Revisievergunning ingevolge de Wabo, Jan Klaasen Beheer BV aan De Ynfeart 14 te Heerenveen

I. Onderwerp

Op 26 mei 2023 is een aanvraag voor een omgevingsvergunning ontvangen van Jan Klaasen Beheer B.V. Het betreft een nieuwe, de gehele inrichting omvattende omgevingsvergunning (revisie-vergunning) voor de Ynfeart 14 te Heerenveen en heeft betrekking op een metaalrecyclingbedrijf.

De aanvraag is geregistreerd onder nummer 2023-FUMO-0076777 en OLO-nummer 7684289.

De vergunning wordt aangevraagd voor de volgende bedrijfsactiviteiten:

II. Besluit

Wij besluiten, gezien de overwegingen die zijn opgenomen in deze vergunning en gelet op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de daarop betrekking hebbende uitvoeringsbesluiten en -regelingen en de Invoeringswet Omgevingswet:

  • aan Jan Klaasen Beheer B.V. een (omgevings)vergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a (het bouwen van een bouwwerk) van de Wabo te verlenen voor het bouwen van een shredderinstallatie en een sorteerlijn. Aan de verlening van dit deel van de vergunning zijn voorschriften verbonden. Deze staan in hoofdstuk 1 van dit besluit;

  • aan Jan Klaasen Beheer B.V. een (omgevings)vergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e (het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting) juncto artikel 2.6 (revisievergunning) van de Wabo te verlenen voor de herinrichting van het terrein voor de opslag van afvalstoffen en de bijbehorende opslagcapaciteiten. Aan de verlening van dit deel van de vergunning zijn voorschriften verbonden;

  • het bodemonderzoek van 3 mei 2017, zoals verbonden aan de vergunningaanvraag als bijlage 3, te beschouwen als nulsituatie-onderzoek voor de bodemkwaliteit;

  • dat de volgende delen van de aanvraag onderdeel uitmaken van deze vergunning:

    • Aanvraagformulier, OLO-nummer 7684289 d.d. 26-05-2023

    • Berekening Shredder B-01 – Statische berekening d.d. 19-10-2023

    • Berekening Sorteer B-02 – Statische berekening d.d. 17-11-2023

    • Besluit – Geen Wnb vergunning nodig d.d. 08-12-2023

    • Bijlage 0. Toelichting_aanvraag_omgevingsvergunning_milieu-V5-cpl d.d. 04-02-2024

    • Bijlage 1. Rapport Akoestisch onderzoek d.d. 11-05-2023

    • Bijlage 2. Rapport Geuronderzoek d.d. 02-11-2023

    • Bijlage 3. Rapport Eindsituatie bodem d.d. 03-05-2017

    • Bijlage 4. Brief Fumo – Eindsituatie als nulsituatie d.d. 19-06-2017

    • Bijlage 5. Rapport Luchtkwaliteit d.d. 11-05-2023

    • Bijlage 6. Rapport AERIUS projectberekening d.d. 13-02-2023

    • Bijlage 7. Rapport Stikstofdepositie d.d. 12-09-2022

    • Bijlage 8. MER-beoordelingsbesluit d.d. 09-02-2022

    • Bijlage 9. Tekening M-01 – Milieutekening d.d. 08-12-2023

    • Bijlage 10. Tekening M-02 – Rioleringstekening d.d. 26-09-2023

    • Bijlage 11. Rapport BBT-Toets – BREF’s afval, bulkgoederen en energie d.d. 25-05-2023

    • Bijlage 12. Memo – Omschrijving OBAS d.d. 26-05-2023

    • Bijlage 13. Memo – Afvalverwerkingsbeleid en AO-IC d.d. 04-02-2024

    • Bijlage 14. Aanvraag Wnb vergunning d.d. 28-07-2023

    • Bijlage 15. Veiligheidsinformatieblad K-Othrine d.d. 05-03-2019

    • Bijlage 16. Rapportage NEN-6060 d.d. 15-01-2024

    • Tekening 2401-M-01 – Milieutekening d.d. 10-01-2024

    • Tekening 2401-M-02 – Rioleringstekening d.d. 26-09-2023

    • Tekening Shredder TO-01 – Situatietekening d.d. 10-05-2023

    • Tekening Shredder TO-02 – Schematische procesweergave d.d. 26-09-2023

    • Tekening Shredder TO-03.1 – Overzichtblad schredderlijn d.d. 26-09-2023

    • Tekening Shredder TO-03.2 – Doorsnede d.d. 25-07-2023

    • Tekening Shredder TO-03.2 – Overzichtblad schredderbaan 3D weergave  d.d. 26-09-2023

    • Tekening Shredder TO-04.1 – Plattegrond d.d. 26-09-2023

    • Tekening Shredder TO-04.2 – Doorsnede d.d. 26-09-2023

    • Tekening Shredder TO-05 – Overzicht magneetinstallatie d.d. 26-09-2023

    • Tekening Shredder TO-06 – Overzicht leescabine d.d. 26-09-2023

    • Tekening Shredder TO-07 – Transport- en zwenkbanden d.d. 26-09-2023

    • Tekening Shredder TO-08 – Overzichtblad stortvakken d.d. 26-09-2023

    • Tekening Shredder TO-09-1 – Overzichtblad fundering d.d. 26-09-2023

    • Tekening Shredder TO-09-2 – Archief tekening bestaande palenplan d.d. 20-02-1997

    • Tekening Shredder TO-09-3 -Archief tekening bestaande fundering d.d. 20-02-1997

    • Tekening Sorteer TO-01 – Situatietekening d.d. 26-09-2023

    • Tekening Sorteer TO-02 – Overzicht situatie d.d. 08-12-2023

    • Tekening Sorteer TO-03 – Overzicht Plattegronden d.d. 08-12-2023

    • Tekening Sorteer TO-04 – Overzicht Doorsnedes d.d. 26-09-2023

    • Tekening Sorteer TO-05 – Overzicht Doorsnedes d.d. 26-09-2023

    • Tekening Sorteer TO-06 – Overzicht Doorsnedes d.d. 26-09-2023

    • Tekening Sorteer TO-07 – Overzicht Gevels d.d. 26-09-2023

    • Tekening Sorteer TO-08 – Overzicht Staal d.d. 26-09-2023

    • Tekening Sorteer TO-09 – Sorteerlijn MDH d.d. 26-09-2023

    • Tekening Sorteer TO-10 – Overzichtblad fundering d.d. 17-11-2023.

Namens het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân,

S.G.C. Boender Afdelingshoofd Vergunningverlening en Specialistisch Advies

Mees Ruimte & Milieu B.V.

Mevr. [Naam]

Postbus 854

2700 AW Zoetermeer

Gemeente Heerenveen

De heer [Naam]

Postbus 15000

8440 GA Heerenveen

Wetterskip Fryslân

Mevr. [Naam]

Postbus 36

8900 AA Leeuwarden

Brandweer Fryslân

De heer [Naam]

Postbus 612

8901 BK Leeuwarden

RECHTSBESCHERMINGSMIDDELEN

Bekendmaking, inwerkingtreding en rechtsbeschermingsmiddelen (definitieve) beschikking

Deze beschikking wordt bekendgemaakt door toezending aan de aanvrager. Daarnaast wordt een kennisgeving gedaan door publicatie in de Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad en in het Provinciaal blad van Fryslân via www.officielebekendmakingen.nl. De beschikking treedt in werking 6 weken na bekendmaking van het definitief besluit. 

De aanvraag en de beschikking met de daarbij behorende stukken worden op grond van de Algemene wet bestuursrecht met ingang van 9 augustus 2024 ter inzage gelegd. Inzage is mogelijk bij de gemeente en bij de provincie/FUMO.

Een dag nadat de beschikking ter inzage is gelegd, start de termijn van zes weken voor het indienen van een beroepschrift. In die periode kunnen zowel u als andere belanghebbenden beroep aantekenen tegen deze beschikking. Ook niet-belanghebbenden kunnen beroep aantekenen indien zij een zienswijze hebben ingediend.

Het beroepschrift moet in tweevoud ingediend worden bij Rechtbank Noord-Nederland, Postbus 150, 9700 AD Groningen.

Het indienen van een beroepschrift stelt de werking van de beschikking niet uit. Als u of belanghebbenden niet willen dat deze beschikking in werking treedt na afloop van de beroepstermijn, kan tijdens die termijn om een voorlopige voorziening worden verzocht. Dit verzoek kan worden gedaan bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord Nederland, Postbus 150, 9700 AD Groningen. De beschikking treedt in dat geval niet in werking voordat over dit verzoek is beslist.

VOORSCHRIFTEN BOUWEN

1 VoorschrifTEN BOUWEN VAN EEN BOUWWERK

  • 1.1

    Constructieve veiligheid 

    • 1.1.1

      De eventuele constructieve detailberekeningen en -tekeningen dienen uiterlijk 6 weken voor aanvang van de bouwwerkzaamheden ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te worden voorgelegd. Met de werkzaamheden mag pas na goedkeuring worden gestart.

  • 1.2

    Brandveiligheid 

    • 1.2.1

      De hoogte van brandbare afvalstoffen op het buitenterrein tussen keerwanden mag maximaal 3 meter bedragen. De keerwanden tussen de opslagen van brandbare afvalstoffen moeten altijd ten minste 1 meter hoger zijn dan het brandbare afval.

    • 1.2.2

      De stroomvoorziening van de shredder op het buitenterrein dient overeenkomstig NEN 1010 en IEC 61936-1 in een brandcompartiment te zijn gelegen.

    • 1.2.3

      Op grond van de NEN 6060-rapportage met nummer VT 190133 (versie 2.0 d.d. 15-01-2024) geldt er een jaarlijks toezicht arrangement voor de aanwezige sorteerinstallatie in de bestaande loods en het te sorteren materiaal (met een maximum van 10 ton kunststof afval);

    • 1.2.4

      De vluchtdeuren in de zuidgevel en een extra vluchtdeur in de westgevel van de bestaande loods bij de sorteerinstallatie zoals opgenomen in de vergunningaanvraag, dienen gerealiseerd te worden.

    • 1.2.5

      Het advies in relatie tot de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 04-07-2023 dient te worden opgevolgd.

    • 1.2.6

      Voor wat betreft de sorteerinstallatie in de bestaande loods moeten, binnen drie maanden na het van kracht worden van deze vergunning, kwaliteitsverklaringen worden vestrekt aan het bevoegde gezag waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de brandklasse, rookklasse en de brandwerend van het dak. Deze gegevens dienen binnen de inrichting aanwezig te zijn voor toezicht.

  • 1.3

    Veiligheidsplan 

    • 1.3.1

      Indien er nog aanvullende installatietekeningen en/of -berekeningen van de diverse technische installaties komen, dan dienen deze nog ter goedkeuring aan de gemeente te worden voorgelegd.

    • 1.3.2

      Van toegepaste materialen en bouwdelen dienen productcertificaten, die aantonen dat de betreffende materialen en bouwdelen voldoen aan de voorschriften in het Bouwbesluit 2012, op de bouwplaats aanwezig te zijn.

    • 1.3.3

      Van toegepaste materialen en bouwdelen dienen productcertificaten, die aantonen dat de betreffende materialen en bouwdelen voldoen aan de voorschriften in het Bouwbesluit 2012, op de bouwplaats aanwezig te zijn.

  • 1.4

    Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden

    • 1.4.1

      Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft, wordt het einde van die werkzaamheden bij het bouwtoezicht gemeld.

      De hiervoor bedoelde kennisgevingen moeten schriftelijk worden gericht aan de FUMO, J.W. de Visserwei 10, 9001 ZE te Grou of info@fumo.nl.

  • 1.5

    Verbod tot ingebruikneming

    • 1.5.1

      Na de bouw van een bouwwerk, waarvoor omgevingsvergunning is verleend, is het verboden dit bouwwerk in gebruik te geven of te nemen indien één van de volgende omstandigheden zich voordoet:

      • a)

        het bouwwerk is niet gereed gemeld bij het bouwtoezicht;

      • b)

        er is niet gebouwd overeenkomstig de omgevingsvergunning.

 

VOORSCHRIFTEN MILIEU

2 Algemene voorschriften

  • 2.1

    Terrein van de inrichting en toegankelijkheid

    • 2.1.1

      Binnen de inrichting moet een overzichtelijke en actuele plattegrond aanwezig zijn. Op deze plattegrond moeten ten minste de volgende aspecten zijn aangegeven:

      • a.

        alle gebouwen en de installaties met hun functies;

      • b.

        alle opslagen van stoffen welke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken met vermelding van aard en maximale hoeveelheid.

    • 2.1.2

      Op het terrein van de inrichting moet een zodanige afscheiding aanwezig zijn dat de toegang tot de inrichting voor onbevoegden redelijkerwijs niet mogelijk is.

    • 2.1.3

      De inrichting moet schoon worden gehouden en in goede staat van onderhoud verkeren.

    • 2.1.4

      Activiteiten met afvalstoffen moeten zodanig plaatsvinden dat zich geen afval in of buiten de inrichting kan verspreiden. Mocht overhoopt toch verontreiniging van het openbaar terrein rond de inrichting plaatsvinden dan moeten direct maatregelen worden getroffen om deze verontreiniging te verwijderen.

    • 2.1.5

      De toegang tot de inrichting moet tijdens de openingstijden onder voortdurend toezicht staan van een daartoe door de bedrijfsleiding aangewezen persoon.

    • 2.1.6

      Gebouwen, installaties en opslagvoorzieningen moeten altijd goed bereikbaar zijn voor alle voertuigen die in geval van calamiteiten toegang tot de inrichting/installatie moeten hebben. Binnen of nabij de installaties mogen geen andere goederen of stoffen worden opgeslagen dan die welke voor het proces nodig zijn of daardoor zijn verkregen, met uitzondering van brandbestrijdingsmiddelen.

    • 2.1.7

      Het aantrekken van insecten, knaagdieren en ander ongedierte moet zoveel als mogelijk worden voorkomen. Zo vaak de omstandigheden daartoe aanleiding geven moet een doelmatige bestrijding van insecten, knaagdieren en ander ongedierte plaatsvinden. Hiertoe dient de vergunninghouder binnen vier maanden na het onherroepelijk worden van deze vergunning een ongediertebestrijdingsplan ter goedkeuring aan ons te hebben overgelegd.

    • 2.1.8

      Binnen drie maanden na goedkeuring van het in voorschrift 2.1.7 genoemde ongediertebestrijdingsplan moet vergunninghouder het goedgekeurde ongediertebestrijdingsplan hebben geïmplementeerd.

  • 2.2

    Instructies

    • 2.2.1

      De vergunninghouder moet de binnen de inrichting (tijdelijk) werkzame personen instrueren over de voor hen van toepassing zijnde voorschriften van deze vergunning en de van toepassing zijnde veiligheidsmaatregelen. Tijdens het in bedrijf zijn van installaties die in geval van storingen of onregelmatigheden kunnen leiden tot nadelige gevolgen voor het milieu, moet steeds voldoende, kundig personeel aanwezig zijn om in voorkomende gevallen te kunnen ingrijpen.

    • 2.2.2

      De vergunninghouder moet één of meer ter zake kundige personen aanwijzen die in het bijzonder belast zijn met de zorg voor de naleving van de in deze vergunning opgenomen voorschriften.

  • 2.3

    Melding contactpersoon en wijziging vergunninghouder

    • 2.3.1

      De vergunninghouder moet direct nadat de vergunning in werking is getreden schriftelijk naam en telefoonnummer opgeven aan het bevoegd gezag van degene (en van diens plaatsvervanger) met wie in spoedeisende gevallen, ook buiten normale werktijden, contact kan worden opgenomen. Als deze gegevens wijzigen moet dit vooraf onder vermelding van de wijzigingsdatum schriftelijk worden gemeld aan het bevoegd gezag.

    • 2.3.2

      Onderhoudswerkzaamheden waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen dat deze buiten de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, dan wel dat hiervan in de omgeving meer nadelige gevolgen voor het milieu worden ondervonden dan uit de normale bedrijfsvoering voortvloeit, moeten ten minste 3 werkdagen voor de aanvang van de uitvoering aan het bevoegd gezag worden gemeld.

    • 2.3.3

      Indien uit de inhoud van keurings- en inspectierapporten blijkt dat gevaar voor verontreiniging dreigt, moet direct het bevoegd gezag daarvan in kennis worden gesteld.

  • 2.4

    Registratie

    • 2.4.1

      Binnen de inrichting is een exemplaar van deze vergunning (inclusief aanvraag) met bijbehorende voorschriften aanwezig. Verder zijn binnen de inrichting de volgende documenten aanwezig:

      • a.

        alle overige voor de inrichting geldende omgevingsvergunningen en meldingen;

      • b.

        de veiligheidsinformatiebladen die behoren bij de in de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen;

      • c.

        de bewijzen, resultaten en/of bevindingen van de in deze vergunning voorgeschreven inspecties, onderzoeken, keuringen, onderhoud en/of metingen;

      • d.

        de registratie van het jaarlijks elektriciteit-, diesel, gas- en waterverbruik (jaarrekening) naar herkomst (drinkwater geregistreerd in m3);

      • e.

        het logboek waarin van de ongediertebestrijding per bestrijding de gebruikte middelen en de hoeveelheden zijn bijgehouden. Hierbij moet worden aangegeven of men de ongediertebestrijding zelf heeft uitgevoerd, of dat dit is gedaan door een extern bedrijf.

    • De documenten genoemd onder c t/m e moeten ten minste vijf jaar worden bewaard.

    • 2.4.2

      Klachten van derden en de actie die door de vergunninghouder is ondernomen om de bron van de klachten te onderzoeken en eventueel weg te nemen, moeten worden geregistreerd.

  • 2.5

    Inspectie, keuringen en onderhoud.

    • 2.5.1

      Door middel van regelmatige interne (apparaat-) inspecties en/of testen moet het naar behoren functioneren van alle installaties en voorzieningen worden gecontroleerd waarbij de bevindingen schriftelijk moeten worden vastgelegd. Onder bevindingen wordt ook verstaan het uitvoeren van reparaties, verbeteringen en geconstateerde afwijkingen. De frequentie van het uitvoeren van (apparaat)inspecties en/of testen moet schriftelijk zijn vastgelegd. De vergunninghouder moet de frequentie van onderhoud/inspectie aanpassen als de bevindingen daartoe aanleiding geven. Deze registratie moet op de inrichting aanwezig zijn.

    • 2.5.2

      De wijze waarop de vergunninghouder het gestelde in voorgaand voorschrift waarborgt, moet hij vastleggen in een daartoe te ontwikkelen organisatorisch systeem met betrekking tot het beheer van de installaties (onderhoudsmanagementsysteem). De beschrijving van het onderhoudsmanagementsysteem (op hoofdlijnen) moet worden overgelegd aan Gedeputeerde Staten. Installaties moeten zijn onderverdeeld in objecten en voor elk object moet een uitvoeringsmethode worden opgesteld m.b.t. onderhoud, inspectie en/of testen. Deze uitvoeringsmethoden moeten mede zijn gebaseerd op analyses van de kans op en de gevolgen van eventueel falen. Verslaglegging (schriftelijk) en terugkoppeling moeten onderdeel zijn van het systeem. Uiterlijk twaalf maanden na het in gebruik nemen van de installaties moet dit systeem volledig operationeel zijn.

    • 2.5.3

      Een overzicht van de wijzigingen, die zijn doorgevoerd in het in voorschrift 2.5.2 bedoelde systeem, moet op verzoek kunnen worden getoond aan Gedeputeerde Staten.

    • 2.5.4

      Bij onderhouds- en reparatiewerkzaamheden moeten voorzorgsmaatregelen worden genomen om nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen.

  • 2.6

    Milieubeheersysteem

    • 2.6.1

      Binnen 4 maanden na het onherroepelijk worden van de vergunning moet vergunninghouder een milieubeheersysteem ter goedkeuring aan het bevoegd gezag hebben overgelegd.

    • 2.6.2

      Het milieubeheersysteem bevat de volgende onderdelen:

      Beleid

      • a.

        de milieustrategie;

      • b.

        het milieuplan;

    • Bedrijfsprocessen

      • c.

        procedures voor het doorvoeren van wijzigingen in processen;

      • d.

        procedures voor het evalueren van het managementsysteem;

      • e.

        procedures voor het monitoren milieuaspecten afvalwater en luchtemissies;

      • f.

        procedures voor het wijzigen van installaties;

    • Per procedure

      • g.

        taken en verantwoordelijkheden/bevoegdheden;

      • h.

        werkinstructies.

    • 2.6.3

      Het in voorschrift 2.6.1 bedoelde verzoek om goedkeuring moet schriftelijk worden gericht aan de FUMO, J.W. de Visserwei 10, 9001 ZE, GROU of info@fumo.nl.

    • 2.6.4

      Binnen 6 maanden na goedkeuring van het in voorschrift 2.6.1. genoemde milieubeheersysteem moet vergunninghouder het goedgekeurde milieubeheersysteem hebben geïmplementeerd.

  • 2.7

    Bedrijfsbeëindiging

    • 2.7.1

      Bij het geheel of gedeeltelijk beëindigen van de activiteiten binnen de inrichting moeten alle aanwezige afvalstoffen, die uitsluitend aanwezig zijn vanwege de – te beëindigen - activiteiten, door of namens vergunninghouder op milieuhygiënisch verantwoorde wijze in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd.

    • 2.7.2

      Van het structureel buiten werking stellen van (delen van) installaties en/of beëindigen van (een van de) activiteiten moet het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk op de hoogte worden gesteld. Installaties of delen van installaties die structureel buiten werking zijn gesteld en nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, moeten in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd tenzij de (delen van de) installaties in een zodanige staat van onderhoud worden gehouden dat de nadelige gevolgen niet kunnen optreden.

  • 2.8

    Proefnemingen

    • 2.8.1

      Vergunninghouder mag – mits hiervoor vooraf schriftelijk goedkeuring is verleend door het bevoegd gezag en bij wijze van proef - andere dan in deze vergunning opgenomen technische installaties en/of alternatieve grond-, hulp-, of brandstoffen toepassen dan wel andere afvalstoffen verwerken. Goedkeuring wordt slechts verleend indien de proefneming noodzakelijk is om informatie te vergaren over de technische haalbaarheid van de andere toepassing en deze informatie niet op een andere wijze kan worden verkregen.

    • 2.8.2

      Voordat goedkeuring kan worden verleend voor een proef, moeten minimaal zes weken voor aanvang van de proef de volgende gegevens schriftelijk aan het bevoegd gezag worden verstrekt:

      • a.

        het doel en de noodzaak van de proefneming;

      • b.

        een beschrijving van de alternatieve stof of van de alternatieve techniek of het alternatieve proces, met vermelding van de capaciteit inclusief eventuele wijzigingen in installaties en procesvoeringen;

      • c.

        de te verwachten wijziging in emissies en verbruiken, aangegeven met behulp van massabalansen en de verwachte wijziging in gevolgen voor het milieu;

      • d.

        de wijze waarop tijdens de proefneming processen en emissies, gevolgen voor het milieu en de verbruiken zullen worden beheerd en geregistreerd;

      • e.

        de hoeveelheid in te zetten materiaal;

      • f.

        de duur van de proef.

    • 2.8.3

      Het bevoegd gezag kan naar aanleiding van een onderzoeksopzet goedkeuring onthouden dan wel nadere eisen stellen aan de proefneming. Deze nadere eisen kunnen een beperking van duur of een beperking van de bij de proefnemingen te verwerken hoeveelheid materiaal betekenen. Tevens kunnen nadere eisen gesteld worden aan de milieu hygiënische randvoorwaarden van de proefnemingen.

    • 2.8.4

      De proefneming mag uitsluitend worden uitgevoerd binnen de aan de goedkeuring verbonden voorwaarden. Zodra blijkt dat deze randvoorwaarden niet in acht genomen (kunnen) worden of dat de gevolgen voor het milieu groter zijn dan voorzien, moet de proef onmiddellijk gestopt worden.

    • 2.8.5

      De resultaten van de proefneming moeten uiterlijk drie maanden na beëindiging van de proefneming aan het bevoegd gezag worden overgelegd.

  • 2.9

    Ongewoon voorval

    • 2.9.1

      Een ongewoon voorval als bedoeld in hoofdstuk 17 van de Wet milieubeheer moet zo spoedig mogelijk telefonisch worden gemeld aan het milieualarmnummer 058 – 212 24 22. In aanvulling op het bepaalde in artikel 17.2 van de Wet milieubeheer dient de vergunninghouder deze mededeling onverwijld te bevestigen via het digitale meldingsfomulier ongewone voorvallen van de FUMO: https://www.fumo.nl/contact/melding-ongewone-voorvallen.html.

 

3 AFVALSTOFFEN

  • 3.1

    Afvalscheiding

    • 3.1.1

      Vergunninghouder is verplicht de volgende afvalstromen die vrijkomen binnen het bedrijf te scheiden, gescheiden te houden en gescheiden aan te bieden dan wel zelf af te voeren:

      • a.

        papier en karton;

      • b.

        glas;

      • c.

        elektrische en elektronische apparatuur;

      • d.

        kunststoffolie;

      • e.

        gevaarlijk afval;

      • f.

        textiel;

      • g.

        groenafval.

    • 3.12

      Gescheiden papier en karton moet zodanig worden opgeslagen dat het niet in contact komt met (hemel)water en/of andere waterige stromen.

    • 3.1.3

      Gebruikte poetsdoeken, absorptiematerialen en overige gevaarlijke afvalstoffen die vrijkomen bij onderhoudswerkzaamheden en bij het verwijderen van gemorste dieselolie, smeerolie en hydraulische olie, moeten worden bewaard in vloeistofdichte en afgesloten emballage die bestand is tegen inwerking van de betreffende afvalstoffen.

  • 3.2

    Opslag van afvalstoffen

    • 3.2.1

      De op- en overslag en het transport van afvalstoffen moeten zodanig plaatsvinden dat zich geen afval in of buiten de inrichting kan verspreiden. Mocht onverhoopt toch verontreiniging buiten de inrichting plaatsvinden, dan moeten direct maatregelen worden getroffen om deze verontreiniging te verwijderen.

    • 3.2.2

      De verpakking van gevaarlijk afval moet zodanig zijn, dat:

      • a.

        niets van de inhoud uit de verpakking kan ontsnappen;

      • b.

        het materiaal van de verpakking niet door gevaarlijke stoffen kan worden aangetast, dan wel met die gevaarlijke stoffen een reactie kan aangaan dan wel een verbinding kan vormen;

      • c.

        deze tegen normale behandeling bestand is;

      • d.

        deze is voorzien van een etiket, waarop de gevaar aspecten van de gevaarlijke stof duidelijk tot uiting komen.

    • 3.2.3

      Afvalstoffen moeten zodanig gescheiden van elkaar worden opgeslagen dat de verschillende soorten afvalstoffen ten opzichte van elkaar geen reactiviteit kunnen veroorzaken.

    • 3.2.4

      De termijn van opslag van afvalstoffen mag maximaal één jaar bedragen. In afwijking hiervan mag de termijn van opslag van afvalstoffen maximaal drie jaar bedragen indien de vergunninghouder aan het bevoegd gezag heeft aangetoond dat de opslag van afvalstoffen gevolgd wordt door nuttige toepassing van afvalstoffen.

  • 3.3

     

3.3 Acceptatie van afvalstoffen

  • 3.3.1

    In de inrichting mogen de hieronder vermelde afvalstoffen per kalenderjaar worden geaccepteerd en mogen op enig moment niet meer afvalstoffen worden opgeslagen dan in de onderstaande tabel aangegeven.

Gebruikelijke benaming afvalstof

Eural-codes

Max. opslag (in ton)

Max. te accepteren per jaar (in ton)

Gemengd bouw- en sloopafval en gemengde fracties

17.04.11, 17.09.04, 19.12.12.

10.000

50.000

metalen

02.01.10, 12.01.01, 12.01.03, 16.01.06, 16.01.17, 16.01.18, 19.10.01, 19.10.02, 19.12.02, 19.12.03, 20.01.40, 17.04.01, 17.04.02, 17.04.03, 17.04.04, 17.04.05, 17.04.06, 17.04.07.

45.000

300.000

verpakkingen

15.01.02, 15.01.04, 15.01.05, 15.01.06.

10.000

100.000

Batterijen en accu’s

20.01.33*, 20.01.04, 16.06.01*,16.06.02*,16.06.03*,16.06.04, 16.06.05.

20 (waarvan maximaal 500 kg lithium)

400

Kunststof en rubber

19.12.04, 17.02.03, 20.01.39.

10.000

50.000

AVI-bodemas

19.01.02, 10.09.03.

10.000

50.000

Steenachtig materiaal

17.01.01, 19.12.09, 20.03.07.

10.000

50.000

totaal

50.000

340.000

Toelichting tabel:

In het kader van de bedrijfsactiviteiten bedraagt de maximale jaarlijkse doorzet 340.000 ton aan afval en bouwstoffen. In de tabel is per soort afvalstof aangegeven hoeveel totaal per soort binnen de inrichting verwerkt kan worden. Daarbij wordt de maximale jaarlijkse doorzet van 340.000 ton niet overschreden. De hoeveelheden verschillende (afval)stromen zijn communicerende vaten. De maximale opslag binnen de inrichting aan afvalstoffen op enig moment bedraagt 50.000 ton.

  • 3.3.2

    Tenzij de voorschriften in deze vergunning anders bepalen moet de vergunninghouder altijd handelen overeenkomstig het bij de aanvraag gevoegde A&V-beleid en de AO/IC inclusief (voorzover van toepassing) de goedgekeurde aanvullingen en de toegezonden wijzigingen.

  • 3.3.3

    Het A&V-beleid en de AO/IC en de doorgevoerde wijzigingen moeten gedurende de openingstijden van de inrichting voor het bevoegd gezag ter inzage liggen.

  • 3.3.4

    Wijzigingen van de procedure voor acceptatie, be- en verwerking, registratie of controle moeten, ter bepaling van de procedure die in relatie tot de aard van de wijziging is vereist, schriftelijk aan het bevoegd gezag worden voorgelegd. In het voornemen tot wijziging moet het volgende aangegeven worden:

    • a.

      de reden tot wijziging;

    • b.

      de aard van de wijziging;

    • c.

      de gevolgen van de wijziging voor andere onderdelen van het A&V-beleid en de AO/IC;

    • d.

      de datum waarop vergunninghouder de wijziging wil invoeren.

Pas na beoordeling/goedkeuring van het bevoegd gezag mag de wijziging doorgevoerd worden.

 

3.4 Bedrijfsvoering

  • 3.4.1

    Binnen de inrichting mogen per kalenderjaar niet meer dan de hieronder in de tabel aangegeven hoeveelheden afvalstoffen worden verwerkt.

Gebruikelijke benaming afvalstof

Eural-codes

Max. te verwerken per jaar (in ton)

Gemengd bouw- en sloopafval en gemengde fracties

17.04.11, 17.09.04, 19.12.12.

50.000

metalen

02.01.10, 12.01.01, 12.01.03, 16.01.06, 16.01.17, 16.01.18, 19.10.01, 19.10.02, 19.12.02, 19.12.03, 20.01.40, 17.04.01, 17.04.02, 17.04.03, 17.04.04, 17.04.05, 17.04.06, 17.04.07.

300.000

verpakkingen

15.01.02, 15.01.04, 15.01.05, 15.01.06.

100.000

Batterijen en accu’s

20.01.33*, 20.01.04, 16.06.01*,16.06.02*,16.06.03*,16.06.04, 16.06.05.

400

Kunststof en rubber

19.12.04, 17.02.03, 20.01.39.

50.000

AVI- bodemas

19.01.02, 10.09.03.

50.000

Steenachtig materiaal

17.01.01, 19.12.09, 20.03.07.

50.000

totaal

340.000

Toelichting tabel

In de tabel is per soort afvalstof aangegeven hoeveel totaal per soort afval binnen de inrichting verwerkt kan worden. De maximale jaarlijkse verwerking van alle afvalstoffen in totaal per jaar van 340.000 ton zal niet worden overschreden.

  • 3.4.2

    Indien de afzet van de opgeslagen afvalstoffen stagneert, geeft de vergunninghouder dit onverwijld schriftelijk te kennen aan het bevoegd gezag. Deze mededeling bevat ten minste gegevens over de oorzaak van de stagnatie en de verwachte tijdsduur, alsmede de maatregelen die worden genomen om de stagnatie op te heffen, respectievelijk in de toekomst te voorkomen.

3.5 Sturingsvoorschrift

  • 3.5.1

    Alle afvalstoffen binnen de inrichting dienen te worden afgegeven aan een erkende verwerker die de afvalstoffen conform de minimumstandaarden zoals beschreven in de sectorplannen 11, 12, 13, 20, 28, 29 en 41 van het LAP kan verwerken.

