Provinciaal blad van Fryslân
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Fryslân | Provinciaal blad 2024, 20173 | andere beschikking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Fryslân | Provinciaal blad 2024, 20173 | andere beschikking |
Toestemming voor het verplaatsen van een bestaande opslagtank voor zoutzuur en het wijzigen van een aantal bestaande chemicaliëntanks binnen de inrichting aan Spoardyk 21 te Workum
Op 11 december 2023 is een aanvraag voor een omgevingsvergunning ontvangen van TAUW b.v., ingediend namens FrieslandCampina Nederland B.V. Het betreft het verplaatsen van een bestaande opslagtank voor zoutzuur en het wijzigen van een aantal bestaande chemicaliëntanks binnen de inrichting aan de Spoardyk 21 te Workum. De aanvraag is geregistreerd onder OLO-nummer 8211127.
Wij besluiten, gezien de overwegingen die zijn opgenomen in deze vergunning en gelet op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de daarop betrekking hebbende uitvoeringsbesluiten en -regelingen, aan FrieslandCampina Nederland B.V. een omgevingsvergunning:
op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, onder 2° (het veranderen van een inrichting) en artikel 2.14, vijfde lid juncto artikel 3.10, derde lid (milieuneutrale wijziging) te verlenen voor het verplaatsen van een bestaande opslagtank voor zoutzuur en het wijzigen van een aantal bestaande chemicaliëntanks. Aan de vergunning zijn geen voorschriften verbonden.
Tevens besluiten wij dat de volgende delen van de aanvraag onderdeel uitmaken van deze vergunning:
De aanvraag omvat tevens een melding op grond van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit). Uw melding voldoet aan de indieningsvereisten.
Namens het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân,
S.G.C. Boender Afdelingshoofd Vergunningverlening en Specialistisch Advies
College van Burgemeester en Wethouders
van de gemeente Súdwest-Fryslân
De bekendmaking van deze beschikking gebeurt door toezending aan de aanvrager. De dag na de bekendmaking treedt de beschikking in werking. Binnen zes weken na de bekendmaking kunnen zowel u als belanghebbenden bezwaar maken bij het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân, postbus 20120, 8900 HM Leeuwarden. Het indienen van een bezwaarschrift stelt de werking van de beschikking niet uit. Als u of belanghebbenden niet willen dat de beschikking in werking is in afwachting van de bezwaarprocedure, kan een verzoek om een voorlopige voorziening worden gedaan bij de Rechtbank Noord-Nederland, Postbus 781, 9700 AT Groningen.
1.1.1 Constructieve veiligheid. Wat moet u 6 tot 3 weken vóór de bouw aanleveren?
1.1.2 Het bouwtoezicht dient ten minste twee dagen voor de aanvang van elk van de hierna te noemen onderdelen van het bouwproces in kennis te worden gesteld:
a) De aanvang van de werkzaamheden, ontgravingwerkzaamheden, daaronder begrepen;
b) De aanvang van het inbrengen van de funderingspalen, het slaan van proefpalen daaronder begrepen;
c) De aanvang van de grondverbeteringwerkzaamheden.
Het bouwtoezicht dient ten minste drie dagen van tevoren in kennis te worden gesteld van het storten van beton.
Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen.
1.1.3 Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving van de bouwverordening en het Bouwbesluit 2012 dan wel het Besluit bouwwerken leefomgeving nodig acht.
Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden.
1.1.4 Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft, wordt het einde van die werkzaamheden bij het bouwtoezicht gemeld.
De hiervoor bedoelde kennisgeving moet schriftelijk worden gericht aan de FUMO, J.W. de Visserwei 10, 9001 ZE te Grou of info@fumo.nl.
1.1.5 Na de bouw van een bouwwerk, waarvoor omgevingsvergunning is verleend, is het verboden dit bouwwerk in gebruik te geven of te nemen indien één van de volgende omstandigheden zich voordoet:
a) het bouwwerk is niet gereed gemeld bij het bouwtoezicht;
b) er is niet gebouwd overeenkomstig de omgevingsvergunning.
Op 11 december 2023 is een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ontvangen. Het betreft een verzoek van FrieslandCampina Nederland B.V.
