Besluit ambtshalve wijziging voorschriften omgevingsvergunning aan Hollandiastraat 15 te Scharsterbrug

Onderwerp

Op 23 mei 2017, met kenmerk 2016-FUMO-0018737, is een revisievergunning verleend aan Exploitatiemaatschappij Phoenix B.V. voor een zuivelbedrijf op de locatie Hollandiastraat 15 te Scharsterbrug. Nadien zijn er nog diverse vergunningen verleend. Wij zijn voornemens de revisievergunning van 23 mei 2017 ambtshalve aan te passen door één voorschrift van deze vergunning in te trekken en een nieuw voorschrift aan de vergunning toe te voegen.

Reden voor de wijziging is de vernieuwing van de BREF Voedingsmiddelen-, dranken- en zuivelindustrie.

Besluit 

Wij besluiten, gelet op artikel 2.31, lid 1, onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo):

  • het voorschrift 9.4.3 van de vergunning van 23 mei 2017, met kenmerk 2016-FUMO-0018737, in te trekken en te vervangen door het voorschrift 9.4.3, zoals opgenomen in deze ambtshalve wijziging.

Namens het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân,    S.G.C. Boender Afdelingshoofd Vergunningverlening en Specialistisch Advies  

Bijlage: Voorschriften ambtshalve wijziging

Overwegingen ambtshalve wijziging

Publicatie

Kopie: College van Burgemeester en Wethouders

van de gemeente de Fryske Marren

Postbus 101

8500 AC Joure

RECHTSBESCHERMINGSMIDDELEN

Bekendmaking, inwerkingtreding en rechtsbeschermingsmiddelen (definitieve) beschikking

Deze beschikking wordt bekendgemaakt door toezending aan de aanvrager. Daarnaast wordt een kennisgeving gepubliceerd in de Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad en in het Provinciaal blad van Fryslân via www.officielebekendmakingen.nl. De beschikking treedt in werking op de dag nadat de beroepstermijn is verstreken.

De aanvraag en de beschikking met de daarbij behorende stukken worden op grond van de Algemene wet bestuursrecht gedurende zes weken ter inzage gelegd. Inzage is mogelijk bij de gemeente De Fryske Marren, de provincie Fryslân en bij de FUMO.

Een dag nadat de beschikking ter inzage is gelegd, start de termijn van zes weken voor het indienen van een beroepschrift. In die periode kunnen zowel u als belanghebbenden beroep aantekenen tegen deze beschikking. Ook niet-belanghebbenden kunnen beroep aantekenen indien zij een zienswijze hebben ingediend.

Het beroepschrift moet in tweevoud ingediend worden bij Rechtbank Noord-Nederland, postbus 781, 9700 AT Groningen.

Het indienen van een beroepschrift stelt de werking van de beschikking niet uit. Als u of belanghebbenden niet willen dat deze beschikking in werking treedt na afloop van de beroepstermijn, kan tijdens die termijn om een voorlopige voorziening worden verzocht. Dit verzoek kan worden gedaan bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord Nederland, postbus 781, 9700 AT Groningen. De beschikking treedt in dat geval niet in werking voordat over dit verzoek is beslist.

VOORSCHRIFTEN

1 VOORSCHRIFTEN

lucht

Emissies van stoffen uit puntbronnen

9.4.3Ter plaatste van de emissiepunten van de droogtorens (Egron 1 t/m 3) moet éénmaal per jaar de uitworp van stof afzonderlijk worden gemeten:

  • a.

    Voor de metingen geldt dat per keer drie metingen moeten worden uitgevoerd;

  • b.

    De eerste meting wordt verricht binnen drie maanden na het in werking treden van deze vergunning;

  • c.

    Uiterlijk twee maanden na de meting worden de resultaten van de emissiemetingen inclusief toetsing aan de geldende emissiegrenswaarden overgelegd aan het bevoegd gezag;

  • d.

    De emissiemetingen moeten worden uitgevoerd door een voor de metingen geaccrediteerde meetinstantie met gebruikmaking van genormaliseerde meetmethoden zoals vermeld in bijlage “Metingen” bij deze vergunning.

