Besluit ambtshalve wijziging omgevingsvergunning 23 mei 2017 i.v.m. opslag gevaarlijke stoffen aan Hollandiastraat 15 te Scharsterbrug

ONDERWERP

Op 23 mei 2017, met kenmerk 2016-FUMO-0018737, is een revisievergunning verleend aan Exploitatiemaatschappij Phoenix B.V. voor een zuivelbedrijf op de locatie Hollandiastraat 15 te Scharsterbrug. Nadien zijn er nog diverse vergunningen verleend. De revisievergunning van 23 mei 2017 wordt ambtshalve aangepast door een nieuw voorschrift aan de vergunning toe te voegen.

Reden voor de wijziging is het vastleggen van de opslag van gevaarlijke stoffen om te borgen dat de opslag van gevaarlijke stoffen onder de lage drempelwaarde blijft van het Besluit Risico’s Zware Ongevallen.

BESLUIT 

Wij besluiten, gelet op artikel 2.31, lid 1, onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht:

  • aan de revisievergunning van 23 mei 2017, kenmerk 2016-FUMO-0018737, het voorschrift 1.1.1 toe te voegen zoals opgenomen in de bijlage bij deze ambtshalve wijziging;

  • dat Bijlage 4-1 Gevaarlijke stoffen, PHSC.0744.20160810.HS.SW van 10 augustus 2016, geen deel meer uitmaakt van de revisievergunning van 23 mei 2017, kenmerk 2016-FUMO-0018737. Evenals dat bijlage 3 van de bijlage (notitie) ‘Opslag gevaarlijke stoffen’, kenmerk PHSC.844.20210203.NK.SW, van 3 december 2020, geen deel meer uitmaakt van de veranderingsvergunning van 3 november 2021, met kenmerk 2020-FUMO-0047693. Deze twee bijlagen worden vervangen door voorschrift 1.1.1, zoals opgenomen in de bijlage bij deze ambtshalve wijziging.

Namens het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân,

S.G.C. Boender Afdelingshoofd Vergunningverlening en Specialistisch Advies  

Bijlage: Voorschriften

Overwegingen

Kopie: College van Burgemeester en Wethouders

van de gemeente de Fryske Marren

Postbus 101

8500 AC Joure

Brandweer Fryslân

Postbus 612

8901 BK Leeuwarden

ODG

Postbus 97

9640 AB Veendam

RECHTSBESCHERMINGSMIDDELEN

Bekendmaking, inwerkingtreding en rechtsbeschermingsmiddelen (definitieve) beschikking

Deze beschikking wordt bekendgemaakt door toezending aan de aanvrager. Daarnaast wordt een kennisgeving gepubliceerd in de Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad en in het Provinciaal blad van Fryslân via www.officielebekendmakingen.nl. De beschikking treedt in werking op de dag nadat de beroepstermijn is verstreken.

De aanvraag en de beschikking met de daarbij behorende stukken worden op grond van de Algemene wet bestuursrecht gedurende zes weken ter inzage gelegd. Inzage is mogelijk bij de gemeente De Fryske Marren, de provincie Fryslân en bij de FUMO.

Een dag nadat de beschikking ter inzage is gelegd, start de termijn van zes weken voor het indienen van een beroepschrift. In die periode kunnen zowel u als belanghebbenden beroep aantekenen tegen deze beschikking. Ook niet-belanghebbenden kunnen beroep aantekenen indien zij een zienswijze hebben ingediend.

Het beroepschrift moet in tweevoud ingediend worden bij Rechtbank Noord-Nederland, postbus 781, 9700 AT Groningen.

Het indienen van een beroepschrift stelt de werking van de beschikking niet uit. Als u of belanghebbenden niet willen dat deze beschikking in werking treedt na afloop van de beroepstermijn, kan tijdens die termijn om een voorlopige voorziening worden verzocht. Dit verzoek kan worden gedaan bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Nederland, postbus 781, 9700 AT Groningen. De beschikking treedt in dat geval niet in werking voordat over dit verzoek is beslist.

