Vaststelling Beleidsregels bescherming natuur provincie Drenthe

 

Gedeputeerde Staten van Drenthe;

 

gelet op artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht;

 

gelet op artikel 5.1, eerste lid, onder e en f, Omgevingswet en 5.1, tweede lid, onder g, Omgevingswet juncto artikel 4.6, eerste lid, onder e, Omgevingsbesluit en afdeling 11.3 Besluit activiteiten leefomgeving, waarvoor het college van Gedeputeerde Staten bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit te verlenen;

 

gelet op artikel 4.25 Omgevingsbesluit, waarin het college van Gedeputeerde Staten bevoegd gezag is advies en instemming te geven voor een omgevingsvergunning die tevens een Natura 2000-activiteit omvat en waarvoor het college van Burgemeester en Wethouders bevoegd gezag is;

 

overwegende dat op 1 januari 2024 de Omgevingswet en de daarbij behorende Omgevingsregeling, Besluit Omgevingswet en de AMvB’s in werking treden;

 

BESLUITEN:

 

de Beleidsregels bescherming natuur provincie Drenthe vast te stellen.

 

 

Beleidsregel bescherming natuur provincie Drenthe

 

Hoofdstuk 1 INLEIDING

1.1 Inleiding

Vanaf 1 januari 2024 is de Wet natuurbescherming ondergebracht in de Omgevingswet (Ow). De Wet natuurbescherming heeft op 1 januari 2017 de Flora- en faunawet (Ffw), de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw) en de Boswet vervangen. Door die wet is de provincie Drenthe ook bevoegd gezag geworden voor soortenbeleid (voormalige Ffw) en taken uit de voormalige Boswet. In de “beleidsregels Wet natuurbescherming provincie Drenthe” waren daarom alle bestaande beleidsregels, die gebaseerd waren op regelgeving die in de Wet natuurbescherming samengevoegd. Door de komst van de Ow is dat document beleidsneutraal vervangen in dit document: “Beleidsregel bescherming natuur provincie Drenthe”.

 

1.2 Leeswijzer en achtergrond beleidsregels

Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid (artikel 4:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht). Dit is een juridische basis voor de vaststelling van deze beleidsregels.

 

Hieronder wordt toegelicht welke beleidsregels in deze bepaling zijn vastgesteld en wat hiervan de achtergrond is. Dit wordt per hoofdstuk aangegeven.

 

Hoofdstuk 2

In hoofdstuk 2 zijn de beleidsregels voor een Natura 2000-activiteit overgenomen. Dit betreffen de beleidsregels “salderen”. Dit betreffen beleidsregels die ook de andere provincies grotendeels op gelijke wijze hebben vastgesteld. De artikelen 2.13 en 2.14 zijn aanvullend ten opzichte van de landelijke beleidsregels maar zijn al eerder door Gedeputeerde Staten vastgesteld ter verduidelijking van de te hanteren werkwijze bij het verlenen van een omgevingsvergunning. Op de website van BIJ12 is meer informatie te vinden over de beleidsregels “salderen”.

 

Hoofdstuk 3

In hoofdstuk 3 zijn beleidsregels gerelateerd aan een flora- en fauna-activiteit opgenomen.

 

Het hoofdstuk kent bepalingen over soortenbescherming (jaarrond beschermde soorten en pre-SMP) en faunabeheer (beheer reeën en sluiten jacht).

 

Een deel van de in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen vinden hun oorsprong in de in 2014 door Provinciale Staten vastgestelde Flora- en faunabeleidsplan. Enkele bepalingen in deze beleidsregels zijn rechtstreeks overgenomen uit het Flora- en faunabeleidsplan (sluiten jacht, beheer van reeën en regels voor faunabeheerplan). Door vaststelling van deze beleidsregels verbinden Gedeputeerde Staten zich hier eveneens aan. Ten opzichte van het Flora- en faunabeleidsplan is verduidelijkt voor welke wettelijke bevoegdheid de beleidsregels gebruikt worden en waar nodig is de opmaak verbeterd.

 

De bevoegdheid om aanvullende regels te stellen waar een faunabeheerplan aan moet voldoen is, voor zover het gaat om regels voor reeën, expliciet gedelegeerd aan Gedeputeerde Staten. Dit is geregeld in artikel 4.12, lid 3 van de Provinciale omgevingsverordening 2023. In juridische termen spreek je hier niet van beleidsregels maar van door Gedeputeerde Staten vastgestelde nadere regels. Juridisch technisch zijn deze regels aangepast aan de vereisten van de Omgevingswet. Inhoudelijk komen de regels en de beleidsregels echter overeen met de beleidsregels in het uitvoeringsplan Flora en Fauna. In de artikelen 3.2 tot en met 3.4 zijn deze bepalingen opgenomen.

 

Voor een aantal beschermde soorten is door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna RVO) een soortenstandaard ontwikkeld. Hierin is snel en overzichtelijk terug te vinden wat onder welke voorwaarden mag en wanneer een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna activiteit aangevraagd moet worden. Gelet op de meerwaarde (het vergemakkelijken van het bepalen van een vergunningplicht) is in het beleid (artikel 3.1) aangegeven dat de soortenstandaard gebruikt gaat worden. Omdat de soortenstandaard kan verouderen is in IPO-verband ingestemd met het op landelijke schaal bijhouden van deze soortenstandaard (die nu factsheets gaat heten) door BIJ12.

 

Hoofdstuk 4

Om meer duidelijkheid te geven over de invulling van onze bevoegdheden met betrekking tot houtopstanden zijn in hoofdstuk 4 de kaders weergegeven. Op deze manier is voor iedereen vooraf duidelijk wanneer Gedeputeerde Staten een omgevingsvergunning verlenen en wanneer niet. Ook wordt in het beleid aangegeven wanneer Gedeputeerde Staten een kapverbod op gaan leggen. Door dit vooraf te communiceren wordt meer draagvlak gecreëerd en wordt het naleefgedrag bevorderd. Procedures over een kapverbod worden vergemakkelijkt omdat daarbij verwezen kan worden naar beleid. Voor generieke Omgevingsvergunningen is beleid gemaakt omdat dit veel efficiency oplevert voor de melder en beoordelaar.

 

Hoofdstuk 5

In hoofdstuk 5 zijn beleidsregels voor tegemoetkoming faunaschade opgenomen. In IPO-verband is afgesproken dat alle provincies de afhandeling van faunaschade bij BIJ12 beleggen.

 

Hoofdstuk 6

Ten slotte worden de beleidsregels in hoofdstuk 6 afgesloten met enkele slotbepalingen ten aanzien van inwerkingtreding en de citeertitel.

 

Hoofdstuk 2 NATURA-2000 ACTIVITEIT

 

Beleidsregels salderen

 

Algemeen

Het doel van de provinciale beleidsregels (voetnoot 1: onder beleidsregel wordt verstaan: een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan (artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht) salderen is het verduidelijken van de voorwaarden voor het verlenen van natuurtoestemmingen door Gedeputeerde Staten waarbij stijging van stikstofdepositie wordt voorkomen.

 

De beleidsregels zijn aangepast naar aanleiding van de invoering van de Omgevingswetgeving (Ow) op 1 januari 2024, waaronder de Omgevingsregeling. Daarin zijn onder meer regels over stikstofbanken uit de recente Regeling natuurbescherming (Rnb) van 5 oktober 2023 opgenomen. De Rnb vervalt op 1 januari 2024. Deze aanpassing van de beleidsregels aan de Omgevingswet is -in lijn met de overgang van de Wet Natuurbescherming (Wnb) naar de Omgevingswet- beleidsneutraal (voetnoot 2: Vgl. Kamerstukken II 2017-18, 34 985, nr. 3, p. 7. “Bij de parlementaire behandeling van het voorstel voor de Wet natuurbescherming is door het toenmalige kabinet meermalen bevestigd dat het normenkader en de instrumenten ongewijzigd zullen overgaan en dat geen afbreuk wordt gedaan aan het beschermingsniveau; de overgang van de regels over de bescherming van de natuur en de daarbij horende bevoegdheidsverdeling geschiedt dus beleidsneutraal.”).

 

Grondslag beleidsregel

De natuurvergunningplicht uit artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb is onder de Omgevingswet geïntegreerd in de Omgevingsregeling. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, onderdeel e, van de Ow is in beginsel het verboden om zonder een omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten (voetnoot 3: Een Natura 2000-activiteit is een activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied Vgl. Bijlage A van de Omgevingswet.).

 

Achtergrond

Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) uitspraak gedaan over het Programma Aanpak Stikstof (voetnoot 4: ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603). Als gevolg van de uitspraak is de passende beoordeling die ten grondslag lag aan het PAS onbruikbaar geworden als basis voor toestemmingverlening. Mede gelet op de conclusies uit de natuurdoelanalyses waaruit blijkt dat de natuur er vaak niet goed aan toe is als gevolg van met name een te hoge stikstofdepositie, is het duidelijk dat een substantiële reductie van stikstofdepositie nodig is om de natuurdoelen te halen. Na het treffen van effectieve maatregelen voor een substantiële reductie wordt vergunningverlening voor economische ontwikkelingen weer vaker mogelijk. Naar aanleiding van de uitspraak over het PAS zijn deze beleidsregels opgesteld. Het doel van de beleidsregels is het kunnen verlenen van natuurtoestemmingen waarbij stijging van depositie wordt voorkomen, terwijl daling realiseren primair een zaak is van de gebiedsgerichte aanpak en de te treffen bronmaatregelen. Nu het PAS niet meer gebruikt kan worden en vergunningverlening voor stikstofdeposities lastiger is geworden door de aanvullende eisen die de Afdeling heeft gesteld aan een passende beoordeling, moet in de meeste gevallen worden teruggevallen op het voorkomen van toename van depositie via salderen.

 

Saldering betekent dat toenames en afnames van stikstofdepositie met elkaar verrekend worden, waarbij de netto uitkomst de basis is voor de beoordeling van de stikstofeffecten op de natuur. Waar het bij intern salderen gaat om salderen binnen de begrenzing van één project of locatie, is sprake van extern salderen wanneer wordt gesaldeerd met één of meer activiteiten buiten de begrenzing van één project of locatie. Inmiddels is duidelijk dat projecten die met intern salderen niet tot een toename van stikstofdepositie leiden, niet langer vergunningplichtig zijn. Dit volgt uit de Logtsebaan jurisprudentie van de Raad van State (voetnoot 5: ABRvS 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:69, ECLI:NL:RVS:2021:70, ECLI:NL:RVS:2021:71) en het vervallen van de verslechteringsvergunning op 1 januari 2020. Deze beleidsregels worden toegepast bij de beoordeling van aanvragen voor natuurvergunningen waarbij gebruik wordt gemaakt van extern salderen. Dit betreft zowel 1-op-1 salderingen als ook transacties via AERIUS Register (stikstofbanken). Daarnaast gelden bij die beoordeling uiteraard ook andere regels en voorwaarden die uit de wet en jurisprudentie voortvloeien. Aan het eind van de toelichting is de belangrijkste jurisprudentie over extern salderen opgenomen.

 

Salderen met feitelijk gerealiseerde capaciteit

Uitgangspunt is dat uitsluitend gesaldeerd mag worden met feitelijk gerealiseerde capaciteit. Door uit te gaan van de feitelijk gerealiseerde capaciteit kan de niet-gerealiseerde capaciteit niet betrokken worden bij aanvragen met salderen. Zo wordt voorkomen dat het alsnog benutten van deze capaciteit leidt tot een feitelijke stijging van depositie.

 

Figuur 1: Schematische weergave feitelijk gerealiseerde capaciteit

 

Afroming bij extern salderen

Afroming is noodzakelijk om feitelijke depositiestijgingen te voorkomen, met het risico op verslechtering van de natuur. Daarom is in deze beleidsregels bepaald dat de saldo-ontvanger bij extern salderen 70% van de verkregen stikstofdepositie kan benutten. Daarnaast valt bij extern salderen altijd ruimte vrij, omdat saldogever en saldo-ontvanger zich niet op exact dezelfde locatie bevinden ten opzichte van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Deze vrijvallende ruimte wordt vastgelegd in de stikstofbanken en kan worden ingezet om in de nabije toekomst nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken door vergunningverlening. Depositiedaling wordt met name bereikt door de gebiedsgerichte aanpak en de generieke bronmaatregelen (voetnoot 6: Zie onder meer de Kamerbrief van 24 april 2020, kenmerk BPZ 20120075).

 

Jurisprudentie extern salderen

In jurisprudentie is gedetailleerd uitgewerkt welke voorwaarden gelden in geval van externe saldering. Initiatieven die een beroep doen op deze beleidsregels moeten, naast de voorwaarden die in deze beleidsregels zijn opgenomen, ook voldoen aan de voorwaarden uit de jurisprudentie voor externe saldering. Gedeputeerde Staten toetsen dus aan deze jurisprudentie en ook aan eventuele jurisprudentie die zich op dit vlak ontwikkelt na inwerkingtreding van deze beleidsregels. De voornaamste voorwaarden die in de jurisprudentie zijn ontwikkeld met betrekking tot extern salderen zijn, samengevat:

  • -

    een milieuvergunning die is verleend en is ingetrokken voordat artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn van toepassing werd op een Natura 2000-gebied waarop het bedrijf stikstofdepositie veroorzaakt (de Europese referentiedatum), kan niet voor externe saldering worden gebruikt. Zie daartoe ABRvS 18 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW3056;

  • -

    mitigatie in de vorm van externe saldering is slechts mogelijk als er directe samenhang bestaat tussen de intrekking van de milieuvergunning en de verlening van de natuurvergunning (Ow, Wnb of Nbw). Die directe samenhang wordt aangenomen als de vergunning voor het saldogevende bedrijf daadwerkelijk is of zal worden ingetrokken ten behoeve van de uitbreiding van het saldo-ontvangende bedrijf. Dit kan blijken uit het intrekkingsbesluit of uit een overeenkomst tussen het saldogevende en saldo-ontvangende bedrijf over de overname van het stikstofdepositiesaldo van de in te trekken toestemming. Verder dient vast te staan dat de bedrijfsvoering van het saldogevende bedrijf daadwerkelijk is of wordt beëindigd (zie de uitspraak ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1931). Wanneer een natuurvergunning wordt verleend met een uitgestelde inwerkingtreding tot het moment waarop de intrekking van het toestemmingsbesluit van de saldogevende activiteit onherroepelijk is, kan eveneens de samenhang worden geborgd (vgl. ABRvS 29 juni 2016 ECLI:NL:RVS:2016:1818 en ECLI:NL:RVS:2016:1819);

  • -

    externe saldering kan alleen met stikstofdeposities die waren vergund op de Europese referentiedatum en die ook nog aanwezig waren of konden zijn tot het moment van intrekking van de toestemming of het sluiten van de overeenkomst. Dat is het geval als de hervatting van het bedrijf mogelijk is zonder dat daarvoor een natuurvergunning voor de realisering van een project is vereist (uitspraak ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1931);

  • -

    het voorkomen dat dezelfde emissierechten tegelijkertijd op twee bedrijven worden gebruikt, maar ook dat enige tijd in het geheel geen gebruik kan worden gemaakt van een saldo, kan volgens de Raad van State bij wijze van voorbeeld als volgt worden gerealiseerd. De vergunning voor de saldo-ontvanger wordt pas verleend nadat het daarvoor benodigde intrekkingsbesluit onherroepelijk is geworden. Om te voorkomen dat er een periode ontstaat waarin noch de saldo-ontvanger, noch de saldogever gebruik kan maken van het saldo, kan in het intrekkingsbesluit worden bepaald dat dat besluit pas werking verkrijgt zodra de vergunning van kracht is geworden (uitspraak ABRvS 29 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1818);

  • -

    de Afdeling is van oordeel dat dubbele inzet van stikstofdepositie is uitgesloten als extern gesaldeerd wordt met een bedrijf dat

  • (i)

    op 1 juli 2015 geen stikstofdepositie meer veroorzaakte of

  • (ii)

    op 1 juli 2018 nog stikstofdepositie veroorzaakte, of

  • (iii)

    binnen één kilometer afstand van een Natura 2000-gebied staat.

Dubbele inzet van deposities is niet uitgesloten als extern gesaldeerd wordt met een bedrijf dat feitelijk is beëindigd in de periode 1 juli 2015 - 1 juli 2018 (uitspraak ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1604 -zaaknummer 201506170/2).

Van deze uit de rechtspraak ontwikkelde voorwaarden wordt door GS in beginsel niet afgeweken.

 

Artikel 2.1 Begripsbepalingen

 

In hoofdstuk 2 van deze beleidsregels wordt verstaan onder:

 

  • a.

    stikstofdepositieruimte: vrijgemaakte of vrijgevallen stikstofdaling ten behoeve van saldering, waaronder de ruimte die is opgenomen in AERIUS Register, zoals bedoeld in artikel 17a.2 lid 3 van de Regeling;

  • b.

    provinciale stikstofbank: compartiment in AERIUS Register in de zin van artikel 17a.2 lid 5 jo. 17a.3 sub h van de Regeling;

  • c.

    doelgebonden depositiebank: subcompartiment in AERIUS Register, gericht op het aan projecten kunnen toedelen van in deze bank aanwezige stikstofdepositieruimte voor een bepaald doel;

  • d.

    extern salderen: salderen met één of meer activiteiten buiten de begrenzing van één project of locatie ten behoeve van de verlening van een natuurvergunning;

  • e.

    Habitatrichtlijn: Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992, inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206);

  • f.

    microdepositiebank: compartiment in AERIUS Register, gericht op het toedelen van aanwezige stikstofdepositieruimte van ten hoogste 0,05 mol/ha/jr in de zin van artikelen 17a.10 en 17a.5, vierde lid van de Regeling;

  • g.

    microdeposities: door een project veroorzaakte N-depositie van ten hoogste 0,05 mol stikstof per hectare per jaar die overeenkomstig artikel 17a.5, vierde lid Regeling kan worden opgenomen in AERIUS Register en kan worden bestemd voor de doelen als genoemd in artikel 17a.10 van de Regeling;

  • h.

    natuurvergunning: omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e van de Wet al dan niet op basis van advies en instemming met het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.25, eerste lid, aanhef en onder e jo art. derde lid, jo. 4.25 derde lid Omgevingsbesluit;

  • i.

