsregels anderhalf jaar, tenzij Provinciale Staten voor het aflopen van deze anderhalf jaar de bijbehorende instructieregels gelden. De benodigde instructieregels worden alvast gesteld middels deze wijzigingsverordening. Het voorbereidingsbesluit zal inhoudelijk gelijkluidend zijn en in dezelfde vergadering van provinciale staten ter vaststelling voorliggen. In juridische zin worden de onderhavige regels gesteld op basis van het voorzorgsbeginsel. Dit voorzorgsbeginsel is niet vastgelegd in de Omgevingswet zelf, maar bestaat al geruime tijd als rechtsbeginsel. Onder de Wet ruimtelijke ordening heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State dit geaccepteerd, waarmee de juridische houdbaarheid van de regels is verzekerd.

Artikel 3.13 Verplaatsing en sanering

Met lid 1 is verplaatsing van bestaande Intensieve Veehouderijen naar Landbouwgebied mogelijk gemaakt. Dit kan aan de orde zijn wanneer sprake is van sanering en samenvoeging, maar ook wanneer sprake is van een knelpunt binnen Drenthe. Wanneer sprake is van een knelpunt is niet nader uitgewerkt. Dit is gedaan omdat niet alle aanleidingen op voorhand te bedenken zijn. Waar het om gaat, is dat sprake moet zijn van een onwenselijke situatie beredeneerd vanuit de oogmerken van de wet in artikel 1.2 Omgevingswet. Deze onwenselijke situatie moet zijn ontstaan door de huidige locatie van de Intensieve Veehouderij. Denk bijvoorbeeld aan gevallen waarbij de Intensieve Veehouderij is gesitueerd nabij kwetsbare of gevoelige functies. Tot slot is relevant dat artikel 3.13, lid 1, wordt begrensd door het nieuwvestigingsverbod van artikel 3.12, lid 1. Of sprake is van nieuwvestiging of niet wordt beoordeeld aan de hand van de juridisch legale situatie. Van verplaatsing is dus pas sprake wanneer de intensieve veehouderij die wordt verplaatst zich op de oorspronkelijke situatie bevond op basis van een onherroepelijk omgevingsplan.

Lid 2: Ruimtelijke kwaliteit vergt ruimte. Daarmee bedoelen we niet méér oppervlakte voor bebouwing, maar een benadering waarbij de gebouwen en mestsilo's in het belang van de bedrijfsvoering goed ten opzichte van elkaar worden gesitueerd en waarbij de erfbeplanting voor landschappelijke inpassing optimaal wordt aangelegd. Erfbeplanting hoort daarbij altijd op het bouwvlak zelf thuis, wat niet uitsluit dat buiten het bouwvlak eveneens groen kan worden aangelegd.Een benadering die hieraan in ieder geval voldoet, staat beschreven in de brochures 'Boerderijen om trots op te zijn' (december 2011) en 'Boerderijen om trots op te zijn: deel 2' (februari 2014), die tot stand zijn gekomen tussen Natuur en Milieufederatie Drenthe en de LTO Noord. Centrale elementen van deze benadering vormen een gemeentelijke regierol (waarbij de gemeente wordt betrokken vanaf het eerste moment tot de planvorming), keukentafelgesprekken en het uitgaan van een agrarische bouwkavel in plaats van een bebouwingsvlak

sub a

Met de toevoeging van dit onderdeel wordt ervoor gezorgd dat een uitbreiding van het bouwvlak van een intensieve veehouderij tot ten hoogste 2,5 hectare mogelijk is, wanneer dit noodzakelijk is om een significante verbetering van het dierenwelzijn te bewerkstelligen. Zoals hiervoor al aangehaald wordt het belang bij een adequaat dierenwelzijn van steeds groter belang geacht. Hiervoor is wel voldoende ruimte nodig. Met het opnemen van deze voorziening wordt het mogelijk voor Intensieve Veehouderijen om een levensvatbare bedrijfsvoering te behouden en tegelijkertijd tegemoet te komen aan de ontwikkelingen die gaande zijn wat betreft het dierenwelzijn. Wel zijn er voor de toepassing enkele uitgangspunten die nadere uitleg behoeven. Onderstaand wordt hierop ingegaan.

  • Noodzaak: met het woord ‘noodzaak’ wordt tot uitdrukking gebracht dat een uitbreiding alleen aan de orde kan zijn wanneer er te weinig ruimte is om het dierenwelzijn te verbeteren binnen het bestaande bouwvlak. Eenvoudig gesteld dient de verbetering van het dierenwelzijn in ieder geval te zijn gekoppeld aan de beschikbare m² per dier. Andere vormen van verbetering in het dierenwelzijn geven in beginsel geen aanleiding voor het vergroten van het bouwvlak.

  • Significante verbetering van het dierenwelzijn: om te bepalen of sprake is van een significante verbetering van het dierenwelzijn, kan onder andere worden gekeken naar mogelijke keurmerken waarvoor het agrarische bedrijf in aanmerking zou kunnen komen naar aanleiding van het vergroten van het bouwvlak. Zo kan hierbij worden gedacht aan het Beter Leven Keurmerk van de Dierenbescherming. Weliswaar zijn er ook andere manieren om een significante verbetering van het dierenwelzijn te onderbouwen, maar dit zal wel een meer situatiegebonden afweging vergen waar wordt gekeken naar alle feiten en omstandigheden van het geval. Het is in beginsel aan de gemeente, en in het verlengde daarvan de aanvrager, om te onderbouwen dat sprake is van een significante verbetering van het dierenwelzijn. Hierbij dient ten minste inzicht te worden gegeven in de hoeveelheid vierkante meters ruimte per gehouden dier.

