Revisievergunning voor het veranderen van de inrichting, Van der Wiel Holding BV, aan De Meerpaal 11 te Drachten

  • I.

    Onderwerp

Op 11 juli 2023 is een aanvraag voor een omgevingsvergunning (revisievergunning) ontvangen van Van der Wiel Holding BV. Het betreft een revisievergunning voor het veranderen van de inrichting (milieu; artikel 2.1, lid 1, sub e en artikel 2.6 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)), waaronder het wijzigen van de inrichtingsgrens. De aanvraag heeft betrekking op De Meerpaal 11 en de tegenover gelegen locatie De Lier 8 in Drachten. De aanvraag is geregistreerd onder nummer OLO 7411789 (ons kenmerk 2023-FUMO- 0072908) .

  • II.

    Besluit

Wij besluiten, gezien de overwegingen die zijn opgenomen in deze vergunning en gelet op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de daarop betrekking hebbende uitvoeringsbesluiten en -regelingen:

  • aan Van der Wiel Holding BV een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e (2° het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting) juncto artikel 2.6 van de Wabo (revisievergunning) te verlenen voor de gehele inrichting;

  • aan de vergunning voorschriften te verbinden zoals vermeld in het hoofdstuk voorschriften bij deze vergunning. Voor zover de aan de vergunning verbonden delen van de aanvraag niet in overeenstemming zijn met de gestelde voorschriften, zijn de voorschriften bepalend;

  • dat de volgende delen van de aanvraag onderdeel uitmaken van deze vergunning:

    • -

      aanvraag omgevingsvergunning 1

    • -

      niet technische samenvatting2

    • -

      inrichtingstekening3

    • -

      inrichtingstekening4

    • -

      inrichtingstekening 5

    • -

      rioleringstekening 6

    • -

      inrichtingstekening_tankstation7

    • -

      tekening Ligging tanks en eiland 8

    • -

      kadastrale_kaart9

    • -

      AV_beleid_en_AOIC10

    • -

      kwaliteitshandboeken11

    • -

      milieubeheerssysteem 12

    • -

      AERIUS_projectberekening 13

    • -

      stikstofberekening 14

    • -

      akoestisch onderzoek 15

    • -

      bodemrisicodocument 16

    • -

      Besluit_mer_beoordeling 17

    • -

      brandveiligheidsplan 18

    • -

      rapportage gevaarlijke stoffen 19

    • -

      Overzicht locatie en hoeveelheid gasflessen20

    • -

      IPPC-toets Energie efficiëntie21

    • -

      IPPC-toets op- en overslag bulkgoederen 22

  • dat, in afwijking van het gestelde in artikel 10.54a, eerste lid, van de Wet milieubeheer, het mengen en samenvoegen van partijen verontreinigde grond wordt uitgevoerd in overeenstemming met BRL SIKB 7500 en het protocol SIKB 7510.

  • dat de voorschriften 1.9.1 en 1.9.2 nog vijf jaar blijven gelden nadat de vergunning haar geldigheid heeft verloren.

     

  • III.

    Ondertekening en verzending

    Namens het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân

     

[Naam]

Hoofd afdeling Vergunningverlening en Specialistisch Advies

Een kopie van deze vergunning is naar de volgende instanties en personen gestuurd:

Enviso Ingenieursbureau

Mevrouw [Naam}

Postbus 332

9200 AH Drachten

Gemeente Smallingerland

Mevriuw[Naam]

Postbus 10.000

9200 HA Drachten

Wetterskip Fryslân

Mevrouw [Naam]

Postbus 36

8900 AA Leeuwarden

Brandweer Fryslân

Mevrouw [Naam]

Postbus 612

8901 BK Leeuwarden

RECHTSBESCHERMINGSMIDDELEN

Deze beschikking wordt bekendgemaakt door toezending aan de aanvrager. Daarnaast wordt een kennisgeving gegeven door publicatie in de Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad en in het Provinciaal blad van Fryslân via www.officielebekendmakingen.nl. De beschikking treedt in werking 6 weken na bekendmaking van het definitief besluit.

De aanvraag en de beschikking met de daarbij behorende stukken worden op grond van de Algemene wet bestuursrecht ter inzage gelegd. Inzage is mogelijk bij de gemeente/provincie/FUMO.

Een dag nadat de beschikking ter inzage is gelegd, start de termijn van zes weken voor het indienen van een beroepschrift. In die periode kunnen zowel u als belanghebbenden beroep aantekenen tegen deze beschikking. Ook niet-belanghebbenden kunnen beroep aantekenen indien zij een zienswijze hebben ingediend.

Het beroepschrift moet in tweevoud ingediend worden bij Rechtbank Noord-Nederland, Postbus 150, 9700 AD Groningen. Het indienen van een beroepschrift stelt de werking van de beschikking niet uit. Als u of belanghebbenden niet willen dat deze beschikking in werking treedt na afloop van de beroepstermijn, kan tijdens die termijn om een voorlopige voorziening worden verzocht. Dit verzoek kan worden gedaan bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord Nederland, Postbus 150, 9700 AD Groningen. De beschikking treedt in dat geval niet in werking voordat over dit verzoek is beslist.

inhoudsopgave

1 ALGEMENE VOORSCHRIFTEN

1.1 Terrein van de inrichting en toegankelijkheid

1.1.1 Binnen de inrichting moet een overzichtelijke en actuele plattegrond aanwezig zijn. Op deze plattegrond moeten ten minste de volgende aspecten zijn aangegeven:

  • a.

    alle gebouwen en de installaties met hun functies;

  • b.

    alle opslagen van stoffen die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken met vermelding van aard en maximale hoeveelheid.

1.1.2 Op het terrein van de inrichting moet een zodanige afscheiding aanwezig zijn dat de toegang tot de inrichting voor onbevoegden redelijkerwijs niet mogelijk is.

1.1.3 De inrichting moet schoon worden gehouden en in goede staat van onderhoud verkeren.

1.1.4 Gebouwen, installaties en opslagvoorzieningen moeten altijd goed bereikbaar zijn voor alle voertuigen die in geval van calamiteiten toegang tot de inrichting/installatie moeten hebben. Binnen of nabij de installaties mogen geen andere goederen of stoffen worden opgeslagen dan die voor het proces nodig zijn of daardoor zijn verkregen, met uitzondering van brandbestrijdingsmiddelen.

 

1.2 Instructies

1.2.1 De vergunninghouder moet de binnen de inrichting (tijdelijk) werkzame personen instrueren over de voor hen van toepassing zijnde voorschriften van deze vergunning en de van toepassing zijnde veiligheidsmaatregelen. Tijdens het in bedrijf zijn van installaties die in geval van storingen of onregelmatigheden kunnen leiden tot nadelige gevolgen voor het milieu, moet steeds voldoende, kundig personeel aanwezig zijn om in voorkomende gevallen te kunnen ingrijpen.

1.2.2 De vergunninghouder moet één of meer ter zake kundige personen aanwijzen die in het bijzonder belast zijn met de zorg voor de naleving van de in deze vergunning opgenomen voorschriften.

 

1.3 Melding contactpersoon en wijziging vergunninghouder

1.3.1 De vergunninghouder moet direct nadat de vergunning in werking is getreden schriftelijk naam en telefoonnummer opgeven aan het bevoegd gezag van degene (en van diens plaatsvervanger) met wie in spoedeisende gevallen, ook buiten normale werktijden, contact kan worden opgenomen. Als deze gegevens wijzigen moet dit vooraf onder vermelding van de wijzigingsdatum schriftelijk worden gemeld aan het bevoegd gezag.

1.3.2 Onderhoudswerkzaamheden waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen dat deze buiten de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, dan wel dat hiervan in de omgeving meer nadelige gevolgen voor het milieu worden ondervonden dan uit de normale bedrijfsvoering voortvloeit, moeten ten minste 2 dagen voor de aanvang van de uitvoering aan het bevoegd gezag worden gemeld.

1.3.3 Indien uit de inhoud van keurings- en inspectierapporten blijkt dat gevaar voor verontreiniging dreigt, moet direct het bevoegd gezag daarvan in kennis worden gesteld.

 

1.4 Registratie

1.4.1 Binnen de inrichting is een exemplaar van deze vergunning (inclusief aanvraag) met bijbehorende voorschriften aanwezig. Verder zijn binnen de inrichting de volgende documenten aanwezig:

  • a.

    alle overige voor de inrichting geldende omgevingsvergunningen en meldingen;

  • b.

    de veiligheidsinformatiebladen die behoren bij de in de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen;

  • c.

    de bewijzen, resultaten en/of bevindingen van de in deze vergunning voorgeschreven inspecties, onderzoeken, keuringen, onderhoud en/of metingen;

  • d.

    de registratie van het jaarlijks elektriciteit-, water- en gasverbruik.

1.4.2 Klachten van derden en de actie die door de vergunninghouder is ondernomen om de bron van de klachten te onderzoeken en eventueel weg te nemen, moeten worden geregistreerd.

 

1.5 Inspectie, keuringen en onderhoud 

1.5.1 Door middel van regelmatige interne (apparaat-) inspecties en/of testen moet het naar behoren functioneren van alle installaties en voorzieningen worden gecontroleerd, waarbij de bevindingen schriftelijk moeten worden vastgelegd. Onder bevindingen wordt ook verstaan het uitvoeren van reparaties, verbeteringen en geconstateerde afwijkingen. De frequentie van het uitvoeren van (apparaat)inspecties en/of testen moet schriftelijk zijn vastgelegd. De vergunninghouder moet de frequentie van onderhoud/inspectie aanpassen als de bevindingen daartoe aanleiding geven. Deze registratie moet in de inrichting aanwezig zijn.

1.5.2 Bij onderhouds- en reparatiewerkzaamheden moeten voorzorgsmaatregelen worden genomen om nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen.

1.5.3 Indien uit de inhoud van keurings- en inspectierapporten blijkt dat gevaar voor verontreiniging dreigt, moet direct het het bevoegd gezag daarvan in kennis worden gesteld.

 

1.6 Milieubeheersysteem (MBS)

1.6.1 Binnen de inrichting moet een milieuzorgsysteem aanwezig zijn dat minstens de onderdelen bevat voor zover van toepassing, op de volgende onderdelen:

Beleid

  • a.

    de milieustrategie

  • b.

    het milieuplan

Bedrijfsprocessen

  • c.

    procedures in het kader van het A&V-beleid en AO/IC;

  • d.

    procedures voor het doorvoeren van wijzigingen in processen;

  • e.

    procedures voor het evalueren van het managementsysteem;

  • f.

    procedures voor het monitoren milieuaspecten afvalwater en luchtemissies;

  • g.

    procedures voor het wijzigen van installaties;

  • h.

    procedures voor onderhoud en keuringen op basis van de verleende vergunning.

Per procedure

  • i.

    taken en verantwoordelijkheden/bevoegdheden;

  • j.

    werkinstructies;

  • k.

    ingangscriteria (acceptatie afvalstoffen);

  • l.

    herleidbaarheid van afvalstoffen naar herkomst.

1.6.2 Het managementsysteem, zoals bedoeld in voorschrift 1.6.1, moet regelmatig doch ten minste eenmaal per drie jaar door op systematische en periodieke wijze worden gecontroleerd (audit).

1.6.3 Afwijkingen van het managementsysteem naar aanleiding van de controle als bedoeld in het voorgaande voorschrift moeten binnen een redelijke termijn van 4 weken na constatering zijn hersteld.

 

1.7 Goedkeuring plannen

1.7.1 Indien op grond van een vergunningvoorschrift een plan ter goedkeuring aan het bevoegd gezag moet worden overgelegd, moet dit plan binnen 3 maanden nadat de vergunning in werking is getreden, naar het bevoegd gezag zijn gezonden.

1.7.2 Binnen de inrichting moet een actuele versie van het plan aanwezig zijn.

1.7.3 Wijzigingen op het goedgekeurde plan moeten vóór invoering aan het bevoegd gezag worden overgelegd. Zij worden geacht deel uit te maken van het goedgekeurde plan, tenzij een andere procedure op grond van de Wm vereist is.

 

1.8 Proefnemingen

1.8.1 Vergunninghouder mag - mits hiervoor vooraf schriftelijk goedkeuring is verleend door het bevoegd gezag en bij wijze van proef - andere dan in deze vergunning opgenomen technische installaties en/of alternatieve grond-, hulp- of brandstoffen toepassen dan wel andere afvalstoffen verwerken. Goedkeuring wordt slechts verleend indien de proefneming noodzakelijk is om informatie te vergaren over de technische haalbaarheid van de andere toepassing en deze informatie niet op een andere wijze kan worden verkregen.

1.8.2 Voordat goedkeuring kan worden verleend voor een proef, moeten minimaal zes weken voor aanvang van de proef de volgende gegevens schriftelijk aan het bevoegd gezag worden verstrekt:

  • a.

    het doel en de noodzaak van de proefneming;

  • b.

    een beschrijving van de alternatieve stof of van de alternatieve techniek of het alternatieve proces, met vermelding van de capaciteit inclusief eventuele wijzigingen in installaties en procesvoeringen;

  • c.

    de te verwachten wijziging in emissies en verbruiken, aangegeven met behulp van massabalansen en de verwachte wijziging in gevolgen voor het milieu;

  • d.

    de wijze waarop tijdens de proefneming processen en emissies, gevolgen voor het milieu en de verbruiken zullen worden beheerd en geregistreerd;

  • e.

    de hoeveelheid in te zetten materiaal;

  • f.

    de duur van de proef.

1.8.3 Het bevoegd gezag kan naar aanleiding van een onderzoeksopzet goedkeuring onthouden dan wel nadere eisen stellen aan de proefneming. Deze nadere eisen kunnen een beperking van duur of een beperking van de bij de proefnemingen te verwerken hoeveelheid materiaal betekenen. Tevens kunnen nadere eisen gesteld worden aan de milieuhygiënische randvoorwaarden van de proefnemingen.

1.8.4 De proefneming mag uitsluitend worden uitgevoerd binnen de aan de goedkeuring verbonden voorwaarden. Zodra blijkt dat deze randvoorwaarden niet in acht genomen (kunnen) worden of dat de gevolgen voor het milieu groter zijn dan voorzien, moet de proef onmiddellijk gestopt worden.

1.8.5 De resultaten van de proefneming moeten uiterlijk 3 maanden na beëindiging van de proefneming aan het bevoegd gezag worden overgelegd.

 

1.9 Bedrijfsbeëindiging

1.9.1 Bij het geheel of gedeeltelijk beëindigen van de activiteiten binnen de inrichting moeten alle aanwezige stoffen en materialen, die uitsluitend aanwezig zijn vanwege de – te beëindigen- activiteiten, door of namens vergunninghouder op milieuhygiënisch verantwoorde wijze in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd.

1.9.2 Van het structureel buiten werking stellen van (delen van) installaties en/of beëindigen van (een van de) activiteiten moet het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk op de hoogte worden gesteld. Installaties of delen van installaties die structureel buiten werking zijn gesteld en nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, moeten in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd, tenzij de (delen van de) installaties in een zodanige staat van onderhoud worden gehouden dat de nadelige gevolgen niet kunnen optreden.

 

1.10 Ongewoon voorval

1.10.1 Een ongewoon voorval als bedoeld in hoofdstuk 17 van de Wet milieubeheer moet zo spoedig mogelijk telefonisch worden gemeld aan het milieualarmnummer 058 – 212 24 22. In aanvulling op het bepaalde in artikel 17.2 van de Wet milieubeheer dient de vergunninghouder deze mededeling onverwijld te bevestigen via het digitale meldingsfomulier ongewone voorvallen van de FUMO: https://www.fumo.nl/contact/melding-ongewone-voorvallen.html.

 

2 AFVALSTOFFEN

2.1 Opslag van afvalstoffen 

2.1.1 De op- en overslag en het transport van afvalstoffen moeten zodanig plaatsvinden dat zich geen afval in of buiten de inrichting kan verspreiden. Mocht onverhoopt toch verontreiniging buiten de inrichting plaatsvinden, dan moeten direct maatregelen worden getroffen om deze verontreiniging te verwijderen.

2.1.2 De verpakking van gevaarlijk afval moet zodanig zijn, dat:

  • a.

    niets van de inhoud uit de verpakking kan ontsnappen;

  • b.

    het materiaal van de verpakking niet door gevaarlijke stoffen kan worden aangetast, dan wel met die gevaarlijke stoffen een reactie kan aangaan dan wel een verbinding kan vormen;

  • c.

    deze tegen normale behandeling bestand is;

  • d.

    deze is voorzien van een etiket, waarop de gevaaraspecten van de gevaarlijke stof duidelijk tot uiting komen.

2.1.3 Afvalstoffen moeten zodanig gescheiden van elkaar worden opgeslagen dat de verschillende soorten afvalstoffen ten opzichte van elkaar geen reactiviteit kunnen veroorzaken.

2.1.4 De termijn van opslag van afvalstoffen mag maximaal één jaar bedragen. In afwijking hiervan mag de termijn van opslag van afvalstoffen maximaal drie jaar bedragen indien de vergunninghouder aan het bevoegd gezag heeft aangetoond dat de opslag van afvalstoffen gevolgd wordt door nuttige toepassing van afvalstoffen.

 

2.2 Acceptatie van afvalstoffen en primaire grondstoffen afkomstig van buiten de inrichting

2.2.1 In de inrichting mogen de hieronder vermelde afvalstoffen per kalenderjaar worden geaccepteerd en mogen op enig moment niet meer afvalstoffen worden opgeslagen dan 127.000 ton. Voor de diverse deelstromen gelden de maxima zoals deze zijn genoemd in de onderstaande tabel.

Gebruikelijke benaming afvalstof

Eural-codes

Max. opslag (in ton)

Max. te accepteren per jaar (in ton)

Activiteit

Vorm- of gietzand

10.11.10

2.000

5.000

Op- en overslag

Bouw- en sloopafval Beton, stenen, tegel en keramische producten

17.01.01 17.01.02 17.01.03 17.01.07

30.000

50.000

Breken

Bouw- en sloopafval Bitumineuze mengsels

17.03.01* 17.03.02 17.03.03*

5.000

20.000

Op- en overslag

Bouw- en sloopafval Asbesthoudende bouwmaterialen/overig

17.06.05* 17.09.04

10.000

30.000

Sorteren/ zeven

Verontreinigde grond

17.05.03* 17.05.04

50.000

75.000

Opslag, reinigen

Verontreinigde baggerspecie (vochtgehalte < 20%)

17.05.05* 17.05.06

Verontreinigde grond

17.05.03* 17.05.04

1.500

5.000

Opslag

Spoorwegballast

17.05.08

5.000

5.000

Sorteren, op- en overslag

Mengvrachten grond en puin

20.02.02

10.000

20.000

Zeven/ breken

Afval van mechanische afvalverwerking (Sorteerzeefzand

19.12.09 19.12.11* 19.12.12

12.000

20.000

Op- en overslag, reinigen

Veegvuil/ kolkenslib

20.03.03 20.03.06

1.000

20.000

Opslag

Totaal

126.500

223.000

2.2.2 In de inrichting mogen de hieronder vermelde primaire grondstoffen per kalenderjaar worden geaccepteerd en mogen op enig moment niet méér primaire grondstoffen worden opgeslagen dan 20.000 ton. Voor de diverse deelstromen gelden de maxima zoals deze zijn genoemd in de onderstaande tabel.

Gebruikelijke benaming afvalstof

Max. opslag (in ton)

Max. te accepteren per jaar (in ton)

Activiteit

Primaire grondstoffen zand en grond

10.000

20.000

Op- en overslag

Rondhout

5.000

20.000

Op- en overslag

Geshredderd rondhout, chips

5.000

35.000

Op- en overslag, bewerking

Totaal

20.000

75.000

Een plattegrond met daarop de aanduiding van de terreindelen is opgenomen in de aanvraag, 7411789_1682433270133_Inrichtingstekening_gehele_locatie datum 11-07-2023.

 

2.2.3 Indien vergunninghouder een afvalstof wil accepteren waarvan de Eural-code niet is opgenomen in bovenstaande tabel, maar waarvan de aard en samenstelling en de minimumstandaard voor verwerking overeenkomt met één van de genoemde afvalstoffen, moet, voordat de feitelijke acceptatie plaatsvindt, een verzoek ter goedkeuring aan het bevoegd gezag gezonden worden. In het verzoek moet het volgende vermeld worden:

  • g.

    omschrijving van de afvalstof;

  • h.

    euralcode;

  • i.

    met welke reeds vergunde euralcode de afvalstof overeenkomt;

  • j.

    wijze van acceptatie, verwerking en opslag;

  • k.

    dat er sprake is van vergelijkbare milieu hygiënische aspecten (gemotiveerd);

  • l.

    dat de totale vergunde opslag- en verwerkingscapaciteit niet wijzigt

Pas na goedkeuring van het bevoegd gezag mag de afvalstof geaccepteerd worden.

2.2.4 Tenzij de voorschriften in deze vergunning anders bepalen, moet de vergunninghouder altijd handelen overeenkomstig het bij de aanvraag gevoegde A&V-beleid en de AO/IC, inclusief (voorzover van toepassing) de goedgekeurde aanvullingen en de toegezonden wijzigingen.

2.2.5 Het A&V-beleid en de AO/IC en de doorgevoerde wijzigingen moeten gedurende de openingstijden van de inrichting voor het bevoegd gezag ter inzage liggen.

2.2.6 Wijzigingen van de procedure voor acceptatie, be- en verwerking, registratie of controle moeten, ter bepaling van de procedure die in relatie tot de aard van de wijziging is vereist, schriftelijk aan het bevoegd gezag worden voorgelegd. In het voornemen tot wijziging moet het volgende aangegeven worden:

  • a.

    de reden tot wijziging;

  • b.

    de aard van de wijziging;

  • c.

    de gevolgen van de wijziging voor andere onderdelen van het A&V-beleid en de AO/IC;

  • d.

    de datum waarop vergunninghouder de wijziging wil invoeren.

Pas na beoordeling/goedkeuring van het bevoegd gezag mag de wijziging doorgevoerd worden.

 

2.3 Bedrijfsvoering 

2.3.1 Indien de afzet van de opgeslagen afvalstoffen stagneert, geeft de vergunninghouder dit onverwijld schriftelijk te kennen aan het bevoegd gezag. Deze mededeling bevat ten minste gegevens over de oorzaak van de stagnatie en de verwachte tijdsduur, alsmede de maatregelen die worden genomen om de stagnatie op te heffen, respectievelijk in de toekomst te voorkomen.

2.3.2 De opslaghoogten van de hieronder vermelde afvalstoffen/secundaire bouwstoffen mogen de maxima genoemd in onderstaande tabel niet overschrijden.

Gebruikelijke benaming afvalstof

Maximale opslaghoogte (in m)

Verontreinigde grond/ baggerspecie

(locatie de Lier)

6

Secundaire bouwstoffen

(locatie De Meerpaal 11)

8

Rondhout

(locatie de Meerpaal 11)

6

Chips/ shredderhout

(locatie De Meerpaal 11)

6

Asbest

(in container)

2.3.3 Op het terrein van de inrichting moeten opslagvoorzieningen worden aangebracht waarin afvalstoffen tijdelijk kunnen worden opgeslagen indien nader onderzoek noodzakelijk is, alvorens overgegaan kan worden tot verwerking van deze afvalstoffen. De voorziening waarin afvalstoffen worden opgeslagen, dient te worden afgezeild of op een andere wijze doeltreffend te worden afgesloten.

2.3.4 De ten behoeve van de acceptatieprocedure te nemen monsters dienen gedurende ten minste 1 maand te worden bewaard.

 

2.4 Sturing

2.4.1 Gemengd bouw- en sloopafval moet ten minste in de volgende fracties (voor zover aanwezig) gescheiden worden:

  • a.

    als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen in de afvalstoffenlijst bedoeld behorende bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst, voor zover deze stoffen niet in de onderdelen b tot en met j van dit lid zijn opgenomen;

  • b.

    teerhoudende dakbedekking, al dan niet met dakbeschot;

  • c.

    teerhoudend asfalt;

  • d.

    bitumineuze dakbedekking, al dan niet met dakbeschot;

  • e.

    niet-teerhoudend asfalt;

  • f.

    vlakglas, al dan niet met kozijn;

  • g.

    gipsblokken en gipsplaatmateriaal;

  • h.

    dakgrind;

  • i.

    armaturen;

  • j.

    gasontladingslampen;

  • k.

    steenachtig materiaal;

  • l.

    hout, inclusief verpakkingshout (gescheiden in a-/b-hout, c-hout);

  • m.

    kunststof;

  • n.

    metaal;

  • o.

    zeefzand.

2.4.2 Indien vergunninghouder niet alle fracties zoals genoemd in vorig voorschrift kan uitsorteren, moet de overgebleven afvalstroom afgevoerd worden naar een inrichting waar de nog niet verwijderde fracties alsnog uitgesorteerd worden. Dit moet blijken uit een schriftelijke overeenkomst met de betreffende vergunninghouder.

2.4.3 Het uitsorteren van gemengd bouw- en sloopafval moet plaatsvinden tot het moment dat verdere verwerking gezien de aard en/of samenstelling niet meer mogelijk is, of waarvoor de kosten voor verdere sortering hoger zijn dan in sectorplan 28 opgenomen.

2.4.4 Het resulterende sorteerresidu moet nog minimaal verbrand kunnen worden in een afvalverbrandingsinstallatie (AVI).

 

Sectorplannen 28, 29, 30 en 34.

2.4.5 De grenswaarde om te spreken van PAK-arm asfalt mag niet door mengen van partijen worden bereikt.

 

2.5 Immobiliseren van grond 

2.5.1 Het is toegestaan om onder de beoordelingsrichtlijn 9322 “immobilisaten vervaardigd uit minerale afvalstoffen” te immobiliseren. Het mengen mag uitsluiten ten behoeve van verbetering van civieltechnische eigenschappen van het eindproduct plaatsvinden.

Toelichting

In aanvulling op voorschrift 3.6.1 geldt voor grond dat reiniging of immobilisatie voorafgaand aan nuttige toepassing is toegestaan, met als restrictie dat geen grond mag worden gemengd ten behoeve van immobilisatie dan wel direct mag worden geïmmobiliseerd wanneer die ten minste één van de in bijlage B, tabel 1 van de Regeling bodemkwaliteit 2022 genoemde organische verontreinigingen bevat in een hoeveelheid van meer dan 120% van de referentiewaarde 'Industrie'. Het reinigingsresidu verder verwerken volgens d.

2.5.2 De receptuur van geïmmobiliseerd materiaal moet minimaal 5 jaar binnen de inrichting aanwezig blijven en beschikbaar zijn voor het bevoegde gezag.

2.5.3 Binnen de inrichting dient ten behoeve van het gebruik van de mobiele installatie een logboek aanwezig te zijn dat dagelijks wordt bijgehouden. Het logboek dient ter inzage te zijn voor het bevoegde gezag. In dit specifieke logboek dienen in ieder geval de volgende gegevens te worden opgenomen:

  • -

    datum productie;

  • -

    de gemengde bouwstoffen en hulpstoffen c.q. afvalstoffen met opgave van bijbehorende hoeveelheden;

  • -

    gegevens met betrekking tot de fysische kwaliteit (vormgeven of niet-vormgevend) en chemische kwaliteit (samenstelling en uitloging) van het gemengde materiaal.

2.5.4 Nabij de installatie mogen niet meer grond- en hulpstoffen aanwezig zijn dan voor de goede gang van het werk noodzakelijk is (dagvoorraad).

2.5.5 Het klaarzetten van de dagvoorraden of directe werkvoorraden nabij de installatie mag alleen plaatsvinden op speciaal daarvoor bestemde plaatsen.

2.5.6 Het vullen van proccesapparatuur en het nemen van monsters uit procesapparatuur moet indien mogelijk via een gesloten systeem plaatsvinden.

2.5.7 De vrije uiteinden van leidingen moeten zijn afgesloten wanneer zij niet in gebruik zijn.

2.5.8 Voor ieder afzonderlijk proces moeten bedieningsvoorschriften of procedures zijn opgesteld waarin ten minste het onderstaande is opgenomen:

  • -

    de procesvoorbereidende handelingen;

  • -

    het opstarten, het volgen en het stoppen van een proces;

  • -

    de hoeveelheden, de wijze en de volgorde van doseren van de voor het proces noodzakelijke stoffen;

  • -

    de procesomstandigheden voor een normaal procesverloop (proceswindow);

  • -

    de te treffen maatregelen bij boven normale procesomstandigheden die tot een gevaarlijke situatie kunnen leiden en de te volgen noodstopprocedures;

  • -

    de te volgen procedures om de installaties productvrij te maken.

     

2.6 Biologisch reinigen van grond

2.6.1 Bij de biologische reiniging van grond moeten de BRL SIKB 7500 en het protocol SIKB 7510 aantoonbaar worden toegepast.

2.6.2 Het is niet toegestaan schone grond (onder de achtergrondconcentratie) te vermengen met andere kwaliteitsklassen. De bewerking van een (cluster)partij en eventuele afwijkingen van (reguliere) bedrijfsvoeringen, BRL 7500, BRL 7510, storingen en onderhoud aan voorzieningen moeten zijn vastgelegd in een logboek.

2.6.3 Partijen te reinigen grond mogen, na de acceptatieprocedure positief te hebben doorlopen, uitsluitend worden samengevoegd indien separate bewerking van de afzonderlijke partijen tot een zelfde kwaliteit van eind- en restproducten zou leiden. Clustering mag dus alleen plaatsvinden van partijen die in aard en samenstelling van chemische en fysische verontreiniging vergelijkbaar zijn. Van deze clustering moet een administratieve registratie worden bijgehouden.

 

2.7 Kwalificatie grond

2.7.1 De kwaliteit van elke partij dient in het kader van het Besluit bodemkwaliteit met een milieuhygiënische verklaring te worden aangetoond.

 

2.8 Verwerking asbesthoudende grond

2.8.1 De diffuse luchtemissies van het zeven van asbesthoudende grond en puin dienen ingesloten, verzameld en geleid te worden via een luchtafvoersysteem en/of luchtaanzuigsystemen in de nabijheid van de emissiebronnen naar een geschikt emissiereductiesysteem (behandeling). 

2.8.2 Het voornoemde emissiereductiesysteem in voorschrift 2.8.1 dient voor de vermindering van de emissie van stof te bestaan uit één of een combinatie van de volgende technieken: een cycloon, doekenfilter en/of een natte gaswasser.

2.8.3 De emissieconcentratie van stof van de gereinigde afgassen, vanuit de zeef voor het zeven van asbesthoudende grond en puin, mag gemiddeld over de bemonsteringsperiode niet meer bedragen dan 2 mg/Nm3

2.8.4 Van de emissie-eis zoals opgenomen in voorschrift 2.8.2 mag worden afgeweken als onderbouwd wordt dat niet voldaan kan worden aan voorschrift 2.8.2. De emissieconcentratie voor stof van de gereinigde afgassen mag dan gemiddeld over de bemonsteringsperiode van voornoemde activiteit maximaal 10 mg/Nm3 bedragen. Hiervoor dient een onderbouwing te worden overgelegd aan het bevoegd gezag en pas na goedkeuring van het bevoegd gezag mag van de emissieconcentratie van 2 mg/Nm3 worden worden afgeweken.

2.8.5 Het opbulken/mengen van partijen met asbest en andere chemische verontreinigingen verontreinigde grond voor, tijdens of na bewerking is alleen toegestaan als de te mengen partijen een vergelijkbare verontreiniging met asbest (in vorm, hoeveelheid en kwalificatie) bevatten, ten aanzien van de overige parameters binnen dezelfde categorie vallen volgens het Besluit bodemkwaliteit en de partij die ontstaat na het mengen ook binnen dezelfde categorie valt als de oorspronkelijke partijen. De kwaliteit van de afzonderlijke partijen verontreinigde grond moet bepaald worden voorafgaand aan het mengen zoals beschreven SIKB 7500 en het protocol 7510 (reiniging) en BRL 9335-1- versie 4.1, 2 november 2021(afzet).

2.8.6 Partijen gereinigde grond dienen te worden behandeld als asbesthoudend materiaal, totdat het materiaal is voorzien van een milieuhygiënische verklaring conform NEN 5707 c.q. ontwerp-NEN 5897 waaruit is gebleken dat aan de toegestane restconcentratienorm van asbest is voldaan. Per partij moet de samenstelling worden bepaald.

2.8.7 Nadat het bewerken van een partij asbesthoudende grond (voorlopig) is beëindigd en de installatie voor andere dan asbesthoudende afvalstoffen gebruikt dan wel uit de inrichting afgevoerd zal worden, moet de zeef, het materieel en gereedschap worden gereinigd. Uit vrijgavemetingen conform NEN-ISO 14966:2019 moet blijken dat de installatie 'asbestvrij' is.