  • 3.5.2

    Gemengd bouw- en sloopafval moet ten minste in de volgende fracties (voor zover aanwezig) gescheiden worden:

    • a.

      als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen in de afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst, voor zover deze stoffen niet in de onderdelen b tot en met j van dit lid zijn opgenomen;

    • b.

      teerhoudende dakbedekking, al dan niet met dakbeschot;

    • c.

      teerhoudend asfalt;

    • d.

      bitumineuze dakbedekking, al dan niet met dakbeschot;

    • e.

      niet-teerhoudend asfalt;

    • f.

      vlakglas, al dan niet met kozijn;

    • g.

      gipsblokken en gipsplaatmateriaal;

    • h.

      dakgrind;

    • i.

      armaturen;

    • j.

      gasontladingslampen;

    • k.

      steenachtig materiaal;

    • l.

      hout, inclusief verpakkingshout (gescheiden in a-/b-hout, c-hout);

    • m.

      kunststof;

    • n.

      metaal;

    • o.

      zeefzand.

  • 3.5.3

    Indien vergunninghouder niet alle fracties zoals genoemd in vorig voorschrift kan uitsorteren, moet de overgebleven afvalstroom afgevoerd worden naar een inrichting waar de nog niet verwijderde fracties alsnog uitgesorteerd worden. Dit moet blijken uit een schriftelijke overeenkomst met de betreffende vergunninghouder.

  • 3.5.4

    Het uitsorteren van gemengd bouw- en sloopafval moet plaatsvinden tot het moment dat verdere verwerking gezien de aard en/of samenstelling niet meer mogelijk is, of waarvoor de kosten voor verdere sortering hoger zijn dan in sectorplan 28 opgenomen.

  • 3.5.5

    Het resulterende sorteerresidu moet nog minimaal verbrand kunnen worden in een AVI.

3.6 Specifieke voorschriften ten behoeve van een doelmatige verwerking

  • 3.6.1

    Gescheiden papier en karton moet zodanig worden opgeslagen dat het niet in contact komt met (hemel)water en/of andere waterige stromen.

3.7 Registratie

  • 3.7.1

    In de inrichting moet een registratiesysteem aanwezig zijn, waarin van alle aangevoerde afvalstoffen het volgende moet worden vermeld:

    • a.

      de datum van aanvoer;

    • b.

      de aangevoerde hoeveelheid (kg);

    • c.

      de naam en adres van de locatie van herkomst;

    • d.

      de naam en adres van de ontdoener;

    • e.

      de gebruikelijke benaming van de afvalstoffen;

    • f.

      de euralcode;

    • g.

      het afvalstroomnummer (indien van toepassing).

Ad c Indien de aangevoerde afvalstoffen worden verkregen door route-inzameling, kan bij de registratie van naam en adres van de locatie van herkomst worden volstaan met "diverse locaties".

Indien de afvalstoffen worden aangevoerd door een inzamelaar (niet zijnde de vergunninghouder) met toepassing van de inzamelaarsregeling, moet de locatie van herkomst worden aangegeven zoals deze moet worden vermeld op de begeleidingsbrief.

Ad d Indien de aangevoerde afvalstoffen worden verkregen door route-inzameling of via de inzamelaarsregeling, wordt met de ontdoener de inzamelaar bedoeld.

  • 3.7.2

    In de inrichting moet van alle aangevoerde hulpstoffen die bij de verwerking van afvalstoffen worden gebruikt het volgende worden geregistreerd:

    • a.

      benaming hulpstof;

    • b.

      de datum van aanvoer;

    • c.

      de aangevoerde hoeveelheid;

    • d.

      de naam en adres van de leverancier.

  • 3.7.3

    In de inrichting moet eveneens een registratiesysteem aanwezig zijn, waarin van alle afgevoerde afvalstoffen, (grond)stoffen of producten die bij de verwerking zijn ontstaan het volgende moet worden vermeld:

    • a.

      de datum van afvoer;

    • b.

      de afgevoerde hoeveelheid (kg);

    • c.

      de afvoerbestemming;

    • d.

      de naam en adres van de afnemer;

    • e.

      de gebruikelijke benaming van de (afval)stoffen;

    • f.

      de euralcode (indien van toepassing);

    • g.

      het afvalstroomnummer (indien van toepassing).

  • 3.7.4

    Van de reeds ingewogen afvalstoffen die op grond van een acceptatievoorschrift van deze vergunning niet mogen worden geaccepteerd moet een registratie bijgehouden worden waarin staat vermeld:

    • a.

      de datum van aanvoer;

    • b.

      de aangeboden hoeveelheid (kg);

    • c.

      de naam en adres van plaats herkomst

    • d.

      de reden waarom de afvalstoffen niet mogen worden geaccepteerd;

    • e.

      de euralcode;

    • f.

      het afvalstroomnummer (indien van toepassing);

    • g.

      de datum van afvoer;

    • h.

      de naam en adres van plaats afvoer.

  • 3.7.5

    Ten behoeve van de registratie als bedoeld in dit hoofdstuk moet een registratiepost aanwezig zijn. De hoeveelheden die op grond van dit hoofdstuk moeten worden geregistreerd moeten worden bepaald door middel van een binnen de inrichting aanwezige weegvoorziening. De weegvoorziening(en) waarvan gebruik wordt gemaakt moet(en) overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften van het Nederlands Meetinstituut zijn geijkt. Op aanvraag moeten geldige certificaten van weegvoorziening(en) aan het bevoegd gezag ter inzage worden gegeven.

  • 3.7.6

    Er moet een sluitend verband bestaan tussen de (afval)stoffenregistratie als bedoeld in dit hoofdstuk en de financiële administratie.

  • 3.7.7

    Binnen één maand na ieder kalenderkwartaal moet ter afsluiting van dit kalenderkwartaal een inventarisatie plaatsvinden van de in de inrichting op de laatste dag van het kwartaal aanwezige voorraad afvalstoffen. Deze gegevens moeten in een rapportage worden vastgelegd. Op verzoek moet deze rapportage aansluitend worden verzonden aan het bevoegd gezag. In de rapportage moet het volgende worden geregistreerd:

    • a.

      een omschrijving van de aard, de samenstelling en euralcode van de opgeslagen (afval)stoffen;

    • b.

      de opgeslagen hoeveelheid (omgerekend naar kg) per soort (afval)stof;

    • c.

      de datum, waarop de inventarisatie is uitgevoerd.

Verschillen tussen deze fysieke voorraad en de administratieve voorraad (op basis van geregistreerde gegevens) moeten in deze rapportage worden verklaard.

  • 3.7.8

    Uiterlijk 1 april van elk kalenderjaar moet een sluitende massabalans over het voorgaande jaar aan het bevoegd gezag worden gezonden. In deze balans moet duidelijk onderscheid worden gemaakt naar de aard van de stoffen. De balans moet het volgende bevatten:

    • a.

      de voorraad grondstoffen en afvalstoffen aan het begin en aan het einde van het voorafgaande jaar;

    • b.

      de ontvangen hoeveelheden grondstoffen en afvalstoffen in dat jaar;

    • c.

      de verwerkte hoeveelheden grondstoffen en afvalstoffen in dat jaar;

    • d.

      de afgevoerde hoeveelheden afvalstoffen en deelstromen en eindproducten (inclusief vermelding van bestemming);

    • e.

      een verklaring van de verschillen in de massabalans.

  • 3.7.9

    De op grond van voorschrift 3.7.1. tot en met 3.7.4 te registreren gegevens moeten dagelijks worden bijgehouden en samen met de in het vorige voorschrift genoemde rapportage gedurende ten minste vijf jaar binnen de inrichting worden bewaard en aan de daartoe bevoegde personen op aanvraag ter inzage worden gegeven.

 

3.8 Zeer zorgwekkende stoffen (ZZS)

  • 3.8.1

    Binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van deze vergunning moet een plan van aanpak zijn opgesteld. In het plan van aanpak moet door vergunninghouder zijn uitgewerkt hoe op continue basis wordt gestreefd naar een zo goed mogelijk inzicht in de samenstelling van ZZS-bevattende afvalstoffen. In het plan van aanpak moeten minimaal de volgende onderzoeksvragen per relevante ZZS-houdende afvalstroom worden beantwoord en gemotiveerd:

    • a.

      Welke informatie wordt waar en met welke frequentie opgevraagd?

    • b.

      Worden er analyses uitgevoerd en zo ja welke, door wie en overeenkomstig welke normering?

    • c.

      Hoe en hoe vaak wordt gecontroleerd of de informatie nog actueel is?

    • d.

      Welke informatie kan niet in beeld worden gebracht, wat zijn daar de oorzaken van en welke actie onderneemt vergunninghouder daarop?

  • 3.8.2

    Ieder kalenderjaar, voor het verstrijken van het eerste kwartaal, moet vergunninghouder over de uitkomsten van het plan van aanpak als bedoeld in voorschrift 3.8.1 een rapportage opstellen en deze voor het verstrijken van de vierde kalendermaand ter inzage gereed hebben voor het bevoegd gezag. In de rapportage moet blijk worden gegeven van de realisatie van de doelstelling tot continue verbetering van het inzicht in de ZZS-samenstelling van mogelijk ZZS-houdende categorieën afvalstoffen per afvalstroom, die binnen de inrichting worden geaccepteerd.

  • 3.8.3

    Indien het technisch en economisch mogelijk is (al dan niet door derden) om de in een geaccepteerde partij afvalstoffen aanwezige ZZS hieruit te vernietigen of af te scheiden en de afvalstof dan zonder ZZS of met een heel laag gehalte ervan alsnog voor recycling of nuttige toepassing in te zetten, is het mengen van deze ZZS-houdende partij afvalstoffen zonder deze reinigingsstap (al dan niet door derden) niet toegestaan.

  • 3.8.4

    Indien op enig moment strijdigheid ontstaat met datgene is vermeld in de voorschrift 3.8.3, neemt vergunninghouder zodanige maatregelen dat deze strijdigheid wordt opgeheven. Bij de evaluatie van het A&V-beleid moet hiermee rekening worden gehouden.

4 AFVALWATER 

Algemeen

4.1.1 Bedrijfsafvalwater mag uitsluitend in een openbaar vuilwaterriool worden gebracht, als door de samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid ervan:

  • -

    de doelmatige werking niet wordt belemmerd van een openbaar vuilwaterriool of de bij een zodanig openbaar vuilwaterriool of zuivering technisch werk behorende apparatuur;

  • -

    de verwerking niet wordt belemmerd van slib, verwijderd uit een openbaar vuilwaterriool of een zuivering technisch werk;

  • -

    de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van een oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk worden beperkt.

Voorlopige lozingseisen

4.1.2 Het hemelwater afkomstig van de bodembeschermende voorzieningen als bedoeld in voorschrift 4.1.1 mag alleen worden geloosd als ter plaatse van de inspectieput, als bedoeld in voorschrift 4.1.3, de in de onderstaande tabel genoemde lozingseisen niet worden overschreden:

Parameter

Maximaal gehalte in een etmaalmonster

Eenheid

Kwik

5

µg/l

Cadmium

0,1

mg/l

Arseen

0,05

mg/l

Chroom

0,15

mg/l

Koper

0,5

mg/l

Lood

0,3

mg/l

Nikkel

0,5

mg/l

Zink

1,0

mg/l

Minerale olie

10

mg/l

Voorziening voor bemonstering

4.1.3 Het te lozen hemelwater afkomstig van bodembeschermende voorzieningen dient te allen tijde te kunnen worden onderworpen aan bemonstering. Daartoe dient deze afvalwaterstroom via een doelmatig functionerende inspectieput te worden geleid.

4.1.4 De in voorschrift 4.1.3 bedoelde inspectieput dient zodanig te worden/zijn geplaatst dat deze voor inspectie goed bereikbaar en toegankelijk is.

Controle

4.1.5 Het te lozen hemelwater afkomstig van de bodembeschermende voorzieningen dient ter plaatse van de inspectieput door of vanwege de vergunninghouder te worden bemonsterd (steekmonster) en te worden geanalyseerd door een erkend laboratorium. De analyse, die uitgevoerd wordt in een steekmonster, betreft de concentratie van de volgende parameters en moet volgens de aangegeven frequentie worden bemonsterd.

Parameter

Eenheid

Monitoringsfrequentie

Analysemethode

CZV

mg/l

1 x per maand

NEN 6633

Kwik

µg/l

1 x per maand

NEN-EN-ISO 12846

Cadmium

mg/l

1 x per maand

NEN-EN-ISO 17294-2

Arseen

mg/l

1 x per maand

Chroom

mg/l

1 x per maand

Koper

mg/l

1 x per maand

Lood

mg/l

1 x per maand

Nikkel

mg/l

1 x per maand

Zink

mg/l

1 x per maand

Minerale olie

mg/l

1 x per maand

NEN-EN-ISO 9377-2

PFOA

1 x per zes maanden

PFOS

1 x per zes maanden

4.1.6 De in voorschrift 4.1.5 genoemde parameters dienen te worden bepaald volgens de meest recente editie van de analysemethoden zoals genoemd in de laatste kolom van de tabel in voorschrift 4.1.5.

4.1.7 De monsterneming en conservering van de in voorschrift 4.1.5 genoemde parameters dienen te worden uitgevoerd conform de volgende methoden:

Monsterneming

NEN 6600-1

Conservering

NEN-EN-ISO 5667-3

4.1.8 Het te lozen hemelwater afkomstig van de bodembeschermende voorzieningen moet ter plaatse van de inspectieput overeenkomstig de frequentie aangegeven in voorschrift 4.1.5 gemeten en bemonsterd worden.

4.1.9 De meet- en analyseresultaten met betrekking tot het in voorschrift 4.1.5 bedoelde afvalwateronderzoek dienen binnen 6 weken na afloop van de monstername te worden gerapporteerd aan het bevoegd gezag.

4.1.10 Indien uit de onderzoeksresultaten blijkt dat met een lagere onderzoeksfrequentie of met een geringer aantal parameters of stoffen kan worden volstaan, kan het bevoegd gezag op een daartoe strekkend schriftelijk verzoek besluiten.

Algemene beoordelingsmethodiek

4.1.11 Indien de vergunninghouder voornemens is om stoffen en mengsels te gaan gebruiken die niet in de aanvraag zijn vermeld en die mogelijkerwijs in het afvalwater kunnen geraken, dan toetst de vergunninghouder deze stoffen volgens de algemene beoordelingsmethodiek (ABM) zoals bedoeld in de overwegingen.

4.1.12 De in voorschrift 4.1.11 bedoelde stoffen en mengsels mogen zonder toestemming vooraf worden geloosd wanneer dit volgens de ABM is toegestaan (saneringsinspanning C). Van deze stoffen en mengsels moet jaarlijks, voor 1 april, een overzicht van deze milieugegevens alsmede het resultaat van de beoordeling volgens de ABM worden toegezonden aan het bevoegd gezag.

4.1.13 Wanneer een stof of mengsel niet aan de voorwaarden voldoet om zonder toestemming vooraf te mogen worden geloosd (saneringsinspanning Z, A of B), kan worden verzocht om de stof/mengsel te toetsen. Een verzoek daartoe dient minimaal een maand voorafgaand aan het gebruik van de stof/mengsel te worden gericht aan het bevoegd gezag.

4.1.14 Na elke periode van vijf jaar (ingaande op de dag van het onherroepelijk worden van deze vergunning) moet inzicht worden gegeven in de verdergaande emissiereductie van ZZS binnen de inrichting. De rapportage dient onder andere informatie te verschaffen over:

  • -

    de mate waarin ZZS vanuit de inrichting worden geloosd;

  • -

    ondernomen acties en resultaten in de voorgaande periode van 5 jaar;

  • -

    de mogelijkheden om de emissie van ZZS te voorkomen danwel te beperken;

  • -

    de wereldwijde ontwikkeling van nieuwere technieken.

4.1.15 De rapportage-opzet dient ter beoordeling te worden overgelegd aan het bevoegd gezag.

Debiet afvalwater op de riolering

4.1.16 Het maximale debiet aan afvalwater op de gemeentelijke riolering mag 3,5 kuub per uur bedragen.

4.1.17 Binnen drie maanden na het onherroepelijk worden van deze vergunning dient een beschrijving te worden voorgelegd aan het bevoegd gezag of het al dan niet noodzakelijk is om een buffer voor afvalwater te realiseren zoals bedoeld in BBT 19 onder i van de BREF afvalbehandeling. In deze beschrijving dient onderbouwd te worden of een buffer al dan niet noodzakelijk is en, indien een buffer noodzakelijk is, hoe groot deze dan zou moeten zijn. Mogelijk is deze buffer noodzakelijk om pieken in het aanbod van afvalwater op te vangen (door bijvoorbeeld hevige regenval), gezien de beperkte capaciteit van de riolering zoals bedoeld in voorschrift 4.1.16.

4.1.18 Indien blijkt dat een buffer zoals bedoeld in voorschrift 4.1.17 noodzakelijk is, moet deze binnen 6 maanden na het onherroepelijk worden van deze vergunning worden gerealiseerd.

5 BRANDBESTRIJDING 

5.1 Bereikbaarheid

5.1.1 Alle brandblusmiddelen, brandbestrijdings- en brandveiligheidssystemen moeten steeds:

  • a.

    voor onmiddellijk gebruik gereed zijn;

  • b.

    goed bereikbaar zijn;

  • c.

    als zodanig herkenbaar zijn.

5.1.2 Het terrein en het wegstelsel moeten zodanig zijn ingericht en de toegankelijkheid moet zodanig zijn bewaakt, dat elk deel van de inrichting te allen tijde vanuit ten minste twee richtingen is te bereiken.

5.2 Brandbestrijding 

5.2.1 Procesapparatuur, opslagtanks, leidingen en leidingondersteuningen met gevaarlijke stoffen die zich aan een terreingedeelte bevinden waar gemotoriseerd verkeer kan plaatsvinden, moeten afdoende zijn beschermd door een vangrail of een gelijkwaardige constructie.

5.2.2 In de inrichting mag, behoudens in de daarvoor ingerichte installaties of in de daarvoor ingerichte ruimten, geen open vuur aanwezig zijn en mag niet worden gerookt. Deze bepaling voor wat betreft open vuur is niet van toepassing indien werkzaamheden moeten worden verricht waarbij open vuur noodzakelijk is. Vergunninghouder moet zich er van hebben overtuigd dat deze werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd zonder gevaar. Op een centrale plaats voor de uitgave van (werk-)vergunningen en ter plaatse moet een schriftelijk bewijs aanwezig zijn dat bedoelde werkzaamheden zijn toegestaan.

5.2.3 Het rook- en vuurverbod moet op duidelijke wijze kenbaar zijn gemaakt door middel van opschriften in de Nederlandse en Engelse taal of door middel van een symbool overeenkomstig de NEN 3011. Deze opschriften of symbolen moeten nabij de toegang(en) van het terrein van de inrichting zijn aangebracht. Zij moeten goed leesbaar c.q. zichtbaar zijn.

5.2.4 Binnen het bedrijf moet (op afroep) een kraan beschikbaar zijn om het afval uit elkaar te trekken bij eventuele calamiteiten.

5.3 Brandveiligheidsplan

5.3.1 Binnen 3 maanden na het onherroepelijk worden van deze vergunning legt vergunninghouder een brandveiligheidsplan over waarin minimaal de volgende informatie is opgenomen:

  • -

    Plattegrondtekening met weergave van:

    • gebouwen en installaties met hun functies

    • wegen en rijroutes;

    • locaties met gevaarlijke stoffen

    • opslagen afvalstoffen en vakindeling

    • alle opslagen van gevaarlijke stoffen met vermelding van de aard van de stof overeenkomstig de ADR/CLP classificatie-indeling en de maximale hoeveelheden.

    • maximale opslaghoogte (zowel bij brandgevaarlijke als niet brandgevaarlijke afvalstoffen) in combinatie met de hoogte en WBDBO van aanwezige brandwerende voorzieningen

    • opslag brandstoffen

    • permanente ontstekingsbronnen en afstanden tot brandbare (afval)stoffen – minimaal 6 meter afstand

    • locaties waar afvalstoffen (brandbare en niet brandbare) worden behandeld

    • sorteerlocaties

    • locaties waar afvalstoffen (brandbare en niet brandbare) worden opgeslagen

    • locaties waar afvalstoffen worden geshredderd, in balen aanwezig zijn

    • toegangsroutes overheidsbrandweer en alternatieve routes

    • locatie brandkranen en aansluitingen bluswatervoorziening in directe omgeving

    • rioleringstekening en wijze afwatering incl. afsluiters bluswateropvangvoorzieningen en capaciteit

    • weergave brandmuren/bunkers/containers

  • -

    terreinafgrenzing en bewaking terrein binnen en buiten bedrijfstijden, wijze van camerabewaking, locatie camera’s, alarmering en opvolging;

  • -

    alle voorzienbare incidentscenario’s met binnen de inrichting aanwezige afvalstoffen;

  • -

    inspectie- en onderhoud vaste en mobiele installaties (verwijzen naar bedrijfsinterne documenten);

  • -

    locatie brandblusmiddelen en onderhoud brandbeveiligingsinstallaties;

  • -

    borging onderhoud elektrische installaties incl. recente inspectiecertificaten/rapporten, procedurele borging;

  • -

    beleid ten aanzien van open vuur/roken;

  • -

    beleid ten aanzien van het werk en vergunningen en brand(wacht)controle na afronding werkzaamheden;

  • -

    gebruik van heaters, borging onderhoud;

  • -

    te treffen maatregelen voor risicobeperking op brand van afvalstoffen met batterijen

  • -

    schoonmaakbeleid inrichting;

  • -

    procedures ter voorkoming van reacties tussen afvalstromen;

  • -

    procedures voor identificatie, isolatie, monitoring, koeling en bestrijding van afvalstoffen met een hoog risico op verontreinigingen met als gevolg broei/hot spots;

  • -

    wijze van controle op hot spots gedurende periodes van hitte;

  • -

    maatregelen en borging ter voorkoming van zelfontbranding afvalstoffen

    • opslagmanagement (maximale opslagtijd van alle afvalstoffen binnen terrein) en controle;

    • monitoring en controle afvaltemperatuur

    • opslagtijd PMD+ afval, controle en monitoring hoeveelheden, preventieve maatregelen ter voorkoming van broei/brand

    • maximale opslaggrootte bij opslag in vakken

  • -

    interne afstanden tussen alle opslagvakken, opslagcontainers, opslaggebouwen - minimumafstand 6 meter, bij afwijking hiervan benodigde onderbouwingen toevoegen;

  • -

    te realiseren repressieve maatregelen en voorzieningen incl. beschrijving en werking en gebaseerd op een blustijd van 4 uur;

  • -

    te realiseren bluswatervoorzieningen en bluswaternet incl. capaciteiten voor de levering van minimaal 3 uur;

  • -

    wijze van opvang bluswater (secundaire en tertiaire), opvangcapaciteiten incl. berekeningen;

  • -

    te treffen maatregelen ter voorkoming van verontreiniging van de bodem en grondwater

  • -

    alternatieven voor opslag (intern/extern) na een incident;

  • -

    opruimen locatie na incident en stappenplan voor het opstarten bedrijfsvoering.

5.2.2 Het in voorgaand voorschrift bedoelde brandveiligheidsplan behoeft de goedkeuring van het bevoegd gezag.

6 EXTERNE VEILIGHEID

6.1 Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen (PGS 15 opslagen) 

6.1.1 Op de opslag van gevaarlijke stoffen in verpakkingen zijn de volgende voorschriften van PGS 15:2016 van toepassing:

  • 3.1.1 t/m 3.1.5;

  • 3.2.1 t/m 3.2.13;

  • 3.3.1 t/m 3.3.4;

  • 3.4.1 t/m 3.4.11;

  • 3.5.1 t/m 3.5.3;

  • 3.6.1;

  • 3.7.1 t/m 3.7.8;

  • 3.10.1;

  • 3.11.1 t/m 3.11.3;

  • 3.12.1;

  • 3.13.1 t/m 3.13.3;

  • 3.14.1 t/m 3.14.2;

  • 3.15.1 en 3.15.2;

  • 3.16.1;

  • 3.17.1 t/m 3.17.3;

  • 3.18.1;

  • 3.19.1 en 3.19.2.

6.2 Opslag van gasflessen ADR-Klasse (PGS 15) 

6.2.1 Op de opslag van gasflessen zijn de volgende voorschriften van PGS 15:2016 van toepassing:

  • 6.1.1 t/m 6.1.3;

  • 6.2.1 t/m 6.2.2;

  • 6.2.5 t/m 6.2.19;

  • 6.3.1 t/m 6.3.6.

6.3 Opslag van Lithium batterijen (PGS 37-2) 

6.3.1 De opslag van in het afvalstadium geraakte lithium-batterijen mag maximaal 500 kg bedragen.

6.3.2 De opslag van in het afvalstadium geraakte lithium-batterijen moet plaats vinden in een hiervoor geschikte kluis of kast met een brandwerendheid van minimaal 90 minuten.

6.3.3 In een kast mag maximaal 333 kg lithiumhoudende energiedragers die na sortering zijn vrijgekomen worden opgeslagen.

6.3.4 De opslag van in het afvalstadium geraakte li-ion batterijen in een brandveiligheidskast moet voldoen aan de eisen en maatregelen van bijlage E.2 van PGS 37-2 (versie 1.0, december 2023) (versie 1.0, december 2023), met uitzondering van de maatregelen M17, M19 en M21.

6.3.5 De opslag van in het afvalstadium geraakte li-ion batterijen in een brandveiligheidskluis moet voldoen aan de eisen en maatregelen van bijlage E.3 van PGS 37-2 (versie 1.0, december 2023), met uitzondering van de maatregelen M17, M19, M21, M24, M32, M33, M34, M61, M62.

6.3.6 Een opslagvoorziening mag pas in gebruik worden genomen als vergunninghouder informatie aan het bevoegd gezag heeft overgelegd waaruit blijkt dat deze is geschikt voor de opslag van lithiumhoudende energiedragers, dat deze voldoet aan de eisen van bijlage E PGS 37-2 (versie 1.0, december 2023) en het bevoegd gezag hiermee heeft ingestemd. De betreffende informatie dient derhalve 4 weken voor ingebruikname van de opslagvoorziening ter goedkeuring te worden aangeboden aan het bevoegd gezag.

7 GELUID

7.1 Algemeen

7.1.1 Het meten en berekenen van de geluidsniveaus en het beoordelen van de meetresultaten moet plaatsvinden overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, uitgave 1999.

7.1.2 Binnen 3 maanden nadat de inrichting (gedeeltelijk) in overeenstemming met de vergunning in werking is gebracht, moet de vergunninghouder, door middel van een akoestisch onderzoek (controlerapportage), aan het bevoegd gezag aantonen dat aan de geluidsvoorschriften in de sub hoofdstukken 7.2 en 7.3 van deze vergunning wordt voldaan. De resultaten van dit akoestisch onderzoek moeten binnen deze termijn schriftelijk aan het bevoegd gezag worden gerapporteerd.

 

7.2 Representatieve bedrijfssituatie

7.2.1 Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan:

Beoordelingspunt en omschrijving

Rijksdriehoekcoördinaten

(x;y)

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau L ar ,LT in dB(A)

Dag

Avond

Nacht

07.00 -19.00 uur

19.00 -23.00 uur

23.00 -07.00 uur

hw29-Awoning L’weg 115

189215,47; 554705,91

47

35

32

hw31-Awoning L’weg 119

189097,74; 554873,86

48

36

33

hw32-Awoning L’weg 121D

189021,81; 554961,94

49

37

34

z04 zone

188087,54; 554284,69

43

33

30

z05 zone

188160,20; 554957,10

45

35

32

De ligging van de beoordelingspunten is aangegeven in de bijlage 1 “ligging beoordelings-punten geluid”. De beoordelingshoogte is 5 meter.

7.2.2 Het maximale geluidsniveau LAmax veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan:

Beoordelingspunt en omschrijving

Rijksdriehoekcoördinaten

(x;y)

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau L amax in dB(A)

Dag

Avond

Nacht

07.00 -19.00 uur

19.00 -23.00 uur

23.00 -07.00 uur

hw29-Awoning L’weg 115

189215,47; 554705,91

61

56

56

hw31-Awoning L’weg 119

189097,74; 554873,86

61

57

57

hw32-Awoning L’weg 121D

189021,81; 554961,94

62

57

57

De ligging van de beoordelingspunten is aangegeven in de bijlage “ligging beoordelings-punten geluid”. De beoordelingshoogte is 5 meter.

 

7.3 Incidentele bedrijfssituatie

7.3.1 Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan:

Beoordelingspunt en omschrijving

Rijksdriehoekcoördinaten

(x;y)

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau L ar ,LT in dB(A)

Dag

Avond

Nacht

07.00 -19.00 uur

19.00 -23.00 uur

23.00 -07.00 uur

hw29-Awoning L’weg 115

189215,47; 554705,91

48

47

32

hw31-Awoning L’weg 119

189097,74; 554873,86

50

44

33

hw32-Awoning L’weg 121D

189021,81; 554961,94

50

47

34

z04 zone

188087,54; 554284,69

46

38

30

z05 zone

188160,20; 554957,10

47

41

32

De ligging van de beoordelingspunten is aangegeven in de bijlage “ligging beoordelings-punten geluid”. De beoordelingshoogte is 5 meter.

7.3.2 Het maximale geluidsniveau LAmax veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan:

Beoordelingspunt en omschrijving

Rijksdriehoekcoördinaten

(x;y)

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau Lamax in dB(A)

Dag

Avond

Nacht

07.00 -19.00 uur

19.00 -23.00 uur

23.00 -07.00 uur

hw29-Awoning L’weg 115

189215,47; 554705,91

61

61

56

hw31-Awoning L’weg 119

189097,74; 554873,86

61

61

57

hw32-Awoning L’weg 121D

189021,81; 554961,94

62

62

57

De ligging van de beoordelingspunten is aangegeven in de bijlage “ligging beoordelings-punten geluid”. De beoordelingshoogte is 5 meter.

7.3.3 De incidentele bedrijfssituatie mag per jaar maximaal 12 keer plaatsvinden in een aaneengesloten periode van maximaal een etmaal.

7.3.4 Ten minste drie werkdagen voordat de activiteiten in de incidentele bedrijfssituatie worden uitgevoerd, moet dit aan het bevoegd gezag worden gemeld per email info@fumo.nl.

7.3.5 Van de incidentele bedrijfssituatie moet een logboek worden bijgehouden waarin wordt vermeld:

  • De datum waarop de activiteit(en) heeft/hebben plaatsgevonden.

  • De begin- en eindtijd van deze activiteit(en).

  • Eventuele bijzonderheden m.b.t. de geluidbelasting gedurende deze activiteit(en) zoals bijv. het in of buiten gebruik zijn van (andere) grote geluidsbronnen.

8 GEUR

8.1 Doelvoorschriften

8.1.1 De geuremissie van het na-scheidingsproces van PMD-afval (metaal- en kunststoffractie) naar de buitenlucht afgevoerde (gereinigde) lucht mag maximaal 46 x 106 Europese geureenheden (ouE) per uur bedragen.

8.1.2 De geuremissie in de buitenlucht van de opslag van de losgetrokken balen en fracties uit de shredder mag maximaal 4,3 x 106 Europese geureenheden (ouE) per uur bedragen.

8.2 Metingen en rapportage

8.2.1 Binnen zes maanden na ingebruikname van het na-scheidingsproces van PMD-afval moet vergunninghouder, door middel van geurmetingen en berekeningen conform de NTA 9065, aantonen dat de geuremissie(s) de in dit hoofdstuk opgenomen normen niet overschrijden.

8.2.2 Geuremissiemetingen moeten worden uitgevoerd volgens de NTA 9065 en de geldende norm (NEN-EN 13725). Verspreidingsberekeningen moeten worden uitgevoerd met het Nieuw Nationaal Model (NNM) en overeenkomstig de NTA 9065 en het NNM-handboek zijn. De resultaten van de metingen en berekeningen moeten worden gerapporteerd conform de NTA 9065 in Europese geureenheden (ouE). Het meetplan moet vooraf ter goedkeuring worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag moet vooraf in kennis gesteld worden om bij de geurmetingen aanwezig te kunnen zijn. Het onderzoek moet onder representatieve bedrijfsomstandigheden door een geaccrediteerde meetinstantie (monstername, analyse en debietmetingen) uitgevoerd worden. Resultaten van uitgevoerde onderzoeken moeten uiterlijk 2 maanden na uitvoering van het onderzoek aan het bevoegd gezag zijn gezonden.