 

VOORSCHRIFT BEHORENDE BIJ DE VERGUNNING VAN 23 MEI 2017, KENMERK 2016-FUMO-0018737

1 EXTERNE VEILIGHEID

1.1 Algemeen

1.1.1 De binnen de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen (in opgeslagen hoeveelheden boven de ondergrens van de PGS 15) of grote opslagen niet-gevaarlijke stoffen, mogen de hoeveelheden zoals opgenomen in onderstaande tabellen niet overschrijden. Dit is inclusief het compartiment van de tankwagen met stoffen in de categorie H2 dat bij de verlading is betrokken.

Categorie**

H-zinnen

ADR-klasse

Drempelwaarde Seveso

Hoeveelheid

Deel 1: H2, Acuut toxische stoffen

H331

8

0,743 

36,5 ton

Deel 1: E1, Gevaar voor aquatisch milieu

H400, H410

8 en 9

0,045

4.452 kg

Deel 2: 35, Ammoniak

H221, H331, H400

2.3

0,014

694 kg

** Als bedoeld in richtlijn 2012/18/EU van 4 juli 2012 (Seveso-III)

Stof

Wijze van opslag

Locatie

ADR-klasse

Verpakkings-groep

Maximale hoeveelheid (kg)

Salpeterzuur 53-60%

Tank 10 m3

Naast U-002 Opslagloods

8

II

14.000

Salpeterzuur 53%

50 liter tank

F-gebouw

8

II

70

Natronloog 50%

Tank 15 m3

Naast U-002 Opslagloods

8

III

24.174

Kaliloog 53%

Tank 14 m3

Naast U-002 Opslagloods

8

II

22.500

Salpeterzuur 1%

Tank 10 m3

C-001 CIP- en vetopslag

-

-

-

Natronloog 1%

Tank 15 m3

C-001 CIP- en vetopslag

-

-

-

Natronloog 50%

Tank 800 l

D-gebouw Egron 1 en 2

8

III

1.290

Kaliloog 53%

1000 l RVS dubbelwandig

D-gebouw Egron 1 en 2

8

II

1.500

Koolstofdioxide (koolzuur)

Tank 14,96 m3 (max 95% gevuld)

L-009 Gastanks

2.2

-

28.300

Stikstof

Tank 25,04 m3 (max 95% gevuld)

L-009 Gastanks

2.2

-

17.550

Opslagruimte

Toegestane ADR-klasse

Maximale hoeveelheid

Laboratorium (gebouw J-113), compartiment ontvlambaar

3

150 liter

Laboratorium (gebouw J-113), compartiment basisch

8

50 liter

Laboratorium (gebouw J-113), compartiment zuur

8

15 liter

CIP en vetopslag (gebouw C-001)

5.1

5.2

1.000 liter

1.000 liter

Was en Schoonmaak hok facilitair (gebouw D102)

3

47 liter

Gebouw V: PGS 15 en 8 kluis

5.1

5.2

2 x 1.000 liter

2 x 1.000 liter

Gebouw T: Chemicaliënopslag, compartiment zuren

8

2.300 liter

Gebouw T: Chemicaliënopslag, compartiment basisch

8

1.300 liter

Gebouw K: Palletiseren/de-palletiseren, K-003 Palletisering

-

1.000 kg

Gebouw K: Palletiseren/de-palletiseren, compartiment basisch, K-011 Palletisering

8

1.000 liter

Gebouw K: Palletiseren/de-palletiseren, compartiment zuur, K-010 Palletisering

8

5.1

1.000 liter

20 liter

Gebouw A: Ketelhuis, compartiment basisch

-

100 liter

Gebouw A: Ketelhuis, compartiment zuur

-

400 liter

Gebouw W: opslag gassen

2

1.000 liter (gasflessen van 50 liter)

 

OVERWEGINGEN

1. PROCEDURELE OVERWEGINGEN

1.1. Projectbeschrijving

In het kader van het Frieslandbrede uitvoeringsprogramma ‘Net niet Brzo’ heeft de FUMO, mede namens de provincie, onderzoek gedaan naar alle bedrijven die net niet onder het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (Brzo) vallen. Hiervoor heeft een toezichthouder van de FUMO een controle binnen de inrichting uitgevoerd.