2.8.1 De vergunninghouder dient te allen tijde te handelen conform de werkinstructie zoals beschreven in het A&V-beleid en de AO/IC inclusief (voorzover van toepassing) de goedgekeurde aanvullingen.

 

2.9 Opslag en bewerking van benzeenhoudende verontreinigde grond

2.9.1 Benzeenhoudende verontreinigde grond dient, behoudens aan- en afvoerhandelingen, te zijn afgedekt om emissie naar de lucht te voorkomen.

Dit is niet van toepassing indien de partij grond:

  • -

    aanwezig is in het biologische reinigingsbed en de lucht uit de grond wordt afgezogen en afgevoerd via een actief-koolfilter;

  • -

    biologisch gereinigd is en de lucht is afgezogen en afgevoerd via een actiefkoolfilter.

2.9.2 Voor iedere partij grond die wordt aangemerkt als niet-benzeenhoudend dient door vergunninghouder te kunnen worden aangetoond dat die partij geen benzeen bevat.

2.9.3 Indien aangetoond kan worden (door bijvoorbeeld gaschromatogrammen) dat er geen of verwaarloosbare benzeenemissie zal optreden, hoeft de partij niet afgedekt te worden. De onderzoeksopzet dient vooraf aan het bevoegd gezag ter goedkeuring te worden voorgelegd.

2.9.4 Benzeenhoudende grond mag niet worden gemengd, tenzij bij biologische reiniging de lucht uit de grond is afgezogen en afgevoerd via een actief-koolfilter.

2.9.5 De benzeenconcentratie in gekanaliseerd afgevoerde lucht mag na reiniging niet meer zijn dan 1 mg/Nm3.

 

2.10 Registratie

2.10.1 In de inrichting moet een registratiesysteem aanwezig zijn, waarin van alle aangevoerde afvalstoffen het volgende moet worden vermeld:

  • a.

    de datum van aanvoer;

  • b.

    de aangevoerde hoeveelheid (kg);

  • c.

    de naam en adres van de locatie van herkomst;

  • d.

    de naam en adres van de ontdoener;

  • e.

    de gebruikelijke benaming van de afvalstoffen;

  • f.

    de euralcode;

  • g.

    het afvalstroomnummer (indien van toepassing).

Ad c Indien de aangevoerde afvalstoffen worden verkregen door route-inzameling, kan bij de registratie van naam en adres van de locatie van herkomst worden volstaan met "diverse locaties".

Indien de afvalstoffen worden aangevoerd door een inzamelaar (niet zijnde de vergunninghouder) met toepassing van de inzamelaarsregeling, moet de locatie van herkomst worden aangegeven zoals deze moet worden vermeld op de begeleidingsbrief.

Ad d Indien de aangevoerde afvalstoffen worden verkregen door route-inzameling of via de inzamelaarsregeling, wordt met de ontdoener de inzamelaar bedoeld.

2.10.2 In de inrichting moet van alle aangevoerde hulpstoffen die bij de verwerking van afvalstoffen worden gebruikt, het volgende worden geregistreerd:

  • a.

    benaming hulpstof;

  • b.

    de datum van aanvoer;

  • c.

    de aangevoerde hoeveelheid;

  • d.

    de naam en adres van de leverancier.

2.10.3 In de inrichting moet eveneens een registratiesysteem aanwezig zijn waarin van alle afgevoerde afvalstoffen, (grond)stoffen of producten die bij de verwerking zijn ontstaan, het volgende moet worden vermeld:

  • a.

    de datum van afvoer;

  • b.

    de afgevoerde hoeveelheid (kg);

  • c.

    de afvoerbestemming;

  • d.

    de naam en adres van de afnemer;

  • e.

    de gebruikelijke benaming van de (afval)stoffen;

  • f.

    de euralcode (indien van toepassing);

  • g.

    het afvalstroomnummer (indien van toepassing).

2.10.4 Van de reeds ingewogen afvalstoffen die op grond van een acceptatievoorschrift van deze vergunning niet mogen worden geaccepteerd, moet een registratie bijgehouden worden waarin staat vermeld:

  • a.

    de datum van aanvoer;

  • b.

    de aangeboden hoeveelheid (kg);

  • c.

    de naam en adres van plaats herkomst

  • d.

    de reden waarom de afvalstoffen niet mogen worden geaccepteerd;

  • e.

    de euralcode;

  • f.

    het afvalstroomnummer (indien van toepassing);

  • g.

    de datum van afvoer;

  • h.

    de naam en adres van plaats afvoer.

2.10.5 Ten behoeve van de registratie als bedoeld in dit hoofdstuk moet een registratiepost aanwezig zijn. De hoeveelheden die op grond van dit hoofdstuk moeten worden geregistreerd, moeten worden bepaald door middel van een op de inrichting aanwezige weegvoorziening. De weegvoorziening(en) waarvan gebruik wordt gemaakt ,moet(en) overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften van het Nederlands Meetinstituut zijn geijkt. Op aanvraag moeten geldige certificaten van weegvoorziening(en) aan het bevoegd gezag ter inzage worden gegeven.

2.10.6 Er moet een sluitend verband bestaan tussen de (afval)stoffenregistratie als bedoeld in dit hoofdstuk en de financiële administratie.

2.10.7 Uiterlijk 1 april van elk kalenderjaar moet een sluitende massabalans over het voorgaande jaar aan het bevoegd gezag worden gezonden. In deze balans moet duidelijk onderscheid worden gemaakt naar de aard van de stoffen. De balans moet het volgende bevatten:

  • a.

    de voorraad grondstoffen en afvalstoffen aan het begin en aan het einde van het voorafgaande jaar;

  • b.

    de ontvangen hoeveelheden grondstoffen en afvalstoffen in dat jaar;

  • c.

    de verwerkte hoeveelheden grondstoffen en afvalstoffen in dat jaar;

  • d.

    de afgevoerde hoeveelheden afvalstoffen en deelstromen en eindproducten (inclusief vermelding van bestemming);

  • e.

    een verklaring van de verschillen in de massabalans.

2.10.8 Alle op grond van dit hoofdstuk te registreren gegevens moeten dagelijks worden bijgehouden en samen met de in het vorige voorschrift genoemde rapportage gedurende ten minste vijf jaar binnen de inrichting worden bewaard en aan de daartoe bevoegde personen op aanvraag ter inzage worden gegeven.

 

3 ZEER ZORGWEKKENDE STOFFEN (ZZS)

3.1 Zeer zorgwekkende stoffen (ZZS)

3.1.1 Vergunninghouder draagt zorg voor een actueel register van afvalstoffen, die overeenkomstig deze vergunning mogen worden geaccepteerd, waarbij per te onderscheiden afvalstroom minimaal het volgende wordt aangegeven:

  • a.

    de bij acceptatie mogelijke aanwezigheid van ZZS;

  • b.

    de concentraties dan wel concentratieranges voor de verschillende ZZS, die in de te accepteren afvalstromen aanwezig kunnen zijn, voor zover bekend;

  • c.

    de wijze waarop concentraties dan wel concentratieranges in de te accepteren afvalstoffen zijn vastgesteld (bijvoorbeeld op basis van chemische analyses, literatuuronderzoek, informatie van de leverancier, etc.) alsmede een duidelijke verwijzing daarnaar;

  • d.

    of sprake is van ZZS-houdende afvalstromen waarbij sprake is van een mechanische, fysische en/of chemische handeling die gericht is op het maken van een product, halffabricaat of afvalstof die ten behoeve van een toepassing op de markt wordt gebracht en/of een mechanische, fysische en/of chemische handeling waarbij het verwerkte afval ook daadwerkelijk conform de beoogde toepassing wordt afgezet (bijvoorbeeld een product dat op de markt wordt gebracht);

  • e.

    of het technisch en economisch mogelijk is om de ZZS te verwijderen of te vernietigen met behoud van het resterende materiaal voor nuttige toepassing of recycling.

  • f.

    of het uitvoeren van een risicoanalyse noodzakelijk is op grond van voorgaande en op basis van de stappen als genoemd in paragraaf 3.6 van de Handreiking Risicoanalyse ZZS in afvalstoffen.

Het register dient jaarlijks op basis van de ‘Lijst van zeer zorgwekkende stoffen van het RIVM’ op actualiteit getoetst te worden en (voor zover nodig) aangepast te worden.

3.1.2 Binnen 3 maanden na inwerkingtreding van deze vergunning moet het register van afvalstoffen zoals genoemd in voorschrift 3.1.1 en een plan van aanpak zijn opgesteld en gelijktijdig ter goedkeuring zijn voorgelegd aan het bevoegd gezag. In het plan van aanpak moet door vergunninghouder zijn uitgewerkt hoe op continue basis wordt gestreefd naar een zo goed mogelijk inzicht in de samenstelling van ZZS-bevattende afvalstoffen. In het plan van aanpak moeten minimaal de volgende onderzoeksvragen per relevante (mogelijk ZZS-houdende) afvalstroom worden beantwoord en gemotiveerd:

  • a.

    Welke informatie wordt waar en met welke frequentie opgevraagd?

  • b.

    Geeft de lijst van zeer zorgwekkende stoffen van het RIVM aanleiding om een herziening van het register uit voorschrift 3.1.1.?

  • c.

    Worden er analyses uitgevoerd en zo ja welke, door wie en overeenkomstig welke normering?

  • d.

    Hoe en hoe vaak wordt gecontroleerd of de informatie nog actueel is?

  • e.

    Welke informatie kan niet in beeld worden gebracht, wat zijn daar de oorzaken van en welke actie onderneemt vergunninghouder daarop?

3.1.3 Er mag uitsluitend gewerkt worden overeenkomstig het door het bevoegd gezag goedgekeurde plan van aanpak.

3.1.4 Ieder kalenderjaar, voor het verstrijken van het eerste kwartaal, moet vergunninghouder over de uitkomsten van het plan van aanpak als bedoeld in voorschrift 3.1.2 een rapportage opstellen en deze voor het verstrijken van de vierde kalendermaand ter inzage gereed hebben voor het bevoegd gezag. In de rapportage moet blijk worden gegeven van de realisatie van de doelstelling tot continue verbetering van het inzicht in de ZZS-samenstelling van mogelijk ZZS-houdende categorieën afvalstoffen per afvalstroom, die binnen de inrichting worden geaccepteerd.

Voorschriften met betrekking tot uitvoeren van een risicoanalyse

3.1.5 Indien uit het register van afvalstoffen uit voorschrift 3.1.1 blijkt dat voor een bepaalde afvalstroom een risicoanalyse noodzakelijk is, dan dient binnen 3 maanden na goedkeuring van het register zoals genoemd in voorschrift 3.1.2 door vergunninghouder een risicoanalyse overeenkomstig paragraaf B.14.4.3. van het LAP3 en de Handreiking risicoanalyse ZZS, Rijkswaterstaat, versie 1.0 (november 2018, dan wel de op dat moment van toepassing zijnde versie) te zijn uitgevoerd en ter goedkeuring zijn voorgelegd aan het bevoegd gezag.

3.1.6 Een verwerking mag niet meer worden uitgevoerd indien uit de ter goedkeuring voor te leggen risicoanalyse blijkt dat de mechanische, fysische en/of chemische handeling als genoemd in voorschrift 3.1.1 een risico op onaanvaardbare blootstelling van mens en milieu aan ZZS met zich meebrengt of als de risicoanalyse door het bevoegd gezag wordt afgekeurd.

Voorschriften met betrekking tot mengen afvalstoffen met ZZS

3.1.7 Voordat het mengen van afvalstoffen met ZZS kan worden toegestaan, moet aangetoond worden dat toetsing aan de minimumstandaard als beschreven in paragraaf B.14.5.3.2 en hoofdstuk D.4 van het LAP3 heeft plaatsgevonden. Daarnaast moet vastgesteld worden dat de verwerking niet in strijd is met REACH, de POP-verordening en de beleidslijn ZZS van paragraaf B.14.4.3. van het LAP.

3.1.8 Aanvullend op voorschrift 3.1.7 geldt dat als sprake is van een afvalstof die ZZS bevat in een concentratie die gelijk of hoger is dan de:

  • a.

    concentratiegrenswaarde waarboven het op grond van REACH verboden is dergelijke stoffen in de handel te brengen of te gebruiken; of

  • b.

    concentratiegrenswaarde opgenomen in tabel 17 van paragraaf F.11.4 (van LAP3) of;

  • c.

    concentratiegrenswaarde opgenomen in bijlage IV van de POP-verordening;

het niet is toegestaan om deze afvalstof ten behoeve van nuttige toepassing te mengen met een afvalstof waarvan de concentratie lager is dan genoemd onder a, b en c. Dit dient te worden aangetoond.

3.1.9 Op basis van de inzichten die (zijn) ontstaan door uitvoering te geven aan de voorschriften 3.1.1 t/m 3.1.4, moet vergunninghouder op basis van zijn AV-AO/IC komen tot een jaarlijkse toetsing van zijn A&V-beleid en moet zich er daarbij van vergewissen, dat deze niet strijdig is met:

  • a.

    geldende wet- en regelgeving;

  • b.

    de minimumstandaard als verwoord in de toepasselijke sectorplannen van het LAP3.

3.1.10 Indien het technisch en economisch mogelijk is (al dan niet door derden) om de in een geaccepteerde partij afvalstoffen aanwezige ZZS hieruit te vernietigen of af te scheiden en de afvalstof dan zonder ZZS of met een heel laag gehalte ervan alsnog voor recycling of nuttige toepassing in te zetten, is het mengen van deze ZZS-houdende partij afvalstoffen zonder deze reinigingsstap (al dan niet door derden) niet toegestaan.

3.1.11 Indien op enig moment strijdigheid ontstaat met hetgeen is is vermeld in de voorschriften 3.1.8 en 3.1.9, neemt vergunninghouder zodanige maatregelen dat deze strijdigheid wordt opgeheven. Bij de evaluatie van het A&V-beleid moet hiermee rekening worden gehouden.

 

4 AFVALWATER EN WATERBESPARING

4.1 Algemeen

4.1.1 Bedrijfsafvalwater mag uitsluitend in een openbaar vuilwaterriool worden gebracht, als door de samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid ervan:

  • a.

    de doelmatige werking niet wordt belemmerd van een openbaar vuilwaterriool of de bij een zodanig openbaar vuilwaterriool of zuivering technisch werk behorende apparatuur;

  • b.

    de verwerking niet wordt belemmerd van slib, verwijderd uit een openbaar vuilwaterriool of een zuivering technisch werk;

  • c.

    de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van een oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk worden beperkt.

4.1.2 Bedrijfsafvalwater dat op het riool wordt geloosd moet aan de volgende eisen voldoen:

  • a.

    de temperatuur in enig steekmonster mag niet hoger zijn dan 30°C, bepaald volgens NEN 6414 (2008);

  • b.

    de zuurgraad, uitgedrukt in pH-eenheden, mag niet lager dan 6,5 en niet hoger zijn dan 10 in een steekmonster, bepaald volgens NEN-ISO 10523 (2012);

  • c.

    het sulfaatgehalte in enig steekmonster mag niet meer dan 300 mg/l bedragen, bepaald volgens NEN 6487 (1997), NEN-ISO 22743:2006 of NEN-ISO 22743:2006/C1:2007.

Als de vergunninghouder gebruik wil maken van een andere analyse of methode, moet deze geaccrediteerd zijn door de Raad van Accreditatie, of moet door de vergunninghouder worden aangetoond dat verkregen analyseresultaten vergelijkbaar zijn met de analyse volgens de Nen-norm.

4.1.3 De volgende stoffen mogen niet worden geloosd:

  • a.

    stoffen die brand- en explosiegevaar kunnen veroorzaken;

  • b.

    stoffen die stankoverlast buiten de inrichting kunnen veroorzaken;

  • c.

    stoffen die verstopping of beschadiging van een openbaar vuilwaterriool of van de daaraan verbonden installaties kunnen veroorzaken;

  • d.

    grove afvalstoffen en snel bezinkende afvalstoffen.

 

4.2 Lozingseisen

4.2.1 Ter plaatse van de controleput mag een willekeurig genomen steekmonster van het afvalwater als bedoeld in de vergunning op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo) van 16 april 2010 met kenmerk WFN1005220 (hemelwater afkomstig van het noordelijke bedrijfsterrein met opslag verontreinigde grond) en ( hemelwater afkomstig van het zuidelijke bedrijfsterrein met opslag verontreinigde grond en puinbreker) de volgende eisen niet overschrijden:

Parameter

Lozingseis 

Hemelwater noordelijk

bedrijfsterrein

Hemelwater zuidelijk bedrijfsterrein

Zwevende stof

30 mg/l

30 mg/l

Minerale olie

10 mg/l

10 mg/l

BTEX som-totaal

100 µg/l

20 µg/l

Benzeen

10 µg/l

2 µg/l

VOX

20 µg/l

5 µg/l

Kwik

< 1 µg/l

< 1 µg/l

Cadmium

< 1 µg/l

< 1 µg/l

Arseen

50 µg/l

20 µg/l

Som zware metalen

(Cr, Cu, Ni, Pb, Zn)

500 µg/l

100 µg/l

CZV

180 mg/l

4.3 Monsterneming en analyse

4.3.1 Het hemelwater afkomstig van het noordelijke bedrijfsterrein met opslag van verontreinigde grond én het zuidelijke bedrijfsterrein met opslag van verontreinigde grond en de puinbreker als bedoeld in de Wvo-vergunning 16 april 2010 met kenmerk WFN1005220 moet door of namens de vergunninghouder door steekbemonstering en analyse te worden gecontroleerd. Deze controle betreft de volgende parameters met de bijbehorende frequentie:

Parameter

Frequentie

Hemelwater noordelijk

bedrijfsterrein

Hemelwater zuidelijk bedrijfsterrein

Zwevende stof

1 keer per kwartaal

Minerale olie

1 keer per kwartaal

1 keer per kwartaal

BTEX som-totaal

1 keer per kwartaal

1 keer per kwartaal

Benzeen

1 keer per kwartaal

VOX

1 keer per kwartaal

Kwik

1 keer per kwartaal

1 keer per kwartaal

Cadmium

1 keer per kwartaal

1 keer per kwartaal

Arseen

1 keer per kwartaal

1 keer per kwartaal

Som zware metalen

(Cr, Cu, Ni, Pb, Zn)

1 keer per kwartaal

1 keer per kwartaal

CZV

1 keer per kwartaal

PFOA

1 keer per half jaar

1 keer per half jaar

PFOS

1 keer per half jaar

1 keer per half jaar

4.4 Onderzoek minimalisatie ZZS in afvalwater

4.4.1 Na elke periode van vijf jaar (ingaande op de dag van het in werking treden van deze vergunning) moet inzicht worden gegeven in de verdergaande emissiereductie van ZZS binnen de inrichting. De rapportage dient onder andere informatie te verschaffen over:

  • a.

    de mate waarin ZZS vanuit de inrichting worden geloosd;

  • b.

    ondernomen acties en resultaten in de voorgaande periode van 5 jaar;

  • c.

    de mogelijkheden om de emissie van ZZS te voorkomen dan wel te beperken;

  • d.

    de wereldwijde ontwikkeling van nieuwere technieken.

4.4.2 Uiterlijk 3 maanden na het in werking treden van deze vergunning moet de vergunninghouder bij het bevoegd gezag het eerste onderzoek, zoals bedoeld in voorschrift 4.4.1, ter goedkeuring indienen.

 

4.5 Preventieplan waterbesparing 

4.5.1 Vergunninghouder moet binnen 3 maanden nadat de vergunning in werking is getreden een preventieplan overleggen waarin wordt beschreven hoe het verbruik van (drink)water wordt beperkt.

4.5.2 In het preventieplan moet zijn aangegeven welke maatregelen voor de volgende 4 jaar als zeker, onzeker en voorwaardelijk moeten worden aangemerkt. Het plan moet zijn opgesteld met behulp van de hulpmiddelen en informatiebronnen voor mogelijke besparing van drinkwater uit bijlage D van het Werkboek Wegen naar preventie bij bedrijven.

4.5.3 Vergunninghouder moet het preventieplan uitvoeren binnen de daarin aangegeven termijnen. Indien de onzekere of voorwaardelijke maatregelen niet worden uitgevoerd moet dit worden gemotiveerd.

4.5.4 Indien vergunninghouder een maatregel wil vervangen door een gelijkwaardige maatregel, moet dit voornemen 2 maanden voor de voorgenomen uitvoering aan het bevoegd gezag worden overgelegd. Vergunninghouder moet daarbij aantonen dat de alternatieve maatregel minstens evenveel bijdraagt aan de in het plan gestelde preventiedoelstelling.

 

4.6 Registratie

Vergunninghouder moet de jaarrekening van het waterverbruik binnen de inrichting bewaren. De gegevens moeten naar herkomst (drinkwater, grondwater en oppervlaktewater) worden geregistreerd (in m3).

 

4.7 ENERGIE

4.7.1 De inrichtinghouder neemt alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder. Voor het bepalen van de terugverdientijd dient gebruik gemaakt te worden van de methode in bijlage 10a van de Activiteitenregeling.

4.7.2 In bijlage 10 van de Activiteitenregeling zijn voor activiteiten binnen diverse bedrijfstakken energiebesparende maatregelen aangewezen en uitgewerkt (erkende maatregelenlijsten).

Binnen de inrichting kunnen dergelijke activiteiten aan de orde zijn. Indien hiervoor alle in bijlage 10 van de Activiteitenregeling aangewezen maatregelen zijn getroffen, wordt voor die activiteiten voldaan aan voorschrift 4.7.1.

4.7.3 De inrichtinghouder kan een gemotiveerd verzoek tot het afwijken van de in voorschrift 4.7.1 bedoelde verplichting ter goedkeuring bij het bevoegde gezag indienen.

4.7.4 De inrichtinghouder rapporteert uiiterlijk op 1 augustus 2024 en daarna eenmaal per vier jaar uiterlijk voor 1 augustus aan het bevoegd gezag welke energiebesparende maatregelen binnen de inrichting zijn getroffen. Deze rapportage bevat in ieder geval de gegevens zoals opgenomen in artikel 2.16b van de Activiteitenregeling.

4.7.5 Daarnaast dient voor de getroffen maatregelen de volgende informatie in de rapportage te worden opgenomen:

  • a.

    per maatregel een omschrijving en in welk deel van de inrichting deze is toegepast;

    wanneer de maatregel is uitgevoerd;

  • b.

    indien gebruik is gemaakt van de erkende maatregelenlijsten in bijlage 10 van de Activiteitenregeling;

  • c.

    de bedrijfstak(ken) waarvan de maatregelenlijsten zijn gebruikt en voor welke delen van de inrichting deze zijn gebruikt;

  • d.

    een verwijzing naar het nummer van de maatregel/variant;

Als een maatregel niet is uitgevoerd omdat niet wordt voldaan aan een bijbehorende randvoorwaarde: een vermelding van de randvoorwaarde waaraan niet wordt voldaan.

wanneer de maatregel is uitgevoerd; een vermelding van de randvoorwaarde waaraan niet wordt voldaan.

4.7.6 De in voorschrift 4.7.5 genoemde te rapporteren gegevens moeten betrekking hebben op de voorgaande vier jaren.

4.7.7 Bij de opgave van het energieverbruik van de inrichting dienen voor het berekenen van de jaarlijkse hoeveelheid aardgasequivalenten de omrekenfactoren voor energiedragers te worden gehanteerd zoals opgenomen in artikel 2.16d van de Activiteitenregeling.

 

5 EXTERNE VEILIGHEID

5.1 Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen (PGS 15 opslagen) 

5.1.1 Op de opslag van gevaarlijke stoffen in verpakkingen zijn de volgende voorschriften van PGS 15:2016 van toepassing:

  • 3.1.1 t/m 3.1.5;

  • 3.2.1 t/m 3.2.13;

  • 3.3.1 t/m 3.3.4;

  • 3.4.1 t/m 3.4.11;

  • 3.5.1 t/m 3.5.3;

  • 3.6.1;

  • 3.7.1 t/m 3.7.8;

  • 3.10.1;

  • 3.11.1 t/m 3.11.3;

  • 3.12.1;

  • 3.13.1 t/m 3.13.3;

  • 3.14.1 t/m 3.14.2;

  • 3.15.1 en 3.15.2;

  • 3.16.1;

  • 3.17.1 t/m 3.17.3;

  • 3.18.1;

  • 3.19.1 en 3.19.2.

     

5.2 Opslag van gasflessen (ADR-KLASSE 2)

5.2.1 Op de opslag van gasflessen zijn de volgende voorschriften van PGS 15:2016 van toepassing:

  • 6.1.1 t/m 6.1.3;

  • 6.2.1 t/m 6.2.2;

  • 6.2.5 t/m 6.2.19;

  • 6.3.1 t/m 6.3.6.

     

6 BRANDBESTRIJDING

6.1 Bereikbaarheid

6.1.1 Alle brandblusmiddelen, brandbestrijdings- en brandveiligheidssystemen moeten steeds:

  • a.

    voor onmiddellijk gebruik gereed zijn;

  • b.

    goed bereikbaar zijn;

  • c.

    als zodanig herkenbaar zijn.

6.1.2 Het terrein en het wegenstelsel moeten zodanig zijn ingericht en de toegankelijkheid moet zodanig zijn bewaakt, dat elk deel van de inrichting te allen tijde vanuit ten minste twee richtingen is te bereiken.

6.1.3 De locaties van de brandweer opstelplaatsen zoals die zijn opgenomen in het Brandveiligheidsplan, moeten te allen tijde toegankelijk zijn vanwege de bereikbaarheid van het bluswater.

 

7 GELUID

7.1 Algemeen

7.1.1 Het meten en berekenen van de geluidsniveaus en het beoordelen van de meetresultaten moet plaatsvinden overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, uitgave 1999.

7.1.2 Binnen 3 maanden nadat de inrichting (gedeeltelijk) in overeenstemming met de vergunning in werking is gebracht, moet de vergunninghouder, door middel van een akoestisch onderzoek (controlerapportage), aan het bevoegd gezag aantonen dat aan de geluidsvoorschriften van deze vergunning wordt voldaan. De resultaten van dit akoestisch onderzoek moeten binnen deze termijn schriftelijk aan het bevoegd gezag worden gerapporteerd.

 

7.2 Representatieve bedrijfssituatie

7.2.1 Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) mag, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, ter plaatse van onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan de onderstaande tabelwaarden voor de representatieve bedrijfssituatie met de houtshredder:

Beoordelingspunt en omschrijving

Rijksdriehoeks-coördinaten x;y

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT

in dB(A)

Dag

Avond

Nacht

07.00 -19.00 uur

19.00 -23.00 uur

23.00 -07.00 uur

v13 vergunningpunt

200032,32; 569628,16

56

46

46

v14 vergunningpunt

200230,51; 569503,48

49

43

39

v20 vergunningpunt

200188,25; 569379,70

47

44

38

v21 vergunningpunt

199871,55; 569370,48

68

51

46

v22 vergunningpunt

199848,41; 569587,58

55

48

45

De grafische weergave is te vinden in de bijlage “ligging beoordelingspunten geluid”.

7.2.2 Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) mag, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, ter plaatse van onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan de onderstaande tabelwaarden voor de representatieve bedrijfssituatie met de immobilisatiemenger:

Beoordelingspunt en omschrijving

Rijksdriehoeks-coördinaten x;y

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT

in dB(A)

Dag

Avond

Nacht

07.00 -19.00 uur

19.00 -23.00 uur

23.00 -07.00 uur

v13 vergunningpunt

200032,32; 569628,16

62

46

46

v14 vergunningpunt

200230,51; 569503,48

51

43

39

v20 vergunningpunt

200188,25; 569379,70

47

44

38

v21 vergunningpunt

199871,55; 569370,48

54

51

46

v22 vergunningpunt

199848,41; 569587,58

58

48

45

De grafische weergave is te vinden in de bijlage “ligging beoordelingspunten geluid”.

 

7.3 Incidentele bedrijfssituaties

7.3.1 Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) mag, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, ter plaatse van onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan de onderstaande tabelwaarden voor de incidentele bedrijfssituatie met de houtshredder en de puinbreker:

Beoordelingspunt en omschrijving

Rijksdriehoeks-coördinaten x;y

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT

in dB(A)

Dag

Avond

Nacht

07.00 -19.00 uur

19.00 -23.00 uur

23.00 -07.00 uur

v13 vergunningpunt

200032,32; 569628,16

58

46

46

v14 vergunningpunt

200230,51; 569503,48

61

43

39

v20 vergunningpunt

200188,25; 569379,70

62

44

38

v21 vergunningpunt

199871,55; 569370,48

69

51

46

v22 vergunningpunt

199848,41; 569587,58

58

48

45

De grafische weergave is te vinden in de bijlage “ligging beoordelingspunten geluid”.

7.3.2 De in voorschrift 7.3.1 genoemde activiteit(en) mag/mogen per jaar maximaal 12 keer plaatsvinden.

7.3.3 Ten minste 3 werkdagen voordat de in voorschrift 7.3.1 genoemde activiteit(en) wordt/worden uitgevoerd, moet dit aan het bevoegd gezag worden gemeld per meld- en klachtennummer.

7.3.4 Van de activiteit(en) genoemd in voorschrift 7.3.2 moet een logboek worden bijgehouden waarin wordt vermeld:

  • a.

    De datum waarop de activiteit(en) heeft/hebben plaatsgevonden.

  • b.

    De begin- en eindtijd van deze activiteit(en).

  • c.

    Eventuele bijzonderheden m.b.t. de geluidbelasting gedurende deze activiteit(en) zoals bijv. het in of buiten gebruik zijn van (andere) grote geluidsbronnen.

8 GEUR

8.1 Geurbeheersplan

8.1.1 De vergunninghouder treft alle maatregelen of voorzieningen ter voorkoming van geuroverlast en ter beperking van geurwaarneming buiten de inrichting die redelijkerwijs mogelijk zijn.

8.1.2 Een overzicht van (geur)klachten dient in de inrichting bewaard te worden voor een periode van minimaal 3 jaar.

8.1.3 Indien er gegronde geurklachten zijn binnengekomen bij het bedrijfen/of indien het bevoegd gezag dit nodig acht, stelt het bedrijf een geurbeheersplan op dat ten minste de volgende elementen bevat:

  • Een overzicht van geurbronnen binnen de inrichting en karakterisering van de geurbijdrage van de bronnen;

  • Maatregelen die ingevoerd worden om geurhinder te verminderen dan wel te voorkomen, inclusief de termijn waarin deze worden geïmplementeerd;

  • Maatregelen die ingevoerd worden voor de monitoring van geur, inclusief de termijn waarin deze worden geïmplementeerd;

  • Hoe de inrichting omgaat met geurincidenten, bijv. klachten.

8.1.4 Het geurbeheersplan genoemd in voorschrift 8.1.3 moet binnen 3 weken na het in werking treden van deze vergunning ter beoordeling naar het bevoegd gezag worden gestuurd.

8.1.5 Het geurbeheersplan genoemd in voorschrift 8.1.3 moet jaarlijks worden geactualiseerd.

8.1.6 Indien het bevoegd gezag dit nodig acht, moet het geurbeheerplan worden aangevuld en opnieuw worden aangeboden conform voorschrift 8.1.4.

8.1.7 Wanneer het aantal gegronde klachten daartoe aanleiding geeft, moet vergunninghouder op een gemotiveerd verzoek van het bevoegd gezag een (geur)onderzoek verrichten naar de oorzaak van de klachten en de mogelijkheden om geuroverlast te voorkomen.

8.1.8 Een geuronderzoek, zoals bedoeld in voorschrift 8.1.7, moet worden uitgevoerd conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd meetplan. Dit meetplan beschrijft ten minste:

  • a.

    de wijze waarop het onderzoek zal worden uitgevoerd;

  • b.

    de meetlocaties, het aantal deelmetingen en de monsternametijd;

  • c.

    de bedrijfsomstandigheden tijdens de metingen dienen uitvoerig en gedetaileerd in het onderzoek te worden gerapporteerd;

  • d.

    de onderbouwing voor de representativiteit van de genoemde bedrijfsomstandigheden

  • 1.

     

8.1.9 Vergunninghouder moet na goedkeuring van het voorgelegde geurbeheersplan als bedoeld in voorschrift 8.1.3 handelen overeenkomstig dit plan.