8.2.3 Het bevoegd gezag kan, indien het redelijk vermoeden bestaat dat ten gevolge van de bij deze beschikking vergunde activiteiten niet wordt voldaan aan de gestelde emissiegrenswaarde, besluiten dat een rapport van een geuronderzoek wordt overgelegd. Een geuronderzoek wordt uitgevoerd overeenkomstig de NTA 9065.

8.2.4 Meetpunten moeten uitgevoerd zijn overeenkomstig NEN-EN 15259.

9 LADEN EN LOSSEN VAN SCHEPEN

9.1.1 Op de laad- en loskade mag tot 2 meter uit de kaderand of oever geen opslag van goederen plaatsvinden, tenzij er een deugdelijke vloeitsofdichte keerwand aanwezig is en er geen product tussen de keerwand en de kade of oever ligt.

9.1.2 Bij het laden en lossen van schepen dient het schoonmaken van grijpers zo uitgevoerd te worden dat overslagresten of spoelwater niet in het oppervlaktewater geraken.

9.1.3 Bij het laden en lossen van schepen met niet inerte goederen dient de afstand tussen de wal en het schip zo klein mogelijk te zijn, in ieder geval niet groter is dan 1 meter, of het schip, waarin of waaruit wordt overgeslagen, moet met de wal worden verbonden door een ponton of een morsklep.

 

10 LUCHT

10.1 Emissies van stoffen uit puntbronnen

10.1.1 De emissies uit de schredderinstallatie en de afzuig- en filterinstallatie van de bedrijfsloods mogen per puntbron de waarden uit onderstaande tabel niet overschrijden:

Bron

Nr. (puntbron)

Stof

Emissie-concentratie (mg/Nm3)*

Meetfrequentie

Shredder­installatie

(totaal) stof

3,0

eenmaal per 6 maanden

TVOS

10,0

eenmaal per 6 maanden

Dioxineachtige PCB's

0,05 ng TEQ/Nm3

eenmaal per jaar

metalen en metaloïden waaronder Ag, Al, As, Ba, Cd, Co, Cr, Cu, Mn, Ni, Pb, Sb, Se, Ti, V

0,05

eenmaal per jaar

PCDD’s/PCDF’s (dioxinen/furanen)

0,05 ng TEQ/Nm3

eenmaal per jaar

afzuig- en filterinstal­latie van de bedrijfs­loods

(totaal) stof

3,0

eenmaal per 6 maanden

metalen en metaloïden waaronder Ag, Al, As, Ba, Cd, Co, Cr, Cu, Mn, Ni, Pb, Sb, Se, Ti, V

0,05

eenmaal per jaar

*) in mg/Nm3, tenzij anders vermeld bij de in deze tabel opgenomen actuele normering.

10.1.2 De concentratie van de component genoemd in het voorgaande voorschrift moet conform de vermelde meetfrequentie of volgens de in het door het bevoegd gezag controleplan vastgestelde meetfrequentie worden vastgesteld. worden vastgesteld. Uiterlijk drie maanden na de meting worden de resultaten van de emissiemetingen en de ERP’s van de puntbronnen inclusief toetsing aan de geldende emissiegrenswaarden overgelegd aan het bevoegd gezag. De emissiemetingen moeten worden uitgevoerd met genormaliseerde meetmethoden zoals vermeld in bijlage “Metingen”.

10.1.3 Het uitvoeren van emissiemetingen geschiedt door een rechtspersoon die voor deze verrichtingen geaccrediteerd is door een accreditatie-instantie. Het bevoegd gezag wordt ten minste twee weken van tevoren op de hoogte gesteld van de periode waarin een emissiemeting zal worden uitgevoerd.

10.1.4 De concentratie van de componenten genoemd in het voorgaande voorschrift moet eenmaal per 6 maanden of volgens de in het door het bevoegd gezag goedgekeurde controleplan vastgestelde meetfrequentie worden vastgesteld. Uiterlijk drie maanden na de meting worden de resultaten van de emissiemetingen en de emissierelevante parameters (ERP’s) van de puntbronnen inclusief toetsing aan de geldende emissiegrenswaarden overgelegd aan het bevoegd gezag. De emissiemetingen moeten worden uitgevoerd met genormaliseerde meetmethoden zoals vermeld in bijlage “Metingen”.

10.1.5 De stofreducerende voorzieningen moeten voor de goede werking onder optimale condities in bedrijf worden gehouden en ten minste eens per half jaar of zo vaak als nodig is volgens het controleplan worden onderhouden en geïnspecteerd. Het filter of filtermateriaal in de voorziening moet zo vaak als voor een goede werking noodzakelijk is worden vervangen en gereinigd.

10.1.6 Voor borging van de goede werking van de toegepaste stofreducerende voorzieningen zijn instructies en procedures beschikbaar, die de uitvoering van inspectie en onderhoud van deze installaties beschrijven. Deze instructies en procedures zijn vastgelegd in het controleplan. Vergunninghouder moet binnen 6 maanden na het onherroepelijk worden van deze vergunning het controleplan ter goedkeuring indienen bij het bevoegd gezag. Het controleplan moet ten minste aangeven:

  • hoe het onderhoud wordt uitgevoerd (manier en frequentie) en hoe de controle (Emissie-relevante parameters (ERP’s) in relatie tot standtijd), het onderhoud en de vervanging worden geborgd;

  • hoe het onderhoud wordt geregistreerd (o.a. standtijd, ERP’s, storingen);

  • de actie bij het over- en onderschrijden van de vastgestelde grenswaarde voor de ERP;

  • hoe hiermee preventief onderhoud wordt bevorderd;

  • op welke wijze de emissie zo laag mogelijk wordt gehouden in gevallen dat de nageschakelde emissiebeperkende technieken worden gerepareerd, onderhouden of vervangen;

  • hoe de periodieke monitoring van de werking van bedoelde voorzieningen wordt uitgevoerd en geregistreerd (over- en onderschrijden van de vastgestelde grenswaarde voor de ERP’s);

  • welke meetfrequentie en meettechniek wordt toegepast (monitoring, zie BBT-conclusie 8 van de BREF Afvalbehandeling) om de werking van desbetreffende voorzieningen te controleren.

10.1.7 Relevante wijzigingen in het controleplan moeten schriftelijk ter goedkeuring aan het bevoegd gezag worden voorgelegd.

10.1.8 De vergunninghouder dient te handelen in overeenstemming met de instructies en procedures uit het controleplan waarvoor het bevoegd gezag op basis van voorschrift 10.1.6 schriftelijk goedkeuring heeft verleend.

10.1.9 Van het onderhoud en de inspectie moet verslag worden vastgelegd in een logboek, dat ter plaatse altijd voor het bevoegd gezag ter inzage beschikbaar moet zijn.

10.1.10 Het uitvoeren van emissiemetingen geschiedt door een rechtspersoon die voor deze verrichtingen geaccrediteerd is door een accreditatie-instantie. Het bevoegd gezag wordt ten minste twee weken van tevoren op de hoogte gesteld van de periode waarin een emissiemeting zal worden uitgevoerd.

10.2 Breken van bouw- en sloopafval

10.2.1 De (mobiele) breker dient voorzien te zijn van een vaste sproei-installatie. Tijdens het breken dient het bouw- en sloopafval en in samenstelling vergelijkbaar bedrijfsafval zodanig vochtig te zijn of te worden gehouden dat stuiven wordt voorkomen. Er mag hierbij geen afvalwater vrijkomen.

10.3 Diffuse stofemissies

10.3.1 Deze paragraaf is van toepassing op diffuse stofemissies van op- overslag, laden en lossen, transporteren en verwerking van niet-inerte vaste bulkgoederen en op diffuse stofemissies van de verwerking van inerte vaste bulkgoederen anders dan overslag, opslag, laden, lossen, transport, mengen en anders dan het zeven van zand.

Algemeen

10.3.2 Activiteiten binnen de inrichting moeten zodanige wijze plaatsvinden dat als gevolg daarvan op meer dan 2 meter vanaf de bron geen stofvorming visueel waarneembaar is.

Gesloten uitvoering (loods) 

10.3.3 Het opslaan en verwerken van afvalstoffen of goederen behorend tot stuifklasse S1/S3 moet in gesloten ruimtes plaatsvinden.

10.3.4 De opslag- en/of verwerkingshal van stuifgevoelige afvalstoffen of goederen moet voorzien zijn van een goed ontworpen ventilatie met voldoende capaciteit; de afgezogen lucht moet door een filtrerende afscheider wordt gevoerd. De ventilatie en filters moeten in goede staat van onderhoud verkeren, periodiek worden gecontroleerd en zo vaak als voor de goede werking nodig is worden schoongemaakt en vervangen.

10.3.5 Deuren van de opslag- en/of verwerkingshal van stuifgevoelige afvalstoffen of goederen mogen slechts kortstondig voor de aan- en afvoer van goederen open staan.

Gesloten uitvoering (containers) 

10.3.6 De opslag van afvalstoffen of goederen behorend tot stuifklasse S1/S3 vind in gesloten containers plaats.

Staken activiteit

10.3.7 Laden, lossen, transporteren moeten worden gestaakt indien de windsnelheid de bij de onderstaande stuifklasse genoemde waarde overschrijdt:

  • o

    stuifklasse S4 en S5 20 m/s; windkracht 8 / stormachtige wind.

10.3.8 Binnen de inrichting moet een goed werkende windsnelheidsmeter aanwezig zijn zodanig dat een representatieve en kwartiergemiddelde windsnelheid kan worden gemeten en afgelezen. De windsnelheid moet continu gemeten en geregistreerd worden. De geregistreerde gegevens moeten ten minste drie achtereenvolgende jaren binnen de inrichting bewaard worden en op verzoek van het bevoegd gezag aan hen worden toegezonden.

10.3.9 Als bij het laden, lossen, transporteren en bewerken van (afval)stoffen, ondanks alle getroffen maatregelen, niet wordt voldaan aan het gestelde in de voorschrift 10.3.2, moeten de werkzaamheden die hiervan de veroorzaker zijn direct worden gestaakt.

Transport

10.3.10 Transportafstanden binnen de inrichting moeten zo kort mogelijk worden gehouden om stofverspreiding te voorkomen.

10.3.11De verkeerssnelheid binnen de inrichting moet op een duidelijke wijze zijn beperkt tot 15 km/uur.

10.3.12 Verkeersbewegingen binnen de inrichting moeten plaatsvinden op de daartoe aangelegde verharde wegen.

10.3.13 Teneinde hinderlijke verspreiding van stof buiten de inrichting te voorkomen als gevolg van de transportactiviteiten, moet onmiddellijk kunnen worden voorzien in en - indien noodzakelijk - gebruik worden gemaakt van een veegmachine en/of sproeiwagen die, zo vaak als nodig is, het gedeelte van de inrichting waarop transportverkeer plaatsvindt schoon veegt en/of besproeit met water.

Transportbanden

10.3.14 Transport van materiaal binnen de shredderlijn moet zodanig plaatsvinden dat morsen en verstuiving tot een minimum wordt beperkt.

10.3.15 Omslagpunten van transportband naar transportband zijn zodanig ontworpen dat zo weinig mogelijk materiaal gemorst wordt.

10.3.16 Indien voor goederen met stuifklasse S4 en S5 gebruik wordt gemaakt van open transportbanden, moet/moeten de volgende technieken worden toegepast:

  • -

    laterale afscherming (langs de zijkanten) tegen wind;

  • -

    water versproeien ter hoogte van de omslagpunten;

  • -

    schoonmaken van de band.

10.3.17 Voor goederen met de stuifklasse S1 en, S3 moet gebruik worden gemaakt van gesloten transportbanden; transportbanden met omkasting of van transportbanden waarbij de band zelf of een tweede band het materiaal omsluit.

10.3.18 Bij gesloten transportbanden voor de goederen met de stuifklasse S1 en S3 moeten de transportbanden worden afgezogen en moet de afgezogen lucht door een filtrerende afscheider worden geleid.

Valhoogte materiaal

10.3.19 Bij gebruik van mechanische laadschoppen moet de afworphoogte worden gereduceerd en de beste positie moet worden gekozen bij het afwerpen in een vrachtwagen om stofverspreiding te voorkomen.

10.3.20 De (af)storthoogte van goederen mag niet groter zijn dan 1 meter. In afwijking hierop mag de afstorthoogte van een transportband bij opbouw van een berg maximaal 3 meter bedragen.

Grijpers

10.3.21 Bij gebruik van grijpers moet de grijper lang genoeg in de storttrechter worden gelaten na het lossen.

10.3.22 Nieuwe grijpers moeten de volgende eigenschappen hebben:

  • -

    geometrische vorm en optimale laadcapaciteit;

  • -

    het grijpervolume is altijd groter dan de grijpercurve;

  • -

    het oppervlak is glad om te vermijden dat er materiaal aan blijft vastkleven;

  • -

    een goede sluitcapaciteit bij permanent gebruik.

Bevochtiging of afdekking

10.3.23 Het tegengaan van stofverspreiding van opslagen van en activiteiten in de buitenlucht met stuifgevoelige bevochtigbare stoffen (stuifklasse S4) moet plaatsvinden door het bevochtigen (besproeien/benevelen) of door het afdekken van de opslag.

10.3.24 Indien voor het bevochtigen van goederen een andere vloeistof wordt gebruikt dan water mag uitsluitend gebruik worden gemaakt van een vloeistof die geen stankhinder, luchtvervuiling of bodemverontreiniging veroorzaakt. In dat geval moet er steeds voldoende geschikte vloeistof in de inrichting beschikbaar zijn. Besproeien met een andere vloeistof dan water moet vooraf aan het bevoegd gezag ter goedkeuring worden voorgelegd.

10.3.25 Dagelijks worden er visuele inspecties uitgevoerd om te zien of zich stofemissies voordoen, en om te controleren of de preventieve maatregelen goed werken.

11 ONGEVALLEN EN INCIDENTEN

11.1 Emissies als gevolg van ongevallen en incidenten

11.1.1 Binnen 6 maanden na het onherroepelijk worden van deze vergunning dient een ongevallenbeheerplan te zijn opgesteld en ingevoerd om de gevolgen van ongevallen en incidenten voor het milieu te voorkomen of te beperken. Hierin dienen alle onderstaande technieken in gebruikt en beschreven te zijn:

  • a.

    beschermingsmaatregelen, zoals: — bescherming van de installatie tegen kwaadwillige handelingen; — een brand- en explosiebeveiligingssysteem met preventie-, detectie- en blusapparatuur; —toegankelijkheid en bedienbaarheid van de relevante controleapparatuur in noodsituaties;

  • b.

    beheer van emissies als gevolg van incidenten/ongevallen. Er zijn procedures vastgesteld en er zijn technische voorzieningen getroffen voor het beheer (wat betreft mogelijke insluiting) van emissies als gevolg van ongevallen en incidenten, zoals emissies van lekken, bluswater of veiligheidskleppen;

  • c.

    een systeem voor registratie en beoordeling van incidenten/ongevallen. Dit omvat technieken zoals: — een logboek/agenda om alle ongevallen, incidenten, wijzigingen in procedures en de resultaten van inspecties te registreren; — procedures om dergelijke incidenten en ongevallen te identificeren en er lering uit te trekken.

11.1.2 Het plan moet voorafgaand aan invoering goedgekeurd zijn door het bevoegd gezag. Het plan moet minimaal 1 keer per 4 jaar worden geëvalueerd en aangepast, dan wel vaker als daarvoor aanleiding is. Deze evaluatie en herziening dient ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te worden overgelegd.

 

1. PROCEDURELE ASPECTEN

1.1. Gegevens aanvrager

Op 26 mei 2023 is een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ontvangen. Het betreft een verzoek van: Jan Klaasen Beheer BV, Ynfeart 14 te Heerenveen.

Gelet op bovenstaande omschrijving wordt vergunning gevraagd voor de volgende in de Wabo omschreven activiteiten:

  • artikel 2.1, eerste lid, onder a. (het bouwen van een bouwwerk) m.b.t. het bouwen van een shredderinstallatie en een sorteerlijn.

  • artikel 2.1, eerste lid, onder e. (het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting) en artikel 2.6 (revisie) m.b.t. de herinrichting van het terrein voor de opslag van afvalstoffen en de bijbehorende opslagcapaciteiten.

1.2. Projectbeschrijving

Het project waarvoor vergunning wordt gevraagd is als volgt te omschrijven:

De inrichting wordt van een asfaltverwerkend en -producerend bedrijf veranderd in een afvalverwerkend bedrijf dat zich in hoofdzaak bezig houdt met de recycling van metalen. De inrichting betreft een bedrijf voor het opslaan, sorteren, scheiden, demonteren, shredderen, knippen, persen en verhandelen van ferro- (o.a. schrootijzer, gruis, knipijzer), en non-ferrometalen (o.a. zink, koper, aluminium, roestvrij staal) en de overslag en stalling van eigen containers. Ook kunnen bouwstoffen (zand) en steenachtig materiaal (puin) en kunststoffen worden op- en overgeslagen. Ten behoeve van het breken van puin kan een puinbreker worden ingezet. Daarnaast worden batterijen gescheiden uit metaalstromen en opgeslagen. Voor nadere informatie over de aangevraagde wijzigingen verwijzen wij naar de aanvraag.

De aanvraag bestaat uit de volgende delen:

  • Aanvraagformulier, OLO-nummer 7684289 d.d. 26-05-2023

  • Berekening Shredder B-01 – Statische berekening d.d. 19-10-2023

  • Berekening Sorteer B-02 – Statische berekening d.d. 17-11-2023

  • Besluit – Geen Wnb vergunning nodig d.d. 08-12-2023

  • Bijlage 0. Toelichting_aanvraag_omgevingsvergunning_milieu-V5-cpl d.d. 04-02-2024

  • Bijlage 1. Rapport Akoestisch onderzoek d.d. 11-05-2023

  • Bijlage 2. Rapport Geuronderzoek d.d. 02-11-2023

  • Bijlage 2. Rapport Geuronderzoek d.d. 18-03-2022

  • Bijlage 2. Rapport Geuronderzoek PCP d.d. 19-12-2022

  • Bijlage 3. Rapport Eindsituatie bodem d.d. 03-05-2017

  • Bijlage 4. Brief Fumo – Eindsituatie als nulsituatie d.d. 19-06-2017

  • Bijlage 5. Rapport Luchtkwaliteit d.d. 11-05-2023

  • Bijlage 6. Rapport AERIUS projectberekening d.d. 13-02-2023

  • Bijlage 7. Rapport Stikstofdepositie d.d. 12-09-2022

  • Bijlage 8. MER-beoordelingsbesluit d.d. 09-02-2022

  • Bijlage 9. Tekening M-01 – Milieutekening d.d. 08-12-2023

  • Bijlage 10. Tekening M-02 – Rioleringstekening d.d. 26-09-2023

  • Bijlage 11. Rapport BBT-Toets – BREF’s afval, bulkgoederen en energie d.d. 25-05-2023

  • Bijlage 12. Memo – Omschrijving OBAS d.d. 26-05-2023

  • Bijlage 13. Memo – Afvalverwerkingsbeleid en AO-IC d.d. 04-02-2024

  • Bijlage 14. Aanvraag Wnb vergunning d.d. 28-07-2023

  • Bijlage 15. Veiligheidsinformatieblad K-Othrine d.d. 05-03-2019

  • Bijlage 16. Rapportage NEN-6060 d.d. 15-01-2024

  • Tekening 2401-M-01 – Milieutekening d.d. 10-01-2024

  • Tekening 2401-M-02 – Rioleringstekening d.d. 26-09-2023

  • Tekening Shredder TO-01 – Situatietekening d.d. 10-05-2023

  • Tekening Shredder TO-02 – Schematische procesweergave d.d. 26-09-2023

  • Tekening Shredder TO-03.1 – Overzichtblad schredderlijn d.d. 26-09-2023

  • Tekening Shredder TO-03.2 – Doorsnede d.d. 25-07-2023

  • Tekening Shredder TO-03.2 – Overzichtblad schredderbaan 3D weergave d.d. 26-09-2023

  • Tekening Shredder TO-04.1 – Plattegrond d.d. 26-09-2023

  • Tekening Shredder TO-04.2 – Doorsnede d.d. 26-09-2023

  • Tekening Shredder TO-05 – Overzicht magneetinstallatie d.d. 26-09-2023

  • Tekening Shredder TO-06 – Overzicht leescabine d.d. 26-09-2023

  • Tekening Shredder TO-07 – Transport- en zwenkbanden d.d. 26-09-2023

  • Tekening Shredder TO-08 – Overzichtblad stortvakken d.d. 26-09-2023

  • Tekening Shredder TO-09-1 – Overzichtblad fundering d.d. 26-09-2023

  • Tekening Shredder TO-09-2 – Archief tekening bestaande palenplan d.d. 20-02-1997

  • Tekening Shredder TO-09-3 -Archief tekening bestaande fundering d.d. 20-02-1997

  • Tekening Sorteer TO-01 – Situatietekening d.d. 26-09-2023

  • Tekening Sorteer TO-02 – Overzicht situatie d.d. 08-12-2023

  • Tekening Sorteer TO-03 – Overzicht Plattegronden d.d. 08-12-2023

  • Tekening Sorteer TO-04 – Overzicht Doorsnedes d.d. 26-09-2023

  • Tekening Sorteer TO-05 – Overzicht Doorsnedes d.d. 26-09-2023

  • Tekening Sorteer TO-06 – Overzicht Doorsnedes d.d. 26-09-2023

  • Tekening Sorteer TO-07 – Overzicht Gevels d.d. 26-09-2023

  • Tekening Sorteer TO-08 – Overzicht Staal d.d. 26-09-2023

  • Tekening Sorteer TO-09 – Sorteerlijn MDH d.d. 26-09-2023

  • Tekening Sorteer TO-10 – Overzichtblad fundering d.d. 17-11-2023

1.3. Huidige vergunningsituatie

Soort

Datum

Kenmerk

Onderwerp

Revisievergunning Wet milieubeheer

28 februari 2007

675382

Noordelijke Asfalt Productie. Revisievergunning voor het in werking hebben van een asfaltmenginstallatie.

Melding artikel 8.19 Wet milieubeheer

11 september 2008

782323

Bouw bedrijfshal

Vergunning Wet verontreiniging oppervlaktewateren

22 december 2009

WF2007/00437

Ten aanzien van indirecte lozingen is de vergunning op 22 december 2009 een vergunning in de zin van Wet milieubeheer geworden.

Melding artikel 8.19 Wet milieubeheer

6 juli 2009

837880

Wijziging bedrijfstijden

Veranderingsvergunning Wet milieubeheer

11 september 2011

938838

Verandering werktijden, geluidnormen en plaatsing opslagloodsen

Veranderingsvergunning Wet milieubeheer

30 augustus 2013

01063093

Besluit m.e.r.-beoordeling

30 juli 2018

2018-FUMO-0027466

Beoordeling vooruitlopend op revisievergunning aanvraag.

Milieuneutraal wijzigen Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

28 februari 2020

2019-FUMO-0033951

Bouw en ingebruikname bedrijfsloods

Besluit m.e.r.-beoordeling

9 februari 2022

2021-FUMO-0059099

Beoordeling vooruitlopend op revisievergunning aanvraag.

De hierboven genoemde vergunningen waar een * bij staat, zijn volgens de Invoeringswet Wabo gelijkgesteld aan een omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd.

1.4. Vergunningplicht

De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I, onderdeel C van het Besluit Omgevingsrecht (Bor). De volgende categorieën zijn van toepassing:

Categorie

Omschrijving

28.4

a. 1°. van buiten de inrichting afkomstige ingezamelde of afgegeven huishoudelijke afvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 35 m3 of meer;

a. 5°. van buiten de inrichting afkomstige gevaarlijke afvalstoffen;

a. 6°. andere dan de onder 1° tot en met 5° genoemde van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 1.000 m3 of meer;

c. 1°. het ontwateren, microbiologisch of anderszins biologisch of chemisch omzetten, agglomereren, deglomereren, mechanisch, fysisch of chemisch scheiden, mengen, verdichten of thermisch behandelen – anders dan verbranden – van buiten de inrichting afkomstige huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 15.000.000 kg per jaar of meer;

28.10

10a°. het opslaan van ten hoogste 5 kubieke meter batterijen;

19°. het opslaan van ten hoogste 30 ton loodzuuraccu’s;

21°. het opslaan van: 1°.ten hoogste 10.000 ton bouwstoffen in de zin van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit die binnen dat besluit toepasbaar zijn;

22°. het opslaan, verkleinen en tot plaatmateriaal verwerken van hout, voor zover geen sprake is van geïmpregneerd hout of anderszins van gevaarlijke afvalstoffen en met een maximale opslagcapaciteit van 10.000 ton;

23°. het opslaan en verkleinen van papier en karton, voor zover geen sprake is van gevaarlijke afvalstoffen en met een maximale opslagcapaciteit van 10.000 ton;

24°. het opslaan, verkleinen, reinigen, extruderen en spuitgieten van kunststof, voor zover geen sprake is van gevaarlijke afvalstoffen en met een maximale opslagcapaciteit van 10.000 ton;

35°. het overslaan en scheiden en opbulken van de onder 1 tot en met 33 genoemde categorieën van afvalstoffen binnen de aangegeven grenzen.

Op grond van het overschrijden van de capaciteit als genoemd in Bijlage I, onderdeel C, categorie 28.10 van het Bor is er sprake van een vergunningplichtige activiteit. Daarnaast betreft het een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort als genoemd in Bijlage I, categorie 5.3 b.ii en categorie 5.5 van de Richtlijn industriële emissies (Rie). Om die reden is op grond van artikel 2.1, tweede lid van het Bor eveneens sprake van een vergunningplichtige inrichting.

1.5. Bevoegd gezag

Wij zijn bevoegd gezag voor de inrichting. Dit volgt uit artikel 2.4, tweede lid van de Wabo juncto artikel 3.3, eerste lid van het Bor, op grond van de activiteiten van de inrichting, genoemd in Bijlage I, onderdeel C, categorie 28.4 juncto 28.5 van het Bor.

1.6. Coördinatie met de Waterwet

Het Wetterskip Fryslân is bij de vergunningaanvraag betrokken. Uit de vergunningaanvraag blijkt dat

geen lozingen rechtstreeks op het oppervlaktewater zullen plaatsvinden. Een vergunning in het kader van de Waterwet voor het lozen van afvalwater is daarom niet nodig. Coördinatie is niet aan de orde.

1.7. Beoordeling van de aanvraag

Na ontvangst van de aanvraag hebben wij deze getoetst op volledigheid. In verband met het ontbreken van een aantal gegevens hebben wij de aanvrager op 6 juli 2023 in de gelegenheid gesteld om tot 2 maanden na de hiervoor genoemde datum de aanvraag aan te vullen. Wij hebben de aanvullende gegevens ontvangen op 2 augustus 2023. Na ontvangst van de aanvullende gegevens hebben wij de aanvraag opnieuw getoetst op volledigheid. Wij waren van oordeel dat de aanvraag nog steeds niet voldoende informatie bevatte om een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteiten op de fysieke leefomgeving te kunnen maken. Om die reden hebben wij de aanvrager op 29 augustus 2023 opnieuw in de gelegenheid gesteld om de aanvraag uiterlijk 29 oktober 2023 alsnog aan te vullen. Op 24 oktober 2023 hebben wij aanvullende gegevens ontvangen.

Geconstateerd is dat bij de aanvraag voor omgevingsvergunning ten aanzien van het bouwdeel sprake was van een zogenoemde weigeringsgrond zoals omschreven in artikel 2.10 van de Wabo. Om weigering van de vergunning te voorkomen hebben wij de aanvrager op 18 september 2023 in de gelegenheid gesteld om het plan aan te passen/aan te vullen en hebben wij tevens verzocht toestemming te verlenen om de beslistermijn met 6 weken op te schorten onder verwijzing naar artikel 4:15, lid 2, onder a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zonder deze toestemming zouden wij genoodzaakt zijn de vergunning te weigeren. Op 19 september 2023 heeft de aanvrager per e-mail ingestemd om de beslistermijn op te schorten met 6 weken, als bedoeld in artikel 4:15, tweede lid, onder a van de Awb. Op 21 september 2023 hebben wij het voorgaande per brief bevestigd en is de aanvrager in de gelegenheid gesteld om de aanvraag binnen 4 weken na verzenddatum van de brief aan te passen/aan te vullen.

Na ontvangst van de aanvullende gegevens hebben wij de aanvraag wederom inhoudelijk beoordeeld en getoetst op volledigheid. De laatste gegevens zijn op 4 februari 2024 aan de vergunningaanvraag toegevoegd. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag met de aanvullende gegevens nu wel voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanvraag is dan ook in behandeling genomen.

1.8. Procedure

De Omgevingswet is met ingang van 1 januari 2024 in werking getreden. Deze beschikking is mede gelet op het overgangsrecht van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet voorbereid

met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Gelet hierop zijn wij niet verplicht om van de aanvraag kennis te geven in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op andere geschikte wijze, tenzij bij de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag een milieueffectrapport (MER) moet worden gemaakt. Nu deze uitzonderingsgrond zich niet voordoet hebben wij geen kennis gegeven van de aanvraag in het Friesch Dagblad en de Leeuwarder Courant. De ontwerpbeschikking heeft ter inzage gelegen van 22 juni 2024 tot en met 5 augustus 2024. Naar aanleiding van de ontwerpbeschikking zijn geen zienswijzen ingediend.

1.9. Adviezen

In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor, hebben wij de aanvraag ter advies aan de volgende instanties/bestuursorganen gezonden:

  • -

    Gemeente Heerenveen;

  • -

    Wetterskip Fryslân;

  • -

    Veiligheidsregio Fryslân/brandweer Fryslân.

Zij hebben vervolgens de volgende adviezen uitgebracht:

Gemeente Heerenveen

De gemeente heeft op 27 juli 2023 en 25 augustus 2023, per mail adviezen uitgebracht. Deze adviezen gingen over het bestemmingsplan en de hydraulische capaciteit van de riolering.

Wetterskip Fryslân

Het Wetterskip Fryslân heeft op 4 juli 2023 per mail laten weten dat de aanvraag voldoet aan de indieningsvereisten en dat verder uit de aanvraag blijkt dat er geen lozingen rechtstreeks op het oppervlaktewater plaatsvinden. Een vergunning in het kader van de Waterwet voor het lozen van afvalwater is daarom niet nodig. Verder hebben wij op 19 januari 2024 een inhoudelijk advies van het Wetterskip ontvangen.

Veiligheidsregio Fryslân/Brandweer Fryslân

De Veiligheidsregio Fryslân/ Brandweer Fryslân heeft op 10 augustus 2023 per mail advies uitgebracht ten aanzien van het brandveiligheidsaspect. Later heeft Brandweer Fryslân op 13 november 2023, 18 december 2023 en 1 februari 2024 een aanvullend advies gegeven.

Wij behandelen deze adviezen verder in de overwegingen in hoofdstuk 1 “Procedurele aspecten”, hoofdstuk 2." Toetsingskader bouwen van een bouwwerk", hoofdstuk 3 “Toetsingskader milieu”.

1.10. Besluit externe veiligheid inrichtingen

De inrichting valt niet onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

1.11. Besluit risico’s zware ongevallen 2015

De inrichting valt niet onder het Besluit risico’s zware ongevallen.

1.12. Wet natuurbescherming

Ten behoeve van deze aanvraag om een revisievergunning is de stikstofdepositie ten gevolge van de

gewijzigde bedrijfsactiviteiten in 2021 en 2022 in beeld gebracht met behulp van Aerius-berekeningen.

Omdat er ten opzichte van de m.e.r.-beoordeling thans een nieuwere versie van Aerius gehanteerd moest worden, is de Rapportage Stikstofdepositie en de bijbehorende Aerius-berekening van Noorman Bouw- en Milieuadvies geactualiseerd en aan deze aanvraag toegevoegd. De conclusie van dat rapport luidt: Uit de AERIUS-berekeningen volgt dat vanwege de activiteiten van het metaalrecyclingbedrijf aan de Ynfeart 14 te Heerenveen de stikstofdepositie op de omliggende stikstof-gevoelige Natura 2000-gebieden niet meer bedraagt dan 0,00 mol N/ha/jaar. Significante effecten zijn niet te verwachten. Er geldt derhalve geen vergunningplicht in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb).