Voor de beoordeling voor het Brzo wordt gekeken naar alle gevaarlijke stoffen die op enig moment in de inrichting aanwezig kunnen zijn. Daarbij wordt ook het gehele tankcompartiment van de tankwagen betrokken van waaruit de verlading van salpeterzuur (53/60%) plaatsvindt. Gelet op de inhoud van het gehele tankcompartiment wordt de Brzo-ondergrens genaderd. De toetsing van de gezondheidsgevaren is 0,897. Om deze reden willen wij in de vergunning van 23 mei 2017 borgen dat de lage drempelwaarde uit het Brzo niet overschreden wordt. Hiervoor worden voorschriften aan de vergunning van 23 mei 2017 verbonden over de hoeveelheden van de opgeslagen hoeveelheden, alsmede algemene eisen aan installaties, etc. Deze voorschriften gelden naast de in de onderliggende vergunningen opgenomen voorschriften voor de opslag en het gebruik van gevaarlijke stoffen.

1.2. Huidige vergunningsituatie

Voor de inrichting zijn eerder de onderstaande vergunningen en/of ontheffingen verleend dan wel meldingen geaccepteerd:

Soort

Datum vergunning

Kenmerk

Onderwerp

Revisievergunning

23 mei 2017

2016-FUMO-0018737

Revisievergunning, nieuwe de gehele inrichting omvattende omgevingsvergunning

Milieuneutrale omgevingsvergunning

12 december 2017

2017-FUMO-0025322

Plaatsen vul-/ verpakkingsinstallatie

Milieuneutrale omgevingsvergunning

26 november 2019

2019-FUMO-0036106

Zonnepanelen op het dak

Milieuneutrale omgevingsvergunning

11 mei 2020

2020-FUMO-0039408

Plaatsen luchtbehandelingskast

Milieuneutrale omgevingsvergunning

16 juni 2020

2020-FUMO-0040077

Plaatsen hekwerk en poort

Milieuneutrale omgevingsvergunning

14 juli 2020

2020-FUMO-0042078

Plaatsen van drie luchtcompressoren

Milieuneutrale omgevingsvergunning

15 oktober 2020

2020-FUMO-0043276

Vervangen en plaatsen twee ventilatoren

Ambtshalve aanpassing

vergunning 23 mei 2017

20 oktober 2020

2020-FUMO-0040597

Ambtshalve aanpassing energievoorschriften

Milieuneutrale omgevingsvergunning

17 februari 2021

2020-FUMO-0047394

Vernieuwen luchtverhitter Egron 3

Veranderingsvergunning

3 november 2021

2020-FUMO-0047693

Verandering opslag chemicaliën

Veranderingsvergunning en ambtshalve aanpassing vergunning 23 mei 2017

10 november 2021

2021-FUMO-0051657

Het verplaatsen en vervangen van chemicaliëntanks en het plaatsen van een opslagloods

1.3. Vergunningplicht

De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I, onderdeel C van het Besluit omgevingsrecht (Bor). De volgende categorieën zijn van toepassing:

Categorie

Omschrijving

1.1, onder a en c

Inrichtingen waar:

a. een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een vermogen of een gezamenlijk vermogen groter dan 1,5 kW, met dien verstande, dat bij de berekening van het gezamenlijk vermogen een elektromotor met een vermogen van 0,25 kW of minder buiten beschouwing blijft;

c. een of meer voorzieningen of installaties aanwezig zijn voor het verstoken van brandstoffen met een thermisch vermogen of een gezamenlijk vermogen groter dan 130 kW.