  • Feitelijke en planologisch legale aantal aanwezige dieren: een belangrijke voorwaarde voor het vergroten van het bouwvlak is het feit dat het aantal dieren niet toeneemt. Als meetpunt wordt hierbij genomen het aantal dieren dat feitelijk en planologisch legaal tot de bedrijfsvoering behoort. Indien een verleende vergunning of het voorgaande plan een aanspraak geeft op meer dieren, dient het ruimtelijke plan dat wordt opgesteld om het grotere bouwvlak te realiseren te verzekeren dat het feitelijke aantal dieren gelijk blijft. Als voorbeeld: een bedrijf heeft feitelijk 5.000 dieren. Tegelijkertijd beschikt het bedrijf over een vergunning op grond waarvan 10.000 dieren zijn toegestaan. Bij de toetsing aan de omgevingsverordening worden de feitelijk aanwezige dieren (5.000) als uitgangspunt genomen. Het ruimtelijk plan moet ervoor zorgen dat dit aantal niet toeneemt. Om de feitelijke situatie aan te tonen kan het IV-bedrijf aan de hand van de wettelijk verplichte landbouwtellingen aantonen hoeveel dieren worden gehouden. Tot slot wordt er nog op gewezen dat de feitelijk aanwezige diersoort als uitgangspunt wordt genomen. Leghennen en vleeskuikens zullen doorgaans in grotere volumes kunnen worden gehouden dan vleeskalveren of varkens. Om die reden dient het ruimtelijk plan tevens de diersoort vast te leggen in het ruimtelijk plan, om te voorkomen dat in een later stadium de regeling wordt misbruikt. Dat ook de diersoort van ruimtelijk belang kan zijn heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State al in 2015 geoordeeld (ABRvS 4 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3394).

  • Stikstofdepositie: voor de toepassing van dit specifieke onderdeel worden geen aanvullende stikstofmaatregelen gesteld. Uit de Wet natuurbescherming vloeit al een strikt kader voort dat maakt dat een agrarisch bedrijf niet zal kunnen uitbreiden voor zover de stikstofdepositie daarbij stijgt. Om die reden wordt het voor deze voorziening niet opportuun geacht om aanvullende regels te stellen.

Sub b en d

Met de toevoeging van deze onderdelen wordt beoogd – mits aan sub a wordt voldaan - een vergroting van het bouwvlak tot maximaal 3,5 hectare mogelijk te maken voor zover dit gepaard gaat met een afname in de feitelijke stikstofdepositie. In dit geval wordt een ruimer bouwvlak toch aanvaardbaar gevonden, omdat één van de meest relevante omgevingsaspecten (stikstofdepositie) in dit scenario wordt verbeterd. Dit voorstel is één van de maatregelen die Drenthe neemt om de noodzakelijke stikstofreductie te bewerkstelligen. Met het oog op het vinden van een bestendige oplossing voor het stikstofprobleem wordt het van belang geacht dat de Provinciale omgevingsverordening genoeg ruimte voor maatwerk geeft. Er zijn twee mogelijkheden.

  • Met een afname in feitelijke stikstofdepositie van 10% is een bouwvlak van 3 hectare mogelijk.

  • Met een afname in feitelijke stikstofdepositie van 20% is een bouwvlak van 3,5 hectare mogelijk.

Van belang is wel dat sub b in samenhang moet worden gelezen. Een afname van de stikstofdepositie kan daarmee niet los worden gezien van de noodzaak tot een verbetering van het dierenwelzijn. De verbetering van het dierenwelzijn geeft de aanleiding voor de vergroting van het bouwvlak. Een afname van stikstofdepositie geeft hiermee dus niet een separate grondslag om het bouwvlak te vergroten.

Wat betreft de toepassing van het artikel is met name van belang van welke situatie wordt uitgegaan en op welke manier de feitelijke en planologisch legale situatie een rol speelt. Allereerst wordt de vermindering in stikstof berekend aan de hand van de feitelijke en planologisch legale situatie. Het vergroten van het bouwvlak is alleen toegestaan wanneer de stikstofdepositie afneemt met 10% dan wel 20%. Een belangrijke indicatie om te bepalen of het plan voorziet in een feitelijke toename is de vraag of voor het betreffende ruimtelijke plan op grond van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming een passende beoordeling is gemaakt omwille van de stikstofdepositie. Het ruimtelijke plan zal op voorhand uit moeten kunnen sluiten dat er significante gevolgen zijn voor natura 2000-gebieden die zijn gerelateerd aan stikstofdepositie. Wanneer deze gevolgen niet kunnen worden uitgesloten, is dit dus al een goede indicatie dat niet kan worden voldaan aan de omgevingsverordening.

Gelet op de complexiteit en het belang dat wordt gehecht aan de vermindering van de stikstofdepositie, wordt expliciet als eis gesteld dat de maatregelen die moeten leiden tot de afname van stikstofdepositie worden vastgelegd in de regels van het plan. Het vastleggen in de regels van het ruimtelijke plan, leidt tot de meest optimale afdwingbaarheid en daarmee de hoogste mate van zekerheid. Er kan dus niet worden volstaan met een voorziening in de toelichting of het sluiten van een anterieure overeenkomst.

Een verdere vergroting van het agrarisch bouwvlak kan een grote invloed hebben op het omringende landschap. Zeker wanneer dit niet met de nodige zorg gebeurt, kan een dergelijk omvangrijk bouwvlak een storende factor opleveren in het landschap. De provincie hecht grote waarde aan het behoud van het landschap, waardoor aanvullende voorwaarden worden gesteld voor het in deze mate kunnen afwijken van de gangbare norm van 1,5 tot 2 hectare. In de kern komt deze voorwaarde erop neer dat de landschappelijke inpassing qua omvang ten minste 10% van het totale agrarische bouwvlak bedraagt. Er is gekozen voor een oppervlaktemaat om te verzekeren dat de landschappelijke inpassing in een adequate verhouding is met de omvang van het agrarische bouwvlak. Indien de landschappelijke inpassing te klein is, kan het doel om het agrarisch bouwvlak in te passen immers nimmer bereikt worden. Ook is met de oppervlaktemaat beoogd om de benodigde rechtszekerheid en duidelijkheid te bieden, zodat de opgave op voorhand voor iedereen helder is.

Naast de omvang van het bouwvlak, is ook van belang dat de landschappelijke inpassing van voldoende kwaliteit is. Daarom wordt als voorwaarde gesteld dat het landschappelijk inpassingsplan is opgesteld door een geregistreerde landschapsarchitect. Ter inhoudelijke inspiratie kan worden gekeken naar de aanbevelingen in de publicatie ‘Boerderijen om trots op te zijn, voorstellen voor schaalvergroting in de melkveehouderij mét ruimtelijke kwaliteit’ uitgegeven in december 2011 door LTO Noord en Natuur en Milieufederatie Drenthe.

