Provinciaal blad van Zeeland
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Zeeland | Provinciaal blad 2024, 19835 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Zeeland | Provinciaal blad 2024, 19835 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
Provinciale staten van Zeeland,
Overwegende dat provinciale staten bevoegd zijn tot het vaststellen van een wijziging van de Zeeuwse Omgevingsvisie;
Overwegende dat het beleid uit de Zeeuwse Omgevingsvisie wordt verankerd in de Omgevingsverordening Zeeland;
Overwegende dat het noodzakelijk is om met het oog op duurzame ontwikkeling actueel beleid en regels te stellen over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving;
besluiten:
De Zeeuwse Omgevingsvisie, wordt gewijzigd zoals is aangegeven in bijlage A behorende bij dit besluit.
Aldus vastgesteld in de vergadering van provinciale staten van 13 december 2024.
H.M. de Jonge, voorzitter
Drs. F.J. van Houwelingen MPA, statengriffier
A
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Veranderende bevolkingssamenstelling
Sinds 2014 is er in Zeeland sprake van een stabiele tot licht groeiende bevolking, ondanks dat er meer mensen overlijden dan dat er worden geboren. De Zeeuwse bevolking neemt naar verwachting de komende jaren nog geleidelijk toe tot bijna 400.000420.000 in 2040 (bron: Provinciale bevolkings- en huishoudensprognose 20192022). De verwachte groei is voornamelijkgeheel toe te schrijven aan de toestroom van nieuwe Zeeuwen uit binnen- en buitenland. Vermoedelijk komt dit door het aantrekken vanHet aantal verhuizingen naar Zeeland hangt samen met de woningmarkt, waardoor meer huishoudens een verhuizing naar Zeeland aandurvenmate van dynamiek op de woningmarkt. Het vertrek van jongeren die een opleiding buiten de provincie gaan volgen (en vaak niet meer terugkomen) wordt hiermee getalsmatig gecompenseerd. Ook de instroom van buitenlandse werknemers en vergunninghouders statushouders (vluchtelingen met een verblijfsstatus) draagt bij aan de groei van de Zeeuwse bevolking in de afgelopen jaren. Enkele regio’s binnen de provincie profiteren niet van deNiet elke regio heeft te maken met bevolkingsgroei. Door het oplopende sterfteoverschot vlakt de bevolkingsgroei in heel Zeeland op termijn af.
De leeftijdsopbouw van de Zeeuwse bevolking zal fors veranderen (bron: Provinciale bevolkings- en huishoudenprognose 20192022). Opvallend is dat de groep tot 15 jaar in de periode tot 2040 weer licht gaat groeien. De bevolking in de leeftijdsgroep 15 tot 60 jaar neemtblijft in die periode met 15.000 afgelijk. Het aantal 80+ers neemt juist met 20.000 toe. Dit is een verdubbeling ten opzichte van 2020. De potentiële beroepsbevolking daalt door de vergrijzing tot 2040 met 20.000.
Woningvoorraad
De huidige Zeeuwse woningvoorraad is met veel woningen uit de wederopbouwperiode 1945 - 1970 relatief oud en heeft een lagere bouwkwaliteit dan gemiddeld (Kwalitatief Woononderzoek Zeeland). Dit maakt de woningvoorraad kwetsbaar. De woningvoorraad staat aan de vooravond van een enorme verduurzamingsopgave. Het doel is duurzaam en milieubewust bouwen. De eerste circulaire projecten zijn gereed en successen zijn geboekt. Er worden jaarlijks weinig particuliere woningen onttrokken aan de woningmarkt door sloop, functieverandering of samenvoeging. Om alle beschikbare huizen in dit tempo te verduurzamen zouden ze allemaal nog zo’n 2000 jaar mee moeten gaan. Om doeltreffend tegemoet te komen aan de veranderende bevolkingssamenstelling en de benodigde energietransitie, is vooral in de particuliere sector een hoger sloop- en nieuwbouwtempo nodig.
De huidige Zeeuwse woningvoorraad is met veel woningen uit de wederopbouwperiode 1945 - 1970 relatief oud en heeft een lagere bouwkwaliteit dan gemiddeld (Kwalitatief Woononderzoek Zeeland). Dit maakt de woningvoorraad kwetsbaar. Demografische ontwikkelingen (vergrijzing, huishoudensverdunning), de noodzaak voor verduurzaming en aanpassing van woningen aan de zorg(behoefte) hebben een belangrijke invloed op de woonbehoefte. De vraag naar woningtypen en woonmilieus verandert hierdoor. Het gaat niet alleen om aantallen woningen, maar ook om betaalbaarheid, een match met de kwalitatieve vraag en een koppeling met duurzaamheidsdoelen.
De aanpassing van de bestaande woningvoorraad door sloop, herstructurering, woningaanpassing en verbetering is een lastige opgave. Er worden jaarlijks weinig oudere particuliere woningen onttrokken aan de woningmarkt. En vervanging om doeltreffend tegemoet te komen aan de behoefte, de veranderende bevolkingssamenstelling en de benodigde energietransitie, is vooral in de particuliere sector een hoger sloop- en nieuwbouwtempo nodig.
In 2022 is volkshuisvesting na lange tijd weer een belangrijk onderdeel van de Rijksagenda geworden. De nadruk daarbij ligt op het stimuleren van de nieuwbouw, het vergroten van de (betaalbare) woningvoorraad en de toegankelijkheid van de woningmarkt voor iedereen. In het kader van de Nationale Bouw- en Woonagenda heeft Zeeland met het Rijk eind december 2022 een Woondeal gesloten, waarin afspraken zijn gemaakt over. een realistische nieuwbouwopgave voor de komende jaren.
In de meeste regio’s zijn voldoende woningbouwplannen om de uitbreidingsbehoefte op te vangen. Het betreft hier echter een kwantitatieve, niet perse een kwalitatieve match. Veel woningbouwplannen zijn gemaakt in het verleden voor een andere vraag en verwachting. De situatie ziet er op dit moment anders uit, waardoor een deel van de plannen niet van de grond komt. KoophuizenPlannen voor duurdere koopwoningen met tuin of terras en sociale huurwoningen zijn er in bijna elke regio wel genoeg, maar de vraag van de Zeeuwen verandert. Door de toename van met name alleenstaande 80+ huishoudens lijkt: er een mismatch te ontstaan tussen de huidige woningvoorraadzijn meer betaalbare en de woningvoorraad die er op lange termijn zou moeten staanvoor oudere geschikte woningen nodig. De behoefte aan nultredenwoningen en beschutte woonzorgwoningen neemt immers fors toe. Ook worden bewoners kritischer over de gewenste woning en de daarbij behorende woonomgeving. Om aan deze vraag te voldoen worden er in de rest van Nederland steeds meer verschillende woningtypes op de markt gebracht. Ook in Zeeland is daar behoefte aan, maar de ontwikkeling van andere typen woningen is vaak risicovoller voor ontwikkelaars. Daarom blijft het aanbod van dergelijke huizen gering.
De situatie is niet overal in Zeeland gelijk: lokaal en regionaal zijn er grote verschillen in de problematiek. Van grote vraag naar nieuwe of andere woningen tot veel leegstaand vastgoed. Bijvoorbeeld aan de kust waar veel woningen worden gebruikt als tweede- of deeltijdwoning. Enerzijds kan deeltijdwonen een uitkomst zijn om leegstand te voorkomen, anderzijds komt de ervaren leefbaarheid van permanente bewoners onder druk te staan.
Tegelijkertijd ondervinden mensen die tijdelijk en op korte termijn een woning nodig hebben in verband met werk of privéomstandigheden, veel moeite bij het vinden van een acceptabele, betaalbare woning. Het gebrek aan deze woningen is één van de oorzaken van het gebrek aan doorstroming op de woningmarkt. Het ontbreekt aan een ‘flexibele schil’ in de woningvoorraad die dit op kan vangen.
Bouwen binnen het bestaand stedelijk gebied en zorgvuldig gebruik van de beschikbare ruimte zijn altijd uitgangspunten geweest. In het stedelijk gebied verliezen steeds meer vormen van vastgoed hun functie, zoals maatschappelijk vastgoed, scholen, winkels, kerken en kantoren. Voor de dynamiek van het stedelijk gebied is het cruciaal dat woningen toegevoegd kunnen worden in, of in plaats van deze gebouwen.
Gezonde woonomgeving
De Zeeuwse woonomgeving bevat veel ingrediënten die een goede gezonde leefomgeving kenmerken, zoals veel (stedelijk) groen en gevarieerde openbare ruimte, een over het algemeen goede milieukwaliteit en voldoende aanbod van voorzieningen. De milieukwaliteit verschilt wel per locatie en er zijn nieuwe milieufactoren die van belang zijn (zie paragraaf 3.2 onder het kopje Omgevingskwaliteit). Zeeland kent een hogere tevredenheid van de inwoners als het gaat om de woonomgeving, dan het landelijk gemiddelde. Dit heeft een directe relatie met de algemene tevredenheid over het leven (Bron: Woononderzoek Nederland ‘WoON’, onderzoek van het Rijk).
Dat er zo veel groen in Zeeland is komt onder andere door het grote netwerk van erkende natuurgebieden én de Zeeuwse traditie van natuur en natuurbeheer op particuliere terreinen, verspreid over de regio. Bijvoorbeeld rond nieuwe landgoederen, (voormalige) buitenplaatsen en boerenerven, maar ook dorpsbosjes en -boomgaarden, of tijdelijke natuur op bedrijventerreinen. Ook wordt steeds meer groen aangelegd rond scholen en zorginstellingen. Deze natuurverbreding heeft, naast het vele cultuurhistorische groen, een gunstige invloed op de belevingswaarde van de openbare ruimte. Het creëert een omgeving die uitnodigt tot bewegen, ontmoeten en ontspannen. Een omgeving die veilig voelt, sociale samenhang bevordert én gezond gedrag uitlokt.
Gezond gedrag, en hoe dit kan worden bevorderd door de inrichting van de woonomgeving, staat steeds meer in de belangstelling. Het kan worden bevorderd door bijvoorbeeld voorzieningen en woningen die geschikt zijn voor ouderen en mindervaliden te concentreren. Hierbij hoort dan ook een veilige en aantrekkelijke openbare ruimte. Het stimuleren van een omgeving die uitnodigt tot bewegen, gezond eten, ontmoeten en ontspannen wordt steeds belangrijker, omdat dit een positief effect op gezond gedrag heeft. Een woonomgeving waarin het groen schaars is, zorgt voor een lage waardering van de buitenruimte.
Als er geen maatregelen worden genomen, zorgt de klimaatverandering voor toenemende overlast. Door hogere temperaturen ontstaan ‘hitte-eilanden’ op plaatsen met weinig groen en schaduw. Daarnaast worden de gezondheid en de leefomgeving ook aangetast door luchtverontreiniging, doordat de schadelijke stoffen tussen de gebouwen blijven hangen. De aanwezigheid van groen kan helpen bij het zuiveren van de lucht doordat fijnstof wordt afgevangen. Groen heeft ook een positief effect op de mentale gesteldheid van mensen. De aanwezigheid van natuur dichtbij stimuleert mensen meer te wandelen of te sporten; dat resulteert dan weer in minder overgewicht.
De huidige woonomgeving wordt als autogericht ervaren, waardoor de straat vaak onveilig en onaantrekkelijk is om er te wandelen of te fietsen. De kwaliteit van de leefomgeving en de gezondheid van de inwoners staan hierdoor onder druk. Concepten op het gebied van Slimme Mobiliteit kunnen zorgen voor een afnemend ruimtegebruik voor verkeersdoeleinden (met name parkeerplaatsen) in het bebouwd gebied. Dit biedt ruimte voor verbetering van de woonomgeving door toevoeging van stedelijk groen.
Voor de kwaliteit van de woonomgeving is ook de aanwezigheid of bereikbaarheid van voorzieningen essentieel. Dit wordt behandeld bij het punt hieronder.
Bereikbaarheid en beschikbaarheid van voorzieningen
De aanwezigheid van een bereikbaar en toegankelijk winkelbestand en (basis)voorzieningen op gebied van onderwijs, sport, kinderopvang, zorg en cultuur draagt bij aan de leefbaarheid van een gebied voor mensen die daar wonen. Het vormt tegelijkertijd een belangrijke voorwaarde om als gebied aantrekkelijk te zijn en te blijven. Zeeland heeft sinds jaren te maken met het verlies van organisaties op het gebied van zorg, onderwijs en dienstverlening. Veelal heeft dit te maken met het te lage bevolkingsaantal waardoor een bepaald aanbod hier niet exploitabel is, soms door keuzes voor centralisatie op nationaal niveau.
Het Zeeuwse onderwijs is hier een voorbeeld van. Om kwalitatief goed onderwijs te kunnen bieden is samenwerking met instellingen binnen en buiten de provincie (inclusief Vlaanderen) en specialisatie op een aantal thema's noodzakelijk. Zie hiervoor verder het kopje Onderwijs.
Ook voor goede ziekenhuiszorg is het hebben van medische specialisaties steeds meer afhankelijk van grotere aantallen patiënten. Gelet op het relatief geringe Zeeuwse bevolkingsaantal kan niet langer in alle specialisaties worden voorzien en is samenwerking binnen Zeeland en met andere ziekenhuisorganisaties zowel in Nederland als in Vlaanderen, noodzakelijk.
Er zijn ook omgekeerde bewegingen, zoals de vestiging van een nieuw justitieel complex bij Vlissingen. Toerisme draagt in sommige regio's binnen onze provincie in belangrijke mate bij aan de leefbaarheid en de instandhouding van voorzieningen, vooral in de kleine kernen van Zeeland. Winkels, openbaar vervoer, infrastructuur en publieke voorzieningen zijn er mede dankzij het draagvlak van het toerisme. Daar waar de toeristen niet komen, staan bijvoorbeeld de instandhouding van een supermarkt en publieke voorzieningen onder druk en kunnen deze zelfs verdwijnen.
Evenementen
Evenementen zijn essentieel in de profilering van Zeeland. We zien hier, net als in de rest van Nederland, de ontwikkeling dat evenementen en festivals inspelen op de behoefte aan unieke belevingen, tijdelijke beschikbaarheid en meedoen. Veel evenementen zijn in de afgelopen 25 jaar ontstaan, denk onder andere aan: Concert at Sea, Kustmarathon Zeeland, Vestrock Hulst, Ride for the Roses, Marathon van Zeeuws-Vlaanderen en Nazomerfestival. Vooral het laatste decennium zien we ook in Zeeland een sterke groei in omvang, deelname en (media)aandacht. Het aantal evenementen in Zeeland bedraagt duizenden op jaarbasis (2019). De omvang en impact verschillen en de evenementen zijn niet gelijkmatig verdeeld in tijd en over de provincie. De groei in omvang brengt eenzelfde soort zorgen mee als de groei van het toerisme, namelijk uitdagingen op het gebied van infrastructuur, overlast en veiligheid.
In het Zeeuwse Sportakkoord zijn ambities benoemd voor inspirerende sportevenementen die impact hebben op de profilering van Zeeland. Het Zeeuwse Sportakkoord werd in 2019 ondertekend door het Provinciebestuur en 27 gemeentelijke, gezondheids-, natuur-, onderwijs- en sportorganisaties. Grote wielerrondes en festivals zetten Zeeland op de (inter)nationale kaart.
Mobiliteit
Bereikbaarheid is van groot belang voor het vestigingsklimaat voor inwoners. Daarbij gaat het zowel om de hoofdverbindingen voor de auto als de verbindingen per openbaar vervoer. Doordat het autobezit in Zeeland hoog is kan het gros van de mensen zich zelfstandig over grotere afstanden verplaatsen met een betrouwbare reistijd. De verkeersintensiteit blijft naar verwachting toenemen. Op sommige trajecten van het Zeeuwse hoofdwegennet kan dit rond 2030 tot verkeersopstoppingen leiden. Door de toename van rijtaakondersteuning in voertuigen, wordt de capaciteit van de wegen beter benut.
De treinverbinding biedt een goede bereikbaarheid voor de Bevelanden en Walcheren, maar de verbinding met de Randstad en Noord-Brabant is de laatste jaren juist langzamer geworden. Met betrekking tot vestigingsklimaat is dit een punt van zorg, maar in het kader van het Compensatiepakket Wind in de Zeilen wordt dit aangepakt met een extra intercityverbinding over de Zeeuwse Lijn en aanvullende maatregelen.
Zeeland heeft één publiek georganiseerde verbinding over water; het fietsvoetveer tussen Breskens en Vlissingen. Deze dienst wordt met name in de zomer door veel toeristische reizigers gebruikt, maar biedt jaarrond voor studenten en forenzen een betrouwbare aansluiting over het water en aansluiting op het nationale spoornet.
Verkeersveiligheid is een belangrijk thema, zowel wat betreft de inrichting van wegen als het gedrag van weggebruikers.
Incidenten en piekdagen leiden tot grote verstoringen, omdat de infrastructuur naast het hoofdnetwerk de verkeersstromen slechts beperkt kan overnemen. Door de afhankelijkheid van bruggen en tunnels als verbindingen binnen Zeeland hebben verstoringen snel grote gevolgen. Zeker voor hulpdiensten kan dit problematisch zijn. Ook bij grote incidenten zijn de vluchtroutes beperkt. Ook extreme weersomstandigheden en klimaatverandering beïnvloeden de betrouwbaarheid van de infrastructuur. Dit is een aandachtspunt bij de klimaatadaptatiestrategie.
Scholieren, studenten, mensen met een beperking, ouderen en mensen die om een andere reden niet kunnen beschikken over een auto, zijn minder zelfstandig mobiel en daarom afhankelijk van openbaar- en doelgroepenvervoer. Zij ervaren belemmeringen in hun mobiliteit. Door centralisering zijn niet alle voorzieningen aan te fietsen. Er zijn wel grote regionale verschillen. De gebieden nabij de Zeeuwse spoorlijn, N62 en A58 hebben betere verbindingen en meerdere reisopties, waar dat in andere gebieden beperkt is. De grensoverschrijdende verbindingen zijn beperkt. De noord-zuid verbindingen worden bediend door de bus. Aansluiting vanuit Zeeland op het Belgische spoor ontbreekt. Het busvervoer in Zeeland kent een teruglopend aantal gebruikers en de kosten voor het systeem nemen toe. Voor doelgroepenvervoer geldt dat het gebruik toeneemt, wat voor gemeenten een kostbare onderneming is. Lokale mobiliteitsinitiatieven van bewoners bieden een aanvulling op het bestaande aanbod van collectief vervoer. De (snelle) elektrische fiets is voor steeds meer scholieren, forenzen en ouderen een uitkomst voor dagelijkse verplaatsingen. De hogere snelheid van e-bikes vraagt om aanpassing van de fietsinfrastructuur, omdat de risico’s op ernstige ongevallen toeneemt. In Zeeland zetten we in op de realisatie van doorfietsroutes. Dit zijn drukkere routes die kernen verbinden ‘die voldoen aan een aantal kenmerken van een snelfietsroute’.
Er is vraag naar flexibele en vraaggerichte vormen van (openbaar) vervoer. Onder de noemer Slimme mobiliteit wordt gewerkt aan een flexibel en robuust mobiliteitssysteem dat de reiziger (meer) centraal stelt.
Cultuur
Cultuur is een belangrijke vestigingsfactor voor succesvolle regio’s en dat geldt zeker ook voor Zeeland. Een brede basis met voorzieningen voor een grote groep met daarbij een beperkt aanbod van (top)cultuur voor specifieke (niche)groepen is kenmerkend voor het huidige cultuuraanbod in Zeeland. Er zijn veel initiatieven op het gebied van cultuur, van monumenten tot (kleine) podia, en van fruitteeltmuseum tot muziek in de klas, maar door de specifieke eigenschappen van Zeeland is veel ook kwetsbaar. Het aanbod is verspreid zowel geografisch als over veel organisaties. Dat betekent niet alleen relatief lage bezoekersaantallen, maar ook veel inzet door vrijwilligers met passie voor cultuur, maar vaak op leeftijd. Continuïteit in menskracht en professionaliteit is dan een zorgpunt.
De Zeeuwse jeugd kennis laten maken met cultuur in brede zin is de belangrijkste doelstelling van cultuureducatie. Hiervoor wordt door verschillende aanbieders samengewerkt met scholen waarbij deskundigheidsbevordering een belangrijk speerpunt is. Ook wordt de Zeeuwse cultuur buiten de scholen toegankelijk gemaakt door vervoer op maat te organiseren. Dit maakt het bijvoorbeeld mogelijk dat ook scholen uit Zeeuws-Vlaanderen het Watersnoodmuseum in Ouwerkerk kunnen bezoeken.
De Zeeuwse kunsten zorgen voor reflectie, vorming, verbinding en soms voor ongemak. Het draait niet alleen om het maken en tonen van mooie dingen, maar ook om het uitproberen van nieuwe dingen en het onverwachte mogelijk te maken. Creativiteit, innovatie, diversiteit en vakmanschap zijn kenmerkende eigenschappen van de kunsten die nog meer verbonden kunnen worden met actuele maatschappelijke opgaven. Er ligt een uitdaging om een beter klimaat voor makers uit de creatieve industrie te realiseren. Het aanbod van kunsten in Zeeland wordt gekenmerkt door het grote palet van kleinschalige podia tot grote meerdaagse festivals en van internationaal aansprekende hedendaagse kunst tot de liefhebbende amateur beeldhouwer. Er is veel te zien en te doen in Zeeland, maar het blijft een opgave om een degelijke (basis)infrastructuur te onderhouden.
Er zijn vijf grotere musea die de belangrijkste Zeeuwse verhalen vertellen. De Zeeuwse geschiedenis, het industriële verleden en heden, de maritieme historie, de Slag om de Schelde en de strijd tegen het water hebben een ‘eigen' museum. Daarnaast zijn er nog vele lokale en kleinere musea die een eigen verhaal vertellen. Ook voor de kleine musea geldt dat het een opgave blijft om een volledig aanbod open te houden. De bezoekersaantallen zijn relatief gering waardoor de verdiencapaciteit ook laag is en ook de musea draaien op een groot bestand van vrijwilligers.
De Zeeuwse bibliotheken zijn een belangrijke ontmoetingsplaats en zorgen voor laagdrempelige beschikbaarheid van lectuur, literatuur en informatie. Ook dragen zij bij aan het vergroten van lees- en taalvaardigheid.
Binnen het Zeeuwse culturele veld ontstaat in de volle breedte steeds meer animo om samen te werken. Het vanuit eigen kracht en de eigen expertise kijken hoe meerwaarde kan ontstaan door nieuwe of soms voor de hand liggende combinaties te vormen, is een belangrijke ontwikkeling. Deze ontwikkeling kan bijdragen aan het versterken van het vestigingsklimaat, het behoud en de verdere ontwikkeling van een rijk en divers cultureel aanbod en het uitdragen van de Zeeuwse identiteit. Hierbij zullen verschillende dilemma’s overwonnen moeten worden. Denk aan keuzes over bereikbaarheid, spreiding en versnippering van voorzieningen, over balans zoeken tussen een hoogwaardig aanbod met aantrekkingskracht voor specifieke groepen versus een breed aanbod wat toegankelijk is voor velen, over het behouden van bestaande elementen in relatie tot de wens om nieuwe dingen te ontwikkelen.
B
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Woningvoorraad
De Zeeuwse gemeenten, woningcorporaties en de Provincie werken aan eenop basis van de Zeeuwse Woonagenda, waarbinnen gezamenlijk wordt opgetrokken om de woningvoorraad toekomstbestendig te maken en te houden. De regiogeldenOok de Woondeal is in aansluiting met de Zeeuwse Woonagenda. Hierin is afgesproken dat tot 2030, 16.500 woningen worden gebouwd. Waarvan tweederde betaalbaar. Subsidieregelingen van het Rijk en de Provincie Zeeland worden ingezet voor het saneren of vervangen van woningen waar geen behoefte aan is, het stimuleren van verduurzaming van de woningvoorraad, het realiseren van een flexibele schil en de ondersteuning van gemeenten bij de realisatieversnelling van woningbouw die voorziet in een behoefte op de juiste plaats. Rijk, Provincie en gemeenten stellen de kaders vast waarbinnen de afspraken worden uitgevoerd.
De aanpak biedt ook kansen voor de arbeidsmarkt (werkgelegenheid voor verduurzaming), cultuur (hergebruik monumentale en beeldbepalende panden), woonomgeving (hergebruik leegstaande panden en braakliggende percelen binnen dorpen en steden), gezondheid (verbeteren binnenklimaat) en circulaire economie (circulair bouwen). Daarnaast wordt de verduurzaming van de woningvoorraad versneld en wordt de woningmarkt actief beïnvloed.
Gezonde woonomgeving
Voor een veilige woonomgeving die gezond gedrag uitlokt, staan vooral de gemeenten aan de lat. Daarbij helpen initiatieven van burgers, bedrijven, natuur- en welzijnsorganisaties. De Provincie ondersteunt deze partijen met subsidies en het faciliteren van samenwerking. Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling, beleidsontwikkeling en maatschappelijke opgave zullen betrokken partijen gezondheid mee laten wegen. Bij de realisatie van een gezonde en aantrekkelijke woonomgeving zullen kansen benut worden om beter het hoofd te kunnen bieden aan weersextremen zoals hitte, droogte en wateroverlast en aan kansen om de natuurwaarde te verhogen.
Bereikbaarheid en beschikbaarheid van voorzieningen
De beschikbaarheid van de commerciële voorzieningen wordt in de eerste plaats bepaald door marktwerking en initiatieven van ondernemers. Provincie en gemeenten stellen kaders vast om de gewenste ontwikkelingen te bevorderen, verlenen subsidies en laten onderzoek doen. Beide zijn verantwoordelijk voor de bereikbaarheid voor alle bevolkingsgroepen (zie mobiliteit).
Evenementen
Evenementen zijn het duurzame uithangbord voor Zeeland. Evenementen kunnen daardoor voor andere opgaven worden benut, zoals het werven van arbeidskrachten en toeristische promotie. Het gaat naast evenementen in het algemeen ook om organisatie van inspirerende sportevenementen die Zeeland op de kaart zetten. Nieuw wordt een Zeelandbrede coördinatie voor evenementen om te zorgen dat het aanbod goed gespreid is in tijd en plaats, met een passende verdeling van de druk op de omgeving en de hulpdiensten. Ook kan dit helpen bij werving en inzet van vrijwilligers. Daarnaast wordt de link gelegd tussen evenementen en natuurverbreding en natuurbranding. Door duurzaamheid als uitgangspunt te nemen wordt een bijdrage geleverd aan (de promotie van) circulaire economie en de energietransitie.
Mobiliteit
Treinverbindingen zijn de verantwoordelijkheid van het Rijk. Zeeuwse partijen zullen blijvend lobbyen voor realisatie en behoud van snelle verbindingen tussen de Zeeuwse steden en met Noord-Brabant/Randstad, alsmede goede verbindingen met België. Voor het regionale en grensoverschrijdende openbaar vervoer is de Provincie verantwoordelijk. De provincie en gemeenten stellen hiervoor kaders in de Regionale Mobiliteit Strategie, die samen met netwerkpartners is opgesteld.
Introductie en uitbouwen van slimme, toegankelijke mobiliteit in de vorm van flexibele en vraaggerichte vormen van mobiliteit. Er zijn veel partijen die bijdragen aan de realisatie van slimme mobiliteit in de vorm van onderzoek, kennis delen en advies. Provincie en gemeenten zijn verantwoordelijk voor respectievelijk het openbaar en het WMO-vervoer. Beide stellen kaders op en financieren het vervoer. De provincie financiert bovendien onderzoeken die bijdragen aan de omvorming van het openbaar vervoer en geeft subsidie aan initiatieven die slimme mobiliteit bevorderen. Denk aan het delen van mobiliteitsdata zodat er vervoersmogelijkheden worden aangeboden naargelang de vraag. Maar ook het verbeteren van knooppunten en ontwikkeling en implementatie van een totaalconcept waarbij niet alleen aan het vervoer van mensen wordt gedacht, maar ook aan bijv. de doorstroming, het opwekken van energie, of verbetering van gezondheid.
Het verbeteren van de verkeersveiligheid is een permanente doelstelling van de wegbeheerders (Rijkswaterstaat, gemeenten, waterschap, North Sea Port en provincie) in Zeeland en de andere verkeersveiligheidspartners verenigd in het Regionaal Orgaan Verkeersveiligheid Zeeland (ROVZ). Dit gaat onder andere om goed onderhoud, gemeenschappelijke gladheidsbestrijding en een veilige inrichting van de wegen, verkeerseducatie, voorlichting en communicatie om het gedrag van verkeersdeelnemers te verbeteren.
Schone mobiliteit stimuleren we door het gebruik van elektrische auto's, fiets en e-bike te bevorderen. De regionale wegbeheerders zijn verantwoordelijk voor een netwerk van laadpunten door de gehele provincie voor de elektrische mobiliteit, aanleg en onderhoud van snelfietsroutes en overige fietsinfrastructuur.
Provincie en gemeenten stellen kaders op voor een optimale digitale bereikbaarheid in de hele provincie. Gemeenten verlenen de vergunningen en stimuleren partijen om snellere digitale infrastructuur ook in het buitengebied uit te rollen.
Als slimme mobiliteit en de fiets het bezit en gebruik van de privéauto gaan verdringen, biedt dit kansen voor aanpassing van de ruimtelijke inrichting met een positieve bijdrage aan gezondheid, leefbaarheid, biodiversiteit en klimaatadaptatie.
Cultuur
Door professionalisering, onderlinge samenwerking en de verbinding met andere netwerken wordt de Zeeuwse culturele infrastructuur structureel versterkt en wordt een grotere bijdrage geleverd aan diverse maatschappelijke opgaven. Het Zeeuwse culturele aanbod wordt (fysiek en/of digitaal) beter bereikbaar, toegankelijk en beleefbaar voor alle groepen, met bijzondere aandacht voor jongeren (cultuureducatie). De Zeeuwse cultuur gaat beter samenwerken met de omliggende regio’s en in (inter)nationale netwerken.
C
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bodem
De bodemstructuur staat onder druk als gevolg van verslemping, verdichting, erosie, teruglopende biodiversiteit en dreigende afname van het organisch stofgehalte. Dit heeft ook gevolgen voor het bodemleven, de weerbaarheid en de waterinfiltratiecapaciteit van de bodem.