    N-emissie: stikstofverbindingen die direct of indirect vanuit een bron in de lucht worden gebracht;

  • j.

    N-depositie: neerslaan van stikstofverbindingen uit de lucht op een oppervlakte, uitgedrukt in mol stikstof per hectare per jaar;

  • k.

    referentiesituatie: toestemming als bedoeld in onderdeel r, onder 1°, 3° en 4°, of bij gebrek daaraan een op de Europese referentiedatum aanwezige toestemming als bedoeld in onderdeel r, onder 2° en 5,° waarbij de laagst toegestane depositie vanaf de referentiedatum geldt;

  • l.

    Regeling: Regeling van de Minister voor Milieu en Wonen, de Staatssecretaris van Defensie, de Minister van Economische Zaken en Klimaat, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 21 november 2019, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingsregeling).

  • m.

    relevant hexagoon: hexagoon waarbinnen een voor stikstof gevoelig natuurlijk habitat of habitat voor soorten voorkomt, en waarbij tevens sprake is van een overbelasting of een naderende overbelasting van N-depositie vanaf 70 mol per hectare, per jaar onder de kritische depositiewaarde;

  • n.

    salderen: inzetten van een activiteit met N-emissie op grond van een toestemming in de referentiesituatie ten behoeve van de verlening van een natuurvergunning voor een nieuw of gewijzigd project, waarbij deze toestemming geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken of gewijzigd zodat de N-depositie op alle relevante hexagonen niet toeneemt ten opzichte van de referentiesituatie;

  • o.

    saldogevende activiteit: een toestemming die, in geval van extern salderen, wordt ingetrokken of, in geval van verleasen, tijdelijk buiten gebruik wordt gesteld ten gunste van de saldo-ontvangende activiteit;

  • p.

    saldo-ontvangende activiteit: aangevraagde activiteit waarbij gebruik wordt gemaakt van extern salderen;

  • q.

    SSRS-bank: stikstofregistratiesysteem, het compartiment binnen AERIUS Register dat beschikbaar is voor projecten als bedoeld in artikel 17a.6 lid 1 van de Regeling;

  • r.

    toestemming:

    • 1.

      onherroepelijke vigerende natuurvergunning; of

    • 2.

      onherroepelijke vigerende vergunning op grond van de Wet natuurbescherming of Natuurbeschermingswet 1998, dan wel onherroepelijke vigerende vergunning of geldende melding op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht artikel 2.1 eerste lid onder e of artikel 2.1 eerste lid onder i (omgevingsvergunning voor het onderdeel milieu), de Wet milieubeheer of de Hinderwet; of

    • 3.

      een activiteit waarvoor geen natuurvergunningplicht was opgenomen, maar die wel voldeed aan artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming; of

    • 4.

      een activiteit als bedoeld in artikel 9.4, achtste lid van de Wet natuurbescherming; of

    • 5.

      een activiteit die op de Europese referentiedatum was toegestaan en die niet is vervallen of geëxpireerd;

  • s.

    verleasen: extern salderen waarbij de feitelijk gerealiseerde capaciteit van de saldogevende activiteit tijdelijk geheel of gedeeltelijk tijdelijk aantoonbaar buiten gebruik wordt gesteld, ten behoeve van de verlening van een natuurvergunning voor een tijdelijke depositie gedurende een beperkte vooraf afgebakende periode;

  • t.

    Vogelrichtlijn: Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009, inzake het behoud van de vogelstand (PbEG L 207);

  • u.

    vrijgemaakte stikstofdepositieruimte: ruimte voor N-depositie die voldoet aan de voorwaarden voor extern salderen als bedoeld in artikel 2.6, eerste tot en met vijfde en zevende tot en met elfde lid die afkomstig is uit mitigerende maatregelen die specifiek zijn getroffen voor het mogelijk maken van ontwikkelingen;

  • v.

    vrijgevallen stikstofdepositieruimte: ruimte voor N-depositie die resteert nadat een bevoegd gezag een natuurvergunning heeft verleend;

  • w.

    Wet: Wet van 23 maart 2016, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingswet).

 

Toelichting artikel 2.1 begripsbepalingen ten behoeve van salderen

Sub a (stikstofdepositieruimte)

Het in de stikstofbank opnemen van stikstofdepositieruimte vereist een berekening met AERIUS Calculator. Gedeputeerde Staten gaan daarbij uit van de op dat moment meest recente versie van de AERIUS Calculator, zoals beschikbaar op www.aerius.nl.

 

Sub d (extern salderen)

Bij extern salderen vinden de saldogevende activiteit en de saldo-ontvangende activiteit op verschillende locaties plaats. Het gaat hierbij om verschillende projecten of plannen. Externe saldering wordt aangemerkt als een mitigerende of beschermende maatregel in de zin van artikel 6, lid 3 Habitatrichtlijn en moet dus plaatsvinden in het kader van een passende beoordeling.

 

Sub f (microdepositiebank)

Binnen de stikstofbank betreft de microdepositiebank een voorziening van de provincies die erop is gericht om stikstofdepositieruimte aan natuurvergunningen te kunnen toedelen. De stikstofdepositieruimte in deze microdepositiebank is afkomstig van vrijgevallen ruimte. Daarnaast kunnen de verschillende bevoegde gezagen de microdepositiebank vullen met vrijgemaakte stikstofdepositieruimte. Als Gedeputeerde Staten een aanvraag om een natuurvergunning ontvangen waarin de aanvrager verzoekt om toedelen van stikstofdepositieruimte uit deze bank, beoordelen zij of de microdepositiebank daarvoor de ruimte biedt. Deze beoordeling staat los van de vraag welk bevoegd gezag de betrokken natuurvergunning heeft verleend waarbij stikstofdepositieruimte is vrijgevallen, of welk bevoegd gezag vrijgemaakte ruimte heeft ingebracht. Er is in zoverre sprake van een collectieve voorziening.

 

Sub i (N-emissie)

Bij de term ‘stikstofverbinding’ gaat het om zogenoemd reactief stikstof. Hieronder vallen onder andere stikstofoxiden (NOx), ammoniak (NH3) en ureum. Stikstofgas (N2), waaruit het grootste deel van onze lucht bestaat is inert en valt hier daarom niet onder.

 

Sub k (referentiesituatie)

De referentiesituatie wordt bepaald in samenhang met het begrip ‘toestemming’ en de Europese referentiedatum. Bij gebrek aan een natuurvergunning is een toestemming op de Europese referentiedatum het uitgangspunt voor het bepalen van de referentiesituatie. In de jurisprudentie is echter bepaald dat als de depositie na de Europese referentiedatum publiekrechtelijk is beperkt, die lagere depositie de uitgangssituatie is. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer een op de referentiedatum geldende toestemming nadien is vervangen door een milieuvergunning (voetnoot 7: ABRvS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1891, r.o. 4). De Europese referentiedata volgen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn en vaste jurisprudentie en zijn als volgt:

 

  • 1.

    voor gebieden ter uitvoering van de Habitatrichtlijn:

    • -

      7 december 2004; of

    • -

      de datum waarop het desbetreffende gebied door de Europese Commissie tot een gebied van communautair belang is verklaard, voor zover die verklaring heeft plaatsgevonden na 7 december 2004;

  • 2.

    voor gebieden ter uitvoering van de Vogelrichtlijn:

    • -

      10 juni 1994; of

    • -

      de datum waarop het desbetreffende gebied is aangewezen, voor zover die aanwijzing heeft plaatsgevonden na 10 juni 1994. Een complete lijst van de te hanteren referentiedata per Natura 2000-gebied is te vinden op de website van BIJ12. Een toestemming is verleend voor een bepaalde activiteit (die een bepaalde N-emissie en N-depositie tot gevolg heeft) en niet voor een bepaalde hoeveelheid N-emissie of N-depositie. Bij het berekenen van de depositie in de referentiesituatie moet altijd worden uitgegaan van actuele kengetallen.

Sub m (relevant hexagoon)

De marge van 70 mol/ha/jaar ten opzichte van de kritische depositiewaarde komt ongeveer overeen met 1 kg N/ha/jaar. De hexagonen waarbij de Kritische Depositie Waarde wordt benaderd, maar niet is overschreden, worden meegenomen bij de berekeningen. Dit om een overschrijding in de toekomst te voorkomen en om aan te sluiten bij het voorzorgsprincipe uit de Habitatrichtlijn.

 

Sub q (SSRS-bank)

De SSRS-bank is een landsdekkend stikstofregistratiesysteem dat het mogelijk maakt om depositietoenames door voorgenomen projecten te salderen. In het systeem kunnen Gedeputeerde Staten stikstofdepositieruimte opnemen (vulling) die zowel uit vrijgemaakte als uit vrijgevallen ruimte kan bestaan.

 

Sub r (toestemming)

Waar in deze begripsbepaling verwezen wordt naar de voormalige Wet natuurbescherming, wordt verwezen naar de wet zoals die luidde voor het moment van het in werking treden van de Omgevingswet.

  • 3.

    Onder activiteiten die voldoen aan artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming vallen onder andere tracébesluiten en kavelbesluiten in de zin van de Wet windenergie op zee. Hiervoor geldt een vrijstelling van de vergunningplicht op grond van de Wet, maar is wel een passende beoordeling gemaakt.

  • 4.

    Voor het project is weliswaar geen natuurvergunning verleend maar er is wel een richtlijnconforme beoordeling uitgevoerd.

  • 5.

    Een toestemming kan ook zijn een toestemming naar nationaal recht die is verleend voordat de Habitatrichtlijn in werking trad voor het betrokken gebied. Uit jurisprudentie blijkt dat ook dat een toestemming op grond van algemene regelgeving de betrokken toestemming kan zijn (voetnoot 8: ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1604, r.o. 22.4). Logischerwijs mogen dergelijke activiteiten betrokken worden bij salderen. Om als referentiesituatie te kunnen dienen, is uiteraard wel van belang dat het project ongewijzigd is voortgezet en de toegestane depositie niet is beperkt.

 

Sub s (verleasen)

Verleasen is alleen mogelijk bij een tijdelijke stikstofdepositie. Daarin onderscheidt verleasen zich van regulier extern salderen.

 

Sub u (vrijgemaakte stikstofdepositieruimte)

Vrijgemaakte stikstofdepositieruimte kan worden gebruikt voor het mogelijk maken van maatschappelijke en economische ontwikkelingen. Met saldering via de stikstofbank (te weten via de daarin opgenomen microdepositiebank dan wel via daarin opgenomen doelgebonden depositiebanken) wordt hetzelfde beoogd als met extern salderen: een toename van stikstofdepositie van een project wordt gesaldeerd met een afname van stikstofdepositie, bijvoorbeeld door een ingetrokken toestemming. Extern salderen en salderen via de stikstofbank zijn binnen de Ow-vergunningverlening beide te duiden als een maatregel ter mitigatie van de effecten van het project. De wijze waarop het benodigde saldo wordt verkregen verschilt echter. In de stikstofbank wordt bijvoorbeeld niet gesaldeerd met het intrekken van toestemmingen, maar met de door die intrekking vrijgemaakte stikstofdepositieruimte. De relevante eisen uit artikel 2.6 (extern salderen) worden toegepast op de stikstofdepositieruimte die in de stikstofbank wordt opgenomen. Hieronder vallen bijvoorbeeld de eis dat deze maatregelen niet noodzakelijk zijn in het kader van artikel 6, tweede lid, (het zogenaamde additionaliteitsvereiste) van de Habitatrichtlijn en het afromingsvereiste van (tenminste) 30%.

 

Sub v (vrijgevallen stikstofdepositieruimte)

Vrijgevallen stikstofdepositieruimte is ruimte die ‘vrijvalt’ bij extern salderen. Aangezien saldogever en saldo-ontvanger zich niet op exact dezelfde locatie bevinden ten opzichte van stikstofgevoelige Natura 2000- gebieden, kan extern salderen ertoe leiden dat op bepaalde hexagonen meer gesaldeerd wordt dan nodig is. Het eindresultaat, de aan de saldo-ontvanger verleende natuurvergunning, is bepalend voor de hoeveelheid overblijvende ruimte. Die (na afroming met 30% bij externe saldering) overblijvende ruimte valt toe aan de microdepositiebank. Dit is bijvoorbeeld het geval als Gedeputeerde Staten met behulp van artikel 2.6 van deze Beleidsregels een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit hebben verleend. Gedeputeerde Staten bepalen de vrijgevallen ruimte aan de hand van de verleende natuurvergunning en de AERIUS verschilberekeningen die daarvan onderdeel uitmaken.

 

Artikel 2.2 Toepassingsbereik

 

Gedeputeerde Staten hanteren deze beleidsregels bij het beoordelen van een aanvraag om een natuurvergunning waarbij gebruik is gemaakt van salderen voor projecten die een effect kunnen hebben op N-depositie op relevante hexagonen in Natura 2000-gebieden en het daarvoor in te stellen instrumentarium.

 

Artikel 2.3 Natuurvergunning

 

Gedeputeerde Staten verlenen een natuurvergunning in gevallen waarin bij de aanvraag gebruik is gemaakt van extern salderen uitsluitend indien wordt voldaan aan de in deze beleidsregels opgenomen voorwaarden.

 

Toelichting artikel 2.3 natuurvergunningen

Bij een aanvraag om een natuurvergunning kunnen verschillende maatregelen worden ingezet om significant negatieve effecten voor Natura 2000-gebieden uit te sluiten. In geval van extern salderen zal in veel gevallen ook sprake zijn van intern salderen omdat een initiatiefnemer voor een uitbreiding van zijn activiteit eerst zal bezien of een depositietoename kan worden voorkomen door aanpassingen op dezelfde locatie. Ook is het mogelijk dat salderen gecombineerd wordt met een ecologische beoordeling of een ADC-toets. In alle gevallen waarbij salderen onderdeel uitmaakt van de aanvraag, zijn deze beleidsregels van toepassing. Uitzondering hierop is intern salderen; door een wetswijziging is dat per 1 januari 2020 niet langer vergunningplichtig (voetnoot 9: Zie ook: ABRvS 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:71, r.o. 17.9). Zolang intern salderen vergunningvrij is, kunnen hierover ook geen beleidsregels worden opgesteld.

In aanvragen waarbij meerdere instrumenten in combinatie met elkaar worden toegepast, kan het voorkomen dat na toepassen van salderen (extern of een combinatie van intern en extern) nog op een aantal hexagonen een toename van de depositie optreedt. Er kan dan aanvullend een ecologische passende beoordeling of ADC-toets uitgevoerd worden.

 

Artikel 2.4 Rekenmodel

 

Gedeputeerde Staten gaan bij de beoordeling van de N-depositie uit van de op het moment van beslissing op de aanvraag voor de natuurvergunning meest recente versie van de AERIUS Calculator, zoals beschikbaar op www.aerius.nl.

 

Toelichting artikel 2.4 rekenmodel

Conform artikel 4.15, tweede lid van de Regeling, dient AERIUS Calculator gebruikt te worden als rekenmodel. Indien binnen het project sprake is van meerdere berekeningen, dient hiervoor dezelfde en meest recente AERIUS versie te worden gehanteerd. De meest recente versie wordt tevens gebruikt tijdens de beoordeling van de aanvraag.

 

Artikel 2.5 Voorwaarden intern salderen

(vervallen)

 

Artikel 2.6 Voorwaarden extern salderen

 

  • 1.

    Er bestaat een directe samenhang tussen de intrekking van de toestemming voor de saldogevende activiteit en de verlening van de natuurvergunning voor de saldo-ontvangende activiteit.

  • 2.

    De saldogevende activiteit voldoet tot het moment van intrekking of wijziging van de toestemming van de saldogever of tot het moment van het sluiten van een overeenkomst tussen de saldogever en de saldo-ontvanger met het oog op de saldo-ontvangende activiteit aan de volgende eisen:

    • a.

      de toestemming voor de activiteit is sinds de referentiesituatie onafgebroken aanwezig geweest;

    • b.

      de activiteit wordt nog steeds uitgevoerd, dan wel hervatting is mogelijk zonder nieuwe toestemming en zonder nieuwe omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder a van de Wet.

  • 3.

    Gedeputeerde Staten betrekken een toestemming die niet kan worden ingetrokken door Gedeputeerde Staten uitsluitend bij de beoordeling van de aanvraag, indien de feitelijke uitvoering van de activiteit wordt beëindigd voordat deze activiteit wordt ingezet voor salderen.

  • 4.

    Gedeputeerde Staten betrekken bij de beoordeling van de aanvraag voor extern salderen uitsluitend de N-emissie van de saldogevende activiteit voor zover intrekking van de daaraan ten grondslag liggende toestemming niet noodzakelijk is in verband met toepassing van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn.

  • 5.

    Gedeputeerde Staten laten bij de beoordeling van een aanvraag buiten beschouwing de N-emissie van een saldogevend bedrijf voor dat deel van een bedrijf dat ofwel deelneemt aan de:

    • a.

      in artikel 17a.4 lid 1 van de Regeling genoemde regelingen;

    • b.

      stoppersregeling Actieplan Ammoniak Veehouderij.

  • 6.

    Gedeputeerde Staten ontvangen van het voornemen tot extern salderen van de saldo-ontvanger voorafgaand aan de aanvraag een melding met de gegevens van de saldo-ontvangende activiteit en saldogevende activiteit.

  • 7.

    Bij het beoordelen van een aanvraag hanteren Gedeputeerde Staten als uitgangspunt dat alleen gebruik wordt gemaakt van de in de toestemming opgenomen N-emissie in de referentiesituatie, voor zover de capaciteit aantoonbaar feitelijk is gerealiseerd.

  • 8.

    Bij de beoordeling van de feitelijk gerealiseerde capaciteit, bedoeld in het zevende lid, gaan Gedeputeerde Staten uit van de op het moment van intrekking of wijziging van de toestemming of het sluiten van een overeenkomst op grond van een toestemming volledig opgerichte installaties en gebouwen, of gerealiseerde infrastructuur en overige voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de activiteit.

  • 9.

    Gedeputeerde Staten verlenen een natuurvergunning eerst nadat de niet-gerealiseerde capaciteit van de saldogever op diens verzoek is ingetrokken.