Er wordt vergunning gevraagd voor de volgende in de Wabo omschreven activiteiten:
Wij zijn bevoegd gezag voor de inrichting. Dit volgt uit artikel 2.4, tweede lid van de Wabo juncto artikel 3.3, eerste lid van het Bor, op grond van de activiteiten van de inrichting, genoemd in Bijlage I, onderdeel C, categorie 9.3, onder a, van het Bor.
2.3. Beoordeling van de aanvraag
Na ontvangst van de aanvraag hebben wij deze getoetst op volledigheid. In verband met het ontbreken van een aantal gegevens hebben wij de aanvrager op 31 januari 2024 in de gelegenheid gesteld om tot acht weken na de hiervoor genoemde datum de aanvraag aan te vullen. Wij hebben de aanvullende gegevens ontvangen 20 februari 2024. Na ontvangst van de aanvullende gegevens hebben wij de aanvraag opnieuw getoetst op volledigheid. De aanvraag was niet volledig en daarom hebben wij de aanvrager op 18 maart 2024 verzocht de aanvraag aan te vullen. Wij hebben de aanvullende gegevens ontvangen op 28 maart 2024. Na ontvangst van de aanvullende gegevens hebben wij de aanvraag opnieuw getoetst op volledigheid. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag met de aanvullende gegevens voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanvraag is dan ook in behandeling genomen. De termijn voor het nemen van het besluit is met vier weken en twee dagen opgeschort tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld.
Deze beschikking is voorbereid met de reguliere voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.2 van de Wabo. Gelet hierop hebben wij overeenkomstig de artikelen 3.8 van de Wabo en 12 van de Bekendmakingswet de aanvraag digitaal gepubliceerd op internet, www.officiëlebekendmakingen.nl.
Wij hebben gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de beslistermijn van acht weken te verlengen met zes weken als bedoeld in artikel 3.9, tweede lid van de Wabo. Van deze verlenging is overeenkomstig artikel 12 van de Bekendmakingswet digitaal kennisgegeven op internet www.officielebekendmakingen.nl.
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet van kracht geworden. Deze wet heeft onder andere de Wabo vervangen, inclusief alle onderliggende wetten en besluiten. De aanvraag is ingediend voor
1 januari 2024. Dit betekent dat de aanvraag behandeld moet worden conform het “oude” recht (Invoeringswet Omgevingswet, artikel 4.3). We hebben deze aanvraag dan ook conform de Wabo behandeld. Onderdelen van de aanvraag die moeten worden beschouwd als een melding Activiteitenbesluit hebben wij eveneens conform het “oude” recht afgehandeld.
Op het moment dat deze vergunning onherroepelijk wordt, wordt deze op grond van artikel 4.13 van de Invoeringswet Omgevingswet van rechtswege omgezet in een omgevingsvergunning op grond van de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving.
In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 van de Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor, hebben wij de aanvraag ter advies gezonden aan de gemeente Súdwest-Fryslân en Brandweer Fryslân.
Het advies van de gemeente Súdwest-Fryslân hebben wij per e-mail 18 maart 2024 ontvangen en gaat over de onderdelen ‘Bouwen van een bouwwerk’. Dit wordt behandeld bij de inhoudelijke overwegingen.
Over het onderdeel ‘Milieuneutraal veranderen van de inrichting’ heeft de gemeente geen aanleiding gezien om advies uit te brengen.
Brandweer Fryslân heeft per e-mail van 16 januari 2024 advies uitgebracht over de aanvraag. Dit advies wordt behandeld in de inhoudelijke overwegingen.
In de Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen dat deze wet aanhaakt bij de Wabo wanneer:
De aanvrager van de omgevingsvergunning is zelf verantwoordelijk om vooraf na te gaan of een activiteit invloed heeft op Natura 2000-gebieden en/of beschermde flora en fauna.
Bij de aanvraag is een onderzoek naar de stikstofdepositie gevoegd, ‘FC Workum, Chemietanks melkontvangst’, opgesteld door TAUW b.v., kenmerk R002-1293088LRJ-V02-hme-NL, van 11 december 2023.
Dit onderzoek is opgesteld voor het verplaatsen van de zoutzuurtank. De stikstofemissie voor de verplaatsing van de overige chemicaliëntanks is in de onderliggende vergunning beoordeeld. Het onderzoek is alleen opgesteld voor de aanlegfase. In de gebruiksfase van de zoutzuurtank vindt door de verplaatsing van de tank geen andere stikstofemissie plaats.