Gebieden met bijzondere aardkundige waarden op provinciaal, nationaal of internationaal niveau zijn benoemd en beschermd als aardkundig waardevolle gebieden. De pareltjes daarvan worden vanuit promotie oogpunt benoemd als aardkundig monument. Binnen het initiatief om te komen tot de UNESCO Geopark status voor de Schelde Delta staan deze aardkundig waardevolle gebieden samen met waardevolle landschappen, cultuurhistorie en natuur centraal op gebied van wetenschap, educatie, toerisme en recreatie.
Vooral in oudere dorpen en steden zijn veel archeologische resten aanwezig. Overheden werken samen aan de bescherming. Vondsten worden gedocumenteerd, bewaard en uitgeleend aan musea vanuit het Zeeuws Archeologisch Depot. Er is op dit moment geen volledige digitale ontsluiting van de collectie.
De bodemkwaliteit in Zeeland heeft te maken met verspreiding van onder andere zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) van de industrie, zoals PFAS, PFOS, GenX en medicijnresten die in de bodem en voedselketen terecht kunnen komen, maar ook van oudere diffuse verontreinigingen zoals DDT. Deze zijn en worden inzichtelijk gemaakt middels de gemeentelijke bodemkwaliteitskaarten. De sanering van spoedlocaties (zogenaamde puntbronnen) bodemverontreiniging in het landelijk gebied is bijna afgerond. Daarnaast zijn de oudere steden en kernen veelal vanuit de Middeleeuwen en Gouden Eeuw diffuus verontreinigd met onder andere zware metalen. Ook deze zijn inzichtelijk gemaakt via de gemeentelijke bodemkwaliteitskaarten. Ontwikkelaars moeten rekening houden met die verontreinigingen. De bodemkwaliteit neemt af door uitputting, versnippering, toename van bebouwing en infrastructuur, intensivering van grondgebruik, afname van biodiversiteit en klimaatverandering. Ook archeologische waarden op het land en in het water gaan hierdoor achteruit.
Er komen wel meer technieken beschikbaar voor verbetering van de bodemstructuur en bodemvruchtbaarheid en betere mogelijkheden voor onderzoek, kennisdeling en monitoring.
Op landelijk niveau is de wens uitgesproken om het water- en bodemsysteem meer als één systeem te benaderen en deze sturend te laten worden in de ruimtelijke ordening volgens het principe ‘Water en Bodem Sturend’. Het vertrouwen in de maakbaarheid van ons landschap is groot, maar inmiddels lopen we steeds vaker tegen de grenzen van het water- en bodemsysteem aan. De water- en bodemopgaven staan echter niet op zichzelf. Ze hangen samen met elkaar, maar ook met andere opgaven in de leefomgeving. Een integrale aanpak met alle opgaven in de fysieke leefomgeving is dan ook noodzakelijk, waarbij het water- en bodemsysteem sturend is. Het Rijk geeft hiervoor structurerende keuzes mee in de Landelijke Strategie en Interbestuurlijke Uitvoeringsagenda Water en Bodem Sturend, die deels betrekking hebben op het nationale beleid, maar ook richting kunnen geven aan of doorwerking vinden in programma’s van provincies, gemeenten en waterschappen, gebiedsprocessen, bedrijven en burgers. Ook het Nationale Programma Bodem, Ondergrond en Grondwater speelt deels in op de structurerende keuzes van Water en Bodem Sturend. Voor Zeeland wordt dit principe onder andereverder beschreven in het gebiedsplan ten behoeve van het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) en wordt er met betrokken partijen uit het bodem- en waterdomein gekeken wat de mogelijkheden zijn voor concrete uitwerkingen. In gebiedsprocessen en -programma’s wordt er actief naar functiecombinaties gezocht.
Landbouw en Visserij
De agrarische sector is in Zeeland van oudsher van groot economisch belang. De sector omvat boerenbedrijven, verwerking, bewerking en opslag van agrarische producten, logistiek, toe- en aanleverende bedrijvigheid en kennisbedrijven. Niet alleen voor toegevoegde waarde, maar ook als werkgever is de sector van groot belang. De landbouw is in Zeeland veruit de grootste gebruiker van de ruimte. Het aantal landbouwbedrijven neemt licht af, terwijl de gemiddelde bedrijfsgrootte toeneemt. Niet alleen de economische voordelen van schaalvergroting, maar ook vergrijzing en ontgroening spelen daar een rol in.
De landbouw loopt steeds vaker tegen grenzen aan. Tekorten aan zoet water, achteruitgang van de bodemvruchtbaarheid, bodemstructuur en bodemweerbaarheid, waterkwaliteit, biodiversiteit (onder- en bovengronds), fijnstof, stikstof, fosfaat, etc. maar ook schaalvergroting, versnipperd grondeigendom en regelgeving spelen parten. Door de ontwikkelingen staat het verdienmodel onder druk en is een transitie naar andere productievormen noodzakelijk.
De Zeeuwse visserijsector bestaat uit zee- en kustvisserij, mossel- en oesterkweek, visserij met vaste vistuigen en sportvisserij. Door klimaatverandering verandert de visstand en is er sprake van een toename van invasieve exoten, plagen en ziektes. Ook neemt de waterkwaliteit af, zoals bijvoorbeeld in het Grevelingenmeer.
Natuur en biodiversiteit
De natuur is in Zeeland verweven in de verschillende Zeeuwse waardevolle landschappen. De natuur binnen deze verschillende landschappen is in kwaliteit en omvang nog niet op orde. De doelen voor veel Natura 2000-soorten en –habitats of leefgebieden worden nog niet gehaald. Met name de staat van instandhouding van soorten en habitats van buitendijkse gebieden en delen van de duinen zijn matig tot zeer ongunstig. De oorzaken zijn vooral stikstofdepositie, verstoring, tekort aan leefgebied, verdroging, verzuring en versnippering. De achteruitgang in de biodiversiteit lijkt wel minder snel te gaan door het huidige beleid maar extra inspanning is noodzakelijk. Het Natuurnetwerk Zeeland is nog niet voltooid en vraagt tot 2027 extra inzet om de benodigde gronden te verwerven en in te richten. Daarnaast is het realiseren van enkel het Natuurnetwerk onvoldoende om biodiversiteitsherstel te verkrijgen. De nadruk komt (inter-)nationaal meer te liggen op intensivering van het natuurbeleid via het steeds meer vervlechten van natuur met andere sectoren van de samenleving en de economie. De harde grenzen tussen “donkergroene” natuur binnen het natuurnetwerk dient meer en meer te vervagen en geleidelijk over te gaan in omringende functies, waarbij natuur als een autonoom gegeven vanzelfsprekend wordt (“lichtgroene natuur”). Dit is onlosmakelijk verbonden met de transitie naar een volhoudbare Zeeuwse landbouw. Hierbij krijgt de biodiversiteit een volwaardige plaats naast instandhouding van het landbouwkundig gebruik en behoud en versterking van de verschillende Zeeuwse (cultuurhistorische) landschappen.
Erfgoed
Het Zeeuwse erfgoed is een belangrijke drager van onze identiteit. Cultureel erfgoed is overal in onze samenleving aanwezig. In onze musea, historische binnensteden en op het platteland. Maar ook in de bodem en onder water, en als immaterieel erfgoed in onze tradities, rituelen en verhalen.
Erfgoed is onder te verdelen in materieel en immaterieel erfgoed:
Roerend erfgoed (verplaatsbaar, niet grondgebonden; zoals bibliotheken, archieven, collecties, verzamelingen, schilderijen, beeldhouwwerken, mobiel erfgoed, levend erfgoed.
Onroerend erfgoed (niet verplaatsbaar, grondgebonden; landschappen, veteraanbomen, natuurerfgoed, archeologie, monumenten of bouwwerken).
Immaterieel erfgoed is niet tastbaar erfgoed: mondeling doorgegeven erfgoed, dans, muziek, theater, rituelen, ambachten en tradities.
Al deze onderverdelingen houden echter verband met elkaar.
De talrijke monumenten, de landschapselementen, het cultuurlandschap, archeologische vondsten, streekproducten, verdronken dorpen en streekdrachten zijn het niet alleen waard om behouden te blijven, maar dienen ook zo veel mogelijk doorontwikkeld en ontsloten te worden. Dit betreft niet alleen juridisch beschermd, maar ook niet-juridisch beschermd erfgoed dat ook behouden moet worden omdat het cultuurhistorisch waardevol is. Doordat mensen erfgoed (fysiek of digitaal) kunnen beleven wordt het draagvlak om het te behouden en beschermen vergroot. Daarom zijn de Zeeuwse Erfgoedlijnen en het samenwerkingsverband Zeeuwse Ankers van groot belang en dat geldt ook voor het streven naar het verkrijgen van de status van UNESCO Geopark voor de Scheldedelta. Daarnaast liggen er nog vele kansen om het Zeeuwse erfgoed op innovatieve manier voor het publiek toegankelijk te maken.
Deltawateren
Door de aanleg van de Deltawerken is de waterveiligheid sterk verbeterd, maar er zijn wel problemen met de waterkwaliteit. Het watersysteem is erg veranderd. Er zijn verschillende waterbekkens ontstaan: zoet en zout, met en zonder getij. De waterbekkens kennen verschillende problemen zoals (blauw)algenbloei, overlast door exoten (zoals Japanse oester), zandhonger of een zuurstofloze bodem. Het Grevelingenmeer kampt met zuurstofloosheid, het Volkerak-Zoommeer met algenbloei en de Oosterschelde met zandhonger. In het Veerse Meer en Westerschelde is vooral de balans tussen verschillende functies van het water en de natuurwaarden een uitdaging. De deltawateren maken deel uit van de Natura2000-gebieden, maar de instandhoudingsdoelen worden niet gehaald. Naast de al genoemde problemen spelen daarbij de waterkwaliteit, verstoring en predatie een rol.
De zeespiegelstijging neemt als gevolg van klimaatverandering op lange termijn (na 2050) toe met tenminste 1 tot 2 meter. De huidige strategie voor de kustverdediging voldoet voorlopig, maar op lange termijn niet meer. Strandsuppleties zijn vaker nodig om de veiligheid op peil te houden, maar zijn ook essentieel voor de Zeeuwse recreatie en de kwaliteit van de natuur. Klimaatverandering zorgt ook voor verandering van het ecosysteem van de deltawateren, door hogere watertemperaturen, de hogere waterstand en mogelijk op termijn ook door veranderingen in het getij.
De verbetering van de waterkwaliteit is onzeker, vanwege de zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) zoals PFAS. Daarnaast zijn ook microplastics en zwerfvuil een groeiend probleem voor de waterkwaliteit.
Watersysteem
De samenhang tussen de verschillende onderdelen en functies van de watervoorziening maakt een integrale, grensoverschrijdende aanpak nodig. De problemen en oplossingen van de watervraag en het wateroverschot uit bebouwd gebied, landbouw, natuur en industrie dienen te worden afgestemd door alle betrokken organisaties.
De beschikbaarheid van zoet water verschilt per gebied. In het oosten van Zeeland is door aanvoer zoet water beschikbaar voor de landbouw. Dit wordt via het oppervlaktewatersysteem verspreid. Vanuit de Biesbosch wordt zoet water aangevoerd via de zoetwaterleiding, waarvan fruitteeltbedrijven in de Bevelanden en de industrie gebruik maken. In de rest van Zeeland heeft 40% van het landbouwareaal de beschikking over aanvoer van zoet water, de overige 60% is afhankelijk van regenwater.
De chemische en ecologische waterkwaliteit van de regionale wateren (Kaderrichtlijn Water, KRW) is nog niet op orde en de daarvoor benodigde uitvoeringsmaatregelen liggen niet op schema. De kwaliteit van het grondwater is overwegend goed. Voor de bescherming van het grondwater gelden algemene regels en zijn specifieke grondwaterwinnings- en beschermingsgebieden aangewezen. In een deel van het grondwater is een te hoge concentratie bestrijdingsmiddelen aanwezig (zoete grondwaterlichamen ‘Kreek’ en ‘Dekzand’).
Extreme neerslag komt steeds vaker voor, wat eisen stelt aan de capaciteit van het watersysteem om overlast te voorkomen. Extreme droogte zorgt voor een grote vraag van burgers en bedrijven naar zoet water. De technische mogelijkheden voor zoetwaterbuffering nemen wel toe. Door zeespiegelstijging nemen echter op termijn ook de kweldruk en verzilting toe.
Omgevingskwaliteit
De kwaliteit van lucht, stilte, water, veiligheid en bodem in Zeeland is redelijk goed, maar voldoet nog niet overal aan de normen en wordt ook nog niet overal positief beleefd. Verbetering van de gezondheid (of welzijn) wordt steeds meer het uitgangspunt. Voor dit brede milieubeleid is door het Rijk een aanvulling op de NOVI opgesteld: het Nationaal MilieubeleidsKader (NMK).
De luchtkwaliteit is de afgelopen decennia sterk verbeterd, omdat bedrijven en wegverkeer veel schoner zijn geworden. Desondanks speelt luchtverontreiniging nog een belangrijke rol bij gezondheidsproblemen. Wegverkeer, industrie (binnen en buiten Zeeland), landbouw en scheepvaart zijn in Zeeland de belangrijkste bronnen van luchtverontreiniging. Het Schone Lucht Akkoord (SLA) zet in op gezondheidswinst door verdere verbetering van luchtkwaliteit. Dit heeft ook positieve effecten op de stikstofuitstoot. Daarnaast zal terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen ook bijdragen aan de verbetering van de luchtkwaliteit.
Geluidhinder wordt in Zeeland vooral veroorzaakt door het wegverkeer en bedrijven. Hinder door laagfrequent geluid neemt toe en kan verder toenemen door aanleg van meer warmtepompsystemen in de woonomgeving.
De chemische en ecologische kwaliteit van het oppervlaktewater voldoet niet aan de KRW-normen (Kaderrichtlijn water), maar de waterkwaliteit verbetert wel. Dit is het gevolg van toepassing van de best beschikbare technieken bij afvalwaterlozingen. Een negatieve ontwikkeling is dat er meer medicijnresten en nieuwe zeer zorgwekkende stoffen in het water voorkomen.
Risico’s voor burgers als gevolg van opslag, productie, bewerking en transport van gevaarlijke stoffen zijn continu onder de aandacht, maar er zijn in Zeeland geen gevallen van externe veiligheidsrisico’s die zo ernstig zijn dat sanering nodig is. Lokaal zijn er wel verhoogde groepsrisico’s. De op- en overslag en het aantal transporten met gevaarlijke stoffen (waaronder ammoniak en Liquid Organic Hydrogen Carriers) over weg, water en spoor neemt toe. Door deze toename is de kans op incidenten groter.
Een andere milieufactor is elektromagnetische straling. In 2020 kennen we meerdere systemen voor mobiele communicatie (o.a. 4G, 5G), naast diverse andere toepassingen van draadloze communicatie. Deze draadloze communicatiesystemen veroorzaken stralingsbelasting voor mensen, dieren en natuur door elektromagnetische straling. De stralingsbelasting zal naar verwachting toenemen omdat voor elke gemeente een dekking van 98% het doel is. Een deel van de bevolking ervaart gezondheidsklachten door straling. Stralingsarme locaties (witte zones), woningen en aanpassing van de woonomgeving kunnen dit voorkomen.
Landschap
Het Zeeuwse landschap wordt gemiddeld hoog gewaardeerd door inwoners en toeristen, maar het is ook voortdurend in ontwikkeling. Bij ontwikkelingen wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met het landschap. Een deel van de landschaps- en cultuurhistorische elementen is beschermd om ze te kunnen behouden. Het gaat zowel om groene landschapselementen zoals natuur, bos en erfbeplanting als om aardkundig waardevolle elementen en cultuurhistorisch waardevolle structuren en gebouwen zoals Deltawerken, polders, dijken, historische boerderijen, buitenplaatsen, vliedbergen, molens en vestingwerken. Bestaande elementen verliezen voor een deel hun functie en kunnen dan in verval raken, waardoor de kwaliteit van het landschap afneemt. Nieuwe ontwikkelingen als gevolg van energietransitie, klimaatverandering en de landbouwtransitie zullen het landschap ook veranderen.
D
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Verdienvermogen en werkgelegenheid
Zeeland is een veelzijdige provincie met een groenblauw en landelijk karakter waar verschillende economische sectoren een belangrijke rol spelen. Deze sectoren zijn toerisme, de industrie, landbouw, visserij, transport en daarbij nog diverse ondersteunende sectoren. Zeeland heeft een gunstige kostenstructuur en financieringsmogelijkheden. Ook kent de regio een hoogwaardige onderwijsinfrastructuur. Het Bruto Regionaal Product van Zeeland bedraagt 2,18% van het bruto nationaal product. Een groot deel van de Zeeuwse economie is gekoppeld aan de zeehavens. Indirect is 18% van de Zeeuwse werkgelegenheid en 46% van de Zeeuwse toegevoegde waarde gekoppeld aan de havens. North Sea Port is de derde zeehaven van Europa op basis van toegevoegde waarde.
Wat betreft werkgelegenheid is het midden- en kleinbedrijf (MKB) de motor van de Zeeuwse economie. Voor wat betreft toegevoegde waarde zijn dat de havens en industrie. Er is een goed havencomplex en nichemarkten. Er zijn weinig middelgrote ondernemingen. Het MKB scoort onder het Nederlands gemiddelde wat betreft innovatie. Publieke investeringen in de sector Research & Development zijn laag. De Zeeuwse bevolking telt minder hoogopgeleiden dan het landelijk gemiddelde.
Effecten coronapandemie
Door het relatief grote aandeel van de industrie in de Zeeuwse economie, behoort Zeeland tot de vier zwaarst getroffen provincies door de gevolgen van de coronapandemie. Zeeuwse bedrijven hebben te kampen met de gevolgen van de maatregelen die rijksoverheden hebben genomen om de gezondheidscrisis te beheersen. Deze maatregelen hebben grote economische gevolgen en leiden vervolgens ook tot effecten op sociaal, cultureel, maar ook ecologisch gebied.
De Nederlandse industrie is sterk geïnternationaliseerd en daardoor gevoelig voor verstoringen in de wereldeconomie. Andere sectoren die in Zeeland ook zwaar getroffen worden, zijn het MKB, detailhandel, horeca en cultuur. Op korte termijn heeft dit aanzienlijke negatieve effecten op verdienvermogen en werkgelegenheid. De impact van de pandemie op langere termijn is nog onzeker.
Circulaire economie
De regionale kansen voor een circulaire economie liggen onder andere in de bouw en verblijfsrecreatie (MKB), industrie en maintenance en voorbeeldwerking via inkoop- en aanbesteding/duurzame grond-, weg- en waterbouw door de overheden, bijvoorbeeld door circulaire projecten in de Zuidwestelijke Delta. De eerste circulaire projecten zijn opgestart. Daarmee zijn successen behaald die passen in de ontwikkeling van de gestelde doelen. Het gaat onder andere om het circulair bouwen, kennisuitwisseling en projecten voor maritieme en industriële symbiose.
Zoetwaterschaarste heeft een samenwerking tot gevolg die resulteert in plannen voor een robuust watersysteem in Zeeuws-Vlaanderen. Bestaande samenwerkingen in de regio werken goed (mede dankzij de schaal van de regio kennen partijen elkaar en kennen de mensen in het netwerk elkaar).
Er is een toenemende aandacht voor ‘natuurlijk kapitaal’ en ‘regionale kwaliteit’ en ook een toenemende schaarste aan zoet water, grondstoffen en zeldzame materialen. IT en datamanagement (waaronder blockchain) nemen toe in kracht en dienen de transitie naar een circulaire economie als het gaat om efficiënte(re) inzet van grondstoffen, minder afhankelijkheid van primaire grondstoffen en het ondersteunen van product-as-a-service (producten gebruiken zonder ze zelf in eigendom te hebben).
Er liggen veel kansen in de transitie naar een circulaire economie. De chemiesector heeft te maken met een mondiale concurrentiestrijd en een opgave in de energietransitie. De recreatie- en toerismesector is sterk in beweging en er ligt een vraag om kwaliteitsverbetering en een gemeenschappelijke infrastructuur. Tevens is er sprake van een toenemende havensamenwerking, ook internationaal.
Milieueffecten
Alle economische sectoren beïnvloeden op de een of andere manier het milieu. Ook andere ontwikkelingen zorgen mogelijk voor veranderingen van de milieukwaliteit. Daarbij kan gedacht worden aan: energietransitie, CO2-reductie, circulaire economie, meer duurzame economie, technologische ontwikkelingen, klimaatverandering met extreme weersomstandigheden, digitalisering, deregulering, actuele en nieuwe milieuproblemen, burgerparticipatie, draagkracht natuur en ruimte en gezondheid. In Zeeland is er een goede balans tussen milieukwaliteit en bedrijvigheid. Het is van belang om dit in de toekomst minimaal te behouden en waar mogelijk te verbeteren. Het provinciale Programma VTH+S uit 2021 zorgt betrouwbare en professionele uitvoeren van provinciale taken bij het verlenen van vergunningen, het controleren en het handhaven van de wet- en regelgeving. Terugdringen van de stikstofuitstoot is nodig om natuurwaarden te herstellen en meer ontwikkelruimte voor economische activiteiten in Zeeland te creëren. Daarbij is het mogelijk om bovenwettelijke innovatieve maatregelen die emissie beperken, in te zetten voor verleasen (tijdelijk beschikbaar stellen) of extern salderen (uitruilen met een andere activiteit). Er is een stikstofbank opgericht voor uitgifte van stikstofruimte om doelen te realiseren op het gebied van biodiversiteit, landbouw, recreatie en havens en industrie.
Bereikbaarheid
Er zijn grote regionale verschillen qua bereikbaarheid. De gebieden nabij de Zeeuwse spoorlijn en A58 hebben betere verbindingen en meerdere reisopties, waar dat in andere gebieden beperkt is. De grensoverschrijdende verbindingen zijn beperkt. De reistijd naar de Randstad en Noord-Brabant is over spoor (aanpassing dienstregeling) en weg (maximumsnelheid naar 100 km/u) is de laatste jaren toegenomen. Met betrekking tot vestigingsklimaat is dit een zorg. Over spoor is de reistijd per eind 2021 verbeterd.
In Zeeland ligt ongeveer 400 km aan Rijkswegen, 400 km aan provinciale wegen en 3.500 km aan waterschapswegen. De weginfrastructuur is op orde, maar er dreigt een toename van opstoppingen op de A58 en het knooppunt A58/A4 op de grens van Zeeland en Noord-Brabant.
Voor het huidige openbaar vervoer geldt een mobiliteitsgarantie, wat inhoudt dat tussen ca 6 uur ’s morgens en ca 11 uur ’s avonds in ieder dorp elk uur een bus of haltetaxi (op afroep) rijdt. De steden zijn verbonden via bus of trein. Het openbaar vervoer staat onder druk door een afnemende vraag en toenemende kosten.
Er is een transformatie nodig naar een vorm van openbaar vervoer waarin personenvervoer in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO-vervoer), haltetaxi’s en lijndiensten worden gecombineerd. Ook verwachten we een afname in de groei van autobezit en een toename van autogebruik. Betere technieken zorgen voor een slimmer mobiliteitssysteem. Er is een toename van mogelijkheden voor werken, studeren of dienstverlening op afstand.
Verkeersveiligheid is een blijvend belangrijk thema, zowel in weginrichting als in verkeersgedrag. Incidenten tijdens piekdagen kunnen leiden tot grote verstoringen. De lokale infrastructuur naast het hoofdnetwerk kan verkeersstromen slechts beperkt overnemen. Ons wegennet, maar ook ons spoor zijn daarmee weinig robuust. Ook extreme weersomstandigheden en klimaatverandering beïnvloeden de betrouwbaarheid van de infrastructuur. Zeker voor hulpdiensten kan dit problematisch zijn. Ook bij grote incidenten zijn de vluchtroutes beperkt.
De grote zeehavens zijn voor het goederenvervoer goed bereikbaar over het water. Goederenvervoer per spoor is goed mogelijk richting het Nederlandse en Vlaams achterland.
Arbeidsmarkt
Er is een tekort aan arbeidskrachten in alle sectoren en op alle niveaus. Er is sprake van een lage werkloosheid, maar er zitten toch meer dan 12.000 mensen in een uitkeringssituatie. De krapte is wel aan het afnemen. Er is nog veel onbenut potentieel: een hoog aandeel statushouders in de bijstand en jongeren die wegtrekken in verband met een opleiding buiten de provincie en niet meer terugkomen. Door de lage werkloosheid lijkt het probleem klein, maar het echte probleem is dat bedrijven worden beperkt in hun groei en succes door gebrek aan personeel.
Een gezamenlijke aanpak van onderwijs, overheden en bedrijfsleven in het Aanvalsteam Arbeidsmarkt heeft geleid tot diverse concrete resultaten en acties voor het vergroten van de beroepsbevolking. Zo zijn er onder andere extra middelen van het Rijk (Zeeland in stroomversnelling) voor plaatsing van 400 werkzoekenden op Zeeuwse vacatures, extra middelen om hoger opgeleiden van elders voor Zeeuwse vacatures te interesseren via maatwerk en gerichte activiteiten om jongeren meer te binden aan Zeeland. Het imago van Zeeland als goede plek om te wonen, studeren, werken wordt beter.
Belemmeringen in grensoverschrijdende samenwerking worden samen met de Rijksoverheid aangepakt door afspraken met buurlanden over grensoverschrijdende samenwerking (GROS).
Landbouw
De landbouwsector is van economisch belang en beschikt in Zeeland over een relatief vruchtbare bodem, geschikt klimaat en goede verbindingen over weg en water. De bruto toegevoegde waarde van de landbouw (inclusief bosbouw en visserij) schommelt tussen de 400 en 600 miljoen euro per jaar en stijgt gemiddeld licht. Het aantal banen in de landbouw en toeleverende bedrijven bedraagt 9500.
Klimaatverandering brengt verzilting, hitte- en wateroverlast en tekort aan zoet water met zich mee. In combinatie met wet- en regelgeving, kostprijs-, markt- en ketenontwikkeling, bedrijfsvergroting en gebrek aan opvolging, wordt het ondernemen er voor de boer niet makkelijker op. Door vergrijzing en ontgroening zien we een afname in het aantal agrarische bedrijven.
Er komen steeds betere technieken beschikbaar voor productieverhoging. De vraag naar duurzaam geproduceerde levensmiddelen neemt toe.
Visserij
De Zeeuwse visserijsector levert een bijdrage aan de voedselvoorziening van de wereldbevolking in de vorm van kwalitatief hoogwaardig, duurzaam gevangen en gekweekte vis, schaal- en schelpdieren. De ambitie voor Zeeland is om in 2050 een moderne, goed uitgeruste, economisch gezonde en duurzaam opererende visserijsector te hebben die in zijn bedrijfsvoering rekening houdt met de natuurwaarden. Waar mogelijk vindt synergie plaats tussen visserij en natuur.
Recreatie en toerisme
Recreatie en toerisme zijn zeer belangrijk voor Zeeland, als pijlers voor de economie, werkgelegenheid en leefbaarheid. Circa 9,2% van de totale werkgelegenheid in Zeeland houdt verband met deze sector (16.700 banen). Het aantal overnachtingen lag in 2018 op 18,6 miljoen en is sinds 2012 stijgend. Per jaar zijn er rond de 43 miljoen dagbezoeken, veelal ook van eigen inwoners. De totale bestedingen van deze verblijfs- en dagtoeristen ligt rond de 1,85 miljard. Deze bestedingen landen niet alleen in de logies en horeca, maar ook in sectoren als (detail)handel, vervoer en zakelijke dienstverlening.
De Zeeuwse stranden zijn de belangrijkste toeristische trekker. Zeeland beschikt over de schoonste en veiligste stranden van Europa en de stranden zijn van grote economische waarde voor Zeeland. Zeeland heeft daarnaast een veelzijdig aanbod. De provincie scoort hoog op het gebied van (buiten)recreatie (vooral wandelen en fietsen), watersport (vooral actieve sporten, zoals kitesurfen en duiken) en gastronomie. Het Zeeuwse duin- en cultuurlandschap, met haar stranden, historische kernen en het omliggende platteland is het decor van beleving voor onze gasten.
De toeristische infrastructuur en toegankelijkheid van alle verschillende vormen van activiteiten en routes (wandelen, fietsen, ruiterpaden, MTB etc.) is in de basis op orde. Het beheer en onderhoud, ook van de routeinformatie en bebording, is van een goede kwaliteit. Dit geldt niet alleen voor de kust, maar ook voor de andere delen van Zeeland. Deze infrastructuur versterkt voor onze gasten de beleving op de rand van land en water, door mogelijkheden als buitendijks fietsen, vervoer over water door veerdiensten, pontjes en goede duiklocaties.
Een grote impact op het toerisme aan de Zeeuwse kust is de verwachte toename tot 2030 van het aantal bezoekers. De vraag is hoe Zeeland wil omgaan met deze ambitie. Een dergelijke prognose heeft immers ruimtelijk en sociaal grote effecten. Inspelen op een dergelijke prognose is belangrijk willen we de huidige kwaliteit van onze leefomgeving behouden en de ingezette koers tot versterking van Zeeuwse Kustkwaliteit bereiken. De huidige economische crisis als gevolg van de coronamaatregelen onderschrijft het belang van een toekomstbestendige en robuuste sector, maar ook het belang van meer inzicht in onze gasten en de impact van bezoekersstromen op natuur/landschap, economie en leefbaarheid. Hierdoor kunnen we immers bepalen of de bestemming Zeeland in balans is en welke toekomstige ontwikkelopgaven er zijn. Er is sprake van een turbulente markt, die sterk onder invloed staat van externe factoren.
Transport en infrastructuur
Zeeland heeft een hoofdinfrastructuur van havens, hoofdwegen, vaarwegen, railwegen, kabels en (buis)leidingen en een vliegveld. Deze hebben verbindingen met rijkswegen, Vlaamse netwerken, vaarwegen naar de Rotterdamse, Gentse en Antwerpse havens en treinverbindingen naar de Randstad.
De bereikbaarheid en doorstroming van het wegverkeer zijn in de 21e eeuw aanzienlijk verbeterd. Door bijvoorbeeld de aanleg van de Westerscheldetunnel, de verdubbeling van de Sloeweg, de Tractaatweg en de opwaardering van de oost-west verbinding in Zeeuws-Vlaanderen (N61).
De digitalisering en robotisering van mobiliteit zullen effect hebben op inrichting van weginfrastructuur en op het systeem van laadpunten. Mogelijkheden voor versterking van de transportinfra op de lijn Rotterdam – Antwerpen worden onderzocht. Er is een toenemende behoefte van transport van goederen in de vorm van vloeistof of gas. Het uitgangspunt is dat vervoer van gevaarlijke stoffen zo min mogelijk over spoor door bewoonde gebieden gaat. Alternatief is via buisleidingen of water.
