Besluit gedeeltelijk intrekken activiteit inrichting aan Lutkepost 18A te Buitenpost

  • I.

    Onderwerp

Op 11 juli 2023 heeft u voor uw inrichting aan de Lutkepost 18A te Buitenpost een aanvraag ingediend om de opslagcapaciteit van gevaarlijke afvalstoffen terug te brengen naar een totale capaciteit tot 50 ton. Hierdoor komt de RIE-categorie 5.5 voor deze inrichting te vervallen. De inrichting betreft onder andere een (gemeentelijke) milieustraat met een groencompostering. De inrichting is een type C-IPPC inrichting voor wat betreft de RIE-categorieën 5.3 (composteren) en 5.5 (opslag gevaarlijke afvalstoffen).

  • II.

    Omgevingswet

Omdat de aanvraag is ingediend voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 bepaalt het overgangsrecht dat het oude recht van toepassing is op deze aanvraag.

  • III.

    Besluit

Wij besluiten, gezien de overwegingen die zijn opgenomen in deze beschikking en gelet op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de daarop betrekking hebbende uitvoeringsbesluiten en -regelingen en de Wet milieubeheer (Wm):

  • op grond van artikel 2.33 lid 2 van de Wabo op verzoek van de vergunninghouder de opslagcapaciteit van gevaarlijke afvalstoffen terug te brengen naar een totale capaciteit tot 50 ton waarmee de RIE-categorie 5.5 voor deze inrichting komt te vervallen.

Wij besluiten tevens dat de volgende delen van de aanvraag onderdeel uitmaken van deze beschikking:

  • -

    brief van DGMR namens de gemeente Achtkarspelen van 11 juli 2023 (kenmerk M.2022.0486.04.B001);

  • -

    toelichting op milieuneutrale verandering, definitief, versie 002, rapportnr. M.2022.0486.06.R001.

Overeenkomstig artikel 2.33, lid 2, onder b van de Wabo kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning gedeeltelijk intrekken indien de vergunninghouder daarom heeft verzocht.

Artikel 2.33 lid 3 van de Wabo bepaalt dat een vergunning voor het in werking hebben van een inrichting (artikel 2.1, lid 1, onder e van de Wabo) alleen geheel of gedeeltelijk mag worden ingetrokken indien de bescherming van het milieu zich hier niet tegen verzet.

  • IV.

    Procedure

Deze vergunning is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo.

  • V.

    Ondertekening en verzending

Namens het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân,

S.G.C. Boender

Afdelingshoofd Vergunningverlening en Specialistisch Advies

RECHTSBESCHERMINGSMIDDELEN

Bekendmaking, inwerkingtreding en rechtsbeschermingsmiddelen (definitieve) beschikking

Deze beschikking wordt bekendgemaakt door toezending aan de aanvrager. Daarnaast wordt een kennisgeving gedaan door publicatie in de Leeuwarder Courant, het Friesch Dagblad en in het Provinciaal blad van Fryslân via www.officielebekendmakingen.nl. De beschikking treedt in werking 6 weken na bekendmaking van het definitief besluit.

De aanvraag en de beschikking met de daarbij behorende stukken worden op grond van de Algemene wet bestuursrecht met ingang van 2 augustus 2024 ter inzage gelegd. Inzage is mogelijk bij de gemeente en bij de provincie/FUMO.

Een dag nadat de beschikking ter inzage is gelegd, start de termijn van zes weken voor het indienen van een beroepschrift. In die periode kunnen zowel u als andere belanghebbenden beroep aantekenen tegen deze beschikking. Ook niet-belanghebbenden kunnen beroep aantekenen indien zij een zienswijze hebben ingediend. Het beroepschrift moet in tweevoud ingediend worden bij Rechtbank Noord-Nederland, Postbus 150, 9700 AD Groningen. Het indienen van een beroepschrift stelt de werking van de beschikking niet uit. Als u of belanghebbenden niet willen dat deze beschikking in werking treedt na afloop van de beroepstermijn, kan tijdens die termijn om een voorlopige voorziening worden verzocht. Dit verzoek kan worden gedaan bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord Nederland, Postbus 150, 9700 AD Groningen. De beschikking treedt in dat geval niet in werking voordat over dit verzoek is beslist.