2.1, onder a

Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van gassen of gasmengsels, al of niet in samengeperste tot vloeistof verdichte of onder druk in vloeistof opgeloste toestand.

4.1, onder a

Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van de volgende stoffen, preparaten of producten:

a. stoffen en preparaten die zijn ingedeeld krachtens het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten in een categorie als bedoeld in artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer.

4.4, onder c

Als categorieën vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van dit besluit, worden inrichtingen aangewezen voor de opslag van polyesterhars en stoffen van ADR klasse 5.1 of klasse 8, verpakkingsgroepen II en III, zonder bijkomend gevaar, in bovengrondse opslagtanks met een inhoud van meer dan 10 m3.

5.1

Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare, ontvlambare of brandbare vloeistoffen.

6.1

Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van harsen, dierlijke of plantaardige oliën of vetten.

9.1, onder d

Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken of verwerken van voedingsmiddelen, genotmiddelen of grondstoffen daarvoor.

9.3, onder a

Gedeputeerde Staten zijn bevoegd te beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning ten aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het betreft inrichtingen voor het vervaardigen van melkpoeder, weipoeder of andere gedroogde zuivelproducten met een capaciteit ten aanzien daarvan van 1.500 kg per uur of meer.

Op grond van categorie 4.4, onder c is sprake van een vergunningplichtige activiteit.

Het betreft een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort als genoemd in Bijlage I, categorie 6.4, onder b, derde lid, van de RIE. Deze categorie betreft de bewerking en verwerking voor de fabricage van levensmiddelen van dierlijke en plantaardige grondstoffen, zowel in gecombineerde als afzonderlijke producten met een productiecapaciteit van meer dan 75 ton per dag. Om die reden is ook op grond van artikel 2.1, tweede lid van het Bor sprake van een vergunningplichtige inrichting.

Door de aangescherpte CLP-classificatie (Classification, Labelling and Packaging) is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) nu op basis van de opslag van salpeterzuur van toepassing. Salpeterzuur (53/60%) is volgens de CLP-Verordening een acuut toxische vloeistof. Op grond van artikel 1b, sub f, van de Richtlijn externe veiligheid inrichtingen (Revi) valt een inrichting waar een vergiftige stof, (niet zijnde benzine of methanol), in een insluitsysteem aanwezig is met een inhoud van meer dan 1.000 liter, onder het Bevi. Ook op basis van het Bor, bijlage I, onderdeel B, onder 1, onder a, is sprake van een vergunningplichtig bedrijf.

1.4. Bevoegd gezag

Wij zijn bevoegd gezag voor de inrichting. Dit volgt uit artikel 2.4, tweede lid van de Wabo, juncto artikel 3.3, eerste lid van het Bor, op grond van de activiteiten van de inrichting, genoemd in Bijlage I onderdeel C, categorie 9.3, onder a van het Bor. Daarnaast betreft het een inrichting die valt onder bijlage 1 van de Richtlijn Industriële Emissies (RIE) (IPPC-installatie) (categorie 6.4, onder b, derde lid).

1.5. Procedure en zienswijze 

De op 23 mei 2017 verleende omgevingsvergunning is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Gelet op artikel 3.15, lid 3, van de Wabo dient de ambtshalve wijziging eveneens te worden voorbereid met deze uitgebreide voorbereidingsprocedure.

1.6. Adviezen

In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 van de Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor, zenden wij de ambtshalve wijziging ter advies aan de volgende bestuursorganen:

  • Burgemeester en wethouders van gemeente De Fryske Marren;

  • Brandweer Fryslân;

  • Omgevingsdienst Groningen.

1.7. Zienswijzen en advies op de ontwerpbeschikking

Van het ontwerp van de beschikking hebben wij de kennisgeving met de ontwerpbeschikking en de aanvraagdocumenten digitaal gepubliceerd op internet op: www.officielebekendmakingen.nl op

22 december 2023.