 

OVERWEGINGEN

1. PROCEDURELE OVERWEGINGEN

1.1. Projectbeschrijving

De activiteiten voor het bewerken en verwerken van levensmiddelen van dierlijke en plantaardige grondstoffen worden genoemd in bijlage 1 van de Richtlijn Industriële Emissies (RIE) en wel in categorie 6.4, onder b, derde lid, van de RIE. Deze categorie betreft de bewerking en verwerking voor de fabricage van levensmiddelen van dierlijke en plantaardige grondstoffen, zowel in gecombineerde als afzonderlijke producten met een productiecapaciteit van meer dan 75 ton per dag.

De BREF Voedingsmiddelen-, dranken- en zuivelindustrie is in december 2019 vernieuwd. De BBT-conclusies zijn op 4 december 2019 gepubliceerd. Als bevoegd gezag zijn wij verplicht om binnen vier jaar de publicatiedatum de vergunning(en), indien nodig, te actualiseren. Wij hebben de omgevingsvergunning getoetst aan:

  • de RIE en de daarbij behorende BBT-conclusies.

Deze toetsing geeft aanleiding tot het aanpassen van de eerder verleende vergunning.

1.2. Huidige vergunningsituatie

Voor de inrichting zijn eerder de onderstaande vergunningen en/of ontheffingen verleend dan wel meldingen geaccepteerd:

Soort

Datum vergunning

Kenmerk

Onderwerp

Revisievergunning

23 mei 2017

2016-FUMO-0018737

Revisievergunning, nieuwe de gehele inrichting omvattende omgevingsvergunning

Milieuneutrale omgevingsvergunning

12 december 2017

2017-FUMO-0025322

Plaatsen vul-/ verpakkingsinstallatie

Milieuneutrale omgevingsvergunning

26 november 2019

2019-FUMO-0036106

Zonnepanelen op het dak

Milieuneutrale omgevingsvergunning

11 mei 2020

2020-FUMO-0039408

Plaatsen luchtbehandelingskast

Milieuneutrale omgevingsvergunning

16 juni 2020

2020-FUMO-0040077

Plaatsen hekwerk en poort

Milieuneutrale omgevingsvergunning

14 juli 2020

2020-FUMO-0042078

Plaatsen van drie luchtcompressoren

Milieuneutrale omgevingsvergunning

15 oktober 2020

2020-FUMO-0043276

Vervangen en plaatsen twee ventilatoren

Ambtshalve aanpassing

20 oktober 2020

2020-FUMO-0040597

Ambtshalve aanpassing energievoorschriften

Milieuneutrale omgevingsvergunning

17 februari 2021

2020-FUMO-0047394

Vernieuwen luchtverhitter Egron 3

Veranderingsvergunning en ambtshalve aanpassing

10 november 2021

2021-FUMO-0051657

Het verplaatsen en vervangen van chemicaliëntanks en het plaatsen van een opslagloods

1.3. Vergunningplicht

De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I, onderdeel C van het Besluit omgevingsrecht (Bor). De volgende categorieën zijn van toepassing:

Categorie

Omschrijving

1.1, onder a en c

Inrichtingen waar:

a. een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een vermogen of een gezamenlijk vermogen groter dan 1,5 kW, met dien verstande, dat bij de berekening van het gezamenlijk vermogen een elektromotor met een vermogen van 0,25 kW of minder buiten beschouwing blijft;

c. een of meer voorzieningen of installaties aanwezig zijn voor het verstoken van brandstoffen met een thermisch vermogen of een gezamenlijk vermogen groter dan 130 kW.

2.1, onder a

Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van gassen of gasmengsels, al of niet in samengeperste tot vloeistof verdichte of onder druk in vloeistof opgeloste toestand.

4.1, onder a

Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van de volgende stoffen, preparaten of producten:

a. stoffen en preparaten die zijn ingedeeld krachtens het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten in een categorie als bedoeld in artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer.

4.4, onder c

Als categorieën vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van dit besluit, worden inrichtingen aangewezen voor de opslag van polyesterhars en stoffen van ADR klasse 5.1 of klasse 8, verpakkingsgroepen II en III, zonder bijkomend gevaar, in bovengrondse opslagtanks met een inhoud van meer dan 10 m3.

5.1

Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare, ontvlambare of brandbare vloeistoffen.

6.1

Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van harsen, dierlijke of plantaardige oliën of vetten.

9.1, onder d

Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken of verwerken van voedingsmiddelen, genotmiddelen of grondstoffen daarvoor.

9.3, onder a

Gedeputeerde Staten zijn bevoegd te beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning ten aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het betreft inrichtingen voor het vervaardigen van melkpoeder, weipoeder of andere gedroogde zuivelproducten met een capaciteit ten aanzien daarvan van 1.500 kg per uur of meer.