Tot slot wordt er, wellicht ten overvloede, op gewezen dat de omgevingsverordening een definitie bevat van landschappelijk inpassingsplan dat ook van belang is voor de toepassing van deze bepaling. De definitie luidt: “juridisch bindend plan dat aangeeft op welke wijze inpassing van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in het desbetreffende gebied plaatsvindt. Tot deze inpassing behoren situering van de opstallen en de inrichting van het perceel, waaronder de erfbeplanting ten opzichte van het landschap. Het gaat om bestaande en gewenste karakteristieken en kwaliteiten van het landschap. Een en ander uit zich in een ontwerpgerichte benadering waarin de karakteristieken en kwaliteiten verder worden versterkt”

Deze begripsomschrijving geeft in belangrijke mate de opdracht waaraan moet worden voldaan. Een belangrijk element waar hier in ieder geval op wordt gewezen is het aspect ‘juridisch bindend plan’. Met deze bewoordingen wordt aangegeven dat het landschappelijk inpassingsplan concreet genoeg moet zijn en moet worden afgedwongen middels daartoe opgenomen regels in het bestemmingsplan dan wel voorschriften in de omgevingsvergunning. Een anterieure overeenkomst of een passage in de toelichting of ruimtelijke onderbouwing volstaat niet. Dit is nu ook al zo, maar wordt volledigheidshalve nogmaals hier benadrukt.

Lid 3: Met lid 3 worden de uitbreidingsmogelijkheden van intensieve veehouderijen waarbij ook het aantal dieren toeneemt met een bouwvlak van 2 hectare uitputtend beschreven. Sub a maakt het mogelijk te voorzien in een groter bouwvlak indien dit noodzakelijk is voor een verdere verduurzaming. Noodzakelijkheid moet zo worden begrepen dat de verduurzaming zelf aanleiding geeft voor het grotere bouwvlak. Van noodzaak is in ieder geval geen sprake wanneer beoogd is de bedrijfsvoering uit te breiden en dit gepaard gaat met duurzamere stallen. Hierin wordt reeds voorzien in artikel 3.12, lid 4. Het moet gaan om situaties waarbij een intensieve veehouderij een duurzaamheidsvoorziening wil toevoegen, maar dat deze voorziening niet kan worden geplaatst binnen het bouwvlak. Alleen de oppervlakte die nodig is voor de concrete duurzaamheidsvoorziening mag worden toegevoegd aan het bouwvlak. Met sub a is dan ook niet een bestendige mogelijkheid voor bedrijfsuitbreiding beoogd.

In tegenstelling tot sub a, geeft sub b hier wel mogelijkheden toe. Sub b is met name bedoeld voor bedrijven die tegen de grenzen van hun bouwvlak aanlopen en op langere termijn willen door ontwikkelen. Sub b, onder VI, zorgt ervoor dat de oppervlakte van de te saneren locatie kan worden toegevoegd bij de opervlakte van de bestaande locatie. Wanneer ten behoeve van een bedrijf met een bouwvlak van 2 hectare een ander bedrijf met een oppervlakte van 1 hectare wordt gesaneerd, kan een bouwvlak ontstaan van 3 hectare. Wanneer de te saneren locatie echter groter is dan 1 hectare, kan ook een groter bouwvlak ontstaan. De oppervlakte van de te saneren locatie is daarmee bepalend. ca. 4 Hoe groter de te saneren locatie, hoe meer mogelijkheden er ontstaan. Gelet op de omvang van de samengevoegde bouwvlakken die in potentie kunnen ontstaan, gaat een dergelijke ontwikkeling wel gepaard met strenge eisen. Een van de belangrijkste hiervan is dat het te saneren bedrijf moet grenzen aan het NNN of liggen in lintbebouwing of in een cluster van bebouwing. Hiermee is beoogd dat met het saneren van een locatie een ander probleem van provinciaal belang wordt opgelost. Deze sanering moet zodanig gebeuren dat niet later opnieuw een intensieve veehouderij kan worden opgericht. Dit kan onder andere worden gedaan door de agrarische functie te verwijderen van de te saneren locatie, waarbij niet wordt voorzien in overgangsrecht.

Artikel 3.14 Overige agrarische activiteiten

Het eerste lid regelt dat nieuwe glastuinbouwlocaties uitsluitend mogelijk zijn binnen de aangegeven locaties. In het tweede lid van artikel 3.14 gaat het om het gebruik van vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing. 'Niet milieubelastend' refereert aan de ruimtelijke impact. Activiteiten die vallen onder de categorieën 1 en 2 van de VNG uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' vormen in ieder geval geen beletsel. Verkeersaantrekkende werking en buitenopslag spelen voor de ruimtelijke impact ook mee. Uitgangspunt is dat het gebruik niet met extra bebouwing gepaard gaat. Dit is echter niet in dit hoofdstuk neergelegd, omdat ruimte moet blijven voor lokaal maatwerk binnen de in dit artikel gestelde randvoorwaarden. Het derde lid treft een regeling voor de realisering van biovergistingsinstallaties. Lid 3 en 4 moeten in onderling verband met elkaar worden gelezen. De omgevingsverordening stelt de centrale norm: de milieugevolgen. De vraag of sprake is van een negatief milieugevolg wordt beoordeeld aan de hand van het beleidskader co-vergisting. Of gedeputeerde staten gebruik maken van hun bevoegdheid tot het plegen van een reactieve interventie of het onthouden van instemming wordt beoordeeld aan de hand van dit beleidskader. De beleidsregel deelt derhalve niet in het rechtskarakter van deze verordening, maar blijft functioneren als beleidsregel voor GS.

Artikel 3.15 Ruimte-voor-ruimte regeling

Onderstaand worden de belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de provinciale omgevingsverordening Drenthe 2018 toegelicht. De gelegenheid wordt daarnaast aangegrepen om een correcte toepassing van de ruimte-voor-ruimte regeling nader toe te lichten. Op die manier wordt voor de praktijk helder waar de grenzen liggen en waar de ruimte zit. Allereerst worden de belangrijkste wijzigingen besproken.

  • De regeling is niet langer uitsluitend toepasbaar op landschapsontsierende ‘agrarische’ bebouwing, maar op alle landschapsontsierende bebouwing die zijn functie heeft verloren. Deze wijziging is uitgewerkt in de begripsomschrijving (zie ook onderdeel A).

  • Een gebouw dat is gebouwd voor 2014 kan in aanmerking komen. Deze voorwaarde is verwerkt in lid 3, sub a van het artikel.