Van 25 december 2023 tot en met 5 februari 2024 heeft het ontwerp ter inzage gelegen en is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is gebruik gemaakt door de vergunninghouder. Daarnaast heeft Brandweer Fryslân advies uitgebracht over de ontwerpbeschikking.

Samengevat betreft het de volgende zienswijze van de vergunninghouder:

In het kader van het Frieslandbrede uitvoeringsprogramma ‘net niet Brzo’ heeft de FUMO mede namens de provincie onderzoek gedaan naar alle bedrijven die net niet onder het Brzo 2015 vallen. In dit uitvoeringsprogramma wordt een bedrijf als een 'net niet Brzo-bedrijf’ aangemerkt bij een sommatiewaarde hoger dan of gelijk aan 0,8. Hierop is Phoenix getoetst en gelet op de inhoud van het gehele tankcompartiment van de tankwagen waaruit de verlading van salpeterzuur plaatsvindt, wordt volgens de FUMO de Brzo-ondergrens genaderd. De FUMO heeft door middel van een Brzo-toets getoetst aan de drempelwaarden uit de Seveso III-richtlijn. De sommatiewaarde voor de gezondheidsgevaren bedraagt 0,897. Deze sommatiewaarde ligt hoger dan de aangegeven waarde van 0,8 en op basis van deze berekening zou Phoenix als net niet Brzo-bedrijf worden aangemerkt. Hierdoor worden aanvullende voorschriften opgelegd. Hiermee willen de provincie borgen dat Phoenix niet onder de werkingssfeer van het Brzo gaat vallen. De toetsing is, gelet op de inhoud van het gehele tankcompartiment van de tankwagen van waaruit de verlading van salpeterzuur plaatsvindt, ons inziens niet correct uitgevoerd. In de toetsing is namelijk uitgegaan van een maximale inhoud van het tankcompartiment van 28 m3. In combinatie met de inhoud van de opslagtank van salpeterzuur op moment van bestellen (3,5 m3), zou dit betekenen dat er ten tijde van verlading maximaal 31,5 m3 ofwel 44,1 ton in de opslagtank en tankcompartiment tezamen aanwezig zou zijn.

Van der Lee (leverancier salpeterzuur) geeft in zijn mail van 16-01-2024 aan dat salpeterzuur een soortelijk gewicht van 1,4 kg/m3 heeft. Dit betekent dat een volume van 22,5 m3, zijnde de maximale inhoud van het gehele tankcompartiment, een massa heeft van 31,5 ton. De inhoud van de oplegger/tank kan niet boven de 22,5 m3 uitkomen, omdat anders de oplegger te zwaar zal zijn om dit te mogen vervoeren. Uitgaande van een maximale inhoud van 31,5 ton van het gehele tankcompartiment, is de sommatiewaarde van de Seveso-categorie gezondheidsgevaren opnieuw berekend. De herberekende sommatiewaarde is 0,742. Dit houdt in dat Phoenix de sommatiewaarde van 0,8 niet overschrijdt en de aanvullende voorschriften niet aan de vergunning van 23 mei 2017 toegevoegd hoeven te worden. Phoenix verzoekt om de Brzo-toetsing voor de groep 'gezondheidsgevaren’ in deze zienswijze onderdeel te laten zijn van ons besluit, zodat hiermee de correcte situatie binnen Phoenix wordt aangetoond.

Over de zienswijze merken wij het volgende op:

Wij kunnen instemmen met de verklaring van de leverancier, waardoor bij Phoenix sprake is van een lagere sommatiewaarde voor de categorie gezondheidsrisico’s dan waarvan wij aanvankelijk zijn uitgegaan. Dit betekent dat de voorschriften die wij aan de vergunning van 23 mei 2017 wilden toevoegen, niet langer nodig zijn. Wij gaan hier in subparagraaf 2.2.2 Brzo nader op in.