  • 10.

    Gedeputeerde Staten gaan bij het berekenen van de N-emissie van het saldogevende bedrijf in de referentiesituatie op basis van feitelijk gerealiseerde capaciteit uit van ten hoogste de emissie die is toegestaan op grond van artikel 4.818, 4.819 of 4.820 Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij sprake is van een uitzondering genoemd in artikel 4.806 of 4.807 Besluit activiteiten leefomgeving of indien het overgangsrecht zoals aangegeven in artikel 4.831, 4.832 en 4.833 Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is.

  • 11.

    Bij de verlening van een natuurvergunning wordt 70% van de N-depositie van de feitelijk gerealiseerde capaciteit, zoals bedoeld in lid 7 en 8, van de saldogevende activiteit betrokken. Indien de N-emissie in de referentiesituatie van de betreffende saldogever, zoals bedoeld in lid 2 en 10, lager is dan de N-emissie van de feitelijk gerealiseerde capaciteit, wordt van deze lagere N-emissie 70% betrokken bij verlening van een natuurvergunning.

  • 12.

    Bij het beoordelen van een aanvraag waarvoor geldt dat de artikel 4.818, 4.819 of 4.820 Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is op de realisering van dat project, gaan Gedeputeerde Staten voor dat project uit van ten hoogste de emissie die is toegestaan op grond van artikel 4.818, 4.819 of 4.820 Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij sprake is van een uitzondering genoemd in artikel 4.806 of 4.807 Besluit activiteiten leefomgeving of indien het overgangsrecht zoals aangegeven in artikel 4.831, 4.832 en 4.833 Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is.

  • 13.

    In afwijking van het elfde lid kan tot 100% van de N-depositie van de saldogevende activiteit bij de verlening van een natuurvergunning betrokken worden, indien het project noodzakelijk is ten behoeve van de realisatie van de doelen van een Natura 2000-gebied.

 

Toelichting artikel 2.6 voorwaarden extern salderen

Lid 1: De directe samenhang kan blijken uit een overeenkomst tussen partijen waarin is opgenomen dat de toestemming (deels) wordt ingetrokken ten gunste van de saldo-ontvangende activiteit.

Lid 2: Om ingezet te kunnen worden voor externe saldering moeten de salderingsactiviteiten legaal zijn. De voorwaarde dat hervatting van de activiteit mogelijk moet zijn zonder dat daarvoor een (nieuwe) natuurvergunning voor de realisering van een project is vereist volgt uit jurisprudentie over extern salderen (zie overzicht jurisprudentie aan einde van toelichting, vierde punt). Hiermee wordt voorkomen dat (delen van) een toestemming worden ingezet voor salderen terwijl die rechten al vervallen zijn, omdat ze bijvoorbeeld al eerder zijn ingezet voor saldering. De beleidsregels halen deze jurisprudentie aan en voegen toe dat hervatting mogelijk moet zijn zonder een omgevingsvergunning, onderdeel bouwen (een bouwvergunning van de gemeente). Dit voorkomt salderen met activiteiten in gebouwen die al langere tijd een andere functie hebben dan waarvoor een toestemming is verleend en alleen met vergunningplichtige verbouwing weer in gebruik genomen zouden kunnen worden.

Lid 3: In sommige gevallen is er geen toestemming benodigd om een activiteit uit te voeren (bijvoorbeeld omdat de activiteit op grond van algemene regels zonder besluit mag worden uitgevoerd). De feitelijke beëindiging van een dergelijke activiteit moet op een of andere manier geborgd zijn vóórdat de natuurvergunning voor de saldo-ontvangende activiteit in werking treedt, bijvoorbeeld door een bestemmingsplanwijziging, of door een (privaatrechtelijke) overeenkomst. Wanneer beëindigen van de activiteit niet geborgd kan worden, kan deze niet betrokken worden bij saldering.

Lid 4: Maatregelen die nodig zijn om de gunstige staat van instandhouding van natuurwaarden te behouden (artikel 6, tweede lid Habitatrichtlijn) mogen niet tevens worden ingezet om nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken. Dit betekent dat deze niet-gerealiseerde capaciteit niet mag worden gebruikt voor salderen. Ook de winst die het gevolg is van andere noodzakelijke maatregelen op grond van artikel 6, tweede lid Habitatrichtlijn, zoals in bepaalde gevallen de (gedeeltelijke) intrekking van een vergunning, mag niet worden gebruikt voor salderen. Daarnaast komt in dit kader de in te zetten stikstofruimte voor extern salderen niet vrij vanuit de bronmaatregelen die de overheid heeft ingesteld ten behoeve van de daling van de achtergrond of als inzet voor mitigatie en/of compensatie van andere activiteiten. Dit kunnen maatregelen zijn die in het Programma Stikstofreductie en Natuurverbetering zijn opgenomen ter uitvoering van de gelijknamige wet, zoals de Lbv en de Lbv+ -regeling. Uit de regeling behorende bij de maatregel blijkt in welk kader deze maatregel is getroffen en of met de vrijgemaakte ruimte mag worden gesaldeerd.

Lid 5: Om te voorkomen dat (bron)maatregelen dubbel worden ingezet, is in dit lid onder meer verduidelijkt dat maatregelen die reeds worden gebruikt ten behoeve van een doelgebonden depositiebank (artikel 17a.4, eerste lid van de Regeling), niet mogen worden ingezet in het kader van een 1-op-1 extern saldeertransactie. Eenzelfde beperking is opgenomen voor de stoppersregeling Actieplan Ammoniak. Dit was landelijk gedoogbeleid op grond van het Besluit emissiearme huisvesting. Vanwege de al langer lopende afspraken en de noodzaak van stikstofdaling mag er niet gesaldeerd worden met het deel van het bedrijf dat stopt op basis van de Stoppersregeling Actieplan Ammoniak (op 1 januari 2020). Een bedrijf dat meedoet aan de “Subsidieregeling sanering varkenshouderijen” (vastgesteld op 10 oktober 2019) kan alleen extern salderen met het deel van het bedrijf dat niet meedoet aan de subsidieregeling. De subsidieregeling biedt geen mogelijkheid om een deel van de N-emissie te behouden ten behoeve van extern salderen. Deze twee regelingen worden hier specifiek genoemd omdat in deze regelingen nog niet was opgenomen of met de vrijgemaakte ruimte gesaldeerd mag worden. In nieuwe regelingen gebeurt dit wel, zoals beschreven in de toelichting bij lid 4.

Lid 6: Om zicht te houden op de aanvragen die ingediend gaan worden met gebruikmaking van extern salderen willen Gedeputeerde Staten vooraf een melding ontvangen van de voorgenomen saldering. Deze melding dient de gegevens te bevatten van zowel de saldogever, de saldo-ontvanger en de N-emissies en N-deposities die bij de voorgenomen externe saldering zijn betrokken.

Lid 7 en 8: Er mag alleen stikstofemissie worden ingezet voor salderen voor zover de capaciteit feitelijk is gerealiseerd. Of gebouwen, infrastructuur, installaties of overige voorzieningen die nodig zijn voor het uitvoeren van een activiteit daadwerkelijk zijn gerealiseerd, kan worden aangetoond met bijvoorbeeld luchtfoto’s, foto’s, of betaalde rekeningen. Onder ‘overige voorzieningen’ worden bijvoorbeeld terreinen die zijn ingericht voor op- en overslag gerekend. De in lid 8 bedoelde overeenkomst volgt uit jurisprudentie en ziet niet alleen toe op de overeenkomst tussen de saldogever en saldonemer. Het kan bijvoorbeeld ook een anterieure overeenkomst zijn tussen de gemeente en de saldonemer. Het doel hiervan is om aan te tonen dat op het moment dat de saldering plaatsvindt, de activiteit van de saldogever nog in werking is of kan zijn zoals beschreven in artikel 2.6 lid 2.

Lid 9: Deze intrekking op verzoek van de saldogever, is noodzakelijk om te voorkomen dat de saldogevende partij alsnog het niet-gerealiseerde deel van zijn toestemming kan benutten, en daardoor een stijging van de depositie kan optreden. De intrekking van het toestemmingsbesluit van de saldogevende activiteit wordt in een afzonderlijke beschikking in samenhang met de saldo-ontvangende activiteit opgesteld.

Lid 10: In de beleidsregels is een koppeling gelegd met artikelen 4.818, 4.819 en 4.820 van het Besluit activiteiten Leefomgeving (Bal) om te voorkomen dat emissieruimte van een illegale situatie (het houden van dieren in een huisvestingssysteem dat niet is toegestaan volgens voornoemde artikelen uit het Bal) in te zetten is bij salderen. Het kan zo zijn dat de omgevingsvergunningaanvraag voor wat betreft de activiteiten die zien op milieubelastende aspecten al zijn getoetst aan het voormalige Besluit emissiearme huisvesting (hierna: Beh), thans artikelen 4.818, 4.819 en 4.820 van het Bal, maar voor het aspect van de Natura 2000-activiteit (het natuurdeel) nog niet. Hierdoor was het mogelijk om in het natuurdeel de traditionele huisvestingssystemen vergund te krijgen, terwijl die in de omgevingsvergunning voor milieu niet vergund konden worden of in geval van een melding Activiteitenbesluit het huisvestingssysteem niet toegepast konden worden. Het Beh stond dit niet toe en artikel 4.818 tot en met 4.820 van het Bal staat dit evenmin toe. Om deze ongewenste situatie ongedaan te maken is een koppeling met artikelen 4.818, 4.819 en 4.820 van het Bal gemaakt voor het bepalen van de emissie in de referentiesituatie. Deze achteraf toetsing aan artikelen 4.818, 4.819 en 4.820 van het Bal hoeft dus alleen uitgevoerd te worden wanneer je de referentiesituatie ontleent aan een natuurvergunning.

Indien een toestemming als bedoeld in artikel 2.1, onderdeel r onder 2 (milieutoestemming) de referentiesituatie is, dan wordt beoordeeld of voor de feitelijke situatie een geldende milieutoestemming aanwezig is die voldoet aan artikelen 4.818, 4.819 of 4.820 van het Bal. Zo ja, dan is de toets aan het Bal op dit punt van de aanvraag niet nodig. Zo nee, dan geldt dat de laatst verleende milieutoestemming teruggerekend wordt naar de toen geldende normen van de (nu vigerende) artikelen 4.818, 4.819 en 4.820 van het Bal.

Het moment van oprichten van een dierenverblijf is bepalend voor de kolom die gehanteerd moet worden uit de tabellen 4.818 (melk- en kalfkoeien), 4.819 (vleeskalveren) of 4.820 (varkens, kippen en kalkoenen) van het Bal. De in die kolom opgenomen maximale emissiewaarde is van toepassing op het betreffende dierenverblijf, tenzij sprake is van een uitzondering zoals aangegeven in artikel 4.806 (dieraantallen) en artikel 4.807 (systemen) van het Bal. Ook kan overgangsrecht (artikelen 4.831 tot en met 4.833 van het Bal) van toepassing zijn. Zo is in artikel 4.833 van het Bal bepaald dat op inrichtingsniveau voldaan moet worden aan de artikelen 4.818 tot en met 4.820 van het Bal. Dit betekent in de praktijk dat een traditionele stal (opgericht vóór 1 januari 2007) kan en mag bestaan naast een emissiearme stal.

Lid 12: In dit lid is geregeld dat, indien artikelen 4.818, 4.819 of 4.820 van het Bal van toepassing zijn op de realisering van het aangevraagde project, Gedeputeerde Staten beoordelen of de aangevraagde situatie voldoet aan die normen van het Bal. Dit doen Gedeputeerde Staten om te voorkomen dat zij vergunningen afgeven voor projecten die niet gerealiseerd kunnen worden vanwege de genoemde eisen van het Bal. Gedeputeerde Staten kunnen voor deze beoordeling advies inwinnen bij het bevoegd gezag voor verlening van de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit van de locatie.

Deze situatie is alleen aan de orde als een enkelvoudige omgevingsvergunning voor de Natura 2000-activiteit op grond van artikel 5.1, eerste lid onder e van de Omgevingswet wordt aangevraagd. Indien sprake is van een situatie dat een meervoudige omgevingsvergunningaanvraag wordt ingediend en Gedeputeerde Staten op grond van artikel 4.25 van het Omgevingsbesluit bevoegd zijn advies en instemming te geven, dan toetsen Gedeputeerde Staten de aangevraagde situatie niet aan artikelen 4.818, 4.819 of 4.820 van het Bal, omdat die toets plaatsvindt door het college van burgemeester en wethouders. De uitzonderingen zoals genoemd in lid 10 zijn ook hier van toepassing. Kortheidshalve verwijzen wij naar die toelichting onder lid 10.

 

Artikel 2.6a Voorwaarden verleasen

 

  • 1.

    Artikel 2.6 is van overeenkomstige toepassing op verleasen, met uitzondering van het eerste, derde en negende lid.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen voor tijdelijke N-deposities van ten hoogste twee jaar een natuurvergunning verlenen met gebruikmaking van verleasen.

  • 3.

    Gedeputeerde Staten kunnen de termijn, bedoeld in het tweede lid, verlengen indien zij dat voor het project noodzakelijk achten.

  • 4.

    Er bestaat een directe samenhang tussen de tijdelijke buitengebruikstelling van de toestemming voor de saldogevende activiteit en de verlening van de natuurvergunning voor de tijdelijke saldo-ontvangende activiteit.

  • 5.

    Een aanvraag waarbij gebruik wordt gemaakt van verleasen, gaat vergezeld van een afschrift van een getekende overeenkomst tussen saldogever en saldo-ontvanger waarin:

    • a.

      de tijdelijke buitengebruikstelling van de saldogevende activiteit wordt gewaarborgd gedurende de looptijd van de natuurvergunning voor de tijdelijke saldo-ontvangende activiteit; en

    • b.

      saldogever verklaart in te stemmen met een tijdelijke beperking van zijn toestemming.

  • 6.

    Gedeputeerde Staten nemen het voorschrift op dat de saldo-ontvangende activiteit slechts mag plaatsvinden binnen de looptijd van de natuurvergunning en dat bij hen een startmelding en gereedmelding moet worden gedaan door de saldo-ontvanger.

  • 7.

    Gedeputeerde Staten nemen het voorschrift op dat de natuurvergunning van de saldo-ontvanger niet eerder in gebruik mag worden genomen dan nadat de saldo-ontvanger bij het bevoegd gezag heeft gemeld dat de saldogevende activiteit is gestaakt.

 

Toelichting artikel 2.6a voorwaarden verleasen

Lid 1: Het eerste, derde en negende lid gaan uit van het definitief onmogelijk maken van de saldogevende activiteit doormiddel van het intrekken van de daarvoor verleende vergunning. Aangezien verleasen ziet op een tijdelijke depositie en het tijdelijk buiten gebruik stellen van een saldogevende activiteit is intrekking van de vergunning niet aan de orde.

Lid 2 en 3: Van verleasen kan alleen gebruik gemaakt worden voor projecten die een tijdelijke depositie hebben van maximaal 2 jaar. Hier valt bijvoorbeeld een project onder met een aanlegfase van maximaal 2 jaar. Denk aan de aanleg van een windmolenpark, reconstructie van een weg of het bouwrijp maken van een bedrijventerrein. Op basis van het derde lid hebben Gedeputeerde Staten de bevoegdheid om deze termijn (eventueel onder voorwaarden) te verlengen. Deze bevoegdheid kan worden gebruikt indien de initiatiefnemer naar het oordeel van Gedeputeerde Staten genoegzaam aantoont dat verlenging noodzakelijk is. Bijvoorbeeld een duurzaamheidproject waarbij de aanlegfase langer duurt dan 2 jaar.

Lid 4 en 5: Aangezien verleasen een tijdelijke constructie is, wordt niet overgegaan tot intrekking van de toestemming voor de saldogevende activiteit. Artikel 2.6, eerste lid, is daarom niet van overeenkomstige toepassing op verleasen. Met het vierde lid is beoogd te benadrukken dat er toch een rechtstreekse relatie moet bestaan tussen het project met een tijdelijke depositie en het tijdelijk geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van de saldogevende activiteit. Het is aan de initiatiefnemer om dit in de aanvraag genoegzaam aan te tonen. De tijdelijke buitengebruikstelling van de toestemming voor de saldogevende activiteit wordt geregeld met een tijdelijke beperking van de gehele toestemming of een gedeelte van die toestemming. In de overeenkomst tussen saldogever en saldonemer stemt de saldogever hiermee in. Deze tijdelijk in te perken toestemming kan een natuurvergunning betreffen, maar het kan ook gaan om bijvoorbeeld een omgevingsvergunning, onderdeel milieu of natuur of melding. In het geval de saldogever alleen beschikt over een melding in het kader van het Bal en geen andere in de beleidsregel genoemde toestemmingen, is een tijdelijke beperking van deze toestemming alleen mogelijk met een nieuwe (ingeperkte) melding. De voordelen die gepaard gaan met de constructie van verleasen (het tijdelijk ter beschikking stellen van ruimte aan een ander, om deze vervolgens weer volledig zelf te gebruiken) kunnen hiermee vervallen. Namelijk wanneer op een later moment een nieuwe melding zou worden ingediend om weer van de volledige ruimte gebruik te kunnen maken, waarbij de ingeperkte melding als referentiesituatie zal gelden. Deze vorm van verleasen met N-emissie van een saldogever met alleen een melding in het kader van het Bal is om die reden niet in iedere situatie aan te raden, omdat het kan leiden tot een beperking van bestaande rechten.

Lid 6 en 7: Het bevoegd gezag als bedoeld in deze bepalingen kan de gemeente of de provincie zijn. In de vergunning wordt opgenomen bij welk bevoegd gezag de saldo-ontvanger de meldingen moet doen.

 

Artikel 2.7 Plannen

 

Indien reeds is gesaldeerd voor een plan als bedoeld in artikel 16.53c van de Wet, dan wel als gevolg van het plan activiteiten met N-emissie(s) worden beëindigd, kan deze saldering dan wel dit planeffect tevens worden ingezet voor een aanvraag voor een natuurvergunning ter invulling van dat plan. De voorwaarden van artikel 2.6, het zevende en achtste lid zijn, voor zover dat betrekking heeft op het onafgebroken aanwezig zijn van de bedoelde activiteit zoals bedoeld in artikel 2.6, tweede lid, niet van toepassing.