  • Tot slot is een belangrijke wijziging dat het aantal compensatiewoningen niet meer wordt gemaximeerd op twee. In plaats daarvan wordt het mogelijk gemaakt om maximaal 6 compensatiewoningen mogelijk te maken. Deze wijziging is aangebracht in lid 1 van het artikel. Samengevat worden de volgende sloopnormen gehanteerd.

  • Wanneer bebouwing van 750 m² wordt gesloopt, mag hiervoor één compensatiewoning worden gebouwd.

  • Wanneer 2.000 m² aan bebouwing wordt gesloopt, mogen hiervoor 2 compensatiewoningen worden gebouwd. Voor 3.000 m² mogen er drie worden gebouwd, voor 4.000 m² vier, voor 5.000 m² vijf en voor 6.000 m² zes.

  • Tot slot wordt er een mogelijkheid geboden om meer dan 2 woningen te bouwen bij de sloop van 2.000 m² aan bebouwing die zijn functie heeft verloren. De totale oppervlakte van de te bouwen woningen mag niet meer zijn dan 500 m². Voorts mag het totale aantal niet meer zijn dan 4. Deze voorziening is bedoeld om meer maatwerk te kunnen bieden. Deze mogelijkheid ontstaat wanneer 2.000 m² wordt gesloopt. Wanneer meer wordt gesloopt ontstaan niet nóg meer mogelijkheden. Tegelijkertijd zij erop gewezen dat ook deze route moet leiden tot een vanuit landschappelijk oogpunt aanvaardbaar plan. In het bijzonder zal daarnaast aandacht moeten zijn voor de woonvisie. De voorwaarden van lid 3 zijn onverkort van toepassing. Op deze manier wordt verzekerd dat de ontwikkeling passend is binnen het woonbeleid van de betrokken gemeente.

Het is mogelijk te salderen om te komen tot een bepaalde sloopnorm. In de praktijk blijkt dat het niet altijd duidelijk is welke bebouwing wel en niet kan worden ‘meegeteld’. De ruimte-voor-ruimte regeling legt een relatie tussen sloop en bouw. Hiermee wordt ook samenhang verondersteld. Om die reden is van belang dat deze samenhang wordt aangetoond op het moment dat wordt gesaldeerd. Deze samenhang kan blijken uit een daartoe gesloten overeenkomst. Tevens is van belang dat in de toelichting goed wordt vastgelegd welke sloopmeters worden gebruikt. Op die manier wordt voorkomen dat dezelfde sloopmeters voor meerdere ontwikkelingen worden ingezet. Gemeenten hebben de vrijheid om, binnen de voorwaarden van de omgevingsverordening, eigen voorwaarden te stellen aan toepassing van de ruimte-voor-ruimte regeling. In die zin behouden de Drentse gemeenten de ruimte om te komen tot een eigen afweging. Wat betreft de locatie om de compensatiewoningen te realiseren wordt in de praktijk meestal de locatie van de te slopen bebouwing als uitgangspunt genomen. Ondanks dat hierbij wat betreft ruimtelijke kwaliteit een meerwaarde kan worden bereikt kan het de voorkeur hebben om te kiezen voor een andere locatie. Met betrekking tot de afweging voor de locatie om de woningen terug te bouwen zijn de provinciale belangen leidend. Daarnaast zal de afweging gemaakt moeten worden of het realiseren van compensatiewoningen geen invloed heeft op ontwikkelingsmogelijkheden van omringende agrarische bedrijven. Bij het realiseren van compensatiewoningen in het kader van de ruimte-voor-ruimte regeling moet het gaan om grondgebonden woningen. Omdat de Ruimte-voor-ruimte regeling primair is bedoeld om te komen tot een verbetering van de landschappelijke kwaliteit, blijft het van groot belang dat het plan vergezeld gaat van een landschappelijk inpassingsplan dat is opgesteld door een landschapsarchitect. Waar een landschappelijk inpassingsplan aan moet voldoen staat omschreven in de begripsomschrijving van de omgevingsverordening. Gezien het feit dat de mogelijkheden voor woningbouw in het buitengebied worden verruimd door deze wijziging wat zowel kwalitatieve als kwantitatieve consequenties kan hebben stellen wij voor om de regeling jaarlijks te monitoren bij de jaarlijkse herziening van de POV.

Artikel 3.16 Woningbouw

Met de bepalingen voor woningbouw wil de provincie dat gemeenten gelegen in eenzelfde woonregio hun plannen voor woningbouwontwikkeling op dit gebied onderling afstemmen, strategisch beleid voeren op het handhaven van een passende woningvoorraad op de lange termijn en met de gebiedspartners afspraken maken over onder andere de programmering. De basis daarvoor is de gemeentelijke woonvisie. Dorpen, steden en het landelijk gebied functioneren binnen de woningmarkt als aanvulling op elkaar of soms als concurrerend, de provincie beoogt met de bepalingen een gezonde woningmarkt in stand te houden met ruimte voor regionale verschillen. De opzet van dit artikel is anders dan onder de Wet ruimtelijke ordening. Dit komt met name doordat het vormgeven van artikelen met werkingsgebieden een andere benadering vraagt. Het is niet meer mogelijk om te stellen dat een regel juist buiten een aangegeven werkingsgebied geldt. Voor dit type regels geldt dat ook hiervan een werkingsgebied moet worden gemaakt. Overal waar voorheen werd gesproken van 'buiten bestaand stedelijk gebied' wordt daarom gesproken van 'landelijk gebied'.Het artikel kent veel gewicht toe aan de woonvisie bij de beantwoording van de vraag of een woningbouwontwikkeling in overeenstemming is met het provinciaal belang.

Lid 1: aangrenzend aan het bestaand stedelijk gebied is woningbouw mogelijk wanneer deze voldoet aan de gemeentelijke woonvisie. Hierbij dient in ogenschouw te worden genomen dat het wel moet gaan om een woonvisie die de voorwaarden als genoemd in sub a tot en met e betrekt. Specifiek kan bij dit type ontwikkeling sprake zijn van een provinciaal belang bij de stads- en dorpranden. Zie hiervoor de kernkwaliteit landschap als opgenomen onder artikel 3.1 van deze omgevingsverordening.

Lid 2: voor specifieke doeleinden is het mogelijk een extra woning te bouwen in het landelijk gebied. Deze doeleinden worden in dit lid opgesomd.