Brandweer Fryslân heeft het volgende advies gegeven:

“Onder het kopje 2.2 Overwegingen Externe Veiligheid van de ontwerpbeschikking is aangegeven dat door de aangescherpte CLP-classificatie van salpeterzuur, het Bevi van toepassing is (op grond van Artikel 1b sub f van het Revi, vanwege de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter aanwezig zijn in een insluitsysteem).

Gelet op het van toepassing zijn van het Bevi, is een QRA (Kwalitatieve risico-inventarisatie) nodig. Een QRA geeft inzicht in externe veiligheidsrisico’s als gevolg van ongewenste voorvallen met gevaarlijke stoffen. Op basis hiervan kan het bevoegd gezag (nader geadviseerd door brandweer Fryslân) nagaan wat de effecten zijn op de omgeving van deze ongewone voorvallen en de risico’s eventueel te verantwoorden of te beperken door het treffen van maatregelen (effectmaatregelen of het bieden van handelingsperspectief).

Er is voor Phoenix nog geen berekening van het plaatsgebonden risico en een gifwolk aandachtsgebied uitgevoerd. Vanuit het Bevi, en de wettelijke opvolger hiervan, het Bkl (Besluit

kwaliteit leefomgeving) wordt dit nog vereist. Phoenix zal deze QRA aanvullend moeten (laten) opstellen.”

Over het advies merken wij het volgende op:

Op grond van de aanwezigheid van salpeterzuur valt de inrichting in categorie 2, eerste lid, onder d van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Onder de Omgevingswet is dit een mba met externe veiligheidsrisico’s zoals opgenomen in bijlage VII Bkl, categorie E4.

Uit berekeningen in vergelijkbare situaties weten wij dat er geen letale effecten buiten de terreingrens optreden. Het falen van de lossende tankwagen is het maatgevende scenario. De uitdamping van NO2 is zodanig laag (ca. 40 ppm) dat er geen letale effecten worden berekend.

Gelet hierop is er geen aanleiding om een QRA te moeten opstellen. Pas bij concentraties > 70% zou dit moeten worden overwogen.

1.8. Wijzigingen ten opzichte van het ontwerpbesluit

Ten opzichte van het ontwerpbesluit zijn de volgende wijzigingen aangebracht:

  • De zienswijze van de vergunninghouder en het advies van Brandweer Fryslân zijn opgenomen in paragraaf 1.7;

  • Vanwege de zienwijze zijn aangepast:

    • o

      Subparagraaf 2.2.2 Brzo, uitleg wat er verandert door de gegevens uit de zienswijze;

    • o

      Voorschrift 1.1.1 is aangepast n.a.v. de zienswijze.

    • o

      De voorschriften 1.1.2 tot en met 1.1.11 van de ontwerpbeschikking zijn ingetrokken naar aanleiding van de zienswijze.

  • Abusievelijk is in de ontwerpbeschikking de vergunde can met salpeterzuur niet opgenomen in de berekening. Daarnaast is de locatie van de opslagtanks van salpeterzuur, natronloog en kaliloog niet aangepast aan de locatie zoals vergund in de veranderingsvergunning van 10 november 2021, ons kenmerk 2021-FUMO-0051657 en klopte het gewicht van de tank met 800 liter natronloog niet in voorschrift 1.1.1. Hierop is voorschrift 1.1.1 en de tekst in de overwegingen aangepast.