 

Toelichting artikel 2.7 plannen

Salderen kan ook worden ingezet in het kader van de plantoets. De plantoets is niet gelijk aan de projecttoets. Het planeffect betreft het effect van het plan, waarbij het feitelijk gebruik binnen de huidige toestemming wordt vergeleken met de beoogde toestemming. Dit artikel is opgenomen om te borgen dat wanneer een natuurvergunning wordt aangevraagd voor projecten die op basis van het plan mogelijk zijn, gebruik gemaakt kan worden van dezelfde saldering die als onderbouwing van het plan is gebruikt indien artikel 16.53c van de Ow van toepassing is. In veel gevallen is het namelijk zo dat de saldogevende activiteit niet meer feitelijk aanwezig is op het moment dat natuurvergunningen worden aangevraagd voor individuele projecten. Dit artikel voorkomt dat tweemaal gesaldeerd moet worden voor eenzelfde activiteit. Dit artikel ziet zowel op reeds vastgestelde als nog vast te stellen plannen. Het buiten toepassing laten van de artikel 2.6, tweede lid, gaat over de eis van het onafgebroken aanwezig zijn. Het is niet bedoeld om een uitzondering te maken op de eis van het bestaan van een toestemming in de referentiesituatie.

 

Artikel 2.8 Realisatietermijn

 

Gedeputeerde Staten nemen in een omgevingsvergunning voor een natura 2000-activiteit het voorschrift op dat de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning voor een natura 2000-activiteit is verleend, binnen drie jaar na het onherroepelijk worden van de natuurvergunning moet zijn gerealiseerd.

 

Toelichting artikel 2.8 realisatietermijn

Artikel 5.40 lid 2 onder b van de Wet geeft de bevoegdheid om een omgevingsvergunning in te trekken als gedurende een jaar of een in de vergunning bepaalde langere termijn geen activiteiten zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning. Van deze bevoegdheid kan echter geen gebruik worden gemaakt als wel activiteiten zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning, maar niet de volledige capaciteit wordt gerealiseerd.

Het is echter onwenselijk dat afgegeven vergunningen voor langere tijd niet-gerealiseerde capaciteit blijven bevatten. Wanneer er geen mogelijkheid is om na een vastgestelde periode een natuurvergunning (deels) in te trekken, kunnen er op langere termijn onverwachte en ongewenste stijgingen van de stikstofdepositie optreden wanneer de vergunning alsnog (geheel) wordt benut óf kunnen andere activiteiten beperkt worden doordat steeds rekening wordt gehouden met deposities die niet daadwerkelijk optreden. Een periode van drie jaar wordt beschouwd als een reële realisatietermijn voor het bouwen en ontplooien van vergunningplichtige projecten. Dit voorschrift is alleen van toepassing op de nieuwe (of gewijzigde) activiteiten. Door het opnemen van een voorschrift in vergunningen, ontstaat een basis voor het intrekken van de vergunning op grond van artikel 18.10 lid 1 van de Wet door het niet naleven van de voorschriften.

 

Artikel 2.9 SSRS-bank

 

  • 1.

    Gedeputeerde Staten reserveren in de SSRS-bank pas stikstofdepositieruimte als bedoeld in artikel 17a.6, lid 1 sub b van de Regeling als de in dat lid genoemde aanvraag volledig is.

  • 2.

    Met uitzondering van het eerste lid, zijn deze beleidsregels niet van toepassing op aanvragen voor zover bij dat deel van die aanvraag een beroep wordt gedaan op stikstofdepositieruimte uit het SSRS-bank.

 

Toelichting artikel 2.9 SSRS-bank

De SSRS-bank (voetnoot 10: Per datum inwerkingtreding van hoofdstuk 17a (AERIUS Register) van de Regeling, wordt niet langer gerefereerd aan het SSRS, maar aan de SSRS-bank (zie o.a. artikel 17a.6 van de Regeling)) is het gezamenlijke registratiesysteem waarin Rijk en provincies vrijgevallen en vrijgemaakte stikstofdepositieruimte kunnen opslaan voor latere toedeling in een besluit.

Lid 1: Een uitgangspunt van de SSRS-bank is dat voor aanvragen, die een beroep op dit systeem doen, stikstofdepositieruimte wordt gereserveerd in de volgorde van ontvangst van deze aanvragen. Dat kan betekenen dat een aanvraag die niet volledig is, bij reservering van stikstofdepositieruimte voorrang heeft op een aanvraag die wel volledig is. Dit vinden Gedeputeerde Staten een onwenselijke situatie. Voor reservering van stikstofdepositieruimte is het van belang dat de aanvraag volledig is. Dat houdt in dat de juiste gegevens zijn overgelegd en dat ook de inhoud van de aanvraag op orde is. Het is dus in het belang van de initiatiefnemer dat de ingediende aanvraag zowel formeel als inhoudelijk op orde is. Is dat niet het geval dan wordt de initiatiefnemer in de gelegenheid gesteld zijn aanvraag aan te vullen binnen een bepaalde periode. Pas als de benodigde gegevens op tijd zijn ingediend, wordt de status van de aanvraag omgezet in een volledige aanvraag en is de datum van volledigheid bepalend voor de volgorde van toekenning van stikstofdepositieruimte.

Lid 2: In de Regeling is het toetsingskader opgesteld voor de beoordeling van aanvragen die een beroep doen op de SSRS-bank. Deze aanvragen worden (met uitzondering van het eerste lid) niet getoetst aan deze beleidsregels. Dit geldt overigens alleen voor zover de aanvraag een beroep doet op de SSRS-bank. Als een aanvraag bijvoorbeeld eerst gebruik maakt van interne en/of externe saldering, dan zijn de beleidsregels op dat gedeelte van de aanvraag wél van toepassing. Als diezelfde aanvraag voor een eventueel restant nog een beroep doet op de SSRS-bank, dan zijn de beleidsregels (met uitzondering van het eerste lid van dit artikel) niet van toepassing op dat gedeelte van de aanvraag. Als een aanvraag enkel en alleen een beroep doet op de SSRS-bank (dus zonder intern en/of extern salderen) dan zijn deze beleidsregels (met uitzondering van het eerste lid van dit artikel) niet van toepassing op die gehele aanvraag.

 

Artikel 2.10 Microdepositiebank

 

  • 1.

    Gedeputeerde Staten delen alleen stikstofdepositieruimte uit de microdepositiebank toe in een natuurvergunning als de eventuele boven de microdeposities benodigde ruimte op een andere wijze wordt vergund.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten vullen de microdepositiebank aan het begin van ieder kwartaal met vrijgevallen stikstofdepositieruimte en kunnen deze dan aanvullen met vrijgemaakte stikstofdepositieruimte.

  • 3.

    Gedeputeerde Staten reserveren stikstofdepositieruimte in de microdepositiebank op volgorde van binnenkomst van een volledige aanvraag voor zover alle daarvoor benodigde stikstofdepositieruimte in de microdepositiebank beschikbaar is.

  • 4.

    De beschikbare stikstofdepositieruimte vermindert door het reserveren en toedelen van stikstofdepositieruimte aan projecten. De stikstofdepositieruimte vermeerdert door de vulling, bedoeld in het tweede lid.

  • 5.

    Op verzoek van een aanvrager kunnen Gedeputeerde Staten een volledige aanvraag waarvoor geen stikstofdepositieruimte beschikbaar is eenmalig voor ten hoogste drie maanden aanhouden om gebruik te maken van de microdepositiebank.

  • 6.

    Gedeputeerde Staten delen geen stikstofdepositieruimte toe aan legalisatie van projecten waarvoor een meldingsplicht gold op grond van artikel 8 van de Regeling programmatische aanpak stikstof zoals dat luidde tot 1 januari 2017 of artikel 2.7 van de Regeling natuurbescherming zoals dat luidde op 28 mei 2019 en waarvoor een melding is gedaan.

 

Toelichting artikel 2.10 microdepositiebank

De microdepositiebank is een gezamenlijke stikstofdepositiebank van alle provincies en de Rijksoverheid voor het salderen van zeer kleine deposities. De provincies leggen gezamenlijke afspraken over de omgang met deze bank vast in de beleidsregels, het Rijk legt dit in eigen beleid vast.

Lid 1-4: Stikstofdepositieruimte is beschikbaar voor een project met depositie-effecten. De beschikbare stikstofdepositieruimte is de in de microdepositiebank opgenomen stikstofdepositieruimte voor een relevant hexagoon. De ruimte is beschikbaar op alle relevante hexagonen die door een project worden geraakt, voor ten hoogste 0,05 mol stikstof/ha/jr. De eventueel benodigde depositie boven de 0,05 mol stikstof/ha/jr. moet voor alle hexagonen van een project buiten de microdepositiebank worden opgelost, bijvoorbeeld door salderen, een ecologische onderbouwing, of andere vormen van mitigatie. Gedeputeerde Staten reserveren beschikbare ruimte op basis van het principe ‘wie het eerst komt, wie het eerst maalt’. Daarbij geldt allereerst dat het om volledige aanvragen gaat, te weten aanvragen waarop artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht niet (meer) hoeft te worden toegepast. Gedeputeerde Staten beoordelen vervolgens of er voor een project dat op grond van het eerste lid in aanmerking komt voor toedeling ook daadwerkelijk stikstofdepositieruimte beschikbaar is. Stikstofdepositieruimte die niet is gereserveerd of toegedeeld, is beschikbaar. Als een aanvraag, inclusief de daarvoor uit de microdepositiebank benodigde stikstofdepositieruimte, wat betreft de benodigde stikstofdepositieruimte vergunbaar is, kan daarvoor de reservering uit het derde lid plaatsvinden, de beoordeling vindt zijn weerslag in de te verlenen natuurvergunning waarin de ruimte vervolgens wordt toegedeeld.

Lid 6: Onder het PAS bestonden meldingsplichtige activiteiten. De meldingsplicht betrof bepaalde activiteiten met een uitstoot tussen de 0,05 mol stikstof/ha/jr en 1 mol stikstof/ha/jr. Deze activiteiten worden gelegaliseerd via het “legalisatieprogramma PAS-meldingen” (februari 2022).

 

Artikel 2.11 Doelgebonden depostiebank

 

  • 1.

    Binnen de provinciale stikstofbank kunnen Gedeputeerde Staten, al dan niet in samenwerking met andere bevoegde gezagen, doelgebonden depositiebanken aanmaken binnen hun compartiment.

  • 2.

    Indien Gedeputeerde Staten toepassing geven aan het eerste lid, stellen zij beleidsregels op, die ten minste het volgende omvatten:

    • a.

      het doel van de doelgebonden depositiebank;

    • b.

      de termijn waarbinnen de in de doelgebonden depositiebank geregistreerde ruimte uitgegeven wordt, en

    • c.

      de nadere regels voor vulling en toedeling van stikstofdepositieruimte.

  • 3.

    De vulling van een doelgebonden depositiebank bestaat uit vrijgemaakte ruimte.

  • 4.

    Stikstofdepositieruimte uit een doelgebonden depositiebank is uitsluitend beschikbaar voor projecten gerelateerd aan het doel als bedoeld in het tweede lid, onder a. en voor zover dit aan de overige voorwaarden van artikel 2.12 en de daarop gebaseerde regels voldoet.

 

Toelichting artikel 2.11 doelgebonden depositiebank

In AERIUS Register is voor iedere provincie een compartiment aangemaakt. Deze zijn onder te verdelen in één of meerdere subcompartimenten. Artikel 17a.2, vijfde lid van de Regeling (voetnoot 11: Zie in vergelijkbare zin: artikel 2.3, lid 4 van de Regeling natuurbescherming, zoals die luidde van 5 oktober 2023 tot datum inwerkingtreding van de Regeling. Vindplaats van deze wijzigingsregeling is Stc. 2023, nr. 25571 (29 september 2023). Ter nadere toelichting, zie paragraaf 4.3 van de wijzigingsregeling (pagina 20-21) alsmede de artikelsgewijze toelichting bij artikel 17a.2 (pagina 37-38) van diezelfde wijzigingsregeling) bepaalt immers dat er binnen elke categorie projecten -dus ook voor de compartimenten voor Gedeputeerde Staten in de zin van artikel 17a.3 onder h van de Regeling- een nader onderscheid kan worden gemaakt in AERIUS Register. Ieder subcompartiment vormt een doelgebonden depositiebank waarin de provincie voor één of meerdere specifiek(e) doelen stikstofdepositieruimte kan sparen.

Het is aan Gedeputeerde Staten om de doelen te definiëren. Bevoegde gezagen kunnen ook gezamenlijk een doelgebonden depositiebank oprichten. In dat geval definiëren Gedeputeerde Staten de doelen in afstemming met de betreffende andere bevoegde gezagen. Bij de doelgebonden depositiebank geldt dat koppeling aan een doelstelling een vereiste is. Dat doel kan algemeen zijn (bijvoorbeeld stimulering van de gebiedsgerichte aanpak) of smal (zoals voor één specifiek project). Gedeputeerde Staten kunnen aanvullende inhoudelijke criteria voor vulling en toedeling van de stikstofdepositieruimte opnemen in beleidsregels, voor zover deze niet in strijd zijn met de Regeling.

 

Artikel 2.12 Nadere beleidsregels voor doelgebonden depositiebanken

 

Nadere beleidsregels voor doelgebonden depositiebaken zoals bedoeld in artikel 2.11 worden opgenomen in een separate regeling.

 

Artikel 2.13 Zienswijzen door één ieder

 

Bij de voorbereiding van de beschikking op een aanvraag om een vergunning, een weigering of intrekking van een vergunning ingevolge artikel 5.1, eerste lid, onder e, Omgevingswet stellen Gedeputeerde Staten zienswijzen open voor één ieder.

 

Toelichting artikel 2.13 zienswijzen door één ieder

Artikel 10.24 omgevingsbesluit bepaalt dat de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure (UOV) voor natura 2000-activiteiten van toepassing is. De Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt in artikel 3:12 dat Gedeputeerde Staten kunnen bepalen wie een zienswijze kunnen indienen. Dit kunnen alleen belanghebbenden zijn of één ieder. Deze bepaling regelt de vaste gedragslijn die Gedeputeerde Staten hanteren sinds het “varkens in nood arrest” om zienswijzen open te stellen voor één ieder.

 

Artikel 2.14 Bewezen effectieve maatregelen Proeftuin Natura 2000

 

Bij de aanvraag en bij de beoordeling van aanvragen voor vergunningen als bedoeld in artikel 5.1 onder e van de Omgevingswet kan gebruik worden gemaakt van de volgende effectieve maatregelen:

  • a.

    voor melkvee: automatisch gecontroleerde natuurlijke ventilatie, dakisolatie, of een combinatie van beide;

  • b.

    voor varkens: het verlagen van het ruw eiwitgehalte in voer voor kraamzeugen, gusteen dragende zeugen, biggen en vleesvarkens en het toevoegen van benzoëzuur aan voer van biggen en vleesvarkens;

  • c.

    voor vleeskuikens (pluimvee): het verlagen van het ruw eiwitgehalte in voer en het bijvoeren van hele tarwe.

 

Toelichting artikel 2.14 bewezen effectieve maatregelen Proeftuin Natura 2000

Bij de aanvraag en beoordeling van aanvragen in het kader van artikel 5.1 onder e van de Omgevingswet kan gebruik worden gemaakt van het in deze beleidsregel vastgestelde maatregelenpakket. De onderliggende documenten van de ondersteunde effectieve maatregelen zijn te raadplegen op http://agriconnect.nl/thema/proeftuin-natura-2000-overijssel.

 

Hoofdstuk 3 FLORA- EN FAUNA ACTIVITEIT

Artikel 3.1 Omgevingsvergunningverlening verlening voor ruimtelijke inrichting, ontwikkeling, beheer en onderhoud

 

  • 1.

    Een aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1 lid 2 onder g van de Omgevingswet, paragraaf 11.2.2, 11.2.3 en 11.2.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt in ieder geval beoordeeld aan de hand van de door BIJ12 op te stellen kennisdocumenten per diersoort.

  • 2.

    Indien ten aanzien van de diersoort waarvoor een omgevingsvergunning wordt gevraagd geen factsheet als bedoeld in het eerste lid beschikbaar is wordt in ieder geval gebruik gemaakt van de soortenstandaards zoals gepubliceerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

  • 3.

    Indien ten aanzien van de diersoort waarvoor een omgevingsvergunning wordt gevraagd geen factsheet als bedoeld in het eerste lid of soortenstandaard als bedoeld in het tweede lid beschikbaar is, kan gebruik worden gemaakt van andere voorhanden zijnde literatuur.

 

Toelichting 3.1 Omgevingsvergunning verlening voor ruimtelijke inrichting, ontwikkeling, beheer en onderhoud

De verlening van omgevingsvergunning ten behoeve van de flora- en fauna activiteit in het kader van ruimtelijke ingrepen, gebiedsontwikkeling, beheer, onderhoud en dergelijke is een bevoegdheid voor de provincies. Bij het verlenen van omgevingsvergunnging in het kader van ruimtelijke ingrepen wordt in eerste instantie het rijksbeleid aangehouden zoals dat gevolgd werd door RVO. Dit houdt onder meer in dat de aanvrager in ieder geval gebruik dient te maken van de landelijke soortenstandaards op grond waarvan ook de inhoudelijke toetsing plaatsvindt. Deze soortenstandaards bevatten algemene informatie over de soort, het benodigde onderzoek en eventueel te nemen maatregelen ten behoeve van de soort en/of om het negatieve effect van de desbetreffende activiteit te voorkomen of te verminderen. Met de andere provincies zijn afspraken gemaakt over het actueel houden van genoemde soortenstandaards door BIJ12. Vanwege de gedeelde wens onder provincies om de beleidsmatige kanten uit de soortenstandaards te verwijderen en de standaards te beperken tot feitelijkheden, wordt in het vervolg gesproken over 'factsheets'.