OVERWEGINGEN

1. PROCEDURELE ASPECTEN

1.1.  Gegevens aanvrager

Op 11 juli 2023 is een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ontvangen. Het betreft een verzoek van de gemeente Achtkarspelen (vergunninghouder) om de opslagcapaciteit van gevaarlijke afvalstoffen terug te brengen naar een totale capaciteit tot 50 ton waarmee de RIE-categorie 5.5 voor deze inrichting komt te vervallen.

1.2.  Projectbeschrijving

De inrichting betreft onder andere een (gemeentelijke) milieustraat met een groencompostering. De huidige inrichting is een type C-IPPC inrichting voor de RIE-categorieën 5.3 (composteren) en 5.5 (opslag gevaarlijke afvalstoffen). Met de aanvraag verzoekt de vergunninghouder om de opslagcapaciteit van gevaarlijke afvalstoffen terug te brengen naar een totale capaciteit tot 50 ton. De inrichting blijft echter vallen onder categorie 5.3 b van de RIE, zodat sprake blijft van een inrichting met een IPPC-installatie.

1.3.  Omschrijving van de aanvraag

De aanvraag bestaat uit de volgende delen:

  • o

    brief van DGMR namens de gemeente Achtkarspelen van 11 juli 2023 (kenmerk M.2022.0486.04.B001);

  • o

    toelichting op milieuneutrale verandering, definitief, versie 002, rapportnr. M.2022.0486.06.R001.

1.4.  Huidige vergunningssituatie

Voor de inrichting zijn eerder de onderstaande vergunningen en/of ontheffingen verleend dan wel meldingen geaccepteerd:

Soort

Datum

Kenmerk

Onderwerp

Wet milieubeheer*

12 april 2005

595013

Milieuvergunning

Wet milieubeheer*

7 juli 2008

00771534

Toepassing art. 8.19

Omgevingsvergunning

2 februari 2010

00872966

Veranderingsvergunning milieuterrein

De hierboven genoemde vergunningen waar een * bij staat, zijn volgens de Invoeringswet Wabo gelijkgesteld aan een omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd.

1.5.  Vergunningplicht

De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I, onderdeel C van het besluit omgevingsrecht (Bor). De volgende categorieën zijn van toepassing:

Categorie

Omschrijving

28.1

Inrichtingen voor:

  • a.

    het opslaan van:

    • 2°.

      bedrijfsafvalstoffen;

    • 4°.

      gevaarlijke afvalstoffen;

  • b.

    het verwerken, vernietigen of overslaan van afvalstoffen;

28.4

Gedeputeerde Staten zijn bevoegd te beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning ten aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het betreft inrichtingen voor:

  • a.

    het opslaan van de volgende afvalstoffen:

    • 1°.

      van buiten de inrichting afkomstige ingezamelde of afgegeven huishoudelijke afvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 35 m3 of meer;

    • 2°.

      van buiten de inrichting afkomstige gevaarlijke afvalstoffen;

    • 3°.

      andere dan de onder 1 0 tot en met 50 genoemde van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 1.000 m3 of meer;

  • c.

    1°. het ontwateren, microbiologisch of anderszins biologisch of chemisch omzetten, agglomereren, deglomereren, mechanisch, fysisch of chemisch scheiden, mengen, verdichten of thermisch behandelen — anders dan verbranden — van van buiten de inrichting afkomstige huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 15.000.000 kg per jaar of meer;

28.10

Als categorieën vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1 , tweede lid, van dit besluit, worden aangewezen de inrichtingen voor nuttige toepassing of verwijdering van afvalstoffen.

Op grond van categorie 28.10 is sprake van een vergunningplichtige activiteit. De activiteiten zijn niet genoemd onder een van de uitzonderingen.

Het betreft een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort genoemd in Bijlage I categorie 5.3 b, van de Richtlijn industriële emissies (Rie). Ook om die reden is op grond van artikel 2.1, tweede lid van het Bor sprake van een vergunningplichtige inrichting.