2. INHOUDELIJKE OVERWEGINGEN

2.1. Toetsingskader

Artikel 2.31, eerste lid, van de Wabo geeft de omstandigheden aan waaronder het bevoegd gezag verplicht is de voorschriften van de omgevingsvergunning te wijzigen. Onder b wordt aangegeven dat de voorschriften van de vergunning moeten worden aangescherpt als – kort samengevat – de bescherming van het milieu dit noodzakelijk maakt. Of die noodzaak bestaat kan worden afgeleid uit het toetsingskader dat geldt voor het toepassen van de actualiseringsplicht van artikel 2.30 van de Wabo, dat is opgenomen in artikel 5.10 derde lid van het Bor. Op grond van artikel 2.31, tweede lid, heeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om een vergunning aan te passen. Deze mogelijkheid bestaat voor zover dit in het belang van de bescherming van het milieu is.

Artikel 2.31a, eerste lid van de Wabo geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om, ter bescherming van het milieu, andere technieken voor te schrijven dan in de aanvraag zijn opgenomen en daarmee de grondslag van de aanvraag te verlaten. Op grond van artikel 2.31a, tweede lid is de vergunninghouder verplicht desgevraagd gegevens aan het bevoegd gezag over te leggen die nodig zijn voor de beoordeling of alle relevante BBT-maatregelen worden toegepast.

In dit geval is er sprake van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.30, eerste lid en artikel 2.31, eerste lid, onder b, van de Wabo.

2.2. Overwegingen externe veiligheid 

2.2.1. Algemeen

Binnen de inrichting zijn gevaarlijke stoffen aanwezig. In het kader van het Frieslandbrede programma ‘Net niet Brzo’ heeft de FUMO namens de provincie onderzoek gedaan naar alle bedrijven die net niet onder het Brzo vallen. Uit een controle blijkt dat de lage drempelwaarde van het Brzo genaderd wordt. Bij een waarde van meer dan 0,8 worden aanvullende voorschriften opgelegd, zodat geborgd wordt dat de drempelwaarde niet overschreden wordt.

In de zuivelindustrie wordt salpeterzuur met een bepaalde verdunning gebruikt. Bij Phoenix gaat het om salpeterzuur van 53 en 60%. Vanwege de aangescherpte CLP-classificatie van salpeterzuur, is op salpeterzuur (>26.5%) H331 (acute toxiciteit bij inademing, gevarencategorie 3) van toepassing. Met de aangescherpte CLP-classificatie van salpeterzuur valt de stof in Brzo-categorie H2, waarvoor een lage drempel van 50 ton geldt. Wordt deze drempel overschreden, dan is sprake van Brzo-plicht.

Door de aangescherpte CLP-classificatie is het Bevi nu op basis van de opslag van salpeterzuur van toepassing. Salpeterzuur is volgens de CLP-Verordening een acuut toxische vloeistof. Op grond van artikel 1b, sub f van de Revi valt een inrichting waar een vergiftige stof, niet zijnde benzine of methanol, in een insluitsysteem aanwezig is, met een inhoud van meer dan 1.000 liter, onder het Bevi.

2.2.2. Brzo

Met het in werking treden van het Brzo is de Europese Seveso III-richtlijn uit 2012 geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving. Het Brzo richt zich op het beheersen van zware ongevallen en heeft tot doel om het risico van (grote) ongevallen bij bedrijven zo klein mogelijk te maken. Dat gebeurt enerzijds door de kans op dergelijke ongevallen te verkleinen (proactief, preventie en preparatie) en anderzijds door de gevolgen van een eventueel ongeval voor mens en milieu te beperken (repressie).

De Seveso III-richtlijn bevat een lijst met bepaalde hoeveelheden van specifieke stoffen en stofgroepen (Bijlage I Seveso III-richtlijn). Worden die hoeveelheden (drempelwaarden) overschreden, dan is het Brzo van toepassing op de inrichting en gelden er extra regels naast de omgevingsvergunning. Het Brzo kan ook van toepassing zijn als de drempelwaarden per stofcategorie niet worden overschreden, maar bij het gewogen optellen van de stoffen de uitkomst daarvan gelijk of hoger is dan 1 (sommatieregeling).