Desalniettemin is een aanvraag vergunning Wet natuurbescherming voor gebiedsbescherming aangevraagd bij Gedeputeerde Staten. Hierdoor zou er geen aanhaakplicht meer van toepassing zijn. Een beoordeling van de eerder bij de aanvraag omgevingsvergunning gevoegde Aerius-berekening is

daarom niet meer noodzakelijk. De Aerius-berekening maakt derhalve geen deel uit van de aanvraag om omgevingsvergunning. Op 8 december 2023 heeft het college van GS van Fryslân een ontwerpbeschikking afgegeven voor een positieve weigering omdat geen vergunning in het kader van de Wnb nodig is.

1.13. M.E.R.-beoordeling

De voorgenomen activiteiten vallen onder categorie D18.1 en D18.8 van de D-lijst van het Besluit

milieueffectrapportage waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Op grond van de Wm heeft de aanvrager de voorgenomen activiteit op 25 november 2021 bij ons aangemeld door middel

van een aanmeldnotitie: M.e.r.. beoordeling JKB, versie 2.0 d.d. 28-01-2022, projectnr. 2020-007. (Wm, artikel 7.16). Daarop hebben wij op 9 februari 2022 het besluit (kenmerk 2021-FUMO-0059099) genomen dat voor deze voorgenomen activiteit geen milieueffectrapport opgesteld hoeft te worden. Dit besluit is bij de aanvraag gevoegd.

Van dit besluit is op 12 februari 2022 mededeling gedaan door kennisgeving in het Friesch Dagblad, de Leeuwarder Courant en de Staatscourant.

Tegen dit besluit bestond geen afzonderlijk bezwaar of beroep open, omdat er sprake is van een voorbereidingsbeslissing als bedoeld in artikel 6:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Eventuele bezwaren tegen dit besluit kunnen aangevoerd worden in het kader van deze procedure omtrent de omgevingsvergunning.

2. TOETSINGSKADER BOUWEN VAN EEN BOUWWERK

2.1. Inleiding

De aanvraag omgevingsvergunning voor het (ver)bouwen van een bouwwerk (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a van de Wabo) kan alleen worden verleend als deze voldoet aan de in artikel 2.10, eerste lid van de Wabo gestelde toetsingscriteria.

Een toetsing aan deze criteria heeft plaatsgevonden.

2.2. Welstand

De gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag omgevingsvergunning zijn niet getoetst aan de door de gemeenteraad vastgestelde criteria zoals gesteld in de gemeentelijke welstandsnota.

Het perceel is namelijk in de welstandsnota gelegen in een zogenaamd welstandsluw gebied en de aanvraag betreft geen exces. De gemeente Heerenveen heeft dit in een email van 9 juni 2023 bevestigd.

Wij nemen het advies van de gemeente over. De aanvraag voldoet aan redelijke eisen van welstand.

2.3. Bouwbesluit

Over de ingediende stukken is op hoofdlijn voldoende aannemelijk gemaakt dat voldaan gaat worden aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012. De uitgewerkte constructieve tekeningen en detail berekeningen ontbreken nog. Definitieve constructieve berekeningen en tekeningen (dienen uiterlijk 3 weken voor aanvang van de bouwwerkzaamheden ter goedkeuring aan de FUMO te worden voorgelegd. Met de werkzaamheden mag pas na goedkeuring worden gestart. Ook voor de eisen in het kader van Brandveiligheid zijn voorwaarden opgenomen in deze beschiking.

Op grond van de overige ingediende stukken bij deze aanvraag is voldoende aannemelijk gemaakt dat wordt voldaan aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012.

2.4. Bouwverordening

De gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag omgevingsvergunning zijn getoetst aan de voorschriften van de gemeentelijke Bouwverordening. De aanvraag voldoet aan de voorschriften van de gemeentelijke bouwverordening.

2.5. Beheersverordening

Het kadastrale perceel Gemeente Tjalleberd, sectie F, nummer 1315 en 2442 plaatselijk bekend De Ynfeart 14 te Heerenveen is gelegen in een gebied waarvoor de beheersverordening ‘Kanaal-Oost‘ is vastgesteld. In deze beheersverordening mogen de in besluitvlak ‘2’ voor ‘Bedrijf’ aangegeven gronden gebruikt worden voor bedrijven genoemd in bijlage 2, onder categorie categorieën 5.1 met de daarbij behorende andere (bedrijfs)gebouwen en overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde (artikel 4 van de regels).

Het bouwplan is in overeenstemming met de regels van de beheersverordening.

2.6. Conclusie

Gelet op bovenstaande overwegingen is het college van mening dat er geen beletsel is voor het verlenen van de omgevingsvergunning.

3. TOETSINGSKADER MILIEU

3.1. Inleiding

De aanvraag heeft betrekking op het veranderen (revisie) van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e en artikel 2.6 van de Wabo.

3.2. Toetsing aanvraag revisievergunning

Het algemene toetsingskader van de Wabo voor het verbinden van voorschriften aan de vergunning is vastgelegd in artikel 2.22, tweede lid van de Wabo. Op grond van artikel 2.22, tweede lid van de Wabo worden aan een omgevingsvergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het belang dat voor de betrokken activiteit is aangegeven in het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.10 tot en met 2.20 van de Wabo. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende ‘beste beschikbare technieken’ (BBT) worden toegepast. In artikel 9.2 van de Regeling omgevingsrecht (Mor) zijn de documenten aangewezen, waarmee het bevoegd gezag bij de bepaling van BBT in het kader van de vergunningverlening rekening moet houden. Bijlage 1 van het Mor bevat een overzicht van de hiervoor bedoelde documenten. Bij de vaststelling van BBT voor de onderhavige vergunningaanvraag is rekening gehouden met alle relevante BBT-documenten.

Bij onze beslissing op de aanvraag hebben wij:

  • de aspecten genoemd in artikel 2.14, lid 1, onder a van de Wabo betrokken;

  • met de aspecten genoemd in artikel 2.14, lid 1, onder b van de Wabo rekening gehouden;

  • de aspecten genoemd in artikel 2.14, lid 1, onder c van de Wabo in acht genomen.

In het onderstaande lichten wij dit nader toe, waarbij wij ons beperken tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed (kunnen) zijn.

3.3. Activiteitenbesluit 

De inrichting is een inrichting type C als bedoeld in artikel 1.2 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Het Activiteitenbesluit is deels rechtstreeks van toepassing op de inrichting. De vergunninghouder moet, naast aan de voorschriften van de verleende vergunningen, voldoen aan bepaalde artikelen uit het Activiteitenbesluit. Ook bepaalde artikelen uit de Activiteitenregeling milieubeheer (verder: Activiteitenregeling) zijn rechtstreeks van toepassing.

Voor wat betreft de vergunde activiteiten zijn de volgende onderdelen van het Activiteitenbesluit rechtstreeks van toepassing op de inrichting:

  • Paragraaf 3.1.3 Lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening;

  • Paragraaf 3.2.4 In werking hebben van een installatie voor het doorvoeren, bufferen of keren van rioolwater;

  • Paragraaf 3.3.1 Afleveren van vloeibare brandstof of gecomprimeerd aardgas aan motorvoertuigen voor het wegverkeer of afleveren van vloeibare brandstof aan spoorvoertuigen;

  • Paragraaf 3.4.3 Opslaan en overslaan van goederen;

  • Paragraaf 3.4.9 Opslaan van gasolie, smeerolie of afgewerkte olie in een bovengrondse opslagtank.

Voor het overige is per hoofdstuk of afdeling aangegeven of deze op een type C inrichting van toepassing is. Dit betekent dat ook hoofdstuk 1, afdeling 2.1 tot en met 2.4, 2.10 en 2.11 van hoofdstuk 2 en de overgangsbepalingen uit hoofdstuk 6 van het Activiteitenbesluit van toepassing kunnen zijn. Van belang voor deze vergunning is, of de inrichting ook voor de activiteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen voldoet aan de best beschikbare technieken. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf.

Melding Activiteitenbesluit

3.4. Beste beschikbare technieken

3.4.1 Toetsingskader

In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunningvoorschriften worden verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast.

Bij het opstellen van de omgevingsvergunning milieu moet rekening worden gehouden met de BBT-conclusies. De Europese Commissie stelt de BBT-conclusies op en maakt deze bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

BBT-conclusies is een document met de conclusies over beste beschikbare technieken, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, lid 5 en 7 van de Rie.

Het verschil tussen artikel 13, lid 5 en lid 7 van de Rie is:

  • BBT-conclusies overeenkomstig artikel 13, lid 5 heeft de Europese Commissie vastgesteld ná 6 januari 2011. Dit op basis van artikel 75, lid 2 van de Rie.

  • BBT-conclusies overeenkomstig artikel 13, lid 7 is het hoofdstuk Best available techniques (BAT) uit de BREF's. De Europese commissie heeft deze BREF's vastgesteld vóór 6 januari 2011. Dit hoofdstuk geldt als BBT-conclusies totdat de Europese Commissie voor die activiteit nieuwe BBT-conclusies vaststelt.

Als op een activiteit of op een type productieproces binnen de inrichting waarvoor een vergunning is aangevraagd, geen BBT-conclusies of informatiedocumenten over BBT van toepassing zijn, of als de van toepassing zijnde BBT-conclusies of informatiedocumenten niet alle mogelijke milieueffecten van de activiteit of het proces behandelen, moet het bevoegd gezag volgens artikel 5.4 van het Bor de BBT zelf vast stellen. Hierbij houdt het bevoegd gezag in ieder geval rekening met:

  • de toepassing van technieken die weinig afvalstoffen veroorzaken;

  • de toepassing van stoffen die minder gevaarlijk zijn dan stoffen of mengsels als omschreven in artikel 3 van de EG-verordening(nr. 1272/2008) indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels;

  • de ontwikkeling, waar mogelijk, van technieken voor de terugwinning en opnieuw gebruiken van de bij de processen in de inrichting uitgestoten en gebruikte stoffen en van afvalstoffen;

  • vergelijkbare processen, apparaten of wijzen van bedrijfsvoering die met succes in de praktijk zijn beproefd;

  • de vooruitgang van de techniek en de ontwikkeling van de wetenschappelijke kennis;

  • de aard, de effecten en de omvang van de betrokken emissies;

  • de data waarop de installaties in de inrichting in gebruik zijn of worden genomen;

  • de tijd die nodig is om een betere techniek toe te gaan passen;

  • het verbruik en de aard van de grondstoffen, met inbegrip van water, en de energie-efficiëntie;

  • de noodzaak om het algemene effect van de emissies op en de risico’s voor het milieu te voorkomen of tot een minimum te beperken;

  • de noodzaak ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor het milieu te beperken.

De naar aanleiding van één van deze criteria vastgestelde BBT moeten een milieubeschermingsniveau garanderen dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau in de BBT-conclusies.

3.4.2 Concrete bepaling beste beschikbare technieken

Binnen de inrichting worden activiteiten uit Bijlage I van de Rie uitgevoerd. De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I, categorie 5.3 b.ii, 5.3 b.iv en categorie 5.5 van de Richtlijn industriële emissies (Rie). Deze categorieën hebben betrekking op;

  • 5.3b nuttige toepassing, of een combinatie van nuttige toepassing en verwijdering, van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 75 t per dag, door middel van een of meer van de volgende activiteiten:

    • ii) voorbehandeling van afval voor verbranding of meeverbranding;

    • iv) behandeling in shredders van metaalafval, met inbegrip van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur en autowrakken en de onderdelen daarvan;

  • 5.5 tijdelijke opslag van niet onder punt 5.4 vallende gevaarlijke afvalstoffen, in afwachting van een van de onder de punten 5.1, 5.2, 5.4 en 5.6 vermelde behandelingen, met een totale capaciteit van meer dan 50 t, met uitsluiting van tijdelijke opslag, voorafgaande aan inzameling, op de plaats van productie.

Daarom is de Rie op de inrichting van toepassing en betreft het een inrichting met een IPPC- installatie. Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofactiviteit en aan andere relevante BBT-conclusies. Op grond van artikel 9.2 van de ministeriële regeling omgevingsrecht moet voor het bepalen van BBT binnen de inrichting aanvullend een toetsing plaatsvinden aan relevante aangewezen informatiedocumenten over BBT.

Bij het bepalen van de BBT hebben we rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde BBT-conclusies:

  • BREF Afvalbehandeling, augustus 2018;

  • Op- en overslag bulkgoederen, juli 2006;

  • BREF Energie-efficiëntie, februari 2009;

  • REF Monitoring, juli 2018 en

  • REF Economie en Cross media-effecten, juli 2006.

Bij het bepalen van de BBT hebben wij rekening gehouden met de volgende informatiedocumenten over BBT, zoals aangewezen in de bijlage van de Mor:

  • Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB) 2012, maart 2012;

  • PGS 15 “Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen”, september 2016;

  • PGS 28 “Vloeibare brandstoffen – ondergrondse tankinstallaties en afleverinstallaties”, december 2011;

  • PGS 30 “Vloeibare brandstoffen – bovengrondse tankinstallaties en afleverinstallaties”, december 2011.

3.4.3 Conclusies BBT

In de vergunningaanvraag is op verschillende plaatsen onderbouwd of wordt voldaan een de beste beschikbare technieken. De belangrijkste stukken in dit kader betreffen:

  • Bijlage 1. Rapport Akoestisch onderzoek,

  • Bijlage 2. Rapport Geuronderzoek,

  • Bijlage 11. Rapport BBT-Toets – BREF’s afval, bulkgoederen en energie en

  • Bijlage 13. Memo - Afvalverwerkingsbeleid en AO-IC.

Wij zijn van oordeel dat de ingediende gegevens voldoende informatie bevatten voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. Alle relevante BBT-conclusies zijn hierbij aan bod gekomen. Wij zijn akkoord met de inhoud en conclusies en stellen vast dat wordt voldaan aan BBT zoals beschreven in de relevante BREF’s. De documenten waarin staat hoe invulling is gegeven aan de BBT laten wij daarom onderdeel uitmaken van deze omgevingsvergunning. Daarmee is het toepassen van BBT geborgd in de vergunning.

Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de onderstaande paragrafen waarin per onderwerp het toepassen van BBT wordt toegelicht.

4. AFVALSTOFFEN

4.1. Preventie

Preventie van afval is een van de hoofddoelstellingen van het afvalstoffenbeleid. In deel B2 van het Landelijk Afvalbeheerplan 2017-2029, hierna aangeduid als het LAP, is het beleid uitgewerkt voor afvalpreventie. In Nederland is een separaat afvalpreventieprogramma vastgesteld. De uitwerking van preventie-activiteiten vindt voornamelijk plaats via het programma Van Afval Naar Grondstof (VANG) en is inmiddels voortgezet in de vorm van het Rijks brede programma Circulaire Economie.

Op grond van artikel 5.4 (vaststelling van de beste beschikbare technieken) en artikel 5.7 van het Bor kan bevoegd gezag voorschriften in omgevingsvergunningen opnemen om invulling te geven aan dit aspect.

In alle bedrijfsprocessen kunnen mogelijkheden bestaan om het ontstaan van afvalstoffen en het - directe of indirecte - gebruik van grondstoffen terug te dringen of de bestaande grondstoffen te vervangen door duurzame alternatieven. Zowel het beperken van de hoeveelheid afvalstoffen als het terugdringen van de hoeveelheid grondstoffen levert direct een financiële besparing op.

Uitgangspunt voor alle bedrijven is dat het ontstaan van afval moet worden voorkomen of beperkt.

Binnen de inrichting ontstaan bij uitoefening van de bedrijfsactiviteiten de volgende afvalstoffen:

  • batterijen;

  • RDF (brandbare restfractie);

  • kunststof afval;

  • steenachtig materiaal;

  • zand;

  • hout (a, b en c);

  • papier en karton;

  • folies (kunststof);

  • elektrisch en elektronisch afval.

De vrijkomende afvalstoffen betreffen stromen die vrijkomen bij verwerkingsprocessen binnen de inrichting. De verschillende stromen worden afgevoerd naar erkende verwerkers. Omdat de afvalstoffen vrijkomen bij verwerkingsprocessen van afvalstoffen concluderen wij dat preventie niet relevant is. Er komen geen nieuwe stromen in het afvalstadium. Wij hebben daarom in deze vergunning verder geen aandacht besteed aan de preventie van afvalstoffen.

4.2. Mengen van afvalstoffen ontstaan binnen de inrichting

Voor het mengen van afvalstoffen ontstaan binnen de inrichting zijn de algemene regels uit het Activiteitenbesluit en daarbij behorende regeling van toepassing. Afwijken van de in het Activiteitenbesluit opgenomen mengverboden kan alleen worden toestaan voor het mengen van niet-gevaarlijke afvalstoffen indien het gescheiden houden en gescheiden afgeven redelijkerwijs niet gevergd kan worden. Het beleid zoals opgenomen in de delen B3 (afvalscheiding) en B7 (mengen) van het LAP is hiervoor als toetsingskader gebruikt.

 

4.3. Opslaan van afvalstoffen op de plaats van productie

Als gevolg van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen wordt de opslag van afvalstoffen voorafgaand aan verwijdering gezien als storten indien de tijdsduur van één jaar wordt overschreden. Indien de opslag voorafgaat aan nuttige toepassing van de afvalstoffen is deze termijn drie jaar. In de vergunning is vastgelegd dat de termijn van opslag voorafgaand aan verwijdering maximaal één jaar is en de termijn van opslag voorafgaand aan nuttige toepassing maximaal drie jaar is.

4.4. Conclusie

Gelet op het bovenstaande zijn wij van mening dat de aangevraagde activiteiten in overeenstemming zijn met het geldende afvalbeheersplan en daarmee bijdragen aan een doelmatig beheer van afvalstoffen.

4.5. Acceptatie en/of verwerking van afvalstoffen 

4.5.1. BBT conclusies afvalbehandeling

Op 10 augustus 2018 is het document met BBT-conclusies voor afvalbehandeling vastgesteld (BREF Afvalbehandeling, augustus 2018). Veel BBT-conclusies voor afvalbehandeling hebben betrekking op emissies naar water en lucht (stof en geur), alsmede op geluid en trillingen.

Voor zover een BBT-conclusie betrekking heeft op emissies naar de lucht, de bodem, het water, geluidemissies en/of trillingen wordt voor de overwegingen verwezen naar de desbetreffende paragraaf.

Bij het bepalen van de BBT, specifiek voor de acceptatie en/of verwerking van afvalstoffen, hebben we rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde BBT-conclusies voor afvalbehandeling:

Algemene BBT-conclusies: 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 10, 11, 12, 13, 14, 17, 18, 19, 20, 21, 23, 25, 26, 27, 28, 40 en 44.

Tabel 1 Installatie specifieke BBT-conclusies

Installatie

Van toepassing zijnde BBT-conclusies

Categorie 5.5

Milieubeheerssysteem (MBS) BBT 1

Afval (BBT 2, 24, 26 en 40)

Afvalwater (BBT 3, 4, 5, 6, 7, 8, 11, 19 en 20 )

Lucht (BBT 3, 4, 5, 8, 10, 12, 13, 14, 25, 41 en 44)

Energie (BBT 23 en 28)

Geluid (17 en18)

Ongevallen (21, 26 en 27)

Opslag (BBT 4)

In bijlage 11 van de vergunningaanvraag is een BBT-toets gevoegd. In deze BBT-toets wordt per onderdeel van de BREF afvalverwerking gemotiveerd op welke wijze aan BBT zal worden voldaan of waarom een onderdeel niet van toepassing is. Alle relevante aspecten zijn hierbij aan bod gekomen. De aangevraagde acceptatie en/of verwerking van afvalstoffen voldoet aan de hierboven genoemde BBT-conclusies.

4.5.2. Doelmatig beheer van afvalstoffen

Het beleid met betrekking tot afvalverwerking is gericht op het doelmatig beheer van afvalstoffen, zoals gedefinieerd in artikel 1.1 van de Wm. In dat kader houden wij rekening met het geldende afvalbeheersplan (het Landelijk Afvalbeheerplan 2017-2029, hierna aangeduid als het LAP), waaronder begrepen deel E (minimumstandaard per specifieke afvalstroom).

 

De doelstellingen van het LAP geven invulling aan de prioriteitsvolgorde in de afvalhiërarchie zoals die in artikel 10.4 van de Wm is opgenomen:

  • a.

    preventie;

  • b.

    voorbereiding voor hergebruik;

  • c.

    recycling;

  • d.

    andere nuttige toepassing, waaronder energieterugwinning;

  • e.

    veilige verwijdering.

De minimumstandaard geeft de minimale hoogwaardigheid aan van de verwerking van een bepaalde afvalstof of categorie van afvalstoffen. Deze minimumstandaard is bedoeld te voorkomen dat afvalstoffen laagwaardiger worden verwerkt dan wenselijk is. Als de minimumstandaard bestaat uit verschillende verwerkingshandelingen bij diverse inrichtingen kan voor de afzonderlijke verwerkingsstappen een vergunning worden verleend, mits de totale verwerking voldoet aan de minimumstandaard. In een aantal sectorplannen is vermeld dat het opnemen van sturingsvoorschriften dan noodzakelijk is.

4.5.3 Sturingsvoorschriften

De minimumstandaard geeft de minimale hoogwaardigheid aan van de verwerking van een bepaalde afvalstof of categorie van afvalstoffen. Deze minimumstandaard is bedoeld om te voorkomen dat afvalstoffen laagwaardiger worden verwerkt dan wenselijk is. Als de minimumstandaard bestaat uit verschillende verwerkingshandelingen bij diverse inrichtingen kan voor de afzonderlijke verwerkingsstappen een vergunning worden verleend, mits de totale verwerking voldoet aan de minimumstandaard. In een aantal sectorplannen is vermeld dat het opnemen van sturingsvoorschriften dan noodzakelijk is.

4.6. Toetsing van de aangevraagde afvalactiviteiten

4.6.1. Uitsluitend opslaan van afvalstoffen

In het LAP is aangegeven dat voor het uitsluitend opslaan van afvalstoffen in beginsel een vergunning kan worden verleend. Drie afvalstromen worden hiervan uitgezonderd, te weten:

  • Afvalmunitie, vuurwerkafval en overig explosief afval;

  • Dierlijke bijproducten;

  • Brandbaar afval in afwachting van verwerking in een AVI.

Als gevolg van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen wordt de opslag van afvalstoffen voorafgaand aan verwijdering gezien als storten indien de tijdsduur van één jaar wordt overschreden. Indien de opslag voorafgaat aan nuttige toepassing van de afvalstoffen is deze termijn drie jaar. Het is niet de bedoeling om voor of na afloop van de genoemde termijnen afvalstoffen weer langdurig in opslag te nemen binnen een andere inrichting. Na benutting van deze termijnen moet het afval worden afgevoerd naar een verwerker.

 

Uit de aanvraag blijkt dat de volgende afvalstoffen binnen de inrichting worden opgeslagen:

Gebruikelijke benaming afvalstof

Eural-codes

Max. opslag (in ton)

Max. te accepteren per jaar (in ton)

Gemengd bouw- en sloopafval en gemengde fracties

17.04.11, 17.09.04, 19.12.12.

10.000

50.000

metalen

02.01.10, 12.01.01, 12.01.03, 16.01.06, 16.01.17, 16.01.18, 19.10.01, 19.10.02, 19.12.02, 19.12.03, 20.01.40, 17.04.01, 17.04.02, 17.04.03, 17.04.04, 17.04.05, 17.04.06, 17.04.07.

45.000

300.000

verpakkingen

15.01.02, 15.01.04, 15.01.05, 15.01.06.

10.000

100.000

Batterijen en accu’s

20.01.33*, 20.01.04, 16.06.01*,16.06.02*,16.06.03*,16.06.04, 16.06.05.

20

400

Kunststof en rubber

19.12.04, 17.02.03, 20.01.39.

10.000

50.000

AVI- bodemas

19.01.02, 10.09.03.

10.000

50.000

Steenachtig materiaal

17.01.01, 19.12.09, 20.03.07.

10.000

50.000

totaal

50.000

340.000

Toelichting tabel:

In het kader van de bedrijfsactiviteiten bedraagt de maximale jaarlijkse doorzet 340.000 ton aan afval en bouwstoffen. In tabel is per soort aangegeven hoeveel totaal per soort binnen de inrichting verwerkt kan worden echter zal de maximaal jaarlijkse doorzet van 340.000 ton niet worden overschreden. De verschillende (afval)stromen zijn communicerende vaten. De maximale opslag binnen de inrichting aan afvalstoffen bedraagt 50.000 ton.

Voor het opslaan van deze afvalstoffen beschikt de aanvrager over de benodigde voorzieningen.

In de vergunning is vastgelegd dat de termijn van opslag voorafgaand aan verwijdering maximaal één jaar is en de termijn van opslag voorafgaand aan nuttige toepassing maximaal drie jaar is.

4.6.2. Verwerking: afvalstro(o)m(en) waarvoor in deel E van het LAP een sectorplan is opgenomen

Voor de onderhavige aanvraag zijn de volgende sectorplannen uit deel E van het LAP van toepassing:

  • -

    sectorplan 11 Kunststof en rubber;

  • -

    sectorplan 12 Metalen;

  • -

    sectorplan 13 Batterijen en accu's;

  • -

    sectorplan 20 AVI-bodemas;

  • -

    sectorplan 28 Gemengd bouw- en sloopafval en gemengde fracties;

  • -

    sectorplan 29 Steenachtig materiaal en

  • -

    sectorplan 41 Verpakkingen algemeen.

De bewerkingsprocessen zijn beschreven in Bijlage 13 van de vergunningaanvraag: “Memo – Afvalverwerkingsbeleid en AO-IC van 04-02-2024. Wij hebben getoetst of de be- en verwerkingsprocessen voldoen aan de minimumstandaard van het LAP. De handelingen met afvalstoffen binnen de inrichting betreffen verkleinen, scheiden en opslaan. Uiteindelijk worden alle afvalstromen afgevoerd naar erkende verwerkers die de afvalstoffen conform de van toepassing zijnde minimumstandaarden kunnen verwerken. De handelingen binnen de inrichting staan de verwerking conform de minimumstandaarden niet in de weg. De handelingen binnen de inrichting voldoen aan de beleidsuitgangspunten van LAP.

In de sectorplan 11, 12, 13, 20, 28, 29 en 41 is aangegeven dat in de vergunning sturingsvoorschriften moeten worden opgenomen om te borgen dat de totale verwerking van de afvalstoffen conform de minimumstandaarden plaatsvindt. Dit is opgenomen in de voorschriften.

 

4.7. A&V-beleid en AO/IC

Het bevoegd gezag kan in deze situatie nadere voorwaarden stellen aan de capaciteit, duur en voorzieningen van/voor de overslag. Het acceptatie- en verwerkingsbeleid (A&V-beleid) en de administratieve organisatie en interne controle (AO/IC) spelen een rol bij het veilig stellen van een effectief en efficiënt beheer van afvalstoffen, respectievelijk het mogelijk maken van effectief toezicht op het afvalbeheer.

Om de risico’s van het verwerkingsproces te beheersen, moet een bedrijf dat zich met afvalbeheer bezighoudt beschrijven welke afvalstoffen worden geaccepteerd en waar nodig, welke afvalstoffen juist niet worden geaccepteerd (acceptatiebeleid) en welke afvalstoffen op welke manier binnen het bedrijf worden verwerkt (verwerkingsbeleid). Daarnaast moeten door technische, administratieve en organisatorische maatregelen de relevante processen binnen een bedrijf beheerst worden. Op deze wijze worden de milieuhygiënische en informatietechnische risico’s binnen de bedrijfsvoering geminimaliseerd. De omvang en de inhoud van de AO/IC is afhankelijk van de aard van de risico’s van het betreffende bedrijfsproces. De onderdelen die minimaal in het A&V-beleid en AO/IC moeten zijn beschreven, zijn vastgelegd in het LAP.

De minimale elementen voor het A&V-beleid en AO/IC vormen een kader en bevatten criteria op hoofdlijnen, waaraan de aanvraag inhoudelijk wordt getoetst.

Bedrijven moeten in het A&V-beleid ook uitwerken of en zo ja, welke afvalstoffen geaccepteerd worden die zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) kunnen bevatten. In het A&V-beleid moet worden uitgewerkt op welke wijze wordt beoordeeld of ZZS kunnen voorkomen in de afvalstoffen die geaccepteerd worden. Indien ZZS kunnen voorkomen, moet beschreven worden hoe de betreffende afvalstoffen worden verwerkt en hoe gewaarborgd is dat onaanvaardbare risico’s voor blootstelling van mens en milieu veroorzaakt door ZZS, worden voorkomen.

Bij de aanvraag is een beschrijving van het A&V-beleid en de AO/IC gevoegd. Daarin is per afvalstof aangegeven op welke wijze acceptatie en verwerking plaats zullen vinden. Hierbij is rekening gehouden met de specifieke bedrijfssituatie. Het beschreven A&V-beleid en de AO/IC voldoen niet geheel aan de minimale onderdelen zoals die in het LAP zijn beschreven. Wij hebben hiervoor aanvullende voorschriften opgenomen. Op basis van het gestelde in de aanvraag en het opnemen van extra voorschriften kunnen wij met dit A&V-beleid en de AO/IC instemmen.

4.7.1. Wijzigingen in het A&V-beleid en/of de AO/IC 

Wijzigingen in het A&V-beleid en/of de AO/IC moeten schriftelijk aan ons worden voorgelegd. Als bevoegd gezag zullen wij vervolgens bezien welke procedure in relatie tot de aard van de wijziging is vereist.

4.8. Registratie

De aanvrager verkrijgt met deze vergunning de mogelijkheid om afvalstoffen van buiten de inrichting te ontvangen. Op grond van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen moet de inrichting de ontvangst van afvalstoffen gedeeltelijk melden. Voor een effectieve handhaving van het afvalbeheer is het van belang om naast de meldingsverplichtingen tevens naast de meldingsverplichtingen tevens registratieverplichtingen op te nemen (artikel 5.8 van het Bor). In deze vergunning zijn dan ook voorschriften voor de registratie van o.a. de aangevoerde, de afgevoerde en de geweigerde (afval-)stoffen opgenomen.

4.9. Zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) in afvalstoffen

In het kader van ZZS dient er onderscheid gemaakt te worden tussen het stoffenbeleid enerzijds en het afvalstoffenbeleid anderzijds.

Het stoffenbeleid is Europees geregeld en is neergelegd in verordeningen als de REACH-verordening (hierna te noemen: REACH) en de POP-verordening (hierna te noemen: POP). Deze regelgeving is gericht op het voorkomen dan wel verwijderen van de ZZS uit de economie. De regels uit REACH en POP gelden rechtstreeks en inrichtingen (Toezichthouders ECHA en ILT) dienen derhalve zelf zorg te dragen voor de naleving ervan. Nationaal bezien geldt voor emissies van ZZS een minimalisatieverplichting. Voor emissies van ZZS naar de lucht gelden de regels uit afdeling 2.3 van het activiteitenbesluit of de vastgestelde BBT-conclusies en voor emissies van ZZS naar het water gelden de restricties van de Waterwet.

Daarnaast is er het nationale afvalstoffenbeleid, dat gericht is op een circulaire economie, waarin het uitgangspunt is dat materiaal zo lang mogelijk in de economie kan blijven, doch rekening houdend met de bescherming van de gezondheid van mens en milieu. Dit betekent dat de aanwezigheid van ZZS in een afvalstof van invloed is op mogelijkheid van nuttige toepassing.

Het nationale beleid ten aanzien van ZZS-houdende afvalstoffen is neergelegd in met name hoofdstuk B.14 van het LAP. Daarnaast zijn voor specifieke menghandelingen met ZZS-houdende afvalstoffen regels opgenomen in hoofdstuk D.4 van LAP.

De juridische basis voor een beoordeling van verwerking van afval met ZZS is artikel 2.14, lid 1, onder b van de Wabo. Hierin staat dat bij het verlenen van omgevingsvergunningen, onderdeel milieu, rekening gehouden moet worden met artikel 10.14 van de Wm en dus met het LAP. Deze verplichting betreft niet alleen de omgevingsvergunningen voor afvalbeheerinrichtingen, maar ook de vergunningen voor bedrijven waar afval vrijkomt.

Ter verduidelijking zal worden ingegaan op de relevante aspecten en toetsingskaders in het kader van ZZS-houdende afvalstoffen. Het beleid van LAP zoals neergelegd in B.14 en D.4 is uitvoerig van aard en derhalve bevat onderstaande tekst slechts een weergave op hoofdlijnen van het wettelijke kader en het beleid van LAP aangaande ZZS.