Op grond van categorie 4.4, onder c is sprake van een vergunningplichtige activiteit.

Het betreft een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort genoemd in Bijlage I, categorie 6.4, onder b, derde lid, van de RIE. Deze categorie betreft de bewerking en verwerking voor de fabricage van levensmiddelen van dierlijke en plantaardige grondstoffen, zowel in gecombineerde als afzonderlijke producten met een productiecapaciteit van meer dan 75 ton per dag. Om die reden is ook op grond van artikel 2.1, tweede lid van het Bor sprake van een vergunningplichtige inrichting.

1.4. Bevoegd gezag

Wij zijn bevoegd gezag voor de inrichting. Dit volgt uit artikel 2.4, tweede lid van de Wabo, juncto artikel 3.3, eerste lid van het Bor, op grond van de activiteiten van de inrichting, genoemd in Bijlage I onderdeel C, categorie 9.3, onder a van het Bor. Daarnaast betreft het een inrichting die valt onder bijlage 1 van de Richtlijn Industriële Emissies (RIE) (IPPC-installatie) (categorie 6.4, onder b, derde lid).

1.5. Procedure 

De op 23 mei 2017 verleende omgevingsvergunning is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Gelet op artikel 3.15, lid 3, van de Wabo dient de ambtshalve wijziging eveneens te worden voorbereid met deze uitgebreide voorbereidingsprocedure.

1.6. Adviezen

In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 van de Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor, hebben wij de ambtshalve wijziging ter advies aan Burgemeester en wethouders van gemeente De Fryske Marren gestuurd. Zij hebben van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

1.7. Zienswijzen op de ontwerpbeschikking

Van het ontwerp van de beschikking hebben wij de kennisgeving met de ontwerpbeschikking en de aanvraagdocumenten digitaal gepubliceerd op internet op: www.officielebekendmakingen.nl op 3 november 2023.

Van 6 november 2023 tot en met 18 december 2023 heeft het ontwerp ter inzage gelegen en is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

1.8. Wijzigingen ten opzichte van de ontwerpvergunning

Ten opzichte van de ontwerpvergunning zijn geen wijzigingen aangebracht.

2. INHOUDELIJKE OVERWEGINGEN

2.1. Toetsingskader

Sinds 1 januari 2013 geldt een actualisatieplicht voor IPPC-installaties (artikel 5.10 eerste lid van het Bor). De plicht houdt in dat:

  • binnen een termijn van vier jaar na publicatie in het Publicatieblad van de Europese Unie van de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit van een IPPC-installatie de voorschriften van de omgevingsvergunning moeten worden getoetst aan de beste beschikbare technieken (BBT) die staan in deze(nieuwe) BBT-conclusies (en alle overige relevante BBT-documenten);

  • als niet wordt voldaan aan deze BBT's, de vergunningvoorschriften moeten worden geactualiseerd en;

  • de betreffende IPPC-installatie binnen de termijn van vier jaar zal voldoen aan deze geactualiseerde voorschriften.

Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofactiviteit en aan andere relevante BBT-conclusies.

2.2. Beste beschikbare technieken

2.2.1 Toetsingskader

In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast.

Bij het opstellen van de omgevingsvergunning milieu moet rekening worden gehouden met de BBT-conclusies. De Europese Commissie stelt de BBT-conclusies op en maakt deze bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

BBT-conclusies is een document met de conclusies over beste beschikbare technieken, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, lid 5 en 7, van de RIE.

Het verschil tussen artikel 13, lid 5 en lid 7, van de RIE is:

  • BBT-conclusies overeenkomstig artikel 13, lid 5, heeft de Europese Commissie vastgesteld ná 6 januari 2011. Dit op basis van artikel 75, lid 2 van de Rie.

  • BBT-conclusies overeenkomstig artikel 13, lid 7, is het hoofdstuk Best available techniques (BAT) uit de BREF's. De Europese commissie heeft deze BREF's vastgesteld vóór 6 januari 2011. Dit hoofdstuk geldt als BBT-conclusies totdat de Europese Commissie voor die activiteit nieuwe BBT-conclusies vaststelt.

2.2.2. Concrete bepaling beste beschikbare technieken

Binnen de inrichting worden één of meer van de activiteiten uit bijlage 1 van de RIE uitgevoerd. Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofactiviteit en aan andere relevante BBT-conclusies.