De Rijksoverheid gaat over nieuwe richtlijnen als het gaat over het vervoer en transport van gevaarlijke stoffen. De Provincie neemt deel aan stakeholders overleggen die het Rijk houdt ten behoeve van het ontwikkelen van nieuwe richtlijnen. Inzet is om minder vervoer van gevaarlijke stoffen via het huidige spoor in Zeeland te hebben door dorpen en steden heen.
Daarnaast zijn we in 2024 gestart met het uitvoeren van een omgevingsverkenning. Een omgevingsverkenning kan de veiligheidsgevolgen en de risico’s die de toename van transport van gevaarlijke stoffen met zich mee brengt, in kaart brengen.
In Zeeland gaat meer dan 5058% van het goederenvervoer via binnenvaartschepen. Met de uitbreiding van de capaciteit van de Volkerak- en Krammersluizen is een belangrijk knelpunt verdwenen. In tijden van extreme en langdurige droogte kan de mobiliteit van de binnenvaart belemmerd worden door lage waterstanden in de rivieren in het oosten en midden van het land. Ook voor de scheepvaart via het Kanaal Gent-Terneuzen kan dit effect hebben.
Het transport per spoor is nog gering van omvang (10% in 2019). Dat heeft onder andere te maken met twee knelpunten, namelijk met de ontbrekende rechtstreekse verbindingen met Antwerpen (Veza) en Gent (KGT). Er is wel een toename te verwachten van het vervoer van gevaarlijke stoffen over autowegen, spoor- en vaarwegen. De toename van vervoer van gevaarlijke stoffen over spoor in Zeeland is ongewenst.
Verdere verwachtingen zijn een doorontwikkeling van bedrijvigheid en een toename van het vervoer per spoor, water en buisleiding in de Kanaalzone (Seine-Schelde verbinding, Rail Gent – Terneuzen). Daarnaast is er sprake van een toenemende aandacht voor milieukwaliteit, leefbaarheid, duurzaamheid en circulariteit.
E
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
6.1 Doelstelling 2030
Een toekomstbestendige en CO2-neutrale woningvoorraad die in kwaliteit en kwantiteit aansluit op de vraag.
Ontwikkelingen op de woningmarkt en een verhoogde instroom van inwoners, zetten de woningmarkt in Zeeland sterk onder druk. Naast de uitbreidingsbehoefte van de Zeeuwse woningvoorraad moet de focus van het woonbeleid ook op de bestaande voorraad komen te liggen. Zo wordt optimaal gebruik gemaakt van de reeds gebouwde woningvoorraad.
Subdoel 1: De bestaande woningvoorraad is toekomstbestendig: CO2-neutraal en levensloopbestendig.
Subdoel 2: Nieuwbouw is passend bij de huidige en toekomstige behoefte, tenminste voor tweederde betaalbaar en minimaal 50% circulair: focus op kwaliteit in woningtypen en locaties.
Subdoel 3: Er wordt ingespeeld op de behoefte aan specifieke segmenten op de woningmarkt.
Met deze bouwsteen dragen we bij aan de volgende duurzame ontwikkelingsdoelen van de VN (brede welvaart).

6.2 Huidige situatie
Kwalitatieve match
Uit het Kwalitatief Woononderzoek Zeeland (KWOZ, Stec Groep, 2019) volgt een aantal belangrijke conclusies over de woonopgaven in Zeeland: parallel aan de huishoudensgroei op korte termijn met balans en krimp op middellange termijn, zien we grote verschillen tussen enmaar ook binnen regio’s. Tot 2040 komen er in totaal nog circa 11.55018.000 huishoudens bij in Zeeland. De huishoudensgroei zit primair in de 65 (Provinciale bevolkings- en 80-plushuishoudenshuishoudenprognose 2022). Alleen op Tholen en de Bevelanden groeitDe meeste huishoudensgroei is te verwachten bij de groep gezinnen –traditioneel de grote drijver van groei – de komende jaren nog65- en 80-plushuishoudens.
Er ontstaat een overschot indisbalans tussen het reguliere grondgebonden segment en juist een sterkede behoefte aan nultredenwoningenvanuit de maatschappij. Voor ouderen is het soort huizen waar men woont vaak niet meer passend, maar doorstromen naar een passende woning wordt als erg lastig ervaren. Door de toename van met name alleenstaande 80+ huishoudens ontstaat een mismatch tussen de huidige woningvoorraad en de woningvoorraad die er op langere termijn zou moeten staan. De behoefte aan nultredenwoningennultreden-, geclusterde en beschutte woonzorgwoningenzorggeschikte woningen waar zorg ontvangen mogelijk is, neemt fors toe. Bijna 20% van de bestaande voorraad is ‘levensloopgeschikt’, 60% van de woningen is geschikt te maken voor ouderen (bron: Kwalitatief Woononderzoek Zeeland (KWOZ) 2019). In het kader van het Kwalitatief Woononderzoek Zeeland 2019 is de behoefte per type woning tot 2029 in beeld gebracht, zie de grafiek hieronder.

Betaalbaarheid en toegankelijkheid van de woningmarkt is ook in Zeeland een groot probleem geworden. De oorzaken hiervan zijn bekend: De druk op het goedkoopste segment van de woningvoorraad is het grootst omdat het aanbod dat beschikbaar komt op de markt relatief klein is. Dit wordt veroorzaakt door de eerder genoemde gebrekkigebeperkte doorstroming opin de rest van de woningmarkt, en met name de doorstroming naar nultredenwoningen. Hier komt nog bij dat de prijzen van woningen in Nederland sterk gestegen zijn, en dat starters moeten concurreren met (particuliere) investeerders die een tweede woning zoeken of rendement willen halen op vastgoedbezit, voor recreatieve of andere doeleinden. Voor starters worden de kansen op een eigen woning hierdoor steeds kleiner, zeker als men niet in aanmerking komt voor een sociale huurwoning. Het belang van doorstroming en lange verhuisketens wordt hierdoor alleen maar groter. Daarnaast is het nodig om delen van de woningvoorraad te beschermen tegen sterke prijsstijgingen door flankerend beleid. Niet voor niets is wonen verankerd in onze grondwet als primaire levensbehoefte. Actie is daarom nodig om verdringing tegen te gaan zodat de woningmarkt weer toegankelijk wordt voor onze inwoners.
Een deel van de oudere huishoudens wil - mits er passend aanbod is - doorstromen naar een nultredenwoning. Tegelijkertijd wordt de groep die interesse heeft in de vrijkomende reguliere grondgebonden woning (in veel regio’s) kleiner. Dit heeft gevolgen voor de bestaande voorraad. Een deel kan worden aangepast om beter aan te sluiten bij de toekomstige behoefte. Dit is echter niet overal mogelijk en wenselijk. Woningen waar op termijn naar verwachting overschotten van ontstaan (type, soort en prijsklasse) én die relatief minder gewildzijn (lage energieprestatie, minder aantrekkelijke buurt, etc.), zijn het meest risicovol: de minst presterende woningen binnen deze voorraad hebben het hoogste risico op leegstand en achteruitgang. De woningmarktopgaven liggen dus voornamelijk in de bestaande voorraad. Daarbij geldt dat nietsdoen uiteindelijk meer geld kost dan het aanpakken van de bestaande voorraad.
Daarnaast worden bewoners kritischer over de gewenste woning en de daarbij horende woonomgeving. Hierdoor worden er steeds meer verschillende woningtypes op de markt gebracht in Nederland, zoals woonhoven voor gelijkgestemde ouderen (‘knarrenhof’), tiny houses of kleine appartementen voor jongeren in een stedelijke omgeving. Er is ook vraag naar zogenaamde middenhuurwoningen in Zeeland. Dit type woning is nodig voor de doorstroming op de woningmarkt en voor het verbreden van de flexibele schil. Omdat de ontwikkeling van afwijkende woningtypen vaak risicovoller is voor investeerders, wordt het nog niet vaak toegepast in Zeeland, terwijl de vraag er wel is.
Uitbreiding
De bevolking van Zeeland neemt volgens de Provinciale bevolkings- en huishoudenprognose 20192022 nog toe tot 400.000420.000 inwoners in 2040. De vraag naar extra woningen manifesteert zich vooral in steden en in andere goed bereikbare kernen met voorzieningen. Per regio en per dorp kan de vraag naar woningen echter sterk uiteenlopen. Bundeling van voorzieningen in combinatie met een goede bereikbaarheid daarvan is een gezamenlijke uitdaging. In regioverband maken gemeenten afspraken waar en hoeveel woningen er worden toegevoegd in de regionale woningmarktafspraken. Omdat de situatie in elke regio anders is, is regionaal maatwerk belangrijk. De behoefteraming van de meest recente Provinciale bevolkings- en huishoudenprognose is daarvoor de basis. Afspraken over soorten woningen en woonmilieus worden nog nietHet is belangrijk dat er voldoende woningbouwplannen zijn om de groei van de woningbehoefte op te vangen, die ook voldoende flexibel zijn om in elke regio gemaaktte spelen op de actuele behoefte. Er zijn Een verhouding van 130% zachte en harde plannen ten opzichte van de woningbehoefte in de meeste regio’s meer dankomende 10 jaar is hierbij wenselijk. Hierbij is het belangrijk dat er niet alleen voldoende woningbouwplannen om de uitbreidingsbehoefte op te vangenplannen voor woningbouw zijn, maar ook dat deze aansluiten bij de vraag. Veel bestaande plannen zijn echter in het verleden gemaakt toen er een andere vraag was en er andere verwachtingen waren. De situatie ziet er op dit moment anders uit, waardoor plannen soms niet van de grond komen. Deze plancapaciteit dreigt de totstandkoming van actuele plannen die beter aansluiten op de behoefte, te blokkeren.
Zorgvuldig ruimtegebruik en bouwen binnen het bestaand stedelijk gebied van dorpen en steden is voor iedere stedelijke ontwikkeling, zoals woningbouw, kantoren of bedrijventerreinen, het uitgangspunt. Het Rijk heeft daarvoor de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in landelijke wetgeving. Het doel is beschermen van het landschap, de agrarische functie van het buitengebied, natuurwaarden en andere kwaliteiten die maken dat het in Zeeland goed wonen is. Het mes snijdt aan twee kanten, want in het stedelijk gebied verliezen steeds meer vormen van vastgoed hun functie, zoals maatschappelijk vastgoed, scholen, winkels, kerken en kantoren. Voor de dynamiek van het stedelijk gebied is het cruciaal dat woningen toegevoegd kunnen worden in of in de plaats van deze gebouwen komen. Daarnaast is inbreiding interessant in grotere steden. Het kan de kwaliteit van de openbare ruimte verbeteren (beschut, levendig, sociaal veilig) en voor een rendabeler grondexploitatie zorgen. Hierbij is wel aandacht en ruimte nodig voor maatregelen voor klimaatadaptatie en versterken van de kwaliteit van de leefomgeving, zoals ruimte voor stedelijk groen en waterberging. Er bevinden zich dan immers meer mensen en veel functies op een gering bouwoppervlakte. In de groeiende stad kan inbreiding zorgen voor het sparen van groen en landschap, omdat de ruimte in de stad beter benut wordt en uitbreiding niet of minder noodzakelijk is. Uit onderzoek onder de Zeeuwse bevolking blijkt dat 71% van de Zeeuwen het eens is met deze aanpak (bron: Zeeland nu en in de toekomst, ZB |Planbureau, 2020).
Aandachtspunt bij uitbreiding is stikstofruimte voor bouwactiviteiten. De komende stikstofwet zal de stikstofemissie vanuit bouwprojecten vrijstellen van vergunningplicht. De exacte kaders zijn nog niet bekend, omdat het Rijk nog werkt aan regelgeving.
Woondeal
Begin 2022 heeft de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) de nationale Woon- en Bouwagenda gepubliceerd. Kern van de kabinetsplannen is om in de komende jaren als overheid meer regie te gaan voeren inzake woningbouw, met als doel ervoor zorgen dat in de periode t/m 2030 in Nederland 900.000 woningen worden gerealiseerd. Van al die nieuwe woningen dient 2/3 in de categorie ‘betaalbaar’ te worden gerealiseerd. Gemeenten dienen wat het Rijk betreft te streven naar 30% sociale huurwoningen. Tevens is er aandacht voor voldoende levensloopbestendige woningen o.a. met het oog op de toenemende vergrijzing. Ook aandachtsgroepen (dak- en thuisloze mensen, arbeidsmigranten, statushouders, woonwagenbewoners, ouderen met een zorgvraag en andere spoedzoekers) maken deel uit van de woningbouwplannen.
Om dit tot stand te brengen heeft de minister voor VRO de provincies gevraagd een bod uit te brengen voor de versnelling van de woningbouw in de provincie. In Zeeland is in nauwe samenwerking met Zeeuwse gemeenten, woningcorporaties, het Rijk en bedrijven in de Zeeuwse woningmarkt een woonbod opgesteld en uitgewerkt tot een Zeeuwse woondeal. Deze woondeal is in maart 2023 ondertekend door de minister voor VRO en vertegenwoordigers namens de colleges van GS en B&W van de Zeeuwse gemeenten.
De hoofdlijnen van de Woondeal Zeeland zijn als volgt:
Provincie, gemeenten, corporaties e.a. streven naar 16.500 extra woningen in Zeeland in de periode t/m 2030;
Het streven is 2/3e van die woningen in de categorie ‘betaalbaar’ te realiseren:
Gemeenten zorgen voor een bruto plancapaciteit van 21.270 woningen, waarvan 6.800 nultredenwoningen en 795 flexwoningen.
Om de ambities in de Zeeuwse woondeal daadwerkelijk te kunnen realiseren zijn een aantal kritische succesfactoren van essentieel belang.
Die onderwerpen zijn als randvoorwaarden in de woondeal opgenomen:
Personele krapte bij gemeenten en in de bouwsector Wet- en regelgeving en procedures (o.a. stikstofruimte);
Hulp bij onrendabele toppen in woningbouwprojecten;
De behoefte om schouder aan schouder te werken: als één overheid maar ook in nauwe afstemming met corporaties, bouwbedrijven etc.;
Voldoende betaalbare locaties voor woningbouwprojecten van corporaties e.a.
Om tot een effectieve en voorspoedige uitvoering te komen heeft de provincie met de gemeenten, corporaties, het Rijk e.a. een structuur ingericht voor de realisatie van de Woondeal in de periode t/m 2030. Die structuur is gericht op samenwerking en sturing, versnelling van projecten, monitoring, periodiek overleg over woningbouwontwikkelingen en –projecten en het oplossen van belemmeringen, onder andere via Versnellingstafels.
Verduurzaming
De woningvoorraad staat aan de vooravond van een enorme verduurzamingsopgave. Bijna de helft (45%) van de woningen in Zeeland heeft energielabel D of lager en 13% heeft label G. Het Zeeuws energieakkoord gaat uit van een energieneutrale particuliere woningvoorraad in 2045. Hierbij hoort ook de opgave 'Nederland van het gas af' en de transitievisies warmte die opgesteld moeten worden vanuit het concept Klimaatakkoord. Grootschalige (na)isolatie en energiebesparing bij woningen, maatschappelijk vastgoed en bedrijfsgebouwen zal onder andere verder geregeld worden via de RES Zeeland en de gemeentelijke warmteplannen op wijkniveau. Isolatie helpt ook hitte buiten te houden en opslag van warmte en koude in de grond kan verkoeling geven (klimaatadaptatie). Zie hiervoor ook de bouwstenen Energietransitie, Duurzame energie en Klimaatadaptatie.
Energieneutraal (duurzaam) (ver)bouwen is één, maar daarnaast dient de milieudruk omlaag gebracht te worden en mogen minder milieubelastende bouwmaterialen worden toegepast door circulair te bouwen. Hier speelt de toenemende schaarste van (grond)stoffen en materialen. 'Urban mining' is een ontwikkeling die daarop inspeelt door bij sloop materialen terug te winnen en grondstoffen uit afval te halen.
wen).De eerste resultaten van circulaire projecten en samenwerkingen in de regio zijn al zichtbaar (onder andere circulair bouwen Emergis, onderzoeksproject Circulair Biobased Construction Industry, Kennis en Innovatienetwerk circulair bou
Voorraadbeheer en sloop
Er worden jaarlijks nauwelijks particuliere woningen onttrokken aan de woningmarkt door sloop, functieverandering of samenvoeging. Doorgaan in dit tempo zou betekenen dat alle woningen nog zo’n 2000 jaar mee zouden moeten gaan. Elke extra woning zorgt uiteindelijk voor sloop van een woning elders. De rekening hiervan ligt (straks) bij de samenleving. Verevening van andere functies met extra woningbouw is daarom onwenselijk.
Negentig procent van alle woningen die in 2050 in Zeeland zullen staan, staat nu al in onze steden en dorpen. De huidige woningvoorraad is relatief oud, is relatief vaker gebouwd in de naoorlogse jaren 1945-1980 en relatief vaak in particulier bezit. Er worden jaarlijks echter nauwelijks particuliere woningen onttrokken aan de woningmarkt door sloop. Doorgaan in dit tempo zou betekenen dat alle woningen nog zo’n 2000 jaar mee zouden moeten gaan. Met voldoende dynamiek op de woningmarkt loont het om te investeren in oude woningen. Maar wanneer deze dynamiek afneemt door bijvoorbeeld afnemende huishoudengroei, kan er leegstand ontstaan. Het is daarom belangrijk om investeringen in de particuliere woningen te blijven stimuleren, zodat ze zoveel mogelijk kwalitatief op orde blijven. Ook vraagt dit om zorgvuldigheid bij het toevoegen van nieuwe woningen. Elke extra woning teveel zorgt uiteindelijk voor de noodzaak tot het slopen van een woning elders. De rekening hiervan ligt (straks) bij de samenleving. Verevening van andere functies met extra woningbouw is daarom eindig.
Bij woningcorporaties ligt het slooptempo hoger; corporatiewoningen worden gemiddeld na 100 jaar vervangen. Door overheidsmaatregelen hebben woningcorporaties echter minder te besteden aan de uitvoering van het strategisch voorraadbeheer. De nieuwbouw, sloop en renovatie van woonblokken gaat hierdoor op een lager tempo. Door het uitponden (verkopen) van woningen door woningcorporaties is mogelijk versnipperd bezit ontstaan waardoor herstructurering, transformatie of renovatie ingewikkelder is geworden. Het stimuleren van corporaties tot ‘inponden’ (terugkopen van eerder verkocht bezit) kan helpen, bijvoorbeeld bij gebiedsgerichte aanpak.
Internationale werknemers en vergunninghoudersstatushouders
De groeiende economie en de afnemende beroepsbevolking zorgen voor een toename van internationale werknemers die hier tijdelijk komen wonen. Deze doelgroep is divers van aard en kent ook verschillende woonwensen, die niet altijd binnen de huidige woningvoorraad zijn te vervullen. Internationale werknemers zijn op dit moment en op lange termijn crucial voor de Zeeuwse economie. Om aantrekkelijk te blijven voor international werknemers is het belang van goede huisvesting groot. De internationale werknemers die hier langer dan twee tot drie jaar blijven, stromen door naar reguliere woningen in onze dorpen en wijken. Voor kort en middellang verblijf bestaat in sommige regio’s een tekort aan huisvesting. Ook laat de kwaliteit van de tijdelijke huisvesting nogal eens te wensen over. Dan moet men genoegen nemen met een te dure, brandgevaarlijke of illegale oplossing. Een bijzondere doelgroep zijn de vergunninghoudersstatushouders. Gemeenten hebben een wettelijke taak voor het huisvesten van asielzoekers die een verblijfsvergunning (statushouders) hebben. De provincie houdt hier toezicht op. De huisvesting van statushouders behoeft extra aandacht.
Deeltijdwonen
Deeltijdwonen is het bezit van tweede woningen van mensen die hun hoofdverblijf elders hebben en speelt vooral aan de kustgebieden. Een deeltijdwoning heeft altijd betrekking op een reguliere woning met een woonbestemming, maar kan in deeltijd gebruikt worden. De woning is permanent beschikbaar voor gebruik door de eigenaar en wordt niet recreatief verhuurd aan derden. De behoefte aan deeltijdwoningen is moeilijker te voorspellen dan woningen bedoeld voor permanente bewoning. De vraag naar deeltijdwoningen is afhankelijker van de economische ontwikkelingen dan de vraag naar wonen, omdat deeltijdwonen geen primaire levensbehoefte is maar een ‘luxeproduct’. Deeltijdwoningen hebben wel een belangrijke link met de bestaande woningvoorraad, omdat door aan- of verkoop, de woningvoorraad wordt verkleind c.q. vergroot. Deeltijdwonen is een kans voor regio’s waar door daling van het aantal huishoudens leegstand dreigt. Aan de andere kant vormt het een bedreiging voor de ervaren leefbaarheid van permanente bewoners en de betaalbaarheid van woningen. We willen de kansen die ‘deeltijdwonen’ biedt voor Zeeland graag benutten. De uitdaging is om de nadelen (leefbaarheid, betaalbaarheid) te beperken. Gemeenten kunnen een helder onderscheid maken in het gewenste gebruik via het bestemmingsplan (keuze tussen woon- of recreatiebestemming) en de gemeentelijke gebruiks- of huisvestingsverordening. Helderheid omtrent gebruiksmogelijkheden biedt de noodzakelijke duidelijkheid voor (toekomstige) eigenaren. Een adequate registratie en monitoring biedt bovendien de mogelijkheid om onttrekkingen aan de reguliere woningvoorraad voor deeltijdwonen ten goede te laten komen aan de ‘ladderruimte’ voor woningbouw. Dit is de ruimte die een gemeente heeft om de kwantitatieve behoefte van nieuwe woningbouwplannen te kunnen onderbouwen voor de Ladder voor Duurzame Verstedelijking van het Rijk. Deze ruimte wordt berekend door van de woningbouwopgave de 'harde plancapaciteit' (woningbouwplannen waarbij het plan ver genoeg is om omgevingsvergunningen voor af te geven.) af te trekken. Bij het streven naar kwalitatief hoogwaardige, leefbare badplaatsen kan het toevoegen van woningen bestemd voor deeltijdwonen gewenst zijn. In de Omgevingsverordening wordt uiteengezet onder welke voorwaarden dit mogelijk wordt gemaakt.
Deeltijdwonen is het bezit van tweede woningen van mensen die hun hoofdverblijf elders hebben en speelt vooral aan de kustgebieden. Een deeltijdwoning heeft altijd betrekking op een reguliere woning met een woonbestemming, maar kan in deeltijd gebruikt worden. De woning is permanent beschikbaar voor gebruik door de eigenaar en wordt niet recreatief verhuurd aan derden. De behoefte aan deeltijdwoningen is moeilijker te voorspellen dan woningen bedoeld voor permanente bewoning. De vraag naar deeltijdwoningen is afhankelijker van de economische ontwikkelingen dan de vraag naar wonen, omdat deeltijdwonen geen primaire levensbehoefte is maar een ‘luxeproduct’.
Deeltijdwoningen hebben wel een belangrijke link met de bestaande woningvoorraad, omdat door aan- of verkoop, de woningvoorraad wordt verkleind c.q. vergroot. Deeltijdwonen is een kans voor regio’s waar door daling van het aantal huishoudens leegstand dreigt. Aan de andere kant vormt het een bedreiging voor de ervaren leefbaarheid van permanente bewoners en de betaalbaarheid van woningen. We willen de kansen die ‘deeltijdwonen’ biedt voor Zeeland graag benutten. De uitdaging is om de nadelen (leefbaarheid, betaalbaarheid) te beperken. Gemeenten kunnen een helder onderscheid maken in het gewenste gebruik via het omgevingsplan (keuze tussen woon- of recreatiebestemming) en de gemeentelijke gebruiks- of huisvestingsverordening. Helderheid omtrent gebruiksmogelijkheden biedt de noodzakelijke duidelijkheid voor (toekomstige) eigenaren. Bij het streven naar kwalitatief hoogwaardige, leefbare badplaatsen kan het toevoegen van woningen bestemd voor deeltijdwonen gewenst zijn. In de Omgevingsverordening wordt uiteengezet onder welke voorwaarden dit mogelijk wordt gemaakt. Belangrijk hierbij is dat het toevoegen van deeltijdwoningen (in dit geval woningen met een recreatiebestemming zonder de verplichting voor verhuur en centraal bedrijfsmatige exploitatie) een ruimtelijke begrenzing kent en bijdraagt aan de kwaliteit van de betreffende badplaats.
Belangrijk hierbij is dat het toevoegen van deeltijdwoningen (in dit geval woningen met een recreatiebestemming zonder de verplichting voor verhuur en centraal bedrijfsmatige exploitatie) een ruimtelijke begrenzing kent en bijdraagt aan de kwaliteit van de betreffende badplaats.
Wonen in het landelijkbuiten stedelijk gebied
Op het Zeeuwse platteland wordt de komende jaren een toename verwacht van het aantal agrarische ondernemers dat gaat stoppen door onder andere een gebrek aan opvolging. Dit leidt ertoe dat in het landelijk gebied veel agrarische bebouwing overbodig raakt en leeg komt te staan. Leegstand heeft nadelige gevolgen voor het aanzicht en gebruik van het landelijk gebied. De inschatting is dat de komende jaren een grote hoeveelheid vrijkomende agrarische bebouwing (VAB) ontstaat. Daarnaast is het belangrijk dat het landelijk gebied op bepaalde plaatsen versterkt wordt met bos en natuur in combinatie met landschapsversterking of –herstel (bijv. vanuit de structurele aanpak Stikstof). Om de kwaliteit van het landelijk gebied te behouden kan verevening worden toegepast. Dit houdt in dat sloop van bebouwing mogelijk wordt gemaakt óf dat er een nieuwe functie voor de leegstaande bebouwing wordt gevonden die kwaliteit toevoegt. Wat mogelijk is, hangt af van de bebouwing en de locatie. In een aantal gevallen is ook beperkte woningbouw toegestaan.
Op het Zeeuwse platteland wordt de komende jaren een toename verwacht van het aantal agrarische ondernemers dat gaat stoppen door onder andere een gebrek aan opvolging.
Dit leidt ertoe dat in het landelijk gebied veel agrarische bebouwing overbodig raakt en leeg komt te staan. Leegstand heeft nadelige gevolgen voor het aanzicht en gebruik van het buitengebied. De inschatting is dat de komende jaren een grote hoeveelheid vrijkomende agrarische bebouwing (VAB) ontstaat. Daarnaast is het belangrijk dat het landelijk gebied op bepaalde plaatsen versterkt wordt met bos en natuur in combinatie met landschapsversterking of –herstel (bijv. het Nationaal Programma Landelijk Gebied). Om verstening tegen te gaan is het toevoegen van nieuwe woningen buiten stedelijk gebied niet toegestaan. Het is echter van provinciaal belang de kwaliteit van het landelijk gebied versterkt wordt. Vanuit dit provinciaal belang kan verevening, door het onder voorwaarden toevoegen van wooneenheden in het landelijk gebied, worden toegepast, waarbij de kwaliteit van het buitengebied voorop staat. Verevening houdt in dit geval in dat toevoeging van wooneenheden alleen mogelijk wordt gemaakt als er kwaliteit wordt toegevoegd aan het buitengebied. Wat mogelijk is, hangt af van de bebouwing en de locatie. In een aantal gevallen is ook beperkte woningbouw toegestaan.
Het toevoegen van woningen in het landelijk gebied (of: buiten bestaand stedelijk gebied) is bij de volgende situaties mogelijk gemaakt:
‘Rood-voor-rood’: Het verbeteren, uitbreiden of verplaatsen van bestaande bebouwing, zoals bestaande burger- of bedrijfswoningen. Ook is het mogelijk om cultuurhistorisch waardevolle agrarische bebouwing te verbouwen tot een of meer wooneenheden om de instandhouding ervan te waarborgen. Met het maken van een selectie van cultuurhistorisch waardevolle boerderijen heeft de provincie focus aangebracht op een beperkt aantal boerderijen.
‘Rood-voor-rood’: Het verplaatsen van bestaande bebouwing, zoals bestaande burger- of bedrijfswoningen door het laten vervallen van de woonbestemming in het omgevingsplan en het elders oprichten van een nieuwe woning. Het oprichten van meerdere woningen buiten stedelijk gebied is mogelijk indien het aantal overeenkomt met het aantal woonbestemmingen die elders zijn komen te vervallen. Ook is het mogelijk om monumentale bebouwing te verbouwen tot een of meer wooneenheden om de instandhouding ervan te waarborgen. Het gaat hierbij om bijvoorbeeld boerderijen, gemalen, molens en buitenplaatsen die een rijks- of gemeentelijke monumentenstatus hebben. Ook is een selectie van cultuurhistorisch waardevolle boerderijen, zoals weergegeven in bijlage VII van de Omgevingsverordening Zeeland, waar verbouwing tot één of meerdere wooneenheden is toegestaan.
‘Ruimte-voor-Ruimte’: Hierbij wordt het mogelijk gemaakt om de sloop van VAB te bekostigen met een bouwrecht voor een woning in het landelijk gebied per 500 m2 te slopen schuur of 0,5 ha glastuinbouw. Hiermee wordt beoogd verrommeling van het landelijk gebied tegen te gaan.
‘Rood-voor-groen’: Het gaat hierbij om het mogelijk maken van woningbouw in het landelijk gebied in de vorm van landgoederen/buitenplaatsen. Een maximale omvang van bebouwing is toegestaan mits er een landgoed wordt aangelegd met bepaalde landschapswaarden dat voor een groot deel openbaar toegankelijk is.
'Woonwagenlocaties’: Voor woonwagenlocaties wordt de mogelijkheid tot uitbreiding geboden, ook buiten bestaand stedelijk gebied, mits de behoefte wordt aangetoond en er sprake is van een goede landschappelijke inpassing.
Bovenstaande regelingen zijn vastgelegd in de Omgevingsverordening. Er kunnen vraagtekens gezet worden bij de effectiviteit van deze regelingen om verrommeling van het landschap tegen te gaan, ook in relatie tot de neveneffecten op het landschap en de bestaande woningvoorraad. Het is daarom belangrijk de regelingen, met uitzondering van 5.11 Woonwagenlocaties, te evalueren en te heroverwegen. In Actie 4.2 wordt hier verder op ingegaan.
6.3 Acties om doelen te realiseren
Subdoel 1: De bestaande woningvoorraad is toekomstbestendig: CO2 neutraal en levensloopbestendig.