REACH-Verordening (REACH)

De REACH-Verordening heeft onder andere tot doel een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mens en milieu te waarborgen en tegelijkertijd het concurrentievermogen en de innovatie te vergroten. REACH verbiedt kort gezegd dat bepaalde ZZS in de handel worden gebracht (tenzij dat onder de voorwaarden van REACH gebeurt) of dat bepaalde ZZS als zodanig of in mengsels of voorwerpen worden gebruikt. REACH maakt daarbij onderscheid tussen stoffen die op de autorisatielijst staan (zij mogen alleen worden gebruikt als daarvoor autorisatie is verkregen) en stoffen die op de restrictielijst staan (zij mogen alleen worden verwerkt onder bepaalde restricties).

POP-verordening (POP)

De POP-verordening ziet op het voorkomen van vrijkomen van persistente organische verontreinigde stoffen (POPs). De verordening wil dit bereiken door het stellen van grenswaarden van POPs in producten. Daarnaast regelt POP een veilige verwerking van POP-houdende afvalstoffen. Het betreft dan afvalstoffen die POPs bevatten boven een in de POP-verordening genoemde grenswaarde. De bepalingen in de POP-verordening zijn rechtstreeks werkend.

Op grond van artikel 7 van de POP-verordening dienen producenten en houders van afval alle redelijke inspanningen te verrichten om, waar mogelijk, verontreiniging van dit afval met de in bijlage IX van de verordening opgenomen stoffen te voorkomen.

Het beleidskader van LAP en de sectorplannen van LAP vormen onder andere een uitwerking van deze regelgeving.

Verwerking van afvalstoffen met ZZS

Het algemene nationale beleid ten aanzien van verwerking van afvalstoffen met ZZS ten behoeve van nuttige toepassing, is neergelegd in hoofdstuk B.14 van LAP.

Voor de verwerking van afvalstoffen met ZZS geldt in de eerste plaats dat de verwerking in relatie tot de beoogde toepassing niet in strijd mag zijn met de bepalingen van de REACH- en POP-verordening. Er dient in geval van een aangevraagde of vergunde verwerking of nuttige toepassing daarom eerst gekeken te worden of de ZZS in de afvalstoffen onder REACH en POP zijn geregeld. Als dat het geval is dan is de verwerking tot de beoogde toepassing alleen toegestaan indien dat niet in strijd is met REACH of POP. Voor het toepassen van nationaal beleid (LAP) is dan geen ruimte.

Toepassing van het nationale LAP-beleid bij het verwerken van afval tot de beoogde toepassing is pas aan de orde in een aantal gevallen, te weten:

  • 1.

    De ZZS is niet geregeld onder REACH of POP

  • 2.

    De ZZS staat op de kandidaatslijst van REACH

  • 3.

    De ZZS-houdende afvalstof wordt toegepast op een manier waarop de restricties van REACH niet toezien

  • 4.

    De ZZS staat wel op de autorisatielijst, maar de verwerking is gericht op het maken van voorwerpen

Indien een inrichting een verwerking gericht op nuttige toepassing verricht, die valt onder één van de vier bovengenoemde gevallen, dan is de verwerking niet zonder meer toegestaan. In dat geval zal mogelijk een risicoanalyse moeten uitwijzen of de beoogde verwerking is toegestaan.

Risicoanalyse (Ra)

Hoofdstuk B.14 van het derde Landelijk Afvalbeheerplan (LAP) besteedt aandacht aan zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) in afvalstoffen en de (on)mogelijkheden die dat biedt voor het nuttige toepassen van afvalstoffen, voor typering van reststoffen als bijproduct of voor het typeren van teruggewonnen materialen of voorwerpen als einde-afvalstof. Als een bedrijf een ZZS-houdende afvalstof wil verwerken t.b.v. nuttige toepassing, of als een houder van een ZZS-houdend materiaal van mening is dat het geen afvalstof betreft, zal dit bedrijf of deze houder aan moeten tonen dat er geen onaanvaardbare risico’s verbonden zijn aan de beoogde inzet van dat materiaal. Hiertoe moet een risicoanalyse worden opgesteld (paragraaf B.14.4.3. van het LAP).

In de beleidskern van paragraaf B.14.6 van LAP is opgenomen in welke gevallen een risicobeoordeling moet worden gemaakt. Ook staat er aan welke eisen deze moet voldoen en dat de vergunning niet verleend kan worden als het bevoegd gezag niet overtuigd is dat sprake is van aanvaardbare risico’s.

Op dit moment wordt bezien welke wettelijke aanpassingen nodig zijn om het beleid ten aanzien van een risicobeoordeling van afvalstoffen op ZZS verdergaand juridisch te verankeren, ook bij bedrijven die meldingsplichtig zijn.

De Handreiking Risicoanalyse ZZS in afvalstoffen als achtergronddocument bij het LAP hoofdstuk B.14 strekt tot nadere uitwerking van de aspecten die in een dergelijke risicoanalyse moeten worden betrokken. De handreiking is zowel bedoeld voor bedrijven die afvalstoffen met ZZS (willen) verwerken, als voor het bevoegd gezag om de beoogde verwerking te beoordelen. Deze risicoanalyse is nodig als ZZS in afvalstoffen voorkomen boven een in het LAP genoemde concentratiegrenswaarde (CGW) en noch de betreffende minimumstandaard uit het LAP, noch de Europese stoffenwetgeving op de beoogde toepassing of verwerking van (afval met) de ZZS toeziet.

Opgemerkt zij dat niet voor elk moment in de afvalverwerkingsketen geldt dat een Ra aan de orde is. Pas als sprake is van een mechanische, fysische en/of chemische handeling die gericht is op het maken van een product, halffabrikaat of afvalstof die t.b.v. een toepassing op de markt wordt gebracht, is een Ra aan de orde als aan bepaalde randvoorwaarden is voldaan. Dit geldt ook voor een mechanische, fysische en/of chemische handeling waarbij het verwerkte afval ook daadwerkelijk conform de beoogde toepassing wordt afgezet (bijvoorbeeld in de vorm van een product dat op de markt wort gebracht of een toepassing als vulstof). In het geval van op- en overslag, een mechanische of fysische behandeling zoals verkleinen, wassen of breken, is een Ra derhalve niet aan de orde.

Indien een inrichting een verwerking verricht die plaatsvindt op een moment waarop eventueel een Ra aan de orde is, dient te worden beoordeeld welke ZZS in de afvalstroom of afvalstromen aanwezig zijn en in welke concentratie. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit een meting of de meest recente versie van het Rapport Inventarisatie ZZS in afvalstoffen, SGS Intron (thans december 2019). Verder dient eventueel op basis van informatie verkregen van de inrichting te worden beoordeeld welke ZZS nog meer aanwezig zijn in de afvalstromen die de inrichting verwerkt. Hierbij kan het bevoegd gezag mogelijk verlangen dat de aanwezigheid van andere ZZS wordt onderzocht indien daar aanleiding toe bestaat.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of de REACH- of de POP-verordening of een minimumstandaard van een sectorplan van LAP reeds toeziet op de verwerking van de afvalstof met deze ZZS, of bepalingen kent ten aanzien van het in de handel brengen of het gebruik van de ZZS.

Slechts als aan de volgende criteria is voldaan, is een Ra aan de orde:

De minimumstandaard voor de afvalstof ziet niet toe op de ZZS

REACH en POP zien niet al toe op het op de markt brengen van de ZZS of ZZS-houdende producten of materialen, noch op de verwerking van de afvalstof met ZZS

Dit laatste houdt in dat een Ra alleen aan de orde kan zijn in het geval van verwerking met als doel nuttige toepassing of in geval van een beoordeling bijproduct of einde-afvalstof voor:

  • -

    Afvalstoffen met ZZS van de kandidaatslijst van REACH

  • -

    Afvalstoffen met ZZS die voorkomen op de restrictielijst van REACH, maar die worden toegepast op een wijze waarop de restricties niet toezien

  • -

    Afvalstoffen met stoffen van de autorisatielijst van REACH, maar waarvan wordt beoogd een voorwerp te maken

  • -

    Afvalstoffen die overige ZZS bevatten. Dit zijn stoffen die niet voorkomen in de POP-verordening of de autorisatielijst, restrictielijst of kandidaatslijst van REACH.

Ten aanzien van de criteria voor een Ra geldt verder dat een Ra alleen aan de orde is als de ZZS in een afvalstof of materiaal aanwezig is boven een bepaalde concentratiegrenswaarde (CGW). Deze CGW is in principe 0,1% g/g (1.000 mg/kg), tenzij een afwijkende waarde is vastgesteld in tabel 17 van bijlage 11 van LAP. Hierbij zij overigens opgemerkt dat specifiek beleid, zoals het beleid voor het mengen van afval tot bouwstoffen, van toepassing kan zijn en beperkingen kan stellen aan de beoogde verwerking.

Tot slot dient, voor de beantwoording van de vraag of de verwerkingshandeling kan worden toegestaan, te worden beoordeeld of het technisch of economisch niet mogelijk is om de ZZS uit het materiaal te vernietigen of af te scheiden en het materiaal dan zonder ZZS of met heel lage gehalten ervan alsnog voor recycling of nuttige toepassing in te zetten. Indien dat het geval is, wordt de inzet van ZZS-houdend materiaal niet toegestaan zonder deze reinigingsstap.

Als het technisch of economisch niet mogelijk is de ZZS te verwijderen, dan dient u middels een Ra aan te tonen dat er geen onaanvaardbare risico’s verbonden zijn aan de boogde inzet van het materiaal.

Voor de beoordeling en toepassing van de begrippen “technisch en economisch mogelijk” en “gehalte” wordt verwezen naar paragraaf 3.5 van de Handreiking risicoanalyse ZZS, Rijkswaterstaat, versie 1.0 (november 2018).

Mengen van afvalstoffen met ZZS

De basis van het algemene mengbeleid is artikel 18 van de Kaderrichtlijn Afvalstoffen (Kra). Hierin is vastgelegd dat lidstaten maatregelen moeten nemen om ervoor te zorgen dat gevaarlijke afvalstoffen niet worden gemengd met andere categorieën van gevaarlijk afvalstoffen, noch met andere afvalstoffen, stoffen of materialen, en ook niet worden verdund.

 

Nationaal is dit wettelijk uitgewerkt in onder andere artikel 10.54a van de Wet Milieubeheer (Wm) en artikel 2.12 van het Activiteitenbesluit, welk laatste artikel op type A-, B- en C-inrichtingen van toepassing is. Artikel 2.12 van het Abm is verder uitgewerkt in artikel 2.9 van de Activiteitenregeling (Arm). In bijlage 11 van de Arm zijn de categorieën afvalstoffen te vinden zoals bedoeld in art. 10.54a van de Wm.

Het wettelijke kader voor mengen is verder uitgewerkt in hoofdstuk D.4 van LAP. Nu het zonder daartoe strekkende vergunning op grond van artikel 10.54 van de Wm verboden is om menghandelingen uit te voeren van gevaarlijke afvalstoffen, vormt dit beleid het toetsingskader voor het vergunnen van menghandelingen met gevaarlijke afvalstoffen en de op te nemen voorschriften (ook in geval van een Omgevingsvergunning Beperkte Milieutoets).

Een menghandeling kan alleen worden toegestaan indien aan de volgende cumulatieve voorwaarden wordt voldaan:

  • 1.

    Het mengen leidt niet op enig moment tot blootstelling van mens of milieu aan ZZS;

  • 2.

    Het mengen staat verwerking conform de minimumstandaard van de te mengen afvalstoffen niet in de weg;

  • 3.

    Het mengen leidt op het niveau van de inrichting niet tot onaanvaardbare consequenties voor milieu, veiligheid en/of gezondheid.

Wat betreft het eerste punt geldt tevens dat het mengen van ZZS-houdende afvalstoffen niet strijdig met REACH of POP mag zijn, en dat het mengen ook niet is toegestaan als het afvalstoffen betreft die op basis van bijlage F.5 van LAP gescheiden gehouden dienen te worden.

Voor sommige specifieke situaties heeft het mengbeleid specifieke toetsingskaders beschreven voor de beoordeling van de vraag of de menghandeling kan worden toegestaan. Twee belangrijke situaties zijn mengen ten behoeve van bouwstoffen en mengen ten behoeve van immobilisaten (vormgegeven bouwstof).

Ten aanzien van het mengen ten behoeve van bouwstoffen is het algemene mengbeleid van toepassing, maar met de aanvulling dat mengen alleen kan worden toegestaan als de te mengen afvalstoffen individueel voldoen aan de kwaliteitseisen van het Besluit Bodemkwaliteit. Slechts in uitzonderlijke situaties zoals beschreven in hoofdstuk B.7 van LAP mag hiervan worden afgeweken.

Het mengen ten behoeve van de productie van immobilisaten, die individueel niet aan de eisen van het Bbk voldoen, kan onder voorwaarden toch toegestaan worden. Het moet dan gaan om situaties waarin de afvalstoffen die volgens de minimumstandaard normaliter verwijderd hadden moeten worden. Mengen ten behoeve van de productie van immobilisaten heeft dan de voorkeur, omdat dan de ZZS-houdende afvalstoffen nuttig worden toegepast in plaats van worden verwijderd.

Menghandelingen ten behoeve van de productie van immobilisaten kunnen slechts worden toegestaan als wordt voldaan aan de volgende criteria:

  • 1.

    Mengen is niet toegestaan indien dit op enig moment leidt tot blootstelling van mens of milieu aan de ZZS in de afvalstof;

  • 2.

    In de toepasselijke sectorplannen mag de menghandeling niet expliciet verboden zijn;

  • 3.

    De afvalstoffen mogen niet het resultaat zijn van het concentreren van vervuiling, met uitzondering van t.b.v toepassing in zoutcavernes.

4.10. Conclusie

Gelet op het bovenstaande zijn wij van mening dat de aangevraagde activiteiten in overeenstemming zijn met het geldende afvalbeheersplan en daarmee bijdragen aan een doelmatig beheer van afvalstoffen.

 

5. AFVALWATER EN WATERBESPARING

5.1. Lozingen afvalwater

Algemeen

Jan Klaasen exploiteert een metaalrecycling bedrijf aan de Ynfeart 14 te Heerenveen. Binnen de inrichting vinden verschillende activiteiten plaats, zoals het op- en overslaan, sorteren, scheiden en bewerken en verwerken van ferro- (o.a. schrootijzer, gruis, knipijzer) en non-ferrometalen (o.a. zink, koper, aluminium, roestvrij staal) om zodoende het hergebruik van metalen mogelijk te maken. Daarnaast kunnen bouwstoffen (zand) en steenachtig materiaal (puin) en kunststoffen worden op- en overgeslagen. Ten behoeve van het breken van puin kan een puinbreker worden ingezet. Op het terrein bevindt zich een kantoor met kantine, een weegbrug, loodsen en een opstelplaats met een vaste metaalshredder.

Beschrijving afvalwaterstromen

Op het terrein is bedrijfsriolering aanwezig. Uit de aanvraag blijkt dat de volgende afvalwaterstromen binnen de inrichting worden geloosd via de bedrijfsriolering op de gemeentelijke riolering.

  • a.

    Huishoudelijk afvalwater

Jaarlijks wordt circa 250 m3 huishoudelijk afvalwater geloosd dat afkomstig is van de sanitaire voorzieningen en het kantoor en de kantine binnen de inrichting. Dit afvalwater wordt geloosd op het vuilwaterri­ool van de gemeentelijke riolering.

  • b.

    Hemelwater afkomstig van bodembeschermende voorzieningen

Op dit deel van het terrein met bodembeschermende voorzieningen bevindt zich onder andere de opstelplaats van de mobiele puinbreker, de sorteerinstallatie, de opslag van materiaal voor de sorteerlijn en de opslag van geweigerde partijen. Daarnaast wordt hier een tankplaats gerealiseerd. Hemelwater afkomstig van de bodembeschermende voorzieningen wordt via de bedrijfsriolering en twee bestaande olie-benzineafscheiders geleid. Het water wordt vervolgens via een inspectieput geloosd op het vuilwaterri­ool van de gemeentelijke riolering.

  • c.

    Hemelwater afkomstig van de dakvlakken en het verharde terrein

Op het verharde terrein vindt de opslag van onder andere lege containers, knipijzer, te shredderen product en eindproduct plaats. Daarnaast staan op dit deel van het terrein twee romneyloodsen. Het hemelwater afkomstig van de dakvlakken van de romneyloodsen en het verharde terrein wordt via de bedrijfsriolering en een bezinksel- en coalescentie-afscheider geleid. Het water wordt vervolgens via een inspectieput geloosd op het vuilwaterri­ool van de gemeentelijke riolering.

De totale lozing op het riool afkomstig van zowel het hemelwater afkomstig van bodembeschermende voorzieningen (b) als het hemelwater afkomstig van de dakvlakken en het verharde terrein (c) bedraagt circa 26.500 m3 per jaar.

Beleid

Het beleid gericht op de bescherming van het water tegen verontreiniging vormt een onderdeel van het totale milieubeleid, zoals geformuleerd in diverse meerjarenprogramma’s milieubeheer en het Nationaal Milieubeleidsplan. Het beleid van de waterbeheerders is geformuleerd in het Nationaal Waterplan. Het nationale beleid is in het Waterbeheerplan 2022-2027 toegespitst op de Friese situatie.

Het algemene beleidskader is van toepassing voor alle wateren en bestaat uit twee sporen:

  • 1.

    het toepassen van de beste beschikbare technieken (BBT), en

  • 2.

    waar nodig en mogelijk verdergaande maatregelen, met het oog op het bereiken van de gewenste waterkwaliteit (emissie-immissietoets). Dit houdt in dat wanneer de restlozing na toepassing van de BBT leidt tot ontoelaatbare effecten voor de lokale waterkwaliteit, het bevoegd gezag beziet of er aanvullende beperkingen of voorschriften aan de vergunning kunnen worden verbonden dan wel de vergunning moet worden geweigerd.

Het aanvullende beleidskader richt zich specifiek op de waterlichamen in de zin van de Kaderrichtlijn Water en beoogt onder meer het waarborgen van “geen achteruitgang” voor de toestand van de waterlichamen. Dit kan zo nodig inhouden dat lozingen worden verplaatst naar minder kwetsbare waterlichamen en dat schadelijke milieuvreemde stoffen worden vervangen door andere stoffen met een vergelijkbare werking en minder schade aan het watermilieu.

Richtlijn Industriële Emissies

De Richtlijn Industriële Emissies omvat een integratie van de IPPC-richtlijn, die van toepassing is op installaties die in hoge mate als milieubelastend worden beschouwd (de gpbv-installaties). Met deze richtlijn wordt een vergunningenregime beoogd voor onder andere emissies naar water uit grote industriële installaties, waarbij rekening wordt gehouden met vermindering van afval en energieverbruik (integrale afweging). Een belangrijk element is dat emissiegrenswaarden gebaseerd dienen te zijn op de in de richtlijn gedefinieerde BBT. De BBT is beschreven in referentiedocumenten oftewel BREF’s. In de ministeriële regeling (de Mor) is aangegeven met welke BBT-conclusies en informatiedocumenten over BBT bij de besluitvorming rekening moet worden gehouden.

Activiteitenbesluit

In het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit) zijn voor verschillende activiteiten die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden algemene voorschriften opgenomen. Met het Activiteitenbesluit wordt de vergunningplicht op grond van de Wet milieubeheer voor deze activiteiten opgeheven. Alleen de activiteiten van de aangewezen gpbv-installaties zoals genoemd in het Besluit omgevingsrecht (Bor) blijven vergunningplichtig. De voorschriften die in deze vergunning zijn opgenomen zijn die voorschriften die niet zijn geregeld in het Activiteitenbesluit en de Ministeriële regeling.

Algemene Beoordelingsmethodiek (ABM) 

Sinds augustus 2002 geldt voor de beoordeling van stoffen en mengsels de "Algemene Beoordelings Methodiek" (ABM). In maart 2016 is de ABM geactualiseerd waarbij de aanpak van Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) is geïntegreerd. De methodiek stelt bedrijven en waterkwaliteitsbeheerders in staat om op een eenduidige wijze de waterbezwaarlijkheid van stoffen en mengsels te benoemen.

Daarnaast volgt uit de methodiek welke saneringsinspanning voor de betreffende stof of het mengsel moet worden getroffen. Daartoe zijn vier saneringsinspanningen te onderscheiden, namelijk:

  • -

    saneringsinspanning A: saneren door toepassing van de best bestaande technieken. Dit zijn die technieken, waarmee tegen hogere kosten dan die welke verbonden zijn aan de best uitvoerbare technieken, een nog grotere reductie wordt verkregen en die in de praktijk kunnen worden toegepast;

  • -

    saneringsinspanning B: saneren door toepassing van de best uitvoerbare technieken. Dit zijn die technieken waarmee, rekening houdend met economische aspecten, d.w.z. uit kostenoogpunt aanvaardbaar te achten voor een normaal renderend bedrijf, de grootste reductie in de verontreiniging wordt verkregen;

  • -

    saneringsinspanning C: saneren door toepassing van de waterkwaliteitsaanpak. Deze aanpak is van toepassing op relatief onschadelijke verontreinigingen; de maatregelen die in het kader van deze aanpak moeten worden getroffen, zijn primair afhankelijk van de waterkwaliteitsdoelstellingen van het ontvangende oppervlaktewater;

  • -

    saneringsinspanning Z: saneren door toepassing van de meest vergaande best bestaande technieken. In beginsel moet gestreefd worden naar een nullozing middels een cyclische aanpak bestaande uit bronaanpak, minimalisatie en continu verbeteren.

 

De algemene beoordelingssystematiek is toepasbaar voor alle stoffen en mengsels, ongeacht de bedrijfstak waar zij worden ingezet. Voor deze methodiek geldt dat de verantwoordelijkheid voor het aanleveren van de milieu-informatie van stoffen aan het bevoegd gezag bij de aanvrager/vergunninghouder ligt. Indien de vereiste gegevens ontbreken wordt een worst-case benadering gehanteerd.

Beoordeling van de aanvraag

Jan Klaasen aan de Ynfeart 14 te Heerenveen betreft een type C-inrichting met een IPPC-installatie. Dit betekent dat het Activiteitenbesluit en de bijbehorende regeling activiteitenbesluit op het bedrijf van toepassing zijn. Daarnaast valt het bedrijf onder de Europese richtlijn industriële emissies (RIE).

  • a.

    Huishoudelijk afvalwater

Het huishoudelijk afvalwater van de sanitaire voorzieningen wordt zonder voorziening geloosd op het vuilwaterriool van het gemeentelijk stelsel. Aan deze lozing worden in het Activiteitenbesluit geen concrete voorschriften gesteld; de lozingen mogen in beginsel zonder beperkingen plaatsvinden. Wel moet op grond van de zorgplichtbepaling, artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit, worden voorkomen dat de doelmatige werking van de rioolwaterzuiveringsinstallatie wordt belemmerd of onnodige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater zou veroorzaken.

  • b.

    Hemelwater afkomstig van bodembeschermende voorzieningen

Hemelwater afkomstig van de bodembeschermende voorzieningen wordt onder afschot verzameld in een aantal opvangputten en vervolgens via twee opeenvolgende olie-benzineafscheiders en een inspectieput geloosd op het vuilwaterriool van de gemeentelijke riolering.

Op dit deel van het terrein wordt een tankplaats gerealiseerd. De tankplaats is voorzien van een vloeistofdichte vloer. Afvalwater afkomstig van dit deel is mogelijk verontreinigd met minerale olie en onopgeloste stoffen. Deze lozing dient te voldoen aan de voorschriften zoals geregeld in het Activiteitenbesluit onder paragraaf 3.3.1 “Afleveren van vloeibare brandstof of gecomprimeerd aardgas aan motorvoertuigen of afleveren van vloeibare brandstof aan spoorvoertuigen”.

In onderhavige situatie wordt dit afvalwater gecombineerd met hemelwater dat afkomstig is van onder andere de opstelplaats van de mobiele puinbreker, de sorteerinstallatie, de opslag van materiaal voor de sorteerlijn en de opslag van geweigerde partijen.

Bepaalde afvalstromen die bij Jan Klaasen worden ontvangen kunnen zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) bevatten, zoals zware metalen. ZZS zijn stoffen die zijn geclassificeerd als de gevaarlijkste stoffen voor mens en milieu die met voorrang aangepakt moeten worden.

Bij het op- en overslaan maar ook bij het bewerken en verwerken van metalen kunnen de ZZS uitlogen en na behandeling in de olie-benzineafscheider met het afvalwater geloosd worden op de gemeentelijke riolering. Het streven is om ZZS uit de leefomgeving te weren.

Het recyclen van metaal binnen de inrichting betreft een nieuwe activiteit. Jan Klaasen heeft daarom in de aanvraag een monitoringsvoorstel met parameters en een bemonsteringsfrequentie weergegeven aan de hand van BBT-maatregel 7 van de BREF Afvalbehandeling.

Op basis van de BBT-conclusies uit de BREF Afvalbehandeling is in de voorschriften dit monitoringsvoorstel als monitoringsverplichting opgenomen. Omdat sprake is van een nieuwe situatie en niet bekend is wat er exact geloosd gaat worden, is in de voorschriften een tabel opgenomen met voorlopige lozingseisen voor de eerste 3 jaar van de aangevraagde activiteiten. Na afloop van deze periode zijn er gegevens over het te lozen afvalwater verzameld en kunnen op basis van deze gegevens definitieve lozingseisen worden vastgesteld.

Tevens is het landelijk waterkwaliteitsbeleid er op gericht om ZZS met een combinatie van bronaanpak, minimalisatie van de restlozing en continue verbetering aan te pakken. Conform het landelijk beleid voor de aanpak van ZZS moet een lozer verplicht iedere vijf jaar rapporteren over de getroffen maatregelen om de emissies van ZZS te verminderen en de technieken die op de markt beschikbaar zijn gekomen om verdere invulling aan de minimalisatie te geven. In de voorschriften wordt een onderzoeksverplichting opgenomen voor de 5-jaarlijkse rapportage.

  • c.

    Hemelwater afkomstig van de dakvlakken en het verharde terrein

Hemelwater afkomstig van het verharde terrein en een deel van het hemelwater afkomstig van de dakvlakken van de romneyloodsen wordt verzameld in een buffer. Vanuit de buffer wordt het via een bezinksel- en coalescentieafscheider en inspectieput geloosd op het vuilwaterri­ool van de gemeentelijke riolering. Deze lozing valt onder de werkingssfeer van paragraaf 3.1.3. “Lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening” van het Activiteitenbesluit.

Richtlijn Industriële Emissies

Het metaalrecycling bedrijf van Jan Klaasen behoort tot de in bijlage 1 van de Richtlijn industriële emissies bedoelde categorieën van industriële activiteiten, te weten categorie 5.3b, lid ii en iv. Bij het bepalen van de BBT hebben wij rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde BBT-conclusies:

  • BREF Afvalbehandeling;

  • BREF Op- en overslag bulkgoederen;

  • BREF Energie efficiëntie en Monitoring.

In de onderhavige aanvraag omgevingsvergunning heeft Jan Klaasen in bijlage 11 BBT Toets afval-bulk-energie d.d. 25 mei 2023 aangegeven welke maatregelen er zijn getroffen of zullen worden gerealiseerd om de lozing van afvalwater te laten voldoen aan de BBT zoals die zijn genoemd in de BBT-conclusies en de BREF’s.

Wij hebben de aanvraag beoordeeld en zijn van mening dat Jan Klaasen binnen de inrichting gelegen aan de Ynfeart 14 in Heerenveen de best beschikbare technieken toepast.

Algemene Beoordelingsmethodiek (AMB)

De ABM deelt voor alle bedrijfstakken op een transparante en eenduidige wijze de te lozen stoffen en mengsels in op grond van de eigenschappen. Daarbij geeft de methodiek aan in welke mate emissie-beperkende maatregelen bij een bepaalde stof, gezien de eigenschappen, wenselijk zijn. Uit de ABM volgt een aanduiding van de waterbezwaarlijkheid en een aanbeveling voor de saneringsinspanning.

Binnen de inrichting zullen hulpstoffen worden toegepast zoals vetten en smeermiddelen. Echter omdat de inrichting nog niet in gebruik is, zijn deze stoffen nog niet ingekocht. Aanvrager heeft aangegeven om bij de inkoop te controleren of de betreffende oliën ZZS bevatten. Wanneer dit het geval is, zal gezocht worden naar een vergelijkbaar alternatief. Daarnaast zal bij aankoop van de stof het veiligheidsblad worden opgevraagd.

In de voorschriften is de verplichting opgenomen om nieuwe stoffen en mengsels te toetsen aan de algemene beoordelingsmethodiek.

Conclusie

Uit de voorgaande toets van de afvalwaterstromen is gebleken dat de maatregelen om de lozing te beperken voldoen aan de stand der techniek. Wij zijn van mening dat door de lozingen mogelijk te veroorzaken verontreiniging van het oppervlaktewater en schade aan de doelmatige werking van de rioolwaterzuiveringsinstallatie in voldoende mate kan worden tegengegaan en voorkomen door het stellen van de hiernavolgende voorschriften. Derhalve hebben wij uit het oogpunt van waterkwaliteitsbeheer geen bezwaar tegen het verlenen van de gevraagde vergunning.

Capaciteit riolering

Op 25 augustus 2023 hebben wij van de gemeente Heerenveen een advies ontvangen met betrekking tot de capaciteit van de gemeentelijke riolering. De gemeente heeft ons verzocht een maximaal debiet in de vergunning op te nemen van 3,5 kuub per uur. Dit maximale debiet hebben wij in vergunningvoorschrift 4.1.16 geborgd.

In de BREF afvalbehandeling is in BBT 19 onder i beschreven dat een adequate buffercapaciteit voor afvalwater moet worden gerealiseerd om de gevolgen van ongevallen en incidenten te beperken en emissies naar bodem en water te voorkomen of, indien dat niet haalbaar is, te verminderen. In voorschrift 4.1.17 is verplicht gesteld dat binnen 3 maanden wordt onderzocht of een dergelijke buffer noodzakelijk is. Indien dat zou blijken dat een dergelijke buffer noodzakelijk is moet deze binnen 6 maanden na het onherroepelijk worden van deze vergunning worden gerealiseerd.

5.2. Waterbesparing

5.2.1. Algemeen

De winning van drinkwater kost geld, grondstoffen en energie. Het zuinig gebruik van drinkwater vormt dan ook onderdeel van de verruimde reikwijdte in de Wabo. Het gebruik van drinkwater als proceswater moet zoveel mogelijk worden beperkt tot die processen waarvoor water van een bepaalde kwaliteit noodzakelijk is. Het gebruik van drinkwater als koelwater bijvoorbeeld moet zoveel mogelijk worden voorkomen.

5.2.2. Drinkwaterverbruik 

Het totale drinkwaterverbruik binnen de inrichting bedraagt naar verwachting ongeveer 250 m3 per jaar. Er is geen richtinggevend relevantiecriterium voor waterbesparing. Hier is ook geen beleid voor opgesteld. Omdat er geen sprake is van een relevantiecriterium en gelet op het relatief lage geprognotiseerde drinkwaterverbruik, zien wij geen directe mogelijkheden tot beperking van dit verbruik. Binnen de inrichting zijn de besparingsmogelijkheden om het verbruik van drinkwater terug te dringen niet onderzocht. Wij zijn daarom van mening dat het in deze situatie niet nodig is om voorschriften met betrekking tot beperking van het drinkwaterverbruik in de vergunning op te nemen, niet anders dan de registratie van het jaarlijkse drinkwaterverbruik.

6. Bodem

6.1. Activiteitenbesluit

Voor wat betreft het aspect bodembescherming valt de inrichting volledig onder afdeling 2.4 van het Activiteitenbesluit, omdat het een inrichting betreft waartoe een IPPC-installatie behoort zoals bedoeld in artikel 2.8b, lid 1, onder b van het Activiteitenbesluit. Op grond van het Activiteitenbesluit moeten alle bedrijfsactiviteiten worden verricht met voorzieningen en maatregelen die leiden tot een verwaarloosbaar bodemrisico.

6.2. Nulsituatieonderzoek

Het preventieve bodembeschermingsbeleid gaat ervan uit dat (zelfs) een verwaarloosbaar bodemrisico nooit volledig uitsluit dat een verontreiniging of aantasting van de bodem optreedt. Om die reden is altijd een nulsituatieonderzoek naar de kwaliteit van de bodem noodzakelijk. Het nulsituatieonderzoek richt zich op de afzonderlijke activiteiten en de daar gebruikte stoffen.

Nulsituatieonderzoek bestaat uit het vastleggen van de nulsituatie bodemkwaliteit voorafgaand aan de start van de betreffende activiteit(en). Na het beëindigen van de betreffende activiteit(en) dient een vergelijkbaar eindonderzoek te worden uitgevoerd.