Uit dit onderzoek blijkt dat door de wijzigingen in de uitstoot van stikstof er geen significante negatieve effecten zijn te verwachten op (naderend) stikstofoverbelaste Natura 2000-gebieden.
Dit betekent dat de Wnb niet aanhaakt bij deze Wabo-procedure.
De aanvraag omgevingsvergunning voor het (ver)bouwen van een bouwwerk (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a van de Wabo) kan alleen worden verleend als deze voldoet aan de in artikel 2.10, eerste lid van de Wabo gestelde toetsingscriteria.
Een toetsing aan deze criteria heeft plaatsgevonden.
De gegevens en bescheiden die horen bij de aanvraag omgevingsvergunning zijn getoetst aan de door de gemeenteraad vastgestelde criteria in de gemeentelijke welstandsnota. Beoordeeld zijn de wijzigingen (o.a. nieuwe positie silo's) ten opzichte van de eerder vergunde situatie.
De aanvraag (advies nummer W21SWF134) is op 11 maart 2024 beoordeeld door de onafhankelijke welstandscommissie Hûs en Hiem Welstandsadvisering en Monumentenzorg (hierna “de commissie”). Op grond van de ingediende gegevens is de commissie van oordeel dat het plan, getoetst aan de door de gemeenteraad vastgestelde criteria, voldoet aan redelijke eisen van welstand als bedoeld in artikel 12, eerste lid van de Woningwet.
Wij nemen dit advies van de commissie over. De aanvraag voldoet aan redelijke eisen van welstand.
Over de ingediende stukken is op hoofdlijn voldoende aannemelijk gemaakt dat voldaan gaat worden aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012. De uitgewerkte constructieve tekeningen en detail berekeningen ontbreken nog. Definitieve constructieve berekeningen en tekeningen (dienen uiterlijk 3 weken voor aanvang van de bouwwerkzaamheden ter goedkeuring aan de FUMO te worden voorgelegd. Met de werkzaamheden mag pas na goedkeuring worden gestart.
Op grond van de overige ingediende stukken bij deze aanvraag is voldoende aannemelijk gemaakt dat wordt voldaan aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012.
De gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag omgevingsvergunning zijn getoetst aan de voorschriften van de gemeentelijke Bouwverordening. De aanvraag voldoet aan de voorschriften van de gemeentelijke bouwverordening.
Het kadastrale perceel Gemeente Workum, sectie G, nummer 40 plaatselijk bekend Spoardyk 21 te Workum is gelegen in een gebied waarvoor het bestemmingsplan ‘Wijzigingsplan Workum - Uitbreiding FrieslandCampina‘ is vastgesteld. In dit bestemmingsplan hebben de gronden de enkelbestemming ‘Bedrijf’ met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – zuivelfabriek‘ (artikel 3 van de regels).
Op grond van artikel 3, lid B, sub 6, onder d geldt dat de hoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste 10,00 m zal bedragen.
De hoogte van de nieuwe silo’s bedraagt circa 10,5 meter.
Gelet op het bovenstaande is uw bouwplan in strijd met de regels van het geldende bestemmingsplan.
4. OVERWEGINGEN RUIMTELIJKE ORDENING
4.1. Handelen in strijd met een bestemmingsplan
De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a van de Wabo), is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan.
Op grond van artikel 2.10, tweede lid van de Wabo, is een aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen die in strijd is met het geldende bestemmingsplan, ook een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het afwijken van het geldende bestemmingsplan (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wabo). De aanvraag omgevingsvergunning kan slechts worden geweigerd indien vergunningverlening voor afwijking van het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.12 van de Wabo niet mogelijk is.
Gelet op het bovenstaande, is het bouwplan in strijd met regels van het geldende bestemmingsplan.
Voor zover sprake is van een aanvraag omgevingsvergunning voor gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c van de Wabo) kan de vergunning op grond van artikel 2.12 van de Wabo alleen worden verleend:
Ad a. Toetsing binnenplanse afwijking
Op basis van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 1° van de Wabo, in samenhang met artikel 18 van het bestemmingsplan ‘Workum- Bedrijventerrein Horsa en Burevaart’ is een binnenplanse afwijking mogelijk.