De BREF Voedingsmiddelen-, dranken- en zuivelindustrie is vernieuwd. Dit betekent dat beoordeeld moet worden of nog steeds aan deze BREF voldaan wordt. Dit blijkt niet het geval. De onderliggende vergunning van 23 mei 2017 voldoet op het onderdeel van de luchtemissies deels niet aan de vernieuwde BREF. Met de aanpassingen zoals in de bijlage bij de onderhavige ambtshalve aanpassing opgenomen, wordt wel voldaan aan de vernieuwde BREF. Wij gaan nader in op deze wijzigingen bij de behandeling van het aspect Lucht.

2.2.3. Conclusies BBT

De inrichting voldoet - met inachtneming van de aan dit besluit gehechte voorschrift - aan BBT. Voor de overwegingen voor het milieuthema Lucht, wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf.

2.3. Overwegingen Lucht

2.3.1. Toetsingskader

Het algemeen luchtbeleid is gericht op het voorkomen dan wel zo veel mogelijk beperken van emissies naar de lucht door het toepassen van de beste beschikbare technieken (BBT) en het voldoen aan de luchtkwaliteitseisen van bijlage 2 van de Wet milieubeheer.

Luchtemissies voor inrichtingen worden in beginsel gereguleerd door de algemene regels van het Activiteitenbesluit. Deze eisen zijn rechtstreeks geldend en daarom niet in deze vergunning opgenomen.

Indien en voor zover voor luchtemissies van IPPC-installaties BBT-conclusies zijn vastgesteld, gelden de algemene regels van Afdeling 2.3 echter niet (met uitzondering van de minimalisatieverplichting voor zeer zorgwekkende stoffen). Voor deze luchtemissies zijn voorschriften aan de omgevingsvergunning van 23 mei 2017 verbonden die aansluiten bij de BBT-conclusies.

In de BREF Voedingsmiddelen-, dranken- en zuivelindustrie is alleen voor stofemissies voor droogprocessen een BBT-geassocieerd emissieniveau (BBT-GEN) opgenomen. Dit betekent dat voor de overige emissies naar de lucht dat afdeling 2.3 en paragraaf 3.2.1 uit het Activiteitenbesluit van toepassing zijn.

2.4. Puntbronemissies van procesinstallaties 

Al gevolg van het drogen van poedermelk wordt fijn stof in relevante hoeveelheden geëmitteerd naar de lucht. Dit komt vrij bij het productieproces in de droogtoren en kan ook vrijkomen in de poedersilo. Omdat dit proces geen aardgas nodig heeft, vindt er geen vorming van NOx plaats.

Conform de BREF Voedingsmiddelen-, dranken- en zuivelindustrie (hierna BREF) dient de uitstoot van stof te worden beperkt tot 2 - 10 mg/Nm3, afhankelijk van de lokale omstandigheden. Om stofemissies naar lucht afkomstig van het drogen te verminderen, is er sprake van BBT wanneer één techniek of een combinatie van de onderstaande technieken wordt gebruikt:

  • a.

    doekenfilter;

  • b.

    cycloon;

  • c.

    natte gaswasser.

De drooginstallaties Egron 1 en 2 zijn voorzien van doekenstoffilters. Egron 3 is voorzien van een cycloon. Vanwege hygiënestandaarden die gelden voor het produceren van babyvoeding is een doekenfilter ongeschikt.

In de vergunning van 23 mei 2017 is voor Egron 1 en 2 een emissie-eis van 5 mg/Nm3 opgenomen. Dit voldoet aan de grenswaarde van 2 tot 10 mg/Nm3 die de BREF voorschrijft.

Voor Egron 3 zijn in de vergunning van 23 mei 2017 twee normen vastgelegd, afhankelijk van het vetgehalte van de melkpoeder en fatfilleds. Vanwege het gebruik van een cycloon geeft de BREF in BBT 23 aan dat hogere waarden toegestaan zijn dan bij het gebruik van een doekenfilter. Beide voorgeschreven normen voldoen hieraan.

Geconcludeerd wordt dat de emissie-eisen voor lucht in de vergunning van 23 mei 2017 voldoen aan de BREF.

De frequentie van monitoring voldoet echter niet aan de BREF. In de BBT-conclusies voor de voedingsmiddelen-, dranken- en zuivelindustrie wordt in BBT 5 een minimale monitoringsfrequentie van éénmaal per jaar genoemd voor stof dat vrijkomt bij droogprocessen van zuivelbedrijven.