Het nulsituatieonderzoek moet ten minste duidelijkheid verstrekken over:

  • de bodemkwaliteit ter plaatse van de bodembedreigende activiteiten die binnen de inrichting worden uitgevoerd. Hierbij is ook van belang dat op de stoffen wordt geanalyseerd die worden gebruikt;

  • de locatie van bemonsteringspunten rekening houdend met de mobiliteit van de gebruikte stoffen en de lokale grondwaterstroming;

  • de wijze waarop de betreffende stoffen moeten worden gedetecteerd, bemonsterd en geanalyseerd;

  • de bodemkwaliteit ter plaatse van bemonsteringslocaties.

De in het nulsituatieonderzoek vastgelegde bodemkwaliteit geldt als uitgangspunt bij de beoordeling of ten gevolge van de betreffende activiteiten verontreiniging of aantasting van de bodem heeft plaatsgevonden en of bodemherstel nodig is.

Voor het bodemonderzoek noodzakelijke werkzaamheden als vermeld in de Regeling bodemkwaliteit moeten zijn uitgevoerd door een erkende instantie als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit.

Voor de inrichting zijn zoals in de aanvraag staat vermeld bodemonderzoeken uitgevoerd:

  • 1.

    Eindsituatie bodemonderzoek De Ynfeart 14 te Heerenveen, BK Ingenieurs B.V., projectnummer 170584, d.d. 3 mei 2017;

  • 2.

    Brief ‘Beoordeling eindsituatie bodemonderzoek, betreffende De Ynfeart 14 te Heerenveen, d.d. 19 juni 2017.

Het aangeleverde bodemonderzoek uit 2017 kan ook voor de onderhavige revisievergunning als nulsituatie bodemonderzoek dienen. Na de bedrijfsbeëindiging van Noordelijke Asfaltcentrale, Noap B.V., hebben er geen activiteiten meer plaatsgevonden op deze locatie. Het bodemonderzoek betreft het eindsituatie bodemonderzoek naar de kwaliteit van grond en grondwater op de locatie aan de Ynfeart 14 te Heerenveen. Uit het bodemonderzoek blijkt dat in de bovengrond plaatselijk sprake is van licht verhoogde gehalten aan zware metalen, PAK, PCB en/of minerale olie. In het bodemonderzoek wordt terecht geconcludeerd dat de bodem niet negatief beïnvloed is door de voormalige bedrijfsactiviteiten op de locatie

De voor dit onderzoek noodzakelijke werkzaamheden als vermeld in de Regeling bodemkwaliteit zijn uitgevoerd door BK Ingenieurs B.V. Dit is een erkende instantie als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Hiermee is de kwaliteit van het bodemonderzoek geborgd en zijn de resultaten betrouwbaar. Het onderzoek van 3 mei 2017 geeft ons overigens ook geen aanleiding tot het stellen van nadere maatregelen of eisen en beschouwen wij daarom als nulsituatie onderzoek.

7. BRANDPREVENTIE/-BESTRIJDING 

Brandveiligheid

Branden bij afvalverwerkingsbedrijven kunnen een grote impact hebben op de omgeving. Gelet op hetgeen vermeld is in hoofdstuk 9 “EXTERNE VEILIGHEID” en op grond van de aangevraagde hoeveelheid afvalstoffen (metaal, kunststof), moet het bedrijf een uitgebreid brandveiligheidsplan ter goedkeuring overleggen. In de aanvraag is dit aspect niet voldoende uitgewerkt.

Naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek “Voorlopige resultaten project brandveiligheid afvalbedrijven - Nederlands Instituut Publieke Veiligheid (nipv.nl)” is onderstaande aanbeveling gedaan:

“Het ontbreekt op dit moment aan een risicogericht kader beleidskader over de beheersing van risico’s bij afvalbedrijven. Dat betekent dat in de milieuregelgeving geen goede kaders zijn opgenomen waarmee de risico’s bij afvalbedrijven kunnen worden beheerst terwijl er wel behoefte is en uit het onderzoek blijkt dat in de vergunningen onvoldoende aansluiten bij de praktijk en de vele incidenten. Uit de recente branden is gebleken dat er noodzaak is om de brandveiligheid bij dergelijke bedrijven te verhogen. De bronnen 1 in samenhang met het rapport zijn aanleiding om het risico op een brand binnen de inrichting te mitigeren.”

Op basis van het bovenstaande wordt een brandveiligheidsplan noodzakelijk geacht dat de goedkeuring moet hebben van het bevoegd gezag. In de vergunningaanvraag is onvoldoende gemotiveerd dat de risico’s worden geïdentificeerd en dat adequate beheersmaatregelen worden getroffen. In verband met het voorgaande hebben wij voorschriften aan deze vergunning verbonden.

8. ENERGIE 

Algemeen

In het landelijke beleid zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit) worden inrichtingen aan de hand van het jaarlijkse energieverbruik als volgt ingedeeld:

  • -

    Kleinverbruikers: minder dan 25.000 m³ aan aardgasequivalenten én minder dan 50.000 kWh elektriciteitsverbruik;

  • -

    Middelgrote verbruikers: tussen 25.000 en 75.000 m³ aan aardgasequivalenten en/of tussen 50.000 en 200.000 kWh elektriciteitsverbruik;

  • -

    Grootverbruikers: tussen 75.000 en 170.000 m³ en/of tussen 200.000 en 10 miljoen kWh elektriciteitsverbruik.

  • -

    Zeer grote energiegebruikers: meer dan 170.000 m³ aan aardgasequivalenten en/of meer dan 10 miljoen kWh elektriciteitsverbruik.

Voor andere energiebronnen dan elektriciteit en aardgas wordt het verbruik uitgedrukt in aardgasequivalenten door de omrekenfactoren te hanteren zoals opgenomen in artikel 2.16d van de Activiteitenregeling.

Uit de vergunningaanvraag blijkt het volgende jaarlijkse energieverbruik van aardgas en elektriciteit in de inrichting:

  • -

    2.500 m³ aardgas;

  • -

    1.300.000 kWh elektriciteit

Hieruit blijkt dat sprake is van een energierelevante inrichting en van een energiegrootverbruiker.

Activiteitenbesluit per 1 juli 2023

Op 1 juli 2023 is het Activiteitenbesluit gewijzigd voor de energiebesparingsplicht. Zo heet vanaf die datum de plicht tot energiebesparing in het Activiteitenbesluit in afdeling 2.6, 'verduurzaming van het energiegebruik'. Daarbij geldt vanaf die datum deze afdeling ook voor vergunningplichtige inrichtingen (type C).

Een bedrijf of instelling met een verbruik van meer dan 50.000 kWh of 25.000 m3 is verplicht om aan de energiebesparing te doen vanuit het Activiteitenbesluit. Zij moet alle energiebesparende maatregelen nemen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder. Naast energiebesparende maatregelen worden ook maatregelen voor de productie van hernieuwbare energie en maatregelen voor het vervangen van een energiedrager verplicht, mits de maatregelen CO₂ reduceren en een terugverdientijd van vijf jaar of minder hebben.

De energiebesparingsplicht valt per 1 juli 2023 uiteen in een nieuwe informatieplicht, energieverduurzamingsplicht en een onderzoeksplicht (voor zeer grootverbruikers).

De bestaande informatieplicht geldt dan niet alleen meer voor meldingsplichtige inrichtingen type A en B, maar ook voor de vergunningplichtige inrichtingen type C met een energieverbruik tot 10 miljoen kWh of een aardgasverbruik van 170.000 m3. Ook geldt vanaf 1 juli 2023 dat over de maatregelen van de vernieuwde erkende maatregelenlijst (EML) waarover vanuit de informatieplicht moet worden gerapporteerd.

 

Conclusie

Jan Klaasen Beheer B.V. is een inrichting type C, met een energiegebruik van 1.3 miljoen kWh en is daarmee een energiegrootgebruiker. Op grond van het Activiteitenbesluit is de inrichting verplicht om aan de energiebesparing te doen. Afdeling 2.6, 'verduurzaming van het energiegebruik' is rechtstreeks op de inrichting van toepassing. Jan Klaasen Beheer B.V. zal aan de in deze afdeling genoemde artikelen moeten voldoen. Voor het onderdeel energie zijn daarom geen voorschriften in deze vergunning opgenomen.

BREF Energie efficiency

De BBT-toets met betrekking tot de horizontale BREF Energie-efficiëntie is nog wel op alle IPPC- bedrijven van toepassing. Uit de beoordeling is gebleken dat de aanvrager voldoende invulling heeft gegeven aan de BBT-toets voor de energie-aspecten.

9. EXTERNE VEILIGHEID

9.1. Op en overslag gevaarlijke afvalstoffen

9.1.1 Beoordeling Brzo 2015 /Seveso III richtlijn

Eigenschappen van gevaarlijke afvalstoffen zijn opgenomen in de Kaderrichtlijn afvalstoffen in bijlage III. De beoordeling echter welke eigenschap aan een afvalstof moet worden toebedeeld, geschiedt met de regels voor de classificatie van stoffen en mengsel, de zogenaamde CLP-verordening EG 1272/2008.

Of een inrichting die gevaarlijke afvalstoffen opslaat onder het toepassingsgebied van Brzo 2015 / Seveso III-richtlijn valt, moet dus worden beoordeeld aan de hand van de regels voor chemische stoffen en mengsel. Voor de beoordeling van een afvalstof zijn dan ook specifieke kennis en informatie nodig over de samenstelling en de in het mengsel aanwezige bestanddelen.

Aangezien in de meeste A&V-beleidsdocumenten uit het proces van (voor)acceptatie blijkt dat er geen gedetailleerde informatie wordt gevraagd of al dan niet de samenstelling analytisch wordt vastgesteld, gaan wij voor de beoordeling uit van een worst-case samenstelling en dus classificatie op basis van de in het EV-beleid genoemde Eural-codes.

Volgens het bij de aanvraag behorende A&V-beleid worden onderstaande afvalstoffen geaccepteerd. Aan deze Eural-codes hebben wij de classificatie (worst-case benadering) verbonden zoals de afvalstof wordt ingedeeld volgens de Seveso-richtlijn.

Hiermee wordt een indruk verkregen of op enig moment binnen de inrichting hoeveelheden aanwezig kunnen zijn die de lage drempelwaarde in één of meerdere categorieën overschrijden of benaderen.

20.01.33* - batterijen en accu’s, gemengde batterijen en accu’s, ook knoopcellen behoren hiertoe, SP 13 eigenschap KRA: HP6, HP 14

classificatie Seveso-classificatie: H2, E1, E2

De lage drempelhoeveelheid H2 is 50 ton, die van E1 is 100 ton en E2 is 200 ton.

Toelichting: Indien batterijen niet vallen onder 160601*, 160602* of 160603*, betreffen dit gemengde batterijen en accu’s.

160601* - loodaccu’s, SP13

eigenschap KRA: HP14

classificatie Seveso: E1, E2

De lage drempelhoeveelheid van E1 is 100 ton en E2 is 200 ton.

Toelichting: loodaccu’s betreffen startbatterijen in voertuigen met verbrandingsmotoren en in noodstroomaggregaten. Op grond van het aanwezige loodsulfaat en loodoxide hebben deze afvalstoffen de eigenschap milieugevaarlijk.

160602* - Ni-Cd-batterijen, SP13

eigenschap KRA: HP6, HP14

classificatie Seveso: H2*, E2

*bij een gehalte cadmium > 0,1%

De lage drempelhoeveelheid van H2 is 50 ton en E2 is 200 ton.

160603* - kwik batterijen, SP 13

eigenschap KRA: HP6, HP14

classificatie Seveso: H2*, E1*, E2*

Toelichting: Deze batterijen bevatten naast metallisch kwik ook kwikoxide (HP6, HP14). De huidige batterijen mogen een gehalte van maximaal 0.0005% kwik hebben, oudere batterijen/knoopcellen * hebben gehaltes van 2%.

De lage drempelhoeveelheid van H2 is 50 ton, E1 is 100 ton en E2 is 200 ton. De aangevraagde hoeveelheid van deze afvalstoffen volgens de aanvraag is 2000 kg (tabel 2 bron 1 en waarvan 500 kg li-houdend)). Met het vastleggen hiervan zijn er verder geen verplichtingen voor de borging van de Seveso-hoeveelheid noodzakelijk. Andere gevaarlijke afvalstoffen worden niet geaccepteerd.

Binnen de inrichting mogen Li-ion batterijen worden geaccepteerd en mag maximaal 500 kg worden opgeslagen. Er vindt geen bewerking van deze afvalstof plaats. Afvoer vindt plaatst naar erkende verwerkers. Met het van de maximale opslaghoeveelheid zijn verder geen verplichtingen voor de borging van de Seveso-hoeveelheid noodzakelijk. De maximale hoeveelheid van 500 kg is vastgelegd in de aanvraag en voorschrift 3.3.1 van deze vergunning.

9.1.2. Sorteren Li-batterijen

In de bedrijfsvoering dient specifiek aandacht te worden besteed aan het risico op de aanwezigheid van li-ion-batterijen en andere type op de op de markt aanwezige batterijen (Per 1 januari 2023 is een nieuw type batterij geïntroduceerd: lithium-thionyl-chloridebatterijen. Dit zijn niet-oplaadbare lithiumbatterijen die vooral voorkomen in de industrie. Thionyl is lastig te recyclen) voor wat betreft het sorteerproces en de opslagwijze van de batterijen (in het afvalstadium). Veel afvalverwerkers hebben te maken met branden als gevolg van de aanwezigheid van deze batterijen in het afval/elektronica apparatuur.

9.1.3. Opslag afval – lithiumhoudende energiedragers

Ten behoeve van de op- en overslag van gevaarlijke stoffen zijn richtlijnen opgesteld in de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu wordt gerealiseerd. Voor de beoordeling van de aanvraag van de inrichting is voor de opslag van lithium batterijen de PGS37 richtlijn relevant. Deze PGS richtlijn is niet vermeld als Nederlandse informatiedocument over BBT in de bijlage van de Mor. Met toepassing van artikel 5.4, lid 2 van het Bor hebben wij daarom zelf BBT vastgesteld, en verklaren wij de relevante delen van deze richtlijn van toepassing in de voorschriften van deze vergunning.

Omdat het batterijen betreft die het afvalstadium hebben bereikt, moet er van worden uitgegaan dat deze batterijen kunnen zijn beschadigd. Deze hebben een hoger risico op een brand dan onbeschadigde batterijen. Dat betekent dat de opslag van de lithium-batterijen (afval) moet plaatsvinden in een hiervoor geschikte kluis of kast als bedoeld in de aan deze vergunning verbonden voorschriften.

De opslag van li-ion-batterijen in het afvalstadium moet plaatsvinden in een brandveiligheidskluis of kast die moet voldoen aan de eisen voor een kast of kluis zoals bedoeld in bijlage E van PGS 37-2 (versie 1.0 december 2023):

  • -

    en moet een WBDBO hebben van minimaal 90 minuten;

  • -

    de kluis moet zijn voorzien van Storz-koppeling en aantoonbaar waterdicht zijn;

  • -

    - maximale opslagtijd minder dan 30 dagen;

  • -

    het aantal te plaatsen kasten/kluizen moet worden afgestemd met het bevoegd gezag.

Een opslagvoorziening mag niet eerder in gebruik worden genomen dan nadat vergunninghouder informatie aan het bevoegd gezag heeft overgelegd waaruit blijkt dat de opslagvoorziening geschikt is voor de opslag van lithiumhoudende energiedragers in het afvalstadium en het bevoegd gezag hiermee heeft ingestemd.

Met het in acht nemen en naleven van de aan deze vergunning verbonden voorschriften wordt voldaan aan de PGS 37-2 en daarmee aan BBT. De relevante onderdelen van deze richtlijn zijn bij voorschrift aan deze vergunning verbonden.

9.2. Opslag gevaarlijke stoffen in verpakkingen (PGS 15)

Binnen de inrichting worden gevaarlijke stoffen in verpakkingen opgeslagen en gebruikt. In verband met de veilige opslag en behandeling van gevaarlijke stoffen in verpakkingen binnen de inrichting is de PGS 15 van 2016 aangewezen als BBT-document in de Regeling omgevingsrecht. Om te borgen dat de opslag van gevaarlijke stoffen in verpakkingen veilig kan plaatsvinden, hebben wij de relevante delen van de PGS 15 in de vergunningvoorschriften van toepassing verklaard op de inrichting. Daarmee wordt voldaan aan de BBT. 

9.3. Opslag van gasflessen

Binnen de inrichting worden verschillende gasflessen opgeslagen en gebruikt. Het gaat om maximaal 500 liter propaan en butaan, 100 liter menggas argon, 100 liter acethyleen en 200 liter zuurstof.

In verband met de veilige opslag en behandeling van gasflessen binnen de inrichting is de PGS 15 van 2016 aangewezen als BBT-document in de Regeling omgevingsrecht. Wanneer meer dan 125 liter (waterinhoud) aan gassen in een opslagplaats binnen een inrichting wordt opgeslagen, is op deze opslag de PGS 15 van toepassing. Om te borgen dat de opslag gasflessen veilig kan plaatsvinden, hebben wij de relevante delen van de PGS 15 in de vergunningvoorschriften van toepassing verklaard op de inrichting. Daarmee wordt voldaan aan de BBT.

10. GELUID

10.1. Algemeen

De bedrijfsactiviteiten hebben tot gevolg dat geluid wordt geproduceerd. Deze geluidsemissie wordt vooral veroorzaakt door verkeersbewegingen en installaties. De veroorzaakte geluidsniveaus in de omgeving en de perioden waarin deze optreden, zijn in kaart gebracht in een akoestisch rapport van adviesbureau Noorman rapport 22010546.R01c, “Metaalrecyclingbedrijf aan Ynfeart 14 te Heerenveen” van 11 mei 2023. Het geluidsrapport is volledig en correct uitgevoerd. In het genoemde akoestisch onderzoek komt een representatieve (RBS) en een incidentele (IBS) bedrijfssituatie voor. De geluidsemissie wordt, afhankelijk van het beoordelingspunt, bepaald door het opslaan, verwerken en verhandelen van metalen, kunststoffen, bouwstoffen en steenachtig materiaal. Hiervoor worden verschillende shredders, een puinbreker, knipscharen, persen en sorteerinstallaties gebruikt.

Het geluid wordt beoordeeld op basis van de representatieve bedrijfssituatie (de geluidsemissie die de inrichting onder normale omstandigheden veroorzaakt) en de incidentele bedrijfssituatie (die minder dan 12 keer per jaar voorkomt). Beoordeeld worden de geluidsniveaus, te weten het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, de maximale geluidsniveaus en de indirecte hinder als gevolg van het in werking zijn van de inrichting.

Bij de IBS vinden meer aan- en afvoerbewegingen van metaal via de weg (avondperiode) en via het water plaats (dag- en avondperiode), naast een verhoogde inzet van mobiele kranen in de dagperiode en verder de inzet van een puinbreker. Deze bedrijfssituaties komen maximaal 12 keer per jaar voor.

De aangevraagde installaties en voertuigen voldoen aan de stand der techniek en de toegepaste maatregelen voldoen aan de Beste Beschikbare Technieken (BBT).

De inrichting ligt op het krachtens de Wet geluidhinder (Wgh) gezoneerde industrieterrein “Kanaal” in Heerenveen. Op het industrieterrein “Kanaal” is in het bestemmingsplan toegestaan om inrichtingen te vestigen die als “grote lawaaimaker” worden beschouwd, conform onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht.

10.2. Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau

De inrichting ligt op het krachtens de Wet geluidhinder (Wgh) gezoneerde industrieterrein “Kanaal” in Heerenveen. Op het industrieterrein “Kanaal” is in het bestemmingsplan toegestaan om inrichtingen te vestigen die als “grote lawaaimaker” worden beschouwd, conform onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht.

De geluidszone is vastgelegd in het bestemmingsplan “Bedrijventerrein Kanaal” en het bestemmingsplan “Leeuwarderstraatweg” bij besluit van de gemeenteraad van 25 juni 2007. De bestemmingsplanregels zijn nu opgenomen in de beheersverordening “Kanaal-Oost e.o.”, vastgesteld op 27 november 2017. Daarnaast is de geluidszone vastgelegd in het plan “correctieve herziening van het bestemmingsplan Buitengebied 2007, besluit van 8 december 2009, het bestemmingsplan “Heerenveen-Noord” vastgesteld op 10 april 2017 en het bestemmingsplan “Business park Friesland 2011” vastgesteld op 6 juni 2011 door de raad van de gemeente Heerenveen.

Verder is door de raad van de gemeente Skarsterlân het bestemmingsplan “Bestemmingsplan Business Park Friesland” vastgesteld op 6 juli 2011, het bestemmingsplan “Oudehaske-Haskerpoort” vastgesteld op 15 december 2015 en het plan “Buitengebied Noord - 2017” vastgesteld op 28 juni 2017 door de raad van de gemeente De Fryske Marren.

Voor woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen die zijn gelegen buiten het industrieterrein maar binnen de zone, zijn in vele gevallen hogere waarden vastgesteld. De geluidsbelasting ter plaatse van deze woningen mag niet meer bedragen dan de vastgestelde hogere waarde (artikel 45 van de Wgh). In de geluidszone van het industrieterrein zijn geluidsgevoelige bestemmingen aanwezig.

Voor een aantal woningen aan de Leeuwarderstraatweg en aan de Windas 6A en 7A zijn hogere waarden vastgesteld van 52 tot 57 dB(A). Dit besluit werd door de gemeenteraad van Heerenveen genomen in het kader van het besluit van 25 juni 2007 waarin de gewijzigde geluidszone werd vastgelegd. De geluidsbelasting ter plaatse van deze geluidsgevoelige bestemming mag niet meer bedragen dan de vastgestelde hogere waarde (artikel 45 van de Wgh).

De FUMO voert voor de gemeente het zonebeheer van het industrieterrein uit. In het zonebeheers-model staan bedrijven overeenkomstig de vergunning of conform de melding.

Voor zonering in het kader van de Wet geluidhinder is de "geluidsbelasting vanwege een industrieterrein" bepalend. Deze wordt in artikel 1 van de Wet geluidhinder gedefinieerd als:

"etmaalwaarde van het equivalente geluidsniveau in dB(A) op een bepaalde plaats, veroorzaakt door de gezamenlijke inrichtingen aanwezig op een industrieterrein."

Voor de toetsing aan de zone en de woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen met een hogere waarde wordt uitgegaan van de geluidsafstraling van de representatieve bedrijfssituatie.

In het kader van goed zonebeheer kan de geluidsruimte die in het akoestisch onderzoek is berekend, vastgelegd worden in voorschriften voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT.

Van de zonebeheerder ontvingen wij een schriftelijke rapportage, kenmerk 2023-FUMO-0071576-0221 van 30 juni 2023, waaruit blijkt dat na het vergunnen van de aanvraag voldaan wordt aan de artikelen 45 en 53 uit de Wet geluidhinder (zie artikel 2.14, eerste lid, onder c, sub 2o van de Wabo).

De zonebeheerder heeft verklaard dat de berekende geluidimmissie van de inrichting, gecumuleerd met de geluidimmissie van de overige op het industrieterrein gevestigde inrichtingen, past binnen de beschikbare geluidruimte voor het betreffende industrieterrein.

In de geluidsvoorschriften leggen wij de berekende waarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau bij vijf vergunningpunten vast.

10.3. Maximale geluidsniveaus LAmax

Voor woningen die zijn gelegen buiten het gezoneerde industrieterrein wordt, indien relevant, de standaard systematiek zoals gehanteerd bij de vergunningverlening toegepast. Voor de maximale geluidsniveaus wordt aangesloten bij de beleidslijn dat de geluidsgrenswaarde voor de maximale geluidsniveaus in de regel niet meer dan 10 dB(A) boven het aanwezige langtijdgemiddeld beoordelingsniveau komt te liggen. In de Handreiking wordt aangegeven dat als ondergrens een waarde van 50, 45 en 40 dB(A) kan worden aangehouden voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. In sommige gevallen kan van deze beleidslijn gemotiveerd worden afgeweken. Wanneer niet aan de grenswaarden voldaan kan worden, kunnen op basis van de afwijkingsbevoegdheid wegens bijzondere omstandigheden hogere maximale geluidsniveaus worden vergund. Hierbij wordt aanbevolen om de maximale geluidsniveaus niet hoger te laten zijn dan 70, 65 en 60 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. In het geval er sprake is van een voor de bedrijfsvoering onvermijdbare situatie, waarin technische noch organisatorische maatregelen soelaas bieden om het geluidsniveau te beperken, zou, los van de grenswaarde van 70 dB(A) voor de dagperiode, deze met ten hoogste 5 dB(A) mogen worden overschreden voor bepaalde nader omschreven bedrijfssituaties.

De dichtstbijzijnde woningen bevinden zich aan de westkant aan de Leeuwarderstraatweg op ca. 400 m afstand van de perceelsgrens. De resultaten van de maximale geluidsniveaus zijn bij de woningen hoger dan 60 dB(A) etmaalwaarde in de RBS en IBS en ook hoger dan 60 dB(A) in de avond voor de IBS. Op grond van deze resultaten vinden wij het vastleggen van voorschriften voor de maximale geluidsniveaus passend. Wij hebben voorschriften voor drie beoordelingspunten bij woningen vastgelegd overeenkomstig de berekende waarden uit het akoestisch onderzoek.

10.4. Indirecte hinder

Het geluid van het verkeer van en naar een inrichting gelegen op een gezoneerd industrieterrein mag bij vergunningverlening niet worden getoetst aan de in de circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer" d.d. 29 februari 1996 genoemde grenswaarden. Dit omdat hierdoor het speciale regime en vergunningstelsel voor inrichtingen op een gezoneerd industrieterrein worden doorkruist.

10.5. Trillingen

Gezien de aard van de activiteiten en de afstand tot de dichtstbijzijnde trillinggevoelige bestemmingen is trillinghinder niet te verwachten. Een onderzoek naar trillingen achten wij daarom niet nodig. Ook achten wij het daarom niet nodig hierover voorschriften op te nemen.

10.6. Conclusies

Ten aanzien van de optredende geluidsniveaus en trillingen is de aangevraagde situatie milieuhygiënisch aanvaardbaar.

Wij hebben aan de vergunning voorschriften verbonden waarin grenswaarden zijn gesteld voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op vijf beoordelingspunten en op drie beoordelingspunten zijn grenswaarden vastgesteld voor de maximale geluidsniveaus. De geluidniveaus op deze punten zijn overeenkomstig de gewenste geluidsruimte.

11. GEUR

11.1. Landelijk beleid

Het Nederlandse geurbeleid is opgenomen in artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit en in de Handleiding geur: bepalen van het aanvaardbaar hinderniveau van industrie en bedrijven (niet veehouderijen). Als algemene doelstelling geldt het zoveel mogelijk beperken van bestaande hinder en het voorkomen van nieuwe hinder. Daarbij staat het afwegingsproces voor het vaststellen van het aanvaardbaar hinderniveau centraal. Het aanvaardbaar hinderniveau wordt per situatie vastgesteld en zo nodig op grond van het Activiteitenbesluit als maatwerkvoorschrift aan de vergunning verbonden. Alleen als de emissies van de inrichting in het Activiteitenbesluit uitgezonderd zijn, worden de geuremissies in de vergunning beoordeeld.

Het bevoegd gezag bepaalt welke mate van hinder als aanvaardbaar wordt beschouwd. Als leidraad voor het afwegingsproces dat daarbij doorlopen wordt, geldt de hindersystematiek Geur. Deze hindersystematiek, die is vastgelegd in hoofdstuk 3 van de Handleiding geur, benoemt de verschillende aspecten die in het afwegingsproces moeten worden meegenomen om te komen tot een zorgvuldige bepaling van het aanvaardbaar hinderniveau. De aspecten die bij het vaststellen van het aanvaardbaar hinderniveau worden meegewogen zijn eveneens opgenomen in het derde lid van artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit.

Maatregelen ter bestrijding van geurhinder moeten worden bepaald in overeenstemming met het BBT-principe (de Beste Beschikbare Technieken moeten worden toegepast). Voor een aantal activiteiten zijn in het Activiteitenbesluit voorschriften opgenomen.

11.2. Provinciaal of gemeentelijk beleid

Op 12 november 2019 zijn de beleidsregels geur voor Friese bedrijven vastgesteld. Deze “Beleidsregels geur Bedrijven Fryslân 2019” (hierna: het Friese geurbeleid) zijn op 20 november 2019 gepubliceerd. Geuremissie toetsen wij aan dit vastgestelde beleid.

11.3. Beoordeling geurhindersituatie 

Omschrijving aangevraagde situatie

Bij het metaalrecyclingbedrijf aan de Ynfeart 14 te Heerenveen is de opslag en verwerking van bij een afvalverwerker elders gescheiden PMD+ afval (plastics, metalen en drankenkartons) aangevraagd. Het in balen geperste PMD+ afval wordt binnen de inrichting gescheiden in een metaal- en kunststoffractie. De resterende metaal- en kunststoffracties worden gescheiden tot recyclebare stromen.

Bij de opslag van PMD+ afval wordt geen relevante geuremissie verwacht. Het loshalen, de tijdelijke opslag in de openlucht en bewerken van het PMD-afval in de scheidingsinstallatie (shredderlijn) vormt een mogelijk relevante bron voor geuremissie

Ligging van de inrichting en geurgevoelige objecten in de omgeving

De inrichting is gelegen aan de Ynfeart 14 op het geluidgezoneerde industrieterrein ‘Kanaal’ te Heerenveen. Dit perceel was voorheen in gebruik bij het bedrijf Noordelijke Asfalt Productie B.V (NOAP). Het perceel wordt aan de noord-, oost- en westzijde omsloten door water en aan de zuidzijde door bedrijfspercelen van derden. Aan de westzijde bevindt zich de eigen overslagkade. De dichtstbijzijnde woningen van derden liggen oostelijk van de inrichting aan de Leeuwarderstraatweg op een afstand van minimaal 400 m tot de terreingrens. Deze woningen liggen buiten het geluidgezoneerde industrieterrein en kunnen worden getypeerd als geurgevoelige objecten van categorie A (gebiedscategorie ‘wonen’).

De verspreid liggende bedrijfswoningen en agrarische bedrijfswoningen aan de Leeuwarderstraatweg, Veldweg, De Dolten en Welleweg gelegen in het buitengebied of op een bedrijventerrein en worden als categorie B (gebiedscategorie ‘werken’) getypeerd. Kantoorpanden (niet-woonbestemmingen) op het niet-geluidgezoneerde deel van het bedrijventerrein betreffen verblijfsobjecten van categorie C. De omliggende bedrijven op het geluidgezoneerde deel van het industrieterrein vallen onder gebiedscategorie D volgens de ‘Beleidsregels geur Bedrijven Fryslân 2019’. Het aanvaardbaar geurhinderniveau wordt vastgesteld op het niveau dat bereikt kan worden door het treffen van redelijke maatregelen.

Beoordeling geuremissie in relatie tot het aanvaardbaar hinderniveau

Bij de aanvraag is een geuronderzoek “Noorman Bouw- en milieu-advies, Notitie 22010546.NO2b, Metaalrecyclingbedrijf aan de Ynfeart 14 te Heerenveen - Geuronderzoek na-scheiden PMD+ - datum 11 mei 2023” gevoegd. Dit geuronderzoek is aangevuld met door Olfasense uitgevoerd extra geuronderzoek “ Geuronderzoek Jan Klaassen Beheer B.V. te Heerenveen, JAKL23A1, 2 november 2023, Olfasense B.V.”. Aangezien de uitgangspunten van het geuronderzoek van Olfasense anders zijn dan van het onderzoek van Noorman, is de laatste wijziging genoemd in het onderzoek van Olfasense uitgangpunt voor deze omgevingsvergunning. In het geuronderzoek van Olfasense wordt uitgegaan van een jaarlijkse verwerkingscapaciteit van 20.000 ton PMD+ en een maximale opslag in de open lucht van gemiddeld 100 m2 (ca. 10 bij 10 meter) losgetrokken balen en fracties uit de shredder. In het onderzoek is gebruik gemaakt van kengetallen. De oorspronkelijke meetrapporten die de basis vormen van deze kengetallen ontbreken. Dit wijkt af van het Friese geurbeleid, maar dit wordt ondervangen door het opnemen van een controlemeting in de voorschriften.