Ad.b. Toetsing buitenplanse afwijking - kruimelgeval
Aan een buitenplanse afwijking voor een omgevingsvergunning wordt niet toegekomen, omdat een binnenplanse afwijking tot de procedurele mogelijkheden behoort
Ad.c. Toetsing buitenplanse afwijking - projectafwijkingsbesluit
Aan een buitenplanse afwijking voor een omgevingsvergunning die is voorzien van een ruimtelijke onderbouwing (projectafwijkingsbesluit) wordt niet toegekomen, omdat een binnenplanse afwijking tot de procedurele mogelijkheid behoort.
Afwijking van het bestemmingsplan is alleen wenselijk indien na een afweging van diverse belangen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Om de navolgende redenen is ons inziens sprake van een goede ruimtelijke ordening en worden belangen niet geschaad.
Ingevolge artikel 18 van het bestemmingsplan kunnen burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3, lid B, sub 6, onder d verlenen.
In artikel 18 is bepaald dat burgemeester en Wethouders ontheffing kunnen verlenen van de bij recht in het plan gegeven maten, afmetingen en percentages, tot ten hoogste 10% van die maten, afmetingen en percentages, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de brandveiligheid, de sociale veiligheid, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
Ad.1. De bouwhoogte mag maximaal 10 meter bedragen. 10% van 10 meter = 11 meter. De
bouwhoogte mag dus met 10% afwijking maximaal 11 meter bedragen. Het bouwplan heeft
een bouwhoogte van 10,50 meter. Er wordt voldaan aan de voorwaarde.
Ad. 2. het straat- en bebouwingsbeeld
Gezien het positieve welstandsadvies wordt aan het straat- en bebouwingsbeeld geen onevenredige afbreuk gedaan. Ook de nieuwe positie van de silo’s ten opzichte van de eerder verleende vergunning, deze staan op voldoende afstand vanaf de openbare weg. Door het bouwplan veranderd de goede verhouding tot de bestaande bebouwing in ruimtelijke en stedenbouwkundige zin nauwelijks. Door het verhogen van de bouwhoogte met 0,50 meter wordt het straat- en bebouwingsbeeld dus niet onevenredig aangetast.
Het betreft hier een industrieterrein. In de directe omgeving zijn geen woningen aanwezig die door deze verhoging van de silo’s nieuwbouw benadeeld kunnen worden. Dit punt is dan ook niet van toepassing.
Door het verhogen van de bouwhoogte van de silo’s zal geen afbreuk worden gedaan aan de
brandveiligheid. Het verhogen van de bouwhoogte heeft geen enkele invloed op de
brandveiligheid. De sociale veiligheid is na onze mening door deze verbouw niet in het
Door het verhogen van de bouwhoogte van de silo’s zal geen afbreuk worden gedaan aan de
sociale veiligheid. Het verhogen van de bouwhoogte heeft geen enkele invloed op de sociale
veiligheid. De sociale veiligheid is na onze mening door deze verbouw niet in het geding;
Door het verhogen van de bouwhoogte van de silo’s zal geen afbreuk worden gedaan aan de
verkeersveiligheid op de openbare weg. Het verhogen van de bouwhoogte heeft geen enkele
invloed op de verkeersveiligheid op de openbare weg. Er kan geparkeerd worden op het eigen terrein. Er zijn bestaande in- en uitritten aanwezig. Deze in- en uitriten zijn gegarandeerd van vrije uitzichthoeken, zodat er een verkeersveilige situatie ontstaat. De verkeersveiligheid is na onze mening door deze verhoogde bouwhoogte niet in het geding;
Ad. 7. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden
De naastgelegen percelen worden door de hogere bouwhoogte van de silo’s niet
belemmerd in hun gebruiksmogelijkheden. Het gebruik maken van de binnenplanse
afwijkingsbevoegdheid leidt in redelijkheid niet tot een onaanvaardbare vermindering van het uitzicht van de bewoners van de aangrenzende gronden. Wij verwachten geen onevenredige afbreuk van de gebruikersmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
Gelet op bovenstaande overwegingen is het college van mening dat er geen beletsel is voor het verlenen van de omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan.