8.1.10 Geuremissiemetingen moeten worden uitgevoerd volgens de NTA 9065-1 en NTA 9065-2 en de geldende norm (NEN-EN 13725). Verspreidingsberekeningen moeten worden uitgevoerd met het Nieuw Nationaal Model (NNM) en overeenkomstig de NTA 9065-1en het NNM-handboek zijn. De resultaten van de metingen en berekeningen moeten worden gerapporteerd conform de NTA 9065-2 in Europese geureenheden (OUE). Het meetplan, zoals bedoeld in voorschrift 8.1.8, moet vooraf ter goedkeuring worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag moet een week voorafgaand aan de metingen in kennis gesteld worden om bij de geurmetingen aanwezig te kunnen zijn. Het onderzoek moet onder representatieve bedrijfsomstandigheden door een geaccrediteerde meetinstantie (monstername, analyse en debietmetingen) uitgevoerd worden.

Resultaten van uitgevoerde onderzoeken moeten uiterlijk 6 weken na uitvoering van het onderzoek aan het bevoegd gezag zijn gezonden.

 

9 LICHT

9.1 Algemeen

9.1.1 Terreinverlichting moet op een dusdanige wijze zijn uitgevoerd dat er geen direct licht buiten de inrichting terecht komt. Hierbij dient gebruik gemaakt te worden van armaturen die aan de bovenzijde zijn afgeschermd en de onderzijde moet naar beneden zijn gericht zijn.

 

10 LUCHT

10.1 Emissies van stoffen bulkopslag en oppervlaktebronnen

10.1.1 Binnen de inrichting vindt opslag plaats van de volgende stuifgevoelige stoffen:

  • a.

    verontreinigde grond;

  • b.

    asbesthoudende grond;

  • c.

    schone grond;

  • d.

    zand.

Toelichting

Voor de onder c en d genoemde stuifgevoelige stoffen zijnde inerte goederen zijn de voorschriften uit paragraaf 3.4.4. van het Activiteitenbesluit van toepassing.

10.1.2 Voor de onder a en b genoemde stuifgevoelige stoffen zijnde niet-inerte goederen gelden de voorschriften 10.2.1 t/m 10.2.10.

 

10.2 Diffuse stofemissies

10.2.1 Handelingen met niet-inerte goederen die leiden tot een visueel waarneembare stofverspreiding over een afstand van meer dan 2 meter van de bron mogen niet worden uitgevoerd.

10.2.2 Buitenopslag van niet-inerte goederen dient gescheiden van andere stoffen plaats te vinden.

Opmerking: Bij buitenopslag mogen de grondstoffen niet door verschuiving, verwaaiing of anderszins buiten het terrein van de inrichting terecht komen.

10.2.3 Bij buitenopslag van niet-inerte stuifgevoelige stoffen dienen:

  • a.

    de vakken waarin de stoffen worden opgeslagen aan ten minste drie zijden te zijn omgeven door keerwanden, of

  • b.

    de stoffen volledig te zijn afgedekt en te zijn beschermd tegen opwaaien, of;

  • c.

    de stoffen te worden bevochtigd indien de weersomstandigheden daartoe aanleiding geven.

10.2.4 Bij het opbouwen en afgraven van de buitenopslag van stuifgevoelige stoffen dient de opslaglocatie bevochtigd te worden.

10.2.5 Het overslaan in de open lucht van stuifgevoelige stoffen in de klassen S4 en S5 mag niet plaatsvinden, indien de windsnelheid groter is dan 20 m/s.

10.2.6 Stofemissies tengevolge van het overslaan van stuifgevoelige stoffen moeten worden voorkomen door de storthoogte te beperken tot minder dan één meter.

10.2.7 Wegen en verharde gedeelten van het bedrijfsterrein waar gevaar bestaat voor verspreiding van stof buiten de inrichting als gevolg van rijdend materieel of verwaaiing, dienen zo vaak als nodig doch tenminste 1 maal per week, te worden geveegd, gezogen of natgehouden.

10.2.8 Indien bij het op- en overslaan en bewerken van stuifgevoelige stoffen, ondanks alle maatregelen, de stofverspreiding zodanig is dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat hinder buiten de inrichting kan ontstaan, moeten de werkzaamheden die de oorzaak hiervan zijn terstond worden gestaakt.

Staken activiteit

10.2.9 Laden, lossen, transporteren van vaste niet-inerte stoffen moeten worden gestaakt indien de windsnelheid de bij de onderstaande stuifklasse genoemde waarde overschrijdt:

  • d.

    stuifklasse S1 en S2 8 m/s; windkracht 4 / matige wind.

  • e.

    stuifklasse S3 14 m/s; windkracht 6 / krachtige wind.

  • f.

    stuifklasse S4 en S5 20 m/s; windkracht 8 / stormachtige wind.

10.2.10 Binnen de inrichting moet een goed werkende windsnelheidsmeter aanwezig zijn, zodanig dat een representatieve en kwartiergemiddelde windsnelheid kan worden gemeten en afgelezen. De windsnelheid moet continu gemeten en geregistreerd worden. De geregistreerde gegevens moeten ten minste drie achtereenvolgende jaren binnen de inrichting worden bewaard en op verzoek van het bevoegd gezag aan hen worden toegezonden.

Transport

10.2.11 Transportafstanden binnen de inrichting moeten zo kort mogelijk worden gehouden om stofverspreiding te voorkomen.

10.2.12 De verkeerssnelheid binnen de inrichting moet op een duidelijke wijze zijn beperkt tot 15 km/uur.

10.2.13 Verkeersbewegingen binnen de inrichting moeten plaatsvinden op de daartoe aangelegde verharde wegen.

10.2.14 Teneinde hinderlijke verspreiding van stof buiten de inrichting te voorkomen als gevolg van de transportactiviteiten, moet onmiddelijk kunnen worden voorzien in en - indien noodzakelijk - gebruik worden gemaakt van een veegmachine en/of sproeiwagen die, zo vaak als nodig is, het gedeelte van de inrichting waarop transportverkeer plaatsvindt schoon veegt en/of besproeit met water.

10.2.15 Ter voorkoming van verontreiniging van de openbare weg moeten, waar nodig, voertuigen voordat deze de inrichting verlaten worden schoongespoten. Tevens moeten, waar nodig, de banden door een wielwas-/autobandenreinigings- installatie (ari) dan wel gelijkwaardig worden schoongemaakt. Deze verplichting geldt niet voor voertuigen die uitsluitend ten behoeve van de kantoren de inrichting bezoeken.

Valhoogte materiaal

10.2.16 Bij gebruik van mechanische laadschoppen moet de afworphoogte worden gereduceerd en de beste positie moet worden gekozen bij het afwerpen in een vrachtwagen om stofverspreiding te voorkomen.

10.2.17 De (af)storthoogte van goederen mag niet groter zijn dan 1 meter. In afwijking hiervan mag de afstorthoogte van een transportband bij opbouw van een berg maximaal 3 meter bedragen.

Grijpers

10.2.18 Bij gebruik van grijpers moet de grijper lang genoeg in de storttrechter worden gelaten na het lossen.

10.2.19 Voor nieuwe grijpers moet gebruik worden gemaakt van grijpers met de volgende eigenschappen:

  • a.

    geometrische vorm en optimale laadcapaciteit;

  • b.

    het grijpervolume is altijd groter dan de grijpercurve;

  • c.

    het oppervlak is glad om te vermijden dat er materiaal aan blijft vastkleven;

  • d.

    een goede sluitcapaciteit bij permanent gebruik.

Bevochtiging of afdekking

10.2.20 Het tegengaan van stofverspreiding van opslagen van, en activiteiten in de buitenlucht met, stuifgevoelige bevochtigbare stoffen (stuifklasse S2 of S4) moet plaatsvinden door het bevochtigen of afdekken van de opslag.

10.2.21 Indien voor het besproeien van goederen een andere vloeistof wordt gebruikt dan water, mag uitsluitend gebruik worden gemaakt van een vloeistof die geen stankhinder, luchtvervuiling of bodemverontreiniging veroorzaakt. In dat geval moet er steeds voldoende geschikte vloeistof in de inrichting beschikbaar zijn. Besproeien met een andere vloeistof dan water moet vooraf aan het bevoegd gezag ter goedkeuring worden voorgelegd.

10.2.22 Dagelijks worden er visuele inspecties uitgevoerd om te zien of zich stofemissies voordoen en om te controleren of de preventieve maatregelen goed werken.

 

10.3 Werkplaats/ smeerkuil

10.3.1 Oliën, vetten of water mogen niet van de vloer van de werkplaats naar buiten worden geveegd of geschrobd. De vloer mag niet afwaterend naar een uitgang zijn gelegd.

10.3.2 De werkplaats moet zodanig zijn geventileerd dat ter voorkoming van brand- of explosiegevaar voldoende ventilatie is gewaarborgd om gassen of dampen die ontstaan bij lekkage of werkzaamheden af te voeren.

10.3.3 Werkzaamheden waarbij vuur wordt gebruikt, worden niet verricht aan of in de onmiddellijke nabijheid van een brandstofreservoir of andere delen van een motorvoertuig die brandstof bevat. In de werkplaats, alsmede in enig ander gebouw van de inrichting, worden geen brandstofreservoirs van motorvoertuigen bijgevuld. De brandstofreservoirs zijn, behoudens tijdens de aan de reservoirs te verrichten werkzaamheden, goed gesloten.

10.3.4 In de werkplaats, alsmede in enig ander gebouw van de inrichting, mogen geen tankwagens voor het vervoer van brandbare gassen of vloeistoffen aanwezig zijn, tenzij de tank gasvrij is gemaakt en hiervan een bewijs aanwezig is.

 

1. PROCEDURELE ASPECTEN

1.1. Gegevens aanvrager

Op 11 juli 2023 is een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ontvangen. Het betreft een verzoek van:

Van der Wiel Holding BV, voor de inrichting gelegen aan De Meerpaal 11 en de tegenover gelegen locatie De Lier 8 in Drachten.

1.2. Projectbeschrijving

Het project waarvoor vergunning wordt gevraagd is als volgt te omschrijven:

  • het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting (revisie) voor de opslag van wegenbouwmateriaal/materieel, het accepteren en bewerken van afvalstoffen, grondreiniging en kantooractiviteiten van Van der Wiel Holding BV en haar werkmaatschappijen.

  • Het in werking hebben van een onbemand tankstation. Het tankstation wordt gebruikt voor materieel van Van der Wiel Holding en pashouders derden.

  • Het wijzigen van de inrichtingsgrens.

Een uitgebreide projectomschrijving is opgenomen in de aanvraag om (revisie)vergunning. Gelet op bovenstaande omschrijving wordt een vergunning gevraagd voor de volgende in de Wabo omschreven activiteiten:

  • -

    Het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting en het in werking hebben na die verandering voor de activiteit milieu (artikel 2.1, eerste lid, onder e juncto artikel 2.6 van de Wabo.)

Als één of meer van bovengenoemde activiteiten plaatsvinden, moet daarnaast beoordeeld worden of een aantal toestemmingsstelsels kan worden aangehaakt. Of daadwerkelijk moet worden aangehaakt volgt niet uit de Wabo, maar uit de desbetreffende wet. Omdat de activiteiten binnen de inrichting mede betrekking hebben op de inzet van machines/installaties met een verbrandingsmotor, is een berekening uitgevoerd van de stikstofdepositie met het wettelijk voorgeschreven rekenprogramma AERIUS Calculator.

In het kader van de vergunningaanvraag zijn AERIUS-berekeningen uitgevoerd om een verschilberekening te maken ten opzichte van de referentiesituatie (thans vergunde situatie) en de revisiesituatie. Er geldt dat de depositie ten gevolge van de revisiesituatie niet hoger is dan in de

referentiesituatie (geen verschil groter dan 0,00 mol/ha/jaar). Aldus geldt dat er sprake is van intern salderen.

De wijzigingen blijven binnen de vergunde ruimte, waardoor er voor de aangevraagde wijzigingen geen vergunning voor de Wet natuurbescherming geldt.

1.3. Omschrijving van de aanvraag

De aanvraag bestaat uit de volgende delen:

  • -

    aanvraag omgevingsvergunning kenmerk OLO 7411789

  • -

    Toelichting_aanvraag_oktober_2023

  • -

    Inrichtingstekening_depot_hoogten_scheidingwanden_en_installaties datum 7-12-2023

  • -

    Inrichtingstekening_PBV-vloeren_301123 datum 7-12-2023

  • -

    7411789_1682433270133_Inrichtingstekening_gehele_locatie datum 11-07-2023

  • -

    7411789_1682433302084_Rioleringstekening.pdf datum 11-07-2023

  • -

    7411789_1682433324207_Inrichtingstekening_tankstation datum 11-07-2023

  • -

    7411789_1675768780339_Ligging_tanks_en_eiland_-_revisie_datum 08-02-2023

  • -

    7411789_1675768631001_5435_V004_Aanvraag_veranderingsvergunning_terrein_van_der_Wiel_Drachten_datum 08-02-2023

  • -

    BER_AERIUS_projectberekening_20231113145736_AangevraagdesituatieRxxDMWDd7E57 datum 1-12-2023

  • -

    7411789_1677676347894_22110416n04_230228_stikstof_Van_der_Wiel datum 06-03-2023.

  • -

    BREF_op_en_overslag_bulkgoederen datum 1-12-2023

  • -

    BREF_Energie_effecientie datum 1-12-2023

  • -

    Overzicht_vloeistoffen_in_werkplaats datum 1-12-2023

  • -

    Milieubeheersysteem_Van_der_Wiel_Holding datum 1-12-2023

  • -

    Datasheet_zeefinstallatie datum 1-12-2023

  • -

    Datasheet_shredder datum 1-12-2023

  • -

    Datasheet_puinbreker datum 1-12-2023

  • -

    Brandveiligheidsplan datum 1-12-2023

  • -

    22110416r01a_231107_AO_Van_der_Wiel_Drachten datum 1-12-2023 (akoestisch onderzoek)

  • -

    7411789_1688646410183_Bodemrisicodocument datum 11-07-2023

  • -

    7411789_1688646353435_Besluit_mer_beoordeling datum 11-07-2023

  • -

    7411789_1688647220670_Kwaliteitshandboek_Infra_en_Milieu datum 11-07-2023

  • -

    7411789_1688647188421_Kwaliteitshandboek_Transport datum 11-07-2023

  • -

    7411789_1688647149319_Kwaliteitshandboek_Enviso datum 11-07-2023

  • -

    7411789_1688647124087_Kwaliteitshandboek_DBG. datum 11-07-2023

  • -

    7411789_1688646957983_Energielabel_kantoorgebouw datum 11-07-2023

  • -

    7411789_1677682106619_190781_Overzicht_ZZS_inrichting_Van_der_Wiel_Holding_te_Drachten datum 6-03-2023

  • -

    7411789_1677681912259_ippc-tool-aanvraag-omgevingsvergunning_ FUMO_ Van_der_Wiel_Holding_Drachten_datum 06-03-2023

  • -

    7411789_1677676638649_Drachten_A_11880_kadastrale_kaart datum 06-03-2023

  • -

    7411789_1677676540611_22110416n05_230228_Luchtkwaliteit datum 06-03-2023

  • -

    Aangepast AV beleid en AO/IC De Meerpaal 11 kenmerk 11042024 d.d.15-04-2024

  • -

    Rapportage gevaarlijke stoffen versie 30-01-2024. xlsx verzend d.d. 15-042024

  • -

    Overzicht locatie en hoeveelheid gasflessen.pdf d.d. 15-04-2024.

1.4. Huidige vergunningsituatie

Voor de inrichting zijn eerder de onderstaande vergunningen en/of ontheffingen verleend dan wel meldingen geaccepteerd:

Soort

Datum

Kenmerk

Onderwerp

Revisievergunning*

12 oktober 2009

842906

Opslag wegenbouwmateriaal /materieel, accepteren en bewerken afvalstoffen en grondreiniging

Milieuneutraal veranderen

22 februari 2011

940851

Verandering opslaglocatiepuin

Verandering

15 januari 2015

JB/2015/0128

Uitbreiding afvalstromen en aanpassing voorschriften afscheiders/putten

Milieuneutraal veranderen

5 juli 2017

2017-FUM0-0020825

Aangepast acceptatie en verwerkingsbeleid en ao/ic

Ambtshalve aanpassing

26 november 2019

2019-FUM0-0032764

Actualisatie LAP3

Ambtshalve aanpassing

9 november 2021

2020-FUM0-0041252

Actualisatie energievoorschriften

Ambtshalve aanpassing

22 februari 2021

2021-FUM0-0057225

Actualisatie Bref Afvalbehandeling

Milieuneutraal veranderen

30 augustus 2022

2022-FUM0-0067332

Aanlegvloeistofdichte vloer

De hierboven genoemde vergunningen waar een * bij staat, zijn volgens de Invoeringswet Wabo gelijkgesteld aan een omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd.

1.5. Vergunningplicht

De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I, onderdeel C van het Bor. De volgende categorieën zijn van toepassing:

Categorie

Omschrijving

28.10

  • 21°.het opslaan van: 1°.ten hoogste 10.000 ton bouwstoffen in de zin van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit die binnen dat besluit toepasbaar zijn;

  • 35° het overslaan en scheiden en opbulken van de onder 1 tot en met 33 genoemde categorieën van afvalstoffen binnen de aangegeven grenzen.

28.4 onder a

Inrichtingen voor het opslaan van de volgende afvalstoffen:

• 3°. van buiten de inrichting afkomstige verontreinigde grond, waaronder begrepen verontreinigde baggerspecie, met een capaciteit ten aanzien daarvan van 10.000 m3 of meer;

• 5°. van buiten de inrichting afkomstige gevaarlijke afvalstoffen;

• 6°. andere dan de onder 1° tot en met 5° genoemde van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 1.000 m3 of meer.

28.4 onder c

Inrichtingen voor het:

• 1°. het ontwateren, microbiologisch of anderszins biologisch of chemisch

omzetten, agglomereren, deglomereren, mechanisch, fysisch of chemisch

scheiden, mengen, verdichten of thermisch behandelen - anders dan

verbranden - van van buiten de inrichting afkomstige huishoudelijke

afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan

van 15.000.000 kg per jaar of meer;

e 2°. het verwerken of vernietigen - anders dan verbranden - van buiten de

inrichting afkomstige gevaarlijke afvalstoffen.

Op grond van het overschrijden van de capaciteit als genoemd bij bovengenoemde categorieën is er sprake van een vergunningplichtige activiteit. Om die reden is op grond van artikel 2.1, tweede lid van het Bor eveneens sprake van een vergunningplichtige inrichting.

1.6. Bevoegd gezag

Wij zijn bevoegd gezag voor de inrichting. Dit volgt uit artikel 2.4, tweede lid van de Wabo juncto artikel 3.3, eerste lid van het Bor, op grond van de activiteiten van de inrichting, genoemd in Bijlage I onderdeel C, categorie 28.4, onder a, 5° en 6° van het Bor en omdat het een inrichting betreft waartoe een IPPC-installatie behoort als genoemd in Bijlage I, categorieën 5.1, 5.3 en 5.5 van de Richtlijn industriële emissies (Rie).

Op grond van artikel 1.3 van de Wnb zijn wij het bevoegd gezag voor het beslissen op de aanvraag op grond van de Wnb.

1.7. Coördinatie met de Waterwet

De aangevraagde activiteit heeft betrekking op een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort.

De aanvraag is voor advies voorgelegd aan Wetterskip Fryslân. Er is geconcludeerd dat er geen sprake is van een handeling waarvoor een watervergunning voor het lozen van stoffen als bedoeld in artikel 6.27, eerste lid van de Waterwet vereist is. Coördinatie is niet aan de orde.

1.8. Bestemmingsplan

Het project ligt in een gebied waar het bestemmingsplan Industrieterrein ‘De Haven’ te Drachten geldt.

De locatie “De Meerpaal” bestaat uit twee deellocatie (De Meerpaal en De Lier).

Het project voldoet aan de bouw- en gebruiksregels van dit bestemmingsplan.

1.9. Beoordeling van de aanvraag

Na ontvangst van de aanvraag hebben wij deze getoetst op volledigheid. In verband met het ontbreken van een aantal gegevens hebben wij de aanvrager op 18 augustus 2023 in de gelegenheid gesteld om tot 31 oktober 2023 de hiervoor genoemde datum de aanvraag aan te vullen.

Op verzoek van de aanvrager is op 12 oktober een verzoek ingediend voor uitstel aanleveren gegevens tot 30 november 2023. Op 1 en 11 december 2023 hebben wij de aanvullende gegevens ontvangen. Uit de beoordeling blijkt dat wij nog onvoldoende gegevens hebben in het kader van Zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) in de geaccepteerde afvalstoffen onvoldoende is onderbouwd.

Op 13 maart 2024 hebben wij een nadere onderbouwing ontvangen en een nadere onderbouwing van de stikstofberekening en op 11 april 2024 een aangepast A&V-beleid en nadere onderbouwing ZZS stoffen. Na ontvangst van de aanvullende gegevens hebben wij de aanvraag opnieuw getoetst op volledigheid.

Wij zijn van oordeel dat de aanvraag met de aanvullende gegevens voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanvraag is dan ook in behandeling genomen. De termijn voor het nemen van het besluit is 5 maanden opgeschort tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld. De aanvrager heeft ingestemd om de beslistermijn op te schorten als bedoeld in artikel 4:15, tweede lid, onder a van de Awb.

1.10. Procedure

Deze vergunning is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Gelet hierop zijn wij niet verplicht om van de aanvraag kennis te geven in het daarvoor bestemde publicatieblad, tenzij bij de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag een milieueffectrapport (MER) moet worden gemaakt. Nu deze uitzonderingsgrond zich niet voordoet hebben wij geen kennis gegeven van de aanvraag in het daarvoor bestemde publicatieblad.

1.11. Adviezen

In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor, hebben wij de aanvraag ter advies aan de volgende instanties/bestuursorganen gezonden:

  • -

    Wetterskip Fryslân

  • -

    Gemeente Smallingerland

  • -

    Veiligheidsregio Fryslân/ brandweer Fryslân.

Wij behandelen hieronder de uitgebrachte adviezen.

Wetterskip Fryslân 

Op 3 mei 2023 hebben wij een advies ontvangen van het Wetterskip Fryslân. Het dagelijks bestuur van het Wetterskip adviseert als volgt:

Het eerder gegeven advies van 24 januari 2023, kenmerk WF-242584, dat uitgebracht is in de procedure voor de ambtshalve wijziging van de omgevingsvergunning van 24 januari 2023, kenmerk WF-242584, voldoet nog steeds, ook als de veranderingen worden doorgevoerd zoals die nu worden aangevraagd. Er is geen aanleiding om de voorschriften die in dat advies geadviseerd zijn, aan te passen naar aanleiding van de aanvraag om revisievergunning.  

Wij hebben het advies van het Wetterskip verwerkt in deze ontwerpbeschikking.

Gemeente Smallingerland

Wij hebben op 11 juli 2023 de gemeente Smallingerland in de gelegenheid gesteld een advies te geven over de aanvraag op grond van het bepaalde in artikel 6.1, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht. De gemeente heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

Veiligheidsregio Fryslân/ brandweer Fryslân (Brief: UIT/27425 Z/23/00011260)

Na het doornemen van de aanvraag inzake uw verzoek om advies uit te brengen ten aanzien van het brandveiligheidsaspect en een vanuit het oogpunt ontvankelijkheid hebben we naar de onderstaande aspecten gekeken.

  • -

    Externe veiligheid/ milieu/ gevaarlijke stoffen

  • -

    Bouwbesluit

  • -

    Advies risico’s en brandweerzorg

  • -

    Aanvullende opmerkingen op de aanvraag

Onderstaand zijn de conclusies uit het advies van Brandweer Fryslân overgenomen.

Externe veiligheid/milieu/gevaarlijke stoffen

“Uit de aanvraag volgt dat Van der Wiel niet valt onder het besluit externe veiligheid inrichtingen. Na het doorlezen van de aanvraag komen wij tot het beeld dat, anders dan de motorbrandstoffen in de ondergrondse tanks, er geen CMR-/ADR-stoffen opgeslagen binnen de inrichting. Er is geen hoofdstuk ’externe veiligheid/milieu’ in de aanvraag/ toelichting. Wij adviseren om in de aanvraag een alinea/ hoofdstuk op te nemen waar het onderwerp externe veiligheid en milieu in het kader van gevaarlijk stoffen wordt toegelicht.”

Bouwbesluit 2012

“De aanvraag betreft niet de activiteit bouwen. Net als in het Activiteitenbesluit, staan in het Bouwbesluit 2012 ook algemeen geldende regels, o.a. artikel 7.7 met betrekking tot de bedrijfsmatige opslag van brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen. Wij adviseren om de aanvraag aan te laten vullen met een brandveiligheidsplan waaruit volgt hoe voor beide inrichtingsdelen wordt voldaan aan artikel 7.7. Zie ook onder ‘Overige brandveiligheidsaspecten’.”

Advies risico’s en brandweerzorg

“Brandweer Fryslân geeft op grond van de Wet veiligheidsregio’s een advies risico’s en brandweerzorg in het kader van de ingediende aanvraag. In een dergelijk advies komen aspecten aan bod die van belang zijn voor de basisbrandweerzorg en externe veiligheidsaspecten. Hierbij valt te denken aan onder meer bereikbaarheid, de beschikbaarheid van bluswater en de opkomsttijden. Wij adviseren om deze repressieve punten als overweging mee te nemen bij de vergunningverlening.”

Bereikbaarheid

“Van der Wiel is van twee zijden bereikbaar. Wij zien geen knelpunt met betrekking tot de bereikbaarheid.”

Waterwinning (bluswater)

“Nabij de entree van beide delen van de inrichting ligt een brandkraan op een eindleiding met een diameter van Ø 105 mm. Gelet op het feit dat dit een eindleiding betreft met een geringe diameter is deze brandkraan alleen geschikt voor een kleine, niet ontwikkelde brand.

Bij een ontwikkelde brand op het inrichtingsdeel ‘De Meerpaal’ kunnen we afleggen op open water. Hierbij is wel van belang dat Fop enige locaties het water te bereiken is door doorgangen te maken in de betonwanden van de vakken zodat de afstand tussen risico locaties en de opstelplaats aan het openwater maximaal 100 meter wordt. Nabij het openwater dient dat een geschikte1 opstelplaats bereikbaar te zijn en vrij gehouden te worden.

Bij een ontwikkelde brand op het inrichtingsdeel ‘De Lier’ is afleggen op open water door een tankautospuit niet mogelijk gelet op de afstand. Hiervoor kan de brandweer een zgn. watertransport opbouwen. Het alarmeren en opbouwen van dergelijke watertransport kost tijd, gemiddeld 45 tot 60 minuten. Afhankelijk van de risicolocaties op het inrichtingsdeel ‘De Lier’ kan een loopdoorgang in het hek nabij de brandkraan een oplossing zijn. Deze brandkraan (Ø 200mm) aan De Lier ligt op de terreintekening daar waar de lijn (blauw met driehoekjes die rode lijn (terrein grens raakt).

Wij adviseren om met Van der Wiel het aspect bluswatervoorzieningen te bespreken. Zie ook onder ‘Overige brandveiligheidsaspecten’.”

Opkomsttijd

“Volgens Dekkingsplan 2.0 van Brandweer Fryslân ligt de inrichting in brandrisicogebied 2, waarbij een normtijd van 12 minuten geldt voor de opkomsttijd. De eerste tankautospuit is na alarmering binnen circa 12 minuten ter plaatse. Gelet op de omgeving en het gebruik van de inrichting voorziet Brandweer Fryslân geen knelpunt met betrekking tot de opkomsttijd.”

Overige brandveiligheidsaspecten

“In de aanvraag blijft het aspect brandveiligheid van de opslagen onderbelicht. Door het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid (NIPV) is een publicatie uitgebracht ‘Brandveiligheid van afvalbedrijven in Nederland’. Wij adviseren om het bedrijf kennis te laten nemen van dit onderzoeksrapport en met een brandveiligheidsplan invulling te geven aan de op het bedrijfsterrein aanwezige risico’s en mogelijke scenario’s. Daartoe dient aandacht te worden geschonken aan:

  • -

    Een inventarisatie van mogelijke risico’s en brandscenario’s.

  • -

    Uitwerken van beheersmaatregelen, maximale brandomvang, brandbare afvalbergen met een hoger potentieel brandrisico kleiner houden, blusmiddelen en bluswater winplaatsen (locatie en slagkracht) enz.

  • -

    Welke omvang van een brand wordt verantwoord gedacht, afmetingen afvalberg (l x b x h) - Wat wordt er gedaan met (vervuild) bluswater. Graag afstemmen met de waterkwaliteitsbeheerder.”

Aanvullende opmerkingen op de aanvraag

“De aanvraag betreft het ‘afstoten van de twee hoogbouw kantoren en de zoutloods. Er zit een bouwkundige verbinding tussen deze twee kantoren en het kantoor dat Van der Wiel behoudt. Of deze wijziging van invloed is op de brand-/ vluchtveiligheid en het beheer ervan beschrijft de aanvraag niet.”

Advies

In overeenstemming met bovengenoemde opmerkingen adviseert Brandweer Fryslân om:

  • -

    In de aanvraag een alinea/hoofdstuk op te laten nemen waarin het onderwerp externe veiligheid en milieu in het kader van gevaarlijk stoffen wordt toegelicht, zodat duidelijk wordt of er wel of niet gevaarlijke stoffen aanwezig zijn en zo ja, waar.

  • -

    De aanvraag aan te laten vullen met een brandveiligheidsplan waaruit volgt hoe wordt voldaan aan artikel 7.7 van het Bouwbesluit, mede aan de hand van de punten onder ‘Overige brandveiligheidsaspecten’.

  • -

    Met de aanvrager en de gemeente te bespreken hoe de brandveiligheid en bereikbaarheid van de ‘afgestoten’ inrichting geborgd wordt en blijft (bijvoorbeeld de zgn. zoutloods).

Brandveiligheidsplan

In oktober 2023 heeft Van der Wiel een Brandveiligheidsplan ingediend. Dit is beoordeeld en besproken en akkoord bevonden.

1.12. Zienswijzen op de ontwerpbeschikking

Van het ontwerp van de beschikking hebben wij de kennisgeving digitaal gepubliceerd op internet via www.officielebekendmakingen.nl op 11 juli 2024.

Van 11 juli 2024 tot en met 22 augustus 2024 heeft het ontwerp ter inzage gelegen en is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is gebruik gemaakt door Enviso Ingenieursbureau namens Van der Wiel Holding BV .

Zienswijze 1.   Maatregelen ter voorkoming van ongewenste emissies

Wij citeren de zienswijze van Enviso (met onze nummering toegevoegd).De zienswijze richt zich op:

1. Paragraaf 2.8 Verwerking asbesthoudende grond, Voorschrift 2.8.1 De diffuse luchtemissies van het zeven van asbesthoudende grond en puin dienen ingesloten verzameld en geleid te worden via een luchtafvoersysteem en/of luchtaanzuigsystemen in de nabijheid van de emissiebronnen naar een geschikt emissiereductiesysteem (behandeling).

2. Paragraaf 10.2 Diffuse stofemissies, Voorschrift 10.2.9 Wanneer de inrichting buiten bedrijf is (avonden, weekend, vakantieperiode) moeten bij buitenopslag van stuifgevoelige stoffen voorzieningen worden getroffen zoals automatische sproei-installaties met een tijdregelaar en/of het aanbrengen van afdekkingen (zeil of vastleggend bindmiddel) om het verspreiden van zand, stof (zwerfvuil) en ander verwaaibaar materiaal te voorkomen.

1. Zienswijze voorschrift 2.8.1

"Binnen het A&V-beleid wordt onder de Euralcode 17.05.03* verontreinigde grond met Asbest boven de interventiewaarde geaccepteerd voor het fysische reinigingsproces. Per jaar gaat het om een hoeveelheid van maximaal 3.000 m3 grond verontreinigd met asbest. Door DBG Bouw- en Reststoffen wordt grond verontreinigd met asbest alleen geaccepteerd en gereinigd als het hechtgebonden asbesthoudende grond betreft zonder de aanwezigheid van asbestvezels boven de norm. DBG heeft als acceptant in Drachten een regionale functie voor het opslaan en reinigen van deze gronden. Vandaar ook de relatief lage inname hoeveelheid grond per jaar. Echter door deze hoeveelheid is het kosteneffectief niet mogelijk een gebouw op de locatie neer te zetten met daarin een luchtafzuigsysteem. Het afzuigen zal plaats moeten vinden in een afgesloten gebouw. Gezien de omvang van een zeefinstallatie voor het reinigen van de grond, de opslag van de grond zowel als deze verontreinigd is als de uitkomende verschillende stromen leidt tot een gebouw met een omvang van minimaal 100 x 100 meter en 4 meter hoog. Hier is geen ruimte voor maar zijn ook de kosten voor het realiseren van dit gebouw als wel het inrichten met een systeem voor installatie en onderhoud niet kosteneffectief.