Uit het geuronderzoek blijkt dat de activiteiten met PMD-afval de volgende geurbelasting veroorzaken op de relevante nabijgelegen woningen en bedrijven:

Toetspunt

Omschrijving

Geurconcentratie

98-percentiel

(ouE/m3)

Geurconcentratie

99,5-percentiel

(ouE/m3)

Geurconcentratie

99,9-percentiel

ouE/m3)

1

woning Windas 6A

0,05

0,14

0,49

2

woning Windas 7A

0,05

0,15

0,51

3

woning L'weg 121D

0,06

0,17

0,66

4

woning L'weg 119

0,05

0,15

0,47

5

woning L'weg 115

0,05

0,14

0,46

6

woning L'weg 111A

0,04

0,13

0,44

7

woning (bedrijf) L'weg 107

0,04

0,13

0,43

8

woning (bedrijf) L'weg 97B

0,04

0,12

0,38

9

woning (bedrijf) L'weg 97

0,04

0,11

0,38

10

Welleweg 14

0,02

0,07

0,22

11

De Dolten 8

0,01

0,04

0,13

12

De Dolten 6

0,01

0,04

0,14

13

De Dolten 9

0,02

0,05

0,24

14

Veldweg 21

0,01

0,04

0,14

15

kantoor

0,26

0,75

2,62

16

kantoor

0,12

0,37

1,37

Uit de geurcontourkaarten in het geuronderzoek blijkt het dichtstbijzijnde geurgevoelige object, een naast de inrichting op het geluidgezoneerde industrieterrein gelegen bedrijfskantoorpand aan de Ynfeart 12, zich net binnen de geurcontour van 1,5 ouE/m3 als 98 percentielwaarde bevindt. Deze geurcontour komt overeen met de streefwaarde uit het Friese geurbeleid voor verblijfsobjecten die geen woon- of vergelijkbare functie hebben.

De geur van het PMD-afval wordt getypeerd als ‘hinderlijk’. Voor het vaststellen van het aanvaardbaar hinderniveau voor de hinderlijkheid van de geur volgen wij het Friese geurbeleid. Als maximaal hinderniveau door de activiteiten van het metaalrecyclingbedrijf aan de Ynfeart 14 stellen wij de volgende toetswaarden vast als aanvaardbaar hinderniveau:

  • -

    0,5 ouE/m3 berekend als 98-percentiel voor categorie B-woningen en vergelijkbare objecten gelegen in de gebiedscategorie “werken”;

  • -

    0,15 ouE/m3 berekend als 98-percentiel voor categorie A-woningen en vergelijkbare objecten gelegen in de gebiedscategorie “wonen”;

en voor discontinue en fluctuerende bronnen:

  • -

    1,5 ouE/m3 berekend als 99,5-percentiel voor categorie B-woningen/-objecten;

  • -

    0,3 ouE/m3 berekend als 99,5-percentiel voor categorie A-woningen/-objecten;

  • -

    3,0 ouE/m3 berekend als 99,9-percentiel voor categorie B-woningen/-objecten;

  • -

    0,6 ouE/m3 berekend als 99,9-percentiel voor categorie A-woningen/-objecten.

De geurbelasting door de aangevraagde activiteiten bij de dichtstbijzijnde (bedrijfs-)woningen aan de Leeuwarderstraatweg bedraagt maximaal 0,13 ouE/m3 als 98 percentielwaarde. Ook deze waarde blijft beneden de in het Friese geurbeleid gestelde streefwaarde voor woningen of vergelijkbare objecten (categorie A). Ook bij de hogere percentielwaarden is een vergelijkbaar beeld te zien.

Gelet op het bovenstaande wordt het aanvaardbaar hinderniveau ter plaatse van deze geurgevoelige objecten in acht genomen.

11.4. Conclusie

Gezien bovenstaande overwegingen zijn wij van mening dat de geurbelasting ten gevolge van de aangevraagde activiteiten voldoet aan het aanvaardbaar geurhinderniveau. Het verbinden van voorschriften aan de vergunning is noodzakelijk. De activiteiten voldoen aan het van toepassing zijnde toetsingskader.

12. LUCHT

12.1. Toetsingskader

Het algemeen luchtbeleid is gericht op het voorkomen dan wel zo veel mogelijk beperken van emissies naar de lucht door het toepassen van de beste beschikbare technieken (BBT) en het voldoen aan de luchtkwaliteitseisen van bijlage 2 van de Wet milieubeheer.

Luchtemissies voor inrichtingen worden in beginsel gereguleerd door de algemene regels van het Activiteitenbesluit. Deze eisen zijn rechtstreeks geldend.

Als er voor luchtemissies van IPPC-installaties BBT-conclusies zijn vastgesteld, gelden de algemene regels van Afdeling 2.3 niet (met uitzondering van de minimalisatieverplichting voor zeer zorgwekkende stoffen). Voor deze luchtemissies worden voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden die aansluiten bij de BBT-conclusies.

In deze vergunning wordt specifiek ingegaan op de luchtemissies van de inrichting. Naast de toetsing aan de beste beschikbare technieken en Activiteitenbesluit wordt beoordeeld of de emissienormering van het Activiteitenbesluit toereikend is of dat er maatwerkvoorschriften moeten worden gesteld. Tevens wordt er getoetst aan de kwaliteitseisen uit Bijlage 2 van de Wm.

In het bij de revisieaanvraag gevoegde “Onderzoek Luchtkwaliteit, Metaalrecyclingbedrijf aan de

Ynfeart 14 te Heerenveen, Noorman Bouw- en milieu-advies, Rapport 22010546.R02c, 11 mei 2023” zijn de volgende relevante activiteiten genoemd die emissies naar de lucht tot gevolg kunnen hebben:

  • -

    Het op- en overslaan, sorteren, scheiden, demonteren, shredderen, knippen, persen en verhandelen van ferro- (o.a. schrootijzer, gruis, knipijzer), en non-ferrometalen (o.a. zink, koper, aluminium, roestvrij staal) en de overslag en stalling van eigen containers.

  • -

    Ook kunnen bouwstoffen (zand) en steenachtig materiaal (puin) en kunststoffen worden op- en overgeslagen.

  • -

    Breken en zeven van puin. Voor het breken van puin kan een puinbreker worden ingezet.

  • -

    Er worden batterijen gescheiden uit metaalstromen en opgeslagen.

  • -

    Voor het uitvoeren van de hiervoor genoemde werkzaamheden beschikt de inrichting over een aantal mobiele overslagkranen (zowel diesel als elektrisch), shovels en midishovels, elektrische heftrucks en vrachtwagens. De binnen de inrichting aanwezige verwerkingsmachines zoals de metaalshredderinstallatie, puinbreker, knipscharen, persen en sorteerinstallaties worden elektrisch aangedreven.

  • -

    De maximale verwerkingscapaciteit van de inrichting is circa 340.000 ton product per jaar, de totale aan- en afvoer bedraagt 2 x 340.000 ton/jaar = 680.000 ton/jaar. Hiervan wordt 225.000 ton/jaar per schip vervoerd. De overige aan- en afvoer vindt plaats via de weg met vrachtwagens.

  • -

    Scheepslossing en -belading;

  • -

    Verbrandingsmotoren van vrachtverkeer, personenauto’s, mobiele kranen, shovels en schepen.

Hierbij is onderscheid gemaakt tussen puntbronemissies en diffuse emissies.

12.2. Puntbronemissies van procesinstallaties

Toetsing

Het hoofdproces is als volgt te beschrijven:

Het betreft een inrichting die metaalafval en afvalstromen die voldoende metaal bevatten, op- en overslaat, sorteert, scheidt, be- en verwerkt, teneinde het hergebruik van de metalen mogelijk maken. Het merendeel zal bestaan uit metaalafval en PMD-afval. Ook wordt kunststofafval geaccepteerd. (Grof) bedrijfsafval, grof huishoudelijk afval en bouw- en sloopafval worden geaccepteerd als het veel metaal bevat.

Binnen de inrichting bevindt zich een metaalshredderlijn, een sorteerlijn en een knipschaar. Via de metaalshredder wordt het ingangsmateriaal tot het juiste formaat verkleind en vervolgens wordt het ijzer en staal als product afgescheiden, opgeslagen en afgevoerd. Het overige materiaal (vuil en non-ferro) komt daarbij in de vuilbunkers van de shredderlijn terecht.

Het geshredderd, ontijzerd materiaal is daardoor ook geschikt gemaakt voor verwerking in de sorteerlijn, enerzijds om het vuil in meerdere deelstromen af te kunnen scheiden, op te bulken en periodiek af te voeren en anderzijds om de non-ferro metalen verder uit te sorteren, ook ten behoeve van metaalrecycling.

Met de knipschaar worden te grote stukken ijzer en staal verkleind. Meestal vindt er in dat geval geen

verdere bewerking van het metaal meer plaats, maar wordt het alleen nog opgeslagen en afgevoerd.

Voor de verwerking het puin uit het metaalhoudend bouw- en sloopafval wordt een mobiele breek- en zeefinstallatie ingezet.

Het metaalafval (ingangsmateriaal) en de daaruit ontstane fracties worden binnen de inrichting opgeslagen (45.000 ton). Het meeste ingangsmateriaal wordt in de bunkers “Opslag te shredderen materiaal” opgeslagen, nabij de kranen die de shredderlijn voeden. Materiaal dat alleen geknipt wordt, wordt in de bunkers “Opslag knipijzer” bij de knipschaar opgeslagen.

Het gereed gemaakte product - het ferro-metaal - wordt na het shredderen opgeslagen in de bunkers

“Opslag geshredderd materiaal” nabij de overslagkade.

Het afgescheiden vuil en de non-ferro-metalen worden eerst opgeslagen in de vuilbunkers van de

metaalshredder, en vervolgens als ingangsmateriaal voor de sorteerlijn opgeslagen in de bunkers “Op

te werken materiaal sorteerlijn” bij de puinbreker.

De fracties die uit de sorteerlijn komen, worden in geschikte opslagbakken / kleine containers bij de

sorteerinstallatie opgeslagen en vervolgens naar binnen de loods opgebulkt en periodiek afgevoerd.

Bij deze activiteiten onderscheiden wij de volgende puntenbronnen waar stikstofoxiden (NOx) en fijnstof (PM10 en PM2,5) in relevante hoeveelheden worden afgevoerd en geëmitteerd naar de lucht:

  • -

    de shredderinstallatie (schoorsteen ontstoffingsinstallatie)

  • -

    de afzuig- en filterinstallatie van de bedrijfsloods

Ten gevolge van deze activiteiten wordt (fijn) stof in relevante hoeveelheden geëmitteerd naar de lucht.

De shredderinstallatie en de afzuig- en filterinstallatie van de bedrijfsloods is een IPPC-installatie waarop de BBT-conclusies 25, inclusief 14d van de BREF Afvalbehandeling betrekking heeft. De BBT- techniek is om de emissies van stof en van deeltjesgebonden metalen, PCDD/PCDF's en dioxineachtige PCB's naar lucht te verminderen door insluiting, verzameling en behandeling van diffuse emissies. Voor de shredderinstallatie wordt voor de behandeling van de verzamelde stofemissie gebruik gemaakt van een cyclonen en een droog stoffilter. De stofafzuiging van bedrijfsloods is alleen voorzien van een stoffilterinstallatie. De bijbehorende emissiepunten, de schoorsteen van de ontstoffingsinstallatie van de shredder en de afblaasopening van de ontstoffingsinstallatie van de bedrijfsloods zijn gelegen op respectievelijk 8 en 6,5 meter.

Hierna gaan wij per stof in op de relevante emissies (en de bijbehorende grenswaarden) vanuit dit emissiepunt. Voorts wordt per stof bekeken of deze in de BBT-conclusie behandeld is. BBT-conclusies zonder emissie-eisen (BAT-AEL) gaan ook voor het Activiteitenbesluit. Indien er een BBT-conclusie geldt dan worden de emissiegrenswaarde (indien bepaald in BBT-conclusie), de technieken en/of maatregelen in deze vergunning opgenomen. Indien de bepaalde stof of groep van stoffen in de BBT-conclusie niet is behandeld, dan gelden de emissie-eisen van het Activiteitenbesluit. Tevens geven wij hieronder aan of van de Activiteitenbesluit gestelde eisen wordt afgeweken via maatwerkvoorschriften.

In BBT-conclusie 25 van de BREF Afvalbehandeling is voor totaal stof een range van 2 mg/Nm3 tot 5 mg/Nm3 opgenomen als een doekenfilter toepasbaar is. Dat is hier het geval.

In opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat is door Witteveen en Bos een verkennend onderzoek uitgevoerd naar de mogelijkheden om de emissiegrenswaarden te actualiseren (Project 31142149 Verkenning emissiegrenswaarden Ab 2.3, datum 30 januari 2020, referentie 116284/20-001.417). Na dit verkennend onderzoek is door Tauw een vervolgonderzoek uitgevoerd met de titel “schone Lucht Akkoord – emissiereductie industrie, datum 21 januari 2021”. Het doel van dit vervolgonderzoek was het geven van concrete adviezen voor aanpassingen van emissiegrenswaarden, waarbij het verkennend onderzoek door Witteveen en Bos als basis heeft gediend. Op basis van de aanbevelingen in de studie van Tauw zijn de emissiegrenswaarden naar de lucht geactualiseerd en is voor totaal stof een emissiegrenswaarde van 3 mg/Nm3 opgenomen in tabel 5.30 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

De geactualiseerde emissiegrenswaarden zijn gebaseerd op wat volgens de studie van Tauw nu haalbaar is met de huidige stand der techniek. Het gaat hier om voor deze locatie nieuwe installaties. Bij eerdere stofmetingen bij een soortgelijke shredderinstallatie voorzien van een cycloon en doekenfilters van een zusterbedrijf van deze locatie, bleek dat de emissie van totaal stof ruimschoots voldeed aan de laagste waarde van 2 mg/Nm3 uit de range in BBT-conclusie 25 van de BREF Afvalbehandeling. Voor de emissie van totaal stof (stofklasse S) wordt het haalbaar geacht om aan emissiegrenswaarden van 3 mg/Nm3 te voldoen. Wij hebben deze waarde dan ook in de voorschriften aan de vergunning verbonden.

Monitoring van procesemissie

Monitoring van luchtemissies dient om aan te tonen dat een installatie voldoet aan de geldende emissiegrenswaarden en/of een reinigingstechniek goed werkt en/of voor procesmonitoring of –optimalisatie. Monitoring van procesemissies wordt in beginsel volledig bestreken door artikel 2.8 van het Activiteitenbesluit. Indien er op grond van artikel 2.5 en 2.6 van het Activiteitenbesluit emissiegrenswaarden gelden, dan geeft tabel 2.8 van het Activiteitenbesluit het geldende controleregime aan. Het controleregime is gebaseerd op de grootte van de storingsfactor. Uit het controleregime kan volgen dat het bedrijf metingen moet uitvoeren. Mogelijke frequenties van metingen zijn eenmalig, periodiek of continu. Betreffende de procesemissies kan controle plaatsvinden aan de hand van emissierelevante parameters (ERP’s cat. A of ERP’s cat. B). Afdeling 2.7 van de Activiteitenregeling geeft verdere invulling aan de monitoringseisen.

Slechts indien en voor zover er voor de betreffende emissies BBT-conclusies zijn vastgesteld, en deze emissies daardoor in de omgevingsvergunning milieu geregeld worden, wordt het onderwerp monitoring ook in deze vergunning geregeld.

De vergunninghouder heeft in de aanvraag alle luchtemissies gepresenteerd, maar een controleplan met daarin de daarbij horende monitoringsfrequentie en emissierelevante parameters (ERP’s) ontbreekt. Om alle luchtemissies op overzichtelijke wijze (blijvend) te presenteren en te laten zien welke controle hierop plaatsvindt, is dit controleplan nodig voor Jan Klaasen. Ook moet dit plan geactualiseerd worden aan de hand van de overwegingen van deze vergunning c.q. de actuele wet- en regelgeving. Hierdoor heeft de vergunninghouder en ook wij één document waarin alle geldende regelgeving en voorschriften bij elkaar staan. Het controleplan, waarvoor goedkeuring nodig is, toetsen wij aan de BBT-conclusies en artikel 2.8 van het Activiteitenbesluit.

12.3. Diffuse emissies

Binnen de inrichting is sprake van diffuse emissies afkomstig van de volgende activiteiten:

stikstofemissies van verbrandingsmotoren van vrachtverkeer, personenauto’s, schepen, mobiele kranen en shovels; stofemissies van op- en overslag en verwerking (sorteren, breken, zeven) van vaste bulkgoederen (o.a. breken en zeven puin).

Vaste bulkgoederen

Uit het bij de aanvraag behorende “Onderzoek Luchtkwaliteit, Metaalrecyclingbedrijf aan de

Ynfeart 14 te Heerenveen, Noorman Bouw- en milieu-advies, Rapport 22010546.R02c, 11 mei 2023” en de niet technische samenvatting blijkt welke activiteiten stuifgevoelig zijn en welke emissiebeperkende maatregelen toegepast worden per activiteit.

In beginsel gelden de luchtvoorschriften uit Afdeling 2.3 van het Activiteitenbesluit. Deze afdeling is echter niet van toepassing op emissies naar de lucht van een IPPC-installatie, voor zover voor de activiteit of het type productieproces BBT-conclusies voor deze emissies zijn vastgesteld.

De activiteiten op-, overslag en bewerking van steenachtige materialen, puin, puingranulaat zijn echter niet behandeld in bovengenoemde BBT-conclusies. Hiervoor geldt dus het hieronder gestelde.

Handelingen met inerte vaste bulkgoederen vallend onder het Activiteitenbesluit

Op de overslag, opslag, laden, lossen, transport, mengen van de inerte goederen en op het zeven van zand en grond is paragraaf 3.4.3 (artikelen 3.32, 3.37 t/m 3.39) van het Activiteitenbesluit van toepassing. Uit de aanvraag blijkt dat aan deze bepalingen wordt voldaan.

Overige handelingen met inerte vaste bulkgoederen en handelingen met niet-inerte vaste bulkgoederen

Voor de diffuse stofemissies van de verwerking van vaste inerte bulkgoederen anders dan overslag, opslag, laden, lossen, transport, mengen en anders dan het zeven van zand en grond, alsmede voor diffuse stofemissies van op- en overslag, laden en lossen, transporteren en verwerking van vaste niet-inerte bulkgoederen, gelden de regels van het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling niet.

Wij hebben hiervoor voorschriften opgenomen in deze vergunning.

12.4. Zeer zorgwekkende stoffen (ZSS) 

Afvalstoffen kunnen ZZS bevatten. Voor een IPPC-installatie gelden de BBT-conclusies uit de BREF Afvalbehandeling voor zover daar normen in zijn opgenomen voor de van toepassing zijnde emissies. Anders vallen de emissies onder het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling. Voor de aanwezige shredderinstallatie is derhalve aansluiting gezocht bij BBT 8 uit eerder genoemde BREF. Op grond van het Activiteitenbesluit is voor ZZS alleen artikel 2.4, tweede lid van toepassing. Dit artikel gaat over de minimalisatieverplichting. De minimalisatieverplichting houdt in dat iedere vijf jaar aan het bevoegd gezag gerapporteerd moet worden over de mate waarin emissies van ZZS naar de lucht plaatsvinden en de mogelijkheden om die emissies te voorkomen c.q. te beperken. Voor de emissie van ZZS naar lucht blijkt dat voldaan wordt aan de eisen uit het Activiteitenbesluit.

12.5. Luchtkwaliteit

In Titel 5.2 Wet milieubeheer en de bijbehorende bijlage 2 bij de Wet milieubeheer zijn grens- en richtwaarden gesteld aan de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht op leefniveau, die wij als toetsingscriteria moeten hanteren.

De inrichting emitteert een aantal stoffen waarvoor deze grenswaarden gelden, te weten zwaveldioxide, stikstofdioxide, zwevende deeltjes (PM2,5 en PM10), De concentraties van fijnstof (PM2,5 en PM10) en stikstofdioxide (NO2) zijn in de Nederlandse situatie het meest kritisch ten opzichte van de grenswaarden.

De inrichting heeft voor deze stoffen een immissietoets uitgevoerd. Deze is opgenomen in het luchtkwaliteitsonderzoek bij de aanvraag “Onderzoek Luchtkwaliteit, Metaalrecyclingbedrijf aan de

Ynfeart 14 te Heerenveen, Noorman Bouw- en milieu-advies, Rapport 22010546.R02c, 11 mei 2023”.

Op grond van artikel 5.16, lid 1 van de Wet milieubeheer kan de vergunning alleen worden verleend, als aannemelijk gemaakt kan worden dat voldaan wordt aan (minimaal) één van de volgende criteria:

  • a.

    er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde

  • b.

    er is - al dan niet per saldo - geen verslechtering van de luchtkwaliteit

  • c.

    de bijdrage aan de concentratie van een stof is ‘niet in betekenende mate' (NIBM)

  • d.

    het project is genoemd of past binnen het NSL of binnen een regionaal programma van maatregelen.

Op basis van verspreidingsberekeningen concluderen wij dat voldaan wordt aan de grenswaarden in Bijlage 2 van de Wet milieubeheer.

12.6. PRTR-verslag

Aangezien er binnen de inrichting activiteiten worden uitgevoerd als bedoeld in Bijlage I van de EG-Verordening PRTR, geldt dat conform titel 12.3 van de Wm een elektronisch PRTR-verslag moet worden ingediend. Op grond van artikel 12.20, lid 1 van de Wm geldt dat de vergunninghouder de emissies (jaarvrachten) moet rapporteren.

12.7. Eindconclusie aspect lucht

Wij zijn van oordeel dat uit de aanvraag blijkt dat er voldoende maatregelen worden toegepast c.q. zullen worden toegepast om luchtemissies te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. De aangevraagde situatie is daarmee vergunbaar. Wij hebben in de vergunning emissiegrenswaarden opgenomen.

13. ONGEDIERTEBESTRIJDING

13.1. Toetsingskader

Uit jurisprudentie over de omgevingsvergunning milieu blijkt dat het bevoegd gezag in de vergunning hygiënevoorschriften kan opnemen. Dit wordt door de rechter in verband gebracht met gezondheidsrisico’s voor omwonenden.

Hoewel de bestrijding van besmettelijke dierziekten primair is geregeld in andere wetgeving, zoals de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, is er bij de milieuregelgeving ruimte voor een aanvullende toets. In het verdiepingsonderdeel 'Wetgeving diergezondheid' leest u meer over de verhouding tot de diergezondheidswetgeving.

Als de lokale omstandigheden daarom vragen, kan het bevoegd gezag in de omgevingsvergunning milieuhygiënevoorschriften opnemen. Ook het opnemen van gedragsvoorschriften, managementmaatregelen en maatregelen voor good housekeeping is mogelijk.

Bekend is dat de opslag van afvalstoffen die rottend organisch materiaal bevatten, vliegenoverlast kan veroorzaken. Het gaat hierbij met name om de opslag van PMD-afval. Jan Klaasen slaat ook PMD-afval op. Om die reden worden er voorschriften aan de vergunning verbonden die zo veel als redelijkerwijs mogelijk is moeten voorkomen dat vliegen zich kunnen voortplanten, met als doel eventuele overlast en gezondheidsschade naar de omgeving te voorkomen.

14. ONGEVALLEN EN INCIDENTEN

In de BREF afvalbehandeling is in BBT 21 beschreven dat om de gevolgen van ongevallen en incidenten voor het milieu te voorkomen of te beperken, het opstellen en invoeren van een ongevallenbeheerplan als BBT wordt gezien. In voorschrift 11.1.1 hebben wij daarom het opstellen van een dergelijk plan verplicht gesteld.

15. OVERIGE ASPECTEN

15.1. Bedrijfsbeëindiging

Voor het treffen van maatregelen om bij definitieve bedrijfsbeëindiging de nadelige gevolgen die de inrichting heeft veroorzaakt voor het terrein waarop zij was gevestigd, ongedaan te maken of te beperken voor zover dat nodig is om dat terrein weer geschikt te maken voor een volgende functie, zijn in paragraaf 2.7 van deze vergunning voorschriften opgenomen. Deze voorschriften blijven gedurende 5 jaar nadat de omgevingsvergunning haar geldigheid heeft verloren, in werking.

15.2. Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob)

Wij hebben, in het kader van de Wet Bibob, de aangeleverde stukken met betrekking tot de bedrijfsvoering en de financiering getoetst. Naar aanleiding van deze toets zien wij geen aanleiding tot verdere stappen. De Wet Bibob geeft geen aanleiding de vergunning te weigeren.

15.3. Reach

REACH (Registratie Evaluatie en Autorisatie van Chemische stoffen) Verordening (EC) 1907/2006 is een Europese verordening over stoffen. REACH werkt rechtstreeks. Voor een deel van de op grond van REACH geregistreerde stoffen bestaat er een autorisatieplicht. Deze stoffen mogen niet zonder meer worden gebruikt.

Uit de aanvraag blijkt dat er binnen de inrichting stoffen worden geproduceerd, gebruikt en/of geëmitteerd waarop REACH van toepassing is.

In het kader van deze vergunning is door ons nagegaan of er sprake is van een autorisatieplicht of restricties en of aan bepaalde specifieke stoffen die de inrichting produceert, gebruikt of emitteert, op grond van REACH in de toekomst een autorisatie of restrictie verbonden kan zijn. Bij het opstellen van de voorschriften hebben wij rekening gehouden met REACH. De inrichting moet voldoen aan de verplichtingen uit REACH.

15.4. Proefnemingen met afvalstoffen

Een van de kernpunten van het afvalstoffenbeleid is dat de be- en/of verwerking van afvalstoffen op een zo hoogwaardig mogelijke wijze moet plaatsvinden. Het beoordelingskader daarvoor is het LAP. Om informatie te vergaren over bijvoorbeeld de technische haalbaarheid van nieuwe hoogwaardige technieken of andere be- of verwerkingsmethoden van afvalstoffen en om inzicht te krijgen in de daaraan verbonden milieuhygiënische consequenties, kan het uitvoeren van proefnemingen van essentieel belang zijn.

Proefnemingen worden gekenmerkt door een beperkte duur (wij gaan uit van maximaal zes maanden) en een beperkte hoeveelheid afvalstoffen. Doorlooptijd en/of hoeveelheid afvalstoffen moeten echter wel voldoende zijn om de noodzakelijke informatie te kunnen vergaren.

In de aanvraag heeft aanvrager aangegeven de mogelijkheid te willen hebben om desgewenst proefnemingen uit te kunnen voeren. Wij achten dit acceptabel. Wel zijn wij van oordeel dat daaraan randvoorwaarden moeten worden gesteld en dat proefnemingen ruim voor aanvang (ten minste zes weken) bij ons voor toestemming moeten worden voorgelegd. Daartoe hebben wij voorschriften opgenomen. Tevens moet over de resultaten van de proef aan ons worden gerapporteerd.

De proefnemingen moeten plaatsvinden binnen de milieuhygiënische randvoorwaarden van deze vergunning en mogen pas aanvangen na toestemming van ons.

Ten overvloede merken wij nog op dat indien een proef succesvol is verlopen en vergunninghouder de resultaten daarvan wil implementeren, daartoe eerst steeds zal moeten worden bezien in hoeverre een procedure op grond van de Wabo zal moeten worden doorlopen.

15.5. Toekomstige ontwikkelingen

Inrichtinghouder is voornemens om via een geaccrediteerd bedrijf op basis van EU-verordening 333/2011 een certificaat te behalen, waarmee de einde-afvalstatus van enkele metaalschroot-afvalstromen wordt bereikt. Daarnaast is er separaat vergunningaanvraag aangevraagd om een scheidingswand te voorzien van zonnepanelen.

16. CONCLUSIE 

Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op het veranderen van de activiteiten van de inrichting, kan worden geconcludeerd dat de omgevingsvergunning kan worden verleend.

In deze vergunning zijn de voor de aangevraagde activiteiten relevante voorschriften opgenomen.

 

BIJLAGE 1 LIGGING BEOORDELINGSPUNTEN GELUID

BIJLAGE 2 METINGEN LUCHTEMISSIES

  • 1.

    De concentraties van componenten in de afgassen worden bepaald door continue meting of afzonderlijke metingen onder procescondities die representatief zijn voor de normale bedrijfsvoering.

  • 2.

    De metingen bemonsteringen en analyses van de parameters die nodig zijn voor het bepalen of wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden alsmede de andere metingen en berekeningen die zijn voorgeschreven, worden uitgevoerd volgens onderstaande normbladen:

    • a.

      emissiemeting en analyse:

      • 1°.

        stikstofoxiden (NOx): NEN-EN 14792:2017;

      • 2°.

        stikstofoxiden (NOx) continumeting: NEN-ISO 10849:1998;

      • 3°.

        zwaveldioxide (SO2): NEN-EN 14791:2017;

      • 4°.

        onverbrande koolwaterstoffen (CxHy): NEN-EN 12619:2013;

      • 5°.

        totaal stof: NEN-EN 13284-1 of NEN-EN 13284-2:2017;

      • 6°.

        zuurstof (O2): NEN-EN 14789:2017;

      • 7°.

        chroom VI -verbindingen: ISO 16740:2005;

      • 8°.

        zware metalen: NEN-EN 14385:2004;

      • 9°.

        zoutzuur: NEN-EN 1911-1, 1911-2 en 1911-3:2010;

      • 10°.

        waterstoffluoride: NEN-ISO 15713:2011;

      • 11°.

        ammoniak: NEN 2826:1999;

      • 12°.

        individuele gasvormige organische componenten: NEN-EN 13649:2001;

      • 13°.

        dioxines en furanen: NEN-EN 1948:2006 deel 1, 2 en 3;

      • 14°.

        kwik: NEN-EN 13211:2001+C1:2007;

      • 15°.

        vocht: NEN-EN 14790:2017;

      • 16°.

        debiet: NEN-EN-ISO 16911:2013 deel 1 en 2;

    • b.

      meetlocatie, monstername en rapportage van de stoffen, genoemd onder a: NEN-EN 15259:2007.

    • c.

      kwaliteitsborging van continue metingen: NEN-EN 14181:2014.

  • 3.

    Een afzonderlijke meting als bedoeld in het eerste lid bestaat uit drie deelmetingen van een half uur, tenzij een langere bemonsteringstijd voortvloeit uit de meetmethode of de representatieve wijze van bemonsteren. Het resultaat van de afzonderlijke emissiemeting is het gemiddelde van de deelmetingen, verminderd met de gerapporteerde meetonzekerheid of met een standaardwaarde voor de meetonzekerheid.

  • 4.

    Een continue meting vindt plaats door:

    • a.

      een rechtstreekse continue meting van de concentratie in het afgas, of

    • b.

      een continue meting van de parameters van de voor de installatie vastgestelde uitworpkarakteristiek.

  • 5.

    Het resultaat van een continue meting is de verzameling van half-uursgemiddelde of etmaalgemiddelden, verminderd met de gerapporteerde meetonzekerheid of met een standaardwaarde voor de meetonzekerheid.

Meetonzekerheid

  • 1.

    Het bevoegd gezag bepaalt de meetonzekerheid op basis van de 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele waarnemingen. Bij het bepalen van de meetonzekerheid wordt het gemiddelde van de deelmetingen gecorrigeerd voor het aantal deelmetingen. De meetonzekerheid wordt berekend als percentage van de grenswaarde.

  • 2.

    Voor de onderstaande elementen bedraagt de maximale meetonzekerheid als percentage van de emissiegrenswaarde niet meer dan de in tabel opgenomen percentages.

Tabel 2

Elementen 

Meetonzekerheid (%)

SO2

20

NOx

20

Stof

30

totaal stof (stofklasse S)

30

Overige componenten

40

Debiet

20

BIJLAGE 3 BEGRIPPEN

Voor de begrippen die niet in deze lijst zijn opgenomen refereren wij naar de definities zoals die zijn opgenomen in de geldende wet- en regelgeving

Begrip

Definitie

Considerans/algemeen

BOR

Besluit Omgevingsrecht

BBT

Beste Beschikbare techniek genoemd in een BBT document.

BREF

BAT Reference document. Een in Europees verband vastgesteld document waarin de BBT worden beschreven die specifiek zijn voor een bepaalde branche of activiteit.

Gestandaardiseerd of niet-gestandaardiseerd MBS

Een gestandaardiseerd MBS is bijvoorbeeld een ISO 14001 MBS. Een niet gestandaardiseerd MBS is bijvoorbeeld een MBS die niet gecertificeerd is volgens ISO 14001.

IPPC

Integrated Pollution Prevention and Control

JRC

Joint Research Centre

MBS

Milieubeheersysteem

Schonere technologieën

Bijvoorbeeld technologieën die minder energie verbruiken, minder geluid emitteren en/of minder lucht- en/of geuremissies veroorzaken.