De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I, onderdeel C van het Bor. De volgende categorieën zijn van toepassing:
|
a. een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een vermogen of een gezamenlijk vermogen groter dan 1,5 kW, met dien verstande, dat bij de berekening van het gezamenlijk vermogen een elektromotor met een vermogen van 0,25 kW of minder buiten beschouwing blijft; c. een of meer voorzieningen of installaties aanwezig zijn voor het verstoken van brandstoffen met een thermisch vermogen of een gezamenlijk vermogen groter dan 130 kW. |
|
|
Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van gassen of gasmengsels, al of niet in samengeperste tot vloeistof verdichte of onder druk in vloeistof opgeloste toestand. |
|
|
Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van de volgende stoffen, preparaten of producten: a. stoffen en preparaten die zijn ingedeeld krachtens het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten in een categorie als bedoeld in artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer. |
|
|
Als categorieën vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van dit besluit, worden inrichtingen aangewezen voor de opslag van polyesterhars en stoffen van ADR-klasse 5.1 of klasse 8, verpakkingsgroepen II en III, zonder bijkomend gevaar, in bovengrondse opslagtanks met een inhoud van meer dan 10 m3. |
|
|
Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare, ontvlambare of brandbare vloeistoffen. |
|
|
Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van harsen, dierlijke of plantaardige oliën of vetten. |
|
|
Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken of verwerken van voedingsmiddelen, genotmiddelen of grondstoffen daarvoor. |
|
|
Gedeputeerde Staten zijn bevoegd te beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning ten aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het betreft inrichtingen voor: a.het vervaardigen van melkpoeder, weipoeder of andere gedroogde zuivelproducten met een capaciteit ten aanzien daarvan van 1.500 kg per uur of meer; b. het vervaardigen van consumptiemelk, consumptiemelkproducten of geëvaporiseerde melk of melkproducten met een melkverwerkingscapaciteit ten aanzien daarvan van 55.000.000 kg per jaar of meer; c..het concentreren van melk of melkproducten door middel van indamping met een waterverdampingscapaciteit ten aanzien daarvan van 20.000 kg per uur of meer. |
Op grond van categorie 4.4, onder c is sprake van een vergunningplichtige activiteit.
Daarnaast valt het bedrijf onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) vanwege de ammoniakkoelinstallaties (artikel 2, lid 1, onder g van het Bevi). Op basis van het Bor, bijlage I, onderdeel B, onder 1, onder a, is sprake van een vergunningplichtig bedrijf.
Door de aangescherpte CLP-classificatie (Classification, Labelling and Packaging) is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) nu ook op basis van de opslag van salpeterzuur van toepassing. Salpeterzuur (60%) is volgens de CLP-Verordening een acuut toxische vloeistof. Op grond van artikel 1b, sub f, van de Richtlijn externe veiligheid inrichtingen (Revi) valt een inrichting waar een vergiftige stof (niet zijnde benzine of methanol), in een insluitsysteem aanwezig is met een inhoud van meer dan 1.000 liter, onder het Bevi. Ook op basis van het Bor, bijlage I, onderdeel B, onder 1, onder a, is sprake van een vergunningplichtig bedrijf.
Het betreft een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort als genoemd in Bijlage I, categorie 6.4.c van de Richtlijn industriële emissies (Rie). Deze categorie betreft de bewerking en verwerking van uitsluitend melk, met een hoeveelheid ontvangen melk van meer dan 2.000 ton per dag (gemiddelde waarde op jaarbasis). Om die reden is op grond van artikel 2.1, tweede lid van het Bor tevens sprake van een vergunningplichtige inrichting.
Het project waarvoor vergunning wordt gevraagd is als volgt te omschrijven:
Binnen de nieuwe melkontvangst (aan de overzijde van de Horsa) zijn verschillende tanks gerealiseerd voor de opslag van (gevaarlijke) stoffen die worden ingezet voor de reiniging van de procesinstallaties binnen de inrichting. Om de opslag van gevaarlijke stoffen in stationaire tanks te centraliseren binnen de inrichting, wordt de zoutzuurtank die nu elders binnen de inrichting staat opgesteld, verplaatst naar deze chemicaliënopslag bij de melkontvangst.