De grootste opgave van bestaande woningvoorraad ligt in de versterking van de bestaande woningvoorraaddaarvan. Hoe maken we de bestaande woningvoorraad toekomstbestendig? De Zeeuwse gemeenten, woningcorporaties en de Provincie werken, met inbreng van particulieren, grondeigenaren, makelaars en projectontwikkelaars aan de uitvoering van een Zeeuwse Woonagenda, waarbinnen gezamenlijk wordt opgetrokken om de woningvoorraad toekomstbestendig te maken en te houden. Het gaat daarbij om de verduurzaming en het levensloopgeschikt maken van de woningvoorraad en daarmee samenhangend, het op peil houden van de leefbaarheid in wijken en dorpen. In delen van Zeeland gaat het daarnaast om het onttrekken van woningen die niet toekomstbestendig (te maken) zijn, vaak om ruimte te maken voor passende nieuwbouw. Voor het CO2-neutraal maken staat in de Zeeuwse Regionale energiestrategie als doel voor 2030 een verlaging van 34% van het energieverbruik van particuliere woningen t.o.v. 2017. Voor corporatiewoningen is regionaal geen tussentijds doel afgesproken. Landelijk hebben de corporaties als doelstelling dat al hun huurwoningen CO2-neutraal zijn in 2050. Het eerste ijkpunt op weg daarheen is 2021: dan hebben corporatiewoningen gemiddeld energielabel B. Waar mogelijk wordt circulair gewerkt bij aanpassingen.
Actie 1.1 Stimuleren onderhoud, renovatie en sloop van koop- en huurwoningen
De huidige woningvoorraad van Zeeland staat er in 2050 voor het overgrote deel nog steeds. Onderhoud en renovatie van woningen is belangrijk om de woningvoorraad toekomstbestendig te maken en te houden. Er moet ingespeeld worden op de drie maatschappelijke opgaven: ‘klimaat’ (isoleren, fossielvrije energieopwekking), circulaire economie en ‘demografische transitie’ (levensloopbestendig, geschikt voor nieuwe doelgroepen, flexibeler woonvormen, geschikt om thuis zorg te ontvangen). Dit vraagt om bewustwording, begeleiding en stimulering van woningeigenaren, maar ook om een cultuuromslag in beleid en focus bij alle overheden. Slechts 22% vanHoewel de Zeeuwen vindt dat de verantwoordelijkheid voor verduurzaming van de woning bij de inwonershuiseigenaren zelf ligt. Een groot deel vindt dat financiële vergoedingen nodig zijn (bron: Zeeland nu en, is het in de toekomst, ZB |Planbureau, 2020)veel gevallen niet mogelijk om dit zonder ondersteuning te doen. Hiermee zal rekening gehouden moeten worden bij de uitvoering van deze actie.
Het is nodig om aan strategisch voorraadbeheer te doen, in nauwe samenwerking met woningcorporaties en marktpartijen. De focus moet liggen op de bestaande voorraad met oog voor nieuwe of afwijkende woonconcepten (patio, knarrenhofjes, wooncoöperaties), flexibel aanpasbare of verplaatsbare woningen. Lokale of particuliere initiatieven kunnen hierbij een aanjagende rol hebben. Om de verandering van de bevolkingssamenstelling en de energietransitie te accommoderen is in de particuliere sector een hoger sloop- en nieuwbouwtempo nodig, waarbij een koppeling tussen nieuwbouw en sloop wenselijk is. In het kader van het Nationaal Klimaatakkoord heeft elke corporatie een plan vastgesteld voor een CO2-neutraalwoningbezit in 2050. Circulair en biobased bouwen zorgt voor besparing van energie en grondstoffen door hergebruik van materialen. Ontwikkelingen in de inzichten over verduurzaming van woningen worden gevolgd en meegenomen in deze actie.
Rolverdeling:
De provincie
De Zeeuwse regio's
De gemeenten
De woningcorporaties
Het Rijk
Economische Impuls Zeeland stimuleert (duurzaamheid en innovatie marktpartijen)
Particuliere woningeigenaren voeren uit
Het Kadaster, het Centraal Bureau voor de Statistiek en adviesbureaus delen kennis
Marktpartijen (ontwikkelaars en aannemers), Techniek Nederland, Impuls Zeeland en Bouwend Zeeland voeren uit en delen kennis, bijvoorbeeld over hergebruik van materialen (in ontwerp en uitvoering).
De Zeeuwse Zorgcoalitie deelt kennis.
Het Kennis & Innovatienetwerk circulair bouwen deelt kennis.
Actie 1.2 Gebiedsgerichte aanpak
De generieke aanpak voor heel Zeeland van de bestaande woningvoorraad biedt een antwoord op veel problemen. Duidelijk is echter dat sommige gebieden extra aandacht nodig hebben om te kunnen zorgen voor een toekomstbestendige woningvoorraad en goede leefomgeving. Het gaat hierbij om (delen van) binnensteden, wijken of dorpen waar een integrale gebiedsgerichte aanpak nodig is om de woningkwaliteit en de leefbaarheid te verbeteren. Een gebiedsgerichte aanpak vraagt om de gebundelde inzet van instrumenten van verschillende partijen uit meerdere sectoren.
Rolverdeling:
Zeeuwse gemeenten
Zeeuwse woningcorporaties
De provincie
Marktpartijen (ontwikkelaars en aannemers) voeren uit en nemen risico.
Het Rijk denkt mee en stimuleert.
Economische Impuls Zeeland stimuleert het doorvoeren van duurzaamheid en innovatie bij marktpartijen.
Particuliere woningeigenaren
Veiligheidsregio en GGD Zeeland
Subdoel 2: Nieuwbouw is passend bij de huidige en toekomstige behoefte en minimaal 50% circulair: focus op kwaliteit in woningtypen en locaties.
Bij nieuwbouw gaat het veel meer om kwaliteit en minder dan vroeger om kwantiteit. Het gaat om het toevoegen van de juiste woningen aan de voorraad op de juiste plekken, complementair aan de bestaande voorraad. Zo draagt nieuwbouw maximaal bij aan een toekomstige woningvoorraad die in kwaliteit en kwantiteit aansluit bij de vraag. Dit is naast de versnelling van de woningbouw een belangrijk doel van de Woondeal. Ook dit is onderdeel van de bij subdoel 1 al genoemde Zeeuwse Woonagenda.
Actie 2.1 Adaptief programmeren
Adaptief programmeren is nodig om te zorgen dat de nieuwbouw van woningen 100% raak is. Dit betekent nieuwbouw die zo goed mogelijk aansluit bij de gesignaleerde kwantitatieve en kwalitatieve lange termijnbehoefte en die niet alleen inspeelt op de korte termijnvraag. In veelde Zeeuwse regio’s sluiten de huidige plannen nog niet optimaal aan bij de gesignaleerde behoefte en in enkele gevallen leidt een teveel aan woningen in plannen ertoe dat er niet of nauwelijks meer ruimte is voor nieuwe, kwalitatief gewenste plannen. Dit is ongewenst.
Door de schaal van de Zeeuwse woningmarkten is programmering en afstemming op regioniveau onontbeerlijk. Adaptief programmeren zorgt er voor dat plannen beter aansluiten bij de gesignaleerde behoefte en dat kwalitatief gewenste plannen niet worden geblokkeerd door de bestaande, verouderde plancapaciteit. Afhankelijk van de regio is het doel herprogrammeren en voorzienbaarheid creëren, plannen optimaliseren en flexibiliteit in de programmering inbouwen. Er is een duidelijke samenhang met acties 1.1 en 1.2; door (concrete plannen voor) sloop wordt ruimte voor nieuwbouw gecreëerd. Zo kan het aanpakken van de bestaande voorraad ook bijdragen aan mogelijkheden voor een sterkere nieuwbouwprogrammering. Ontwikkelen van kennis van vraag en aanbod van de woningmarkt, juridische kennis en een goede monitoring zijn hierbij een randvoorwaarde. Deze kennis wordt in gezamenlijkheid ontwikkeld, zodat een gezamenlijke feitenbasis ontstaat. Een goed voorbeeld hiervan is de demografische verschuiving die door de coronapandemie ontstond. Na correcte interpretatie van deze ontwikkelingen is er alle ruimte om te schakelen naar een ander behoefte scenario.
Rolverdeling:
De provincie
verzamelt, maakt en deelt kennis over de woningmarkt;
maakt ramingen voor de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan woningen, samen met gemeenten en woningcorporaties;
monitort de demografische en volkshuisvestelijke ontwikkelingen en toetst het beleid daaraan;
stelt de gemeentelijke plannen van aanpak vast voor het wegwerken van overtollige plancapaciteit en het creëren van ruimte voor kwalitatief gewenste woningbouwplannen;
ondersteunt gemeenten bij de juridische onderbouwing van de plannen van aanpak;
creëert voorzienbaarheid.
Gemeenten en de woningcorporaties
delen kennis met andere partijen en over monitoring;
monitoren ontwikkelingen voor een optimale beleidssturing;
zijn medeopdrachtgever voor periodieke kwalitatieve behoefteramingen;
stellen plannen van aanpak vast voor het wegwerken van overtollige plancapaciteit en het creëren van ruimte voor kwalitatief gewenste woningbouwplannen;
creëren voorzienbaarheid;
schrappen bestemmingen voor wonen of passen die aan.
Het Rijk ondersteunt gemeenten bij de juridische onderbouwing van hun plannen van aanpak.
Marktpartijen
Actie 2.2 Complementair bouwen van nieuwe woningen
In regioverband maken gemeenten afspraken waar en hoeveel woningen er worden toegevoegd in de regionale woningmarktafsprakenwoonafspraken. De behoefteraming van de meest recente Provinciale bevolkings- en huishoudenprognose en het Kwalitatief Woononderzoek Zeeland is daarvoor de basis. Per regio worden afspraken over soorten woningen en woonmilieus gemaakt. Ook hier geldt dat bij ontwerp en bouw moet worden ingespeeld op de drie maatschappelijke opgaven: ‘klimaat’ (isoleren, fossielvrije energieopwekking), circulaire economie (circulair bouwen, grijs-/regenwatersysteem) en ‘demografische transitie’ (levensloopbestendig, geschikt voor nieuwe doelgroepen, flexibeler woonvormen, geschikt om thuis zorg te ontvangen).
Om maximale kwaliteit in nieuwbouwplannen te creëren, zetten we extra in op specifieke woningtypen en segmenten die zonder deze aandacht minder goed van de grond komen. Het gaat om segmenten waarvan we zonder ingrijpen oplopende tekorten zien. Hiervoor zijn afspraken gemaakt in de Zeeuwse Woondeal. Primair betekent dit de realisatie van middenhuurbetaalbare woningen en passende woonvormen voor ouderen: levensloopbestendig wonen en wonen met zorg. Vanuit deze actie stimuleren we deze segmenten. Concreet doen we dit door op regioniveau een bidbook (projectvoorstel) middenhuur op te stellen om beleggers te verleiden te investeren in middenhuur in Zeeland. Daarnaast gaan we kennis importeren en een samenwerking opzetten met ontwikkelaars om meer en passende woningen voor ouderen van de grond te krijgen. Het gaat daarbij om passende woonvormen voor zowel zorgbehoevende- als ook voor niet zorgbehoevende ouderen, bijvoorbeeld geclusterde woonvormenandere aandachtsgroepen. Deze actie draagt vanuit dit perspectief ook bij aan subdoel 3: inspelen op de behoefte aan specifieke segmenten op de woningmarkt. Parallel werken regio’s en gemeenten zelf aan een woon-zorgvisie. Vanuit de actielijn Complementair bouwen verkennen we hoe we op Zeeuws niveau hiervoor onderling kennis kunnen delen en waar mogelijk samen kunnen optrekken.
Rolverdeling:
Gemeenten
ontwikkelen woningbouw- en herstructureringsplannen;
stellen een gemeentelijke woonvisievolkshuisvestingsprogramma op;
begeleiden aannemers/ontwikkelaars, woningcorporaties, particulieren/Collectief Particulier Opdrachtgeverschap en wooncoöperaties bij de realisatie van woningbouwprojecten. ;
zijn verantwoordelijk voor het functioneren van de regionale versnellingstafel.
De provincie
De woningcorporaties
De Zeeuwse Zorgcoalitie deelt kennis.
Marktpartijen voeren woningbouw- en herstructureringsprojecten uit en maken daarbij zoveel mogelijk gebruik van biobased, herbruikbare en/of demontabele materialen.
Het Kennis- & Innovatienetwerk circulair bouwen deelt kennis.
Subdoel 3: Er wordt ingespeeld op de behoefte aan specifieke segmenten op de woningmarkt.
Naast de behoefte aan ‘reguliere woningen’ wordt een behoefte gesignaleerd aan specifieke type woningen zoals flexwonenverplaatsbare woningen, huisvesting van internationale werknemers en passende woonvormen voor oudere huishoudens, al dan niet met zorgindicatie. Voor ouderen gaat het bijvoorbeeld om nultredenwoningen, geclusterde woonvormen voor gelijkgestemdenwoningen en woonvormen op het grensvlak van zelfstandig en intramuraal wonen waar het ontvangen van zorg mogelijk iszorggeschikte woningen. De behoefte aan specifieke segmenten op de woningmarkt kan worden gestimuleerd via hergebruik van bestaand vastgoed.
Actie 3.1 Hergebruik lege panden voor wonen
Als gevolg van maatschappelijke ontwikkelingen zoals demografische transitie, schaalvergroting en de technologische transitie is de behoefte aan voorzieningen veranderd. Dit heeft gevolgen voor verschillende vastgoedsegmenten: op veel plekken is of dreigt er leegstand in detailhandel, monumentale gebouwen, kerken, scholen en kantoren. Leegstand werkt negatief op de economische aantrekkingskracht en leefbaarheid in binnensteden en kleine kernen. Door middel van transformatie kunnen deze bestaande panden – daar waar passend, want niet iedere locatie is geschikt voor woningen – worden ingezet om invulling te geven aan woonvormen waar behoefte aan is. Transformatie draagt bij aan het versterken van de leefbaarheid en (binnen)stedelijke woonmilieus. Bovendien lossen we hiermee problemen in andere vastgoedsegmenten op en leidt het maximaal benutten van bestaande locaties tot minder onnodig bouwen in het weiland. De markt ziet en pakt echter nog niet alle kansen die bestaande lege panden bieden. Dit vraagt om meer innovatie en creativiteit en onderzoek naar de wijze waarop leegstaand vastgoed optimaal kan worden benut voor de invulling van de woningmarktopgave. Het gaat hierbij niet alleen om kansrijke vastgoedtypes en -locaties maar ook hoe te komen tot een soepel transformatieproces. Een provinciale subsidieregeling hergebruik leegstaande panden wordt ingezet om te komen tot de beste projecten op cruciale plekken.
Rolverdeling:
Actie 3.2: Uitbouw flexibele schil
Er zijn diverse doelgroepen met een specifieke woningbehoefte. Doel van de ambitie is dan ook het gericht inzetten op innovatie om te komen tot nieuwe en flexibele woonvormen. Het gaat om specifieke segmenten (starters, internationale werknemers, horecapersoneel, studenten, flexwonen, et cetera). Vanuit deze actielijn wordt toegewerkt naar een passende flexibele schil in de Zeeuwse gemeenten. Hiervoor is onderzoek nodiguitgevoerd naar de behoefte aan flexwonen, onderzoek naar en geschikte locaties en het opstarten vanzijn er pilots op geschikte locatiesuitgevoerd. De opgedane inzichten vormen de opmaat naar de uitbouw van de flexibele schil van de Zeeuwse woningvoorraad en zijn de basis voor de afspraken over flexwonen in de Zeeuwse Woondeal.
Voor de huisvesting van internationale werknemers is een extra actie opgenomen onder Arbeidsmarkt (actie 1.10). Uitgangspunt daarbij is de juiste oplossing op de juiste plaats. Grootschalige centrale huisvesting kan een goede oplossing zijn, mits van goede kwaliteit en passend op de woonbehoefte van deze groep.
Rolverdeling:
De provincie
De Zeeuwse regio's
Gemeenten
zijn verantwoordelijk voor de aanpak van bestaande woningvoorraad;
voeren de regionale woningmarktafsprakenwoonafspraken/uitvoeringsagenda uit;
stellen kaders op voor de woningcorporaties en andere initiatiefnemers voor flexwoonprojecten;
stimuleren flexwonen door partijen te verbinden en zelf te participeren;
signaleren kansen voor flexwonen;
zoeken oplossingen voor de begeleiding van kwetsbare doelgroepen die flexwonen.
De woningcorporaties
Het Rijk
Marktpartijen (ontwikkelaars en aannemers)
Sociale partners (Expatcenter Zeeland, werkgevers- en werknemersorganisaties) delen kennis en bevorderen samenwerking op het gebied van welzijn en passende huisvesting van internationale werknemers.
Subdoel 4: Acties die bijdragen aan subdoelen 1 t/m 3
Actie 4.1: Periodiek actualiseren van regionale woningmarktafsprakenwoonafspraken.
De vijf Zeeuwse regio’s maken regionale woningmarktafsprakenwoonafspraken met de Provincie Zeeland. De regionale woningmarktafsprakenwoonafspraken werken door in lokale woonvisiesvolkshuisvestingsprogramma's, uitvoeringsprogramma’s en prestatieafspraken met de coöperaties.
Bouwstenen die terugkomen in de regionale woningmarktafsprakenwoonafspraken zijn:
De ontwikkeling van de kwantitatieve en kwalitatieve woningvraag voor een 10-jaarsperiode met een doorkijk naar de periode daarna. Een horizon voor actuele cijfers van 10 jaar is hierbij het minimum, zeker gezien de planningsperiode en levensduur van woningen. De provinciale prognose en het Kwalitatief Woononderzoek Zeeland zijn hierin richtinggevend. Afwijken hiervan kan mits onderbouwd en bij akkoord binnen de regio en provincie.
Inzicht in de bestaande plancapaciteit met onderscheid naar planologisch harde plannen en zachte plannen. Daarnaast wordt inzicht gegeven in overige potentiële inbreidings- en transformatielocaties binnen het bestaand stedelijk gebied van steden en kernen.
Effectenanalyse van de bestaande plancapaciteit in relatie tot de woningvoorraad en uitbreidingsbehoefte. Op regionaal niveau moet duidelijk zijn hoe de 100% match van vraag en aanbod wordt nagestreefd. Bij overprogrammering en/of overschotten in de bestaande voorraad is een aanpak nodig om effecten hiervan te mitigeren. De uitwerking kan lokaal plaatsvinden in Plannen van Aanpak.
Keuzes en aanpak voor een toekomstbestendige woningvoorraad. Het gaat om het verbeteren (verduurzamen), aanpassen (levensloopbestendig maken) en onttrekken (slopen/samenvoegen) van woningen.
Keuzes en aanpak voor kwalitatief complementaire nieuwbouw waarbij de volgende woonsegmenten minimaal terugkomen: sociale huur, middenhuur, levensloopbestendigbetaalbare koop, dure koop/huur, nultredenwoningen, geclusterde woningen en wonen met zorgzorggeschikte woningen.
Keuzes en aanpak voor een flexibele schil. Duidelijk moet zijn hoe wordt ingezet op innovatieve en flexibele woonvormen in de betreffende regio.
Een regionaal woningbouwprogramma waarbij de bovenstaande bouwstenen in onderlinge samenhang uitmonden in een aanpak voor strategisch voorraadbeheer: welke plannen worden hard, welke (weer) zacht, en wat is de strategie voor de bestaande voorraad.
Regionale woningmarktafsprakenwoonafspraken vormen een randvoorwaarde voor het ontwikkelen van nieuwe woningbouwplannen en voor eventuele aanspraak op (financiële) regelingen die worden ontwikkeld in het kader van de Zeeuwse woonagenda.
Regionale woningmarktafspraken worden in ieder geval iedere 3 jaar geactualiseerd, zodra een nieuwe provinciale prognose beschikbaar is. Wanneer omstandigheden hier aanleiding toe geven kan worden besloten afspraken eerder te actualiseren. Monitoring gebeurt constant door gemeenten en provincie via het Dashboard Ladderruimte en de Monitor Bevolking en wonen.
Regionale woonafspraken worden in ieder geval ieder jaar geactualiseerd. Monitoring gebeurt constant door gemeenten en provincie via het Dashboard Ladderruimte de planmonitor wonen en de dashboards demografie en wonen. Aan de hand van de woonagendaontwikkelingen van het beleid zal worden gekeken of en zo ja hoe herziening van de verordening nodig en nuttig is, om de ambities die in de woonagenda centraal staan beter te borgen.
Rolverdeling:
De provincie
Gemeenten
stellen in regionaal verband regionale woningmarktafsprakenwoonafspraken op en stellen die vast;
geven in regionaal verband uitvoering aan de regionale woningmarktafspraken door onderling af te stemmen over woningmarktbeleid.
kunnen
betrekken hierbij in regionaal verband woningcorporaties, marktpartijen, zorgpartijen en inwoners hierbij betrekken.
Actie 4.2: Evaluatie van de regelingen voor wonen als drager voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering in het landelijk gebied.
Het toevoegen van woningbouw in het landelijk gebied is in het verleden mogelijk gemaakt om kosten te dragen die gepaard gaan met ruimtelijke kwaliteitsverbetering van het landelijk gebied. Het gaat hierbij om de kosten voor het in stand houden van cultuurhistorische agrarische bebouwing, de kosten van het slopen van vrijkomende agrarische bebouwing (VAB)en de kosten van het versterken van het landschap door de aanleg van een (deels) openbaar toegankelijk landgoed. De effectiviteit van deze regelingen, in de vorm van ruimtelijke kwaliteitsverbetering staat ter discussie. De regeling stimuleert sloop van cultuurhistorisch waardevolle boerderijen. Ook de verevening door middel van bouwrechten is niet altijd in verhouding met de daadwerkelijke kosten, waardoor projecten soms onhaalbaar zijn of in andere gevallen (te) lucratief. Ook zijn er negatieve neveneffecten te benoemen in relatie tot de bestaande woningvoorraad. Het toevoegen van woningen in het landelijk gebied zorgt immers voor een toename van de herstructureringsopgave in het bestaand stedelijk gebied, een opgave waarvan gehoopt wordt dat de beperkte huishoudengroei die ons nog rest als kostendrager kan fungeren. De tijden dat woningbouw altijd gebruikt kan worden als kostendrager voor allerlei ruimtelijke problemen ligt dan ook achter ons. De grote aantallen agrarische bebouwing die op de lange termijn verwacht worden, kunnen bovendien zorgen voor verstening van het buitengebied en verdere inperking van het agrarisch gebruik van landbouwgrond. Verschillende gemeenten zijn om die redenen terughoudend in het toepassen van de Ruimte voor Ruimte regeling. Van de Rood-voor-Rood regeling lijkt eveneens te beperkt gebruik gemaakt te worden.
Met betrokken partijen worden de drie regelingen geëvalueerd. De centrale vraagstelling is hoe effectief deze regelingen zijn bij het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied in relatie tot de neveneffecten op de functies in het landelijk- en bebouwd gebied. Dit moet leiden tot aanbevelingen voor beleid en eventueel aanpassing van de Omgevingsverordening. Hierbij is het belangrijk dat er mogelijkheden moeten blijven bestaan om knelgevallen in het landelijk gebied aan te pakken, zeker als het gaat om ondernemers die als gevolg van overheidsbeleid gedwongen worden de bedrijfsvoering te beëindigen.
Rolverdeling:
De provincie onderzoekt, als onderdeel van het uitvoeringsprogramma Landelijk Gebied 2021-2030, met betrokken partners of en hoe de regelingen moeten worden aangepast.
6.4 Afwegingsfactoren voor de uitvoering
Om bij de uitvoering kansen en mogelijkheden te benutten en tegelijkertijd de Zeeuwse kernkwaliteiten te behouden, zijn in Deel A (paragraaf 1.4) vier afwegingsfactoren geformuleerd. Hieronder is voor deze bouwsteen een aanzet gegeven voor de invulling daarvan.
1. Doe meer met minder grond
Benut de ruimte binnen het stedelijk gebied: bekijk nieuwbouwplannen kritisch, maak gebruik van leegstaande/vrijkomende panden, bekijk de mogelijkheden van inbreiding in het stedelijk gebied. Als dit niet kan is uitbreiding wel mogelijk.
2. Werk samen en deel kosten en baten.
Verbeter de samenwerking: maak in regioverband niet alleen afspraken over aantallen woningen, maar ook over soorten woningen, betaalbaarheid en woonmilieus.
3. Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten.
4. Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld.
F
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
7.1 Doelstelling 2030
Onze woonomgeving is veilig en klimaatadaptief, lokt gezond gedrag uit en draagt bij aan biodiversiteit.
Subdoel 1: Toekomst bestendige woongebieden op de goede plek
Subdoel 2: Veiligheid, gezondheid, duurzaamheid, biodiversiteit en klimaatadaptiviteit zijn standaard onderdeel van ruimtelijke ordening en inrichting
Met deze bouwsteen dragen we bij aan de volgende duurzame ontwikkelingsdoelen van de VN (brede welvaart).

7.2 Huidige situatie
De woonomgeving is het gebied dat in de directe omgeving van een woning ligt. De woonomgeving heeft invloed op de ervaren leefbaarheid. De herbestemmings- en herstructureringsopgave in het bebouwd gebied is fors. Dit biedt kansen voor het bereiken van de doelstellingen voor de woonomgeving. De verschillende elementen van de woonomgeving worden hieronder beschreven.
Voorzieningen
Door schaalvergroting en maatschappelijke ontwikkelingen staat de aanwezigheid en/of bereikbaarheid van voorzieningen onder druk, met name in dorpen en het buitengebied. Het draagvlak onder voorzieningen wordt bij een stabiele of afnemende bevolking kleiner. Naast het afnemende draagvlak zorgt de voortschrijdende schaalvergrotingstendens en de steeds kleiner wordende betekenis van het openbaar vervoer ervoor dat het voorzieningenniveau en daardoor de leefbaarheid onder druk staat. In bouwsteen 5. Voorzieningen en evenementen wordt hierop verder ingegaan.
Door de toename van het aantal ouderen in onze samenleving moet onze woonomgeving hierop aangepast worden. De bereikbaarheid van voorzieningen is een potentieel knelpunt, maar ook vereenzaming en isolement is een toenemend probleem. Het ontbreekt vaak aan toegankelijke wandel/fietsroutes met mogelijkheid om te rusten en naar het toilet te gaan. Hierdoor vermijden ouderen het vaak om naar buiten te gaan, zodat eenzaamheid een steeds groter probleem wordt.
Hittestress en vergroening
De huidige woonomgeving wordt als stenig ervaren. De klimaatverandering zorgt voor toenemende overlast als gevolg van hitte en wateroverlast. Door hogere temperaturen ontstaan ‘hitte-eilanden’ op plaatsen met weinig groen, water en schaduw. Hitte is met name een risico voor kwetsbare groepen. Door de toenemende verstening van onze tuinen en openbare ruimte wordt het risico op overstromingen groter. Ook wordt door verstening de gezondheid en leefomgeving aangetast, doordat de schadelijke stoffen tussen de gebouwen blijven hangen. Het gebrek aan groen zorgt voor een lage waardering van de buitenruimte.
Ruimte voor verkeer versus kwaliteit van de woonomgeving
De huidige woonomgeving wordt als autogericht ervaren. Er is een vicieuze cirkel gaande, waarbij opstoppingen van autoverkeer worden opgelost door nog meer ruimte te geven aan autoverkeer, waardoor de straat nog onveiliger en onaantrekkelijker wordt om te voet of fiets te gaan. Gezondheid en de kwaliteit van de woonomgeving staan hierdoor onder druk.
Milieufactoren
De kwaliteit van de woonomgeving wordt ook bepaald door de aan- of afwezigheid van overlast door geluid, stof, vervuilde lucht of bodemvervuiling. De overlast is in de afgelopen decennia voor de meeste bronnen sterk afgenomen door maatregelen aan de bron, en door ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende functies zoals bedrijven en milieugevoelige functies zoals woningen (zonering). Op sommige locaties is echter nog sprake van overschrijding van normen. Een opkomende vorm van geluidhinder vormt laagfrequent geluid (LFG), wat mogelijk in de toekomst meer aandacht gaat vragen. Op deze vorm van geluid is moeilijk vat te krijgen. Op dit moment zijn er nog geen wettelijke normen voor laagfrequent geluid. Wel zijn er diverse richtlijnen.
Een andere milieufactor is elektromagnetische straling. In 2020 kennen we meerdere systemen voor mobiele communicatie (o.a. 4G, 5G), naast diverse andere toepassingen van draadloze communicatie. Deze draadloze communicatiesystemen veroorzaken stralingsbelasting voor mensen, dieren en natuur door elektromagnetische straling. De stralingsbelasting zal naar verwachting toenemen omdat voor elke gemeente een dekking van 98% het doel is. Een deel van de bevolking ervaart gezondheidsklachten door straling.
Veiligheid
Rondom en in het stedelijk gebied zijn er verschillende risicobronnen, zoals chemische bedrijven, opslag van gevaarlijke stoffen, aardgasleidingen en LPG-tankstations. Ook zijn er specifieke transportroutes voor gevaarlijke stoffen. Het aantal transporten met gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor nemen toe. Door deze toename is de kans op incidenten groter. Ook kan door klimaatverandering het overstromingsrisico toenemen met daardoor mogelijk meer kans op incidenten bij deze risicobronnen. Daarnaast nemen het aantal woningen rond transportassen toe door o.a. binnenstedelijke inbreiding. Ook zijn er in het stedelijk gebied een groot aantal (zeer) kwetsbare objecten, zoals woningen, scholen, ziekenhuizen, tehuizen, hotels. Dit is verder uitgewerkt in bouwsteen 14. Milieu onder Externe veiligheid en actie 6.1. In droge perioden neemt de kans op brand in bermen, parken en natuurgebieden toe. Dat kan ook voor nabijgelegen woongebieden een risico vormen.
Natuur
Natuur is belangrijk voor mensen. Natuur zorgt voor minder stress en betere concentratie, zorgt voor meer bewegen en minder overgewicht en brengt mensen bij elkaar. De keerzijde van natuurbeleving is achteruitgang van de kwaliteit van de natuur door verstoring. Veel soorten zijn daarvoor gevoelig. Met de biodiversiteit gaat het in zijn algemeenheid slecht door klimaatverandering en onze manier van bouwen en bestraten. Goede voorzieningen, zoals het wandel- en fietsknooppuntennetwerk, toegankelijkheid van gebieden en een goede informatieverstrekking zijn belangrijk, zowel voor bezoekers als bewoners.