In de huidige situatie wordt conform de BRL 7500 deze grond gereinigd met een zeefinstallatie voorzien van een vlakdekzeef. Dit zorgt ervoor dat de hechtgebonden asbestdelen in het proces geen asbestvezels loslaten. Bij een vlakdekzeef worden deeltjes in beweging gebracht door lichte trillingen. Door het gebruik van een zeefdek met een verschillende maaswijdtes wordt de grond gescheiden van grotere hechtgebonden asbestdelen. Tevens wordt er gewerkt met een bodemvochtgehalte >10%. Aangetoond is dat bij dit gehalte geen stofvorming plaatsvindt. Verder worden medewerkers (machinist en DTA-er bij de zeefinstallatie) niet blootgesteld aan de buitenlucht. Zij en hun materieel wordt voorzien van de persoonlijke beschermingsmiddelen conform de CROW 400 “werken in verontreinigde bodem”. Daarmee worden veiligheidsrisico’s beperkt. Tevens vindt voor het uitvoeren van de zeefwerkzaamheden een toolbox/opstartoverleg plaats om de aanwezige medewerkers te informeren over de werkzaamheden, de installatie, het voorkomen van stofvorming en de taken en verantwoordelijkheden die een ieder tijdens het proces heeft.

Wij willen aangeven dat het fysisch reinigen op onze grondreinigingslocatie met vloeistofdichte vloer, afscheidingsmuren rondom de locatie en tussen de verschillende depots zorgt voor een veilige omgeving en stofvorming tijdens de werkzaamheden wordt voorkomen en daarmee het werken in een bedrijfsgebouw met luchtafzuigsysteem niet gewenst en ons inziens noodzakelijk is om de veiligheid en gezondheid van de medewerkers en de omgeving te borgen.”

Ad 1. Reactie op zienswijze 1

Van der Wiel Holding BV geeft aan dat de activiteit onder gecontroleerde omstandigheden in een bedrijfshal kan plaatsvinden, maar dat de activiteit ook buiten een hal onder gecontroleerde omstandigheden kan plaatsvinden. Echter, uit oogpunt van kosteneffectiviteit en ruimtegebrek binnen de locatie is het plaatsen van een bedrijfshal met nageschakelde techniek om de lucht te zuiveren niet haalbaar.

In voorschrift 2.8.1 wordt ervan uitgegaan dat de diffuse luchtemissies van het zeven van asbesthoudende grond en puin in een gesloten systeem verzameld en geleid moeten worden via een luchtafvoersysteem en/of luchtaanzuigsystemen in de nabijheid van de emissiebronnen naar een geschikt emissiereductiesysteem (behandeling). Dat deze activiteit in een gesloten hal moet plaatsvinden, is geen juiste interpretatie van het voorschrift.

In de brief van 9 augustus 2023 hebben wij aangegeven dat wij van mening zijn dat voor een buiten opgestelde zeefinstallatie waarbij een diffuse emissie plaatsvindt, omkast, afgezogen en gefilterd moet worden tot een bronemissie die moet voldoen aan de BBT. Indien een andere methode wordt toegepast die overeenkomt met voorgestelde BBT, zal deze methodiek goed omschreven moeten worden. Uit de beschrijving moet duidelijk blijken dat de maatregel BBT is of gelijkwaardig (aantoonbaar). Hetgeen beschreven is in de aanvraag, dat de partij grond bevochtigd wordt om verstuiving tegen te gaan, geeft te weinig borging om te voorkomen dat asbestdeeltjes in de buitenlucht kunnen geraken. Ook is niet te controleren of aan de emissie-eisen voldaan wordt. Verder hebben wij in die brief gevraagd wat de referentie is om te bevochtigen (wanneer is de grond droog en moet er bevochtigd worden)? Volgens de zienswijze is het vochtgehalte >10%. Hierbij merken wij op dat als de grond te vochtig de asbestdeeltjes en andere verontreinigingen blijven kleven waardoor er niet effectief gezeefd kan worden.

In uw zienswijze geeft u aan dat conform de BRL 7500 gewerkt wordt en dat u daardoor zorgdraagt voor een veilige omgeving waarbij stofvorming tijdens de werkzaamheden wordt voorkomen.

Het voldoen aan de BRL zegt niets over het voldoen aan de Beste Beschikbare Technieken (BBT). BBT moet toegepast worden voor het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu en de leefomgeving. Dit wordt bereikt door de meest doeltreffende technieken toe te passen om de emissies en andere nadelige gevolgen voor het milieu zoveel mogelijk te beperken,

Het uitgangspunt voor BBT is wel dat de geldende BBT-conclusies kosteneffectief zijn. Als het mogelijk is om andere technieken te gebruiken die ten minste een gelijkwaardig milieubeschermingsniveau garanderen, mag het bevoegd gezag daar ook voor kiezen.

De beschrijving van BRL 7500 is een duidelijke procesbeschrijving, maar geeft te weinig borging of voldaan wordt aan het hoogste of gelijkwaardige beschermingsniveau en is ook niet aantoonbaar BBT. Verder is er geen kostenanalyse gemaakt of de BBT-conclusie kosteneffectief is nu er geen hal gebouwd hoeft te worden. Het materieel (zoals vlakzeefinstallatie) wordt ingehuurd en om te voldoen aan de BBT zou dit contractueel vastgelegd kunnen worden. Indien de techniek niet ingehuurd kan worden en door de vergunninghouder zelf aangeschaft moet worden, zou een nieuwe overweging gemaakt kunnen worden op basis van het afwegingskader zoals bedoeld in artikel 5.5 lid 7 van het Besluit omgevingsrecht:

Artikel 5.5 lid 7 Bor

Een vergunningverlener moet de BBT-conclusies gebruiken bij het bepalen van BBT voor een IPPC-installatie (zie artikel 5.5 lid 6 van het Besluit omgevingsrecht, hierna: Bor). Indien een IPPC-installatie niet aan BBT voldoet, kan het bevoegd gezag in bepaalde gevallen mindere strenge emissiegrenswaarden vaststellen. Dat kan volgens artikel 5.5 lid 7 van het Bor in specifieke gevallen, indien het halen van de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus zoals vastgesteld in de BBT-conclusies zou leiden tot buitensporig hogere kosten in verhouding tot de milieuvoordelen als gevolg van:

a. de geografische ligging van de betrokken inrichting,

b. de lokale milieuomstandigheden, of

c. de technische kenmerken van de betrokken installatie.

Wij zien vooralsnog geen aanleiding voorschrift 2.8.1 te wijzigen. Wel hebben wij voorschrift 2.8.5. verwijderd omdat het materieel wordt ingehuurd en moet voldoen aan de voorschriften genoemd in paragraaf 2.8. De vergunninghouder kan niet aan voorschrift 2.8.5. voldoen. Het voorschrift luidde ‘Eenmaal per zes maanden dient de gereinigde stofemissie van de activiteiten genoemd in voorschrift 2.8.1 afzonderlijk gemonitord te worden volgens EN 13284-1’.

Wij verklaren de zienswijze deels gegrond. De zienswijze heeft aanleiding gegeven om de vergunning aan te passen.

2. Voorschrift 10.2.9 De diffuse stofemissies

“Het voorschrift om automatische sproei-installaties en afdekkingen te gebruiken bij buitenopslag van stuifgevoelige stoffen is gericht op de avonden, weekend en vakantieperiode. Binnen Van der Wiel Holding is er gedurende de reguliere vakantieperiode altijd bezetting op de locatie. Het voorkomen van stofvorming door de inzet van een watersproeisysteem bestaande uit een trekker met watertank wordt ook in deze periode ingezet en is effectief om stofvorming buiten de locatie te voorkomen. Het betreft dan met name nog de avonden en weekenden dat de inzet van een automatisch systeem gewenst is. Wij willen aangeven dat stofvorming op onze locatie ontstaat op de transportwegen tussen de gronddepots. Vrachtbewegingen zorgen voor stofvorming als de transportroute niet gesproeid wordt in droge perioden. De aanwezige gronddepots zorgen niet voor stofvorming. Door de aanwezigheid van afscheidingsmuren rondom de locatie en tussen de depots krijgt de wind geen vat op de gronddepots en ontstaat er geen stofvorming vanuit deze depot. Om stofvorming in de avonden en weekenden te voorkomen is het noodzakelijk om bij de laatste vracht op een werkdag te zorgen voor nagenoeg schone transport paden. Doordat er in de avonden en weekenden geen transportbewegingen zijn vindt er ook geen stofvorming plaats en daarmee geen verwaaiing van stof buiten de inrichting. Tevens willen wij aangeven dat het hebben van een automatisch sproeisysteem ook vele nadelen kent;

  • -

    Geen fysiek toezicht tijdens deze activiteit

  • -

    Watergebruik terwijl dit niet noodzakelijk blijkt te zijn (geen fysiek toezicht op stofvorming)

  • -

    Technische storingen door inzet van elektronisch apparatuur die op afstand wordt bediend

  • -

    Operationele beperkingen door ligging van het sproeisysteem op de locatie

  • -

    Zeer vorst-gevoelig

  • -

    Zeer hoge Installatie en onderhoudskosten

Het voorkomen van stofvorming bij gronddepots vereist een combinatie van fysieke maatregelen, logistieke planning, en bewustwording en training van personeel. Door deze maatregelen te implementeren, kunnen de gezondheids- en milieu-impact van stofvorming aanzienlijk worden verminderd tijdens het werk. Door de transport/ en rijpaden na het afronden van de dag en de werkweek schoon te houden vindt er in deze periode geen stofvorming / opwaaien plaats. Het inzetten van een automatisch sproeisysteem is naar onze mening niet effectief en wij willen u vragen dit voorschrift te wijzigen.”

Ad 2. Reactie op zienswijze

Voor Van der Wiel Holding BV is het bovenstaande een nieuwe werkwijze waar veel kosten mee zijn gemoeid. Van der Wiel Holding BV erkent het nut en de noodzaak van een aanpak om stofemissies tegen te gaan maar geeft aan dat het schoonhouden van de rijpaden als een gelijkwaardige maatregel gezien kan worden waarbij hetzelfde effect bereikt wordt.

Wij verklaren de zienswijze gegrond. Wij verwijderen voorschrift 10.2.9 zoals in de zienswijze is voorgesteld. De stofmaatregel is voldoende geborgd door de overige voorschriften in paragraaf 10.2 ‘Diffuse emissies’ en de procesbeschrijving over het tegengaan van stofverspreiding. Daarbij is de maatregel financieel en (milieu)technisch gezien niet proportioneel.

 

2. SAMENHANG MET OVERIGE WET- EN REGELGEVING

2.1. Activiteitenbesluit

In het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) zijn voor een groot aantal activiteiten die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden, rechtstreeks werkende, algemene regels opgenomen.

De inrichting waarvoor vergunning is aangevraagd, is aangemerkt als een inrichting waarvoor vergunningplicht (type C-inrichting) geldt.

Binnen het bedrijf vinden de volgende activiteiten plaats die vallen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit:

  • -

    uitvoeren van bodembedreigende activiteiten;

  • -

    doelmatig beheer van afvalstoffen;

  • -

    lozen van hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening;

  • -

    het in werking hebben van een middelgrote stookinstallatie, gestookt op standaard brandstof;

  • -

    het afleveren van diesel aan motorvoertuigen voor het wegverkeer;

  • -

    het in werking hebben van een tankstation;

  • -

    het uitwendig wassen en stallen van motorvoertuigen en werktuigen;

  • -

    het opslaan van inerte goederen;

  • -

    de opslag van gasolie en afgewerkte olie.

Er moet worden voldaan aan de volgende paragrafen uit het Activiteitenbesluit en de daarbij behorende Activiteitenregeling, voor zover deze betrekking hebben op de genoemde (deel)activiteiten:

  • -

    Paragraaf 3.1.3 Lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening;

  • -

    Paragraaf 3.2.1 Het in werking hebben van een middelgrote stookinstallatie, gestookt op standaard brandstof

  • -

    Paragraaf 3.3.1 Afleveren van vloeibare brandstof of gecomprimeerd aardgas aan motorvoertuigen voor het wegverkeer of afleveren van vloeibare brandstof aan spoorvoertuigen;

  • -

    Paragraaf 3.3.2 Het uitwendig wassen en stallen van motorvoertuigen, werktuigen of spoorvoertuigen;

  • -

    Paragraaf 3.4.1 Opslaan van propaan;

  • -

    Paragraaf 3.4.2 Opslaan in ondergrondse opslagtanks van vloeibare brandstof, afgewerkte olie, bepaalde organische oplosmiddelen of vloeibare bodembedreigende stoffen die geen gevaarlijke stoffen of CMR stoffen zijn;

  • -

    Paragraaf 3.4.3 Opslaan en overslaan van goederen;

  • -

    Paragraaf 3.4.9 Opslaan van gasolie, smeerolie of afgewerkte olie in een bovengrondse opslagtank;

  • -

    Paragraaf 3.4.11 Op- en overslaan van verwijderd asbest.

Voor het overige is per hoofdstuk dan wel afdeling aangegeven of deze op een type C inrichting van toepassing is. Dit betekent dat ook hoofdstuk 1, afdeling 2.1 tot en met 2.4, 2.9, 2.10 en 2.11 van hoofdstuk 2 en de overgangsbepalingen uit hoofdstuk 6 van het Activiteitenbesluit van toepassing kunnen zijn. Van belang voor deze vergunning is, of de inrichting ook voor de activiteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen voldoet aan de beste beschikbare technieken. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf.

Maatwerk

Er zijn geen maatwerkvoorschriften opgesteld. De voorschriften voor het onderdeel milieu die in deze vergunning zijn opgenomen, betreffen aspecten en activiteiten die niet zijn geregeld in het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling.

Melding Activiteitenbesluit

Gelet op artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit moeten de veranderingen van de inrichting waar het Activiteitenbesluit op van toepassing is worden gemeld. Voor deze onderdelen van de inrichting beschouwen wij de vergunningaanvraag als een melding in het kader van het Activiteitenbesluit. Bovenstaande onderdelen van het Activiteitenbesluit zijn rechtstreeks op de inrichting van toepassing. Daarom is het niet nodig om voor deze onderwerpen voorschriften aan de vergunning te verbinden.

2.2. Besluit externe veiligheid inrichtingen 

De inrichting valt niet onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

2.3. Wet natuurbescherming

In de Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen dat deze wet aanhaakt bij de Wabo wanneer:

  • 1.

    een activiteit plaatsvindt in of om een Natura 2000-gebied en deze activiteit de kwaliteit van de habitats en de habitats van soorten verslechtert (handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden), en/of;

  • 2.

    een activiteit plaatsvindt waarbij in onvoldoende mate sprake is van het beschermen van inheemse plant- en diersoorten en het bewaken van de biodiversiteit tegen invasieve uitheemse plant- en diersoorten (handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten).

Bij de aanvraag omgevingsvergunning zijn een Aeriusberekening en een stikstofberekening gevoegd met de kenmerken:

  • -

    BER_AERIUS_projectberekening_22110416_Rz6qy5mi3Km6 (05 februari 2024);

  • -

    Notitie 22110416.N04a_stikstof_Van_der_Wiel datum 05-02-2024.

Op grond van de gegevens concluderen wij dat het project geen toename van stikstofdepositie tot gevolg heeft. Daarmee is vast komen te staan dat dit project geen significante negatieve gevolgen heeft voor de soorten en habitattypen waarvoor de Natura 2000-gebieden zijn aangewezen. Omdat er geen effecten boven de 0,00 mol/ha/jr zijn, is er geen vergunningplicht voor de Wnb.

Met betrekking tot eventuele beschermde flora en fauna gaat de aanvraag om reeds vergunde en uitgevoerde activiteiten. Daarnaast worden er geen bouw- en of sloopactiviteiten aangevraagd. Onderzoek naar beschermde flora en fauna wordt derhalve niet noodzakelijk geacht.

Een omgevingsvergunning natuur in het kader van flora-en fauna-activiteiten is daarom niet van toepassing. Dit betekent dat de Wnb niet aanhaakt in deze Wabo-procedure.

2.2. M.e.r.- (beoordelings)plicht

De activiteiten van Van der Wiel staan genoemd in het Besluit m.e.r. in categorie D 18.1. (de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor de verwijdering van afval. De drempelwaarde van een capaciteit van 50 ton per dag wordt overschreden en het initiatief is hiermee dus m.e.r.-beoordelingsplichtig.

Voor elke aanvraag waarbij een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling aan de orde is moet:

  • -

    door de initiatiefnemer een aanmeldnotitie worden opgesteld. Deze mag tegelijk met de aanvraag worden ingediend.

  • -

    het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen.

De aangevraagde activiteiten vallen, zoals vastgesteld, onder onderdeel D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. Dit betekent dat, gelet op artikel 2, lid 5, onder b van het Besluit milieueffectrapportage, wij als bevoegd gezag, op grond van de in bijlage III bij de EEG-richtlijn 85/337/EEG (gewijzigd bij richtlijn 97/11/EG en richtlijn 2003/35/EG) genoemde criteria, toepassing moeten geven aan een m.e.r.-beoordeling als bedoeld in artikel 7.16 t/m 7.19 van de Wet milieubeheer als niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Wij moeten daarom beoordelen of, gelet op bijzondere omstandigheden, voor het verlenen van de omgevingsvergunning een MER noodzakelijk is. Het algemene uitgangspunt bij een dergelijke beoordeling is dat er geen MER behoeft te worden opgesteld, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden.

Deze bijzondere omstandigheden kunnen betrekking hebben op:

  • 1.

    kenmerken van het project;

  • 2.

    plaats van het project;

  • 3.

    kenmerken van het potentiële effect.

Beoordeling en conclusie

Van der Wiel heeft een aanmeldnotitie opgesteld en deze op 17 mei 2023 bij ons ingediend om te beoordelen of een MER dient te worden opgesteld. Op 6 juli 2023, kenmerk 2023-FUMO-0075218, hebben wij op grond van de in dat besluit genomen overwegingen en op basis van hetgeen is gesteld in artikel 7.17 Wm, besloten dat bij de voorbereiding van het besluit op de voorgenomen aanvraag van Van der Wiel Holding BV geen MER behoeft te worden opgesteld

Van dit besluit is mededeling gedaan door kennisgeving in de Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad, in het Provinciaal Blad en in de Staatscourant. Dit besluit is bij de aanvraag gevoegd.

3. Toetsingskader Milieu

3.1. Inleiding

De aanvraag heeft betrekking op het veranderen (revisie) van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid aanhef en onder e en artikel 2.6 van de Wabo.

3.2. Toetsing aanvraag revisievergunning

Het algemene toetsingskader van de Wabo voor het verbinden van voorschriften aan de vergunning is vastgelegd in artikel 2.22, tweede lid van de Wabo. Op grond van artikel 2.22, tweede lid van de Wabo worden aan een omgevingsvergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het belang dat voor de betrokken activiteit is aangegeven in het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.10 tot en met 2.20 van de Wabo. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende ‘beste beschikbare technieken’ (BBT) worden toegepast. In artikel 9.2 van de Regeling omgevingsrecht (Mor) zijn de documenten aangewezen, waarmee het bevoegd gezag bij de bepaling van BBT in het kader van de vergunningverlening rekening moet houden. Bijlage 1 van het Mor bevat een overzicht van de hiervoor bedoelde documenten. Bij de vaststelling van BBT voor de onderhavige vergunningaanvraag is rekening gehouden met alle relevante BBT-documenten.

Bij onze beslissing op de aanvraag hebben wij conform artikel 2.14, eerste lid onder a, b en c van de Wabo:

  • de bestaande toestand van het milieu betrokken;

  • met het milieubeleidsplan rekening gehouden;

  • de beste beschikbare technieken in acht genomen.

In de onderstaande hoofdstukken lichten wij dit nader toe. Wij beperken ons tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed (kunnen) zijn.

 

4. BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN

4.1. Toetsingskader

In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast.

Bij het opstellen van de omgevingsvergunning milieu moet rekening worden gehouden met de BBT-conclusies. De Europese Commissie stelt de BBT-conclusies op en maakt deze bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

BBT-conclusies is een document met de conclusies over beste beschikbare technieken, vastgesteld overeenkomstig artikel 13 lid 5 en 7 van de Richtlijn industriële emissies (Rie).

Het verschil tussen artikel 13 lid 5 en lid 7 van de Rie is:

  • BBT-conclusies overeenkomstig artikel 13 lid 5 heeft de Europese Commissie vastgesteld na 6 januari 2011. Dit op basis van artikel 75 lid 2 van de Rie.

  • BBT-conclusies overeenkomstig artikel 13 lid 7 is het hoofdstuk Best available techniques (BAT) uit de BREF's. De Europese commissie heeft deze BREF's vastgesteld vóór 6 januari 2011. Dit hoofdstuk geldt als BBT-conclusies totdat de Europese Commissie voor die activiteit nieuwe BBT-conclusies vaststelt.

Als op een activiteit of op een type productieproces binnen de inrichting waarvoor een vergunning is aangevraagd, geen BBT-conclusies of informatiedocumenten over BBT van toepassing zijn, of als de van toepassing zijnde BBT conclusies of informatiedocumenten niet alle mogelijke milieueffecten van de activiteit of het proces behandelen, moet het bevoegd gezag de BBT zelf vast stellen. Hierbij houdt het bevoegd gezag in ieder geval rekening met:

  • de toepassing van technieken die weinig afvalstoffen veroorzaken;

  • de toepassing van stoffen die minder gevaarlijk zijn dan stoffen of mengsels als omschreven in artikel 3 van de EG-verordening(nr. 1272/2008) indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels;

  • de ontwikkeling, waar mogelijk, van technieken voor de terugwinning en opnieuw gebruiken van de bij de processen in de inrichting uitgestoten en gebruikte stoffen en van afvalstoffen;

  • vergelijkbare processen, apparaten of wijzen van bedrijfsvoering die met succes in de praktijk zijn beproefd;

  • de vooruitgang van de techniek en de ontwikkeling van de wetenschappelijke kennis;

  • de aard, de effecten en de omvang van de betrokken emissies;

  • de data waarop de installaties in de inrichting in gebruik zijn of worden genomen;

  • de tijd die nodig is om een betere techniek toe te gaan passen;

  • het verbruik en de aard van de grondstoffen, met inbegrip van water en de energie-efficiëntie;

  • de noodzaak om het algemene effect van de emissies op en de risico’s voor het milieu te voorkomen of tot een minimum te beperken;

  • de noodzaak ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor het milieu te beperken.

De op één van deze criteria vastgestelde BBT moet een milieubeschermingsniveau garanderen dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau in de BBT-conclusies.

4.2. Concrete bepaling beste beschikbare technieken

Binnen de inrichting worden één of meer van de activiteiten uit bijlage 1 van de Rie uitgevoerd en wel de volgende:

· Categorie 5.1: installaties voor de verwijdering of nuttige toepassing van gevaarlijke afvalstoffen. Dit houdt in dat moet worden gewaarborgd dat alle passende maatregelen tegen verontreinigingen worden getroffen door toepassing van de BBT;

· Categorie 5.3: De verwijdering van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 50 ton per dag door middel van biologische behandeling en fysisch-chemische behandeling;

· Categorie 5.5: tijdelijke opslag van niet onder punt 5.4 vallende gevaarlijke afvalstoffen, in afwachting van een van de onder de punten 5.1, 5.2, 5.4 en 5.6 vermelde handelingen, met een totale capaciteit van meer dan 50 ton, met uitsluiting van tijdelijke opslag, voorafgaande aan inzameling, op de plaats van productie.

Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofactiviteit en aan andere relevante BBT-conclusies.

Op grond van artikel 9.2 van de Mor moet voor het bepalen van BBT binnen de inrichting aanvullend een toetsing plaatsvinden aan relevante aangewezen informatiedocumenten over BBT.

Uit jurisprudentie is gebleken dat het bevoegd gezag bij het toetsen aan BBT-conclusies moet nagaan of er ontwikkelingen van BBT hebben plaatsgevonden sinds het vaststellen van de BBT-conclusies. Bronnen voor ontwikkelingen ten aanzien van BBT zijn onder andere de concepten van herziene BREF’s.

Bij het bepalen van de BBT hebben we rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde BBT-conclusies:

  • -

    BREF Afvalbehandeling;

  • -

    BREF Op- en overslag bulkgoederen;

  • -

    BREF Energie efficiëntie;

  • -

    BREF Economie en Cross media-effecten, juli 2006.

Bij het bepalen van de BBT hebben wij rekening gehouden met de volgende informatiedocumenten over BBT, zoals aangewezen in de bijlage van de Mor:

  • -

    PGS 15: 2023: Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen;

  • -

    PGS 28: Opslag van vloeibare brandstoffen in ondergrondse tanks en afleverinstallaties.

  • -

    PGS 30: 2021: Vloeibare brandstoffen in bovengrondse tank- en afleverinstallaties, versie 1.0 augustus 2021; 

  • -

    NRB 2012: Nederlandse richtlijn bodembescherming, versie maart 2012;

  • -

    Overige in bijlage bij de Mor genoemde documenten;

Met betrekking tot de bepaling van BBT zijn de aspecten betrokken als genoemd in artikel 5.4, derde lid van het Bor. Hierover zijn de volgende bijzonderheden op te merken:

Afvalbehandeling.

Binnen de inrichting ontstaan afvalstoffen tijdens de bewerkingsprocessen. Deze afvalstoffen worden afgevoerd naar een erkende verwerker. Door scheiding en bewerking draagt de inrichting bij aan hergebruik van bouwstoffen, waardoor het gebruik van primaire bouwstoffen kan worden beperkt.

De bewerkingen worden uitgevoerd overeenkomstig het Landelijk Afvalbeheer Plan (2017-2029 incl. tweede wijziging).

Ontwikkeling van technieken voor de terugwinning en het opnieuw gebruiken van de bij de processen in de inrichting gebruikte stoffen en van afvalstoffen worden gevolgd en indien nodig toegepast.

De inrichting voldoet - met inachtneming van de aan dit besluit gehechte voorschriften - aan de BBT en de minimumstandaard van desbetreffende sectorplannen.

Binnen de inrichting vindt opslag van bulkgoederen plaats. Binnen de BREF opslag van bulkgoederen wordt hier nader invulling aangegeven.

Verder is de BREF afvalbehandeling van toepassing. In de beschrijving van de BBT-conclusies Afvalbehandeling die bij de aanvraag is ingediend, staat dat er verschillende managementsystemen aanwezig zijn. Om de kwaliteit te borgen, is het de volgende kwaliteits- en milieubeleid door de directie geformuleerd:

  • Kwaliteits- en milieubeleid dienen een geïntegreerd onderdeel te zijn van alle bedrijfsactiviteiten;

  • Het doelmatig beheersen van kwaliteits- en milieuaspecten van alle processen binnen de Van der Wiel bedrijven wordt gerealiseerd door middel van procedures, procesbeschrijvingen en werkinstructies uit de geïntegreerde kwaliteits- en milieuzorgsystemen waarbij steeds afstemming plaatsvindt met de eisen die met de opdrachtgever zijn overeengekomen;

  • Het handhaven van een geïntegreerd kwaliteits- en milieuzorgsysteem dat ten minste voldoet aan de voorwaarden van de internationale kwaliteitsnorm NEN-EN-ISO 9001, de VGM Checklist Aannemers (VGA**) en de internationale milieunorm NEN-EN-ISO 14001;

  • Het meten en registreren van procesindicatoren om op basis hiervan te werken aan een continue verbetering van bedrijfsprocessen.

  • Het continu verbeteren van de bedrijfsprocessen en de relevante kwaliteits- en milieuaspecten;

  • Binnen de Van der Wiel-bedrijven is een managementsysteem ingevoerd aan de hand van de huidige en relevante wet- en regelgeving aangaande kwaliteit, arbeidsomstandigheden en milieu, de stand der techniek, inspecties, audits, directiebeoordelingen, resultaten van gesprekken, resultaten van metingen en onderzoeken;

  • Het beschermen en bevorderen van de veiligheid, gezondheid en het welzijn van het personeel, inleenkrachten, onderaannemers, bezoekers en derden door instructie, voorlichting, overleg en/of opleiding;

  • Het verduurzamen van de bedrijfsprocessen en het zo reduceren van C02-uitstoot binnen de van de Van der Wiel-bedrijven.

Een adequaat geïntegreerd kwaliteits- en milieubeleid is noodzakelijk om waarborging te bieden van de productveiligheid voor mens, dier en milieu. Bovengenoemd beleid is vastgelegd in een milieubeleidsverklaring die ondertekend is door de directie en onderdeel is van de ISO 14001.

Voor het uitvoeren van de werkzaamheden en het begeleiden van de processen zijn binnen Van der Wiel meerdere certificeringen verleend. De processen en procedures zijn vastgelegd in kwaliteitshandboek en werkinstructies, handboek medewerker en RI&E. In het Milieubeheersysteem zijn de van toepassing zijnde certificeringen en protocollen opgenomen.

Wij hebben het BBT-document beoordeeld en missen een paar essentiële onderdelen in het milieumanagementsysteem, zoals beleid, bedrijfsprocessen en taken/verantwoordelijkheden. Wij hebben hiervoor vergunningsvoorschriften opgenomen met een bijlage waarin de aandachtspunten zijn benoemd.

Vooruitgang van de techniek en de ontwikkeling van de wetenschappelijke kennis

Binnen de afvalverwerkingsbranche is in belangrijke mate sprake van vernieuwingen, die zich kenmerken door een continue ontwikkeling van de nieuwe producten, methoden en machines. Om de toekomst zeker te stellen, is het van belang dat actief wordt ingespeeld op vernieuwing. Daartoe is het noodzakelijk dat proefnemingen met afvalstoffen, (reinigings)methoden en machines binnen de inrichting kunnen worden uitgevoerd. In deze vergunning zullen daarom ook proefnemingen worden toegestaan om vooruitgang van de techniek en ontwikkeling te bevorderen.

Op- en overslag

Om te kunnen controleren of aan de gestelde eisen wordt voldaan en om te kunnen rapporteren over de milieueffecten van de emissies van installaties, worden binnen de inrichting de volgende gegevens vastgelegd:

  • -

    Massabalans van afvalstoffen: voor alle in- en uitgaande afvalstoffen wordt jaarlijks een massabalans opgesteld, zodat inzicht wordt gegeven in het afvalverwerkingsproces;

  • -

    Onderhouds- en meetrapporten van technische installaties: de rapportages geven inzicht of installaties in goede staat worden gehouden;

  • -

    De opslag van stuifgevoelige stoffen moet bovendien voldoen aan de BBT;

  • -

    Bodemrapportages: nulsituatie- en eindonderzoek;

  • -

    Zeer zorgwekkende stoffen (minimalisatie verplichte stoffen) conform het Activiteitenbesluit;

  • -

    Elke vijf jaar moet inzicht worden gegeven in de verdergaande emissiereductie van ZZS binnen de inrichting.

Met behulp van monitoringsgegevens zijn de gevolgen voor emissies als gevolg van verwerking van afvalstoffen en onderhoud van installaties en mogelijke bodem- en grondwaterverontreiniging als gevolg van de activiteiten, inzichtelijk gemaakt. Van der Wiel voldoet de aan de BBT.

Energie-efficiency

Bij de aanschaf van nieuw materieel en/of nieuwe installaties wordt rekening gehouden met het energieverbruik. In deze vergunning zijn voorschriften opgenomen dat Van der Wiel alle energiebesparende maatregelen moet nemen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder.

Referentiedocumenten en noodzaak om het algemene effect van de emissies op en de risico's voor het milieu te voorkomen of tot een minimum te beperken

De inrichting voldoet - met inachtneming van de aan dit besluit gehechte voorschriften - aan de BBT ter voorkoming van emissies naar de lucht, de bodem, het water en geluidemissies.

Noodzaak ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor het milieu te beperken

Door preventieve beschermingsvoorzieningen (BBT maatregelen) zijn de gevolgen bij incidenten klein.

Ontstaan van afvalwater

De op de BREF van toepassing zijnde BBT op afvalwaterstromen worden verder behandeld in de het hoofdstuk ‘Overwegingen’.

4.3. Conclusies BBT

De inrichting voldoet - met inachtneming van de aan dit besluit gehechte voorschriften - aan BBT. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf.

In de vergunningaanvraag is op verschillende plaatsen onderbouwd of wordt voldaan aan de beste beschikbare technieken. De belangrijkste stukken in dit kader betreffen:

  • Bijlage 1. Rapport Akoestisch onderzoek,

  • Bijlage 11. Rapport BBT-Toets – BREF’s afval, bulkgoederen en energie en

  • Bijlage 13. Memo - Afvalverwerkingsbeleid en AO-IC.