De overige chemicaliëntanks bij de melkontvangst zijn met de onderliggende revisievergunning vergund. Ze zijn nog niet geplaatst. Tijdens de ontwikkeling van deze nieuwe locatie blijkt dat het gewenst is om de opstelling van de tanks anders uit te voeren. Deze wijzigingen in de opstelling van de tanks zijn ook opgenomen in de aanvraag.
Een uitgebreide projectomschrijving is opgenomen in de aanvraag om vergunning.
5.3. Huidige vergunningsituatie
Voor de inrichting zijn eerder de onderstaande vergunningen verleend:
De milieuvoorschriften van de onderliggende omgevingsvergunning zijn van overeenkomstige toepassing op de aangevraagde verandering, tenzij de aard van de vergunning en/of de aard van de verandering zich daartegen verzetten.
5.4. Activiteitenbesluit/Besluit Activiteiten Leefomgeving
In het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) zijn voor een groot aantal activiteiten, die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden, rechtstreeks werkende, algemene regels opgenomen.
De inrichting waarvoor vergunning is aangevraagd, is aangemerkt als een inrichting waarvoor vergunningplicht (type C inrichting) geldt.
De nu aangevraagde verandering betreft het (ver)plaatsen van opslagtanks. Hierdoor treedt een wijziging op in het lozen van hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening. Deze activiteit valt onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit.
De verandering dient te voldoen aan de volgende paragraaf uit het Activiteitenbesluit en de daarbij behorende Activiteitenregeling:
Paragraaf 3.1.3 Lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening.
Voor het overige is per hoofdstuk of afdeling aangegeven of deze op een type C inrichting van toepassing is. Dit betekent dat ook hoofdstuk 1, afdeling 2.1 tot en met 2.4, 2.10 en 2.11 van hoofdstuk 2 en de overgangsbepalingen uit hoofdstuk 6 van het Activiteitenbesluit van toepassing kunnen zijn.
Gelet op artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit dient voor deze activiteiten een melding te worden ingediend. De informatie uit de aanvraag beschouwen wij als deze melding.
5.4.2. Besluit Activiteiten Leefomgeving
Het Activiteitenbesluit is per 1 januari 2024 vervallen. Per 1 januari 2024 zijn deze regels opgegaan in het Besluit Activiteiten Leefomgeving (hierna: Bal) en/of het Besluit Kwaliteit Leefomgeving. Op het moment dat deze vergunning onherroepelijk wordt, wordt deze op grond van artikel 4.13 van de Invoeringswet Omgevingswet van rechtswege omgezet in een omgevingsvergunning op grond van de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving. Daarover kunnen wij alvast het volgende vermelden:
Op de aangevraagde wijziging zijn de volgende artikelen uit het Bal van toepassing uit paragraaf 3.4.8:
Lid 1, onder a: Als milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 worden aangewezen het exploiteren van een IPPC-installatie voor het bewerken en verwerken van dierlijke of plantaardige grondstoffen voor het maken van levensmiddelen of het bewerken en verwerken van alleen melk, bedoeld in categorie 6.4 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;
Lid 2: De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, functioneel ondersteunen.
Artikel 3.129 (vergunningplicht), lid 1: Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 3.128, voor zover het gaat om het exploiteren van een IPPC-installatie voor het slachten van dieren, het bewerken en verwerken van dierlijke of plantaardige grondstoffen voor het maken van levensmiddelen of voeder of het bewerken en verwerken van alleen melk, bedoeld in categorie 6.4 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies;
Artikel 3.1.32 (algemene regels):
Lid 1: Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.128, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over:
f. het opslaan van goederen, bedoeld in paragraaf 4.104;
Lid 3: Ook wordt voldaan aan de regels over:
c. verduurzaming van het energiegebruik, bedoeld in paragraaf 5.4.1.
De algemene regels van het Bal zijn niet van toepassing op de gevraagde wijzigingen.
Voor het afvoeren van hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening, zijn in de Omgevingswet geen regels vastgelegd. Deze zijn wel vastgelegd in het ‘Omgevingsplan gemeente Súdwest-Fryslân’. In paragraaf 22.3.8.2 ‘Lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening’ zijn regels opgenomen.