Water
Water in de nabijheid van de woonomgeving is gunstig voor de waardeontwikkeling van woningen, en bied ook kansen voor ontwikkeling van natuur en groen. Daartegenover staan een aantal consequenties zoals de waterveiligheid van oevers (bereikbare oevers voor spelende kinderen), ontwikkeling van plaagdieren (muggen, ratten, e.d.) bij zomerse temperaturen. De beste waterberging zit wat dit betreft in de ondergrond door gebruik te maken van infiltratie waar dat mogelijk is.
7.3 Acties om doelen te realiseren
Subdoel 1: Toekomstbestendige woongebieden op de goede plek
Actie 1.1: Bij herbestemming en herstructurering woonmilieus ontwikkelen waar tekort aan is.
De woningbouwopgave ligt voornamelijk in het bestaand stedelijk gebied. Hier kunnen woonmilieus ontwikkeld worden waar een tekort aan is. Het is nodig om te kiezen voor aantrekkelijke woonmilieus (compleet en passend bij de vraag) en daarbij te richten op inbreiding, herstructurering en transformatie.
Voor de kwaliteit van de woonomgeving is de aanwezigheid of bereikbaarheid van voorzieningen essentieel. Bij herbestemming en herstructurering liggen kansen voor het versterken van onze dorpen en steden, voor het vergroten van draagvlak van onze voorzieningen en om een antwoord te hebben op onze mobiliteitsopgave. Door toekomstige slimme mobiliteitsconcepten kan de bereikbaarheid van voorzieningen sterk verbeterd worden. Ook kunnen deze mobiliteitsconcepten zorgen voor een afnemend ruimtegebruik voor verkeersdoeleinden in het bebouwd gebied. Dit biedt kansen voor verbetering van de ruimtelijke kwaliteit door toevoeging van stedelijk groen. Ruim 50% van de Zeeuwen is voor het autoluw maken van stedelijk gebied en het geven van meer ruimte aan fietsers en voetgangers en minder aan de auto (bron: Zeeland nu en in de toekomst, ZB |Planbureau, 2020).
Rolverdeling:
Gemeenten en de provincie stellen kaders (bijv. in gebiedsplannen) en stimuleren (financieel).
De provincie en gemeenten zorgen voor afstemming tussen partijen.
Woningcorporaties, Bouwend Zeeland, bouw- en adviesorganisaties, bewonersverenigingen, de GGD, de provincie, Waterschap Scheldestromen, de Veiligheidsregio Zeeland, dorpsraden, het Kadaster, North Sea Port en natuurbeheerorganisaties delen kennis.
Burgerinitiatieven, bouw- en adviesorganisaties, woningcorporaties, gemeenten, natuurbeheerorganisaties, North Sea Port (inpassing haveninfrastructuur in leefomgeving) voeren projecten uit.
De Veiligheidsregio Zeeland adviseert ten aanzien van veiligheid.
Subdoel 2: Veiligheid, gezondheid, duurzaamheid, biodiversiteit en klimaatadaptiviteit zijn standaard onderdeel van ruimtelijke ordening en inrichting.
Actie 2.1 Bij inrichting en ordening van de ruimte sturen op bundeling van functies voor het uitlokken van gezond gedrag, duurzaamheid en veiligheid.
Herbestemming en herstructureringsopgaven bieden kansen om de omgeving zo in te richten dat de fysieke veiligheid wordt vergroot en gezond gedrag wordt bevorderd. De inrichting en ordening van onze ruimte kan zorgen voor voldoende afstand tussen (kwetsbare) bewoners en risicobronnen, goede vluchtroutes, bereikbaarheid voor hulpverleners, maar ook bijdragen aan zelfredzaamheid en gezond gedrag (bewegen, ontmoeten, ontspannen, eten). Dit vraagt om nabijheid van functies en het veilig en aantrekkelijk en uitnodigend maken van onze buitenruimte, ook voor ouderen en mensen met een beperking.
Door de Veiligheidsregio zijn kernwaarden ontwikkeld voor een veilige fysieke leefomgeving (bron: inbreng Veiligheidsregio’s in Omgevingsvisies / kernwaarden, versie 1.1., werkgroep Planfiguren Omgevingswet, 5 oktober 2018). Deze kernwaarden kunnen behulpzaam zijn bij het inrichten van de woonomgeving en helpen deze woonomgeving veilig in te richten door middel van de ontwerpprincipes.
Bij de uitvoering van gebiedsontwikkelingen die in het kader van de transformatie van de woningvoorraad plaatsvinden zijn er kansen voor natuurinclusief bouwen, ontwerpen en beheren, het vergroenen op gebouw-, wijk-, dorps- of stadsniveau en het versterken van de verbinding tussen stedelijk en landelijk gebied. De aanwezigheid van groen heeft een positief effect op de mentale gesteldheid van mensen en ook draagt bepaalde vegetatie bij aan het zuiveren van de lucht (afvangen fijnstof). Ruim 80% van de Zeeuwse bevolking is voorstander van meer groen en minder steen in de woonomgeving (bron: Zeeland nu en in de toekomst, ZB |Planbureau, 2020). Gericht en goed investeren in uitnodigende beleefbare natuur in of dichtbij de woonomgeving biedt kansen te investeren in de gezondheid van mensen en geeft gelijktijdig de mogelijkheid te werken aan biodiversiteit. Inrichting en beheer van natuur buiten het natuurnetwerk draagt bij aan de biodiversiteit en aan een Zeeland waar kinderen in verbinding met natuur opgroeien en inwoners en recreanten toegang hebben tot beleefbare en rijke natuur, heel dichtbij.
Rolverdeling:
De provincie en gemeenten geven sturing.
Gemeenten, Waterschap Scheldestromen, de provincie, de GGD, de RUD, de Veiligheidsregio Zeeland, bouw- en adviesorganisaties en organisaties voor erfgoed en archeologie delen kennis.
Onderwijsinstellingen integreren deze thema’s in hun opleidingen.
Woningcorporaties richten, in afstemming met gemeenten, hun eigen terreinen duurzaam in, bijvoorbeeld door aanleg van wadi’s.
Actie 2.2 Rekening houden met natuurinclusief bouwen, energieopwekking en -opslag en het voorkomen van wateroverlast en hittestress bij inrichting van onze ruimte.
Dit betekent dat er voldoende ruimte moet zijn voor klimaatadaptatiemaatregelen in de (openbare) ruimte en rekening moet worden gehouden met het risico op bodemdaling. Ruim 80% van de Zeeuwen is er voor om bij nieuwe ontwikkelingen een plan te maken over hoe opslag van zoet water wordt geregeld (bron: Zeeland nu en in de toekomst, ZB |Planbureau, 2020).
Dit betekent ook dat gezocht moet worden naar natuurinclusieve voorzieningen en maatregelen in de woonomgeving. Voor natuurinclusief bouwen en het stimuleren van biodiversiteit in de woonomgeving wordt verwezen naar de paragrafen over soortenbescherming en natuurverbreding in bouwsteen 15. Natuur. Daarbij wordt vooral ingestoken op proactieve soortenbescherming: het zorgen voor extra leefruimte voor dieren en planten, zodat geen extra maatregelen meer nodig zijn bij sloop en nieuwbouw. Hiervoor worden soortenmanagementplannen opgesteld. In deze plannen zal ook staan hoe we burgers en vastgoedbezitters beter kunnen informeren over biodiversiteit en hoe ze biodiversiteit kunnen stimuleren. Een natuurinclusieve woonomgeving heeft een sterke samenhang met klimaatadaptatie.
Rolverdeling:
Gemeenten en de provincie
Bouw- en adviesorganisaties, woningcorporaties, gemeenten, Waterschap Scheldestromen en Rijkswaterstaat voeren maatregelen ten gunste van de genoemde thema’s door in het ontwerp en de uitvoering van projecten rond herinrichting en waterveiligheid.
Bouwend Zeeland, bouw- en adviesorganisaties, de provincie, organisaties voor erfgoed en archeologie, het Kadaster, Rijkswaterstaat, Waterschap Scheldestromen en de Veiligheidsregio Zeeland delen kennis.
Onderwijsinstellingen integreren deze thema’s in hun opleidingen.
De provincie, gemeenten, woningbouwcorporaties en het IVN ontwikkelen kennis door middel van pilots, o.a. met betrekking tot generieke ontheffingen Wet Natuurbescherming op basis van soortenmanagementplannen.
7.4 Afwegingsfactoren voor de uitvoering
Om bij de uitvoering kansen en mogelijkheden te benutten en tegelijkertijd de Zeeuwse kernkwaliteiten te behouden, zijn in Deel A (paragraaf 1.4) vier afwegingsfactoren geformuleerd. Hieronder is voor deze bouwsteen een aanzet gegeven voor de invulling daarvan.
1. Doe meer met minder grond.
Bekijk de mogelijkheden van hoogbouw in steden. Combineer functies bijvoorbeeld door toevoeging van stedelijk groen. Dit is gunstig voor zowel gezondheid en ruimtelijke kwaliteit als hittestress, vasthouden van water, milieu en biodiversiteit.
2. Werk samen en deel kosten en baten.
Betrek bij herbestemming, herstructurering en inrichting van gebieden alle partijen die in dat gebied doelen hebben en stem op elkaar af. Probeer win-win situaties te creëren.
3. Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten.
De Zeeuwse kernkwaliteiten hebben veel te bieden voor de kwaliteit van de woonomgeving. Maak daar gebruik van.
4. Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld.
G
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
14.1 Doelstelling 2030
Een schoon en veilig Zeeland: de milieukwaliteit van de fysieke leefomgeving is beschermd en versterkt.
Bij economische groei wordt er naar gestreefd om ook de milieukwaliteit te versterken. Het milieubeleid kan worden gezien als facetbeleid, het kan van elk thema onderdeel zijn. Voor het formuleren van doelen voor 2030 is onderscheid gemaakt in de belangrijkste aspecten (subdoelen) van het milieubeleid.
Subdoel 1: Verminderen en voorkomen bodemverontreiniging.
Subdoel 2: Verbeteren waterkwaliteit door reguleren indirecte lozingen.
Subdoel 3: Permanent verbeteren van de luchtkwaliteit door het streven naar de WHO-norm met als uitgangspunt een verwaarloosbaar risico.
Subdoel 4: Een aanvaardbaar hinderniveau voor geur vasthouden.
Subdoel 5: Beperken van de uitbreiding van geluidsproductie.
Subdoel 6: Het zoveel mogelijk beperken van risico’s die verbonden zijn aan de opslag, productie en bewerking van gevaarlijke stoffen.
Subdoel 7: Beperken van het ontstaan van afval en van het gebruik van primaire grondstoffen (50% circulair).
Subdoel 8: Reguleren van luchtvaartterreinen.
Subdoel 9: Beperken en voorkomen lichtverontreiniging.
Met deze bouwsteen dragen we bij aan de volgende duurzame ontwikkelingsdoelen van de VN (brede welvaart).

14.2 Huidige situatie
De kwaliteit van de lucht, stilte, water, veiligheid en bodem is in Zeeland redelijk goed, maar voldoet nog niet overal aan de normen en dat wordt ook nog niet overal zo ervaren. Onderstaand wordt op de verschillende aspecten ingegaan.
Bodem
Een nieuwe zorg is de diffuse verspreiding van o.a. zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) in de bodem (maar ook in de lucht, het water en in afval) zoals PFAS, PFOS en GenX die inmiddels ook in de voedselketen terecht zijn gekomen. Middels het ZZS programma wordt geïnventariseerd welke stoffen worden toegepast en wordt bezien hoe emissie kan worden beperkt via de vergunningverlening. Met inwerkingtreding van de Omgevingswet worden de gemeenten het bevoegd gezag in het kader van bodemverontreiniging en -sanering. De voorbereidingen voor de overdracht zijn gestart. Op basis van een overgangsregeling zal de provincie voor bepaalde lopende saneringszaken verantwoordelijk blijven.
Water
In geen van de wateren in Zeeland waarvoor doelen zijn vastgesteld in het kader van de Kaderrichtlijn water (KRW) wordt volledig voldaan aan de doelen voor de chemische en ecologische kwaliteit.
Luchtkwaliteit
De luchtkwaliteit in Nederland is de afgelopen decennia sterk verbeterd. Sinds de jaren zeventig wordt in Nederland gemeten hoeveel schadelijke stoffen er in de lucht aanwezig zijn. Onder andere door het treffen van maatregelen zijn gemiddelde concentraties de laatste jaren gedaald. De lucht in Zeeland laat zich typeren als relatief schoon: er is op dit moment geen sprake van overschrijding van milieukwaliteitseisen, met uitzondering van depositie van stikstof in kwetsbare natuurgebieden. Ruimtelijke verschillen zijn uiteraard wel aanwezig.
De grenswaarden voor de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide en de jaargemiddelde concentratie fijnstof (PM10) bedragen voor beide 40 μg/m3. Deze grenswaarden komen voort uit de Europese richtlijn 2008/50/EG. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) adviseert voor fijnstof een stringentere richtwaarde van 20 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor fijnstof en stikstofdioxide wordt in Zeeland aan zowel de EU regelgeving als de WHO advieswaarden voldaan. De WHO geeft echter aan dat er geen veilige niveaus bestaan voor de blootstelling aan fijnstof.
De huidige milieukwaliteitseisen komen voort uit de Europese richtlijn 2008/50/EG. Op grond van nieuwe inzichten heeft de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) eind 2021 zijn advieswaarden voor een gezonde luchtkwaliteit aangescherpt. Om een perspectief te ontwikkelen voor een gefaseerde aanpak om de luchtkwaliteit te verbeteren in afstemming met de WHO-richtlijn, worden vanuit Europa de luchtkwaliteitsnormen voor 2030 en daarna aangescherpt. Het Europese Parlement heeft in het voorjaar 2024 ingestemd met het voorstel voor de nieuwe Europese richtlijn. Enkel vaststelling in de Raad moet nog plaatsvinden.
Luchtverontreiniging behoort tot de belangrijkste risicofactoren voor de gezondheid. Deelnemers aan het Schone Lucht Akkoord (SLA) streven naar een permanente verbetering van de luchtkwaliteit in Nederland om gezondheidswinst voor iedereen te realiseren. De gezondheidsimpact van luchtverontreiniging is groot. Ongeveer 3,5% van de totale ziektelast in Nederland is te wijten aan slechte lucht. Gemiddeld leven Nederlanders door luchtverontreiniging 8-14 maanden korter en jaarlijks overlijden 11.000 mensen (vroegtijdig) als gevolg van blootstelling aan luchtverontreiniging (Bron: RIVM en IBO Luchtkwaliteit).
Het gaat in Zeeland met name om de volgende componenten:
Fijn stof
NOx (stikstofoxiden)
NH3 (ammoniak)
SO2 (zwaveldioxide)
VOS (Vluchtige organische stoffen)
In Zeeland zijn verschillende typen emissiebronnen aanwezig. Het gaat met name om verkeer, industrie, landbouw en consumenten. Deze bronnen stoten een grote diversiteit aan luchtverontreinigende stoffen uit.
Vastgesteld kan worden dat verhoogde concentraties van deze stoffen in de buitenlucht optreden bij (drukke) wegen en vaarwegen, industriële regio's en in stedelijke gebieden. Door klimaatverandering en de toename van het aantal tropische dagen met veel zon, neemt het risico op ozon en smogvorming toe.
Geur
In de Kanaalzone en het Sloegebied bevinden zich bedrijven met een geurcontour.
Geluid
Zeeland kenmerkt zich over het algemeen als een rustige, landelijke provincie. Grote industrie is geconcentreerd in de havens in de Kanaalzone en het Sloegebied. Dit zijn gezoneerde industrieterreinen. Uit de rapportage van het actieplan EU Richtlijn omgevingslawaai 2018- 2023 blijkt dat er ruim 1000 inwoners geluidshinder ondervinden van provinciale wegen, waarvan 400 inwoners ernstige geluidshinder ervaren. Er is berekend dat in totaal ongeveer 150 inwoners in hun slaap gestoord worden door geluid afkomstig van provinciale wegen (gebaseerd op Lnight > 50 dB). Om geluidsoverlast door lawaaisporten en gemotoriseerde luchtsporten te beperken, is structureel gebruik uitsluitend toegestaan op bestaande locaties. Nieuwe locaties of uitbreiding van bestaande locaties is alleen mogelijk als door verplaatsing van een bestaande locatie de overlast voor de omgeving vermindert en/of lawaaisporten dan wel gemotoriseerde luchtsporten beter worden geconcentreerd.
Externe veiligheid
Het beleid richt zich op het voorkomen van ongevallen door het zoveel mogelijk beperken van risico’s waaraan burgers worden blootgesteld door de opslag, productie, bewerking van gevaarlijke stoffen en transport van gevaarlijke stoffen per spoor en over de weg (zie ook bouwsteen 21 Transport en infrastructuur). Rond twee bedrijfsterreinen, waarop BRZO- bedrijven (Besluit risico zware ongevallen) zijn gevestigd, is een veiligheidscontour vastgesteld. Voor het Sloegebied in 2012 en voor het industriegebied DOW, Mosselbanken en Logistiek Park in 2016. Binnen deze veiligheidscontouren kunnen zich bedrijven vestigen met bijvoorbeeld risico’s op brand- en explosiegevaar. Vestiging van deze bedrijven binnen de veiligheidscontour mag niet leiden tot nieuwe saneringssituaties voor externe veiligheid buiten deze veiligheidscontour. Hoewel er momenteel geen saneringssituaties bestaan vanwege externe veiligheidsrisico’s, kan er lokaal wel sprake zijn van een verhoogd groepsrisico (de kans dat een bepaalde hoeveelheid personen komt te overlijden als gevolg van een ongeval bij een bedrijf met gevaarlijke stoffen).
Afval en grondstoffen
Het huidige lineaire economische systeem put uit eindige (fossiele) grondstoffen en creëert afval. De circulaire economie behelst een economisch systeem waarin zoveel mogelijk kringlopen worden gesloten en zo min mogelijk afval wordt geproduceerd en producten gebaseerd op fossiele olie vervangen worden door producten die gemaakt zijn uit hernieuwbare grondstoffen. Een volledig circulair systeem vraagt om een goed functionerende keten van ontwerp, productie, gebruik, inzameling en verwerken van reststromen naar nieuwe inzet van grondstoffen. Deze keten kent vele schakels en is op vele punten nog zwak en niet gesloten. Er zijn nog niet voldoende gesloten kringlopen, er verdwijnen nog veel afvalstoffen/producten al dan niet illegaal naar het buitenland, bijvoorbeeld elektronische apparaten. Ketengericht afvalbeheer en samenwerking tussen marktpartijen in de keten kan leiden tot nieuwe oplossingen en innovaties. Het ultieme doel van recycling is om uit afvalstoffen grondstoffen te maken (grondstoffenrotonde of grondstoffenverbindingen).
Luchtvaart
Vliegveld Midden-Zeeland is als regionaal vliegveld belangrijk voor recreatie, de economie en werkgelegenheid. Hiervoor is een luchthavenbesluit genomen. Dit vliegveld geeft ruimtelijke hoogtebeperkingen als gevolg van aan- en afvliegroutes en beperkingen vanwege geluid en externe veiligheid. Naast dit vliegveld is er nog een aantal helikopterhavens, waarvoor ook een luchthavenbesluit nodig is, en twee zweefvliegvelden (Burgh Haamstede en Axel) die onder een luchthavenregeling vallen.
14.3 Acties om doelen te realiseren
Subdoel 1: Verminderen en voorkomen bodemverontreiniging
Actie 1.1: Aanpak van diffuse verspreiding van Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) door middel van uitvoering programma ZZS en uitvoering geven aan definitief handelingskader voor PFAS en PFOS (voorzien in 2021)
Rolverdeling:
De rijksoverheid voert rijksbeleid uit.
De provincie voert het provinciale beleid uit.
De omgevingsdiensten voeren namens het bevoegd gezag het beleid uit.
Actie 1.2: Afronding sanering spoedlocaties en overdracht naar gemeenten.
De provincie is verantwoordelijk voor het afmaken van de laatste saneringen van de spoedlocaties.
Rolverdeling:
De provincie voert de sanering van de laatste spoedlocaties uit.
De provincie draagt de verantwoordelijkheid voor bodem over aan gemeenten bij inwerkingtreding van de Omgevingswet (warme overdracht).
Subdoel 2: Verbeteren waterkwaliteit door reguleren indirecte lozingen.
Actie 2.1: Reguleren van indirecte lozingen.
De kwaliteit van het oppervlaktewater wordt onder meer bepaald door directe en indirecte lozingen van particulieren en bedrijven, riool overstorten en van de rioolwaterzuiveringen (RWZI). De provincie is bevoegd gezag voor het verlenen van milieu- (of omgevings-)vergunningen voor industriële afvalwaterlozingen en kan daarom alleen indirect invloed uitoefenen op de lozingen van de rioolwaterzuiveringdie niet rechtstreeks op oppervlaktewater geloosd worden. In deze vergunningen worden eisen gesteld aan de samenstelling van het te lozen afvalwater, waarbij aandacht besteed wordt aan ZZS en PFAS. Namens de Provincie Zeeland zien de omgevingsdiensten toe op naleving van deze eisen, door periodieke controles en analyse van monsters.
Rolverdeling:
De omgevingsdiensten voeren namens het bevoegd gezag vergunningverlening, toezicht en handhaving op indirecte lozingen uit.
Subdoel 3: Permanent verbeteren van de luchtkwaliteit door het streven naar de WHO-norm met als uitgangspunt een verwaarloosbaar risico.
Actie 3.1 Reguleren van emissies
Via vergunningverlening, toezicht en handhaving wordt een evenredige bijdrage geleverd aan het halen van de nationale emissiedoelstellingen, de NEC plafonds 2020 en 2030 (met een ijkmoment in 2025). Dit betreft de uitstoot van zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx), ammoniak (NH3), vluchtige organische stoffen (VOS) en fijn stof (PM2,5).
Voor bestaande emissies door bedrijven van stoffen die zeer gevaarlijk zijn voor mens, dier en plant (prioritaire stoffen) wordt ingezet op het zo snel mogelijk bereiken van het verwaarloosbaar risiconiveau. De provincie volgt de lijn uit het rijksbeleid voor Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS).
Om de emissie vanuit de sector scheepvaart terug te dringen heeft de Provincie Zeeland, samen met andere provincies, een verbod op varend ontgassen van benzeen en benzeen houdende stoffen opgenomen in de Omgevingsverordening. Hiermee wordt voorkomen dat het ontgassen naar Zeeland verplaatst. We dringen bij het Rijk aan op snelle invoering van (inter)nationale regelgeving. Naar verwachting zal dat gebeuren in 2021. De Provincie Zeeland zet samen met Rijkswaterstaat en North Sea Port verder in op de verdere verduurzaming van de binnenvaart onder andere door het gebruik van walstroom door binnenvaart en zeevaart. Daarnaast wordt ingezet op elektrificatie van binnenvaart.
Door inzet op het Schone Lucht Akkoord (SLA) zal een verbetering van luchtkwaliteit worden gerealiseerd. Het uitgangspunt is een verwaarloosbaar gezondheidsrisico als gevolg van emissies die de luchtkwaliteit beïnvloeden. Daarbij is het streven om de WHO normen (waar veelal aan wordt voldaan) en een permanente verbetering van de luchtkwaliteit te behalen. Het SLA thema ‘bewustzijn en betrokkenheid’ wordt ingezet om jongeren bekend en bewust te maken van het belang van gezonde lucht. In dat kader worden onderwijsinstellingen en scholieren betrokken bij projecten.
Er kunnen zich situaties voordoen waar een aanvullende gebieds- en probleemgerichte aanpak van toegevoegde waarde is. De provincie betrekt dan de omgeving en partners zoveel mogelijk, om oplossingen te vinden. Een voorbeeld hiervan is het project in de Zeeuws-Vlaamse Kanaalzone. Daar worden, als onderdeel van een breder programma, extra metingen verricht naar de luchtkwaliteit.
Rolverdeling:
De omgevingsdiensten voeren namens het bevoegd gezag vergunningverlening, toezicht en handhaving uit.
De provincie neemt een regel op in de Omgevingsverordening over het verbod op varend ontgassen van benzeen en benzeen houdende stoffen.
De provincie en stakeholders voeren de plannen en maatregelen in het kader van het Schone Lucht Akkoord (SLA) uit.
Gemeenten steunen het SLA op onderdelen.
De provincie en omgevingsdiensten voeren,voert op basis van het SLA, projecten uit met onderwijsinstellingen en jongeren om hen bekend en bewust te maken van het belang van gezonde lucht.
De provincie en partners voeren een gebieds- en probleemgerichte aanpak uit, zoals het project in de Zeeuws Vlaamse Kanaalzone.
De GGD monitort milieuhinder (volwassenenmonitor) en adviseert wanneer er signalen zijn dat de volksgezondheid in het geding is.
Actie 3.2: Nadere uitwerking aanpak verbeteren luchtkwaliteit in milieuprogramma.
Rolverdeling:
Subdoel 4: Een aanvaardbaar hinderniveau voor geur vasthouden.
Actie 4.1: Reguleren van geuremissie.
Voor bedrijven waarvoor de Provincie Zeeland bevoegd gezag is, blijft sprake van een aanvaardbaar hinderniveau.
Rolverdeling:
De omgevingsdiensten voeren namens het bevoegd gezag vergunningverlening, toezicht en handhaving uit.
Actie 4.2: Nadere uitwerking aanpak geur in milieuprogramma.
Rolverdeling:
Subdoel 5: Beperken van de uitbreiding van geluidsproductie.
Actie 5.1: Reguleren van geluidsproductie.
Door middel van actief zonebeheer en monitoring wordt zorggedragen dat het geluid niet onbeperkt uit kan breiden. Dit laat onverlet dat er hinder op kan treden van met name kortstondige hoge geluidniveaus of tonaal en laag frequent geluid. De Omgevingsdiensten registreren klachten over geluid dat afkomstig is van bedrijven en voeren onderzoek uit naar de bron er. De geluidzones rond industrieterreinen worden op grond van de Omgevingswet vervangen door een systeem met vastgestelde Geluidproductieplafonds (GPP) op vaste punten rond de industrieterreinen. De provincie dient in ieder geval voor 1 januari 2029 rond de huidige (op grond van de Wet geluidhinder) aangewezen regionaal gezoneerde industrieterreinen de eerste GPP’s vast te stellen. Voorgesteld wordt daarom om voorlopig de huidige regionale aanwijzingen te handhaven. In de periode tot 2029 kan bezien worden of en zo ja welke industrieterreinen overgedragen kunnen worden aan de gemeentes. De provincie moet voor haar provinciale wegen GPP’s vaststellen. Deze moeten twee jaar na inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn vastgesteld. Het waterschap en gemeentes moeten voor hun respectievelijke wegen basisgeluidemissies vaststellen. Ook moet de provincie in 2023 een nieuwe Geluidsbelastingkaart en Actieplan vaststellen op basis van de EU richtlijn Omgevingslawaai.
Rolverdeling:
De omgevingsdiensten voeren namens het bevoegd gezag vergunningverlening, toezicht en handhaving uit.
Waterschap Scheldestromen en gemeenten stellen basisgeluidsemissies vast.
De provincie
De GGD monitort milieuhinder (volwassenenmonitor) en adviseert wanneer er signalen zijn dat de volksgezondheid in het geding is.
Actie 5.2: Nadere uitwerking aanpak beperking van de uitbreiding van geluidsproductie in milieuprogramma.
Rolverdeling:
Subdoel 6: Het zoveel mogelijk beperken van risico’s die verbonden zijn aan de opslag, productie en bewerking van gevaarlijke stoffen.
Actie 6.1: Beperken van risico’s die verbonden zijn aan de opslag, productie en bewerking van gevaarlijke stoffen.
Het provinciale beleid richt zich op het voorkomen van ongevallen door het zoveel mogelijk beperken van risico’s waaraan burgers worden blootgesteld door de opslag, productie, bewerking van gevaarlijke stoffen. In opdracht van de Provincie Zeeland beoordeelt DCMR veiligheidsrapportages, verleent vergunningen en voert inspecties uit bij de BRZO-bedrijven en bedrijven vallend in categorie 4 van de Richtlijn Industriële Emissies (RIE4). Met inwerkingtreding van de Omgevingswet en de modernisering omgevingsveiligheid zullen rond Bevi (Besluit externe veiligheid inrichtingen)-en BRZO-bedrijven aandachtsgebieden voor explosie- en brandgevaar en gevaar voor het vrijkomen van gevaarlijke gassen berekend worden. Deze zogenaamde brand- en explosieaandachtsgebieden moeten in een aantal gevallen door gemeentes als brand- of explosievoorschriftengebied worden opgenomen in hun Omgevingsplan, of op een andere wijze kenbaar worden gemaakt. Voor voorschriftengebieden geldt dat bij nieuwbouw brand- en/of explosiewerende maatregelen moeten worden getroffen. De provincies kunnen instructies opnemen in de omgevingsverordening hoe om te gaan met deze aandachtsgebieden. De grote transities waar Nederland voor staat, zoals de energietransitie en de transitie naar een circulaire economie kunnen ook nieuwe risico’s voor externe veiligheid opleveren. Hierbij kan men denken aan nieuwe energiedragers als waterstof en accu’s. Ook kunnen als gevolg van klimaatverandering mogelijk gebieden, waar BRZO-bedrijven liggen overstromingsgevoeliger worden.
Rolverdeling:
Actie 6.2: Nadere uitwerking aanpak beperken van risico’s die verbonden zijn aan de opslag, productie en bewerking van gevaarlijke stoffen.
Rolverdeling:
Subdoel 7: Beperken van het ontstaan van afval en van het gebruik van primaire grondstoffen (50% circulair).
Dit subdoel is gerelateerd aan subdoel 2 in bouwsteen Circulaire economie; De helft van de grondstoffen, die in Zeeland worden gebruikt, is hernieuwbaar of al eerder gebruikt’’. Zie ook de acties die onder dat subdoel hangen.
Actie 7.1: Kringlopen worden zoveel mogelijk – regionaal- gesloten waarbij ‘afval’ omgezet wordt in grondstof. Producten gebaseerd op fossiele olie worden vervangen door producten gemaakt uit hernieuwbare grondstoffen.