Wij zijn van oordeel dat de ingediende gegevens voldoende informatie bevatten voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De toetsdocumenten waarin staat hoe invulling is gegeven aan de BBT, laten wij daarom onderdeel uitmaken van deze omgevingsvergunning.

5. AFVALSTOFFEN

5.1. Afvalstoffen algemeen

5.1.1 Preventie

Preventie van afval is een van de hoofddoelstellingen van het afvalstoffenbeleid. In deel B2 van het Landelijk Afvalbeheerplan 2017-2029, hierna aangeduid als het LAP, is het beleid uitgewerkt voor afvalpreventie. In Nederland is een separaat afvalpreventieprogramma vastgesteld. De uitwerking van preventie-activiteiten vindt voornamelijk plaats via het programma Van Afval Naar Grondstof (VANG) en is inmiddels voortgezet in de vorm van het Rijksbrede programma Circulaire Economie.

Op grond van artikel 5.4 (vaststelling van de beste beschikbare technieken) en artikel 5.7 van het Bor kan het bevoegd gezag voorschriften in omgevingsvergunningen opnemen om invulling te geven aan dit aspect.

In alle bedrijfsprocessen kunnen mogelijkheden bestaan om het ontstaan van afvalstoffen en het - directe of indirecte - gebruik van grondstoffen terug te dringen of de bestaande grondstoffen te vervangen door duurzame alternatieven. Zowel het beperken van de hoeveelheid afvalstoffen als het terugdringen van de hoeveelheid grondstoffen levert direct een financiële besparing op.

Uitgangspunt voor alle bedrijven is dat het ontstaan van afval moet worden voorkomen of beperkt.

Binnen de inrichting ontstaan bij uitoefening van de bedrijfsactiviteiten de volgende afvalstoffen:

  • -

    bedrijfsafval (restafval) en papierafval;

  • -

    KCA en afgewerkte olie (werkplaats).

De vrijkomende afvalstoffen binnen de inrichting worden in separate containers/kliko’s bewaard. De containers/kliko’s worden periodiek geleegd door daartoe erkende inzamelaars/verwerkers. KCA wordt 2 x per jaar afgevoerd naar erkende verwerkers.

Gezien de beperkte hoeveelheid deelstromen en hoeveelheid afvalstoffen die ontstaan, concluderen wij dat preventie niet relevant is. Wij hebben daarom in deze vergunning verder geen aandacht besteed aan de preventie van afvalstoffen.

5.1.2 Gescheiden houden van afvalstoffen

In artikel 2.12 van het Activiteitenbesluit zijn regels opgenomen over het scheiden van afvalstoffen. Daarin is onder andere bepaald dat het mengen van afvalstoffen die binnen de inrichting zijn ontstaan en geen gevaarlijke afvalstoffen zijn, gescheiden moeten worden opgeslagen en afgegeven indien dit op grond van LAP3 kan worden gevergd.

In deel B3 van LAP3 is het beleid uitgewerkt voor afvalscheiding, waarbij paragraaf B.3.4 specifiek ingaat op afvalscheiding door bedrijven. Voor bedrijfsafval is het niet goed mogelijk een limitatieve opsomming te maken van afvalstoffen die door alle bedrijven gescheiden moeten worden gehouden. Bedrijven verschillen van aard en omvang veel van elkaar en er bestaat een groot aantal bedrijfsspecifieke afvalstoffen. Uitgangspunt is dat bedrijven verplicht zijn alle afvalstoffen gescheiden te houden en gescheiden af te geven, tenzij dat redelijkerwijs niet van hen kan worden gevergd.

In paragraaf B.3.4.2 van LAP3 is aangegeven welke afvalstoffen altijd gescheiden van elkaar moeten worden opgeslagen en afgevoerd (tabel 7) en in welke situaties het redelijk is om afvalscheiding te verlangen (tabel 8). Bij tabel 8 kunnen uitzonderingen gelden voor kleine hoeveelheden of kleine ruimten.

Daarnaast zijn in deel F van bijlage 5 van het LAP3 en in bijlage 11 van de Activiteitenregeling verschillende categorieën van gevaarlijke en niet-gevaarlijke afvalstoffen vastgelegd die niet met elkaar, met andere afvalstoffen of met niet afvalstoffen mogen worden gemengd. Deze categorieën moeten dus gescheiden gehouden worden. Voor de overwegingen met betrekking tot het gescheiden houden/niet mengen van deze categorieën van afvalstoffen wordt verwezen naar de paragraaf ‘mengen’.

5.2. Opslaan van afvalstoffen op de plaats van productie

Als gevolg van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen wordt de opslag van afvalstoffen voorafgaand aan verwijdering gezien als storten, indien de tijdsduur van één jaar wordt overschreden. Indien de opslag voorafgaat aan nuttige toepassing van de afvalstoffen, is deze termijn drie jaar. In de vergunning is vastgelegd dat de termijn van opslag voorafgaand aan verwijdering maximaal één jaar is en de termijn van opslag voorafgaand aan nuttige toepassing maximaal drie jaar.

5.3. Mengen van afvalstoffen ontstaan binnen de inrichting

Voor het mengen van afvalstoffen ontstaan binnen de inrichting zijn de algemene regels uit het Activiteitenbesluit en de daarbij behorende regeling van toepassing. Afwijken van de in het Activiteitenbesluit opgenomen mengverboden kan alleen worden toestaan voor het mengen van niet-gevaarlijke afvalstoffen indien het gescheiden houden en gescheiden afgeven redelijkerwijs niet gevergd kan worden. Het beleid zoals opgenomen in de delen B3 (afvalscheiding) en B7 (mengen) van het LAP is hiervoor als toetsingskader gebruikt.

5.4. Conclusie

Gelet op het bovenstaande zijn wij van mening dat de aangevraagde activiteiten in overeenstemming zijn met het geldende afvalbeheersplan en daarmee bijdragen aan een doelmatig beheer van afvalstoffen.

5.5. Acceptatie en/of verwerking van afvalstoffen 

5.5.1 BBT conclusies afvalbehandeling

Op 10 augustus 2018 is het document met BBT-conclusies voor afvalbehandeling vastgesteld. Veel BBT-conclusies voor afvalbehandeling hebben betrekking op emissies naar water en lucht (stof en geur), alsmede op geluid en trillingen.

Voor zover een BBT-conclusie betrekking heeft op emissies naar de lucht, de bodem, het water, geluidemissies en/of trillingen, wordt voor de overwegingen verwezen naar de desbetreffende paragraaf.

Bij het bepalen van de BBT specifiek voor de acceptatie en/of verwerking van afvalstoffen, hebben we rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde BBT-conclusies voor afvalbehandeling:

Tabel 1 Installatie specifieke BBT-conclusies

Installatie

Van toepassing zijnde BBT-conclusies

Categorie 5.1, 5.3 en 5.5

Milieubeheerssysteem (MBS) BBT 1

Afval (BBT 2, 24 en 40)

Afvalwater (BBT 3, 5, 6, 7, 11 en 19 )

Lucht (BBT 3, 14 en 25)

Opslag (BBT 4)

Energie efficiëntie (BBT 7, 28)

De aangevraagde acceptatie en/of verwerking van afvalstoffen voldoet aan de hierboven genoemde BBT-conclusies. Voor de acceptatie van afvalstoffen is een Acceptatie- en verwerkingsbeleid opgesteld en ingevoerd. Ook beschikt Van der Wiel over een milieukwaliteitssysteem (zie omschrijving aanvraag) waarin de procedures voor de overbrenging van afval zijn vastgelegd.

5.5.2 Doelmatig beheer van afvalstoffen

Het beleid met betrekking tot afvalverwerking is gericht op het doelmatig beheer van afvalstoffen, zoals gedefinieerd in artikel 1.1 van de Wm. In dat kader houden wij rekening met het geldende afvalbeheersplan (het Landelijk Afvalbeheerplan 2017-2029, hierna aangeduid als het LAP), waaronder begrepen deel E (minimumstandaard per specifieke afvalstroom). De doelstellingen van het LAP geven invulling aan de prioriteitsvolgorde in de afvalhiërarchie zoals die in artikel 10.4 van de Wm is opgenomen:

  • a.

    preventie;

  • b.

    voorbereiding voor hergebruik;

  • c.

    recycling;

  • d.

    andere nuttige toepassing, waaronder energieterugwinning;

  • e.

    veilige verwijdering.

5.5.3 Sturingsvoorschriften

De minimumstandaard geeft de minimale hoogwaardigheid aan van de verwerking van een bepaalde afvalstof of categorie van afvalstoffen. Deze minimumstandaard is bedoeld om te voorkomen dat afvalstoffen laagwaardiger worden verwerkt dan wenselijk is. Als de minimumstandaard bestaat uit verschillende verwerkingshandelingen bij diverse inrichtingen kan voor de afzonderlijke verwerkingsstappen een vergunning worden verleend, mits de totale verwerking voldoet aan de minimumstandaard. In een aantal sectorplannen is vermeld dat het opnemen van sturingsvoorschriften dan noodzakelijk is.

5.6. Toetsing van de aangevraagde afvalactiviteiten

5.6.1 Uitsluitend opslaan van afvalstoffen

In het LAP is aangegeven dat voor het uitsluitend opslaan van afvalstoffen in beginsel een vergunning kan worden verleend. Drie afvalstromen worden hiervan uitgezonderd, te weten:

  • Afvalmunitie, vuurwerkafval en overig explosief afval;

  • Dierlijke bijproducten;

  • Brandbaar afval in afwachting van verwerking in een AVI.

Als gevolg van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen wordt de opslag van afvalstoffen voorafgaand aan verwijdering gezien als storten indien de tijdsduur van één jaar wordt overschreden. Indien de opslag voorafgaat aan nuttige toepassing van de afvalstoffen is deze termijn drie jaar. Het is niet de bedoeling om voor of na afloop van de genoemde termijnen afvalstoffen weer langdurig in opslag te nemen binnen een andere inrichting. Na benutting van deze termijnen moet het afval worden afgevoerd naar een verwerker.

Uit de aanvraag blijkt dat de volgende afvalstoffen binnen de inrichting worden opgeslagen:

Gebruikelijke benaming afvalstof

Eural-codes

Activiteit

Vorm- of gietzand

10.11.10

Op- en overslag

Bouw- en sloopafval bitumineuze mengsels

17.03.01* 17.03.02 17.03.03*

Op- en overslag

Verontreinigde grond

17.05.03* 17.05.04

Opslag, reinigen

Verontreinigde baggerspecie (vochtgehalte < 20%)

17.05.05* 17.05.06

Verontreinigde grond

17.05.03* 17.05.04

Opslag

Spoorwegballast

17.05.08

Sorteren, op- en overslag

Afval van mechanische afvalverwerking (Sorteerzeefzand)

19.12.09 19.12.11* 19.12.12

Op- en overslag, reinigen

Veegvuil/ kolkenslib

20.03.03 20.03.06

Opslag

Voor het opslaan van de hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend, omdat deze afvalstromen niet behoren tot de in het LAP genoemde uitzonderingen. In de vergunning is vastgelegd dat de termijn van opslag voorafgaand aan verwijdering maximaal één jaar is en de termijn van opslag voorafgaand aan nuttige toepassing maximaal drie jaar.

5.6.2 Uitsluitend overslaan

Uit het LAP blijkt dat het overslaan van afvalstoffen in principe altijd doelmatig is. Er kan vergunning verleend worden als:

  • binnen de inrichting benodigde milieuhygiënische voorzieningen aanwezig zijn;

  • er geen enkele verwerking van het afval geschiedt (uitgezonderd eventueel overladen zonder dat daarbij feitelijk wordt gemengd) én

  • de procedures voor de acceptatie, controle en administratie van de afvalstoffen toereikend zijn.

De vergunninghouder heeft gevraagd om de volgende afvalstoffen over te slaan:

Gebruikelijke benaming afvalstof

Eural-codes

Activiteit

Vorm- of gietzand

10.11.10

Op- en overslag

Bouw- en sloopafval bitumineuze mengsels

17.03.01* 17.03.02 17.03.03*

Op- en overslag

Het overslaan van deze afvalstoffen vindt plaats met een uitgebreide acceptatie-/ registratieprocedure.

5.6.3 Mengen niet gevaarlijke afvalstoffen

Onder bepaalde condities kunnen verschillende afvalstromen echter net zo goed of soms zelfs beter gezamenlijk worden verwerkt. Het samenvoegen van qua aard, samenstelling en concentraties niet met elkaar vergelijkbare (verschillende) afvalstoffen alsmede het samenvoegen van afvalstoffen en niet-afvalstoffen wordt mengen genoemd.

Mengen is niet toegestaan tenzij dat expliciet en gespecificeerd is aangevraagd en vastgelegd in de vergunning.

In artikel 2.12, derde lid van het Activiteitenbesluit is een mengverbod opgenomen voor van buiten de inrichting afkomstige niet gevaarlijke afvalstoffen, met andere categorieën van afvalstoffen (bijlage 11 Activiteitenregeling).

5.6.4 Mengen van gevaarlijke afvalstoffen

Op grond van artikel 10.54a, eerste lid van de Wet milieubeheer is het verboden gevaarlijke afvalstoffen te mengen, met andere bij ministeriële regeling aangewezen categorieën gevaarlijke afvalstoffen of met andere bij ministeriële regeling aangewezen afvalstoffen, stoffen of materialen. In bijlage 11 van de Activiteitenregeling zijn de bedoelde categorieën gevaarlijke afvalstoffen zoals bedoeld in artikel 10.54a Wet milieubeheer aangewezen.

In de aanvraag wordt verzocht om in afwijking van artikel 10.54a, eerste lid van de Wet milieubeheer de volgende gevaarlijke afvalstoffen te mogen mengen:

Het opbulken/mengen van partijen met asbest en andere chemische verontreinigingen verontreinigde grond voor, tijdens of na bewerking. Het mengen is alleen toegestaan als de te mengen partijen een vergelijkbare verontreiniging met asbest (in vorm, hoeveelheid en kwalificatie) bevatten, ten aanzien van de overige parameters binnen dezelfde categorie vallen volgens het Besluit bodemkwaliteit en de partij die ontstaat na het mengen ook binnen dezelfde categorie valt als de oorspronkelijke partijen. De kwaliteit van de afzonderlijke partijen verontreinigde grond moet bepaald worden voorafgaand aan het mengen zoals beschreven SIKB 7500 en het protocol 7510 (reiniging) en BRL 9335-1- versie 4.1, 2 november 2021(afzet).

In de vergunning hebben wij voorschriften opgenomen met betrekking tot het mengen van afvalstoffen ten behoeve van de reiniging en immobilisatie van verontreinigde grond.

Het mengen van de afvalstoffen vormt geen belemmering voor het verwerken van de betreffende afvalstoffen volgens de minimumstandaard of een techniek die ten minste even hoogwaardig is als de minimumstandaard. De vergunning kan hiervoor worden verleend.

5.6.5 Verwerking: afvalstro(o)m(en) waarvoor in deel E van het LAP een sectorplan is opgenomen

Voor de onderhavige aanvraag zijn de volgende sectorplannen uit deel E van het LAP van toepassing:

  • Sectorplan 3. Procesafhankelijk industrieel afval van productieprocessen

  • Sectorplan 8. Gescheiden ingezameld/ afgegeven groenafval (grof)

  • Sectorplan 9. Afval van onderhoud van openbare ruimte

  • Sectorplan 28. Gemengd bouw- en sloopafval en vergelijkbaar

  • Sectorplan 29. (Overig) steenachtig materiaal

  • Sectorplan 30. Zeefzand

  • Sectorplan 34. Asfalt

  • Sectorplan 39. Grond.

Procesafhankelijk industrieel afval (sectorplan 3)

Procesafhankelijk industrieel afval van productieprocessen betreft zowel gevaarlijke als niet gevaarlijke afvalstoffen die vrijkomen bij industriële productieprocessen. De afvalstoffen zijn divers van samenstelling en omvang. Het gaat bij dit sectorplan om afvalstoffen die ontstaan in het productie- of verwerkingsproces.

Onder procesafhankelijk industrieel afval vallen ook partijen verpakt productieafval die in het afvalstadium zijn geraakt, mischarges en ‘over-de-datum’ producten die de beoogde afnemer nog niet hebben bereikt.

Uit de aanvraag blijkt dat binnen Van der Wiel alleen de afvalstoffen die vrijkomen bij industriële productieprocessen worden verwerkt. In de aanvraag zijn voor procesafhankelijk industrieel afval de volgende verwerkingsmethodes beschreven:

  • -

    sorteer- of zeefinstallatie;

  • -

    houtfractie in de shredder (alleen A-hout);

  • -

    steenfractie in de puinbreker;

  • -

    vorm- en gietzand uit de thermische industrie;

  • -

    mengpartijen grond en puin;

  • -

    afval van mechanische afvalverwerking, zoals sorteerzeefzand. 

Het beleid voor procesafhankelijk industrieel afval van productieprocessen is gericht op recycling.

De minimumstandaard voor procesafhankelijk industrieel afval van productieprocessen is recycling.

Niet voor recycling geschikt procesafhankelijk industrieel afval van productieprocessen

Dit betreft procesafhankelijk industrieel afval waarvoor recycling, gezien de aard of samenstelling, technisch niet mogelijk is of waarvoor de recyclingroute zo duur is dat de kosten voor afgifte van deze partijen aan de poort van de verwerker door de ontdoener, meer zouden bedragen dan € 205,-/ton.

Hiervoor is de minimumstandaard:

  • -

    verbranden als vorm van verwijdering voor afvalstoffen die niet gestort mogen worden volgens het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen, of

  • -

    storten op een daarvoor geschikte stortplaats voor afvalstoffen die gestort mogen worden volgens het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen.

De in de vergunningaanvraag beschreven verwerkingsmethode voor procesafhankelijk industrieel afval voldoet aan de minimumstandaard.

In het sectorplan is aangegeven dat voor de sectorplannen 3 en 28 in de vergunning een sturingsvoorschrift moet worden opgenomen. In deze vergunning is dan ook een voorschrift opgenomen om te bewerkstelligen dat procesafhankelijk industrieel afval van productieprocessen uitsluitend voor recycling aangeboden mag worden.

Gescheiden ingezameld/afgegeven groenafval (grof) (sectorplan 8)

In de aanvraag is aangegeven dat gescheiden ingezameld of afgegeven groenafval (grof) wordt geaccepteerd. Dit betreft zowel aan de bron gescheiden gehouden (grof) groenafval als gescheiden afgegeven groenafval. Het gaat daarbij om

  • -

    Groenafval dat vrijkomt bij aanleg en onderhoud van openbaar groen, bos- en natuurterreinen, terreinen van instellingen, hoveniers en andere bedrijven;

  • -

    Maaisel van bermen en slootranden;

  • -

    Grof tuinafval van bedrijven en huishoudens.

In de aanvraag is alleen schoon rondhout (bomen) aangevraagd voor bewerking (shredderen). Groenafval dat vrijkomt bij aanleg, sloop en/of saneringswerken is niet opgenomen in de tabel waarin de te accepteren stoffen zijn opgenomen (tabel 2 van het Acceptatie- en Verwerkingsbeleid).

Maaisel van bermen en slootranden en grof tuinafval van bedrijven en huishoudens mag niet geaccepteerd worden. Deze afvalstroom is geurrelevant en in de procesbeschrijving is geen rekening gehouden met het aspect geur afkomstig van compostering of opslag van groenafval.

Afval van onderhoud van openbare ruimte (sectorplan 9)

In de aanvraag is aangegeven dat veegvuil en riool-, kolken- en gemalenslib (RKG-slib) wordt verwerkt.

  • -

    Afval dat vrijkomt bij het door gemeenten of reinigingsdiensten handmatig of machinaal vegen van openbare straten, terreinen en overige openbare ruimten.

  • -

    RKG-slib; afval dat vrijkomt bij het leegzuigen van openbare rioleringsstelsels en centrale opvangputten van rioleringsstelsels langs wegen (kolken) en bij het leegzuigen van pompkelders in tunnels. Het betreft slib afkomstig van gemalen en zand afkomstig van de zandvangers van regionale rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’s). Hieronder valt ook slib dat vrijkomt bij het reinigen van deklagen van Zeer Open Asfalt Beton (ZOAB).

De grondachtige partij wordt vervolgens gekeurd volgens het Besluit bodemkwaliteit en in opslag genomen als bouwstof (grond). Indien het materiaal niet voldoet, vindt er verdere bewerking plaats door middel van omzetten van de partij of de partij wordt afgevoerd naar een derde, zoals een extractieve reiniger. Middels biologische afbraak c.q. wassing (extern) kunnen de gehalten van de

verontreinigingen weer voldoen aan de eisen van het Besluit bodemkwaliteit

Het beleid voor veegvuil en RKG-slib is neergelegd in sectorplan 9 (Afval van openbare ruimten) en is gericht op nuttige toepassing als grond van de inerte fractie. Nuttige toepassing van de restfractie verdient de voorkeur, maar is vanwege de heterogeniteit van deze stroom niet altijd mogelijk. Om die reden is de minimumstandaard 'verbranden als vorm van verwijdering'. Bij verbranden van de restfractie in een AVI leidt de rookgasreiniging tot een minimale hoeveelheid reststoffen die wordt gestort. De overige reststoffen van verbranding worden nuttig toegepast. Bovendien wordt bij het verbranden energie gewonnen.

De minimumstandaard voor veegvuil (dat voldoet aan de maximale waarden voor kwaliteitsklasse industrie als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit) is afscheiden van de inerte fractie en vervolgens:

  • o

    verwerking conform de minimumstandaard van sectorplan 39 “grond”;

  • o

    de restfractie die overblijft na afscheiden van de inerte fractie moet worden verwijderd door verbranden. Verwerkingsvormen waarbij deelstromen of residuen worden gestort, zijn niet toegestaan.

De minimumstandaard voor het overige veegvuil van machinaal vegen van overige openbare ruimten en RKG-slib, is verwerking conform de minimumstandaard van sectorplan 39 “grond”.

De in de vergunningaanvraag beschreven verwerkingsmethode voor veegvuil en RKG-slib voldoet aan de minimumstandaard.

Gemengd bouw- en sloopafval en vergelijkbaar (sectorplan 28)

Gemengd bouw- en sloopafval: dit betreft gemengd bouw- en sloopafval aangeboden door bedrijven uit de bouw- en sloopsector, in samenstelling daarmee vergelijkbaar afval van bedrijven en particulier

gemengd verbouwingsafval (zijnde huishoudelijk restafval zoals dat ongescheiden vrijkomt

bij bouwen, slopen of verbouwen door particuliere huishoudens).

Gemengde fracties: dit betreffen fracties die overblijven na sorteren of anderszins verwerken van bouw- en sloopafval, daarmee in samenstelling vergelijkbaar afval van bedrijven en particulier gemengd verbouwingsafval en mengsels van componenten als genoemd in artikel 4.1 van de Regeling Bouwbesluit 2012 die van de bouw- of slooplocatie als mengsel zijn afgevoerd met het oog op nascheiding.

Bouw- en sloopafval is volgens de aanvraag over het algemeen niet verdacht op het voorkomen van ZZS-gehaltes hoger dan de concentratiewaarde (0,1%, tenzij anders aangegeven). In de aanvraag gaat men niet uitputtend in op het voorkomen of analyseren van ZZS in het gemengde bouw- en sloopafval. De restfractie van bouw- en sloopafval wordt afgevoerd naar een verbrandingsinstallatie.

Het beleid voor bouw- en sloopafval is neergelegd in sectorplan 28.

Het uitgangspunt van het beleid is dat het gemengd bouw- en sloopafval gesorteerd wordt of anderszins verwerkt om zoveel mogelijk monostromen af te scheiden die geschikt zijn voor recycling. De minimumstandaard noemt de stromen die minimaal moeten worden afgescheiden. Verwerking van deze stromen moet vervolgens gebeuren volgens de minimumstandaarden die horen bij deze monostromen.

Voor de steenfractie is dat sectorplan 29.

Voor de houtfractie is dat sectorplan 36.

De minimumstandaard voor het sorteerresidu van gemengd bouw- en sloopafval en gemengde fracties, is verbranden als vorm van verwijdering. Dit geldt ook voor de gemengde fracties die niet geschikt zijn om te sorteren dan wel anderszins zijn te werken. Dit betreft gemengde fracties waarvoor sortering of verwerking gezien de aard en/of samenstelling niet mogelijk is, of waarvoor verwerking zo duur is dat de kosten voor afgifte door de producent/ontdoener meer zouden bedragen dan € 205,-/ton.

Om te borgen dat de verdere verwerking van gemengd bouw- en sloopafval volgens de geldende minimumstandaard kan plaatsvinden, zijn in deze vergunning voorschriften opgenomen met betrekking tot sorteren of anderszins verwerken om zoveel mogelijk monostromen af te scheiden die geschikt zijn voor recycling.

(Overig)Steenachtig materiaal (Sectorplan 29)

Onder dit sectorplan vallen de volgende afvalstoffen:

  • -

    steenachtig materiaal: hieronder valt in hoofdzaak beton- en metselwerk, tegels, dakpannen, niet met teer of bitumen verkleefd dakgrind, stenen, steengruis, etc. wat ontstaat bij het bouwen, renoveren en slopen van gebouwen, bouwwerken en wegen (met uitzondering van asfalt). Ook vallen vormgegeven bouwstoffen/ immobilisaten hieronder waarin in het verleden specifieke zeer zorgwekkende stoffen zijn verwerkt die op basis van huidige internationale wetgeving of de in het LAP opgenomen beleidslijn ZZS niet nuttig mogen worden toegepast (zie beleidskader hoofdstuk B.14 Zeer zorgwekkende stoffen);

  • -

    steenachtige fracties: ontstaan bij scheidings- en sorteringsactiviteiten van gemengde afvalstoffen;

  • -

    ballastgrind: gebruikt tussen spoorrails om de dwarsliggers op hun plek te houden;

  • -

    steenachtig productieafval: bijvoorbeeld uit de betonproductie en de keramische industrie.

Binnen de inrichting wordt alleen PAK-arm steenachtig materiaal voor verwerking (breken) geaccepteerd. In de aanvraag is beschreven dat bij acceptatie van schoon puin minimaal een PAK-analyse is vereist.

De minimumstandaard voor PAK-arm steenachtig materiaal (gehalte aan PAK10 ≤ 50 mg/kg droge stof) is recycling, met inachtneming van:

  • -

    het algemene beleid voor het vergunnen van menghandelingen (hoofdstuk D.4 beleidskader) en in het bijzonder mengen t.b.v. de productie van een bouwstof (§ D.4.4.5 beleidskader).

  • -

    de voorwaarden voor gebruik in ‘noodzakelijke voorzieningen op stortplaatsen’ (hoofdstuk B.12,

§ B.12.9.2 beleidskader). De grenswaarde voor PAK10 mag niet door mengen van partijen worden bereikt.

Het te accepteren van met name steenachtig materiaal vrijkomend bij sloop van gebouwen, wordt binnen de inrichting gebroken en ingekeurd conform het BBK. Onder procescertificaat wordt het gebroken product hergebruikt als niet-vormgegeven bouwstof in werken.

De in de aanvraag beschreven bewerking van PAK-arm steenachtig materiaal voldoet aan de minimumstandaard.

Om te borgen dat de verdere verwerking van (overig) steenachtig materiaal volgens de geldende minimumstandaard kan plaatsvinden, zijn in deze vergunning voorschriften opgenomen dat PAK-arm asfalt niet door mengen van partijen mag worden bereikt. Verder zijn extra voorschriften opgenomen ten aanzien van registratie op mogelijke aanwezigheid van ZZS.

Zeefzand (Sectorplan 30)

Zeefzand dat ontstaat bij het afzeven van het fijne materiaal in sorteerinstallaties waarin hoofdzakelijk, maar niet uitsluitend, gemengd bouw- en sloopafval wordt verwerkt. In zeefzand kunnen ZZS voorkomen in gehaltes hoger dan de concentratiegrenswaarde (0,1%, tenzij anders aangegeven in onderstaande tabel). In sorteerzeefzand kunnen met name PAK’s voorkomen. Zeefzand is onder te verdelen in:

  • -

    Sorteerzeefzand

  • -

    Voorzeefzand

  • -

    Brekerszeefzand.

Voor het verdere sectorplan wordt voor al bovenstaande zeefzand de term ‘zeefzand’ gebruikt. Voor de beschrijving van minimumstandaard wordt tussen deze verschillende soorten geen onderscheid gemaakt.

In het AC/AV-beleid van Van der Wiel vallend onder de vergunning is de maximale acceptatiewaarde opgenomen voor PAK(10). Voor het verwerken en bewerken van PAK bij fysische reiniging mag er een totaalwaarde in zitten van 800 mg/kg ds. Dit is onder de CGW voor PAK van 0,1% (1.000 mg/kg).

De in de aanvraag beschreven bewerking van PAK-arm steenachtig materiaal voldoet aan de minimumstandaard.

Om te borgen dat de verdere verwerking van zeefzand volgens de geldende minimumstandaard kan plaatsvinden, zijn in deze vergunning voorschriften opgenomen dat PAK-arm asfalt niet door mengen van partijen mag worden bereikt. Verder zijn extra voorschriften opgenomen ten aanzien van registratie op mogelijke aanwezigheid van ZZS.

Asfalt (Sectorplan 34)

Dit sectorplan gaat over asfalt dat vrijkomt bij (herstel-) werkzaamheden aan wegen en onderlagen van wegen. Van der Wiel accepteert alleen PAK-arm asfalt (PAK10 < 75 mg/kg ds). PAK-rijk asfalt (PAK10 ≥ 75 mg/kg ds) wordt niet geaccepteerd binnen de inrichting.

Per situatie moet worden beoordeeld of (incidentele) aanwezigheid van deze stoffen te verwachten is. Bij het verlenen van vergunningen voor afvalverwerking wordt daarom van geval tot geval afgewogen of opnemen van specifieke vergunningvoorschriften noodzakelijk is.

Om te borgen dat de verdere verwerking van (overig) steenachtig materiaal volgens de geldende minimumstandaard kan plaatsvinden, zijn in deze vergunning voorschriften opgenomen dat PAK-arm asfalt niet door mengen van partijen mag worden bereikt. Verder zijn extra voorschriften opgenomen ten aanzien van registratie op mogelijke aanwezigheid van ZZS.

De in de aanvraag beschreven acceptatie- en be-/verwerkingsmethoden voldoen aan de minimumstandaard en aan de afvalhiërarchie voor verwerking.

Grond (Sectorplan 39)

Grond komt vrij bij het ontgraven van bodem bij bodemsanering en grondverzet, bij activiteiten als de aanleg van infrastructurele werken en herinrichting en onderhoud van gebieden. Grond kan verontreinigd zijn met diverse stoffen als bijvoorbeeld (zware) metalen, PAK, dioxines, minerale olie, PCB’s en overige POP’s (persistente organische verontreinigende stoffen), kwik of asbest. Dit sectorplan ziet toe op al deze verontreinigingen in de grond, behalve kwik.

Het Besluit bodemkwaliteit definieert grond als: vast materiaal, bestaande uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature wordt aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter, met uitzondering van baggerspecie. Voor de reikwijdte van dit sectorplan worden partijen grond met ten hoogste 50% bodemvreemd materiaal onder dit plan begrepen. Bij meer dan 50% bodemvreemd materiaal is dit sectorplan niet van toepassing.

Grond wordt als asbesthoudend aangemerkt als de concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met tien maal de concentratie amfiboolasbest, bepaald overeenkomstig een in de Productenregeling asbest vastgestelde methode, hoger is dan 100 mg/kg droge stof. In aanvulling hierop wordt grond waaraan opzettelijk asbesthoudende (afval)stoffen zijn toegevoegd in het kader van dit sectorplan gelijkgesteld aan asbesthoudende grond, ook als concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met tien maal de concentratie amfiboolasbest, bepaald overeenkomstig een in de Productenregeling asbest vastgestelde methode, kleiner is dan of gelijk is aan 100 mg/kg droge stof.

Bij van der Wiel wordt grond binnen de inrichting geaccepteerd voor tijdelijke opslag, biologische en/of fysische reiniging of immobilisatieproces. In het AC/AV-beleid binnen de inrichting zijn maximaal te accepteren gehalten bepaald. In het A&V-beleid tabel 1 zijn deze gehalten weergegeven.