De vergunning van 23 mei 2017 schrijft één keer per drie jaar voor in voorschrift 9.4.3. Om aan de BREF te voldoen, passen wij voorschrift 9.4.3 van deze vergunning aan. Dit voorschrift wordt ingetrokken en vervangen door het voorschrift 9.4.3 in de bijlage bij deze ambtshalve aanpassing.

2.5. Conclusie

Het voorschrift 9.4.3 van de revisievergunning van 23 mei 2017 wordt ingetrokken en vervangen door het voorschrift 9.4.3 zoals vermeld in de bijlage bij deze ambtshalve aanpassing.

 

BIJLAGE METINGEN

  • 1.

    De concentraties van componenten in de afgassen worden bepaald door continue meting of afzonderlijke metingen onder procescondities die representatief zijn voor de normale bedrijfsvoering.

  • 2.

    De metingen bemonsteringen en analyses van de parameters die nodig zijn voor het bepalen of wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden alsmede de andere metingen en berekeningen die zijn voorgeschreven, worden uitgevoerd volgens onderstaande normbladen:

    • a.

      emissiemeting en analyse:

      • 1°.

        stikstofoxiden (NOx): NEN-EN 14792:2017;

      • 2°.

        stikstofoxiden (NOx) continumeting: NEN-ISO 10849:1998;

      • 3°.

        zwaveldioxide (SO2): NEN-EN 14791:2017;

      • 4°.

        onverbrande koolwaterstoffen (CxHy): NEN-EN 12619:2013;

      • 5°.

        totaal stof: NEN-EN 13284-1 of NEN-EN 13284-2:2017;

      • 6°.

        zuurstof (O2): NEN-EN 14789:2017;

      • 7°.

        chroom VI -verbindingen: ISO 16740:2005;

      • 8°.

        zware metalen: NEN-EN 14385:2004;

      • 9°.

        zoutzuur: NEN-EN 1911-1, 1911-2 en 1911-3:2010;

      • 10°.

        waterstoffluoride: NEN-ISO 15713:2011;

      • 11°.

        ammoniak: NEN 2826:1999;

      • 12°.

        individuele gasvormige organische componenten: NEN-EN 13649:2001;

      • 13°.

        dioxines en furanen: NEN-EN 1948:2006 deel 1, 2 en 3;

      • 14°.

        kwik: NEN-EN 13211:2001+C1:2007;

      • 15°.

        vocht: NEN-EN 14790:2017;

      • 16°.

        debiet: NEN-EN-ISO 16911:2013 deel 1 en 2;

    • b.

      meetlocatie, monstername en rapportage van de stoffen, genoemd onder a: NEN-EN 15259:2007.

    • c.

       kwaliteitsborging van continue metingen: NEN-EN 14181:2014.

  • 3.

    Een afzonderlijke meting als bedoeld in het eerste lid bestaat uit drie deelmetingen van een half uur, tenzij een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de representatieve wijze van bemonsteren. Het resultaat van de afzonderlijke emissiemeting is het gemiddelde van de deelmetingen, verminderd met de gerapporteerde meetonzekerheid of met een standaardwaarde voor de meetonzekerheid.

  • 4.

    Een continue meting vindt plaats door:

    • a.

      een rechtstreekse continue meting van de concentratie in het afgas, of

    • b.

      een continue meting van de parameters van de voor de installatie vastgestelde uitworpkarakteristiek.

  • 5.

    Het resultaat van een continue meting is de verzameling van half-uursgemiddelde of etmaalgemiddelden, verminderd met de gerapporteerde meetonzekerheid of met een standaardwaarde voor de meetonzekerheid.

Meetonzekerheid

  • 1.

    Het bevoegd gezag bepaalt de meetonzekerheid op basis van de 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele waarnemingen. Bij het bepalen van de meetonzekerheid wordt het gemiddelde van de deelmetingen gecorrigeerd voor het aantal deelmetingen. De meetonzekerheid wordt berekend als percentage van de grenswaarde.

  • 2.

    Voor de onderstaande elementen bedraagt de maximale meetonzekerheid als percentage van de emissiegrenswaarde niet meer dan de in tabel opgenomen percentages.

Tabel 1

Elementen 

Meetonzekerheid (%)

SO2

20

NOx

20

Stof

30

totaal stof (stofklasse S)

30

Overige componenten

40

Debiet

20

Naar boven