Een volledig circulair systeem vraagt om een goed functionerende keten van ontwerp, productie, gebruik, inzameling en verwerken van reststromen naar nieuwe inzet van grondstoffen. Deze keten kent vele schakels en is op vele punten nog zwak en niet gesloten. Er zijn nog niet voldoende gesloten kringlopen, er verdwijnen nog veel afvalstoffen/producten al dan niet illegaal naar het buitenland, bijvoorbeeld elektronische apparaten. Ketengericht afvalbeheer en samenwerking tussen marktpartijen in de keten kan leiden tot nieuwe oplossingen en innovaties. Het ultieme doel van recycling is om uit afvalstoffen grondstoffen te maken (grondstoffenrotonde of grondstoffenverbindingen).
Naast een inzet op de reductie van energie- en grondstoffenverbruik is ook met verbindingen tussen bedrijven, om hergebruik van grondstoffen en energie mogelijk te maken, veel winst te behalen. Grote energie- en grondstof intensieve bedrijven in Zeeland, West-Brabant en Oost-Vlaanderen werken samen in het programma Smart Delta Resources (SDR). Provincie Zeeland, Impuls Zeeland en North Sea Port zijn partner. Door het realiseren van industriële symbiose projecten wordt de concurrentiepositie van de bedrijven versterkt en het energie- en grondstoffenverbruik beperkt. Internationale en landelijke wet- en regelgeving omtrent afval belemmert nu het sluiten van lokale (regionale) ketens. Wijziging in wet- en regelgeving is gewenst om de circulaire economie te bevorderen. Zolang het economisch systeem echter nog niet volledig circulair is, zal er een manier van verwerking van de reststromen moeten plaatsvinden. Voor het toepassen van grondstoffen (afvalstromen) geldt de volgende voorkeursvolgorde: preventie, voorbereiding hergebruik (hernieuwbare grondstoffen), recycling, andere nuttige toepassingen en als laatste veilige verwijdering (verbranden, storten of lozen). Bij vergunningverlening moet de provincie rekening houden met het Landelijk Afvalbeheerplan (LAP). Het streven is om het afval dat in de provincie ontstaat ook binnen de provincie te verwerken (cq. hergebruiken/recyclen). Zolang er nog afvalstoffen zijn, waarvoor geen nuttige toepassing is in welke vorm dan ook, kan het nodig blijven om in de komende jaren in het uiterste geval zelfs nog de laatste trede van verwerking van afvalstoffen, het storten van afval, toe te staan. De stortplaats Noord en Midden-Zeeland kan hierin een rol vervullen.
Rolverdeling:
De omgevingsdiensten voeren namens het bevoegd gezag vergunningverlening, toezicht en handhaving uit.
De overheid en bedrijven werken samen (ook onderling) in Smart Delta Resources.
Actie 7.2: Nadere uitwerking van beperken van het ontstaan van afval en gebruik van nieuwe grondstoffen (50% circulair).
Rolverdeling:
Subdoel 8: Reguleren van luchtvaartterreinen.
Actie 8.1: Uitvoeren van het beleid en uitoefenen bevoegdheden.
De provincie streeft naar het beperken en voorkomen van geluidsoverlast en behoud en continuering van bestaande luchtvaartterreinen binnen de voor deze luchthaventerreinen geldende besluiten en/of regelingen. Er worden geen mogelijkheden geboden voor nieuwvestiging van luchthaventerreinen waarvoor een luchthavenbesluit moet worden afgegeven.
Nieuwvestiging van luchthaventerreinen waarvoor een luchthavenregeling moet worden afgegeven is alleen mogelijk indien sprake is van niet-gemotoriseerde luchtsporten of luchthaventerreinen ten behoeve van algemeen belang binnen een gebied waar zich een concentratie voordoet van activiteiten die wat betreft milieu-impact gelijksoortig zijn (bijvoorbeeld geluidszone industrieterrein). Gemotoriseerde luchtsporten zijn in principe alleen toegestaan op bestaande hiervoor bestemde locaties.
Uitbreiden of wijzigen van bestaande luchthaventerreinen is in principe alleen mogelijk als er geen structurele toename is van geluid en/of vergroting van het beperkingengebied tenzij het een concentratiegebied van activiteiten betreft die wat betreft milieu-impact gelijksoortig zijn (bijvoorbeeld geluidszone industrieterrein). Nader afgewogen dient te worden in hoeverre in geval van raakvlakken met ander beleid hiervan kan worden afgeweken. De draaiing van de baan van het vliegveld Midden-Zeeland is hier een concreet voorbeeld van.
In principe is het verboden om buiten een luchthaven op te stijgen of te landen met een luchtvaartuig. Onder voorwaarden kan een ontheffing voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik worden aangevraagd (TUG-ontheffing).
Er dient sprake te zijn van een bepaald soort luchtvaartuig en daarbij dient de aard van de start en landing en de gewenste start- en landingslocatie binnen het hiervoor geldende provinciaal beleid te passen. Verder dient de gewenste start- en landingslocatie aan rechtstreeks werkende wet- en regelgeving te voldoen. Luchtvaartuigen zijn bijvoorbeeld helikopters, paragliders en zweefvliegtuigen.
Rolverdeling:
De provincie neemt luchthavenbesluiten en stelt luchthavenregelingen op.
RUD Zeeland voert namens de provincie taken uit op gebied van luchtvaart en verleent TUG ontheffingen.
Subdoel 9: Beperken en voorkomen lichtverontreiniging
Duisternis is een kernkwaliteit van Zeeland en er zijn Duisternisgebieden aangewezen. Deze gebieden vallen veelal samen met de Natura 2000-gebieden en stiltegebieden. In de aangewezen gebieden wordt gemeenten verzocht hiermee rekening te houden. Rond de grotere industrieterreinen en de steden is echter sprake van een bepaalde mate van lichtverontreiniging.
De Provincie Zeeland neemt maatregelen om de lichthinder (en het energiegebruik) door openbare verlichting langs provinciale wegen te verminderen. Daarbij wordt rekening gehouden met de sociale en verkeersveiligheid. In vergunningen voor bedrijven en instellingen waarvoor de provincie bevoegd gezag is, worden zo nodig voorschriften opgenomen voor de lichtuitstoot, bijvoorbeeld via een verlichtingsplan.
Actie 9.1. Bij het verlenen van vergunningen op grond van de Omgevingswet letten wij nadrukkelijk op het voorkomen en beperken van lichthinder.
De provincie ziet bij grootschalige lichttoepassingen bij bedrijven toe of de beste beschikbare technieken om lichthinder te voorkomen worden toegepast.
Rolverdeling:
De omgevingsdiensten voeren vergunningverlening, toezicht en handhaving uit voor de provincie en gemeenten.
14.4 Afwegingsfactoren voor de uitvoering
Om bij de uitvoering kansen en mogelijkheden te benutten en tegelijkertijd de Zeeuwse kernkwaliteiten te behouden, zijn in Deel A (paragraaf 1.4) vier afwegingsfactoren geformuleerd. Hieronder is voor deze bouwsteen een aanzet gegeven voor de invulling daarvan.
1. Doe meer met minder grond.
Vanuit zuinig ruimtegebruik is functiecombinatie wenselijk, maar vanuit milieuperspectief is het soms wenselijk om functies juist te scheiden om overlast of nadelige effecten van functies te beperken. Daarin moet een balans gevonden worden.
2. Werk samen en deel kosten en baten.
Milieubeleid is facetbeleid en maakt in feite een integraal en vast onderdeel uit van alle andere onderwerpen. De meest sterke relatie is er met bodem en archeologie (Zeer Zorgwekkende stoffen), circulaire economie (grondstoffen/afval), Transport en infrastructuur, (Geluid, lucht, luchtvaart), straling, water (ZZS), arbeidsmarkt en economie (bedrijven), natuur en biodiversiteit (stilte/licht/stikstof), gezondheid (alle thema’s), landbouw (stikstof, geur, bestrijdingsmiddelen) en wonen (lucht, geluid).
Een dilemma is de relatie tussen economie en milieu, waarbij het van belang is om milieu niet alleen grote aandacht te geven bij economische voorspoed, maar milieu als vanzelfsprekend onderdeel van economie te zien. Vooral niet zichtbare milieuproblemen kunnen op termijn voor problemen zorgen, denk aan de luchtkwaliteit, CO2-uitstoot en nu de stikstof en PFAS problematiek. Het is goed om aan de voorkant meer rekening te houden met milieu, te kiezen voor oplossingen die meerdere doelen dienen en koppelkansen te benutten.
3. Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten.
4. Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld.
H
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
17.1 Doelstelling 2030
De Zeeuwse arbeidsmarkt is conjunctuurproof en kan voorzien in de vraag van de Zeeuwse werkgevers: voldoende gekwalificeerde arbeidskrachten voor de Zeeuwse arbeidsmarkt.
Het arbeidsaanbod sluit in de volle breedte goed aan op de vraag van werkgevers en het (beroeps)onderwijs is in staat toekomstige ontwikkelingen op de arbeidsmarkt te duiden en in te passen in de onderwijsprogramma’s.
Subdoel 1: Alle arbeidspotentieel wordt ten volle benut.
Subdoel 2: Vraag en aanbod van arbeidskrachten zijn in balans.
Subdoel 3: Zeeland staat op de kaart als aantrekkelijke woon- en werkprovincie.
Met deze bouwsteen dragen we bij aan de volgende duurzame ontwikkelingsdoelen van de VN (brede welvaart).

17.2 Huidige situatie
Jaarlijks ontstaan er zo’n 1,2 miljoen vacatures in Nederland. De arbeidsmarkt is nog steeds krap en zal dat naar alle waarschijnlijkheid ook voorlopig zo blijven (hoewel het groeitempo vertraagt en de werkloosheid als gevolg van corona in 2020 oploopt). Ook zijn er een aantal onzekerheden en risico’s die negatief kunnen uitpakken. Denk aan de handelssituatie tussen de Verenigde Staten en China, de effecten van Brexit en de duur en omvang van de coronapandemie.
De komende 25 jaar zal zich naar verwachting een aantal ingrijpende veranderingen voltrekken, maar een aantal andere aspecten van de arbeidsmarkt zal betrekkelijk weinig veranderen. De belangrijkste veranderingen worden vermoedelijk niet veroorzaakt door veel besproken trends als technologische ontwikkeling, flexibilisering en vergrijzing. Het zijn juist de tragere, maar gestage veranderingen die minder opvallen, die de meest ingrijpende gevolgen hebben. Dat zijn de trends van de opmars van de werkende vrouw, de explosieve groei van deeltijdwerk, het langer doorwerken, de verdere groei van de dienstensector en de toename van het aantal hoogopgeleiden.
Het Sociaal-Cultureel Planbureau (SCP) verwacht dat werk, meer dan nu, verbonden zal zijn met technologie, vaker een hoge scholing vereist en minder plaats- en tijdgebonden is. Dit laatste heeft door de coronamaatregelen een extra impuls gekregen. Ook voorzien de onderzoekers dat de opkomst van de 'op-afroepeconomie' doorzet en een steeds groter deel van de werkenden relatief korte klussen voor wisselende opdrachtgevers zal doen. Het gevolg: weinig continuïteit in het werk; minder mogelijkheden om een loopbaan te plannen. De grenzen tussen werk en de andere domeinen zullen daarnaast waarschijnlijk vervagen, doordat werkenden in de toekomst ook meer moeten zorgen en leren. De combinatiedruk, die nu al wordt ervaren, zal hierdoor in de toekomst hoger worden. Al deze ontwikkelingen betekenen meer onzekerheid en vragen om een groot adaptatie- en anticipatievermogen. Dit zal niet voor iedereen even gemakkelijk en haalbaar zijn, waardoor een aanzienlijk deel van de bevolking buiten de boot kan vallen.
De opgave van de Zeeuwse arbeidsmarkt is niet zozeer de werkloosheid (die is laag in Zeeland) maar het vinden van voldoende mensen met de juiste opleiding voor de vraag van de werkgevers. Bedrijven worden immers door het gebrek aan personeel beperkt in hun groei en succes. Oorzaken voor de krappe arbeidsmarkt liggen in grensoverschrijdende belemmeringen door wet- en regelgeving en een gebrek aan aantrekkingskracht op hoger opgeleiden, vanwege het imago van Zeeland en het ontbreken van een grootstedelijk klimaat. Daarnaast trekken veel jongeren voor hun studie weg en komt voor een groot deel van hen niet meer terug. Een deel van de jongeren is ook niet bekend met de vacatures en toekomstperspectieven op de arbeidsmarkt in de provincie. Tegelijkertijd ontstaan er nieuwe sectoren en werkgelegenheid op het gebied van de voedselproductie, biobased productie, energietransitie en zon-, wind- en waterenergie.
Iets meer dan 40% van de Zeeuwse bevolking is het ermee eens om arbeidskrachten van buiten Zeeland aan te trekken (bron: Zeeland nu en in de toekomst, ZB |Planbureau, 2020). Het is daarbij cruciaal dat nieuwe Zeeuwen zich welkom voelen en er voldoende passende huisvesting beschikbaar is, ook voor tijdelijke (buitenlandse) werknemers.
17.3 Acties om doelen te realiseren
De aanpak loopt vooral via het aanvalsteam arbeidsmarkt. Dit team werkt met drie pijlers. Pijler 1 is gericht op het arbeidspotentieel met een afstand tot de arbeidsmarkt, pijler 2 is gericht op het optimaal inzetten van de werkenden in Zeeland en pijler 3 richt zich op de marketing van Zeeland als kansrijke arbeidsmarkt voor potentieel van ‘buiten’.
Subdoel 1: alle arbeidspotentieel wordt te volle benut
Actie 1.1: Sturen op ondersteuning van werk naar werk bij dreigend ontslag
Om te voorkomen dat mensen doorstromen via de WW naar de bijstand, wordt ingestoken op meer preventief handelen daar waar sprake is van dreigend ontslag.
Rolverdeling:
Het UWV en de gemeenten brengen het bestaande en toekomstige bestand van uitkeringsgerechtigden in kaart in termen van competenties, motivatie, leervermogen, ambities, ervaring en opleiding.
Werkgevers stellen zich flexibeler op in termen van werving en selectie eisen en via hybride leervormen (zoals praktijkroutes), werkend leren en jobcarving, dat is het beschikbaar (en latent) arbeidspotentieel maximaal laten instromen in het arbeidsproces.
Subdoel 2: Vraag en aanbod van arbeidskrachten zijn in balans.
Actie 2.1 Bedrijven (werkgevers), onderwijsinstellingen en overheden werken met elkaar samen in het Aanvalsteam Arbeidsmarkt.
Het doel van deze samenwerking is de vraag naar en het aanbod van arbeidskrachten met elkaar in evenwicht en up-to-date te houden Dit draagt onder andere bij aan de beschikbaarheid van voldoende en voldoende gekwalificeerd personeel voor de Law Delta en het Delta Kenniscentrum.
Rolverdeling:
Onderwijsinstellingen, het bedrijfsleven, gemeenten en de provincie werken samen in het Aanvalsteam Arbeidsmarkt.
De provincie faciliteert het proces, betrekt en verbindt partijen en stelt (mede) financiële middelen beschikbaar.
Actie 2.2 Het spel van vraag en aanbod, scholing en training wordt optimaal ondersteund door onder andere goede digitale infrastructuur, een Expat Center Zeeland en inzet van social media.
Rolverdeling:
Onderwijsinstellingen, het bedrijfsleven, gemeenten en de provincie werken samen in het Aanvalsteam Arbeidsmarkt.
De provincie faciliteert het proces, betrekt en verbindt partijen en stelt (mede) financiële middelen beschikbaar.
Actie 2.3: Versterken van ‘human capital agenda’s’ in Zeeland.
De actie bestaat uit het aanjagen, verbinden en ondersteunen van sectorale human capital agenda’s in Zeeland om zo gericht en in gezamenlijkheid vanuit de vraag van het bedrijfsleven te werken aan de verbetering van de instroom, doorstroom en het voorkomen van uitstroom in de betreffende sector. Kortom, een strategische sectorale aanpak voor de arbeidsmarkt.
Het Sociaal-Cultureel Planbureau (SCP) verwacht dat werk, meer dan nu, verbonden zal zijn met technologie, vaker een hoge scholing vereist en minder plaats- en tijdgebonden is. Dit laatste heeft door de coronamaatregelen een extra impuls gekregen. Ook voorzien de onderzoekers dat de opkomst van de 'op-afroepeconomie' doorzet en een steeds groter deel van de werkenden relatief korte klussen voor wisselende opdrachtgevers zal doen. Het gevolg: weinig continuïteit in het werk; minder mogelijkheden om een loopbaan te plannen. De grenzen tussen werk en de andere domeinen zullen daarnaast waarschijnlijk vervagen, doordat werkenden in de toekomst ook meer moeten zorgen en leren. De combinatiedruk, die nu al wordt ervaren, zal hierdoor in de toekomst hoger worden. Al deze ontwikkelingen betekenen meer onzekerheid en vragen om een groot adaptatie- en anticipatievermogen. Dit zal niet voor iedereen even gemakkelijk en haalbaar zijn, waardoor een aanzienlijk deel van de bevolking buiten de boot kan vallen.De opgave van de Zeeuwse arbeidsmarkt is niet zozeer de werkloosheid (die is laag in Zeeland) maar het vinden van voldoende mensen met de juiste opleiding voor de vraag van de werkgevers. Bedrijven worden immers door het gebrek aan personeel beperkt in hun groei en succes. Oorzaken voor de krappe arbeidsmarkt liggen in grensoverschrijdende belemmeringen door wet- en regelgeving en een gebrek aan aantrekkingskracht op hoger opgeleiden, vanwege het imago van Zeeland en het ontbreken van een grootstedelijk klimaat. Daarnaast trekken veel jongeren voor hun studie weg en komt voor een groot deel van hen niet meer terug. Een deel van de jongeren is ook niet bekend met de vacatures en toekomstperspectieven op de arbeidsmarkt in de provincie. Tegelijkertijd ontstaan er nieuwe sectoren en werkgelegenheid op het gebied van de voedselproductie, biobased productie, energietransitie en zon-, wind- en waterenergie. Iets meer dan 40% van de Zeeuwse bevolking is het ermee eens om arbeidskrachten van buiten Zeeland aan te trekken (bron: Zeeland nu en in de toekomst, ZB |Planbureau, 2020). Het is daarbij cruciaal dat nieuwe Zeeuwen zich welkom voelen en er voldoende passende huisvesting beschikbaar is, ook voor tijdelijke (buitenlandse) werknemers.17.3 Acties om doelen te realiserenDe aanpak loopt vooral via het aanvalsteam arbeidsmarkt. Dit team werkt met drie pijlers. Pijler 1 is gericht op het arbeidspotentieel met een afstand tot de arbeidsmarkt, pijler 2 is gericht op het optimaal inzetten van de werkenden in Zeeland en pijler 3 richt zich op de marketing van Zeeland als kansrijke arbeidsmarkt voor potentieel van ‘buiten’.Subdoel 1: Alle arbeidspotentieel wordt ten volle benut Actie 1.1: Sturen op ondersteuning van werk naar werk bij dreigend ontslag. Om te voorkomen dat mensen doorstromen via de WW naar de bijstand, wordt ingestoken op meer preventief handelen daar waar sprake is van dreigend ontslag.
Rolverdeling:
Onderwijsinstellingen, het bedrijfsleven, gemeenten en de provincie nemen deel aan het Aanvalsteam Arbeidsmarkt.
De provincie faciliteert het proces, betrekt en verbindt partijen en stelt (mede) financiële middelen beschikbaar via Campus Zeeland en/of Ambities Aanvalsplan Arbeidsmarkt (human capital programma’s).
Subdoel 3: Zeeland staat op de kaart als aantrekkelijke woon- en werkprovincie.
Actie 3.1: Zeeland nadrukkelijker in beeld brengen voor leven, wonen, studeren en werken.
Hierbij wordt ingezet op het boeien en binden van jongeren en jong-professionals, zodat zij een toekomst voor zichzelf zien in Zeeland. De ontwikkeling van de Law Delta en de komst van het Delta Kenniscentrum worden ingezet in de profilering van Zeeland als een aantrekkelijke arbeidsmarkt.
Rolverdeling:
Onderwijsinstellingen, het bedrijfsleven, gemeenten en de provincie werken samen in het Aanvalsteam Arbeidsmarkt.
De provincie faciliteert het proces, betrekt en verbindt partijen en stelt (mede) financiële middelen beschikbaar voor een marketingorganisatie.
Actie 3.2: Het uitbouwen van het Expat Center Zeeland, gericht op het verzorgen van een warm welkom van nieuwe Zeeuwen.
Het Expat Center Zeeland is opgericht in 2019, toen nog alleen voor expats in Zeeuws-Vlaanderen. Het Expat Center breidt haar werkingsgebied uit naar heel Zeeland en alle buitenlandse werknemers.
Rolverdeling:
Onderwijsinstellingen, het bedrijfsleven, gemeenten en de provincie werken samen in het Aanvalsteam Arbeidsmarkt.
De provincie faciliteert het proces, betrekt en verbindt partijen en stelt (mede) financiële middelen beschikbaar.
Actie 3.3: Evenementen gebruiken voor de profilering van Zeeland.
Grote wielerrondes, cultuurevenementen en festivals zetten Zeeland op de (inter)nationale kaart. Met ‘sportevenementen die inspireren’ zijn er in het door veel partners opgestelde Zeeuwse Sportakkoord, ambities benoemd voor sportevenementen die impact hebben op de profilering van Zeeland en waar mensen door geïnspireerd worden om in beweging te komen, met name in de buitenruimte.
Rolverdeling:
Actie 3.4: Natuur benutten als factor in het Zeeuwse vestigingsbeleid.
Een groene omgeving draagt bij aan de aantrekkelijkheid van een regio. Investeren in natuurbeleving en natuurbranding is dus belangrijk in het totaal van de Zeeuwse marketingstrategie.
Rolverdeling:
Gemeenten investeren in openbaar groen in de bebouwde omgeving.
De provincie stelt financiële middelen beschikbaar voor natuurontwikkeling, -beheer en beleving.
Actie 3.5: Realiseren van voldoende, kwalitatief goede huisvesting voor tijdelijke werknemers.
Nieuwe werknemers ‘van buiten’ zijn belangrijk voor de Zeeuwse economie en verdienen daarom een warm welkom (zie actie 3.2) en kwalitatief goede huisvesting. Een goede huisvesting ligt ook in de lijn van de Sustainable Development Goals. Zonder deze basis zullen deze (buitenlandse) werknemers voor andere regio’s kiezen om zich (tijdelijk) te vestigen. Onder kwalitatief goede huisvesting verstaan we huisvesting die tenminste voldoet aan het keurmerk van de Stichting Normering Flexwonen. Hierbij kan ook worden gedacht aan centrale locaties nabij de werklocaties van deze werknemers. Buiten stedelijk gebied is dit mogelijk volgens de regels voor Nieuwe Economische Dragers. Een integraal, regionaal afgestemd beleid voor de huisvesting van deze groep vormt daarvoor de basis. Dit beleid is gericht op het bieden van ruimte voor voldoende, kwalitatief goede huisvesting, het inzetten van handhaving om illegale situaties te voorkomen, het creëren van draagvlak en het stimuleren van integratie. Daarnaast wordt in dit beleid duidelijk gemaakt hoe en door wie op de realisatie van huisvesting gestuurd wordt. Inzicht in de behoefte aan huisvesting, de aanwezigheid van huisvesting voor tijdelijke werknemers en de relatie met de woningmarkt vormt de basis voor het beleid. In geval van uitbreiding van een bestaand of realisatie van een nieuw bedrijventerrein dienen gemeenten te motiveren hoe in de huisvesting voor nieuwe werknemers wordt voorzien.
Rolverdeling:
Gemeenten en de provincie hebben integraal beleid voor de huisvesting van tijdelijke, (inter)nationale werknemers en werken samen aan onderzoek naar ongewenste situaties.
Gemeenten en de provincie doen onderzoek naar de behoefte aan huisvesting, de beschikbaarheid aan huisvesting en in hoeverre de beschikbare huisvesting een rol speelt in de krapte op de woningmarkt.
Gemeenten handhaven op illegale situaties en faciliteren initiatieven die passen binnen het beleid.
Marktpartijen realiseren voldoende, kwalitatief goede huisvesting.
17.4 Afwegingsfactoren voor de uitvoering.
Om bij de uitvoering kansen en mogelijkheden te benutten en tegelijkertijd de Zeeuwse kernkwaliteiten te behouden, zijn in Deel A (paragraaf 1.4) vier afwegingsfactoren geformuleerd. Hieronder is voor deze bouwsteen een aanzet gegeven voor de invulling daarvan.
1. Doe meer met minder grond
2. Werk samen en deel kosten en baten
Door samenwerking komt er een soepelere en meer vloeiende overgang tussen onderwijs en arbeidsmarkt. Big data kan bijdragen aan werving en selectie van mensen.
3. Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten.
4. Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld.
I
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
19.1 Doelstelling 2030
Zeeland staat op de kaart als regio met internationaal toonaangevende innovatiekracht en een uitstekend vestigingsklimaat. De economie is voor 50% circulair en er wordt 49% minder CO uitgestoten dan in 1990.
Voor havens en industrie ligt de focus tot 2030 op de omschakeling naar elektriciteit en waterstof, het gebruik van circulaire grondstoffen en de opslag van CO2. Het doel is in de havens een vermindering van CO2 gebruik te realiseren die aansluit bij het Klimaatakkoord (reductie ten opzichte van 1990 met 49 % in het algemeen en 59% voor de industrie), een grootschalige groene waterstoffabriek in bedrijf te hebben, het aandeel van productie gebaseerd op hergebruik te vergroten naar 5 tot 10 % en binnen de chemische industrie voor 15% van de productie biobased grondstoffen te gebruiken. Gezondheid is een belangrijk uitgangspunt voor ontwikkelingen binnen de havens en industrie. De chemische en technische industrie liggen dan ook op voldoende afstand van woongebieden. De havens bieden in 2030 werkgelegenheid voor 18.700 fte en genereren 3,2 miljard euro aan toegevoegde waarde.
Het Midden- en Kleinbedrijf (MKB) blijft een belangrijke motor voor de Zeeuwse economie. Het MKB maakt de groeiambities waar en is aangehaakt op ontwikkelingen in markt, samenleving en technologie. Zeeuwse MKB-bedrijven zullen dan ook slimmer, productiever, schoner en duurzamer werken. In 2030 zijn alle ondernemers zich bewust van de impact van maatschappelijke en technologische ontwikkelingen op hun bedrijf. Er worden geen kansen gemist en kennisvragen van verschillende ondernemers worden met elkaar verbonden. Zo komt het MKB tot concrete oplossingen.
Vraag en aanbod van zeehaven- en bedrijventerreinen zijn op elkaar afgestemd en er is sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik. Hiermee wordt invulling gegeven aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Binnen die randvoorwaarden biedt onder andere de ruimtelijke reservering op de Westelijke Kanaaloever mogelijkheden voor uitbreiding.
Om bonafide ondernemers en burgers een eerlijk speelveld te bieden, wordt er een preventieve aanpak ontwikkeld, waarbij vooraf al rekening kan worden gehouden met risico’s van ondermijning en onbedoeld faciliteren van malafide ondernemers/bedrijven wordt voorkomen. De Wet Bibob vormt daarbij een belangrijk instrument.
Subdoel 1: De doelstellingen voor 2030 uit het ‘Regioplan Smart Delta Resources 2030-2050’ naar klimaatneutrale industrie en de Ambitie duurzame havens 2030 zijn gehaald.
Subdoel 2: Het Zeeuwse MKB zet de impact van maatschappelijke en technologische ontwikkelingen om in kansen en is internationaal georiënteerd.
Subdoel 3: Bedrijventerreinen voorzien in een behoefte.
Subdoel 4: Zoveel mogelijk voorkomen van het faciliteren van malafide ondernemers/bedrijven en ondermijnende criminaliteit (in de zeehavens).
Met deze bouwsteen dragen we bij aan de volgende duurzame ontwikkelingsdoelen van de VN (brede welvaart).

19.2 Huidige situatie
In Zeeland kunnen we een aantal economische topsectoren onderscheiden. Dit zijn industrie, scheepsbouw, offshore wind en maintenance, havens en logistiek, vrijetijdseconomie, water en maritiem, deltatechnologie en energie, en agrofood. Haven en industrie gerelateerde bedrijven vinden we met name in de eerste twee topsectoren, het Midden- en Kleinbedrijf in alle topsectoren. Zeeland heeft een gunstige kostenstructuur. Dat wil zeggen dat de kosten voor bijvoorbeeld huur en aankoop van grond relatief laag zijn. Er zijn voldoende financieringsmogelijkheden voor het innovatieve midden- en kleinbedrijf en er is een hoogwaardige onderwijsinfrastructuur. De centrale ligging van Zeeland in Noordwest-Europa en goede achterlandverbindingen is een ander pluspunt.
Zeeland kent inmiddels elf kennis- en innovatienetwerken (K&I). Deze triple helix netwerken hebben of werken aan een gezamenlijke meerjarige agenda met een uitvoeringsprogramma van innovatieve projecten en projecten gericht op kennisdeling. De K&I-netwerken werken veelal samen met topsectoren en andere regionale clusters. Ook krijgt de samenwerking tussen de verschillende sectorspecifieke K&I-netwerken steeds meer vorm.
Belangrijke trends voor de havens en bedrijven zijn:
Transitie naar een duurzame industrie (schone/hernieuwbare energie/circulair).
Groei buisleidingennetwerk en elektriciteitsinfrastructuur.
Groter aanbod van groene energie.
Groei import van groene waterstof en ammoniak.
De effecten van zeespiegelstijging op buitendijkse gebieden, zoals kades en bedrijfsgebouwen (met name in het Sloegebied).
Hitteproblematiek op bedrijventerreinen.
Technologische ontwikkelingen: robotisering, digitalisering, kunstmatige intelligentie, blockchain, Big Data, machine learning, fotonica, nanotechnologie, quantumtechnologie, biotechnologie.
Havens en industrie
Een groot deel van de Zeeuwse economie is verbonden aan de zeehavens. De havengebieden zijn dan ook de motor van de Zeeuwse economie voor wat betreft toegevoegde waarde. North Sea Port is op ditzelfde aspect de derde zeehaven van Europa. North Sea Port is een grensoverschrijdende haven die steeds meer samenwerkt met andere havens buiten de regio. De chemiesector concurreert mondiaal, maar Zeeland kent ook veel bedrijven in nichemarkten.
Internationalisering van de economie is het sterkst zichtbaar in de haven- en industrieterreinen. Economische ontwikkelingen hebben invloed op Zeeuwse bedrijven en daarmee op de ruimtevraag. Internationalisering en veranderingen in de verdienmodellen en productieprocessen bepalen de vraag naar transport en modaliteiten.