De gehalten aanwezig in deze gronden worden getoetst aan de maximaal te accepteren gehalten binnen de inrichting. In het overgrote deel wordt grond geaccepteerd die biologisch gereinigd kan worden. Na bewerking wordt de grond hergebruikt conform BBK in een werk. De maximaal te accepteren gehalten liggen onder het CGW-gehalte voor deze stoffen. Bij gronden die voor fysische reiniging of immobilisatie in aanmerking komen, kan het voorkomen dat metalen boven de CGW in individuele partijen enkel boven het CGW-gehalte voorkomen. Uitzondering hierop zijn de stoffen Benzeen en Asbest. Indien deze stoffen geaccepteerd worden in een partij boven de CGW-waarde (0,01% g/g), moet er een techniek worden toegepast waardoor er geen stof en/of afvalwateremissie kan ontstaan boven de CGW-waarde.

Om te borgen dat de verdere verwerking van grond volgens de geldende minimumstandaard kan plaatsvinden, zijn in deze vergunning extra voorschriften opgenomen voor Benzeen- en asbesthoudende grond.

5.7. A&V-beleid en AO/IC

Het bevoegd gezag kan in deze situatie nadere voorwaarden stellen aan de capaciteit, duur en voorzieningen van/voor de overslag. Het acceptatie- en verwerkingsbeleid (A&V-beleid) en de administratieve organisatie en interne controle (AO/IC) spelen een rol bij het veilig stellen van een effectief en efficiënt beheer van afvalstoffen, respectievelijk het mogelijk maken van effectief toezicht op het afvalbeheer.

Om de risico’s van het verwerkingsproces te beheersen, moet een bedrijf dat zich met afvalbeheer bezighoudt beschrijven welke afvalstoffen worden geaccepteerd en waar nodig, welke afvalstoffen juist niet worden geaccepteerd (acceptatiebeleid) en welke afvalstoffen op welke manier binnen het bedrijf worden verwerkt (verwerkingsbeleid). Daarnaast moeten door technische, administratieve en organisatorische maatregelen de relevante processen binnen een bedrijf beheerst worden. Op deze wijze worden de milieuhygiënische en informatietechnische risico’s binnen de bedrijfsvoering geminimaliseerd. De omvang en de inhoud van de AO/IC is afhankelijk van de aard van de risico’s van het betreffende bedrijfsproces. De onderdelen die minimaal in het A&V-beleid en AO/IC moeten zijn beschreven, zijn vastgelegd in het LAP.

De minimale elementen voor het A&V-beleid en AO/IC vormen een kader en bevatten criteria op hoofdlijnen, waaraan de aanvraag inhoudelijk wordt getoetst.

Bedrijven moeten in het A&V-beleid ook uitwerken of en zo ja, welke afvalstoffen geaccepteerd worden die zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) kunnen bevatten. In het A&V-beleid moet worden uitgewerkt op welke wijze wordt beoordeeld of ZZS kunnen voorkomen in de afvalstoffen die geaccepteerd worden. Indien ZZS kunnen voorkomen, moet beschreven worden hoe de betreffende afvalstoffen worden verwerkt en hoe gewaarborgd is dat onaanvaardbare risico’s voor blootstelling van mens en milieu veroorzaakt door ZZS, worden voorkomen.

Bij de aanvraag is een beschrijving van het A&V-beleid en de AO/IC gevoegd. Daarin is per afvalstof aangegeven op welke wijze acceptatie en verwerking plaats zullen vinden. Hierbij is rekening gehouden met de specifieke bedrijfssituatie. Het beschreven A&V-beleid en de AO/IC voldoen niet geheel aan de minimale onderdelen zoals die in het LAP zijn beschreven. Op basis van het gestelde in de aanvraag en het opnemen van extra voorschriften kunnen wij met dit A&V-beleid en de AO/IC instemmen.

5.7.1 Wijzigingen in het A&V-beleid en/of de AO/IC

Wijzigingen in het A&V-beleid en/of de AO/IC moeten schriftelijk aan ons worden voorgelegd. Als bevoegd gezag zullen wij vervolgens bezien welke procedure in relatie tot de aard van de wijziging is vereist.

5.8. Registratie

De aanvrager verkrijgt met deze vergunning de mogelijkheid om afvalstoffen van buiten de inrichting te ontvangen. Op grond van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen moet de inrichting de ontvangst van afvalstoffen gedeeltelijk melden. Voor een effectieve handhaving van het afvalbeheer is het van belang om naast de meldingsverplichtingen tevens registratieverplichtingen op te nemen (artikel 5.8 van het Bor). In deze vergunning zijn dan ook voorschriften voor de registratie van o.a. de aangevoerde, de afgevoerde en de geweigerde (afval-)stoffen opgenomen.

5.9. Conclusie

Gelet op het bovenstaande zijn wij van mening dat de aangevraagde activiteiten in overeenstemming zijn met het geldende afvalbeheersplan en daarmee bijdragen aan een doelmatig beheer van afvalstoffen.

 

6. ZEER ZORGWEKKENDE STOFFEN (ZZS) IN AFVALSTOFFEN

6.1. Zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) in afvalstoffen

In het kader van ZZS dient er onderscheid gemaakt te worden tussen het stoffenbeleid enerzijds en het afvalstoffenbeleid anderzijds.

Het stoffenbeleid is Europees geregeld en is neergelegd in verordeningen als de REACH-verordening (hierna te noemen: REACH) en de POP-verordening (hierna te noemen: POP). Deze regelgeving is gericht op het voorkomen dan wel verwijderen van de ZZS uit de economie. De regels uit REACH en POP gelden rechtstreeks en inrichtingen (Toezichthouders ECHA en ILT) dienen derhalve zelf zorg te dragen voor de naleving ervan. Nationaal gezien geldt voor emissies van ZZS een minimalisatieverplichting. Voor emissies van ZZS naar de lucht gelden de regels uit afdeling 2.3 van het activiteitenbesluit of de vastgestelde BBT-conclusies en voor emissies van ZZS naar het water gelden de restricties van de Waterwet.

Daarnaast is er het nationale afvalstoffenbeleid, dat gericht is op een circulaire economie, waarin het uitgangspunt is dat materiaal zo lang mogelijk in de economie kan blijven, doch rekening houdend met de bescherming van de gezondheid van mens en milieu. Dit betekent dat de aanwezigheid van ZZS in een afvalstof van invloed is op mogelijkheid van nuttige toepassing.

Het nationale beleid ten aanzien van ZZS-houdende afvalstoffen is neergelegd in met name hoofdstuk B.14 van het LAP3. Daarnaast zijn voor specifieke menghandelingen met ZZS-houdende afvalstoffen regels opgenomen in hoofdstuk D.4 van LAP3.

De juridische basis voor een beoordeling van verwerking van afval met ZZS is artikel 2.14, lid 1b van de Wabo. Hierin staat dat bij het verlenen van omgevingsvergunningen, onderdeel milieu, rekening gehouden moet worden met artikel 10.14 van de Wm en dus met het LAP. Deze verplichting betreft niet alleen de omgevingsvergunningen voor afvalbeheerinrichtingen, maar ook de vergunningen voor bedrijven waar afval vrijkomt.

Ter verduidelijking zal worden ingegaan op de relevante aspecten en toetsingskaders in het kader van ZZS-houdende afvalstoffen. Het beleid van LAP3 zoals neergelegd in B.14 en D.4 is uitvoerig van aard en derhalve bevat onderstaande tekst slechts een weergave op hoofdlijnen van het wettelijke kader en het beleid van LAP3 aangaande ZZS.

6.1.1 REACH-Verordening (REACH)

De REACH-Verordening heeft onder andere tot doel een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mens en milieu te waarborgen en tegelijkertijd het concurrentievermogen en de innovatie te vergroten. REACH verbiedt kort gezegd dat bepaalde ZZS in de handel worden gebracht (tenzij dat onder de voorwaarden van REACH gebeurt) of dat bepaalde ZZS als zodanig of in mengsels of voorwerpen worden gebruikt. REACH maakt daarbij onderscheid tussen stoffen die op de autorisatielijst staan (zij mogen alleen worden gebruikt als daarvoor autorisatie is verkregen) en stoffen die op de restrictielijst staan (zij mogen alleen worden verwerkt onder bepaalde restricties).

6.1.2 POP-verordening (POP)

De POP-verordening ziet op het voorkomen van vrijkomen van persistente organische verontreinigende stoffen (POPs). De verordening wil dit bereiken door het stellen van grenswaarden van POPs in producten. Daarnaast regelt POP een veilige verwerking van POP-houdende afvalstoffen. Het betreft dan afvalstoffen die POPs bevatten boven een in de POP-verordening genoemde grenswaarde. De bepalingen in de POP-verordening zijn rechtstreeks werkend.

Op grond van artikel 7 van de POP-verordening dienen producenten en houders van afval alle redelijke inspanningen te verrichten om, waar mogelijk, verontreiniging van dit afval met de in bijlage IX van de verordening opgenomen stoffen te voorkomen.

Het beleidskader van LAP3 en de sectorplannen van LAP3 vormen onder andere een uitwerking van deze regelgeving.

6.1.3 Verwerking van afvalstoffen met ZZS

Het algemene nationale beleid ten aanzien van verwerking van afvalstoffen met ZZS ten behoeve van nuttige toepassing, is neergelegd in hoofdstuk B.14 van LAP3.

Voor de verwerking van afvalstoffen met ZZS geldt in de eerste plaats dat de verwerking in relatie tot de beoogde toepassing niet in strijd mag zijn met de bepalingen van de REACH- en POP-verordening. Er dient in geval van een aangevraagde of vergunde verwerking of nuttige toepassing daarom eerst gekeken te worden of de ZZS in de afvalstoffen onder REACH en POP zijn geregeld. Als dat het geval is dan is de verwerking tot de beoogde toepassing alleen toegestaan indien dat niet in strijd is met REACH of POP. Voor het toepassen van nationaal beleid (LAP3) is dan geen ruimte.

Toepassing van het nationale LAP3-beleid bij het verwerken van afval tot de beoogde toepassing is pas aan de orde in een aantal gevallen, te weten:

  • -

    De ZZS is niet geregeld onder REACH of POP

  • -

    De ZZS staat op de kandidaatslijst van REACH

  • -

    De ZZS-houdende afvalstof wordt toegepast op een manier waarop de restricties van REACH niet toezien

  • -

    De ZZS staat wel op de autorisatielijst, maar de verwerking is gericht op het maken van voorwerpen

Indien een inrichting een verwerking gericht op nuttige toepassing verricht die valt onder één van de vier bovengenoemde gevallen, dan is de verwerking niet zonder meer toegestaan. In dat geval zal mogelijk een risicoanalyse moeten uitwijzen of de beoogde verwerking is toegestaan.

6.1.4 Risicoanalyse (Ra)

Hoofdstuk B.14 van het derde Landelijk Afvalbeheerplan (LAP3) besteedt aandacht aan zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) in afvalstoffen en de (on)mogelijkheden die dat biedt voor het nuttige toepassen van afvalstoffen, voor typering van reststoffen als bijproduct of voor het typeren van teruggewonnen materialen of voorwerpen als einde-afvalstof. Als een bedrijf een ZZS-houdende afvalstof wil verwerken t.b.v. nuttige toepassing, of als een houder van een ZZS-houdend materiaal van mening is dat het geen afvalstof betreft, zal dit bedrijf of deze houder aan moeten tonen dat er geen onaanvaardbare risico’s verbonden zijn aan de beoogde inzet van dat materiaal. Hiertoe moet een risicoanalyse worden opgesteld (paragraaf B.14.4.3. van het LAP).

In de beleidskern van paragraaf B.14.6 van LAP3 is opgenomen in welke gevallen een risicobeoordeling moet worden gemaakt. Ook staat er aan welke eisen deze moet voldoen en dat de vergunning niet verleend kan worden als het bevoegd gezag niet overtuigd is dat sprake is van aanvaardbare risico’s.

Op dit moment wordt bezien welke wettelijke aanpassingen nodig zijn om het beleid ten aanzien van een risicobeoordeling van afvalstoffen op ZZS verdergaand juridisch te verankeren, ook bij bedrijven die meldingsplichtig zijn.

De Handreiking Risicoanalyse ZZS in afvalstoffen als achtergronddocument bij het LAP3 hoofdstuk B.14, strekt tot nadere uitwerking van de aspecten die in een dergelijke risicoanalyse moeten worden betrokken. De handreiking is zowel bedoeld voor bedrijven die afvalstoffen met ZZS (willen) verwerken, als voor het bevoegd gezag om de beoogde verwerking te beoordelen. Deze risicoanalyse is nodig als ZZS in afvalstoffen voorkomen boven een in het LAP genoemde concentratiegrenswaarde (CGW) en noch de betreffende minimumstandaard uit het LAP, noch de Europese stoffenwetgeving op de beoogde toepassing of verwerking van (afval met) de ZZS toeziet.

Opgemerkt zij dat niet voor elk moment in de afvalverwerkingsketen geldt dat een Ra aan de orde is. Pas als sprake is van een mechanische, fysische en/of chemische handeling die gericht is op het maken van een product, halffabricaat of afvalstof die t.b.v. een toepassing op de markt wordt gebracht, is een Ra aan de orde als aan bepaalde randvoorwaarden is voldaan. Dit geldt ook voor een mechanische, fysische en/of chemische handeling waarbij het verwerkte afval ook daadwerkelijk conform de beoogde toepassing wordt afgezet (bijvoorbeeld in de vorm van een product dat op de markt wordt gebracht of een toepassing als vulstof). In het geval van op- en overslag, een mechanische of fysische behandeling zoals verkleinen, wassen of breken, is een Ra derhalve niet aan de orde.

Indien een inrichting een verwerking verricht die plaatsvindt op een moment waarop eventueel een Ra aan de orde is, dient te worden beoordeeld welke ZZS in de afvalstroom of afvalstromen aanwezig zijn en in welke concentratie. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit een meting of de meest recente versie van het Rapport Inventarisatie ZZS in afvalstoffen, SGS Intron (thans december 2019). Verder dient eventueel op basis van informatie verkregen van de inrichting te worden beoordeeld welke ZZS nog meer aanwezig zijn in de afvalstromen die de inrichting verwerkt. Hierbij kan het bevoegd gezag mogelijk verlangen dat de aanwezigheid van andere ZZS wordt onderzocht indien daar aanleiding toe bestaat.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of de REACH- of de POP-verordening of een minimumstandaard van een sectorplan van LAP3 reeds toeziet op de verwerking van de afvalstof met deze ZZS, of bepalingen kent ten aanzien van het in de handel brengen of het gebruik van de ZZS.

Slechts als aan de volgende criteria is voldaan, is een Ra aan de orde.

De minimumstandaard voor de afvalstof ziet niet toe op de ZZS.

REACH en POP zien niet al toe op het op de markt brengen van de ZZS of ZZS-houdende producten of materialen, noch op de verwerking van de afvalstof met ZZS.

Dit laatste houdt in dat een Ra alleen aan de orde kan zijn in het geval van verwerking met als doel nuttige toepassing of in geval van een beoordeling bijproduct of einde-afvalstof voor:

  • -

    Afvalstoffen met ZZS van de kandidaatslijst van REACH

  • -

    Afvalstoffen met ZZS die voorkomen op de restrictielijst van REACH, maar die worden toegepast op een wijze waarop de restricties niet toezien

  • -

    Afvalstoffen met stoffen van de autorisatielijst van REACH, maar waarvan wordt beoogd een voorwerp te maken

  • -

    Afvalstoffen die overige ZZS bevatten. Dit zijn stoffen die niet voorkomen in de POP-verordening of de autorisatielijst-, restrictielijst-, of kandidaatslijst van REACH.

Ten aanzien van de criteria voor een Ra geldt verder dat een Ra alleen aan de orde is als de ZZS in een afvalstof of materiaal aanwezig is boven een bepaalde concentratiegrenswaarde (CGW). Deze CGW is in principe 0,1% g/g (1.000 mg/kg), tenzij een afwijkende waarde is vastgesteld in tabel 17 van bijlage 11 van LAP3. Hierbij zij overigens opgemerkt dat specifiek beleid, zoals het beleid voor het mengen van afval tot bouwstoffen, van toepassing kan zijn en beperkingen kan stellen aan de beoogde verwerking.

Tot slot dient, voor de beantwoording van de vraag of de verwerkingshandeling kan worden toegestaan, te worden beoordeeld of het technisch of economisch niet mogelijk is om de ZZS uit het materiaal te vernietigen of af te scheiden en het materiaal dan zonder ZZS of met heel lage gehalten ervan alsnog voor recycling of nuttige toepassing in te zetten. Indien dat het geval is, wordt de inzet van ZZS-houdend materiaal niet toegestaan zonder deze reinigingsstap.

Als het technisch of economisch niet mogelijk is de ZZS te verwijderen, dan dient middels een Ra aangetoond te worden dat er geen onaanvaardbare risico’s verbonden zijn aan de boogde inzet van het materiaal.

Voor de beoordeling en toepassing van de begrippen “technisch en economisch mogelijk” en “gehalte” wordt verwezen naar paragraaf 3.5 van de Handreiking risicoanalyse ZZS, Rijkswaterstaat, versie 1.0 (november 2018).

6.1.5 Mengen van afvalstoffen met ZZS

De basis van het algemene mengbeleid is artikel 18 van de Kaderrichtlijn Afvalstoffen (Kra). Hierin is vastgelegd dat lidstaten maatregelen moeten nemen om ervoor te zorgen dat gevaarlijke afvalstoffen niet worden gemengd met andere categorieën van gevaarlijk afvalstoffen, noch met andere afvalstoffen, stoffen of materialen, en ook niet worden verdund.

Nationaal is dit wettelijk uitgewerkt in onder andere artikel 10.54a van de Wet Milieubeheer (Wm) en artikel 2.12 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm), welk laatste artikel op type A, B en C inrichtingen van toepassing is. Artikel 2.12 Abm is verder uitgewerkt in artikel 2.9 van de Activiteitenregeling (Arm). In bijlage 11 van de Arm zijn de categorieën afvalstoffen te vinden zoals bedoeld in art. 10.54a Wm.

Het wettelijke kader voor mengen is verder uitgewerkt in hoofdstuk D.4 van LAP3. Nu het zonder daartoe strekkende vergunning op grond van artikel 10.54 Wm verboden is om menghandelingen uit te voeren van gevaarlijke afvalstoffen, vormt dit beleid het toetsingskader voor het vergunnen van menghandelingen met gevaarlijke afvalstoffen en de op te nemen voorschriften (ook in geval van een Omgevingsvergunning Beperkte Milieutoets).

Een menghandeling kan alleen worden toegestaan indien aan de volgende cumulatieve voorwaarden wordt voldaan:

  • 1.

    Het mengen leidt niet op enig moment tot blootstelling van mens of milieu aan ZZS;

  • 2.

    Het mengen staat verwerking conform de minimumstandaard van de te mengen afvalstoffen niet in de weg;

  • 3.

    Het mengen leidt op het niveau van de inrichting niet tot onaanvaardbare consequenties voor milieu, veiligheid en/of gezondheid.

Wat betreft het eerste punt geldt tevens dat het mengen van ZZS-houdende afvalstoffen niet strijdig met REACH of POP mag zijn, en dat het mengen ook niet is toegestaan als het afvalstoffen betreft die op basis van bijlage F.5 van LAP3 gescheiden gehouden dienen te worden.

Voor sommige specifieke situaties heeft het mengbeleid specifieke toetsingskaders beschreven voor de beoordeling van de vraag of de menghandeling kan worden toegestaan. Twee belangrijke situaties zijn mengen ten behoeve van bouwstoffen en mengen ten behoeve van immobilisaten (vormgegeven bouwstof).

Ten aanzien van het mengen ten behoeve van bouwstoffen is het algemene mengbeleid van toepassing, doch met de aanvulling dat mengen alleen kan worden toegestaan als de te mengen afvalstoffen individueel voldoen aan de kwaliteitseisen van het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk). Slechts in uitzonderlijke situaties zoals beschreven in hoofdstuk B.7 van LAP3 mag hiervan worden afgeweken.

Het mengen ten behoeve van de productie van immobilisaten, die individueel niet aan de eisen van het Bbk voldoen, kan onder voorwaarden toch toegestaan worden. Het moet dan gaan om situaties waarin de afvalstoffen volgens de minimumstandaard normaliter verwijderd hadden moeten worden. Mengen ten behoeve van de productie van immobilisaten heeft dan de voorkeur, omdat dan de ZZS-houdende afvalstoffen nuttig worden toegepast in plaats van worden verwijderd.

Menghandelingen ten behoeve van de productie van immobilisaten kunnen slechts worden toegestaan als wordt voldaan aan de volgende criteria:

  • 1.

    Mengen is niet toegestaan indien dit op enig moment leidt tot blootstelling van mens of milieu aan de ZZS in de afvalstof;

  • 2.

    In de toepasselijke sectorplannen mag de menghandeling niet expliciet verboden zijn;

  • 3.

    De afvalstoffen mogen niet het resultaat zijn van het concentreren van vervuiling, met uitzondering van t.b.v. toepassing in zoutcavernes.

6.2. Conclusie

Gelet op het bovenstaande zijn wij van mening dat de aangevraagde activiteiten in overeenstemming zijn met het geldende afvalbeheersplan en daarmee bijdragen aan een doelmatig beheer van afvalstoffen.

 

7. AFVALWATER EN WATERBESPARING

7.1. Toetsingskader

Binnen de inrichting is er spraken van lozingen waarvoor de Instructieregeling lozingsvoorschriften milieubeheer van toepassing is. In het kader van deze regeling moeten voorschriften opgenomen worden die gericht zijn op de bescherming van het openbaar riool, een zuiveringtechnisch werk of de bij een zodanig openbaar riool of zuiveringtechnisch werk behorende apparatuur. Verder moeten voorschriften opgenomen worden die bepalen dat het afvalwater van dien aard moet zijn dat de kwaliteit van het rioolslib er niet door wordt aangetast, zodat de verwerking van dit slib niet wordt belemmerd. Daarnaast dienen voorschriften te worden opgenomen die bepalen dat het afvalwater van dien aard moet zijn dat de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk worden beperkt. De genoemde voorschriften zijn in deze vergunning opgenomen.

Binnen de inrichting is er sprake van lozingen waarvoor afdeling 2.1 over de zorgplichtbepaling en afdeling 2.2 over lozingen van het Activiteitenbesluit rechtsreeks gelden. Het betreft de volgende activiteiten:

  • Gebouwen, huishoudelijk afvalwater, lozing op het gemengde rioleringsstelsel;

  • Niet-verontreinigd hemelwaterafvoer, afkomstig van de locatie waar geen bodembedreigende activiteiten plaatsvinden, lozing op het gemengde rioleringsstelsel;

  • Verontreinigd hemelwater, afkomstig van de locatie waar bodembedreigende activiteiten plaatsvinden, te weten:

    • o

      Hemelwater noordelijk terrein; Opslag verontreinigde grond- en bouwstoffen;

    • o

      Hemelwater zuidelijk terrein; Wasplaats, opslag veegvuil kolkenslib, puinbreker.

Conform de BRL 6700 wordt de bedrijfsriolering jaarlijks geïnspecteerd op onvolkomenheden. Eén keer per zes jaar worden de vloer en riolering door een extern bedrijf geïnspecteerd op vloeistofdichtheid. De bevindingen worden vastgelegd binnen KAM en DBG Bouw- en Reststoffen. Jaarlijks of indien noodzakelijk worden de olie-/benzineafscheider (OBAS) en controleputten gereinigd en leeggezogen. Het vrijkomende materiaal wordt ingenomen door DBG Bouw- en reststoffen, en gereinigd en verwerkt conform het acceptatie- en verwerkingsbeleid. Twee keer per jaar vindt er een visuele inspectie plaats van de OBAS op onvolkomenheden.

Huishoudelijk afvalwater

Het huishoudelijk afvalwater is afkomstig van de sanitaire voorzieningen binnen het gebouw en wordt zonder voorzieningen geloosd op de gemeentelijke riolering. Aan de lozing van het huishoudelijk afvalwater op de riolering worden in het Activiteitenbesluit geen concrete voorschriften gesteld; de lozingen mogen in beginsel zonder beperkingen plaatsvinden. Wel moet op grond van de zorgplichtbepaling, artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit, worden voorkomen dat de doelmatige werking van de rioolwaterzuiveringsinstallatie wordt belemmerd of dat het onnodige problemen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater zou veroorzaken.

Afvalwater afkomstig van de vloeistofdichte verharding

Een groot deel van het terrein is voorzien van een vloeistofdichte vloer. Het betreft de was- en tankplaats, het tankstation en de opslag van bodembedreigende stoffen. Het afvalwater is mogelijk verontreinigd met minerale olie en onopgeloste stoffen. Het afvalwater afkomstig van dit terreindeel doorloopt een bezinkselafscheider en olieafscheider en wordt geloosd op het vuilwaterriool van het gemeentelijk rioolstelsel. De omvang van deze lozing bedraagt circa 2000 m3 per jaar.

Het afvalwater afkomstig van de tank- en wasplaats dient te voldoen aan de voorschriften zoals geregeld in het Activiteitenbesluit onder paragraaf 3.3.1 “Afleveren van vloeibare brandstof of gecomprimeerd aardgas aan motorvoertuigen of afleveren van vloeibare brandstof aan spoorvoertuigen” en de bijbehorende regeling en onder paragraaf 3.3.2 “Het uitwendig wassen en stallen van motorvoertuigen of werktuigen of van spoorvoertuigen” en de bijbehorende regeling. Het afvalwater afkomstig van het terreingedeelte met een vloeistofdichte verharding waar diverse materialen worden opgeslagen, dient overeenkomstig paragraaf 3.4.3 “Opslaan en overslaan van goederen” van het Activiteitenbesluit en de bijbehorende regeling te worden geloosd.

De bovengenoemde lozingen moeten voldoen aan de eisen van het Activiteitenbesluit.

Voor lozingen vanuit de volgende activiteiten is de “Instructieregeling lozingsvoorschriften milieubeheer” van toepassing:

  • Verontreinigd hemelwater, afkomstig van de locatie waar bodembedreigende activiteiten plaats vinden, te weten:

    • o

      Hemelwater noordelijk terrein; Opslag verontreinigde grond- en bouwstoffen;

    • o

      Hemelwater zuidelijk terrein; Wasplaats, opslag veegvuil kolkenslib, puinbreker

In het kader van deze regeling moeten voorschriften opgenomen worden die gericht zijn op de bescherming van:

  • -

    het openbaar riool;

  • -

    het zuiveringtechnisch werk of;

  • -

    de bij het zuiveringtechnisch werk behorende apparatuur.

Verder moeten voorschriften opgenomen worden die bepalen dat het afvalwater van dien aard moet zijn dat de kwaliteit van het rioolslib er niet door wordt aangetast, zodat de verwerking van dit slib niet wordt belemmerd. Daarnaast dienen voorschriften te worden opgenomen die bepalen dat het afvalwater van dien aard moet zijn dat de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk worden beperkt. De genoemde voorschriften zijn in deze vergunning opgenomen.

Ten behoeve van een doelmatige bescherming van het milieu zijn in deze vergunning de bovengenoemde voorschriften aangevuld met:

  • een voorschrift met betrekking tot de aanwezigheid van een controleput;

  • een voorschrift met een beperking voor de kwantiteit van het afvalwater ter beperking van de kans op overstorten vanuit het rioolstelsel of overbelasting van het rioolstelsel;

  • een voorschrift met parameters die beperkend zijn voor de corrosieve eigenschappen van het afvalwater, ter bescherming van het openbaar riool;

  • een voorschrift met lozingsverbod voor bepaalde waterbezwaarlijke stoffen, voor het beperken van de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewaterlichaam.

7.2. Beoordeling en conclusie

De in de aanvraag vermelde maatregelen ter voorkoming en beperking van lozing van afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen, zullen naar verwachting leiden tot een acceptabel lozingsniveau dat in overeenstemming is met genoemde doelstellingen. Wij achten deze situatie vergunbaar. Aan deze vergunning zijn uitsluitend de voorschriften voortvloeiend uit de “Instructieregeling lozingsvoorschriften milieubeheer” opgenomen.

In de aanvraag is een lozing van afvalwater op het gemeentelijk vuil waterriool opgenomen. Aandachtspunt bij lozing van afvalwaterstromen op het gemeentelijk vuilwaterriool is de hydraulische capaciteit van dit riool. Gelet op de geschatte omvang van 2000 m3/ jaar van de lozing in relatie tot deze hydraulische capaciteit, bestaat er geen bezwaar tegen deze lozing.

7.3. Waterbesparing

7.3.1 Algemeen

De winning van drinkwater kost geld, grondstoffen en energie. Het zuinig gebruik van drinkwater vormt dan ook onderdeel van de verruimde reikwijdte in de Wabo. Het gebruik van drinkwater als proceswater moet zoveel mogelijk worden beperkt tot die processen waarvoor water van een bepaalde kwaliteit noodzakelijk is. Het gebruik van drinkwater als koelwater bijvoorbeeld moet zoveel mogelijk worden voorkomen.

7.3.2 Drinkwaterverbruik

Het totale drinkwaterverbruik binnen de inrichting is niet bekend. Dit komt doordat twee kantoorpanden verkocht zijn en er nu nog geen duidelijk overzicht is hoeveel het verbruik op jaarbasis zal zijn.

Wij hebben daarom een voorschrift opgenomen dat de verrgunninghouder binnen 3 maanden nadat de vergunning in werking is getreden, een preventieplan over moet leggen waarin wordt beschreven hoe het verbruik van (drink)water wordt beperkt.

 

8. BODEM

8.1. Activiteitenbesluit

Voor wat betreft het aspect bodembescherming valt de inrichting volledig onder afdeling 2.4 van het Activiteitenbesluit, omdat het een inrichting betreft waartoe een IPPC-installatie behoort zoals bedoeld in artikel 2.8b, lid 1 onder b van het Activiteitenbesluit. Op grond van het Activiteitenbesluit moeten alle bedrijfsactiviteiten worden verricht met voorzieningen en maatregelen die leiden tot een verwaarloosbaar bodemrisico.

8.2. Nulsituatieonderzoek

Het preventieve bodembeschermingsbeleid gaat ervan uit dat (zelfs) een verwaarloosbaar bodemrisico nooit volledig uitsluit dat een verontreiniging of aantasting van de bodem optreedt. Om die reden is altijd een nulsituatieonderzoek naar de kwaliteit van de bodem noodzakelijk. Het nulsituatieonderzoek richt zich op de afzonderlijke activiteiten en de daar gebruikte stoffen.

Nulsituatieonderzoek bestaat uit het vastleggen van de nulsituatie bodemkwaliteit voorafgaand aan de start van de betreffende activiteit(en). Na het beëindigen van de betreffende activiteit(en) dient een vergelijkbaar eindonderzoek te worden uitgevoerd.

Het nulsituatieonderzoek moet ten minste duidelijkheid verstrekken over:

  • de bodemkwaliteit ter plaatse van de bodembedreigende activiteiten die binnen de inrichting worden uitgevoerd. Hierbij is ook van belang dat op de stoffen wordt geanalyseerd die worden gebruikt;

  • de locatie van bemonsteringspunten rekening houdend met de mobiliteit van de gebruikte stoffen en de lokale grondwaterstroming;

  • de wijze waarop de betreffende stoffen moeten worden gedetecteerd, bemonsterd en geanalyseerd;

  • de bodemkwaliteit ter plaatse van bemonsteringslocaties.

De in het nulsituatieonderzoek vastgelegde bodemkwaliteit geldt als uitgangspunt bij de beoordeling of ten gevolge van de betreffende activiteiten verontreiniging of aantasting van de bodem heeft plaatsgevonden en of bodemherstel nodig is.

Voor het bodemonderzoek noodzakelijke werkzaamheden als vermeld in de Regeling bodemkwaliteit moeten zijn uitgevoerd door een erkende instantie als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit.

Van der Wiel is sinds 1996 gevestigd op de locatie De Meerpaal 11 te Drachten. De locatie is gelegen op industrieterrein ‘De Haven’. De oppervlakte van de inrichting (totaal 48.600 m2 ) is te splitsen in terreindeel De Meerpaal en deel De Lier.

  • Oppervlakte terrein de Meerpaal: 32.400 m2

  • Oppervlakte terrein de Lier: 16.200 m2.

Voor de inrichting zijn zoals in de aanvraag staat vermeld bodemonderzoeken uitgevoerd:

In de volgende onderzoeken is de nulsituatie van Van der Wiel Holding B.V. vastgelegd:

  • Indicatief bodemonderzoek op zeven locaties ter plaatse van het industrieterrein "De Haven" te Drachten, Oranjewoud, juni 1993;

  • Aannemersmaatschappij Rapport verkennend bodemonderzoek Van der Meulen bedrijfslocatie 8 Van der Wiel Meerpaal B.V., juni 11a 1996; te Drachten";

  • Rapport verkennend bodemonderzoek bedrijfslocatie Meerpaal 11 te Drachten", ~ M - Aannemersmaatschappij Rapport verkennend bodemonderzoek Van der Meulen ter 8 plaatse Van der van Wiel het B.V., terrein juni tussen 1996;

  • De Meerpaal ~ en De Lier te Drachten", Aannemersmaatschappij Van der Meulen & Van der Wiel B.V., O juni 1996.