Sectorale benchmarking

Een benchmark is een vergelijkend onderzoek waarbij de prestaties van vergelijkbare organisaties, producten en/of diensten op identieke wijze worden onderzocht en met elkaar worden vergeleken. Dan wordt duidelijk welke organisatie welke sterke punten heeft en welke technieken worden toegepast. Over deze sterke punten en technieken dient de vergunninghouder te leren. Tevens dient bepaald te worden of bij de in de benchmark onderzochte andere organisaties toegepaste minder milieubelastende technieken ook bij de desbetreffende inrichting toegepast kunnen worden. De sectorale benchmarking dient in een rapport vastgelegd te worden.

WABO

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Afval

Afvalinput

Het inkomende afval dat in de afvalverwerkingsinstallatie wordt behandeld.

Behandeling van afval met calorische waarde

Behandeling van afvalhout, afgewerkte olie, kunststofafval, afgewerkte oplosmiddelen enz. om een brandstof te verkrijgen of om een betere terugwinning van de calorische waarde ervan mogelijk te maken.

C-hout

Geïmpregneerd hout, zijnde behandeld hout waar stoffen al dan niet onder druk zijn ingebracht om de gebruiksduur te verlengen.

  • -

    gewolmaniseerd C-hout (CC- en CCA-hout); CCA-hout bevat naast koper en chroom ook arseen; CC-hout bevat wel koper en chroom, maar geen arseen.

  • -

    niet-gewolmaniseerd C-hout:

    • o

      gecreosoteerd hout (met koolwaterstoffen en teren bewerkt), bv spoorbielzen,

    • o

      hout dat met andere middelen (fungiciden, insecticiden, boorhoudende verbindingen, quaternaire ammoniumverbindingen) is behandeld teneinde de gebruiksduur te verlengen.

Gevaarlijk afval

Gevaarlijke afvalstof als gedefinieerd in artikel 3, punt 2, van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad

Op water gebaseerde, vloeibare afvalstromen

Afvalstromen die bestaan uit waterige vloeistoffen, zuren/basen of verpompbaar slib (bv. emulsies, afgewerkte zuren, waterig scheepsafval) en die geen vloeibaar biologisch afbreekbaar afval zijn.

Vliegassen

Deeltjes die uit de verbrandingskamer afkomstig zijn of die worden gevormd binnen de rookgasstroom, en die in het rookgas worden getransporteerd.

Lucht

Adsorptie

Adsorptie is een heterogene reactie waarbij gasmoleculen worden vastgehouden op een vast of vloeibaar oppervlak dat specifieke verbindingen verkiest boven andere en ze zo verwijdert uit afgasstromen. Wanneer het oppervlak zo veel als het kan heeft geadsorbeerd, wordt het adsorptiemiddel vervangen of de geadsorbeerde inhoud gedesorbeerd als onderdeel van de regeneratie van het adsorptiemiddel. Bij de desorptie is de concentratie aan verontreinigende stoffen meestal hoger en kunnen zij worden teruggewonnen of verwijderd. Het meest voorkomende adsorptiemiddel is actieve kool in korrelvorm.

Affakkelen

Oxidatie bij hoge temperatuur om brandbare verbindingen van afgassen afkomstig van industriële activiteiten met een open vlam te verbranden. Affakkelen wordt hoofdzakelijk om veiligheidsredenen of tijdens niet-routinematige bedrijfsomstandigheden toegepast voor het verbranden van ontvlambaar gas.

Afgas

Gasvormige drager van de emissie.

Antimoon (Sb)

Antimoon/Stibium, uitgedrukt als Sb, met inbegrip van alle anorganische en organische stibiumverbindingen, opgelost of aan deeltjes gebonden

Arseen (As)

Arseen, uitgedrukt als As, met inbegrip van alle anorganische en organische arseenverbindingen, opgelost of aan deeltjes gebonden.

Cadmium (Cd)

Cadmium, uitgedrukt als Cd, met inbegrip van alle anorganische en organische cadmiumverbindingen, opgelost of aan deeltjes gebonden.

Chroom (Cr)

Chroom, uitgedrukt als Cr, met inbegrip van alle anorganische en organische chroomverbindingen, opgelost of aan deeltjes gebonden.

Cobalt (Co)

Cobalt, uitgedrukt als Co, met inbegrip van alle anorganische en organische mangaanverbindingen, opgelost of aan deeltjes gebonden.

Koper (Cu)

Koper, uitgedrukt als Cu, met inbegrip van alle anorganische en organische koperverbindingen, opgelost of aan deeltjes gebonden.

Lood (Pb)

Lood, uitgedrukt als Pb, met inbegrip van alle anorganische en organische loodverbindingen, opgelost of aan deeltjes gebonden.

Mangaan (Mn)

Mangaan, uitgedrukt als Mn, met inbegrip van alle anorganische en organische mangaanverbindingen, opgelost of aan deeltjes gebonden.

Nikkel (Ni)

Nikkel, uitgedrukt als Ni, met inbegrip van alle anorganische en organische nikkelverbindingen, opgelost of aan deeltjes gebonden.

PCB

Polychloorbifenyl.

PCB's, dioxineachtige

Polychloorbifenylen zoals vermeld in Verordening (EG) nr. 199/2006 van de Commissie(3).

PCDD's/PCDF's

Polychloordibenzo-p-dioxinen/-furanen.

Selenium (Se)

Selenium, uitgedrukt als Se, met inbegrip van alle anorganische en organische seleniumverbindingen, opgelost of aan deeltjes gebonden.

Titanium (Ti)

Titanium, uitgedrukt als Ti, met inbegrip van alle anorganische en organische titaniumverbindingen, opgelost of aan deeltjes gebonden.

Vanadium (V)

Vanadium, uitgedrukt als V, met inbegrip van alle anorganische en organische vanadiumverbindingen, opgelost of aan deeltjes gebonden.

Biofilter

De afgasstroom wordt geleid door een bed van organisch materiaal (zoals turf, heide, compost, wortel, boomschors, naaldhout en verschillende combinaties) of een inert materiaal (zoals klei, actieve kool en polyurethaan), waar deze door van nature voorkomende micro-organismen biologisch wordt geoxideerd tot kooldioxide, water, anorganische zouten en biomassa. Een biofilter wordt ontworpen op basis van het (de) type(n) afvalinput. Er wordt gekozen voor een bedmateriaal dat bijvoorbeeld qua watervasthoudend vermogen, bulkdichtheid, porositeit en structurele integriteit, geschikt is. Ook belangrijk zijn een geschikte hoogte en oppervlakte van het filterbed. De biofilter is aangesloten op een geschikt ventilatie- en luchtcirculatiesysteem om een gelijkmatige luchtverdeling door het bed en een voldoende verblijftijd van het afgas in het bed te garanderen.

Cycloon

Cycloonfilters worden gebruikt om zwaardere deeltjes te verwijderen, die „eruit vliegen” doordat de afgassen in een roterende beweging worden gebracht voordat ze de afscheider verlaten. Cyclonen worden gebruikt om fijn stof, voornamelijk PM10, te reduceren.

Diffuse emissies

Niet-geleide emissies (bv. stof, organische verbindingen, geur) die afkomstig kunnen zijn van oppervlaktebronnen (bv. tanks) of puntbronnen (bv. shredder),.

Doekenfilter

Doekenfilters bestaan uit poreus geweven of gevilt weefsel waardoor gassen stromen om deeltjes te verwijderen. Bij het gebruik van een doekenfilter moet een stof worden geselecteerd die geschikt is voor de kenmerken van het afgas en de maximale bedrijfstemperatuur.

Geleide emissies

Emissies van verontreinigende stoffen naar het milieu via kanalen, leidingen, schoorstenen enz. Dit omvat ook emissies uit open biofilters.

Geurconcentratie

Aantal Europese geureenheden (ouE) in één kubieke meter, gemeten bij standaardomstandigheden door dynamische olfactometrie volgens EN 13725.

Gevoelige receptor

Zone die speciale bescherming behoeft, zoals: — woonzones; —zones waar menselijke activiteiten worden verricht (bv. aangrenzende werkplekken, scholen, kinderdagverblijven, recreatiegebieden, ziekenhuizen of verpleegtehuizen).

HCL

Alle anorganische gasvormige chloorverbindingen, uitgedrukt als HCl.

H2S

Waterstofsulfide, met uitzondering van carbonylsulfide en mercaptanen.

NH3

Ammoniak

Nm3

Gashoeveelheid [m3] bij 273,15 K, bij 101,3 kPa, betrokken op droog gas.

Periodieke meting

Meting op gespecificeerde tijdsintervallen, handmatig of geautomatiseerd.

Massabalans

Berekeningen van diffuse emissies aan de hand van een massabalans waarbij rekening wordt gehouden met de input aan oplosmiddelen, de geleide emissies naar lucht, de emissies naar water, het oplosmiddel in de output van het proces en de residuen van het proces.

Meting van diffuse VOS- emissies

De snuffelmethode en de methode voor de optische beeldvorming van gas zijn beschreven onder het lekdetectie en -herstelprogramma. Emissies afkomstig van de installatie kunnen volledig worden gescreend en gekwantificeerd met een geschikte combinatie van complementaire methoden, bv. „solar occultation flux” (SOF) of differentiële absorptie-lidar (DIAL). Deze resultaten kunnen worden gebruikt voor de beoordeling van tendensen op termijn, vergelijkende controles en bijwerking/validering van het lopende LDAR-programma. „Solar occultation flux” (SOF): De techniek is gebaseerd op de registratie en spectrometrische Fourier-transformatieanalyse van een breedbandspectrum van infrarode of ultraviolette straling/zichtbaar zonlicht langs een bepaald geografisch traject, waarbij de metingen bovenwinds en doorheen VOS-pluimen worden verricht. Differentiële absorptie-lidar (DIAL): Dit is een techniek op basis van lasers die gebruikmaakt van differentiële absorptie-lidar (lichtdetectie en afstandsbepaling), wat de optische evenknie is van de radar op basis van radiogolven. De techniek berust op de terugverstrooiing van laserpulsen door atmosferische aerosolen en de analyse van spectrale eigenschappen van het teruggezonden licht dat met een telescoop wordt opgevangen.

NEN-EN 1911

Stationary source emissions - Determination of mass concentration of gaseous chlorides expressed as HCl - Standard reference method

CEN/TS 1948-5

Stationary source emissions. Determination of the mass concentration of PCDDs/PCDFs and dioxin-like PCBs Long-term sampling of PCDDs/PCDFs and PCBs

NEN-EN 1948-1

Stationary source emissions - Determination of the mass concentration of PCDDs/PCDFs - Part 1: Sampling

NEN-EN 1948-2

Stationary source emissions - Determination of mass concentration of PCDDs/PCDFs - Part 2: Extraction and clean-up

NEN-EN 1948-4

Stationary source emissions - Determination of the mass concentration of PCDDs/PCDFs and dioxin-like PCBs - Part 4: Sampling and analysis of dioxin-like PCBs

NEN-EN 12619

Stationary source emissions - Determination of the mass concentration of total gaseous organic carbon - Continous flame ionisation detector method

NEN-EN 13284-1

Stationary source emissions - Determination of low range mass concentration of dust - Part 1: Manual gravimetric method - Reference method (SRM*)

NEN-EN 13725

Air quality - Determination of odour concentration by dynamic olfactometry

Programma inzake lekdetectie en -reparatie (LDAR)

Een gestructureerde aanpak om fugitieve emissies van organische verbindingen te beperken door lekkende componenten te detecteren en vervolgens te repareren of vervangen. Momenteel zijn de snuffelmethode (beschreven in EN 15446) en de methode voor de optische beeldvorming van gas beschikbaar om lekken op te sporen.

Snuffelmethode: De eerste stap is de detectie door middel van draagbare apparaten voor de analyse van organische verbindingen die de concentratie naast de apparatuur meten (bv. door middel van vlamionisatie of foto-ionisatie). Tijdens de tweede stap wordt de component in een ondoorlatende zak geplaatst om een directe meting aan de emissiebron uit te voeren. Deze tweede stap wordt soms vervangen door mathematische correlatiekrommen op basis van statistische resultaten verkregen van een groot aantal eerdere metingen die bij soortgelijke componenten zijn uitgevoerd.

Methoden voor de optische beeldvorming van gas: Bij optische beeldvorming wordt gebruikgemaakt van kleine lichte draagbare camera's waarmee gaslekken in realtime kunnen worden gevisualiseerd, zodat zij als „rook” verschijnen op een videorecorder samen met het normale beeld van de betrokken component, teneinde grote lekken van organische verbindingen gemakkelijk en snel te kunnen lokaliseren. Actieve systemen produceren een beeld met een infrarood laserlicht met terugverstrooiing dat wordt weerspiegeld op de component en de omgeving ervan. Passieve systemen zijn gebaseerd op de natuurlijke infraroodstraling van de apparatuur en de omgeving ervan.

Puntbron

Een gefixeerd punt van gekanaliseerde - en daarmee in principe kwantificeerbare emissies.

RIE

Richtlijn Industriële Emissies

Stof

Totaal aan vaste deeltjes (in lucht).

Thermische oxidatie

De oxidatie van brandbare gassen en geurstoffen in een afgasstroom door het mengsel van verontreinigende stoffen samen met lucht of zuurstof in een verbrandingskamer tot boven de zelfontbrandingstemperatuur te verwarmen en lang genoeg op een hoge temperatuur te houden om volledige verbranding tot koolstofdioxide en water tot stand te brengen.

TVOS

Totaal aan vluchtige organische stoffen, uitgedrukt als C (in lucht).

Natte gaswassing

De verwijdering van verontreinigende gassen of deeltjes uit een gasstroom via stofoverdracht naar een vloeibaar oplosmiddel, vaak water of een waterige oplossing. Dit kan een chemische reactie opwekken (bv. in een zure of basische gaswasser). In bepaalde gevallen kunnen de stoffen worden teruggewonnen uit het oplosmiddel.

VOS

Vluchtige organische stof zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 45, van Richtlijn 2010/75/EU.

Ongevallen en incidenten

Adequate bufferopslagcapaciteit

Een adequate bufferopslagcapaciteit voor afvalwater dat onder niet normale omstandigheden ontstaat, is onder andere afhankelijk van de plaats en welk soort afvalwater kan ontstaan bij niet normale omstandigheden, welke maatregelen en voorzieningen zijn genomen om het ontstaan van dit afvalwater te voorkomen of te beperken, de aard van de verontreinigende stoffen, de effecten van de stroomafwaartse afvalwaterbehandeling en het ontvangende milieu, maar bijvoorbeeld ook of er afspraken zijn gemaakt om het afvalwater af te voeren per tankwagen.

Ongevallenbeheerplan

Het ongevallenbeheerplan maakt deel uit van het MBS. Daarin worden de met de installatie verbonden gevaren en de bijbehorende risico's geïdentificeerd en worden maatregelen vastgesteld om deze risico's aan te pakken. In het plan wordt rekening gehouden met de inventarisatie van de verontreinigende stoffen die aanwezig zijn of waarschijnlijk aanwezig zijn en die milieugevolgen kunnen hebben als zij vrijkomen.

VBS

Veiligheidsbeheerssysteem

BIJLAGE 4 NIET INERTE GOEDEREN 

(Niet uitputtend)

A. Lekkende goederen

a. nog niet volledig gedemonteerde wrakken van motorvoertuigen;

b. beschadigde of afgedankte werktuigen met een verbrandingsmotor of een oliecircuit, smeermiddelcircuit of koelvloeistofcircuit;

c. beschadigde of afgedankte transformatoren;

d. beschadigde of afgedankte loodzuuraccu’s;

e. gebruikte oliedrukkabels;

f. gebruikte oliefilters;

g. oliehoudende poetsdoeken;

h. absorptiemateriaal gebruikt voor het opruimen van gevaarlijke stoffen of olie;

i. boorspoeling of boorgruis van het boren van een gat in de grond;

j. natte afvalstoffen van onderhoud van openbare ruimten;

k. met olie, emulsie of koelvloeistof verontreinigde afvalstoffen van metaalbewerking.

B. Uitlogende goederen

a. strooizout;

b. andere metalen dan aluminium, ijzer en roestvrij staal;

c. steenkool of bruinkool;

d. ertsen of derivaten van ertsen;

e. zwavel;

f. verduurzaamd hout zonder KOMO-certificaat;

g. IBC-bouw stoffen als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit;

h. teerhoudend dakafval;

i. teerhoudend asfalt;

j. gebruikt straalgrit;

k. geshredderd hout dat is geverfd of verduurzaamd;

l. afvalstoffen van het shredderen van samengestelde metalenproducten;

m. gebruikte gepantserde papier-loodkabels;

n. gebruikte papiergeïsoleerde grondkabels;

o. gebruikte glasvezelkabels;

p. as of slakken van verbranding;

q. gebruikt actief kool;

r afgezeefd zand van het sorteren of breken van gemengd bouw afval en sloopafval of ander steenachtig materiaal;

s. filterkoek van ontgiften, neutraliseren en ontwateren;

t. droge afvalstoffen van onderhoud van openbare ruimten.

C. Vermestende goederen

a. kunstmeststoffen;

b. niet-houtachtig groenafval;

c. geshredderd onbehandeld hout;

d. GFT-afval;

e. dierlijke afvalstoffen of slachtafval;

f. voedselafval;

g. afvalstoffen van verpakkingsglas van voedingsmiddelen;

h. organische afvalstoffen van voedselbereiding.

BIJLAGE 5 ONDERSTEUNEND DOCUMENT MILIEUBEHEERSYSTEEM (MBS) 

I. Inleiding

Op grond van maatregel BBT1 maatregel zoals opgenomen in de BREF/BBT-conclusies Afvalbehandeling dient ter verbetering van de algehele milieuprestaties en de controle daarop een milieubeheersysteem (MBS) te worden ingevoerd. Dit document is bedoeld ter ondersteuning voor het opstellen van een MBS. De concrete invulling en het detailniveau van het MBS is afhankelijk van de specifieke situatie (bv. Aard, omvang en complexiteit van het bedrijf en alle mogelijke milieueffecten ervan) en dient op bedrijfsniveau bepaald te worden. Zo zal een milieuzorgsysteem van een klein bedrijf minder uitgebreid zijn dan dat van een groot bedrijf. Het opstellen en toepassen van een milieuzorgsysteem vergt inspanningen en tijd maar door het toepassen van een milieuzorgsysteem kan de milieu-impact algemeen beperkt worden.

II. Beschrijving bedrijf.

Invullen:

  • 1.

    Beschrijving van het bedrijf

    • a)

      Naw gegevens.

    • b

      De IPPC categorie.

III. Het milieubeleid en naleven van toepassing zijnde milieuregelgeving (BBT1) :

Invullen met aandacht voor:

  • a)

    Op welke wijze is het management betrokken bij het milieubeleid.

  • b)

    Definiëren wat het milieubeleid is van het bedrijf.

  • c)

    Hoe is het milieubeleid uitgewerkt door het management en waaruit blijkt dat er sprake is van continue verbetering van de milieuprestaties.

IV. Een kwaliteitssysteem toepassen. Noodzakelijke procedures opstellen en implementeren (BBT1):

Invullen met aandacht voor:

  • 1.

    Structuren van taken en verantwoordelijkheden:

    • a)

      Implementeren en uitvoeren van de procedures met bijzondere aandacht voor;

      • -

        bedrijfsorganisatie en verantwoordelijkheid;

      • -

        aanwerving, opleiding, bewustmaking en bekwaamheid;

      • -

        communicatie;

      • -

        betrokkenheid van de werknemers;

      • -

        documentatie (bijhouden van gegevens, registraties);

      • -

        efficiënte procescontrole;

      • -

        onderhoudsprogramma's;

      • -

        monitoring;

      • -

        noodplan en rampenbestrijding;

      • -

        waarborgen van de naleving van de milieuwetgeving;

      • -

        Interne audits (planning en wijze van uitvoeren).

    • b)

      Taken en verantwoordelijkheden: Wie is waar verantwoordelijk voor. Denk hierbij aan voorschriften uit de vergunning, onderhoudstermijnen maar ook het bijhouden van nieuwe wet- en regelgeving en het informeren van personeel hierover en het volgen van de ontwikkelingen op het vlak van schonere technologieën.

    • c)

      Wie controleert of taken door verantwoordelijke zijn uitgevoerd en eventueel opstellen corrigerende maatregelen.

    • d)

      Opstellen onderhouds- en inspectieprogramma’s.

    • e)

      Op welke wijze wordt bijgehouden/geregistreerd dat de dagelijkse, wekelijkse, maandelijkse, jaarlijkse taken en verplichtingen (uit de vergunning) zijn uitgevoerd waaronder ook de jaarlijkse elektronische verslaglegging E-PRTR.

    • f)

      Vastleggen dat het kwaliteitssysteem regelmatig wordt beoordeeld door de directie.

V. Borging en monitoring milieuaspecten

Invullen met aandacht voor:

  • 1.

    Afval* (BBT 2)

    • a)

      Opstelling en invoering van procedures voor de karakterisering en preacceptatie van afval.

    • b)

      Informatie over de eigenschappen van het te behandelen afval en de afvalverwerkingsprocessen.

    • c)

      Opstelling en invoering van procedures voor de acceptatie van afval.

    • d)

      Opstelling en invoering van een traceersysteem en inventarisatie voor afval.

    • e)

      Opstelling en invoering van een kwaliteitsbeheersysteem voor de output.

    • f)

      Waarborgen van afvalscheiding.

    • g)

      Waarborgen van de compatibiliteit van afval vóór het mengen of vermengen van afval.

    • h)

      Sortering van inkomend vast afval.

    • i)

      Het opstellen en uitvoeren van hanterings- en overbrengingsprocedures (BBT5).

    • j)

      Materiaalefficiëntie (BBT 22).

    • k)

      Hergebruik van verpakkingen (BBT 24).

    • l)

      Inventaris in en uitgaande stromen/Afvalinput monitoren (BBT 11 en 52)

* Er kan ook verwezen worden naar het van toepassing zijnde Acceptatie- en verwerkingsbeleid en administratieve organisatie en interne controle oftewel het A&V-beleid en AOIC. De onderdelen die niet beschreven worden in het A&V-beleid en AOIC dienen in het milieubeheerssysteem te worden beschreven.

  • 2.

    Afvalwater (BBT 3, 6, 7, 11, 19 en 20)

    Om vermindering van emissies naar water te bevorderen, is het opstellen en actueel houden van een inventaris van afvalwater, als onderdeel van het milieubeheersysteem, noodzakelijk en dienen de volgende elementen te zijn opgenomen:

    • m)

      Opstelling en invoering van procedures aangaande het afvalwater;

    • n)

      Beschrijvingen van proces geïntegreerde technieken en afvalwaterbehandeling bij de bron, inclusief de prestaties ervan.

    • o)

      Informatie over de kenmerken van de afvalwaterstromen, zoals:

      • -

        gemiddelde waarden en variabiliteit van debiet, pH, temperatuur en geleidbaarheid.

      • -

        gemiddelde concentratie en belastingwaarden van de relevante stoffen en hun variabiliteit (bv. CZV/TOC, stikstofverbindingen, fosfor, metalen, prioritaire stoffen/microverontreinigingen waaronder ook ZZS);

      • -

        gegevens over biologische verwijderbaarheid (bv. BZV, BZV/CZV-ratio, Zahn-Wellenstest, potentieel tot biologische inhibitie (bv. inhibitie van actief slib)).

    • d)

      Onderhoudsschema inspectie/controle data metingen (wettelijk dan wel op basis van verleende vergunningen).

    • e)

      Monitoring afvalwater. Registratie van uitgevoerde metingen/controles/inspecties/afvalwaterhoeveelheden en emissies.

  • 3.

    Lucht (BBT 3, 8, 9, 14 en 53)

    Om vermindering van emissies naar de lucht te bevorderen, is het opstellen en actueel houden van een inventaris van afgasstromen, als onderdeel van het milieubeheersysteem, noodzakelijk en dienen de volgende elementen te zijn opgenomen:

    • a)

      Opstelling en invoering van procedures aangaande (het voorkomen van) luchtemissies.

    • b)

      beschrijvingen van proces geïntegreerde technieken en afgasbehandeling bij de bron, inclusief de prestaties ervan.

    • c)

      informatie over de eigenschappen van de afgasstromen, zoals:

      • -

        gemiddelde waarden en variabiliteit van debiet en temperatuur;

      • -

        gemiddelde concentratie en belastingwaarden van de relevante stoffen en hun variabiliteit (bv. organische verbindingen, POP's zoals PCB’s en ZZS);

      • -

        ontvlambaarheid, laagste en hoogste explosiegrenswaarden, reactiviteit;

      • -

        de aanwezigheid van andere stoffen die van invloed kunnen zijn op het afgasbehandelingssysteem of de veiligheid van de installatie (bv. zuurstof, stikstof, waterdamp, stof).

    • d)

      Onderhoudsschema inspectie/controle data metingen (wettelijk dan wel op basis van verleende vergunningen).

    • e)

      Monitoring luchtemissies. Registratie van uitgevoerde metingen/ controles/inspecties.

  • 4.

    Opslag (BBT 4)

    • a)

      Geoptimaliseerde opslag.

    • b)

      Adequate opslagcapaciteit.

    • c)

      Veilige opslag.

    • d)

      Afzonderlijke ruimte voor opslag en hantering van verpakt gevaarlijk afval.

  • 5.

    Geur (BBT 10, 12, 13 en 14)

    • a)

      Opstelling en invoering van procedures aangaande (het voorkomen) van geuremissies.

    • b)

      Om geuremissies naar de omgeving te beperken en te voorkomen een geurbeheerplan opstellen.

    • c)

      Geuremissies monitoren.

  • 6.

    Geluid- en trillinghinder (BBT 17 en 18)

    • a)

      Opstellen van een beheerplan voor geluid en trillingen om geluidemissies en trillinghinder naar de omgeving te beperken en te voorkomen:

      • -

        Borging dat er op toegezien wordt dat er een verantwoord akoestisch beleid gevoerd wordt bij nieuwbouw, aanpassing bestaande gebouwen, terreininrichting, vervanging en aanpassing van installaties en vervoermiddelen en vervoersbewegingen.

    • b)

      Monitoring geluid. Uitvoeren geluidmetingen ene registreren.

  • 7.

    Bodem inclusief bodem beschermende voorzieningen (BBT 19).

    • a)

      Onderhoudsschema inspectie/controle data metingen bodem en bodem beschermende voorzieningen (wettelijk dan wel op basis van verleende vergunningen).

    • b

      Registratie van uitgevoerde metingen/controles/inspecties.

  • 8.

    Energie (BBT 11 en 23)

    • a)

      opstellen van een energiebeleidsverklaring door het management:

      • -

        onderschrijving van het engagement van het management van de vestiging dat de onderneming werkt aan een optimale(re) energie-efficiëntie;

      • -

        creëert het noodzakelijk draagvlak voor de implementatie van de energiebeheermaatregelen.

    • c)

      aanstellen van een energiecoördinator:

      • -

        wordt aangesteld door het management;

      • -

        coördineert het te volgen energiebeleid binnen de onderneming en ziet toe op een verantwoord (duurzaamheids) beleid bij nieuwbouw, aanpassing bestaande gebouwen, vervanging en aanpassing van installaties en vervoermiddelen;

      • -

        is verantwoordelijk voor de communicatie (in beide richtingen) rond het energiebeleid en de daaruit voortvloeiende activiteiten.

    • d)

      Energieverbruik monitoren en registreren.

  • 9.

    Affakkeling (BBT 15 en 16)

    • a)

      Correct ontwerp van de installatie.

    • b)

      Installatiebeheer.

    • c)

      Monitoring en registratie als onderdeel van het fakkelbeheer.

  • 10.

    (Metaal)shredderinstallaties (BBT 8, 14, 25, 26, 27 en 28)

    • a)

      Monitoring.

    • b)

      Deflagraties te voorkomen.

    • c)

      Shreddervoeding stabiel te houden i.h.k.v. energie.

    • d)

      Prestatie verbetering.

    • e)

      Voorkomen emissies bij incidenten.

  • 11.

    Behandeling AEEA VFK's en/of VKW’s bevatten (BBT 14, 29 en 30).

  • 12.

    Mechanische behandeling van afval met calorische waarde (BBT 31).

  • 13.

    Mechanische behandeling van kwikhoudende AEEA (BBT 32)

  • 14.

    Biologische behandeling van afval (BBT 33, 34, 35).

  • 15.

    Aerobe behandeling van afval (BBT 36 en 37).

  • 16.

    Anaerobe behandeling van afval (BBT 38).

  • 17.

    Mechanische biologische behandeling (MBB) van afval (BBT 39).

  • 18.

    Fysisch-chemische behandeling van vast afval en/of steekvast slib (BBT 40 en 41).

  • 19.

    Herraffinage van afgewerkte olie (BBT 42, 43 en 44).

  • 20.

    Fysisch-chemische behandeling van afval met calorische waarde (BBT 45).

  • 21.

    Regeneratie van afgewerkte oplosmiddelen (BBT 46, 47 en BBT-GEN onder 4.5).

  • 22.

    Thermische behandeling van afgewerkte actieve kool, gebruikte katalysatoren en uitgegraven verontreinigde grond (BBT 48 en 49).

  • 23.

    Reiniging van uitgegraven verontreinigde grond met water (BBT 50).

  • 24.

    Decontaminatie van PCB-houdende apparatuur (BBT 51).

VI. Borging en monitoring overige en algemene aspecten:

Invullen met aandacht voor:

  • 1.

    Een correcte inventaris van in- en uitgaande stromen bijhouden (monitoren en meten). Voorbeelden van parameters die via monitoring opgevolgd kunnen worden, zijn:

    • a)

      Waterverbruik (11 en 19).

    • b)

      Chemicaliënverbruik (BBT 11).

  • 2.

    Preventieve maatregelen toepassen om onvoorziene lozingen die schadelijk zijn voor het milieu te voorkomen, bv. door lekkage, verspilling, slecht werkende installaties of slecht werkende controlesystemen (BBT 5, 14, 19, 21, 32 en hfdst. 6.2):

    • a)

      inventariseren mogelijke bronnen van onvoorziene lozingen die schadelijk zijn voor het milieu;

    • b)

      Controlemaatregelen identificeren en toepassen ter voorkoming van onvoorziene lozingen en ter beperking van het schadelijk effect voor het milieu (bv. alarm, noodbuffer, verzegelde noodaansluiting).

  • 3.

    Noodplan opstellen, implementeren en regelmatig uittesten, bv. (BBT 1 en 23)

    • a)

      Branddetectie, brandblusapparatuur, brandweg, pictogrammen, jaarlijkse evacuatieoefening.

    • b)

      Onderhouds/Inspectie signalering en registratie brandpreventie middelen zoals branddetectie- en brandblusapparatuur.

    • c)

      Ongevallenbeheerplan.

    • d)

      Zoneringsplan opstellen (i.v.m. stofexplosies).

    • e)

      Incidenten en onvoorziene gebeurtenissen onderzoeken en rapporteren.

    • f)

      Procedure opstellen melden ongewoon voorval aan bevoegd gezag.

VII. Informatieverstrekking en training/coaching met het oog op bewustzijn en betrokkenheid van de werknemers BBT 1):

Invullen met aandacht voor:

  • 1.

    Communicatie en training zijn belangrijk om medewerkers te sensibiliseren:

    • a)

      Interne communicatie.

      • i.

        management/energiecoördinator: informatie verspreiden (aanpak, doelstellingen, enz.) en maar ook terugkoppeling van resultaten (bv. aantal Euro’s bespaard);

      • ii.

        werknemers: verzamelen van ideeën, voorstellen en eventuele vragen op het gebied van opleidingen.

    • b)

      externe communicatie:

      • iii.

        ketenefficiëntie verbeteren; samen met leveranciers en klanten zoeken naar energetische verbeteringen (ook op vlak van transport en logistiek);

      • iv.

        regelmatige en gepaste communicatie naar de omgeving van de onderneming over behaalde resultaten op gebied van bv. energiereducties en maatregelen ter verbetering van de leefomgeving.

    • c)

      De aandacht die gegeven wordt aan opleiding en training.

    • d)

      Onderwerpen die tijdens de trainingen aan bod kunnen komen zoals:

      • -

        mogelijke problemen die zich voordoen tijdens de normale bedrijfsprocessen;

      • -

        mogelijke problemen die zich voordoen in niet-routine situaties;

      • -

        risicoanalyse van bedrijfsprocessen.

VIII Potentieel en impact van nieuwe schone technologieën onderzoeken/bijhouden (BBT 1):

Invullen met aandacht voor:

  • 1.

    Aandacht voor innovatie.

  • 2.

    Borgen dat bij de ontwerpfase van een nieuwe installatie rekening wordt gehouden met de milieueffecten tijdens de volledige levensduur en de latere ontmanteling ervan.

Op regelmatige basis een sectorale benchmarking uitvoeren.

Naar boven