In 2020 is door Smart Delta Resouces (SDR) het ‘Regioplan Smart Delta Resources 2030-2050’ gepubliceerd. In dat rapport is een routekaart met maatregelen opgenomen die de bijdrage van de deelnemende bedrijven aan de landelijke klimaatdoelen omschrijft. In het regioplan zijn drie strategische prioriteiten geformuleerd:
1. Elektriciteit en waterstof
2. Circulaire grondstoffen
3. CO2-opslag (CCS: Carbon Capture and Storage) en CO2-gebruik (CCU: Carbon Capture Usage).
Ook in de Ambitie 2030 (Visie op de verduurzaming van het Zeeuwse industrieel logistieke complex) zijn concrete doelen opgenomen voor de economische motor van Zeeland voor wat betreft de thema's lucht- en waterkwaliteit, verbindingen, ruimte voor de natuur, circulair, biobased, klimaatverandering en energie.
Midden- en kleinbedrijf (MKB)
Het merendeel van het Zeeuwse bedrijfsleven behoort tot het midden- en kleinbedrijf. Waar North Sea Port de motor van de Zeeuwse economie is voor de toegevoegde waarde, is het MKB dat voor de werkgelegenheid.
De bedrijvigheid in Zeeland is groot. In Zeeland zijn de sectoren (op basis van het aantal bedrijven) handel en specialistische zakelijke diensten het grootst. Bijna een op de vijf bedrijven valt onder handel, iets meer dan het gemiddelde voor Nederland. Qua aantal banen staan 1) handel, vervoer en horeca en 2) overheid en zorg bovenaan. In totaal gaat het om 94.000 banen. Naast de werkgelegenheid die de zeehavens met de hieraan verbonden nevenactiviteiten en toeleveranciers bieden, is het toerisme ook een belangrijke motor voor de economie in Zeeland.
We onderscheiden vier hoofdtypen bedrijven met elk een eigen rol in de Zeeuwse economie. De ZZP’ers (zelfstandigen zonder personeel) zorgen voor flexibiliteit, het jonge MKB (maximaal 5 jaar) zorgt voor dynamiek, het innovatieve MKB zorgt voor vernieuwing en verbetering en het reguliere MKB voor een breed en toegankelijk aanbod van diensten en producten.
Zeeland wordt in Nederland gekenschetst als een ‘innovatieve volger’. Het MKB in Zeeland scoort goed op innovatieve samenwerking, op valorisatie van innovaties (dus de waardecreatie) en op de factor levenslang leren. Publieke investeringen in R&D (Research en Development) zijn laag. Daarentegen is Zeeland medio 2020 een kenmerkende aanpakkersprovincie, waarin het aandeel middelbaar opgeleiden hoog is. Het aandeel hoger opgeleide bevolking is juist beduidend lager. Twee derde van de Zeeuwen vindt dat meer geld beschikbaar gesteld moet worden voor bedrijven met innovatieve ideeën (bron: Zeeland nu en in de toekomst, ZB |Planbureau, 2020).
Met digitalisering kunnen ondernemers hun productiviteit en concurrentiepositie verbeteren en hun markt vergroten, maar dat gaat niet vanzelf. Wat kun je met big data, kunstmatige intelligentie (AI) of blockchain, en hoe? Ondernemers weten waar hun kansen liggen.
Bedrijven die internationaal actief zijn, zijn op den duur competitiever, innovatiever en sterker. Nederland is een exportland, maar met name in het MKB is er nog een wereld te winnen. Relatief weinig MKB-ondernemers doen zaken over de grens en als ze dat wel doen, beperkt de handel zich vaak tot één land of één keer. Vooral markten buiten Europa zijn voor veel ondernemers lastig te betreden. Het Zeeuwse MKB krijgt hierbij in 2030 voldoende ondersteuning van Rijk en regio.
Bedrijventerreinen
Goede werk- en bedrijfslocaties zijn nodig om economische ontwikkeling te faciliteren. Er wordt gestreefd naar een concentratie op bedrijventerreinen, met name op grootschalige terreinen. Concentratie op (grootschalige) terreinen zorgt voor schaalvoordelen voor bedrijven, zuinig ruimtegebruik, beperking van de impact op het landschap en beperking van het gebruik van milieuruimte. Concentratie maakt een goede bereikbaarheid en ontsluiting van bedrijventerreinen mogelijk. Naast grootschalige bedrijventerreinen kent Zeeland een groot aantal kleinschalige bedrijventerreinen. Bestaande kleinschalige terreinen hebben onder voorwaarden eenmalig de mogelijkheid voor een beperkte afronding. Een verdere toename van het aantal kleinschalige bedrijventerreinen is ongewenst. In Zeeland worden vraag en aanbod van bedrijventerreinen zo goed mogelijk op elkaar afgestemd. Zo wordt een kwantitatieve én kwalitatieve mismatch voorkomen. Hiervoor wordt iedere drie jaar een prognose opgesteld waarin de behoefte voor de volgende 10 jaar wordt ingeschat. Deze prognose is de basis voor de regionale bedrijventerreinenprogrammering. Gemeenten leggen hierin regionale afspraken vast over ontwikkeling, uitbreiding en herstructurering van bedrijventerreinen. De programmering wordt regelmatig geactualiseerd om in te spelen op veranderingen in de markt.
Herstructurering van bedrijventerreinen is noodzakelijk om verouderde bedrijventerreinen aantrekkelijk te maken voor gevestigde en nieuwe bedrijven. Zo wordt verpaupering van bestaande terreinen tegengegaan en vermindert de behoefte aan nieuwe bedrijventerreinen. Kwaliteitsverbetering betekent ook het beter benutten van de ligging en ontsluiting van terreinen én ze klimaatbestendig inrichten. Bedrijventerreinen met speciale voorzieningen zoals een binnenhaven of loswal zijn van groot belang voor transport, daarom moeten deze worden behouden en benut voor bedrijven die daar gebruik van maken. Provincie Zeeland wil de vestiging van grootschalige logistiek en datacentra op ongewenste plekken en met weinig regionale meerwaarde voorkomen. Door de aard en omvang hebben grootschalige logistiek (waaronder distributiecentra) en datacentra grote invloed op de ruimte en het landschap. Grootschalige logistiek heeft ook een grote impact op het omliggende wegennet.
Op veel bedrijventerreinen staat verduurzaming nog in de kinderschoenen. De provincie stimuleert de verduurzaming met subsidie voor het uitvoeren van duurzaamheidscans op bedrijventerreinen, waarbij kansen voor energiebesparing, biodiversiteit en klimaatadaptatie in beeld worden gebracht. Voor de daadwerkelijke aanpak van herstructurering en verduurzaming heeft de provincie ook subsidies voor planvorming en uitvoering beschikbaar.
Kantoren
Als uitwerking van het rijksbeleid ter voorkoming van overaanbod van kantoren, wordt selectief omgegaan met plannen voor nieuwe kantoren. In Zeeland vormt zogenaamd ‘bouwen voor leegstand’ geen probleem, omdat er alleen wordt gebouwd als er vraag is. Wel zien we dat in de bestaande voorraad de leegstand toeneemt als gevolg van verplaatsen naar nieuwbouw, dan wel door een teruglopende vraag.
De provincie streeft ernaar om investeringen in openbaar vervoer en infrastructuur optimaal te benutten. Dit betekent dat zelfstandige grootschalige kantoren zoveel mogelijk gesitueerd zijn in of direct aansluiten op de binnensteden van Goes, Middelburg, Vlissingen en Terneuzen. Ontbreken die mogelijkheden dan is vestiging aan toegangswegen naar het stadscentrum, dichtbij doorgaande wegen en aan de stadsranden bij de toegangswegen ook mogelijk. Kantoren met een publieksfunctie moeten goed bereikbaar zijn per openbaar vervoer. In de overige kernen zijn – bij voorkeur in het centrum – alleen kleinschalige kantoorontwikkelingen met een publieksfunctie en kantoren met een lokale of regionale functie toegestaan.
Aanpak ondermijning
Bij het faciliteren van economische ontwikkeling is het van belang dat de overheid integer handelt en dat ondermijnende criminaliteit wordt voorkomen. We spreken van ondermijning als er aantasting plaatsvindt van institutionele gezagsstructuren die de werking van het samenlevingssysteem borgen en sturen. Ondermijning betekent ook dat de grenzen van de onderwereld en bovenwereld vervagen. De Provincie wil een preventieve aanpak ontwikkelen, waarbij vooraf al rekening kan worden gehouden met risico’s van ondermijning en waarbij het onbedoeld faciliteren wordt voorkomen. Dit draagt bij aan een eerlijk speelveld voor bonafide ondernemers en burgers.
Zoals eerder besproken zijn de zeehavens van grote waarde voor de Zeeuwse economie. De zeehavens vormen als logistiek knooppunt echter ook een aantrekkelijke locatie voor criminaliteit. Er vindt op en om de zeehaventerreinen bijvoorbeeld cocaïnesmokkel, arbeidsuitbuiting, milieucriminaliteit, ladingdiefstal en allerlei andere vormen van criminaliteit plaats. Uit een onderzoek van TNO naar de zeehavens van Zeeland en West-Brabant (2020) blijkt dat er momenteel op meerdere niveaus kwetsbaarheden in de havens en in de aanpak van criminaliteit aanwezig zijn. Het versterken van de weerbaarheid van de zeehavens is daarom van essentieel belang.
Om te voorkomen dat de provincie malafide ondernemers/bedrijven faciliteert, past ze de Wet Bibob toe bij onder andere omgevingsvergunningen voor bouw en milieu. De Wet Bibob is een belangrijk instrument waarover de overheid beschikt in de strijd tegen ondermijning. Als er een ernstig gevaar dreigt dat bijvoorbeeld een vergunning wordt misbruikt, kan de bevoegde overheidsinstantie de aanvraag weigeren of de afgegeven vergunning intrekken. Zo wordt voorkomen dat de overheid criminele activiteiten faciliteert en wordt bovendien de concurrentiepositie van bonafide ondernemers beschermd.
19.3 Acties om doelen te realiseren
Subdoel 1: De doelstellingen uit het Regioplan Smart Delta Resources 2030-2050 en de Ambitie duurzame havens 2030 zijn gehaald.
Er zijn veel partijen die een bijdrage leveren aan het realiseren van deze doelstelling. Veel van hun inspanningen zijn algemeen en niet specifiek voor een van de beschreven acties.
Rolverdeling:
De EU verstrekt subsidie aan uitvoering van en communicatie over projecten binnen het North Sea Port District en Smart Delta Resources.
De provincie faciliteert samenwerking tussen bedrijven, voert lobby richting hogere overheden, financiert het delen van kennis, en faciliteert projecten op het gebied van verduurzaming.
De SER verstrekt adviezen over kansen transitie naar duurzame industrie.
De RUD brengt milieukennis in op het gebied van onder andere geluid en externe veiligheid.
De Veiligheidsregio verstrekt adviezen over veiligheid en denkt mee over nieuwe ontwikkelingen.
De Zeeuwse Milieufederatie (ZMf) communiceert over en werkt mee aan "Ambitie 2030 Duurzame havens".
Het onderwijs verzorgt opleidingen die voorzien in een behoefte van de Zeeuwse arbeidsmarkt, neemt energieneutraliteit en circulariteit op in het lespakket.
Gemeenten, bedrijfsleven en North Sea Port leveren per actie meer specifieke bijdragen.
Actie 1.1 Realiseren 50% circulaire economie.
Rolverdeling:
Het bedrijfsleven voert circulariteit door in de bedrijfsvoering.
North Sea Port werkt mee aan voorzieningen die hergebruik van afvalstof (van het ene bedrijf) als grondstof (voor het andere bedrijf) mogelijk maken ofwel faciliteert de uitvoering van Smart Delta Resources.
Gemeenten financieren of geven voorlichting aan ondernemers over de mogelijkheden voor circulariteit, stellen eisen aan of stimuleren duurzaamheid en circulariteit bij vergunningverlening aan bedrijven, faciliteren ondernemers en creëren een gunstig vestigingsklimaat.
Gemeenten en provincie oefenen invloed uit via het aandeelhouderschap North Sea Port.
Actie 1.2 Realiseren CO2-reductie in de industrie van 59% ten opzichte van 1990.
Rolverdeling:
Het bedrijfsleven voert binnen SDR het Regioplan Smart Delta Resources 2030-2050 uit.
North Sea Port faciliteert binnen SDR de uitvoering van het Regioplan Smart Delta Resources 2030-2050.
Gemeenten verstrekken subsidies voor energiemaatregelen, financieren of geven voorlichting aan ondernemers over energiemaatregelen, ontwikkelen beleid rond duurzame energie, verlenen vergunningen voor duurzame energieproductie en richten bestaande en nieuwe bedrijventerreinen duurzaam in.
Actie 1.3 Doorontwikkelen North Sea Port tot slimme, innovatieve haven en katalysator voor Zeeuwse economie.
Rolverdeling:
North Sea Port ontwikkelt, naast voorgaande acties, haar havens in balans met de omgeving op duurzame en robuuste manier en waarborgt intensief ruimtegebruik door clustering van bedrijven.
Actie 1.4 Ontwikkeling havens en industrie met gezondheid als uitgangspunt en binnen de randvoorwaarden van natuur, milieu en ruimtegebruik.
Rolverdeling:
North Sea Port ontwikkelt, naast voorgaande acties, haar havens in balans met de omgeving op duurzame en robuuste manier en waarborgt intensief ruimtegebruik door clustering van bedrijven.
Gemeenten stellen een omgevingsvisie en omgevingsplan op dat aandacht besteedt aan de in de actie genoemde onderwerpen en realiseren bedrijventerreinen waar behoefte aan is.
Subdoel 2: Het Zeeuwse MKB is internationaal georiënteerd en zet de impact van maatschappelijke en technologische ontwikkelingen om in kansen.
Actie 2.1 Versterken innovatie, internationalisering en digitalisering van het Zeeuwse MKB.
Rolverdeling:
Ondernemers voelen zich betrokken bij hun directe omgeving en dragen bij aan een aantrekkelijke en sociale omgeving in hun vestigingsplaats, nemen deel aan kennistrajecten met onderwijsinstellingen rond concrete uitdagingen, omarmen de digitalisering en verbeteren hierdoor hun productiviteit en concurrentiepositie, maken gebruik van diverse Europese, landelijke en provinciale ontwikkelings- en innovatieprogramma’s, zoals het Operationeel Programma voor Zuid-Nederland (OP-Zuid), MKB-innovatiestimulering Regio en Topsectoren (MIT-Zuid), Interreg en Zeeland in Stroomversnelling.
Succesvolle bedrijven vernieuwen hun producten, diensten en processen continu.
De provincie stelt geld beschikbaar voor innovatievouchers die bedrijven helpen om op technologische en maatschappelijke veranderingen in te spelen, koppelt (Europese) beleidsdoelstellingen zoals gesteld in de Green Deal en specifieke doelstellingen met Zeeuwse doelstellingen en indicatoren, bestudeert de omgevingsimplicaties van deze doelstellingen, financiert Impuls Zeeland en Dockwize en is verantwoordelijk voor het opstellen van de Regionale Innovatie Strategie Slimme Specialisatie 2021-2027 (innovatie en valorisatie).
NV Economische Impuls Zeeland en Investeringsfonds Zeeland verzorgen het financieringsnetwerk MKB in Zeeland en bieden inzicht in de financieringsmogelijkheden.
Dockwize ondersteunt ideeën (van idee naar proof of concept) bij bedrijven en de ontwikkeling van start ups en scale ups.
Onderwijsinstellingen voeren kennistrajecten uit rond concrete uitdagingen met als doel samen met ondernemers en studenten concrete oplossingen te vinden.
Actie 2.2 Ontwikkeling van het MKB naar een circulaire economie.
In deze innovatiefase ligt de focus op de vertaalslag van bewustwording naar realisatie. Hierin spelen ketensamenwerking en stimulering vanuit de overheid een belangrijke rol. Deze ontwikkeling leidt voor het MKB tot innovatieve en andere businessmodellen.
Rolverdeling:
De provincie en gemeenten stimuleren het delen van kennis over circulaire economie.
Het regionale MKB voert innovatieve projecten uit en werkt daarbij samen in de keten. De projecten leiden tot innovatieve businessmodellen.
Subdoel 3: Bedrijventerreinen voorzien in een behoefte.
Actie 3.1: Voor bedrijventerreinen vormen zorgvuldig ruimtegebruik, een functionele en aantrekkelijke inrichting en duurzaamheid het uitgangspunt.
Het bestaande beleid op basis van de regionale bedrijventerreinprogrammering wordt voortgezet.
Rolverdeling:
Bedrijven laten een duurzaamheidsscan uitvoeren en voeren de uit de scan voortvloeiende maatregelen door.
De provincie verleent subsidie voor de duurzaamheidsscan, planvorming en uitvoering van verduurzaming en herstructurering van bedrijventerreinen, laat periodiek een prognose maken van de behoefte aan bedrijventerreinen (kwantiteit en kwaliteit) en neemt regels op in de omgevingsverordening over de vestiging van bedrijven en de uitbreiding van bedrijventerreinen.
Gemeenten nemen initiatief voor het verduurzamen en herstructureren van bedrijventerreinen en dragen hier financieel aan bij, maken periodiek regionale afspraken over ontwikkeling, uitbreiding en herstructurering van bedrijventerreinen en leggen in hun omgevingsplan vast waar bedrijven zijn toegestaan.
De Veiligheidsregio adviseert over veiligheidsaspecten van bedrijfslocaties.
Subdoel 4: Zoveel mogelijk voorkomen van het faciliteren van malafide ondernemers/bedrijven en ondermijnende criminaliteit (in de zeehavens).
Actie 4.1: Het voorkomen en bestrijden van ondermijnende criminaliteit (in de zeehavens).
Rolverdeling:
De politie, fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst, Douane en het Openbaar Ministerie zorgen primair voor opsporing van criminaliteit.
De Taskforce-RIEC (Regionale Informatie- en Expertise Centrum) Brabant-Zeeland ondersteunt het netwerk van overheidspartners. Het doel ervan is ondermijning en de daaraan verbonden criminaliteit georganiseerd en integraal aan te pakken. Netwerkpartners zijn onder meer politie, justitie, gemeenten, belastingdienst en de provincie.
De provincie voert het begin 2021 vastgestelde het Beleidsplan Aanpak ondermijning 2021-2023 uit. In het beleidsplan wordt omschreven hoe de Provincie Zeeland de komende jaren haar rol wil invullen in de aanpak van ondermijnende criminaliteit. Dit doen we aan de hand van vier programmalijnen: 1) weerbare organisatie, 2) weerbare overheid, 3) weerbare samenleving en 4) data, inzicht en onderzoek.
De gemeenten Borsele, Moerdijk, Terneuzen en Vlissingen, de Douane, het Openbaar Ministerie, de Politie, Koninklijke Marechaussee en North Sea Port en Port of Moerdijk voeren het uitvoeringsplan van het samenwerkingsverband Havendriehoek Zeeland/West-Brabant uit.
De Taskforce-RIEC ondersteunt deze partners bij de uitvoering van het samenwerkingsverband Havendriehoek Zeeland/West-Brabant uit september 2020. Dit plan omvat verschillende deelprojecten om de Zeeuwse en West-Brabantse zeehavens te versterken.
Actie 4.2: Het toepassen van de Wet Bibob om te voorkomen dat de overheid malafide ondernemers/bedrijven faciliteert.
Rolverdeling:
De provincie past de Wet Bibob toe bij omgevingsvergunningen voor bouw en milieu, maar ook bij subsidies, vastgoedtransacties en overheidsopdrachten. Hoe de Wet Bibob door de provincie wordt toegepast, is uitgewerkt in het Beleidsplan Toepassing Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, Provincie Zeeland 2021 – 2023.
Gemeenten passen de Wet Bibob toe en stemmen hun beleid af in een werkgroep onder begeleiding van de Taskforce-RIEC Brabant-Zeeland.
19.4 Afwegingsfactoren voor de uitvoering
Om bij de uitvoering kansen en mogelijkheden te benutten en tegelijkertijd de Zeeuwse kernkwaliteiten te behouden, zijn in Deel A (paragraaf 1.4) vier afwegingsfactoren geformuleerd. Hieronder is voor deze bouwsteen een aanzet gegeven voor de invulling daarvan.
1. Doe meer met minder grond
Bedrijventerreinen en bedrijfsgebouwen kunnen zo ingericht of aangepast worden dat ze geschikt worden als leefgebied voor dieren en planten én klimaatbestendig zijn.
Grote bedrijfspanden zijn geschikt voor opwekking van zonne-energie.
Bedrijventerreinen kunnen zo ingericht worden dat ze uitnodigen tot bewegen.
Bedrijvigheid wordt geclusterd op bedrijventerreinen en in havengebieden, waardoor het ruimtegebruik compact blijft.
Door herstructurering van bestaande bedrijventerreinen, kan een deel van de vraag naar bedrijfsterrein daar worden gefaciliteerd. Daardoor kan uitbreiding ten behoeve van nieuwe bedrijven (deels) worden voorkomen.
Door gerichte acquisitie van bedrijven kan een grotere bijdrage worden geleverd aan de werkgelegenheid, zijn er voordelen voor bestaande bedrijven, aansluiting op het onderwijs en aanvulling met nieuwe bedrijfstakken.
2. Werk samen en deel kosten en baten
Bedrijven kunnen zoveel mogelijk afvalstoffen van andere bedrijven als grondstof gebruiken, waardoor waarde gecreëerd wordt voor afvalstoffen.
Door samenwerking kunnen bedrijven gemakkelijker gebruik maken van subsidies en van elkaar leren, waardoor ze kosten voor innovaties (duurzaamheid, digitalisering) kunnen drukken.
Gemeenten maken afspraken over nieuwe bedrijventerreinen om het aanbod af te stemmen op de vraag.
3. Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten.
Het MKB is betrokken bij zijn omgeving en kan daarmee helpen de kernkwaliteiten in de eigen omgeving verder te ontwikkelen.
Het MKB kenmerkt zich door vindingrijkheid (innovatieve MKB) en initiatief (jonge MKB), waarbij de meer succesvolle bedrijven de basis vormen voor de kwaliteit van leven en werken in Zeeland.
De bedrijven (in de havens) zoeken naar innovatieve oplossingen om een belangrijke positie in Europa te behouden en uit te bouwen.
Voor een duurzame en gezonde economie werken bedrijven onderling en met overheid, onderwijs en kennisinstellingen samen. Ze hebben elkaar nodig om concurrerend te blijven en duurzaam te worden.
Het concentreren van bedrijvigheid in havengebieden en op bedrijventerreinen houdt het landelijk gebied open, waardoor genieten en opladen daar mogelijk blijven.
4. Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld.
Eén van de belangrijkste opgaven van de Zeeuwse bedrijven is de transitie naar een CO2-neutrale en circulaire economie. De CO2-neutrale Zeeuwse economie draagt bij aan een minder grote opwarming van de aarde, waardoor de leefbaarheid in Zeeland, maar ook in andere delen van de wereld, minder onder druk komt te staan. De circulaire economie vermindert vernietiging van het landschap en natuurwaarden in andere delen van de wereld waar de grondstoffen vandaan komen. Het is daarbij wel belangrijk dat het verwerken van afval tot nieuwe grondstoffen op een sociaal aanvaardbare en voor het milieu verantwoorde manier gebeurt, ook als dat elders op de wereld is.
J
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
21.1 Doelstelling 2030
Binnen Zeeland is de hoofdinfrastructuur op orde.
Het doel is een mobiliteitssysteem (voor zowel personen als goederen over de weg), waarbij de steden goed bereikbaar zijn vanaf de hoofdwegen. Het onderliggende wegennet is hiermee verknoopt en biedt voor verschillende modaliteiten ruimte. De havens en industriegebieden zijn tevens multimodaal onderdeel van het mobiliteitssysteem. Buisleidingen verbinden industriële clusters, binnen en buiten de provincie. Een systeem van buisleidingen voor bijvoorbeeld het transport van koolstofdioxide en waterstof in de Kanaalzone en het Sloegebied draagt bij aan de ambities om te komen tot een klimaatneutrale haven.
Subdoel 1: De capaciteit van de weginfrastructuur is voldoende om de verwachte toename van het verkeer op te vangen.
Subdoel 2: De industriegebieden en steden zijn multimodaal ontsloten via weg, water, spoor en buisleidingen.
Subdoel 3: De capaciteit van het elektriciteitsnet is vergroot om de energietransitie te faciliteren.
Met deze bouwsteen dragen we bij aan de volgende duurzame ontwikkelingsdoelen van de VN (brede welvaart).

Hoofdwegen personen- en vrachtverkeer
Het wegennet in Nederland wordt hiërarchisch gecategoriseerd in onderscheidenlijk stroomwegen, gebiedsontsluitingswegen en erftoegangswegen. Dit gebeurt aan de hand van het kader Duurzaam Veilig, zoals opgesteld door het landelijke kennisinstituut CROW en toegepast door wegbeheerders. De verkeersfunctie en vormgeving van de Zeeuwse wegen worden met elkaar in lijn gebracht, zodat recht wordt gedaan aan het gebruik daarvan. Dit gebeurt door de Zeeuwse wegbeheerders in onderlinge afstemming.
Voor Zeeland is de wegencategorisering voor zowel binnen als buiten de bebouwde kom uitgewerkt in een zogenaamd wegencategoriseringsplan. Aan de hand van dat plan kan weginfrastructuur vervolgens worden ingericht in lijn met de Basiskenmerken Wegontwerp, eveneens van het CROW. De hoofdwegen, zoals de A58, N256, N57, N59, N61 en N62, dienen voldoende capaciteit te hebben om de in 2023 aanwezige intensiteiten te verwerken.
Het onderliggend wegennet van het landelijke gebied krijgt daarnaast continu aandacht om verbeteringen aan te brengen conform de richtlijnen ten behoeve van verkeersveiligheid en, indien nodig, doorstroming. De gemeenten werken binnen hun bebouwde kommen aan kwaliteit en verkeersveiligheid van hun infrastructuur. Een afgeleid doel is om het autogebruik van woon-werkverkeer voor een deel via de (snelle) fiets een volwaardig alternatief te bieden. Daarvoor wordt toegewerkt naar een Zeeuws breed netwerk van doorfietsroutes.
Conform het wegencategoriseringsplan beschikt de provincie in 2030 over een betrouwbaar netwerk van hoofdwegen, waarbij de inrichting van deze wegen voldoet aan de richtlijnen van de Basiskenmerken Wegontwerp (zoals geformuleerd door CROW). Verkeersfunctie en vormgeving van de hoofdwegen zijn met elkaar in lijn gebracht, zodat recht wordt gedaan aan het gebruik daarvan. De hoofdwegen, zoals de A58, N256, N57, N59, N61 en N62, hebben voldoende capaciteit om de op dat moment aanwezige intensiteiten te verwerken. Het onderliggend wegennet krijgt continu aandacht om verbeteringen aan te brengen conform de richtlijnen ten behoeve van doorstroming en verkeersveiligheid. Doel is om het autogebruik van woon-werkverkeer voor een deel via de (snelle) fiets een volwaardig alternatief te bieden. Enkele snelfietsroutes zijn in 2030 aangelegd, bijvoorbeeld de route tussen Terneuzen en de grens met Vlaanderen bij Zelzate. De benutting van de infrastructuur is in 2030 verbeterdop orde en de verkeersveiligheid is toegenomen door toepassing van de mogelijkheden van talking traffic, slimme verkeerslichten (iVRI’s), benutting van rijtaakondersteuning, gedragsverandering (zoals onderwijs- en werkgeversaanpakken), autonoom rijden, autonoom varen en modal shift van personenvervoer (toeristische mobiliteit).
Tevens worden gevaarlijke stoffen, voor zover alternatieve tracés beschikbaar zijn, zo min mogelijk door woongebieden vervoerd. Risico’s bij transport worden zoveel mogelijk beperkt. De infrastructuur is op moderne en betrouwbare wijze verbeterd zodat er geen emissie plaatsvindt. Ook zijn verdere infrastructurele maatregelen getroffen zoals die volgen uit de risico gestuurde aanpak van het Zeeuwse Uitvoeringsplan SPV 2030 (Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2030). Voor het bovenstaande vormt de (geactualiseerde) wegencategorisering een belangrijke leidraad.
Vaarwegen
De meeste vaarwegen in de Provincie Zeeland zijn geschikt voor binnenvaartschepen (container- en duwvaart) van minstens 4.500 ton. Hiermee vormen de Zeeuwse vaarwegen een onderdeel van de verbinding Rotterdam – Parijs. Het Kanaal door Walcheren wordt door de provincie beheerd.
Vanuit de Europese Unie is, aan de hand van een in juni 2019 in werking getreden Implementing Act, het doel gesteld om in 2030 de verbinding Seine – Schelde gereed te hebben als onderdeel van het moderne vaarwegennetwerk. De realisatie van de nieuwe zeesluis bij Terneuzen draagt bij aan een verbeterde binnenvaartverbinding naar Vlaanderen en het noorden van Frankrijk tot aan Parijs.
Spoorwegen
De bestaande spoorwegen worden uitgebreid om tussen Zeeland en aangrenzende provincies, binnen en buiten Nederland, een multimodale transportcorridor te faciliteren en duurzaam te laten groeien.
In 2030 wordt de Zeeuwse Lijn door twee treinverbindingen met de Randstad en Noord-Brabant gebruikt. De in 2021 opgestarte nieuwe intercityverbinding van en naar de Randstad heeft zijn nut bewezen en is een vast onderdeel van de landelijke dienstregeling geworden. De kleine en grote stations blijven door sprinters binnen Zeeland en richting West-Brabant met elkaar verbonden. Een versnelling Zeeland – zuidelijke Randstad via de sprinters blijft het doel. De grote stations zijn daarnaast mobiliteitsknooppunten, zodat ook vanaf hier robuuste noord-zuid gerichte HOV-lijnen (dat staat voor Hoogwaardig Openbaar Vervoer) functioneren. Verder is de nieuwe spoorlijn voor goederenvervoer Gent – Terneuzen (RGT) in 2030 gerealiseerd, die mogelijk ook kan worden gebruikt voor personenvervoer. Bij het ontwerp van de verbinding wordt zorgvuldig omgegaan met effecten op mens en omgeving. Ook wordt de mogelijkheid voor een directe spoorverbinding tussen Zeeland en Antwerpen onderzocht (Veza).