 

Artikel 3.1a Jaarronde bescherming

 

Het verbod in artikel 5.1, lid 2, aanhef en onder g van de Omgevingswet jo. 11.37, lid 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving is jaarrond van toepassing op de nesten van soorten, respectievelijk rustplaatsen, opgenomen in Bijlage I (Lijst Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten en rustplaatsen in de provincie Drenthe).

 

Toelichting 3.1a jaarronde bescherming

Tijdens werkzaamheden moet rekening worden gehouden met het broedseizoen van vogels. De Omgevingswet kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval is. Nesten van vogels die het hele jaar gebruikt worden, zijn in principe jaarrond beschermd. Slechts een beperkt aantal soorten bewoont het nest permanent of keert elk jaar terug naar hetzelfde nest. Nestplaatsen van deze vogelsoorten zijn jaarrond beschermd.

 

Onder invloed van jurisprudentie heeft de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), in 2009, een lijst opgesteld van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten. Deze lijst werd gehanteerd bij het verlenen van omgevingsvergunning ten behoeve van de flora- en fauna activiteit. In juli 2021 heeft Sovon, in opdracht van de provincie Drenthe, onderzoek uitgevoerd naar noodzaak van jaarronde nest- of rustplaatsbescherming van vogelsoorten in de provincie Drenthe. Uit de resultaten van dit onderzoek en de uitvoeringspraktijk is gebleken dat deze lijst aangepast moet worden aan de actuele Drenthe praktijksituatie.

 

Artikel 3.2 Beheer van reeën

 

Het ree is een wettelijk beschermde diersoort op grond van paragraaf 11.2.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Het Besluit activiteiten leefomgeving voorziet in artikel 11.63 lid 3 onder a de mogelijkheid om omgevingsvergunning te verlenen aan een faunabeheereenheid of wildbeheereenheid ten behoeve van de beperking van de omvang van de populatie van de ree. Gedeputeerde Staten kunnen alleen omgevingsvergunning verlenen op grond van een aantal in artikel 7.197r, lid 2 Omgevingsregeling genoemde belangen. De relevante wettelijke belangen voor het ree zijn overgenomen gevolgd door het beleidskader:

 

a. in het belang van de bescherming van de wilde flora en fauna en van de instandhouding van de natuurlijke habitats;

 

Aangezien door reeën geen (belangrijke) schade wordt aangericht aan flora en fauna verlenen Gedeputeerde Staten voor dit aspect in beginsel geen omgevingsvergunning.

 

b. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden en wateren en andere vormen van eigendom, of

 

In het afgelopen decennium is door reeën in Drenthe maar incidenteel belangrijke schade aan landbouwgewassen vastgesteld (dit is althans niet gemeld). Dit biedt onvoldoende aanknopingspunten om op grond van dit belang voor de hele provincie een omgevingsvergunning te verlenen. Een omgevingsvergunning wordt voor dit aspect alleen verleend voor specifieke knelpunten waarvoor geen andere bevredigende oplossing bestaat.

 

c. in het belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid of om andere dwingende redenen van groot openbaar belang, of

 

Het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid is voor de provincie Drenthe veruit het belangrijkste argument om af te wijken van de bescherming en afschot toe te staan. Het gaat daarbij primair om het stabiliseren en uiteindelijk terugdringen van het aantal verkeersongevallen met reeën.

 

Voor veiligheid van het luchtverkeer hoeft in de praktijk maar incidenteel ingegrepen te worden. Het gaat immers om afgerasterde terreinen waar een ree niet of moeilijk toegang heeft.

 

g. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, industrieterreinen of begraafplaatsen,

 

In Drenthe is geen schadehistorie door reeën aan sportvelden, industrieterreinen of begraafplaatsen bekend. Dit biedt onvoldoende aanknopingspunten om op grond van dit belang voor de hele provincie een omgevingsvergunning te verlenen.

 

i. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren, en

 

Er bestaat geen maatschappelijke discussie over het belang om onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren te bestrijden. De noodzaak voor dit aspect is voldoende aangetoond. De Faunabeheereenheid kan op dit onderdeel volstaan met een jaarlijkse verantwoording achteraf.

 

In het kader van het voorkomen van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren is beheer van populaties alleen van toepassing bij grote hoefdieren die zich bevinden in relatief kleine gebieden die door afrasteringen of infrastructurele barrières zijn afgesloten. Binnen een dergelijk gebied kan overbevolking ontstaan en daarmee dierenwelzijn in het geding komen (verhongering). In Drenthe ontbreken dergelijke kleine leefgebieden en kunnen reeën zich voldoende vrij verplaatsen. Daarom verlenen Gedeputeerde Staten in beginsel geen omgevingsvergunning voor beheer van populaties van deze soort

 

m. in het algemeen belang.

 

Het ‘algemeen belang’ is bedoeld als restcategorie ten opzichte van de voorgaande genoemde algemene belangen.

 

Als bovengenoemde punten in het geding zijn verstrekken Gedeputeerde Staten op grond van artikel 11.63 lid 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving alleen op basis van een faunabeheerplan een omgevingsvergunning aan de faunabeheereenheid Drenthe. In afwijking hiervan wordt een omgevingsvergunning rechtstreeks aan de luchthavenbeheerders van Groningen Airport Eelde of van vliegveld Hoogeveen verleend in geval van het belang veiligheid van luchtverkeer.

 

De omgevingsvergunning aan de faunabeheereenheid wordt maximaal verleend voor de duur van 6 jaar. In de omgevingsvergunning wordt als voorschrift opgenomen dat het afschot plaatsvindt overeenkomstig de jaarlijks goed te keuren afschotplannen. In de uiteindelijke afschotplannen, die worden opgesteld door de afzonderlijke WBE’s, gaat het daarbij om de verkeersveiligheid (ad c) en om eventueel aantoonbare economische schade waarvoor geen andere bevredigende oplossing kan worden gevonden (ad b).

 

Artikel 3.3 Regels Faunabeheerplan

 

Vanwege maatschappelijke controverse over afschot van reeën en de uiteenlopende belangen geeft de provincie op voorhand een aantal punten mee voor dit faunabeheerplan. De bevoegdheid om nadere regels te stellen aan een faunabeheerplan (artikel 11.69 van het Besluit activiteiten leefomgeving) is specifiek voor reeën in de POV neergelegd bij Gedeputeerde Staten.

 

Afschot moet gestuurd worden op basis van (verkeers‐)knelpunten. In het faunabeheerplan zal door de FBE, per WBE regio, worden berekend hoeveel reeën een gebied kan bevatten (draagkracht). De aantoonbare relaties tussen de populatieomvang (doelstand volgens draagkrachtberekening en tellingen), de feitelijke verkeersknelpunten en plaats en tijd waarop afschot plaatsvindt worden hierdoor beter benut.

 

Het faunabeheerplan moet voorzien in een methode van afschot die duidelijk stuurt naar locaties met knelpunten. In het faunabeheerplan, en de daarop gebaseerde werk/afschotplannen, moet de beoogde streefstand dus bereikt worden in relatie met de verkeersveiligheid en/of schade (knelpunten).

 

Als basis voor het faunabeheerplan dient gebruik gemaakt te worden van de door Vereniging het Reewild opgestelde uniforme richtlijn (juli 2014). In afwijking daarvan stelt de provincie, in lijn met het Uitvoeringsplan Flora en Fauna, dat:

 

  • de draagkrachtberekening wordt uitgevoerd volgens de door de provincie in 2013 verbeterde methode Van Haaften dan wel op eventueel toekomstige versies daarvan;

  • het bepalen van de populatieomvang per WBE wordt gebaseerd op het lopend driejarig gemiddelde van de voorjaarstellingen;

  • basisgegevens van de tellingen volledig openbaar zijn en binnen twee maanden na de telling worden opgenomen in de database van de NDFF. Hiertoe kan ook gebruik worden gemaakt van bestaande invoerportalen van telmee.nl of waarneming.nl;

  • bij het bepalen van het minimum aantal aanwezige reeën wordt gebruik gemaakt van de methode uit het vigerende universele reewildbeheerplan voor Groningen, Friesland en Drenthe dan wel opvolger van dat plan;

  • bij berekening van afschot in relatie tot de draagkrachtberekening blijft het populatieaandeel in gebieden waarin feitelijk geen afschot plaatsvindt (wegens niet verhuren van jachtvelden voor dit doel) buiten beschouwing. Als zich in en om dergelijke terreinen problemen voordoen met betrekking tot de in de wet genoemde aspecten spreekt de provincie de grondgebruiker/eigenaar hierop aan om een oplossing te realiseren;

  • het faunabeheerplan moet voorzien in een duidelijke sturing van afschot naar locaties met knelpunten. Afschot moet gestuurd worden op basis van (verkeers‐)knelpunten;

  • in het faunabeheerplan moet ingegaan worden op de afschotperiodes van reebokken en –geiten. Deze periodes kunnen in beperkte mate worden verruimd. Het faunabeheerplan moet hier een onderbouwing voor geven;

  • de geslachtsverhouding van 1:1 geen hard uitgangspunt is bij de berekening van afschot tussen reebokken en ‐geiten. Afhankelijk van de feitelijke geslachtsverhouding bij het valwild kan per WBE worden bijgestuurd in de sex‐ratio van de lokale populatie. Worden relatief veel bokken aangereden, dan kan het aandeel bokken in de plaatselijke populatie worden teruggebracht. Voor geiten geldt hetzelfde. Om extreme geslachtsverhoudingen te voorkomen moet de verhouding tussen (bok: geit) komen op 1:1 en 1:1,5. Voor het bepalen van de geslachtverhouding in de populatie én de geslachtsverhouding in het valwild dient het lopend driejarig gemiddelde als uitgangspunt. Daarmee worden toevallige schommelingen door een (te) kleine steekproef voorkomen en het streven naar bepaalde sex‐ratio nadrukkelijk alleen gebaseerd op trends.

 

Artikel 3.4 Sluiten jacht bij bijzondere weersomstandigheden

 

In deze beleidsregel wordt invulling gegeven aan de bevoegdheid van Gedeputeerde Staten die voortvloeit uit de artikel 11.69 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Gedeputeerde Staten kunnen op grond van de artikel 11.69 van het Besluit activiteiten leefomgeving de jacht voor de hele provincie, of een gedeelte daarvan, voor een bepaalde tijd sluiten zolang de weersomstandigheden dat vergen.

 

Gedeputeerde Staten sluiten de jacht en schorten omgevingsvergunning en vrijstellingen op als de weersomstandigheden daartoe aanleiding geven. Voor wat betreft winterse omstandigheden wordt aangesloten bij een in interprovinciaal verband ontwikkeld stroomschema (bijlage 2). Met dien verstande dat het beleid ook delen van de provincie kan omvatten als regionale verschillen in weersomstandigheden in de provincie daartoe aanleiding geven.

Het sluiten van jacht en opschorten van omgevingsvergunning en vrijstellingen bij (streng) winterweer is ingegeven vanuit opvattingen over dierenwelzijn en ethiek. Vanuit beheerdoelstellingen is er geen reden om dit op enig moment te doen. Deze ethiek maakt geen onderscheid in beheerdoelstellingen van soorten maar volgt de vraag of individuen van een bepaalde soort als gevolg van bijzondere weersomstandigheden verzwakt raken of dat de dieren door een noodgedwongen verandering van gedrag te gemakkelijk geraakt kunnen worden. IJs‐ en sneeuwbedekking kunnen in delen van de provincie soms flink verschillen. Voor de beoordeling van de gegevens van de KNMI-meetstations worden de volgende gebruikt: Ter Apel, Dedemsvaart, Giethoorn en Appelscha.

 

Als de jacht is gesloten en omgevingsvergunningen en vrijstellingen vanwege weersomstandigheden zijn opgeschort blijft het toegestaan om ernstig verzwakte dieren middels afschot uit hun lijden te verlossen als er geen reële mogelijkheid is deze dieren (op) te vangen en te verzorgen. Voor ernstig verzwakte dieren kan vanuit dierenwelzijn worden beargumenteerd dat afschot dieren uit hun lijden kan verlossen. Dat laatste moet altijd mogelijk blijven, weer of geen weer. In dergelijke situaties wordt ervan uit gegaan dat de betrokken jachthouder of BOA goed kan beoordelen of opvang een reëel alternatief is.

 

Artikel 3.5 Eisen vliegveiligheidsplan (burger)luchthavens

 

  • 1.

    Een plan in het kader van het beheer van dierensoorten voor de veiligheid van het luchtverkeer beschrijft de wijze waarop voldaan wordt aan de normen van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart voor het beheer van vogels en dieren op het luchthaventerrein.

  • 2.

    Een veiligheidsplan bevat een kaart waarop de begrenzing van het luchthaventerrein is weergegeven.

  • 3.

    Voor wat betreft het beheer in het kader van de veiligheid van het luchtverkeer bevat het plan ten minste de volgende gegevens:

    • a.

      een beschrijving van de escalatieladder van inzet van preventieve middelen tot aan afschot in relatie tot het beheer op het luchthaventerrein;

    • b.

      een beschrijving van de taken en verantwoordelijkheden van het personeel op de luchthaventerrein verantwoordelijk voor en belast met vogelaanvaringspreventie;

    • c.

      kwantitatieve gegevens van de diersoorten ten aanzien waarvan sprake is van beheer op het luchthaventerrein door de vogelwacht van de luchthaven;

    • d.

      een onderbouwing van de noodzaak van het beheer in het kader van veiligheid van het luchtverkeer;

    • e.

      per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de handelingen die zullen worden verricht om de veiligheid van het luchtverkeer op het luchthaventerrein te kunnen garanderen;

Toelichting 3.5 eisen vliegveiligheidsplan (burger)luchthavens

Gedeputeerde Staten verlenen alleen rechtstreeks, in geval van openbare veiligheid en veiligheid van luchtverkeer, een omgevingsvergunning op basis van dit plan aan de luchthavenbeheerders van Groningen Airport Eelde of van vliegveld Hoogeveen. Deze bevoegdheid ontlenen wij aan artikel 11.63 lid 3 onder b van het Besluit activiteiten leefomgeving. In het Uitvoeringsplan Flora en Fauna hebben Provinciale Staten uitdrukkelijk opdracht gegeven aan Gedeputeerde Staten om op dit punt beleidsregels op te stellen. De provincie geeft, vanwege het belang van de bescherming van het luchtverkeer en vogelaanvaringspreventie, op voorhand een aantal aanvullende punten mee voor dit plan. De regeling voor een vliegveiligheidsplan is afgeleid van de normen van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA).

 

Artikel 3.6 Gebiedsgerichte omgevingsvergunning en op basis van de pre-SMP-methodiek

 

  • 1.

    Onder pre-SMP-methodiek wordt verstaan: werkwijze die voorziet in de bescherming van populaties gebouwbewonende soorten met de bijbehorende compenserende maatregelen en natuurvriendelijk isoleren gedurende het opstellen van een soortenmanagementplan (SMP).

  • 2.

    Gedeputeerde Staten kunnen een gebiedsgerichte omgevingsvergunning op basis van de pre-SMP-methodiek aan gemeenten verlenen voor uitsluitend de verduurzaming van particuliere grondgebonden woningen met energielabel C tot en met G.

  • 3.

    Een omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid wordt slechts verleend indien:

    • a.

      de gemeente in een pre-SMP beschrijft hoe het verlies aan kraamverblijfplaatsen door de gemeente wordt gecompenseerd, zoals beschreven in bijlage 3; en;

    • b.

      de verduurzaming zoals bedoeld in lid 2 wordt uitgevoerd volgens de pre-SMP-methodiek “natuurvriendelijk isoleren” voor verduurzamingswerkzaamheden, zoals beschreven in bijlage 2; en;

    • c.

      is verzekerd dat gedurende de looptijd van de omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid, een aanvraag voor een opvolgende gebiedsgerichte omgevingsvergunning op basis van een SMP wordt voorbereid.

Toelichting 3.6 gebiedsgerichte omgevingsvergunningen op basis van de pre-SMP-methodiek

Op grond van de Omgevingswet zijn Gedeputeerde Staten bevoegd gezag voor het verlenen van omgevingsvergunningen. In geval van omgevingsvergunning die zien op meerdere activiteiten op een groter grondgebied van een gemeente kunnen Gedeputeerde Staten een gebiedsgerichte omgevingsvergunning verlenen.

 

Deze omgevingsvergunningen zien toe op de volgende bepalingen:

  • het opzettelijk doden van in het wild levende vogels, alsmede het vernielen van verblijfplaatsen van vogels, als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn (omgevingsvergunning van de artikel 5.1, lid 2, aanhef en onder g van de Omgevingswet jo. 11.40, lid 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • het opzettelijk doden of verstoren van in het wild levende dieren, alsmede het vernielen van verblijfplaatsen van in het wild levende dieren, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijke verspreidingsgebied (artikel 5.1, lid 2, aanhef en onder g van de Omgevingswet jo. 11.48, lid 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

 

Lid 1 De activiteit waar een gebiedsgerichte omgevingsvergunning op basis van de pre-SMP-methodiek voor wordt verleend, betreft uitsluitend het isoleren van particuliere grondgebonden woningen of het plaatsen van zonnepanelen op deze woningen. Deze omgevingsvergunningen kunnen uitsluitend worden aangevraagd door gemeenten binnen de provincie Drenthe. De toetsing van deze aanvragen vindt plaats conform de kaders van de pre-SMP-methodiek, zoals opgenomen in bijlage 2. In de rapportage “Natuurvriendelijk isoleren van particuliere grondgebonden woningen onder het pre-Soortenmanagementplan” is een nadere toelichting en uitwerking van de vereisten weergegeven.

Lid 2, sub a In het tweede lid sub b is de voorwaarde weergegeven waaraan sowieso moet worden voldaan voordat de omgevingsvergunning kan worden verleend. De aanvraag om een dergelijke omgevingsvergunning dient vergezeld te zijn van een pre-SMP. Hierin dient ten minste te worden beschreven hoe de gemeente het verlies aan kraamverblijfplaatsen in de gemeente compenseert. In de rapportage “Natuurvriendelijk isoleren van particuliere grondgebonden woningen onder het pre-Soortenmanagementplan” is een nadere toelichting en uitwerking van de vereisten aan dit pre-SMP weergegeven.