Lid 3: het derde lid van het artikel is bedoeld voor de gevallen waarbij een enkele woning een gat kan opvullen in een bestaand cluster van bebouwing of bebouwingslint. Deze voorwaarde vloeit voort uit uit lid 3 sub a, van de bepaling. De overige eisen bewerkstelligen dat de ruimtelijke kwaliteit verbetert en dat rekening wordt gehouden met de woonvisie.

Lid 4: wat betreft bijzondere woonmilieus beogen provinciale staten te faciliteren in de behoefte om in zeer bijzondere gevallen recht te kunnen doen aan ruimtelijke kwaliteit en speciefieke woonwensen. De term 'woonmilieu' impliceert dat sprake moet zijn van meer dan één woning. Met woonmilieu wordt derhalve gedoeld op de woonomstandigheden die de meerdere woningen in gezamenlijkheid bewerkstelligen. Het lid is niet bedoeld om een enkele woning in het buitengebied mogelijk te maken. Daartoe geeft lid 3 het toetsingskader.Tegelijkertijd is een belangrijke eis van de regeling dat sprake moet zijn van kleinschaligheid. Of sprake is van kleinschaligheid, kan blijken uit zowel de ruimtelijke uitstraling van de ontwikkeling als de toename van het planologisch beslag. Beide aspecten dienen in onderlinge samenhang met elkaar te worden beschouwd. Het vertrekpunt is dat het bijzondere woonmilieu de kwaliteit van het buitengebied en bebouwingsstructuur versterkt. Hoe groter de ruimtelijke uitstraling en het planologisch beslag van het plan, hoe minder snel hiervan sprake kan zijn. Ook wanneer op basis van, bijvoorbeeld, onbenutte plancapaciteit kan worden betoogd dat sprake is van een kleine vergroting van het planologisch beslag, kan de ontwikkeling toch niet kleinschalig zijn wanneer deze ontwikkeling desondanks gepaard gaat met een forse ruimtelijke uitstraling. Dit zou een reden kunnen zijn om deze ontwikkeling niet aan te merken als bijzonder woonmilieu.Sub b van lid 4 brengt tot uitdrukking dat de ontwikkeling moet aansluiten bij de woonwensen en levensstijl van een specifieke groep mensen. De behoefte van deze groep mensen moet dusdanig specifiek zijn dat hiervoor aantoonbaar geen plek bestaat binnen het reguliere woningaanbod. Bij de ontwikkeling van een bijzonder woonmilieu is het essentieel dat de aanwezige kernkwaliteiten worden betrokken en dat deze nader worden versterkt. Hoe dit wordt gedaan moet worden onderbouwd in het omgevingsplan of de omgevingsvergunning die in de ontwikkeling voorziet. Tevens dient te worden geborgd dat de aspecten die deze versterking bewerkstelligen juridisch worden geborgd middels het stellen van daartoe strekkende regels in het omgevingsplan of voorschriften in de omgevingsvergunning. Deze regels of voorschriften zien in ieder geval op instandhouding van de aspecten die een woonmilieu in voorkomende gevallen bijzonder maken.

Lid 5: Deze voorziening is alleen mogelijk voor gebouwen die niet landschapsontsierend zijn. Het gaat hier in het bijzonder om bebouwing waarvan het wenselijk is dat er geen sloop plaatsvindt. Bijvoorbeeld omwille van het beeldbepalende karakter van het gebouw of het anderszins ontbreken van een meerwaarde van sloop. Voor die gevallen zou het niet wenselijk zijn dat een reguliere ruimte-voor-ruimte regeling wordt doorlopen. Tegelijkertijd zou het juist voor dit type bebouwing moeilijker zijn om ze te hergebruiken voor een andere functie. Om dat te voorkomen is een extra voorziening bij artikel 3.16 gevoegd. Of in een concreet geval sprake is van een bouwwerk dat behoudenswaardig is, moet worden onderbouwd in het omgevingsplan. Inhoudelijk dient voor de functiewijziging te worden voldaan aan soortgelijke voorwaarden als bij een reguliere ruimte-voor-ruimte regeling. Dit kan ook inhouden dat er aanvullende landschappelijke maatregelen moeten worden getroffen. Ook bij een functiewijziging blijft het uitgangspunt overeind dat deze moet leiden tot een verbetering van de landschappelijke kwaliteit. Dit volgt uit sub b van het toegevoegde onderdeel. Omdat uit de omgevingsvisie volgt dat het woonbeleid is gericht op concentratie in de bestaande woonkernen, wordt het maximaal aantal te realiseren woningen gemaximeerd op 6. Voor zover sprake is van een plan waarbij sprake is van een toevoeging van bebouwing, kan geen gebruik worden gemaakt van deze voorziening. Tevens kan geen sprake zijn van een combinatie met een reguliere ruimte-voor-ruimte regeling. Dit wordt geregeld in sub c van het onderdeel. Op die manier wordt voorkomen dat het maximum van 6 woningen wordt omzeild.

Artikel 3.17 Regionale werklocaties

Regionale werklocaties zijn de bedrijventerreinen waar bedrijvigheid met een regionale uitstraling is toegestaan. Gelet op de ruimtelijke uitstraling van deze bedrijventerreinen en gelet op de doelstellingen wat betreft duurzaam ruimtegebruik, is het wenselijk dat een en ander regionaal wordt afgestemd. Lid 1 omschrijft de voorwaarden op grond waarvan een regionale werklocatie kan worden mogelijk gemaakt. Lid 2 maakt duidelijk dat een omgevingsplan dat voorziet in een nieuwe regionale werklocatie vergezeld gaat van een beeldkwaliteitsplan. Deze bepaling moet ruim worden gelezen. Waar het om gaat is het resultaat dat het omgevingsplan de beeldkwaliteit zodanig reguleert dat deze aanvaardbaar is gelet op het provinciale belang dat aan de orde is. Of dit gebeurt middels een separaat beeldkwaliteitsplan zoals gebruikelijk onder de Wet ruimtelijke ordening, of op andere wijze is niet doorslaggevend.

Artikel 3.17a Grote vestigers

Op 28 september 2022 is de Omgevingsvisie geactualiseerd. Deze visie bevat tevens nieuwe richtpunten wat betreft de vestiging van grootschalige bedrijven. Onderdeel D bevat de wijzigingen die in de omgevingsverordening worden doorgevoerd naar aanleiding van de geactualiseerde visie.