1996 verkennend bodemonderzoek:

Analytisch: Bovengrond: MM3,5,12 min. olie > s EOX licht verhoogd MM8 PAK > s

Ondergrond: niet gegeven

Vervolgonderzoek: Grondwater: niet gegeven

Zintuiglijk: Geen waarnemingen beschreven

Project kwaliteit: Licht verontreinigd.

1993 indicatief onderzoek:

Analytisch: Bovengrond: licht verhoogde gehalten koper, zink, cadmium, lood, kwik, EOX en enkele PAK, minerale olie gemeten. Grondwater: licht tot sterk verhoogde gehalten nikkel, zink; xylenen en fenolen ook licht verhoogd. Tolueen bij nabemonstering lager.

Prioriteit: Bij herbemonstering gemeten concentratie minerale olie onder detectiegrens.

Vervolgonderzoek: Voor het vaststellen van de risico's voor volksgezondheid en het milieu en in hoeverre de concentratieverhoging is veroorzaakt door plaatselijke verontreiniging dan wel gevolg van zure depositie, is in mei en juni 1993 een aanvullend onderzoek verricht.

Conclusie / advies

Met de uitgevoerde NRB toets is voor de locatie De Meerpaal 11 te Drachten bij bodembedreigende activiteiten en activiteiten met bodem belastende stoffen, een dusdanig niveau aan bodembeschermende voorzieningen en maatregelen genomen, dat sprake is van een ‘verwaarloosbaar bodemrisico’. Hiermee is de kwaliteit van het bodemonderzoek geborgd en zijn de resultaten betrouwbaar.

Samenvattend geldt dat de onderzoeksresultaten geen belemmering vormen voor het voorgenomen gebruik van het perceel.

 

9. ENERGIE 

9.1. Energierelevante inrichtingen, niet EED

Uit de aanvraag blijkt dat sprake is van een relevant jaarlijks energiegebruik door de inrichting (volgens de aanvraag 61.810,88 m3 gas/jaar, 137.499,92 kWh/jaar elektriciteit en teruglevering door zonnepanelen 60.502 KWh/jaar). In aansluiting op de criteria voor inrichtingen die onder de algemene regels van het Activiteitenbesluit vallen, worden inrichtingen met een jaarlijks verbruik van minimaal 25.000 m3 aan aardgasequivalenten of een jaarlijks elektriciteitsverbruik van minimaal 50.000 kWh elektriciteit als energierelevant bestempeld.

Op basis van artikel 5.7 van het Besluit omgevingsrecht kan het bevoegd gezag voorschriften in de vergunning opnemen met betrekking tot een doelmatig gebruik van energie.

Uitgangspunt is dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast, zoals bedoeld in artikel 2.14 van de Wabo.

Energierelevante bedrijven die vallen en onder de Tijdelijke regeling implementatie artikelen 8 en 14 Richtlijn energie-efficiëntie en de bedrijven die vallen onder het Activiteitenbesluit zijn verplicht vierjaarlijks een energieonderzoek op te stellen. Voor de type C-inrichtingen (niet EED-inrichtingen en niet MJA-deelnemers) geldt eveneens een vierjaarlijkse onderzoeksverplichting. Hiermee wordt aangesloten bij eenzelfde verplichting die van toepassing is op de EED-ondernemingen, MJA-deelnemers en de type A-/B-inrichtingen die vallen onder het Activiteitenbesluit. Juridisch is dit goed verklaarbaar, omdat de overige vergunningplichtige inrichtingen over het algemeen energierelevant zijn en hier vaak evenveel of meer besparingspotentieel is als bij type A-/ B-inrichtingen en EED-ondernemingen. Hiermee ontstaat een gelijk speelveld voor alle typen energie-relevante inrichtingen.

Door deze vierjaarlijkse onderzoeksverplichting wordt BBT voor het onderdeel energie periodiek in kaart gebracht. In aansluiting op de bovenstaande genoemde wettelijke regelingen schrijven wij bij vergunningplichtige bedrijven een vierjaarlijks energie onderzoek voor.

9.1.1. Toetsing

Vergunninghouder is aan te merken als een energierelevante inrichting. In de aanvraag is vermeld dat het energieverbruik meer bedraagt dan 50.000 kWh aan elektriciteit en meer dan 25.000 m3aardgas(equivalenten).

In de ministeriële regeling (Mor) omgevingsrecht zijn geen informatiedocumenten opgenomen voor het onderwerp energiebesparing en vervoer.

Om die reden moeten wij voor dit onderwerp op grond van artikel 5.4, tweede lid, van het Bor de BBT zelf vaststellen. Wij dienen daarbij rekening te houden met de in artikel 5.4, derde lid, van het Bor genoemde aspecten. Met name onderdeel i van genoemd lid is in dit kader van belang: Het verbruik en de aard van de grondstoffen, met inbegrip van water, en de energie-efficiëntie.

In de aanvraag is aangegeven dat de energiemaatregelen die binnen het bedrijf worden gesteld zijn uitgewerkt in een Energie Actieplan (ISO 50001). In het plan zijn de maatregelen, verwachte reductie, controle verandering en verantwoordelijke vastgelegd.

De aanvraag bevat geen rapportage van het energieonderzoek. Er is getoetst met behulp van de beschikbare documenten over luchtkwaliteit, de stikstofdepositieberekening, de toelichting op de aanvraag, het milieubeheerssysteem en het IPPC-document waarin het energieverbruik en brandstofverbruik op elkaar is afgestemd. Op basis van deze toetsing is geconcludeerd dat bij de opgave van het energieverbruik van de inrichting niet afdoende rekening gehouden is met de jaarlijkse omrekenfactoren voor energiedragers zoals opgenomen in artikel 2.16d van de Activiteitenregeling.

Wij hebben daarom voorschriften opgenomen waarin de verplichting is opgenomen om vierjaarlijks het rapport van het energieonderzoek te actualiseren met een bijbehorend energie-uitvoeringsplan. Wanneer uit de actualisatie van het energieonderzoek blijkt dat er geen rendabele maatregelen zijn te treffen voor de dan geldende periode, hoeft enkel de argumentatie op basis waarvan is geconcludeerd dat stand der techniek wordt toegepast, te worden ingediend.

Aan de vergunning zijn ook voorschriften verbonden waarin van de inrichtinghouder wordt verlangd dat hij een energieonderzoek uitvoert en een energie-uitvoeringsplan opstelt met daarin opgenomen de te treffen energiebesparende maatregelen. Het energieonderzoek moet iedere vier jaar worden herhaald. In het vergunningvoorschrift is omschreven welke elementen het energie- onderzoek moet bevatten.

Initiatieven energie en duurzaamheid

Van der Wiel is deelnemer aan meerdere keurmerken, waaronder ISO-9001, ISO 14001, (milieu-zorgsysteem), Certificaat CO2 Prestatieladder Niveau 5 Holding en ISO 50001 (energiemanagement-systeem). Deze keurmerken zijn primair gericht op respectievelijk kwaliteitsmanagement, milieuzorg, gezond en veilig werken en hernieuwbare energie en kunnen elementen over energie-efficiëntie bevatten.

BREF Energie efficiency

De BBT-toets met betrekking tot de horizontale BREF Energie-efficiëntie is op alle IPPC-bedrijven van toepassing. Uit de beoordeling is gebleken dat de aanvrager voldoende invulling heeft gegeven aan de BBT-toets voor de energie-aspecten.

10. Externe veiligheid

10.1. Op- en overslag van gevaarlijke stoffen (PGS-richtlijnen)

Ten behoeve van de op- en overslag van gevaarlijke stoffen zijn richtlijnen opgesteld in de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu wordt gerealiseerd. Deze PGS-richtlijnen zijn vermeld als Nederlandse informatiedocumenten over BBT in de bijlage van de Mor. Voor de beoordeling van de aanvraag van de inrichting zijn de volgende PGS-richtlijnen relevant:

  • PGS 15: 2023: Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen;

  • PGS 28: Opslag van vloeibare brandstoffen in ondergrondse tanks en afleverinstallaties.

  • PGS 30: 2021: Vloeibare brandstoffen in bovengrondse tank- en afleverinstallaties, versie 1.0 augustus 2021; 

Uit de aanvraag blijkt dat de opslag voldoet aan de PGS 15, 28 en 30 en daarmee voldoet aan BBT. De relevante onderdelen van deze richtlijn zijn bij voorschrift aan dit besluit verbonden.

10.2. PGS 15: Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen

Binnen de inrichting worden gevaarlijke stoffen in verpakkingen opgeslagen en gebruikt. In verband met de veilige opslag en behandeling van gevaarlijke stoffen in verpakkingen binnen de inrichting is de PGS 15 van 2016 aangewezen als BBT-document in de Regeling omgevingsrecht. Om te borgen dat de opslag van gevaarlijke stoffen in verpakkingen veilig kan plaatsvinden, hebben wij de relevante delen van de PGS 15 in de vergunningvoorschriften van toepassing verklaard op de inrichting. Daarmee wordt voldaan aan de beste beschikbare technieken. 

10.3. PGS 28: Vloeibare brandstoffen: ondergrondse tankinstallaties en afleverinstallaties

De ondergrondse tankinstallaties die binnen de inrichting in gebruik zijn, vallen onder de werkingssfeer van Hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit. In de Activiteitenregeling zijn voorschriften opgenomen die overgenomen zijn uit de PGS 28. Deze voorschriften zijn direct werkend en hebben wij zodoende niet aan de vergunning verbonden.

10.4. Opslag gasflessen

Binnen de inrichting worden verschillende gasflessen opgeslagen en gebruikt. Het gaat om maximaal:

In opslag (locatie de Meerpaal nabij wasplaats)

  • 130 liter Protegon

  • 50 liter Acetyleen

  • 110 liter Protegon

  • 100 liter Acetyleen

  • 100 liter Zuurstof

  • 50 liter Argon

In gebruik werkplaats Infra & Milieu (locatie de Lier/ Infra & Milieu)

  • 30 liter Protegon

In verband met de veilige opslag en behandeling van gasflessen binnen de inrichting is de PGS 15 van 2016 aangewezen als BBT-document in de Regeling omgevingsrecht. Wanneer meer dan 125 liter (waterinhoud) aan gassen in een opslagplaats binnen een inrichting wordt opgeslagen, is op deze opslag de PGS 15 van toepassing. Om te borgen dat de opslag van gasflessen veilig kan plaatsvinden, hebben wij de relevante delen van de PGS 15 in de vergunningvoorschriften van toepassing verklaard op de inrichting. Daarmee wordt voldaan aan de beste beschikbare technieken.

11. GELUID

11.1. Algemeen

De bedrijfsactiviteiten hebben tot gevolg dat geluid wordt geproduceerd. De veroorzaakte geluidsbelasting in de omgeving en de perioden waarin deze optreedt, is in kaart gebracht in een akoestisch rapport van adviesbureau Noorman, rapport 22110368.R01a, van 20 juli 2022.

Het geluid wordt beoordeeld op basis van de representatieve en de incidentele bedrijfssituaties. Beoordeeld worden de geluidsbelasting (de langtijdgemiddelde en de maximale geluidsniveaus) en de indirecte hinder als gevolg van het in werking zijn van de inrichting.

11.2. Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau 

De geluidsproductie van het bedrijf wordt vooral bepaald door de bewerkingsinstallaties, de houtshredder, de immobilisatiemenger en de zeefinstallatie. Aanleiding voor de aanvraag en de belangrijkste verandering is de verkleining van het terrein van het bedrijf en een gedeeltelijke herinrichting ervan.

11.2.1 Zonetoetsing

Van der Wiel ligt op het gezoneerde industrieterrein “De Haven” te Drachten in de gemeente Smallingerland.

Voor het industrieterrein “De Haven” werd door Gedeputeerde Staten (GS) op 21 juli 1992

de geluidszone rondom het industrieterrein “De Haven” vastgesteld. Door de raad van de gemeente Smallingerland is op 3 april 2012 in het bestemmingsplan “Industrieterrein De Haven” vastgesteld waarin de begrenzingen van het gezoneerde deel van het industrieterrein werden herzien. Bij het besluit werden geen veranderingen vastgelegd betreffende de zonelijn zoals vastgesteld in het genoemde besluit van GS.

Bij de vergunningverlening op de aanvraag nemen wij in ieder geval in acht de geldende grenswaarden voor gezoneerde industrieterreinen zoals bedoeld in de Wet geluidhinder. Voor gezoneerde industrieterreinen geldt als uitgangspunt dat de etmaalwaarde van het equivalent geluidsniveau vanwege het gehele industrieterrein buiten de zone niet meer mag bedragen dan

50 dB(A).

Voor twee woningen binnen de zone zijn door het bevoegd gezag hogere grenswaarden vastgesteld van 60 en 55 dB(A) voor respectievelijk Legauke 11 en Tussendiepen 11. Voor andere woningen binnen de zone geldt een grenswaarde van 55 dB(A).

In het akoestisch rapport dat deel uitmaakt van de vergunningaanvraag is de geluidimmissie, zowel voor de dag-, avond- als nachtperiode, aangegeven ter plaatse van de door de zonebeheerder vastgestelde zonebewakingspunten (op de vastgestelde 50 dB(A)-contour) en bij relevante woningen binnen de zone.

Namens de gemeente is de FUMO zonebeheerder voor het industrieterrein. De zonebeheerder heeft verklaard dat de berekende geluidimmissie, gecumuleerd met de geluidimmissie van de overige op het industrieterrein gevestigde inrichtingen, past binnen de beschikbare geluidruimte voor het betreffende industrieterrein.

11.2.2 Representatieve bedrijfssituaties

Wij hebben aan de vergunning voorschriften verbonden waarin grenswaarden zijn gesteld op beoordelingspunten.

In het akoestisch onderzoek is gerapporteerd dat de houtshredder niet tegelijkertijd met de immobilisatiemenger gebruikt wordt. Wij hebben daarom twee afzonderlijke voorschriften voor de twee representatieve bedrijfssituaties vastgelegd.

De geluidimmissie voor de dag-, avond- en nachtperiode ter plaatse van deze punten is overeenkomstig de voor de aangevraagde activiteiten gewenste geluidsruimte met inachtneming van de maatregelen die in hoofdstuk 6 van het akoestisch onderzoek zijn beschreven.

11.2.3 Incidentele bedrijfssituaties

Voor regelmatig afwijkende en incidentele bedrijfssituaties, dat wil zeggen situaties die slechts een beperkt aantal dagen per jaar optreden, kunnen op grond van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening ruimere grenswaarden worden gesteld.

Er komen volgens het geluidsrapport twee verschillende incidentele bedrijfssituaties voor. Het gaat daarbij om het gebruik van een puinbreker voor maximaal 12 keer per jaar naast de genoemde representatieve bedrijfssituatie. Hierdoor zal een verhoogde geluidsproductie plaatsvinden.

Gelet op de hierbij te verwachten optredende geluidsbelastingen en het incidenteel

voorkomen van deze bedrijfssituatie, kunnen wij deze toestaan.

Wij hebben daarom twee afzonderlijke voorschriften voor de twee incidentele bedrijfssituaties vastgelegd.

De geluidsemissie voor de dag-, avond- en nachtperiode ter plaatse van deze punten is overeenkomstig de voor de aangevraagde activiteiten gewenste geluidsruimte.

Naast de frequentie van deze incidentele bedrijfssituaties hebben wij in de voorschriften vastgelegd dat er een logboek moet worden bijgehouden en dat wij van tevoren over deze activiteiten moeten worden geïnformeerd.

11.3. Maximaal geluidsniveau (LAmax)

De maximale geluidsniveaus voldoen aan de grenswaarden zoals beschreven in de Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening. Overdag is de houtshredder maatgevend en in de avond- en nachtperiode het rijden en manoeuvreren van de vrachtwagens. De maximale geluidsniveaus moeten in principe voor de dichtstbijzijnde woning worden vastgelegd.

Het is niet noodzakelijk om voorschriften voor de maximale geluidsniveaus vast te leggen, omdat bij de dichtstbijzijnde woningen aan de Legauke 11 (op ca. 800 meter) en de Tussendiepen 11 (op ca. 1.200 meter) ruim kan worden voldaan aan de grenswaarden van 70 dB(A) etmaalwaarde.

11.3.1. Indirecte hinder

Het geluid van het verkeer van en naar een inrichting gelegen op een gezoneerd industrieterrein mag bij vergunningverlening niet worden getoetst aan de in de circulaire genoemde grenswaarden, omdat hierdoor het speciale regime en vergunningstelsel voor inrichtingen op een gezoneerd industrieterrein wordt doorkruist.

11.3.2 Trillingen

Gezien de aard van de activiteiten en de afstand tot de dichtstbijzijnde trillinggevoelige bestemmingen is trillinghinder niet te verwachten. Een onderzoek naar trillingen achten wij daarom niet nodig. Ook achten wij het daarom niet nodig hierover voorschriften op te nemen.

11.4. Conclusie

Ten aanzien van de optredende geluidsniveaus is de situatie milieuhygiënisch aanvaardbaar.

Wij hebben aan de vergunning voorschriften verbonden waarin grenswaarden zijn gesteld op beoordelingspunten rondom het bedrijf. De geluidsbelasting op deze punten is overeenkomstig de bij de aangevraagde activiteiten gewenste geluidsruimte met inachtneming van de maatregelen zoals beschreven in hoofdstuk 6 van het akoestisch onderzoek.

Binnen de inrichting zijn en worden maatregelen en voorzieningen getroffen ter beperking van de geluidsproductie. Bij het opstellen van de voorschriften hebben wij rekening gehouden met die maatregelen en voorzieningen.

Wij hebben een controlevoorschrift opgenomen om te rapporteren dat aan de geluidsnormstelling kan worden voldaan.

Vanwege de grote afstand van de geluidsgevoelige bestemmingen tot de inrichting en vanwege de invloed van andere geluidsbronnen, kan de geluidsbelasting die de inrichting veroorzaakt niet bij de geluidsgevoelige bestemmingen of op de zonegrens worden gemeten (deze kan wel worden berekend). Daarom zijn grenswaarden vastgelegd op controlepunten gelegen in de nabijheid van de inrichting. Op deze punten kan in het kader van het door het bevoegd gezag uit te oefenen toezicht op de naleving worden gemeten.

12. GEUR

12.1. Landelijk beleid

Het Nederlandse geurbeleid is opgenomen in artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit en in de Handleiding geur: bepalen van het aanvaardbaar hinderniveau van industrie en bedrijven (niet veehouderijen). Als algemene doelstelling geldt het zoveel mogelijk beperken van bestaande hinder en het voorkomen van nieuwe hinder. Daarbij staat het afwegingsproces voor het vaststellen van het aanvaardbaar hinderniveau centraal. Het aanvaardbaar hinderniveau wordt per situatie vastgesteld en zo nodig op grond van het Activiteitenbesluit als maatwerkvoorschrift aan de vergunning verbonden. Alleen als de emissies van de inrichting in het Activiteitenbesluit uitgezonderd zijn, worden de geuremissies in de vergunning beoordeeld.

Het bevoegd gezag bepaalt welke mate van hinder als aanvaardbaar wordt beschouwd. Als leidraad voor het afwegingsproces dat daarbij doorlopen wordt, geldt de hindersystematiek Geur. Deze hindersystematiek, die is vastgelegd in hoofdstuk 3 van de Handleiding geur, benoemt de verschillende aspecten die in het afwegingsproces moeten worden meegenomen om te komen tot een zorgvuldige bepaling van het aanvaardbaar hinderniveau. De aspecten die bij het vaststellen van het aanvaardbaar hinderniveau worden meegewogen zijn eveneens opgenomen in het derde lid van artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit.

Maatregelen ter bestrijding van geurhinder moeten worden bepaald in overeenstemming met het BBT-principe (de Beste Beschikbare Technieken moeten worden toegepast). Voor een aantal activiteiten zijn in het Activiteitenbesluit voorschriften opgenomen.

De inrichting is dusdanig gelegen dat er geen geuroverlast in de omgeving te verwachten is.

12.2. Provinciaal of gemeentelijk beleid

Op 12 november 2019 zijn de beleidsregels geur voor Friese bedrijven vastgesteld. Deze “Beleidsregels geur Bedrijven Fryslân 2019” (hierna: het Friese geurbeleid) zijn op 20 november 2019 gepubliceerd. Geuremissie toetsen wij aan dit vastgestelde beleid.

12.3. Beoordeling geurhindersituatie 

Omschrijving aangevraagde situatie

Van der Wiel is gelegen aan de Meerpaal op het industrieterrein “De Haven” te Drachten. De locatie “De Meerpaal” bestaat uit twee deellocaties (De Meerpaal en De Lier).

De werkzaamheden van Van der Wiel bestaan uit:

  • (Inter)nationaal transport en logistieke dienstverlening van bouw- en wegenbouwmaterialen, rondhout en slib, met behulp van gespecialiseerd materieel, handel in wegenbouw- en bouwmaterialen, gladheidsbestrijding.

  • Ontwerp en realisatie van grond-, weg- en waterbouwkundige werken, het milieukundig saneren van verontreinigde locaties, alsmede het slopen van opstallen.

  • Het innemen, opslaan en be- en verwerken van bouw- en reststoffen.

  • Het uitvoeren en begeleiden van uiteenlopende projecten op het gebied van milieu, kwaliteit, veiligheid, detachering en duurzaamheid.

  • Het uitvoeren van gespecialiseerde werkzaamheden in de bouw, waaronder projecten met betrekking tot zand, grind, grond en andere grondstoffen en bouwmaterialen.

  • Groothandel in zand, grind, grond en andere grondspecie en bouwmaterialen.

Bij de opslag van (licht) verontreinigde grond wordt geen relevante geuremissie verwacht en is er geen geuronderzoek nodig. De inrichting is dusdanig gelegen dat er geen geuroverlast in de omgeving te verwachten is. Direct omliggende bedrijven zijn categorie 4 of hoger.

De activiteit vindt al plaats en er zijn geen geurklachten. De nieuwe activiteit betreft licht verontreinigde grond. Omdat er BBT-conclusies zijn voor geur, is artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit niet van toepassing. Wij hebben daarom wel voorschriften in de vergunning opgenomen om te borgen dat als er wel geuroverlast ontstaat, opgetreden kan worden.

13. LICHT (HINDER)

De reiniging en fysische scheiding vindt plaats op werkdagen van maandag t/m vrijdag van 7.00 uur tot 17.00 uur. Alleen in de maanden december en januari wordt in de vroege ochtend en late middag indien noodzakelijk gebruik gemaakt van verlichting die aanwezig is op het terrein. De lampen zijn gericht op het werkterrein aan De Lier. Overlast en effecten op de omgeving dan wel fauna zijn door de korte periode van gebruik nihil.

14. LUCHT

14.1. Toetsingskader

Het algemeen luchtbeleid is gericht op het voorkomen dan wel zo veel mogelijk beperken van emissies naar de lucht door het toepassen van de BBT en het voldoen aan de luchtkwaliteitseisen van bijlage 2 van de Wet milieubeheer.

Luchtemissies voor inrichtingen worden in beginsel gereguleerd door de algemene regels van het Activiteitenbesluit. Deze eisen zijn rechtstreeks geldend en daarom niet in deze vergunning opgenomen.

Het Activiteitenbesluit biedt de mogelijkheid om in bepaalde gevallen en onder bepaalde voorwaarden bij maatwerkvoorschrift af te wijken van de algemene regels.

Indien en voor zover voor luchtemissies van IPPC-installaties BBT-conclusies zijn vastgesteld, gelden de algemene regels van Afdeling 2.3 echter niet (met uitzondering van de minimalisatieverplichting voor zeer zorgwekkende stoffen). Voor deze luchtemissies worden voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden die aansluiten bij de BBT-conclusies.

In deze vergunning wordt specifiek ingegaan op de luchtemissies van de inrichting. Naast de toetsing aan de beste beschikbare technieken en het Activiteitenbesluit, wordt beoordeeld of de emissienormering van het Activiteitenbesluit toereikend is of dat er maatwerkvoorschriften moeten worden gesteld. Tevens wordt er getoetst aan de kwaliteitseisen uit Bijlage 2 van de Wm.

Bij Van der Wiel vinden de volgende activiteiten plaats die emissies naar de lucht tot gevolg hebben:

  • -

    verkeer van en naar de inrichting door motorvoertuigen

  • -

    transportbewegingen van personenvoertuigen en vrachtverkeer

  • -

    tankplaats voor eigen voertuigen en voertuigen van derden (tankstation)

  • -

    activiteiten met (mobiele) werktuigen

  • -

    op- en overslag (beperkt sorteren) van bouw- en sloopafval

  • -

    op- en overslag van grond- en bouwstoffen

  • -

    bewerkingsinstallaties: het (voor)breken en zeven van steenachtige materialen

  • -

    houtshredderen;

  • -

    stookinstallaties.

Hierbij is onderscheid gemaakt tussen puntbronemissies afkomstig van procesinstallaties en verbrandingsinstallaties, alsmede van diffuse emissies en storingsemissies.

14.1.1 Diffuse emissies

Binnen de inrichting is sprake van diffuse emissies afkomstig van de volgende activiteiten:

stikstofemissies van voertuigen, mobiele werktuigen en bewerkingsinstallatie (een puinbreker en een shredder voor rondhout); stofemissies van opslag en verwerking (sorteren, mengen, breken, shredderen, zeven) van vaste bulkgoederen.

14.1.2 Vaste bulkgoederen

Het effect van de bedrijfsactiviteiten van de inrichting op de luchtkwaliteit is onderzocht en vastgelegd in het luchtkwaliteitsonderzoek ‘Van der Wiel Holding B.V. Drachten., Luchtkwaliteitsonderzoek in het kader van een revisievergunning, Rapportnummer 22110416.NO5. 28 februari 2023’. Het luchtkwaliteitsonderzoek is opgenomen als bijlage bij de aanvraag. Uit de aanvraag blijkt welke activiteiten stuifgevoelig zijn en welke emissiebeperkende maatregelen toegepast worden per activiteit.

Handelingen met inerte vaste bulkgoederen vallend onder het Activiteitenbesluit

Op de overslag, opslag, het laden, lossen, transport, mengen van de inerte goederen en op het zeven van zand en grond is paragraaf 3.4.3 (artikelen 3.32, 3.37 t/m 3.39) van het Activiteitenbesluit van toepassing. Uit de aanvraag blijkt dat aan deze bepalingen wordt voldaan.

Overige handelingen met inerte vaste bulkgoederen en handelingen met niet-inerte vaste bulkgoederen

Voor de diffuse stofemissies van de verwerking van vaste inerte bulkgoederen anders dan overslag, opslag, laden, lossen, transport, mengen en anders dan het zeven van zand en grond, alsmede voor diffuse stofemissies van op- en overslag, laden en lossen, transporteren en verwerking van vaste niet-inerte bulkgoederen, gelden de regels van het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling niet.

Voor het opslaan en overslaan van niet inerte goederen zijn daarom voorschriften aan de vergunning verbonden. Omdat wij van mening zijn dat de eisen wel BBT vertegenwoordigen, hebben op basis van de aanvraag een scherpere eis opgenomen in paragraaf 10.2

Door voorschriften op te nemen is hiermee naar onze mening voldoende invulling gegeven aan BBT.

Verder is in het BBT-document ‘Op- en overslag Bulkgoederen’ opgenomen dat de opslag van materiaal plaatsvindt tussen megablokken van 4 meter hoog. Er vindt geen overslag plaats van stuifgevoelige materialen bij windsnelheden van 9 m/s of meer. De rijsnelheid op het terrein zal niet harder zijn dan 15 km/h. Het terrein is verhard met asfaltverharding. Als de rijroutes vervuild zijn met stuifgevoelige materialen en er vindt stofvorming plaats, dan wordt deze gereinigd. Voordat verontreinigde stoffen het terrein verlaten, wordt het materieel eerst door een waterbak gereden.

Wij hebben hiervoor voorschriften opgenomen in deze vergunning.

14.1.3 Handelingen met vaste bulkgoederen vallend onder het Activiteitenbesluit

Op de overslag, opslag, het laden, lossen, transport, mengen van de vaste inerte en niet-inerte bulkgoederen en voor het zeven van zand en grond is paragraaf 3.4.3 (artikel 3.32, 3.37-t/m 3.39) van het Activiteitenbesluit van toepassing. Uit de aanvraag blijkt dat aan deze bepalingen wordt voldaan.

In beginsel gelden de luchtvoorschriften uit Afdeling 2.3 van het Activiteitenbesluit. Deze afdeling is echter niet van toepassing op emissies naar de lucht van een IPPC-installatie voor zover voor de activiteit of het type productieproces BBT-conclusies voor deze emissies zijn vastgesteld.

14.1.4 Zeer zorgwekkende stoffen

Afvalstoffen kunnen ZZS bevatten. Artikel 2.4 van het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling geldt. Voor een IPPC-installatie met BBT-conclusie voor ZZS geldt op grond van het Activiteitenbesluit voor ZZS alleen artikel 2.4, tweede lid. Dit artikel gaat over de minimalisatieverplichting.

De minimalisatieverplichting houdt in dat iedere vijf jaar aan het bevoegd gezag gerapporteerd moet worden over de mate waarin emissies van ZZS naar de lucht plaatsvinden en de mogelijkheden om die emissies te voorkomen c.q. te beperken.

Wij hebben hiervoor voorschriften opgenomen in deze vergunning.

14.1.5 PRTR-verslag

Aangezien er binnen de inrichting activiteiten worden uitgevoerd als bedoeld in Bijlage I van de EG-Verordening PRTR, geldt dat conform titel 12.3 van de Wm een elektronisch PRTR-verslag moet worden ingediend.

Op grond van artikel 12.20, lid 1 van de Wm geldt dat de vergunninghouder de emissies (jaarvrachten) moet rapporteren.

14.2. Eindconclusie aspect lucht

Wij zijn van oordeel dat uit de aanvraag blijkt dat er voldoende maatregelen worden toegepast c.q. zullen worden toegepast om luchtemissies te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. De aangevraagde situatie is daarmee vergunbaar.

14.3. Emissies van stookinstallaties, niet zijnde een grote stookinstallatie

Volgens de definitie van het Activiteitenbesluit is een stookinstallatie een technische eenheid waarin brandstoffen worden geoxideerd teneinde de aldus opgewekte warmte te gebruiken. Binnen de inrichting zijn de volgende kleine en middelgrote stookinstallaties aanwezig:

  • -

    CV- installatie;

  • -

    Ruimteverwarming werkplaats.

De emissie-eisen van paragraaf 3.2.1 zijn van toepassing. Ten gevolge van deze activiteit worden NOx in relevante hoeveelheden geëmitteerd naar de lucht.

14.4. Zeer zorgwekkende stoffen (ZSS) 

Afvalstoffen kunnen ZZS bevatten. Voor een IPPC-installatie gelden de BBT-conclusies uit de BREF Afvalbehandeling voor zover daarin normen zijn opgenomen voor de van toepassing zijnde emissies. Anders vallen de emissies onder het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling. Voor de aanwezige shredderinstallatie is derhalve aansluiting gezocht bij BBT 8 uit eerder genoemde BREF. Op grond van het Activiteitenbesluit is voor ZZS alleen artikel 2.4, tweede lid van toepassing. Dit artikel gaat over de minimalisatieverplichting. De minimalisatieverplichting houdt in dat iedere vijf jaar aan het bevoegd gezag gerapporteerd moet worden over de mate waarin emissies van ZZS naar de lucht plaatsvinden en de mogelijkheden om die emissies te voorkomen c.q. te beperken. Voor de emissie van ZZS naar lucht blijkt dat voldaan wordt aan de eisen uit het Activiteitenbesluit.

15. OVERIGE ASPECTEN

15.1. Overige voorschriften

15.1.1 Bedrijfsbeëindiging

Voor het treffen van maatregelen om bij definitieve bedrijfsbeëindiging de nadelige gevolgen die de inrichting heeft veroorzaakt voor het terrein waarop zij was gevestigd, ongedaan te maken of te beperken voor zover dat nodig is om dat terrein weer geschikt te maken voor een volgende functie, zijn in paragraaf 1.9 van deze vergunning voorschriften opgenomen. Deze voorschriften blijven gedurende 5 jaar nadat de omgevingsvergunning haar geldigheid heeft verloren, in werking.