Buisleidingen
Voor CO2- reductie doelstellingen van de industrie zijn buisleidingen essentieel. In 2019 is de noodzaak voor grootschalige buisleidinginfrastructuur in en om het havengebied onderzocht (project CUST). Voor het Zeeuwse havencluster is behoefte aan met name infrastructuur voor transport van CO2 en waterstof, maar er zullen ook leidingen nodig zijn voor synthetische nafta en warmte. Er zijn tracés getekend waar deze buisleidingen het best kunnen komen. De provincie zet zich in voor planologische en juridische borging van de tracés, ook grensoverschrijdend. In 2030 is in het havengebied van North Sea Port het buisleidingnetwerk, dat tussen bedrijven vloeistoffen en gassen uitwisselt (circulair/klimaat) uitgebreid. Ook zal het buisleidingnetwerk vanuit het havengebied aansluiten op buiten de provincie gelegen industriële clusters (nationaal en grensoverschrijdend).
Elektriciteitsnet
Binnen Zeeland is het hoofdnetwerk in 2030 op orde. Door verduurzaming van de industrie (energietransitie) ontstaat wel een verzwaring en of uitbreiding van het elektriciteitsnet, met name via hoogspanning van 150 kV en 380 kV verbindingen. Dit is een continu aandachtspunt. Zeeland zal fungeren als stopcontact voor offshore windmolenparken.
Vliegvelden en luchtvaart
Vanaf vliegveld Midden Zeeland wordt per helikopter naar offshore windmolenparken gevlogen. In het algemeen geldt dat helikopters en vliegtuigen niet onnodig over stedelijk gebied mogen vliegen.
21.1
21.2 Huidige situatie
Dit is het huidige hoofdnetwerk infrastructuur in Zeeland (kaart wordt nog aangevuld, met buisleidingen):

Naast het hiervoor beschreven hoofdnetwerk infrastructuur in Zeeland sluit er een aantal hoofdwegen aan op de provincie die tevens relevant zijn binnen dit netwerk. Dat zijn de Rijkswegen A4, A15, A17, en de Vlaamse wegen A11, Expressweg E34 en R4. Daarnaast zijn er relevante vaarwegen, zoals Volkerak, Hollandsch Diep, Dordtsche Kil, Oude Maas (verbinding met haven Rotterdam). Ook het spoor richting West-Brabant en verder naar de Randstad is een relevante verbinding.
Trends en ontwikkelingen
Zeeland kent een hoofdnetwerk infrastructuur van hoofdwegen, vaarwegen, railwegen, kabels en leidingen en een klein vliegveld. Dit netwerk heeft verbindingen met rijkswegen, Vlaamse netwerken, vaarwegen naar de Rotterdamse haven en treinverbindingen naar Brabant en de Randstad. De ontwikkelingen van autonoom en elektrisch rijden en varen en Mobility as a Service (MaaS) zullen mogelijk effect hebben op het gebruik en de inrichting van weginfrastructuur. Een provinciedekkend systeem van laadpunten voor elektrisch rijden wordt nagestreefd. Versterking van de transportcorridor Rotterdam – Antwerpen is noodzakelijk. Er is een toenemende behoefte van transport van vloeibare en gasvormige goederen in plaats van traditionele vormen.
De bereikbaarheid en doorstroming van het wegverkeer zijn de afgelopen decennia aanzienlijk verbeterd door diverse projecten, zoals de Westerscheldetunnel, Sluiskiltunnel, verdubbeling van de Sloeweg en Tractaatweg.
Zeker tot 2030 zal in Zeeland het verkeer op de weg toenemen door de (beperkte) groei van de bevolking, het toerisme en het wegtransport. Over het woon-werkverkeer zijn lastig uitspraken te doen. Als gevolg van de coronapandemie heeft het thuiswerken wel een sterke ontwikkeling doorgemaakt. Dit heeft zijn weerslag op de omvang van het woon-werkverkeer, dat duidelijk is afgenomen. Anno 2021 valt nog niet te zeggen of dat effect blijvend is. Nieuwe technieken als 5G maken thuiswerken in de nabije toekomst voor diverse kantoor gerelateerde sectoren nog gemakkelijker. Afwisselend thuis en op kantoor werken, ligt vooralsnog het meest voor de hand. Andere technieken en instrumenten zoals deelauto’s en toepassing van mobility as a service kan het autogebruik verminderen.
De verkeersdrukte op de A58 en knooppunt A58/A4 (Markiezaat) neemt toe door het grotere aantal verkeersbewegingen. Incidenten en piekdagen leiden tot grote verstoringen omdat de infrastructuur naast het hoofdnetwerk deze rol slechts beperkt kan overnemen. Zeker voor hulpdiensten kan dit problematisch zijn. Ook bij grote incidenten zijn de vluchtroutes (vanuit Zeeland) beperkt. Een ander aandachtspunt is de noord-zuidroute door het midden van Zeeland via Zierikzee en Goes. Het structureel verbeteren van de doorstroming en verkeersveiligheid op de N256 (Deltaweg) en N59 is noodzakelijk.
De energietransitie zal zorgen voor een grotere elektrificatie en een verandering naar andere grondstoffen (meer circulair, meer biobased producten, groene waterstof, etc.) Dit heeft zijn effect zowel voor 2030 als tussen 2030 en 2050 op transport en infrastructuur. Het hoofdnet elektriciteit (150 kV en 380 kV) is momenteel niet toegerust op de opgave rondom energietransitie. Naast versterking van de lijn boven de Westerschelde, is ook een nieuwe verbinding in Zeeuws-Vlaanderen nodig.
Toename van op- en overslag en vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, spoor, buisleiding en vaarwegen is een aandachtspunt. Transport van waterstof, ammoniak en Liquid Organic Hydrogen Carriers vragen om nieuwe normen op het gebied van veiligheid. Toenemende behoefte aan alternatieven vormen voor transport van vloeibare goederen (vloeistoffen/gassen) vraagt om aanpassing en uitbreiding van de buisleidinginfrastructuur.
Er zijn veel verschillende ontwikkelingen gaande binnen provincie Zeeland op het gebied van de energietransitie. Toename van op- en overslag en vervoer van gevaarlijke stoffen (over weg, water en via het spoor) is hierdoor niet meer uit te sluiten. Transport van waterstof, ammoniak en andere waterstofdragen zoals LOHC (Liquid Organic Hydrogen Carriers) vragen om nieuwe richtlijnen op het gebied van veiligheid.
De Rijksoverheid gaat over nieuwe richtlijnen als het gaat over het vervoer en transport van gevaarlijke stoffen. De Provincie neemt deel aan stakeholders overleggen die het Rijk houdt ten behoeve van het ontwikkelen van nieuwe richtlijnen. Inzet is om minder vervoer van gevaarlijke stoffen via het huidige spoor in Zeeland te hebben door dorpen en steden heen. Het uitgangspunt is dat vervoer van gevaarlijke stoffen zo min mogelijk over spoor door bewoonde gebieden gaat. Alternatief is via buisleidingen of over water.
Daarnaast starten we in 2024 met het uitvoeren van een omgevingsverkenning. Een omgevingsverkenning kan de veiligheidsgevolgen en de risico’s die de toename van transport van gevaarlijke stoffen met zich mee brengt, in kaart brengen.
Ook bestaat een toenemende behoefte aan alternatieven vormen voor transport van vloeibare goederen (vloeistoffen/gassen) en dit vraagt om aanpassing en uitbreiding van de buisleidinginfrastructuur.
Provincie Zeeland, North Sea Port en Smart Delta Resources zijn een haalbaarheidsonderzoek naar de aanleg van een ammoniakbuisleiding gestart.
Het goederenvervoer (inclusief transport gevaarlijke stoffen) door vrachtwagens neemt al jaren toe. Vrachtwagenparkeren Het parkeren van vrachtwagens dient gefaciliteerd te worden. Dit maakt deel uit van planvorming voor een 'Central Gate' nabij voor het Sloegebied ter hoogte van Vlissingen-Oost en er komt mogelijk een locatie in Zeeuws-Vlaanderen.Meer dan 58% (in 2019) van het transport in Zeeland gaat via binnenvaartschepen. Met de uitbreiding van de capaciteit van de Volkerak- en Krammersluizen is een belangrijk knelpunt verdwenen.
Het transport per spoor is in Zeeland nog gering van omvang (10% in 2019). Dat heeft o.a. te maken met twee knelpunten, namelijk met de missende directe verbindingen met Antwerpen (Veza) en Gent (RGT). Er is wel een toename te verwachten van het vervoer gevaarlijke stoffen over weg, spoor en vaarwegen.
Verdere verwachtingen zijn een doorontwikkeling van bedrijvigheid en modal shift Kanaalzone (Rail Gent – Terneuzen, fietssnelweg Zelzate – Terneuzen). Daarnaast een toenemende aandacht voor milieukwaliteit, leefbaarheid, duurzaamheid, circulariteit en klimaatadaptatie. De vitale infrastructuur moet klimaatbestendig worden gemaakt.
21.3 Acties om doelen te realiseren
Subdoel 1: De capaciteit van de weginfrastructuur is voldoende om de verwachte toename van het verkeer op te vangen.
Actie 1.1 - Inrichting hoofdwegennet conform wegencategoriseringsplan uit 2016 en de provinciale Meerjaren Investeringsagenda Wegen.
Actie 1.1 - Inrichting hoofd- en onderliggend wegennet conform actueel wegencategoriseringsplan.
Rijkswaterstaat, provincieProvincie, waterschap, gemeenten en North Sea Port zijn de beheerders van het wegennet in Zeeland. Het waterschap heeft in Zeeland veruit de meeste wegen in beheer en onderhoud. Goed wegbeheer is een voorwaarde voor optimale benutting van de capaciteit van de wegen in Zeeland.
Rolverdeling:
Rijkswaterstaat is verantwoordelijk voor beheer van de rijkswegen (A58, N57, N59 en N61).
De provincieProvincie, Waterschap Scheldestromen en gemeenten zijn beheerders van de regionale en lokale wegen.
North Sea Port is verantwoordelijk voor de wegen in het havengebied.
De wegbeheerders monitoren de verkeersintensiteit en nemen indien nodig maatregelen om doorstroming en verkeersveiligheid te verbeteren.
De wegbeheerders ontsluiten bestaande grootschalige bedrijventerreinen, binnenhavens en winkelcentra via het kwaliteitsnet goederenvervoer.
De wegbeheerders hebben een Kwaliteitsnetwerk Landbouwverkeer Zeeland opgesteld voor de afwikkeling van agrarisch verkeer.
Initiatiefnemers of overheden investeren in aanpassing van de infrastructuur als bijkomend extra verkeer niet past bij het bestaande infrastructurele netwerk.
Weggebruikers kunnen door goed weggedrag bijdragen aan verkeersveiligheid en doorstroming op alle wegen.
Actie 1.2 - Verbeteren fietsverbindingen voor de korte afstand.
Rolverdeling:
De provincie, Waterschap Scheldestromen en gemeenten zijn beheerders van de regionale en lokale wegen met bijbehorende fietspaden.
De provincie vervult een coördinerende rol met gemeenten en waterschap voor het verbeteren van de fietspaden in de hele provincie, zodat aangesloten wordt op huidige trends en ontwikkelingen. Vanuit het landelijke Uitvoeringsprogramma Tour de Force vindt daarbij ondersteuning plaats.
Subdoel 2: De industriegebieden en steden zijn multimodaal ontsloten via weg, water, spoor en buisleidingen.
Actie 2.1 - Beheer, onderhoud en uitbreiding capaciteit waterwegen.
Rolverdeling:
Rijkswaterstaat is verantwoordelijk voor beheer van de rijkswaterwegen.
Rijkswaterstaat, provincie, North Sea Port, Waterschap Scheldestromen en gemeenten zijn beheerders van de waterwegen.
RUD enVeiligheidsregio adviseren over veiligheid voor mens en omgeving.
Actie 2.2 - Beheer, onderhoud en uitbreiding capaciteit spoorwegen.
Rolverdeling:
ProRail is verantwoordelijk voor aanleg, beheer en onderhoud van het spoornet.
Het Rijk, Vlaanderen, de provincie, gemeenten en North Sea Port werken samen aan verbetering van de spoorverbinding in de Kanaalzone (RGT) en onderzoeken de realisatie van een directe verbinding tussen de Zeeuwse lijn en Antwerpen (Veza).
RUD en veiligheidsregio adviseren over veiligheid voor mens en omgeving.
Actie 2.3 - Beheer, onderhoud en uitbreiding capaciteit buisleidingenstelsel.
Rolverdeling:
Het Rijk, de provincie en gemeenten stellen kaders vast voor aanleg en exploitatie van buisleidingen.
RUD en Veiligheidsregio adviseren over veiligheid voor mens en omgeving.
Leidingenstraat Nederland beheert de landelijke Buisleidingenstraat.
Subdoel 3: De capaciteit van het elektriciteitsnet is vergroot om de energietransitie te faciliteren.
Actie 3.1 - Beheer, onderhoud en uitbreiding elektriciteitsnet.
Rolverdeling:
Het Rijk, de provincie en gemeenten stellen kaders vast voor aanleg en exploitatie van het elektriciteitsnet.
Netbeheerder Tennet zorgt voor aanleg, beheer en onderhoud van het hoogspanningsnet, reguleert afstemming van vraag en aanbod en de koppeling met het Europese netwerk.
RUD en Veiligheidsregio adviseren over veiligheid voor mens en omgeving.
21.4 Afwegingsfactoren voor de uitvoering
Om bij de uitvoering kansen en mogelijkheden te benutten en tegelijkertijd de Zeeuwse kernkwaliteiten te behouden, zijn in Deel A (paragraaf 1.4) vier afwegingsfactoren geformuleerd. Hieronder is voor deze bouwsteen een aanzet gegeven voor de invulling daarvan.
1. Doe meer met minder grond
Het bestaande infrastructuurnetwerk is in veel gevallen leidend voor nieuwe ontwikkelingen. Door concentratie van bijvoorbeeld bedrijvigheid, detailhandel en wonen, neemt de noodzaak voor nieuwe aanleg van infrastructuur af en daarmee het ruimtebeslag. Daarnaast wordt bestaande infrastructuur beter benut. In de Omgevingswet is dat vastgelegd in artikel 4.2 lid 1, waarbij is bepaald dat door een gemeente voor haar grondgebied regels worden gesteld ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Door bundeling van nieuwe infrastructuur met bestaande boven- en ondergrondse infrastructuur wordt ruimte bespaard.
2. Werk samen en deel kosten en baten
Samenwerking tussen de wegbeheerders kan voordelen opleveren.
Slimmer gebruik van infrastructuur door samenwerking met diverse sectoren verlaagt kosten voor aanleg en onderhoud.
3. Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten.
Het verbeteren van de fietsinfrastructuur heeft een positieve invloed op wat Zeeland te bieden heeft voor toerist en inwoners.
Houtopstanden kunnen langs infrastructuur een bijdrage leveren aan biodiversiteit en recreatieve waarde.
4. Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld.
K
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
23.1 Doelstelling 2030
In Zeeland wordt tenminste 1800 MW aan duurzame energie opgewekt.
Wind en zon gaan een hoofdrol spelen in het verduurzamen van de elektriciteitsvoorziening. Daar zijn windparken op zee én land, zonnepanelen op dak en aanvullend op land en water voor nodig. Energie uit water, zoals het benutten van de kracht van het getij, heeft potentie maar vraagt nog veel doorontwikkeling. Op dit moment produceren we in Zeeland al 50% van onze stroom met de wind en de zon. De elektriciteitsopgave is om maximale ontwikkeling van duurzame energie in Zeeland te faciliteren (minstens 11 petajoule (PJ) aan hernieuwbare energie in 2030), knelpunten en aanpassingen in het elektriciteitsnet in beeld te brengen en na te denken over meer flexibiliteit in het energiesysteem van de toekomst.
Subdoel 1: Het opgesteld vermogen aan windenergie op land is met 130 MW gegroeid tot 700 MW.
Subdoel 2: Het vermogen uit zonne-energie bedraagt 1000 MW, waarvan zoveel mogelijk op daken.
Subdoel 3: Het vermogen uit andere hernieuwbare energiebronnen dan wind en zon, bedraagt tenminste 100 MW.
Met deze bouwsteen dragen we bij aan de volgende duurzame ontwikkelingsdoelen van de VN (brede welvaart).

23.2 Huidige situatie
Wind op land
Voor windenergie op land is een groei tot 700 MW in 2030 de ambitie. Eind 2021 zal in Zeeland 570 MW aan opgesteld vermogen windenergie beschikbaar zijn. Windenergie op zee is een nationale opgave waarbij het Rijk zorgt voor beleid, regelgeving en concessieverlening. De aansluiting van een aantal windparken op zee op het landelijke net loopt wel via Zeeland.
Voor windenergie op land is concentratie van de windturbines op een aantal locaties het uitgangspunt, om de ruimtelijke impact te beperken. Deze locaties bevinden zich op of bij grootschalige industrieterreinen en op en bij grootschalige infrastructurele werken. De turbines staan voornamelijk op concentratielocaties die in de Omgevingsverordening zijn aangewezen, maar het is ook mogelijk om enkele extra projecten toe te voegen (zie kaart, bron: RES 1.0). Hiermee wordt ruimte geboden om de realisatie van de duurzame energie ambitie mogelijk te maken.
De aangewezen locaties zijn vanuit initiatieven in het verleden tot stand gekomen maar er zijn meer mogelijkheden zonder de concentratiegedachte geweld aan te doen. Daarom wordt ruimte geboden voor enkele extra projecten wanneer deze aansluiting zoeken bij grote infrastructuurlijnen als bijvoorbeeld waterkeringen langs de grote wateren. Dit beleid heeft geen betrekking op windturbines met een maximale tiphoogte tot 21 meter. Dergelijke turbines zijn primair een zaak van de gemeenten.

Zonne-energie
Voor zonne-energie is de ambitie 1000 MW in 2030, bij voorkeur op daken en aanvullend met projecten op land en water. Uit berekeningen van netbeheerder Enduris blijkt dat het brutovermogen van zon op Zeeuwse daken ca. 1500 MW bedraagt. Netto wordt dit geschat op ca. 400-600 MW (niet alle daken zijn immers geschikt). Het provinciaal beleid voor zon op land en water is een regeling op hoofdlijnen en de uitwerking tot op projectniveau vindt door de gemeenten plaats.
Met alleen zon op dak kan mogelijk onvoldoende vermogen gerealiseerd worden. Aanvullend kunnen zonprojecten worden gerealiseerd in bestaand stedelijk gebied of in combinatie met andere functies. Hiermee wordt ruimte geboden voor zonne-energie, maar wel met behoud van omgevingskwaliteit, zorgvuldig ruimtegebruik en behoud van de agrarische functie van gronden in het buitengebied. Daarom is gekozen voor een opzet waarbij zonne-energie kan worden gecombineerd met andere reeds aanwezige functies zoals bedrijfsterreinen, glastuinbouw, nutsvoorzieningen, stortplaatsen, zonneparken, windmolens, infrastructuur of op water. Hiermee wordt het landelijk geformuleerde afwegingskader bij de inpassing van zonne-energie zoals dat is afgesproken in het klimaatakkoord (de zonneladder) ook voor Zeeland gehanteerd. Gemeenten dragen binnen het zonbeleid naar mogelijkheid bij. Voor water geldt dan aanvullend dat aangetoond moet worden dat er geen negatieve effecten zijn voor natuur, recreatie, waterkwaliteit en visserij. Ruim de helft van de Zeeuwen vindt dat inpassing van zonneparken in het Zeeuwse landschap gestimuleerd moet worden (bron: Zeeland nu en in de toekomst, ZB |Planbureau, 2020). Ook voor zonprojecten geldt dat het maatwerk aan de gemeenten wordt overgelaten.
Energie uit water
In het kader van de Regionale Energiestrategie (RES)zijn de kansen en mogelijkheden in Zeeland onderzocht van energiewinning uit water. Energie uit water kan naar schatting ruim 100 MW bijdragen. Drie technologieën blijken het meest kansrijk voor de regio: getijden- of stromingsenergie, zoet-zoutenergie en thermische energie. Met name zoet-zoutenergie (via osmose) kan een grote bijdrage leveren en is in principe overal toepasbaar waar een harde scheiding tussen zoet en zout water aanwezig is. Provincie, gemeenten en maatschappelijke partners werken samen aan benutting van de kansen.
Biomassa als brandstof
Diverse studies laten zien dat het potentieel aan beschikbare biomassa in Zeeland beperkt is. Het is mogelijk om op grote schaal biomassa via de Zeeuwse diepzeehavens te importeren, maar dit is niet onomstreden. Houtkap voor de productie van houtpellets bijvoorbeeld, kan veel impact hebben op landschap en biodiversiteit ter plekke. Ook wordt getwijfeld aan de CO2-neutraliteit van houtverbranding, Het is van belang om biomassa eerst hoogwaardig toe te passen, zoveel mogelijk te recyclen en uiteindelijk de reststroom of het afval te gebruiken voor energieproductie.
Biomassavergisting
Biomassavergisting van reststromen (niet zijnde hout) is een vorm van duurzame energieopwekking met potentie in Zeeland. De opgewekte methaan en elektriciteit kunnen aan de bestaande gas- en elektriciteitsnetwerken worden geleverd. Grootschalige initiatieven kunnen vanwege mogelijke hinder (geur, transportbewegingen) maar ook vanuit logistiek perspectief het beste op industrieterreinen (o.a. Aben Green Energy in Kanaalzone) gefaciliteerd worden. Kleinschalige biomassavergisting bij agrarische bedrijven is mogelijk conform het landelijk beleid en wetgeving.
Kernenergie
Voor opwekking van energie zonder CO2-uitstoot is ook kernenergie in beeld. In Zeeland is momenteel in Borssele een kerncentrale actief van EPZ. Deze centrale levert jaarlijks zo’n 13 PJ aan elektriciteit (3,6 TWh), zonder CO2-uitstoot. Dit is ongeveer 3% van het landelijke elektriciteitsverbruik. De rijksoverheid (ministerie van EZK) is bevoegd gezag over kernenergie (wijst locaties aan en verleent vergunningen). Er zijn momenteel in Nederland drie locaties aangewezen waar een kerncentrale is toegestaan: Borssele, Maasvlakte en Eemshaven. De rijksoverheid heeft toestemming gegeven om de kerncentrale EPZ in Borssele tot 2033 te exploiteren. Er zal inzichtelijk gemaakt worden of het mogelijk is de levensduur van de centrale te verlengen, wat hiervoor nodig is en wat hiervan de risico’s zijn.
Indien de Nederlandse overheid besluit dat kernenergie een rol moet spelen in de toekomstige energievoorziening, is Borssele een aangewezen locatie voor een nieuwe kerncentrale. Dit komt door de reeds aanwezige nucleaire expertise bij EPZ, de nabijheid van de COVRA, de ruime beschikbaarheid van koelwater en het feit dat de rijksoverheid Borssele heeft aangewezen als locatie waar een kerncentrale is toegestaan.
Nadelen van deze technologie zijn de hoge up-front investeringskosten met bijbehorende bouw- en financieringsrisico’s en het ontbreken van een definitieve oplossing voor het verwerken van nucleaire afval waardoor we het afval moeten opslaan. Momenteel is de uitbreiding van nucleair vermogen niet aan de orde in Zeeland, omdat er geen initiatieven bekend zijn.
De Zeeuwse overheden hebben geen bevoegdheden en dus geen actieve rol t.a.v. kernenergie. De Provincie Zeeland en de Zeeuwse gemeenten zijn via de aandelen van PZEM indirect ook aandeelhouder van de kerncentrale EPZ. In de formeel vastgestelde aandeelhoudersstrategie PZEM is ten aanzien van EPZ opgenomen dat commerciële energieactiviteiten qua risico- en rendementsprofiel niet bij een provincie en gemeenten passen, en dan ook verkocht zouden moeten worden.
Thorium
Om het nucleaire afval te beperken zijn er nieuwe soorten kerncentrales in ontwikkeling. Een voorbeeld hiervan is thorium (gesmolten zout). Dit heeft o.a. als voordeel dat er minder afval vrijkomt bij de productie en dat het (maar) honderden in plaats van duizenden jaren radioactief blijft. Thoriumcentrales vergen echter nog een heel grote hoeveelheid onderzoek en ontwikkeling. Daarbij zijn er nog veel zaken onbekend, zoals kosten van veiligheid en opslag van het afval. Verschillende partijen hebben de intentie uitgesproken om thoriumcentrales te ontwikkelen maar er zijn momenteel nog geen fysieke reactoren daadwerkelijk in ontwikkeling. Commerciële toepassing lijkt nog erg ver weg en wordt op z’n vroegst geschat op 2045-2050. Het is dus niet realistisch aan te nemen dat thorium de klimaatdoelen voor 2030 kan adresseren en we zullen waarschijnlijk nog minimaal tien jaar moeten wachten voordat we kunnen inschatten of thoriumcentrales in 2050 een rol kunnen spelen.
23.3 Acties om doelen te realiseren
Subdoel 1: Het opgesteld vermogen aan windenergie op land is met 130 MW gegroeid tot 700 MW.
Actie 1.1 - Realiseren opgave windenergie op het land (via de Regionale Energie Strategie-RES).
Op basis van plannen en initiatieven die nu bekend zijn bij verschillende gemeenten, wordt geraamd dat er tot 2030 extra ruimte is binnen een bandbreedte van 100 tot 170 MW. Dit zou voldoende moeten zijn om het beoogde doel van 700 MW in 2030 daadwerkelijk te realiseren. Besluitvorming en afweging vindt plaats in de separate procedures per project.
Rolverdeling:
Het Rijk verleent subsidie voor de opwekking van hernieuwbare energie (SDE).
Het Rijk en de provincie maken afspraken op nationaal en regionaal niveau over het opgesteld vermogen.
De provincie legt de locaties voor windmolenparken op land en randvoorwaarden voor alle windmolens van meer dan 21 meter hoog vast in de omgevingsverordening.
Gemeenten stellen randvoorwaarden en verlenen vergunning voor windmolens tot 21 meter hoog. RUD Zeeland zorgt voor toezicht op en handhaving van de regels.
Adviesbureaus, Rijkswaterstaat, de provincie, gemeenten, Waterschap Scheldestromen, Veiligheidsregio, ZLTO, terreinbeheerders, dorpsraden, maatschappelijke organisaties, grondeigenaren en omwonenden adviseren over plaatsing van windmolens, één en ander afhankelijk van de locatie.
Ondernemers, projectontwikkelaars, onderhoudsbedrijven, energiebedrijven en energiecoöperaties realiseren, exploiteren en onderhouden de windmolens.
De netwerkbedrijven sluiten de windmolens aan op het elektriciteitsnet.
Subdoel 2: Het vermogen uit zonne-energie bedraagt 1000 MW, waarvan zoveel mogelijk op daken.
Actie 2.1 - Realiseren opgave zonne-energie (via de Regionale Energie Strategie -RES).
Rolverdeling:
Het Rijk verleent subsidie voor de opwekking van hernieuwbare energie (SDE).
Het Rijk en de regio maken op nationaal niveau afspraken over de opwekking van zonne-energie in het kader van de (RES).
Het Rijk, de provincie en gemeenten stellen kaders vast voor realisatie van zonneparken. Gemeenten verlenen de vergunning.
Particulieren, ondernemers, overheden, projectontwikkelaars, onderhoudsbedrijven, energiebedrijven en energiecoöperaties realiseren, exploiteren en onderhouden zonnepanelen op de daken.
Afhankelijk van de locatie adviseren adviesbureaus, Rijkswaterstaat, de provincie, gemeente, Waterschap Scheldestromen, Veiligheidsregio, ZLTO, terreinbeheerders, dorpsraden, maatschappelijke organisaties en omwonenden.
Netwerkbedrijven sluiten zonneparken aan op het elektriciteitsnet.
Onderwijsinstellingen leiden personeel op.
Subdoel 3: Het vermogen uit andere hernieuwbare energiebronnen dan wind en zon, bedraagt tenminste 100 MW.
Actie 3.1 - Realiseren opgave biomassa en biovergisting (via de Regionale Energie Strategie-RES).
Rolverdeling:
Het Rijk verleent subsidie voor de opwekking van hernieuwbare energie (SDE).
Het Rijk en de provincie maken op nationaal en regionaal niveau afspraken over de opwekking van energie uit biomassa in het kader van de Regionale Energie Strategie (RES).
Het Rijk, de provincie en gemeenten stellen kaders vast voor realisatie van biomassa-installaties.
De provincie en gemeenten verlenen vergunning voor realisatie van biomassa-installaties.
Bedrijven en terreinbeheerders leveren biomassa.
Ondernemers, projectontwikkelaars, onderhoudsbedrijven, energiebedrijven en energiecoöperaties realiseren, exploiteren en onderhouden biomassa-installaties.
De Veiligheidsregio adviseert provincie en gemeenten over veiligheidsaspecten van biomassa-installaties.
Actie 3.2 – Benutten van kansen voor energie uit water (via de Regionale Energie Strategie-RES)
23.4 Afwegingsfactoren voor de uitvoering
Om bij de uitvoering kansen en mogelijkheden te benutten en tegelijkertijd de Zeeuwse kernkwaliteiten te behouden, zijn in Deel A (paragraaf 1.4) vier afwegingsfactoren geformuleerd. Hieronder is voor deze bouwsteen een aanzet gegeven voor de invulling daarvan.
1. Doe meer met minder grond
Meervoudig ruimtegebruik kan zowel ruimte geven aan energieopwekking en kansen bieden voor andere opgaven zoals biodiversiteit.
Zonnepanelen op het dak vragen geen extra ruimte, maar zonneparken op de grond wel.
Realisatie van zonneparken en aanpassing van bijbehorende infrastructuur kan gecombineerd worden met verbetering van waterberging en -afvoer. Zoals zonnepanelen op waterbassins.
Mogelijkheden voor bebouwing zijn op en rond waterkeringen beperkt vanuit waterveiligheid, maar combinatie met zonnepanelen is wel mogelijk.
2. Werk samen en deel kosten en baten
Exploitatie van zonne- en windmolenparken kan financieel bijdragen aan versterking van de omgevingskwaliteit en leefbaarheid.
Zon op dak kan een extra inkomstenbron zijn voor agrarische ondernemers, verenigingen en bedrijven en kan de vaste lasten van huiseigenaren verminderen en/of woningverbetering mogelijk maken.
3. Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten.
Afhankelijk van de locatie van windmolens kunnen landschapsstructuren worden aangetast of juist versterkt.
Afhankelijk van locatie en vormgeving kunnen zonneparken negatieve effecten hebben op de bodemkwaliteit, natuurwaarden en het landschap.
4. Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2024-19835.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.