Lid 2, sub b Aan de activiteiten zijn vereisten verbonden. Deze vereisten zijn uitgewerkt als de pre-SMP-methodiek van het “natuurvriendelijk isoleren”. In de rapportage “Natuurvriendelijk isoleren van particuliere grondgebonden woningen onder het pre-Soortenmanagementplan” is een nadere toelichting en uitwerking van de vereisten weergegeven.

Lid 2, sub c De voorwaarde sub c is gesteld om te verzekeren dat de omgevingsvergunning op grond van de pre-SMP-methodiek ook echt wordt gebruikt als opstap naar een gebiedsgerichte omgevingsvergunning op grond van de SMP-methodiek. Het is de bedoeling dat die SMP-omgevingsvergunning tijdens de looptijd van de pre-SMP-omgevingsvergunning wordt voorbereid en ten minste zes maanden voor het verstrijken van de pre-SMP-omgevingsvergunning wordt aangevraagd.

 

Hierdoor kan de SMP-omgevingsvergunning, zonder dat een periode ontstaat waarin geen omgevingsvergunning geldig is, direct aansluitend op de looptijd van pre-SMP-omgevingsvergunning worden verleend. Om te kunnen beoordelen of dit bij de aanvraag van de pre-SMP-omgevingsvergunning is verzekerd, dient in beginsel een opdracht gegeven te zijn aan een ecologisch (advies)bureau om veldonderzoek uit te voeren dat nodig is voor het opstellen van een SMP. In uitzonderingsgevallen kunnen Gedeputeerde Staten besluiten dat ook een gemeenteraadsbesluit tot het opstellen van een SMP en het indienen van een aanvraag om een gebiedsgerichte omgevingsvergunning binnen de looptijd voldoende is als verzekering.

 

Hoofdstuk 4 HOUTOPSTANDEN

Artikel 4.1 Wanneer leggen Gedeputeerde Staten een kapverbod op?

 

Om voor één ieder duidelijk te maken in welke gevallen de provincie in ieder geval overgaat tot het opleggen van een kapverbod hebben Gedeputeerde Staten deze gevallen benoemd. De grondslag voor het opleggen van een kapverbod is te vinden in artikel 11.128 lid 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

 

Een kapverbod wordt opgelegd als bijzondere natuur- en landschapswaarden die kenmerkend zijn voor Drenthe door de kap worden weggenomen. Ook wordt een kapverbod opgelegd als de kap de cultuurhistorische samenhang of de herkenbaarheid van landschapskenmerken onherstelbaar wegneemt.

 

Artikel 4.2 In welke situaties geven Gedeputeerde Staten omgevingsvergunning voor (de termijn van) de herplantplicht?

 

Op grond van artikel 11.129 lid 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving moet een gevelde houtopstand binnen drie jaar herplant worden. In niet alle gevallen is dit wenselijk. Gedeputeerde staten hebben op grond van artikel 11.130 aanhef en onder a van het Besluit activiteiten leefomgeving de mogelijkheid om omgevingsvergunning te geven van de termijn van herplant dan wel een omgevingsvergunning te geven voor de herplant in zijn geheel. De gevallen waarbij Gedeputeerde Staten hieraan mee willen werken zijn hieronder beschreven. Ook wordt beschreven waar een aanvraag aan moet voldoen.

 

Natuurlijke verjonging

Een omgevingsvergunning voor het verlengen van de termijn, als bedoeld in artikel 11.129 lid 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor de herplant wordt in geval van natuurlijke verjonging verleend voor een termijn van 5 jaar. Dit gebeurt echter alleen in geval de natuurlijke verjonging op het moment van aanvragen kansrijk lijkt te zijn om te voldoen aan de criteria van een bosbouwkundig verantwoorde wijze van herbeplanten, zoals gedefinieerd in artikel 4.24 van de POV. De aanvraag voor deze omgevingsvergunning geschiedt uiterlijk twee jaar na de kap.

 

Omgevingsvergunning herplantplicht

Een omgevingsvergunning van de herplantplicht, als bedoeld in artikel 11.129 lid 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt verleend indien deze aangevraagd wordt voor:

  • a.

    de uitvoering van een door Gedeputeerde Staten goedgekeurd hydrologisch herstelplan, voor zover de provincie ruimte heeft binnen natuurontwikkelingsprojecten hiervoor een zelfde oppervlakte bos aan te leggen;

  • b.

    voor herstel van achterstallig onderhoud op natuurterreinen van opslag jonger dan 10 jaar.

De aanvraag voor deze omgevingsvergunning geschiedt uiterlijk op het moment van de kap.

 

Vereisten aanvraag

Een aanvraag voor een omgevingsvergunning, als bedoeld in dit artikel, wordt gedaan door middel van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld aanvraagformulier. Het aanvraagformulier wordt digitaal op de website van de provincie Drenthe ingediend en ondertekend met DigiD en/of eHerkenning dan wel ondertekend en schriftelijk verzonden aan Gedeputeerde Staten.

 

Artikel 4.3 Wanneer verlenen Gedeputeerde Staten een generieke omgevingsvergunning?

 

Alle grondeigenaren met meer dan 1000 hectare bos in beheer in de provincie Drenthe kunnen in aanmerking komen voor een generieke omgevingsvergunning. Omdat grondeigenaren met meer dan 1000 hectare bos relatief veel meldingen op jaarbasis moeten indienen achten Gedeputeerde Staten een generieke omgevingsvergunning wenselijk. In Drenthe betreft dit Natuurmonumenten, Drents Landschap en SBB. Dit zijn allemaal SNL gecertificeerde bedrijven waardoor maatschappelijk verantwoord bosbeheer gewaarborgd is. Er wordt geen generieke omgevingsvergunning verleend voor een omgevingsvergunning van de herplantverplichting. Dit wordt per geval aangevraagd en beoordeeld op grond van paragraaf 4.2 van de beleidsregels.

 

Meldplicht

Een generieke omgevingsvergunning, voor de meldplicht als bedoeld in artikel 11.126 lid 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving, en de plicht om op hetzelfde perceel te herplanten, als bedoeld in artikel 11.129 eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan door Gedeputeerde Staten, op grond van artikel 11.130 en 11.131 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden verleend indien de aanvrager een areaal bos in de provincie Drenthe in beheer heeft groter dan 1000 hectare bos.

 

Herplant op andere grond

Een generieke omgevingsvergunning ten behoeve van herbeplanting op andere grond, als bedoeld in artikel 11.127 lid 3 onder g van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt verleend onder de voorwaarden als genoemd in artikel 4.26 van de POV. In dat artikel staan de voorwaarden opgenomen waaronder Gedeputeerde Staten omgevingsvergunning voor de herplant op andere gronden willen verlenen. Deze voorwaarden moeten als voorwaarden aan de omgevingsvergunning worden verbonden.

 

Voorwaarden

De vergunninghouder verstrekt in januari van ieder jaar aan Gedeputeerde Staten een overzicht van de houtopstanden die het voorgaande kalenderjaar zijn geveld. In het overzicht wordt aangegeven:

  • a.

    de oppervlakte houtopstand die ten behoeve van natuurlijke verjonging en/of ten behoeve van de aanplant van bosplantsoen is geveld en de plaats, aangeduid met plaatsbepaling waar deze vellingen hebben plaatsgevonden;

  • b.

    de oppervlakte houtopstand die ten behoeve van andere vegetatie dan bos is geveld en de plaats, aangeduid met plaatsbepaling waar deze vellingen hebben plaatsgevonden en de oppervlakte houtopstand en de plaats waar, aangeduid met plaatsbepaling waar voldaan is of wordt voldaan aan de herplantplicht.

Bij deze jaarlijkse rapportage hoort een evaluerend gesprek tussen de vergunninghouder en een vertegenwoordiger van de provincie. Hierbij is aan de orde de gang van zaken rond de gevelde opstanden, het proces van herbebossing en eventuele compensaties. Tijdens dit gesprek komen ook bijzondere/vermeldenswaardige zaken aan de orde die het komende jaar zullen spelen.

Indien blijkt dat de vergunningsvoorwaarden niet of niet voldoende worden nageleefd kan de vergunning worden ingetrokken.

 

Hoofdstuk 5 TEGEMOETKOMINGEN FAUNASCHADE

 

Toelichting

In 15.53 van de Omgevingswet is bepaald dat Gedeputeerde Staten in voorkomende gevallen tegemoetkomingen verlenen in geleden schade door natuurlijk in het wild levende:

vogels van vogelsoorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, of

dieren die worden genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern, bijlage I bij het Verdrag van Bonn of de bijlage, onderdeel a, bij deze wet.

 

Grondgebruikers die schade van beschermde dieren ondervinden, kunnen onder omstandigheden een tegemoetkoming in deze schade krijgen. Uitgangspunt is dat de schade die de grondgebruiker of zijn jachthouder had kunnen voorkomen of beperken niet voor een tegemoetkoming in aanmerking komt. Aanknopingspunt voor het beleid is dat een belanghebbende alles in het werk moet stellen om schade ter voorkomen of te beperken. Het moet voorts gaan om schade die niet tot het normale bedrijfsrisico en het normale maatschappelijke risico van de betrokkene behoort. Een zekere mate van schade door in het wild levende beschermde dieren dient een ieder voor lief te nemen. De bescherming van have en goed tegen schade door dieren is primair de verantwoordelijkheid van de grondgebruiker zelf. Daarbij is het nemen van maatregelen gericht op het voorkomen van schade een eerste aandachtspunt. Pas als dergelijke maatregelen tekort schieten, is schadebestrijding aan de orde. Indien, ondanks een deugdelijke en tijdige inspanning van de grondgebruiker om schade te voorkomen en beperken, schade ontstaat, kunnen Gedeputeerde Staten besluiten een tegemoetkoming toe te kennen.

 

In IPO-verband hebben de gezamenlijke provincies ervoor gekozen het verlenen van tegemoetkomingen in faunaschade te mandateren aan de uitvoeringsorganisatie BIJ12. Uit oogpunt van efficiëntie is een landelijke uitvoering met één loket en gebundelde kennis te prefereren. Daarnaast wordt uniformiteit in de uitvoering en rechtsgelijkheid over heel Nederland nagestreefd. Daar waar in de beleidsregels of in deze toelichting sprake is van Gedeputeerde Staten moet in veel gevallen dan ook 'BIJ12' worden gelezen. Bij besluit van 6 december 2016 is bepaald dat de bevoegdheid met betrekking tot het verlenen van een tegemoetkoming bij faunaschade vanaf 1 januari 2017 gemandateerd is aan de directeur van BIJ12.

 

Artikel 5.1 Begripsbepalingen tegemoetkomingen faunaschade

 

In hoofdstuk 5 van deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • de wet: de Omgevingswet;

  • landbouw: akkerbouw, weidebouw, veehouderij, pluimveehouderij, tuinbouw - daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen en bloembollen - en elke andere vorm van bodemcultuur hier te lande;

  • aanvrager: de grondgebruiker die een aanvraag om tegemoetkoming indient;

  • meldingsjaar: het jaar waarin een aanvrager een aanvraag om tegemoetkoming indient;

  • taxateur: een taxateur die werkzaam is voor een door BIJ12 aangewezen taxatiebureau of een consulent faunazaken van BIJ12;

  • vollegrondsgroenteteelt: de teelt in open grond van groentegewassen;

  • kwetsbaar gewas: de onder ‘landbouw’ en ‘vollegrondsgroenteteelt’ beschreven teelten, met uitzondering van weide-, hooi- of graszaadpercelen waarvan het grasgewas minimaal zes maanden oud is en granen en graszaad in de periode waarin het gewas afrijpt;

  • kapitaalintensieve teelten: kwetsbare gewassen die tevens kapitaalintensief zijn;

  • hoofdproduct: alle gewassen die geen bijproduct zijn van het hoofdproduct;

  • bijproduct: producten die afkomstig zijn van het hoofdproduct.

Artikel 5.2 Taxatie van de schade

 

  • 1.

    De hoogte van de door één of meer natuurlijk in het wild levende beschermde diersoorten aangerichte schade en de schadeveroorzakende diersoort wordt, zodra daaromtrent een definitief oordeel kan worden gegeven, door de taxateur vastgesteld.

  • 2.

    De taxateur stelt, met inachtneming van de door BIJ12 vastgestelde taxatierichtlijnen, van zijn bevindingen een rapport samen en ondertekent dat. De eindverantwoordelijke persoon van het bureau waarvoor de taxateur werkzaam is, parafeert het taxatierapport voor interne controle en zendt het taxatierapport aan BIJ12. Bij de eindtaxatie overhandigt de taxateur het formulier ‘bevestiging taxatie grondgebruiker’ aan de aanvrager of deponeert het bedoelde formulier in de brievenbus van de aanvrager of zendt dit per e-mail aan de aanvrager.

  • 3.

    BIJ12 kan de taxateur vragen de reactie van de aanvrager van commentaar te voorzien. In dat geval zendt de taxateur dat commentaar zo spoedig mogelijk naar BIJ12. BIJ12 zendt een afschrift van dat commentaar aan de aanvrager.

Toelichting 5.2 taxatie van de schade

Artikel 5.2 regelt in samenhang met de provinciale verordening tegemoetkoming faunaschade de wijze waarop de schade wordt vastgesteld. BIJ12 heeft een raamovereenkomst met taxatiebureaus die schade veroorzaakt door in het wild levende beschermde dieren taxeren. Voor het uitvoeren van taxaties gelden taxatierichtlijnen die worden gevolgd door de taxateurs. De taxateur stuurt zijn bevindingen direct na de eindtaxatie bij de grondgebruiker achter laten of deze zo spoedig mogelijk toe. Voorts is voorzien in de mogelijkheid dat de aanvrager zijn opmerkingen over de taxatie kan vermelden, dat de taxateur die opmerkingen van commentaar voorziet en dat de aanvrager kennis kan nemen van het commentaar van de taxateur.

 

Artikel 5.3 Tegemoetkoming alleen bij schade aan bedrijfsmatige landbouw

 

  • 1.

    Gedeputeerde Staten verlenen uitsluitend een tegemoetkoming voor schade veroorzaakt door natuurlijk in het wild levende beschermde diersoorten als genoemd in artikel 15.53 lid 3 jo. 5.1 lid 2 van de Omgevingswet, welke door vraat, graven, wroeten of vegen aan bedrijfsmatige landbouw is veroorzaakt.

  • 2.

    Uitsluitend aanvragers die hun hoofdbestaan of een substantieel gedeelte van hun bestaan vinden of plegen te vinden in de landbouw, kunnen voor een tegemoetkoming in aanmerking komen. Wanneer een aanvrager verplicht is bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland een gecombineerde opgave te doen, is dat een aanwijzing dat hij zijn hoofdbestaan of een substantieel gedeelte van zijn bestaan in de landbouw vindt of pleegt te vinden.

  • 3.

    De percelen waarop schade is aangericht, dient de aanvrager op titel van eigendom, (erf)pacht dan wel een door de grondkamer goedgekeurde of ter registratie ingezonden (teelt)pachtovereenkomst in gebruik te hebben voor de uitoefening van bedrijfsmatige landbouw.

Artikel 5.4 Beoordeling van de aanvraag om een tegemoetkoming

 

  • 1.

    Gedeputeerde Staten verlenen slechts een tegemoetkoming, indien en voor zover naar hun oordeel de aanvrager de schade niet had kunnen voorkomen en beperken door het treffen van maatregelen of inspanningen waartoe hij naar eisen van redelijkheid en billijkheid was gehouden.

  • 2.

    Maatregelen of inspanningen ter voorkoming of beperking van schade, waarvan Gedeputeerde Staten menen dat deze naar eisen van redelijkheid en billijkheid door de aanvrager kunnen worden genomen, zijn:

    • a.

      voor kwetsbare gewassen de inzet van zowel visuele als akoestische middelen in voldoende aantallen;

    • b.

      voor kapitaalintensieve teelten de inzet van een deugdelijk raster;

    • c.

      voor overige gewassen verjaging door menselijke aanwezigheid;

    • d.

      alternatieve middelen waarvan het gebruik vooraf schriftelijk aan BIJ12 is voorgelegd en BIJ12 daarmee heeft ingestemd.

  • 3.

    Een tegemoetkoming in schade, veroorzaakt door natuurlijk in het wild levende beschermde Diersoorten en waarvoor ingevolge artikel 11.37, 11.46 en 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving een omgevingsvergunning kan worden verleend, wordt slechts toegekend indien:

    • a.

      de omgevingsvergunning tijdig op deugdelijke wijze is aangevraagd en op inhoudelijke gronden door de provincie is geweigerd;

    • b.

      de omgevingsvergunning (of toestemming) tijdig, dat wil zeggen uiterlijk op de dag van schadeconstatering, is aangevraagd en nadat deze is verleend daarvan op adequate wijze gebruik is gemaakt, en desondanks, bedrijfsmatige schade aan gewassen, teelten of overige producten is opgetreden.

  • 4.

    Ten aanzien van aanvragen om een tegemoetkoming in schade veroorzaakt door overwinterende ganzen volgen Gedeputeerde Staten het door hen vastgestelde beleid.

Artikel 5.5 De hoogte van de tegemoetkoming

 

  • 1.

    De hoogte van de tegemoetkoming wordt door Gedeputeerde Staten vastgesteld na kennisneming van het door de aanvrager ingezonden aanvraagformulier met bijlagen, het door de taxateur opgestelde taxatierapport eventueel voorzien van opmerkingen van de aanvrager en eventueel overige op de aanvraag betrekking hebbende stukken.

  • 2.

    Op de door de taxateur vastgestelde schade wordt een eigen risico ingehouden van 5%, met een minimum van € 250,00 per bedrijf per meldingsjaar.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid:

    • a.

      bedraagt het eigen risico 40% als het gaat om schade die is aangericht door vogels aan zacht fruit en pit- en steenvruchten;

    • b.

      wordt geen eigen risico ingehouden in de volgende gevallen:

      • i.

        schade die is aangericht in een ganzenrustgebied in de periode dat de schadeveroorzakende diersoort niet mag worden verontrust en gedood;

      • ii.

        schade die is aangericht in een Natura 2000-gebied in de periode van 1 november tot 1 april;

      • iii.

        schade die is aangericht door de wolf, das of bever.