Binnen de inrichting wordt een aantal stoffen opgeslagen en gebruikt die op voornoemde lijst staan. De tijdens de controle van onze toezichthouder verzamelde gegevens zijn in een Brzo-toets getoetst aan de drempelwaarden uit de Seveso III-richtlijn. Hierbij is de sommatieregeling gehanteerd die daarbij hoort. Dit resulteert in de volgende sommatiewaarden:

Seveso-categorie

Sommatiewaarde lage drempel

Gezondheidsgevaren H1 t/m H3

0,897 (na zienswijze en rectificatie met de can salpeterzuur: 0,743)

Fysische gevaren P1 t/m P8

0,136

Milieugevaren E1 en E2

0,062

Hieruit blijkt dat bij alle Seveso-categorieën de drempelwaarde van 1 niet wordt bereikt. Hiermee valt de inrichting niet onder het toepassingsgebied van het Brzo. Uitgangspunt hierbij is dat de verlading van salpeterzuur (53/60%) gebeurt op het moment dat maximaal 3,5 m3 salpeterzuur (4,9 ton) in de opslagtank binnen de inrichting aanwezig is.

De Publicatiereeks gevaarlijke stoffen ‘Aanwijzingen voor implementatie van het Brzo 2015 (PGS 6: 2016 1.0 (november 2016)’, schrijft voor dat voor zover in het compartiment van een tankwagen of het -schip na verlading vloeistof achterblijft, dit meegeteld moet worden bij de gevaarlijke stoffen binnen de inrichting.

In de zienswijze heeft Phoenix aangegeven dat de leverancier geen tankwagen met een tankcompartiment heeft van 28 m3, maar dat dit compartiment maximaal 22,5 m3 bedraagt. Phoenix bestelt salpeterzuur (53/60%) als de inhoud van de opslagtank (totaal 10 m3) nog maximaal 3,5 m3 salpeterzuur bevat. Dat betekent dat tijdens de verlading maximaal 26 m3 (36,4 ton) in de opslagtank én tankcompartiment tezamen aanwezig is. Dit heeft gevolgen voor de sommatiewaarde die hiermee onder 0,8 komt te liggen.

De sommatiewaarde in de groep gezondheidsgevaren resulteert in een waarde van 0,743 in plaats van de waarde die in de ontwerpbeschikking is gehanteerd, namelijk 0,897.

Aangezien de sommatiewaarde < 0,8 bedraagt, zijn geen van de extra voorschriften genoemd in de ontwerpbeschikking meer nodig.

Door de wijziging van de indeling van salpeterzuur (vloeibare gevaarlijke stof in de gevarenklasse acute toxiciteit categorie 3, H331), valt de inrichting onder het Bevi. Gelet hierop wordt wel een extra voorschrift aan de vergunning van 23 mei 2017 toegevoegd, te weten:

  • -

    het vastleggen van de maximale hoeveelheid van deze stoffen en de sommatiewaarde van de Brzo-categorie gezondheidsgevaren H1 t/m H3 (voorschrift 1.1.1).

Vanwege het vastleggen van de hoeveelheden gevaarlijke stoffen in het kader van het Brzo, hebben wij in dit besluit tabellen in voorschrift 1.1.1 opgenomen. Hierin zijn ook de overige gevaarlijke stoffen opgenomen, zodat het niet langer nodig is om de stoffenlijst aan de onderliggende vergunningen te verbinden. Dit betekent concreet dat bijlage 4-1, ‘Gevaarlijke stoffen’, PHSC.0744.20160810.HS.SW, van 10 augustus 2016, niet langer deel moet uitmaken van de vergunning van 23 mei 2017. Deze bijlage wordt daarom ingetrokken.

Dit hebben wij opgenomen in het dictum van dit besluit.

3. CONCLUSIE 

Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op het ambtshalve aanpassen van een vergunning, kan worden geconcludeerd dat aan de omgevingsvergunning van 23 mei 2017 een voorschrift kan worden toegevoegd.

Naar boven