15.2. Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob)

Wij hebben in het kader van de Wet Bibob de aangeleverde stukken met betrekking tot de bedrijfsvoering en de financiering getoetst. Naar aanleiding van deze toets zien wij geen aanleiding tot verdere stappen.

15.3. Reach

REACH (Registratie Evaluatie en Autorisatie van Chemische stoffen) Verordening (EC) 1907/2006 is een Europese verordening over stoffen. REACH werkt rechtstreeks. Voor een deel van de op grond van REACH geregistreerde stoffen bestaat er een autorisatieplicht. Deze stoffen mogen niet zonder meer worden gebruikt.

Uit de aanvraag blijkt dat er binnen de inrichting stoffen worden geproduceerd, gebruikt en/of geëmitteerd waarop REACH van toepassing is.

In het kader van deze vergunning zijn wij nagegaan of er sprake is van een autorisatieplicht of restricties en of aan bepaalde specifieke stoffen die de inrichting produceert, gebruikt of emitteert, op grond van REACH in de toekomst een autorisatie of restrictie verbonden kan zijn. Bij het opstellen van de voorschriften hebben wij rekening gehouden met REACH. De inrichting moet voldoen aan de verplichtingen uit REACH.

15.4. Proefnemingen met afvalstoffen

15.4.1 Proefnemingen met afvalstoffen

Een van de kernpunten van het afvalstoffenbeleid is dat de be- en/of verwerking van afvalstoffen op een zo hoogwaardig mogelijke wijze moet plaatsvinden. Het beoordelingskader daarvoor is het LAP. Om informatie te vergaren over bijvoorbeeld de technische haalbaarheid van nieuwe hoogwaardige technieken of andere be- of verwerkingsmethoden van afvalstoffen en om inzicht te krijgen in de daaraan verbonden milieu-hygiënische consequenties, kan het uitvoeren van proefnemingen van essentieel belang zijn.

Proefnemingen worden gekenmerkt door een beperkte duur (wij gaan uit van maximaal zes maanden) en een beperkte hoeveelheid afvalstoffen. Doorlooptijd en/of hoeveelheid afvalstoffen moeten echter wel voldoende zijn om de noodzakelijke informatie te kunnen vergaren.

In de aanvraag heeft aanvrager aangegeven de mogelijkheid te willen hebben om desgewenst proefnemingen uit te kunnen voeren. Wij achten dit acceptabel. Wel zijn wij van oordeel dat daaraan randvoorwaarden moeten worden gesteld en dat proefnemingen ruim voor aanvang (ten minste zes weken) bij ons voor toestemming moeten worden voorgelegd. Daartoe hebben wij voorschriften opgenomen. Tevens moet over de resultaten van de proef aan ons worden gerapporteerd.

De proefnemingen moeten plaatsvinden binnen de milieuhygiënische randvoorwaarden van deze vergunning en mogen pas aanvangen na toestemming van ons.

Ten overvloede merken wij nog op dat indien een proef succesvol is verlopen en vergunninghouder de resultaten daarvan wil implementeren, eerst steeds zal moeten worden bezien in hoeverre een procedure op grond van de Wabo zal moeten worden doorlopen.

16. CONCLUSIE 

Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op een revisievergunning, kan worden geconcludeerd dat de omgevingsvergunning kan worden verleend.

In deze beschikking zijn de relevante voorschriften opgenomen.

BEGRIPPENLIJST

Voor de begrippen die niet in deze lijst zijn opgenomen refereren wij naar de definities zoals die zijn opgenomen in de geldende wet- en regelgeving (zoals het Activiteitenbesluit, de Activiteitenregeling, het Besluit omgevingsrecht, het Besluit externe veiligheid inrichtingen, de Wet geurhinder en veehouderij etc.)

Begrip

Definitie

Considerans

BBT

Beste Beschikbare techniek genoemd in een BBT document.

BREF

BAT Reference document. Een in Europees verband vastgesteld document waarin de BBT worden beschreven die specifiek zijn voor een bepaalde branche of activiteit.

E-PRTR

European Pollutant Release and Transfer Register.

ILT

Inspectie Leefomgeving en Transport

IPPC

Integrated Pollution Prevention and Control

ISO 14001

Milieumanagementsystemen - Eisen met richtlijnen voor gebruik, 2015

MER

Milieueffectrapport

MJV

Milieujaarverslag

PRTR

Zie E-PRTR.

REACH-verordening

REACH staat voor: Registratie, Evaluatie, Autorisatie en beperking van Chemische stoffen. REACH stelt beperkingen aan het gebruik van stoffen wanneer negatieve effecten ervan op mens en/of milieu bekend zijn, 18 december 2006.

Afval

Mengen

Het samenvoegen van afvalstoffen die qua aard, samenstelling of concentraties aanwezige componenten niet met elkaar vergelijkbaar zijn. Onder ‘mengen’ wordt in ieder geval gevat:

  • -

    het samenvoegen van afvalstoffen die vallen binnen verschillende afvalcategorieën van ‘bijlage 5; Lijst met gescheiden te houden afvalstoffen;

  • -

    het samenvoegen van afvalstoffen met niet-afvalstoffen;

  • -

    verdunnen van afvalstoffen;

  • -

    het samenvoegen van afvalstoffen binnen één afvalcategorie.

Minimumstandaard

De minimale hoogwaardigheid van verwerking van afzonderlijke afvalstoffen of categorieën van afvalstoffen. De minimumstandaard vormt een referentie voor de maximale milieudruk die verwerking van (een categorie van) afvalstoffen mag opleveren.  De standaard is een invulling van de afvalhiërarchie voor afzonderlijke afvalstoffen en vormt op die manier een referentieniveau bij de vergunningverlening voor afvalbeheer. Ook betreft het een uitwerking van de artikelen 3 en 4 van de kaderrichtlijn afvalstoffen.

Ontdoener

Persoon of bedrijf waar afval ontstaat en die zich van het afval wil ontdoen door het af te geven aan een inzamelaar, vervoerder handelaar, bewerker of verwerker.

Opbulken

Het samenvoegen van afvalstoffen die qua aard, samenstelling en concentraties vergelijkbaar zijn.

Overslaan

Verrichten van alle handelingen op één locatie, waarbij afvalstoffen vanuit of vanaf een opbergmiddel of transportmiddel in of op een ander opbergmiddel of transportmiddel worden overgebracht. Hieronder vallen bijvoorbeeld beladen, lossen, hevelen, enz. met bijvoorbeeld kranen, transportbanden en leidingen, maar het uitvoeren van iedere verwerkingshandeling (sorteren, scheiden, spoelen, mengen, etc. etc.) valt hier niet onder.

Sorteren

Scheiden van een mengsel van materiaalstromen of van samengestelde materialen gescheiden in de oorspronkelijke materiaalstromen.

Uitsorteren

Het handmatig scheiden van incidenteel voorkomende verontreinigingen uit een vrijwel schone materiaalstroom of uit een mengsel van vrijwel schone materiaalstromen

Afvalwater en waterbesparing

Afvalwater

Alle water waarvan de houder zich, met het oog op de verwijdering daarvan, ontdoet, voornemens is zich te ontdoen, of moet ontdoen.

Bedrijfsafvalwater

Afvalwater (inclusief verontreinigd hemelwater), niet zijnde huishoudelijk afvalwater.

Bedrijfsriolering

Een stelsel van buizen, verbindingstukken en elementen zoals straat- en trottoirkolken, gootelementen, verzamelputten en installaties, zoals slibvangputten, olie-waterscheider en controleputten voor de opvang en afvoer van bedrijfsafvalwater.

Hemelwater

Alle neerslag, zoals regen, sneeuw of hagel.

Huishoudelijk afvalwater

Afvalwater dat vergelijkbaar is met afvalwater afkomstig van particuliere huishoudens.

Openbaar riool

Voorziening voor de inzameling en transport van afvalwater, als bedoeld in artikel 10.30 van de Wet milieubeheer.

Riolering

Bedrijfsriolering of openbare riolering.

Bodem

AS SIKB 6700

Accreditatieschema Inspectie bodembeschermende voorzieningen, onderliggende protocollen en examenreglement, versie 3.0, februari 2018

BAOC

Een bewijs van aanleg onder certificaat, door de aannemer verstrekt.

Bedrijfsriolering

Een stelsel van buizen, verbindingstukken en elementen zoals straat- en trottoirkolken, gootelementen, verzamelputten en installaties, zoals slibvangputten, olie-waterscheider en controleputten voor de opvang en afvoer van bedrijfsafvalwater.

Bodemincident

Een incident waarvan op voorhand een redelijk vermoeden bestaat dat vrijgekomen stoffen de bodem zullen verontreinigen, dan wel een incident waarna door middel van lekdetectie of anderszins is vastgesteld dat bodemverontreiniging is opgetreden.

Bodemrisicodocument

Document dat inzicht geeft in het risico van bodemverontreiniging. Hiertoe wordt per bodembedreigende activiteit overeenkomstig de bodemrisicochecklist uit de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bepaald of met de aanwezige of voorgenomen combinatie van voorzieningen en maatregelen sprake is of zal zijn van een verwaarloosbaar bodemrisico.

BRL 2319

Aanleg vloeistofdichte voorzieningen met prefab verhardingselementen van beton.

BRL 2362

Aanleg vloeistofdichte voorzieningen in ter plaatse gestort beton.

BRL 2371

Het vloeistofdicht maken van draagvloeren van beton

BRL 2372

Aanleg vloeistofdichte voorziening in asfalt

BRL SIKB 7700

Beoordelingsrichtlijn Aanleg of herstel van een vloeistofdichte voorziening. Versie 1.3 oktober 2014.

CUR/PBV

Civieltechnisch Centrum Uitvoering Research en Regelgeving / Plan Bodembeschermende Voorzieningen.

CUR/PBV-aanbeveling 65

Ontwerp en aanleg van bodembeschermende voorzieningen, september 2005

CUR-rapport 196

Ontwerp en detaillering bodembeschermende voorzieningen, juli 2000

CUR Rapport 2001-3

Beheer bedrijfsriolering bodembescherming, ISBN: 9037604714, januari 2020

Kwalibo

Kwaliteitsborging in het bodembeheer als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit

NEN 5725

NEN 5725 : Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek, uitgever NEN ICS 13.080.01; 13.080.05, oktober 2017.

NEN-EN 13508-2:2003+A1:2011+ CNL1:2021/NEN-EN 13508-1:2012

Onderzoek en beoordeling van de buitenriolering - Deel 2: Coderingssysteem voor visuele inspectie, maart 2021

Verklaring vloeistofdichte voorziening

Een bewijs van inspectie waarmee aangetoond wordt dat een voorziening als vloeistofdicht wordt aangemerkt.

Vloeistofdichte vloer of voorziening

Vloer of voorziening direct op de bodem die waarborgt dat geen vloeistof aan de niet met vloeistof belaste zijde van de vloer of voorziening kan komen.

Energie en vervoersmanagement

Energie-audit

(bij EED)

Een energieonderzoek zoals bedoeld in de Tijdelijke regeling implementatie artikelen 8 en 14 Richtlijn energie-efficiëntie of de AMvB/Wet die de Tijdelijke regeling opvolgt.

Een systematische procedure met als doel toereikende informatie te verzamelen omtrent het huidige energieverbruiksprofiel van een gebouw of groep gebouwen, van een industriële of commerciële activiteit of installatie of van private of publieke diensten, mogelijkheden voor kosteneffectieve energiebesparing te signaleren en kwantificeren en verslag uit te brengen van de resultaten.

Energiekosten

Alle kosten zoals vermeld op de eindafrekening van het energiebedrijf die samenhangen met het verkrijgen van aardgas, elektriciteit, warmte (uit een distributienet) en andere brandstoffen (stookolie, gasolie, diesel) voor de gebouwen, faciliteiten en processen in de inrichting, maar exclusief de kosten gemaakt voor brandstoffen voor motorvoertuigen. Voor aardgas moeten met name worden meegenomen basisprijs, brandstofheffing, calorische toeslag, energieheffing (regulerende energiebelasting), vastrecht en btw. Voor elektriciteit moeten met name worden meegenomen de kosten voor normaaluren en laagtariefuren (is afhankelijk van kWh-verbruik), kW-tarief continu en piekuren (is afhankelijk van het opgestelde vermogen), brandstofkosten, transformatorverliezen, energieheffing, vastrecht en BTW.

Energie-efficiëntieplan

(EEP bij MJA3/MEE)

Het energie-efficiëntieplan (EEP) dat een deelnemer aan een MJA3/MEE opstelt.

Dit plan moet elke 4 jaar worden geactualiseerd. Het EEP geeft inzicht in de energetische situatie en de te treffen energie efficiëntie maatregelen van de inrichting.

Energieuitvoeringsplan

Het plan van aanpak waarin de drijver van de inrichting de termijn aangeeft waarbinnen zij de rendabele maatregelen toe zal passen binnen de inrichting.

Rendabele maatregelen

Maatregelen die een terugverdientijd hebben van vijf jaar of minder.

Terugverdientijd

De verhouding tussen het investeringsbedrag voor de maatregel na aftrek van eventuele subsidies en de jaarlijkse opbrengsten van de maatregel ten gevolge van de met de maatregel samenhangende energiebesparing en andere kostenbesparingen. In geval van een investering in een installatie voorzien van afzonderlijke energiebesparende componenten moet in plaats van het totaalinvesteringsbedrag worden gerekend met de meer investering ten opzichte van een installatie zonder de energiebesparende componenten. Voor de berekening van de financiële opbrengsten vanwege het nemen van de maatregel moet worden gerekend met de op het moment van het energiebesparingsonderzoek geldende kosten (tarieven) voor de betrokken inrichting. Er wordt geen rekening gehouden met de eventuele kosten van het (vervroegd) uit bedrijf nemen van een installatie en niet met rentekosten

Stand der techniek

Het hoogste niveau van technische ontwikkeling dat op een bepaald tijdstip is bereikt binnen een branche.

Externe Veiligheid

Bedrijfsbrandweer

Een bedrijfsbrandweer conform de aanwijzingsbeschikking artikel 31 van de Wet veiligheidsregio's dan wel een bedrijfsbrandweer welke is vastgesteld op basis van een goedgekeurd bedrijfsbrandweerrapport met daarin de informatie zoals gesteld onder artikel 7.2,eerste lid van het Besluit veiligheidsregio's.

Andere hernieuwbare brandstoffen

Andere hernieuwbare brandstoffen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van richtlijn 2003/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 mei 2003 ter bevordering van het gebruik van biobrandstoffen of andere hernieuwbare brandstoffen in het vervoer.

Brandbare (vloei)stof

Een vloeistof die zelf brandbaar is of waaruit onder voorzienbare bedrijfsomstandigheden een brandbaar gas, brandbare damp of brandbare nevel kan ontstaan (EN-IEC 60079-10). Een vaste stof vallend onder klasse 4.1.van het ADR. Een vloeistof die , in verpakte vorm, conform het ADR het etiket model nr. 3 draagt.

Brandbestrijdingssystemen

De repressieve middelen ter bestrijding van brand, zoals brandkranen (blusbootaansluitingen), handblusmiddelen (haspels en poederblussers), sprinklers, deluge, blusgasinstallaties etc.

Brandbeveiligingssystemen

Alle brandveiligheidsvoorzieningen, zoals de brandbestrijdingssystemen en de branddetectie en doormelding.

Brandgevaarlijke stof

Vaste, vloeibare of gasvormige stof die brandbaar of brandbevorderend is, of bij brand gevaar oplevert, in de zin van de ADR-klassen 2 t/m 5.

CLP

De CLP-verordening is de Europese verordening over de indeling (Classification), etikettering (Labelling) en verpakking (Packaging) van chemische stoffen en mengsels.

Drukhouder

Een drukhouder is een verzamelterm die flessen, grote cilinders, drukvaten, gesloten cryohouders en flessenbatterijen omvat.

Emballage

Verpakkingsmateriaal, zoals glazen en kunststof flessen, blikken en kunststof cans, metalen en kunststof vaten of fiberdrums, papieren en kunststof zakken, houten kisten, big-bags en Intermediate Bulk Containers (IBC's).

Gas

Een stof die bij 50°C een dampdruk bezit hoger dan 300 kPa (3 bar) of bij 20°C en de standaarddruk van 101,3 kPa volledig gasvormig is.

Gasflessenbatterij (cilinderpakket)

Een verzameling flessen die aan elkaar zijn bevestigd en onderling door een verzamelleiding zijn verbonden en die als ondeelbare eenheid wordt vervoerd.

Installaties

Die onderdelen van de inrichting, die als een zelfstandige eenheid kunnen worden beschouwd. Installaties kunnen met elkaar verbonden zijn, bijvoorbeeld via pijpleidingen.

Keuring voor Ingebruikneming drukapparatuur

Een (eerste of hernieuwde) keuring voor ingebruikneming, uitgevoerd voorafgaand aan een eerste ingebruikneming van nieuwe drukapparatuur en indien van toepassing voorafgaand aan een hernieuwde ingebruikneming van bestaande drukapparatuur. (Verplichting op grond van het Warenwetbesluit drukapparatuur).

KIWA

Dienstverlenend centrum voor kwaliteitsbeheersing en onderzoek in de sectoren Drinkwater, Bouw en Milieu, www.kiwa.nl

NPR 1014: 2009 nl

Bliksembeveiliging- Leidraad bij de NEN-EN- IEC 62305, november 2009.

NEN-EN-IEC 62305-reeks

Deel 2

Ongewoon voorval

Elke gebeurtenis in een inrichting, ongeacht de oorzaak van die gebeurtenis, die afwijkt van de normale bedrijfsactiviteiten - met inbegrip van storingen in het productieproces en storingen in de voorzieningen (mits daaruit nadelige gevolgen voor het milieu voortkomen) van de inrichtingen alsook ongelukken en calamiteiten – en waardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of dreigen te ontstaan.

Persistent

Niet of nauwelijks afbreekbaar

PGS 29

Richtlijn voor bovengrondse opslag van brandbare vloeistoffen in verticale cilindrische tanks, versie 1.1, december 2016.

PGS 31

Overige gevaarlijke vloeistoffen: opslag in ondergrondse en bovengrondse tankinstallaties, versie 1.1 oktober 2018

PGS 33-2

Aardgas- Afleverinstallaties van vloeibaar aardgas (LNG) voor vaartuigen, april 2014

Procesinstallaties

Installaties waarin processen en andere handelingen worden uitgevoerd, inbegrepen de direct hiertoe behorende installaties voor de terugwinning, zuivering en/of vernietiging van producten, afvalstoffen, afvalwater en afvalgassen en voor tussenopslag van deze stoffen of voor de beveiliging

QRA

Quantitative Risk Assessment oftewel kwantitatieve risico-analyse.

Reprotoxisch

Reprotoxische stoffen zijn stoffen met een mogelijk effect op de voortplanting en op de ontwikkeling van een ongeboren vrucht. De effecten kunnen zijn bij mensen, maar ook bij dieren of planten.

Risicobeoordeling

Beoordeling van risico’s voor de gezondheid van de mens of het milieu welke ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen met zich mee kan brengen.

Risk Based Inspection

Inspecties waarbij inspectietermijnen bepaald worden met behulp van risicoanalyses

Stoffen die bij een brand betrokken kunnen worden

Dit zijn de stoffen als bedoeld in de Handleiding Risicoberekeningen Bevi (HBR), versie 3.3, juli 2015, module C, bijlage 14 “Verantwoording”, paragraaf 14.4, blz. 178 en 179 zijnde ADR-klasse 3-stoffen, brandbare stoffen en stoffen die bij een brand kunnen ontleden of verdampen, respectievelijk de categorieën 1, 2 en 3 uit de tabel 114.

Storingsanalyse

Een storingsanalyse is een systematisch onderzoek naar alle voorzienbare afwijkingen van een normale procesvoering, hieronder begrepen de in en buiten bedrijfstelling, naar de oorzaken en de gevolgen van die afwijkingen in kwalitatieve zin en naar de noodzakelijke acties. ('Storingsanalyse waarom? wanneer? hoe?' van het Directoraat Generaal van de Arbeid, rapport no. V2, 2e druk 1982).

Toxisch

Toxische stoffen zijn in meer of mindere mate schadelijk voor organismen. Effecten kunnen optreden bij inademing, inslikken, contact met de huid, ogen of slijmvliezen. Een ander woord voor toxisch is giftig.

Uitgangspuntendocument (met betrekking tot brandrisico)

Een document waarin voor een specifiek bouwwerk beschreven is welk integrale bouwkundige, installatietechnische en organisatorische maatregelen genomen worden ter afdekking van de brandrisico's.

UPD

Uitgangspuntendocument. Het UPD is de grondslag voor ontwerp, uitvoering, beheer en inspectie van het Vastopgestelde Brandbeheersings- en Brandblussysteem (VBB-systeem) en omvat de uitgangspunten daarvoor.

VBS

Veiligheidsbeheerssysteem. In het VBS moet dat gedeelte van het algemene managementsysteem zijn opgenomen waartoe behoren de organisatorische structuur, de verantwoordelijkheden, de werkwijzen, de procedures, de processen en de hulpmiddelen welke het mogelijk maken het preventiebeleid voor (zware) ongevallen te bepalen en uit te voeren.

Veiligheidsstudie

Een systematische risicoanalyse om de relevante risico’s van ongewenste situaties te kunnen identificeren en te beheersen

Verontreinigende stoffen

Stoffen die hinder of nadeel voor de gezondheid van de mens kunnen opleveren. Ook vallen hieronder stoffen die schade kunnen toebrengen aan dieren, planten of goederen. Dit kan gaan om op zichzelf staande stoffen, gezamenlijke stoffen of stoffen die in verbinding met elkaar staan.

VISA

Veiligheid Industriële Stookinstallaties voor het stoken van Aardgas

Vlampunt

De laagste temperatuur waarbij de stof nog genoeg damp afgeeft om tot ontbranding te kunnen komen wanneer deze in contact komt met een ontstekingsbron

Geluid

Geluidsgevoelige bestemmingen

Gebouwen of objecten, aangewezen in het Besluit geluidhinder krachtens de artikelen 49 en 68 van de Wet geluidhinder (Stb. 1982, 465).

Immissierelevante bronsterkte (LWR)

Het geluidsvermogen niveau van een rondom afstralende puntbron die op een plaats van de echte geluidsbron dan wel het broncentrum van een stelsel geluidsbron staat en op het immissiepunt hetzelfde geluidsniveau geeft als deze geluidsbron(nen).

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT)

Het A-gewogen gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse, in de loop van een bepaalde periode optredende geluid en zo nodig gecorrigeerd voor de aanwezigheid van impulsachtig geluid, tonaal geluid of muziekgeluid, vastgesteld en beoordeeld

overeenkomstig de 'Handleiding meten en rekenen industrielawaai', uitgave 1999.

Maximaal geluidsniveau (LAmax)

Het hoogste A-gewogen geluidsniveau, afgelezen in de meterstand 'fast', verminderd met de meteocorrectieterm Cm. De meterstand 'fast' komt overeen met een tijdconstante van 125 ms.

Referentieniveau

De hoogste waarde van de onder 1. en 2. genoemde niveaus, bepaald overeenkomstig het Besluit bepaling referentieniveau-periode (Stcrt. 1982, 162):

het geluidsniveau, uitgedrukt in dB(A), dat gemeten over een bepaalde periode gedurende 95% van de tijd wordt overschreden, exclusief de bijdrage van de inrichting zelf;

het optredende equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door wegverkeerbronnen minus 10 dB(A), met dien verstande dat voor de nachtperiode van 23.00 tot 07.00 uur alleen wegverkeerbronnen in rekening mogen worden gebracht met een intensiteit van meer dan 500 motorvoertuigen gedurende die periode.

SBR-richtlijn B

Meet- en beoordelingsrichtlijnen, Hinder voor personen in gebouwen Deel B, Richtlijn van de Stichting Bouwresearch. Dit deel van meet- en beoordelingsrichtlijnen gaat over hinder voor personen ten gevolge van gebouwtrillingen. In dit deel van de richtlijn wordt onderscheid gemaakt ten aanzien van de functie van het gebouw, het tijdstip van de dag en het karakter van de trillingen. Tevens onderscheidt de richtlijn bestaande, gewijzigde en nieuwe situaties, augustus 2002.

Trilling

Mechanische beweging rond een referentiepunt dat in evenwicht is.

Verkeersbeweging

Het aan- of afrijden met een persoon-, bestel- of vrachtwagen.

Vmax

Maximale trillingssterkte.

Vper

Trillingssterkte over een beoordelingsperiode

Geur

Aanvaardbaar hinderniveau

Uitkomst van het afwegingsproces van onder andere de volgende aspecten:

  • -

    toetsingskader;

  • -

    geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten;

  • -

    aard en waardering van de geur (hedonische waarde);

  • -

    klachtenpatroon; huidige en verwachte hinder;

  • -

    technische en financiële consequenties van maatregelen en gevolgen daarvan voor andere emissies;

  • -

    de mate waarin getroffen maatregelen ter beperking van luchtemissies overeenstemmen met BBT uit BREF’s en nationale BBT-documenten;

  • -

    lokale situatie (onder meer planologische ruimte, sociaal-economische aspecten en andere lokale afwegingen);

  • -

    historie van het bedrijf in zijn omgeving.

OPMERKING Het aanvaardbaar hinderniveau voor veehouderijen verschilt met het bovenstaande en is geregeld via de Wet geurhinder en veehouderijen / het Activiteitenbesluit.

Europese geureenheid (ouE)

Eén Europese geureenheid is de hoeveelheid geurstoffen die, bij verdamping in één kubieke meter neutraal gas onder standaard condities, een fysiologische respons oproept bij een panel (detectiegrens) gelijk aan de respons die optreedt bij verdamping van 123 μg n-butanol (CAS-Nr. 71-36-3) in één kubieke meter lucht onder standaard condities (concentratie is 0,040 μmol/mol).

Geuremissie

Hoeveelheid geur die per tijdseenheid wordt geëmitteerd uitgedrukt in Europese geureenheden; De geuremissie is gelijk aan de geurconcentratie in de geëmitteerde luchtstroom vermenigvuldigd met het debiet van de luchtstroom .

Geurbelasting

Geurconcentratie in de omgeving (per tijdseenheid). De geurbelasting wordt uitgedrukt in Europese geureenheden per kubieke meter lucht bij een bepaalde percentielwaarde (ouE/m3 als x-percentiel van de uurgemiddelde concentratie). De x-percentielwaarde vertegenwoordigt de tijdsfractie van een jaar waarvoor geldt dat gedurende deze tijdsfractie de geurconcentratie beneden deze aangegeven concentratie blijft of gelijk is aan deze waarde.

Geurconcentratie

Hoeveelheid Europese geureenheden per kubieke meter lucht (ouE/m3) onder standaardcondities.

Geurdrempel

Geurconcentratie van één stof of van een mix van stoffen van één Europese geureenheid per kubieke meter.

Geuremissie

Hoeveelheid geur die per tijdseenheid wordt geëmitteerd uitgedrukt in Europese geureenheden. De geuremissie is gelijk aan de geurconcentratie in de geëmitteerde luchtstroom vermenigvuldigd met het debiet van de luchtstroom.

Geurimmissie

Geurconcentratie in de omgeving (per tijdseenheid).

NEN-EN 13725

Bepaling van de geurconcentratie door dynamische olfactometrie. (oktober 2006).

NEN-EN 15259

Luchtkwaliteit - Meetmethode emissies van stationaire bronnen - Eisen voor meetvlakken en meetlocaties en voor doelstelling, meetplan en rapportage van de meting (oktober 2007).

Percentielwaarde

Tijdfractie van het jaar dat een bepaalde geurconcentratie niet wordt overschreden.

OPMERKING Een geurbelasting van 1 ouE/m3 als 98-percentiel van de uurgemiddelde concentratie geeft bijvoorbeeld aan dat de geurconcentratie van 1 ouE/m3 gedurende 2 % van de tijd (minder dan 176 h per jaar) wordt overschreden.

Lucht

Afgas

Gasvormige drager van de emissie.

ETS

CO2 emissiehandelssysteem

Goederen

Producten als genoemd in bijlage 7 van de NeR. Bijlage 7 van de NeR geeft de klassenindeling van de meest voorkomende stortgoederen. Deze lijst moet overigens niet als limitatief worden gezien, doch kan aanvullingen of wijzigingen ondergaan.

m30

Gashoeveelheid [m3] bij 273,15 K, bij 101,3 kPa, betrokken op droog gas.

NIBM

Niet in betekenende mate

NNM

Nieuw Nationaal Mode

NSL

Nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit

NTA 9065

Nederlandse Technische Afspraak 9065: Geurmeting- en berekening. Uitgegeven door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut, oktober 2012

Oppervlaktebron (lucht)

Een niet gekanaliseerde bron, zonder vast emissiepunt, waaruit over een bepaald oppervlak verontreinigende stoffen in de buitenlucht worden geëmitteerd.

PAS

Programmatische Aanpak Stikstof

Percentielwaarde

Tijdfractie van het jaar dat een bepaalde geurconcentratie niet wordt overschreden. Een geurbelasting van 1 ouE/m3 als 98-percentiel van de uurgemiddelde concentratie geeft bijvoorbeeld aan dat de geurconcentratie van 1 ouE/m3 gedurende 2 % van de tijd (minder dan 176 h per jaar) wordt overschreden.

ppm

Concentratie-eenheid parts per million

Puntbron

Een gefixeerd punt van gekanaliseerde - en daarmee in principe kwantificeerbare emissies.

RIE

Richtlijn Industriële Emissies

Stortgoed

Onverpakt korrelvormig materiaal.

Stuifklasse

Klasse uit de stuifklasse-indeling van Bijlage 3 van het Activiteitenbesluit: S1 sterk stuifgevoelig, niet bevochtigbaar, S2 sterk stuifgevoelig, wel bevochtigbaar, S3 licht stuifgevoelig, niet bevochtigbaar, S4 licht stuifgevoelig, wel bevochtigbaar, S% nauwelijks of niet stuifgevoelig.

VOS

Vluchtige organische stoffen

Biologische agentia

Biologische agentia

Micro-organismen, met inbegrip van die welke genetisch zijn gemodificeerd, celculturen en menselijke endoparasieten die een infectie, allergie of toxiciteit kunnen veroorzaken.

Genetisch gemodificeerd organisme

organisme, met uitzondering van menselijke wezens, waarvan het genetisch materiaal is veranderd op een wijze die van nature niet mogelijk is door voortplanting of natuurlijke recombinatie.

Micro-organisme

Elke cellulaire of niet-cellulaire micro-biologische entiteit met het vermogen tot replicatie of tot overbrenging van genetisch materiaal, met inbegrip van virussen, viroïden en dierlijke en plantencellen in cultuur.

Micro-organisme van klasse 1

Micro-organisme dat in ieder geval voldoet aan een van de volgende voorwaarden:

  • -

    het micro-organisme behoort niet tot een soort waarvan vertegenwoordigers bekend zijn die ziekteverwekkend zijn voor mens, dier of plant;

  • -

    het micro-organisme heeft een lange historie van veilig gebruik onder omstandigheden waarbij geen bijzondere inperkende maatregelen worden getroffen;

  • -

    het micro-organisme behoort tot een soort die vertegenwoordigers bevat van klasse 2, 3 of 4, maar de stam in kwestie bevat geen genetisch materiaal dat verantwoordelijk is voor de virulentie;

  • -

    van het micro-organisme is het niet-virulente karakter door middel van adequate tests aangetoond;

Micro-organisme van klasse 2

Micro-organisme dat bij mensen of dieren een ziekte kan veroorzaken, waarvan het onwaarschijnlijk is dat het zich onder de populatie verspreidt, terwijl er een effectieve profylaxe, behandeling of bestrijding toepasbaar is, alsmede een micro-organisme dat bij planten een ziekte kan veroorzaken.

Micro-organisme van klasse 3

Micro-organisme dat bij mensen of dieren een ernstige ziekte kan veroorzaken, waarvan het waarschijnlijk is dat het zich onder de populatie verspreidt, terwijl er een effectieve profylaxe, behandeling of bestrijding toepasbaar is.

Micro-organisme van klasse 4

Micro-organisme dat bij mensen of dieren een zeer ernstige ziekte kan veroorzaken, waarvan het waarschijnlijk is dat het zich onder de populatie verspreidt, terwijl er geen effectieve profylaxe, behandeling of bestrijding toepasbaar is

Organisme

Micro-organisme of andere biologische entiteit met het vermogen tot replicatie of tot overbrenging van genetisch materiaal

Richtlijn nr. 2000/54/EG

Richtlijn nr. 2000/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 september 2000 (Pb EG L 262) betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan biologische agentia op het werk (zevende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn nr. 89/391/EEG).

Bijlage 1: geluid

 

 

 

 

 

 

 

Naar boven