  • 4.

    In bijzondere gevallen kunnen Gedeputeerde Staten bepalen dat geen eigen risico wordt ingehouden.

  • 5.

    Voor gewassen, teelten, overige producten, of bedrijfsmatig gehouden landbouwhuisdieren, welke door de plaats, het moment of de wijze van telen of houden, bijzonder kwetsbaar zijn voor schade veroorzaakt door natuurlijk in het wild levende beschermde diersoorten, kunnen Gedeputeerde Staten een verhoogd eigen risico instellen.

  • 6.

    Tegemoetkomingen lager dan € 50,00 worden niet uitgekeerd.

 

Toelichting bij artikelen 5.3 tot en met 5.5

In de artikelen 5.3 tot en met 5.5 is vastgelegd hoe de aanvraag om een tegemoetkoming wordt beoordeeld. Daarbij hebben Gedeputeerde Staten ter invulling van 15.53 van de Omgevingswet bepaald welke schade in aanmerking wordt genomen. Het gaat hierbij om vraat-, graaf-, wroet- of veegschade. Geen tegemoetkoming wordt bijvoorbeeld verleend voor structuurschade aan gronden doordat natuurlijk in het wild levende beschermde diersoorten die gronden hebben betreden. Verder komen uitsluitend personen die hun hoofdberoep in de landbouw hebben voor een tegemoetkoming in aanmerking. Daartoe is besloten op grond van de overweging dat door het hoge beschermingsniveau van de wet bepaalde individuen in de samenleving schade lijden doordat bij de wet natuurlijk in het wild levende beschermde diersoorten schade toebrengen aan gewassen of bepaalde teelten. Als die personen voor wat betreft hun inkomen (mede) afhankelijk zijn van de opbrengsten van die gewassen of die teelten dan achten Gedeputeerde Staten het redelijk dat die personen (gedeeltelijk) voor die schade worden gecompenseerd. Hierbij geldt dat de aanvrager het perceel waarop schade is aangericht op titel van eigendom, erfpacht of (teelt)pachtovereenkomst in gebruik dient te hebben.

 

Voorts is van belang dat de grondgebruiker zelf al het mogelijke dat in redelijkheid van hem kan worden verwacht, heeft ondernomen om schade zoveel mogelijk te voorkomen of beperken.

 

BIJ12 heeft daartoe ter voorlichting van grondgebruikers de Handreiking Faunaschade en de Faunschade Preventie Kit opgesteld en op haar website geplaatst. Daarin worden voor de verschillende schadeveroorzakende diersoorten per gewas maatregelen opgesomd die de grondgebruiker, en soms zijn jachthouder, kan treffen om schade zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Gedeputeerde Staten verlangen niet dat de grondgebruiker alle in de Handreiking en de Faunaschade Preventie Kit opgesomde maatregelen treft, alvorens voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen. Wel kan in redelijkheid van de grondgebruiker worden gevergd dat hij een aantal van de in de Handreiking voor het betreffende gewas of teeltopgesomde maatregelen heeft getroffen of dat hij andere maatregelen om schade te voorkomen of te beperken heeft getroffen, waarvan de effectiviteit naar het oordeel van Gedeputeerde Staten afdoende wordt onderbouwd. De maatregelen dienen gevarieerd te worden aangewend. De taxateur vermeldt bij zijn taxatie de door de grondgebruiker aangewende maatregelen ter voorkoming of beperking van schade in zijn taxatierapport. Teneinde innovatieve verjaagmaatregelen te stimuleren bestaat de mogelijkheid ook niet in de Handreiking vermelde verjaagmethoden toe te passen. Wel is het daarbij noodzakelijk dat de grondgebruiker, voordat hij het nieuwe middel gaat uittesten, de verwachte werking schriftelijk motiveert aan BIJ12. Eventueel kan de consulent faunazaken van BIJ12 ter plaatse nader onderzoek instellen. Indien BIJ12 de grondgebruiker toestemming verleent het door hem voorgestelde middel te testen, wordt de faunabeheereenheid in wiens werkgebied het schadeperceel is gelegen van die toestemming in kennis gesteld.

 

Blijkens de wetsgeschiedenis is de grondgebruiker degene die verantwoordelijk is voor het voorkomen en beperken van door in het wild levende beschermde dieren aangerichte schade, met uitzondering van schade veroorzaakt door de vijf bejaagbare soorten. Voor die bejaagbare soorten draagt de jachthouder mede een verantwoordelijkheid. Voor schadeveroorzakende diersoorten dient de grondgebruiker tijdig een omgevingsvergunning krachtens artikel 8.74j, 8.74k en 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving aan te vragen ten behoeve van zijn jachthouder om die diersoorten te doden. Indien de provincie op voorhand al een omgevingsvergunning heeft verleend aan de faunabeheereenheid, kan de grondgebruiker volstaan met het aanvragen van een toestemming bij deze faunabeheereenheid. Gedeputeerde Staten menen dat het tijdig aanvragen van een omgevingsvergunning krachtens artikel 8.74j, 8.74k en 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving één van de mogelijkheden is om (dreigende) belangrijke landbouwschade te voorkomen of te beperken. Als de grondgebruiker een dergelijke omgevingsvergunning of toestemming niet of niet tijdig heeft aangevraagd dan wordt in beginsel geen tegemoetkoming verleend. Tijdig aanvragen van een omgevingsvergunning of toestemming houdt in dat deze uiterlijk op de dag dat de schade van enige omvang is geconstateerd, wordt aangevraagd. Op dat moment wordt immers van de grondgebruiker verwacht dat hij direct actie onderneemt. Gedeputeerde Staten bezien in welke gevallen het aanvragen van een omgevingsvergunning krachtens artikel 8.74j, 8.74k en 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving achterwege kan blijven, bijvoorbeeld indien kan worden aangetoond dat afschot van schadeveroorzakende diersoorten nauwelijks of geen effect sorteert op het voorkomen of beperken van de schade door die diersoort of omdat een omgevingsvergunning gezien de duurzame instandhouding van de soort ongewenst is. Wordt een omgevingsvergunning verleend dan wordt ook de schade die gedurende de behandelingsperiode van de omgevingsvergunningsaanvraag, welke ondanks de inspanningen van de grondgebruiker nog is ontstaan, bij de taxatie van de omvang van de schade betrokken. Als een omgevingsvergunning op inhoudelijke gronden wordt geweigerd, achten Gedeputeerde Staten een tegemoetkoming in de schade op zijn plaats. Van een verleende omgevingsvergunning moet adequaat gebruik worden gemaakt. Dit houdt in dat minimaal twee keer per week aan verjaging ondersteunend afschot, of pogingen tot afschot, dient plaats te vinden. Om te kunnen toetsen of er sprake is van adequaat gebruik wordt een aanvrager gevraagd een rapportage van de jachthouder ten aanzien van het gebruik van de omgevingsvergunning te overleggen.

 

Het eigen risico is gesteld op 5% van de getaxeerde schade met een minimum van € 250,00 per bedrijf per meldingsjaar. Dit betekent dat een eigen risico van € 250,00 berekend wordt over het totale aantal aanvragen van een grondgebruiker per jaar, tot een bedrag van € 5.000,00 is getaxeerd. Boven dit bedrag wordt 5% van de getaxeerde schade als eigen risico berekend. Om de administratieve lasten te beperken worden tegemoetkomingen die lager zijn dan € 50,00 niet uitgekeerd. Voor diersoorten welke op geen enkele wijze mogen worden ver- of bejaagd kunnen Gedeputeerde Staten besluiten de schade volledig te vergoeden.

 

In bepaalde perioden geldt in ganzenrustgebieden en Natura 2000-gebieden rust voor aangewezen diersoorten. Dat wil zeggen dat er in die periode geen gebruik mag worden gemaakt van omgevingsvergunningen voor het verontrusten en doden van de aangewezen in het wild levende beschermde dieren. Er bestaat dan in de regel geen mogelijkheid om de schadeveroorzakende diersoort te bestrijden. Om die reden moet de schade niet ten laste van de grondgebruiker blijven en wordt geen eigen risico gehanteerd.

 

Gedeputeerde Staten kunnen ook een verhoogd eigen risico hanteren. Bij het opleggen van een verhoogd eigen risico gelden de volgende richtlijnen:

 

  • 1.

    een verhoogd eigen risico, zoals bedoeld in artikel 5.5, vijfde lid, van deze beleidsregels, kan worden opgelegd in de volgende gevallen:

    • a.

      indien op de website van BIJ12 of de provinciale website of op andere wijze openbaar is gemaakt dat in bepaalde gevallen een verhoogd eigen risico wordt toegepast;

    • b.

      indien aan een grondgebruiker vooraf kenbaar is gemaakt dat in de toekomst een verhoogd eigen risico kan worden toegepast;

    • c.

      indien door handelingen of keuzes van de grondgebruiker de kans op schade voorzienbaar was;

    • d.

      in overige gevallen waarvan op basis van de feiten en omstandigheden het redelijk is om een verhoogd eigen risico toe te passen;

  • 2.

    het verhoogde eigen risico kan worden vastgesteld op 25%, 50%, 75% of 100% van de schade.

Het toepassen van een verhoogd eigen risico gebeurt in het algemeen alleen bij kapitaalintensieve teelten. In de afweging of aan een individuele grondgebruiker wordt medegedeeld dat in de toekomst een verhoogd eigen risico kan worden opgelegd speelt, onder andere, mee of de schade (telkens) is veroorzaakt op percelen die tijdelijk (één teeltseizoen) in gebruik zijn of op percelen in eigendom of op basis van langjarige contracten in gebruik zijn. In de eerste situatie is ondernemer in staat om zelf een afweging te maken welke voordelen maar ook risico's hij heeft om op een bepaalde plaats percelen te huren en een (schadegevoelig en/of kapitaalintensief) gewas te telen. Dit moet voor de grondgebruiker een aanleiding vormen om een risico inschatting (rendement versus kans op schade) te maken. Het risico op schade kan hij dan niet vervolgens (onbeperkt) afschuiven op de provincie, omdat hij dit risico zelf willens en wetens heeft genomen. Voor zover toepassen van deze richtlijn strijdig is met de beleidsregels, gaan de beleidsregels voor.

 

Artikel 5.6 Gevallen waarin geen tegemoetkoming wordt verleend

 

In de volgende gevallen wordt geen tegemoetkoming verleend:

  • a.

    indien de schade is aangericht door een natuurlijk in het wild levende beschermde diersoort welke krachtens artikel 15.53 lid 1 van de Omgevingswet bij algemene maatregel van bestuur is aangewezen als soort welke in het gehele land schade veroorzaakt en voor het verontrusten en doden van de schadeveroorzakende diersoort een vrijstelling geldt;

  • b.

    indien de schade is aangericht door een natuurlijk in het wild levende beschermde diersoort welke krachtens de provinciale verordening op grond van artikel 11.45 aanhef en onder c van het Besluit activiteiten leefomgeving van de wet is aangewezen als soort die schade veroorzaakt en voor het bestrijden van die soort een vrijstelling geldt, tenzij aan deze vrijstelling voorwaarden, beperkingen of clausules zijn verbonden waardoor de vrijstelling feitelijk gelijk gesteld moet worden aan een omgevingsvergunning verleend op basis van artikel 8.74j, 8.74k en 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

  • c.

    indien de schade is aangericht door een natuurlijk in het wild levende beschermde diersoort waarvoor Gedeputeerde Staten krachtens artikel 11.63 lid 3 onder b van het Besluit activiteiten leefomgeving een omgevingsvergunning? hebben gegeven om de omvang van de populatie van soorten te beperken;

  • d.

    indien de schade is aangericht door de huisspitsmuis, de mol, de bosmuis of de veldmuis en voor het verontrusten en doden van de schadeveroorzakende diersoort een vrijstelling geldt in verband met de bestrijding van schade aan landbouwgewassen;

  • e.

    voor schade veroorzaakt door diersoorten, vermeld in 11.62 van het Besluit activiteiten leefomgeving, waarop de jacht kan worden geopend, met uitzondering van de wilde eend buiten de periode waarop de jacht op deze diersoort is geopend;

  • f.

    voor schade veroorzaakt door een natuurlijk in het wild levende beschermde diersoort waarvoor een omgevingsvergunning krachtens artikel 8.74j, 8.74k en 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving is verleend, waarbij in de verleende omgevingsvergunning geen bepalingen zijn opgenomen die de schadebestrijding in de weg staan;

  • g.

    schade door vogels aan bessen- en kleinfruitteelt, kersen, druiven/wijnbouw;

  • h.

    voor schade op gronden welke zijn gelegen binnen de bebouwde kom;

  • i.

    voor schade op gronden welke zijn gelegen binnen een straal van vijfhonderd meter van een vuilstortplaats, tenzij de schade is aangericht op gronden die zijn aangewezen als ganzenrustgebied door aangewezen soorten die in de periode dat de schade is veroorzaakt niet mochten worden verontrust en gedood;

  • j.

    voor schade welke is aangericht aan materialen welke worden aangewend voor het (tijdelijk) afdekken van gewassen;

  • k.

    indien het risico van schade door een natuurlijk in het wild levende beschermde diersoort verzekerbaar is bij ten minste twee in Nederland werkzame verzekeringsmaatschappijen;

  • l.

    indien schade is aangericht aan gewassen op gronden:

    • i.

      waarvoor met een publiekrechtelijke rechtspersoon of een bij koninklijk besluit aangewezen particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisatie een pachtovereenkomst ingevolge artikel 7:388 BW tot verpachting binnen reservaten is afgesloten; of

    • ii.

      waarvoor een erfpachtovereenkomst of pachtovereenkomst is gesloten en aan deze gronden beperkingen in het landbouwkundig gebruik zijn verbonden of beperkingen ten aanzien van het bestrijden van schadeveroorzakende diersoorten; of

    • iii.

      die feitelijk niet voor landbouwkundige doeleinden worden aangewend; of

    • iv.

      die een functie hebben als waterkering;

  • m.

    indien de schade is aangericht aan blijvend grasland in de maand oktober;

  • n.

    indien de schade is aangericht aan blijvend grasland in de periode 1 oktober tot en met 31 januari daaropvolgend en het grasgewas bestemd is voor beweiding met schapen;

  • o.

    indien de schade is aangericht aan knol-, bol- en wortelgewassen die na 1 december van het teeltseizoen worden geoogst, met uitzondering van onderdekkersteelten en van bloembollen;

  • p.

    indien de schade is aangericht aan bijproducten van gewassen;

  • q.

    indien de schade is aangericht door natuurlijk in het wild levende beschermde diersoorten aan bedrijfsmatig geteelde gewassen in een kas of bedrijfsmatig gehouden landbouwhuisdieren in een stal;

  • r.

    indien schade is aangericht aan gebouwen, installaties, bouwwerken, geoogste gewassen, opgeslagen voedergewassen of verpakte voedergewassen;

  • s.

    indien schade is aangericht aan voertuigen, (lucht)vaartuigen of overige vervoermiddelen;

  • t.

    indien, door handelingen of het nalaten daarvan door de aanvrager, de taxateur de schade niet meer kan taxeren;

  • u.

    indien de aanvrager het beschadigde gewas niet meer zal oogsten;

  • v.

    indien de aanvrager het betreffende perceel niet meer in gebruik zal nemen;

  • w.

    indien de schade is veroorzaakt door een ziekte;

  • x.

    in andere gevallen waarin Gedeputeerde Staten oordelen dat de schade redelijkerwijs ten laste van de grondgebruiker behoort te blijven;

  • y.

    Indien de schade is aangericht aan kapitaalintensieve teelten.

 

Toelichting 5.6 gevallen waarin geen tegemoetkoming wordt verleend

Artikel 15.53 van de wet bevat het uitgangspunt dat een tegemoetkoming slechts wordt verleend voor zover de schade redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van een belanghebbende behoort te blijven. In artikel 5.6 is een aantal gevallen vastgesteld waarvoor Gedeputeerde Staten geen tegemoetkoming verlenen. Deze gevallen sluiten aan bij de voorzieningen die de wet of de provinciale verordening bieden om schade te voorkomen of te beperken.

 

Voor schade aangericht door diersoorten waarvoor het gehele jaar voor zowel grondgebruiker als jachthouder voldoende mogelijkheden bestaan om schade aan de landbouw door die diersoorten te voorkomen dan wel te beperken, wordt geen tegemoetkoming verleend. Er kan sprake zijn van provinciale vrijstellingen waarin voorwaarden, beperkingen of clausules zijn opgenomen met betrekking tot schadebestrijding. Van dergelijke vrijstellingen kan gezegd worden dat zij in de praktijk hetzelfde werken als een omgevingsvergunning gebaseerd op artikel 8.74j, 8.74k en 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Gedeputeerde Staten behandelen dergelijke vrijstellingen in het kader van beleidsregels daarom als ware het omgevingsvergunningen.

 

Geen tegemoetkoming wordt verleend indien er sprake is van een omgevingsvergunning, op basis van artikel 8.74j, 8.74k en 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving, zonder voorwaarden, beperkingen of clausules ten aanzien van de schadebestrijding. Een dergelijke omgevingsvergunning is qua werking in de praktijk vergelijkbaar en daarom beleidsmatig gelijk te stellen aan een vrijstelling.

 

Sinds 31 juli 2014 hanteerde het Faunafonds op verzoek van de provincies een afbouwregeling ten aanzien van tegemoetkomingen in vogelschade aan zacht fruit en pit- en steenvruchten. Deze voorzag in een tegemoetkoming van 30% van de getaxeerde schade in 2016. Omdat deze beleidsregels van kracht zijn op de op het moment van inwerkingtreding van de wet lopende aanvragen en bezwaarprocedures, is de regeling voor 2016 opgenomen in het kader van een beleidsneutrale overgang. De vanaf 1 januari 2017 veroorzaakte schade door vogels aan fruit komt niet meer voor een tegemoetkoming in aanmerking. Het hoge risico op deze schade is algemeen bekend bij ondernemers. Desondanks zijn de arealen van zeer schadegevoelige fruitsoorten uitgebreid, waarmee bewust risico op schade is genomen. Het is de keuze van de ondernemer en niet de beperkingen van de overheid die tot de schade leiden.