Drenthe staat vanwege de economische en ruimtelijke kwaliteit steeds meer in de belangstelling van grootschalige bedrijven. Deze bedrijven zijn van belang voor het functioneren van het (inter)nationale en regionale ecosysteem. Daartegenover staat dat grootschalige bedrijven een grote impact hebben op de leefomgeving. Denk bijvoorbeeld aan de verkeersbelasting, beschikbaarheid van arbeidspotentieel in samenhang met huisvesting, transformatie in relatie tot andere ruimtevraag, energie- en zoetwaterverbruik, beschikbaarheid van energievoorzieningen, kwaliteit van de leefomgeving, waaronder beleving van het landschap, enzovoort. Bovendien is de beschikbare ruimte voor bedrijvigheid beperkt.

Naar aanleiding van deze problematiek wordt artikel 3.17a ingevoegd dat specifiek een regeling treft voor grote ruimtevragers. Deze regeling moet eraan bijdragen dat grote ruimtevragers met zorg en oog voor het provinciale landschap worden ingepast. Hierbij worden de regels gesteld die benodigd zijn om hierbij te komen tot een integrale afweging.

Het eerste lid van artikel 3.17a geeft als hoofdregel dat een bedrijf groter dan 5 hectare zich alleen kan vestigen op een regionaal bedrijventerrein. Met deze bepaling wordt gedoeld op het bouwvlak van het bedrijf en niet op de bedrijfsvloeroppervlakte. Hiermee wordt aangesloten bij de nu al bestaande systematiek omtrent regionale en lokale bedrijventerreinen/werklocaties. Een regionaal bedrijventerrein is bedoeld voor bedrijven met een bovenlokale oriëntatie. Het gaat dus bij uitstek om de grotere bedrijven: zowel qua omvang als qua ruimtelijke uitstraling. Dit in tegenstelling tot de lokale bedrijventerreinen die juist zijn bedoeld voor kleinere bedrijven. De huidige omgevingsverordening maakt met name onderscheid op basis van milieuzonering. Bedrijven van categorie 4 of hoger moeten op een regionaal bedrijventerrein, terwijl bedrijven van categorie 1 tot en met 3 op een lokaal bedrijventerrein thuishoren. Bij grote ruimtevragers is het echter mogelijk dat er sprake is van een groot ruimtebeslag, zonder dat dit per se gepaard gaat met een hogere milieucategorie. Om te voorkomen dat deze bedrijven zich vestigen op een lokaal bedrijventerrein, of zelfs solitair in het buitengebied, is deze aanvullende regel gesteld. Onder lid 2 stellen wij nadere voorwaarden om de impact van deze vestigers te beperken. De provincies en het Rijk hebben gezamenlijk afgesproken dat het principe van regionale meerwaarde zal worden gehanteerd als randvoorwaarde bij nieuwe planontwikkelingen en bij gronduitgifte van grote ruimtevragers. Met dit artikel geven wij invulling aan deze afspraken. Per bepaling toegelicht:

i. Inpassing in het landschap

Grote ruimtevragers nemen een substantiële hoeveelheid hectares in beslag en hebben hiermee effecten op het landschap van Drenthe. Dat vraagt om een substantiële, robuuste maar vooral om een zorgvuldige landschappelijke inpassing. Om daar toe te komen wordt een landschappelijk inpassingsplan gevraagd van tenminste 10% van het bouwvlak. Door het stellen van een concreet percentage wordt verzekerd dat de landschappelijke inpassing in verhouding is met de bedrijfsmatige ontwikkeling. Het ontwerpen van een zorgvuldig ingepaste grote ruimtevrager is maatwerk en altijd locatiespecifiek. Bij de beoordeling kijken wij daarbij niet alleen naar de locatie, maar ook naar de omgeving en de randen. Wat kan/moet er bijvoorbeeld voor landschappelijke inpassing gedaan worden op de locatie zelf en/of op afstand in de nabije omgeving (ten behoeve van reductie impact hoogte). Het kan voorkomen dat de gewenste inpassing het terrein van grote ruimte vragers overstijgt. Dat geeft ook kansen om combinaties te maken met andere opgaven. Bijvoorbeeld de opgave rondom de groenblauwe dooradering van het landelijk gebied en/of de opgave rondom de bossenstrategie en daarmee het vasthouden van CO2. Bedrijven kunnen hun imago daarmee ook vergroenen. Daarmee ontwikkelt het zich tot een zekere vorm van gebiedsontwikkeling. Belangrijk is dat in dat geval vroegtijdig het gesprek wordt gevoerd.

ii. Combinatie van functies en meerwaarde voor andere provinciale belangen

Wij vragen om zorgvuldig, optimaal en efficiënt gebruik van bedrijventerreinen. In het omgevingsplan moet aantonen en verzekeren dat functies met elkaar gecombineerd worden dan wel dat andere provinciale belangen met de ontwikkeling worden behartigd. Mogelijk ten overvloede wordt hier nog opgemerkt dat met een ‘ander provinciaal belang’ een belang wordt bedoeld dat niet onlosmakelijk met de ontwikkeling is verbonden. Een ander belang is bijvoorbeeld niet de verbetering van de werkgelegenheid. Met betrekking tot de combinatie van functies kan gedacht worden aan het op zijn minst verplicht geschikt maken of beschikbaar stellen van het dak voor opwekking van zonne-energie. Indien het bedrijf geen gebruik wil maken van het dak voor de eigen opwek, kan het dak beschikbaar worden gesteld voor andere partijen die het dak willen exploiteren. Ook kan gedacht worden aan een voorwaardelijke verplichting dat een aantoonbare bijdrage geleverd dient te worden aan de verduurzaming van de fysieke leefomgeving. Zo kunnen voorwaarden gesteld worden aan ruimte voor klimaatadaptatie op perceel en pand, een duurzame prestatie van materiaal- en energieverbruik en/of de uitwisseling van reststromen tussen verschillende bedrijven. Om in te spelen in de transitie naar een circulaire economie kan gedacht worden aan slimme combinaties om herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren. Daarnaast kan nog gedacht worden aan functies die bijdragen aan de weginfrastructuur, energie infrastructuur en –levering, natuur en stikstof-doelen, verstedelijking, bodem en waterbeheer, de relevante nationale belangen (NOVI) en overige provinciale belangen zoals opgenomen in Omgevingsvisie Drenthe. Op voorhand is niet een uitputtende lijst te bedenken waarin alle mogelijkheden worden benoemd. Daarnaast kunnen er in de toekomst weer nieuwe uitwerkingen ontstaan die kansrijk kunnen zijn. Om die reden wordt een en ander geregeld door middel van een open norm. Of er voldoende wordt gedaan aan meervoudig ruimtegebruik hangt telkens af van de feiten en omstandigheden van het geval. In ieder geval dient wel te zijn verzekerd dat de vorm van meervoudig afdwingbaar wordt gerealiseerd. Enkele algemene passages in de toelichting zijn daartoe niet afdoende.