De aanvraag heeft betrekking op een milieuneutrale verandering van de inrichting of van de werking van de inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e, onder 2° van de Wabo. De Wabo bepaalt in artikel 2.14, vijfde lid dat in afwijking van het eerste tot en met vierde lid de vergunning wordt verleend, wanneer wordt voldaan aan artikel 3.10, derde lid van de Wabo. Dat betekent dat een vergunning wordt verleend met de reguliere procedure, wanneer er sprake is van een verandering van de inrichting of van de werking van de inrichting die niet leidt
De aanvraag is getoetst aan deze criteria en wij komen tot de volgende afweging.
5.5.2. Toetsing gevolgen voor milieu
Voor de andere chemicaliëntanks dan de zoutzuurtank geldt dat deze al vergund zijn. De iets gewijzigde opstelling van deze opslagtanks maakt niet dat de gevolgen op de milieuaspecten veranderen ten opzichte van de vergunde situatie. Het enige aspect dat wijzigt is geluid. De invloed van de verplaatsing van het pompgebouw is niet dusdanig dat dit invloed heeft op de geluidsemissie.
Naar aanleiding van de ingediende aanvraag en de daarbij overgelegde gegevens concluderen wij dat de aangevraagde verandering aan bovenstaande voorwaarden voldoet, om de volgende redenen:
De aanvrager heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat er voor de overige milieuaspecten geen toename zal zijn van de milieubelasting.
Brandweer Fryslân heeft ons per e-mail van 16 januari 2024 het volgende geadviseerd:
De aanvraag laat geen vergelijkingstabel qua inhoud/ gewicht zien tussen de bestaande en voorgenomen situatie. Het lijkt er op de inhoud van enkele bestaande opslagtanks wordt vergroot. Wij adviseren om te toetsen of er sprake is van een toename qua opslag anders dan de toevoeging van de zoutzuur-opslagtank van 15 m3;
Nu het zoutzuur nabij de salpeterzuurtank komt te staan is door verkeerd handelen of lekkage de kans dat deze stoffen mengen en gaan reageren. De reactie van deze stoffen resulteert in chloor en nitreuze dampen. Ons beeld is dat in de voorliggende aanvraag dit risico toegelicht had kunnen worden en beschreven welke LOD’s (line of defence) hiervoor aanwezig zijn. Wij adviseren om dit punt te borgen in de vergunning.
Wij hebben de aanvrager verzocht om de aanvraag op deze punten aan te vullen. Wij merken over deze punten het volgende op:
De voorschriften van de PGS 31:2021 zijn van toepassing op de zoutzuurtank. In de revisievergunning is al rekening gehouden met deze wijziging. Voorschrift 4.5.2 van de revisievergunning geeft FrieslandCampina tot 31 december 2024 de tijd om de oude zoutzuurtank te vervangen door een nieuwe tank. Deze nieuwe (nu gevraagde) tank moet voldoen aan de eisen uit voorschrift 4.5.1 van de revisievergunning, waarin de PGS 31:2021, versie 1.0, augustus 2021, is voorgeschreven;
De verandering leidt niet tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu.
Tevens is er geen reden om milieuvoorschriften aan deze milieuneutrale verandering te verbinden, aangezien aan de voorschriften in de onderliggende vergunning moet en kan worden voldaan.
5.5.3. Toetsing andere inrichting
Op basis van de in de aanvraag opgenomen beschrijving van de verandering is het aannemelijk, dat de verandering niet leidt tot een andere inrichting dan waarvoor eerder een vergunning is verleend.
5.5.4. Toetsing milieueffectrapport
De activiteit van de inrichting (zuivelfabriek) zelf wordt als zodanig genoemd in bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.): D 36. De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie van een zuivelfabriek waarbij de activiteit betrekking heeft op een productiecapaciteit van 30.000 ton per jaar of meer.
De huidige aanvraag heeft echter uitsluitend betrekking op het verplaatsen van een bestaande activiteit binnen de inrichting. De verandering betreft niet de oprichting, de uitbreiding of wijziging van een installatie van een zuivelfabriek in de zin van D 36 van het Besluit m.e.r. Dat betekent dat er geen sprake is van een verplichting tot het maken van een milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer of van een m.e.r.-beoordeling.
Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op het milieuneutraal veranderen van de inrichting wordt de gevraagde vergunning verleend. Er zijn geen redenen om de omgevingsvergunning te weigeren.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2024-20173.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.