 

Schade veroorzaakt door diersoorten op gronden die zijn gelegen binnen de bebouwde kom of binnen een straal van 500 meter afstand van een vuilstortplaats, komt evenmin voor een tegemoetkoming in aanmerking. Binnen de bebouwde kom kan de grondgebruiker voorzien dat bepaalde maatregelen om schade te voorkomen of te beperken niet mogen worden aangewend. In geval van een vuilstortplaats is de aanwezigheid van schadeveroorzakende dieren voorzienbaar.

 

Evenmin wordt schade vergoed aan materialen welke worden gebruikt om gewassen af te dekken om daarmee een vroegere en naar verwachting hogere opbrengst te krijgen. Het risico van die schade dient voor rekening van de grondgebruiker te blijven. Eventuele schade dient gecompenseerd te worden geacht door een hogere opbrengst voor het betreffende gewas. Wordt die hogere opbrengst niet gerealiseerd, dan is dat ondernemersrisico.

 

Schade die in redelijkheid verzekerbaar is bij minimaal twee in Nederland werkzame verzekeringsmaatschappijen komt niet voor een tegemoetkoming in aanmerking.

 

Schade aangericht op gronden die verpacht zijn in een reservaat dient niet voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen. Dit geldt ook voor schade op gronden waarvoor een (erf)pachtovereenkomst met een natuurterreinbeherende instantie is afgesloten, al ligt dit anders als er geen beperkingen aan het landbouwkundig gebruik van de gronden zijn verbonden. Bij landbouwkundige beperkingen gaat het bijvoorbeeld om de situatie waarin het agrarisch gebruik van de gronden ondergeschikt is aan het natuurbeheer. Hetzelfde dient te gelden voor die gronden waarvoor met anderen dan een natuurterreinbeherende instantie een (erf)pachtovereenkomst is afgesloten en indien uit deze overeenkomst beperkingen ten aanzien van het landbouwkundig gebruik of beperkingen ten aanzien van het bestrijden van schade volgen. Dit kan blijken uit de (erf)pachtovereenkomst of uit de bestemming die op de percelen berust. Het gaat in die zin in artikel 5.6, onder l, sub I, II en III van de beleidsregels om die gevallen waarbij schade of is te verwachten, of niet (of minder) is te beperken, of waar het landbouwkundig gebruik ondergeschikt is gemaakt aan natuurdoelstellingen en dit consequenties zijn van een bedrijfskeuze door het aangaan van een dergelijke (erf)pachtovereenkomst.

 

Schade op gronden waarvan het feitelijk gebruik niet agrarisch is of op gronden die een functie als waterkering hebben, komt evenmin in aanmerking voor een tegemoetkoming. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om schade aan sport- en golfvelden of op zeedijken die door schapen worden begraasd. Reden hiervoor is dat op die gronden geen sprake is van normale agrarische productie en dat de kans op schade door natuurlijk in het wild levende beschermde diersoorten op die gronden voorzienbaar is, dan wel dat de grondgebruiker zelf zich bij overeenkomst heeft verbonden bepaalde schadebestrijdingsmaatregelen niet toe te passen. Gedeputeerde Staten achten het redelijk dat de schade in dergelijke gevallen tot het ondernemersrisico behoort en dat de grondgebruiker daarvoor niet wordt gecompenseerd.

 

Geen tegemoetkoming wordt verleend als op de betreffende gronden beperkingen rusten ten aanzien van het landbouwkundig gebruik of ten aanzien van de schadebestrijding. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om een braakliggend terrein dat een grondgebruiker tijdelijk om niet gebruikt.

 

Geen tegemoetkoming wordt verstrekt voor de schade aan blijvend grasland in de maand oktober. Evenmin wordt een tegemoetkoming verstrekt voor de schade aan blijvend grasland in de herfst- en winterperiode bestemd voor de voederwinning van schapen.

 

Indien de schade is aangericht aan knol-, bol- en wortelgewassen, die langer dan gebruikelijk op het land hebben gestaan en daarom ook later dan gebruikelijk worden geoogst, komt deze niet in aanmerking voor een tegemoetkoming. Als de aanvrager het risico neemt om de gewassen langer dan gebruikelijk op het land te laten staan, stijgt de kans dat dieren schade aan de gewassen toebrengen. De mogelijkheden om te foerageren nemen elders immers af. Tevens wordt het kwaliteitsverlies bij deze gewassen later in het seizoen door nattigheid en vorst steeds groter. De verhoogde kans op schade die dit oplevert, dient voor rekening van de grondgebruiker te blijven. Dit is anders bij bloembollen en bij onderdekkersteelten, waarbij de gewassen juist in de wintermaanden worden geteeld en waarbij de gewassen met bijvoorbeeld stro of plastic worden afgedekt.

 

Verder wordt geen tegemoetkoming verstrekt voor schade aangericht aan bijproducten. Voorbeelden van bijproducten zijn stro (bij het hoofdproduct granen en peulvruchten) en hooi (bij het hoofdproduct graszaad).

 

Schade aan gebouwen, installaties en voertuigen etc. wordt niet vergoed. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om schade ten gevolge van aanrijdingen of aanvaringen met beschermde diersoorten.

 

Schade door beschermde dieren aan dieren in een stal komt niet voor een tegemoetkoming in aanmerking. Alvorens een schadeveroorzakende diersoort de stal of het gebouw bereikt, kunnen er voldoende barrières opgeworpen worden om de schade te voorkomen. Bovendien zijn stallen en andere bouwwerken af te sluiten en is het voor rekening van een grondgebruiker indien dit niet goed gebeurt.

 

Daarnaast is bepaald dat indien de aanvrager handelingen verricht of nalaat handelingen te verrichten waardoor de taxateur niet (meer) in staat is de omvang van de schade te taxeren, de aanvrager zijn aanspraak op een tegemoetkoming verliest.

 

Een tegemoetkoming wordt ook niet verleend in de gevallen dat de grondgebruiker het gewas niet meer oogst of dat het beschadigde perceel niet meer in gebruik wordt genomen en dit (mede) het gevolg is van andere omstandigheden dan schade door beschermde dieren. Voorbeelden zijn het niet oogsten maar onderploegen van gewassen of het niet meer beweiden van grasland met vee vanwege natte omstandigheden.

 

Schade veroorzaakt door ziektekiemen valt niet onder de reikwijdte van 15.53 van de wet. Vaak is het causale verband tussen een ziekte en de aanwezigheid van een beschermde diersoort niet aanwezig of (achteraf) te bepalen zijn. Voor de duidelijkheid is besloten om in de beleidsregels de uitsluiting van ziekte voor tegemoetkomingen op te nemen.

 

De beleidsregels bevatten geen limitatieve opsomming van situaties waarin geen tegemoetkoming wordt verleend. In dit verband geldt dat in de beleidsregels niet op voorhand alle (toekomstige) situaties kunnen worden benoemd waarin de schade voor rekening van de aanvrager behoort te blijven. Uit artikel 15.53 van de wet vloeit voort dat een tegemoetkoming alleen wordt verstrekt als de schade redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van de aanvrager behoort te blijven. Het is dan ook niet met de wet te verenigen dat Gedeputeerde Staten een tegemoetkoming zouden verstrekken voor schade die ten laste van de aanvrager behoort te blijven. In de beleidsregels is dit uitgangspunt expliciet vastgelegd.

 

Ten slotte geldt dat Gedeputeerde Staten zijn gehouden aan artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht. Gedeputeerde Staten handelen overeenkomstig deze beleidsregels, tenzij dat voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

 

Artikel 5.7 Terugbetalen behandelbedrag

 

  • 1.

    De retributie voor het in behandeling nemen van een aanvraag wordt gerestitueerd als de schade door de das, bever, wolf, wilde kat, lynx of otter is aangericht.

  • 2.

    In afwijking van artikel 5.3, eerste en derde lid van deze beleidsregels komt schade aangericht door de wolf aan hobbymatig gehouden schapen en geiten tevens in aanmerking voor een tegemoetkoming. Artikel 5.3, tweede lid is niet van toepassing als het gaat om schade aangericht door de wolf mits de aanvrager een particulier is die geen onderneming drijft.

 

Toelichting 5.7 terugbetalen behandelbedrag

De wolf heeft een strikt beschermde status waardoor bestrijding verboden is. Om acceptatie van de komst van de wolf in Nederland te bevorderen wordt geen eigen risico gehanteerd en wordt het behandelbedrag gerestitueerd als is vastgesteld dat de schade door de wolf is aangericht. Daarbij speelt mee dat de kosten van een gedood schaap of een gedode geit of veterinaire kosten beperkt zijn in verhouding tot het behandelbedrag.

 

Omdat er tot nu toe sprake is van een enkele zwervende wolf in Nederland wordt schade door de wolf als onvoorzienbaar aangemerkt. Daarom wordt om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen van grondgebruikers niet verlangd dat zij preventieve middelen inzetten om het risico op wolvenschade te verkleinen.

 

Grondgebruikers kunnen een tegemoetkoming aanvragen voor schade aangericht door een zwervende wolf aan zowel landbouwhuisdieren als hobbymatig gehouden schapen en geiten. Zodra er sprake is van een territoriaal wolvenpaar in Nederland vervalt deze aanspraak op een tegemoetkoming met betrekking tot schade aan hobbymatig gehouden schapen en geiten en wordt deze beleidsregels ingetrokken.

 

Indien een gehouden schaap of geit verwond is door een wolf en is behandeld door een dierenarts, kan een tegemoetkoming van maximaal 80% van de kosten worden aangevraagd met een maximum van de marktwaarde van het prooidier. Wanneer het prooidier na behandeling door een dierenarts overlijdt, bedraagt de hoogte van de tegemoetkoming maximaal twee keer de marktwaarde: de tegemoetkoming in dierenartskosten en de marktwaarde van het dier.

 

Naast de wolf is door Gedeputeerde Staten besloten in gevallen met getaxeerde landbouwschades door das, bever, otter, wilde kat en lynx het geheven behandelbedrag van € 300,-terug te betalen aan agrariërs. Dit is besloten omdat het om zwaar beschermde diersoorten gaat, waarbij grondgebruikers vanwege deze bescherming zelf niet of nauwelijks preventieve maatregelen kunnen nemen.

 

Hoofdstuk 6 SLOTBEPALINGEN

Artikel 6.1 Bekendmaking en inwerkingtreding

 

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het provinciaal blad waarin dit besluit wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2024.

 

Artikel 6.2 Intrekking

 

De Beleidsregel Wet natuurbescherming, zoals vastgesteld bij besluit van 20 december 2016, kenmerk 2011010360, Provinciaal Blad nummer 6940 van 2016, laatst gewijzigd bij besluit van 14 november 2023, Provinciaal Blad nummer 13238 van 2023, worden ingetrokken.

 

Artikel 6.3 Citeertitel

 

Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels bescherming natuur provincie Drenthe

 

 

Gedeputeerde Staten voornoemd,

 

drs. J. Klijnsma, voorzitter

W.F. Brenkman MSc, secretaris

 

Assen, 19 december 2023

Kenmerk 4.14/2023001786

 

Uitgegeven: 10 januari 2024

 

Bijlage 1 Lijsten Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten en rustplaatsen in de provincie Drenthe

Jaarrond beschermde nesten in provincie Drenthe

 

Soort

Categorie

Aalscholver

2

Bergeend

5

Blauwe Reiger

2

Boerenzwaluw

5

Boomvalk

4

Bosuil

3

Buizerd

5

Draaihals

4

Gekraagde Roodstaart

5

Gierzwaluw

2

Glanskop

5

Grote Gele Kwikstaart

3

Havik

4

Huismus

2

Huiszwaluw

2

IJsvogel

5

Kerkuil

3

Kleine Bonte Specht

5

Kokmeeuw

5

Kraanvogel

5

Middelste Bonte Specht

5

Oehoe

3

Oeverzwaluw

5

Paapje

5

Raaf

3

Ransuil

4

Ringmus

2

Rode wouw

4

Roek

2

Ruigpootuil

5

Scholekster

5

Slechtvalk

3

Sperwer

4

Spreeuw

5

Steenuil

1

Torenvalk

5

Visdief

5

Wespendief

4

Wilde Zwaan

5

Zeearend

4

Zwarte Specht

3

Zwarte Stern

2

Zwarte Wouw

4

 

 

 

Categorieën:

  • 1.

    Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil).

  • 2.

    Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus).

  • 3.

    Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (bijvoorbeeld: bosuil, kerkuil en steenuil).

  • 4.

    Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk, sperwer en ransuil).

  • 5.

    Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze soorten vragen extra onderzoek, ook al zijn hun nesten niet jaarrond beschermd.

Bijlage 2 behorende bij artikel 3.4 beleidsregels bescherming natuur

 

Bijlage 3 Gebiedsgerichte omgevingsvergunningen op basis van een pre-soortenmanagementplan

 

Doel: Populaties gebouwbewonende soorten beschermen bij particuliere verduurzamingswerkzaamheden door het verlenen van gebiedsgerichte omgevingsvergunning op basis van een pre-soortenmanagementplan (pre-SMP) opgesteld en uitgevoerd volgens de pre-SMP-methodiek voor verduurzamingswerkzaamheden daar waar deze gehouden zijn aan de Omgevingswet.

 

Doelgroep: Gebiedsgerichte omgevingsvergunningen op grond van een pre-SMP kunnen enkel aangevraagd worden door Drentse gemeenten.

 

De provincie verleent onder de volgende voorwaarden en beperkingen een gebiedsgerichte omgevingsvergunning:

 

Voorwaarde 1: Natuurvriendelijk isoleren en meldingsplicht

Huiseigenaren en isolatiebedrijven isoleren conform de handreiking “Natuurvriendelijk isoleren”. Per woning worden daarmee betaalbare voorzieningen aangebracht (optioneel door de isolatiebedrijven) en wordt voorkomen dat er dieren gedood worden (tijdig natuurvrij maken). De particulier of het isolatiebedrijf namens de particulier meldt de isolatie bij de gemeente via een GIS-applicatie om te kunnen werken onder de omgevingsvergunning.

 

Voorwaarde 2: Gemeentelijke compensatie

De gemeente beschrijft in een pre-SMP hoe het verlies aan kraamverblijfplaatsen door de gemeente wordt gecompenseerd. Het effect van de verduurzaming en de gemeentelijke compensatietaakstelling worden door de provincie met de pre-SMP-methodiek modelmatig berekend.

 

Voorwaarde 3: SMP-verplichting

Binnen twee jaar moet het pre-SMP omgezet worden in een volwaardig (kwalitatief goed) SMP op basis van een volledig gebiedsgericht veldonderzoek. Op dit SMP moet een nieuwe gebiedsgerichte omgevingsvergunning worden afgegeven. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning op grond van een pre-SMP dient te worden aangetoond dat de ontwikkeling van een SMP binnen 18 maanden wordt afgerond, zodat een omgevingsvergunning op grond van een SMP binnen twee jaar de omgevingsvergunning op grond van een pre-SMP kan vervangen. Vindt er onvoldoende voortgang plaats in de ontwikkeling van een SMP, dan wordt de omgevingsvergunning op grond van een pre-SMP ingetrokken.

 

Beperking 1: Type woningen

De gebiedsgerichte omgevingsvergunning ziet uitsluitend op particuliere grondgebonden woningen met energielabel C tot en met G. Voor gestapelde woningen zoals appartementencomplex of flatgebouwen wordt geen omgevingsvergunning verleend.

 

Beperking 2: Duur omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning geldt voor de duur van maximaal twee jaar (24 maanden).

 

Beperking 3: Aantal deelnemende woningen

 

Per CBS-buurt mag maximaal 30% van de te isoleren particuliere grondgebonden woningen worden geïsoleerd. Het maximale aantal deelnemende woningen van 30% over twee jaar tijd wordt onderverdeeld in maximaal 10% in de eerste fase van de looptijd en in de tweede fase het aanvullend aantal deelnemers tot 30%. Mocht fase 1 langer dan 12 maanden duren, dan is voor elke maand dat de fase langer duurt het maximaal aantal deelnemers 1% meer. Het maximum van 30% over twee jaar blijft dan gelijk.

 

In fase 1 mogen op de te isoleren woningen tevens zonnepanelen worden geplaatst op hellende daken. In fase 2 mogen ook op niet te isoleren woningen zonnepanelen worden geplaatst op hellende daken. Op platte daken mogen in zowel fase 1 als fase 2 zonnepanelen worden geplaatst. De gemeenten zien toe op deze beperking met de ontwikkelde GIS-applicatie waar deelnemende woningen in worden gemeld.

 

Beperking 4: Type werkzaamheden

De pre-SMP-methodiek richt zich enkel op de volgende verduurzamingsmaatregelen:

 

  • spouwmuurisolatie: het vullen van de bestaande spouwmuur met isolatiematerialen. Ook het afsluiten van kieren rond kozijnen valt hieronder;

  • dakisolatie binnenzijde: het isoleren van pannendaken aan de binnenzijde door aan het dakbeschot isolatiemateriaal te bevestigen, waarna de binnenwandafwerking eroverheen wordt geplaatst. Het dak mag niet beroerd worden. Ook een ruimte vullen tussen dakbeschot en binnenwandafwerking met gespoten isolatiemateriaal is niet toegestaan in de pre-SMP-methodiek;

  • dakisolatie buitenzijde: dakisolatie door het verwijderen van dakpannen, het bevestigen van isolatieplaten op het dak en het vervolgens plaatsen van regels en pannen. Het spuiten van isolatieschuim onder de pannen (terwijl de pannen erop liggen) is niet toegestaan;

  • isolatie van borstweringen: isoleren van de holle ruimte tussen (betonnen of houten) plaatmateriaal en binnenmuur;

  • plaatsen voorzetwand binnenzijde muur: het plaatsen van voorzetwanden met isolatiemateriaal tegen de buitenmuur via de binnenzijde van de woning;

  • plaatsen voorzetwand buitenzijde muur: het plaatsen van voorzetwanden met isolatiemateriaal tegen de buitenmuur via de buitenzijde van de woning;

  • plaatsen zonnepanelen: het plaatsen van zonnepanelen op al dan niet hellende daken.

Naar boven