iii. Clustering langs rijkswegen

Zowel vanuit landschappelijk, infrastructureel als economisch perspectief is clustering noodzakelijk. Door (X)XL logistieke bedrijfsactiviteiten te clusteren beperken wij de impact op het landschap. Wij streven naar een hogere toegevoegde waarde van de logistiek en een logistiek die de regionale economie versterkt. Solitaire grote vestigers hebben een relatief grote impact op de omgeving. Grote investeringen in infrastructuur, voorzieningen en faciliteiten worden beter benut in clusters en investeringen in uitbreiding van multimodale capaciteit en/of ten behoeve van de energietransitie renderen sneller. In grote clusters ontstaat een ecosysteem van bedrijven die elkaar versterken en wordt innovatie gemakkelijker.

iv. Regionale economische binding of een grote werkgelegenheidsimpuls

De grote ruimtevragers dienen economische binding te hebben met het bestaande regionale ecosysteem en hier direct of indirect een wezenlijke bijdrage aan te leveren in de vorm van innovatie, samenwerking en versterking van het ecosysteem. Het gaat daarbij om het rekening houden met het regionale ecosysteem en het voorkomen van negatieve waterbedeffecten als gevolg van het alloceren van de ruimtevraag van bedrijven en het benutten van de infrastructuur. Daarbij kan gedacht worden aan de relatie met lokale/regionale toeleveranciers, -afnemers / -innovatiepartners, kennisinstellingen en het gebruik van regionale infrastructuur als haven, spoor, buis, binnenvaart, etc. Daarnaast is een eindgebruiker van een locatie over het algemeen meer gebonden aan een regio dan een intermediaire partij zoals ontwikkelaar. Indien er in mindere mate sprake is van regionale binding, dan dient er sprake te zijn van een economische meerwaarde, in de vorm van een grote en duurzame werkgelegenheidsimpuls.

Deze voorwaarden zijn conform de bestuurlijke afspraken in het kader van de landelijke samenwerking ‘GRIP op grote ruimtevragers’ en de voorkeursvolgorde zoals opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Hiermee geven wij invulling aan regionale meerwaarde.

De bepalingen geven ruimte voor maatwerk. Ter aanvulling van dit artikel wordt daarom een handreiking ‘Grootschalige ruimtevragers Drenthe’ opgesteld. Hierin lichten wij toe hoe artikel Artikel 3.17a Grote vestigers wordt toegepast in concrete gevallen.

Artikel 3.18 Lokale werklocaties

Lid 1 geeft aan dat bedrijven behorende tot milieucategorie 1, 2 en 3 van de VNG-publicatie Handreiking Bedrijven en Milieuzonering thuishoren op lokale werklocaties. Grotere bedrijven horen op basis van Artikel 3.17 daarentegen thuis op de Regionale werklocaties.

In de begripsbepaling (lokale werklocatie) is aangegeven op welke wijze een lokale werklocatie dient te worden getypeerd. De genoemde elementen vormen geen harde sturingscriteria. Wel dient beleidsmatig te worden gewaarborgd dan wel te worden bespoedigd dat de ontwikkeling van een lokale werklocatie zoveel mogelijk aansluit bij deze typering. De verder gestelde randvoorwaarden dienen onvoorwaardelijk in acht te worden genomen en eventueel te worden geconcretiseerd binnen het desbetreffende ruimtelijke plan. Die randvoorwaarden geven op het niveau van het provinciaal belang een goede aanzet tot waarborging van de kenmerken 'kleinschalig en lokaal georiënteerd'. 'Kleinschaligheid en lokale oriëntatie' hangen vooral samen met de zwaarte van bedrijvigheid. In het artikel wordt voor het overige tot uitdrukking gebracht dat een omgevingsplan dat voorziet in een nieuwe lokale werklocatie vergezeld gaat van een beeldkwaliteitsplan. Deze bepaling moet ruim worden gelezen. Waar het om gaat is het resultaat dat het omgevingsplan de beeldkwaliteit zodanig reguleert dat deze aanvaardbaar is gelet op het provinciale belang dat aan de orde is. Of dit gebeurt middels een separaat beeldkwaliteitsplan zoals gebruikelijk onder de Wet ruimtelijke ordening, of op andere wijze is niet doorslaggevend. Het gaat om de inhoud.

Artikel 3.19 Bedrijfsvestiging buiten een werklocatie

Waar Artikel 3.17 en Artikel 3.18 vooral zien op de vestiging van bedrijven op regionale of lokale werklocaties, betreft Artikel 3.19 de vestiging van de bedrijven de mogelijke uitzonderingen hierop. Het eerste lid betreft de integratie van de nadere regel die op basis van de vorige omgevingsverordening is gesteld door gedeputeerde staten. Onder de Omgevingswet is het behoudens zeer specifieke uitzonderingen niet meer mogelijk om nadere regels vast te stellen die losstaan van de omgevingsverordening. Waar bevoegdheden worden gedelegeerd aan GS houden deze in dat zij bevoegd worden delen van de omgevingsverordening zelf aan te passen en niet om een nadere regel te stellen. Dit volgt uit artikel 2.8 van de Omgevingswet. Gelet op het feit dat het wel de bedoeling is de vastgestelde nadere regel voort te zetten, is deze opgenomen in het eerste lid. Deze uitzondering is alleen aan de orde voor solitaire bedrijven.

Met het tweede lid wordt het mogelijk gemaakt één solitair bedrijf te vestigen dat behoort tot milieucategorie 4, 5 of 6. Dit is een mogelijkheid die in de Omgevingsvisie en de toelichting op de Provinciale Omgevingsverordening 2018 wel wordt beschreven, maar per abuis nooit is opgenomen in de regeling zelf. Het lid is met name bedoeld voor zeer grote spelers met een aan te tonen positieve invloed op de werkgelegenheid. Het gaat om situaties waarbij het gelet op het tijdsbestek niet mogelijk is om het proces te doorlopen als beschreven in Artikel 3.17. Wel dienen de effecten worden aangetoond. Aantonen duidt in deze context op onderzoek waaruit dit blijkt. Van belang is dat met toepassing dit lid niet alsnog een regionale werklocatie ontstaat. Een omgevingsplan dat een beroep doet op deze bepaling bevat daarom voorzieningen die de mogelijkheid dat alsnog een werklocatie ontstaat duurzaam uitsluit. Uitsluitend wordt voorzien in een maatoplossing om tegemoet te komen aan belangstelling door een grote speler.