1.5 Bevoegd gezag

Wij zijn bevoegd gezag voor de inrichting. Dit volgt uit artikel 2.4, tweede lid van de Wabo juncto artikel 3.3, eerste lid van het Bor. De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage l, onderdeel C, categorie 28.4 van het Bor. Het betreft een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort als genoemd in Bijlage l, categorie 5.3 b van de Richtlijn industriële emissies.

1.6 Beoordeling van de aanvraag

Na ontvangst van de aanvraag op 11 juli 2023 en de door ons op 28 mei 2024 per e-mail ontvangen aanvullende informatie, hebben wij deze getoetst op volledigheid. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanvraag is dan ook in behandeling genomen.

1.7 Procedure

De vigerende omgevingsvergunning (12 april 2005 met kenmerk 595013) is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure zoals genoemd in paragraaf 3.3 van de Wabo. Gelet hierop dient de intrekking conform artikel 3.15, lid 3 van de Wabo eveneens te worden voorbereid met deze uitgebreide voorbereidingsprocedure. Er is getoetst aan de artikelen 2.33, leden 2, onder b en 3, die gaan over het intrekken van een omgevingsvergunning op verzoek van de vergunninghouder en de beoordeling of het belang van de bescherming van het milieu zich verzet tegen een intrekking. Het ontwerpbesluit met bijbehorende stukken heeft ter inzage gelegen van 2 augustus tot en met 13 september 2024. Naar aanleiding van het ontwerpbesluit zijn geen zienswijzen ingediend.

1.8 Advies

In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 van de Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor en de geringe omvang van de wijziging, hebben wij geen adviezen gevraagd.

1.9 Omgevingswet

Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet van kracht geworden. De Omgevingswet heeft onder andere de Wabo vervangen inclusief onderliggende wetten en besluiten. Deze aanvraag is echter ingediend vóór 1 januari 2024 wat betekent dat de aanvraag op grond van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet behandeld wordt conform het “oude” recht. We hebben deze aanvraag dan ook conform de Wabo behandeld.

Op het moment dat de omgevingsvergunning onherroepelijk is, wordt deze op grond van artikel 4.13 lid 1 van de Invoeringswet Omgevingswet van rechtswege omgezet naar een omgevingsvergunning onder de Omgevingswet. Deze omgevingsvergunning blijft gelden zolang de inrichting naar aard en omvang hetzelfde blijft. De aanvraag voor de omgevingsvergunning wordt tevens aangemerkt als een melding op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving en het omgevingsplan.

Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en omgevingsplan

Op 1 januari 2024 is het Activiteitenbesluit milieubeheer en bijbehorende ministeriële regeling vervallen. Vanaf deze datum zijn voor milieubelastende activiteiten die niet (meer) onder de vergunningplicht vallen de regels uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het omgevingsplan van toepassing. Als in het Bal direct werkende algemene regels zijn opgenomen, wordt – net als bij het Activiteitenbesluit milieubeheer – deze regel niet als voorschrift in de vergunning opgenomen. De algemene regel volstaat dan.

Ook onder de Omgevingswet is er sprake van een vergunningplicht voor de kernactiviteit afvalbeheer met IPPC-installatie zoals genoemd in paragraaf 3.3.10 van het Bal?. Artikel 3.78 lid 1 onder b van het Bal geeft aan dat er sprake is van een milieubelastende activiteit (mba), het exploiteren van een ippc-installatie voor het verwijderen of nuttig toepassen van ongevaarlijke afvalstoffen, zoals bedoeld in categorie 5.3 van bijlage I bij de Rie. Artikel 3.79 van het Bal bepaalt dat sprake is van een vergunningplichtige activiteit.

1.10 Wet natuurbescherming

In de Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen dat het verboden is zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied (artikel 2.7, tweede lid van de Wnb) en/of zonder ontheffing beschermde dieren en/of planten opzettelijk te doden, vangen, verstoren, vernielen, beschadigen etc. (zie de artikelen 3.1, 3.5 of 3.10, eerste lid van de Wnb)

De gevraagde veranderingen zijn geen project waarvoor op grond van de Wnb een vergunningplicht bestaat. Een omgevingsvergunning natuur voor Natura 2000-activiteiten is daarom niet van toepassing.