Artikel 3.20 Detailhandel

Om te voldoen aan de Dienstenrichtlijn worden nieuwe regels gesteld met betrekking tot Detailhandel. Inhoudelijk betekenen deze regels geen beleidswijziging. Wel brengen ze een concretisering met zich mee.

We streven naar toekomstbestendige en vitale centrum- en winkelgebieden die aan de basis liggen van leefbare, aantrekkelijke steden en dorpen met een optimaal verzorgingsniveau voor de inwoners. Hiervoor wordt een evenwichtige toedeling van functies aan locaties nagestreefd conform de systematiek van de Ladder voor duurzame verstedelijking.

Waarom dit beleid?

Toekomstbestendige en vitale centrumgebieden zijn essentieel voor de leefbaarheid van de steden en dorpen in Drenthe. Centra hebben een belangrijke sociaal-maatschappelijke functie als ontmoetingsplekken. Door de combinatie van verschillende functies versterken de aanwezige commerciële functies elkaar onder andere door combinatiebezoek. Dit is positief voor het economisch functioneren van bedrijven en resulteert in gemak en efficiëntie en minder mobiliteit voor de consument.

Uitgangspunten voor het beleid

Wij streven naar een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en zorgvuldig ruimtegebruik waarin detailhandel wordt geconcentreerd in de bestaande centrumgebieden, waarbij de vitaliteit van de bestaande detailhandelsstructuur centraal staat. Om dit te bereiken bieden wij ruimte voor dynamiek, innovatie en vernieuwing binnen deze centrumgebieden. Initiatieven die moeten worden aangemerkt als ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ dienen te voldoen aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

De toename van de online verkoop en andere trends maken dat het winkelaanbod in met name de niet dagelijkse sector in centrumgebieden van dorpen en steden afneemt, waardoor de kans op leegstand toeneemt. Wij vragen gemeenten hierop in te spelen door centrumgebieden kleiner en compacter te maken onder andere door transformatie van delen van centrumgebieden naar andere functies. Vanuit verschillende provinciale fondsen stimuleren en faciliteren wij gemeenten om dit beleid tot uitvoering te brengen.

Centrumgebieden hebben invloed op elkaars functioneren. Daarom stimuleren wij regionale afstemming bij plannen voor grootschalige ontwikkelingen, die mogelijk effect hebben op de koopstromen tussen kernen en gemeenten.

Beleidsdoelen

Daarom kiezen wij voor het beperken van de plancapaciteit voor detailhandel buiten de centrumgebieden, om de vitaliteit van deze centra te borgen en versnippering van voorzieningen en leegstand te voorkomen. Wij geven gemeenten ruimte om maatwerk te kunnen bieden.

In kleine kernen is vaak sprake van een ruimtelijk kleinschalig centrumgebied, waar het winkelaanbod vaak beperkt is. Voor deze kleine kernen is een supermarkt van groot belang voor de leefbaarheid en het verzorgingsniveau. Wanneer een supermarkt met een toekomstbestendige maat, ten behoeve van de lokale verzorging en de leefbaarheid, ruimtelijk niet inpasbaar is in het centrumgebied van een kleine kern, is het mogelijk om deze op een locatie buiten het bestaande centrumgebied te realiseren binnen het stedelijk gebied van de kleine kern.

Om het ondernemerschap en de leefbaarheid te ondersteunen worden geen nadere eisen gesteld aan kleinschalige ondergeschikte detailhandel aan huis. Om tegemoet te komen aan consumentenwensen en ten behoeve van een optimaal verzorgingsniveau, wordt een uitzondering gemaakt voor de plancapaciteit voor specifieke vormen van detailhandel die niet of minder goed passen binnen bestaande centrumgebieden (door grootte van de winkel en/of de aard en omvang van het assortiment) en die niet essentieel is voor het functioneren en de vitaliteit van centrumgebieden. Hiervoor bieden wij mogelijkheden in geconcentreerde winkelgebieden voor perifere en grootschalige detailhandel. Dit ligt in het verlengde van het voormalige PDV- en GDV-beleid van het Rijk. Dit geldt onder andere ook voor trafficlocaties. Onder ‘trafficlocaties’ verstaan wij een locatie waar sprake is van een hoge concentratie van een of meerdere verkeersmodaliteiten (bijvoorbeeld auto’s, fietsers of voetgangers) met een wisselend piek- en dalpatroon.

Nieuwe plancapaciteit voor detailhandel buiten bestaand stedelijk gebied is in principe niet toegestaan. Deze beperking ligt in het verlengde van het verbod op weidewinkels, zoals in het verleden werd gehanteerd in Drenthe. Een uitzondering wordt gemaakt voor zeer specifieke vormen van detailhandel die door aard en omvang aantoonbaar niet passen binnen bestaand stedelijk gebieden (bijvoorbeeld tuincentra). Gelet op de wenselijkheid van een vitaal platteland, waar recreatie een belangrijk element is en waar meerdere verdienmodellen mogelijk moeten zijn voor agrariërs, wordt daarnaast een uitzondering gemaakt voor ondergeschikte detailhandel bij agrarische bedrijven, trafficlocaties en voor kleinschalige winkels bij (verblijfs)recreatiebedrijven. In de bijlage bij deze toelichting wordt een nadere onderbouwing gegeven van de in deze verordening gemaakte keuzen.

Artikel 3.21 Mobiliteit

Dit artikel regelt een 'mobiliteitstoets'. Onder verkeersbewegingen die 'van wezenlijke invloed op de verkeersafwikkeling zijn' wordt verstaan: een aanzienlijke verandering in intensiteit en/of samenstelling van het verkeer die niet zonder extra maatregelen vlot en veilig kan worden afgewikkeld op de bestaande infrastructuur en met het regulier openbaar vervoer.

Wij willen dat Drenthe goed en veilig bereikbaar is en blijft. Daarom beogen wij dat ontwikkelingen met een grote aantrekkende werking op het verkeer van goederen en/of personen terecht komen op