2. TOETSINGSKADER MILIEU

2.1 Inleiding

Overeenkomstig artikel 2.33, lid 2 van de Wabo kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning intrekken op verzoek van de vergunninghouder. De omstandigheden waaronder dit moet of kan gebeuren, zijn eveneens vermeld in dit artikel. Het verzoek heeft betrekking op de intrekking van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikelen 2.33, lid 2, onder b en 2.33, lid 3 van de Wabo. Hierin is bepaald dat een omgevingsvergunning op verzoek van de vergunninghouder, voor de activiteit milieu alleen geheel of gedeeltelijk mag worden ingetrokken indien de bescherming van het milieu zich hier niet tegen verzet (artikel 2.1 eerste lid onder e van de Wabo). De Wabo omschrijft in artikel 2.14 het milieuhygiënische toetsingskader daarvoor. De aanvraag is getoetst aan deze criteria en wij komen tot de volgende afweging

2.2 Toetsing

2.2.1 Toetsing gevolgen voor milieu

Naar aanleiding van de ingediende aanvraag hebben wij voor onderstaande milieuaspecten beoordeeld of de aangevraagde verandering leidt tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan al vergund. De aanvrager heeft voldoende aannemelijk gemaakt, dat er voor de onderstaande milieuaspecten geen toename zal zijn van de milieubelasting.

  • Geluid;

Aangezien de totale op- en overslagcapaciteit niet wijzigt, blijft het maximaal aantal bezoekers en vrachtverkeer gelijk. Ook de maximale hoeveelheid te composteren groenafval en het gebruik van de shovel wijzigt niet. Er vindt ook geen wijziging plaats in de indeling van de inrichting. De geluidemissies passen hiermee nog steeds binnen de emissies waarvoor eerder voor de revisievergunning een akoestisch onderzoek is uitgevoerd.

Er zijn dan ook geen andere of nadelige effecten te verwachten voor het milieuaspect geluid.

  • Lucht;

Omdat het verkeer en het gebruik van de shovel niet wijzigt (zie vorige paragraaf) zijn er geen veranderingen aan de emissies naar de lucht. Andere of nadelige effecten voor het milieuaspect luchtkwaliteit zijn dan ook uitgesloten.

  • Externe veiligheid;

Binnen de inrichting zijn ook na de wijzigingen geen hoeveelheden gevaarlijke stoffen aanwezig waardoor de inrichting valt onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Er zijn dan ook geen andere of grotere nadelige effecten te verwachten voor het milieuaspect externe veiligheid.

  • Geur

De gevaarlijke stoffen waarvoor deze milieuneutrale verandering wordt aangevraagd zijn niet geurend. Overige activiteiten zoals de compostering van het groenafval wijzigen niet. Er zijn dan ook geen wijzigingen te verwachten ten opzichte van de vergunde situatie. Eventuele andere of nadelige effecten voor het milieuaspect geur zijn dan ook uitgesloten.

Gelet op bovenstaande leidt de voorgenomen verandering niet tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu. De opslagcapaciteit van gevaarlijke afvalstoffen wordt met de aangevraagde verandering teruggebracht naar een totale capaciteit tot 50 ton. Hierdoor valt de inrichting niet onder RIE-categorie 5.5 van de opslag van gevaarlijke afvalstoffen. Omdat de inrichting nog steeds valt onder categorie 5.3 van de RIE blijft sprake van een inrichting met een IPPC-installatie.

2.3 Conclusie

De opslagcapaciteit van gevaarlijke afvalstoffen zoals verleend in de milieuvergunning van 12 april 2005 met kenmerk 595013 kan worden teruggebracht naar een totale capaciteit tot 50 ton.

Het belang van de bescherming van het milieu verzet zich niet tegen deze gedeeltelijke intrekking van de genoemde vergunning.

Naar boven